XVI.Verschillende voorvallen.Op het einde van September hadden de astronomen een graad meer noordwaarts gemeten. Het gedeelte van den meridiaan, dat door middel van tweeëndertig driehoeken gemeten was, bedroeg reeds vier graden. Het was de helft van de voorgenomen taak. De drie geleerden legden een buitengewonen ijver aan den dag; maar omdat zij slechts met hun drieën waren, gevoelden zij zich tusschenbeiden zoo vermoeid, dat zij hun werk gedurende eenige dagen moesten opschorten. Het was inderdaad een drukkende hitte. De maand October in het zuidelijk halfrond komt met April in het noordelijk halfrond overeen, en onder den vierentwintigsten graad Z. B. heerscht de hooge temperatuur van Algerië. Reeds was het werk midden op den dag gedurende eenige uren onmogelijk. Ook ondervond de opmeting eenige vertraging, die den Boschjesman vooral zeer verontrustte. Ziehier waarom:Ten noorden van den meridiaan, op een afstand van honderd kilometers van het laatste door de astronomen bepaalde station, sneed de meridiaan eene zonderlinge streek, die de inlanderskarrounoemen, en die overeenkomt met de vlakte aan den voet van de Roggeveldsbergen in het Kaapland. Gedurende het natte jaargetijde, biedt deze streek overal de bewijzen van de grootste vruchtbaarheid aan; na eenige dagen regen is de grond er met dicht groen bedekt; bloemen ontspruiten overal; in een ongelooflijk korten tijd komen de planten uit den bodem te voorschijn, ziender oogen worden de weilanden groen; waterbeken ontstaan; troepen antilopen komen van de hoogte en nemen die eensklaps ontstane weilanden in bezit. Maar die zonderlinge werking der natuur duurt slechts korten tijd; nauwelijks zijn eene maand of zes weken voorbijgegaan,of al de vochtigheid van den grond wordt opgezogen door de zon en verdwijnt in dampvorm in de lucht. De grond wordt hard en verstikt de nieuwe spruiten; de plantengroei verdwijnt in weinige dagen; de dieren ontvluchten deze onbewoonbaar geworden streek, en de woestijn strekt zich uit op dezelfde plek, waar vroeger een rijk en vruchtbaar land was.Zóó was dekarrouwaar de kleine karavaan van kolonel Everest door moest, voordat zij de eigenlijke woestijn bereikte, die zich tot aan de oevers van het meer Ngami uitstrekt. Men begrijpt welk belang de Boschjesman er bij had om deze zonderlinge streek door te trekken, voordat de buitengewone droogte de bronnen had doen opdroogen. Hij deelde zijne opmerkingen aan kolonel Everest mede. Deze begreep het volkomen, en beloofde dat hij het zooveel mogelijk in gedachte zou houden door het werk te verhaasten. Doch deze haast mocht in ieder geval de nauwkeurigheid niet schaden. De driehoeksmetingen zijn niet altijd gemakkelijk en op elk oogenblik te doen. Alleen onder zekere omstandigheden der atmosfeer, kan men goed waarnemen. Ook ging de arbeid niet bijzonder veel spoediger niettegenstaande de dringende aanmaning van den Boschjesman, en deze zag wel dat als hij aan dekarroukwam, de vruchtbaarheid waarschijnlijk door den invloed der zonnestralen zou verdwenen zijn.Maar alvorens het werk der driehoeksmeting zoo ver gevorderd was, dat de astronomen de grenzen derkarroubereikt hadden, konden zij zich niet genoeg verzadigen met de beschouwing der prachtige natuur, die zich voor hun oog ontrolde. Hun tocht had hen nog nimmer in zulk eene schoone streek gevoerd. Niettegenstaande de hoogere temperatuur onderhielden de beken er eene voortdurende frischheid. Kudden van duizenden stuks vee zouden in deze weiden een onuitputtelijk voedsel gevonden hebben. Eenige groene bosschen staken hier en daar fier hunne kruinen op, en het geheel zag er uit alsof het een Engelsch park was; alleen de gaslantaarns ontbraken!Kolonel Everest toonde zich niet zeer gevoelig voor deze schoone natuur, doch Murray en Emery gevoelden des te levendiger den dichterlijken indruk dien deze streek, verloren te midden van de Afrikaansche wildernissen, op hen maakte. Hoe betreurde de jeugdige geleerde toen zijn armen Michel Zorn, en de vertrouwelijke gesprekken, die zij met elkander wisselden. Evenals hij zou ook deze dienzelfden levendigen indruk gevoeld hebben, en tusschen hunne waarnemingen door hadden zij nu en dan hun hart kunnen uitstorten!De karavaan trok dus midden door het prachtige land heen. Talrijke vluchten vogels verlevendigden door hun gezang en hun gefladder weilanden en bosschen. De jagers schoten verscheidene malen eenbijzonder soort van trapganzen, die alleen in de vlakten van Zuidelijk Afrika gevonden worden, en»dikkoppen”, die een lekker en zeer geroemd wildbraad leverden. De aandacht der Europeanen werd nog door een ander soort van vogels getrokken, doch niet uit het oogpunt van eetbaarheid. Op de oevers der beken of op de oppervlakte der rivieren, waarover zij met de snelle wieken heenscheerden, vervolgden eenige groote vogels de vraatzieke kraaien, die beproefden de eieren onder uit de in het zand gegraven nesten te rooven. Blauwe kraanvogels met witten hals, roode flamingo’s, die evenals of het vlammen waren tusschen het dunne kreupelhout voortwandelden, reigers, wulpen, watersnippen,»kalas,” die dikwijls op den schoft derbuffelswaren neêrgestreken, pluvieren, ibissen, die van een met hieroglyphen bedekten obelisk schenen afgevlogen te zijn, verbazend groote pelikanen, die in troepen van honderden in rijen achter elkander liepen, brachten overal leven en beweging in die streken, waar de mensch alleen scheen te ontbreken. Doch van deze verschillende soorten van vogels waren zeker de merkwaardigste de wevervogels, wier groenachtige uit riet en gras gevlochten nesten als groote peren aan de takken der treurwilligen hingen. Emery, die ze voor vruchten van eene nieuwe soort hield, plukte er één of twee, en was zeer verwonderd toen hij binnen in die vermeende vruchten een getjilp als van musschen hoorde. Zou het niet te vergeven zijn geweest, als hij in navolging van de oude reizigers in Amerika gemeend had, dat zeker soort van boomen in deze streken vruchten dragen, die levende vogels voortbrengen?Inderdaad had deze streek op dat oogenblik een verrukkelijk aanzien; alle omstandigheden waren er even gunstig voor grazende dieren. Gnoes met puntige hoeven, caäma’s, die volgens Harris slechts uit driehoeken schijnen te bestaan, elanddieren, kameelen en gazellen waren er in overvloed. Welk eene verscheidenheid van wild, wat prachtige schoten voor een der meest gevierde leden van de jachtclub! Het was waarlijk eene al te groote verzoeking voor John Murray, en na twee dagen verlof van kolonel Everest verkregen te hebben, gebruikte hij die om zich op merkwaardige wijze te vermoeien. Maar wat had hij met zijn vriend Mokum ook een prachtige jacht, terwijl William Emery hen als liefhebber volgde! Wat gelukkige schoten had hij in zijn jachtregister op te teekenen! Wat jagertropeeën om in zijn kasteel in de Hooglanden op te hangen! En hoe weinig dacht hij gedurende die beide verlofdagen aan geodesische opnamen, triangulatie of meting van den meridiaan! Wie zou het geloofd hebben dat deze hand, die zoo bekwaam was in het hanteeren van het geweer, ooit den fijnen kijker van den theodoliet behandeld had! Wie zou gedacht hebben dat het oog, hetwelk op de snelle antilopen zoo goed mikken kon, zich geoefend had in het beschouwen der hemellichamen, en zelfs sterren van de dertiende grootte had waargenomen!Ja, John Murray was gedurende die beide vrije dagen geheel en alléén jager, en desterrekundigewas zoo totaal verdwenen, dat men bijna vreezen moest dat hij als zoodanig nooit weder te voorschijn zou treden!»Die Makololo zat in deze antilopenhuid.” Bladz. 138.»Die Makololo zat in deze antilopenhuid.” Bladz.138.Onder andere jachtavonturen van Murray moet er een worden opgeteekend, dat eene zeer onverwachte uitkomst had, en den Boschjesman alles behalve geruststelde voor de toekomst der wetenschappelijke onderneming. Dit voorval bevestigde slechts de ongerustheid, die de scherpzinnige jager aan den kolonel Everest had doen blijken.Het was de 15deOctober. Sedert twee dagen gaf Murray zich geheel aan zijne liefhebberij over. Men had eene troep van een twintigtal herkauwende dieren op ongeveer twee kilometers van de karavaan bemerkt; Mokum zag dat zij tot die schoone soort van antilopen behoorden, welke men oryx noemt, en waarvan de zeer moeilijke jacht elk Afrikaansch jager op de proef stelt.Aanstonds deelde de Boschjesman aan John Murray mede welke gunstige gelegenheid zich aanbood, en hij spoorde hem sterk aan er gebruik van te maken. Tegelijker tijd deelde hij hem mede dat die dieren zeer moeilijk te vangen waren, dat zij veel sneller liepen dan het vlugste paard; dat de beroemde Cumming, toen hij in het land der Namaqueezen op de jacht was, gedurende zijn geheele jagersloopbaan, zelfs met renpaarden, nooit een van die zonderlinge antilopen onder zijn bereik had kunnen krijgen! Er was niet eens zooveel noodig om den Engelschman aan te sporen, want aanstonds verklaarde hij zich gereed om die dieren te vervolgen. Hij koos het beste paard, het beste geweer, de beste honden, en in zijn ongeduld liep hij den Boschjesman zelfs al vooruit naar den rand van een kreupelbosch dat eene vlakte begrensde en waar dichtbij men de dieren had bemerkt.Na een tocht van een uur hielden de beide paarden stil. Mokum, verscholen achter een boschje sycomoren toonde aan zijn makker de grazende kudde, die zich op eenige honderden passen onder den wind bevond. De schichtige dieren hadden hen nog niet bemerkt, en zij graasden vreedzaam in de vlakte. Een van die antilopen scheen zich een weinig van de overige verwijderd te houden. De Boschjesman deed dit aan Murray opmerken.»Het is een schildwacht,” zeide hij. »Dit dier, dat zeker een oud mannetje is, waakt voor de veiligheid van allen. Bij het minste gevaar, zal het een soort van gehinnik doen hooren, en onder zijne aanvoering zal de troep met de grootste snelheid vluchten. Wij moeten hen dus niet dan op een zeer geschikten afstand schieten, en hem bij het eerste schot neerleggen!”Murray vergenoegde zich met toestemmend te knikken, en koos eene goede plaats om de kudde te bekijken.De antilopen graasden zonder erg voort. De schildwacht, die door den wind mogelijk iets verdachts in den neus had gekregen, hief vrij dikwijls den gehoornden kop op, en toonde eenige onrust. Maar hij was te ver af dan dat de jagers met goed gevolg op hem hadden kunnen schieten. Men behoefde er niet aan te denken omdeze kudde op de vlakte in de vlucht te achterhalen. Misschien zou zij dichter bij het kreupelbosch komen, en in dit geval konden Murray en de Boschjesman onder de gunstigste omstandigheden op een van die dieren mikken.Het geluk scheen de jagers te begunstigen. Langzamerhand naderden de dieren onder geleide van het oude mannetje het kreupelbosch. Zonder twijfel meenden zij zich onder het dicht gebladerte van het kreupelbosch te verschuilen. Toen hun oogmerk niet meer twijfelachtig was, noodigde de Boschjesman zijn makker uit om af te stijgen; de paarden werden aan een vijgenboom gebonden; men wierp ze een doek over den kop als voorzorgsmaatregel om ze niet te doen hinniken en ze stil te laten staan. Daarna kropen Mokum en Murray, door de honden gevolgd, door de struiken langs den zoom van het bosch, doch zóó, dat zij bij een punt kwamen, door de laatste boomen gevormd, en waar zij op geen drie honderd schreden van de dieren meer af waren. Daar bukten de beide jagers alsof zij in een hinderlaag lagen, en wachtten met gespannen haan. Van de plaats waar zij zaten, konden zij de antilopen zien en de bevallige dieren in alle bijzonderheden waarnemen. De mannetjes waren weinig onderscheiden van de wijfjes, en zelfs hadden deze laatste door eene speling, waarvan de natuur slechts zelden voorbeelden geeft, grooter horens dan de eerste, die zeer bevallig naar achteren gebogen en puntig waren. Geen dier is bevalliger dan deze antilope, waarvan de oryx eene verscheidenheid is; geene soort heeft zulke zuiver en regelmatig geteekende zwarte vlekken. Zij hebben een bosje haar aan den hals, rechtopstaande manen en een dikken staart, die tot op den grond hangt.De kudde, die uit een twintigtal dieren bestond, naderde het bosch, en bleef toen op dezelfde plaats. Het was duidelijk dat de schildwacht de antilopen uit de vlakte trachtte te krijgen. Hij liep door het hooge gras en trachtte ze in een klein hoopje bij elkander te drijven, evenals de herdershond doet met de aan zijne hoede toevertrouwde schapen. Maar die dieren, welke in het gras rondhuppelden schenen geen lust te hebben de weelderige weide te verlaten. Zij schenen te weigeren, sprongen vluchtende weg en begonnen eenige schreden verder weder te grazen. Deze wijze van doen verwonderde den Boschjesman; hij deed dit aan Murray opmerken, maar kon er hem geen verklaring van geven. De jager kon niet begrijpen waarom het oude mannetje zoo halsstarrig was, en om welke reden hij de kudde naar het bosch wilde jagen. Dit duurde zoo een geruimen tijd, zonder dat er verandering in kwam. Murray had steeds ongeduldig den vinger aan den haan van zijn geweer. Dan eens wilde hij schieten, dan weder vooruitspringen, zoodat Mokum werk had hem tegen te houden.Zóó ging er een uur voorbij, en men kon niet voorzien hoeveleer nog zouden verloopen, toen één der honden, die waarschijnlijk even ongeduldig werd als de Engelschman, een geweldig geblaf aanhief en de vlakte inrende.De woedende Boschjesman had het verwenschte dier gaarne een kogel nagezonden! maar de snelvoetige kudde vluchtte reeds met onvergelijkelijke snelheid, en toen begreep Murray dat geen paard haar kon inhalen. Binnen weinige oogenblikken waren de antilopen niet meer dan zwarte puntjes, die door het hooge gras voortstoven.Tot groote verbazing van den Boschjesman had het oude mannetje het sein tot vluchten niet gegeven. Tegen de gewoonte van deze dieren in was het beest op dezelfde plaats gebleven en scheen er niet aan te denken de onder zijne hoede staande antilopen te volgen. Sedert hare vlucht toch trachtte het zelfs zich in het hooge gras te verbergen, misschien met het plan om in het kreupelbosch te ontvluchten.»Dat is zonderling,” zeide de Boschjesman. »Wat scheelt dat oude dier? Wat loopt het wonderlijk! Is het gekwetst of te oud?”»Wij zullen het wel te weten komen!” antwoordde Murray, terwijl hij met het geweer in de hand in de richting van het dier vooruitsprong.Toen de jager naderde, was de antilope hoe langer hoe meer in het gras weggedoken. Men zag slechts hare vier voet lange horens, welker scherpe punten boven het groen uitstaken. Het dier poogde niet meer te vluchten, maar zich te verbergen. Murray kon het zonderlinge beest dus gemakkelijk naderen. Toen hij er nog maar honderd schreden van daan was, mikte hij zoo nauwkeurig mogelijk en gaf vuur. Het schot knalde; de kogel had de antilope zeker aan den kop getroffen, want de vroeger in de hoogte stekende horens waren op den grond gezakt.Murray en Mokum liepen zoo snel mogelijk naar het dier toe; de Boschjesman hield zijn jachtmes in de hand gereed om het dood te steken, als het nog niet aanstonds doodgeschoten was. Deze voorzorg was echter onnut. De antilope was goed dood, en wel zóó, dat toen Murray haar bij de horens wilde vatten, hij slechts een ledig vel in de hand hield waaraan vleesch en beenderen ontbraken!»Bij Sint Patrick, zulke dingen gebeuren slechts mij!” riep hij op zulk een kluchtigen toon uit, dat ieder ander behalve de Boschjesman er om zou gelachen hebben. Maar Mokum lachte niet; zijne samengeperste lippen, zijne gefronsde wenkbrauwen, zijn knipoogen verrieden eene ernstige ongerustheid. Met over elkander geslagen armen keek hij rechts en links en rondom zich. Plotseling trof een zakje zijn oog. Het was een klein lederen zakje met roode arabesken versierd, dat op den grond lag. De Boschjesman raapte het aanstonds op, en beschouwde het met opmerkzaamheid.Emery werd voor dood op den grond geworpen. Bladz. 142.Emery werd voor dood op den grond geworpen. Bladz.142.»Wat is dat?” vroeg Murray.»Dat is de zak van een Makololo!” antwoordde Mokum.»En hoe komt die hier?”»Omdat de eigenaar dien bij zijne overhaaste vlucht heeft laten vallen.”»En die Makololo?”»Dat zal ik u zeggen, mijnheer,” antwoordde de Boschjesman, terwijl hij zijn vuisten van woede balde,»die Makololo zat in deze antilopenhuid, en u hebt op hem geschoten.”Murray had den tijd niet zijne verbazing uit te drukken, toen Mokum, die op ongeveer vijf honderd pas eenige beweging in het gras zag, in die richting vuur gaf, waarop de Engelschman en hij zoo snel zij konden naar de verdachte plaats renden. Maar deze was verlaten; wel kon men aan het neergetrapte gras zien, dat er een levend wezen overheen had geloopen, maar de Makololo was verdwenen, en men moest het opgeven hem door de onmetelijke tot aan den uitersten gezichteinder zich uitstrekkende vlakte te vervolgen.De beide jagers kwamen dus terug, zeer ongerust door dit voorval, dat inderdaadhunnebezorgdheid moest opwekken. De tegenwoordigheid van een Makololo bij het steenen gedenkteeken in het woud, deze bij de antilopenjagers zeer gebruikelijke vermomming, die hem verborgen had, getuigde van eene wezenlijke hardnekkigheid in het vervolgen van de karavaan van kolonel Everest. Het was niet zonder oogmerk dat een inboorling, die tot den plunderzieken stam der Makololo’s behoorde, de Europeanen en hun geleide bespiedde. Enhoe meerdeze naar het noorden trokken hoe meer het gevaar toenam van door deze woestijnroovers te worden aangevallen.Murray en Mokum kwamen in het kamp terug, waarbij de eerste, geheel uit het veld geslagen als hij was, niet kon nalaten tegen zijn vriend William Emery te zeggen: »Waarlijk, waarde William, het loopt me niet mee! De eerste antilope, die ik doodschieten wil, was reeds dood voor ik haar getroffen had!”
XVI.Verschillende voorvallen.Op het einde van September hadden de astronomen een graad meer noordwaarts gemeten. Het gedeelte van den meridiaan, dat door middel van tweeëndertig driehoeken gemeten was, bedroeg reeds vier graden. Het was de helft van de voorgenomen taak. De drie geleerden legden een buitengewonen ijver aan den dag; maar omdat zij slechts met hun drieën waren, gevoelden zij zich tusschenbeiden zoo vermoeid, dat zij hun werk gedurende eenige dagen moesten opschorten. Het was inderdaad een drukkende hitte. De maand October in het zuidelijk halfrond komt met April in het noordelijk halfrond overeen, en onder den vierentwintigsten graad Z. B. heerscht de hooge temperatuur van Algerië. Reeds was het werk midden op den dag gedurende eenige uren onmogelijk. Ook ondervond de opmeting eenige vertraging, die den Boschjesman vooral zeer verontrustte. Ziehier waarom:Ten noorden van den meridiaan, op een afstand van honderd kilometers van het laatste door de astronomen bepaalde station, sneed de meridiaan eene zonderlinge streek, die de inlanderskarrounoemen, en die overeenkomt met de vlakte aan den voet van de Roggeveldsbergen in het Kaapland. Gedurende het natte jaargetijde, biedt deze streek overal de bewijzen van de grootste vruchtbaarheid aan; na eenige dagen regen is de grond er met dicht groen bedekt; bloemen ontspruiten overal; in een ongelooflijk korten tijd komen de planten uit den bodem te voorschijn, ziender oogen worden de weilanden groen; waterbeken ontstaan; troepen antilopen komen van de hoogte en nemen die eensklaps ontstane weilanden in bezit. Maar die zonderlinge werking der natuur duurt slechts korten tijd; nauwelijks zijn eene maand of zes weken voorbijgegaan,of al de vochtigheid van den grond wordt opgezogen door de zon en verdwijnt in dampvorm in de lucht. De grond wordt hard en verstikt de nieuwe spruiten; de plantengroei verdwijnt in weinige dagen; de dieren ontvluchten deze onbewoonbaar geworden streek, en de woestijn strekt zich uit op dezelfde plek, waar vroeger een rijk en vruchtbaar land was.Zóó was dekarrouwaar de kleine karavaan van kolonel Everest door moest, voordat zij de eigenlijke woestijn bereikte, die zich tot aan de oevers van het meer Ngami uitstrekt. Men begrijpt welk belang de Boschjesman er bij had om deze zonderlinge streek door te trekken, voordat de buitengewone droogte de bronnen had doen opdroogen. Hij deelde zijne opmerkingen aan kolonel Everest mede. Deze begreep het volkomen, en beloofde dat hij het zooveel mogelijk in gedachte zou houden door het werk te verhaasten. Doch deze haast mocht in ieder geval de nauwkeurigheid niet schaden. De driehoeksmetingen zijn niet altijd gemakkelijk en op elk oogenblik te doen. Alleen onder zekere omstandigheden der atmosfeer, kan men goed waarnemen. Ook ging de arbeid niet bijzonder veel spoediger niettegenstaande de dringende aanmaning van den Boschjesman, en deze zag wel dat als hij aan dekarroukwam, de vruchtbaarheid waarschijnlijk door den invloed der zonnestralen zou verdwenen zijn.Maar alvorens het werk der driehoeksmeting zoo ver gevorderd was, dat de astronomen de grenzen derkarroubereikt hadden, konden zij zich niet genoeg verzadigen met de beschouwing der prachtige natuur, die zich voor hun oog ontrolde. Hun tocht had hen nog nimmer in zulk eene schoone streek gevoerd. Niettegenstaande de hoogere temperatuur onderhielden de beken er eene voortdurende frischheid. Kudden van duizenden stuks vee zouden in deze weiden een onuitputtelijk voedsel gevonden hebben. Eenige groene bosschen staken hier en daar fier hunne kruinen op, en het geheel zag er uit alsof het een Engelsch park was; alleen de gaslantaarns ontbraken!Kolonel Everest toonde zich niet zeer gevoelig voor deze schoone natuur, doch Murray en Emery gevoelden des te levendiger den dichterlijken indruk dien deze streek, verloren te midden van de Afrikaansche wildernissen, op hen maakte. Hoe betreurde de jeugdige geleerde toen zijn armen Michel Zorn, en de vertrouwelijke gesprekken, die zij met elkander wisselden. Evenals hij zou ook deze dienzelfden levendigen indruk gevoeld hebben, en tusschen hunne waarnemingen door hadden zij nu en dan hun hart kunnen uitstorten!De karavaan trok dus midden door het prachtige land heen. Talrijke vluchten vogels verlevendigden door hun gezang en hun gefladder weilanden en bosschen. De jagers schoten verscheidene malen eenbijzonder soort van trapganzen, die alleen in de vlakten van Zuidelijk Afrika gevonden worden, en»dikkoppen”, die een lekker en zeer geroemd wildbraad leverden. De aandacht der Europeanen werd nog door een ander soort van vogels getrokken, doch niet uit het oogpunt van eetbaarheid. Op de oevers der beken of op de oppervlakte der rivieren, waarover zij met de snelle wieken heenscheerden, vervolgden eenige groote vogels de vraatzieke kraaien, die beproefden de eieren onder uit de in het zand gegraven nesten te rooven. Blauwe kraanvogels met witten hals, roode flamingo’s, die evenals of het vlammen waren tusschen het dunne kreupelhout voortwandelden, reigers, wulpen, watersnippen,»kalas,” die dikwijls op den schoft derbuffelswaren neêrgestreken, pluvieren, ibissen, die van een met hieroglyphen bedekten obelisk schenen afgevlogen te zijn, verbazend groote pelikanen, die in troepen van honderden in rijen achter elkander liepen, brachten overal leven en beweging in die streken, waar de mensch alleen scheen te ontbreken. Doch van deze verschillende soorten van vogels waren zeker de merkwaardigste de wevervogels, wier groenachtige uit riet en gras gevlochten nesten als groote peren aan de takken der treurwilligen hingen. Emery, die ze voor vruchten van eene nieuwe soort hield, plukte er één of twee, en was zeer verwonderd toen hij binnen in die vermeende vruchten een getjilp als van musschen hoorde. Zou het niet te vergeven zijn geweest, als hij in navolging van de oude reizigers in Amerika gemeend had, dat zeker soort van boomen in deze streken vruchten dragen, die levende vogels voortbrengen?Inderdaad had deze streek op dat oogenblik een verrukkelijk aanzien; alle omstandigheden waren er even gunstig voor grazende dieren. Gnoes met puntige hoeven, caäma’s, die volgens Harris slechts uit driehoeken schijnen te bestaan, elanddieren, kameelen en gazellen waren er in overvloed. Welk eene verscheidenheid van wild, wat prachtige schoten voor een der meest gevierde leden van de jachtclub! Het was waarlijk eene al te groote verzoeking voor John Murray, en na twee dagen verlof van kolonel Everest verkregen te hebben, gebruikte hij die om zich op merkwaardige wijze te vermoeien. Maar wat had hij met zijn vriend Mokum ook een prachtige jacht, terwijl William Emery hen als liefhebber volgde! Wat gelukkige schoten had hij in zijn jachtregister op te teekenen! Wat jagertropeeën om in zijn kasteel in de Hooglanden op te hangen! En hoe weinig dacht hij gedurende die beide verlofdagen aan geodesische opnamen, triangulatie of meting van den meridiaan! Wie zou het geloofd hebben dat deze hand, die zoo bekwaam was in het hanteeren van het geweer, ooit den fijnen kijker van den theodoliet behandeld had! Wie zou gedacht hebben dat het oog, hetwelk op de snelle antilopen zoo goed mikken kon, zich geoefend had in het beschouwen der hemellichamen, en zelfs sterren van de dertiende grootte had waargenomen!Ja, John Murray was gedurende die beide vrije dagen geheel en alléén jager, en desterrekundigewas zoo totaal verdwenen, dat men bijna vreezen moest dat hij als zoodanig nooit weder te voorschijn zou treden!»Die Makololo zat in deze antilopenhuid.” Bladz. 138.»Die Makololo zat in deze antilopenhuid.” Bladz.138.Onder andere jachtavonturen van Murray moet er een worden opgeteekend, dat eene zeer onverwachte uitkomst had, en den Boschjesman alles behalve geruststelde voor de toekomst der wetenschappelijke onderneming. Dit voorval bevestigde slechts de ongerustheid, die de scherpzinnige jager aan den kolonel Everest had doen blijken.Het was de 15deOctober. Sedert twee dagen gaf Murray zich geheel aan zijne liefhebberij over. Men had eene troep van een twintigtal herkauwende dieren op ongeveer twee kilometers van de karavaan bemerkt; Mokum zag dat zij tot die schoone soort van antilopen behoorden, welke men oryx noemt, en waarvan de zeer moeilijke jacht elk Afrikaansch jager op de proef stelt.Aanstonds deelde de Boschjesman aan John Murray mede welke gunstige gelegenheid zich aanbood, en hij spoorde hem sterk aan er gebruik van te maken. Tegelijker tijd deelde hij hem mede dat die dieren zeer moeilijk te vangen waren, dat zij veel sneller liepen dan het vlugste paard; dat de beroemde Cumming, toen hij in het land der Namaqueezen op de jacht was, gedurende zijn geheele jagersloopbaan, zelfs met renpaarden, nooit een van die zonderlinge antilopen onder zijn bereik had kunnen krijgen! Er was niet eens zooveel noodig om den Engelschman aan te sporen, want aanstonds verklaarde hij zich gereed om die dieren te vervolgen. Hij koos het beste paard, het beste geweer, de beste honden, en in zijn ongeduld liep hij den Boschjesman zelfs al vooruit naar den rand van een kreupelbosch dat eene vlakte begrensde en waar dichtbij men de dieren had bemerkt.Na een tocht van een uur hielden de beide paarden stil. Mokum, verscholen achter een boschje sycomoren toonde aan zijn makker de grazende kudde, die zich op eenige honderden passen onder den wind bevond. De schichtige dieren hadden hen nog niet bemerkt, en zij graasden vreedzaam in de vlakte. Een van die antilopen scheen zich een weinig van de overige verwijderd te houden. De Boschjesman deed dit aan Murray opmerken.»Het is een schildwacht,” zeide hij. »Dit dier, dat zeker een oud mannetje is, waakt voor de veiligheid van allen. Bij het minste gevaar, zal het een soort van gehinnik doen hooren, en onder zijne aanvoering zal de troep met de grootste snelheid vluchten. Wij moeten hen dus niet dan op een zeer geschikten afstand schieten, en hem bij het eerste schot neerleggen!”Murray vergenoegde zich met toestemmend te knikken, en koos eene goede plaats om de kudde te bekijken.De antilopen graasden zonder erg voort. De schildwacht, die door den wind mogelijk iets verdachts in den neus had gekregen, hief vrij dikwijls den gehoornden kop op, en toonde eenige onrust. Maar hij was te ver af dan dat de jagers met goed gevolg op hem hadden kunnen schieten. Men behoefde er niet aan te denken omdeze kudde op de vlakte in de vlucht te achterhalen. Misschien zou zij dichter bij het kreupelbosch komen, en in dit geval konden Murray en de Boschjesman onder de gunstigste omstandigheden op een van die dieren mikken.Het geluk scheen de jagers te begunstigen. Langzamerhand naderden de dieren onder geleide van het oude mannetje het kreupelbosch. Zonder twijfel meenden zij zich onder het dicht gebladerte van het kreupelbosch te verschuilen. Toen hun oogmerk niet meer twijfelachtig was, noodigde de Boschjesman zijn makker uit om af te stijgen; de paarden werden aan een vijgenboom gebonden; men wierp ze een doek over den kop als voorzorgsmaatregel om ze niet te doen hinniken en ze stil te laten staan. Daarna kropen Mokum en Murray, door de honden gevolgd, door de struiken langs den zoom van het bosch, doch zóó, dat zij bij een punt kwamen, door de laatste boomen gevormd, en waar zij op geen drie honderd schreden van de dieren meer af waren. Daar bukten de beide jagers alsof zij in een hinderlaag lagen, en wachtten met gespannen haan. Van de plaats waar zij zaten, konden zij de antilopen zien en de bevallige dieren in alle bijzonderheden waarnemen. De mannetjes waren weinig onderscheiden van de wijfjes, en zelfs hadden deze laatste door eene speling, waarvan de natuur slechts zelden voorbeelden geeft, grooter horens dan de eerste, die zeer bevallig naar achteren gebogen en puntig waren. Geen dier is bevalliger dan deze antilope, waarvan de oryx eene verscheidenheid is; geene soort heeft zulke zuiver en regelmatig geteekende zwarte vlekken. Zij hebben een bosje haar aan den hals, rechtopstaande manen en een dikken staart, die tot op den grond hangt.De kudde, die uit een twintigtal dieren bestond, naderde het bosch, en bleef toen op dezelfde plaats. Het was duidelijk dat de schildwacht de antilopen uit de vlakte trachtte te krijgen. Hij liep door het hooge gras en trachtte ze in een klein hoopje bij elkander te drijven, evenals de herdershond doet met de aan zijne hoede toevertrouwde schapen. Maar die dieren, welke in het gras rondhuppelden schenen geen lust te hebben de weelderige weide te verlaten. Zij schenen te weigeren, sprongen vluchtende weg en begonnen eenige schreden verder weder te grazen. Deze wijze van doen verwonderde den Boschjesman; hij deed dit aan Murray opmerken, maar kon er hem geen verklaring van geven. De jager kon niet begrijpen waarom het oude mannetje zoo halsstarrig was, en om welke reden hij de kudde naar het bosch wilde jagen. Dit duurde zoo een geruimen tijd, zonder dat er verandering in kwam. Murray had steeds ongeduldig den vinger aan den haan van zijn geweer. Dan eens wilde hij schieten, dan weder vooruitspringen, zoodat Mokum werk had hem tegen te houden.Zóó ging er een uur voorbij, en men kon niet voorzien hoeveleer nog zouden verloopen, toen één der honden, die waarschijnlijk even ongeduldig werd als de Engelschman, een geweldig geblaf aanhief en de vlakte inrende.De woedende Boschjesman had het verwenschte dier gaarne een kogel nagezonden! maar de snelvoetige kudde vluchtte reeds met onvergelijkelijke snelheid, en toen begreep Murray dat geen paard haar kon inhalen. Binnen weinige oogenblikken waren de antilopen niet meer dan zwarte puntjes, die door het hooge gras voortstoven.Tot groote verbazing van den Boschjesman had het oude mannetje het sein tot vluchten niet gegeven. Tegen de gewoonte van deze dieren in was het beest op dezelfde plaats gebleven en scheen er niet aan te denken de onder zijne hoede staande antilopen te volgen. Sedert hare vlucht toch trachtte het zelfs zich in het hooge gras te verbergen, misschien met het plan om in het kreupelbosch te ontvluchten.»Dat is zonderling,” zeide de Boschjesman. »Wat scheelt dat oude dier? Wat loopt het wonderlijk! Is het gekwetst of te oud?”»Wij zullen het wel te weten komen!” antwoordde Murray, terwijl hij met het geweer in de hand in de richting van het dier vooruitsprong.Toen de jager naderde, was de antilope hoe langer hoe meer in het gras weggedoken. Men zag slechts hare vier voet lange horens, welker scherpe punten boven het groen uitstaken. Het dier poogde niet meer te vluchten, maar zich te verbergen. Murray kon het zonderlinge beest dus gemakkelijk naderen. Toen hij er nog maar honderd schreden van daan was, mikte hij zoo nauwkeurig mogelijk en gaf vuur. Het schot knalde; de kogel had de antilope zeker aan den kop getroffen, want de vroeger in de hoogte stekende horens waren op den grond gezakt.Murray en Mokum liepen zoo snel mogelijk naar het dier toe; de Boschjesman hield zijn jachtmes in de hand gereed om het dood te steken, als het nog niet aanstonds doodgeschoten was. Deze voorzorg was echter onnut. De antilope was goed dood, en wel zóó, dat toen Murray haar bij de horens wilde vatten, hij slechts een ledig vel in de hand hield waaraan vleesch en beenderen ontbraken!»Bij Sint Patrick, zulke dingen gebeuren slechts mij!” riep hij op zulk een kluchtigen toon uit, dat ieder ander behalve de Boschjesman er om zou gelachen hebben. Maar Mokum lachte niet; zijne samengeperste lippen, zijne gefronsde wenkbrauwen, zijn knipoogen verrieden eene ernstige ongerustheid. Met over elkander geslagen armen keek hij rechts en links en rondom zich. Plotseling trof een zakje zijn oog. Het was een klein lederen zakje met roode arabesken versierd, dat op den grond lag. De Boschjesman raapte het aanstonds op, en beschouwde het met opmerkzaamheid.Emery werd voor dood op den grond geworpen. Bladz. 142.Emery werd voor dood op den grond geworpen. Bladz.142.»Wat is dat?” vroeg Murray.»Dat is de zak van een Makololo!” antwoordde Mokum.»En hoe komt die hier?”»Omdat de eigenaar dien bij zijne overhaaste vlucht heeft laten vallen.”»En die Makololo?”»Dat zal ik u zeggen, mijnheer,” antwoordde de Boschjesman, terwijl hij zijn vuisten van woede balde,»die Makololo zat in deze antilopenhuid, en u hebt op hem geschoten.”Murray had den tijd niet zijne verbazing uit te drukken, toen Mokum, die op ongeveer vijf honderd pas eenige beweging in het gras zag, in die richting vuur gaf, waarop de Engelschman en hij zoo snel zij konden naar de verdachte plaats renden. Maar deze was verlaten; wel kon men aan het neergetrapte gras zien, dat er een levend wezen overheen had geloopen, maar de Makololo was verdwenen, en men moest het opgeven hem door de onmetelijke tot aan den uitersten gezichteinder zich uitstrekkende vlakte te vervolgen.De beide jagers kwamen dus terug, zeer ongerust door dit voorval, dat inderdaadhunnebezorgdheid moest opwekken. De tegenwoordigheid van een Makololo bij het steenen gedenkteeken in het woud, deze bij de antilopenjagers zeer gebruikelijke vermomming, die hem verborgen had, getuigde van eene wezenlijke hardnekkigheid in het vervolgen van de karavaan van kolonel Everest. Het was niet zonder oogmerk dat een inboorling, die tot den plunderzieken stam der Makololo’s behoorde, de Europeanen en hun geleide bespiedde. Enhoe meerdeze naar het noorden trokken hoe meer het gevaar toenam van door deze woestijnroovers te worden aangevallen.Murray en Mokum kwamen in het kamp terug, waarbij de eerste, geheel uit het veld geslagen als hij was, niet kon nalaten tegen zijn vriend William Emery te zeggen: »Waarlijk, waarde William, het loopt me niet mee! De eerste antilope, die ik doodschieten wil, was reeds dood voor ik haar getroffen had!”
XVI.Verschillende voorvallen.Op het einde van September hadden de astronomen een graad meer noordwaarts gemeten. Het gedeelte van den meridiaan, dat door middel van tweeëndertig driehoeken gemeten was, bedroeg reeds vier graden. Het was de helft van de voorgenomen taak. De drie geleerden legden een buitengewonen ijver aan den dag; maar omdat zij slechts met hun drieën waren, gevoelden zij zich tusschenbeiden zoo vermoeid, dat zij hun werk gedurende eenige dagen moesten opschorten. Het was inderdaad een drukkende hitte. De maand October in het zuidelijk halfrond komt met April in het noordelijk halfrond overeen, en onder den vierentwintigsten graad Z. B. heerscht de hooge temperatuur van Algerië. Reeds was het werk midden op den dag gedurende eenige uren onmogelijk. Ook ondervond de opmeting eenige vertraging, die den Boschjesman vooral zeer verontrustte. Ziehier waarom:Ten noorden van den meridiaan, op een afstand van honderd kilometers van het laatste door de astronomen bepaalde station, sneed de meridiaan eene zonderlinge streek, die de inlanderskarrounoemen, en die overeenkomt met de vlakte aan den voet van de Roggeveldsbergen in het Kaapland. Gedurende het natte jaargetijde, biedt deze streek overal de bewijzen van de grootste vruchtbaarheid aan; na eenige dagen regen is de grond er met dicht groen bedekt; bloemen ontspruiten overal; in een ongelooflijk korten tijd komen de planten uit den bodem te voorschijn, ziender oogen worden de weilanden groen; waterbeken ontstaan; troepen antilopen komen van de hoogte en nemen die eensklaps ontstane weilanden in bezit. Maar die zonderlinge werking der natuur duurt slechts korten tijd; nauwelijks zijn eene maand of zes weken voorbijgegaan,of al de vochtigheid van den grond wordt opgezogen door de zon en verdwijnt in dampvorm in de lucht. De grond wordt hard en verstikt de nieuwe spruiten; de plantengroei verdwijnt in weinige dagen; de dieren ontvluchten deze onbewoonbaar geworden streek, en de woestijn strekt zich uit op dezelfde plek, waar vroeger een rijk en vruchtbaar land was.Zóó was dekarrouwaar de kleine karavaan van kolonel Everest door moest, voordat zij de eigenlijke woestijn bereikte, die zich tot aan de oevers van het meer Ngami uitstrekt. Men begrijpt welk belang de Boschjesman er bij had om deze zonderlinge streek door te trekken, voordat de buitengewone droogte de bronnen had doen opdroogen. Hij deelde zijne opmerkingen aan kolonel Everest mede. Deze begreep het volkomen, en beloofde dat hij het zooveel mogelijk in gedachte zou houden door het werk te verhaasten. Doch deze haast mocht in ieder geval de nauwkeurigheid niet schaden. De driehoeksmetingen zijn niet altijd gemakkelijk en op elk oogenblik te doen. Alleen onder zekere omstandigheden der atmosfeer, kan men goed waarnemen. Ook ging de arbeid niet bijzonder veel spoediger niettegenstaande de dringende aanmaning van den Boschjesman, en deze zag wel dat als hij aan dekarroukwam, de vruchtbaarheid waarschijnlijk door den invloed der zonnestralen zou verdwenen zijn.Maar alvorens het werk der driehoeksmeting zoo ver gevorderd was, dat de astronomen de grenzen derkarroubereikt hadden, konden zij zich niet genoeg verzadigen met de beschouwing der prachtige natuur, die zich voor hun oog ontrolde. Hun tocht had hen nog nimmer in zulk eene schoone streek gevoerd. Niettegenstaande de hoogere temperatuur onderhielden de beken er eene voortdurende frischheid. Kudden van duizenden stuks vee zouden in deze weiden een onuitputtelijk voedsel gevonden hebben. Eenige groene bosschen staken hier en daar fier hunne kruinen op, en het geheel zag er uit alsof het een Engelsch park was; alleen de gaslantaarns ontbraken!Kolonel Everest toonde zich niet zeer gevoelig voor deze schoone natuur, doch Murray en Emery gevoelden des te levendiger den dichterlijken indruk dien deze streek, verloren te midden van de Afrikaansche wildernissen, op hen maakte. Hoe betreurde de jeugdige geleerde toen zijn armen Michel Zorn, en de vertrouwelijke gesprekken, die zij met elkander wisselden. Evenals hij zou ook deze dienzelfden levendigen indruk gevoeld hebben, en tusschen hunne waarnemingen door hadden zij nu en dan hun hart kunnen uitstorten!De karavaan trok dus midden door het prachtige land heen. Talrijke vluchten vogels verlevendigden door hun gezang en hun gefladder weilanden en bosschen. De jagers schoten verscheidene malen eenbijzonder soort van trapganzen, die alleen in de vlakten van Zuidelijk Afrika gevonden worden, en»dikkoppen”, die een lekker en zeer geroemd wildbraad leverden. De aandacht der Europeanen werd nog door een ander soort van vogels getrokken, doch niet uit het oogpunt van eetbaarheid. Op de oevers der beken of op de oppervlakte der rivieren, waarover zij met de snelle wieken heenscheerden, vervolgden eenige groote vogels de vraatzieke kraaien, die beproefden de eieren onder uit de in het zand gegraven nesten te rooven. Blauwe kraanvogels met witten hals, roode flamingo’s, die evenals of het vlammen waren tusschen het dunne kreupelhout voortwandelden, reigers, wulpen, watersnippen,»kalas,” die dikwijls op den schoft derbuffelswaren neêrgestreken, pluvieren, ibissen, die van een met hieroglyphen bedekten obelisk schenen afgevlogen te zijn, verbazend groote pelikanen, die in troepen van honderden in rijen achter elkander liepen, brachten overal leven en beweging in die streken, waar de mensch alleen scheen te ontbreken. Doch van deze verschillende soorten van vogels waren zeker de merkwaardigste de wevervogels, wier groenachtige uit riet en gras gevlochten nesten als groote peren aan de takken der treurwilligen hingen. Emery, die ze voor vruchten van eene nieuwe soort hield, plukte er één of twee, en was zeer verwonderd toen hij binnen in die vermeende vruchten een getjilp als van musschen hoorde. Zou het niet te vergeven zijn geweest, als hij in navolging van de oude reizigers in Amerika gemeend had, dat zeker soort van boomen in deze streken vruchten dragen, die levende vogels voortbrengen?Inderdaad had deze streek op dat oogenblik een verrukkelijk aanzien; alle omstandigheden waren er even gunstig voor grazende dieren. Gnoes met puntige hoeven, caäma’s, die volgens Harris slechts uit driehoeken schijnen te bestaan, elanddieren, kameelen en gazellen waren er in overvloed. Welk eene verscheidenheid van wild, wat prachtige schoten voor een der meest gevierde leden van de jachtclub! Het was waarlijk eene al te groote verzoeking voor John Murray, en na twee dagen verlof van kolonel Everest verkregen te hebben, gebruikte hij die om zich op merkwaardige wijze te vermoeien. Maar wat had hij met zijn vriend Mokum ook een prachtige jacht, terwijl William Emery hen als liefhebber volgde! Wat gelukkige schoten had hij in zijn jachtregister op te teekenen! Wat jagertropeeën om in zijn kasteel in de Hooglanden op te hangen! En hoe weinig dacht hij gedurende die beide verlofdagen aan geodesische opnamen, triangulatie of meting van den meridiaan! Wie zou het geloofd hebben dat deze hand, die zoo bekwaam was in het hanteeren van het geweer, ooit den fijnen kijker van den theodoliet behandeld had! Wie zou gedacht hebben dat het oog, hetwelk op de snelle antilopen zoo goed mikken kon, zich geoefend had in het beschouwen der hemellichamen, en zelfs sterren van de dertiende grootte had waargenomen!Ja, John Murray was gedurende die beide vrije dagen geheel en alléén jager, en desterrekundigewas zoo totaal verdwenen, dat men bijna vreezen moest dat hij als zoodanig nooit weder te voorschijn zou treden!»Die Makololo zat in deze antilopenhuid.” Bladz. 138.»Die Makololo zat in deze antilopenhuid.” Bladz.138.Onder andere jachtavonturen van Murray moet er een worden opgeteekend, dat eene zeer onverwachte uitkomst had, en den Boschjesman alles behalve geruststelde voor de toekomst der wetenschappelijke onderneming. Dit voorval bevestigde slechts de ongerustheid, die de scherpzinnige jager aan den kolonel Everest had doen blijken.Het was de 15deOctober. Sedert twee dagen gaf Murray zich geheel aan zijne liefhebberij over. Men had eene troep van een twintigtal herkauwende dieren op ongeveer twee kilometers van de karavaan bemerkt; Mokum zag dat zij tot die schoone soort van antilopen behoorden, welke men oryx noemt, en waarvan de zeer moeilijke jacht elk Afrikaansch jager op de proef stelt.Aanstonds deelde de Boschjesman aan John Murray mede welke gunstige gelegenheid zich aanbood, en hij spoorde hem sterk aan er gebruik van te maken. Tegelijker tijd deelde hij hem mede dat die dieren zeer moeilijk te vangen waren, dat zij veel sneller liepen dan het vlugste paard; dat de beroemde Cumming, toen hij in het land der Namaqueezen op de jacht was, gedurende zijn geheele jagersloopbaan, zelfs met renpaarden, nooit een van die zonderlinge antilopen onder zijn bereik had kunnen krijgen! Er was niet eens zooveel noodig om den Engelschman aan te sporen, want aanstonds verklaarde hij zich gereed om die dieren te vervolgen. Hij koos het beste paard, het beste geweer, de beste honden, en in zijn ongeduld liep hij den Boschjesman zelfs al vooruit naar den rand van een kreupelbosch dat eene vlakte begrensde en waar dichtbij men de dieren had bemerkt.Na een tocht van een uur hielden de beide paarden stil. Mokum, verscholen achter een boschje sycomoren toonde aan zijn makker de grazende kudde, die zich op eenige honderden passen onder den wind bevond. De schichtige dieren hadden hen nog niet bemerkt, en zij graasden vreedzaam in de vlakte. Een van die antilopen scheen zich een weinig van de overige verwijderd te houden. De Boschjesman deed dit aan Murray opmerken.»Het is een schildwacht,” zeide hij. »Dit dier, dat zeker een oud mannetje is, waakt voor de veiligheid van allen. Bij het minste gevaar, zal het een soort van gehinnik doen hooren, en onder zijne aanvoering zal de troep met de grootste snelheid vluchten. Wij moeten hen dus niet dan op een zeer geschikten afstand schieten, en hem bij het eerste schot neerleggen!”Murray vergenoegde zich met toestemmend te knikken, en koos eene goede plaats om de kudde te bekijken.De antilopen graasden zonder erg voort. De schildwacht, die door den wind mogelijk iets verdachts in den neus had gekregen, hief vrij dikwijls den gehoornden kop op, en toonde eenige onrust. Maar hij was te ver af dan dat de jagers met goed gevolg op hem hadden kunnen schieten. Men behoefde er niet aan te denken omdeze kudde op de vlakte in de vlucht te achterhalen. Misschien zou zij dichter bij het kreupelbosch komen, en in dit geval konden Murray en de Boschjesman onder de gunstigste omstandigheden op een van die dieren mikken.Het geluk scheen de jagers te begunstigen. Langzamerhand naderden de dieren onder geleide van het oude mannetje het kreupelbosch. Zonder twijfel meenden zij zich onder het dicht gebladerte van het kreupelbosch te verschuilen. Toen hun oogmerk niet meer twijfelachtig was, noodigde de Boschjesman zijn makker uit om af te stijgen; de paarden werden aan een vijgenboom gebonden; men wierp ze een doek over den kop als voorzorgsmaatregel om ze niet te doen hinniken en ze stil te laten staan. Daarna kropen Mokum en Murray, door de honden gevolgd, door de struiken langs den zoom van het bosch, doch zóó, dat zij bij een punt kwamen, door de laatste boomen gevormd, en waar zij op geen drie honderd schreden van de dieren meer af waren. Daar bukten de beide jagers alsof zij in een hinderlaag lagen, en wachtten met gespannen haan. Van de plaats waar zij zaten, konden zij de antilopen zien en de bevallige dieren in alle bijzonderheden waarnemen. De mannetjes waren weinig onderscheiden van de wijfjes, en zelfs hadden deze laatste door eene speling, waarvan de natuur slechts zelden voorbeelden geeft, grooter horens dan de eerste, die zeer bevallig naar achteren gebogen en puntig waren. Geen dier is bevalliger dan deze antilope, waarvan de oryx eene verscheidenheid is; geene soort heeft zulke zuiver en regelmatig geteekende zwarte vlekken. Zij hebben een bosje haar aan den hals, rechtopstaande manen en een dikken staart, die tot op den grond hangt.De kudde, die uit een twintigtal dieren bestond, naderde het bosch, en bleef toen op dezelfde plaats. Het was duidelijk dat de schildwacht de antilopen uit de vlakte trachtte te krijgen. Hij liep door het hooge gras en trachtte ze in een klein hoopje bij elkander te drijven, evenals de herdershond doet met de aan zijne hoede toevertrouwde schapen. Maar die dieren, welke in het gras rondhuppelden schenen geen lust te hebben de weelderige weide te verlaten. Zij schenen te weigeren, sprongen vluchtende weg en begonnen eenige schreden verder weder te grazen. Deze wijze van doen verwonderde den Boschjesman; hij deed dit aan Murray opmerken, maar kon er hem geen verklaring van geven. De jager kon niet begrijpen waarom het oude mannetje zoo halsstarrig was, en om welke reden hij de kudde naar het bosch wilde jagen. Dit duurde zoo een geruimen tijd, zonder dat er verandering in kwam. Murray had steeds ongeduldig den vinger aan den haan van zijn geweer. Dan eens wilde hij schieten, dan weder vooruitspringen, zoodat Mokum werk had hem tegen te houden.Zóó ging er een uur voorbij, en men kon niet voorzien hoeveleer nog zouden verloopen, toen één der honden, die waarschijnlijk even ongeduldig werd als de Engelschman, een geweldig geblaf aanhief en de vlakte inrende.De woedende Boschjesman had het verwenschte dier gaarne een kogel nagezonden! maar de snelvoetige kudde vluchtte reeds met onvergelijkelijke snelheid, en toen begreep Murray dat geen paard haar kon inhalen. Binnen weinige oogenblikken waren de antilopen niet meer dan zwarte puntjes, die door het hooge gras voortstoven.Tot groote verbazing van den Boschjesman had het oude mannetje het sein tot vluchten niet gegeven. Tegen de gewoonte van deze dieren in was het beest op dezelfde plaats gebleven en scheen er niet aan te denken de onder zijne hoede staande antilopen te volgen. Sedert hare vlucht toch trachtte het zelfs zich in het hooge gras te verbergen, misschien met het plan om in het kreupelbosch te ontvluchten.»Dat is zonderling,” zeide de Boschjesman. »Wat scheelt dat oude dier? Wat loopt het wonderlijk! Is het gekwetst of te oud?”»Wij zullen het wel te weten komen!” antwoordde Murray, terwijl hij met het geweer in de hand in de richting van het dier vooruitsprong.Toen de jager naderde, was de antilope hoe langer hoe meer in het gras weggedoken. Men zag slechts hare vier voet lange horens, welker scherpe punten boven het groen uitstaken. Het dier poogde niet meer te vluchten, maar zich te verbergen. Murray kon het zonderlinge beest dus gemakkelijk naderen. Toen hij er nog maar honderd schreden van daan was, mikte hij zoo nauwkeurig mogelijk en gaf vuur. Het schot knalde; de kogel had de antilope zeker aan den kop getroffen, want de vroeger in de hoogte stekende horens waren op den grond gezakt.Murray en Mokum liepen zoo snel mogelijk naar het dier toe; de Boschjesman hield zijn jachtmes in de hand gereed om het dood te steken, als het nog niet aanstonds doodgeschoten was. Deze voorzorg was echter onnut. De antilope was goed dood, en wel zóó, dat toen Murray haar bij de horens wilde vatten, hij slechts een ledig vel in de hand hield waaraan vleesch en beenderen ontbraken!»Bij Sint Patrick, zulke dingen gebeuren slechts mij!” riep hij op zulk een kluchtigen toon uit, dat ieder ander behalve de Boschjesman er om zou gelachen hebben. Maar Mokum lachte niet; zijne samengeperste lippen, zijne gefronsde wenkbrauwen, zijn knipoogen verrieden eene ernstige ongerustheid. Met over elkander geslagen armen keek hij rechts en links en rondom zich. Plotseling trof een zakje zijn oog. Het was een klein lederen zakje met roode arabesken versierd, dat op den grond lag. De Boschjesman raapte het aanstonds op, en beschouwde het met opmerkzaamheid.Emery werd voor dood op den grond geworpen. Bladz. 142.Emery werd voor dood op den grond geworpen. Bladz.142.»Wat is dat?” vroeg Murray.»Dat is de zak van een Makololo!” antwoordde Mokum.»En hoe komt die hier?”»Omdat de eigenaar dien bij zijne overhaaste vlucht heeft laten vallen.”»En die Makololo?”»Dat zal ik u zeggen, mijnheer,” antwoordde de Boschjesman, terwijl hij zijn vuisten van woede balde,»die Makololo zat in deze antilopenhuid, en u hebt op hem geschoten.”Murray had den tijd niet zijne verbazing uit te drukken, toen Mokum, die op ongeveer vijf honderd pas eenige beweging in het gras zag, in die richting vuur gaf, waarop de Engelschman en hij zoo snel zij konden naar de verdachte plaats renden. Maar deze was verlaten; wel kon men aan het neergetrapte gras zien, dat er een levend wezen overheen had geloopen, maar de Makololo was verdwenen, en men moest het opgeven hem door de onmetelijke tot aan den uitersten gezichteinder zich uitstrekkende vlakte te vervolgen.De beide jagers kwamen dus terug, zeer ongerust door dit voorval, dat inderdaadhunnebezorgdheid moest opwekken. De tegenwoordigheid van een Makololo bij het steenen gedenkteeken in het woud, deze bij de antilopenjagers zeer gebruikelijke vermomming, die hem verborgen had, getuigde van eene wezenlijke hardnekkigheid in het vervolgen van de karavaan van kolonel Everest. Het was niet zonder oogmerk dat een inboorling, die tot den plunderzieken stam der Makololo’s behoorde, de Europeanen en hun geleide bespiedde. Enhoe meerdeze naar het noorden trokken hoe meer het gevaar toenam van door deze woestijnroovers te worden aangevallen.Murray en Mokum kwamen in het kamp terug, waarbij de eerste, geheel uit het veld geslagen als hij was, niet kon nalaten tegen zijn vriend William Emery te zeggen: »Waarlijk, waarde William, het loopt me niet mee! De eerste antilope, die ik doodschieten wil, was reeds dood voor ik haar getroffen had!”
XVI.Verschillende voorvallen.
Op het einde van September hadden de astronomen een graad meer noordwaarts gemeten. Het gedeelte van den meridiaan, dat door middel van tweeëndertig driehoeken gemeten was, bedroeg reeds vier graden. Het was de helft van de voorgenomen taak. De drie geleerden legden een buitengewonen ijver aan den dag; maar omdat zij slechts met hun drieën waren, gevoelden zij zich tusschenbeiden zoo vermoeid, dat zij hun werk gedurende eenige dagen moesten opschorten. Het was inderdaad een drukkende hitte. De maand October in het zuidelijk halfrond komt met April in het noordelijk halfrond overeen, en onder den vierentwintigsten graad Z. B. heerscht de hooge temperatuur van Algerië. Reeds was het werk midden op den dag gedurende eenige uren onmogelijk. Ook ondervond de opmeting eenige vertraging, die den Boschjesman vooral zeer verontrustte. Ziehier waarom:Ten noorden van den meridiaan, op een afstand van honderd kilometers van het laatste door de astronomen bepaalde station, sneed de meridiaan eene zonderlinge streek, die de inlanderskarrounoemen, en die overeenkomt met de vlakte aan den voet van de Roggeveldsbergen in het Kaapland. Gedurende het natte jaargetijde, biedt deze streek overal de bewijzen van de grootste vruchtbaarheid aan; na eenige dagen regen is de grond er met dicht groen bedekt; bloemen ontspruiten overal; in een ongelooflijk korten tijd komen de planten uit den bodem te voorschijn, ziender oogen worden de weilanden groen; waterbeken ontstaan; troepen antilopen komen van de hoogte en nemen die eensklaps ontstane weilanden in bezit. Maar die zonderlinge werking der natuur duurt slechts korten tijd; nauwelijks zijn eene maand of zes weken voorbijgegaan,of al de vochtigheid van den grond wordt opgezogen door de zon en verdwijnt in dampvorm in de lucht. De grond wordt hard en verstikt de nieuwe spruiten; de plantengroei verdwijnt in weinige dagen; de dieren ontvluchten deze onbewoonbaar geworden streek, en de woestijn strekt zich uit op dezelfde plek, waar vroeger een rijk en vruchtbaar land was.Zóó was dekarrouwaar de kleine karavaan van kolonel Everest door moest, voordat zij de eigenlijke woestijn bereikte, die zich tot aan de oevers van het meer Ngami uitstrekt. Men begrijpt welk belang de Boschjesman er bij had om deze zonderlinge streek door te trekken, voordat de buitengewone droogte de bronnen had doen opdroogen. Hij deelde zijne opmerkingen aan kolonel Everest mede. Deze begreep het volkomen, en beloofde dat hij het zooveel mogelijk in gedachte zou houden door het werk te verhaasten. Doch deze haast mocht in ieder geval de nauwkeurigheid niet schaden. De driehoeksmetingen zijn niet altijd gemakkelijk en op elk oogenblik te doen. Alleen onder zekere omstandigheden der atmosfeer, kan men goed waarnemen. Ook ging de arbeid niet bijzonder veel spoediger niettegenstaande de dringende aanmaning van den Boschjesman, en deze zag wel dat als hij aan dekarroukwam, de vruchtbaarheid waarschijnlijk door den invloed der zonnestralen zou verdwenen zijn.Maar alvorens het werk der driehoeksmeting zoo ver gevorderd was, dat de astronomen de grenzen derkarroubereikt hadden, konden zij zich niet genoeg verzadigen met de beschouwing der prachtige natuur, die zich voor hun oog ontrolde. Hun tocht had hen nog nimmer in zulk eene schoone streek gevoerd. Niettegenstaande de hoogere temperatuur onderhielden de beken er eene voortdurende frischheid. Kudden van duizenden stuks vee zouden in deze weiden een onuitputtelijk voedsel gevonden hebben. Eenige groene bosschen staken hier en daar fier hunne kruinen op, en het geheel zag er uit alsof het een Engelsch park was; alleen de gaslantaarns ontbraken!Kolonel Everest toonde zich niet zeer gevoelig voor deze schoone natuur, doch Murray en Emery gevoelden des te levendiger den dichterlijken indruk dien deze streek, verloren te midden van de Afrikaansche wildernissen, op hen maakte. Hoe betreurde de jeugdige geleerde toen zijn armen Michel Zorn, en de vertrouwelijke gesprekken, die zij met elkander wisselden. Evenals hij zou ook deze dienzelfden levendigen indruk gevoeld hebben, en tusschen hunne waarnemingen door hadden zij nu en dan hun hart kunnen uitstorten!De karavaan trok dus midden door het prachtige land heen. Talrijke vluchten vogels verlevendigden door hun gezang en hun gefladder weilanden en bosschen. De jagers schoten verscheidene malen eenbijzonder soort van trapganzen, die alleen in de vlakten van Zuidelijk Afrika gevonden worden, en»dikkoppen”, die een lekker en zeer geroemd wildbraad leverden. De aandacht der Europeanen werd nog door een ander soort van vogels getrokken, doch niet uit het oogpunt van eetbaarheid. Op de oevers der beken of op de oppervlakte der rivieren, waarover zij met de snelle wieken heenscheerden, vervolgden eenige groote vogels de vraatzieke kraaien, die beproefden de eieren onder uit de in het zand gegraven nesten te rooven. Blauwe kraanvogels met witten hals, roode flamingo’s, die evenals of het vlammen waren tusschen het dunne kreupelhout voortwandelden, reigers, wulpen, watersnippen,»kalas,” die dikwijls op den schoft derbuffelswaren neêrgestreken, pluvieren, ibissen, die van een met hieroglyphen bedekten obelisk schenen afgevlogen te zijn, verbazend groote pelikanen, die in troepen van honderden in rijen achter elkander liepen, brachten overal leven en beweging in die streken, waar de mensch alleen scheen te ontbreken. Doch van deze verschillende soorten van vogels waren zeker de merkwaardigste de wevervogels, wier groenachtige uit riet en gras gevlochten nesten als groote peren aan de takken der treurwilligen hingen. Emery, die ze voor vruchten van eene nieuwe soort hield, plukte er één of twee, en was zeer verwonderd toen hij binnen in die vermeende vruchten een getjilp als van musschen hoorde. Zou het niet te vergeven zijn geweest, als hij in navolging van de oude reizigers in Amerika gemeend had, dat zeker soort van boomen in deze streken vruchten dragen, die levende vogels voortbrengen?Inderdaad had deze streek op dat oogenblik een verrukkelijk aanzien; alle omstandigheden waren er even gunstig voor grazende dieren. Gnoes met puntige hoeven, caäma’s, die volgens Harris slechts uit driehoeken schijnen te bestaan, elanddieren, kameelen en gazellen waren er in overvloed. Welk eene verscheidenheid van wild, wat prachtige schoten voor een der meest gevierde leden van de jachtclub! Het was waarlijk eene al te groote verzoeking voor John Murray, en na twee dagen verlof van kolonel Everest verkregen te hebben, gebruikte hij die om zich op merkwaardige wijze te vermoeien. Maar wat had hij met zijn vriend Mokum ook een prachtige jacht, terwijl William Emery hen als liefhebber volgde! Wat gelukkige schoten had hij in zijn jachtregister op te teekenen! Wat jagertropeeën om in zijn kasteel in de Hooglanden op te hangen! En hoe weinig dacht hij gedurende die beide verlofdagen aan geodesische opnamen, triangulatie of meting van den meridiaan! Wie zou het geloofd hebben dat deze hand, die zoo bekwaam was in het hanteeren van het geweer, ooit den fijnen kijker van den theodoliet behandeld had! Wie zou gedacht hebben dat het oog, hetwelk op de snelle antilopen zoo goed mikken kon, zich geoefend had in het beschouwen der hemellichamen, en zelfs sterren van de dertiende grootte had waargenomen!Ja, John Murray was gedurende die beide vrije dagen geheel en alléén jager, en desterrekundigewas zoo totaal verdwenen, dat men bijna vreezen moest dat hij als zoodanig nooit weder te voorschijn zou treden!»Die Makololo zat in deze antilopenhuid.” Bladz. 138.»Die Makololo zat in deze antilopenhuid.” Bladz.138.Onder andere jachtavonturen van Murray moet er een worden opgeteekend, dat eene zeer onverwachte uitkomst had, en den Boschjesman alles behalve geruststelde voor de toekomst der wetenschappelijke onderneming. Dit voorval bevestigde slechts de ongerustheid, die de scherpzinnige jager aan den kolonel Everest had doen blijken.Het was de 15deOctober. Sedert twee dagen gaf Murray zich geheel aan zijne liefhebberij over. Men had eene troep van een twintigtal herkauwende dieren op ongeveer twee kilometers van de karavaan bemerkt; Mokum zag dat zij tot die schoone soort van antilopen behoorden, welke men oryx noemt, en waarvan de zeer moeilijke jacht elk Afrikaansch jager op de proef stelt.Aanstonds deelde de Boschjesman aan John Murray mede welke gunstige gelegenheid zich aanbood, en hij spoorde hem sterk aan er gebruik van te maken. Tegelijker tijd deelde hij hem mede dat die dieren zeer moeilijk te vangen waren, dat zij veel sneller liepen dan het vlugste paard; dat de beroemde Cumming, toen hij in het land der Namaqueezen op de jacht was, gedurende zijn geheele jagersloopbaan, zelfs met renpaarden, nooit een van die zonderlinge antilopen onder zijn bereik had kunnen krijgen! Er was niet eens zooveel noodig om den Engelschman aan te sporen, want aanstonds verklaarde hij zich gereed om die dieren te vervolgen. Hij koos het beste paard, het beste geweer, de beste honden, en in zijn ongeduld liep hij den Boschjesman zelfs al vooruit naar den rand van een kreupelbosch dat eene vlakte begrensde en waar dichtbij men de dieren had bemerkt.Na een tocht van een uur hielden de beide paarden stil. Mokum, verscholen achter een boschje sycomoren toonde aan zijn makker de grazende kudde, die zich op eenige honderden passen onder den wind bevond. De schichtige dieren hadden hen nog niet bemerkt, en zij graasden vreedzaam in de vlakte. Een van die antilopen scheen zich een weinig van de overige verwijderd te houden. De Boschjesman deed dit aan Murray opmerken.»Het is een schildwacht,” zeide hij. »Dit dier, dat zeker een oud mannetje is, waakt voor de veiligheid van allen. Bij het minste gevaar, zal het een soort van gehinnik doen hooren, en onder zijne aanvoering zal de troep met de grootste snelheid vluchten. Wij moeten hen dus niet dan op een zeer geschikten afstand schieten, en hem bij het eerste schot neerleggen!”Murray vergenoegde zich met toestemmend te knikken, en koos eene goede plaats om de kudde te bekijken.De antilopen graasden zonder erg voort. De schildwacht, die door den wind mogelijk iets verdachts in den neus had gekregen, hief vrij dikwijls den gehoornden kop op, en toonde eenige onrust. Maar hij was te ver af dan dat de jagers met goed gevolg op hem hadden kunnen schieten. Men behoefde er niet aan te denken omdeze kudde op de vlakte in de vlucht te achterhalen. Misschien zou zij dichter bij het kreupelbosch komen, en in dit geval konden Murray en de Boschjesman onder de gunstigste omstandigheden op een van die dieren mikken.Het geluk scheen de jagers te begunstigen. Langzamerhand naderden de dieren onder geleide van het oude mannetje het kreupelbosch. Zonder twijfel meenden zij zich onder het dicht gebladerte van het kreupelbosch te verschuilen. Toen hun oogmerk niet meer twijfelachtig was, noodigde de Boschjesman zijn makker uit om af te stijgen; de paarden werden aan een vijgenboom gebonden; men wierp ze een doek over den kop als voorzorgsmaatregel om ze niet te doen hinniken en ze stil te laten staan. Daarna kropen Mokum en Murray, door de honden gevolgd, door de struiken langs den zoom van het bosch, doch zóó, dat zij bij een punt kwamen, door de laatste boomen gevormd, en waar zij op geen drie honderd schreden van de dieren meer af waren. Daar bukten de beide jagers alsof zij in een hinderlaag lagen, en wachtten met gespannen haan. Van de plaats waar zij zaten, konden zij de antilopen zien en de bevallige dieren in alle bijzonderheden waarnemen. De mannetjes waren weinig onderscheiden van de wijfjes, en zelfs hadden deze laatste door eene speling, waarvan de natuur slechts zelden voorbeelden geeft, grooter horens dan de eerste, die zeer bevallig naar achteren gebogen en puntig waren. Geen dier is bevalliger dan deze antilope, waarvan de oryx eene verscheidenheid is; geene soort heeft zulke zuiver en regelmatig geteekende zwarte vlekken. Zij hebben een bosje haar aan den hals, rechtopstaande manen en een dikken staart, die tot op den grond hangt.De kudde, die uit een twintigtal dieren bestond, naderde het bosch, en bleef toen op dezelfde plaats. Het was duidelijk dat de schildwacht de antilopen uit de vlakte trachtte te krijgen. Hij liep door het hooge gras en trachtte ze in een klein hoopje bij elkander te drijven, evenals de herdershond doet met de aan zijne hoede toevertrouwde schapen. Maar die dieren, welke in het gras rondhuppelden schenen geen lust te hebben de weelderige weide te verlaten. Zij schenen te weigeren, sprongen vluchtende weg en begonnen eenige schreden verder weder te grazen. Deze wijze van doen verwonderde den Boschjesman; hij deed dit aan Murray opmerken, maar kon er hem geen verklaring van geven. De jager kon niet begrijpen waarom het oude mannetje zoo halsstarrig was, en om welke reden hij de kudde naar het bosch wilde jagen. Dit duurde zoo een geruimen tijd, zonder dat er verandering in kwam. Murray had steeds ongeduldig den vinger aan den haan van zijn geweer. Dan eens wilde hij schieten, dan weder vooruitspringen, zoodat Mokum werk had hem tegen te houden.Zóó ging er een uur voorbij, en men kon niet voorzien hoeveleer nog zouden verloopen, toen één der honden, die waarschijnlijk even ongeduldig werd als de Engelschman, een geweldig geblaf aanhief en de vlakte inrende.De woedende Boschjesman had het verwenschte dier gaarne een kogel nagezonden! maar de snelvoetige kudde vluchtte reeds met onvergelijkelijke snelheid, en toen begreep Murray dat geen paard haar kon inhalen. Binnen weinige oogenblikken waren de antilopen niet meer dan zwarte puntjes, die door het hooge gras voortstoven.Tot groote verbazing van den Boschjesman had het oude mannetje het sein tot vluchten niet gegeven. Tegen de gewoonte van deze dieren in was het beest op dezelfde plaats gebleven en scheen er niet aan te denken de onder zijne hoede staande antilopen te volgen. Sedert hare vlucht toch trachtte het zelfs zich in het hooge gras te verbergen, misschien met het plan om in het kreupelbosch te ontvluchten.»Dat is zonderling,” zeide de Boschjesman. »Wat scheelt dat oude dier? Wat loopt het wonderlijk! Is het gekwetst of te oud?”»Wij zullen het wel te weten komen!” antwoordde Murray, terwijl hij met het geweer in de hand in de richting van het dier vooruitsprong.Toen de jager naderde, was de antilope hoe langer hoe meer in het gras weggedoken. Men zag slechts hare vier voet lange horens, welker scherpe punten boven het groen uitstaken. Het dier poogde niet meer te vluchten, maar zich te verbergen. Murray kon het zonderlinge beest dus gemakkelijk naderen. Toen hij er nog maar honderd schreden van daan was, mikte hij zoo nauwkeurig mogelijk en gaf vuur. Het schot knalde; de kogel had de antilope zeker aan den kop getroffen, want de vroeger in de hoogte stekende horens waren op den grond gezakt.Murray en Mokum liepen zoo snel mogelijk naar het dier toe; de Boschjesman hield zijn jachtmes in de hand gereed om het dood te steken, als het nog niet aanstonds doodgeschoten was. Deze voorzorg was echter onnut. De antilope was goed dood, en wel zóó, dat toen Murray haar bij de horens wilde vatten, hij slechts een ledig vel in de hand hield waaraan vleesch en beenderen ontbraken!»Bij Sint Patrick, zulke dingen gebeuren slechts mij!” riep hij op zulk een kluchtigen toon uit, dat ieder ander behalve de Boschjesman er om zou gelachen hebben. Maar Mokum lachte niet; zijne samengeperste lippen, zijne gefronsde wenkbrauwen, zijn knipoogen verrieden eene ernstige ongerustheid. Met over elkander geslagen armen keek hij rechts en links en rondom zich. Plotseling trof een zakje zijn oog. Het was een klein lederen zakje met roode arabesken versierd, dat op den grond lag. De Boschjesman raapte het aanstonds op, en beschouwde het met opmerkzaamheid.Emery werd voor dood op den grond geworpen. Bladz. 142.Emery werd voor dood op den grond geworpen. Bladz.142.»Wat is dat?” vroeg Murray.»Dat is de zak van een Makololo!” antwoordde Mokum.»En hoe komt die hier?”»Omdat de eigenaar dien bij zijne overhaaste vlucht heeft laten vallen.”»En die Makololo?”»Dat zal ik u zeggen, mijnheer,” antwoordde de Boschjesman, terwijl hij zijn vuisten van woede balde,»die Makololo zat in deze antilopenhuid, en u hebt op hem geschoten.”Murray had den tijd niet zijne verbazing uit te drukken, toen Mokum, die op ongeveer vijf honderd pas eenige beweging in het gras zag, in die richting vuur gaf, waarop de Engelschman en hij zoo snel zij konden naar de verdachte plaats renden. Maar deze was verlaten; wel kon men aan het neergetrapte gras zien, dat er een levend wezen overheen had geloopen, maar de Makololo was verdwenen, en men moest het opgeven hem door de onmetelijke tot aan den uitersten gezichteinder zich uitstrekkende vlakte te vervolgen.De beide jagers kwamen dus terug, zeer ongerust door dit voorval, dat inderdaadhunnebezorgdheid moest opwekken. De tegenwoordigheid van een Makololo bij het steenen gedenkteeken in het woud, deze bij de antilopenjagers zeer gebruikelijke vermomming, die hem verborgen had, getuigde van eene wezenlijke hardnekkigheid in het vervolgen van de karavaan van kolonel Everest. Het was niet zonder oogmerk dat een inboorling, die tot den plunderzieken stam der Makololo’s behoorde, de Europeanen en hun geleide bespiedde. Enhoe meerdeze naar het noorden trokken hoe meer het gevaar toenam van door deze woestijnroovers te worden aangevallen.Murray en Mokum kwamen in het kamp terug, waarbij de eerste, geheel uit het veld geslagen als hij was, niet kon nalaten tegen zijn vriend William Emery te zeggen: »Waarlijk, waarde William, het loopt me niet mee! De eerste antilope, die ik doodschieten wil, was reeds dood voor ik haar getroffen had!”
Op het einde van September hadden de astronomen een graad meer noordwaarts gemeten. Het gedeelte van den meridiaan, dat door middel van tweeëndertig driehoeken gemeten was, bedroeg reeds vier graden. Het was de helft van de voorgenomen taak. De drie geleerden legden een buitengewonen ijver aan den dag; maar omdat zij slechts met hun drieën waren, gevoelden zij zich tusschenbeiden zoo vermoeid, dat zij hun werk gedurende eenige dagen moesten opschorten. Het was inderdaad een drukkende hitte. De maand October in het zuidelijk halfrond komt met April in het noordelijk halfrond overeen, en onder den vierentwintigsten graad Z. B. heerscht de hooge temperatuur van Algerië. Reeds was het werk midden op den dag gedurende eenige uren onmogelijk. Ook ondervond de opmeting eenige vertraging, die den Boschjesman vooral zeer verontrustte. Ziehier waarom:
Ten noorden van den meridiaan, op een afstand van honderd kilometers van het laatste door de astronomen bepaalde station, sneed de meridiaan eene zonderlinge streek, die de inlanderskarrounoemen, en die overeenkomt met de vlakte aan den voet van de Roggeveldsbergen in het Kaapland. Gedurende het natte jaargetijde, biedt deze streek overal de bewijzen van de grootste vruchtbaarheid aan; na eenige dagen regen is de grond er met dicht groen bedekt; bloemen ontspruiten overal; in een ongelooflijk korten tijd komen de planten uit den bodem te voorschijn, ziender oogen worden de weilanden groen; waterbeken ontstaan; troepen antilopen komen van de hoogte en nemen die eensklaps ontstane weilanden in bezit. Maar die zonderlinge werking der natuur duurt slechts korten tijd; nauwelijks zijn eene maand of zes weken voorbijgegaan,of al de vochtigheid van den grond wordt opgezogen door de zon en verdwijnt in dampvorm in de lucht. De grond wordt hard en verstikt de nieuwe spruiten; de plantengroei verdwijnt in weinige dagen; de dieren ontvluchten deze onbewoonbaar geworden streek, en de woestijn strekt zich uit op dezelfde plek, waar vroeger een rijk en vruchtbaar land was.
Zóó was dekarrouwaar de kleine karavaan van kolonel Everest door moest, voordat zij de eigenlijke woestijn bereikte, die zich tot aan de oevers van het meer Ngami uitstrekt. Men begrijpt welk belang de Boschjesman er bij had om deze zonderlinge streek door te trekken, voordat de buitengewone droogte de bronnen had doen opdroogen. Hij deelde zijne opmerkingen aan kolonel Everest mede. Deze begreep het volkomen, en beloofde dat hij het zooveel mogelijk in gedachte zou houden door het werk te verhaasten. Doch deze haast mocht in ieder geval de nauwkeurigheid niet schaden. De driehoeksmetingen zijn niet altijd gemakkelijk en op elk oogenblik te doen. Alleen onder zekere omstandigheden der atmosfeer, kan men goed waarnemen. Ook ging de arbeid niet bijzonder veel spoediger niettegenstaande de dringende aanmaning van den Boschjesman, en deze zag wel dat als hij aan dekarroukwam, de vruchtbaarheid waarschijnlijk door den invloed der zonnestralen zou verdwenen zijn.
Maar alvorens het werk der driehoeksmeting zoo ver gevorderd was, dat de astronomen de grenzen derkarroubereikt hadden, konden zij zich niet genoeg verzadigen met de beschouwing der prachtige natuur, die zich voor hun oog ontrolde. Hun tocht had hen nog nimmer in zulk eene schoone streek gevoerd. Niettegenstaande de hoogere temperatuur onderhielden de beken er eene voortdurende frischheid. Kudden van duizenden stuks vee zouden in deze weiden een onuitputtelijk voedsel gevonden hebben. Eenige groene bosschen staken hier en daar fier hunne kruinen op, en het geheel zag er uit alsof het een Engelsch park was; alleen de gaslantaarns ontbraken!
Kolonel Everest toonde zich niet zeer gevoelig voor deze schoone natuur, doch Murray en Emery gevoelden des te levendiger den dichterlijken indruk dien deze streek, verloren te midden van de Afrikaansche wildernissen, op hen maakte. Hoe betreurde de jeugdige geleerde toen zijn armen Michel Zorn, en de vertrouwelijke gesprekken, die zij met elkander wisselden. Evenals hij zou ook deze dienzelfden levendigen indruk gevoeld hebben, en tusschen hunne waarnemingen door hadden zij nu en dan hun hart kunnen uitstorten!
De karavaan trok dus midden door het prachtige land heen. Talrijke vluchten vogels verlevendigden door hun gezang en hun gefladder weilanden en bosschen. De jagers schoten verscheidene malen eenbijzonder soort van trapganzen, die alleen in de vlakten van Zuidelijk Afrika gevonden worden, en»dikkoppen”, die een lekker en zeer geroemd wildbraad leverden. De aandacht der Europeanen werd nog door een ander soort van vogels getrokken, doch niet uit het oogpunt van eetbaarheid. Op de oevers der beken of op de oppervlakte der rivieren, waarover zij met de snelle wieken heenscheerden, vervolgden eenige groote vogels de vraatzieke kraaien, die beproefden de eieren onder uit de in het zand gegraven nesten te rooven. Blauwe kraanvogels met witten hals, roode flamingo’s, die evenals of het vlammen waren tusschen het dunne kreupelhout voortwandelden, reigers, wulpen, watersnippen,»kalas,” die dikwijls op den schoft derbuffelswaren neêrgestreken, pluvieren, ibissen, die van een met hieroglyphen bedekten obelisk schenen afgevlogen te zijn, verbazend groote pelikanen, die in troepen van honderden in rijen achter elkander liepen, brachten overal leven en beweging in die streken, waar de mensch alleen scheen te ontbreken. Doch van deze verschillende soorten van vogels waren zeker de merkwaardigste de wevervogels, wier groenachtige uit riet en gras gevlochten nesten als groote peren aan de takken der treurwilligen hingen. Emery, die ze voor vruchten van eene nieuwe soort hield, plukte er één of twee, en was zeer verwonderd toen hij binnen in die vermeende vruchten een getjilp als van musschen hoorde. Zou het niet te vergeven zijn geweest, als hij in navolging van de oude reizigers in Amerika gemeend had, dat zeker soort van boomen in deze streken vruchten dragen, die levende vogels voortbrengen?
Inderdaad had deze streek op dat oogenblik een verrukkelijk aanzien; alle omstandigheden waren er even gunstig voor grazende dieren. Gnoes met puntige hoeven, caäma’s, die volgens Harris slechts uit driehoeken schijnen te bestaan, elanddieren, kameelen en gazellen waren er in overvloed. Welk eene verscheidenheid van wild, wat prachtige schoten voor een der meest gevierde leden van de jachtclub! Het was waarlijk eene al te groote verzoeking voor John Murray, en na twee dagen verlof van kolonel Everest verkregen te hebben, gebruikte hij die om zich op merkwaardige wijze te vermoeien. Maar wat had hij met zijn vriend Mokum ook een prachtige jacht, terwijl William Emery hen als liefhebber volgde! Wat gelukkige schoten had hij in zijn jachtregister op te teekenen! Wat jagertropeeën om in zijn kasteel in de Hooglanden op te hangen! En hoe weinig dacht hij gedurende die beide verlofdagen aan geodesische opnamen, triangulatie of meting van den meridiaan! Wie zou het geloofd hebben dat deze hand, die zoo bekwaam was in het hanteeren van het geweer, ooit den fijnen kijker van den theodoliet behandeld had! Wie zou gedacht hebben dat het oog, hetwelk op de snelle antilopen zoo goed mikken kon, zich geoefend had in het beschouwen der hemellichamen, en zelfs sterren van de dertiende grootte had waargenomen!Ja, John Murray was gedurende die beide vrije dagen geheel en alléén jager, en desterrekundigewas zoo totaal verdwenen, dat men bijna vreezen moest dat hij als zoodanig nooit weder te voorschijn zou treden!
»Die Makololo zat in deze antilopenhuid.” Bladz. 138.»Die Makololo zat in deze antilopenhuid.” Bladz.138.
»Die Makololo zat in deze antilopenhuid.” Bladz.138.
Onder andere jachtavonturen van Murray moet er een worden opgeteekend, dat eene zeer onverwachte uitkomst had, en den Boschjesman alles behalve geruststelde voor de toekomst der wetenschappelijke onderneming. Dit voorval bevestigde slechts de ongerustheid, die de scherpzinnige jager aan den kolonel Everest had doen blijken.
Het was de 15deOctober. Sedert twee dagen gaf Murray zich geheel aan zijne liefhebberij over. Men had eene troep van een twintigtal herkauwende dieren op ongeveer twee kilometers van de karavaan bemerkt; Mokum zag dat zij tot die schoone soort van antilopen behoorden, welke men oryx noemt, en waarvan de zeer moeilijke jacht elk Afrikaansch jager op de proef stelt.
Aanstonds deelde de Boschjesman aan John Murray mede welke gunstige gelegenheid zich aanbood, en hij spoorde hem sterk aan er gebruik van te maken. Tegelijker tijd deelde hij hem mede dat die dieren zeer moeilijk te vangen waren, dat zij veel sneller liepen dan het vlugste paard; dat de beroemde Cumming, toen hij in het land der Namaqueezen op de jacht was, gedurende zijn geheele jagersloopbaan, zelfs met renpaarden, nooit een van die zonderlinge antilopen onder zijn bereik had kunnen krijgen! Er was niet eens zooveel noodig om den Engelschman aan te sporen, want aanstonds verklaarde hij zich gereed om die dieren te vervolgen. Hij koos het beste paard, het beste geweer, de beste honden, en in zijn ongeduld liep hij den Boschjesman zelfs al vooruit naar den rand van een kreupelbosch dat eene vlakte begrensde en waar dichtbij men de dieren had bemerkt.
Na een tocht van een uur hielden de beide paarden stil. Mokum, verscholen achter een boschje sycomoren toonde aan zijn makker de grazende kudde, die zich op eenige honderden passen onder den wind bevond. De schichtige dieren hadden hen nog niet bemerkt, en zij graasden vreedzaam in de vlakte. Een van die antilopen scheen zich een weinig van de overige verwijderd te houden. De Boschjesman deed dit aan Murray opmerken.
»Het is een schildwacht,” zeide hij. »Dit dier, dat zeker een oud mannetje is, waakt voor de veiligheid van allen. Bij het minste gevaar, zal het een soort van gehinnik doen hooren, en onder zijne aanvoering zal de troep met de grootste snelheid vluchten. Wij moeten hen dus niet dan op een zeer geschikten afstand schieten, en hem bij het eerste schot neerleggen!”
Murray vergenoegde zich met toestemmend te knikken, en koos eene goede plaats om de kudde te bekijken.
De antilopen graasden zonder erg voort. De schildwacht, die door den wind mogelijk iets verdachts in den neus had gekregen, hief vrij dikwijls den gehoornden kop op, en toonde eenige onrust. Maar hij was te ver af dan dat de jagers met goed gevolg op hem hadden kunnen schieten. Men behoefde er niet aan te denken omdeze kudde op de vlakte in de vlucht te achterhalen. Misschien zou zij dichter bij het kreupelbosch komen, en in dit geval konden Murray en de Boschjesman onder de gunstigste omstandigheden op een van die dieren mikken.
Het geluk scheen de jagers te begunstigen. Langzamerhand naderden de dieren onder geleide van het oude mannetje het kreupelbosch. Zonder twijfel meenden zij zich onder het dicht gebladerte van het kreupelbosch te verschuilen. Toen hun oogmerk niet meer twijfelachtig was, noodigde de Boschjesman zijn makker uit om af te stijgen; de paarden werden aan een vijgenboom gebonden; men wierp ze een doek over den kop als voorzorgsmaatregel om ze niet te doen hinniken en ze stil te laten staan. Daarna kropen Mokum en Murray, door de honden gevolgd, door de struiken langs den zoom van het bosch, doch zóó, dat zij bij een punt kwamen, door de laatste boomen gevormd, en waar zij op geen drie honderd schreden van de dieren meer af waren. Daar bukten de beide jagers alsof zij in een hinderlaag lagen, en wachtten met gespannen haan. Van de plaats waar zij zaten, konden zij de antilopen zien en de bevallige dieren in alle bijzonderheden waarnemen. De mannetjes waren weinig onderscheiden van de wijfjes, en zelfs hadden deze laatste door eene speling, waarvan de natuur slechts zelden voorbeelden geeft, grooter horens dan de eerste, die zeer bevallig naar achteren gebogen en puntig waren. Geen dier is bevalliger dan deze antilope, waarvan de oryx eene verscheidenheid is; geene soort heeft zulke zuiver en regelmatig geteekende zwarte vlekken. Zij hebben een bosje haar aan den hals, rechtopstaande manen en een dikken staart, die tot op den grond hangt.
De kudde, die uit een twintigtal dieren bestond, naderde het bosch, en bleef toen op dezelfde plaats. Het was duidelijk dat de schildwacht de antilopen uit de vlakte trachtte te krijgen. Hij liep door het hooge gras en trachtte ze in een klein hoopje bij elkander te drijven, evenals de herdershond doet met de aan zijne hoede toevertrouwde schapen. Maar die dieren, welke in het gras rondhuppelden schenen geen lust te hebben de weelderige weide te verlaten. Zij schenen te weigeren, sprongen vluchtende weg en begonnen eenige schreden verder weder te grazen. Deze wijze van doen verwonderde den Boschjesman; hij deed dit aan Murray opmerken, maar kon er hem geen verklaring van geven. De jager kon niet begrijpen waarom het oude mannetje zoo halsstarrig was, en om welke reden hij de kudde naar het bosch wilde jagen. Dit duurde zoo een geruimen tijd, zonder dat er verandering in kwam. Murray had steeds ongeduldig den vinger aan den haan van zijn geweer. Dan eens wilde hij schieten, dan weder vooruitspringen, zoodat Mokum werk had hem tegen te houden.
Zóó ging er een uur voorbij, en men kon niet voorzien hoeveleer nog zouden verloopen, toen één der honden, die waarschijnlijk even ongeduldig werd als de Engelschman, een geweldig geblaf aanhief en de vlakte inrende.
De woedende Boschjesman had het verwenschte dier gaarne een kogel nagezonden! maar de snelvoetige kudde vluchtte reeds met onvergelijkelijke snelheid, en toen begreep Murray dat geen paard haar kon inhalen. Binnen weinige oogenblikken waren de antilopen niet meer dan zwarte puntjes, die door het hooge gras voortstoven.
Tot groote verbazing van den Boschjesman had het oude mannetje het sein tot vluchten niet gegeven. Tegen de gewoonte van deze dieren in was het beest op dezelfde plaats gebleven en scheen er niet aan te denken de onder zijne hoede staande antilopen te volgen. Sedert hare vlucht toch trachtte het zelfs zich in het hooge gras te verbergen, misschien met het plan om in het kreupelbosch te ontvluchten.
»Dat is zonderling,” zeide de Boschjesman. »Wat scheelt dat oude dier? Wat loopt het wonderlijk! Is het gekwetst of te oud?”
»Wij zullen het wel te weten komen!” antwoordde Murray, terwijl hij met het geweer in de hand in de richting van het dier vooruitsprong.
Toen de jager naderde, was de antilope hoe langer hoe meer in het gras weggedoken. Men zag slechts hare vier voet lange horens, welker scherpe punten boven het groen uitstaken. Het dier poogde niet meer te vluchten, maar zich te verbergen. Murray kon het zonderlinge beest dus gemakkelijk naderen. Toen hij er nog maar honderd schreden van daan was, mikte hij zoo nauwkeurig mogelijk en gaf vuur. Het schot knalde; de kogel had de antilope zeker aan den kop getroffen, want de vroeger in de hoogte stekende horens waren op den grond gezakt.
Murray en Mokum liepen zoo snel mogelijk naar het dier toe; de Boschjesman hield zijn jachtmes in de hand gereed om het dood te steken, als het nog niet aanstonds doodgeschoten was. Deze voorzorg was echter onnut. De antilope was goed dood, en wel zóó, dat toen Murray haar bij de horens wilde vatten, hij slechts een ledig vel in de hand hield waaraan vleesch en beenderen ontbraken!
»Bij Sint Patrick, zulke dingen gebeuren slechts mij!” riep hij op zulk een kluchtigen toon uit, dat ieder ander behalve de Boschjesman er om zou gelachen hebben. Maar Mokum lachte niet; zijne samengeperste lippen, zijne gefronsde wenkbrauwen, zijn knipoogen verrieden eene ernstige ongerustheid. Met over elkander geslagen armen keek hij rechts en links en rondom zich. Plotseling trof een zakje zijn oog. Het was een klein lederen zakje met roode arabesken versierd, dat op den grond lag. De Boschjesman raapte het aanstonds op, en beschouwde het met opmerkzaamheid.
Emery werd voor dood op den grond geworpen. Bladz. 142.Emery werd voor dood op den grond geworpen. Bladz.142.
Emery werd voor dood op den grond geworpen. Bladz.142.
»Wat is dat?” vroeg Murray.
»Dat is de zak van een Makololo!” antwoordde Mokum.
»En hoe komt die hier?”
»Omdat de eigenaar dien bij zijne overhaaste vlucht heeft laten vallen.”
»En die Makololo?”
»Dat zal ik u zeggen, mijnheer,” antwoordde de Boschjesman, terwijl hij zijn vuisten van woede balde,»die Makololo zat in deze antilopenhuid, en u hebt op hem geschoten.”
Murray had den tijd niet zijne verbazing uit te drukken, toen Mokum, die op ongeveer vijf honderd pas eenige beweging in het gras zag, in die richting vuur gaf, waarop de Engelschman en hij zoo snel zij konden naar de verdachte plaats renden. Maar deze was verlaten; wel kon men aan het neergetrapte gras zien, dat er een levend wezen overheen had geloopen, maar de Makololo was verdwenen, en men moest het opgeven hem door de onmetelijke tot aan den uitersten gezichteinder zich uitstrekkende vlakte te vervolgen.
De beide jagers kwamen dus terug, zeer ongerust door dit voorval, dat inderdaadhunnebezorgdheid moest opwekken. De tegenwoordigheid van een Makololo bij het steenen gedenkteeken in het woud, deze bij de antilopenjagers zeer gebruikelijke vermomming, die hem verborgen had, getuigde van eene wezenlijke hardnekkigheid in het vervolgen van de karavaan van kolonel Everest. Het was niet zonder oogmerk dat een inboorling, die tot den plunderzieken stam der Makololo’s behoorde, de Europeanen en hun geleide bespiedde. Enhoe meerdeze naar het noorden trokken hoe meer het gevaar toenam van door deze woestijnroovers te worden aangevallen.
Murray en Mokum kwamen in het kamp terug, waarbij de eerste, geheel uit het veld geslagen als hij was, niet kon nalaten tegen zijn vriend William Emery te zeggen: »Waarlijk, waarde William, het loopt me niet mee! De eerste antilope, die ik doodschieten wil, was reeds dood voor ik haar getroffen had!”