XVIII.De woestijn.Het was inderdaad de woestijn, die zich nu voor de reizigers uitstrekte, en toen den 25stenDecember kolonel Everest en de zijnen,na het meten van een nieuwen graad van den meridiaan, en van hun achtenveertigsten driehoek, op de noordgrens derkarroukwamen, zagen zij geen onderscheid tusschen de streek, die zij verlieten enhet dorre en verbrande land dat zij zouden doorreizen. De last- en trekdieren van de karavaan hadden veel te lijden door het gebrek aan gras; er was ook gebrek aan water; de laatste regendroppels waren in de poelen opgedroogd; die met klei en zand vermengde grond was ter bebouwing zeer ongeschikt. De gevallen regen sijpelt door het zand, en verdwijnt bijna geheel van den grond, die met zandsteen bedekt is en waarop geen vocht duren kan.»Ngami, Ngami!” Blz. 154.»Ngami, Ngami!” Blz.154.Dit was een van die drooge streken, door welke dokter Livingstone gedurende zijne avontuurlijke tochten meermalen heentrok. Niet alléén was de grond, maar ook de lucht zóó droog, dat ijzeren voorwerpen, die in de openlucht bleven liggen, niet verroestten. Volgens het verhaal van den geleerden reiziger, waren de bladeren der boomen gerimpeld en slap; midden op den dag bleven de bladeren der mimosa’s gesloten alsof het nacht was; de kevers en torren, die op den grond lagen, waren binnen weinige seconden dood; de bol van een thermometer, die drie decimeters diep in den grond gegraven werd, wees 134° Fahrenheit (56° C.)Evenals zekere streken van zuidelijk Afrika zich akelig dor en droog aan het oog van den beroemden reiziger voordeden, evenzoo vertoonde zich ook de bodem tusschen dekarrouen het meer Ngami aan de blikken der Engelsche sterrekundigen. Hunne vermoeienis was groot, hun lijden onuitstaanbaar, vooral door het gebrek aan water. Dit gebrek hinderde nog veel erger de trekdieren, die ter nauwernood zich met het weinige drooge en bestoven gras konden voeden. Bovendien was deze uitgestrekte streek eene woestijn, niet alleen door hare droogte, maar ook omdat er zich geen enkel levend wezen in waagde. De vogels waren over de Zambese gevlucht om er boomen en bloemen te vinden. Wilde dieren waagden zich niet op deze vlakte die hun geen voedsel aanbood. Gedurende de eerste helft van Januari zagen de jagers van de karavaan slechts twee of drie paren van die antilopen, die verscheidene weken zonder drinken kunnen leven; het waren onder anderen van die soort, welke John Murray zoo hadden teleurgesteld, en caäma’s met zachte oogen en aschgrauwe huid met gele vlekken; deze laatste waren onschuldige dieren, zeer gezocht om het lekkere vleesch, die dorre vlakten schenen te verkiezen boven de weilanden van vruchtbare streken.Door het dagelijksch voorttrekken onder de gloeiend heete zon, in een atmosfeer die geen zweem van vocht bevatte, door hunne in eene onuitstaanbaar hooge temperatuur dag en nacht voortgezette geodesische werkzaamheden, werden de astronomen al meer en meer afgemat. Hun watervoorraad, die in vaatjes bewaard werd, begon te verminderen. Zij hadden zich reeds op rantsoen gesteld, en leden daardoor veel. Evenwel waren hun ijver en hun moed zóó groot, dat zij moeite en gebrek verachtten en geen enkel onderdeel van hun uitgebreiden en nauwkeurigen arbeid verwaarloosden. Den 25stenJanuari was een zevende gedeelte van den meridiaan, dat een nieuwen graad omvatte, berekend door middel van negen nieuwe driehoeken, waardoor het getal tot nog toe berekende driehoeken tot zevenenvijftig geklommen was. De astronomen hadden nog slechts een gedeelte van de woestijn door te trekken, en volgens de meening van den Boschjesman moesten zij vóór het einde van Januari het meer Ngami bereiken. De kolonel en zijne makkers konden voor zich zelven best instaan, en het zóólang uithouden.Maar de mannen van het geleide, de Boschjesmannen, die door dezen ijver niet werden aangezet, huurlingen, wier belang niets te maken had met het wetenschappelijk doel der onderneming, inboorlingen, die niet bijzonder geneigd waren verder voort te trekken, deze waren slecht bestand tegen de vermoeienissen van den tocht. Zij hadden veel te lijden door gebrek aan water. Reeds had men eenige door honger en dorst uitgeputte lastdieren achter moeten laten, en het was te vreezen dat dit getal dagelijks zou toenemen. Met de afmatting namen gemor en verwijten ook toe. De taak van Mokum werd zeer moeilijk en zijn invloed nam merkbaar af.Weldra was het duidelijk dat het gebrek aan water een onoverkomelijke hinderpaal worden zou, dat men niet verder noordwaarts trekken moest, maar links of rechts van den meridiaan achteruitgaan, op het gevaar af van de Russische astronomen te ontmoeten, om op die wijze de dorpen te bereiken, die in minder dorre streken op den weg van David Livingstone gevonden werden.Den 15denFebruari deelde de Boschjesman aan den kolonel mede, dat de moeilijkheden waartegen men te vergeefs worstelde voortdurend toenamen. De wagenleiders weigerden reeds hem te gehoorzamen. Elken morgen waren het bij het opbreken der legerplaats tooneelen van verzet, waaraan de meeste inboorlingen deelnamen. Het is zeker dat deze ongelukkigen, door hitte afgemat en door dorst gekweld er werkelijk ellendig aan toe waren. Bovendien wilden ossen en paarden, die zeer slecht en karig voêr en bijna geen water kregen, niet meer voort.De kolonel was zich den toestand volkomen bewust. Maar hardvochtig voor zich zelven, was hij het ook voor anderen. Hij wilde de driehoeksmeting op geenerleiwijze schorsen en verklaarde, dat al was hij alléén, hij vooruit zou trekken. Overigens spraken zijne ambtgenooten evenals hij, en zij waren gereed hem te volgen, hoe ver hij ook gaan wilde.Door nieuwe pogingen verkreeg de Boschjesman van de inboorlingen, dat zij hem nog eenigen tijd zouden volgen. Volgens zijne meening was de karavaan niet meer dan vijf of zes dagen van het Ngami-meer verwijderd. Dáár zouden ossen en paarden versche weiden en schaduwrijke bosschen vinden, dáár zouden de mannen een geheel meer van zoet water ontmoeten om zich te verfrisschen. Mokumwees de voornaamste Boschjesmannen op dit vooruitzicht. Hij bewees hen dat om levensvoorraad te krijgen, het beste was naar het noorden te trekken. Inderdaad, als men westwaarts ging, dan was zulks in het wilde voorttrekken; achterwaarts zou men weder in dekarroukomen, waar alle beken thans wel uitgedroogd zouden zijn. Eindelijk lieten de inlanders zich door al deze redenen en verzoeken overhalen, en de bijna uitgeputte karavaan hernam haar tocht naar het meer Ngami.Gelukkig werden de geodesische opmetingen in deze uitgestrekte vlakte door middel van palen en andere seinen gemakkelijk volbracht. Om tijd te winnen werkten de astronomen dag en nacht; door het licht van electrische lampen geleid, konden zij de hoeken op de nauwkeurigste wijze meten.Het werk ging dus met eenheid en orde voort, en het net van driehoeken werd hoe langer hoe grooter. Den 16denJanuari meende de karavaan een oogenblik dat zij eindelijk water in overvloed zoude krijgen; men zag namelijk aan den gezichteinder een meertje van een paar kilometers breed. Men kan begrijpen dat deze tijding met groote vreugde begroet werd; de geheele karavaan trok zoo snel mogelijk in de aangewezen richting voort naar eene vrij uitgestrekte watervlakte, die in de zonnestralen schitterde.Tegen vijf uren ’s avonds bereikte men het meer. Eenige paarden rukten zich van hunne geleiders los en galoppeerden naar het zoozeer begeerde water. Zij roken het, zij ademden het in, en weldra kon men zien dat zij er tot aan de borst toe insprongen. Doch de dieren kwamen spoedig weder op den oever. Zij hadden hun dorst niet kunnen lesschen, en toen de Boschjesmannen er bij kwamen vonden zij het water met zooveel zoutdeelen bezwangerd, dat zij het niet konden drinken.De teleurstelling, men kan bijna zeggen, de wanhoop was groot. Niets is wreeder dan bedrogen verwachting! Mokum meende dat men nu de hoop moest opgeven om de inlanders nog verder te voeren. Het was gelukkig voor de toekomst der onderneming, dat de karavaan zich dichter bij het meer Ngami en de zijtakken van de Zambese bevond, dan bij eenige andere streek waar drinkbaar water te vinden was. Aller behoud hing dus van hunne voorwaartsche beweging af. In vier dagen zou de karavaan aan de oevers van het meer zijn, als de geodesische opmetingen door niets vertraagd werden.Men vertrok weder. De kolonel maakte van de gesteldheid van den grond gebruik, en mat driehoeken van zulke groote afmeting, dat het plaatsen van seinpalen daardoor minder dikwijls noodig was. Daar men vooral gedurende heldere nachten werkte, konden de lichtsignalen bijzonder goed gezien, en met den theodoliet of met den cirkel van Borda hoogst nauwkeurig opgenomen worden. Hierdoor won men tegelijk tijd en krachten uit. Maar dat is zeker dat het voordie moedige en met wetenschappelijken ijver bezielde geleerden, voor de inlanders, die onder een vreeselijk klimaat van dorst bijna omkwamen, en voor de lastdieren, die de karavaan met zich voerde,hoog tijd werd het meer te bereiken. Geen levend wezen zou onder zulke omstandigheden den tocht nog veertien dagen hebben volgehouden.Zij wierpen zich op den troep plunderaars. Blz. 159.Zij wierpen zich op den troep plunderaars. Blz.159.Den 21stenJanuari begon de vlakke bodem eenigszins te veranderen; hij werd hobbelig en oneffen. Tegen tien uren ’s morgens zag men in het noordwesten op een afstand van ongeveer vijftien kilometers een heuvel van 5 of 600 voet. Het was de berg Scorzef.DeBoschjesmankeek nauwkeurig om zich heen, nam de plaats op, en zeide naar het noorden wijzende:»Daar is het meer!”»Ngami, Ngami!” juichten de inlanders, en gaven luidruchtige teekenen van vreugde.De Boschjesmannen wilden voorwaarts en den afstand die hen nog van het meer scheidde, in één ren doorloopen. Maar het gelukte den jager ze tegen te houden, daar hij hen deed opmerken dat het in eene door Makololo’s onveilig gemaakte streek van belang was bij elkander te blijven.Daar de kolonel de aankomst van zijn kleinen troep aan het Ngami-meer wilde bespoedigen, besloot hij het station, waar hij zich bevond, onmiddellijk met den Scorzef door een enkelen driehoek te verbinden. Men kon den zeer steilen bergtop gemakkelijk zien, en deze was dus zeer geschikt voor eene waarneming; men behoefde derhalve den nacht niet af te wachten, en het was onnoodig eene afdeeling matrozen en inlanders vooruit te zenden om een licht op den Scorzef te ontsteken.De instrumenten werden dus gesteld, en om grooter nauwkeurigheid te verkrijgen, mat men op dit station nogmaals den tophoek van den laatsten meer zuidwaarts gemeten driehoek.Mokum was zeer verlangend den oever van het meer te bereiken, en had daarom slechts eene voorloopige legerplaats laten opslaan. Hij hoopte vóór den nacht het zoo zeer begeerde meer bereikt te hebben, maar hij verzuimde daarom geen der gewone voorzorgsmaatregelen, en liet den omtrek door eenige ruiters onderzoeken. Rechts en links verhief zich een kreupelbosch, dat men voorzichtigheidshalve moest verkennen. Sedert de antilopenjacht had men evenwel geen spoor van Makololo’s gezien, en deze schenen het opgegeven te hebben de karavaan te bespieden. Toch wilde de wantrouwende Boschjesman op zijne hoede en op alle gebeurtenissen verdacht zijn. Terwijl de jager aldus wacht hield, hielden de astronomen zich bezig met een nieuwen driehoek te meten. Volgens de opmetingen van William Emery zou deze driehoek hen bij den twintigsten parallel brengen, en dáár moest het uiteinde van den meridiaanboog zich bevinden, dien zij in dit gedeelte van Afrika waren komen opmeten. Nog slechts weinige opmetingen aan de overzijde van het meer, en waarschijnlijk zou dan het achtste gedeeltevan den meridiaan gemeten zijn. Door middel van eene op den grond gemeten nieuwe basis, moest men dan de gedane opmetingen narekenen, en het werk zou afgeloopen zijn. Men begrijpt dus met welk een ijver zij bezield waren nu zij op het punt waren hun omvangrijken arbeid te zien eindigen.En hoe hadden de Russen nu gedurende dien tijd van hunne zijde gewerkt? Sedert zes maanden waren de leden der internationale commissie van elkander gescheiden; maar waar bevonden zich nu Mathieu Strux, Michel Zorn en Nikolaas Palander? Hadden zij zoovele vermoeienissen doorgestaan als hunne Engelsche ambtgenooten? Hadden zij ook geleden door gebrek aan water, en door de moordende hitte van dit klimaat? Was misschien de streek, waardoor hun weg geloopen had, en die aanmerkelijk dichter bij den weg van David Livingstone gelegen was, minder droog en dor geweest? Misschien, want noordwaarts van Kolobeng bevonden zich rechts van den meridiaan dorpen als Schokuané, Schoschong en andere, waar de Russische karavaan zich van levensmiddelen had kunnen voorzien. Maar was het ook niet te vreezen dat in deze minder woeste en bij gevolg meer door roovers bezochte streken de kleine troep van Mathieu Strux vele gevaren geloopen had? Nu de Makololo’s de vervolging van de Engelschen schenen te hebben opgegeven, moest men misschien daaruit het besluit trekken, dat zij de Russen vervolgden.De kolonel, die altijd in zijn arbeid verdiept was, dacht niet meer aan die dingen of wilde zulks misschien niet, doch Murray en Emery spraken dikwijls over het lot van hunne vroegere makkers. Zouden zij hen ooit terug zien? Zouden de Russen in hunne onderneming slagen? Zouden zij hetzelfde wiskundig resultaat verkrijgen, dat is te zeggen, zou de waarde van een lengtegraad in dit gedeelte van Afrika voor beide commissiën dezelfde zijn, nu zij tegelijktertijd, maar elk afzonderlijk, een net van driehoeken gemeten hadden? En dan dacht Emery aan zijn vriend, wiens scheiding hem zooveel verdriet had gedaan, en die, dat wist hij, hem ook wel nimmer vergeten zou.Ondertusschen was het meten der hoeksafstanden begonnen. Om den hoek te verkrijgen, welks top gelegen was aan het station, waar men zich bevond, moest men het oog richten op twee signalen, van welke het een gevormd werd door den top van den Scorzef. Voor het andere signaal links van den meridiaan koos men een steil heuveltje dat slechts op vier kilometers afstands lag. Men bepaalde er de richting van door een der kijkers van den repetitie-cirkel.Zooals gezegd is, was de Scorzef betrekkelijk ver verwijderd; maar de astronomen hadden geene keuze, daar deze berg de eenige uitstekende punt in deze geheele streek was. Er verhief zich inderdaadgeene andere hoogte in het noorden of westen, evenmin aan de overzijde van het meer Ngami, dat men nog niet eens zien kon. De afstand van den Scorzef zoude de waarnemers noodzaken zich vrij ver aan de rechterzijde van den meridiaan te begeven, maar na rijp beraad begrepen zij anders te kunnen doen. Derhalve richtte men het oog nauwkeurig op den eenzaam staanden bergtop en de afwijking der beide kijkers van den repetitiecirkel, waardoor men de waarneming deed, gaf de wijdte van den hoek, dien men aan het station meten wilde en waarvan de beenen door den Scorzef en het heuveltje werden aangewezen. Om met nog grooter nauwkeurigheid te werken, herhaalde de kolonel zijne berekening twintig malen, door zijne kijkers evenveel malen op den repetitiecirkel te verplaatsen; op deze wijze deelde hij de fouten, die mogelijk bij het aflezen begaan waren, door twintig, en verkreeg zóó de grootte van den hoek met volkomen juistheid.Niettegenstaande het ongeduld der inlanders werden deze verschillende waarnemingen door den kalmen Everest met dezelfde zorg gedaan alsof hij op het observatorium te Cambridge zat. De geheele 21steFebruari ging op die wijze voorbij, en het was eerst bij het vallen van den avond tegen half zes dat het aflezen der graden moeilijk werd, waarom de kolonel zijne waarnemingen moest eindigen.»Ik ben tot uw dienst, Mokum,” zeide hij toen tot den Boschjesman.»Het is niet al te vroeg meer, kolonel,” antwoordde Mokum, »en ik vind het jammer dat u uw werk niet voor het vallen van den nacht hebt kunnen afkrijgen, want dan zouden wij getracht hebben ons kamp aan den oever van het meer over te brengen.”»Maar wie belet ons nog te vertrekken?” vroeg Everest. »Een afstand van vijftien kilometers, zelfs in de duisternis kan ons toch niet afschrikken? De weg loopt rechtuit, altijd door de vlakte, en wij behoeven niet bang te zijn om te verdwalen.”»Ja .... inderdaad ....”antwoordde de Boschjesman, die bij zich zelven scheen te overleggen, »misschien kunnen wij het wagen, hoewel ik liever bij klaarlichten dag door deze streek zou getrokken zijn! Onze manschappen willen gaarne vooruit en naar het zoete water van het meer, wij zullen dus vertrekken, kolonel.”»Zooals gij wilt, Mokum!” hernam de kolonel.Toen allen het plan hadden goedgekeurd, werden de ossen voor de wagens gespannen, de paarden bestegen, de instrumenten weder ingepakt, en toen de Boschjesman om zeven uren het sein tot vertrekken gaf, toog de karavaan, door den dorst geprikkeld, naar het meer Ngami op weg.Uit een zeker instinkt van veldontdekker had de Boschjesman de drie Europeanen verzocht hunne geweren mede te nemen enzich van amunitie te voorzien. Hij zelf droeg de buks, die Murray hem geschonken had, en had een genoegzamen voorraad patronen in de tasch.Geen helling zoo steil of een zeeman kan er op en af. Bladz. 164.Geen helling zoo steil of een zeeman kan er op en af. Bladz.164.Men ging op weg; het was stikdonker. Dikke wolken bedekten den hemel; evenwel was de lucht aan den gezichteinder vrij van wolken. Mokum, die zeer scherp zag, keek goed rond; eenige woorden door hem tegen Murray gezegd, bewezen dezen, dat de Boschjesman de streek als niet zeer veilig beschouwde; hij was dus van zijn kant ook op alles voorbereid.De karavaan trok aldus gedurende drie uren in noordelijke richting voort, maar had veel van afmatting en dorst te lijden, zoodat de reis niet snel ging. Men moest de achterblijvers dikwijls inwachten. Men vorderde slechts drie kilometers in het uur, en tegen tien uren ’s avonds was de kleine bende nog zes kilometers van het meer verwijderd. De beesten hijgden en konden door de drukkende hitte nauwelijks ademhalen. De dampkring was zoo droog, dat de gevoeligste vochtmeter er waarschijnlijk geen greintje vocht in zou gevonden hebben.Niettegenstaande de vermaningen van den Boschjesman, bleef de karavaan niet bij elkander; menschen en dieren vormden eene lange rij; eenige ossen, die geheel uitgeput waren, vielen op den grond neder. Ruiters zonder paarden sleepten zich met moeite voort en het zou aan de kleinste bende inlanders gemakkelijk gevallen zijn ze allen op te lichten. Mokum spaarde in zijn ongerustheid woorden noch daden; hij ging van den een naar den ander, trachtte te vergeefs de orde te herstellen, en zonder dat hij het bemerkt had, ontbrak reeds een gedeelte zijner manschappen.Om elf uren waren de drie voorste wagens nog slechts op drie kilometers van den Scorzef. Niettegenstaande de duisternis, kon men den alleen staanden berg vrij duidelijk zien, daar hij zich als eene reusachtige piramide verhief. Hij scheen door de duisternis nog dubbel zoo hoog als hij werkelijk was. Als Mokum zich niet bedroog, moest het meer zich achter die hoogte bevinden; men behoefde dus slechts om den berg heen te trekken om langs den kortsten weg deze watervlakte te bereiken.De Boschjesman stelde zich aan het hoofd der karavaan met de drie Europeanen, en hij wilde juist een weinig links aftrekken toen hij plotseling staan bleef op het hooren van zeer duidelijke, doch verwijderde schoten.De Engelschen hielden aanstonds hunne paarden in; zij luisterden met gemakkelijk te begrijpen angst. In een land, waar inlanders zich slechts van lansen en pijlen bedienen, moesten geweerschoten verwondering en angst verwekken.»Wat is dat?” vroeg de kolonel.»Geweerschoten!” antwoordde John Murray.»Geweerschoten?” riep Everest, »en in welke richting?”»Er worden geweerschoten op den top van den Scorzef gelost,”antwoordde Mokum. »Ik zie de flikkering van die schoten in deduisternis; men is daar aan het vechten! Het zijn zeker Makololo’s, die daar Europeanen aanvallen.”»Europeanen!” zeide William Emery.»Ja, mijnheer,” antwoordde Mokum. »Die luidruchtige schoten kunnen slechts door Europeesche geweren gelost worden, en ik zou haast zeggen dat het juistheidswapenen zijn.”»Zouden daar dan Europeanen zijn?...”De kolonel viel hem echter in de rede, en riep: »Mijne heeren, wie die Europeanen ook zijn mogen, wij moeten hun te hulp snellen!”»Ja, ja, zeker!” riep Emery, wiens hart als toegeknepen werd.Voordat hij op den berg aantrok, wilde de Boschjesman eerst zijne kleine bende voor de laatste maal verzamelen, daar een troep plunderaars hen anders onverwacht zou kunnen overvallen. Toen de jager evenwel naar de achterhoede reed, was de karavaan uit elkander gestoven, de paarden afgespannen, de wagens verlaten, en reeds vluchtten eenige mannen als schimmen naar het zuiden over de vlakte.»Die lafaards!” riep Mokum: »Dorst, vermoeienis, alles vergeten zij om te vluchten!” Zich daarop naar de Engelschen en hunne dappere matrozen wendende, zeide hij: »Komaan, vooruit dan maar!”De Europeanen snelden daarop met den jager in noordelijke richting en zetten hunne uitgeputte paarden zooveel mogelijk aan. Twintig minuten daarna hoorde men duidelijk het krijgsgeschreeuw der Makololo’s. Men kon nog niet nagaan hoe groot hun aantal was. Die inlandsche roovers deden waarschijnlijk een aanval op den Scorzef van welks top het geweervuur flikkerde. Men zag geheele benden naar den top klimmen.Weldra waren de kolonel en zijne makkers in de onmiddellijke nabijheid der aanvallers; zij stegen van hunne uitgeputte paarden en vuurden onder een vreeselijk hoerah, dat de belegerden moesten kunnen hooren, hunne geweren op de menigte inboorlingen af. Toen zij de snel op elkander volgende schoten van de achterladers hoorden, meenden de Makololo’s dat zij door eene groote bende werden aangevallen. Deze plotselinge aanval verraste hen, en zij trokken terug voordat zij van hunne pijlen en lansen gebruik hadden gemaakt.Zonder een oogenblik te verliezen, laadden en schoten de Engelschen zonder ophouden, en wierpen zich op den troep plunderaars. Reeds lagen een vijftiental lijken op den grond. De Makololo’s stoven uit elkander; de Europeanen drongen in de gemaakte opening door, en de meest nabijzijnde inlanders omverwerpende, trokken zij achterwaarts tegen de helling van den berg op. In tien minuten hadden zij den top bereikt, die in de duisternis bijna onzichtbaarwas. De belegerden hadden intusschen het vuren gestaakt, uit vrees dat zij hen konden treffen, die hun zoo onverwachts te hulp kwamen. En die belegerden waren de Russen! Zij waren daar allen, Mathieu Strux, Nikolaas Palander, Michel Zorn en hunne vijf matrozen. Doch van de inlanders, die vroeger hunne karavaan vormden, was niemand anders dan de trouwe gids over. Die ellendige Boschjesmannen hadden ook hen op het oogenblik des gevaars verlaten.Toen de kolonel verscheen, sprong Mathieu Strux boven van het kleine muurtje, dat den top van den Scorzef omringde.»Gij mijne heeren Engelschen!” riep de astronoom van Pulkowa.»Wij zelve, mijne heeren Russen,” antwoordde de kolonel op ernstigen toon. »Maar hier zijn geen Russen of Engelschen! Er zijn slechts Europeanen vereenigd om zich te verdedigen!”
XVIII.De woestijn.Het was inderdaad de woestijn, die zich nu voor de reizigers uitstrekte, en toen den 25stenDecember kolonel Everest en de zijnen,na het meten van een nieuwen graad van den meridiaan, en van hun achtenveertigsten driehoek, op de noordgrens derkarroukwamen, zagen zij geen onderscheid tusschen de streek, die zij verlieten enhet dorre en verbrande land dat zij zouden doorreizen. De last- en trekdieren van de karavaan hadden veel te lijden door het gebrek aan gras; er was ook gebrek aan water; de laatste regendroppels waren in de poelen opgedroogd; die met klei en zand vermengde grond was ter bebouwing zeer ongeschikt. De gevallen regen sijpelt door het zand, en verdwijnt bijna geheel van den grond, die met zandsteen bedekt is en waarop geen vocht duren kan.»Ngami, Ngami!” Blz. 154.»Ngami, Ngami!” Blz.154.Dit was een van die drooge streken, door welke dokter Livingstone gedurende zijne avontuurlijke tochten meermalen heentrok. Niet alléén was de grond, maar ook de lucht zóó droog, dat ijzeren voorwerpen, die in de openlucht bleven liggen, niet verroestten. Volgens het verhaal van den geleerden reiziger, waren de bladeren der boomen gerimpeld en slap; midden op den dag bleven de bladeren der mimosa’s gesloten alsof het nacht was; de kevers en torren, die op den grond lagen, waren binnen weinige seconden dood; de bol van een thermometer, die drie decimeters diep in den grond gegraven werd, wees 134° Fahrenheit (56° C.)Evenals zekere streken van zuidelijk Afrika zich akelig dor en droog aan het oog van den beroemden reiziger voordeden, evenzoo vertoonde zich ook de bodem tusschen dekarrouen het meer Ngami aan de blikken der Engelsche sterrekundigen. Hunne vermoeienis was groot, hun lijden onuitstaanbaar, vooral door het gebrek aan water. Dit gebrek hinderde nog veel erger de trekdieren, die ter nauwernood zich met het weinige drooge en bestoven gras konden voeden. Bovendien was deze uitgestrekte streek eene woestijn, niet alleen door hare droogte, maar ook omdat er zich geen enkel levend wezen in waagde. De vogels waren over de Zambese gevlucht om er boomen en bloemen te vinden. Wilde dieren waagden zich niet op deze vlakte die hun geen voedsel aanbood. Gedurende de eerste helft van Januari zagen de jagers van de karavaan slechts twee of drie paren van die antilopen, die verscheidene weken zonder drinken kunnen leven; het waren onder anderen van die soort, welke John Murray zoo hadden teleurgesteld, en caäma’s met zachte oogen en aschgrauwe huid met gele vlekken; deze laatste waren onschuldige dieren, zeer gezocht om het lekkere vleesch, die dorre vlakten schenen te verkiezen boven de weilanden van vruchtbare streken.Door het dagelijksch voorttrekken onder de gloeiend heete zon, in een atmosfeer die geen zweem van vocht bevatte, door hunne in eene onuitstaanbaar hooge temperatuur dag en nacht voortgezette geodesische werkzaamheden, werden de astronomen al meer en meer afgemat. Hun watervoorraad, die in vaatjes bewaard werd, begon te verminderen. Zij hadden zich reeds op rantsoen gesteld, en leden daardoor veel. Evenwel waren hun ijver en hun moed zóó groot, dat zij moeite en gebrek verachtten en geen enkel onderdeel van hun uitgebreiden en nauwkeurigen arbeid verwaarloosden. Den 25stenJanuari was een zevende gedeelte van den meridiaan, dat een nieuwen graad omvatte, berekend door middel van negen nieuwe driehoeken, waardoor het getal tot nog toe berekende driehoeken tot zevenenvijftig geklommen was. De astronomen hadden nog slechts een gedeelte van de woestijn door te trekken, en volgens de meening van den Boschjesman moesten zij vóór het einde van Januari het meer Ngami bereiken. De kolonel en zijne makkers konden voor zich zelven best instaan, en het zóólang uithouden.Maar de mannen van het geleide, de Boschjesmannen, die door dezen ijver niet werden aangezet, huurlingen, wier belang niets te maken had met het wetenschappelijk doel der onderneming, inboorlingen, die niet bijzonder geneigd waren verder voort te trekken, deze waren slecht bestand tegen de vermoeienissen van den tocht. Zij hadden veel te lijden door gebrek aan water. Reeds had men eenige door honger en dorst uitgeputte lastdieren achter moeten laten, en het was te vreezen dat dit getal dagelijks zou toenemen. Met de afmatting namen gemor en verwijten ook toe. De taak van Mokum werd zeer moeilijk en zijn invloed nam merkbaar af.Weldra was het duidelijk dat het gebrek aan water een onoverkomelijke hinderpaal worden zou, dat men niet verder noordwaarts trekken moest, maar links of rechts van den meridiaan achteruitgaan, op het gevaar af van de Russische astronomen te ontmoeten, om op die wijze de dorpen te bereiken, die in minder dorre streken op den weg van David Livingstone gevonden werden.Den 15denFebruari deelde de Boschjesman aan den kolonel mede, dat de moeilijkheden waartegen men te vergeefs worstelde voortdurend toenamen. De wagenleiders weigerden reeds hem te gehoorzamen. Elken morgen waren het bij het opbreken der legerplaats tooneelen van verzet, waaraan de meeste inboorlingen deelnamen. Het is zeker dat deze ongelukkigen, door hitte afgemat en door dorst gekweld er werkelijk ellendig aan toe waren. Bovendien wilden ossen en paarden, die zeer slecht en karig voêr en bijna geen water kregen, niet meer voort.De kolonel was zich den toestand volkomen bewust. Maar hardvochtig voor zich zelven, was hij het ook voor anderen. Hij wilde de driehoeksmeting op geenerleiwijze schorsen en verklaarde, dat al was hij alléén, hij vooruit zou trekken. Overigens spraken zijne ambtgenooten evenals hij, en zij waren gereed hem te volgen, hoe ver hij ook gaan wilde.Door nieuwe pogingen verkreeg de Boschjesman van de inboorlingen, dat zij hem nog eenigen tijd zouden volgen. Volgens zijne meening was de karavaan niet meer dan vijf of zes dagen van het Ngami-meer verwijderd. Dáár zouden ossen en paarden versche weiden en schaduwrijke bosschen vinden, dáár zouden de mannen een geheel meer van zoet water ontmoeten om zich te verfrisschen. Mokumwees de voornaamste Boschjesmannen op dit vooruitzicht. Hij bewees hen dat om levensvoorraad te krijgen, het beste was naar het noorden te trekken. Inderdaad, als men westwaarts ging, dan was zulks in het wilde voorttrekken; achterwaarts zou men weder in dekarroukomen, waar alle beken thans wel uitgedroogd zouden zijn. Eindelijk lieten de inlanders zich door al deze redenen en verzoeken overhalen, en de bijna uitgeputte karavaan hernam haar tocht naar het meer Ngami.Gelukkig werden de geodesische opmetingen in deze uitgestrekte vlakte door middel van palen en andere seinen gemakkelijk volbracht. Om tijd te winnen werkten de astronomen dag en nacht; door het licht van electrische lampen geleid, konden zij de hoeken op de nauwkeurigste wijze meten.Het werk ging dus met eenheid en orde voort, en het net van driehoeken werd hoe langer hoe grooter. Den 16denJanuari meende de karavaan een oogenblik dat zij eindelijk water in overvloed zoude krijgen; men zag namelijk aan den gezichteinder een meertje van een paar kilometers breed. Men kan begrijpen dat deze tijding met groote vreugde begroet werd; de geheele karavaan trok zoo snel mogelijk in de aangewezen richting voort naar eene vrij uitgestrekte watervlakte, die in de zonnestralen schitterde.Tegen vijf uren ’s avonds bereikte men het meer. Eenige paarden rukten zich van hunne geleiders los en galoppeerden naar het zoozeer begeerde water. Zij roken het, zij ademden het in, en weldra kon men zien dat zij er tot aan de borst toe insprongen. Doch de dieren kwamen spoedig weder op den oever. Zij hadden hun dorst niet kunnen lesschen, en toen de Boschjesmannen er bij kwamen vonden zij het water met zooveel zoutdeelen bezwangerd, dat zij het niet konden drinken.De teleurstelling, men kan bijna zeggen, de wanhoop was groot. Niets is wreeder dan bedrogen verwachting! Mokum meende dat men nu de hoop moest opgeven om de inlanders nog verder te voeren. Het was gelukkig voor de toekomst der onderneming, dat de karavaan zich dichter bij het meer Ngami en de zijtakken van de Zambese bevond, dan bij eenige andere streek waar drinkbaar water te vinden was. Aller behoud hing dus van hunne voorwaartsche beweging af. In vier dagen zou de karavaan aan de oevers van het meer zijn, als de geodesische opmetingen door niets vertraagd werden.Men vertrok weder. De kolonel maakte van de gesteldheid van den grond gebruik, en mat driehoeken van zulke groote afmeting, dat het plaatsen van seinpalen daardoor minder dikwijls noodig was. Daar men vooral gedurende heldere nachten werkte, konden de lichtsignalen bijzonder goed gezien, en met den theodoliet of met den cirkel van Borda hoogst nauwkeurig opgenomen worden. Hierdoor won men tegelijk tijd en krachten uit. Maar dat is zeker dat het voordie moedige en met wetenschappelijken ijver bezielde geleerden, voor de inlanders, die onder een vreeselijk klimaat van dorst bijna omkwamen, en voor de lastdieren, die de karavaan met zich voerde,hoog tijd werd het meer te bereiken. Geen levend wezen zou onder zulke omstandigheden den tocht nog veertien dagen hebben volgehouden.Zij wierpen zich op den troep plunderaars. Blz. 159.Zij wierpen zich op den troep plunderaars. Blz.159.Den 21stenJanuari begon de vlakke bodem eenigszins te veranderen; hij werd hobbelig en oneffen. Tegen tien uren ’s morgens zag men in het noordwesten op een afstand van ongeveer vijftien kilometers een heuvel van 5 of 600 voet. Het was de berg Scorzef.DeBoschjesmankeek nauwkeurig om zich heen, nam de plaats op, en zeide naar het noorden wijzende:»Daar is het meer!”»Ngami, Ngami!” juichten de inlanders, en gaven luidruchtige teekenen van vreugde.De Boschjesmannen wilden voorwaarts en den afstand die hen nog van het meer scheidde, in één ren doorloopen. Maar het gelukte den jager ze tegen te houden, daar hij hen deed opmerken dat het in eene door Makololo’s onveilig gemaakte streek van belang was bij elkander te blijven.Daar de kolonel de aankomst van zijn kleinen troep aan het Ngami-meer wilde bespoedigen, besloot hij het station, waar hij zich bevond, onmiddellijk met den Scorzef door een enkelen driehoek te verbinden. Men kon den zeer steilen bergtop gemakkelijk zien, en deze was dus zeer geschikt voor eene waarneming; men behoefde derhalve den nacht niet af te wachten, en het was onnoodig eene afdeeling matrozen en inlanders vooruit te zenden om een licht op den Scorzef te ontsteken.De instrumenten werden dus gesteld, en om grooter nauwkeurigheid te verkrijgen, mat men op dit station nogmaals den tophoek van den laatsten meer zuidwaarts gemeten driehoek.Mokum was zeer verlangend den oever van het meer te bereiken, en had daarom slechts eene voorloopige legerplaats laten opslaan. Hij hoopte vóór den nacht het zoo zeer begeerde meer bereikt te hebben, maar hij verzuimde daarom geen der gewone voorzorgsmaatregelen, en liet den omtrek door eenige ruiters onderzoeken. Rechts en links verhief zich een kreupelbosch, dat men voorzichtigheidshalve moest verkennen. Sedert de antilopenjacht had men evenwel geen spoor van Makololo’s gezien, en deze schenen het opgegeven te hebben de karavaan te bespieden. Toch wilde de wantrouwende Boschjesman op zijne hoede en op alle gebeurtenissen verdacht zijn. Terwijl de jager aldus wacht hield, hielden de astronomen zich bezig met een nieuwen driehoek te meten. Volgens de opmetingen van William Emery zou deze driehoek hen bij den twintigsten parallel brengen, en dáár moest het uiteinde van den meridiaanboog zich bevinden, dien zij in dit gedeelte van Afrika waren komen opmeten. Nog slechts weinige opmetingen aan de overzijde van het meer, en waarschijnlijk zou dan het achtste gedeeltevan den meridiaan gemeten zijn. Door middel van eene op den grond gemeten nieuwe basis, moest men dan de gedane opmetingen narekenen, en het werk zou afgeloopen zijn. Men begrijpt dus met welk een ijver zij bezield waren nu zij op het punt waren hun omvangrijken arbeid te zien eindigen.En hoe hadden de Russen nu gedurende dien tijd van hunne zijde gewerkt? Sedert zes maanden waren de leden der internationale commissie van elkander gescheiden; maar waar bevonden zich nu Mathieu Strux, Michel Zorn en Nikolaas Palander? Hadden zij zoovele vermoeienissen doorgestaan als hunne Engelsche ambtgenooten? Hadden zij ook geleden door gebrek aan water, en door de moordende hitte van dit klimaat? Was misschien de streek, waardoor hun weg geloopen had, en die aanmerkelijk dichter bij den weg van David Livingstone gelegen was, minder droog en dor geweest? Misschien, want noordwaarts van Kolobeng bevonden zich rechts van den meridiaan dorpen als Schokuané, Schoschong en andere, waar de Russische karavaan zich van levensmiddelen had kunnen voorzien. Maar was het ook niet te vreezen dat in deze minder woeste en bij gevolg meer door roovers bezochte streken de kleine troep van Mathieu Strux vele gevaren geloopen had? Nu de Makololo’s de vervolging van de Engelschen schenen te hebben opgegeven, moest men misschien daaruit het besluit trekken, dat zij de Russen vervolgden.De kolonel, die altijd in zijn arbeid verdiept was, dacht niet meer aan die dingen of wilde zulks misschien niet, doch Murray en Emery spraken dikwijls over het lot van hunne vroegere makkers. Zouden zij hen ooit terug zien? Zouden de Russen in hunne onderneming slagen? Zouden zij hetzelfde wiskundig resultaat verkrijgen, dat is te zeggen, zou de waarde van een lengtegraad in dit gedeelte van Afrika voor beide commissiën dezelfde zijn, nu zij tegelijktertijd, maar elk afzonderlijk, een net van driehoeken gemeten hadden? En dan dacht Emery aan zijn vriend, wiens scheiding hem zooveel verdriet had gedaan, en die, dat wist hij, hem ook wel nimmer vergeten zou.Ondertusschen was het meten der hoeksafstanden begonnen. Om den hoek te verkrijgen, welks top gelegen was aan het station, waar men zich bevond, moest men het oog richten op twee signalen, van welke het een gevormd werd door den top van den Scorzef. Voor het andere signaal links van den meridiaan koos men een steil heuveltje dat slechts op vier kilometers afstands lag. Men bepaalde er de richting van door een der kijkers van den repetitie-cirkel.Zooals gezegd is, was de Scorzef betrekkelijk ver verwijderd; maar de astronomen hadden geene keuze, daar deze berg de eenige uitstekende punt in deze geheele streek was. Er verhief zich inderdaadgeene andere hoogte in het noorden of westen, evenmin aan de overzijde van het meer Ngami, dat men nog niet eens zien kon. De afstand van den Scorzef zoude de waarnemers noodzaken zich vrij ver aan de rechterzijde van den meridiaan te begeven, maar na rijp beraad begrepen zij anders te kunnen doen. Derhalve richtte men het oog nauwkeurig op den eenzaam staanden bergtop en de afwijking der beide kijkers van den repetitiecirkel, waardoor men de waarneming deed, gaf de wijdte van den hoek, dien men aan het station meten wilde en waarvan de beenen door den Scorzef en het heuveltje werden aangewezen. Om met nog grooter nauwkeurigheid te werken, herhaalde de kolonel zijne berekening twintig malen, door zijne kijkers evenveel malen op den repetitiecirkel te verplaatsen; op deze wijze deelde hij de fouten, die mogelijk bij het aflezen begaan waren, door twintig, en verkreeg zóó de grootte van den hoek met volkomen juistheid.Niettegenstaande het ongeduld der inlanders werden deze verschillende waarnemingen door den kalmen Everest met dezelfde zorg gedaan alsof hij op het observatorium te Cambridge zat. De geheele 21steFebruari ging op die wijze voorbij, en het was eerst bij het vallen van den avond tegen half zes dat het aflezen der graden moeilijk werd, waarom de kolonel zijne waarnemingen moest eindigen.»Ik ben tot uw dienst, Mokum,” zeide hij toen tot den Boschjesman.»Het is niet al te vroeg meer, kolonel,” antwoordde Mokum, »en ik vind het jammer dat u uw werk niet voor het vallen van den nacht hebt kunnen afkrijgen, want dan zouden wij getracht hebben ons kamp aan den oever van het meer over te brengen.”»Maar wie belet ons nog te vertrekken?” vroeg Everest. »Een afstand van vijftien kilometers, zelfs in de duisternis kan ons toch niet afschrikken? De weg loopt rechtuit, altijd door de vlakte, en wij behoeven niet bang te zijn om te verdwalen.”»Ja .... inderdaad ....”antwoordde de Boschjesman, die bij zich zelven scheen te overleggen, »misschien kunnen wij het wagen, hoewel ik liever bij klaarlichten dag door deze streek zou getrokken zijn! Onze manschappen willen gaarne vooruit en naar het zoete water van het meer, wij zullen dus vertrekken, kolonel.”»Zooals gij wilt, Mokum!” hernam de kolonel.Toen allen het plan hadden goedgekeurd, werden de ossen voor de wagens gespannen, de paarden bestegen, de instrumenten weder ingepakt, en toen de Boschjesman om zeven uren het sein tot vertrekken gaf, toog de karavaan, door den dorst geprikkeld, naar het meer Ngami op weg.Uit een zeker instinkt van veldontdekker had de Boschjesman de drie Europeanen verzocht hunne geweren mede te nemen enzich van amunitie te voorzien. Hij zelf droeg de buks, die Murray hem geschonken had, en had een genoegzamen voorraad patronen in de tasch.Geen helling zoo steil of een zeeman kan er op en af. Bladz. 164.Geen helling zoo steil of een zeeman kan er op en af. Bladz.164.Men ging op weg; het was stikdonker. Dikke wolken bedekten den hemel; evenwel was de lucht aan den gezichteinder vrij van wolken. Mokum, die zeer scherp zag, keek goed rond; eenige woorden door hem tegen Murray gezegd, bewezen dezen, dat de Boschjesman de streek als niet zeer veilig beschouwde; hij was dus van zijn kant ook op alles voorbereid.De karavaan trok aldus gedurende drie uren in noordelijke richting voort, maar had veel van afmatting en dorst te lijden, zoodat de reis niet snel ging. Men moest de achterblijvers dikwijls inwachten. Men vorderde slechts drie kilometers in het uur, en tegen tien uren ’s avonds was de kleine bende nog zes kilometers van het meer verwijderd. De beesten hijgden en konden door de drukkende hitte nauwelijks ademhalen. De dampkring was zoo droog, dat de gevoeligste vochtmeter er waarschijnlijk geen greintje vocht in zou gevonden hebben.Niettegenstaande de vermaningen van den Boschjesman, bleef de karavaan niet bij elkander; menschen en dieren vormden eene lange rij; eenige ossen, die geheel uitgeput waren, vielen op den grond neder. Ruiters zonder paarden sleepten zich met moeite voort en het zou aan de kleinste bende inlanders gemakkelijk gevallen zijn ze allen op te lichten. Mokum spaarde in zijn ongerustheid woorden noch daden; hij ging van den een naar den ander, trachtte te vergeefs de orde te herstellen, en zonder dat hij het bemerkt had, ontbrak reeds een gedeelte zijner manschappen.Om elf uren waren de drie voorste wagens nog slechts op drie kilometers van den Scorzef. Niettegenstaande de duisternis, kon men den alleen staanden berg vrij duidelijk zien, daar hij zich als eene reusachtige piramide verhief. Hij scheen door de duisternis nog dubbel zoo hoog als hij werkelijk was. Als Mokum zich niet bedroog, moest het meer zich achter die hoogte bevinden; men behoefde dus slechts om den berg heen te trekken om langs den kortsten weg deze watervlakte te bereiken.De Boschjesman stelde zich aan het hoofd der karavaan met de drie Europeanen, en hij wilde juist een weinig links aftrekken toen hij plotseling staan bleef op het hooren van zeer duidelijke, doch verwijderde schoten.De Engelschen hielden aanstonds hunne paarden in; zij luisterden met gemakkelijk te begrijpen angst. In een land, waar inlanders zich slechts van lansen en pijlen bedienen, moesten geweerschoten verwondering en angst verwekken.»Wat is dat?” vroeg de kolonel.»Geweerschoten!” antwoordde John Murray.»Geweerschoten?” riep Everest, »en in welke richting?”»Er worden geweerschoten op den top van den Scorzef gelost,”antwoordde Mokum. »Ik zie de flikkering van die schoten in deduisternis; men is daar aan het vechten! Het zijn zeker Makololo’s, die daar Europeanen aanvallen.”»Europeanen!” zeide William Emery.»Ja, mijnheer,” antwoordde Mokum. »Die luidruchtige schoten kunnen slechts door Europeesche geweren gelost worden, en ik zou haast zeggen dat het juistheidswapenen zijn.”»Zouden daar dan Europeanen zijn?...”De kolonel viel hem echter in de rede, en riep: »Mijne heeren, wie die Europeanen ook zijn mogen, wij moeten hun te hulp snellen!”»Ja, ja, zeker!” riep Emery, wiens hart als toegeknepen werd.Voordat hij op den berg aantrok, wilde de Boschjesman eerst zijne kleine bende voor de laatste maal verzamelen, daar een troep plunderaars hen anders onverwacht zou kunnen overvallen. Toen de jager evenwel naar de achterhoede reed, was de karavaan uit elkander gestoven, de paarden afgespannen, de wagens verlaten, en reeds vluchtten eenige mannen als schimmen naar het zuiden over de vlakte.»Die lafaards!” riep Mokum: »Dorst, vermoeienis, alles vergeten zij om te vluchten!” Zich daarop naar de Engelschen en hunne dappere matrozen wendende, zeide hij: »Komaan, vooruit dan maar!”De Europeanen snelden daarop met den jager in noordelijke richting en zetten hunne uitgeputte paarden zooveel mogelijk aan. Twintig minuten daarna hoorde men duidelijk het krijgsgeschreeuw der Makololo’s. Men kon nog niet nagaan hoe groot hun aantal was. Die inlandsche roovers deden waarschijnlijk een aanval op den Scorzef van welks top het geweervuur flikkerde. Men zag geheele benden naar den top klimmen.Weldra waren de kolonel en zijne makkers in de onmiddellijke nabijheid der aanvallers; zij stegen van hunne uitgeputte paarden en vuurden onder een vreeselijk hoerah, dat de belegerden moesten kunnen hooren, hunne geweren op de menigte inboorlingen af. Toen zij de snel op elkander volgende schoten van de achterladers hoorden, meenden de Makololo’s dat zij door eene groote bende werden aangevallen. Deze plotselinge aanval verraste hen, en zij trokken terug voordat zij van hunne pijlen en lansen gebruik hadden gemaakt.Zonder een oogenblik te verliezen, laadden en schoten de Engelschen zonder ophouden, en wierpen zich op den troep plunderaars. Reeds lagen een vijftiental lijken op den grond. De Makololo’s stoven uit elkander; de Europeanen drongen in de gemaakte opening door, en de meest nabijzijnde inlanders omverwerpende, trokken zij achterwaarts tegen de helling van den berg op. In tien minuten hadden zij den top bereikt, die in de duisternis bijna onzichtbaarwas. De belegerden hadden intusschen het vuren gestaakt, uit vrees dat zij hen konden treffen, die hun zoo onverwachts te hulp kwamen. En die belegerden waren de Russen! Zij waren daar allen, Mathieu Strux, Nikolaas Palander, Michel Zorn en hunne vijf matrozen. Doch van de inlanders, die vroeger hunne karavaan vormden, was niemand anders dan de trouwe gids over. Die ellendige Boschjesmannen hadden ook hen op het oogenblik des gevaars verlaten.Toen de kolonel verscheen, sprong Mathieu Strux boven van het kleine muurtje, dat den top van den Scorzef omringde.»Gij mijne heeren Engelschen!” riep de astronoom van Pulkowa.»Wij zelve, mijne heeren Russen,” antwoordde de kolonel op ernstigen toon. »Maar hier zijn geen Russen of Engelschen! Er zijn slechts Europeanen vereenigd om zich te verdedigen!”
XVIII.De woestijn.Het was inderdaad de woestijn, die zich nu voor de reizigers uitstrekte, en toen den 25stenDecember kolonel Everest en de zijnen,na het meten van een nieuwen graad van den meridiaan, en van hun achtenveertigsten driehoek, op de noordgrens derkarroukwamen, zagen zij geen onderscheid tusschen de streek, die zij verlieten enhet dorre en verbrande land dat zij zouden doorreizen. De last- en trekdieren van de karavaan hadden veel te lijden door het gebrek aan gras; er was ook gebrek aan water; de laatste regendroppels waren in de poelen opgedroogd; die met klei en zand vermengde grond was ter bebouwing zeer ongeschikt. De gevallen regen sijpelt door het zand, en verdwijnt bijna geheel van den grond, die met zandsteen bedekt is en waarop geen vocht duren kan.»Ngami, Ngami!” Blz. 154.»Ngami, Ngami!” Blz.154.Dit was een van die drooge streken, door welke dokter Livingstone gedurende zijne avontuurlijke tochten meermalen heentrok. Niet alléén was de grond, maar ook de lucht zóó droog, dat ijzeren voorwerpen, die in de openlucht bleven liggen, niet verroestten. Volgens het verhaal van den geleerden reiziger, waren de bladeren der boomen gerimpeld en slap; midden op den dag bleven de bladeren der mimosa’s gesloten alsof het nacht was; de kevers en torren, die op den grond lagen, waren binnen weinige seconden dood; de bol van een thermometer, die drie decimeters diep in den grond gegraven werd, wees 134° Fahrenheit (56° C.)Evenals zekere streken van zuidelijk Afrika zich akelig dor en droog aan het oog van den beroemden reiziger voordeden, evenzoo vertoonde zich ook de bodem tusschen dekarrouen het meer Ngami aan de blikken der Engelsche sterrekundigen. Hunne vermoeienis was groot, hun lijden onuitstaanbaar, vooral door het gebrek aan water. Dit gebrek hinderde nog veel erger de trekdieren, die ter nauwernood zich met het weinige drooge en bestoven gras konden voeden. Bovendien was deze uitgestrekte streek eene woestijn, niet alleen door hare droogte, maar ook omdat er zich geen enkel levend wezen in waagde. De vogels waren over de Zambese gevlucht om er boomen en bloemen te vinden. Wilde dieren waagden zich niet op deze vlakte die hun geen voedsel aanbood. Gedurende de eerste helft van Januari zagen de jagers van de karavaan slechts twee of drie paren van die antilopen, die verscheidene weken zonder drinken kunnen leven; het waren onder anderen van die soort, welke John Murray zoo hadden teleurgesteld, en caäma’s met zachte oogen en aschgrauwe huid met gele vlekken; deze laatste waren onschuldige dieren, zeer gezocht om het lekkere vleesch, die dorre vlakten schenen te verkiezen boven de weilanden van vruchtbare streken.Door het dagelijksch voorttrekken onder de gloeiend heete zon, in een atmosfeer die geen zweem van vocht bevatte, door hunne in eene onuitstaanbaar hooge temperatuur dag en nacht voortgezette geodesische werkzaamheden, werden de astronomen al meer en meer afgemat. Hun watervoorraad, die in vaatjes bewaard werd, begon te verminderen. Zij hadden zich reeds op rantsoen gesteld, en leden daardoor veel. Evenwel waren hun ijver en hun moed zóó groot, dat zij moeite en gebrek verachtten en geen enkel onderdeel van hun uitgebreiden en nauwkeurigen arbeid verwaarloosden. Den 25stenJanuari was een zevende gedeelte van den meridiaan, dat een nieuwen graad omvatte, berekend door middel van negen nieuwe driehoeken, waardoor het getal tot nog toe berekende driehoeken tot zevenenvijftig geklommen was. De astronomen hadden nog slechts een gedeelte van de woestijn door te trekken, en volgens de meening van den Boschjesman moesten zij vóór het einde van Januari het meer Ngami bereiken. De kolonel en zijne makkers konden voor zich zelven best instaan, en het zóólang uithouden.Maar de mannen van het geleide, de Boschjesmannen, die door dezen ijver niet werden aangezet, huurlingen, wier belang niets te maken had met het wetenschappelijk doel der onderneming, inboorlingen, die niet bijzonder geneigd waren verder voort te trekken, deze waren slecht bestand tegen de vermoeienissen van den tocht. Zij hadden veel te lijden door gebrek aan water. Reeds had men eenige door honger en dorst uitgeputte lastdieren achter moeten laten, en het was te vreezen dat dit getal dagelijks zou toenemen. Met de afmatting namen gemor en verwijten ook toe. De taak van Mokum werd zeer moeilijk en zijn invloed nam merkbaar af.Weldra was het duidelijk dat het gebrek aan water een onoverkomelijke hinderpaal worden zou, dat men niet verder noordwaarts trekken moest, maar links of rechts van den meridiaan achteruitgaan, op het gevaar af van de Russische astronomen te ontmoeten, om op die wijze de dorpen te bereiken, die in minder dorre streken op den weg van David Livingstone gevonden werden.Den 15denFebruari deelde de Boschjesman aan den kolonel mede, dat de moeilijkheden waartegen men te vergeefs worstelde voortdurend toenamen. De wagenleiders weigerden reeds hem te gehoorzamen. Elken morgen waren het bij het opbreken der legerplaats tooneelen van verzet, waaraan de meeste inboorlingen deelnamen. Het is zeker dat deze ongelukkigen, door hitte afgemat en door dorst gekweld er werkelijk ellendig aan toe waren. Bovendien wilden ossen en paarden, die zeer slecht en karig voêr en bijna geen water kregen, niet meer voort.De kolonel was zich den toestand volkomen bewust. Maar hardvochtig voor zich zelven, was hij het ook voor anderen. Hij wilde de driehoeksmeting op geenerleiwijze schorsen en verklaarde, dat al was hij alléén, hij vooruit zou trekken. Overigens spraken zijne ambtgenooten evenals hij, en zij waren gereed hem te volgen, hoe ver hij ook gaan wilde.Door nieuwe pogingen verkreeg de Boschjesman van de inboorlingen, dat zij hem nog eenigen tijd zouden volgen. Volgens zijne meening was de karavaan niet meer dan vijf of zes dagen van het Ngami-meer verwijderd. Dáár zouden ossen en paarden versche weiden en schaduwrijke bosschen vinden, dáár zouden de mannen een geheel meer van zoet water ontmoeten om zich te verfrisschen. Mokumwees de voornaamste Boschjesmannen op dit vooruitzicht. Hij bewees hen dat om levensvoorraad te krijgen, het beste was naar het noorden te trekken. Inderdaad, als men westwaarts ging, dan was zulks in het wilde voorttrekken; achterwaarts zou men weder in dekarroukomen, waar alle beken thans wel uitgedroogd zouden zijn. Eindelijk lieten de inlanders zich door al deze redenen en verzoeken overhalen, en de bijna uitgeputte karavaan hernam haar tocht naar het meer Ngami.Gelukkig werden de geodesische opmetingen in deze uitgestrekte vlakte door middel van palen en andere seinen gemakkelijk volbracht. Om tijd te winnen werkten de astronomen dag en nacht; door het licht van electrische lampen geleid, konden zij de hoeken op de nauwkeurigste wijze meten.Het werk ging dus met eenheid en orde voort, en het net van driehoeken werd hoe langer hoe grooter. Den 16denJanuari meende de karavaan een oogenblik dat zij eindelijk water in overvloed zoude krijgen; men zag namelijk aan den gezichteinder een meertje van een paar kilometers breed. Men kan begrijpen dat deze tijding met groote vreugde begroet werd; de geheele karavaan trok zoo snel mogelijk in de aangewezen richting voort naar eene vrij uitgestrekte watervlakte, die in de zonnestralen schitterde.Tegen vijf uren ’s avonds bereikte men het meer. Eenige paarden rukten zich van hunne geleiders los en galoppeerden naar het zoozeer begeerde water. Zij roken het, zij ademden het in, en weldra kon men zien dat zij er tot aan de borst toe insprongen. Doch de dieren kwamen spoedig weder op den oever. Zij hadden hun dorst niet kunnen lesschen, en toen de Boschjesmannen er bij kwamen vonden zij het water met zooveel zoutdeelen bezwangerd, dat zij het niet konden drinken.De teleurstelling, men kan bijna zeggen, de wanhoop was groot. Niets is wreeder dan bedrogen verwachting! Mokum meende dat men nu de hoop moest opgeven om de inlanders nog verder te voeren. Het was gelukkig voor de toekomst der onderneming, dat de karavaan zich dichter bij het meer Ngami en de zijtakken van de Zambese bevond, dan bij eenige andere streek waar drinkbaar water te vinden was. Aller behoud hing dus van hunne voorwaartsche beweging af. In vier dagen zou de karavaan aan de oevers van het meer zijn, als de geodesische opmetingen door niets vertraagd werden.Men vertrok weder. De kolonel maakte van de gesteldheid van den grond gebruik, en mat driehoeken van zulke groote afmeting, dat het plaatsen van seinpalen daardoor minder dikwijls noodig was. Daar men vooral gedurende heldere nachten werkte, konden de lichtsignalen bijzonder goed gezien, en met den theodoliet of met den cirkel van Borda hoogst nauwkeurig opgenomen worden. Hierdoor won men tegelijk tijd en krachten uit. Maar dat is zeker dat het voordie moedige en met wetenschappelijken ijver bezielde geleerden, voor de inlanders, die onder een vreeselijk klimaat van dorst bijna omkwamen, en voor de lastdieren, die de karavaan met zich voerde,hoog tijd werd het meer te bereiken. Geen levend wezen zou onder zulke omstandigheden den tocht nog veertien dagen hebben volgehouden.Zij wierpen zich op den troep plunderaars. Blz. 159.Zij wierpen zich op den troep plunderaars. Blz.159.Den 21stenJanuari begon de vlakke bodem eenigszins te veranderen; hij werd hobbelig en oneffen. Tegen tien uren ’s morgens zag men in het noordwesten op een afstand van ongeveer vijftien kilometers een heuvel van 5 of 600 voet. Het was de berg Scorzef.DeBoschjesmankeek nauwkeurig om zich heen, nam de plaats op, en zeide naar het noorden wijzende:»Daar is het meer!”»Ngami, Ngami!” juichten de inlanders, en gaven luidruchtige teekenen van vreugde.De Boschjesmannen wilden voorwaarts en den afstand die hen nog van het meer scheidde, in één ren doorloopen. Maar het gelukte den jager ze tegen te houden, daar hij hen deed opmerken dat het in eene door Makololo’s onveilig gemaakte streek van belang was bij elkander te blijven.Daar de kolonel de aankomst van zijn kleinen troep aan het Ngami-meer wilde bespoedigen, besloot hij het station, waar hij zich bevond, onmiddellijk met den Scorzef door een enkelen driehoek te verbinden. Men kon den zeer steilen bergtop gemakkelijk zien, en deze was dus zeer geschikt voor eene waarneming; men behoefde derhalve den nacht niet af te wachten, en het was onnoodig eene afdeeling matrozen en inlanders vooruit te zenden om een licht op den Scorzef te ontsteken.De instrumenten werden dus gesteld, en om grooter nauwkeurigheid te verkrijgen, mat men op dit station nogmaals den tophoek van den laatsten meer zuidwaarts gemeten driehoek.Mokum was zeer verlangend den oever van het meer te bereiken, en had daarom slechts eene voorloopige legerplaats laten opslaan. Hij hoopte vóór den nacht het zoo zeer begeerde meer bereikt te hebben, maar hij verzuimde daarom geen der gewone voorzorgsmaatregelen, en liet den omtrek door eenige ruiters onderzoeken. Rechts en links verhief zich een kreupelbosch, dat men voorzichtigheidshalve moest verkennen. Sedert de antilopenjacht had men evenwel geen spoor van Makololo’s gezien, en deze schenen het opgegeven te hebben de karavaan te bespieden. Toch wilde de wantrouwende Boschjesman op zijne hoede en op alle gebeurtenissen verdacht zijn. Terwijl de jager aldus wacht hield, hielden de astronomen zich bezig met een nieuwen driehoek te meten. Volgens de opmetingen van William Emery zou deze driehoek hen bij den twintigsten parallel brengen, en dáár moest het uiteinde van den meridiaanboog zich bevinden, dien zij in dit gedeelte van Afrika waren komen opmeten. Nog slechts weinige opmetingen aan de overzijde van het meer, en waarschijnlijk zou dan het achtste gedeeltevan den meridiaan gemeten zijn. Door middel van eene op den grond gemeten nieuwe basis, moest men dan de gedane opmetingen narekenen, en het werk zou afgeloopen zijn. Men begrijpt dus met welk een ijver zij bezield waren nu zij op het punt waren hun omvangrijken arbeid te zien eindigen.En hoe hadden de Russen nu gedurende dien tijd van hunne zijde gewerkt? Sedert zes maanden waren de leden der internationale commissie van elkander gescheiden; maar waar bevonden zich nu Mathieu Strux, Michel Zorn en Nikolaas Palander? Hadden zij zoovele vermoeienissen doorgestaan als hunne Engelsche ambtgenooten? Hadden zij ook geleden door gebrek aan water, en door de moordende hitte van dit klimaat? Was misschien de streek, waardoor hun weg geloopen had, en die aanmerkelijk dichter bij den weg van David Livingstone gelegen was, minder droog en dor geweest? Misschien, want noordwaarts van Kolobeng bevonden zich rechts van den meridiaan dorpen als Schokuané, Schoschong en andere, waar de Russische karavaan zich van levensmiddelen had kunnen voorzien. Maar was het ook niet te vreezen dat in deze minder woeste en bij gevolg meer door roovers bezochte streken de kleine troep van Mathieu Strux vele gevaren geloopen had? Nu de Makololo’s de vervolging van de Engelschen schenen te hebben opgegeven, moest men misschien daaruit het besluit trekken, dat zij de Russen vervolgden.De kolonel, die altijd in zijn arbeid verdiept was, dacht niet meer aan die dingen of wilde zulks misschien niet, doch Murray en Emery spraken dikwijls over het lot van hunne vroegere makkers. Zouden zij hen ooit terug zien? Zouden de Russen in hunne onderneming slagen? Zouden zij hetzelfde wiskundig resultaat verkrijgen, dat is te zeggen, zou de waarde van een lengtegraad in dit gedeelte van Afrika voor beide commissiën dezelfde zijn, nu zij tegelijktertijd, maar elk afzonderlijk, een net van driehoeken gemeten hadden? En dan dacht Emery aan zijn vriend, wiens scheiding hem zooveel verdriet had gedaan, en die, dat wist hij, hem ook wel nimmer vergeten zou.Ondertusschen was het meten der hoeksafstanden begonnen. Om den hoek te verkrijgen, welks top gelegen was aan het station, waar men zich bevond, moest men het oog richten op twee signalen, van welke het een gevormd werd door den top van den Scorzef. Voor het andere signaal links van den meridiaan koos men een steil heuveltje dat slechts op vier kilometers afstands lag. Men bepaalde er de richting van door een der kijkers van den repetitie-cirkel.Zooals gezegd is, was de Scorzef betrekkelijk ver verwijderd; maar de astronomen hadden geene keuze, daar deze berg de eenige uitstekende punt in deze geheele streek was. Er verhief zich inderdaadgeene andere hoogte in het noorden of westen, evenmin aan de overzijde van het meer Ngami, dat men nog niet eens zien kon. De afstand van den Scorzef zoude de waarnemers noodzaken zich vrij ver aan de rechterzijde van den meridiaan te begeven, maar na rijp beraad begrepen zij anders te kunnen doen. Derhalve richtte men het oog nauwkeurig op den eenzaam staanden bergtop en de afwijking der beide kijkers van den repetitiecirkel, waardoor men de waarneming deed, gaf de wijdte van den hoek, dien men aan het station meten wilde en waarvan de beenen door den Scorzef en het heuveltje werden aangewezen. Om met nog grooter nauwkeurigheid te werken, herhaalde de kolonel zijne berekening twintig malen, door zijne kijkers evenveel malen op den repetitiecirkel te verplaatsen; op deze wijze deelde hij de fouten, die mogelijk bij het aflezen begaan waren, door twintig, en verkreeg zóó de grootte van den hoek met volkomen juistheid.Niettegenstaande het ongeduld der inlanders werden deze verschillende waarnemingen door den kalmen Everest met dezelfde zorg gedaan alsof hij op het observatorium te Cambridge zat. De geheele 21steFebruari ging op die wijze voorbij, en het was eerst bij het vallen van den avond tegen half zes dat het aflezen der graden moeilijk werd, waarom de kolonel zijne waarnemingen moest eindigen.»Ik ben tot uw dienst, Mokum,” zeide hij toen tot den Boschjesman.»Het is niet al te vroeg meer, kolonel,” antwoordde Mokum, »en ik vind het jammer dat u uw werk niet voor het vallen van den nacht hebt kunnen afkrijgen, want dan zouden wij getracht hebben ons kamp aan den oever van het meer over te brengen.”»Maar wie belet ons nog te vertrekken?” vroeg Everest. »Een afstand van vijftien kilometers, zelfs in de duisternis kan ons toch niet afschrikken? De weg loopt rechtuit, altijd door de vlakte, en wij behoeven niet bang te zijn om te verdwalen.”»Ja .... inderdaad ....”antwoordde de Boschjesman, die bij zich zelven scheen te overleggen, »misschien kunnen wij het wagen, hoewel ik liever bij klaarlichten dag door deze streek zou getrokken zijn! Onze manschappen willen gaarne vooruit en naar het zoete water van het meer, wij zullen dus vertrekken, kolonel.”»Zooals gij wilt, Mokum!” hernam de kolonel.Toen allen het plan hadden goedgekeurd, werden de ossen voor de wagens gespannen, de paarden bestegen, de instrumenten weder ingepakt, en toen de Boschjesman om zeven uren het sein tot vertrekken gaf, toog de karavaan, door den dorst geprikkeld, naar het meer Ngami op weg.Uit een zeker instinkt van veldontdekker had de Boschjesman de drie Europeanen verzocht hunne geweren mede te nemen enzich van amunitie te voorzien. Hij zelf droeg de buks, die Murray hem geschonken had, en had een genoegzamen voorraad patronen in de tasch.Geen helling zoo steil of een zeeman kan er op en af. Bladz. 164.Geen helling zoo steil of een zeeman kan er op en af. Bladz.164.Men ging op weg; het was stikdonker. Dikke wolken bedekten den hemel; evenwel was de lucht aan den gezichteinder vrij van wolken. Mokum, die zeer scherp zag, keek goed rond; eenige woorden door hem tegen Murray gezegd, bewezen dezen, dat de Boschjesman de streek als niet zeer veilig beschouwde; hij was dus van zijn kant ook op alles voorbereid.De karavaan trok aldus gedurende drie uren in noordelijke richting voort, maar had veel van afmatting en dorst te lijden, zoodat de reis niet snel ging. Men moest de achterblijvers dikwijls inwachten. Men vorderde slechts drie kilometers in het uur, en tegen tien uren ’s avonds was de kleine bende nog zes kilometers van het meer verwijderd. De beesten hijgden en konden door de drukkende hitte nauwelijks ademhalen. De dampkring was zoo droog, dat de gevoeligste vochtmeter er waarschijnlijk geen greintje vocht in zou gevonden hebben.Niettegenstaande de vermaningen van den Boschjesman, bleef de karavaan niet bij elkander; menschen en dieren vormden eene lange rij; eenige ossen, die geheel uitgeput waren, vielen op den grond neder. Ruiters zonder paarden sleepten zich met moeite voort en het zou aan de kleinste bende inlanders gemakkelijk gevallen zijn ze allen op te lichten. Mokum spaarde in zijn ongerustheid woorden noch daden; hij ging van den een naar den ander, trachtte te vergeefs de orde te herstellen, en zonder dat hij het bemerkt had, ontbrak reeds een gedeelte zijner manschappen.Om elf uren waren de drie voorste wagens nog slechts op drie kilometers van den Scorzef. Niettegenstaande de duisternis, kon men den alleen staanden berg vrij duidelijk zien, daar hij zich als eene reusachtige piramide verhief. Hij scheen door de duisternis nog dubbel zoo hoog als hij werkelijk was. Als Mokum zich niet bedroog, moest het meer zich achter die hoogte bevinden; men behoefde dus slechts om den berg heen te trekken om langs den kortsten weg deze watervlakte te bereiken.De Boschjesman stelde zich aan het hoofd der karavaan met de drie Europeanen, en hij wilde juist een weinig links aftrekken toen hij plotseling staan bleef op het hooren van zeer duidelijke, doch verwijderde schoten.De Engelschen hielden aanstonds hunne paarden in; zij luisterden met gemakkelijk te begrijpen angst. In een land, waar inlanders zich slechts van lansen en pijlen bedienen, moesten geweerschoten verwondering en angst verwekken.»Wat is dat?” vroeg de kolonel.»Geweerschoten!” antwoordde John Murray.»Geweerschoten?” riep Everest, »en in welke richting?”»Er worden geweerschoten op den top van den Scorzef gelost,”antwoordde Mokum. »Ik zie de flikkering van die schoten in deduisternis; men is daar aan het vechten! Het zijn zeker Makololo’s, die daar Europeanen aanvallen.”»Europeanen!” zeide William Emery.»Ja, mijnheer,” antwoordde Mokum. »Die luidruchtige schoten kunnen slechts door Europeesche geweren gelost worden, en ik zou haast zeggen dat het juistheidswapenen zijn.”»Zouden daar dan Europeanen zijn?...”De kolonel viel hem echter in de rede, en riep: »Mijne heeren, wie die Europeanen ook zijn mogen, wij moeten hun te hulp snellen!”»Ja, ja, zeker!” riep Emery, wiens hart als toegeknepen werd.Voordat hij op den berg aantrok, wilde de Boschjesman eerst zijne kleine bende voor de laatste maal verzamelen, daar een troep plunderaars hen anders onverwacht zou kunnen overvallen. Toen de jager evenwel naar de achterhoede reed, was de karavaan uit elkander gestoven, de paarden afgespannen, de wagens verlaten, en reeds vluchtten eenige mannen als schimmen naar het zuiden over de vlakte.»Die lafaards!” riep Mokum: »Dorst, vermoeienis, alles vergeten zij om te vluchten!” Zich daarop naar de Engelschen en hunne dappere matrozen wendende, zeide hij: »Komaan, vooruit dan maar!”De Europeanen snelden daarop met den jager in noordelijke richting en zetten hunne uitgeputte paarden zooveel mogelijk aan. Twintig minuten daarna hoorde men duidelijk het krijgsgeschreeuw der Makololo’s. Men kon nog niet nagaan hoe groot hun aantal was. Die inlandsche roovers deden waarschijnlijk een aanval op den Scorzef van welks top het geweervuur flikkerde. Men zag geheele benden naar den top klimmen.Weldra waren de kolonel en zijne makkers in de onmiddellijke nabijheid der aanvallers; zij stegen van hunne uitgeputte paarden en vuurden onder een vreeselijk hoerah, dat de belegerden moesten kunnen hooren, hunne geweren op de menigte inboorlingen af. Toen zij de snel op elkander volgende schoten van de achterladers hoorden, meenden de Makololo’s dat zij door eene groote bende werden aangevallen. Deze plotselinge aanval verraste hen, en zij trokken terug voordat zij van hunne pijlen en lansen gebruik hadden gemaakt.Zonder een oogenblik te verliezen, laadden en schoten de Engelschen zonder ophouden, en wierpen zich op den troep plunderaars. Reeds lagen een vijftiental lijken op den grond. De Makololo’s stoven uit elkander; de Europeanen drongen in de gemaakte opening door, en de meest nabijzijnde inlanders omverwerpende, trokken zij achterwaarts tegen de helling van den berg op. In tien minuten hadden zij den top bereikt, die in de duisternis bijna onzichtbaarwas. De belegerden hadden intusschen het vuren gestaakt, uit vrees dat zij hen konden treffen, die hun zoo onverwachts te hulp kwamen. En die belegerden waren de Russen! Zij waren daar allen, Mathieu Strux, Nikolaas Palander, Michel Zorn en hunne vijf matrozen. Doch van de inlanders, die vroeger hunne karavaan vormden, was niemand anders dan de trouwe gids over. Die ellendige Boschjesmannen hadden ook hen op het oogenblik des gevaars verlaten.Toen de kolonel verscheen, sprong Mathieu Strux boven van het kleine muurtje, dat den top van den Scorzef omringde.»Gij mijne heeren Engelschen!” riep de astronoom van Pulkowa.»Wij zelve, mijne heeren Russen,” antwoordde de kolonel op ernstigen toon. »Maar hier zijn geen Russen of Engelschen! Er zijn slechts Europeanen vereenigd om zich te verdedigen!”
XVIII.De woestijn.
Het was inderdaad de woestijn, die zich nu voor de reizigers uitstrekte, en toen den 25stenDecember kolonel Everest en de zijnen,na het meten van een nieuwen graad van den meridiaan, en van hun achtenveertigsten driehoek, op de noordgrens derkarroukwamen, zagen zij geen onderscheid tusschen de streek, die zij verlieten enhet dorre en verbrande land dat zij zouden doorreizen. De last- en trekdieren van de karavaan hadden veel te lijden door het gebrek aan gras; er was ook gebrek aan water; de laatste regendroppels waren in de poelen opgedroogd; die met klei en zand vermengde grond was ter bebouwing zeer ongeschikt. De gevallen regen sijpelt door het zand, en verdwijnt bijna geheel van den grond, die met zandsteen bedekt is en waarop geen vocht duren kan.»Ngami, Ngami!” Blz. 154.»Ngami, Ngami!” Blz.154.Dit was een van die drooge streken, door welke dokter Livingstone gedurende zijne avontuurlijke tochten meermalen heentrok. Niet alléén was de grond, maar ook de lucht zóó droog, dat ijzeren voorwerpen, die in de openlucht bleven liggen, niet verroestten. Volgens het verhaal van den geleerden reiziger, waren de bladeren der boomen gerimpeld en slap; midden op den dag bleven de bladeren der mimosa’s gesloten alsof het nacht was; de kevers en torren, die op den grond lagen, waren binnen weinige seconden dood; de bol van een thermometer, die drie decimeters diep in den grond gegraven werd, wees 134° Fahrenheit (56° C.)Evenals zekere streken van zuidelijk Afrika zich akelig dor en droog aan het oog van den beroemden reiziger voordeden, evenzoo vertoonde zich ook de bodem tusschen dekarrouen het meer Ngami aan de blikken der Engelsche sterrekundigen. Hunne vermoeienis was groot, hun lijden onuitstaanbaar, vooral door het gebrek aan water. Dit gebrek hinderde nog veel erger de trekdieren, die ter nauwernood zich met het weinige drooge en bestoven gras konden voeden. Bovendien was deze uitgestrekte streek eene woestijn, niet alleen door hare droogte, maar ook omdat er zich geen enkel levend wezen in waagde. De vogels waren over de Zambese gevlucht om er boomen en bloemen te vinden. Wilde dieren waagden zich niet op deze vlakte die hun geen voedsel aanbood. Gedurende de eerste helft van Januari zagen de jagers van de karavaan slechts twee of drie paren van die antilopen, die verscheidene weken zonder drinken kunnen leven; het waren onder anderen van die soort, welke John Murray zoo hadden teleurgesteld, en caäma’s met zachte oogen en aschgrauwe huid met gele vlekken; deze laatste waren onschuldige dieren, zeer gezocht om het lekkere vleesch, die dorre vlakten schenen te verkiezen boven de weilanden van vruchtbare streken.Door het dagelijksch voorttrekken onder de gloeiend heete zon, in een atmosfeer die geen zweem van vocht bevatte, door hunne in eene onuitstaanbaar hooge temperatuur dag en nacht voortgezette geodesische werkzaamheden, werden de astronomen al meer en meer afgemat. Hun watervoorraad, die in vaatjes bewaard werd, begon te verminderen. Zij hadden zich reeds op rantsoen gesteld, en leden daardoor veel. Evenwel waren hun ijver en hun moed zóó groot, dat zij moeite en gebrek verachtten en geen enkel onderdeel van hun uitgebreiden en nauwkeurigen arbeid verwaarloosden. Den 25stenJanuari was een zevende gedeelte van den meridiaan, dat een nieuwen graad omvatte, berekend door middel van negen nieuwe driehoeken, waardoor het getal tot nog toe berekende driehoeken tot zevenenvijftig geklommen was. De astronomen hadden nog slechts een gedeelte van de woestijn door te trekken, en volgens de meening van den Boschjesman moesten zij vóór het einde van Januari het meer Ngami bereiken. De kolonel en zijne makkers konden voor zich zelven best instaan, en het zóólang uithouden.Maar de mannen van het geleide, de Boschjesmannen, die door dezen ijver niet werden aangezet, huurlingen, wier belang niets te maken had met het wetenschappelijk doel der onderneming, inboorlingen, die niet bijzonder geneigd waren verder voort te trekken, deze waren slecht bestand tegen de vermoeienissen van den tocht. Zij hadden veel te lijden door gebrek aan water. Reeds had men eenige door honger en dorst uitgeputte lastdieren achter moeten laten, en het was te vreezen dat dit getal dagelijks zou toenemen. Met de afmatting namen gemor en verwijten ook toe. De taak van Mokum werd zeer moeilijk en zijn invloed nam merkbaar af.Weldra was het duidelijk dat het gebrek aan water een onoverkomelijke hinderpaal worden zou, dat men niet verder noordwaarts trekken moest, maar links of rechts van den meridiaan achteruitgaan, op het gevaar af van de Russische astronomen te ontmoeten, om op die wijze de dorpen te bereiken, die in minder dorre streken op den weg van David Livingstone gevonden werden.Den 15denFebruari deelde de Boschjesman aan den kolonel mede, dat de moeilijkheden waartegen men te vergeefs worstelde voortdurend toenamen. De wagenleiders weigerden reeds hem te gehoorzamen. Elken morgen waren het bij het opbreken der legerplaats tooneelen van verzet, waaraan de meeste inboorlingen deelnamen. Het is zeker dat deze ongelukkigen, door hitte afgemat en door dorst gekweld er werkelijk ellendig aan toe waren. Bovendien wilden ossen en paarden, die zeer slecht en karig voêr en bijna geen water kregen, niet meer voort.De kolonel was zich den toestand volkomen bewust. Maar hardvochtig voor zich zelven, was hij het ook voor anderen. Hij wilde de driehoeksmeting op geenerleiwijze schorsen en verklaarde, dat al was hij alléén, hij vooruit zou trekken. Overigens spraken zijne ambtgenooten evenals hij, en zij waren gereed hem te volgen, hoe ver hij ook gaan wilde.Door nieuwe pogingen verkreeg de Boschjesman van de inboorlingen, dat zij hem nog eenigen tijd zouden volgen. Volgens zijne meening was de karavaan niet meer dan vijf of zes dagen van het Ngami-meer verwijderd. Dáár zouden ossen en paarden versche weiden en schaduwrijke bosschen vinden, dáár zouden de mannen een geheel meer van zoet water ontmoeten om zich te verfrisschen. Mokumwees de voornaamste Boschjesmannen op dit vooruitzicht. Hij bewees hen dat om levensvoorraad te krijgen, het beste was naar het noorden te trekken. Inderdaad, als men westwaarts ging, dan was zulks in het wilde voorttrekken; achterwaarts zou men weder in dekarroukomen, waar alle beken thans wel uitgedroogd zouden zijn. Eindelijk lieten de inlanders zich door al deze redenen en verzoeken overhalen, en de bijna uitgeputte karavaan hernam haar tocht naar het meer Ngami.Gelukkig werden de geodesische opmetingen in deze uitgestrekte vlakte door middel van palen en andere seinen gemakkelijk volbracht. Om tijd te winnen werkten de astronomen dag en nacht; door het licht van electrische lampen geleid, konden zij de hoeken op de nauwkeurigste wijze meten.Het werk ging dus met eenheid en orde voort, en het net van driehoeken werd hoe langer hoe grooter. Den 16denJanuari meende de karavaan een oogenblik dat zij eindelijk water in overvloed zoude krijgen; men zag namelijk aan den gezichteinder een meertje van een paar kilometers breed. Men kan begrijpen dat deze tijding met groote vreugde begroet werd; de geheele karavaan trok zoo snel mogelijk in de aangewezen richting voort naar eene vrij uitgestrekte watervlakte, die in de zonnestralen schitterde.Tegen vijf uren ’s avonds bereikte men het meer. Eenige paarden rukten zich van hunne geleiders los en galoppeerden naar het zoozeer begeerde water. Zij roken het, zij ademden het in, en weldra kon men zien dat zij er tot aan de borst toe insprongen. Doch de dieren kwamen spoedig weder op den oever. Zij hadden hun dorst niet kunnen lesschen, en toen de Boschjesmannen er bij kwamen vonden zij het water met zooveel zoutdeelen bezwangerd, dat zij het niet konden drinken.De teleurstelling, men kan bijna zeggen, de wanhoop was groot. Niets is wreeder dan bedrogen verwachting! Mokum meende dat men nu de hoop moest opgeven om de inlanders nog verder te voeren. Het was gelukkig voor de toekomst der onderneming, dat de karavaan zich dichter bij het meer Ngami en de zijtakken van de Zambese bevond, dan bij eenige andere streek waar drinkbaar water te vinden was. Aller behoud hing dus van hunne voorwaartsche beweging af. In vier dagen zou de karavaan aan de oevers van het meer zijn, als de geodesische opmetingen door niets vertraagd werden.Men vertrok weder. De kolonel maakte van de gesteldheid van den grond gebruik, en mat driehoeken van zulke groote afmeting, dat het plaatsen van seinpalen daardoor minder dikwijls noodig was. Daar men vooral gedurende heldere nachten werkte, konden de lichtsignalen bijzonder goed gezien, en met den theodoliet of met den cirkel van Borda hoogst nauwkeurig opgenomen worden. Hierdoor won men tegelijk tijd en krachten uit. Maar dat is zeker dat het voordie moedige en met wetenschappelijken ijver bezielde geleerden, voor de inlanders, die onder een vreeselijk klimaat van dorst bijna omkwamen, en voor de lastdieren, die de karavaan met zich voerde,hoog tijd werd het meer te bereiken. Geen levend wezen zou onder zulke omstandigheden den tocht nog veertien dagen hebben volgehouden.Zij wierpen zich op den troep plunderaars. Blz. 159.Zij wierpen zich op den troep plunderaars. Blz.159.Den 21stenJanuari begon de vlakke bodem eenigszins te veranderen; hij werd hobbelig en oneffen. Tegen tien uren ’s morgens zag men in het noordwesten op een afstand van ongeveer vijftien kilometers een heuvel van 5 of 600 voet. Het was de berg Scorzef.DeBoschjesmankeek nauwkeurig om zich heen, nam de plaats op, en zeide naar het noorden wijzende:»Daar is het meer!”»Ngami, Ngami!” juichten de inlanders, en gaven luidruchtige teekenen van vreugde.De Boschjesmannen wilden voorwaarts en den afstand die hen nog van het meer scheidde, in één ren doorloopen. Maar het gelukte den jager ze tegen te houden, daar hij hen deed opmerken dat het in eene door Makololo’s onveilig gemaakte streek van belang was bij elkander te blijven.Daar de kolonel de aankomst van zijn kleinen troep aan het Ngami-meer wilde bespoedigen, besloot hij het station, waar hij zich bevond, onmiddellijk met den Scorzef door een enkelen driehoek te verbinden. Men kon den zeer steilen bergtop gemakkelijk zien, en deze was dus zeer geschikt voor eene waarneming; men behoefde derhalve den nacht niet af te wachten, en het was onnoodig eene afdeeling matrozen en inlanders vooruit te zenden om een licht op den Scorzef te ontsteken.De instrumenten werden dus gesteld, en om grooter nauwkeurigheid te verkrijgen, mat men op dit station nogmaals den tophoek van den laatsten meer zuidwaarts gemeten driehoek.Mokum was zeer verlangend den oever van het meer te bereiken, en had daarom slechts eene voorloopige legerplaats laten opslaan. Hij hoopte vóór den nacht het zoo zeer begeerde meer bereikt te hebben, maar hij verzuimde daarom geen der gewone voorzorgsmaatregelen, en liet den omtrek door eenige ruiters onderzoeken. Rechts en links verhief zich een kreupelbosch, dat men voorzichtigheidshalve moest verkennen. Sedert de antilopenjacht had men evenwel geen spoor van Makololo’s gezien, en deze schenen het opgegeven te hebben de karavaan te bespieden. Toch wilde de wantrouwende Boschjesman op zijne hoede en op alle gebeurtenissen verdacht zijn. Terwijl de jager aldus wacht hield, hielden de astronomen zich bezig met een nieuwen driehoek te meten. Volgens de opmetingen van William Emery zou deze driehoek hen bij den twintigsten parallel brengen, en dáár moest het uiteinde van den meridiaanboog zich bevinden, dien zij in dit gedeelte van Afrika waren komen opmeten. Nog slechts weinige opmetingen aan de overzijde van het meer, en waarschijnlijk zou dan het achtste gedeeltevan den meridiaan gemeten zijn. Door middel van eene op den grond gemeten nieuwe basis, moest men dan de gedane opmetingen narekenen, en het werk zou afgeloopen zijn. Men begrijpt dus met welk een ijver zij bezield waren nu zij op het punt waren hun omvangrijken arbeid te zien eindigen.En hoe hadden de Russen nu gedurende dien tijd van hunne zijde gewerkt? Sedert zes maanden waren de leden der internationale commissie van elkander gescheiden; maar waar bevonden zich nu Mathieu Strux, Michel Zorn en Nikolaas Palander? Hadden zij zoovele vermoeienissen doorgestaan als hunne Engelsche ambtgenooten? Hadden zij ook geleden door gebrek aan water, en door de moordende hitte van dit klimaat? Was misschien de streek, waardoor hun weg geloopen had, en die aanmerkelijk dichter bij den weg van David Livingstone gelegen was, minder droog en dor geweest? Misschien, want noordwaarts van Kolobeng bevonden zich rechts van den meridiaan dorpen als Schokuané, Schoschong en andere, waar de Russische karavaan zich van levensmiddelen had kunnen voorzien. Maar was het ook niet te vreezen dat in deze minder woeste en bij gevolg meer door roovers bezochte streken de kleine troep van Mathieu Strux vele gevaren geloopen had? Nu de Makololo’s de vervolging van de Engelschen schenen te hebben opgegeven, moest men misschien daaruit het besluit trekken, dat zij de Russen vervolgden.De kolonel, die altijd in zijn arbeid verdiept was, dacht niet meer aan die dingen of wilde zulks misschien niet, doch Murray en Emery spraken dikwijls over het lot van hunne vroegere makkers. Zouden zij hen ooit terug zien? Zouden de Russen in hunne onderneming slagen? Zouden zij hetzelfde wiskundig resultaat verkrijgen, dat is te zeggen, zou de waarde van een lengtegraad in dit gedeelte van Afrika voor beide commissiën dezelfde zijn, nu zij tegelijktertijd, maar elk afzonderlijk, een net van driehoeken gemeten hadden? En dan dacht Emery aan zijn vriend, wiens scheiding hem zooveel verdriet had gedaan, en die, dat wist hij, hem ook wel nimmer vergeten zou.Ondertusschen was het meten der hoeksafstanden begonnen. Om den hoek te verkrijgen, welks top gelegen was aan het station, waar men zich bevond, moest men het oog richten op twee signalen, van welke het een gevormd werd door den top van den Scorzef. Voor het andere signaal links van den meridiaan koos men een steil heuveltje dat slechts op vier kilometers afstands lag. Men bepaalde er de richting van door een der kijkers van den repetitie-cirkel.Zooals gezegd is, was de Scorzef betrekkelijk ver verwijderd; maar de astronomen hadden geene keuze, daar deze berg de eenige uitstekende punt in deze geheele streek was. Er verhief zich inderdaadgeene andere hoogte in het noorden of westen, evenmin aan de overzijde van het meer Ngami, dat men nog niet eens zien kon. De afstand van den Scorzef zoude de waarnemers noodzaken zich vrij ver aan de rechterzijde van den meridiaan te begeven, maar na rijp beraad begrepen zij anders te kunnen doen. Derhalve richtte men het oog nauwkeurig op den eenzaam staanden bergtop en de afwijking der beide kijkers van den repetitiecirkel, waardoor men de waarneming deed, gaf de wijdte van den hoek, dien men aan het station meten wilde en waarvan de beenen door den Scorzef en het heuveltje werden aangewezen. Om met nog grooter nauwkeurigheid te werken, herhaalde de kolonel zijne berekening twintig malen, door zijne kijkers evenveel malen op den repetitiecirkel te verplaatsen; op deze wijze deelde hij de fouten, die mogelijk bij het aflezen begaan waren, door twintig, en verkreeg zóó de grootte van den hoek met volkomen juistheid.Niettegenstaande het ongeduld der inlanders werden deze verschillende waarnemingen door den kalmen Everest met dezelfde zorg gedaan alsof hij op het observatorium te Cambridge zat. De geheele 21steFebruari ging op die wijze voorbij, en het was eerst bij het vallen van den avond tegen half zes dat het aflezen der graden moeilijk werd, waarom de kolonel zijne waarnemingen moest eindigen.»Ik ben tot uw dienst, Mokum,” zeide hij toen tot den Boschjesman.»Het is niet al te vroeg meer, kolonel,” antwoordde Mokum, »en ik vind het jammer dat u uw werk niet voor het vallen van den nacht hebt kunnen afkrijgen, want dan zouden wij getracht hebben ons kamp aan den oever van het meer over te brengen.”»Maar wie belet ons nog te vertrekken?” vroeg Everest. »Een afstand van vijftien kilometers, zelfs in de duisternis kan ons toch niet afschrikken? De weg loopt rechtuit, altijd door de vlakte, en wij behoeven niet bang te zijn om te verdwalen.”»Ja .... inderdaad ....”antwoordde de Boschjesman, die bij zich zelven scheen te overleggen, »misschien kunnen wij het wagen, hoewel ik liever bij klaarlichten dag door deze streek zou getrokken zijn! Onze manschappen willen gaarne vooruit en naar het zoete water van het meer, wij zullen dus vertrekken, kolonel.”»Zooals gij wilt, Mokum!” hernam de kolonel.Toen allen het plan hadden goedgekeurd, werden de ossen voor de wagens gespannen, de paarden bestegen, de instrumenten weder ingepakt, en toen de Boschjesman om zeven uren het sein tot vertrekken gaf, toog de karavaan, door den dorst geprikkeld, naar het meer Ngami op weg.Uit een zeker instinkt van veldontdekker had de Boschjesman de drie Europeanen verzocht hunne geweren mede te nemen enzich van amunitie te voorzien. Hij zelf droeg de buks, die Murray hem geschonken had, en had een genoegzamen voorraad patronen in de tasch.Geen helling zoo steil of een zeeman kan er op en af. Bladz. 164.Geen helling zoo steil of een zeeman kan er op en af. Bladz.164.Men ging op weg; het was stikdonker. Dikke wolken bedekten den hemel; evenwel was de lucht aan den gezichteinder vrij van wolken. Mokum, die zeer scherp zag, keek goed rond; eenige woorden door hem tegen Murray gezegd, bewezen dezen, dat de Boschjesman de streek als niet zeer veilig beschouwde; hij was dus van zijn kant ook op alles voorbereid.De karavaan trok aldus gedurende drie uren in noordelijke richting voort, maar had veel van afmatting en dorst te lijden, zoodat de reis niet snel ging. Men moest de achterblijvers dikwijls inwachten. Men vorderde slechts drie kilometers in het uur, en tegen tien uren ’s avonds was de kleine bende nog zes kilometers van het meer verwijderd. De beesten hijgden en konden door de drukkende hitte nauwelijks ademhalen. De dampkring was zoo droog, dat de gevoeligste vochtmeter er waarschijnlijk geen greintje vocht in zou gevonden hebben.Niettegenstaande de vermaningen van den Boschjesman, bleef de karavaan niet bij elkander; menschen en dieren vormden eene lange rij; eenige ossen, die geheel uitgeput waren, vielen op den grond neder. Ruiters zonder paarden sleepten zich met moeite voort en het zou aan de kleinste bende inlanders gemakkelijk gevallen zijn ze allen op te lichten. Mokum spaarde in zijn ongerustheid woorden noch daden; hij ging van den een naar den ander, trachtte te vergeefs de orde te herstellen, en zonder dat hij het bemerkt had, ontbrak reeds een gedeelte zijner manschappen.Om elf uren waren de drie voorste wagens nog slechts op drie kilometers van den Scorzef. Niettegenstaande de duisternis, kon men den alleen staanden berg vrij duidelijk zien, daar hij zich als eene reusachtige piramide verhief. Hij scheen door de duisternis nog dubbel zoo hoog als hij werkelijk was. Als Mokum zich niet bedroog, moest het meer zich achter die hoogte bevinden; men behoefde dus slechts om den berg heen te trekken om langs den kortsten weg deze watervlakte te bereiken.De Boschjesman stelde zich aan het hoofd der karavaan met de drie Europeanen, en hij wilde juist een weinig links aftrekken toen hij plotseling staan bleef op het hooren van zeer duidelijke, doch verwijderde schoten.De Engelschen hielden aanstonds hunne paarden in; zij luisterden met gemakkelijk te begrijpen angst. In een land, waar inlanders zich slechts van lansen en pijlen bedienen, moesten geweerschoten verwondering en angst verwekken.»Wat is dat?” vroeg de kolonel.»Geweerschoten!” antwoordde John Murray.»Geweerschoten?” riep Everest, »en in welke richting?”»Er worden geweerschoten op den top van den Scorzef gelost,”antwoordde Mokum. »Ik zie de flikkering van die schoten in deduisternis; men is daar aan het vechten! Het zijn zeker Makololo’s, die daar Europeanen aanvallen.”»Europeanen!” zeide William Emery.»Ja, mijnheer,” antwoordde Mokum. »Die luidruchtige schoten kunnen slechts door Europeesche geweren gelost worden, en ik zou haast zeggen dat het juistheidswapenen zijn.”»Zouden daar dan Europeanen zijn?...”De kolonel viel hem echter in de rede, en riep: »Mijne heeren, wie die Europeanen ook zijn mogen, wij moeten hun te hulp snellen!”»Ja, ja, zeker!” riep Emery, wiens hart als toegeknepen werd.Voordat hij op den berg aantrok, wilde de Boschjesman eerst zijne kleine bende voor de laatste maal verzamelen, daar een troep plunderaars hen anders onverwacht zou kunnen overvallen. Toen de jager evenwel naar de achterhoede reed, was de karavaan uit elkander gestoven, de paarden afgespannen, de wagens verlaten, en reeds vluchtten eenige mannen als schimmen naar het zuiden over de vlakte.»Die lafaards!” riep Mokum: »Dorst, vermoeienis, alles vergeten zij om te vluchten!” Zich daarop naar de Engelschen en hunne dappere matrozen wendende, zeide hij: »Komaan, vooruit dan maar!”De Europeanen snelden daarop met den jager in noordelijke richting en zetten hunne uitgeputte paarden zooveel mogelijk aan. Twintig minuten daarna hoorde men duidelijk het krijgsgeschreeuw der Makololo’s. Men kon nog niet nagaan hoe groot hun aantal was. Die inlandsche roovers deden waarschijnlijk een aanval op den Scorzef van welks top het geweervuur flikkerde. Men zag geheele benden naar den top klimmen.Weldra waren de kolonel en zijne makkers in de onmiddellijke nabijheid der aanvallers; zij stegen van hunne uitgeputte paarden en vuurden onder een vreeselijk hoerah, dat de belegerden moesten kunnen hooren, hunne geweren op de menigte inboorlingen af. Toen zij de snel op elkander volgende schoten van de achterladers hoorden, meenden de Makololo’s dat zij door eene groote bende werden aangevallen. Deze plotselinge aanval verraste hen, en zij trokken terug voordat zij van hunne pijlen en lansen gebruik hadden gemaakt.Zonder een oogenblik te verliezen, laadden en schoten de Engelschen zonder ophouden, en wierpen zich op den troep plunderaars. Reeds lagen een vijftiental lijken op den grond. De Makololo’s stoven uit elkander; de Europeanen drongen in de gemaakte opening door, en de meest nabijzijnde inlanders omverwerpende, trokken zij achterwaarts tegen de helling van den berg op. In tien minuten hadden zij den top bereikt, die in de duisternis bijna onzichtbaarwas. De belegerden hadden intusschen het vuren gestaakt, uit vrees dat zij hen konden treffen, die hun zoo onverwachts te hulp kwamen. En die belegerden waren de Russen! Zij waren daar allen, Mathieu Strux, Nikolaas Palander, Michel Zorn en hunne vijf matrozen. Doch van de inlanders, die vroeger hunne karavaan vormden, was niemand anders dan de trouwe gids over. Die ellendige Boschjesmannen hadden ook hen op het oogenblik des gevaars verlaten.Toen de kolonel verscheen, sprong Mathieu Strux boven van het kleine muurtje, dat den top van den Scorzef omringde.»Gij mijne heeren Engelschen!” riep de astronoom van Pulkowa.»Wij zelve, mijne heeren Russen,” antwoordde de kolonel op ernstigen toon. »Maar hier zijn geen Russen of Engelschen! Er zijn slechts Europeanen vereenigd om zich te verdedigen!”
Het was inderdaad de woestijn, die zich nu voor de reizigers uitstrekte, en toen den 25stenDecember kolonel Everest en de zijnen,na het meten van een nieuwen graad van den meridiaan, en van hun achtenveertigsten driehoek, op de noordgrens derkarroukwamen, zagen zij geen onderscheid tusschen de streek, die zij verlieten enhet dorre en verbrande land dat zij zouden doorreizen. De last- en trekdieren van de karavaan hadden veel te lijden door het gebrek aan gras; er was ook gebrek aan water; de laatste regendroppels waren in de poelen opgedroogd; die met klei en zand vermengde grond was ter bebouwing zeer ongeschikt. De gevallen regen sijpelt door het zand, en verdwijnt bijna geheel van den grond, die met zandsteen bedekt is en waarop geen vocht duren kan.
»Ngami, Ngami!” Blz. 154.»Ngami, Ngami!” Blz.154.
»Ngami, Ngami!” Blz.154.
Dit was een van die drooge streken, door welke dokter Livingstone gedurende zijne avontuurlijke tochten meermalen heentrok. Niet alléén was de grond, maar ook de lucht zóó droog, dat ijzeren voorwerpen, die in de openlucht bleven liggen, niet verroestten. Volgens het verhaal van den geleerden reiziger, waren de bladeren der boomen gerimpeld en slap; midden op den dag bleven de bladeren der mimosa’s gesloten alsof het nacht was; de kevers en torren, die op den grond lagen, waren binnen weinige seconden dood; de bol van een thermometer, die drie decimeters diep in den grond gegraven werd, wees 134° Fahrenheit (56° C.)
Evenals zekere streken van zuidelijk Afrika zich akelig dor en droog aan het oog van den beroemden reiziger voordeden, evenzoo vertoonde zich ook de bodem tusschen dekarrouen het meer Ngami aan de blikken der Engelsche sterrekundigen. Hunne vermoeienis was groot, hun lijden onuitstaanbaar, vooral door het gebrek aan water. Dit gebrek hinderde nog veel erger de trekdieren, die ter nauwernood zich met het weinige drooge en bestoven gras konden voeden. Bovendien was deze uitgestrekte streek eene woestijn, niet alleen door hare droogte, maar ook omdat er zich geen enkel levend wezen in waagde. De vogels waren over de Zambese gevlucht om er boomen en bloemen te vinden. Wilde dieren waagden zich niet op deze vlakte die hun geen voedsel aanbood. Gedurende de eerste helft van Januari zagen de jagers van de karavaan slechts twee of drie paren van die antilopen, die verscheidene weken zonder drinken kunnen leven; het waren onder anderen van die soort, welke John Murray zoo hadden teleurgesteld, en caäma’s met zachte oogen en aschgrauwe huid met gele vlekken; deze laatste waren onschuldige dieren, zeer gezocht om het lekkere vleesch, die dorre vlakten schenen te verkiezen boven de weilanden van vruchtbare streken.
Door het dagelijksch voorttrekken onder de gloeiend heete zon, in een atmosfeer die geen zweem van vocht bevatte, door hunne in eene onuitstaanbaar hooge temperatuur dag en nacht voortgezette geodesische werkzaamheden, werden de astronomen al meer en meer afgemat. Hun watervoorraad, die in vaatjes bewaard werd, begon te verminderen. Zij hadden zich reeds op rantsoen gesteld, en leden daardoor veel. Evenwel waren hun ijver en hun moed zóó groot, dat zij moeite en gebrek verachtten en geen enkel onderdeel van hun uitgebreiden en nauwkeurigen arbeid verwaarloosden. Den 25stenJanuari was een zevende gedeelte van den meridiaan, dat een nieuwen graad omvatte, berekend door middel van negen nieuwe driehoeken, waardoor het getal tot nog toe berekende driehoeken tot zevenenvijftig geklommen was. De astronomen hadden nog slechts een gedeelte van de woestijn door te trekken, en volgens de meening van den Boschjesman moesten zij vóór het einde van Januari het meer Ngami bereiken. De kolonel en zijne makkers konden voor zich zelven best instaan, en het zóólang uithouden.
Maar de mannen van het geleide, de Boschjesmannen, die door dezen ijver niet werden aangezet, huurlingen, wier belang niets te maken had met het wetenschappelijk doel der onderneming, inboorlingen, die niet bijzonder geneigd waren verder voort te trekken, deze waren slecht bestand tegen de vermoeienissen van den tocht. Zij hadden veel te lijden door gebrek aan water. Reeds had men eenige door honger en dorst uitgeputte lastdieren achter moeten laten, en het was te vreezen dat dit getal dagelijks zou toenemen. Met de afmatting namen gemor en verwijten ook toe. De taak van Mokum werd zeer moeilijk en zijn invloed nam merkbaar af.
Weldra was het duidelijk dat het gebrek aan water een onoverkomelijke hinderpaal worden zou, dat men niet verder noordwaarts trekken moest, maar links of rechts van den meridiaan achteruitgaan, op het gevaar af van de Russische astronomen te ontmoeten, om op die wijze de dorpen te bereiken, die in minder dorre streken op den weg van David Livingstone gevonden werden.
Den 15denFebruari deelde de Boschjesman aan den kolonel mede, dat de moeilijkheden waartegen men te vergeefs worstelde voortdurend toenamen. De wagenleiders weigerden reeds hem te gehoorzamen. Elken morgen waren het bij het opbreken der legerplaats tooneelen van verzet, waaraan de meeste inboorlingen deelnamen. Het is zeker dat deze ongelukkigen, door hitte afgemat en door dorst gekweld er werkelijk ellendig aan toe waren. Bovendien wilden ossen en paarden, die zeer slecht en karig voêr en bijna geen water kregen, niet meer voort.
De kolonel was zich den toestand volkomen bewust. Maar hardvochtig voor zich zelven, was hij het ook voor anderen. Hij wilde de driehoeksmeting op geenerleiwijze schorsen en verklaarde, dat al was hij alléén, hij vooruit zou trekken. Overigens spraken zijne ambtgenooten evenals hij, en zij waren gereed hem te volgen, hoe ver hij ook gaan wilde.
Door nieuwe pogingen verkreeg de Boschjesman van de inboorlingen, dat zij hem nog eenigen tijd zouden volgen. Volgens zijne meening was de karavaan niet meer dan vijf of zes dagen van het Ngami-meer verwijderd. Dáár zouden ossen en paarden versche weiden en schaduwrijke bosschen vinden, dáár zouden de mannen een geheel meer van zoet water ontmoeten om zich te verfrisschen. Mokumwees de voornaamste Boschjesmannen op dit vooruitzicht. Hij bewees hen dat om levensvoorraad te krijgen, het beste was naar het noorden te trekken. Inderdaad, als men westwaarts ging, dan was zulks in het wilde voorttrekken; achterwaarts zou men weder in dekarroukomen, waar alle beken thans wel uitgedroogd zouden zijn. Eindelijk lieten de inlanders zich door al deze redenen en verzoeken overhalen, en de bijna uitgeputte karavaan hernam haar tocht naar het meer Ngami.
Gelukkig werden de geodesische opmetingen in deze uitgestrekte vlakte door middel van palen en andere seinen gemakkelijk volbracht. Om tijd te winnen werkten de astronomen dag en nacht; door het licht van electrische lampen geleid, konden zij de hoeken op de nauwkeurigste wijze meten.
Het werk ging dus met eenheid en orde voort, en het net van driehoeken werd hoe langer hoe grooter. Den 16denJanuari meende de karavaan een oogenblik dat zij eindelijk water in overvloed zoude krijgen; men zag namelijk aan den gezichteinder een meertje van een paar kilometers breed. Men kan begrijpen dat deze tijding met groote vreugde begroet werd; de geheele karavaan trok zoo snel mogelijk in de aangewezen richting voort naar eene vrij uitgestrekte watervlakte, die in de zonnestralen schitterde.
Tegen vijf uren ’s avonds bereikte men het meer. Eenige paarden rukten zich van hunne geleiders los en galoppeerden naar het zoozeer begeerde water. Zij roken het, zij ademden het in, en weldra kon men zien dat zij er tot aan de borst toe insprongen. Doch de dieren kwamen spoedig weder op den oever. Zij hadden hun dorst niet kunnen lesschen, en toen de Boschjesmannen er bij kwamen vonden zij het water met zooveel zoutdeelen bezwangerd, dat zij het niet konden drinken.
De teleurstelling, men kan bijna zeggen, de wanhoop was groot. Niets is wreeder dan bedrogen verwachting! Mokum meende dat men nu de hoop moest opgeven om de inlanders nog verder te voeren. Het was gelukkig voor de toekomst der onderneming, dat de karavaan zich dichter bij het meer Ngami en de zijtakken van de Zambese bevond, dan bij eenige andere streek waar drinkbaar water te vinden was. Aller behoud hing dus van hunne voorwaartsche beweging af. In vier dagen zou de karavaan aan de oevers van het meer zijn, als de geodesische opmetingen door niets vertraagd werden.
Men vertrok weder. De kolonel maakte van de gesteldheid van den grond gebruik, en mat driehoeken van zulke groote afmeting, dat het plaatsen van seinpalen daardoor minder dikwijls noodig was. Daar men vooral gedurende heldere nachten werkte, konden de lichtsignalen bijzonder goed gezien, en met den theodoliet of met den cirkel van Borda hoogst nauwkeurig opgenomen worden. Hierdoor won men tegelijk tijd en krachten uit. Maar dat is zeker dat het voordie moedige en met wetenschappelijken ijver bezielde geleerden, voor de inlanders, die onder een vreeselijk klimaat van dorst bijna omkwamen, en voor de lastdieren, die de karavaan met zich voerde,hoog tijd werd het meer te bereiken. Geen levend wezen zou onder zulke omstandigheden den tocht nog veertien dagen hebben volgehouden.
Zij wierpen zich op den troep plunderaars. Blz. 159.Zij wierpen zich op den troep plunderaars. Blz.159.
Zij wierpen zich op den troep plunderaars. Blz.159.
Den 21stenJanuari begon de vlakke bodem eenigszins te veranderen; hij werd hobbelig en oneffen. Tegen tien uren ’s morgens zag men in het noordwesten op een afstand van ongeveer vijftien kilometers een heuvel van 5 of 600 voet. Het was de berg Scorzef.
DeBoschjesmankeek nauwkeurig om zich heen, nam de plaats op, en zeide naar het noorden wijzende:
»Daar is het meer!”
»Ngami, Ngami!” juichten de inlanders, en gaven luidruchtige teekenen van vreugde.
De Boschjesmannen wilden voorwaarts en den afstand die hen nog van het meer scheidde, in één ren doorloopen. Maar het gelukte den jager ze tegen te houden, daar hij hen deed opmerken dat het in eene door Makololo’s onveilig gemaakte streek van belang was bij elkander te blijven.
Daar de kolonel de aankomst van zijn kleinen troep aan het Ngami-meer wilde bespoedigen, besloot hij het station, waar hij zich bevond, onmiddellijk met den Scorzef door een enkelen driehoek te verbinden. Men kon den zeer steilen bergtop gemakkelijk zien, en deze was dus zeer geschikt voor eene waarneming; men behoefde derhalve den nacht niet af te wachten, en het was onnoodig eene afdeeling matrozen en inlanders vooruit te zenden om een licht op den Scorzef te ontsteken.
De instrumenten werden dus gesteld, en om grooter nauwkeurigheid te verkrijgen, mat men op dit station nogmaals den tophoek van den laatsten meer zuidwaarts gemeten driehoek.
Mokum was zeer verlangend den oever van het meer te bereiken, en had daarom slechts eene voorloopige legerplaats laten opslaan. Hij hoopte vóór den nacht het zoo zeer begeerde meer bereikt te hebben, maar hij verzuimde daarom geen der gewone voorzorgsmaatregelen, en liet den omtrek door eenige ruiters onderzoeken. Rechts en links verhief zich een kreupelbosch, dat men voorzichtigheidshalve moest verkennen. Sedert de antilopenjacht had men evenwel geen spoor van Makololo’s gezien, en deze schenen het opgegeven te hebben de karavaan te bespieden. Toch wilde de wantrouwende Boschjesman op zijne hoede en op alle gebeurtenissen verdacht zijn. Terwijl de jager aldus wacht hield, hielden de astronomen zich bezig met een nieuwen driehoek te meten. Volgens de opmetingen van William Emery zou deze driehoek hen bij den twintigsten parallel brengen, en dáár moest het uiteinde van den meridiaanboog zich bevinden, dien zij in dit gedeelte van Afrika waren komen opmeten. Nog slechts weinige opmetingen aan de overzijde van het meer, en waarschijnlijk zou dan het achtste gedeeltevan den meridiaan gemeten zijn. Door middel van eene op den grond gemeten nieuwe basis, moest men dan de gedane opmetingen narekenen, en het werk zou afgeloopen zijn. Men begrijpt dus met welk een ijver zij bezield waren nu zij op het punt waren hun omvangrijken arbeid te zien eindigen.
En hoe hadden de Russen nu gedurende dien tijd van hunne zijde gewerkt? Sedert zes maanden waren de leden der internationale commissie van elkander gescheiden; maar waar bevonden zich nu Mathieu Strux, Michel Zorn en Nikolaas Palander? Hadden zij zoovele vermoeienissen doorgestaan als hunne Engelsche ambtgenooten? Hadden zij ook geleden door gebrek aan water, en door de moordende hitte van dit klimaat? Was misschien de streek, waardoor hun weg geloopen had, en die aanmerkelijk dichter bij den weg van David Livingstone gelegen was, minder droog en dor geweest? Misschien, want noordwaarts van Kolobeng bevonden zich rechts van den meridiaan dorpen als Schokuané, Schoschong en andere, waar de Russische karavaan zich van levensmiddelen had kunnen voorzien. Maar was het ook niet te vreezen dat in deze minder woeste en bij gevolg meer door roovers bezochte streken de kleine troep van Mathieu Strux vele gevaren geloopen had? Nu de Makololo’s de vervolging van de Engelschen schenen te hebben opgegeven, moest men misschien daaruit het besluit trekken, dat zij de Russen vervolgden.
De kolonel, die altijd in zijn arbeid verdiept was, dacht niet meer aan die dingen of wilde zulks misschien niet, doch Murray en Emery spraken dikwijls over het lot van hunne vroegere makkers. Zouden zij hen ooit terug zien? Zouden de Russen in hunne onderneming slagen? Zouden zij hetzelfde wiskundig resultaat verkrijgen, dat is te zeggen, zou de waarde van een lengtegraad in dit gedeelte van Afrika voor beide commissiën dezelfde zijn, nu zij tegelijktertijd, maar elk afzonderlijk, een net van driehoeken gemeten hadden? En dan dacht Emery aan zijn vriend, wiens scheiding hem zooveel verdriet had gedaan, en die, dat wist hij, hem ook wel nimmer vergeten zou.
Ondertusschen was het meten der hoeksafstanden begonnen. Om den hoek te verkrijgen, welks top gelegen was aan het station, waar men zich bevond, moest men het oog richten op twee signalen, van welke het een gevormd werd door den top van den Scorzef. Voor het andere signaal links van den meridiaan koos men een steil heuveltje dat slechts op vier kilometers afstands lag. Men bepaalde er de richting van door een der kijkers van den repetitie-cirkel.
Zooals gezegd is, was de Scorzef betrekkelijk ver verwijderd; maar de astronomen hadden geene keuze, daar deze berg de eenige uitstekende punt in deze geheele streek was. Er verhief zich inderdaadgeene andere hoogte in het noorden of westen, evenmin aan de overzijde van het meer Ngami, dat men nog niet eens zien kon. De afstand van den Scorzef zoude de waarnemers noodzaken zich vrij ver aan de rechterzijde van den meridiaan te begeven, maar na rijp beraad begrepen zij anders te kunnen doen. Derhalve richtte men het oog nauwkeurig op den eenzaam staanden bergtop en de afwijking der beide kijkers van den repetitiecirkel, waardoor men de waarneming deed, gaf de wijdte van den hoek, dien men aan het station meten wilde en waarvan de beenen door den Scorzef en het heuveltje werden aangewezen. Om met nog grooter nauwkeurigheid te werken, herhaalde de kolonel zijne berekening twintig malen, door zijne kijkers evenveel malen op den repetitiecirkel te verplaatsen; op deze wijze deelde hij de fouten, die mogelijk bij het aflezen begaan waren, door twintig, en verkreeg zóó de grootte van den hoek met volkomen juistheid.
Niettegenstaande het ongeduld der inlanders werden deze verschillende waarnemingen door den kalmen Everest met dezelfde zorg gedaan alsof hij op het observatorium te Cambridge zat. De geheele 21steFebruari ging op die wijze voorbij, en het was eerst bij het vallen van den avond tegen half zes dat het aflezen der graden moeilijk werd, waarom de kolonel zijne waarnemingen moest eindigen.
»Ik ben tot uw dienst, Mokum,” zeide hij toen tot den Boschjesman.
»Het is niet al te vroeg meer, kolonel,” antwoordde Mokum, »en ik vind het jammer dat u uw werk niet voor het vallen van den nacht hebt kunnen afkrijgen, want dan zouden wij getracht hebben ons kamp aan den oever van het meer over te brengen.”
»Maar wie belet ons nog te vertrekken?” vroeg Everest. »Een afstand van vijftien kilometers, zelfs in de duisternis kan ons toch niet afschrikken? De weg loopt rechtuit, altijd door de vlakte, en wij behoeven niet bang te zijn om te verdwalen.”
»Ja .... inderdaad ....”antwoordde de Boschjesman, die bij zich zelven scheen te overleggen, »misschien kunnen wij het wagen, hoewel ik liever bij klaarlichten dag door deze streek zou getrokken zijn! Onze manschappen willen gaarne vooruit en naar het zoete water van het meer, wij zullen dus vertrekken, kolonel.”
»Zooals gij wilt, Mokum!” hernam de kolonel.
Toen allen het plan hadden goedgekeurd, werden de ossen voor de wagens gespannen, de paarden bestegen, de instrumenten weder ingepakt, en toen de Boschjesman om zeven uren het sein tot vertrekken gaf, toog de karavaan, door den dorst geprikkeld, naar het meer Ngami op weg.
Uit een zeker instinkt van veldontdekker had de Boschjesman de drie Europeanen verzocht hunne geweren mede te nemen enzich van amunitie te voorzien. Hij zelf droeg de buks, die Murray hem geschonken had, en had een genoegzamen voorraad patronen in de tasch.
Geen helling zoo steil of een zeeman kan er op en af. Bladz. 164.Geen helling zoo steil of een zeeman kan er op en af. Bladz.164.
Geen helling zoo steil of een zeeman kan er op en af. Bladz.164.
Men ging op weg; het was stikdonker. Dikke wolken bedekten den hemel; evenwel was de lucht aan den gezichteinder vrij van wolken. Mokum, die zeer scherp zag, keek goed rond; eenige woorden door hem tegen Murray gezegd, bewezen dezen, dat de Boschjesman de streek als niet zeer veilig beschouwde; hij was dus van zijn kant ook op alles voorbereid.
De karavaan trok aldus gedurende drie uren in noordelijke richting voort, maar had veel van afmatting en dorst te lijden, zoodat de reis niet snel ging. Men moest de achterblijvers dikwijls inwachten. Men vorderde slechts drie kilometers in het uur, en tegen tien uren ’s avonds was de kleine bende nog zes kilometers van het meer verwijderd. De beesten hijgden en konden door de drukkende hitte nauwelijks ademhalen. De dampkring was zoo droog, dat de gevoeligste vochtmeter er waarschijnlijk geen greintje vocht in zou gevonden hebben.
Niettegenstaande de vermaningen van den Boschjesman, bleef de karavaan niet bij elkander; menschen en dieren vormden eene lange rij; eenige ossen, die geheel uitgeput waren, vielen op den grond neder. Ruiters zonder paarden sleepten zich met moeite voort en het zou aan de kleinste bende inlanders gemakkelijk gevallen zijn ze allen op te lichten. Mokum spaarde in zijn ongerustheid woorden noch daden; hij ging van den een naar den ander, trachtte te vergeefs de orde te herstellen, en zonder dat hij het bemerkt had, ontbrak reeds een gedeelte zijner manschappen.
Om elf uren waren de drie voorste wagens nog slechts op drie kilometers van den Scorzef. Niettegenstaande de duisternis, kon men den alleen staanden berg vrij duidelijk zien, daar hij zich als eene reusachtige piramide verhief. Hij scheen door de duisternis nog dubbel zoo hoog als hij werkelijk was. Als Mokum zich niet bedroog, moest het meer zich achter die hoogte bevinden; men behoefde dus slechts om den berg heen te trekken om langs den kortsten weg deze watervlakte te bereiken.
De Boschjesman stelde zich aan het hoofd der karavaan met de drie Europeanen, en hij wilde juist een weinig links aftrekken toen hij plotseling staan bleef op het hooren van zeer duidelijke, doch verwijderde schoten.
De Engelschen hielden aanstonds hunne paarden in; zij luisterden met gemakkelijk te begrijpen angst. In een land, waar inlanders zich slechts van lansen en pijlen bedienen, moesten geweerschoten verwondering en angst verwekken.
»Wat is dat?” vroeg de kolonel.
»Geweerschoten!” antwoordde John Murray.
»Geweerschoten?” riep Everest, »en in welke richting?”
»Er worden geweerschoten op den top van den Scorzef gelost,”antwoordde Mokum. »Ik zie de flikkering van die schoten in deduisternis; men is daar aan het vechten! Het zijn zeker Makololo’s, die daar Europeanen aanvallen.”
»Europeanen!” zeide William Emery.
»Ja, mijnheer,” antwoordde Mokum. »Die luidruchtige schoten kunnen slechts door Europeesche geweren gelost worden, en ik zou haast zeggen dat het juistheidswapenen zijn.”
»Zouden daar dan Europeanen zijn?...”
De kolonel viel hem echter in de rede, en riep: »Mijne heeren, wie die Europeanen ook zijn mogen, wij moeten hun te hulp snellen!”
»Ja, ja, zeker!” riep Emery, wiens hart als toegeknepen werd.
Voordat hij op den berg aantrok, wilde de Boschjesman eerst zijne kleine bende voor de laatste maal verzamelen, daar een troep plunderaars hen anders onverwacht zou kunnen overvallen. Toen de jager evenwel naar de achterhoede reed, was de karavaan uit elkander gestoven, de paarden afgespannen, de wagens verlaten, en reeds vluchtten eenige mannen als schimmen naar het zuiden over de vlakte.
»Die lafaards!” riep Mokum: »Dorst, vermoeienis, alles vergeten zij om te vluchten!” Zich daarop naar de Engelschen en hunne dappere matrozen wendende, zeide hij: »Komaan, vooruit dan maar!”
De Europeanen snelden daarop met den jager in noordelijke richting en zetten hunne uitgeputte paarden zooveel mogelijk aan. Twintig minuten daarna hoorde men duidelijk het krijgsgeschreeuw der Makololo’s. Men kon nog niet nagaan hoe groot hun aantal was. Die inlandsche roovers deden waarschijnlijk een aanval op den Scorzef van welks top het geweervuur flikkerde. Men zag geheele benden naar den top klimmen.
Weldra waren de kolonel en zijne makkers in de onmiddellijke nabijheid der aanvallers; zij stegen van hunne uitgeputte paarden en vuurden onder een vreeselijk hoerah, dat de belegerden moesten kunnen hooren, hunne geweren op de menigte inboorlingen af. Toen zij de snel op elkander volgende schoten van de achterladers hoorden, meenden de Makololo’s dat zij door eene groote bende werden aangevallen. Deze plotselinge aanval verraste hen, en zij trokken terug voordat zij van hunne pijlen en lansen gebruik hadden gemaakt.
Zonder een oogenblik te verliezen, laadden en schoten de Engelschen zonder ophouden, en wierpen zich op den troep plunderaars. Reeds lagen een vijftiental lijken op den grond. De Makololo’s stoven uit elkander; de Europeanen drongen in de gemaakte opening door, en de meest nabijzijnde inlanders omverwerpende, trokken zij achterwaarts tegen de helling van den berg op. In tien minuten hadden zij den top bereikt, die in de duisternis bijna onzichtbaarwas. De belegerden hadden intusschen het vuren gestaakt, uit vrees dat zij hen konden treffen, die hun zoo onverwachts te hulp kwamen. En die belegerden waren de Russen! Zij waren daar allen, Mathieu Strux, Nikolaas Palander, Michel Zorn en hunne vijf matrozen. Doch van de inlanders, die vroeger hunne karavaan vormden, was niemand anders dan de trouwe gids over. Die ellendige Boschjesmannen hadden ook hen op het oogenblik des gevaars verlaten.
Toen de kolonel verscheen, sprong Mathieu Strux boven van het kleine muurtje, dat den top van den Scorzef omringde.
»Gij mijne heeren Engelschen!” riep de astronoom van Pulkowa.
»Wij zelve, mijne heeren Russen,” antwoordde de kolonel op ernstigen toon. »Maar hier zijn geen Russen of Engelschen! Er zijn slechts Europeanen vereenigd om zich te verdedigen!”