XVII.

XVII.De verdelgers.Na dit voorval had de Boschjesman een langdurig onderhoud met den kolonel. Volgens de meening van Mokum, die zijn oordeel grondde op feiten, werd de kleine troep gevolgd, bespied en dus bedreigd. Indien, volgens hem, de Makololo’s nog geen aanval gedaan hadden, was dit omdat zij de Europeanen verder noordwaarts wilden lokken, naar eene streek waar deze roofzieke benden gewoonlijk te huis behoorden.Moest men dus bij het naken van het gevaar terugtrekken? Moest men het werk, dat tot nog toe zoo wonderwel geslaagd was, latensteken? Zouden Afrikaansche inboorlingen doen, wat de natuur niet gedaan had kunnen krijgen? Zouden zij Engelsche geleerden verhinderen hunne wetenschappelijke taak te volbrengen? Dit was eene ernstige vraag, die van belang was om op te lossen. Daarom verzocht de kolonel den Boschjesman om hem alles te vertellen, wat hij van de Makololo’s wist, en ziehier ongeveer wat deze verhaalde.De Makololo’s behooren tot den grooten stam der Betschuanen en zijn de laatsten, die men ontmoet als men naar den evenaar trekt. In 1850 werddokterLivingstone op zijn eerste reis naar de Zambese ontvangen te Seshèke, toenmalige verblijfplaats van Sebitouané, het hoofd der Makololo’s. Deze inboorling was een geducht oorlogsman, die in 1824 de grenzen van het Kaapland bedreigde. Sebitouané met een opmerkenswaardig verstand begaafd, verkreeg langzamerhand groot overwicht over de in het midden van Afrika verspreide stammen en slaagde er in van deze een eensgezind en overheerschend volk te maken. In 1853, dus een paar jaar te voren, stierf dat inlandsch opperhoofd in de armen van Livingstone, en werd door zijn zoon Sekeleton opgevolgd. In den beginne toonde deze aan de langs de Zambese wonende Europeanen vrij groote genegenheid; dokter Livingstone had zich daar persoonlijk niet over te beklagen. Maar ongemerkt wijzigde de Afrikaansche koning zijne inzichten na het vertrek van den beroemden reiziger. Niet alleen werden vreemdelingen, maar vooral ook naburige inboorlingen door Sekeleton en de krijgslieden van zijn stam aangevallen. Hierop volgden plunderingen op groote schaal. De Makololo’s liepen voornamelijk de streek af tusschen het meer Ngami en de boven-Zambese. Niets was gevaarlijker dan zich in deze streken te wagen met eene karavaan, die slechts uit weinige menschen was samengesteld, vooral wanneer deze karavaan vooraf bespied, opgewacht en waarschijnlijk tot vernietiging gedoemd was.Aldus luidde het verhaal van den Boschjesman. Hij voegde er bij dat hij meende hem de gansche waarheid te moeten zeggen, doch dat hij, wat hem betrof, de bevelen van den kolonel zou volgen, en niet zou terugdeinzen, als men besloot voorwaarts te blijven trekken. De kolonel beraadslaagde met zijne beide ambtgenooten, en men besloot in allen gevalle den geodesischen arbeid voort te zetten. Bijna vijfachtste van den meridiaan was gemeten en, wat er ook gebeuren mocht, deze Engelschen waren het aan zich zelven en aan hun vaderland verschuldigd het werk niet op te geven.Toen deze beslissing genomen was, werd de driehoeksmeting hervat. Den 27stenOctober sneed de wetenschappelijke commissie den Steenbokskeerkring, en nadat zij den 3denNovember den een en veertigsten driehoek gemeten had, werd door waarnemingen bewezen dat de meting weder een graad gevorderd was.Gedurende eene maand werd de driehoeksmeting met kracht voortgezet, zonder dat de natuur eenigen hinderpaal in den weg legde. De sterrekundigen werkten snel en goed in dit schoone land, dat bijna geheel vlak was en slechts door ondiepe beken en door geen belangrijke stroomen doorsneden werd. De altijd waakzame Mokum droeg zorg vóór en ter zijde van de karavaan de streek goed in het oog te houden, en belette de jagers zich ver van de hoofdtroep te verwijderen. Evenwel scheen geen onmiddellijk gevaar de kleine troep te bedreigen, en het was zeer licht mogelijk dat de vrees van den Boschjesman niet verwezenlijkt werd. Ten minste gedurende de maand November vertoonde zich geene plunderende bende, en men vond geen enkel spoor van den inboorling meer, die de karavaan van het rotsblok in het verbrande woud af zoo hardnekkig vervolgd had.En toch, hoewel het gevaar voor het oogenblik geweken scheen, bemerkte de jager verscheidene malen kenteekenen van aarzeling bij de onder zijne bevelen staande Boschjesmannen. Men had hun de gebeurtenissen bij de rots en op de antilopenjacht niet kunnen verbergen, zoodat zij onvermijdelijk een aanval van de Makololo’s wachtten; Makololo’s toch en Boschjesmannen zijn vijandige stammen, zonder medelijden voor elkander. De overwonnenen hebben van de overwinnaars geen genade te wachten en hun kleine aantal moest deze inlanders met recht bevreesd maken, omdat zij sedert de oorlogsverklaring tusschen Engeland en Rusland tot op de helft verminderd waren. De Boschjesmannen waren reeds meer dan 300 kilometers van de oevers der Oranjerivier verwijderd, en er was sprake van ze ten minste nog 200 kilometers verder noordwaarts mede te voeren. Dit vooruitzicht gaf hun stof tot overpeinzing. Voordat Mokum ze tot dezen toch had aangezocht, had hij hun inderdaad niet verborgen dat het eene lange en afmattende reis gold, en het waren mannen om de aan zulk eene reis verbonden moeilijkheden te trotseeren. Maar van het oogenblik dat hier nog het gevaar bijkwam een strijd met verbitterde vijanden te voeren, veranderde deze omstandigheid hunne gezindheid. Vandaar verdrietelijkheden, klachten en kwaadwilligheid, die Mokum veinsde niet te zien of te hooren, doch die zijne ongerustheid over de toekomst der wetenschappelijke commissie deed toenemen.Den 2denDecember geschiedde er iets, dat de kwalijkgezindheid dezer bijgeloovige Boschjesmannen nog vermeerderde, en in zekere mate eenig verzet tegen hunne hoofden verwekte.»Een zonderlinge wolk.” Bladz. 145.»Een zonderlinge wolk.” Bladz.145.Sedert den vorigen dag was de tot nog toe heldere hemel plotseling betrokken geworden. Onder den invloed eener tropische hitte heerschte in de met dampen bezwangerde atmosfeer eene groote elektrische spanning. Men kon reeds een naderend onweder voorspellen, en in deze hemelstreek valt eene donderbui bijna altijd metonvergelijkelijke hevigheid. De hemel bedekte zich inderdaad op genoemden dag met sombere wolken, zoodat een weerkenner zich daarin niet zou bedrogen hebben. Het waren wolken als balen katoenop elkander gestapeld, welker donker en geel schril tegen elkander afstak. De zon had eene vale tint; de lucht was kalm, de hitte drukkend. De barometer die sedert den vorigen dag voortdurend daalde, was tot staan gekomen. Geen blad bewoog zich onder deze drukkende lucht.De heeren hadden den toestand der lucht nagegaan, doch meenden daarom hun werk niet te moeten staken. Op dit oogenblik had William Emery zich met twee matrozen, vier inlanders en een wagen twee kilometers oostwaarts van den meridiaan begeven om een seinpaal te plaatsen, die den tophoek van een driehoek zou aangeven. Hij was bezig zijn visier op den top van een heuveltje te plaatsen, toen eene plotselinge samenpersing van dampen, door den invloed van een kouden luchtstroom, eensklaps eene ontzaglijke massa electriciteit ontwikkelde. Bijna op hetzelfde oogenblik viel er eene vreeselijke hagelbui. Daarbij deed zich een vrij zonderling verschijnsel voor, dat namelijk de hagelsteenen licht van zich gaven, en men zou gezegd hebben dat het druppels gloeiend metaal regende. De vonken sprongen uit den grond als de steenen neervielen, en alle metaaldeelen van den wagen waarmede de werktuigen waren overgebracht, vertoonden zich als lichtende punten.De hagelsteenen werden hoe langer hoe grooter; het was een ware steenregen, waaraan men zich niet dan met het grootste gevaar kon blootstellen. Men zal zich over dit verschijnsel niet verwonderen als men weet dat dokter Livingstone onder gelijke omstandigheden te Kolobeng gezien heeft, dat de ramen in het huis der zendelingen verbrijzeld, en paarden en groote antilopen doodgeslagen werden.Zonder een oogenblik te verliezen, verliet William Emery zijn werk, en riep zijne manschappen bijeen om in den wagen onder zulk een onweer in allen gevalle eene minder gevaarlijke schuilplaats te zoeken dan onder een boom. Maar nauwelijks had hij den heuveltop verlaten of een schitterende bliksemstraal met een onmiddellijk daarop gevolgden donderslag scheen den geheele hemel in vuur te zetten. Emery werd voor dood op den grond geworpen; de beide matrozen, die slechts een oogenblik als verblind waren, sprongen naar hem toe. Gelukkig was de jonge geleerde bijna ongedeerd gebleven. Door een van die onverklaarbare toevallen, die somtijds voorkomen, was de elektrieke stroom als ’t ware om hem heen gegleden, en had hem slechts een oogenblik omwikkeld; doch het was duidelijk zichtbaar dat de bliksemstraal hem getroffen had, want de metalen punten van een passer, dien hij in de hand hield, waren gesmolten.Door de matrozen overeind geholpen, kwam de jongeman spoedig weder tot bewustzijn. Hij was echter niet het eenige slachtoffer van dezen slag. Bij den seinpaal lagen twee inlanders op twintig schreden van elkander dood op den grond. Van den een, wiens organisme door de mechanische werking van den bliksem volkomen verstoordwas werd het lichaam zwartgebrand als houtskool bevonden, terwijl de kleederen ongeschonden waren. De ander was door een steen op het hoofd getroffen, en dood neergeslagen. Derhalve hadden Emery en de beide inlanders te gelijk de kracht van een enkelen bliksemstraal ondervonden. Het is een zeldzaam verschijnsel dat een bliksemstraal zich soms tot op zulk een aanzienlijken afstand splitst.De Boschjesmannen stonden eerst versuft door den dood hunner makkers, maar namen weldra de vlucht, niettegenstaande het geschreeuw der matrozen, en op gevaar af van doodgeslagen te worden, daar zij door de snelheid waarmede zij liepen, de lucht verdunden. Maar zij wilden niet hooren, en renden zoo snel als zij konden naar de legerplaats terug. Nadat de beide matrozen Emery naar den wagen hadden geleid, legden zij er de twee lijken in, en zochten nu op hunne beurt eene schuilplaats, daar zij reeds vol builen waren geslagen door de hagelsteenen, die als een ware steenregen nedervielen. Gedurende ongeveer drie kwartier woedde het onweder met ontzettende kracht; daarna begon het te bedaren; de hagel viel niet meer, en de wagen kon naar de legerplaats terugkeeren.De tijding van den dood der twee inlanders was hun reeds vooruitgevlogen; het maakte een treurigen indruk op de Boschjesmannen, die niet zonder bijgeloovige vrees deze driehoeksmeting beschouwden waarvan zij niets begrepen. Zij hielden eene bijeenkomst, en eenigen hunner, die meer ontmoedigd waren dan de overigen, verklaarden dat zij niet verder wilden gaan. Er was een begin van oproer, dat een zeer dreigend aanzien kreeg. Mokum had al zijn invloed noodig om een opstand tegen te gaan. Kolonel Everest moest tusschenbeiden komen en aan die arme lieden eene toelage beloven om ze in zijn dienst te houden. Niet zonder moeite werd de rust hersteld; door dezen tegenstand scheen de toekomst van de onderneming ernstig bedreigd. Inderdaad, wat zouden de leden der commissie in het midden der woestijn en ver van alle bewoonde streken aanvangen zonder geleide om hen te beschermen en zonder gidsen om de wagens te mennen? Dit gevaar was voor het oogenblik dus nog afgewend, en nadat het kamp was afgebroken, wendde de kleine karavaan zich naar den heuvel waarop de beide Boschjesmannen het leven hadden verloren.Emery had nog eenige dagen last van den hevigen slag, die hem getroffen had. De linkerhand, waarmede hij den passer had vastgehouden, bleef nog eenigen tijd als verlamd, maar eindelijk verdween dat gevoel, en kon de jonge man het werk weder opvatten.Gedurende de achttien dagen, die tot den 20stenDecember volgden, werd de tocht van de karavaan door geene enkele gebeurtenis gekenmerkt. De Makololo’s verschenen niet, en hoewel Mokum de zaak nog altijd niet vertrouwde, begon hij toch geruster te worden. Men was op niet meer dan vijftig kilometers van de woestijn verwijderd,en dekarroubleef wat zij tot nog toe geweest was: eene prachtige streek, welker plantengroei nog door het water onderhouden, met die van geen punt ter wereld kon vergeleken worden. Men kon er dus op rekenen dat tot aan de woestijn de mannen in dit vruchtbare en wildrijke landschap, en de lastdieren, die tot aan den buik in het malsche gras gingen, geen gebrek aan voedsel zouden hebben. Maar men rekende buiten de sprinkhanen, wier verschijning den landbouw in zuidelijk Afrika steeds bedreigt.In den avond van 20 December, was het kamp ongeveer een uur voor zonsondergang opgeslagen. De drie Engelschen en de Boschjesman zaten aan den voet van een boom en rustten uit van de vermoeienissen des daags, terwijl zij over hune toekomstige plannen spraken. De opkomende noordewind verfrischte de lucht een weinig.De sterrekundigen waren met elkander overeengekomen, dat zij de hoogten der sterren zouden meten om de breedte der plaats nauwkeurig te berekenen. Geen wolkje was aan den hemel zichtbaar; het zou weldra nieuwe maan zijn; de sterren zouden helder schitteren, en derhalve konden de metingen onder geen gunstiger omstandigheden geschieden. Ook waren kolonel Everest en John Murray zeer teleurgesteld, toen William Emery tegen acht uren naar het noorden wees en zeide:»Ziet eens, de gezichteinder betrekt, en ik geloof dat de nacht ons niet zoo gunstig zijn zal als wij het wel hopen.”»Inderdaad,” antwoordde Murray, »die dikke wolk verheft zich langzamerhand en zal door het aanwakkeren van den wind den hemel weldra bedekken.”»Is dat een nieuw onweder, dat opkomt?” vroeg de kolonel.»Wij zijn hier onder de keerkringen, en ’t staat dus te vreezen,” antwoordde Emery. »Ik geloof dat onze waarnemingen van nacht groot gevaar loopen van niet te slagen.”»Wat denkt gij ervan Mokum?” vroeg kolonel Everest aan den Boschjesman. Deze keek aandachtig naar het noorden. De wolk breidde zich over eene zeer lange kromme lijn uit, en was zoo scherp afgeteekend als ware het met een passer gedaan. De sector welken die wolk boven den gezichteinder beschreef, was drie of vier kilometers lang; zij was zoo zwart als rook, en had eene zonderlinge gedaante; dit alles trof den Boschjesman bijzonder. Soms kaatsten de stralen der ondergaande zon met rooden tint tegen die wolk terug, evenals of het eene vaste massa en geen opeenhooping van dampen was.»Een zonderlinge wolk!” zeide de Boschjesman, zonder zich verder te verklaren.Eenige oogenblikken daarna kwam een Boschjesman Mokum waarschuwen dat de dieren, paarden, ossen, enz. onrustig begonnen te worden. Zij liepen door de weide en weigerden weder binnen de legerplaats te komen.Reeds had men eenige uitgeputte lastdieren achter moeten laten. Blz. 151.Reeds had men eenige uitgeputte lastdieren achter moeten laten. Blz.151.»Welnu, laat ze dan van nacht maar buiten blijven!” antwoordde de jager.»Maar de wilde dieren dan?”»Deze zullen spoedig te veel met zich zelve te doen hebben om nog daarop acht te geven.”De inlander ging weder heen; de kolonel wilde aan den Boschjesman de verklaring van dat vreemde antwoord vragen, doch Mokum verwijderde zich eenige schreden en scheen geheel verzonken in de beschouwing van het verschijnsel, waarvan hij waarschijnlijk de oorzaak vermoedde.De wolk naderde snel; men kon zien dat zij zeer laag hing, zoodat zij zeker niet meer dan eenige honderden voeten boven den grond dreef. Met het gehuil van den aanwakkerenden wind vermengde zich een schrikbarend gegons, dat uit de wolk scheen voort te komen. Op dit oogenblik verscheen boven de wolk eene groote menigte zwarte punten, die zich van boven naar beneden bewogen, in de zwarte massa neerstortten en dan aanstonds weder naar boven gingen. Men kon ze bij duizenden tellen.»Wat zijn dat voor zwarte punten?” vroeg Murray.»Dat zijn vogels,” antwoordde de Boschjesman, »valken, arenden, gieren, wouwen en anderen. Zij komen van verre, volgen die wolk, en zullen haar niet verlaten voordat zij vernietigd of verstrooid zal zijn.”»Maar die wolk?”»Het is geen wolk,” antwoordde Mokum, terwijl hij de hand naar de sombere massa uitstrekte, die reeds een vierde gedeelte van de oppervlakte des hemels besloeg, »het is eene levende wolk, eene wolk van sprinkhanen!”De jager bedroog zich niet. De Europeanen zouden een van die ongelukkig maar al te dikwerf voorkomende zwermen sprinkhanen zien, die in één nacht het vruchtbaarste land in eene dorre en woeste streek veranderen. Deze dieren, degrylli devastatoriivan de natuurkundigen, kwamen bij millioenen. Sommige reizigers hebben daarmede soms eene landstreek van vijftig kilometers lang vier voet hoog bedekt gezien.»Ja,” hernam de Boschjesman, »die levende wolken zijn een vreeselijke ramp voor de velden, en de Hemel geve dat zij ons niet al te veel kwaad doen!”»Maar wij hebben hier geen zaaivelden of weilanden, die ons toebehooren,” zeide de kolonel. »Wat kunnen wij daarvan te vreezen hebben?”»Niets, als zij slechts over ons heentrekken,” antwoordde Mokum, »maar alles, wanneer zij op het land, waardoor wij moeten heentrekken, neervallen. Dan zal er geen blad meer aan de boomen en geen grasscheut op het veld blijven, en u vergeet kolonel, dat, al behoeft het ons aan voedsel niet te ontbreken, dat van onze paarden, ossen en muilezels daarom nog niet verzekerd is. Wat zoude er van die dieren in deze woeste velden worden?”De makkers van den Boschjesman zwegen eenige oogenblikken.Zij keken naar de levende massa, die zichtbaar vermeerderde. Het gegons verdubbelde, en daarboven uit weerklonk het geschreeuw van adelaars en valken, die telkens in die onuitputtelijke wolk neerstortten en de insecten bij duizenden verslonden.»Gelooft ge dat zij hier zullen neervallen?” vroeg William Emery aan Mokum.»Ik vrees het,”antwoordde de jager. »De noordewind jaagt ze rechtstreeks hier heen. Daar gaat bovendien de zon onder; de avondkoelte zal de vleugels dier insecten neerslaan, zij zullen op boomen, struiken en weilanden neervallen, en dan....”De Boschjesman eindigde zijn volzin niet; op dit oogenblik toch werd zijne voorspelling vervuld, want de ontzaglijke wolk viel op den grond neder. Om de legerplaats zag men slechts eene krioelende en sombere massa, die zich uitstrekte zoover het oog reikte. De legerplaats zelve werd letterlijk overstroomd. Wagens, tenten, alles verdween onder dien levenden hagel. De massa sprinkhanen was een voet dik. De Engelschen liepen tot aan de knieën door de dikke laag, en trapten bij elke schrede honderden dieren dood. Maar wat beteekende dit op de massa?En toch ontbraken de middelen ter verdelging dezer insecten niet. De vogels wierpen zich met hevig geschreeuw er op, en verslonden ze gretig. Onder de massa kropen slangen, die, aangelokt door dezen begeerlijken buit, er groote menigten van opslokten. Paarden, ossen, muilezels en honden aten ze met onuitsprekelijk genot; het wild gedierte, leeuwen en hyena’s, olifanten en neushorens, deden er mudden van in hun maag verdwijnen; en eindelijk aten de Boschjesmannen, die zeer veel houden van deze »luchtgarnalen,” ze als hemelsche manna! Doch het getal tartte alle middelen van vernieling en zelfs hunne eigene vraatzucht, want die insecten verslinden elkander onderling.Op aandringen van den Boschjesman moesten de Engelschen van dit uit den hemel gevallen voedsel proeven. Men liet eenige duizenden sprinkhanen met zout, peper en azijn koken na de jongste die groen zijn, te hebben uitgezocht, en dus niet de gele, die ouder, harder en soms vier duim lang zijn. De jonge sprinkhanen zijn zoo dik als eene penneschacht, vijftien tot twintig millimeters lang en hebben nog geen eieren gelegd. Zij worden door de liefhebbers als een heerlijk gerecht beschouwd. Na een half uur kokens diende de Boschjesman den drie Engelschen een heerlijken schotel sprinkhanen voor. Men vond die insecten, na ze van kop, pooten en vleugels ontdaan te hebben even lekker als zeegarnalen, en John Murray, die er eenige honderden opat, beval den lieden van hun gevolg er een grooten voorraad van op te doen. Men behoefde slechts te bukken om ze op te rapen!Toen de nacht gekomen was, ging ieder naar zijn gewoon verblijf,maar de wagens waren aan die algemeene overstelping van insecten niet ontsnapt; het was onmogelijk er in te komen zonder ontelbare dieren stuk te trappen. Het slapen onder deze omstandigheden was niet zeer aangenaam. Omdat de hemel helder was, en de sterren prachtig schitterden, brachten de drie sterrekundigen den nacht door met het meten van sterrehoogten. Dit was zeker beter dan tot in den hals in zulk een bed van sprinkhanen te zakken. Hoe zouden bovendien de Europeanen een oogenblik hebben kunnen slapen, terwijl vlakten en bosschen weergalmden van het gehuil van wilde dieren, die van alle kanten kwamen om aan de sprinkhanen te smullen!Den volgenden morgen kwam de zon helder op, en begon haar loopbaan aan den schitterenden hemel, zoodat het zeer warm beloofde te worden. Weldra hadden de zonnestralen de warmte zeer doen toenemen, en een dof geraas van vleugels liet zich hooren in het midden van de massa sprinkhanen, die zich gereed maakten verder te vliegen, en elders hunne verwoestingen aan te richten. Tegen acht uren’s morgenswas het alsof een groot zeil zich aan den hemel ontplooide en het zonnelicht verduisterde. De geheele streek was in duisternis gehuld en men zou gedacht hebben dat de avond weder gevallen was. Toen de wind aanwakkerde, zette de groote zwerm zich in beweging. Gedurende twee uren ging hij met een oorverdoovend geweld over de in duisternis gehulde legerplaats heen, en verdween eindelijk aan den westelijken gezichteinder.Doch toen het zonlicht weder te voorschijn trad, kon men zien dat de voorspelling van Mokum geheel bewaarheid was; geen blad meer aan de boomen, geen grasscheut meer op het veld; alles was vernietigd; de grond was geel en zandig. De kale takken vertoonden zich als spoken, het was alsof de winter met de snelheid eener tooneelverandering op den zomer gevolgd was! Het was een woestijn, het bloeiende der streek was geheel verdwenen!En men kon op die vraatzuchtige sprinkhanen het oostersche spreekwoord toepassen, dat door den plunderzieken geest der Turken bewaarheid wordt: daar, waar de Turk overheen is getrokken, groeit geen gras meer en zoo ook hier: het gras groeit niet meer op de plaats waar de sprinkhanen zijn neergevallen!

XVII.De verdelgers.Na dit voorval had de Boschjesman een langdurig onderhoud met den kolonel. Volgens de meening van Mokum, die zijn oordeel grondde op feiten, werd de kleine troep gevolgd, bespied en dus bedreigd. Indien, volgens hem, de Makololo’s nog geen aanval gedaan hadden, was dit omdat zij de Europeanen verder noordwaarts wilden lokken, naar eene streek waar deze roofzieke benden gewoonlijk te huis behoorden.Moest men dus bij het naken van het gevaar terugtrekken? Moest men het werk, dat tot nog toe zoo wonderwel geslaagd was, latensteken? Zouden Afrikaansche inboorlingen doen, wat de natuur niet gedaan had kunnen krijgen? Zouden zij Engelsche geleerden verhinderen hunne wetenschappelijke taak te volbrengen? Dit was eene ernstige vraag, die van belang was om op te lossen. Daarom verzocht de kolonel den Boschjesman om hem alles te vertellen, wat hij van de Makololo’s wist, en ziehier ongeveer wat deze verhaalde.De Makololo’s behooren tot den grooten stam der Betschuanen en zijn de laatsten, die men ontmoet als men naar den evenaar trekt. In 1850 werddokterLivingstone op zijn eerste reis naar de Zambese ontvangen te Seshèke, toenmalige verblijfplaats van Sebitouané, het hoofd der Makololo’s. Deze inboorling was een geducht oorlogsman, die in 1824 de grenzen van het Kaapland bedreigde. Sebitouané met een opmerkenswaardig verstand begaafd, verkreeg langzamerhand groot overwicht over de in het midden van Afrika verspreide stammen en slaagde er in van deze een eensgezind en overheerschend volk te maken. In 1853, dus een paar jaar te voren, stierf dat inlandsch opperhoofd in de armen van Livingstone, en werd door zijn zoon Sekeleton opgevolgd. In den beginne toonde deze aan de langs de Zambese wonende Europeanen vrij groote genegenheid; dokter Livingstone had zich daar persoonlijk niet over te beklagen. Maar ongemerkt wijzigde de Afrikaansche koning zijne inzichten na het vertrek van den beroemden reiziger. Niet alleen werden vreemdelingen, maar vooral ook naburige inboorlingen door Sekeleton en de krijgslieden van zijn stam aangevallen. Hierop volgden plunderingen op groote schaal. De Makololo’s liepen voornamelijk de streek af tusschen het meer Ngami en de boven-Zambese. Niets was gevaarlijker dan zich in deze streken te wagen met eene karavaan, die slechts uit weinige menschen was samengesteld, vooral wanneer deze karavaan vooraf bespied, opgewacht en waarschijnlijk tot vernietiging gedoemd was.Aldus luidde het verhaal van den Boschjesman. Hij voegde er bij dat hij meende hem de gansche waarheid te moeten zeggen, doch dat hij, wat hem betrof, de bevelen van den kolonel zou volgen, en niet zou terugdeinzen, als men besloot voorwaarts te blijven trekken. De kolonel beraadslaagde met zijne beide ambtgenooten, en men besloot in allen gevalle den geodesischen arbeid voort te zetten. Bijna vijfachtste van den meridiaan was gemeten en, wat er ook gebeuren mocht, deze Engelschen waren het aan zich zelven en aan hun vaderland verschuldigd het werk niet op te geven.Toen deze beslissing genomen was, werd de driehoeksmeting hervat. Den 27stenOctober sneed de wetenschappelijke commissie den Steenbokskeerkring, en nadat zij den 3denNovember den een en veertigsten driehoek gemeten had, werd door waarnemingen bewezen dat de meting weder een graad gevorderd was.Gedurende eene maand werd de driehoeksmeting met kracht voortgezet, zonder dat de natuur eenigen hinderpaal in den weg legde. De sterrekundigen werkten snel en goed in dit schoone land, dat bijna geheel vlak was en slechts door ondiepe beken en door geen belangrijke stroomen doorsneden werd. De altijd waakzame Mokum droeg zorg vóór en ter zijde van de karavaan de streek goed in het oog te houden, en belette de jagers zich ver van de hoofdtroep te verwijderen. Evenwel scheen geen onmiddellijk gevaar de kleine troep te bedreigen, en het was zeer licht mogelijk dat de vrees van den Boschjesman niet verwezenlijkt werd. Ten minste gedurende de maand November vertoonde zich geene plunderende bende, en men vond geen enkel spoor van den inboorling meer, die de karavaan van het rotsblok in het verbrande woud af zoo hardnekkig vervolgd had.En toch, hoewel het gevaar voor het oogenblik geweken scheen, bemerkte de jager verscheidene malen kenteekenen van aarzeling bij de onder zijne bevelen staande Boschjesmannen. Men had hun de gebeurtenissen bij de rots en op de antilopenjacht niet kunnen verbergen, zoodat zij onvermijdelijk een aanval van de Makololo’s wachtten; Makololo’s toch en Boschjesmannen zijn vijandige stammen, zonder medelijden voor elkander. De overwonnenen hebben van de overwinnaars geen genade te wachten en hun kleine aantal moest deze inlanders met recht bevreesd maken, omdat zij sedert de oorlogsverklaring tusschen Engeland en Rusland tot op de helft verminderd waren. De Boschjesmannen waren reeds meer dan 300 kilometers van de oevers der Oranjerivier verwijderd, en er was sprake van ze ten minste nog 200 kilometers verder noordwaarts mede te voeren. Dit vooruitzicht gaf hun stof tot overpeinzing. Voordat Mokum ze tot dezen toch had aangezocht, had hij hun inderdaad niet verborgen dat het eene lange en afmattende reis gold, en het waren mannen om de aan zulk eene reis verbonden moeilijkheden te trotseeren. Maar van het oogenblik dat hier nog het gevaar bijkwam een strijd met verbitterde vijanden te voeren, veranderde deze omstandigheid hunne gezindheid. Vandaar verdrietelijkheden, klachten en kwaadwilligheid, die Mokum veinsde niet te zien of te hooren, doch die zijne ongerustheid over de toekomst der wetenschappelijke commissie deed toenemen.Den 2denDecember geschiedde er iets, dat de kwalijkgezindheid dezer bijgeloovige Boschjesmannen nog vermeerderde, en in zekere mate eenig verzet tegen hunne hoofden verwekte.»Een zonderlinge wolk.” Bladz. 145.»Een zonderlinge wolk.” Bladz.145.Sedert den vorigen dag was de tot nog toe heldere hemel plotseling betrokken geworden. Onder den invloed eener tropische hitte heerschte in de met dampen bezwangerde atmosfeer eene groote elektrische spanning. Men kon reeds een naderend onweder voorspellen, en in deze hemelstreek valt eene donderbui bijna altijd metonvergelijkelijke hevigheid. De hemel bedekte zich inderdaad op genoemden dag met sombere wolken, zoodat een weerkenner zich daarin niet zou bedrogen hebben. Het waren wolken als balen katoenop elkander gestapeld, welker donker en geel schril tegen elkander afstak. De zon had eene vale tint; de lucht was kalm, de hitte drukkend. De barometer die sedert den vorigen dag voortdurend daalde, was tot staan gekomen. Geen blad bewoog zich onder deze drukkende lucht.De heeren hadden den toestand der lucht nagegaan, doch meenden daarom hun werk niet te moeten staken. Op dit oogenblik had William Emery zich met twee matrozen, vier inlanders en een wagen twee kilometers oostwaarts van den meridiaan begeven om een seinpaal te plaatsen, die den tophoek van een driehoek zou aangeven. Hij was bezig zijn visier op den top van een heuveltje te plaatsen, toen eene plotselinge samenpersing van dampen, door den invloed van een kouden luchtstroom, eensklaps eene ontzaglijke massa electriciteit ontwikkelde. Bijna op hetzelfde oogenblik viel er eene vreeselijke hagelbui. Daarbij deed zich een vrij zonderling verschijnsel voor, dat namelijk de hagelsteenen licht van zich gaven, en men zou gezegd hebben dat het druppels gloeiend metaal regende. De vonken sprongen uit den grond als de steenen neervielen, en alle metaaldeelen van den wagen waarmede de werktuigen waren overgebracht, vertoonden zich als lichtende punten.De hagelsteenen werden hoe langer hoe grooter; het was een ware steenregen, waaraan men zich niet dan met het grootste gevaar kon blootstellen. Men zal zich over dit verschijnsel niet verwonderen als men weet dat dokter Livingstone onder gelijke omstandigheden te Kolobeng gezien heeft, dat de ramen in het huis der zendelingen verbrijzeld, en paarden en groote antilopen doodgeslagen werden.Zonder een oogenblik te verliezen, verliet William Emery zijn werk, en riep zijne manschappen bijeen om in den wagen onder zulk een onweer in allen gevalle eene minder gevaarlijke schuilplaats te zoeken dan onder een boom. Maar nauwelijks had hij den heuveltop verlaten of een schitterende bliksemstraal met een onmiddellijk daarop gevolgden donderslag scheen den geheele hemel in vuur te zetten. Emery werd voor dood op den grond geworpen; de beide matrozen, die slechts een oogenblik als verblind waren, sprongen naar hem toe. Gelukkig was de jonge geleerde bijna ongedeerd gebleven. Door een van die onverklaarbare toevallen, die somtijds voorkomen, was de elektrieke stroom als ’t ware om hem heen gegleden, en had hem slechts een oogenblik omwikkeld; doch het was duidelijk zichtbaar dat de bliksemstraal hem getroffen had, want de metalen punten van een passer, dien hij in de hand hield, waren gesmolten.Door de matrozen overeind geholpen, kwam de jongeman spoedig weder tot bewustzijn. Hij was echter niet het eenige slachtoffer van dezen slag. Bij den seinpaal lagen twee inlanders op twintig schreden van elkander dood op den grond. Van den een, wiens organisme door de mechanische werking van den bliksem volkomen verstoordwas werd het lichaam zwartgebrand als houtskool bevonden, terwijl de kleederen ongeschonden waren. De ander was door een steen op het hoofd getroffen, en dood neergeslagen. Derhalve hadden Emery en de beide inlanders te gelijk de kracht van een enkelen bliksemstraal ondervonden. Het is een zeldzaam verschijnsel dat een bliksemstraal zich soms tot op zulk een aanzienlijken afstand splitst.De Boschjesmannen stonden eerst versuft door den dood hunner makkers, maar namen weldra de vlucht, niettegenstaande het geschreeuw der matrozen, en op gevaar af van doodgeslagen te worden, daar zij door de snelheid waarmede zij liepen, de lucht verdunden. Maar zij wilden niet hooren, en renden zoo snel als zij konden naar de legerplaats terug. Nadat de beide matrozen Emery naar den wagen hadden geleid, legden zij er de twee lijken in, en zochten nu op hunne beurt eene schuilplaats, daar zij reeds vol builen waren geslagen door de hagelsteenen, die als een ware steenregen nedervielen. Gedurende ongeveer drie kwartier woedde het onweder met ontzettende kracht; daarna begon het te bedaren; de hagel viel niet meer, en de wagen kon naar de legerplaats terugkeeren.De tijding van den dood der twee inlanders was hun reeds vooruitgevlogen; het maakte een treurigen indruk op de Boschjesmannen, die niet zonder bijgeloovige vrees deze driehoeksmeting beschouwden waarvan zij niets begrepen. Zij hielden eene bijeenkomst, en eenigen hunner, die meer ontmoedigd waren dan de overigen, verklaarden dat zij niet verder wilden gaan. Er was een begin van oproer, dat een zeer dreigend aanzien kreeg. Mokum had al zijn invloed noodig om een opstand tegen te gaan. Kolonel Everest moest tusschenbeiden komen en aan die arme lieden eene toelage beloven om ze in zijn dienst te houden. Niet zonder moeite werd de rust hersteld; door dezen tegenstand scheen de toekomst van de onderneming ernstig bedreigd. Inderdaad, wat zouden de leden der commissie in het midden der woestijn en ver van alle bewoonde streken aanvangen zonder geleide om hen te beschermen en zonder gidsen om de wagens te mennen? Dit gevaar was voor het oogenblik dus nog afgewend, en nadat het kamp was afgebroken, wendde de kleine karavaan zich naar den heuvel waarop de beide Boschjesmannen het leven hadden verloren.Emery had nog eenige dagen last van den hevigen slag, die hem getroffen had. De linkerhand, waarmede hij den passer had vastgehouden, bleef nog eenigen tijd als verlamd, maar eindelijk verdween dat gevoel, en kon de jonge man het werk weder opvatten.Gedurende de achttien dagen, die tot den 20stenDecember volgden, werd de tocht van de karavaan door geene enkele gebeurtenis gekenmerkt. De Makololo’s verschenen niet, en hoewel Mokum de zaak nog altijd niet vertrouwde, begon hij toch geruster te worden. Men was op niet meer dan vijftig kilometers van de woestijn verwijderd,en dekarroubleef wat zij tot nog toe geweest was: eene prachtige streek, welker plantengroei nog door het water onderhouden, met die van geen punt ter wereld kon vergeleken worden. Men kon er dus op rekenen dat tot aan de woestijn de mannen in dit vruchtbare en wildrijke landschap, en de lastdieren, die tot aan den buik in het malsche gras gingen, geen gebrek aan voedsel zouden hebben. Maar men rekende buiten de sprinkhanen, wier verschijning den landbouw in zuidelijk Afrika steeds bedreigt.In den avond van 20 December, was het kamp ongeveer een uur voor zonsondergang opgeslagen. De drie Engelschen en de Boschjesman zaten aan den voet van een boom en rustten uit van de vermoeienissen des daags, terwijl zij over hune toekomstige plannen spraken. De opkomende noordewind verfrischte de lucht een weinig.De sterrekundigen waren met elkander overeengekomen, dat zij de hoogten der sterren zouden meten om de breedte der plaats nauwkeurig te berekenen. Geen wolkje was aan den hemel zichtbaar; het zou weldra nieuwe maan zijn; de sterren zouden helder schitteren, en derhalve konden de metingen onder geen gunstiger omstandigheden geschieden. Ook waren kolonel Everest en John Murray zeer teleurgesteld, toen William Emery tegen acht uren naar het noorden wees en zeide:»Ziet eens, de gezichteinder betrekt, en ik geloof dat de nacht ons niet zoo gunstig zijn zal als wij het wel hopen.”»Inderdaad,” antwoordde Murray, »die dikke wolk verheft zich langzamerhand en zal door het aanwakkeren van den wind den hemel weldra bedekken.”»Is dat een nieuw onweder, dat opkomt?” vroeg de kolonel.»Wij zijn hier onder de keerkringen, en ’t staat dus te vreezen,” antwoordde Emery. »Ik geloof dat onze waarnemingen van nacht groot gevaar loopen van niet te slagen.”»Wat denkt gij ervan Mokum?” vroeg kolonel Everest aan den Boschjesman. Deze keek aandachtig naar het noorden. De wolk breidde zich over eene zeer lange kromme lijn uit, en was zoo scherp afgeteekend als ware het met een passer gedaan. De sector welken die wolk boven den gezichteinder beschreef, was drie of vier kilometers lang; zij was zoo zwart als rook, en had eene zonderlinge gedaante; dit alles trof den Boschjesman bijzonder. Soms kaatsten de stralen der ondergaande zon met rooden tint tegen die wolk terug, evenals of het eene vaste massa en geen opeenhooping van dampen was.»Een zonderlinge wolk!” zeide de Boschjesman, zonder zich verder te verklaren.Eenige oogenblikken daarna kwam een Boschjesman Mokum waarschuwen dat de dieren, paarden, ossen, enz. onrustig begonnen te worden. Zij liepen door de weide en weigerden weder binnen de legerplaats te komen.Reeds had men eenige uitgeputte lastdieren achter moeten laten. Blz. 151.Reeds had men eenige uitgeputte lastdieren achter moeten laten. Blz.151.»Welnu, laat ze dan van nacht maar buiten blijven!” antwoordde de jager.»Maar de wilde dieren dan?”»Deze zullen spoedig te veel met zich zelve te doen hebben om nog daarop acht te geven.”De inlander ging weder heen; de kolonel wilde aan den Boschjesman de verklaring van dat vreemde antwoord vragen, doch Mokum verwijderde zich eenige schreden en scheen geheel verzonken in de beschouwing van het verschijnsel, waarvan hij waarschijnlijk de oorzaak vermoedde.De wolk naderde snel; men kon zien dat zij zeer laag hing, zoodat zij zeker niet meer dan eenige honderden voeten boven den grond dreef. Met het gehuil van den aanwakkerenden wind vermengde zich een schrikbarend gegons, dat uit de wolk scheen voort te komen. Op dit oogenblik verscheen boven de wolk eene groote menigte zwarte punten, die zich van boven naar beneden bewogen, in de zwarte massa neerstortten en dan aanstonds weder naar boven gingen. Men kon ze bij duizenden tellen.»Wat zijn dat voor zwarte punten?” vroeg Murray.»Dat zijn vogels,” antwoordde de Boschjesman, »valken, arenden, gieren, wouwen en anderen. Zij komen van verre, volgen die wolk, en zullen haar niet verlaten voordat zij vernietigd of verstrooid zal zijn.”»Maar die wolk?”»Het is geen wolk,” antwoordde Mokum, terwijl hij de hand naar de sombere massa uitstrekte, die reeds een vierde gedeelte van de oppervlakte des hemels besloeg, »het is eene levende wolk, eene wolk van sprinkhanen!”De jager bedroog zich niet. De Europeanen zouden een van die ongelukkig maar al te dikwerf voorkomende zwermen sprinkhanen zien, die in één nacht het vruchtbaarste land in eene dorre en woeste streek veranderen. Deze dieren, degrylli devastatoriivan de natuurkundigen, kwamen bij millioenen. Sommige reizigers hebben daarmede soms eene landstreek van vijftig kilometers lang vier voet hoog bedekt gezien.»Ja,” hernam de Boschjesman, »die levende wolken zijn een vreeselijke ramp voor de velden, en de Hemel geve dat zij ons niet al te veel kwaad doen!”»Maar wij hebben hier geen zaaivelden of weilanden, die ons toebehooren,” zeide de kolonel. »Wat kunnen wij daarvan te vreezen hebben?”»Niets, als zij slechts over ons heentrekken,” antwoordde Mokum, »maar alles, wanneer zij op het land, waardoor wij moeten heentrekken, neervallen. Dan zal er geen blad meer aan de boomen en geen grasscheut op het veld blijven, en u vergeet kolonel, dat, al behoeft het ons aan voedsel niet te ontbreken, dat van onze paarden, ossen en muilezels daarom nog niet verzekerd is. Wat zoude er van die dieren in deze woeste velden worden?”De makkers van den Boschjesman zwegen eenige oogenblikken.Zij keken naar de levende massa, die zichtbaar vermeerderde. Het gegons verdubbelde, en daarboven uit weerklonk het geschreeuw van adelaars en valken, die telkens in die onuitputtelijke wolk neerstortten en de insecten bij duizenden verslonden.»Gelooft ge dat zij hier zullen neervallen?” vroeg William Emery aan Mokum.»Ik vrees het,”antwoordde de jager. »De noordewind jaagt ze rechtstreeks hier heen. Daar gaat bovendien de zon onder; de avondkoelte zal de vleugels dier insecten neerslaan, zij zullen op boomen, struiken en weilanden neervallen, en dan....”De Boschjesman eindigde zijn volzin niet; op dit oogenblik toch werd zijne voorspelling vervuld, want de ontzaglijke wolk viel op den grond neder. Om de legerplaats zag men slechts eene krioelende en sombere massa, die zich uitstrekte zoover het oog reikte. De legerplaats zelve werd letterlijk overstroomd. Wagens, tenten, alles verdween onder dien levenden hagel. De massa sprinkhanen was een voet dik. De Engelschen liepen tot aan de knieën door de dikke laag, en trapten bij elke schrede honderden dieren dood. Maar wat beteekende dit op de massa?En toch ontbraken de middelen ter verdelging dezer insecten niet. De vogels wierpen zich met hevig geschreeuw er op, en verslonden ze gretig. Onder de massa kropen slangen, die, aangelokt door dezen begeerlijken buit, er groote menigten van opslokten. Paarden, ossen, muilezels en honden aten ze met onuitsprekelijk genot; het wild gedierte, leeuwen en hyena’s, olifanten en neushorens, deden er mudden van in hun maag verdwijnen; en eindelijk aten de Boschjesmannen, die zeer veel houden van deze »luchtgarnalen,” ze als hemelsche manna! Doch het getal tartte alle middelen van vernieling en zelfs hunne eigene vraatzucht, want die insecten verslinden elkander onderling.Op aandringen van den Boschjesman moesten de Engelschen van dit uit den hemel gevallen voedsel proeven. Men liet eenige duizenden sprinkhanen met zout, peper en azijn koken na de jongste die groen zijn, te hebben uitgezocht, en dus niet de gele, die ouder, harder en soms vier duim lang zijn. De jonge sprinkhanen zijn zoo dik als eene penneschacht, vijftien tot twintig millimeters lang en hebben nog geen eieren gelegd. Zij worden door de liefhebbers als een heerlijk gerecht beschouwd. Na een half uur kokens diende de Boschjesman den drie Engelschen een heerlijken schotel sprinkhanen voor. Men vond die insecten, na ze van kop, pooten en vleugels ontdaan te hebben even lekker als zeegarnalen, en John Murray, die er eenige honderden opat, beval den lieden van hun gevolg er een grooten voorraad van op te doen. Men behoefde slechts te bukken om ze op te rapen!Toen de nacht gekomen was, ging ieder naar zijn gewoon verblijf,maar de wagens waren aan die algemeene overstelping van insecten niet ontsnapt; het was onmogelijk er in te komen zonder ontelbare dieren stuk te trappen. Het slapen onder deze omstandigheden was niet zeer aangenaam. Omdat de hemel helder was, en de sterren prachtig schitterden, brachten de drie sterrekundigen den nacht door met het meten van sterrehoogten. Dit was zeker beter dan tot in den hals in zulk een bed van sprinkhanen te zakken. Hoe zouden bovendien de Europeanen een oogenblik hebben kunnen slapen, terwijl vlakten en bosschen weergalmden van het gehuil van wilde dieren, die van alle kanten kwamen om aan de sprinkhanen te smullen!Den volgenden morgen kwam de zon helder op, en begon haar loopbaan aan den schitterenden hemel, zoodat het zeer warm beloofde te worden. Weldra hadden de zonnestralen de warmte zeer doen toenemen, en een dof geraas van vleugels liet zich hooren in het midden van de massa sprinkhanen, die zich gereed maakten verder te vliegen, en elders hunne verwoestingen aan te richten. Tegen acht uren’s morgenswas het alsof een groot zeil zich aan den hemel ontplooide en het zonnelicht verduisterde. De geheele streek was in duisternis gehuld en men zou gedacht hebben dat de avond weder gevallen was. Toen de wind aanwakkerde, zette de groote zwerm zich in beweging. Gedurende twee uren ging hij met een oorverdoovend geweld over de in duisternis gehulde legerplaats heen, en verdween eindelijk aan den westelijken gezichteinder.Doch toen het zonlicht weder te voorschijn trad, kon men zien dat de voorspelling van Mokum geheel bewaarheid was; geen blad meer aan de boomen, geen grasscheut meer op het veld; alles was vernietigd; de grond was geel en zandig. De kale takken vertoonden zich als spoken, het was alsof de winter met de snelheid eener tooneelverandering op den zomer gevolgd was! Het was een woestijn, het bloeiende der streek was geheel verdwenen!En men kon op die vraatzuchtige sprinkhanen het oostersche spreekwoord toepassen, dat door den plunderzieken geest der Turken bewaarheid wordt: daar, waar de Turk overheen is getrokken, groeit geen gras meer en zoo ook hier: het gras groeit niet meer op de plaats waar de sprinkhanen zijn neergevallen!

XVII.De verdelgers.Na dit voorval had de Boschjesman een langdurig onderhoud met den kolonel. Volgens de meening van Mokum, die zijn oordeel grondde op feiten, werd de kleine troep gevolgd, bespied en dus bedreigd. Indien, volgens hem, de Makololo’s nog geen aanval gedaan hadden, was dit omdat zij de Europeanen verder noordwaarts wilden lokken, naar eene streek waar deze roofzieke benden gewoonlijk te huis behoorden.Moest men dus bij het naken van het gevaar terugtrekken? Moest men het werk, dat tot nog toe zoo wonderwel geslaagd was, latensteken? Zouden Afrikaansche inboorlingen doen, wat de natuur niet gedaan had kunnen krijgen? Zouden zij Engelsche geleerden verhinderen hunne wetenschappelijke taak te volbrengen? Dit was eene ernstige vraag, die van belang was om op te lossen. Daarom verzocht de kolonel den Boschjesman om hem alles te vertellen, wat hij van de Makololo’s wist, en ziehier ongeveer wat deze verhaalde.De Makololo’s behooren tot den grooten stam der Betschuanen en zijn de laatsten, die men ontmoet als men naar den evenaar trekt. In 1850 werddokterLivingstone op zijn eerste reis naar de Zambese ontvangen te Seshèke, toenmalige verblijfplaats van Sebitouané, het hoofd der Makololo’s. Deze inboorling was een geducht oorlogsman, die in 1824 de grenzen van het Kaapland bedreigde. Sebitouané met een opmerkenswaardig verstand begaafd, verkreeg langzamerhand groot overwicht over de in het midden van Afrika verspreide stammen en slaagde er in van deze een eensgezind en overheerschend volk te maken. In 1853, dus een paar jaar te voren, stierf dat inlandsch opperhoofd in de armen van Livingstone, en werd door zijn zoon Sekeleton opgevolgd. In den beginne toonde deze aan de langs de Zambese wonende Europeanen vrij groote genegenheid; dokter Livingstone had zich daar persoonlijk niet over te beklagen. Maar ongemerkt wijzigde de Afrikaansche koning zijne inzichten na het vertrek van den beroemden reiziger. Niet alleen werden vreemdelingen, maar vooral ook naburige inboorlingen door Sekeleton en de krijgslieden van zijn stam aangevallen. Hierop volgden plunderingen op groote schaal. De Makololo’s liepen voornamelijk de streek af tusschen het meer Ngami en de boven-Zambese. Niets was gevaarlijker dan zich in deze streken te wagen met eene karavaan, die slechts uit weinige menschen was samengesteld, vooral wanneer deze karavaan vooraf bespied, opgewacht en waarschijnlijk tot vernietiging gedoemd was.Aldus luidde het verhaal van den Boschjesman. Hij voegde er bij dat hij meende hem de gansche waarheid te moeten zeggen, doch dat hij, wat hem betrof, de bevelen van den kolonel zou volgen, en niet zou terugdeinzen, als men besloot voorwaarts te blijven trekken. De kolonel beraadslaagde met zijne beide ambtgenooten, en men besloot in allen gevalle den geodesischen arbeid voort te zetten. Bijna vijfachtste van den meridiaan was gemeten en, wat er ook gebeuren mocht, deze Engelschen waren het aan zich zelven en aan hun vaderland verschuldigd het werk niet op te geven.Toen deze beslissing genomen was, werd de driehoeksmeting hervat. Den 27stenOctober sneed de wetenschappelijke commissie den Steenbokskeerkring, en nadat zij den 3denNovember den een en veertigsten driehoek gemeten had, werd door waarnemingen bewezen dat de meting weder een graad gevorderd was.Gedurende eene maand werd de driehoeksmeting met kracht voortgezet, zonder dat de natuur eenigen hinderpaal in den weg legde. De sterrekundigen werkten snel en goed in dit schoone land, dat bijna geheel vlak was en slechts door ondiepe beken en door geen belangrijke stroomen doorsneden werd. De altijd waakzame Mokum droeg zorg vóór en ter zijde van de karavaan de streek goed in het oog te houden, en belette de jagers zich ver van de hoofdtroep te verwijderen. Evenwel scheen geen onmiddellijk gevaar de kleine troep te bedreigen, en het was zeer licht mogelijk dat de vrees van den Boschjesman niet verwezenlijkt werd. Ten minste gedurende de maand November vertoonde zich geene plunderende bende, en men vond geen enkel spoor van den inboorling meer, die de karavaan van het rotsblok in het verbrande woud af zoo hardnekkig vervolgd had.En toch, hoewel het gevaar voor het oogenblik geweken scheen, bemerkte de jager verscheidene malen kenteekenen van aarzeling bij de onder zijne bevelen staande Boschjesmannen. Men had hun de gebeurtenissen bij de rots en op de antilopenjacht niet kunnen verbergen, zoodat zij onvermijdelijk een aanval van de Makololo’s wachtten; Makololo’s toch en Boschjesmannen zijn vijandige stammen, zonder medelijden voor elkander. De overwonnenen hebben van de overwinnaars geen genade te wachten en hun kleine aantal moest deze inlanders met recht bevreesd maken, omdat zij sedert de oorlogsverklaring tusschen Engeland en Rusland tot op de helft verminderd waren. De Boschjesmannen waren reeds meer dan 300 kilometers van de oevers der Oranjerivier verwijderd, en er was sprake van ze ten minste nog 200 kilometers verder noordwaarts mede te voeren. Dit vooruitzicht gaf hun stof tot overpeinzing. Voordat Mokum ze tot dezen toch had aangezocht, had hij hun inderdaad niet verborgen dat het eene lange en afmattende reis gold, en het waren mannen om de aan zulk eene reis verbonden moeilijkheden te trotseeren. Maar van het oogenblik dat hier nog het gevaar bijkwam een strijd met verbitterde vijanden te voeren, veranderde deze omstandigheid hunne gezindheid. Vandaar verdrietelijkheden, klachten en kwaadwilligheid, die Mokum veinsde niet te zien of te hooren, doch die zijne ongerustheid over de toekomst der wetenschappelijke commissie deed toenemen.Den 2denDecember geschiedde er iets, dat de kwalijkgezindheid dezer bijgeloovige Boschjesmannen nog vermeerderde, en in zekere mate eenig verzet tegen hunne hoofden verwekte.»Een zonderlinge wolk.” Bladz. 145.»Een zonderlinge wolk.” Bladz.145.Sedert den vorigen dag was de tot nog toe heldere hemel plotseling betrokken geworden. Onder den invloed eener tropische hitte heerschte in de met dampen bezwangerde atmosfeer eene groote elektrische spanning. Men kon reeds een naderend onweder voorspellen, en in deze hemelstreek valt eene donderbui bijna altijd metonvergelijkelijke hevigheid. De hemel bedekte zich inderdaad op genoemden dag met sombere wolken, zoodat een weerkenner zich daarin niet zou bedrogen hebben. Het waren wolken als balen katoenop elkander gestapeld, welker donker en geel schril tegen elkander afstak. De zon had eene vale tint; de lucht was kalm, de hitte drukkend. De barometer die sedert den vorigen dag voortdurend daalde, was tot staan gekomen. Geen blad bewoog zich onder deze drukkende lucht.De heeren hadden den toestand der lucht nagegaan, doch meenden daarom hun werk niet te moeten staken. Op dit oogenblik had William Emery zich met twee matrozen, vier inlanders en een wagen twee kilometers oostwaarts van den meridiaan begeven om een seinpaal te plaatsen, die den tophoek van een driehoek zou aangeven. Hij was bezig zijn visier op den top van een heuveltje te plaatsen, toen eene plotselinge samenpersing van dampen, door den invloed van een kouden luchtstroom, eensklaps eene ontzaglijke massa electriciteit ontwikkelde. Bijna op hetzelfde oogenblik viel er eene vreeselijke hagelbui. Daarbij deed zich een vrij zonderling verschijnsel voor, dat namelijk de hagelsteenen licht van zich gaven, en men zou gezegd hebben dat het druppels gloeiend metaal regende. De vonken sprongen uit den grond als de steenen neervielen, en alle metaaldeelen van den wagen waarmede de werktuigen waren overgebracht, vertoonden zich als lichtende punten.De hagelsteenen werden hoe langer hoe grooter; het was een ware steenregen, waaraan men zich niet dan met het grootste gevaar kon blootstellen. Men zal zich over dit verschijnsel niet verwonderen als men weet dat dokter Livingstone onder gelijke omstandigheden te Kolobeng gezien heeft, dat de ramen in het huis der zendelingen verbrijzeld, en paarden en groote antilopen doodgeslagen werden.Zonder een oogenblik te verliezen, verliet William Emery zijn werk, en riep zijne manschappen bijeen om in den wagen onder zulk een onweer in allen gevalle eene minder gevaarlijke schuilplaats te zoeken dan onder een boom. Maar nauwelijks had hij den heuveltop verlaten of een schitterende bliksemstraal met een onmiddellijk daarop gevolgden donderslag scheen den geheele hemel in vuur te zetten. Emery werd voor dood op den grond geworpen; de beide matrozen, die slechts een oogenblik als verblind waren, sprongen naar hem toe. Gelukkig was de jonge geleerde bijna ongedeerd gebleven. Door een van die onverklaarbare toevallen, die somtijds voorkomen, was de elektrieke stroom als ’t ware om hem heen gegleden, en had hem slechts een oogenblik omwikkeld; doch het was duidelijk zichtbaar dat de bliksemstraal hem getroffen had, want de metalen punten van een passer, dien hij in de hand hield, waren gesmolten.Door de matrozen overeind geholpen, kwam de jongeman spoedig weder tot bewustzijn. Hij was echter niet het eenige slachtoffer van dezen slag. Bij den seinpaal lagen twee inlanders op twintig schreden van elkander dood op den grond. Van den een, wiens organisme door de mechanische werking van den bliksem volkomen verstoordwas werd het lichaam zwartgebrand als houtskool bevonden, terwijl de kleederen ongeschonden waren. De ander was door een steen op het hoofd getroffen, en dood neergeslagen. Derhalve hadden Emery en de beide inlanders te gelijk de kracht van een enkelen bliksemstraal ondervonden. Het is een zeldzaam verschijnsel dat een bliksemstraal zich soms tot op zulk een aanzienlijken afstand splitst.De Boschjesmannen stonden eerst versuft door den dood hunner makkers, maar namen weldra de vlucht, niettegenstaande het geschreeuw der matrozen, en op gevaar af van doodgeslagen te worden, daar zij door de snelheid waarmede zij liepen, de lucht verdunden. Maar zij wilden niet hooren, en renden zoo snel als zij konden naar de legerplaats terug. Nadat de beide matrozen Emery naar den wagen hadden geleid, legden zij er de twee lijken in, en zochten nu op hunne beurt eene schuilplaats, daar zij reeds vol builen waren geslagen door de hagelsteenen, die als een ware steenregen nedervielen. Gedurende ongeveer drie kwartier woedde het onweder met ontzettende kracht; daarna begon het te bedaren; de hagel viel niet meer, en de wagen kon naar de legerplaats terugkeeren.De tijding van den dood der twee inlanders was hun reeds vooruitgevlogen; het maakte een treurigen indruk op de Boschjesmannen, die niet zonder bijgeloovige vrees deze driehoeksmeting beschouwden waarvan zij niets begrepen. Zij hielden eene bijeenkomst, en eenigen hunner, die meer ontmoedigd waren dan de overigen, verklaarden dat zij niet verder wilden gaan. Er was een begin van oproer, dat een zeer dreigend aanzien kreeg. Mokum had al zijn invloed noodig om een opstand tegen te gaan. Kolonel Everest moest tusschenbeiden komen en aan die arme lieden eene toelage beloven om ze in zijn dienst te houden. Niet zonder moeite werd de rust hersteld; door dezen tegenstand scheen de toekomst van de onderneming ernstig bedreigd. Inderdaad, wat zouden de leden der commissie in het midden der woestijn en ver van alle bewoonde streken aanvangen zonder geleide om hen te beschermen en zonder gidsen om de wagens te mennen? Dit gevaar was voor het oogenblik dus nog afgewend, en nadat het kamp was afgebroken, wendde de kleine karavaan zich naar den heuvel waarop de beide Boschjesmannen het leven hadden verloren.Emery had nog eenige dagen last van den hevigen slag, die hem getroffen had. De linkerhand, waarmede hij den passer had vastgehouden, bleef nog eenigen tijd als verlamd, maar eindelijk verdween dat gevoel, en kon de jonge man het werk weder opvatten.Gedurende de achttien dagen, die tot den 20stenDecember volgden, werd de tocht van de karavaan door geene enkele gebeurtenis gekenmerkt. De Makololo’s verschenen niet, en hoewel Mokum de zaak nog altijd niet vertrouwde, begon hij toch geruster te worden. Men was op niet meer dan vijftig kilometers van de woestijn verwijderd,en dekarroubleef wat zij tot nog toe geweest was: eene prachtige streek, welker plantengroei nog door het water onderhouden, met die van geen punt ter wereld kon vergeleken worden. Men kon er dus op rekenen dat tot aan de woestijn de mannen in dit vruchtbare en wildrijke landschap, en de lastdieren, die tot aan den buik in het malsche gras gingen, geen gebrek aan voedsel zouden hebben. Maar men rekende buiten de sprinkhanen, wier verschijning den landbouw in zuidelijk Afrika steeds bedreigt.In den avond van 20 December, was het kamp ongeveer een uur voor zonsondergang opgeslagen. De drie Engelschen en de Boschjesman zaten aan den voet van een boom en rustten uit van de vermoeienissen des daags, terwijl zij over hune toekomstige plannen spraken. De opkomende noordewind verfrischte de lucht een weinig.De sterrekundigen waren met elkander overeengekomen, dat zij de hoogten der sterren zouden meten om de breedte der plaats nauwkeurig te berekenen. Geen wolkje was aan den hemel zichtbaar; het zou weldra nieuwe maan zijn; de sterren zouden helder schitteren, en derhalve konden de metingen onder geen gunstiger omstandigheden geschieden. Ook waren kolonel Everest en John Murray zeer teleurgesteld, toen William Emery tegen acht uren naar het noorden wees en zeide:»Ziet eens, de gezichteinder betrekt, en ik geloof dat de nacht ons niet zoo gunstig zijn zal als wij het wel hopen.”»Inderdaad,” antwoordde Murray, »die dikke wolk verheft zich langzamerhand en zal door het aanwakkeren van den wind den hemel weldra bedekken.”»Is dat een nieuw onweder, dat opkomt?” vroeg de kolonel.»Wij zijn hier onder de keerkringen, en ’t staat dus te vreezen,” antwoordde Emery. »Ik geloof dat onze waarnemingen van nacht groot gevaar loopen van niet te slagen.”»Wat denkt gij ervan Mokum?” vroeg kolonel Everest aan den Boschjesman. Deze keek aandachtig naar het noorden. De wolk breidde zich over eene zeer lange kromme lijn uit, en was zoo scherp afgeteekend als ware het met een passer gedaan. De sector welken die wolk boven den gezichteinder beschreef, was drie of vier kilometers lang; zij was zoo zwart als rook, en had eene zonderlinge gedaante; dit alles trof den Boschjesman bijzonder. Soms kaatsten de stralen der ondergaande zon met rooden tint tegen die wolk terug, evenals of het eene vaste massa en geen opeenhooping van dampen was.»Een zonderlinge wolk!” zeide de Boschjesman, zonder zich verder te verklaren.Eenige oogenblikken daarna kwam een Boschjesman Mokum waarschuwen dat de dieren, paarden, ossen, enz. onrustig begonnen te worden. Zij liepen door de weide en weigerden weder binnen de legerplaats te komen.Reeds had men eenige uitgeputte lastdieren achter moeten laten. Blz. 151.Reeds had men eenige uitgeputte lastdieren achter moeten laten. Blz.151.»Welnu, laat ze dan van nacht maar buiten blijven!” antwoordde de jager.»Maar de wilde dieren dan?”»Deze zullen spoedig te veel met zich zelve te doen hebben om nog daarop acht te geven.”De inlander ging weder heen; de kolonel wilde aan den Boschjesman de verklaring van dat vreemde antwoord vragen, doch Mokum verwijderde zich eenige schreden en scheen geheel verzonken in de beschouwing van het verschijnsel, waarvan hij waarschijnlijk de oorzaak vermoedde.De wolk naderde snel; men kon zien dat zij zeer laag hing, zoodat zij zeker niet meer dan eenige honderden voeten boven den grond dreef. Met het gehuil van den aanwakkerenden wind vermengde zich een schrikbarend gegons, dat uit de wolk scheen voort te komen. Op dit oogenblik verscheen boven de wolk eene groote menigte zwarte punten, die zich van boven naar beneden bewogen, in de zwarte massa neerstortten en dan aanstonds weder naar boven gingen. Men kon ze bij duizenden tellen.»Wat zijn dat voor zwarte punten?” vroeg Murray.»Dat zijn vogels,” antwoordde de Boschjesman, »valken, arenden, gieren, wouwen en anderen. Zij komen van verre, volgen die wolk, en zullen haar niet verlaten voordat zij vernietigd of verstrooid zal zijn.”»Maar die wolk?”»Het is geen wolk,” antwoordde Mokum, terwijl hij de hand naar de sombere massa uitstrekte, die reeds een vierde gedeelte van de oppervlakte des hemels besloeg, »het is eene levende wolk, eene wolk van sprinkhanen!”De jager bedroog zich niet. De Europeanen zouden een van die ongelukkig maar al te dikwerf voorkomende zwermen sprinkhanen zien, die in één nacht het vruchtbaarste land in eene dorre en woeste streek veranderen. Deze dieren, degrylli devastatoriivan de natuurkundigen, kwamen bij millioenen. Sommige reizigers hebben daarmede soms eene landstreek van vijftig kilometers lang vier voet hoog bedekt gezien.»Ja,” hernam de Boschjesman, »die levende wolken zijn een vreeselijke ramp voor de velden, en de Hemel geve dat zij ons niet al te veel kwaad doen!”»Maar wij hebben hier geen zaaivelden of weilanden, die ons toebehooren,” zeide de kolonel. »Wat kunnen wij daarvan te vreezen hebben?”»Niets, als zij slechts over ons heentrekken,” antwoordde Mokum, »maar alles, wanneer zij op het land, waardoor wij moeten heentrekken, neervallen. Dan zal er geen blad meer aan de boomen en geen grasscheut op het veld blijven, en u vergeet kolonel, dat, al behoeft het ons aan voedsel niet te ontbreken, dat van onze paarden, ossen en muilezels daarom nog niet verzekerd is. Wat zoude er van die dieren in deze woeste velden worden?”De makkers van den Boschjesman zwegen eenige oogenblikken.Zij keken naar de levende massa, die zichtbaar vermeerderde. Het gegons verdubbelde, en daarboven uit weerklonk het geschreeuw van adelaars en valken, die telkens in die onuitputtelijke wolk neerstortten en de insecten bij duizenden verslonden.»Gelooft ge dat zij hier zullen neervallen?” vroeg William Emery aan Mokum.»Ik vrees het,”antwoordde de jager. »De noordewind jaagt ze rechtstreeks hier heen. Daar gaat bovendien de zon onder; de avondkoelte zal de vleugels dier insecten neerslaan, zij zullen op boomen, struiken en weilanden neervallen, en dan....”De Boschjesman eindigde zijn volzin niet; op dit oogenblik toch werd zijne voorspelling vervuld, want de ontzaglijke wolk viel op den grond neder. Om de legerplaats zag men slechts eene krioelende en sombere massa, die zich uitstrekte zoover het oog reikte. De legerplaats zelve werd letterlijk overstroomd. Wagens, tenten, alles verdween onder dien levenden hagel. De massa sprinkhanen was een voet dik. De Engelschen liepen tot aan de knieën door de dikke laag, en trapten bij elke schrede honderden dieren dood. Maar wat beteekende dit op de massa?En toch ontbraken de middelen ter verdelging dezer insecten niet. De vogels wierpen zich met hevig geschreeuw er op, en verslonden ze gretig. Onder de massa kropen slangen, die, aangelokt door dezen begeerlijken buit, er groote menigten van opslokten. Paarden, ossen, muilezels en honden aten ze met onuitsprekelijk genot; het wild gedierte, leeuwen en hyena’s, olifanten en neushorens, deden er mudden van in hun maag verdwijnen; en eindelijk aten de Boschjesmannen, die zeer veel houden van deze »luchtgarnalen,” ze als hemelsche manna! Doch het getal tartte alle middelen van vernieling en zelfs hunne eigene vraatzucht, want die insecten verslinden elkander onderling.Op aandringen van den Boschjesman moesten de Engelschen van dit uit den hemel gevallen voedsel proeven. Men liet eenige duizenden sprinkhanen met zout, peper en azijn koken na de jongste die groen zijn, te hebben uitgezocht, en dus niet de gele, die ouder, harder en soms vier duim lang zijn. De jonge sprinkhanen zijn zoo dik als eene penneschacht, vijftien tot twintig millimeters lang en hebben nog geen eieren gelegd. Zij worden door de liefhebbers als een heerlijk gerecht beschouwd. Na een half uur kokens diende de Boschjesman den drie Engelschen een heerlijken schotel sprinkhanen voor. Men vond die insecten, na ze van kop, pooten en vleugels ontdaan te hebben even lekker als zeegarnalen, en John Murray, die er eenige honderden opat, beval den lieden van hun gevolg er een grooten voorraad van op te doen. Men behoefde slechts te bukken om ze op te rapen!Toen de nacht gekomen was, ging ieder naar zijn gewoon verblijf,maar de wagens waren aan die algemeene overstelping van insecten niet ontsnapt; het was onmogelijk er in te komen zonder ontelbare dieren stuk te trappen. Het slapen onder deze omstandigheden was niet zeer aangenaam. Omdat de hemel helder was, en de sterren prachtig schitterden, brachten de drie sterrekundigen den nacht door met het meten van sterrehoogten. Dit was zeker beter dan tot in den hals in zulk een bed van sprinkhanen te zakken. Hoe zouden bovendien de Europeanen een oogenblik hebben kunnen slapen, terwijl vlakten en bosschen weergalmden van het gehuil van wilde dieren, die van alle kanten kwamen om aan de sprinkhanen te smullen!Den volgenden morgen kwam de zon helder op, en begon haar loopbaan aan den schitterenden hemel, zoodat het zeer warm beloofde te worden. Weldra hadden de zonnestralen de warmte zeer doen toenemen, en een dof geraas van vleugels liet zich hooren in het midden van de massa sprinkhanen, die zich gereed maakten verder te vliegen, en elders hunne verwoestingen aan te richten. Tegen acht uren’s morgenswas het alsof een groot zeil zich aan den hemel ontplooide en het zonnelicht verduisterde. De geheele streek was in duisternis gehuld en men zou gedacht hebben dat de avond weder gevallen was. Toen de wind aanwakkerde, zette de groote zwerm zich in beweging. Gedurende twee uren ging hij met een oorverdoovend geweld over de in duisternis gehulde legerplaats heen, en verdween eindelijk aan den westelijken gezichteinder.Doch toen het zonlicht weder te voorschijn trad, kon men zien dat de voorspelling van Mokum geheel bewaarheid was; geen blad meer aan de boomen, geen grasscheut meer op het veld; alles was vernietigd; de grond was geel en zandig. De kale takken vertoonden zich als spoken, het was alsof de winter met de snelheid eener tooneelverandering op den zomer gevolgd was! Het was een woestijn, het bloeiende der streek was geheel verdwenen!En men kon op die vraatzuchtige sprinkhanen het oostersche spreekwoord toepassen, dat door den plunderzieken geest der Turken bewaarheid wordt: daar, waar de Turk overheen is getrokken, groeit geen gras meer en zoo ook hier: het gras groeit niet meer op de plaats waar de sprinkhanen zijn neergevallen!

XVII.De verdelgers.

Na dit voorval had de Boschjesman een langdurig onderhoud met den kolonel. Volgens de meening van Mokum, die zijn oordeel grondde op feiten, werd de kleine troep gevolgd, bespied en dus bedreigd. Indien, volgens hem, de Makololo’s nog geen aanval gedaan hadden, was dit omdat zij de Europeanen verder noordwaarts wilden lokken, naar eene streek waar deze roofzieke benden gewoonlijk te huis behoorden.Moest men dus bij het naken van het gevaar terugtrekken? Moest men het werk, dat tot nog toe zoo wonderwel geslaagd was, latensteken? Zouden Afrikaansche inboorlingen doen, wat de natuur niet gedaan had kunnen krijgen? Zouden zij Engelsche geleerden verhinderen hunne wetenschappelijke taak te volbrengen? Dit was eene ernstige vraag, die van belang was om op te lossen. Daarom verzocht de kolonel den Boschjesman om hem alles te vertellen, wat hij van de Makololo’s wist, en ziehier ongeveer wat deze verhaalde.De Makololo’s behooren tot den grooten stam der Betschuanen en zijn de laatsten, die men ontmoet als men naar den evenaar trekt. In 1850 werddokterLivingstone op zijn eerste reis naar de Zambese ontvangen te Seshèke, toenmalige verblijfplaats van Sebitouané, het hoofd der Makololo’s. Deze inboorling was een geducht oorlogsman, die in 1824 de grenzen van het Kaapland bedreigde. Sebitouané met een opmerkenswaardig verstand begaafd, verkreeg langzamerhand groot overwicht over de in het midden van Afrika verspreide stammen en slaagde er in van deze een eensgezind en overheerschend volk te maken. In 1853, dus een paar jaar te voren, stierf dat inlandsch opperhoofd in de armen van Livingstone, en werd door zijn zoon Sekeleton opgevolgd. In den beginne toonde deze aan de langs de Zambese wonende Europeanen vrij groote genegenheid; dokter Livingstone had zich daar persoonlijk niet over te beklagen. Maar ongemerkt wijzigde de Afrikaansche koning zijne inzichten na het vertrek van den beroemden reiziger. Niet alleen werden vreemdelingen, maar vooral ook naburige inboorlingen door Sekeleton en de krijgslieden van zijn stam aangevallen. Hierop volgden plunderingen op groote schaal. De Makololo’s liepen voornamelijk de streek af tusschen het meer Ngami en de boven-Zambese. Niets was gevaarlijker dan zich in deze streken te wagen met eene karavaan, die slechts uit weinige menschen was samengesteld, vooral wanneer deze karavaan vooraf bespied, opgewacht en waarschijnlijk tot vernietiging gedoemd was.Aldus luidde het verhaal van den Boschjesman. Hij voegde er bij dat hij meende hem de gansche waarheid te moeten zeggen, doch dat hij, wat hem betrof, de bevelen van den kolonel zou volgen, en niet zou terugdeinzen, als men besloot voorwaarts te blijven trekken. De kolonel beraadslaagde met zijne beide ambtgenooten, en men besloot in allen gevalle den geodesischen arbeid voort te zetten. Bijna vijfachtste van den meridiaan was gemeten en, wat er ook gebeuren mocht, deze Engelschen waren het aan zich zelven en aan hun vaderland verschuldigd het werk niet op te geven.Toen deze beslissing genomen was, werd de driehoeksmeting hervat. Den 27stenOctober sneed de wetenschappelijke commissie den Steenbokskeerkring, en nadat zij den 3denNovember den een en veertigsten driehoek gemeten had, werd door waarnemingen bewezen dat de meting weder een graad gevorderd was.Gedurende eene maand werd de driehoeksmeting met kracht voortgezet, zonder dat de natuur eenigen hinderpaal in den weg legde. De sterrekundigen werkten snel en goed in dit schoone land, dat bijna geheel vlak was en slechts door ondiepe beken en door geen belangrijke stroomen doorsneden werd. De altijd waakzame Mokum droeg zorg vóór en ter zijde van de karavaan de streek goed in het oog te houden, en belette de jagers zich ver van de hoofdtroep te verwijderen. Evenwel scheen geen onmiddellijk gevaar de kleine troep te bedreigen, en het was zeer licht mogelijk dat de vrees van den Boschjesman niet verwezenlijkt werd. Ten minste gedurende de maand November vertoonde zich geene plunderende bende, en men vond geen enkel spoor van den inboorling meer, die de karavaan van het rotsblok in het verbrande woud af zoo hardnekkig vervolgd had.En toch, hoewel het gevaar voor het oogenblik geweken scheen, bemerkte de jager verscheidene malen kenteekenen van aarzeling bij de onder zijne bevelen staande Boschjesmannen. Men had hun de gebeurtenissen bij de rots en op de antilopenjacht niet kunnen verbergen, zoodat zij onvermijdelijk een aanval van de Makololo’s wachtten; Makololo’s toch en Boschjesmannen zijn vijandige stammen, zonder medelijden voor elkander. De overwonnenen hebben van de overwinnaars geen genade te wachten en hun kleine aantal moest deze inlanders met recht bevreesd maken, omdat zij sedert de oorlogsverklaring tusschen Engeland en Rusland tot op de helft verminderd waren. De Boschjesmannen waren reeds meer dan 300 kilometers van de oevers der Oranjerivier verwijderd, en er was sprake van ze ten minste nog 200 kilometers verder noordwaarts mede te voeren. Dit vooruitzicht gaf hun stof tot overpeinzing. Voordat Mokum ze tot dezen toch had aangezocht, had hij hun inderdaad niet verborgen dat het eene lange en afmattende reis gold, en het waren mannen om de aan zulk eene reis verbonden moeilijkheden te trotseeren. Maar van het oogenblik dat hier nog het gevaar bijkwam een strijd met verbitterde vijanden te voeren, veranderde deze omstandigheid hunne gezindheid. Vandaar verdrietelijkheden, klachten en kwaadwilligheid, die Mokum veinsde niet te zien of te hooren, doch die zijne ongerustheid over de toekomst der wetenschappelijke commissie deed toenemen.Den 2denDecember geschiedde er iets, dat de kwalijkgezindheid dezer bijgeloovige Boschjesmannen nog vermeerderde, en in zekere mate eenig verzet tegen hunne hoofden verwekte.»Een zonderlinge wolk.” Bladz. 145.»Een zonderlinge wolk.” Bladz.145.Sedert den vorigen dag was de tot nog toe heldere hemel plotseling betrokken geworden. Onder den invloed eener tropische hitte heerschte in de met dampen bezwangerde atmosfeer eene groote elektrische spanning. Men kon reeds een naderend onweder voorspellen, en in deze hemelstreek valt eene donderbui bijna altijd metonvergelijkelijke hevigheid. De hemel bedekte zich inderdaad op genoemden dag met sombere wolken, zoodat een weerkenner zich daarin niet zou bedrogen hebben. Het waren wolken als balen katoenop elkander gestapeld, welker donker en geel schril tegen elkander afstak. De zon had eene vale tint; de lucht was kalm, de hitte drukkend. De barometer die sedert den vorigen dag voortdurend daalde, was tot staan gekomen. Geen blad bewoog zich onder deze drukkende lucht.De heeren hadden den toestand der lucht nagegaan, doch meenden daarom hun werk niet te moeten staken. Op dit oogenblik had William Emery zich met twee matrozen, vier inlanders en een wagen twee kilometers oostwaarts van den meridiaan begeven om een seinpaal te plaatsen, die den tophoek van een driehoek zou aangeven. Hij was bezig zijn visier op den top van een heuveltje te plaatsen, toen eene plotselinge samenpersing van dampen, door den invloed van een kouden luchtstroom, eensklaps eene ontzaglijke massa electriciteit ontwikkelde. Bijna op hetzelfde oogenblik viel er eene vreeselijke hagelbui. Daarbij deed zich een vrij zonderling verschijnsel voor, dat namelijk de hagelsteenen licht van zich gaven, en men zou gezegd hebben dat het druppels gloeiend metaal regende. De vonken sprongen uit den grond als de steenen neervielen, en alle metaaldeelen van den wagen waarmede de werktuigen waren overgebracht, vertoonden zich als lichtende punten.De hagelsteenen werden hoe langer hoe grooter; het was een ware steenregen, waaraan men zich niet dan met het grootste gevaar kon blootstellen. Men zal zich over dit verschijnsel niet verwonderen als men weet dat dokter Livingstone onder gelijke omstandigheden te Kolobeng gezien heeft, dat de ramen in het huis der zendelingen verbrijzeld, en paarden en groote antilopen doodgeslagen werden.Zonder een oogenblik te verliezen, verliet William Emery zijn werk, en riep zijne manschappen bijeen om in den wagen onder zulk een onweer in allen gevalle eene minder gevaarlijke schuilplaats te zoeken dan onder een boom. Maar nauwelijks had hij den heuveltop verlaten of een schitterende bliksemstraal met een onmiddellijk daarop gevolgden donderslag scheen den geheele hemel in vuur te zetten. Emery werd voor dood op den grond geworpen; de beide matrozen, die slechts een oogenblik als verblind waren, sprongen naar hem toe. Gelukkig was de jonge geleerde bijna ongedeerd gebleven. Door een van die onverklaarbare toevallen, die somtijds voorkomen, was de elektrieke stroom als ’t ware om hem heen gegleden, en had hem slechts een oogenblik omwikkeld; doch het was duidelijk zichtbaar dat de bliksemstraal hem getroffen had, want de metalen punten van een passer, dien hij in de hand hield, waren gesmolten.Door de matrozen overeind geholpen, kwam de jongeman spoedig weder tot bewustzijn. Hij was echter niet het eenige slachtoffer van dezen slag. Bij den seinpaal lagen twee inlanders op twintig schreden van elkander dood op den grond. Van den een, wiens organisme door de mechanische werking van den bliksem volkomen verstoordwas werd het lichaam zwartgebrand als houtskool bevonden, terwijl de kleederen ongeschonden waren. De ander was door een steen op het hoofd getroffen, en dood neergeslagen. Derhalve hadden Emery en de beide inlanders te gelijk de kracht van een enkelen bliksemstraal ondervonden. Het is een zeldzaam verschijnsel dat een bliksemstraal zich soms tot op zulk een aanzienlijken afstand splitst.De Boschjesmannen stonden eerst versuft door den dood hunner makkers, maar namen weldra de vlucht, niettegenstaande het geschreeuw der matrozen, en op gevaar af van doodgeslagen te worden, daar zij door de snelheid waarmede zij liepen, de lucht verdunden. Maar zij wilden niet hooren, en renden zoo snel als zij konden naar de legerplaats terug. Nadat de beide matrozen Emery naar den wagen hadden geleid, legden zij er de twee lijken in, en zochten nu op hunne beurt eene schuilplaats, daar zij reeds vol builen waren geslagen door de hagelsteenen, die als een ware steenregen nedervielen. Gedurende ongeveer drie kwartier woedde het onweder met ontzettende kracht; daarna begon het te bedaren; de hagel viel niet meer, en de wagen kon naar de legerplaats terugkeeren.De tijding van den dood der twee inlanders was hun reeds vooruitgevlogen; het maakte een treurigen indruk op de Boschjesmannen, die niet zonder bijgeloovige vrees deze driehoeksmeting beschouwden waarvan zij niets begrepen. Zij hielden eene bijeenkomst, en eenigen hunner, die meer ontmoedigd waren dan de overigen, verklaarden dat zij niet verder wilden gaan. Er was een begin van oproer, dat een zeer dreigend aanzien kreeg. Mokum had al zijn invloed noodig om een opstand tegen te gaan. Kolonel Everest moest tusschenbeiden komen en aan die arme lieden eene toelage beloven om ze in zijn dienst te houden. Niet zonder moeite werd de rust hersteld; door dezen tegenstand scheen de toekomst van de onderneming ernstig bedreigd. Inderdaad, wat zouden de leden der commissie in het midden der woestijn en ver van alle bewoonde streken aanvangen zonder geleide om hen te beschermen en zonder gidsen om de wagens te mennen? Dit gevaar was voor het oogenblik dus nog afgewend, en nadat het kamp was afgebroken, wendde de kleine karavaan zich naar den heuvel waarop de beide Boschjesmannen het leven hadden verloren.Emery had nog eenige dagen last van den hevigen slag, die hem getroffen had. De linkerhand, waarmede hij den passer had vastgehouden, bleef nog eenigen tijd als verlamd, maar eindelijk verdween dat gevoel, en kon de jonge man het werk weder opvatten.Gedurende de achttien dagen, die tot den 20stenDecember volgden, werd de tocht van de karavaan door geene enkele gebeurtenis gekenmerkt. De Makololo’s verschenen niet, en hoewel Mokum de zaak nog altijd niet vertrouwde, begon hij toch geruster te worden. Men was op niet meer dan vijftig kilometers van de woestijn verwijderd,en dekarroubleef wat zij tot nog toe geweest was: eene prachtige streek, welker plantengroei nog door het water onderhouden, met die van geen punt ter wereld kon vergeleken worden. Men kon er dus op rekenen dat tot aan de woestijn de mannen in dit vruchtbare en wildrijke landschap, en de lastdieren, die tot aan den buik in het malsche gras gingen, geen gebrek aan voedsel zouden hebben. Maar men rekende buiten de sprinkhanen, wier verschijning den landbouw in zuidelijk Afrika steeds bedreigt.In den avond van 20 December, was het kamp ongeveer een uur voor zonsondergang opgeslagen. De drie Engelschen en de Boschjesman zaten aan den voet van een boom en rustten uit van de vermoeienissen des daags, terwijl zij over hune toekomstige plannen spraken. De opkomende noordewind verfrischte de lucht een weinig.De sterrekundigen waren met elkander overeengekomen, dat zij de hoogten der sterren zouden meten om de breedte der plaats nauwkeurig te berekenen. Geen wolkje was aan den hemel zichtbaar; het zou weldra nieuwe maan zijn; de sterren zouden helder schitteren, en derhalve konden de metingen onder geen gunstiger omstandigheden geschieden. Ook waren kolonel Everest en John Murray zeer teleurgesteld, toen William Emery tegen acht uren naar het noorden wees en zeide:»Ziet eens, de gezichteinder betrekt, en ik geloof dat de nacht ons niet zoo gunstig zijn zal als wij het wel hopen.”»Inderdaad,” antwoordde Murray, »die dikke wolk verheft zich langzamerhand en zal door het aanwakkeren van den wind den hemel weldra bedekken.”»Is dat een nieuw onweder, dat opkomt?” vroeg de kolonel.»Wij zijn hier onder de keerkringen, en ’t staat dus te vreezen,” antwoordde Emery. »Ik geloof dat onze waarnemingen van nacht groot gevaar loopen van niet te slagen.”»Wat denkt gij ervan Mokum?” vroeg kolonel Everest aan den Boschjesman. Deze keek aandachtig naar het noorden. De wolk breidde zich over eene zeer lange kromme lijn uit, en was zoo scherp afgeteekend als ware het met een passer gedaan. De sector welken die wolk boven den gezichteinder beschreef, was drie of vier kilometers lang; zij was zoo zwart als rook, en had eene zonderlinge gedaante; dit alles trof den Boschjesman bijzonder. Soms kaatsten de stralen der ondergaande zon met rooden tint tegen die wolk terug, evenals of het eene vaste massa en geen opeenhooping van dampen was.»Een zonderlinge wolk!” zeide de Boschjesman, zonder zich verder te verklaren.Eenige oogenblikken daarna kwam een Boschjesman Mokum waarschuwen dat de dieren, paarden, ossen, enz. onrustig begonnen te worden. Zij liepen door de weide en weigerden weder binnen de legerplaats te komen.Reeds had men eenige uitgeputte lastdieren achter moeten laten. Blz. 151.Reeds had men eenige uitgeputte lastdieren achter moeten laten. Blz.151.»Welnu, laat ze dan van nacht maar buiten blijven!” antwoordde de jager.»Maar de wilde dieren dan?”»Deze zullen spoedig te veel met zich zelve te doen hebben om nog daarop acht te geven.”De inlander ging weder heen; de kolonel wilde aan den Boschjesman de verklaring van dat vreemde antwoord vragen, doch Mokum verwijderde zich eenige schreden en scheen geheel verzonken in de beschouwing van het verschijnsel, waarvan hij waarschijnlijk de oorzaak vermoedde.De wolk naderde snel; men kon zien dat zij zeer laag hing, zoodat zij zeker niet meer dan eenige honderden voeten boven den grond dreef. Met het gehuil van den aanwakkerenden wind vermengde zich een schrikbarend gegons, dat uit de wolk scheen voort te komen. Op dit oogenblik verscheen boven de wolk eene groote menigte zwarte punten, die zich van boven naar beneden bewogen, in de zwarte massa neerstortten en dan aanstonds weder naar boven gingen. Men kon ze bij duizenden tellen.»Wat zijn dat voor zwarte punten?” vroeg Murray.»Dat zijn vogels,” antwoordde de Boschjesman, »valken, arenden, gieren, wouwen en anderen. Zij komen van verre, volgen die wolk, en zullen haar niet verlaten voordat zij vernietigd of verstrooid zal zijn.”»Maar die wolk?”»Het is geen wolk,” antwoordde Mokum, terwijl hij de hand naar de sombere massa uitstrekte, die reeds een vierde gedeelte van de oppervlakte des hemels besloeg, »het is eene levende wolk, eene wolk van sprinkhanen!”De jager bedroog zich niet. De Europeanen zouden een van die ongelukkig maar al te dikwerf voorkomende zwermen sprinkhanen zien, die in één nacht het vruchtbaarste land in eene dorre en woeste streek veranderen. Deze dieren, degrylli devastatoriivan de natuurkundigen, kwamen bij millioenen. Sommige reizigers hebben daarmede soms eene landstreek van vijftig kilometers lang vier voet hoog bedekt gezien.»Ja,” hernam de Boschjesman, »die levende wolken zijn een vreeselijke ramp voor de velden, en de Hemel geve dat zij ons niet al te veel kwaad doen!”»Maar wij hebben hier geen zaaivelden of weilanden, die ons toebehooren,” zeide de kolonel. »Wat kunnen wij daarvan te vreezen hebben?”»Niets, als zij slechts over ons heentrekken,” antwoordde Mokum, »maar alles, wanneer zij op het land, waardoor wij moeten heentrekken, neervallen. Dan zal er geen blad meer aan de boomen en geen grasscheut op het veld blijven, en u vergeet kolonel, dat, al behoeft het ons aan voedsel niet te ontbreken, dat van onze paarden, ossen en muilezels daarom nog niet verzekerd is. Wat zoude er van die dieren in deze woeste velden worden?”De makkers van den Boschjesman zwegen eenige oogenblikken.Zij keken naar de levende massa, die zichtbaar vermeerderde. Het gegons verdubbelde, en daarboven uit weerklonk het geschreeuw van adelaars en valken, die telkens in die onuitputtelijke wolk neerstortten en de insecten bij duizenden verslonden.»Gelooft ge dat zij hier zullen neervallen?” vroeg William Emery aan Mokum.»Ik vrees het,”antwoordde de jager. »De noordewind jaagt ze rechtstreeks hier heen. Daar gaat bovendien de zon onder; de avondkoelte zal de vleugels dier insecten neerslaan, zij zullen op boomen, struiken en weilanden neervallen, en dan....”De Boschjesman eindigde zijn volzin niet; op dit oogenblik toch werd zijne voorspelling vervuld, want de ontzaglijke wolk viel op den grond neder. Om de legerplaats zag men slechts eene krioelende en sombere massa, die zich uitstrekte zoover het oog reikte. De legerplaats zelve werd letterlijk overstroomd. Wagens, tenten, alles verdween onder dien levenden hagel. De massa sprinkhanen was een voet dik. De Engelschen liepen tot aan de knieën door de dikke laag, en trapten bij elke schrede honderden dieren dood. Maar wat beteekende dit op de massa?En toch ontbraken de middelen ter verdelging dezer insecten niet. De vogels wierpen zich met hevig geschreeuw er op, en verslonden ze gretig. Onder de massa kropen slangen, die, aangelokt door dezen begeerlijken buit, er groote menigten van opslokten. Paarden, ossen, muilezels en honden aten ze met onuitsprekelijk genot; het wild gedierte, leeuwen en hyena’s, olifanten en neushorens, deden er mudden van in hun maag verdwijnen; en eindelijk aten de Boschjesmannen, die zeer veel houden van deze »luchtgarnalen,” ze als hemelsche manna! Doch het getal tartte alle middelen van vernieling en zelfs hunne eigene vraatzucht, want die insecten verslinden elkander onderling.Op aandringen van den Boschjesman moesten de Engelschen van dit uit den hemel gevallen voedsel proeven. Men liet eenige duizenden sprinkhanen met zout, peper en azijn koken na de jongste die groen zijn, te hebben uitgezocht, en dus niet de gele, die ouder, harder en soms vier duim lang zijn. De jonge sprinkhanen zijn zoo dik als eene penneschacht, vijftien tot twintig millimeters lang en hebben nog geen eieren gelegd. Zij worden door de liefhebbers als een heerlijk gerecht beschouwd. Na een half uur kokens diende de Boschjesman den drie Engelschen een heerlijken schotel sprinkhanen voor. Men vond die insecten, na ze van kop, pooten en vleugels ontdaan te hebben even lekker als zeegarnalen, en John Murray, die er eenige honderden opat, beval den lieden van hun gevolg er een grooten voorraad van op te doen. Men behoefde slechts te bukken om ze op te rapen!Toen de nacht gekomen was, ging ieder naar zijn gewoon verblijf,maar de wagens waren aan die algemeene overstelping van insecten niet ontsnapt; het was onmogelijk er in te komen zonder ontelbare dieren stuk te trappen. Het slapen onder deze omstandigheden was niet zeer aangenaam. Omdat de hemel helder was, en de sterren prachtig schitterden, brachten de drie sterrekundigen den nacht door met het meten van sterrehoogten. Dit was zeker beter dan tot in den hals in zulk een bed van sprinkhanen te zakken. Hoe zouden bovendien de Europeanen een oogenblik hebben kunnen slapen, terwijl vlakten en bosschen weergalmden van het gehuil van wilde dieren, die van alle kanten kwamen om aan de sprinkhanen te smullen!Den volgenden morgen kwam de zon helder op, en begon haar loopbaan aan den schitterenden hemel, zoodat het zeer warm beloofde te worden. Weldra hadden de zonnestralen de warmte zeer doen toenemen, en een dof geraas van vleugels liet zich hooren in het midden van de massa sprinkhanen, die zich gereed maakten verder te vliegen, en elders hunne verwoestingen aan te richten. Tegen acht uren’s morgenswas het alsof een groot zeil zich aan den hemel ontplooide en het zonnelicht verduisterde. De geheele streek was in duisternis gehuld en men zou gedacht hebben dat de avond weder gevallen was. Toen de wind aanwakkerde, zette de groote zwerm zich in beweging. Gedurende twee uren ging hij met een oorverdoovend geweld over de in duisternis gehulde legerplaats heen, en verdween eindelijk aan den westelijken gezichteinder.Doch toen het zonlicht weder te voorschijn trad, kon men zien dat de voorspelling van Mokum geheel bewaarheid was; geen blad meer aan de boomen, geen grasscheut meer op het veld; alles was vernietigd; de grond was geel en zandig. De kale takken vertoonden zich als spoken, het was alsof de winter met de snelheid eener tooneelverandering op den zomer gevolgd was! Het was een woestijn, het bloeiende der streek was geheel verdwenen!En men kon op die vraatzuchtige sprinkhanen het oostersche spreekwoord toepassen, dat door den plunderzieken geest der Turken bewaarheid wordt: daar, waar de Turk overheen is getrokken, groeit geen gras meer en zoo ook hier: het gras groeit niet meer op de plaats waar de sprinkhanen zijn neergevallen!

Na dit voorval had de Boschjesman een langdurig onderhoud met den kolonel. Volgens de meening van Mokum, die zijn oordeel grondde op feiten, werd de kleine troep gevolgd, bespied en dus bedreigd. Indien, volgens hem, de Makololo’s nog geen aanval gedaan hadden, was dit omdat zij de Europeanen verder noordwaarts wilden lokken, naar eene streek waar deze roofzieke benden gewoonlijk te huis behoorden.

Moest men dus bij het naken van het gevaar terugtrekken? Moest men het werk, dat tot nog toe zoo wonderwel geslaagd was, latensteken? Zouden Afrikaansche inboorlingen doen, wat de natuur niet gedaan had kunnen krijgen? Zouden zij Engelsche geleerden verhinderen hunne wetenschappelijke taak te volbrengen? Dit was eene ernstige vraag, die van belang was om op te lossen. Daarom verzocht de kolonel den Boschjesman om hem alles te vertellen, wat hij van de Makololo’s wist, en ziehier ongeveer wat deze verhaalde.

De Makololo’s behooren tot den grooten stam der Betschuanen en zijn de laatsten, die men ontmoet als men naar den evenaar trekt. In 1850 werddokterLivingstone op zijn eerste reis naar de Zambese ontvangen te Seshèke, toenmalige verblijfplaats van Sebitouané, het hoofd der Makololo’s. Deze inboorling was een geducht oorlogsman, die in 1824 de grenzen van het Kaapland bedreigde. Sebitouané met een opmerkenswaardig verstand begaafd, verkreeg langzamerhand groot overwicht over de in het midden van Afrika verspreide stammen en slaagde er in van deze een eensgezind en overheerschend volk te maken. In 1853, dus een paar jaar te voren, stierf dat inlandsch opperhoofd in de armen van Livingstone, en werd door zijn zoon Sekeleton opgevolgd. In den beginne toonde deze aan de langs de Zambese wonende Europeanen vrij groote genegenheid; dokter Livingstone had zich daar persoonlijk niet over te beklagen. Maar ongemerkt wijzigde de Afrikaansche koning zijne inzichten na het vertrek van den beroemden reiziger. Niet alleen werden vreemdelingen, maar vooral ook naburige inboorlingen door Sekeleton en de krijgslieden van zijn stam aangevallen. Hierop volgden plunderingen op groote schaal. De Makololo’s liepen voornamelijk de streek af tusschen het meer Ngami en de boven-Zambese. Niets was gevaarlijker dan zich in deze streken te wagen met eene karavaan, die slechts uit weinige menschen was samengesteld, vooral wanneer deze karavaan vooraf bespied, opgewacht en waarschijnlijk tot vernietiging gedoemd was.

Aldus luidde het verhaal van den Boschjesman. Hij voegde er bij dat hij meende hem de gansche waarheid te moeten zeggen, doch dat hij, wat hem betrof, de bevelen van den kolonel zou volgen, en niet zou terugdeinzen, als men besloot voorwaarts te blijven trekken. De kolonel beraadslaagde met zijne beide ambtgenooten, en men besloot in allen gevalle den geodesischen arbeid voort te zetten. Bijna vijfachtste van den meridiaan was gemeten en, wat er ook gebeuren mocht, deze Engelschen waren het aan zich zelven en aan hun vaderland verschuldigd het werk niet op te geven.

Toen deze beslissing genomen was, werd de driehoeksmeting hervat. Den 27stenOctober sneed de wetenschappelijke commissie den Steenbokskeerkring, en nadat zij den 3denNovember den een en veertigsten driehoek gemeten had, werd door waarnemingen bewezen dat de meting weder een graad gevorderd was.

Gedurende eene maand werd de driehoeksmeting met kracht voortgezet, zonder dat de natuur eenigen hinderpaal in den weg legde. De sterrekundigen werkten snel en goed in dit schoone land, dat bijna geheel vlak was en slechts door ondiepe beken en door geen belangrijke stroomen doorsneden werd. De altijd waakzame Mokum droeg zorg vóór en ter zijde van de karavaan de streek goed in het oog te houden, en belette de jagers zich ver van de hoofdtroep te verwijderen. Evenwel scheen geen onmiddellijk gevaar de kleine troep te bedreigen, en het was zeer licht mogelijk dat de vrees van den Boschjesman niet verwezenlijkt werd. Ten minste gedurende de maand November vertoonde zich geene plunderende bende, en men vond geen enkel spoor van den inboorling meer, die de karavaan van het rotsblok in het verbrande woud af zoo hardnekkig vervolgd had.

En toch, hoewel het gevaar voor het oogenblik geweken scheen, bemerkte de jager verscheidene malen kenteekenen van aarzeling bij de onder zijne bevelen staande Boschjesmannen. Men had hun de gebeurtenissen bij de rots en op de antilopenjacht niet kunnen verbergen, zoodat zij onvermijdelijk een aanval van de Makololo’s wachtten; Makololo’s toch en Boschjesmannen zijn vijandige stammen, zonder medelijden voor elkander. De overwonnenen hebben van de overwinnaars geen genade te wachten en hun kleine aantal moest deze inlanders met recht bevreesd maken, omdat zij sedert de oorlogsverklaring tusschen Engeland en Rusland tot op de helft verminderd waren. De Boschjesmannen waren reeds meer dan 300 kilometers van de oevers der Oranjerivier verwijderd, en er was sprake van ze ten minste nog 200 kilometers verder noordwaarts mede te voeren. Dit vooruitzicht gaf hun stof tot overpeinzing. Voordat Mokum ze tot dezen toch had aangezocht, had hij hun inderdaad niet verborgen dat het eene lange en afmattende reis gold, en het waren mannen om de aan zulk eene reis verbonden moeilijkheden te trotseeren. Maar van het oogenblik dat hier nog het gevaar bijkwam een strijd met verbitterde vijanden te voeren, veranderde deze omstandigheid hunne gezindheid. Vandaar verdrietelijkheden, klachten en kwaadwilligheid, die Mokum veinsde niet te zien of te hooren, doch die zijne ongerustheid over de toekomst der wetenschappelijke commissie deed toenemen.

Den 2denDecember geschiedde er iets, dat de kwalijkgezindheid dezer bijgeloovige Boschjesmannen nog vermeerderde, en in zekere mate eenig verzet tegen hunne hoofden verwekte.

»Een zonderlinge wolk.” Bladz. 145.»Een zonderlinge wolk.” Bladz.145.

»Een zonderlinge wolk.” Bladz.145.

Sedert den vorigen dag was de tot nog toe heldere hemel plotseling betrokken geworden. Onder den invloed eener tropische hitte heerschte in de met dampen bezwangerde atmosfeer eene groote elektrische spanning. Men kon reeds een naderend onweder voorspellen, en in deze hemelstreek valt eene donderbui bijna altijd metonvergelijkelijke hevigheid. De hemel bedekte zich inderdaad op genoemden dag met sombere wolken, zoodat een weerkenner zich daarin niet zou bedrogen hebben. Het waren wolken als balen katoenop elkander gestapeld, welker donker en geel schril tegen elkander afstak. De zon had eene vale tint; de lucht was kalm, de hitte drukkend. De barometer die sedert den vorigen dag voortdurend daalde, was tot staan gekomen. Geen blad bewoog zich onder deze drukkende lucht.

De heeren hadden den toestand der lucht nagegaan, doch meenden daarom hun werk niet te moeten staken. Op dit oogenblik had William Emery zich met twee matrozen, vier inlanders en een wagen twee kilometers oostwaarts van den meridiaan begeven om een seinpaal te plaatsen, die den tophoek van een driehoek zou aangeven. Hij was bezig zijn visier op den top van een heuveltje te plaatsen, toen eene plotselinge samenpersing van dampen, door den invloed van een kouden luchtstroom, eensklaps eene ontzaglijke massa electriciteit ontwikkelde. Bijna op hetzelfde oogenblik viel er eene vreeselijke hagelbui. Daarbij deed zich een vrij zonderling verschijnsel voor, dat namelijk de hagelsteenen licht van zich gaven, en men zou gezegd hebben dat het druppels gloeiend metaal regende. De vonken sprongen uit den grond als de steenen neervielen, en alle metaaldeelen van den wagen waarmede de werktuigen waren overgebracht, vertoonden zich als lichtende punten.

De hagelsteenen werden hoe langer hoe grooter; het was een ware steenregen, waaraan men zich niet dan met het grootste gevaar kon blootstellen. Men zal zich over dit verschijnsel niet verwonderen als men weet dat dokter Livingstone onder gelijke omstandigheden te Kolobeng gezien heeft, dat de ramen in het huis der zendelingen verbrijzeld, en paarden en groote antilopen doodgeslagen werden.

Zonder een oogenblik te verliezen, verliet William Emery zijn werk, en riep zijne manschappen bijeen om in den wagen onder zulk een onweer in allen gevalle eene minder gevaarlijke schuilplaats te zoeken dan onder een boom. Maar nauwelijks had hij den heuveltop verlaten of een schitterende bliksemstraal met een onmiddellijk daarop gevolgden donderslag scheen den geheele hemel in vuur te zetten. Emery werd voor dood op den grond geworpen; de beide matrozen, die slechts een oogenblik als verblind waren, sprongen naar hem toe. Gelukkig was de jonge geleerde bijna ongedeerd gebleven. Door een van die onverklaarbare toevallen, die somtijds voorkomen, was de elektrieke stroom als ’t ware om hem heen gegleden, en had hem slechts een oogenblik omwikkeld; doch het was duidelijk zichtbaar dat de bliksemstraal hem getroffen had, want de metalen punten van een passer, dien hij in de hand hield, waren gesmolten.

Door de matrozen overeind geholpen, kwam de jongeman spoedig weder tot bewustzijn. Hij was echter niet het eenige slachtoffer van dezen slag. Bij den seinpaal lagen twee inlanders op twintig schreden van elkander dood op den grond. Van den een, wiens organisme door de mechanische werking van den bliksem volkomen verstoordwas werd het lichaam zwartgebrand als houtskool bevonden, terwijl de kleederen ongeschonden waren. De ander was door een steen op het hoofd getroffen, en dood neergeslagen. Derhalve hadden Emery en de beide inlanders te gelijk de kracht van een enkelen bliksemstraal ondervonden. Het is een zeldzaam verschijnsel dat een bliksemstraal zich soms tot op zulk een aanzienlijken afstand splitst.

De Boschjesmannen stonden eerst versuft door den dood hunner makkers, maar namen weldra de vlucht, niettegenstaande het geschreeuw der matrozen, en op gevaar af van doodgeslagen te worden, daar zij door de snelheid waarmede zij liepen, de lucht verdunden. Maar zij wilden niet hooren, en renden zoo snel als zij konden naar de legerplaats terug. Nadat de beide matrozen Emery naar den wagen hadden geleid, legden zij er de twee lijken in, en zochten nu op hunne beurt eene schuilplaats, daar zij reeds vol builen waren geslagen door de hagelsteenen, die als een ware steenregen nedervielen. Gedurende ongeveer drie kwartier woedde het onweder met ontzettende kracht; daarna begon het te bedaren; de hagel viel niet meer, en de wagen kon naar de legerplaats terugkeeren.

De tijding van den dood der twee inlanders was hun reeds vooruitgevlogen; het maakte een treurigen indruk op de Boschjesmannen, die niet zonder bijgeloovige vrees deze driehoeksmeting beschouwden waarvan zij niets begrepen. Zij hielden eene bijeenkomst, en eenigen hunner, die meer ontmoedigd waren dan de overigen, verklaarden dat zij niet verder wilden gaan. Er was een begin van oproer, dat een zeer dreigend aanzien kreeg. Mokum had al zijn invloed noodig om een opstand tegen te gaan. Kolonel Everest moest tusschenbeiden komen en aan die arme lieden eene toelage beloven om ze in zijn dienst te houden. Niet zonder moeite werd de rust hersteld; door dezen tegenstand scheen de toekomst van de onderneming ernstig bedreigd. Inderdaad, wat zouden de leden der commissie in het midden der woestijn en ver van alle bewoonde streken aanvangen zonder geleide om hen te beschermen en zonder gidsen om de wagens te mennen? Dit gevaar was voor het oogenblik dus nog afgewend, en nadat het kamp was afgebroken, wendde de kleine karavaan zich naar den heuvel waarop de beide Boschjesmannen het leven hadden verloren.

Emery had nog eenige dagen last van den hevigen slag, die hem getroffen had. De linkerhand, waarmede hij den passer had vastgehouden, bleef nog eenigen tijd als verlamd, maar eindelijk verdween dat gevoel, en kon de jonge man het werk weder opvatten.

Gedurende de achttien dagen, die tot den 20stenDecember volgden, werd de tocht van de karavaan door geene enkele gebeurtenis gekenmerkt. De Makololo’s verschenen niet, en hoewel Mokum de zaak nog altijd niet vertrouwde, begon hij toch geruster te worden. Men was op niet meer dan vijftig kilometers van de woestijn verwijderd,en dekarroubleef wat zij tot nog toe geweest was: eene prachtige streek, welker plantengroei nog door het water onderhouden, met die van geen punt ter wereld kon vergeleken worden. Men kon er dus op rekenen dat tot aan de woestijn de mannen in dit vruchtbare en wildrijke landschap, en de lastdieren, die tot aan den buik in het malsche gras gingen, geen gebrek aan voedsel zouden hebben. Maar men rekende buiten de sprinkhanen, wier verschijning den landbouw in zuidelijk Afrika steeds bedreigt.

In den avond van 20 December, was het kamp ongeveer een uur voor zonsondergang opgeslagen. De drie Engelschen en de Boschjesman zaten aan den voet van een boom en rustten uit van de vermoeienissen des daags, terwijl zij over hune toekomstige plannen spraken. De opkomende noordewind verfrischte de lucht een weinig.

De sterrekundigen waren met elkander overeengekomen, dat zij de hoogten der sterren zouden meten om de breedte der plaats nauwkeurig te berekenen. Geen wolkje was aan den hemel zichtbaar; het zou weldra nieuwe maan zijn; de sterren zouden helder schitteren, en derhalve konden de metingen onder geen gunstiger omstandigheden geschieden. Ook waren kolonel Everest en John Murray zeer teleurgesteld, toen William Emery tegen acht uren naar het noorden wees en zeide:

»Ziet eens, de gezichteinder betrekt, en ik geloof dat de nacht ons niet zoo gunstig zijn zal als wij het wel hopen.”

»Inderdaad,” antwoordde Murray, »die dikke wolk verheft zich langzamerhand en zal door het aanwakkeren van den wind den hemel weldra bedekken.”

»Is dat een nieuw onweder, dat opkomt?” vroeg de kolonel.

»Wij zijn hier onder de keerkringen, en ’t staat dus te vreezen,” antwoordde Emery. »Ik geloof dat onze waarnemingen van nacht groot gevaar loopen van niet te slagen.”

»Wat denkt gij ervan Mokum?” vroeg kolonel Everest aan den Boschjesman. Deze keek aandachtig naar het noorden. De wolk breidde zich over eene zeer lange kromme lijn uit, en was zoo scherp afgeteekend als ware het met een passer gedaan. De sector welken die wolk boven den gezichteinder beschreef, was drie of vier kilometers lang; zij was zoo zwart als rook, en had eene zonderlinge gedaante; dit alles trof den Boschjesman bijzonder. Soms kaatsten de stralen der ondergaande zon met rooden tint tegen die wolk terug, evenals of het eene vaste massa en geen opeenhooping van dampen was.

»Een zonderlinge wolk!” zeide de Boschjesman, zonder zich verder te verklaren.

Eenige oogenblikken daarna kwam een Boschjesman Mokum waarschuwen dat de dieren, paarden, ossen, enz. onrustig begonnen te worden. Zij liepen door de weide en weigerden weder binnen de legerplaats te komen.

Reeds had men eenige uitgeputte lastdieren achter moeten laten. Blz. 151.Reeds had men eenige uitgeputte lastdieren achter moeten laten. Blz.151.

Reeds had men eenige uitgeputte lastdieren achter moeten laten. Blz.151.

»Welnu, laat ze dan van nacht maar buiten blijven!” antwoordde de jager.

»Maar de wilde dieren dan?”

»Deze zullen spoedig te veel met zich zelve te doen hebben om nog daarop acht te geven.”

De inlander ging weder heen; de kolonel wilde aan den Boschjesman de verklaring van dat vreemde antwoord vragen, doch Mokum verwijderde zich eenige schreden en scheen geheel verzonken in de beschouwing van het verschijnsel, waarvan hij waarschijnlijk de oorzaak vermoedde.

De wolk naderde snel; men kon zien dat zij zeer laag hing, zoodat zij zeker niet meer dan eenige honderden voeten boven den grond dreef. Met het gehuil van den aanwakkerenden wind vermengde zich een schrikbarend gegons, dat uit de wolk scheen voort te komen. Op dit oogenblik verscheen boven de wolk eene groote menigte zwarte punten, die zich van boven naar beneden bewogen, in de zwarte massa neerstortten en dan aanstonds weder naar boven gingen. Men kon ze bij duizenden tellen.

»Wat zijn dat voor zwarte punten?” vroeg Murray.

»Dat zijn vogels,” antwoordde de Boschjesman, »valken, arenden, gieren, wouwen en anderen. Zij komen van verre, volgen die wolk, en zullen haar niet verlaten voordat zij vernietigd of verstrooid zal zijn.”

»Maar die wolk?”

»Het is geen wolk,” antwoordde Mokum, terwijl hij de hand naar de sombere massa uitstrekte, die reeds een vierde gedeelte van de oppervlakte des hemels besloeg, »het is eene levende wolk, eene wolk van sprinkhanen!”

De jager bedroog zich niet. De Europeanen zouden een van die ongelukkig maar al te dikwerf voorkomende zwermen sprinkhanen zien, die in één nacht het vruchtbaarste land in eene dorre en woeste streek veranderen. Deze dieren, degrylli devastatoriivan de natuurkundigen, kwamen bij millioenen. Sommige reizigers hebben daarmede soms eene landstreek van vijftig kilometers lang vier voet hoog bedekt gezien.

»Ja,” hernam de Boschjesman, »die levende wolken zijn een vreeselijke ramp voor de velden, en de Hemel geve dat zij ons niet al te veel kwaad doen!”

»Maar wij hebben hier geen zaaivelden of weilanden, die ons toebehooren,” zeide de kolonel. »Wat kunnen wij daarvan te vreezen hebben?”

»Niets, als zij slechts over ons heentrekken,” antwoordde Mokum, »maar alles, wanneer zij op het land, waardoor wij moeten heentrekken, neervallen. Dan zal er geen blad meer aan de boomen en geen grasscheut op het veld blijven, en u vergeet kolonel, dat, al behoeft het ons aan voedsel niet te ontbreken, dat van onze paarden, ossen en muilezels daarom nog niet verzekerd is. Wat zoude er van die dieren in deze woeste velden worden?”

De makkers van den Boschjesman zwegen eenige oogenblikken.Zij keken naar de levende massa, die zichtbaar vermeerderde. Het gegons verdubbelde, en daarboven uit weerklonk het geschreeuw van adelaars en valken, die telkens in die onuitputtelijke wolk neerstortten en de insecten bij duizenden verslonden.

»Gelooft ge dat zij hier zullen neervallen?” vroeg William Emery aan Mokum.

»Ik vrees het,”antwoordde de jager. »De noordewind jaagt ze rechtstreeks hier heen. Daar gaat bovendien de zon onder; de avondkoelte zal de vleugels dier insecten neerslaan, zij zullen op boomen, struiken en weilanden neervallen, en dan....”

De Boschjesman eindigde zijn volzin niet; op dit oogenblik toch werd zijne voorspelling vervuld, want de ontzaglijke wolk viel op den grond neder. Om de legerplaats zag men slechts eene krioelende en sombere massa, die zich uitstrekte zoover het oog reikte. De legerplaats zelve werd letterlijk overstroomd. Wagens, tenten, alles verdween onder dien levenden hagel. De massa sprinkhanen was een voet dik. De Engelschen liepen tot aan de knieën door de dikke laag, en trapten bij elke schrede honderden dieren dood. Maar wat beteekende dit op de massa?

En toch ontbraken de middelen ter verdelging dezer insecten niet. De vogels wierpen zich met hevig geschreeuw er op, en verslonden ze gretig. Onder de massa kropen slangen, die, aangelokt door dezen begeerlijken buit, er groote menigten van opslokten. Paarden, ossen, muilezels en honden aten ze met onuitsprekelijk genot; het wild gedierte, leeuwen en hyena’s, olifanten en neushorens, deden er mudden van in hun maag verdwijnen; en eindelijk aten de Boschjesmannen, die zeer veel houden van deze »luchtgarnalen,” ze als hemelsche manna! Doch het getal tartte alle middelen van vernieling en zelfs hunne eigene vraatzucht, want die insecten verslinden elkander onderling.

Op aandringen van den Boschjesman moesten de Engelschen van dit uit den hemel gevallen voedsel proeven. Men liet eenige duizenden sprinkhanen met zout, peper en azijn koken na de jongste die groen zijn, te hebben uitgezocht, en dus niet de gele, die ouder, harder en soms vier duim lang zijn. De jonge sprinkhanen zijn zoo dik als eene penneschacht, vijftien tot twintig millimeters lang en hebben nog geen eieren gelegd. Zij worden door de liefhebbers als een heerlijk gerecht beschouwd. Na een half uur kokens diende de Boschjesman den drie Engelschen een heerlijken schotel sprinkhanen voor. Men vond die insecten, na ze van kop, pooten en vleugels ontdaan te hebben even lekker als zeegarnalen, en John Murray, die er eenige honderden opat, beval den lieden van hun gevolg er een grooten voorraad van op te doen. Men behoefde slechts te bukken om ze op te rapen!

Toen de nacht gekomen was, ging ieder naar zijn gewoon verblijf,maar de wagens waren aan die algemeene overstelping van insecten niet ontsnapt; het was onmogelijk er in te komen zonder ontelbare dieren stuk te trappen. Het slapen onder deze omstandigheden was niet zeer aangenaam. Omdat de hemel helder was, en de sterren prachtig schitterden, brachten de drie sterrekundigen den nacht door met het meten van sterrehoogten. Dit was zeker beter dan tot in den hals in zulk een bed van sprinkhanen te zakken. Hoe zouden bovendien de Europeanen een oogenblik hebben kunnen slapen, terwijl vlakten en bosschen weergalmden van het gehuil van wilde dieren, die van alle kanten kwamen om aan de sprinkhanen te smullen!

Den volgenden morgen kwam de zon helder op, en begon haar loopbaan aan den schitterenden hemel, zoodat het zeer warm beloofde te worden. Weldra hadden de zonnestralen de warmte zeer doen toenemen, en een dof geraas van vleugels liet zich hooren in het midden van de massa sprinkhanen, die zich gereed maakten verder te vliegen, en elders hunne verwoestingen aan te richten. Tegen acht uren’s morgenswas het alsof een groot zeil zich aan den hemel ontplooide en het zonnelicht verduisterde. De geheele streek was in duisternis gehuld en men zou gedacht hebben dat de avond weder gevallen was. Toen de wind aanwakkerde, zette de groote zwerm zich in beweging. Gedurende twee uren ging hij met een oorverdoovend geweld over de in duisternis gehulde legerplaats heen, en verdween eindelijk aan den westelijken gezichteinder.

Doch toen het zonlicht weder te voorschijn trad, kon men zien dat de voorspelling van Mokum geheel bewaarheid was; geen blad meer aan de boomen, geen grasscheut meer op het veld; alles was vernietigd; de grond was geel en zandig. De kale takken vertoonden zich als spoken, het was alsof de winter met de snelheid eener tooneelverandering op den zomer gevolgd was! Het was een woestijn, het bloeiende der streek was geheel verdwenen!

En men kon op die vraatzuchtige sprinkhanen het oostersche spreekwoord toepassen, dat door den plunderzieken geest der Turken bewaarheid wordt: daar, waar de Turk overheen is getrokken, groeit geen gras meer en zoo ook hier: het gras groeit niet meer op de plaats waar de sprinkhanen zijn neergevallen!


Back to IndexNext