XIII.Door het vuur.Ondertusschen wachtten de kolonel en zijne vrienden in het kamp met zeer natuurlijk ongeduld het gevolg van den strijd onder aan den berg af. Als de jagers slaagden moest het lichtpunt ’s nachts te zien zijn. Men begrijpt hoe ongerust de geleerden dien dag doorbrachten. Hunne instrumenten waren gereed; zij hadden ze op den bergtop gericht, zoodat zij den flauwsten schijn zelfs zouden kunnen waarnemen.Maar zou het licht zich vertoonen?De kolonel en Mathieu Strux namen geen enkel oogenblik rust. Nikolaas Palander alleen was altijd in gedachten verdiept, en vergat door zijne berekeningen dat zijne makkers een gevaar dreigde. Men beschuldige hem niet van aangeboren zelfzucht. Men kon van hem zeggen wat van den wiskunstenaar Bouvard beweerd werd: »Hij zal slechts ophouden met rekenen, als hij ophoudt te leven, terwijl Nikolaas Palander misschien zal ophouden te leven, zoodra hij ophoudt met rekenen!”Men moet evenwel erkennen dat de beide Engelsche en Russische geleerden in hunne onrust evenzeer dachten aan het volbrengen van hun geodesischen arbeid als aan het gevaar, dat hunne vrienden liepen. Zij zelven zouden dit gevaar ook getrotseerd hebben, daar zij niet vergaten dat zij ook tot de strijdvoerende wetenschap behoorden. Maar zij waren al te zeer bezig met het resultaat van hun onderzoek. Een natuurlijke hinderpaal die niet kon overwonnen worden, kon hun werk toch doen staken of ten minste vertragen. Men kan zich dus licht voorstellen in welk een angst de beide sterrekundigen gedurende dien oneindig langen dag verkeerden. Eindelijk viel de duisternis. De kolonel en Mathieu Strux, die elk een half uur lang zouden waarnemen, gingen beurt om beurt voor den kijker zitten. Te midden der duisternis spraken zij geen woord en wisselden elkander met de grootste nauwgezetheid af. Het was een wedstrijd wie hunner het eerst het zoo ongeduldig verwachte teeken zien zou.Uren verliepen; het was reeds over middernacht, niets was nog op den donkeren bergtop verschenen. Eindelijk stond kolonel Everest kwartier voor drieën bedaard op, en zeide alleen: »het signaal!”Het toeval had hem begunstigd tot groote spijt van zijn Russischenambtgenoot, die zelf het verschijnen van den lantaarn moest bevestigen. Maar Mathieu Strux hield zich in en zeide geen woord. Men bepaalde toen het punt met de meest angstvallige voorzorgen, en na dikwijls herhaalde waarnemingen werd de gemeten hoek bevonden 73° 58′ 42″ 413. Men ziet dat de hoek tot op duizendste deelen van seconden gemeten was en dus zoo goed als met eene volstrekte juistheid.Den volgenden morgen, 2 Juli, werd het kamp bij het aanbreken van den dag opgebroken. Kolonel Everest wilde zijne makkers zoo spoedig mogelijk weder opzoeken. Hij haastte zich om te weten of de verovering van den berg niet al te duur gekocht was. Onder het geleide van den gids begaven de wagens zich op weg, en om twaalf uren ’s middags waren al de leden der wetenschappelijke commissie weder bij elkander. Al de bijzonderheden van het gevecht tegen de leeuwen werden uitvoerig verhaald en het ontbrak den overwinnaars daarbij niet aan welgemeende gelukwenschen.Dien morgen hadden Murray, Zorn en Emery boven van den berg den hoeksafstand van een nieuw station gemeten, dat eenige kilometers westwaarts van den meridiaan gelegen was. De arbeid kon dus zonder oponthoud worden voortgezet. Nadat de astronomen de hoogte van eenige sterren bepaald hadden, berekenden zij de breedte van den bergtop, waaruit Palander de gevolgtrekking maakte dat men door de laatste driehoeksmetingen een tweede gedeelte van den meridiaan van ten naaste bij één graad had opgemeten. Door middel van vijftien driehoeken hadden zij dus in het geheel twee graden van de basis afgemeten.Het werk werd onmiddellijk voortgezet; het werd onder vrij goede omstandigheden verricht, en men hoopte dat geen enkele natuurlijke hinderpaal de voltooiing van het geheel in den weg zou staan. Gedurende vijf weken begunstigde de hemel de waarnemingen. De eenigszins heuvelachtige grond was bijzonder geschikt voor het plaatsen van seinpalen; onder toezicht van den Boschjesman werden de legerplaatsen geregeld inordegebracht. Het ontbrak hun niet aan levensmiddelen; de jagers van de karavaan voorzagen, met John Murray aan het hoofd, haar dagelijks van wild. De eerzame Engelschman telde zelfs de verscheidenheid van antilopen of buffels niet meer, die onder zijne kogels vielen. Alles ging naar wensch. De gezondheidstoestand was voldoende; het water was nog overvloedig voorhanden; eindelijk scheen de oneenigheid tusschen den kolonel en Mathieu Strux te bedaren, tot groot genoegen hunner makkers. Elkeen toonde den grootsten ijver, en men kon den goeden uitslag der onderneming reeds voorspellen, toen eene plaatselijke moeilijkheid voor het oogenblik de waarnemingen hinderde, en den nationalen naijver weder aanwakkerde.Het was de 11deAugustus. Sedert den vorigen dag trok de karavaandoor eene boschrijke streek, waar bosschen en kreupelhout mijlen achtereen elkander afwisselden. Dien morgen hielden de wagens halt voor eene ontzaglijke massa hooge boomen, die zich, zoover de gezichteinder reikte, uitstrekte. Niets was indrukwekkender van dit groene gordijn, dat zich honderd voeten boven den grond verhief. Geene beschrijving zou een juist denkbeeld kunnen geven dan de schoone boomen, waaruit een Afrikaansch bosch bestaat. Dáár vermengen zich de heerlijkste geuren van allerlei soort van boomen, van den gounda, den mosokoso, den moukomdou, welks hout voor den scheepsbouw zeer gezocht is, van hoogstammige ebbenboomen met geheel zwarte schors, van den ijzerhoutboom, van den buchnera met zijne oranjekleurige bloemen, van eene soort boomen met witachtigen stam en purperkleurige, onbeschrijfelijk schoone bladeren, van duizenden pokhoutboomen waarvan sommige tot zelfs vijftien voet in omtrek hadden. Uit dit geweldige woud steeg een indrukwekkend en grootsch geluid op, dat aan de branding op eene zandige kust denken deed. Het was het geruisch van den wind in de bladerenmassa dat zich in dit reuzenwoud hooren deed.Op eene vraag van kolonel Everest, antwoordde de jager, dat dit het woud van Rovouma was.»Hoe breed is het van het oosten naar het westen?”»Vijfenveertig kilometers.”»En van het noorden naar het zuiden?”»Ongeveer tien kilometers.”»En hoe zullen wij door die dichte boommassa heenkomen?”»Wij kunnen er niet door,” antwoordde Mokum. »Er is geen begaanbaar voetpad; slechts één middel blijft ons over, namelijk om aan de oost- of westzijde om het bosch heen te trekken.”Toen de aanvoerders zulke juiste antwoorden van den Boschjesman gehoord hadden, waren zij zeer verlegen. Het was duidelijk dat men geen seinpalen in dit groote en uitgestrekte bosch zetten kon. Er omheen trekken, dat is te zeggen, twintig tot vijfentwintig kilometers aan de eene of andere zijde van den meridiaan afwijken, was den arbeid ontzaglijk vermeerderen, en misschien een tiental driehoeken meer meten dan noodig was.Er bestond dus eene wezenlijke moeilijkheid, een natuurlijke hinderpaal. De vraag was van belang en moeielijk op te lossen. Zoodra de legerplaats was opgeslagen onder de schaduw van prachtige boomgroepen, die op een halven kilometer van het bosch afstonden, werd er door de astronomen raad belegd om eene beslissing te nemen. De vraag om door dit ontzaglijke bosch heen de meting te vervolgen verviel als van zelf. Het was duidelijk dat men onder zulke omstandigheden niet werken kon. Het voorstel bleef nu over om rechts of links om het bosch heen te trekken, daar de afwijking aanbeide zijden ongeveer dezelfde was, want de meridiaan liep ongeveer midden door het bosch heen.Hij sliep weldra in. Blz. 111.Hij sliep weldra in. Blz.111.De leden der Engelsch-Russische commissie besloten dus om dienonoverkomelijken hinderpaal heen te trekken.1Het kwam er niet op aan of dat oost- of westwaarts zou zijn; doch nu ontstond er juist over dit nietsbeduidende punt een hevige twist tusschen den kolonel en Mathieu Strux. De twee tegenstanders, die zich reeds eenigen tijd hadden ingehouden, gaven lucht aan hunne oude vijandschap, die eensklaps uitbarstte, en eindigde in eene ernstige oneenigheid. Te vergeefs traden hunne ambtgenooten tusschen beiden. De beideaanvoerders wilden naar niets hooren. De Engelschman wilde rechts, omdat dan de tocht gaan zou dicht langs den door Livingstone gevolgden weg bij diens eerste reis naar den waterval der Zambese, en dit was eene goede reden, want deze landstreek kon, als meer bekend en bezocht, zekere voordeelen opleveren. Wat den Rus betreft, hij wilde links, doch klaarblijkelijk alléén om den kolonel in het vaarwater te zitten. Als deze links had willen trekken zou de Rus zeker rechts zijn gegaan.De twist liep zeer hoog en men voorzag reeds het oogenblik dat de leden der commissie zich in twee partijen zouden verdeelen.Michel Zorn en William Emery, John Murray en Nikolaas Palander konden er niets aan doen; zij gingen dus heen en lieten de beide aanvoerders twisten. Zij waren zoo stijfhoofdig, dat men het ergste kon verwachten, zelfs dat de arbeid, welke hier bleef steken, door middel van twee rijen scheeve driehoeken zou worden voortgezet. De dag ging voorbij zonder eenige toenadering tusschen de beide tegenovergestelde meeningen.Den volgenden dag, 12 Augustus, voorzag Murray dat de stijfhoofdige astronomen het nog niet eens zouden worden, en ging dus den Boschjesman opzoeken om hem voor te stellen in den omtrek te gaan jagen. In dien tijd zouden de beide geleerden elkander mogelijk verstaan. In allen gevalle was een stuk versch wildbraad niet te verwerpen.Mokum, die altijd gereed was, floot zijn hond Top, en de beide jagers, die het kreupelbosch en den rand van het woud afliepen, dwaalden pratende en jagende eenige kilometers van de legerplaats af. Het was natuurlijk dat het gesprek liep over de gebeurtenis, die het voortzetten van den geodesischen arbeid belette.»Ik stel me voor,” zeide de Boschjesman, »dat we wel eenigen tijd aan den rand van dit bosch van Rovouma gelegerd zullen blijven. Onze beide aanvoerders zullen elkander niet gemakkelijk iets toegeven. Neem me niet kwalijk als ik ze vergelijk bij halsstarrige ossen, waarvan de een rechts en de ander links trekt, zoodat de wagen niet meer kan loopen.”»Het is een noodlottige omstandigheid,” antwoordde Murray, »en ik vrees dat deze stijfhoofdigheid een geheele scheiding na zich sleept. Als het belang van de wetenschap er niet mede gemoeid was, zou die vijandschap tusschen twee sterrekundigen mij vrij koel laten, waarde Mokum. De wildrijke bosschen van Afrika kunnen mij afleiding genoeg bezorgen, en zoolang die beide heeren het oneens zijn, zal ik met het geweer op schouder het jachtveld afloopen.”»Maar denkt u dat zij het op dit punt eens zullen worden? Ik voor mij hoop het niet, en zooals ik reeds zeide, ons oponthoud kan hier tot in het oneindige verlengd worden.”»Ik vrees het, Mokum,” antwoordde Murray. »Onze beide aanvoerdershebben ongelukkig genoeg twist over eene niets beteekenende zaak, die men wetenschappelijk niet kan oplossen. Zij hebben beiden gelijk en beiden ongelijk. Kolonel Everest heeft bepaald verklaard, dat hij niet zou toegeven. Mathieu Strux heeft gezworen dat hij zich tegen de aanmatiging van den kolonel verzetten zou, en de beide geleerden, die zich waarschijnlijk op een wetenschappelijk bewijs zouden gewonnen gegeven, zullen er nimmer toe gebracht kunnen worden om toe te geven in een geschilpunt, waarmede hunne eigenliefde gemoeid is. Het is in het belang van ons werk waarlijk te betreuren dat onze meridiaan juist door het bosch loopt!”»De duivel hale die bosschen!” antwoordde de Boschjesman, »als er van zulk werk sprake is. Maar wat drommel kan het die geleerden schelen om de lengte of breedte van de aarde te meten? Zullen ze zooveel wijzer zijn als ze dit met voeten en duimen hebben uitgerekend? Ik voor mij, mijnheer, weet liever al die dingen niet! Ik geloof liever dat de bol, dien ik bewoon, oneindig groot is, en ik houd het er voor, dat men de aarde verkleint als men er de juiste afmetingen van kent! Neen, mijnheer, al leef ik honderd jaar dan nog zou ik nimmer aan het nut van uw werk geloof slaan!”Murray kon niet nalaten te glimlachen. Dit punt was dikwijls tusschen den jager en hem besproken; de onbeschaafde natuurmensch, die vrij door bosschen en over vlakten ronddwaalde en onversaagd de wilde dieren aanviel, kon natuurlijk het wetenschappelijke belang niet begrijpen dat er in eene driehoeksmeting gelegen was. Soms had Murray hem hiervan trachten te overtuigen, maar de Boschjesman antwoordde hem met bewijsgronden uit eene wezenlijke natuurlijke wijsbegeerte geput en met een soort van wilde welsprekendheid voorgedragen, welke Murray, die half geleerde en half jager was, zeer op prijs stelde.Zoo voortkeuvelende, vervolgden de beide jagers in de vlakte het kleine wild, zooals hazen, een nieuw soort van knaagdieren, onder den naam van »graphycerus elegans” bekend, enkele schel schreeuwende regenvogels, en vluchten patrijzen met bruine, gele en zwarte vederen. Maar vreemd genoeg, Murray alleen hield de eer van de jacht op; de Boschjesman schoot weinig; zijn geest scheen geheel en al te worden bezig gehouden door die oneenigheid tusschen de beide sterrekundigen, die het goed slagen van de onderneming noodzakelijk in de waagschaal stellen moest. De omstandigheid van dat bosch hinderde hem zeker meer dan Murray; hoe verscheiden het wild ook was, toch vestigde hij er ter nauwernood de aandacht op; dat was een ernstig teeken bij zulk een jager.Van alle kanten het gehuil, het geschreeuw en gebrul van dieren. Blz. 112.Van alle kanten het gehuil, het geschreeuw en gebrul van dieren. Blz.112.Inderdaad speelde een aanvankelijk zeer vaag denkbeeld den Boschjesman door het hoofd, doch langzamerhand nam dat denkbeeld meer bepaalde vormen in zijne hersens aan. Murray hoorde hem in zich zelven praten, vragen en antwoorden. Hij zag hem met hetgeweer in rust, zonder te letten op het loopend en vliegend wild om hem heen; hij stond onbeweeglijk en scheen even afgetrokken als Nikolaas Palander, wanneer deze naar eene fout in eene logarithmentafelzocht. Maar Murray eerbiedigde deze overdenkingen, en wilde zijn makker in deze zwaarwichtige overpeinzingen niet storen.Twee of driemalen kwam Mokum op dien dag naar Murray toe en vroeg hem: »Dus meent mijnheer, dat de kolonel en mijnheer Strux het niet eens zullen worden?”Op deze vraag antwoordde Murray onveranderlijk dat het hem moeilijk toescheen hen te verzoenen, en dat eene scheiding tusschen Russen en Engelschen te vreezen stond.Toen zij ’s avonds nog op eenige mijlen van de legerplaats verwijderd waren, deed Mokum voor de laatste maal dezelfde vraag, en kreeg hetzelfde antwoord, maar toen voegde hij er bij:»Welnu, wees dan maar gerust, want ik heb het middel gevonden om aan de beide geleerden hun zin te geven.”»Zoo... dappere jager?” antwoordde Murray vrij verbaasd.»Ja, ik herhaal het u, mijnheer. Vóór morgen zullen de kolonel en mijnheer Strux geen reden meer hebben om twist te zoeken, als de wind maar gunstig is.”»Wat wilt ge daarmede zeggen, Mokum?”»Ik weet wat ik zeg, mijnheer!”»Welnu, doe het Mokum, dan zult ge u verdienstelijk hebben gemaakt jegens het geheele geleerde Europa, en zal uw naam in de jaarboeken der wetenschap worden opgeteekend.”»Veel eer voor mij,” antwoordde de Boschjesman, en voegde er vol van gedachten aan zijn voornemen geen woord meer bij.Murray eerbiedigde dat stilzwijgen en vroeg den Boschjesman niets meer. Maar hij kon inderdaad niet raden waardoor zijn makker die beide koppige heeren meende te kunnen verzoenen, nu zij op zulk eene bespottelijke wijze het welslagen der onderneming in de waagschaal stelden.’s Avonds ongeveer vijf uren kwamen de jagers in de legerplaats terug. De zaak was nog niets gevorderd, en de oneenigheid tusschen den Rus en den Engelschman was nog verergerd. De dikwijls herhaalde tusschenkomst van Michel Zorn en William Emery had tot niets geleid. Persoonlijkheden waren tusschen de beide tegenstanders verscheidene malen gewisseld; betreurenswaardige beleedigingen van weerszijden hadden alle toenadering onmogelijk gemaakt. Men begon zelfs te vreezen dat de reeds hooger geloopen twist met eene uitdaging zou eindigen. De toekomst van de triangulatie was dus tot op zekere hoogte in gevaar, indien niet ieder van de beide geleerden haar alléén en voor eigen verantwoordelijkheid voortzette. Maar in dit geval zou er eene onmiddellijke scheiding gevolgd zijn, en dit vooruitzicht bedroefde dikwijls de beide jongelingen, die elkander genegen en door wederzijdsche vriendschap zoo nauw verbonden waren.Murray begreep wat er in hen omging. Hij raadde de oorzaakvan hunne treurigheid. Misschien had hij ze kunnen geruststellen door hun de woorden van den Boschjesman over te brengen, doch, hoeveel vertrouwen hij ook in den laatste stelde, wilde hij toch zijne jonge vrienden niet met iets zeer onzekers verblijden en daarom besloot hij tot den volgenden dag op het volbrengen der belofte van den Boschjesman te wachten. Deze veranderde dien avond niets in zijne gewone bezigheden. Hij plaatste de wachten om de legerplaats zooals hij gewoon was, hij liet het oog gaan over de plaatsing der wagens, en nam alle maatregelen, die noodzakelijk waren voor de zekerheid der karavaan.Murray meende dat de jager zijne belofte vergeten had. Voor dat hij ter ruste ging, wilde hij den kolonel ten minste polsen ten opzichte van den Russischen astronoom. Kolonel Everest was onverzettelijk en stond op zijne rechten, waarbij hij nog verzekerde, dat als Mathieu Strux niet toegaf, de Engelschen zich van de Russen zouden scheiden, omdat »er zaken zijn, die men zelfs van een ambtgenoot niet kan verdragen.”Daarop ging Murray zeer ongerust naar bed, en sliep weldra in, vermoeid als hij was door de jacht van dien dag.Tegen elf uren werd hij plotseling wakker; er heerschte eene ongewone beweging onder de inboorlingen, zij liepen her- en derwaarts in de legerplaats. Murray stond aanstonds op en vond al zijne reisgezellen reeds op de been.Het bosch stond in brand.Welk een tooneel! In den donkeren nacht met den somberen horizon tot achtergrond, scheen zich een vlammengordijn hemelhoog te verheffen. In een oogwenk had de brand zich over eene breedte van verscheidene kilometers uitgestrekt. Murray zag Mokum aan, die onbeweeglijk naast hem stond. Maar Mokum beantwoordde zijn blik niet; Murray had hem begrepen; het vuur zou den geleerden door dit eeuwenoude woud een weg banen.De wind woei uit het zuiden en begunstigde de plannen van den Boschjesman. De luchtstroom blies in het woud alsof het met een blaasbalg geschiedde, wakkerde den brand aan en verzadigde den vuurpoel met zuurstof. Hij deed de vlammen stijgen, rukte brandende takken en stukken gloeiend verkoold hout af, en joeg die in de verder afstaande boomen, die daardoor aanstonds in brand werden gestoken. Het vuur breidde zich uit en drong meer en meer het woud in; eene gloeiende hitte deed zich tot in de legerplaats gevoelen. Het doode hout, dat onder het sombere bladergewelf lag opgestapeld, knapte; te midden der vlammen flikkerden dikwijls plotseling heldere vuurzuilen op en verspreidden een schitterend licht. Dit waren harsachtige boomen, die als fakkels brandden. Daardoor hoorde men nu en dan als een verwijderd gelederenvuur, een duidelijk knappen en kraken, naarmate van de soortvan boomen, die werden aangetast, dan weder een geknal alsof er bommen barstten, wanneer oude stammen van ijzerhout in den brand vlogen. De hemel weerkaatste dezen reusachtigen brand. Vuurroode wolken schenen vuur gevat te hebben alsof de brand zelfs naar den hemel was overgeslagen. Zwermen van vonken schitterden als sterren tegen het sombere gewelf te midden van dikke rookwolken.Daartusschen hoorde men van alle kanten het huilen, schreeuwen en brullen van dieren; schaduwen schoten voorbij, verschrikte beesten, die naar alle zijden heensnelden, groote sombere spoken wier vreeselijk gebrul verraadde tot welke soort de vluchtelingen behoorden. Eene ontzettende vrees had hyena’s, buffels, leeuwen en olifanten aangegrepen, en joeg ze naar de uiterste grenzen van den donkeren gezichteinder.De brand duurde den geheelen nacht, en den volgenden dag en nacht voort. En toen de morgen van 14 Augustus aanbrak, was een groot gedeelte van het bosch door het vuur verteerd en maakte het over eene breedte van verscheidene kilometers begaanbaar. De weg voor den meridiaan was gebaand en ditmaal was de toekomst voor de triangulatie door de stoutmoedige daad van den jager Mokum gered.1Om onzen lezers duidelijk te maken wat eene geodesische opname eigenlijk is en hun eenig denkbeeld te geven van de moeielijkheden die haar somtijds in den weg kunnen staan, wordt het onderstaande hier ter verduidelijking bijgevoegd: laat AB het gedeelte van den meridiaan zijn, welker lengte men bepalen moet. Men meet met de grootste nauwkeurigheid eene basis AC, door van het uiteinde A van den meridiaan naar een eerste station C te gaan, daarna kiest men aan weêrszijden van den meridiaan andere stations als D, E, F, G, H, I, enz. van elk van welke men de naastbijgelegen stations zien kan, en men meet met den theodoliet de hoeken der driehoeken ACD, CDE, EDF, enz. Deze eerste bewerking stelt in staat, om die geheele driehoeken te berekenen, want in den eersten kent men AC en de hoeken, en men kan dus de zijde CD berekenen; in den tweeden kent men CD en de hoeken, en men kan de zijde DE berekenen; in den derden kent men DE en de hoeken en men kan EF berekenen, enz. Daarna bepaalt men, in het punt A staande, de richting van den meridiaan op de gewone wijze, en men meet hoek MAC, welke deze richting met de basis vormt; men kent dan door berekening de zijde AC en de aanliggende hoeken van den driehoek ACM, en men kan derhalve het eerste gedeelte AM van den meridiaan vinden. Men berekent tegelijkertijd den hoek M en de zijde CM: men kent dan in den driehoek MDN de zijde DM = CD-CM en de aanliggende hoeken, en daarmede kan men het tweede stuk MN van den meridiaan vinden, verder ook hoek N en de zijde DN. In driehoek NEP kent men dus de zijde EN = DE-DN en de aanliggende hoeken, en men kan het derde stuk NP van den meridiaan berekenen, enz. Men begrijpt, dat men op die wijze stuksgewijze de lengte van den geheelen boog AB bepalen kan.
XIII.Door het vuur.Ondertusschen wachtten de kolonel en zijne vrienden in het kamp met zeer natuurlijk ongeduld het gevolg van den strijd onder aan den berg af. Als de jagers slaagden moest het lichtpunt ’s nachts te zien zijn. Men begrijpt hoe ongerust de geleerden dien dag doorbrachten. Hunne instrumenten waren gereed; zij hadden ze op den bergtop gericht, zoodat zij den flauwsten schijn zelfs zouden kunnen waarnemen.Maar zou het licht zich vertoonen?De kolonel en Mathieu Strux namen geen enkel oogenblik rust. Nikolaas Palander alleen was altijd in gedachten verdiept, en vergat door zijne berekeningen dat zijne makkers een gevaar dreigde. Men beschuldige hem niet van aangeboren zelfzucht. Men kon van hem zeggen wat van den wiskunstenaar Bouvard beweerd werd: »Hij zal slechts ophouden met rekenen, als hij ophoudt te leven, terwijl Nikolaas Palander misschien zal ophouden te leven, zoodra hij ophoudt met rekenen!”Men moet evenwel erkennen dat de beide Engelsche en Russische geleerden in hunne onrust evenzeer dachten aan het volbrengen van hun geodesischen arbeid als aan het gevaar, dat hunne vrienden liepen. Zij zelven zouden dit gevaar ook getrotseerd hebben, daar zij niet vergaten dat zij ook tot de strijdvoerende wetenschap behoorden. Maar zij waren al te zeer bezig met het resultaat van hun onderzoek. Een natuurlijke hinderpaal die niet kon overwonnen worden, kon hun werk toch doen staken of ten minste vertragen. Men kan zich dus licht voorstellen in welk een angst de beide sterrekundigen gedurende dien oneindig langen dag verkeerden. Eindelijk viel de duisternis. De kolonel en Mathieu Strux, die elk een half uur lang zouden waarnemen, gingen beurt om beurt voor den kijker zitten. Te midden der duisternis spraken zij geen woord en wisselden elkander met de grootste nauwgezetheid af. Het was een wedstrijd wie hunner het eerst het zoo ongeduldig verwachte teeken zien zou.Uren verliepen; het was reeds over middernacht, niets was nog op den donkeren bergtop verschenen. Eindelijk stond kolonel Everest kwartier voor drieën bedaard op, en zeide alleen: »het signaal!”Het toeval had hem begunstigd tot groote spijt van zijn Russischenambtgenoot, die zelf het verschijnen van den lantaarn moest bevestigen. Maar Mathieu Strux hield zich in en zeide geen woord. Men bepaalde toen het punt met de meest angstvallige voorzorgen, en na dikwijls herhaalde waarnemingen werd de gemeten hoek bevonden 73° 58′ 42″ 413. Men ziet dat de hoek tot op duizendste deelen van seconden gemeten was en dus zoo goed als met eene volstrekte juistheid.Den volgenden morgen, 2 Juli, werd het kamp bij het aanbreken van den dag opgebroken. Kolonel Everest wilde zijne makkers zoo spoedig mogelijk weder opzoeken. Hij haastte zich om te weten of de verovering van den berg niet al te duur gekocht was. Onder het geleide van den gids begaven de wagens zich op weg, en om twaalf uren ’s middags waren al de leden der wetenschappelijke commissie weder bij elkander. Al de bijzonderheden van het gevecht tegen de leeuwen werden uitvoerig verhaald en het ontbrak den overwinnaars daarbij niet aan welgemeende gelukwenschen.Dien morgen hadden Murray, Zorn en Emery boven van den berg den hoeksafstand van een nieuw station gemeten, dat eenige kilometers westwaarts van den meridiaan gelegen was. De arbeid kon dus zonder oponthoud worden voortgezet. Nadat de astronomen de hoogte van eenige sterren bepaald hadden, berekenden zij de breedte van den bergtop, waaruit Palander de gevolgtrekking maakte dat men door de laatste driehoeksmetingen een tweede gedeelte van den meridiaan van ten naaste bij één graad had opgemeten. Door middel van vijftien driehoeken hadden zij dus in het geheel twee graden van de basis afgemeten.Het werk werd onmiddellijk voortgezet; het werd onder vrij goede omstandigheden verricht, en men hoopte dat geen enkele natuurlijke hinderpaal de voltooiing van het geheel in den weg zou staan. Gedurende vijf weken begunstigde de hemel de waarnemingen. De eenigszins heuvelachtige grond was bijzonder geschikt voor het plaatsen van seinpalen; onder toezicht van den Boschjesman werden de legerplaatsen geregeld inordegebracht. Het ontbrak hun niet aan levensmiddelen; de jagers van de karavaan voorzagen, met John Murray aan het hoofd, haar dagelijks van wild. De eerzame Engelschman telde zelfs de verscheidenheid van antilopen of buffels niet meer, die onder zijne kogels vielen. Alles ging naar wensch. De gezondheidstoestand was voldoende; het water was nog overvloedig voorhanden; eindelijk scheen de oneenigheid tusschen den kolonel en Mathieu Strux te bedaren, tot groot genoegen hunner makkers. Elkeen toonde den grootsten ijver, en men kon den goeden uitslag der onderneming reeds voorspellen, toen eene plaatselijke moeilijkheid voor het oogenblik de waarnemingen hinderde, en den nationalen naijver weder aanwakkerde.Het was de 11deAugustus. Sedert den vorigen dag trok de karavaandoor eene boschrijke streek, waar bosschen en kreupelhout mijlen achtereen elkander afwisselden. Dien morgen hielden de wagens halt voor eene ontzaglijke massa hooge boomen, die zich, zoover de gezichteinder reikte, uitstrekte. Niets was indrukwekkender van dit groene gordijn, dat zich honderd voeten boven den grond verhief. Geene beschrijving zou een juist denkbeeld kunnen geven dan de schoone boomen, waaruit een Afrikaansch bosch bestaat. Dáár vermengen zich de heerlijkste geuren van allerlei soort van boomen, van den gounda, den mosokoso, den moukomdou, welks hout voor den scheepsbouw zeer gezocht is, van hoogstammige ebbenboomen met geheel zwarte schors, van den ijzerhoutboom, van den buchnera met zijne oranjekleurige bloemen, van eene soort boomen met witachtigen stam en purperkleurige, onbeschrijfelijk schoone bladeren, van duizenden pokhoutboomen waarvan sommige tot zelfs vijftien voet in omtrek hadden. Uit dit geweldige woud steeg een indrukwekkend en grootsch geluid op, dat aan de branding op eene zandige kust denken deed. Het was het geruisch van den wind in de bladerenmassa dat zich in dit reuzenwoud hooren deed.Op eene vraag van kolonel Everest, antwoordde de jager, dat dit het woud van Rovouma was.»Hoe breed is het van het oosten naar het westen?”»Vijfenveertig kilometers.”»En van het noorden naar het zuiden?”»Ongeveer tien kilometers.”»En hoe zullen wij door die dichte boommassa heenkomen?”»Wij kunnen er niet door,” antwoordde Mokum. »Er is geen begaanbaar voetpad; slechts één middel blijft ons over, namelijk om aan de oost- of westzijde om het bosch heen te trekken.”Toen de aanvoerders zulke juiste antwoorden van den Boschjesman gehoord hadden, waren zij zeer verlegen. Het was duidelijk dat men geen seinpalen in dit groote en uitgestrekte bosch zetten kon. Er omheen trekken, dat is te zeggen, twintig tot vijfentwintig kilometers aan de eene of andere zijde van den meridiaan afwijken, was den arbeid ontzaglijk vermeerderen, en misschien een tiental driehoeken meer meten dan noodig was.Er bestond dus eene wezenlijke moeilijkheid, een natuurlijke hinderpaal. De vraag was van belang en moeielijk op te lossen. Zoodra de legerplaats was opgeslagen onder de schaduw van prachtige boomgroepen, die op een halven kilometer van het bosch afstonden, werd er door de astronomen raad belegd om eene beslissing te nemen. De vraag om door dit ontzaglijke bosch heen de meting te vervolgen verviel als van zelf. Het was duidelijk dat men onder zulke omstandigheden niet werken kon. Het voorstel bleef nu over om rechts of links om het bosch heen te trekken, daar de afwijking aanbeide zijden ongeveer dezelfde was, want de meridiaan liep ongeveer midden door het bosch heen.Hij sliep weldra in. Blz. 111.Hij sliep weldra in. Blz.111.De leden der Engelsch-Russische commissie besloten dus om dienonoverkomelijken hinderpaal heen te trekken.1Het kwam er niet op aan of dat oost- of westwaarts zou zijn; doch nu ontstond er juist over dit nietsbeduidende punt een hevige twist tusschen den kolonel en Mathieu Strux. De twee tegenstanders, die zich reeds eenigen tijd hadden ingehouden, gaven lucht aan hunne oude vijandschap, die eensklaps uitbarstte, en eindigde in eene ernstige oneenigheid. Te vergeefs traden hunne ambtgenooten tusschen beiden. De beideaanvoerders wilden naar niets hooren. De Engelschman wilde rechts, omdat dan de tocht gaan zou dicht langs den door Livingstone gevolgden weg bij diens eerste reis naar den waterval der Zambese, en dit was eene goede reden, want deze landstreek kon, als meer bekend en bezocht, zekere voordeelen opleveren. Wat den Rus betreft, hij wilde links, doch klaarblijkelijk alléén om den kolonel in het vaarwater te zitten. Als deze links had willen trekken zou de Rus zeker rechts zijn gegaan.De twist liep zeer hoog en men voorzag reeds het oogenblik dat de leden der commissie zich in twee partijen zouden verdeelen.Michel Zorn en William Emery, John Murray en Nikolaas Palander konden er niets aan doen; zij gingen dus heen en lieten de beide aanvoerders twisten. Zij waren zoo stijfhoofdig, dat men het ergste kon verwachten, zelfs dat de arbeid, welke hier bleef steken, door middel van twee rijen scheeve driehoeken zou worden voortgezet. De dag ging voorbij zonder eenige toenadering tusschen de beide tegenovergestelde meeningen.Den volgenden dag, 12 Augustus, voorzag Murray dat de stijfhoofdige astronomen het nog niet eens zouden worden, en ging dus den Boschjesman opzoeken om hem voor te stellen in den omtrek te gaan jagen. In dien tijd zouden de beide geleerden elkander mogelijk verstaan. In allen gevalle was een stuk versch wildbraad niet te verwerpen.Mokum, die altijd gereed was, floot zijn hond Top, en de beide jagers, die het kreupelbosch en den rand van het woud afliepen, dwaalden pratende en jagende eenige kilometers van de legerplaats af. Het was natuurlijk dat het gesprek liep over de gebeurtenis, die het voortzetten van den geodesischen arbeid belette.»Ik stel me voor,” zeide de Boschjesman, »dat we wel eenigen tijd aan den rand van dit bosch van Rovouma gelegerd zullen blijven. Onze beide aanvoerders zullen elkander niet gemakkelijk iets toegeven. Neem me niet kwalijk als ik ze vergelijk bij halsstarrige ossen, waarvan de een rechts en de ander links trekt, zoodat de wagen niet meer kan loopen.”»Het is een noodlottige omstandigheid,” antwoordde Murray, »en ik vrees dat deze stijfhoofdigheid een geheele scheiding na zich sleept. Als het belang van de wetenschap er niet mede gemoeid was, zou die vijandschap tusschen twee sterrekundigen mij vrij koel laten, waarde Mokum. De wildrijke bosschen van Afrika kunnen mij afleiding genoeg bezorgen, en zoolang die beide heeren het oneens zijn, zal ik met het geweer op schouder het jachtveld afloopen.”»Maar denkt u dat zij het op dit punt eens zullen worden? Ik voor mij hoop het niet, en zooals ik reeds zeide, ons oponthoud kan hier tot in het oneindige verlengd worden.”»Ik vrees het, Mokum,” antwoordde Murray. »Onze beide aanvoerdershebben ongelukkig genoeg twist over eene niets beteekenende zaak, die men wetenschappelijk niet kan oplossen. Zij hebben beiden gelijk en beiden ongelijk. Kolonel Everest heeft bepaald verklaard, dat hij niet zou toegeven. Mathieu Strux heeft gezworen dat hij zich tegen de aanmatiging van den kolonel verzetten zou, en de beide geleerden, die zich waarschijnlijk op een wetenschappelijk bewijs zouden gewonnen gegeven, zullen er nimmer toe gebracht kunnen worden om toe te geven in een geschilpunt, waarmede hunne eigenliefde gemoeid is. Het is in het belang van ons werk waarlijk te betreuren dat onze meridiaan juist door het bosch loopt!”»De duivel hale die bosschen!” antwoordde de Boschjesman, »als er van zulk werk sprake is. Maar wat drommel kan het die geleerden schelen om de lengte of breedte van de aarde te meten? Zullen ze zooveel wijzer zijn als ze dit met voeten en duimen hebben uitgerekend? Ik voor mij, mijnheer, weet liever al die dingen niet! Ik geloof liever dat de bol, dien ik bewoon, oneindig groot is, en ik houd het er voor, dat men de aarde verkleint als men er de juiste afmetingen van kent! Neen, mijnheer, al leef ik honderd jaar dan nog zou ik nimmer aan het nut van uw werk geloof slaan!”Murray kon niet nalaten te glimlachen. Dit punt was dikwijls tusschen den jager en hem besproken; de onbeschaafde natuurmensch, die vrij door bosschen en over vlakten ronddwaalde en onversaagd de wilde dieren aanviel, kon natuurlijk het wetenschappelijke belang niet begrijpen dat er in eene driehoeksmeting gelegen was. Soms had Murray hem hiervan trachten te overtuigen, maar de Boschjesman antwoordde hem met bewijsgronden uit eene wezenlijke natuurlijke wijsbegeerte geput en met een soort van wilde welsprekendheid voorgedragen, welke Murray, die half geleerde en half jager was, zeer op prijs stelde.Zoo voortkeuvelende, vervolgden de beide jagers in de vlakte het kleine wild, zooals hazen, een nieuw soort van knaagdieren, onder den naam van »graphycerus elegans” bekend, enkele schel schreeuwende regenvogels, en vluchten patrijzen met bruine, gele en zwarte vederen. Maar vreemd genoeg, Murray alleen hield de eer van de jacht op; de Boschjesman schoot weinig; zijn geest scheen geheel en al te worden bezig gehouden door die oneenigheid tusschen de beide sterrekundigen, die het goed slagen van de onderneming noodzakelijk in de waagschaal stellen moest. De omstandigheid van dat bosch hinderde hem zeker meer dan Murray; hoe verscheiden het wild ook was, toch vestigde hij er ter nauwernood de aandacht op; dat was een ernstig teeken bij zulk een jager.Van alle kanten het gehuil, het geschreeuw en gebrul van dieren. Blz. 112.Van alle kanten het gehuil, het geschreeuw en gebrul van dieren. Blz.112.Inderdaad speelde een aanvankelijk zeer vaag denkbeeld den Boschjesman door het hoofd, doch langzamerhand nam dat denkbeeld meer bepaalde vormen in zijne hersens aan. Murray hoorde hem in zich zelven praten, vragen en antwoorden. Hij zag hem met hetgeweer in rust, zonder te letten op het loopend en vliegend wild om hem heen; hij stond onbeweeglijk en scheen even afgetrokken als Nikolaas Palander, wanneer deze naar eene fout in eene logarithmentafelzocht. Maar Murray eerbiedigde deze overdenkingen, en wilde zijn makker in deze zwaarwichtige overpeinzingen niet storen.Twee of driemalen kwam Mokum op dien dag naar Murray toe en vroeg hem: »Dus meent mijnheer, dat de kolonel en mijnheer Strux het niet eens zullen worden?”Op deze vraag antwoordde Murray onveranderlijk dat het hem moeilijk toescheen hen te verzoenen, en dat eene scheiding tusschen Russen en Engelschen te vreezen stond.Toen zij ’s avonds nog op eenige mijlen van de legerplaats verwijderd waren, deed Mokum voor de laatste maal dezelfde vraag, en kreeg hetzelfde antwoord, maar toen voegde hij er bij:»Welnu, wees dan maar gerust, want ik heb het middel gevonden om aan de beide geleerden hun zin te geven.”»Zoo... dappere jager?” antwoordde Murray vrij verbaasd.»Ja, ik herhaal het u, mijnheer. Vóór morgen zullen de kolonel en mijnheer Strux geen reden meer hebben om twist te zoeken, als de wind maar gunstig is.”»Wat wilt ge daarmede zeggen, Mokum?”»Ik weet wat ik zeg, mijnheer!”»Welnu, doe het Mokum, dan zult ge u verdienstelijk hebben gemaakt jegens het geheele geleerde Europa, en zal uw naam in de jaarboeken der wetenschap worden opgeteekend.”»Veel eer voor mij,” antwoordde de Boschjesman, en voegde er vol van gedachten aan zijn voornemen geen woord meer bij.Murray eerbiedigde dat stilzwijgen en vroeg den Boschjesman niets meer. Maar hij kon inderdaad niet raden waardoor zijn makker die beide koppige heeren meende te kunnen verzoenen, nu zij op zulk eene bespottelijke wijze het welslagen der onderneming in de waagschaal stelden.’s Avonds ongeveer vijf uren kwamen de jagers in de legerplaats terug. De zaak was nog niets gevorderd, en de oneenigheid tusschen den Rus en den Engelschman was nog verergerd. De dikwijls herhaalde tusschenkomst van Michel Zorn en William Emery had tot niets geleid. Persoonlijkheden waren tusschen de beide tegenstanders verscheidene malen gewisseld; betreurenswaardige beleedigingen van weerszijden hadden alle toenadering onmogelijk gemaakt. Men begon zelfs te vreezen dat de reeds hooger geloopen twist met eene uitdaging zou eindigen. De toekomst van de triangulatie was dus tot op zekere hoogte in gevaar, indien niet ieder van de beide geleerden haar alléén en voor eigen verantwoordelijkheid voortzette. Maar in dit geval zou er eene onmiddellijke scheiding gevolgd zijn, en dit vooruitzicht bedroefde dikwijls de beide jongelingen, die elkander genegen en door wederzijdsche vriendschap zoo nauw verbonden waren.Murray begreep wat er in hen omging. Hij raadde de oorzaakvan hunne treurigheid. Misschien had hij ze kunnen geruststellen door hun de woorden van den Boschjesman over te brengen, doch, hoeveel vertrouwen hij ook in den laatste stelde, wilde hij toch zijne jonge vrienden niet met iets zeer onzekers verblijden en daarom besloot hij tot den volgenden dag op het volbrengen der belofte van den Boschjesman te wachten. Deze veranderde dien avond niets in zijne gewone bezigheden. Hij plaatste de wachten om de legerplaats zooals hij gewoon was, hij liet het oog gaan over de plaatsing der wagens, en nam alle maatregelen, die noodzakelijk waren voor de zekerheid der karavaan.Murray meende dat de jager zijne belofte vergeten had. Voor dat hij ter ruste ging, wilde hij den kolonel ten minste polsen ten opzichte van den Russischen astronoom. Kolonel Everest was onverzettelijk en stond op zijne rechten, waarbij hij nog verzekerde, dat als Mathieu Strux niet toegaf, de Engelschen zich van de Russen zouden scheiden, omdat »er zaken zijn, die men zelfs van een ambtgenoot niet kan verdragen.”Daarop ging Murray zeer ongerust naar bed, en sliep weldra in, vermoeid als hij was door de jacht van dien dag.Tegen elf uren werd hij plotseling wakker; er heerschte eene ongewone beweging onder de inboorlingen, zij liepen her- en derwaarts in de legerplaats. Murray stond aanstonds op en vond al zijne reisgezellen reeds op de been.Het bosch stond in brand.Welk een tooneel! In den donkeren nacht met den somberen horizon tot achtergrond, scheen zich een vlammengordijn hemelhoog te verheffen. In een oogwenk had de brand zich over eene breedte van verscheidene kilometers uitgestrekt. Murray zag Mokum aan, die onbeweeglijk naast hem stond. Maar Mokum beantwoordde zijn blik niet; Murray had hem begrepen; het vuur zou den geleerden door dit eeuwenoude woud een weg banen.De wind woei uit het zuiden en begunstigde de plannen van den Boschjesman. De luchtstroom blies in het woud alsof het met een blaasbalg geschiedde, wakkerde den brand aan en verzadigde den vuurpoel met zuurstof. Hij deed de vlammen stijgen, rukte brandende takken en stukken gloeiend verkoold hout af, en joeg die in de verder afstaande boomen, die daardoor aanstonds in brand werden gestoken. Het vuur breidde zich uit en drong meer en meer het woud in; eene gloeiende hitte deed zich tot in de legerplaats gevoelen. Het doode hout, dat onder het sombere bladergewelf lag opgestapeld, knapte; te midden der vlammen flikkerden dikwijls plotseling heldere vuurzuilen op en verspreidden een schitterend licht. Dit waren harsachtige boomen, die als fakkels brandden. Daardoor hoorde men nu en dan als een verwijderd gelederenvuur, een duidelijk knappen en kraken, naarmate van de soortvan boomen, die werden aangetast, dan weder een geknal alsof er bommen barstten, wanneer oude stammen van ijzerhout in den brand vlogen. De hemel weerkaatste dezen reusachtigen brand. Vuurroode wolken schenen vuur gevat te hebben alsof de brand zelfs naar den hemel was overgeslagen. Zwermen van vonken schitterden als sterren tegen het sombere gewelf te midden van dikke rookwolken.Daartusschen hoorde men van alle kanten het huilen, schreeuwen en brullen van dieren; schaduwen schoten voorbij, verschrikte beesten, die naar alle zijden heensnelden, groote sombere spoken wier vreeselijk gebrul verraadde tot welke soort de vluchtelingen behoorden. Eene ontzettende vrees had hyena’s, buffels, leeuwen en olifanten aangegrepen, en joeg ze naar de uiterste grenzen van den donkeren gezichteinder.De brand duurde den geheelen nacht, en den volgenden dag en nacht voort. En toen de morgen van 14 Augustus aanbrak, was een groot gedeelte van het bosch door het vuur verteerd en maakte het over eene breedte van verscheidene kilometers begaanbaar. De weg voor den meridiaan was gebaand en ditmaal was de toekomst voor de triangulatie door de stoutmoedige daad van den jager Mokum gered.1Om onzen lezers duidelijk te maken wat eene geodesische opname eigenlijk is en hun eenig denkbeeld te geven van de moeielijkheden die haar somtijds in den weg kunnen staan, wordt het onderstaande hier ter verduidelijking bijgevoegd: laat AB het gedeelte van den meridiaan zijn, welker lengte men bepalen moet. Men meet met de grootste nauwkeurigheid eene basis AC, door van het uiteinde A van den meridiaan naar een eerste station C te gaan, daarna kiest men aan weêrszijden van den meridiaan andere stations als D, E, F, G, H, I, enz. van elk van welke men de naastbijgelegen stations zien kan, en men meet met den theodoliet de hoeken der driehoeken ACD, CDE, EDF, enz. Deze eerste bewerking stelt in staat, om die geheele driehoeken te berekenen, want in den eersten kent men AC en de hoeken, en men kan dus de zijde CD berekenen; in den tweeden kent men CD en de hoeken, en men kan de zijde DE berekenen; in den derden kent men DE en de hoeken en men kan EF berekenen, enz. Daarna bepaalt men, in het punt A staande, de richting van den meridiaan op de gewone wijze, en men meet hoek MAC, welke deze richting met de basis vormt; men kent dan door berekening de zijde AC en de aanliggende hoeken van den driehoek ACM, en men kan derhalve het eerste gedeelte AM van den meridiaan vinden. Men berekent tegelijkertijd den hoek M en de zijde CM: men kent dan in den driehoek MDN de zijde DM = CD-CM en de aanliggende hoeken, en daarmede kan men het tweede stuk MN van den meridiaan vinden, verder ook hoek N en de zijde DN. In driehoek NEP kent men dus de zijde EN = DE-DN en de aanliggende hoeken, en men kan het derde stuk NP van den meridiaan berekenen, enz. Men begrijpt, dat men op die wijze stuksgewijze de lengte van den geheelen boog AB bepalen kan.
XIII.Door het vuur.Ondertusschen wachtten de kolonel en zijne vrienden in het kamp met zeer natuurlijk ongeduld het gevolg van den strijd onder aan den berg af. Als de jagers slaagden moest het lichtpunt ’s nachts te zien zijn. Men begrijpt hoe ongerust de geleerden dien dag doorbrachten. Hunne instrumenten waren gereed; zij hadden ze op den bergtop gericht, zoodat zij den flauwsten schijn zelfs zouden kunnen waarnemen.Maar zou het licht zich vertoonen?De kolonel en Mathieu Strux namen geen enkel oogenblik rust. Nikolaas Palander alleen was altijd in gedachten verdiept, en vergat door zijne berekeningen dat zijne makkers een gevaar dreigde. Men beschuldige hem niet van aangeboren zelfzucht. Men kon van hem zeggen wat van den wiskunstenaar Bouvard beweerd werd: »Hij zal slechts ophouden met rekenen, als hij ophoudt te leven, terwijl Nikolaas Palander misschien zal ophouden te leven, zoodra hij ophoudt met rekenen!”Men moet evenwel erkennen dat de beide Engelsche en Russische geleerden in hunne onrust evenzeer dachten aan het volbrengen van hun geodesischen arbeid als aan het gevaar, dat hunne vrienden liepen. Zij zelven zouden dit gevaar ook getrotseerd hebben, daar zij niet vergaten dat zij ook tot de strijdvoerende wetenschap behoorden. Maar zij waren al te zeer bezig met het resultaat van hun onderzoek. Een natuurlijke hinderpaal die niet kon overwonnen worden, kon hun werk toch doen staken of ten minste vertragen. Men kan zich dus licht voorstellen in welk een angst de beide sterrekundigen gedurende dien oneindig langen dag verkeerden. Eindelijk viel de duisternis. De kolonel en Mathieu Strux, die elk een half uur lang zouden waarnemen, gingen beurt om beurt voor den kijker zitten. Te midden der duisternis spraken zij geen woord en wisselden elkander met de grootste nauwgezetheid af. Het was een wedstrijd wie hunner het eerst het zoo ongeduldig verwachte teeken zien zou.Uren verliepen; het was reeds over middernacht, niets was nog op den donkeren bergtop verschenen. Eindelijk stond kolonel Everest kwartier voor drieën bedaard op, en zeide alleen: »het signaal!”Het toeval had hem begunstigd tot groote spijt van zijn Russischenambtgenoot, die zelf het verschijnen van den lantaarn moest bevestigen. Maar Mathieu Strux hield zich in en zeide geen woord. Men bepaalde toen het punt met de meest angstvallige voorzorgen, en na dikwijls herhaalde waarnemingen werd de gemeten hoek bevonden 73° 58′ 42″ 413. Men ziet dat de hoek tot op duizendste deelen van seconden gemeten was en dus zoo goed als met eene volstrekte juistheid.Den volgenden morgen, 2 Juli, werd het kamp bij het aanbreken van den dag opgebroken. Kolonel Everest wilde zijne makkers zoo spoedig mogelijk weder opzoeken. Hij haastte zich om te weten of de verovering van den berg niet al te duur gekocht was. Onder het geleide van den gids begaven de wagens zich op weg, en om twaalf uren ’s middags waren al de leden der wetenschappelijke commissie weder bij elkander. Al de bijzonderheden van het gevecht tegen de leeuwen werden uitvoerig verhaald en het ontbrak den overwinnaars daarbij niet aan welgemeende gelukwenschen.Dien morgen hadden Murray, Zorn en Emery boven van den berg den hoeksafstand van een nieuw station gemeten, dat eenige kilometers westwaarts van den meridiaan gelegen was. De arbeid kon dus zonder oponthoud worden voortgezet. Nadat de astronomen de hoogte van eenige sterren bepaald hadden, berekenden zij de breedte van den bergtop, waaruit Palander de gevolgtrekking maakte dat men door de laatste driehoeksmetingen een tweede gedeelte van den meridiaan van ten naaste bij één graad had opgemeten. Door middel van vijftien driehoeken hadden zij dus in het geheel twee graden van de basis afgemeten.Het werk werd onmiddellijk voortgezet; het werd onder vrij goede omstandigheden verricht, en men hoopte dat geen enkele natuurlijke hinderpaal de voltooiing van het geheel in den weg zou staan. Gedurende vijf weken begunstigde de hemel de waarnemingen. De eenigszins heuvelachtige grond was bijzonder geschikt voor het plaatsen van seinpalen; onder toezicht van den Boschjesman werden de legerplaatsen geregeld inordegebracht. Het ontbrak hun niet aan levensmiddelen; de jagers van de karavaan voorzagen, met John Murray aan het hoofd, haar dagelijks van wild. De eerzame Engelschman telde zelfs de verscheidenheid van antilopen of buffels niet meer, die onder zijne kogels vielen. Alles ging naar wensch. De gezondheidstoestand was voldoende; het water was nog overvloedig voorhanden; eindelijk scheen de oneenigheid tusschen den kolonel en Mathieu Strux te bedaren, tot groot genoegen hunner makkers. Elkeen toonde den grootsten ijver, en men kon den goeden uitslag der onderneming reeds voorspellen, toen eene plaatselijke moeilijkheid voor het oogenblik de waarnemingen hinderde, en den nationalen naijver weder aanwakkerde.Het was de 11deAugustus. Sedert den vorigen dag trok de karavaandoor eene boschrijke streek, waar bosschen en kreupelhout mijlen achtereen elkander afwisselden. Dien morgen hielden de wagens halt voor eene ontzaglijke massa hooge boomen, die zich, zoover de gezichteinder reikte, uitstrekte. Niets was indrukwekkender van dit groene gordijn, dat zich honderd voeten boven den grond verhief. Geene beschrijving zou een juist denkbeeld kunnen geven dan de schoone boomen, waaruit een Afrikaansch bosch bestaat. Dáár vermengen zich de heerlijkste geuren van allerlei soort van boomen, van den gounda, den mosokoso, den moukomdou, welks hout voor den scheepsbouw zeer gezocht is, van hoogstammige ebbenboomen met geheel zwarte schors, van den ijzerhoutboom, van den buchnera met zijne oranjekleurige bloemen, van eene soort boomen met witachtigen stam en purperkleurige, onbeschrijfelijk schoone bladeren, van duizenden pokhoutboomen waarvan sommige tot zelfs vijftien voet in omtrek hadden. Uit dit geweldige woud steeg een indrukwekkend en grootsch geluid op, dat aan de branding op eene zandige kust denken deed. Het was het geruisch van den wind in de bladerenmassa dat zich in dit reuzenwoud hooren deed.Op eene vraag van kolonel Everest, antwoordde de jager, dat dit het woud van Rovouma was.»Hoe breed is het van het oosten naar het westen?”»Vijfenveertig kilometers.”»En van het noorden naar het zuiden?”»Ongeveer tien kilometers.”»En hoe zullen wij door die dichte boommassa heenkomen?”»Wij kunnen er niet door,” antwoordde Mokum. »Er is geen begaanbaar voetpad; slechts één middel blijft ons over, namelijk om aan de oost- of westzijde om het bosch heen te trekken.”Toen de aanvoerders zulke juiste antwoorden van den Boschjesman gehoord hadden, waren zij zeer verlegen. Het was duidelijk dat men geen seinpalen in dit groote en uitgestrekte bosch zetten kon. Er omheen trekken, dat is te zeggen, twintig tot vijfentwintig kilometers aan de eene of andere zijde van den meridiaan afwijken, was den arbeid ontzaglijk vermeerderen, en misschien een tiental driehoeken meer meten dan noodig was.Er bestond dus eene wezenlijke moeilijkheid, een natuurlijke hinderpaal. De vraag was van belang en moeielijk op te lossen. Zoodra de legerplaats was opgeslagen onder de schaduw van prachtige boomgroepen, die op een halven kilometer van het bosch afstonden, werd er door de astronomen raad belegd om eene beslissing te nemen. De vraag om door dit ontzaglijke bosch heen de meting te vervolgen verviel als van zelf. Het was duidelijk dat men onder zulke omstandigheden niet werken kon. Het voorstel bleef nu over om rechts of links om het bosch heen te trekken, daar de afwijking aanbeide zijden ongeveer dezelfde was, want de meridiaan liep ongeveer midden door het bosch heen.Hij sliep weldra in. Blz. 111.Hij sliep weldra in. Blz.111.De leden der Engelsch-Russische commissie besloten dus om dienonoverkomelijken hinderpaal heen te trekken.1Het kwam er niet op aan of dat oost- of westwaarts zou zijn; doch nu ontstond er juist over dit nietsbeduidende punt een hevige twist tusschen den kolonel en Mathieu Strux. De twee tegenstanders, die zich reeds eenigen tijd hadden ingehouden, gaven lucht aan hunne oude vijandschap, die eensklaps uitbarstte, en eindigde in eene ernstige oneenigheid. Te vergeefs traden hunne ambtgenooten tusschen beiden. De beideaanvoerders wilden naar niets hooren. De Engelschman wilde rechts, omdat dan de tocht gaan zou dicht langs den door Livingstone gevolgden weg bij diens eerste reis naar den waterval der Zambese, en dit was eene goede reden, want deze landstreek kon, als meer bekend en bezocht, zekere voordeelen opleveren. Wat den Rus betreft, hij wilde links, doch klaarblijkelijk alléén om den kolonel in het vaarwater te zitten. Als deze links had willen trekken zou de Rus zeker rechts zijn gegaan.De twist liep zeer hoog en men voorzag reeds het oogenblik dat de leden der commissie zich in twee partijen zouden verdeelen.Michel Zorn en William Emery, John Murray en Nikolaas Palander konden er niets aan doen; zij gingen dus heen en lieten de beide aanvoerders twisten. Zij waren zoo stijfhoofdig, dat men het ergste kon verwachten, zelfs dat de arbeid, welke hier bleef steken, door middel van twee rijen scheeve driehoeken zou worden voortgezet. De dag ging voorbij zonder eenige toenadering tusschen de beide tegenovergestelde meeningen.Den volgenden dag, 12 Augustus, voorzag Murray dat de stijfhoofdige astronomen het nog niet eens zouden worden, en ging dus den Boschjesman opzoeken om hem voor te stellen in den omtrek te gaan jagen. In dien tijd zouden de beide geleerden elkander mogelijk verstaan. In allen gevalle was een stuk versch wildbraad niet te verwerpen.Mokum, die altijd gereed was, floot zijn hond Top, en de beide jagers, die het kreupelbosch en den rand van het woud afliepen, dwaalden pratende en jagende eenige kilometers van de legerplaats af. Het was natuurlijk dat het gesprek liep over de gebeurtenis, die het voortzetten van den geodesischen arbeid belette.»Ik stel me voor,” zeide de Boschjesman, »dat we wel eenigen tijd aan den rand van dit bosch van Rovouma gelegerd zullen blijven. Onze beide aanvoerders zullen elkander niet gemakkelijk iets toegeven. Neem me niet kwalijk als ik ze vergelijk bij halsstarrige ossen, waarvan de een rechts en de ander links trekt, zoodat de wagen niet meer kan loopen.”»Het is een noodlottige omstandigheid,” antwoordde Murray, »en ik vrees dat deze stijfhoofdigheid een geheele scheiding na zich sleept. Als het belang van de wetenschap er niet mede gemoeid was, zou die vijandschap tusschen twee sterrekundigen mij vrij koel laten, waarde Mokum. De wildrijke bosschen van Afrika kunnen mij afleiding genoeg bezorgen, en zoolang die beide heeren het oneens zijn, zal ik met het geweer op schouder het jachtveld afloopen.”»Maar denkt u dat zij het op dit punt eens zullen worden? Ik voor mij hoop het niet, en zooals ik reeds zeide, ons oponthoud kan hier tot in het oneindige verlengd worden.”»Ik vrees het, Mokum,” antwoordde Murray. »Onze beide aanvoerdershebben ongelukkig genoeg twist over eene niets beteekenende zaak, die men wetenschappelijk niet kan oplossen. Zij hebben beiden gelijk en beiden ongelijk. Kolonel Everest heeft bepaald verklaard, dat hij niet zou toegeven. Mathieu Strux heeft gezworen dat hij zich tegen de aanmatiging van den kolonel verzetten zou, en de beide geleerden, die zich waarschijnlijk op een wetenschappelijk bewijs zouden gewonnen gegeven, zullen er nimmer toe gebracht kunnen worden om toe te geven in een geschilpunt, waarmede hunne eigenliefde gemoeid is. Het is in het belang van ons werk waarlijk te betreuren dat onze meridiaan juist door het bosch loopt!”»De duivel hale die bosschen!” antwoordde de Boschjesman, »als er van zulk werk sprake is. Maar wat drommel kan het die geleerden schelen om de lengte of breedte van de aarde te meten? Zullen ze zooveel wijzer zijn als ze dit met voeten en duimen hebben uitgerekend? Ik voor mij, mijnheer, weet liever al die dingen niet! Ik geloof liever dat de bol, dien ik bewoon, oneindig groot is, en ik houd het er voor, dat men de aarde verkleint als men er de juiste afmetingen van kent! Neen, mijnheer, al leef ik honderd jaar dan nog zou ik nimmer aan het nut van uw werk geloof slaan!”Murray kon niet nalaten te glimlachen. Dit punt was dikwijls tusschen den jager en hem besproken; de onbeschaafde natuurmensch, die vrij door bosschen en over vlakten ronddwaalde en onversaagd de wilde dieren aanviel, kon natuurlijk het wetenschappelijke belang niet begrijpen dat er in eene driehoeksmeting gelegen was. Soms had Murray hem hiervan trachten te overtuigen, maar de Boschjesman antwoordde hem met bewijsgronden uit eene wezenlijke natuurlijke wijsbegeerte geput en met een soort van wilde welsprekendheid voorgedragen, welke Murray, die half geleerde en half jager was, zeer op prijs stelde.Zoo voortkeuvelende, vervolgden de beide jagers in de vlakte het kleine wild, zooals hazen, een nieuw soort van knaagdieren, onder den naam van »graphycerus elegans” bekend, enkele schel schreeuwende regenvogels, en vluchten patrijzen met bruine, gele en zwarte vederen. Maar vreemd genoeg, Murray alleen hield de eer van de jacht op; de Boschjesman schoot weinig; zijn geest scheen geheel en al te worden bezig gehouden door die oneenigheid tusschen de beide sterrekundigen, die het goed slagen van de onderneming noodzakelijk in de waagschaal stellen moest. De omstandigheid van dat bosch hinderde hem zeker meer dan Murray; hoe verscheiden het wild ook was, toch vestigde hij er ter nauwernood de aandacht op; dat was een ernstig teeken bij zulk een jager.Van alle kanten het gehuil, het geschreeuw en gebrul van dieren. Blz. 112.Van alle kanten het gehuil, het geschreeuw en gebrul van dieren. Blz.112.Inderdaad speelde een aanvankelijk zeer vaag denkbeeld den Boschjesman door het hoofd, doch langzamerhand nam dat denkbeeld meer bepaalde vormen in zijne hersens aan. Murray hoorde hem in zich zelven praten, vragen en antwoorden. Hij zag hem met hetgeweer in rust, zonder te letten op het loopend en vliegend wild om hem heen; hij stond onbeweeglijk en scheen even afgetrokken als Nikolaas Palander, wanneer deze naar eene fout in eene logarithmentafelzocht. Maar Murray eerbiedigde deze overdenkingen, en wilde zijn makker in deze zwaarwichtige overpeinzingen niet storen.Twee of driemalen kwam Mokum op dien dag naar Murray toe en vroeg hem: »Dus meent mijnheer, dat de kolonel en mijnheer Strux het niet eens zullen worden?”Op deze vraag antwoordde Murray onveranderlijk dat het hem moeilijk toescheen hen te verzoenen, en dat eene scheiding tusschen Russen en Engelschen te vreezen stond.Toen zij ’s avonds nog op eenige mijlen van de legerplaats verwijderd waren, deed Mokum voor de laatste maal dezelfde vraag, en kreeg hetzelfde antwoord, maar toen voegde hij er bij:»Welnu, wees dan maar gerust, want ik heb het middel gevonden om aan de beide geleerden hun zin te geven.”»Zoo... dappere jager?” antwoordde Murray vrij verbaasd.»Ja, ik herhaal het u, mijnheer. Vóór morgen zullen de kolonel en mijnheer Strux geen reden meer hebben om twist te zoeken, als de wind maar gunstig is.”»Wat wilt ge daarmede zeggen, Mokum?”»Ik weet wat ik zeg, mijnheer!”»Welnu, doe het Mokum, dan zult ge u verdienstelijk hebben gemaakt jegens het geheele geleerde Europa, en zal uw naam in de jaarboeken der wetenschap worden opgeteekend.”»Veel eer voor mij,” antwoordde de Boschjesman, en voegde er vol van gedachten aan zijn voornemen geen woord meer bij.Murray eerbiedigde dat stilzwijgen en vroeg den Boschjesman niets meer. Maar hij kon inderdaad niet raden waardoor zijn makker die beide koppige heeren meende te kunnen verzoenen, nu zij op zulk eene bespottelijke wijze het welslagen der onderneming in de waagschaal stelden.’s Avonds ongeveer vijf uren kwamen de jagers in de legerplaats terug. De zaak was nog niets gevorderd, en de oneenigheid tusschen den Rus en den Engelschman was nog verergerd. De dikwijls herhaalde tusschenkomst van Michel Zorn en William Emery had tot niets geleid. Persoonlijkheden waren tusschen de beide tegenstanders verscheidene malen gewisseld; betreurenswaardige beleedigingen van weerszijden hadden alle toenadering onmogelijk gemaakt. Men begon zelfs te vreezen dat de reeds hooger geloopen twist met eene uitdaging zou eindigen. De toekomst van de triangulatie was dus tot op zekere hoogte in gevaar, indien niet ieder van de beide geleerden haar alléén en voor eigen verantwoordelijkheid voortzette. Maar in dit geval zou er eene onmiddellijke scheiding gevolgd zijn, en dit vooruitzicht bedroefde dikwijls de beide jongelingen, die elkander genegen en door wederzijdsche vriendschap zoo nauw verbonden waren.Murray begreep wat er in hen omging. Hij raadde de oorzaakvan hunne treurigheid. Misschien had hij ze kunnen geruststellen door hun de woorden van den Boschjesman over te brengen, doch, hoeveel vertrouwen hij ook in den laatste stelde, wilde hij toch zijne jonge vrienden niet met iets zeer onzekers verblijden en daarom besloot hij tot den volgenden dag op het volbrengen der belofte van den Boschjesman te wachten. Deze veranderde dien avond niets in zijne gewone bezigheden. Hij plaatste de wachten om de legerplaats zooals hij gewoon was, hij liet het oog gaan over de plaatsing der wagens, en nam alle maatregelen, die noodzakelijk waren voor de zekerheid der karavaan.Murray meende dat de jager zijne belofte vergeten had. Voor dat hij ter ruste ging, wilde hij den kolonel ten minste polsen ten opzichte van den Russischen astronoom. Kolonel Everest was onverzettelijk en stond op zijne rechten, waarbij hij nog verzekerde, dat als Mathieu Strux niet toegaf, de Engelschen zich van de Russen zouden scheiden, omdat »er zaken zijn, die men zelfs van een ambtgenoot niet kan verdragen.”Daarop ging Murray zeer ongerust naar bed, en sliep weldra in, vermoeid als hij was door de jacht van dien dag.Tegen elf uren werd hij plotseling wakker; er heerschte eene ongewone beweging onder de inboorlingen, zij liepen her- en derwaarts in de legerplaats. Murray stond aanstonds op en vond al zijne reisgezellen reeds op de been.Het bosch stond in brand.Welk een tooneel! In den donkeren nacht met den somberen horizon tot achtergrond, scheen zich een vlammengordijn hemelhoog te verheffen. In een oogwenk had de brand zich over eene breedte van verscheidene kilometers uitgestrekt. Murray zag Mokum aan, die onbeweeglijk naast hem stond. Maar Mokum beantwoordde zijn blik niet; Murray had hem begrepen; het vuur zou den geleerden door dit eeuwenoude woud een weg banen.De wind woei uit het zuiden en begunstigde de plannen van den Boschjesman. De luchtstroom blies in het woud alsof het met een blaasbalg geschiedde, wakkerde den brand aan en verzadigde den vuurpoel met zuurstof. Hij deed de vlammen stijgen, rukte brandende takken en stukken gloeiend verkoold hout af, en joeg die in de verder afstaande boomen, die daardoor aanstonds in brand werden gestoken. Het vuur breidde zich uit en drong meer en meer het woud in; eene gloeiende hitte deed zich tot in de legerplaats gevoelen. Het doode hout, dat onder het sombere bladergewelf lag opgestapeld, knapte; te midden der vlammen flikkerden dikwijls plotseling heldere vuurzuilen op en verspreidden een schitterend licht. Dit waren harsachtige boomen, die als fakkels brandden. Daardoor hoorde men nu en dan als een verwijderd gelederenvuur, een duidelijk knappen en kraken, naarmate van de soortvan boomen, die werden aangetast, dan weder een geknal alsof er bommen barstten, wanneer oude stammen van ijzerhout in den brand vlogen. De hemel weerkaatste dezen reusachtigen brand. Vuurroode wolken schenen vuur gevat te hebben alsof de brand zelfs naar den hemel was overgeslagen. Zwermen van vonken schitterden als sterren tegen het sombere gewelf te midden van dikke rookwolken.Daartusschen hoorde men van alle kanten het huilen, schreeuwen en brullen van dieren; schaduwen schoten voorbij, verschrikte beesten, die naar alle zijden heensnelden, groote sombere spoken wier vreeselijk gebrul verraadde tot welke soort de vluchtelingen behoorden. Eene ontzettende vrees had hyena’s, buffels, leeuwen en olifanten aangegrepen, en joeg ze naar de uiterste grenzen van den donkeren gezichteinder.De brand duurde den geheelen nacht, en den volgenden dag en nacht voort. En toen de morgen van 14 Augustus aanbrak, was een groot gedeelte van het bosch door het vuur verteerd en maakte het over eene breedte van verscheidene kilometers begaanbaar. De weg voor den meridiaan was gebaand en ditmaal was de toekomst voor de triangulatie door de stoutmoedige daad van den jager Mokum gered.1Om onzen lezers duidelijk te maken wat eene geodesische opname eigenlijk is en hun eenig denkbeeld te geven van de moeielijkheden die haar somtijds in den weg kunnen staan, wordt het onderstaande hier ter verduidelijking bijgevoegd: laat AB het gedeelte van den meridiaan zijn, welker lengte men bepalen moet. Men meet met de grootste nauwkeurigheid eene basis AC, door van het uiteinde A van den meridiaan naar een eerste station C te gaan, daarna kiest men aan weêrszijden van den meridiaan andere stations als D, E, F, G, H, I, enz. van elk van welke men de naastbijgelegen stations zien kan, en men meet met den theodoliet de hoeken der driehoeken ACD, CDE, EDF, enz. Deze eerste bewerking stelt in staat, om die geheele driehoeken te berekenen, want in den eersten kent men AC en de hoeken, en men kan dus de zijde CD berekenen; in den tweeden kent men CD en de hoeken, en men kan de zijde DE berekenen; in den derden kent men DE en de hoeken en men kan EF berekenen, enz. Daarna bepaalt men, in het punt A staande, de richting van den meridiaan op de gewone wijze, en men meet hoek MAC, welke deze richting met de basis vormt; men kent dan door berekening de zijde AC en de aanliggende hoeken van den driehoek ACM, en men kan derhalve het eerste gedeelte AM van den meridiaan vinden. Men berekent tegelijkertijd den hoek M en de zijde CM: men kent dan in den driehoek MDN de zijde DM = CD-CM en de aanliggende hoeken, en daarmede kan men het tweede stuk MN van den meridiaan vinden, verder ook hoek N en de zijde DN. In driehoek NEP kent men dus de zijde EN = DE-DN en de aanliggende hoeken, en men kan het derde stuk NP van den meridiaan berekenen, enz. Men begrijpt, dat men op die wijze stuksgewijze de lengte van den geheelen boog AB bepalen kan.
XIII.Door het vuur.
Ondertusschen wachtten de kolonel en zijne vrienden in het kamp met zeer natuurlijk ongeduld het gevolg van den strijd onder aan den berg af. Als de jagers slaagden moest het lichtpunt ’s nachts te zien zijn. Men begrijpt hoe ongerust de geleerden dien dag doorbrachten. Hunne instrumenten waren gereed; zij hadden ze op den bergtop gericht, zoodat zij den flauwsten schijn zelfs zouden kunnen waarnemen.Maar zou het licht zich vertoonen?De kolonel en Mathieu Strux namen geen enkel oogenblik rust. Nikolaas Palander alleen was altijd in gedachten verdiept, en vergat door zijne berekeningen dat zijne makkers een gevaar dreigde. Men beschuldige hem niet van aangeboren zelfzucht. Men kon van hem zeggen wat van den wiskunstenaar Bouvard beweerd werd: »Hij zal slechts ophouden met rekenen, als hij ophoudt te leven, terwijl Nikolaas Palander misschien zal ophouden te leven, zoodra hij ophoudt met rekenen!”Men moet evenwel erkennen dat de beide Engelsche en Russische geleerden in hunne onrust evenzeer dachten aan het volbrengen van hun geodesischen arbeid als aan het gevaar, dat hunne vrienden liepen. Zij zelven zouden dit gevaar ook getrotseerd hebben, daar zij niet vergaten dat zij ook tot de strijdvoerende wetenschap behoorden. Maar zij waren al te zeer bezig met het resultaat van hun onderzoek. Een natuurlijke hinderpaal die niet kon overwonnen worden, kon hun werk toch doen staken of ten minste vertragen. Men kan zich dus licht voorstellen in welk een angst de beide sterrekundigen gedurende dien oneindig langen dag verkeerden. Eindelijk viel de duisternis. De kolonel en Mathieu Strux, die elk een half uur lang zouden waarnemen, gingen beurt om beurt voor den kijker zitten. Te midden der duisternis spraken zij geen woord en wisselden elkander met de grootste nauwgezetheid af. Het was een wedstrijd wie hunner het eerst het zoo ongeduldig verwachte teeken zien zou.Uren verliepen; het was reeds over middernacht, niets was nog op den donkeren bergtop verschenen. Eindelijk stond kolonel Everest kwartier voor drieën bedaard op, en zeide alleen: »het signaal!”Het toeval had hem begunstigd tot groote spijt van zijn Russischenambtgenoot, die zelf het verschijnen van den lantaarn moest bevestigen. Maar Mathieu Strux hield zich in en zeide geen woord. Men bepaalde toen het punt met de meest angstvallige voorzorgen, en na dikwijls herhaalde waarnemingen werd de gemeten hoek bevonden 73° 58′ 42″ 413. Men ziet dat de hoek tot op duizendste deelen van seconden gemeten was en dus zoo goed als met eene volstrekte juistheid.Den volgenden morgen, 2 Juli, werd het kamp bij het aanbreken van den dag opgebroken. Kolonel Everest wilde zijne makkers zoo spoedig mogelijk weder opzoeken. Hij haastte zich om te weten of de verovering van den berg niet al te duur gekocht was. Onder het geleide van den gids begaven de wagens zich op weg, en om twaalf uren ’s middags waren al de leden der wetenschappelijke commissie weder bij elkander. Al de bijzonderheden van het gevecht tegen de leeuwen werden uitvoerig verhaald en het ontbrak den overwinnaars daarbij niet aan welgemeende gelukwenschen.Dien morgen hadden Murray, Zorn en Emery boven van den berg den hoeksafstand van een nieuw station gemeten, dat eenige kilometers westwaarts van den meridiaan gelegen was. De arbeid kon dus zonder oponthoud worden voortgezet. Nadat de astronomen de hoogte van eenige sterren bepaald hadden, berekenden zij de breedte van den bergtop, waaruit Palander de gevolgtrekking maakte dat men door de laatste driehoeksmetingen een tweede gedeelte van den meridiaan van ten naaste bij één graad had opgemeten. Door middel van vijftien driehoeken hadden zij dus in het geheel twee graden van de basis afgemeten.Het werk werd onmiddellijk voortgezet; het werd onder vrij goede omstandigheden verricht, en men hoopte dat geen enkele natuurlijke hinderpaal de voltooiing van het geheel in den weg zou staan. Gedurende vijf weken begunstigde de hemel de waarnemingen. De eenigszins heuvelachtige grond was bijzonder geschikt voor het plaatsen van seinpalen; onder toezicht van den Boschjesman werden de legerplaatsen geregeld inordegebracht. Het ontbrak hun niet aan levensmiddelen; de jagers van de karavaan voorzagen, met John Murray aan het hoofd, haar dagelijks van wild. De eerzame Engelschman telde zelfs de verscheidenheid van antilopen of buffels niet meer, die onder zijne kogels vielen. Alles ging naar wensch. De gezondheidstoestand was voldoende; het water was nog overvloedig voorhanden; eindelijk scheen de oneenigheid tusschen den kolonel en Mathieu Strux te bedaren, tot groot genoegen hunner makkers. Elkeen toonde den grootsten ijver, en men kon den goeden uitslag der onderneming reeds voorspellen, toen eene plaatselijke moeilijkheid voor het oogenblik de waarnemingen hinderde, en den nationalen naijver weder aanwakkerde.Het was de 11deAugustus. Sedert den vorigen dag trok de karavaandoor eene boschrijke streek, waar bosschen en kreupelhout mijlen achtereen elkander afwisselden. Dien morgen hielden de wagens halt voor eene ontzaglijke massa hooge boomen, die zich, zoover de gezichteinder reikte, uitstrekte. Niets was indrukwekkender van dit groene gordijn, dat zich honderd voeten boven den grond verhief. Geene beschrijving zou een juist denkbeeld kunnen geven dan de schoone boomen, waaruit een Afrikaansch bosch bestaat. Dáár vermengen zich de heerlijkste geuren van allerlei soort van boomen, van den gounda, den mosokoso, den moukomdou, welks hout voor den scheepsbouw zeer gezocht is, van hoogstammige ebbenboomen met geheel zwarte schors, van den ijzerhoutboom, van den buchnera met zijne oranjekleurige bloemen, van eene soort boomen met witachtigen stam en purperkleurige, onbeschrijfelijk schoone bladeren, van duizenden pokhoutboomen waarvan sommige tot zelfs vijftien voet in omtrek hadden. Uit dit geweldige woud steeg een indrukwekkend en grootsch geluid op, dat aan de branding op eene zandige kust denken deed. Het was het geruisch van den wind in de bladerenmassa dat zich in dit reuzenwoud hooren deed.Op eene vraag van kolonel Everest, antwoordde de jager, dat dit het woud van Rovouma was.»Hoe breed is het van het oosten naar het westen?”»Vijfenveertig kilometers.”»En van het noorden naar het zuiden?”»Ongeveer tien kilometers.”»En hoe zullen wij door die dichte boommassa heenkomen?”»Wij kunnen er niet door,” antwoordde Mokum. »Er is geen begaanbaar voetpad; slechts één middel blijft ons over, namelijk om aan de oost- of westzijde om het bosch heen te trekken.”Toen de aanvoerders zulke juiste antwoorden van den Boschjesman gehoord hadden, waren zij zeer verlegen. Het was duidelijk dat men geen seinpalen in dit groote en uitgestrekte bosch zetten kon. Er omheen trekken, dat is te zeggen, twintig tot vijfentwintig kilometers aan de eene of andere zijde van den meridiaan afwijken, was den arbeid ontzaglijk vermeerderen, en misschien een tiental driehoeken meer meten dan noodig was.Er bestond dus eene wezenlijke moeilijkheid, een natuurlijke hinderpaal. De vraag was van belang en moeielijk op te lossen. Zoodra de legerplaats was opgeslagen onder de schaduw van prachtige boomgroepen, die op een halven kilometer van het bosch afstonden, werd er door de astronomen raad belegd om eene beslissing te nemen. De vraag om door dit ontzaglijke bosch heen de meting te vervolgen verviel als van zelf. Het was duidelijk dat men onder zulke omstandigheden niet werken kon. Het voorstel bleef nu over om rechts of links om het bosch heen te trekken, daar de afwijking aanbeide zijden ongeveer dezelfde was, want de meridiaan liep ongeveer midden door het bosch heen.Hij sliep weldra in. Blz. 111.Hij sliep weldra in. Blz.111.De leden der Engelsch-Russische commissie besloten dus om dienonoverkomelijken hinderpaal heen te trekken.1Het kwam er niet op aan of dat oost- of westwaarts zou zijn; doch nu ontstond er juist over dit nietsbeduidende punt een hevige twist tusschen den kolonel en Mathieu Strux. De twee tegenstanders, die zich reeds eenigen tijd hadden ingehouden, gaven lucht aan hunne oude vijandschap, die eensklaps uitbarstte, en eindigde in eene ernstige oneenigheid. Te vergeefs traden hunne ambtgenooten tusschen beiden. De beideaanvoerders wilden naar niets hooren. De Engelschman wilde rechts, omdat dan de tocht gaan zou dicht langs den door Livingstone gevolgden weg bij diens eerste reis naar den waterval der Zambese, en dit was eene goede reden, want deze landstreek kon, als meer bekend en bezocht, zekere voordeelen opleveren. Wat den Rus betreft, hij wilde links, doch klaarblijkelijk alléén om den kolonel in het vaarwater te zitten. Als deze links had willen trekken zou de Rus zeker rechts zijn gegaan.De twist liep zeer hoog en men voorzag reeds het oogenblik dat de leden der commissie zich in twee partijen zouden verdeelen.Michel Zorn en William Emery, John Murray en Nikolaas Palander konden er niets aan doen; zij gingen dus heen en lieten de beide aanvoerders twisten. Zij waren zoo stijfhoofdig, dat men het ergste kon verwachten, zelfs dat de arbeid, welke hier bleef steken, door middel van twee rijen scheeve driehoeken zou worden voortgezet. De dag ging voorbij zonder eenige toenadering tusschen de beide tegenovergestelde meeningen.Den volgenden dag, 12 Augustus, voorzag Murray dat de stijfhoofdige astronomen het nog niet eens zouden worden, en ging dus den Boschjesman opzoeken om hem voor te stellen in den omtrek te gaan jagen. In dien tijd zouden de beide geleerden elkander mogelijk verstaan. In allen gevalle was een stuk versch wildbraad niet te verwerpen.Mokum, die altijd gereed was, floot zijn hond Top, en de beide jagers, die het kreupelbosch en den rand van het woud afliepen, dwaalden pratende en jagende eenige kilometers van de legerplaats af. Het was natuurlijk dat het gesprek liep over de gebeurtenis, die het voortzetten van den geodesischen arbeid belette.»Ik stel me voor,” zeide de Boschjesman, »dat we wel eenigen tijd aan den rand van dit bosch van Rovouma gelegerd zullen blijven. Onze beide aanvoerders zullen elkander niet gemakkelijk iets toegeven. Neem me niet kwalijk als ik ze vergelijk bij halsstarrige ossen, waarvan de een rechts en de ander links trekt, zoodat de wagen niet meer kan loopen.”»Het is een noodlottige omstandigheid,” antwoordde Murray, »en ik vrees dat deze stijfhoofdigheid een geheele scheiding na zich sleept. Als het belang van de wetenschap er niet mede gemoeid was, zou die vijandschap tusschen twee sterrekundigen mij vrij koel laten, waarde Mokum. De wildrijke bosschen van Afrika kunnen mij afleiding genoeg bezorgen, en zoolang die beide heeren het oneens zijn, zal ik met het geweer op schouder het jachtveld afloopen.”»Maar denkt u dat zij het op dit punt eens zullen worden? Ik voor mij hoop het niet, en zooals ik reeds zeide, ons oponthoud kan hier tot in het oneindige verlengd worden.”»Ik vrees het, Mokum,” antwoordde Murray. »Onze beide aanvoerdershebben ongelukkig genoeg twist over eene niets beteekenende zaak, die men wetenschappelijk niet kan oplossen. Zij hebben beiden gelijk en beiden ongelijk. Kolonel Everest heeft bepaald verklaard, dat hij niet zou toegeven. Mathieu Strux heeft gezworen dat hij zich tegen de aanmatiging van den kolonel verzetten zou, en de beide geleerden, die zich waarschijnlijk op een wetenschappelijk bewijs zouden gewonnen gegeven, zullen er nimmer toe gebracht kunnen worden om toe te geven in een geschilpunt, waarmede hunne eigenliefde gemoeid is. Het is in het belang van ons werk waarlijk te betreuren dat onze meridiaan juist door het bosch loopt!”»De duivel hale die bosschen!” antwoordde de Boschjesman, »als er van zulk werk sprake is. Maar wat drommel kan het die geleerden schelen om de lengte of breedte van de aarde te meten? Zullen ze zooveel wijzer zijn als ze dit met voeten en duimen hebben uitgerekend? Ik voor mij, mijnheer, weet liever al die dingen niet! Ik geloof liever dat de bol, dien ik bewoon, oneindig groot is, en ik houd het er voor, dat men de aarde verkleint als men er de juiste afmetingen van kent! Neen, mijnheer, al leef ik honderd jaar dan nog zou ik nimmer aan het nut van uw werk geloof slaan!”Murray kon niet nalaten te glimlachen. Dit punt was dikwijls tusschen den jager en hem besproken; de onbeschaafde natuurmensch, die vrij door bosschen en over vlakten ronddwaalde en onversaagd de wilde dieren aanviel, kon natuurlijk het wetenschappelijke belang niet begrijpen dat er in eene driehoeksmeting gelegen was. Soms had Murray hem hiervan trachten te overtuigen, maar de Boschjesman antwoordde hem met bewijsgronden uit eene wezenlijke natuurlijke wijsbegeerte geput en met een soort van wilde welsprekendheid voorgedragen, welke Murray, die half geleerde en half jager was, zeer op prijs stelde.Zoo voortkeuvelende, vervolgden de beide jagers in de vlakte het kleine wild, zooals hazen, een nieuw soort van knaagdieren, onder den naam van »graphycerus elegans” bekend, enkele schel schreeuwende regenvogels, en vluchten patrijzen met bruine, gele en zwarte vederen. Maar vreemd genoeg, Murray alleen hield de eer van de jacht op; de Boschjesman schoot weinig; zijn geest scheen geheel en al te worden bezig gehouden door die oneenigheid tusschen de beide sterrekundigen, die het goed slagen van de onderneming noodzakelijk in de waagschaal stellen moest. De omstandigheid van dat bosch hinderde hem zeker meer dan Murray; hoe verscheiden het wild ook was, toch vestigde hij er ter nauwernood de aandacht op; dat was een ernstig teeken bij zulk een jager.Van alle kanten het gehuil, het geschreeuw en gebrul van dieren. Blz. 112.Van alle kanten het gehuil, het geschreeuw en gebrul van dieren. Blz.112.Inderdaad speelde een aanvankelijk zeer vaag denkbeeld den Boschjesman door het hoofd, doch langzamerhand nam dat denkbeeld meer bepaalde vormen in zijne hersens aan. Murray hoorde hem in zich zelven praten, vragen en antwoorden. Hij zag hem met hetgeweer in rust, zonder te letten op het loopend en vliegend wild om hem heen; hij stond onbeweeglijk en scheen even afgetrokken als Nikolaas Palander, wanneer deze naar eene fout in eene logarithmentafelzocht. Maar Murray eerbiedigde deze overdenkingen, en wilde zijn makker in deze zwaarwichtige overpeinzingen niet storen.Twee of driemalen kwam Mokum op dien dag naar Murray toe en vroeg hem: »Dus meent mijnheer, dat de kolonel en mijnheer Strux het niet eens zullen worden?”Op deze vraag antwoordde Murray onveranderlijk dat het hem moeilijk toescheen hen te verzoenen, en dat eene scheiding tusschen Russen en Engelschen te vreezen stond.Toen zij ’s avonds nog op eenige mijlen van de legerplaats verwijderd waren, deed Mokum voor de laatste maal dezelfde vraag, en kreeg hetzelfde antwoord, maar toen voegde hij er bij:»Welnu, wees dan maar gerust, want ik heb het middel gevonden om aan de beide geleerden hun zin te geven.”»Zoo... dappere jager?” antwoordde Murray vrij verbaasd.»Ja, ik herhaal het u, mijnheer. Vóór morgen zullen de kolonel en mijnheer Strux geen reden meer hebben om twist te zoeken, als de wind maar gunstig is.”»Wat wilt ge daarmede zeggen, Mokum?”»Ik weet wat ik zeg, mijnheer!”»Welnu, doe het Mokum, dan zult ge u verdienstelijk hebben gemaakt jegens het geheele geleerde Europa, en zal uw naam in de jaarboeken der wetenschap worden opgeteekend.”»Veel eer voor mij,” antwoordde de Boschjesman, en voegde er vol van gedachten aan zijn voornemen geen woord meer bij.Murray eerbiedigde dat stilzwijgen en vroeg den Boschjesman niets meer. Maar hij kon inderdaad niet raden waardoor zijn makker die beide koppige heeren meende te kunnen verzoenen, nu zij op zulk eene bespottelijke wijze het welslagen der onderneming in de waagschaal stelden.’s Avonds ongeveer vijf uren kwamen de jagers in de legerplaats terug. De zaak was nog niets gevorderd, en de oneenigheid tusschen den Rus en den Engelschman was nog verergerd. De dikwijls herhaalde tusschenkomst van Michel Zorn en William Emery had tot niets geleid. Persoonlijkheden waren tusschen de beide tegenstanders verscheidene malen gewisseld; betreurenswaardige beleedigingen van weerszijden hadden alle toenadering onmogelijk gemaakt. Men begon zelfs te vreezen dat de reeds hooger geloopen twist met eene uitdaging zou eindigen. De toekomst van de triangulatie was dus tot op zekere hoogte in gevaar, indien niet ieder van de beide geleerden haar alléén en voor eigen verantwoordelijkheid voortzette. Maar in dit geval zou er eene onmiddellijke scheiding gevolgd zijn, en dit vooruitzicht bedroefde dikwijls de beide jongelingen, die elkander genegen en door wederzijdsche vriendschap zoo nauw verbonden waren.Murray begreep wat er in hen omging. Hij raadde de oorzaakvan hunne treurigheid. Misschien had hij ze kunnen geruststellen door hun de woorden van den Boschjesman over te brengen, doch, hoeveel vertrouwen hij ook in den laatste stelde, wilde hij toch zijne jonge vrienden niet met iets zeer onzekers verblijden en daarom besloot hij tot den volgenden dag op het volbrengen der belofte van den Boschjesman te wachten. Deze veranderde dien avond niets in zijne gewone bezigheden. Hij plaatste de wachten om de legerplaats zooals hij gewoon was, hij liet het oog gaan over de plaatsing der wagens, en nam alle maatregelen, die noodzakelijk waren voor de zekerheid der karavaan.Murray meende dat de jager zijne belofte vergeten had. Voor dat hij ter ruste ging, wilde hij den kolonel ten minste polsen ten opzichte van den Russischen astronoom. Kolonel Everest was onverzettelijk en stond op zijne rechten, waarbij hij nog verzekerde, dat als Mathieu Strux niet toegaf, de Engelschen zich van de Russen zouden scheiden, omdat »er zaken zijn, die men zelfs van een ambtgenoot niet kan verdragen.”Daarop ging Murray zeer ongerust naar bed, en sliep weldra in, vermoeid als hij was door de jacht van dien dag.Tegen elf uren werd hij plotseling wakker; er heerschte eene ongewone beweging onder de inboorlingen, zij liepen her- en derwaarts in de legerplaats. Murray stond aanstonds op en vond al zijne reisgezellen reeds op de been.Het bosch stond in brand.Welk een tooneel! In den donkeren nacht met den somberen horizon tot achtergrond, scheen zich een vlammengordijn hemelhoog te verheffen. In een oogwenk had de brand zich over eene breedte van verscheidene kilometers uitgestrekt. Murray zag Mokum aan, die onbeweeglijk naast hem stond. Maar Mokum beantwoordde zijn blik niet; Murray had hem begrepen; het vuur zou den geleerden door dit eeuwenoude woud een weg banen.De wind woei uit het zuiden en begunstigde de plannen van den Boschjesman. De luchtstroom blies in het woud alsof het met een blaasbalg geschiedde, wakkerde den brand aan en verzadigde den vuurpoel met zuurstof. Hij deed de vlammen stijgen, rukte brandende takken en stukken gloeiend verkoold hout af, en joeg die in de verder afstaande boomen, die daardoor aanstonds in brand werden gestoken. Het vuur breidde zich uit en drong meer en meer het woud in; eene gloeiende hitte deed zich tot in de legerplaats gevoelen. Het doode hout, dat onder het sombere bladergewelf lag opgestapeld, knapte; te midden der vlammen flikkerden dikwijls plotseling heldere vuurzuilen op en verspreidden een schitterend licht. Dit waren harsachtige boomen, die als fakkels brandden. Daardoor hoorde men nu en dan als een verwijderd gelederenvuur, een duidelijk knappen en kraken, naarmate van de soortvan boomen, die werden aangetast, dan weder een geknal alsof er bommen barstten, wanneer oude stammen van ijzerhout in den brand vlogen. De hemel weerkaatste dezen reusachtigen brand. Vuurroode wolken schenen vuur gevat te hebben alsof de brand zelfs naar den hemel was overgeslagen. Zwermen van vonken schitterden als sterren tegen het sombere gewelf te midden van dikke rookwolken.Daartusschen hoorde men van alle kanten het huilen, schreeuwen en brullen van dieren; schaduwen schoten voorbij, verschrikte beesten, die naar alle zijden heensnelden, groote sombere spoken wier vreeselijk gebrul verraadde tot welke soort de vluchtelingen behoorden. Eene ontzettende vrees had hyena’s, buffels, leeuwen en olifanten aangegrepen, en joeg ze naar de uiterste grenzen van den donkeren gezichteinder.De brand duurde den geheelen nacht, en den volgenden dag en nacht voort. En toen de morgen van 14 Augustus aanbrak, was een groot gedeelte van het bosch door het vuur verteerd en maakte het over eene breedte van verscheidene kilometers begaanbaar. De weg voor den meridiaan was gebaand en ditmaal was de toekomst voor de triangulatie door de stoutmoedige daad van den jager Mokum gered.
Ondertusschen wachtten de kolonel en zijne vrienden in het kamp met zeer natuurlijk ongeduld het gevolg van den strijd onder aan den berg af. Als de jagers slaagden moest het lichtpunt ’s nachts te zien zijn. Men begrijpt hoe ongerust de geleerden dien dag doorbrachten. Hunne instrumenten waren gereed; zij hadden ze op den bergtop gericht, zoodat zij den flauwsten schijn zelfs zouden kunnen waarnemen.
Maar zou het licht zich vertoonen?
De kolonel en Mathieu Strux namen geen enkel oogenblik rust. Nikolaas Palander alleen was altijd in gedachten verdiept, en vergat door zijne berekeningen dat zijne makkers een gevaar dreigde. Men beschuldige hem niet van aangeboren zelfzucht. Men kon van hem zeggen wat van den wiskunstenaar Bouvard beweerd werd: »Hij zal slechts ophouden met rekenen, als hij ophoudt te leven, terwijl Nikolaas Palander misschien zal ophouden te leven, zoodra hij ophoudt met rekenen!”
Men moet evenwel erkennen dat de beide Engelsche en Russische geleerden in hunne onrust evenzeer dachten aan het volbrengen van hun geodesischen arbeid als aan het gevaar, dat hunne vrienden liepen. Zij zelven zouden dit gevaar ook getrotseerd hebben, daar zij niet vergaten dat zij ook tot de strijdvoerende wetenschap behoorden. Maar zij waren al te zeer bezig met het resultaat van hun onderzoek. Een natuurlijke hinderpaal die niet kon overwonnen worden, kon hun werk toch doen staken of ten minste vertragen. Men kan zich dus licht voorstellen in welk een angst de beide sterrekundigen gedurende dien oneindig langen dag verkeerden. Eindelijk viel de duisternis. De kolonel en Mathieu Strux, die elk een half uur lang zouden waarnemen, gingen beurt om beurt voor den kijker zitten. Te midden der duisternis spraken zij geen woord en wisselden elkander met de grootste nauwgezetheid af. Het was een wedstrijd wie hunner het eerst het zoo ongeduldig verwachte teeken zien zou.
Uren verliepen; het was reeds over middernacht, niets was nog op den donkeren bergtop verschenen. Eindelijk stond kolonel Everest kwartier voor drieën bedaard op, en zeide alleen: »het signaal!”
Het toeval had hem begunstigd tot groote spijt van zijn Russischenambtgenoot, die zelf het verschijnen van den lantaarn moest bevestigen. Maar Mathieu Strux hield zich in en zeide geen woord. Men bepaalde toen het punt met de meest angstvallige voorzorgen, en na dikwijls herhaalde waarnemingen werd de gemeten hoek bevonden 73° 58′ 42″ 413. Men ziet dat de hoek tot op duizendste deelen van seconden gemeten was en dus zoo goed als met eene volstrekte juistheid.
Den volgenden morgen, 2 Juli, werd het kamp bij het aanbreken van den dag opgebroken. Kolonel Everest wilde zijne makkers zoo spoedig mogelijk weder opzoeken. Hij haastte zich om te weten of de verovering van den berg niet al te duur gekocht was. Onder het geleide van den gids begaven de wagens zich op weg, en om twaalf uren ’s middags waren al de leden der wetenschappelijke commissie weder bij elkander. Al de bijzonderheden van het gevecht tegen de leeuwen werden uitvoerig verhaald en het ontbrak den overwinnaars daarbij niet aan welgemeende gelukwenschen.
Dien morgen hadden Murray, Zorn en Emery boven van den berg den hoeksafstand van een nieuw station gemeten, dat eenige kilometers westwaarts van den meridiaan gelegen was. De arbeid kon dus zonder oponthoud worden voortgezet. Nadat de astronomen de hoogte van eenige sterren bepaald hadden, berekenden zij de breedte van den bergtop, waaruit Palander de gevolgtrekking maakte dat men door de laatste driehoeksmetingen een tweede gedeelte van den meridiaan van ten naaste bij één graad had opgemeten. Door middel van vijftien driehoeken hadden zij dus in het geheel twee graden van de basis afgemeten.
Het werk werd onmiddellijk voortgezet; het werd onder vrij goede omstandigheden verricht, en men hoopte dat geen enkele natuurlijke hinderpaal de voltooiing van het geheel in den weg zou staan. Gedurende vijf weken begunstigde de hemel de waarnemingen. De eenigszins heuvelachtige grond was bijzonder geschikt voor het plaatsen van seinpalen; onder toezicht van den Boschjesman werden de legerplaatsen geregeld inordegebracht. Het ontbrak hun niet aan levensmiddelen; de jagers van de karavaan voorzagen, met John Murray aan het hoofd, haar dagelijks van wild. De eerzame Engelschman telde zelfs de verscheidenheid van antilopen of buffels niet meer, die onder zijne kogels vielen. Alles ging naar wensch. De gezondheidstoestand was voldoende; het water was nog overvloedig voorhanden; eindelijk scheen de oneenigheid tusschen den kolonel en Mathieu Strux te bedaren, tot groot genoegen hunner makkers. Elkeen toonde den grootsten ijver, en men kon den goeden uitslag der onderneming reeds voorspellen, toen eene plaatselijke moeilijkheid voor het oogenblik de waarnemingen hinderde, en den nationalen naijver weder aanwakkerde.
Het was de 11deAugustus. Sedert den vorigen dag trok de karavaandoor eene boschrijke streek, waar bosschen en kreupelhout mijlen achtereen elkander afwisselden. Dien morgen hielden de wagens halt voor eene ontzaglijke massa hooge boomen, die zich, zoover de gezichteinder reikte, uitstrekte. Niets was indrukwekkender van dit groene gordijn, dat zich honderd voeten boven den grond verhief. Geene beschrijving zou een juist denkbeeld kunnen geven dan de schoone boomen, waaruit een Afrikaansch bosch bestaat. Dáár vermengen zich de heerlijkste geuren van allerlei soort van boomen, van den gounda, den mosokoso, den moukomdou, welks hout voor den scheepsbouw zeer gezocht is, van hoogstammige ebbenboomen met geheel zwarte schors, van den ijzerhoutboom, van den buchnera met zijne oranjekleurige bloemen, van eene soort boomen met witachtigen stam en purperkleurige, onbeschrijfelijk schoone bladeren, van duizenden pokhoutboomen waarvan sommige tot zelfs vijftien voet in omtrek hadden. Uit dit geweldige woud steeg een indrukwekkend en grootsch geluid op, dat aan de branding op eene zandige kust denken deed. Het was het geruisch van den wind in de bladerenmassa dat zich in dit reuzenwoud hooren deed.
Op eene vraag van kolonel Everest, antwoordde de jager, dat dit het woud van Rovouma was.
»Hoe breed is het van het oosten naar het westen?”
»Vijfenveertig kilometers.”
»En van het noorden naar het zuiden?”
»Ongeveer tien kilometers.”
»En hoe zullen wij door die dichte boommassa heenkomen?”
»Wij kunnen er niet door,” antwoordde Mokum. »Er is geen begaanbaar voetpad; slechts één middel blijft ons over, namelijk om aan de oost- of westzijde om het bosch heen te trekken.”
Toen de aanvoerders zulke juiste antwoorden van den Boschjesman gehoord hadden, waren zij zeer verlegen. Het was duidelijk dat men geen seinpalen in dit groote en uitgestrekte bosch zetten kon. Er omheen trekken, dat is te zeggen, twintig tot vijfentwintig kilometers aan de eene of andere zijde van den meridiaan afwijken, was den arbeid ontzaglijk vermeerderen, en misschien een tiental driehoeken meer meten dan noodig was.
Er bestond dus eene wezenlijke moeilijkheid, een natuurlijke hinderpaal. De vraag was van belang en moeielijk op te lossen. Zoodra de legerplaats was opgeslagen onder de schaduw van prachtige boomgroepen, die op een halven kilometer van het bosch afstonden, werd er door de astronomen raad belegd om eene beslissing te nemen. De vraag om door dit ontzaglijke bosch heen de meting te vervolgen verviel als van zelf. Het was duidelijk dat men onder zulke omstandigheden niet werken kon. Het voorstel bleef nu over om rechts of links om het bosch heen te trekken, daar de afwijking aanbeide zijden ongeveer dezelfde was, want de meridiaan liep ongeveer midden door het bosch heen.
Hij sliep weldra in. Blz. 111.Hij sliep weldra in. Blz.111.
Hij sliep weldra in. Blz.111.
De leden der Engelsch-Russische commissie besloten dus om dienonoverkomelijken hinderpaal heen te trekken.1Het kwam er niet op aan of dat oost- of westwaarts zou zijn; doch nu ontstond er juist over dit nietsbeduidende punt een hevige twist tusschen den kolonel en Mathieu Strux. De twee tegenstanders, die zich reeds eenigen tijd hadden ingehouden, gaven lucht aan hunne oude vijandschap, die eensklaps uitbarstte, en eindigde in eene ernstige oneenigheid. Te vergeefs traden hunne ambtgenooten tusschen beiden. De beideaanvoerders wilden naar niets hooren. De Engelschman wilde rechts, omdat dan de tocht gaan zou dicht langs den door Livingstone gevolgden weg bij diens eerste reis naar den waterval der Zambese, en dit was eene goede reden, want deze landstreek kon, als meer bekend en bezocht, zekere voordeelen opleveren. Wat den Rus betreft, hij wilde links, doch klaarblijkelijk alléén om den kolonel in het vaarwater te zitten. Als deze links had willen trekken zou de Rus zeker rechts zijn gegaan.
De twist liep zeer hoog en men voorzag reeds het oogenblik dat de leden der commissie zich in twee partijen zouden verdeelen.
Michel Zorn en William Emery, John Murray en Nikolaas Palander konden er niets aan doen; zij gingen dus heen en lieten de beide aanvoerders twisten. Zij waren zoo stijfhoofdig, dat men het ergste kon verwachten, zelfs dat de arbeid, welke hier bleef steken, door middel van twee rijen scheeve driehoeken zou worden voortgezet. De dag ging voorbij zonder eenige toenadering tusschen de beide tegenovergestelde meeningen.
Den volgenden dag, 12 Augustus, voorzag Murray dat de stijfhoofdige astronomen het nog niet eens zouden worden, en ging dus den Boschjesman opzoeken om hem voor te stellen in den omtrek te gaan jagen. In dien tijd zouden de beide geleerden elkander mogelijk verstaan. In allen gevalle was een stuk versch wildbraad niet te verwerpen.
Mokum, die altijd gereed was, floot zijn hond Top, en de beide jagers, die het kreupelbosch en den rand van het woud afliepen, dwaalden pratende en jagende eenige kilometers van de legerplaats af. Het was natuurlijk dat het gesprek liep over de gebeurtenis, die het voortzetten van den geodesischen arbeid belette.
»Ik stel me voor,” zeide de Boschjesman, »dat we wel eenigen tijd aan den rand van dit bosch van Rovouma gelegerd zullen blijven. Onze beide aanvoerders zullen elkander niet gemakkelijk iets toegeven. Neem me niet kwalijk als ik ze vergelijk bij halsstarrige ossen, waarvan de een rechts en de ander links trekt, zoodat de wagen niet meer kan loopen.”
»Het is een noodlottige omstandigheid,” antwoordde Murray, »en ik vrees dat deze stijfhoofdigheid een geheele scheiding na zich sleept. Als het belang van de wetenschap er niet mede gemoeid was, zou die vijandschap tusschen twee sterrekundigen mij vrij koel laten, waarde Mokum. De wildrijke bosschen van Afrika kunnen mij afleiding genoeg bezorgen, en zoolang die beide heeren het oneens zijn, zal ik met het geweer op schouder het jachtveld afloopen.”
»Maar denkt u dat zij het op dit punt eens zullen worden? Ik voor mij hoop het niet, en zooals ik reeds zeide, ons oponthoud kan hier tot in het oneindige verlengd worden.”
»Ik vrees het, Mokum,” antwoordde Murray. »Onze beide aanvoerdershebben ongelukkig genoeg twist over eene niets beteekenende zaak, die men wetenschappelijk niet kan oplossen. Zij hebben beiden gelijk en beiden ongelijk. Kolonel Everest heeft bepaald verklaard, dat hij niet zou toegeven. Mathieu Strux heeft gezworen dat hij zich tegen de aanmatiging van den kolonel verzetten zou, en de beide geleerden, die zich waarschijnlijk op een wetenschappelijk bewijs zouden gewonnen gegeven, zullen er nimmer toe gebracht kunnen worden om toe te geven in een geschilpunt, waarmede hunne eigenliefde gemoeid is. Het is in het belang van ons werk waarlijk te betreuren dat onze meridiaan juist door het bosch loopt!”
»De duivel hale die bosschen!” antwoordde de Boschjesman, »als er van zulk werk sprake is. Maar wat drommel kan het die geleerden schelen om de lengte of breedte van de aarde te meten? Zullen ze zooveel wijzer zijn als ze dit met voeten en duimen hebben uitgerekend? Ik voor mij, mijnheer, weet liever al die dingen niet! Ik geloof liever dat de bol, dien ik bewoon, oneindig groot is, en ik houd het er voor, dat men de aarde verkleint als men er de juiste afmetingen van kent! Neen, mijnheer, al leef ik honderd jaar dan nog zou ik nimmer aan het nut van uw werk geloof slaan!”
Murray kon niet nalaten te glimlachen. Dit punt was dikwijls tusschen den jager en hem besproken; de onbeschaafde natuurmensch, die vrij door bosschen en over vlakten ronddwaalde en onversaagd de wilde dieren aanviel, kon natuurlijk het wetenschappelijke belang niet begrijpen dat er in eene driehoeksmeting gelegen was. Soms had Murray hem hiervan trachten te overtuigen, maar de Boschjesman antwoordde hem met bewijsgronden uit eene wezenlijke natuurlijke wijsbegeerte geput en met een soort van wilde welsprekendheid voorgedragen, welke Murray, die half geleerde en half jager was, zeer op prijs stelde.
Zoo voortkeuvelende, vervolgden de beide jagers in de vlakte het kleine wild, zooals hazen, een nieuw soort van knaagdieren, onder den naam van »graphycerus elegans” bekend, enkele schel schreeuwende regenvogels, en vluchten patrijzen met bruine, gele en zwarte vederen. Maar vreemd genoeg, Murray alleen hield de eer van de jacht op; de Boschjesman schoot weinig; zijn geest scheen geheel en al te worden bezig gehouden door die oneenigheid tusschen de beide sterrekundigen, die het goed slagen van de onderneming noodzakelijk in de waagschaal stellen moest. De omstandigheid van dat bosch hinderde hem zeker meer dan Murray; hoe verscheiden het wild ook was, toch vestigde hij er ter nauwernood de aandacht op; dat was een ernstig teeken bij zulk een jager.
Van alle kanten het gehuil, het geschreeuw en gebrul van dieren. Blz. 112.Van alle kanten het gehuil, het geschreeuw en gebrul van dieren. Blz.112.
Van alle kanten het gehuil, het geschreeuw en gebrul van dieren. Blz.112.
Inderdaad speelde een aanvankelijk zeer vaag denkbeeld den Boschjesman door het hoofd, doch langzamerhand nam dat denkbeeld meer bepaalde vormen in zijne hersens aan. Murray hoorde hem in zich zelven praten, vragen en antwoorden. Hij zag hem met hetgeweer in rust, zonder te letten op het loopend en vliegend wild om hem heen; hij stond onbeweeglijk en scheen even afgetrokken als Nikolaas Palander, wanneer deze naar eene fout in eene logarithmentafelzocht. Maar Murray eerbiedigde deze overdenkingen, en wilde zijn makker in deze zwaarwichtige overpeinzingen niet storen.
Twee of driemalen kwam Mokum op dien dag naar Murray toe en vroeg hem: »Dus meent mijnheer, dat de kolonel en mijnheer Strux het niet eens zullen worden?”
Op deze vraag antwoordde Murray onveranderlijk dat het hem moeilijk toescheen hen te verzoenen, en dat eene scheiding tusschen Russen en Engelschen te vreezen stond.
Toen zij ’s avonds nog op eenige mijlen van de legerplaats verwijderd waren, deed Mokum voor de laatste maal dezelfde vraag, en kreeg hetzelfde antwoord, maar toen voegde hij er bij:
»Welnu, wees dan maar gerust, want ik heb het middel gevonden om aan de beide geleerden hun zin te geven.”
»Zoo... dappere jager?” antwoordde Murray vrij verbaasd.
»Ja, ik herhaal het u, mijnheer. Vóór morgen zullen de kolonel en mijnheer Strux geen reden meer hebben om twist te zoeken, als de wind maar gunstig is.”
»Wat wilt ge daarmede zeggen, Mokum?”
»Ik weet wat ik zeg, mijnheer!”
»Welnu, doe het Mokum, dan zult ge u verdienstelijk hebben gemaakt jegens het geheele geleerde Europa, en zal uw naam in de jaarboeken der wetenschap worden opgeteekend.”
»Veel eer voor mij,” antwoordde de Boschjesman, en voegde er vol van gedachten aan zijn voornemen geen woord meer bij.
Murray eerbiedigde dat stilzwijgen en vroeg den Boschjesman niets meer. Maar hij kon inderdaad niet raden waardoor zijn makker die beide koppige heeren meende te kunnen verzoenen, nu zij op zulk eene bespottelijke wijze het welslagen der onderneming in de waagschaal stelden.
’s Avonds ongeveer vijf uren kwamen de jagers in de legerplaats terug. De zaak was nog niets gevorderd, en de oneenigheid tusschen den Rus en den Engelschman was nog verergerd. De dikwijls herhaalde tusschenkomst van Michel Zorn en William Emery had tot niets geleid. Persoonlijkheden waren tusschen de beide tegenstanders verscheidene malen gewisseld; betreurenswaardige beleedigingen van weerszijden hadden alle toenadering onmogelijk gemaakt. Men begon zelfs te vreezen dat de reeds hooger geloopen twist met eene uitdaging zou eindigen. De toekomst van de triangulatie was dus tot op zekere hoogte in gevaar, indien niet ieder van de beide geleerden haar alléén en voor eigen verantwoordelijkheid voortzette. Maar in dit geval zou er eene onmiddellijke scheiding gevolgd zijn, en dit vooruitzicht bedroefde dikwijls de beide jongelingen, die elkander genegen en door wederzijdsche vriendschap zoo nauw verbonden waren.
Murray begreep wat er in hen omging. Hij raadde de oorzaakvan hunne treurigheid. Misschien had hij ze kunnen geruststellen door hun de woorden van den Boschjesman over te brengen, doch, hoeveel vertrouwen hij ook in den laatste stelde, wilde hij toch zijne jonge vrienden niet met iets zeer onzekers verblijden en daarom besloot hij tot den volgenden dag op het volbrengen der belofte van den Boschjesman te wachten. Deze veranderde dien avond niets in zijne gewone bezigheden. Hij plaatste de wachten om de legerplaats zooals hij gewoon was, hij liet het oog gaan over de plaatsing der wagens, en nam alle maatregelen, die noodzakelijk waren voor de zekerheid der karavaan.
Murray meende dat de jager zijne belofte vergeten had. Voor dat hij ter ruste ging, wilde hij den kolonel ten minste polsen ten opzichte van den Russischen astronoom. Kolonel Everest was onverzettelijk en stond op zijne rechten, waarbij hij nog verzekerde, dat als Mathieu Strux niet toegaf, de Engelschen zich van de Russen zouden scheiden, omdat »er zaken zijn, die men zelfs van een ambtgenoot niet kan verdragen.”
Daarop ging Murray zeer ongerust naar bed, en sliep weldra in, vermoeid als hij was door de jacht van dien dag.
Tegen elf uren werd hij plotseling wakker; er heerschte eene ongewone beweging onder de inboorlingen, zij liepen her- en derwaarts in de legerplaats. Murray stond aanstonds op en vond al zijne reisgezellen reeds op de been.
Het bosch stond in brand.
Welk een tooneel! In den donkeren nacht met den somberen horizon tot achtergrond, scheen zich een vlammengordijn hemelhoog te verheffen. In een oogwenk had de brand zich over eene breedte van verscheidene kilometers uitgestrekt. Murray zag Mokum aan, die onbeweeglijk naast hem stond. Maar Mokum beantwoordde zijn blik niet; Murray had hem begrepen; het vuur zou den geleerden door dit eeuwenoude woud een weg banen.
De wind woei uit het zuiden en begunstigde de plannen van den Boschjesman. De luchtstroom blies in het woud alsof het met een blaasbalg geschiedde, wakkerde den brand aan en verzadigde den vuurpoel met zuurstof. Hij deed de vlammen stijgen, rukte brandende takken en stukken gloeiend verkoold hout af, en joeg die in de verder afstaande boomen, die daardoor aanstonds in brand werden gestoken. Het vuur breidde zich uit en drong meer en meer het woud in; eene gloeiende hitte deed zich tot in de legerplaats gevoelen. Het doode hout, dat onder het sombere bladergewelf lag opgestapeld, knapte; te midden der vlammen flikkerden dikwijls plotseling heldere vuurzuilen op en verspreidden een schitterend licht. Dit waren harsachtige boomen, die als fakkels brandden. Daardoor hoorde men nu en dan als een verwijderd gelederenvuur, een duidelijk knappen en kraken, naarmate van de soortvan boomen, die werden aangetast, dan weder een geknal alsof er bommen barstten, wanneer oude stammen van ijzerhout in den brand vlogen. De hemel weerkaatste dezen reusachtigen brand. Vuurroode wolken schenen vuur gevat te hebben alsof de brand zelfs naar den hemel was overgeslagen. Zwermen van vonken schitterden als sterren tegen het sombere gewelf te midden van dikke rookwolken.
Daartusschen hoorde men van alle kanten het huilen, schreeuwen en brullen van dieren; schaduwen schoten voorbij, verschrikte beesten, die naar alle zijden heensnelden, groote sombere spoken wier vreeselijk gebrul verraadde tot welke soort de vluchtelingen behoorden. Eene ontzettende vrees had hyena’s, buffels, leeuwen en olifanten aangegrepen, en joeg ze naar de uiterste grenzen van den donkeren gezichteinder.
De brand duurde den geheelen nacht, en den volgenden dag en nacht voort. En toen de morgen van 14 Augustus aanbrak, was een groot gedeelte van het bosch door het vuur verteerd en maakte het over eene breedte van verscheidene kilometers begaanbaar. De weg voor den meridiaan was gebaand en ditmaal was de toekomst voor de triangulatie door de stoutmoedige daad van den jager Mokum gered.
1Om onzen lezers duidelijk te maken wat eene geodesische opname eigenlijk is en hun eenig denkbeeld te geven van de moeielijkheden die haar somtijds in den weg kunnen staan, wordt het onderstaande hier ter verduidelijking bijgevoegd: laat AB het gedeelte van den meridiaan zijn, welker lengte men bepalen moet. Men meet met de grootste nauwkeurigheid eene basis AC, door van het uiteinde A van den meridiaan naar een eerste station C te gaan, daarna kiest men aan weêrszijden van den meridiaan andere stations als D, E, F, G, H, I, enz. van elk van welke men de naastbijgelegen stations zien kan, en men meet met den theodoliet de hoeken der driehoeken ACD, CDE, EDF, enz. Deze eerste bewerking stelt in staat, om die geheele driehoeken te berekenen, want in den eersten kent men AC en de hoeken, en men kan dus de zijde CD berekenen; in den tweeden kent men CD en de hoeken, en men kan de zijde DE berekenen; in den derden kent men DE en de hoeken en men kan EF berekenen, enz. Daarna bepaalt men, in het punt A staande, de richting van den meridiaan op de gewone wijze, en men meet hoek MAC, welke deze richting met de basis vormt; men kent dan door berekening de zijde AC en de aanliggende hoeken van den driehoek ACM, en men kan derhalve het eerste gedeelte AM van den meridiaan vinden. Men berekent tegelijkertijd den hoek M en de zijde CM: men kent dan in den driehoek MDN de zijde DM = CD-CM en de aanliggende hoeken, en daarmede kan men het tweede stuk MN van den meridiaan vinden, verder ook hoek N en de zijde DN. In driehoek NEP kent men dus de zijde EN = DE-DN en de aanliggende hoeken, en men kan het derde stuk NP van den meridiaan berekenen, enz. Men begrijpt, dat men op die wijze stuksgewijze de lengte van den geheelen boog AB bepalen kan.
1
Om onzen lezers duidelijk te maken wat eene geodesische opname eigenlijk is en hun eenig denkbeeld te geven van de moeielijkheden die haar somtijds in den weg kunnen staan, wordt het onderstaande hier ter verduidelijking bijgevoegd: laat AB het gedeelte van den meridiaan zijn, welker lengte men bepalen moet. Men meet met de grootste nauwkeurigheid eene basis AC, door van het uiteinde A van den meridiaan naar een eerste station C te gaan, daarna kiest men aan weêrszijden van den meridiaan andere stations als D, E, F, G, H, I, enz. van elk van welke men de naastbijgelegen stations zien kan, en men meet met den theodoliet de hoeken der driehoeken ACD, CDE, EDF, enz. Deze eerste bewerking stelt in staat, om die geheele driehoeken te berekenen, want in den eersten kent men AC en de hoeken, en men kan dus de zijde CD berekenen; in den tweeden kent men CD en de hoeken, en men kan de zijde DE berekenen; in den derden kent men DE en de hoeken en men kan EF berekenen, enz. Daarna bepaalt men, in het punt A staande, de richting van den meridiaan op de gewone wijze, en men meet hoek MAC, welke deze richting met de basis vormt; men kent dan door berekening de zijde AC en de aanliggende hoeken van den driehoek ACM, en men kan derhalve het eerste gedeelte AM van den meridiaan vinden. Men berekent tegelijkertijd den hoek M en de zijde CM: men kent dan in den driehoek MDN de zijde DM = CD-CM en de aanliggende hoeken, en daarmede kan men het tweede stuk MN van den meridiaan vinden, verder ook hoek N en de zijde DN. In driehoek NEP kent men dus de zijde EN = DE-DN en de aanliggende hoeken, en men kan het derde stuk NP van den meridiaan berekenen, enz. Men begrijpt, dat men op die wijze stuksgewijze de lengte van den geheelen boog AB bepalen kan.