HoofdstukXI.Beatrice maakt een afspraak.Lady Honoria leunde in de vigilante achterover en slaakte een zucht van verlichting.“Dat is een uitmuntend plan,” zeide zij. “Ik dacht er al over welke schikkingen ik voor de eerste drie weken zou moeten maken. ’t Is belachelijk alleen voor u en Effie drie guinjes in de week te betalen. De oude heer verlangt dat voor kost en inwoning samen, want ik heb het hem gevraagd.”“Dat zal dan zeker ook wel genoeg zijn,” zeide Geoffrey. “Wanneer verhuizen wij?”“Morgen, in tijds voor het middagmaal, of liever het avondeten; dat onbeschaafde volk eet ’s avonds ook, zooals ge weet. Ik vertrek met den ochtendtrein, ziet ge, dan kom ik tegen het theedrinken bij Garsington aan. Ge zult het hier wel wat stil vinden, maar ge houdt veel van stilte. De oude predikant is een man van een lagen stempel, en vervelend, en de oudste dochter, Elisabeth, is al te vinnig—zijdoet mij aan een rat denken. Maar Beatrice is een mooi meisje, hoewel ik haar naar vind. Ge zult u met haar moeten vergenoegen, en ik geloof dat ge elkaar wel zult bevallen.”“Waarom vindt ge haar naar, Honoria?”“Och, dat weet ik niet; ze is knap en zonderling, en ik houd niet van zonderlinge vrouwen. Waarom kan zij niet zijn zooals anderen? Denk eens dat zij sterk genoeg was om uw leven te redden. Ze moet de spieren van een Amazone hebben—dat is bepaald onvrouwelijk. Maar haar schoonheid is boven allen twijfel. Ik heb zelden zoo’n mooi meisje gezien, hoewel zij wel wat over zich heeft, dat al te vrij is. Als ik zoo’n dochter als zij had, kreeg niemand haar onder de twintig duizend pond. Zij is veel te goed voor den WelschenSquire, met wien zij geëngageerd is—dien man, die op het kasteel woont—hoewel men zegt dat hij heel rijk is.”“Geëngageerd,” zeide Geoffrey, “hoe weet ge dat zij geëngageerd is?”“O, ik weet het niet, maar ik vooronderstel het. Als zij het niet is, zal zij het wel spoedig wezen, want een meisje in haar positie zal zoo’n kans niet licht vergooien.In allen gevalle is hij smoorlijk op haar verliefd. Dat heb ik gisterenavond gezien. Hij stond uren lang in den regen buiten de deur te wachten, met een gezicht als een geest, totdat hij wist of zij dood of levend was, en hij is er van ochtend al tweemaal geweest om naar haar te vragen. Dat heeft mijnheer Granger mij gezegd. Maar zij zou wel beter partij kunnen doen, als zij er maar in de gelegenheid toe werd gesteld.”Geoffrey’s levendige belangstelling in Beatrice verflauwde aanmerkelijk toen hij dit vernam. Het ging hem, natuurlijk, niet aan; hij was zelfs blijde te hooren dat zij in de gelegenheid was zulk een goede partij te doen, maar ongelukkig is het een waarheid dat men niet zooveel belang kan stellen in een bekoorlijke, jonge dame, die een “suffigen Welschen landheer” toebehoort, als wanneer zij nog geheel vrij is.De oude Adam leeft nog in de meeste mannen, hoe rechtschapenzij ook zijn mogen, en dit is een van de wijzen, waarop hij zich laat gelden.“Welnu,” zeide hij, “het verheugt mij, dat zij zulk een goed vooruitzicht heeft; dat verdient zij. De Welsche landheer mag van geluk spreken; Miss Granger is een bizonder lief meisje.”“Veel te bizonder,” zeide Lady Honoria droog. “Hier zijn wij er, en daar komt Effie met allerlei malle bokkesprongen aanhuppelen, Dat kind lijkt wel gek.”Den volgenden ochtend—het was Vrijdag—vertrok Lady Honoria in de beste luim, van Anne vergezeld. In de eerste drie weken zou zij in allen gevalle bevrijd zijn van de ergernissen, die met bekrompen middelen gepaard gaan—vrij om de weelde en de verfijnde genoegens, waaraan zij gewoon was, te genieten, en waarnaar haar ziel gehaakt had met een verlangen, dat voor een eenvoudiger gemoed onbegrijpelijk geweest zou zijn. Iedereen heeft zijn ideaal van geluk, als men het maar altijd kon begrijpen. Sommigen zouden een verheven geestelijk genot verkiezen, en gelukkig zijn door al de beste boeken over de planeten te lezen; anderen, een modelstaat, met zichzelf als president, waarin (door hun weldadig streven) de laatste radicale begrippen tot ieders tevredenheid van toepassing werden gebracht; weer anderen, een gunstig jachtterrein, waar het wild evenveel pret had als zijzelven; en zoo voort, tot in het oneindige.Lady Honoria was bescheidener. Als zij maar een, in alle opzichten, welingericht huis in de stad en een dito landhuis had, eenige lakeien, rijtuigen naar keus en andere noodzakelijkheden, met inbegrip, natuurlijk, van toegang tot de voornaamste gezelschapskringen, zou zij niets meer verlangen. Hopen wij, dat zij het eenmaal krijgen zal. Het zou niemand kwaad doen, en in deze wereld zou zij naar alle waarschijnlijkheid menigeen vinden, die van dezelfde denkwijze was als zij.Zij omhelsde Effie met veel vertoon van hartelijkheid, en haar echtgenoot met kuische warmte, en ging heen met een vrome bede op haar lippen dat zij Bryngelly nooit mocht wederzien.Wij behoeven Lady Honoria niet op haar reis te volgen. Dien namiddag hadden Effie en haar vader groote pret. Zij waren aan het inpakken. Geoffrey die spoedig van zijn stijfheid bekomen was, stopte alles in de koffers, en Effie danste er op. Wat er niet in kon ging in een pak los in de vigilante, totdat het rijtuig er uitzag als een oude-kleerenwinkel. Toen, omdat er voor hen geen ruimte meer in was, gingen zij te voet langs het strand naar de pastorie, een afstand van omstreeks drie kwartmijl, en hielden onderweg stil, om het fraaie kasteel te bewonderen, waar Owen Davies als een kluizenaar woonde.“O, paatje,” zeide het kind, “ik wou dat u zoo’n huis kocht om in te wonen. Waarom doet u dat niet, paatje?”“Daar heb ik geen geld genoeg voor, lieve,” antwoordde hij.“Zult u er nooit geld genoeg voor hebben, paatje?”“Dat weet ik niet—eenmaal misschien wel—als ik te oud ben om er genot van te hebben,” liet hij er bij zichzelven op volgen.“Het zal zeker wel veel kosten zoo’n huis te koopen, nietwaar, paatje?” merkte Effie wijs aan.“Ja, lieve, meer dan jij kunt tellen,” antwoordde hij, en daar was het gesprek mee uit.Nu kwamen zij aan een schuitenhuis. Hier was een man—de oude Eduard—bezig een bootje te kalfateren.Geoffrey zag er naar, en herkende het bootje van Beatrice.“Kijk, Effie,” zeide hij, “dat is de boot, waaruit ik in het water ben gevallen.” Effie zette groote oogen op en staarde op het broze vaartuigje.“’t Is een leelijk schuitje,” zeide zij, “ik wil er niet naar zien.”“U hebt wel gelijk, jongejuffrouw,” sprak de oude Eduard, zijn pet aanrakende. “’t Is niet veilig, en eenmaal zal er iemand nog mee verdrinken. Ik wou dat het maar naar den kelder was gegaan, maar Miss Beatrice is zoo eigenzinnig, dat er niets met haar te beginnen is.”“Mij dunkt, dat zij nu wel een les gehad zal hebben,” zeide Geoffrey.“Dat kan wel wezen, en misschien ook niet,” bromde de oude man; “’t is zoo moeilijk vrouwen iets aan ’t verstand te brengen; ze leeren niets voordat het te laat is, en als er niets meer aan te doen is, dan is het aan tranen geen gebrek; maar wat helpt dat?”Intusschen werd, op niet verder dan een mijl afstands, een ander gesprek gevoerd. Op de kruin van de rots stond het dorp Bryngelly, en achter het dorp was een school, een eenvoudig gebouw met gepleisterde muren, dat, hoewel voldoende voor de behoeften van de plaats, een ergernis was in de oogen der schoolopzieners, die van tijd tot tijd zich verwaardigden te Bryngelly te komen om te vitten. Zij verlangden er een gebouw van rood baksteen te zien, met al de laatste verbeteringen, opgericht ten koste van de belastingbetalenden, maar tot dusverre verlangden zij te vergeefs. De school werd door vrijwillige bijdragen onderhouden, en dank zij Beatrice’s ijver en goed onderricht, was zij niet in handen gevallen van de gevreesde schoolcommissie, met haar vitterijen en op onkosten jagen.Beatrice had dien namiddag haar werkzaamheden weer opgevat, want de nachtrust had haar sterk, jeugdig gestel al zijn veerkracht teruggegeven. Zij was met gejuich door de kinderen ontvangen, die allen veel van haar hielden, en dat mochten zij ook wel, want zij ging zeer zacht en lief met hen om, hoewel weinigen haar ongehoorzaam durfden zijn. Bovendien, maakte haar schoonheid indruk op hen, al wisten zij dat zelven ook niet. Schoonheid van een zekere soort maakt misschien het meest indruk op kinderen, hoe onachtzaam en zelfzuchtig zij dikwijls ook schijnen te zijn. Zij gevoelen haar macht; zij is een zichtbare uitdrukking van de droomen en gedachten, die in hun onwetende harten opkomen, en in zekeren zin vermengd met hun begrippen van God en den Hemel.Zoo was er in Bryngelly een meisje van tien jaar, een schrander en prikkelbaar kind, Jane Llewellyn genaamd, wier ouders streng Calvinistische begrippen hadden. Nu wilde het geval, dat eenigemaanden vóór het begin van dit verhaal, een als redenaar vermaard prediker van den ouden Puriteinschen stempel het dorp had bezocht en zijn toehoorders op een levendige voorstelling van de verschrikkingen der hel onthaald had.In de voorste rij, zat, met groote, angstig starende oogen, dat arme kind tusschen haar ouders, die met genot naar den predikant luisterden, en een weinig achteraan zat Beatrice, die uit nieuwsgierigheid gekomen was.Na genoeg over ontzettende algemeenheden uitgeweid te hebben, ging de prediker over tot ophelderende voorbeelden, voor de hand gegrepen, want zijn preek was geheel improvisatie. “Aanschouwt dat kind,” zeide hij, op het kleine meisje wijzende; “zij ziet er onschuldig uit, niet waar? Maar ik zeg u, mijn broederen, als zij geen verlossing vindt, is zij verdoemd. Als zij dezen nacht sterft zonder verlossing gevonden te hebben, gaat zij naar deHel. Haar teer lichaampje zal van eeuwigheid tot eeuwigheid gefolterd worden.”Hier viel het ongelukkige kind met een gil voorover.“Ge moest u schamen, mijnheer,” zeide Beatrice overluid.Zij had met toenemende verontwaardiging naar dien bombast geluisterd, en nu vergat zij in haar opgewondenheid geheel, dat zij in een plaats van godsvereering was. Toen snelde zij vooruit naar het kind, dat bewusteloos was. De arme kleine kwam haar schrik nooit weer te boven. Toen zij uit haar bezwijming de oogen weer opsloeg, bleek het dat haar gevoelige hersens niet tegen den schok bestand waren geweest, en zij verviel tot een staat van onnoozelheid. Maar zij was niet altijd een lijdende idioot. Zij had soms vlagen van hevigen angst. Dan riep zij, dat de duivelen haar kwamen halen om gefolterd te worden, en wierp zich akelig gillend tegen den muur. In zulke oogenblikken was er maar één middel om haar tot bedaren te brengen: en dat was, Beatrice te laten roepen. En dan kwam Beatrice, nam die arme twee handjes in de hare en zag met haar kalme, doordringende oogen in dat vermagerd, van angst verwrongen gezichtje, totdat het kind weer stil werd, huiverde, en zich aan haar borst in slaap snikte.En zoo was het met al de kinderen; zij had een bijna onbeperkte nacht over hen. Zij hadden haar lief, evenals zij hen.De lessen waren voor dien dag afgeloopen. Het was Beatrice’s gewoonte de kinderen vóór het uitgaan der school een eenvoudig lied te laten zingen. Zij stond voor hen, en gaf de maat aan, terwijl zij zongen, en het was aardig haar daar zoo te zien staan. Op dezen namiddag werd, juist toen het eerste vers uit was, de deur van het schoolvertrek geopend, en Owen Davies trad binnen, Beatrice zag hem en trapte de maat in een min of meer versneld tempo.De kinderen zongen er helder op los. Owen Davies kwam al nader en nader, totdat hij eindelijk vlak bij Beatrice stond, met half geopende lippen en de oogen op haar bevallige gestalte gevestigd, als iemand, die droomt, terwijl zijn geesteloos gelaat flauw verhelderd was door den glans van sterke aandoening.Toen het lied uit was, defileerden de kinderen op een woord van hun meesteres haar voorbij, door de kweekelingen geleid, en daarna grepen zij met gejuich hun hoeden en petten, en stormden naar buiten in de vrije lucht, waar zij zich in alle richtingen verstrooiden. Toen zij allen weg waren, en ook eerst toen, zag Beatrice eensklaps om.“Hoe vaart gij, mijnheerDavies?” zeide zij.Hij onthutste zichtbaar. “Ik wist niet, dat ge mij gezien hadt,” antwoordde hij.“O, ja, ik heb u wel gezien, mijnheer Davies, maar ik kon het zingen niet laten ophouden om u toe te spreken.Ik moet u nog bedanken, dat ge naar mij zijt komen vragen.”“Volstrekt niet, Miss Beatrice, volstrekt niet, het was een verschrikkelijk ongeluk. Ik kan u niet zeggen hoe dankbaar ik ben—ik weet er geen woorden voor te vinden.”“Gij zijt wel goed, dat gij zooveel belang in mij stelt,” hernam Beatrice.“Volstrekt niet, Miss Beatrice, volstrekt niet. Wie zou in u geen belang stellen? Ik heb een boek voor u meegebracht—hetleven van Darwin—twee deelen. Ik meen u te hebben hooren zeggen, dat Darwin u interesseert?”“Ja, ik dank u zeer. Hebt gij het gelezen?”“Neen, maar ik heb het opengesneden. Ik heb met Darwin niet veel op, zooals ge weet. Zijn richting houd ik niet voor de juiste. Mag ik de boeken voor u naar huis dragen?”“Zeer vriendelijk van u, maar ik ga niet rechtstreeks naar huis; ik ga naar het schuitenhuis van den ouden Eduard, om naar mijn bootje te zien.”Feitelijk was dit wel zoo, maar het was haar op dit oogenblik eerst ingevallen. Beatrice had naar huis willen gaan, om te zien of alles voor Geoffrey en zijn dochtertje in gereedheid was gebracht. Maar om aan de pastorie te komen, moest zij langs de rots gaan, waar weinig menschen waren, en dat wilde zij nu liever niet. Ronduit gezegd, was zij bang dat Davies van de gelegenheid gebruik zou maken om haar zijn hart en zijn hand aan te bieden, wat haar nachtmerrie was. De weg naar Eduard’s schuitenhuis liep door het dorp, en zij wist wel, dat hij daar zijn aanzoek niet zou doen.Het was voorzeker zeer dwaas van haar dat zij aldus den kwaden dag zocht te verschuiven; maar de verstandigste vrouwen hebben haar zwakke punten, en dit was er een van Beatrice. Zij hield niet van scènes, en zij wist dat als het er toe kwam, het een scène zou geven. Niet dat zij een oogenblik wankelde in haar besluit om den man af te wijzen; maar het zou toch onaangenaam zijn, en eindelijk moest het haar vader en Elisabeth ter oore komen, dat zij Owen Davies een blauwtje had laten loopen, en wat zou zij dan voor een leven hebben?Nooit had zij vermoed, het zou nooit bij haar opgekomen zijn te vermoeden, dat, hoewel haar vader het haar ten hoogste kwalijk zou nemen, niets ter wereld het hart van Elisabeth zoo had kunnen verblijden.Na haar hoed opgezet te hebben, verliet Beatrice het schoolgebouw, vergezeld door haar bewonderaar, die het Leven van Darwinonder zijn arm droeg. Zij liepen zwijgend voort, Beatrice een weinig vooruit. Zij maakte eenige aanmerkingen over het weer, maar Owen gaf geen antwoord; hij was in gepeins; hij wilde iets zeggen, maar wist niet hoe. Zij waren nu aan de rots, en als hij wilde spreken, moest hij het spoedig doen.“Miss Beatrice,” begon hij, op een eenigszins gedwongen toon.“Ja, mijnheer Davies—o, zie die zeemeeuw eens; zij sloeg bijna mijn hoed af.”Maar hij was niet met de zeemeeuw af te schepen. “Miss Beatrice,” zeide hij weder, “gaat gij Zondagnamiddag wandelen?”“Hoe weet ik dat vooraf, mijnheer Davies? Het kan wel regenen.”“Maar als het niet regent—zeg het mij, als ’t u belieft. Gewoonlijk gaat ge Zondags op het strand wandelen. Miss Beatrice, ik moet u spreken. Ik hoop dat ge ’t mij wel zult vergunnen.”Toen nam zij plotseling een besluit. Zoo was het onverdragelijk; het was maar beter er einde aan te maken. Zich zoo snel om wendende dat Owen er van schrikte, zeide zij:“Als ge mij dan volstrekt spreken wilt, mijnheer Davies, zal ik Zondagnamiddag om vier uur op het Amphitheater, die hoogte tegenover de Roode Rotsen, zijn, maar ik had veel liever dat ge niet kwaamt. Meer kan ik niet zeggen.”“Ik zal komen,” antwoordde hij op stroeven toon, en nu waren zij bij het schuitenhuis.“O, kijk, paatje,” zeide Effie, “daar komt die dame aan, die met u verdronken is; zij heeft een heer bij zich,” en tot Beatrice’s groote verlichting, snelde het kind haar te gemoet.“O, dat is de man, met wien Honoria zegt dat zij geëngageerd is,” dacht Geoffrey. “Ik moet zeggen, dat ik geen hoogen dunk van haar smaak heb.”Een oogenblik later waren zij bij hem. Geoffrey gaf Beatrice de hand en werd aan Owen Davies voorgesteld, die daarop iets mompelde en spoedig heenging.Zij bezichtigden te zamen het bootje, en liepen langzaam naarde pastorie terug, Effie aan de hand van Beatrice. Tegenover de zandbank bleven zij even stilstaan.“Daar is de Tafelrots, waar wij op geworpen zijn, mijnheer Bingham,” zeide Beatrice, “en hier hebben zij ons aan land gebracht. De zee ziet er van avond niet uit alsof ze iemand zou laten verdrinken, niet waar? Zie!”—en zij wierp er een steen in—“het geeft niet meer kabbeling dan in een vijver.”Zij sprak luchtig, en Geoffrey antwoordde haar ook luchtig, want geen van beiden dachten zij aan hun woorden. Veeleer dachten zij aan het zonderling toeval, dat hen in een uur van levensgevaar bij elkander had gebracht, en hen nu in een kalm uur te samen liet. Misschien kwam de vraag bij hen op, waar dit alles op moest uitloopen. Want twijfelaars atheïsten of geloovigen, zijn wij niet allen in ons hart fatalisten?Hoofdstuk XII.De letters in het zand.Geoffrey kon zich in zijn commensaalsleven in de pastorie zeer goed schikken, en Effie vond het er “heel prettig.” Beatrice zorgde voor haar, bracht haar ’s avonds naar bed, hielp haar ’s morgens aankleeden, en beviel haar vrij wat beter dan Anne. Toen Geoffrey dit bemerkte, kwam hij er tegenop, zeggende dat hij volstrekt niet verwacht had dat zij voor kindermeid zou spelen, maar zij gaf daarop ten antwoord, dat het een genoegen voor haar was, en dat was de waarheid. In andere opzichten ook was het er alles wat hij wenschte. Hij hield niet van Elisabeth, maar hij zag haar weinig, en de oude predikant, die eigenlijk meer een boer was dan een geestelijke, was op zijn wijze vermakelijk, met zijneindeloos gepraat over tienden en oogst en de ongerechtigheden van den onwilligen Jones, tegen wien hij vonnis had.In de eerste paar dagen sprak Geoffrey Beatrice niet. Den meesten tijd was zij op school, en den Zaterdagnamiddag ging hij naar de Roode Rotsen, om kemphanen te schieten. Eerst dacht hij er over haar te vragen om mede te gaan, maar toen viel het hem in, dat zij misschien liever met Owen Davies zou uitgaan, met wien hij nog meende dat zij geëngageerd was. Het ging hem niet aan, maar toch was hij blijde, toen hij terugkwam, te vernemen dat zij met Effie uit was geweest, en niet met Davies.Zondagochtend gingen zij allen naar de kerk, Beatrice ook. Het was een zeer eenvoudig kerkje, en de gemeente was klein. Granger leidde de godsdienstoefening volgens de kerkelijke voorschriften in de sleur voort, zoo omtrent als een paard, dat in den molen loopt. Alles ging op denzelfden druiligen toon, zoodat Geoffrey, in plaats van te luisteren, liever naar Beatrice zag. Hij merkte op dat haar gelaat, gewoonlijk ernstig wanneer het in rust was, ditmaal een bizonder ernstige, ja, zelfs verdrietige uitdrukking teekende. Waarom zou dat zijn? Een paar malen zag hij haar een blik op Davies werpen, die alleen in een groote bank tegenover haar zat, en hij meende een zekere onrustigheid in haar blik te bespeuren. Maar Davies beantwoordde dien blik niet. Naar zijn voorkomen te oordeelen, werd zijn gemoedsrust door niets verstoord.Geoffrey, die hem gadesloeg, vond dat hij nog nooit iemand gezien had, die er zoo osachtig en zoo volkomen rustig uitzag. En toch had hij het totaal mis. De man mocht er koel en stroef uitzien, maar zijn binnenste was in gloed als een vulkaan. Al het tot dusverre sluimerende vuur van zijn hart had zich vereenigd in zijn liefde voor het meisje, dat zoo nabij en toch zoo ver was. Hoe zonderling en ongewoon het moge schijnen, zij was de eerste, wier blik of stem ooit hartstocht in hem gewekt had. Langzamerhand was die liefde van jaar tot jaar toegenomen, sedert hij dat lieve aankomende meisje, met die heldere, grijze oogen, had ontmoet, dat hem naar zijn kasteel had gebracht.Het was niet een van die vluchtige neigingen, die even spoedig weer verdwijnen als zij opgekomen zijn. Daartoe had Owen te weinig verbeeldingskracht—dien bodem, waaruit liefde ontspruit als een welige tropische plant, om bij de eerste koude stormvlaag te verwelken. Zijn liefde was een onveranderlijk feit. Zij was in zijn hart vastgeworteld en geheel zijn wezen was er mede vereenzelvigd.Sedert jaren had hij nu aan weinig anders gedacht dan aan Beatrice. Om haar te verwerven, zou hij al zijn rijkdom, ja, driemaal zooveel, als dat mogelijk was, gegeven hebben. Haar te bezitten, te weten, dat zij rechtens de zijne, de zijne alleen was, ach, dat zou een hemel op aarde zijn! Zijn bloed tintelde en zijn hoofd duizelde, als hij er aan dacht. Wat zou dat niet voor hem zijn, haar zoo te zien, als hij haar nu zag, en te weten dat zij zijn vrouw was!In de hevigheid van zulk een vorm van hartstocht als de zijne, is iets vreeselijks.De godsdienstoefening ging voort. De tekst van Granger’s preek was: “Maar de meeste van deze drie is de liefde.” Geoffrey merkte op, dat hij bij sommige woorden haperde, maar eensklaps herinnerde hij zich, dat Beatrice hem gezegd had, dat zij de preek geschreven had, en nu was hij geheel aandacht. Hij was ook niet teleurgesteld. Niettegenstaande Granger slecht las, en de gewoonte had bij het slot van elken volzin zijn stem te laten dalen, kwam de schoonheid van gedachten en voorstelling toch uit. Het was eigenlijk een redevoering, die even goed in een Mahomedaansche of Buddhistische plaats van Godsvereering gehouden had kunnen worden; er was niets bepaald Christelijks in, het was alleen een opwekking van het goede in de menschelijke natuur. Maar noch de prediker noch zijn toehoorders schenen dit er uit te begrijpen; trouwens, bijna niemand luisterde er naar. De preek was kort en eindigde met een schoone, kernachtige spreuk—of liever, daar was zij niet mee geëindigd, want toen Granger het manuscript had dichtgeslagen, volgde er nog een kleine improvisatie van hemzelven op.“En nu, broederen,” zeide hij, “heb ik u over de Christelijke liefde gepreekt, maar daar wil ik nog een enkel woord bijvoegen, om de liefde tot den naaste toe te passen op de liefde tot zichzelf. Ik heb wel honderd pond aan achterstallige tienden in te vorderen, en daar zijn er bij, die al over meer dan twee jaar loopen. Als die tienden mij niet betaald worden, zal ik bij eenigen uwer beslag moeten leggen, en ik heb gemeend beter te doen de gelegenheid waar te nemen om het u te zeggen.” Toen sprak hij den zegen uit.Het contrast tusschen ditpraktischslot en de schoone taal, die het was voorafgegaan, was zóó bespottelijk, dat Geoffrey bijna in lachen uitbarstte en Beatrice er om moest glimlachen. Dat deden de andere toehoorders ook, behalve een paar, die tienden schuldig waren, en Owen Davies, die aan heel wat anders dacht.Toen zij over het kerkhof gingen, merkte Geoffrey iets op. Beatrice was eenige schreden vooruit, met Effie aan de hand. Daar liep Davies hem voorbij, zonder dat hij hem scheen te zien, en groette Beatrice, die met een lichte buiging zijn groet beantwoordde. Hij liep een eind voort zonder te spreken, maar aan het hek van het kerkhof hoorde Geoffrey hem zeggen: “Dus van middag om vier uur.” Weder boog zij, en hij keerde zich om en ging heen. Geoffrey wist niet wat dit alles beteekende: was zij met hem geëngageerd of niet?Aan het middagmaal was geen van allen spraakzaam. Granger dacht over zijn tienden en ook over een zieke koe. Elisabeth’s gedachten dwaalden in een juist niet aangename richting, naar deuitdrukkingvan haar gelaat te oordeelen. Beatrice zag bleek en verdrietig; zelfs Effie’s aardig gekeuvel deed haar niet meer dan glimlachen. Wat Geoffrey betrof, die was nieuwsgierig wat er om vier uur gebeuren zou.“Wat is iedereen stil!” zeide Effie eindelijk.“Op Zondag behoort men stil te zijn, Effie,” antwoordde Beatrice. “Dat geloof ik, ten minste.”Elisabeth, die streng godsdienstig was, fronste bij dit gezegde het voorhoofd. Zij wist dat haar zuster het niet meende.“Wat ga je van middag doen, Beatrice?” vroeg zij. Zij had gezien dat Owen Davies met haar zuster gesproken had, en hoewel zij niet dichtbij genoeg was geweest om de woorden te verstaan, vermoedde zij er de beteekenis wel van.Beatrice kleurde even, iets wat zoomin de opmerkzaamheid van haar zuster als van Geoffrey ontsnapte.“Ik ga Jane Llewellyn bezoeken,” antwoordde zij. Jane Llewellyn was het krankzinnige kleine meisje, waarvan melding gemaakt is. Tot op dit oogenblik had Beatrice er niet aan gedacht haar te bezoeken, maar zij wist, dat haar zuster haar daarheen niet zou volgen, omdat het kindElisabethniet kon uitstaan.“O, ik dacht, dat je misschien uit wandelen ging.”“Later ga ik misschien wandelen,” antwoordde Beatrice kortaf.“Dat beteekent wat,” dacht Elisabeth, en haar koele oogen teekenden een vluchtige uitdrukking, alsof er een licht voor haar opging.Kort na het middagmaal, zette Beatrice haar hoed op en ging uit.Tien minuten later deed Elisabeth hetzelfde. Toen kondigde Granger aan, dat hij naar de boerderij ging (vóór zes uur was er geen dienst) om naar de zieke koe te zien, en vroeg Geoffrey of hij hem wilde vergezellen. Hij zeide dat hij dit wel doen kon, als Effie mee mocht, en na zijn pijp opgestoken te hebben, gingen zij heen.Intusschen was Beatrice naar het krankzinnige kind gegaan. Dat was dien dag niet heftig, en kende haar nauwelijks. Voordat zij tien minuten in huis was geweest, werd de sluier, die over den stand van zaken hing, opgeheven.De woning stond op twee derden van den weg in een onregelmatige straat, die geheel ledig was, want Zondags na het eten sliep Bryngelly. Aan het eene einde van die straat vertoonde zich Elisabeth, met een Bijbel in de hand, alsof zij op district-bezoek uitging. Zij zag de straat langs, maar toen zij niemand bespeurde, ging zij een wandelingetje doen, en toen zij terugkwam, zag zij weer de straat langs. Nu zag zij de deur van de woning derLlewellyns opengaan en Beatrice er uit komen. Oogenblikkelijk week Elisabeth terug naar een plaats, waar zij kon zien zonder gezien te worden, en wachtte besluiteloos af wat er gebeuren zou. Beatrice sloeg den weg naar het strand in.Nu was Elisabeth niet langer besluiteloos. Zij sloeg den weg naar de rots in en liep zeer snel. Voorbij de pastorie kwam zij aan een punt, waar het strand niet breeder dan vijftig meter was, en daar ging zij zitten. Weldra zag zij langs het strand beneden haar een man met snelle schreden aankomen. Het was Owen Davies. Zij wachtte en zat op de loer. Zeven of acht minuten verliepen, en een vrouw in een witte kleeding kwam voorbij. Het was Beatrice, die zeer langzaam liep.“Ha!” zeide Elisabeth bij zichzelve, haar tanden op elkaar drukkende, “zooals ik dacht!”Zij stond op, vervolgde het pad over de rots, en bleef een paar honderd meter vooruit, wat zij gemakkelijk doen kon door den korten weg te nemen. Het was een verre wandeling, en Elisabeth, die niet van loopen hield, werd er zeer vermoeid van. Maar als zij zich eenmaal iets in ’t hoofd had gezet was zij er niet licht af te brengen. Dus stapte zij, bijna een uur lang, moedig voort, totdat zij eindelijk aan een plek kwam, als het Amphitheater bekend. Dit Amphitheater, bijna vlak over de Roode Rotsen, was een halve cirkel van rotswanden, in ’t midden waarvan een groote, platte steen was, bij hoog getij onder den waterrand, waar men, op zekere gedeelten van de rots, van bovenaf het gezicht op had, hoewel hij, van het strand af, door de vooruitstekende rotswanden verborgen was. Elisabeth klom een eind ver langs de helling van de rots af, en toen zag zij, met zijn rug naar haar toe, Owen Davies zitten. Nog iets lager afdalende, naderde Elisabeth langzaam, totdat zij eindelijk binnen vijftig passen van hem af was. Hier verschanste zij zich achter een rotskloof en ging ook zitten; dichterbij te komen was niet veilig; maar voor het geval dat zij misschien van bovenaf werd opgemerkt, sloeg zij haar Bijbel op haar knie open, alsof zij deze stille plek had uitgekozen om te lezen.Eenige minuten verliepen, en nu kwam Beatrice om den vooruitstekenden hoek van het Amphitheater te voorschijn, en liep langzaam naar de plek waar Owen Davies zat. Hij stond op en stak de hand uit om haar te begroeten, maar zij nam die niet aan; zij boog slechts en nam ook op den grooten platten steen plaats, maar wel drie of vier voet van Owen Davies af. Elisabeth boog haar bleek gelaat vooruit, en spande haar ooren in om te luisteren, maar zij kon, helaas, geen enkel woord verstaan.“Ge hebt mij verzocht hier te komen, mijnheer Davies,” zeide Beatrice, het pijnlijk stilzwijgen afbrekende. “Daar ben ik.”“Ja,” antwoordde hij; “ik heb u verzocht te komen, omdat ik u wilde spreken.”“Ja?” zeide Beatrice, vragend opziende van haar bezigheid om met de punt van haar parasol kuiltjes in het zand te graven. Haar gelaat was kalm, maar haar hart klopte snel.“Ik wilde u vragen,” hernam hij, langzaam sprekende, “of ge mijn vrouw wilt worden”.Beatrice opende haar lippen om te spreken, maar bespeurende dat hij slechts had opgehouden omdat de woorden hem van aandoening in de keel bleven steken, zweeg zij en ging weer voort met kuiltjes te graven. Zij wilde niet antwoorden voordat zij de geheele toedracht van de zaak wist, zooals een advocaat zou zeggen.“Ik wilde u vragen,” herhaalde hij, “of ge mijn vrouw wilt worden: dat heb ik al eenige jaren geleden willen doen, maar ik heb er nog maar niet toe kunnen komen. ’t Is een groote stap, en mijn geluk hangt er van af. Antwoord mij nog niet,” ging hij voort, en zijn woorden wonnen in kracht onder het spreken, “luister naar wat ik u te zeggen heb. Ik ben mijn leven lang een eenzaam man geweest. Op zee was ik eenzaam, en sedert ik in het bezit van dat vermogen ben gekomen, ben ik nog eenzamer. Ik heb nooit iemand of iets liefgehad voordat ik u begon lief te hebben. En toen kreeg ik u hoe langer hoe meer lief; zoodat ik nu nog maar één gedachte heb, en dat is de gedachte aan u.Ik denk aan u als ik waak, en als ik slaap, droom ik van u. Luister,Beatrice, luister!—nooit heb ik een andere vrouw bemind, nauwelijks heb ik met een gesproken—gij zijt de eenige, Beatrice. Ik kan u veel geven; en alles zal het uwe zijn, maar ik zou zeer jaloersch op u wezen—ja, zeer jaloersch!”Zij zag hem aan. Zijn gelaat was uitwendig kalm, maar doodsbleek, en in zijn blauwe oogen, doorgaans zoo dof, blonk een vuur, dat door het contrast bijna akelig was.“Mij dunkt dat gij genoeg gezegd hebt, mijnheer Davies,” antwoordde Beatrice. “Ik ben u zeer verplicht. Ik gevoel mij zelfs vereerd, want in sommige opzichten ben ik uws gelijke niet, maar ik kan u niet liefhebben, en ik kan niet met u trouwen, en ik geloof dat het maar het best is u dit ronduit, eens en voor altijd, te zeggen,” en werktuigelijk ging zij voort met kuiltjes te graven.“O, zeg dat niet,” riep hij bijna kermend uit. “Om Godswil, zeg dat niet! Het zal mijn dood zijn, als ik u moet missen. Ik geloof dat ik krankzinnig zou worden. Trouw met mij, en ge zult mij wel leeren liefhebben.”Beatrice zag hem weder aan en gevoelde diep medelijden. Zij wist niet, dat het zóó erg met hem gesteld was. Zij zag in dat zij, uit een wereldsch oogpunt beschouwd, zeer dwaas deed. De man beminde haar en was een aannemelijke partij. Hij vroeg haar niets anders dan wat de meeste vrouwen, onder zulke gunstige omstandigheden voor haar welzijn, bereid genoeg zijn te geven—haarzelve. Maar zij had nooit van hem gehouden, hij had haar altijd tegengestaan, en zij was er het meisje niet naar om met een man te trouwen van wien zij niet hield. In de laatste week was die tegenzin nog sterker geworden. Waarom wist zij zelve niet, en terwijl zij zich daarover verwonderde, viel haar oog op de figuren, die zij werktuigelijk in het zand prikte. Zij hadden den vorm van letters aangenomen, en die letters warenGEOFFRE—Groote Hemel! Kon dat het antwoord zijn? Het bloed stroomde haar van schaamte naar het gelaat en met haar voeten veegde zij de verklappende letters, zooals zij meende, uit.Owen zag de verzachte uitdrukking van haar oogen, en haar blos zag hij ook, en aan beiden gaf hij een verkeerde uitlegging. Meenende dat zij geneigd was toe te geven, wilde hij haar hand vatten. Met een ruk van haar arm, zoo snel, dat zelfs Elisabeth, die zoo scherp tuurde, de beweging niet zag, trok zij haar hand los.“Raak mij niet aan,” zeide zij op bitsen toon, “ge hebt het recht niet mij aan te raken. Ik heb u geantwoord, mijnheer Davies.”Beschaamd, met het hoofd op de borst gezonken, zat Owen een oogenblik stil, als het beeld der wanhoop. Niets kon de strakke kalmte van zijn gelaat verstoren, maar de hevigheid zijner aandoening was te zien aan het beven van zijn beenen en zijn korte, snelle ademhaling.“Kunt ge mij geen hoop geven?” zeide hij eindelijk, met een doffe stem. “Om Godswil, denk na voordat gij antwoordt—gij weet niet wat het voor mij te beteekenen heeft. Voor u is het niets—gij hebt er geen gevoel van. Ik gevoel, en uw woorden snijden als een mes. Ik weet wel dat ik dom en vervelend ben, maar ik heb een gevoel alsof ge mij een doodsteek hadt gegeven. Gij hebt een hart van steen.”Weder werd Beatrice een weinig verzacht. Zij was getroffen en gevleid. Welke vrouw zou dat niet geweest zijn?“Wat kan ik u zeggen, mijnheer Davies?” zeide zij, op vriendelijken toon. “Ik kan niet met u trouwen. Hoe kan ik dat, als ik geen liefde voor u gevoel?”“Er trouwen zooveel vrouwen met mannen, voor wie zij geen liefde gevoelen.”“Dan zijn het slechte vrouwen,” antwoordde Beatrice, met vuur.“Zoo denkt de wereld er niet over,” hernam hij; “de wereld noemt zulke vrouwen slecht, die liefde gevoelen voor mannen, met wie zij niet kunnen trouwen, en de wereld heeft altijd gelijk. Het huwelijk wettigt alles.”Beatrice lachte bitter.“Denkt gij er zoo over?” zeide zij. “Ik niet. Ik vind, dat trouwen zonder liefde de schandelijkste van onzeinstellingen is, en dat is veel gezegd. Gesteld dat ik op uw aanzoek ‘ja’ zeide, gesteld dat ik met u trouwde, zonder liefde voor u te gevoelen, waar zou het dan om zijn? Om uw geld en uw stand, en om een getrouwde vrouw genoemd te kunnen worden; en wat zoudt gij denken, dat ik dan in mijn hart van mijzelve dacht? Neen, neen, ik ben misschien slecht, maar zóó laag ben ik niet gezonken. Zoek een andere vrouw, mijnheer Davies; de wereld is groot, en er zijn vrouwen genoeg, die u om uzelven zullen liefhebben, of het in allen gevalle zoo nauw niet zullen nemen. Vergeet mij, en laat mij mijn eigen weg gaan—dat isuwweg niet.”“U uw eigen weg laten gaan,” antwoordde hij, op hartstochtelijken toon—“dat wil zeggen, u aan een anderen man overlaten. O, daar kan ik niet aan denken. Ik ben jaloersch op elken man, die in uw nabijheid komt. Weet gij wel hoe schoon gij zijt? Gij zijt al te schoon—elke man moet verliefd op u worden zooals ik het ben. O, als gij een ander naamt, ik geloof dat ik hem zou dooden.”“Spreek zoo niet, mijnheer Davies, of ik ga heen.”Eensklaps hield hij op. “Ga niet heen,” zeide hij smeekend. “Luister. Ge zeidet dat ge niet met mij wilt trouwen omdat gij geen liefde voor mij gevoelt. Gesteld dat ge mij leerdet liefhebben, zeggen wij over een jaar.Beatrice, zoudt ge dan met met mij willen trouwen?”“Ik zou met ieder man willen trouwen, als ik hem liefhad,” antwoordde zij.“Dus, als ge mij leert liefhebben, wilt ge met mij trouwen?”“O, dat is belachelijk,” zeide zij. “’t Is niet waarschijnlijk, het is nauwelijks mogelijk, dat zoo iets zou kunnen gebeuren. Als het had kunnen gebeuren, zou het al vroeger geweest zijn.”“Het kan nog komen,” hernam hij; “uw hart kan nog jegens mij verteederd worden. O, zeg daar ja op. Het is een klein verzoek, het kost u niets, en het geeft mij hoop, zonder welke ik niet kan leven. Zeg dat ik u nog eens vragen mag, en dat gij dan, als ge mij liefhebt, met mij wilt trouwen.”Beatrice dacht een oogenblik na. Zulk een belofte kon geen kwaad, en in den loop van zes maanden of een jaar zou hij misschien gewend zijn aan het denkbeeld van zonder haar te leven. Ook zou het een scène voorkomen. Het was zwak van haar, maar zij was bevreesd voor de uitbarsting, als het haar vader ter oore kwam dat zij Owen Davies had afgewezen.“Als ge dat wenscht, mijnheer Davies,” zeide zij, “zoo zij het dan. Maar ik verzoek u wel te begrijpen, dat dit mij tot niets verbindt. Ik geef u volstrekt geen hoop dat, als gij over een jaar of zoo uw aanzoek hernieuwt, mijn antwoord anders zal zijn dan nu. Ik geloof niet dat daarvoor de minste waarschijnlijkheid is. Ook moet gij wel weten, dat ge er mijn vader niets van moogt zeggen, of mij op eenigerlei wijze lastig vallen. Stemt gij daarin toe?”“Ja,” was zijn antwoord. “Ik stem toe. Ik heb mij op genade of ongenade aan u overgegeven.”“Goed. En nu, mijnheer Davies, adieu. Gij moet niet met mij terug wandelen. Ik wil liever alleen gaan. Maar dit wil ik u nog zeggen: Het spijt mij dat het hiertoe gekomen is. Ik had wel gewenscht dat het niet gebeurd was. Ik heb het niet aangemoedigd, en wasch mijn handen in onschuld. Maar het spijt mij bovenmate, en ik herhaal wat ik gezegd heb—zoek een andere vrouw en trouw met haar.”“Dat is nog het wreedste van alles wat ge mij gezegd hebt,” antwoordde hij.“Het was mijn bedoeling niet wreed te zijn, mijnheer Davies, maar ik geloof dat de waarheid dikwijls hard klinkt. En nu, adieu,” en Beatrice stak hem haar hand toe.Hij raakte die even aan, en zij wendde zich van hem af en ging heen. Maar Owen ging niet heen. Hij bleef, met gebogen hoofd, diep neerslachtig op den steen zitten. Al zijn hoop had hij op dit meisje gevestigd. Zij was voor hem het eenige begeerlijke, de eenige ster in zijn eenigszins grauwe lucht, en nu was die ster verduisterd. Haar woorden waren vrij ondubbelzinnig, zij gaven hem weinig hoop. Integendeel, zij had een vastheid over zich,die hem vrees aanjoeg. Wat kon daar de reden van zijn? Hoe kwam het dat zij hem, en alles wat hij haar had aan te bieden, zoo beslist afwees? Zij was toch een meisje van geen hoogen stand. Zij kon haar oogen niet tot een betere partij opslaan. Er moest een reden voor zijn. Misschien een medeminnaar. De een of andere vijand was er de oorzaak van. Maar wie?Op dit oogenblik ging de schaduw van een vrouwengedaante langs hem.“O, zijt ge teruggekomen?” riep hij uit, overeind springende.“Als gij Beatrice bedoelt,” antwoordde een stem—het was de stem van Elisabeth—“die liep tien minuten geleden langs het strand. Ik was toevallig op de rots, en ik zag haar.”“O, ik vraag u verschooning, Miss Granger,” zeide hij. “Ik zag niet wie het was.”Elisabeth zette zich op den platten steen neder, op dezelfde plaats, waar haar zuster gezeten had, en de gaatjes in het strand ziende, begon zij onwillekeurig met haar voet het zand, dat Beatrice er overheen had gestreken, er af te schuiven, zoodat de vrij diep ingeprikte letters weer bijna geheel te voorschijn kwamen.“Ge hebt een gesprek met Beatrice gehad, mijnheer Davies?”“Ja,” antwoordde hij kortaf.Elisabeth bewaarde een oogenblik het stilzwijgen. Toen vatte zij de koe bij de horens.“Gaat ge met Beatrice trouwen, mijnheer Davies?” vroeg zij.“Dat weet ik niet,” gaf hij langzaam ten antwoord, en zonder dat deze vraag hem verraste. Het scheen hem zoo natuurlijk toe dat zij dezelfde gedachte had, waarvan zijn geest geheel vervuld was. “Ik zou niets liever wenschen dan met haar te trouwen, want ik heb haar innig lief.”“Heeft zij u dan afgewezen?”“Ja.”Elisabeth haalde ruimer adem.“Maar ik kan haar weer vragen.”Elisabeth fronste het voorhoofd. Wat kon dat beteekenen? Hetwas geen bepaalde afwijzing. Daar moest Beatrice iets mee voor hebben.“Waarom heeft zij u uitgesteld, mijnheer Davies? Meen niet dat ik het uit nieuwsgierigheid vraag. Ik vraag het alleen omdat ik u misschien zal kunnen helpen.”“Dat weet ik; gij zijt zeer goed. Help mij, en ik zal u altijd dankbaar zijn. Ik weet het niet—ik zou het er haast voor houden, dat er iemand anders moest zijn, maar ik weet niet wie het wezen kan.”“O, zoo!” zeide Elisabeth, die oplettend naar de weer te voorschijn gebrachte gaatjes in het zand had gekeken. “Dat is wel mogelijk, Beatrice is zoo’n zonderling meisje. Wat zijn dat voor letters, mijnheer Davies?”Hij zag er onverschillig naar. “Iets wat uw zuster met de punt van haar parasol schreef, terwijl ik tegen haar sprak. Ik herinner mij dat ik het haar heb zien doen.”“G E O F F R—wel, dat moet Geoffrey beteekenen. Ja, zeker is het mogelijk dat er iemand anders is, mijnheer Davies. Geoffrey!—hoe zonderling!”“Wat is zonderling, Miss Granger? Wie is Geoffrey?”Elisabeth deed een onaangenaamlachjehooren, dat Owen’s aandacht meer trok dan haar woorden.“Hoe zou ik dat weten? Het moet zeker de een of andere vriend van Beatrice zijn, en wel een, aan wien zij veel denkt, anders zou zij niet onwillekeurig zijn naam in het zand geschreven hebben. De eenige Geoffrey, dien ik ken, is mijnheer Geoffrey Bingham, de advocaat, die in de pastorie logeert, en wien Beatrice het leven heeft gered.” Zij hield een oogenblik op, om te zien welke uitwerking haar woorden hadden. “Maar, natuurlijk,” ging zij voort, “kan zij niet aan mijnheer Bingham gedacht hebben, want die is een getrouwd man.”“Getrouwd?” zeide Owen; “ja, maar hij is toch een man, en een heel knap man ook.”“Ja, een knap man mag hij wel genoemd worden,” hernamElisabeth; “maar, zooals Beatrice onlangs zeide, het meest boeit hij, door zijn gesprekken en zijn verstand. Hij is een merkwaardig man, en de wereld zal eenmaal nog van hem hooren. Maar dat komt hier nu eigenlijk niet bij te pas. Beatrice is een raar meisje, en heeft wonderlijke begrippen, maar ik houd mij verzekerd, dat zij het nooit met een getrouwd man zou willen aanleggen.”“Maar het zou wel kunnen zijn, dat hij het met haar wilde aanleggen, Miss Elisabeth.”Zij lachte. “Denkt ge werkelijk, dat een man als mijnheer Bingham zonder aanmoediging zou beproeven een minnarijtje met een meisje aan te knoopen? Zulke mannen zijn even trotsch als vrouwen, en nog trotscher: de dame moet altijd den eersten stap doen. Maar waar dient het toe er over te spreken? Het is allemaal onzin; Beatrice moet aan een anderen Geoffrey gedacht hebben—of het was alleen maar toevallig. Wel, mijnheer Davies, als ge een oogenblik werkelijk hadt kunnen denken dat die lieve Beatrice zich aan zoo iets schandelijks als een minnarij met een getrouwd man schuldig zou hebben gemaakt, zoudt gij haar dan ten huwelijk gevraagd hebben? Zoudt gij er nog aan denken zulk een meisje als zij dan zijn moest te vragen uw vrouw te worden?”“Ik weet het niet; ik geloof het niet,” antwoordde hij twijfelachtig.“Gijgeloofthet niet? Dan ken ik u beter dan gij uzelven kent. Ge zoudt liever nooit trouwen, dan een vrouw te nemen zooals zij dan gebleken was te zijn. Maar genoeg van dat dwaas gepraat. Als gij een medeminnaar hebt, kunt ge er zeker van zijn, dat het een ongetrouwde is.”In zijn hart dacht Owen dat hij toch eigenlijk liever gehad zou hebben dat het maar een getrouwd man was, omdat een getrouwd man, in allen gevalle, Beatrice niet wettig kon bezitten. Maar hij had ontzag voor Elisabeth’s strenge zedelijkheid, en dus zeide hij dat niet.“Ik gevoel mij een weinig van streek, Miss Elisabeth,” zeide hij. “Ik wil maar liever heengaan. A propos, ik heb beloofd er uw vader niets van te zeggen. Ik hoop dat gij het ook niet doen zult.”“Zeker niet,” antwoordde Elisabeth, en dat zou ook wel het laatste geweest zijn wat zij had willen doen. “Adieu dan, mijnheer Davies. Wees niet neerslachtig; alles zal nog wel terecht komen. Bedenk dat ge mij altijd hebt om u te helpen.”“Dank u, dank u,” zeide hij ernstig, en ging heen.Elisabeth zag hem, tot om den rotswand, met een koelen en hatelijken glimlach na.“Gek!” dacht zij, “gek!Mijte zeggen dat je haar zoo innig liefhebt en met haar wilt trouwen! Je wilt dat lieve gezichtje hebben, niet waar? Dat krijg je nooit; ik zal het wel voor je bederven! Die lieve Beatrice, zij is niet in staat eenliefdeshistorietjemet een getrouwd man te hebben—o, zeker niet! Wel, zij is al verliefd op hem, en hij meer dan half op haar. Als zij het niet was, zou zij Owen dan afgescheept hebben? Wel neen! Laat hun den tijd maar, en we zullen zien. Zij zullen elkaar in ’t ongeluk storten—dat moeten zij wel; het is geen kinderspel als twee zooals zij verliefd worden. Zij zullen het niet bij zuchten laten. Het was een goede inval hem in huis te nemen. En als ik haar zoo met dat kind Effie zie, alsof zij haar moeder was—’t is om te lachen. O, Beatrice, met al je wijsheid ben je een onnoozel schaap. En op een goeden dag, lieve meid, zal ik het genoegen hebben je voor Owen ten toon te stellen, dan zal de afgod ontsluierd worden, en dan is het met je kansen bij hem uit, want daarna kan hij niet met je trouwen. En dan komt mijn beurt. ’t Is een kwestie van tijd—alleen maar een kwestie van tijd.”Zoo peinsde Elisabeth, met een hart vol nijd en jaloezie. Zij hield veel van Owen Davies, zooveel als zij in staat was voor iemand genegenheid te gevoelen, ten minste, zij hield veel van den rijkdom en stand, waarvan hij het zichtbaar middelpunt was, en zij haatte haar zuster, die hij begeerde. Als zij die zuster maarin een slechten naam kon brengen en bewijzen dat zij zich aan misplaatste, ongewettigde liefde schuldig had gemaakt—in de oogen der wereld de zwaarste misdaad eener vrouw—zou Owen wel niet meer van haar willen weten.Zij vergiste zich. Zij wist niet, dat hij Beatrice volstrekt tot vrouw wilde hebben; zij kon zich niet voorstellen hoe vergevensgezind een man, die zich dit ten doel stelt, kan zijn. Alleen over de vrouw, die zij reeds moede zijn, vellen de mannen maar al te spoedig een streng vonnis, maar niet over haar, die hun nog niet toebehoort, en naar wier bezit zij dag en nacht verlangen. Voor dezulken zijn zij zeer toegevend.
HoofdstukXI.Beatrice maakt een afspraak.Lady Honoria leunde in de vigilante achterover en slaakte een zucht van verlichting.“Dat is een uitmuntend plan,” zeide zij. “Ik dacht er al over welke schikkingen ik voor de eerste drie weken zou moeten maken. ’t Is belachelijk alleen voor u en Effie drie guinjes in de week te betalen. De oude heer verlangt dat voor kost en inwoning samen, want ik heb het hem gevraagd.”“Dat zal dan zeker ook wel genoeg zijn,” zeide Geoffrey. “Wanneer verhuizen wij?”“Morgen, in tijds voor het middagmaal, of liever het avondeten; dat onbeschaafde volk eet ’s avonds ook, zooals ge weet. Ik vertrek met den ochtendtrein, ziet ge, dan kom ik tegen het theedrinken bij Garsington aan. Ge zult het hier wel wat stil vinden, maar ge houdt veel van stilte. De oude predikant is een man van een lagen stempel, en vervelend, en de oudste dochter, Elisabeth, is al te vinnig—zijdoet mij aan een rat denken. Maar Beatrice is een mooi meisje, hoewel ik haar naar vind. Ge zult u met haar moeten vergenoegen, en ik geloof dat ge elkaar wel zult bevallen.”“Waarom vindt ge haar naar, Honoria?”“Och, dat weet ik niet; ze is knap en zonderling, en ik houd niet van zonderlinge vrouwen. Waarom kan zij niet zijn zooals anderen? Denk eens dat zij sterk genoeg was om uw leven te redden. Ze moet de spieren van een Amazone hebben—dat is bepaald onvrouwelijk. Maar haar schoonheid is boven allen twijfel. Ik heb zelden zoo’n mooi meisje gezien, hoewel zij wel wat over zich heeft, dat al te vrij is. Als ik zoo’n dochter als zij had, kreeg niemand haar onder de twintig duizend pond. Zij is veel te goed voor den WelschenSquire, met wien zij geëngageerd is—dien man, die op het kasteel woont—hoewel men zegt dat hij heel rijk is.”“Geëngageerd,” zeide Geoffrey, “hoe weet ge dat zij geëngageerd is?”“O, ik weet het niet, maar ik vooronderstel het. Als zij het niet is, zal zij het wel spoedig wezen, want een meisje in haar positie zal zoo’n kans niet licht vergooien.In allen gevalle is hij smoorlijk op haar verliefd. Dat heb ik gisterenavond gezien. Hij stond uren lang in den regen buiten de deur te wachten, met een gezicht als een geest, totdat hij wist of zij dood of levend was, en hij is er van ochtend al tweemaal geweest om naar haar te vragen. Dat heeft mijnheer Granger mij gezegd. Maar zij zou wel beter partij kunnen doen, als zij er maar in de gelegenheid toe werd gesteld.”Geoffrey’s levendige belangstelling in Beatrice verflauwde aanmerkelijk toen hij dit vernam. Het ging hem, natuurlijk, niet aan; hij was zelfs blijde te hooren dat zij in de gelegenheid was zulk een goede partij te doen, maar ongelukkig is het een waarheid dat men niet zooveel belang kan stellen in een bekoorlijke, jonge dame, die een “suffigen Welschen landheer” toebehoort, als wanneer zij nog geheel vrij is.De oude Adam leeft nog in de meeste mannen, hoe rechtschapenzij ook zijn mogen, en dit is een van de wijzen, waarop hij zich laat gelden.“Welnu,” zeide hij, “het verheugt mij, dat zij zulk een goed vooruitzicht heeft; dat verdient zij. De Welsche landheer mag van geluk spreken; Miss Granger is een bizonder lief meisje.”“Veel te bizonder,” zeide Lady Honoria droog. “Hier zijn wij er, en daar komt Effie met allerlei malle bokkesprongen aanhuppelen, Dat kind lijkt wel gek.”Den volgenden ochtend—het was Vrijdag—vertrok Lady Honoria in de beste luim, van Anne vergezeld. In de eerste drie weken zou zij in allen gevalle bevrijd zijn van de ergernissen, die met bekrompen middelen gepaard gaan—vrij om de weelde en de verfijnde genoegens, waaraan zij gewoon was, te genieten, en waarnaar haar ziel gehaakt had met een verlangen, dat voor een eenvoudiger gemoed onbegrijpelijk geweest zou zijn. Iedereen heeft zijn ideaal van geluk, als men het maar altijd kon begrijpen. Sommigen zouden een verheven geestelijk genot verkiezen, en gelukkig zijn door al de beste boeken over de planeten te lezen; anderen, een modelstaat, met zichzelf als president, waarin (door hun weldadig streven) de laatste radicale begrippen tot ieders tevredenheid van toepassing werden gebracht; weer anderen, een gunstig jachtterrein, waar het wild evenveel pret had als zijzelven; en zoo voort, tot in het oneindige.Lady Honoria was bescheidener. Als zij maar een, in alle opzichten, welingericht huis in de stad en een dito landhuis had, eenige lakeien, rijtuigen naar keus en andere noodzakelijkheden, met inbegrip, natuurlijk, van toegang tot de voornaamste gezelschapskringen, zou zij niets meer verlangen. Hopen wij, dat zij het eenmaal krijgen zal. Het zou niemand kwaad doen, en in deze wereld zou zij naar alle waarschijnlijkheid menigeen vinden, die van dezelfde denkwijze was als zij.Zij omhelsde Effie met veel vertoon van hartelijkheid, en haar echtgenoot met kuische warmte, en ging heen met een vrome bede op haar lippen dat zij Bryngelly nooit mocht wederzien.Wij behoeven Lady Honoria niet op haar reis te volgen. Dien namiddag hadden Effie en haar vader groote pret. Zij waren aan het inpakken. Geoffrey die spoedig van zijn stijfheid bekomen was, stopte alles in de koffers, en Effie danste er op. Wat er niet in kon ging in een pak los in de vigilante, totdat het rijtuig er uitzag als een oude-kleerenwinkel. Toen, omdat er voor hen geen ruimte meer in was, gingen zij te voet langs het strand naar de pastorie, een afstand van omstreeks drie kwartmijl, en hielden onderweg stil, om het fraaie kasteel te bewonderen, waar Owen Davies als een kluizenaar woonde.“O, paatje,” zeide het kind, “ik wou dat u zoo’n huis kocht om in te wonen. Waarom doet u dat niet, paatje?”“Daar heb ik geen geld genoeg voor, lieve,” antwoordde hij.“Zult u er nooit geld genoeg voor hebben, paatje?”“Dat weet ik niet—eenmaal misschien wel—als ik te oud ben om er genot van te hebben,” liet hij er bij zichzelven op volgen.“Het zal zeker wel veel kosten zoo’n huis te koopen, nietwaar, paatje?” merkte Effie wijs aan.“Ja, lieve, meer dan jij kunt tellen,” antwoordde hij, en daar was het gesprek mee uit.Nu kwamen zij aan een schuitenhuis. Hier was een man—de oude Eduard—bezig een bootje te kalfateren.Geoffrey zag er naar, en herkende het bootje van Beatrice.“Kijk, Effie,” zeide hij, “dat is de boot, waaruit ik in het water ben gevallen.” Effie zette groote oogen op en staarde op het broze vaartuigje.“’t Is een leelijk schuitje,” zeide zij, “ik wil er niet naar zien.”“U hebt wel gelijk, jongejuffrouw,” sprak de oude Eduard, zijn pet aanrakende. “’t Is niet veilig, en eenmaal zal er iemand nog mee verdrinken. Ik wou dat het maar naar den kelder was gegaan, maar Miss Beatrice is zoo eigenzinnig, dat er niets met haar te beginnen is.”“Mij dunkt, dat zij nu wel een les gehad zal hebben,” zeide Geoffrey.“Dat kan wel wezen, en misschien ook niet,” bromde de oude man; “’t is zoo moeilijk vrouwen iets aan ’t verstand te brengen; ze leeren niets voordat het te laat is, en als er niets meer aan te doen is, dan is het aan tranen geen gebrek; maar wat helpt dat?”Intusschen werd, op niet verder dan een mijl afstands, een ander gesprek gevoerd. Op de kruin van de rots stond het dorp Bryngelly, en achter het dorp was een school, een eenvoudig gebouw met gepleisterde muren, dat, hoewel voldoende voor de behoeften van de plaats, een ergernis was in de oogen der schoolopzieners, die van tijd tot tijd zich verwaardigden te Bryngelly te komen om te vitten. Zij verlangden er een gebouw van rood baksteen te zien, met al de laatste verbeteringen, opgericht ten koste van de belastingbetalenden, maar tot dusverre verlangden zij te vergeefs. De school werd door vrijwillige bijdragen onderhouden, en dank zij Beatrice’s ijver en goed onderricht, was zij niet in handen gevallen van de gevreesde schoolcommissie, met haar vitterijen en op onkosten jagen.Beatrice had dien namiddag haar werkzaamheden weer opgevat, want de nachtrust had haar sterk, jeugdig gestel al zijn veerkracht teruggegeven. Zij was met gejuich door de kinderen ontvangen, die allen veel van haar hielden, en dat mochten zij ook wel, want zij ging zeer zacht en lief met hen om, hoewel weinigen haar ongehoorzaam durfden zijn. Bovendien, maakte haar schoonheid indruk op hen, al wisten zij dat zelven ook niet. Schoonheid van een zekere soort maakt misschien het meest indruk op kinderen, hoe onachtzaam en zelfzuchtig zij dikwijls ook schijnen te zijn. Zij gevoelen haar macht; zij is een zichtbare uitdrukking van de droomen en gedachten, die in hun onwetende harten opkomen, en in zekeren zin vermengd met hun begrippen van God en den Hemel.Zoo was er in Bryngelly een meisje van tien jaar, een schrander en prikkelbaar kind, Jane Llewellyn genaamd, wier ouders streng Calvinistische begrippen hadden. Nu wilde het geval, dat eenigemaanden vóór het begin van dit verhaal, een als redenaar vermaard prediker van den ouden Puriteinschen stempel het dorp had bezocht en zijn toehoorders op een levendige voorstelling van de verschrikkingen der hel onthaald had.In de voorste rij, zat, met groote, angstig starende oogen, dat arme kind tusschen haar ouders, die met genot naar den predikant luisterden, en een weinig achteraan zat Beatrice, die uit nieuwsgierigheid gekomen was.Na genoeg over ontzettende algemeenheden uitgeweid te hebben, ging de prediker over tot ophelderende voorbeelden, voor de hand gegrepen, want zijn preek was geheel improvisatie. “Aanschouwt dat kind,” zeide hij, op het kleine meisje wijzende; “zij ziet er onschuldig uit, niet waar? Maar ik zeg u, mijn broederen, als zij geen verlossing vindt, is zij verdoemd. Als zij dezen nacht sterft zonder verlossing gevonden te hebben, gaat zij naar deHel. Haar teer lichaampje zal van eeuwigheid tot eeuwigheid gefolterd worden.”Hier viel het ongelukkige kind met een gil voorover.“Ge moest u schamen, mijnheer,” zeide Beatrice overluid.Zij had met toenemende verontwaardiging naar dien bombast geluisterd, en nu vergat zij in haar opgewondenheid geheel, dat zij in een plaats van godsvereering was. Toen snelde zij vooruit naar het kind, dat bewusteloos was. De arme kleine kwam haar schrik nooit weer te boven. Toen zij uit haar bezwijming de oogen weer opsloeg, bleek het dat haar gevoelige hersens niet tegen den schok bestand waren geweest, en zij verviel tot een staat van onnoozelheid. Maar zij was niet altijd een lijdende idioot. Zij had soms vlagen van hevigen angst. Dan riep zij, dat de duivelen haar kwamen halen om gefolterd te worden, en wierp zich akelig gillend tegen den muur. In zulke oogenblikken was er maar één middel om haar tot bedaren te brengen: en dat was, Beatrice te laten roepen. En dan kwam Beatrice, nam die arme twee handjes in de hare en zag met haar kalme, doordringende oogen in dat vermagerd, van angst verwrongen gezichtje, totdat het kind weer stil werd, huiverde, en zich aan haar borst in slaap snikte.En zoo was het met al de kinderen; zij had een bijna onbeperkte nacht over hen. Zij hadden haar lief, evenals zij hen.De lessen waren voor dien dag afgeloopen. Het was Beatrice’s gewoonte de kinderen vóór het uitgaan der school een eenvoudig lied te laten zingen. Zij stond voor hen, en gaf de maat aan, terwijl zij zongen, en het was aardig haar daar zoo te zien staan. Op dezen namiddag werd, juist toen het eerste vers uit was, de deur van het schoolvertrek geopend, en Owen Davies trad binnen, Beatrice zag hem en trapte de maat in een min of meer versneld tempo.De kinderen zongen er helder op los. Owen Davies kwam al nader en nader, totdat hij eindelijk vlak bij Beatrice stond, met half geopende lippen en de oogen op haar bevallige gestalte gevestigd, als iemand, die droomt, terwijl zijn geesteloos gelaat flauw verhelderd was door den glans van sterke aandoening.Toen het lied uit was, defileerden de kinderen op een woord van hun meesteres haar voorbij, door de kweekelingen geleid, en daarna grepen zij met gejuich hun hoeden en petten, en stormden naar buiten in de vrije lucht, waar zij zich in alle richtingen verstrooiden. Toen zij allen weg waren, en ook eerst toen, zag Beatrice eensklaps om.“Hoe vaart gij, mijnheerDavies?” zeide zij.Hij onthutste zichtbaar. “Ik wist niet, dat ge mij gezien hadt,” antwoordde hij.“O, ja, ik heb u wel gezien, mijnheer Davies, maar ik kon het zingen niet laten ophouden om u toe te spreken.Ik moet u nog bedanken, dat ge naar mij zijt komen vragen.”“Volstrekt niet, Miss Beatrice, volstrekt niet, het was een verschrikkelijk ongeluk. Ik kan u niet zeggen hoe dankbaar ik ben—ik weet er geen woorden voor te vinden.”“Gij zijt wel goed, dat gij zooveel belang in mij stelt,” hernam Beatrice.“Volstrekt niet, Miss Beatrice, volstrekt niet. Wie zou in u geen belang stellen? Ik heb een boek voor u meegebracht—hetleven van Darwin—twee deelen. Ik meen u te hebben hooren zeggen, dat Darwin u interesseert?”“Ja, ik dank u zeer. Hebt gij het gelezen?”“Neen, maar ik heb het opengesneden. Ik heb met Darwin niet veel op, zooals ge weet. Zijn richting houd ik niet voor de juiste. Mag ik de boeken voor u naar huis dragen?”“Zeer vriendelijk van u, maar ik ga niet rechtstreeks naar huis; ik ga naar het schuitenhuis van den ouden Eduard, om naar mijn bootje te zien.”Feitelijk was dit wel zoo, maar het was haar op dit oogenblik eerst ingevallen. Beatrice had naar huis willen gaan, om te zien of alles voor Geoffrey en zijn dochtertje in gereedheid was gebracht. Maar om aan de pastorie te komen, moest zij langs de rots gaan, waar weinig menschen waren, en dat wilde zij nu liever niet. Ronduit gezegd, was zij bang dat Davies van de gelegenheid gebruik zou maken om haar zijn hart en zijn hand aan te bieden, wat haar nachtmerrie was. De weg naar Eduard’s schuitenhuis liep door het dorp, en zij wist wel, dat hij daar zijn aanzoek niet zou doen.Het was voorzeker zeer dwaas van haar dat zij aldus den kwaden dag zocht te verschuiven; maar de verstandigste vrouwen hebben haar zwakke punten, en dit was er een van Beatrice. Zij hield niet van scènes, en zij wist dat als het er toe kwam, het een scène zou geven. Niet dat zij een oogenblik wankelde in haar besluit om den man af te wijzen; maar het zou toch onaangenaam zijn, en eindelijk moest het haar vader en Elisabeth ter oore komen, dat zij Owen Davies een blauwtje had laten loopen, en wat zou zij dan voor een leven hebben?Nooit had zij vermoed, het zou nooit bij haar opgekomen zijn te vermoeden, dat, hoewel haar vader het haar ten hoogste kwalijk zou nemen, niets ter wereld het hart van Elisabeth zoo had kunnen verblijden.Na haar hoed opgezet te hebben, verliet Beatrice het schoolgebouw, vergezeld door haar bewonderaar, die het Leven van Darwinonder zijn arm droeg. Zij liepen zwijgend voort, Beatrice een weinig vooruit. Zij maakte eenige aanmerkingen over het weer, maar Owen gaf geen antwoord; hij was in gepeins; hij wilde iets zeggen, maar wist niet hoe. Zij waren nu aan de rots, en als hij wilde spreken, moest hij het spoedig doen.“Miss Beatrice,” begon hij, op een eenigszins gedwongen toon.“Ja, mijnheer Davies—o, zie die zeemeeuw eens; zij sloeg bijna mijn hoed af.”Maar hij was niet met de zeemeeuw af te schepen. “Miss Beatrice,” zeide hij weder, “gaat gij Zondagnamiddag wandelen?”“Hoe weet ik dat vooraf, mijnheer Davies? Het kan wel regenen.”“Maar als het niet regent—zeg het mij, als ’t u belieft. Gewoonlijk gaat ge Zondags op het strand wandelen. Miss Beatrice, ik moet u spreken. Ik hoop dat ge ’t mij wel zult vergunnen.”Toen nam zij plotseling een besluit. Zoo was het onverdragelijk; het was maar beter er einde aan te maken. Zich zoo snel om wendende dat Owen er van schrikte, zeide zij:“Als ge mij dan volstrekt spreken wilt, mijnheer Davies, zal ik Zondagnamiddag om vier uur op het Amphitheater, die hoogte tegenover de Roode Rotsen, zijn, maar ik had veel liever dat ge niet kwaamt. Meer kan ik niet zeggen.”“Ik zal komen,” antwoordde hij op stroeven toon, en nu waren zij bij het schuitenhuis.“O, kijk, paatje,” zeide Effie, “daar komt die dame aan, die met u verdronken is; zij heeft een heer bij zich,” en tot Beatrice’s groote verlichting, snelde het kind haar te gemoet.“O, dat is de man, met wien Honoria zegt dat zij geëngageerd is,” dacht Geoffrey. “Ik moet zeggen, dat ik geen hoogen dunk van haar smaak heb.”Een oogenblik later waren zij bij hem. Geoffrey gaf Beatrice de hand en werd aan Owen Davies voorgesteld, die daarop iets mompelde en spoedig heenging.Zij bezichtigden te zamen het bootje, en liepen langzaam naarde pastorie terug, Effie aan de hand van Beatrice. Tegenover de zandbank bleven zij even stilstaan.“Daar is de Tafelrots, waar wij op geworpen zijn, mijnheer Bingham,” zeide Beatrice, “en hier hebben zij ons aan land gebracht. De zee ziet er van avond niet uit alsof ze iemand zou laten verdrinken, niet waar? Zie!”—en zij wierp er een steen in—“het geeft niet meer kabbeling dan in een vijver.”Zij sprak luchtig, en Geoffrey antwoordde haar ook luchtig, want geen van beiden dachten zij aan hun woorden. Veeleer dachten zij aan het zonderling toeval, dat hen in een uur van levensgevaar bij elkander had gebracht, en hen nu in een kalm uur te samen liet. Misschien kwam de vraag bij hen op, waar dit alles op moest uitloopen. Want twijfelaars atheïsten of geloovigen, zijn wij niet allen in ons hart fatalisten?
Lady Honoria leunde in de vigilante achterover en slaakte een zucht van verlichting.
“Dat is een uitmuntend plan,” zeide zij. “Ik dacht er al over welke schikkingen ik voor de eerste drie weken zou moeten maken. ’t Is belachelijk alleen voor u en Effie drie guinjes in de week te betalen. De oude heer verlangt dat voor kost en inwoning samen, want ik heb het hem gevraagd.”
“Dat zal dan zeker ook wel genoeg zijn,” zeide Geoffrey. “Wanneer verhuizen wij?”
“Morgen, in tijds voor het middagmaal, of liever het avondeten; dat onbeschaafde volk eet ’s avonds ook, zooals ge weet. Ik vertrek met den ochtendtrein, ziet ge, dan kom ik tegen het theedrinken bij Garsington aan. Ge zult het hier wel wat stil vinden, maar ge houdt veel van stilte. De oude predikant is een man van een lagen stempel, en vervelend, en de oudste dochter, Elisabeth, is al te vinnig—zijdoet mij aan een rat denken. Maar Beatrice is een mooi meisje, hoewel ik haar naar vind. Ge zult u met haar moeten vergenoegen, en ik geloof dat ge elkaar wel zult bevallen.”
“Waarom vindt ge haar naar, Honoria?”
“Och, dat weet ik niet; ze is knap en zonderling, en ik houd niet van zonderlinge vrouwen. Waarom kan zij niet zijn zooals anderen? Denk eens dat zij sterk genoeg was om uw leven te redden. Ze moet de spieren van een Amazone hebben—dat is bepaald onvrouwelijk. Maar haar schoonheid is boven allen twijfel. Ik heb zelden zoo’n mooi meisje gezien, hoewel zij wel wat over zich heeft, dat al te vrij is. Als ik zoo’n dochter als zij had, kreeg niemand haar onder de twintig duizend pond. Zij is veel te goed voor den WelschenSquire, met wien zij geëngageerd is—dien man, die op het kasteel woont—hoewel men zegt dat hij heel rijk is.”
“Geëngageerd,” zeide Geoffrey, “hoe weet ge dat zij geëngageerd is?”
“O, ik weet het niet, maar ik vooronderstel het. Als zij het niet is, zal zij het wel spoedig wezen, want een meisje in haar positie zal zoo’n kans niet licht vergooien.In allen gevalle is hij smoorlijk op haar verliefd. Dat heb ik gisterenavond gezien. Hij stond uren lang in den regen buiten de deur te wachten, met een gezicht als een geest, totdat hij wist of zij dood of levend was, en hij is er van ochtend al tweemaal geweest om naar haar te vragen. Dat heeft mijnheer Granger mij gezegd. Maar zij zou wel beter partij kunnen doen, als zij er maar in de gelegenheid toe werd gesteld.”
Geoffrey’s levendige belangstelling in Beatrice verflauwde aanmerkelijk toen hij dit vernam. Het ging hem, natuurlijk, niet aan; hij was zelfs blijde te hooren dat zij in de gelegenheid was zulk een goede partij te doen, maar ongelukkig is het een waarheid dat men niet zooveel belang kan stellen in een bekoorlijke, jonge dame, die een “suffigen Welschen landheer” toebehoort, als wanneer zij nog geheel vrij is.
De oude Adam leeft nog in de meeste mannen, hoe rechtschapenzij ook zijn mogen, en dit is een van de wijzen, waarop hij zich laat gelden.
“Welnu,” zeide hij, “het verheugt mij, dat zij zulk een goed vooruitzicht heeft; dat verdient zij. De Welsche landheer mag van geluk spreken; Miss Granger is een bizonder lief meisje.”
“Veel te bizonder,” zeide Lady Honoria droog. “Hier zijn wij er, en daar komt Effie met allerlei malle bokkesprongen aanhuppelen, Dat kind lijkt wel gek.”
Den volgenden ochtend—het was Vrijdag—vertrok Lady Honoria in de beste luim, van Anne vergezeld. In de eerste drie weken zou zij in allen gevalle bevrijd zijn van de ergernissen, die met bekrompen middelen gepaard gaan—vrij om de weelde en de verfijnde genoegens, waaraan zij gewoon was, te genieten, en waarnaar haar ziel gehaakt had met een verlangen, dat voor een eenvoudiger gemoed onbegrijpelijk geweest zou zijn. Iedereen heeft zijn ideaal van geluk, als men het maar altijd kon begrijpen. Sommigen zouden een verheven geestelijk genot verkiezen, en gelukkig zijn door al de beste boeken over de planeten te lezen; anderen, een modelstaat, met zichzelf als president, waarin (door hun weldadig streven) de laatste radicale begrippen tot ieders tevredenheid van toepassing werden gebracht; weer anderen, een gunstig jachtterrein, waar het wild evenveel pret had als zijzelven; en zoo voort, tot in het oneindige.
Lady Honoria was bescheidener. Als zij maar een, in alle opzichten, welingericht huis in de stad en een dito landhuis had, eenige lakeien, rijtuigen naar keus en andere noodzakelijkheden, met inbegrip, natuurlijk, van toegang tot de voornaamste gezelschapskringen, zou zij niets meer verlangen. Hopen wij, dat zij het eenmaal krijgen zal. Het zou niemand kwaad doen, en in deze wereld zou zij naar alle waarschijnlijkheid menigeen vinden, die van dezelfde denkwijze was als zij.
Zij omhelsde Effie met veel vertoon van hartelijkheid, en haar echtgenoot met kuische warmte, en ging heen met een vrome bede op haar lippen dat zij Bryngelly nooit mocht wederzien.
Wij behoeven Lady Honoria niet op haar reis te volgen. Dien namiddag hadden Effie en haar vader groote pret. Zij waren aan het inpakken. Geoffrey die spoedig van zijn stijfheid bekomen was, stopte alles in de koffers, en Effie danste er op. Wat er niet in kon ging in een pak los in de vigilante, totdat het rijtuig er uitzag als een oude-kleerenwinkel. Toen, omdat er voor hen geen ruimte meer in was, gingen zij te voet langs het strand naar de pastorie, een afstand van omstreeks drie kwartmijl, en hielden onderweg stil, om het fraaie kasteel te bewonderen, waar Owen Davies als een kluizenaar woonde.
“O, paatje,” zeide het kind, “ik wou dat u zoo’n huis kocht om in te wonen. Waarom doet u dat niet, paatje?”
“Daar heb ik geen geld genoeg voor, lieve,” antwoordde hij.
“Zult u er nooit geld genoeg voor hebben, paatje?”
“Dat weet ik niet—eenmaal misschien wel—als ik te oud ben om er genot van te hebben,” liet hij er bij zichzelven op volgen.
“Het zal zeker wel veel kosten zoo’n huis te koopen, nietwaar, paatje?” merkte Effie wijs aan.
“Ja, lieve, meer dan jij kunt tellen,” antwoordde hij, en daar was het gesprek mee uit.
Nu kwamen zij aan een schuitenhuis. Hier was een man—de oude Eduard—bezig een bootje te kalfateren.
Geoffrey zag er naar, en herkende het bootje van Beatrice.
“Kijk, Effie,” zeide hij, “dat is de boot, waaruit ik in het water ben gevallen.” Effie zette groote oogen op en staarde op het broze vaartuigje.
“’t Is een leelijk schuitje,” zeide zij, “ik wil er niet naar zien.”
“U hebt wel gelijk, jongejuffrouw,” sprak de oude Eduard, zijn pet aanrakende. “’t Is niet veilig, en eenmaal zal er iemand nog mee verdrinken. Ik wou dat het maar naar den kelder was gegaan, maar Miss Beatrice is zoo eigenzinnig, dat er niets met haar te beginnen is.”
“Mij dunkt, dat zij nu wel een les gehad zal hebben,” zeide Geoffrey.
“Dat kan wel wezen, en misschien ook niet,” bromde de oude man; “’t is zoo moeilijk vrouwen iets aan ’t verstand te brengen; ze leeren niets voordat het te laat is, en als er niets meer aan te doen is, dan is het aan tranen geen gebrek; maar wat helpt dat?”
Intusschen werd, op niet verder dan een mijl afstands, een ander gesprek gevoerd. Op de kruin van de rots stond het dorp Bryngelly, en achter het dorp was een school, een eenvoudig gebouw met gepleisterde muren, dat, hoewel voldoende voor de behoeften van de plaats, een ergernis was in de oogen der schoolopzieners, die van tijd tot tijd zich verwaardigden te Bryngelly te komen om te vitten. Zij verlangden er een gebouw van rood baksteen te zien, met al de laatste verbeteringen, opgericht ten koste van de belastingbetalenden, maar tot dusverre verlangden zij te vergeefs. De school werd door vrijwillige bijdragen onderhouden, en dank zij Beatrice’s ijver en goed onderricht, was zij niet in handen gevallen van de gevreesde schoolcommissie, met haar vitterijen en op onkosten jagen.
Beatrice had dien namiddag haar werkzaamheden weer opgevat, want de nachtrust had haar sterk, jeugdig gestel al zijn veerkracht teruggegeven. Zij was met gejuich door de kinderen ontvangen, die allen veel van haar hielden, en dat mochten zij ook wel, want zij ging zeer zacht en lief met hen om, hoewel weinigen haar ongehoorzaam durfden zijn. Bovendien, maakte haar schoonheid indruk op hen, al wisten zij dat zelven ook niet. Schoonheid van een zekere soort maakt misschien het meest indruk op kinderen, hoe onachtzaam en zelfzuchtig zij dikwijls ook schijnen te zijn. Zij gevoelen haar macht; zij is een zichtbare uitdrukking van de droomen en gedachten, die in hun onwetende harten opkomen, en in zekeren zin vermengd met hun begrippen van God en den Hemel.
Zoo was er in Bryngelly een meisje van tien jaar, een schrander en prikkelbaar kind, Jane Llewellyn genaamd, wier ouders streng Calvinistische begrippen hadden. Nu wilde het geval, dat eenigemaanden vóór het begin van dit verhaal, een als redenaar vermaard prediker van den ouden Puriteinschen stempel het dorp had bezocht en zijn toehoorders op een levendige voorstelling van de verschrikkingen der hel onthaald had.
In de voorste rij, zat, met groote, angstig starende oogen, dat arme kind tusschen haar ouders, die met genot naar den predikant luisterden, en een weinig achteraan zat Beatrice, die uit nieuwsgierigheid gekomen was.
Na genoeg over ontzettende algemeenheden uitgeweid te hebben, ging de prediker over tot ophelderende voorbeelden, voor de hand gegrepen, want zijn preek was geheel improvisatie. “Aanschouwt dat kind,” zeide hij, op het kleine meisje wijzende; “zij ziet er onschuldig uit, niet waar? Maar ik zeg u, mijn broederen, als zij geen verlossing vindt, is zij verdoemd. Als zij dezen nacht sterft zonder verlossing gevonden te hebben, gaat zij naar deHel. Haar teer lichaampje zal van eeuwigheid tot eeuwigheid gefolterd worden.”
Hier viel het ongelukkige kind met een gil voorover.
“Ge moest u schamen, mijnheer,” zeide Beatrice overluid.
Zij had met toenemende verontwaardiging naar dien bombast geluisterd, en nu vergat zij in haar opgewondenheid geheel, dat zij in een plaats van godsvereering was. Toen snelde zij vooruit naar het kind, dat bewusteloos was. De arme kleine kwam haar schrik nooit weer te boven. Toen zij uit haar bezwijming de oogen weer opsloeg, bleek het dat haar gevoelige hersens niet tegen den schok bestand waren geweest, en zij verviel tot een staat van onnoozelheid. Maar zij was niet altijd een lijdende idioot. Zij had soms vlagen van hevigen angst. Dan riep zij, dat de duivelen haar kwamen halen om gefolterd te worden, en wierp zich akelig gillend tegen den muur. In zulke oogenblikken was er maar één middel om haar tot bedaren te brengen: en dat was, Beatrice te laten roepen. En dan kwam Beatrice, nam die arme twee handjes in de hare en zag met haar kalme, doordringende oogen in dat vermagerd, van angst verwrongen gezichtje, totdat het kind weer stil werd, huiverde, en zich aan haar borst in slaap snikte.
En zoo was het met al de kinderen; zij had een bijna onbeperkte nacht over hen. Zij hadden haar lief, evenals zij hen.
De lessen waren voor dien dag afgeloopen. Het was Beatrice’s gewoonte de kinderen vóór het uitgaan der school een eenvoudig lied te laten zingen. Zij stond voor hen, en gaf de maat aan, terwijl zij zongen, en het was aardig haar daar zoo te zien staan. Op dezen namiddag werd, juist toen het eerste vers uit was, de deur van het schoolvertrek geopend, en Owen Davies trad binnen, Beatrice zag hem en trapte de maat in een min of meer versneld tempo.
De kinderen zongen er helder op los. Owen Davies kwam al nader en nader, totdat hij eindelijk vlak bij Beatrice stond, met half geopende lippen en de oogen op haar bevallige gestalte gevestigd, als iemand, die droomt, terwijl zijn geesteloos gelaat flauw verhelderd was door den glans van sterke aandoening.
Toen het lied uit was, defileerden de kinderen op een woord van hun meesteres haar voorbij, door de kweekelingen geleid, en daarna grepen zij met gejuich hun hoeden en petten, en stormden naar buiten in de vrije lucht, waar zij zich in alle richtingen verstrooiden. Toen zij allen weg waren, en ook eerst toen, zag Beatrice eensklaps om.
“Hoe vaart gij, mijnheerDavies?” zeide zij.
Hij onthutste zichtbaar. “Ik wist niet, dat ge mij gezien hadt,” antwoordde hij.
“O, ja, ik heb u wel gezien, mijnheer Davies, maar ik kon het zingen niet laten ophouden om u toe te spreken.Ik moet u nog bedanken, dat ge naar mij zijt komen vragen.”
“Volstrekt niet, Miss Beatrice, volstrekt niet, het was een verschrikkelijk ongeluk. Ik kan u niet zeggen hoe dankbaar ik ben—ik weet er geen woorden voor te vinden.”
“Gij zijt wel goed, dat gij zooveel belang in mij stelt,” hernam Beatrice.
“Volstrekt niet, Miss Beatrice, volstrekt niet. Wie zou in u geen belang stellen? Ik heb een boek voor u meegebracht—hetleven van Darwin—twee deelen. Ik meen u te hebben hooren zeggen, dat Darwin u interesseert?”
“Ja, ik dank u zeer. Hebt gij het gelezen?”
“Neen, maar ik heb het opengesneden. Ik heb met Darwin niet veel op, zooals ge weet. Zijn richting houd ik niet voor de juiste. Mag ik de boeken voor u naar huis dragen?”
“Zeer vriendelijk van u, maar ik ga niet rechtstreeks naar huis; ik ga naar het schuitenhuis van den ouden Eduard, om naar mijn bootje te zien.”
Feitelijk was dit wel zoo, maar het was haar op dit oogenblik eerst ingevallen. Beatrice had naar huis willen gaan, om te zien of alles voor Geoffrey en zijn dochtertje in gereedheid was gebracht. Maar om aan de pastorie te komen, moest zij langs de rots gaan, waar weinig menschen waren, en dat wilde zij nu liever niet. Ronduit gezegd, was zij bang dat Davies van de gelegenheid gebruik zou maken om haar zijn hart en zijn hand aan te bieden, wat haar nachtmerrie was. De weg naar Eduard’s schuitenhuis liep door het dorp, en zij wist wel, dat hij daar zijn aanzoek niet zou doen.
Het was voorzeker zeer dwaas van haar dat zij aldus den kwaden dag zocht te verschuiven; maar de verstandigste vrouwen hebben haar zwakke punten, en dit was er een van Beatrice. Zij hield niet van scènes, en zij wist dat als het er toe kwam, het een scène zou geven. Niet dat zij een oogenblik wankelde in haar besluit om den man af te wijzen; maar het zou toch onaangenaam zijn, en eindelijk moest het haar vader en Elisabeth ter oore komen, dat zij Owen Davies een blauwtje had laten loopen, en wat zou zij dan voor een leven hebben?
Nooit had zij vermoed, het zou nooit bij haar opgekomen zijn te vermoeden, dat, hoewel haar vader het haar ten hoogste kwalijk zou nemen, niets ter wereld het hart van Elisabeth zoo had kunnen verblijden.
Na haar hoed opgezet te hebben, verliet Beatrice het schoolgebouw, vergezeld door haar bewonderaar, die het Leven van Darwinonder zijn arm droeg. Zij liepen zwijgend voort, Beatrice een weinig vooruit. Zij maakte eenige aanmerkingen over het weer, maar Owen gaf geen antwoord; hij was in gepeins; hij wilde iets zeggen, maar wist niet hoe. Zij waren nu aan de rots, en als hij wilde spreken, moest hij het spoedig doen.
“Miss Beatrice,” begon hij, op een eenigszins gedwongen toon.
“Ja, mijnheer Davies—o, zie die zeemeeuw eens; zij sloeg bijna mijn hoed af.”
Maar hij was niet met de zeemeeuw af te schepen. “Miss Beatrice,” zeide hij weder, “gaat gij Zondagnamiddag wandelen?”
“Hoe weet ik dat vooraf, mijnheer Davies? Het kan wel regenen.”
“Maar als het niet regent—zeg het mij, als ’t u belieft. Gewoonlijk gaat ge Zondags op het strand wandelen. Miss Beatrice, ik moet u spreken. Ik hoop dat ge ’t mij wel zult vergunnen.”
Toen nam zij plotseling een besluit. Zoo was het onverdragelijk; het was maar beter er einde aan te maken. Zich zoo snel om wendende dat Owen er van schrikte, zeide zij:
“Als ge mij dan volstrekt spreken wilt, mijnheer Davies, zal ik Zondagnamiddag om vier uur op het Amphitheater, die hoogte tegenover de Roode Rotsen, zijn, maar ik had veel liever dat ge niet kwaamt. Meer kan ik niet zeggen.”
“Ik zal komen,” antwoordde hij op stroeven toon, en nu waren zij bij het schuitenhuis.
“O, kijk, paatje,” zeide Effie, “daar komt die dame aan, die met u verdronken is; zij heeft een heer bij zich,” en tot Beatrice’s groote verlichting, snelde het kind haar te gemoet.
“O, dat is de man, met wien Honoria zegt dat zij geëngageerd is,” dacht Geoffrey. “Ik moet zeggen, dat ik geen hoogen dunk van haar smaak heb.”
Een oogenblik later waren zij bij hem. Geoffrey gaf Beatrice de hand en werd aan Owen Davies voorgesteld, die daarop iets mompelde en spoedig heenging.
Zij bezichtigden te zamen het bootje, en liepen langzaam naarde pastorie terug, Effie aan de hand van Beatrice. Tegenover de zandbank bleven zij even stilstaan.
“Daar is de Tafelrots, waar wij op geworpen zijn, mijnheer Bingham,” zeide Beatrice, “en hier hebben zij ons aan land gebracht. De zee ziet er van avond niet uit alsof ze iemand zou laten verdrinken, niet waar? Zie!”—en zij wierp er een steen in—“het geeft niet meer kabbeling dan in een vijver.”
Zij sprak luchtig, en Geoffrey antwoordde haar ook luchtig, want geen van beiden dachten zij aan hun woorden. Veeleer dachten zij aan het zonderling toeval, dat hen in een uur van levensgevaar bij elkander had gebracht, en hen nu in een kalm uur te samen liet. Misschien kwam de vraag bij hen op, waar dit alles op moest uitloopen. Want twijfelaars atheïsten of geloovigen, zijn wij niet allen in ons hart fatalisten?
Hoofdstuk XII.De letters in het zand.Geoffrey kon zich in zijn commensaalsleven in de pastorie zeer goed schikken, en Effie vond het er “heel prettig.” Beatrice zorgde voor haar, bracht haar ’s avonds naar bed, hielp haar ’s morgens aankleeden, en beviel haar vrij wat beter dan Anne. Toen Geoffrey dit bemerkte, kwam hij er tegenop, zeggende dat hij volstrekt niet verwacht had dat zij voor kindermeid zou spelen, maar zij gaf daarop ten antwoord, dat het een genoegen voor haar was, en dat was de waarheid. In andere opzichten ook was het er alles wat hij wenschte. Hij hield niet van Elisabeth, maar hij zag haar weinig, en de oude predikant, die eigenlijk meer een boer was dan een geestelijke, was op zijn wijze vermakelijk, met zijneindeloos gepraat over tienden en oogst en de ongerechtigheden van den onwilligen Jones, tegen wien hij vonnis had.In de eerste paar dagen sprak Geoffrey Beatrice niet. Den meesten tijd was zij op school, en den Zaterdagnamiddag ging hij naar de Roode Rotsen, om kemphanen te schieten. Eerst dacht hij er over haar te vragen om mede te gaan, maar toen viel het hem in, dat zij misschien liever met Owen Davies zou uitgaan, met wien hij nog meende dat zij geëngageerd was. Het ging hem niet aan, maar toch was hij blijde, toen hij terugkwam, te vernemen dat zij met Effie uit was geweest, en niet met Davies.Zondagochtend gingen zij allen naar de kerk, Beatrice ook. Het was een zeer eenvoudig kerkje, en de gemeente was klein. Granger leidde de godsdienstoefening volgens de kerkelijke voorschriften in de sleur voort, zoo omtrent als een paard, dat in den molen loopt. Alles ging op denzelfden druiligen toon, zoodat Geoffrey, in plaats van te luisteren, liever naar Beatrice zag. Hij merkte op dat haar gelaat, gewoonlijk ernstig wanneer het in rust was, ditmaal een bizonder ernstige, ja, zelfs verdrietige uitdrukking teekende. Waarom zou dat zijn? Een paar malen zag hij haar een blik op Davies werpen, die alleen in een groote bank tegenover haar zat, en hij meende een zekere onrustigheid in haar blik te bespeuren. Maar Davies beantwoordde dien blik niet. Naar zijn voorkomen te oordeelen, werd zijn gemoedsrust door niets verstoord.Geoffrey, die hem gadesloeg, vond dat hij nog nooit iemand gezien had, die er zoo osachtig en zoo volkomen rustig uitzag. En toch had hij het totaal mis. De man mocht er koel en stroef uitzien, maar zijn binnenste was in gloed als een vulkaan. Al het tot dusverre sluimerende vuur van zijn hart had zich vereenigd in zijn liefde voor het meisje, dat zoo nabij en toch zoo ver was. Hoe zonderling en ongewoon het moge schijnen, zij was de eerste, wier blik of stem ooit hartstocht in hem gewekt had. Langzamerhand was die liefde van jaar tot jaar toegenomen, sedert hij dat lieve aankomende meisje, met die heldere, grijze oogen, had ontmoet, dat hem naar zijn kasteel had gebracht.Het was niet een van die vluchtige neigingen, die even spoedig weer verdwijnen als zij opgekomen zijn. Daartoe had Owen te weinig verbeeldingskracht—dien bodem, waaruit liefde ontspruit als een welige tropische plant, om bij de eerste koude stormvlaag te verwelken. Zijn liefde was een onveranderlijk feit. Zij was in zijn hart vastgeworteld en geheel zijn wezen was er mede vereenzelvigd.Sedert jaren had hij nu aan weinig anders gedacht dan aan Beatrice. Om haar te verwerven, zou hij al zijn rijkdom, ja, driemaal zooveel, als dat mogelijk was, gegeven hebben. Haar te bezitten, te weten, dat zij rechtens de zijne, de zijne alleen was, ach, dat zou een hemel op aarde zijn! Zijn bloed tintelde en zijn hoofd duizelde, als hij er aan dacht. Wat zou dat niet voor hem zijn, haar zoo te zien, als hij haar nu zag, en te weten dat zij zijn vrouw was!In de hevigheid van zulk een vorm van hartstocht als de zijne, is iets vreeselijks.De godsdienstoefening ging voort. De tekst van Granger’s preek was: “Maar de meeste van deze drie is de liefde.” Geoffrey merkte op, dat hij bij sommige woorden haperde, maar eensklaps herinnerde hij zich, dat Beatrice hem gezegd had, dat zij de preek geschreven had, en nu was hij geheel aandacht. Hij was ook niet teleurgesteld. Niettegenstaande Granger slecht las, en de gewoonte had bij het slot van elken volzin zijn stem te laten dalen, kwam de schoonheid van gedachten en voorstelling toch uit. Het was eigenlijk een redevoering, die even goed in een Mahomedaansche of Buddhistische plaats van Godsvereering gehouden had kunnen worden; er was niets bepaald Christelijks in, het was alleen een opwekking van het goede in de menschelijke natuur. Maar noch de prediker noch zijn toehoorders schenen dit er uit te begrijpen; trouwens, bijna niemand luisterde er naar. De preek was kort en eindigde met een schoone, kernachtige spreuk—of liever, daar was zij niet mee geëindigd, want toen Granger het manuscript had dichtgeslagen, volgde er nog een kleine improvisatie van hemzelven op.“En nu, broederen,” zeide hij, “heb ik u over de Christelijke liefde gepreekt, maar daar wil ik nog een enkel woord bijvoegen, om de liefde tot den naaste toe te passen op de liefde tot zichzelf. Ik heb wel honderd pond aan achterstallige tienden in te vorderen, en daar zijn er bij, die al over meer dan twee jaar loopen. Als die tienden mij niet betaald worden, zal ik bij eenigen uwer beslag moeten leggen, en ik heb gemeend beter te doen de gelegenheid waar te nemen om het u te zeggen.” Toen sprak hij den zegen uit.Het contrast tusschen ditpraktischslot en de schoone taal, die het was voorafgegaan, was zóó bespottelijk, dat Geoffrey bijna in lachen uitbarstte en Beatrice er om moest glimlachen. Dat deden de andere toehoorders ook, behalve een paar, die tienden schuldig waren, en Owen Davies, die aan heel wat anders dacht.Toen zij over het kerkhof gingen, merkte Geoffrey iets op. Beatrice was eenige schreden vooruit, met Effie aan de hand. Daar liep Davies hem voorbij, zonder dat hij hem scheen te zien, en groette Beatrice, die met een lichte buiging zijn groet beantwoordde. Hij liep een eind voort zonder te spreken, maar aan het hek van het kerkhof hoorde Geoffrey hem zeggen: “Dus van middag om vier uur.” Weder boog zij, en hij keerde zich om en ging heen. Geoffrey wist niet wat dit alles beteekende: was zij met hem geëngageerd of niet?Aan het middagmaal was geen van allen spraakzaam. Granger dacht over zijn tienden en ook over een zieke koe. Elisabeth’s gedachten dwaalden in een juist niet aangename richting, naar deuitdrukkingvan haar gelaat te oordeelen. Beatrice zag bleek en verdrietig; zelfs Effie’s aardig gekeuvel deed haar niet meer dan glimlachen. Wat Geoffrey betrof, die was nieuwsgierig wat er om vier uur gebeuren zou.“Wat is iedereen stil!” zeide Effie eindelijk.“Op Zondag behoort men stil te zijn, Effie,” antwoordde Beatrice. “Dat geloof ik, ten minste.”Elisabeth, die streng godsdienstig was, fronste bij dit gezegde het voorhoofd. Zij wist dat haar zuster het niet meende.“Wat ga je van middag doen, Beatrice?” vroeg zij. Zij had gezien dat Owen Davies met haar zuster gesproken had, en hoewel zij niet dichtbij genoeg was geweest om de woorden te verstaan, vermoedde zij er de beteekenis wel van.Beatrice kleurde even, iets wat zoomin de opmerkzaamheid van haar zuster als van Geoffrey ontsnapte.“Ik ga Jane Llewellyn bezoeken,” antwoordde zij. Jane Llewellyn was het krankzinnige kleine meisje, waarvan melding gemaakt is. Tot op dit oogenblik had Beatrice er niet aan gedacht haar te bezoeken, maar zij wist, dat haar zuster haar daarheen niet zou volgen, omdat het kindElisabethniet kon uitstaan.“O, ik dacht, dat je misschien uit wandelen ging.”“Later ga ik misschien wandelen,” antwoordde Beatrice kortaf.“Dat beteekent wat,” dacht Elisabeth, en haar koele oogen teekenden een vluchtige uitdrukking, alsof er een licht voor haar opging.Kort na het middagmaal, zette Beatrice haar hoed op en ging uit.Tien minuten later deed Elisabeth hetzelfde. Toen kondigde Granger aan, dat hij naar de boerderij ging (vóór zes uur was er geen dienst) om naar de zieke koe te zien, en vroeg Geoffrey of hij hem wilde vergezellen. Hij zeide dat hij dit wel doen kon, als Effie mee mocht, en na zijn pijp opgestoken te hebben, gingen zij heen.Intusschen was Beatrice naar het krankzinnige kind gegaan. Dat was dien dag niet heftig, en kende haar nauwelijks. Voordat zij tien minuten in huis was geweest, werd de sluier, die over den stand van zaken hing, opgeheven.De woning stond op twee derden van den weg in een onregelmatige straat, die geheel ledig was, want Zondags na het eten sliep Bryngelly. Aan het eene einde van die straat vertoonde zich Elisabeth, met een Bijbel in de hand, alsof zij op district-bezoek uitging. Zij zag de straat langs, maar toen zij niemand bespeurde, ging zij een wandelingetje doen, en toen zij terugkwam, zag zij weer de straat langs. Nu zag zij de deur van de woning derLlewellyns opengaan en Beatrice er uit komen. Oogenblikkelijk week Elisabeth terug naar een plaats, waar zij kon zien zonder gezien te worden, en wachtte besluiteloos af wat er gebeuren zou. Beatrice sloeg den weg naar het strand in.Nu was Elisabeth niet langer besluiteloos. Zij sloeg den weg naar de rots in en liep zeer snel. Voorbij de pastorie kwam zij aan een punt, waar het strand niet breeder dan vijftig meter was, en daar ging zij zitten. Weldra zag zij langs het strand beneden haar een man met snelle schreden aankomen. Het was Owen Davies. Zij wachtte en zat op de loer. Zeven of acht minuten verliepen, en een vrouw in een witte kleeding kwam voorbij. Het was Beatrice, die zeer langzaam liep.“Ha!” zeide Elisabeth bij zichzelve, haar tanden op elkaar drukkende, “zooals ik dacht!”Zij stond op, vervolgde het pad over de rots, en bleef een paar honderd meter vooruit, wat zij gemakkelijk doen kon door den korten weg te nemen. Het was een verre wandeling, en Elisabeth, die niet van loopen hield, werd er zeer vermoeid van. Maar als zij zich eenmaal iets in ’t hoofd had gezet was zij er niet licht af te brengen. Dus stapte zij, bijna een uur lang, moedig voort, totdat zij eindelijk aan een plek kwam, als het Amphitheater bekend. Dit Amphitheater, bijna vlak over de Roode Rotsen, was een halve cirkel van rotswanden, in ’t midden waarvan een groote, platte steen was, bij hoog getij onder den waterrand, waar men, op zekere gedeelten van de rots, van bovenaf het gezicht op had, hoewel hij, van het strand af, door de vooruitstekende rotswanden verborgen was. Elisabeth klom een eind ver langs de helling van de rots af, en toen zag zij, met zijn rug naar haar toe, Owen Davies zitten. Nog iets lager afdalende, naderde Elisabeth langzaam, totdat zij eindelijk binnen vijftig passen van hem af was. Hier verschanste zij zich achter een rotskloof en ging ook zitten; dichterbij te komen was niet veilig; maar voor het geval dat zij misschien van bovenaf werd opgemerkt, sloeg zij haar Bijbel op haar knie open, alsof zij deze stille plek had uitgekozen om te lezen.Eenige minuten verliepen, en nu kwam Beatrice om den vooruitstekenden hoek van het Amphitheater te voorschijn, en liep langzaam naar de plek waar Owen Davies zat. Hij stond op en stak de hand uit om haar te begroeten, maar zij nam die niet aan; zij boog slechts en nam ook op den grooten platten steen plaats, maar wel drie of vier voet van Owen Davies af. Elisabeth boog haar bleek gelaat vooruit, en spande haar ooren in om te luisteren, maar zij kon, helaas, geen enkel woord verstaan.“Ge hebt mij verzocht hier te komen, mijnheer Davies,” zeide Beatrice, het pijnlijk stilzwijgen afbrekende. “Daar ben ik.”“Ja,” antwoordde hij; “ik heb u verzocht te komen, omdat ik u wilde spreken.”“Ja?” zeide Beatrice, vragend opziende van haar bezigheid om met de punt van haar parasol kuiltjes in het zand te graven. Haar gelaat was kalm, maar haar hart klopte snel.“Ik wilde u vragen,” hernam hij, langzaam sprekende, “of ge mijn vrouw wilt worden”.Beatrice opende haar lippen om te spreken, maar bespeurende dat hij slechts had opgehouden omdat de woorden hem van aandoening in de keel bleven steken, zweeg zij en ging weer voort met kuiltjes te graven. Zij wilde niet antwoorden voordat zij de geheele toedracht van de zaak wist, zooals een advocaat zou zeggen.“Ik wilde u vragen,” herhaalde hij, “of ge mijn vrouw wilt worden: dat heb ik al eenige jaren geleden willen doen, maar ik heb er nog maar niet toe kunnen komen. ’t Is een groote stap, en mijn geluk hangt er van af. Antwoord mij nog niet,” ging hij voort, en zijn woorden wonnen in kracht onder het spreken, “luister naar wat ik u te zeggen heb. Ik ben mijn leven lang een eenzaam man geweest. Op zee was ik eenzaam, en sedert ik in het bezit van dat vermogen ben gekomen, ben ik nog eenzamer. Ik heb nooit iemand of iets liefgehad voordat ik u begon lief te hebben. En toen kreeg ik u hoe langer hoe meer lief; zoodat ik nu nog maar één gedachte heb, en dat is de gedachte aan u.Ik denk aan u als ik waak, en als ik slaap, droom ik van u. Luister,Beatrice, luister!—nooit heb ik een andere vrouw bemind, nauwelijks heb ik met een gesproken—gij zijt de eenige, Beatrice. Ik kan u veel geven; en alles zal het uwe zijn, maar ik zou zeer jaloersch op u wezen—ja, zeer jaloersch!”Zij zag hem aan. Zijn gelaat was uitwendig kalm, maar doodsbleek, en in zijn blauwe oogen, doorgaans zoo dof, blonk een vuur, dat door het contrast bijna akelig was.“Mij dunkt dat gij genoeg gezegd hebt, mijnheer Davies,” antwoordde Beatrice. “Ik ben u zeer verplicht. Ik gevoel mij zelfs vereerd, want in sommige opzichten ben ik uws gelijke niet, maar ik kan u niet liefhebben, en ik kan niet met u trouwen, en ik geloof dat het maar het best is u dit ronduit, eens en voor altijd, te zeggen,” en werktuigelijk ging zij voort met kuiltjes te graven.“O, zeg dat niet,” riep hij bijna kermend uit. “Om Godswil, zeg dat niet! Het zal mijn dood zijn, als ik u moet missen. Ik geloof dat ik krankzinnig zou worden. Trouw met mij, en ge zult mij wel leeren liefhebben.”Beatrice zag hem weder aan en gevoelde diep medelijden. Zij wist niet, dat het zóó erg met hem gesteld was. Zij zag in dat zij, uit een wereldsch oogpunt beschouwd, zeer dwaas deed. De man beminde haar en was een aannemelijke partij. Hij vroeg haar niets anders dan wat de meeste vrouwen, onder zulke gunstige omstandigheden voor haar welzijn, bereid genoeg zijn te geven—haarzelve. Maar zij had nooit van hem gehouden, hij had haar altijd tegengestaan, en zij was er het meisje niet naar om met een man te trouwen van wien zij niet hield. In de laatste week was die tegenzin nog sterker geworden. Waarom wist zij zelve niet, en terwijl zij zich daarover verwonderde, viel haar oog op de figuren, die zij werktuigelijk in het zand prikte. Zij hadden den vorm van letters aangenomen, en die letters warenGEOFFRE—Groote Hemel! Kon dat het antwoord zijn? Het bloed stroomde haar van schaamte naar het gelaat en met haar voeten veegde zij de verklappende letters, zooals zij meende, uit.Owen zag de verzachte uitdrukking van haar oogen, en haar blos zag hij ook, en aan beiden gaf hij een verkeerde uitlegging. Meenende dat zij geneigd was toe te geven, wilde hij haar hand vatten. Met een ruk van haar arm, zoo snel, dat zelfs Elisabeth, die zoo scherp tuurde, de beweging niet zag, trok zij haar hand los.“Raak mij niet aan,” zeide zij op bitsen toon, “ge hebt het recht niet mij aan te raken. Ik heb u geantwoord, mijnheer Davies.”Beschaamd, met het hoofd op de borst gezonken, zat Owen een oogenblik stil, als het beeld der wanhoop. Niets kon de strakke kalmte van zijn gelaat verstoren, maar de hevigheid zijner aandoening was te zien aan het beven van zijn beenen en zijn korte, snelle ademhaling.“Kunt ge mij geen hoop geven?” zeide hij eindelijk, met een doffe stem. “Om Godswil, denk na voordat gij antwoordt—gij weet niet wat het voor mij te beteekenen heeft. Voor u is het niets—gij hebt er geen gevoel van. Ik gevoel, en uw woorden snijden als een mes. Ik weet wel dat ik dom en vervelend ben, maar ik heb een gevoel alsof ge mij een doodsteek hadt gegeven. Gij hebt een hart van steen.”Weder werd Beatrice een weinig verzacht. Zij was getroffen en gevleid. Welke vrouw zou dat niet geweest zijn?“Wat kan ik u zeggen, mijnheer Davies?” zeide zij, op vriendelijken toon. “Ik kan niet met u trouwen. Hoe kan ik dat, als ik geen liefde voor u gevoel?”“Er trouwen zooveel vrouwen met mannen, voor wie zij geen liefde gevoelen.”“Dan zijn het slechte vrouwen,” antwoordde Beatrice, met vuur.“Zoo denkt de wereld er niet over,” hernam hij; “de wereld noemt zulke vrouwen slecht, die liefde gevoelen voor mannen, met wie zij niet kunnen trouwen, en de wereld heeft altijd gelijk. Het huwelijk wettigt alles.”Beatrice lachte bitter.“Denkt gij er zoo over?” zeide zij. “Ik niet. Ik vind, dat trouwen zonder liefde de schandelijkste van onzeinstellingen is, en dat is veel gezegd. Gesteld dat ik op uw aanzoek ‘ja’ zeide, gesteld dat ik met u trouwde, zonder liefde voor u te gevoelen, waar zou het dan om zijn? Om uw geld en uw stand, en om een getrouwde vrouw genoemd te kunnen worden; en wat zoudt gij denken, dat ik dan in mijn hart van mijzelve dacht? Neen, neen, ik ben misschien slecht, maar zóó laag ben ik niet gezonken. Zoek een andere vrouw, mijnheer Davies; de wereld is groot, en er zijn vrouwen genoeg, die u om uzelven zullen liefhebben, of het in allen gevalle zoo nauw niet zullen nemen. Vergeet mij, en laat mij mijn eigen weg gaan—dat isuwweg niet.”“U uw eigen weg laten gaan,” antwoordde hij, op hartstochtelijken toon—“dat wil zeggen, u aan een anderen man overlaten. O, daar kan ik niet aan denken. Ik ben jaloersch op elken man, die in uw nabijheid komt. Weet gij wel hoe schoon gij zijt? Gij zijt al te schoon—elke man moet verliefd op u worden zooals ik het ben. O, als gij een ander naamt, ik geloof dat ik hem zou dooden.”“Spreek zoo niet, mijnheer Davies, of ik ga heen.”Eensklaps hield hij op. “Ga niet heen,” zeide hij smeekend. “Luister. Ge zeidet dat ge niet met mij wilt trouwen omdat gij geen liefde voor mij gevoelt. Gesteld dat ge mij leerdet liefhebben, zeggen wij over een jaar.Beatrice, zoudt ge dan met met mij willen trouwen?”“Ik zou met ieder man willen trouwen, als ik hem liefhad,” antwoordde zij.“Dus, als ge mij leert liefhebben, wilt ge met mij trouwen?”“O, dat is belachelijk,” zeide zij. “’t Is niet waarschijnlijk, het is nauwelijks mogelijk, dat zoo iets zou kunnen gebeuren. Als het had kunnen gebeuren, zou het al vroeger geweest zijn.”“Het kan nog komen,” hernam hij; “uw hart kan nog jegens mij verteederd worden. O, zeg daar ja op. Het is een klein verzoek, het kost u niets, en het geeft mij hoop, zonder welke ik niet kan leven. Zeg dat ik u nog eens vragen mag, en dat gij dan, als ge mij liefhebt, met mij wilt trouwen.”Beatrice dacht een oogenblik na. Zulk een belofte kon geen kwaad, en in den loop van zes maanden of een jaar zou hij misschien gewend zijn aan het denkbeeld van zonder haar te leven. Ook zou het een scène voorkomen. Het was zwak van haar, maar zij was bevreesd voor de uitbarsting, als het haar vader ter oore kwam dat zij Owen Davies had afgewezen.“Als ge dat wenscht, mijnheer Davies,” zeide zij, “zoo zij het dan. Maar ik verzoek u wel te begrijpen, dat dit mij tot niets verbindt. Ik geef u volstrekt geen hoop dat, als gij over een jaar of zoo uw aanzoek hernieuwt, mijn antwoord anders zal zijn dan nu. Ik geloof niet dat daarvoor de minste waarschijnlijkheid is. Ook moet gij wel weten, dat ge er mijn vader niets van moogt zeggen, of mij op eenigerlei wijze lastig vallen. Stemt gij daarin toe?”“Ja,” was zijn antwoord. “Ik stem toe. Ik heb mij op genade of ongenade aan u overgegeven.”“Goed. En nu, mijnheer Davies, adieu. Gij moet niet met mij terug wandelen. Ik wil liever alleen gaan. Maar dit wil ik u nog zeggen: Het spijt mij dat het hiertoe gekomen is. Ik had wel gewenscht dat het niet gebeurd was. Ik heb het niet aangemoedigd, en wasch mijn handen in onschuld. Maar het spijt mij bovenmate, en ik herhaal wat ik gezegd heb—zoek een andere vrouw en trouw met haar.”“Dat is nog het wreedste van alles wat ge mij gezegd hebt,” antwoordde hij.“Het was mijn bedoeling niet wreed te zijn, mijnheer Davies, maar ik geloof dat de waarheid dikwijls hard klinkt. En nu, adieu,” en Beatrice stak hem haar hand toe.Hij raakte die even aan, en zij wendde zich van hem af en ging heen. Maar Owen ging niet heen. Hij bleef, met gebogen hoofd, diep neerslachtig op den steen zitten. Al zijn hoop had hij op dit meisje gevestigd. Zij was voor hem het eenige begeerlijke, de eenige ster in zijn eenigszins grauwe lucht, en nu was die ster verduisterd. Haar woorden waren vrij ondubbelzinnig, zij gaven hem weinig hoop. Integendeel, zij had een vastheid over zich,die hem vrees aanjoeg. Wat kon daar de reden van zijn? Hoe kwam het dat zij hem, en alles wat hij haar had aan te bieden, zoo beslist afwees? Zij was toch een meisje van geen hoogen stand. Zij kon haar oogen niet tot een betere partij opslaan. Er moest een reden voor zijn. Misschien een medeminnaar. De een of andere vijand was er de oorzaak van. Maar wie?Op dit oogenblik ging de schaduw van een vrouwengedaante langs hem.“O, zijt ge teruggekomen?” riep hij uit, overeind springende.“Als gij Beatrice bedoelt,” antwoordde een stem—het was de stem van Elisabeth—“die liep tien minuten geleden langs het strand. Ik was toevallig op de rots, en ik zag haar.”“O, ik vraag u verschooning, Miss Granger,” zeide hij. “Ik zag niet wie het was.”Elisabeth zette zich op den platten steen neder, op dezelfde plaats, waar haar zuster gezeten had, en de gaatjes in het strand ziende, begon zij onwillekeurig met haar voet het zand, dat Beatrice er overheen had gestreken, er af te schuiven, zoodat de vrij diep ingeprikte letters weer bijna geheel te voorschijn kwamen.“Ge hebt een gesprek met Beatrice gehad, mijnheer Davies?”“Ja,” antwoordde hij kortaf.Elisabeth bewaarde een oogenblik het stilzwijgen. Toen vatte zij de koe bij de horens.“Gaat ge met Beatrice trouwen, mijnheer Davies?” vroeg zij.“Dat weet ik niet,” gaf hij langzaam ten antwoord, en zonder dat deze vraag hem verraste. Het scheen hem zoo natuurlijk toe dat zij dezelfde gedachte had, waarvan zijn geest geheel vervuld was. “Ik zou niets liever wenschen dan met haar te trouwen, want ik heb haar innig lief.”“Heeft zij u dan afgewezen?”“Ja.”Elisabeth haalde ruimer adem.“Maar ik kan haar weer vragen.”Elisabeth fronste het voorhoofd. Wat kon dat beteekenen? Hetwas geen bepaalde afwijzing. Daar moest Beatrice iets mee voor hebben.“Waarom heeft zij u uitgesteld, mijnheer Davies? Meen niet dat ik het uit nieuwsgierigheid vraag. Ik vraag het alleen omdat ik u misschien zal kunnen helpen.”“Dat weet ik; gij zijt zeer goed. Help mij, en ik zal u altijd dankbaar zijn. Ik weet het niet—ik zou het er haast voor houden, dat er iemand anders moest zijn, maar ik weet niet wie het wezen kan.”“O, zoo!” zeide Elisabeth, die oplettend naar de weer te voorschijn gebrachte gaatjes in het zand had gekeken. “Dat is wel mogelijk, Beatrice is zoo’n zonderling meisje. Wat zijn dat voor letters, mijnheer Davies?”Hij zag er onverschillig naar. “Iets wat uw zuster met de punt van haar parasol schreef, terwijl ik tegen haar sprak. Ik herinner mij dat ik het haar heb zien doen.”“G E O F F R—wel, dat moet Geoffrey beteekenen. Ja, zeker is het mogelijk dat er iemand anders is, mijnheer Davies. Geoffrey!—hoe zonderling!”“Wat is zonderling, Miss Granger? Wie is Geoffrey?”Elisabeth deed een onaangenaamlachjehooren, dat Owen’s aandacht meer trok dan haar woorden.“Hoe zou ik dat weten? Het moet zeker de een of andere vriend van Beatrice zijn, en wel een, aan wien zij veel denkt, anders zou zij niet onwillekeurig zijn naam in het zand geschreven hebben. De eenige Geoffrey, dien ik ken, is mijnheer Geoffrey Bingham, de advocaat, die in de pastorie logeert, en wien Beatrice het leven heeft gered.” Zij hield een oogenblik op, om te zien welke uitwerking haar woorden hadden. “Maar, natuurlijk,” ging zij voort, “kan zij niet aan mijnheer Bingham gedacht hebben, want die is een getrouwd man.”“Getrouwd?” zeide Owen; “ja, maar hij is toch een man, en een heel knap man ook.”“Ja, een knap man mag hij wel genoemd worden,” hernamElisabeth; “maar, zooals Beatrice onlangs zeide, het meest boeit hij, door zijn gesprekken en zijn verstand. Hij is een merkwaardig man, en de wereld zal eenmaal nog van hem hooren. Maar dat komt hier nu eigenlijk niet bij te pas. Beatrice is een raar meisje, en heeft wonderlijke begrippen, maar ik houd mij verzekerd, dat zij het nooit met een getrouwd man zou willen aanleggen.”“Maar het zou wel kunnen zijn, dat hij het met haar wilde aanleggen, Miss Elisabeth.”Zij lachte. “Denkt ge werkelijk, dat een man als mijnheer Bingham zonder aanmoediging zou beproeven een minnarijtje met een meisje aan te knoopen? Zulke mannen zijn even trotsch als vrouwen, en nog trotscher: de dame moet altijd den eersten stap doen. Maar waar dient het toe er over te spreken? Het is allemaal onzin; Beatrice moet aan een anderen Geoffrey gedacht hebben—of het was alleen maar toevallig. Wel, mijnheer Davies, als ge een oogenblik werkelijk hadt kunnen denken dat die lieve Beatrice zich aan zoo iets schandelijks als een minnarij met een getrouwd man schuldig zou hebben gemaakt, zoudt gij haar dan ten huwelijk gevraagd hebben? Zoudt gij er nog aan denken zulk een meisje als zij dan zijn moest te vragen uw vrouw te worden?”“Ik weet het niet; ik geloof het niet,” antwoordde hij twijfelachtig.“Gijgeloofthet niet? Dan ken ik u beter dan gij uzelven kent. Ge zoudt liever nooit trouwen, dan een vrouw te nemen zooals zij dan gebleken was te zijn. Maar genoeg van dat dwaas gepraat. Als gij een medeminnaar hebt, kunt ge er zeker van zijn, dat het een ongetrouwde is.”In zijn hart dacht Owen dat hij toch eigenlijk liever gehad zou hebben dat het maar een getrouwd man was, omdat een getrouwd man, in allen gevalle, Beatrice niet wettig kon bezitten. Maar hij had ontzag voor Elisabeth’s strenge zedelijkheid, en dus zeide hij dat niet.“Ik gevoel mij een weinig van streek, Miss Elisabeth,” zeide hij. “Ik wil maar liever heengaan. A propos, ik heb beloofd er uw vader niets van te zeggen. Ik hoop dat gij het ook niet doen zult.”“Zeker niet,” antwoordde Elisabeth, en dat zou ook wel het laatste geweest zijn wat zij had willen doen. “Adieu dan, mijnheer Davies. Wees niet neerslachtig; alles zal nog wel terecht komen. Bedenk dat ge mij altijd hebt om u te helpen.”“Dank u, dank u,” zeide hij ernstig, en ging heen.Elisabeth zag hem, tot om den rotswand, met een koelen en hatelijken glimlach na.“Gek!” dacht zij, “gek!Mijte zeggen dat je haar zoo innig liefhebt en met haar wilt trouwen! Je wilt dat lieve gezichtje hebben, niet waar? Dat krijg je nooit; ik zal het wel voor je bederven! Die lieve Beatrice, zij is niet in staat eenliefdeshistorietjemet een getrouwd man te hebben—o, zeker niet! Wel, zij is al verliefd op hem, en hij meer dan half op haar. Als zij het niet was, zou zij Owen dan afgescheept hebben? Wel neen! Laat hun den tijd maar, en we zullen zien. Zij zullen elkaar in ’t ongeluk storten—dat moeten zij wel; het is geen kinderspel als twee zooals zij verliefd worden. Zij zullen het niet bij zuchten laten. Het was een goede inval hem in huis te nemen. En als ik haar zoo met dat kind Effie zie, alsof zij haar moeder was—’t is om te lachen. O, Beatrice, met al je wijsheid ben je een onnoozel schaap. En op een goeden dag, lieve meid, zal ik het genoegen hebben je voor Owen ten toon te stellen, dan zal de afgod ontsluierd worden, en dan is het met je kansen bij hem uit, want daarna kan hij niet met je trouwen. En dan komt mijn beurt. ’t Is een kwestie van tijd—alleen maar een kwestie van tijd.”Zoo peinsde Elisabeth, met een hart vol nijd en jaloezie. Zij hield veel van Owen Davies, zooveel als zij in staat was voor iemand genegenheid te gevoelen, ten minste, zij hield veel van den rijkdom en stand, waarvan hij het zichtbaar middelpunt was, en zij haatte haar zuster, die hij begeerde. Als zij die zuster maarin een slechten naam kon brengen en bewijzen dat zij zich aan misplaatste, ongewettigde liefde schuldig had gemaakt—in de oogen der wereld de zwaarste misdaad eener vrouw—zou Owen wel niet meer van haar willen weten.Zij vergiste zich. Zij wist niet, dat hij Beatrice volstrekt tot vrouw wilde hebben; zij kon zich niet voorstellen hoe vergevensgezind een man, die zich dit ten doel stelt, kan zijn. Alleen over de vrouw, die zij reeds moede zijn, vellen de mannen maar al te spoedig een streng vonnis, maar niet over haar, die hun nog niet toebehoort, en naar wier bezit zij dag en nacht verlangen. Voor dezulken zijn zij zeer toegevend.
Geoffrey kon zich in zijn commensaalsleven in de pastorie zeer goed schikken, en Effie vond het er “heel prettig.” Beatrice zorgde voor haar, bracht haar ’s avonds naar bed, hielp haar ’s morgens aankleeden, en beviel haar vrij wat beter dan Anne. Toen Geoffrey dit bemerkte, kwam hij er tegenop, zeggende dat hij volstrekt niet verwacht had dat zij voor kindermeid zou spelen, maar zij gaf daarop ten antwoord, dat het een genoegen voor haar was, en dat was de waarheid. In andere opzichten ook was het er alles wat hij wenschte. Hij hield niet van Elisabeth, maar hij zag haar weinig, en de oude predikant, die eigenlijk meer een boer was dan een geestelijke, was op zijn wijze vermakelijk, met zijneindeloos gepraat over tienden en oogst en de ongerechtigheden van den onwilligen Jones, tegen wien hij vonnis had.
In de eerste paar dagen sprak Geoffrey Beatrice niet. Den meesten tijd was zij op school, en den Zaterdagnamiddag ging hij naar de Roode Rotsen, om kemphanen te schieten. Eerst dacht hij er over haar te vragen om mede te gaan, maar toen viel het hem in, dat zij misschien liever met Owen Davies zou uitgaan, met wien hij nog meende dat zij geëngageerd was. Het ging hem niet aan, maar toch was hij blijde, toen hij terugkwam, te vernemen dat zij met Effie uit was geweest, en niet met Davies.
Zondagochtend gingen zij allen naar de kerk, Beatrice ook. Het was een zeer eenvoudig kerkje, en de gemeente was klein. Granger leidde de godsdienstoefening volgens de kerkelijke voorschriften in de sleur voort, zoo omtrent als een paard, dat in den molen loopt. Alles ging op denzelfden druiligen toon, zoodat Geoffrey, in plaats van te luisteren, liever naar Beatrice zag. Hij merkte op dat haar gelaat, gewoonlijk ernstig wanneer het in rust was, ditmaal een bizonder ernstige, ja, zelfs verdrietige uitdrukking teekende. Waarom zou dat zijn? Een paar malen zag hij haar een blik op Davies werpen, die alleen in een groote bank tegenover haar zat, en hij meende een zekere onrustigheid in haar blik te bespeuren. Maar Davies beantwoordde dien blik niet. Naar zijn voorkomen te oordeelen, werd zijn gemoedsrust door niets verstoord.
Geoffrey, die hem gadesloeg, vond dat hij nog nooit iemand gezien had, die er zoo osachtig en zoo volkomen rustig uitzag. En toch had hij het totaal mis. De man mocht er koel en stroef uitzien, maar zijn binnenste was in gloed als een vulkaan. Al het tot dusverre sluimerende vuur van zijn hart had zich vereenigd in zijn liefde voor het meisje, dat zoo nabij en toch zoo ver was. Hoe zonderling en ongewoon het moge schijnen, zij was de eerste, wier blik of stem ooit hartstocht in hem gewekt had. Langzamerhand was die liefde van jaar tot jaar toegenomen, sedert hij dat lieve aankomende meisje, met die heldere, grijze oogen, had ontmoet, dat hem naar zijn kasteel had gebracht.
Het was niet een van die vluchtige neigingen, die even spoedig weer verdwijnen als zij opgekomen zijn. Daartoe had Owen te weinig verbeeldingskracht—dien bodem, waaruit liefde ontspruit als een welige tropische plant, om bij de eerste koude stormvlaag te verwelken. Zijn liefde was een onveranderlijk feit. Zij was in zijn hart vastgeworteld en geheel zijn wezen was er mede vereenzelvigd.
Sedert jaren had hij nu aan weinig anders gedacht dan aan Beatrice. Om haar te verwerven, zou hij al zijn rijkdom, ja, driemaal zooveel, als dat mogelijk was, gegeven hebben. Haar te bezitten, te weten, dat zij rechtens de zijne, de zijne alleen was, ach, dat zou een hemel op aarde zijn! Zijn bloed tintelde en zijn hoofd duizelde, als hij er aan dacht. Wat zou dat niet voor hem zijn, haar zoo te zien, als hij haar nu zag, en te weten dat zij zijn vrouw was!
In de hevigheid van zulk een vorm van hartstocht als de zijne, is iets vreeselijks.
De godsdienstoefening ging voort. De tekst van Granger’s preek was: “Maar de meeste van deze drie is de liefde.” Geoffrey merkte op, dat hij bij sommige woorden haperde, maar eensklaps herinnerde hij zich, dat Beatrice hem gezegd had, dat zij de preek geschreven had, en nu was hij geheel aandacht. Hij was ook niet teleurgesteld. Niettegenstaande Granger slecht las, en de gewoonte had bij het slot van elken volzin zijn stem te laten dalen, kwam de schoonheid van gedachten en voorstelling toch uit. Het was eigenlijk een redevoering, die even goed in een Mahomedaansche of Buddhistische plaats van Godsvereering gehouden had kunnen worden; er was niets bepaald Christelijks in, het was alleen een opwekking van het goede in de menschelijke natuur. Maar noch de prediker noch zijn toehoorders schenen dit er uit te begrijpen; trouwens, bijna niemand luisterde er naar. De preek was kort en eindigde met een schoone, kernachtige spreuk—of liever, daar was zij niet mee geëindigd, want toen Granger het manuscript had dichtgeslagen, volgde er nog een kleine improvisatie van hemzelven op.
“En nu, broederen,” zeide hij, “heb ik u over de Christelijke liefde gepreekt, maar daar wil ik nog een enkel woord bijvoegen, om de liefde tot den naaste toe te passen op de liefde tot zichzelf. Ik heb wel honderd pond aan achterstallige tienden in te vorderen, en daar zijn er bij, die al over meer dan twee jaar loopen. Als die tienden mij niet betaald worden, zal ik bij eenigen uwer beslag moeten leggen, en ik heb gemeend beter te doen de gelegenheid waar te nemen om het u te zeggen.” Toen sprak hij den zegen uit.
Het contrast tusschen ditpraktischslot en de schoone taal, die het was voorafgegaan, was zóó bespottelijk, dat Geoffrey bijna in lachen uitbarstte en Beatrice er om moest glimlachen. Dat deden de andere toehoorders ook, behalve een paar, die tienden schuldig waren, en Owen Davies, die aan heel wat anders dacht.
Toen zij over het kerkhof gingen, merkte Geoffrey iets op. Beatrice was eenige schreden vooruit, met Effie aan de hand. Daar liep Davies hem voorbij, zonder dat hij hem scheen te zien, en groette Beatrice, die met een lichte buiging zijn groet beantwoordde. Hij liep een eind voort zonder te spreken, maar aan het hek van het kerkhof hoorde Geoffrey hem zeggen: “Dus van middag om vier uur.” Weder boog zij, en hij keerde zich om en ging heen. Geoffrey wist niet wat dit alles beteekende: was zij met hem geëngageerd of niet?
Aan het middagmaal was geen van allen spraakzaam. Granger dacht over zijn tienden en ook over een zieke koe. Elisabeth’s gedachten dwaalden in een juist niet aangename richting, naar deuitdrukkingvan haar gelaat te oordeelen. Beatrice zag bleek en verdrietig; zelfs Effie’s aardig gekeuvel deed haar niet meer dan glimlachen. Wat Geoffrey betrof, die was nieuwsgierig wat er om vier uur gebeuren zou.
“Wat is iedereen stil!” zeide Effie eindelijk.
“Op Zondag behoort men stil te zijn, Effie,” antwoordde Beatrice. “Dat geloof ik, ten minste.”
Elisabeth, die streng godsdienstig was, fronste bij dit gezegde het voorhoofd. Zij wist dat haar zuster het niet meende.
“Wat ga je van middag doen, Beatrice?” vroeg zij. Zij had gezien dat Owen Davies met haar zuster gesproken had, en hoewel zij niet dichtbij genoeg was geweest om de woorden te verstaan, vermoedde zij er de beteekenis wel van.
Beatrice kleurde even, iets wat zoomin de opmerkzaamheid van haar zuster als van Geoffrey ontsnapte.
“Ik ga Jane Llewellyn bezoeken,” antwoordde zij. Jane Llewellyn was het krankzinnige kleine meisje, waarvan melding gemaakt is. Tot op dit oogenblik had Beatrice er niet aan gedacht haar te bezoeken, maar zij wist, dat haar zuster haar daarheen niet zou volgen, omdat het kindElisabethniet kon uitstaan.
“O, ik dacht, dat je misschien uit wandelen ging.”
“Later ga ik misschien wandelen,” antwoordde Beatrice kortaf.
“Dat beteekent wat,” dacht Elisabeth, en haar koele oogen teekenden een vluchtige uitdrukking, alsof er een licht voor haar opging.
Kort na het middagmaal, zette Beatrice haar hoed op en ging uit.
Tien minuten later deed Elisabeth hetzelfde. Toen kondigde Granger aan, dat hij naar de boerderij ging (vóór zes uur was er geen dienst) om naar de zieke koe te zien, en vroeg Geoffrey of hij hem wilde vergezellen. Hij zeide dat hij dit wel doen kon, als Effie mee mocht, en na zijn pijp opgestoken te hebben, gingen zij heen.
Intusschen was Beatrice naar het krankzinnige kind gegaan. Dat was dien dag niet heftig, en kende haar nauwelijks. Voordat zij tien minuten in huis was geweest, werd de sluier, die over den stand van zaken hing, opgeheven.
De woning stond op twee derden van den weg in een onregelmatige straat, die geheel ledig was, want Zondags na het eten sliep Bryngelly. Aan het eene einde van die straat vertoonde zich Elisabeth, met een Bijbel in de hand, alsof zij op district-bezoek uitging. Zij zag de straat langs, maar toen zij niemand bespeurde, ging zij een wandelingetje doen, en toen zij terugkwam, zag zij weer de straat langs. Nu zag zij de deur van de woning derLlewellyns opengaan en Beatrice er uit komen. Oogenblikkelijk week Elisabeth terug naar een plaats, waar zij kon zien zonder gezien te worden, en wachtte besluiteloos af wat er gebeuren zou. Beatrice sloeg den weg naar het strand in.
Nu was Elisabeth niet langer besluiteloos. Zij sloeg den weg naar de rots in en liep zeer snel. Voorbij de pastorie kwam zij aan een punt, waar het strand niet breeder dan vijftig meter was, en daar ging zij zitten. Weldra zag zij langs het strand beneden haar een man met snelle schreden aankomen. Het was Owen Davies. Zij wachtte en zat op de loer. Zeven of acht minuten verliepen, en een vrouw in een witte kleeding kwam voorbij. Het was Beatrice, die zeer langzaam liep.
“Ha!” zeide Elisabeth bij zichzelve, haar tanden op elkaar drukkende, “zooals ik dacht!”
Zij stond op, vervolgde het pad over de rots, en bleef een paar honderd meter vooruit, wat zij gemakkelijk doen kon door den korten weg te nemen. Het was een verre wandeling, en Elisabeth, die niet van loopen hield, werd er zeer vermoeid van. Maar als zij zich eenmaal iets in ’t hoofd had gezet was zij er niet licht af te brengen. Dus stapte zij, bijna een uur lang, moedig voort, totdat zij eindelijk aan een plek kwam, als het Amphitheater bekend. Dit Amphitheater, bijna vlak over de Roode Rotsen, was een halve cirkel van rotswanden, in ’t midden waarvan een groote, platte steen was, bij hoog getij onder den waterrand, waar men, op zekere gedeelten van de rots, van bovenaf het gezicht op had, hoewel hij, van het strand af, door de vooruitstekende rotswanden verborgen was. Elisabeth klom een eind ver langs de helling van de rots af, en toen zag zij, met zijn rug naar haar toe, Owen Davies zitten. Nog iets lager afdalende, naderde Elisabeth langzaam, totdat zij eindelijk binnen vijftig passen van hem af was. Hier verschanste zij zich achter een rotskloof en ging ook zitten; dichterbij te komen was niet veilig; maar voor het geval dat zij misschien van bovenaf werd opgemerkt, sloeg zij haar Bijbel op haar knie open, alsof zij deze stille plek had uitgekozen om te lezen.
Eenige minuten verliepen, en nu kwam Beatrice om den vooruitstekenden hoek van het Amphitheater te voorschijn, en liep langzaam naar de plek waar Owen Davies zat. Hij stond op en stak de hand uit om haar te begroeten, maar zij nam die niet aan; zij boog slechts en nam ook op den grooten platten steen plaats, maar wel drie of vier voet van Owen Davies af. Elisabeth boog haar bleek gelaat vooruit, en spande haar ooren in om te luisteren, maar zij kon, helaas, geen enkel woord verstaan.
“Ge hebt mij verzocht hier te komen, mijnheer Davies,” zeide Beatrice, het pijnlijk stilzwijgen afbrekende. “Daar ben ik.”
“Ja,” antwoordde hij; “ik heb u verzocht te komen, omdat ik u wilde spreken.”
“Ja?” zeide Beatrice, vragend opziende van haar bezigheid om met de punt van haar parasol kuiltjes in het zand te graven. Haar gelaat was kalm, maar haar hart klopte snel.
“Ik wilde u vragen,” hernam hij, langzaam sprekende, “of ge mijn vrouw wilt worden”.
Beatrice opende haar lippen om te spreken, maar bespeurende dat hij slechts had opgehouden omdat de woorden hem van aandoening in de keel bleven steken, zweeg zij en ging weer voort met kuiltjes te graven. Zij wilde niet antwoorden voordat zij de geheele toedracht van de zaak wist, zooals een advocaat zou zeggen.
“Ik wilde u vragen,” herhaalde hij, “of ge mijn vrouw wilt worden: dat heb ik al eenige jaren geleden willen doen, maar ik heb er nog maar niet toe kunnen komen. ’t Is een groote stap, en mijn geluk hangt er van af. Antwoord mij nog niet,” ging hij voort, en zijn woorden wonnen in kracht onder het spreken, “luister naar wat ik u te zeggen heb. Ik ben mijn leven lang een eenzaam man geweest. Op zee was ik eenzaam, en sedert ik in het bezit van dat vermogen ben gekomen, ben ik nog eenzamer. Ik heb nooit iemand of iets liefgehad voordat ik u begon lief te hebben. En toen kreeg ik u hoe langer hoe meer lief; zoodat ik nu nog maar één gedachte heb, en dat is de gedachte aan u.Ik denk aan u als ik waak, en als ik slaap, droom ik van u. Luister,Beatrice, luister!—nooit heb ik een andere vrouw bemind, nauwelijks heb ik met een gesproken—gij zijt de eenige, Beatrice. Ik kan u veel geven; en alles zal het uwe zijn, maar ik zou zeer jaloersch op u wezen—ja, zeer jaloersch!”
Zij zag hem aan. Zijn gelaat was uitwendig kalm, maar doodsbleek, en in zijn blauwe oogen, doorgaans zoo dof, blonk een vuur, dat door het contrast bijna akelig was.
“Mij dunkt dat gij genoeg gezegd hebt, mijnheer Davies,” antwoordde Beatrice. “Ik ben u zeer verplicht. Ik gevoel mij zelfs vereerd, want in sommige opzichten ben ik uws gelijke niet, maar ik kan u niet liefhebben, en ik kan niet met u trouwen, en ik geloof dat het maar het best is u dit ronduit, eens en voor altijd, te zeggen,” en werktuigelijk ging zij voort met kuiltjes te graven.
“O, zeg dat niet,” riep hij bijna kermend uit. “Om Godswil, zeg dat niet! Het zal mijn dood zijn, als ik u moet missen. Ik geloof dat ik krankzinnig zou worden. Trouw met mij, en ge zult mij wel leeren liefhebben.”
Beatrice zag hem weder aan en gevoelde diep medelijden. Zij wist niet, dat het zóó erg met hem gesteld was. Zij zag in dat zij, uit een wereldsch oogpunt beschouwd, zeer dwaas deed. De man beminde haar en was een aannemelijke partij. Hij vroeg haar niets anders dan wat de meeste vrouwen, onder zulke gunstige omstandigheden voor haar welzijn, bereid genoeg zijn te geven—haarzelve. Maar zij had nooit van hem gehouden, hij had haar altijd tegengestaan, en zij was er het meisje niet naar om met een man te trouwen van wien zij niet hield. In de laatste week was die tegenzin nog sterker geworden. Waarom wist zij zelve niet, en terwijl zij zich daarover verwonderde, viel haar oog op de figuren, die zij werktuigelijk in het zand prikte. Zij hadden den vorm van letters aangenomen, en die letters warenGEOFFRE—Groote Hemel! Kon dat het antwoord zijn? Het bloed stroomde haar van schaamte naar het gelaat en met haar voeten veegde zij de verklappende letters, zooals zij meende, uit.
Owen zag de verzachte uitdrukking van haar oogen, en haar blos zag hij ook, en aan beiden gaf hij een verkeerde uitlegging. Meenende dat zij geneigd was toe te geven, wilde hij haar hand vatten. Met een ruk van haar arm, zoo snel, dat zelfs Elisabeth, die zoo scherp tuurde, de beweging niet zag, trok zij haar hand los.
“Raak mij niet aan,” zeide zij op bitsen toon, “ge hebt het recht niet mij aan te raken. Ik heb u geantwoord, mijnheer Davies.”
Beschaamd, met het hoofd op de borst gezonken, zat Owen een oogenblik stil, als het beeld der wanhoop. Niets kon de strakke kalmte van zijn gelaat verstoren, maar de hevigheid zijner aandoening was te zien aan het beven van zijn beenen en zijn korte, snelle ademhaling.
“Kunt ge mij geen hoop geven?” zeide hij eindelijk, met een doffe stem. “Om Godswil, denk na voordat gij antwoordt—gij weet niet wat het voor mij te beteekenen heeft. Voor u is het niets—gij hebt er geen gevoel van. Ik gevoel, en uw woorden snijden als een mes. Ik weet wel dat ik dom en vervelend ben, maar ik heb een gevoel alsof ge mij een doodsteek hadt gegeven. Gij hebt een hart van steen.”
Weder werd Beatrice een weinig verzacht. Zij was getroffen en gevleid. Welke vrouw zou dat niet geweest zijn?
“Wat kan ik u zeggen, mijnheer Davies?” zeide zij, op vriendelijken toon. “Ik kan niet met u trouwen. Hoe kan ik dat, als ik geen liefde voor u gevoel?”
“Er trouwen zooveel vrouwen met mannen, voor wie zij geen liefde gevoelen.”
“Dan zijn het slechte vrouwen,” antwoordde Beatrice, met vuur.
“Zoo denkt de wereld er niet over,” hernam hij; “de wereld noemt zulke vrouwen slecht, die liefde gevoelen voor mannen, met wie zij niet kunnen trouwen, en de wereld heeft altijd gelijk. Het huwelijk wettigt alles.”
Beatrice lachte bitter.“Denkt gij er zoo over?” zeide zij. “Ik niet. Ik vind, dat trouwen zonder liefde de schandelijkste van onzeinstellingen is, en dat is veel gezegd. Gesteld dat ik op uw aanzoek ‘ja’ zeide, gesteld dat ik met u trouwde, zonder liefde voor u te gevoelen, waar zou het dan om zijn? Om uw geld en uw stand, en om een getrouwde vrouw genoemd te kunnen worden; en wat zoudt gij denken, dat ik dan in mijn hart van mijzelve dacht? Neen, neen, ik ben misschien slecht, maar zóó laag ben ik niet gezonken. Zoek een andere vrouw, mijnheer Davies; de wereld is groot, en er zijn vrouwen genoeg, die u om uzelven zullen liefhebben, of het in allen gevalle zoo nauw niet zullen nemen. Vergeet mij, en laat mij mijn eigen weg gaan—dat isuwweg niet.”
“U uw eigen weg laten gaan,” antwoordde hij, op hartstochtelijken toon—“dat wil zeggen, u aan een anderen man overlaten. O, daar kan ik niet aan denken. Ik ben jaloersch op elken man, die in uw nabijheid komt. Weet gij wel hoe schoon gij zijt? Gij zijt al te schoon—elke man moet verliefd op u worden zooals ik het ben. O, als gij een ander naamt, ik geloof dat ik hem zou dooden.”
“Spreek zoo niet, mijnheer Davies, of ik ga heen.”
Eensklaps hield hij op. “Ga niet heen,” zeide hij smeekend. “Luister. Ge zeidet dat ge niet met mij wilt trouwen omdat gij geen liefde voor mij gevoelt. Gesteld dat ge mij leerdet liefhebben, zeggen wij over een jaar.Beatrice, zoudt ge dan met met mij willen trouwen?”
“Ik zou met ieder man willen trouwen, als ik hem liefhad,” antwoordde zij.
“Dus, als ge mij leert liefhebben, wilt ge met mij trouwen?”
“O, dat is belachelijk,” zeide zij. “’t Is niet waarschijnlijk, het is nauwelijks mogelijk, dat zoo iets zou kunnen gebeuren. Als het had kunnen gebeuren, zou het al vroeger geweest zijn.”
“Het kan nog komen,” hernam hij; “uw hart kan nog jegens mij verteederd worden. O, zeg daar ja op. Het is een klein verzoek, het kost u niets, en het geeft mij hoop, zonder welke ik niet kan leven. Zeg dat ik u nog eens vragen mag, en dat gij dan, als ge mij liefhebt, met mij wilt trouwen.”
Beatrice dacht een oogenblik na. Zulk een belofte kon geen kwaad, en in den loop van zes maanden of een jaar zou hij misschien gewend zijn aan het denkbeeld van zonder haar te leven. Ook zou het een scène voorkomen. Het was zwak van haar, maar zij was bevreesd voor de uitbarsting, als het haar vader ter oore kwam dat zij Owen Davies had afgewezen.
“Als ge dat wenscht, mijnheer Davies,” zeide zij, “zoo zij het dan. Maar ik verzoek u wel te begrijpen, dat dit mij tot niets verbindt. Ik geef u volstrekt geen hoop dat, als gij over een jaar of zoo uw aanzoek hernieuwt, mijn antwoord anders zal zijn dan nu. Ik geloof niet dat daarvoor de minste waarschijnlijkheid is. Ook moet gij wel weten, dat ge er mijn vader niets van moogt zeggen, of mij op eenigerlei wijze lastig vallen. Stemt gij daarin toe?”
“Ja,” was zijn antwoord. “Ik stem toe. Ik heb mij op genade of ongenade aan u overgegeven.”
“Goed. En nu, mijnheer Davies, adieu. Gij moet niet met mij terug wandelen. Ik wil liever alleen gaan. Maar dit wil ik u nog zeggen: Het spijt mij dat het hiertoe gekomen is. Ik had wel gewenscht dat het niet gebeurd was. Ik heb het niet aangemoedigd, en wasch mijn handen in onschuld. Maar het spijt mij bovenmate, en ik herhaal wat ik gezegd heb—zoek een andere vrouw en trouw met haar.”
“Dat is nog het wreedste van alles wat ge mij gezegd hebt,” antwoordde hij.
“Het was mijn bedoeling niet wreed te zijn, mijnheer Davies, maar ik geloof dat de waarheid dikwijls hard klinkt. En nu, adieu,” en Beatrice stak hem haar hand toe.
Hij raakte die even aan, en zij wendde zich van hem af en ging heen. Maar Owen ging niet heen. Hij bleef, met gebogen hoofd, diep neerslachtig op den steen zitten. Al zijn hoop had hij op dit meisje gevestigd. Zij was voor hem het eenige begeerlijke, de eenige ster in zijn eenigszins grauwe lucht, en nu was die ster verduisterd. Haar woorden waren vrij ondubbelzinnig, zij gaven hem weinig hoop. Integendeel, zij had een vastheid over zich,die hem vrees aanjoeg. Wat kon daar de reden van zijn? Hoe kwam het dat zij hem, en alles wat hij haar had aan te bieden, zoo beslist afwees? Zij was toch een meisje van geen hoogen stand. Zij kon haar oogen niet tot een betere partij opslaan. Er moest een reden voor zijn. Misschien een medeminnaar. De een of andere vijand was er de oorzaak van. Maar wie?
Op dit oogenblik ging de schaduw van een vrouwengedaante langs hem.
“O, zijt ge teruggekomen?” riep hij uit, overeind springende.
“Als gij Beatrice bedoelt,” antwoordde een stem—het was de stem van Elisabeth—“die liep tien minuten geleden langs het strand. Ik was toevallig op de rots, en ik zag haar.”
“O, ik vraag u verschooning, Miss Granger,” zeide hij. “Ik zag niet wie het was.”
Elisabeth zette zich op den platten steen neder, op dezelfde plaats, waar haar zuster gezeten had, en de gaatjes in het strand ziende, begon zij onwillekeurig met haar voet het zand, dat Beatrice er overheen had gestreken, er af te schuiven, zoodat de vrij diep ingeprikte letters weer bijna geheel te voorschijn kwamen.
“Ge hebt een gesprek met Beatrice gehad, mijnheer Davies?”
“Ja,” antwoordde hij kortaf.
Elisabeth bewaarde een oogenblik het stilzwijgen. Toen vatte zij de koe bij de horens.
“Gaat ge met Beatrice trouwen, mijnheer Davies?” vroeg zij.
“Dat weet ik niet,” gaf hij langzaam ten antwoord, en zonder dat deze vraag hem verraste. Het scheen hem zoo natuurlijk toe dat zij dezelfde gedachte had, waarvan zijn geest geheel vervuld was. “Ik zou niets liever wenschen dan met haar te trouwen, want ik heb haar innig lief.”
“Heeft zij u dan afgewezen?”
“Ja.”
Elisabeth haalde ruimer adem.
“Maar ik kan haar weer vragen.”
Elisabeth fronste het voorhoofd. Wat kon dat beteekenen? Hetwas geen bepaalde afwijzing. Daar moest Beatrice iets mee voor hebben.
“Waarom heeft zij u uitgesteld, mijnheer Davies? Meen niet dat ik het uit nieuwsgierigheid vraag. Ik vraag het alleen omdat ik u misschien zal kunnen helpen.”
“Dat weet ik; gij zijt zeer goed. Help mij, en ik zal u altijd dankbaar zijn. Ik weet het niet—ik zou het er haast voor houden, dat er iemand anders moest zijn, maar ik weet niet wie het wezen kan.”
“O, zoo!” zeide Elisabeth, die oplettend naar de weer te voorschijn gebrachte gaatjes in het zand had gekeken. “Dat is wel mogelijk, Beatrice is zoo’n zonderling meisje. Wat zijn dat voor letters, mijnheer Davies?”
Hij zag er onverschillig naar. “Iets wat uw zuster met de punt van haar parasol schreef, terwijl ik tegen haar sprak. Ik herinner mij dat ik het haar heb zien doen.”
“G E O F F R—wel, dat moet Geoffrey beteekenen. Ja, zeker is het mogelijk dat er iemand anders is, mijnheer Davies. Geoffrey!—hoe zonderling!”
“Wat is zonderling, Miss Granger? Wie is Geoffrey?”
Elisabeth deed een onaangenaamlachjehooren, dat Owen’s aandacht meer trok dan haar woorden.
“Hoe zou ik dat weten? Het moet zeker de een of andere vriend van Beatrice zijn, en wel een, aan wien zij veel denkt, anders zou zij niet onwillekeurig zijn naam in het zand geschreven hebben. De eenige Geoffrey, dien ik ken, is mijnheer Geoffrey Bingham, de advocaat, die in de pastorie logeert, en wien Beatrice het leven heeft gered.” Zij hield een oogenblik op, om te zien welke uitwerking haar woorden hadden. “Maar, natuurlijk,” ging zij voort, “kan zij niet aan mijnheer Bingham gedacht hebben, want die is een getrouwd man.”
“Getrouwd?” zeide Owen; “ja, maar hij is toch een man, en een heel knap man ook.”
“Ja, een knap man mag hij wel genoemd worden,” hernamElisabeth; “maar, zooals Beatrice onlangs zeide, het meest boeit hij, door zijn gesprekken en zijn verstand. Hij is een merkwaardig man, en de wereld zal eenmaal nog van hem hooren. Maar dat komt hier nu eigenlijk niet bij te pas. Beatrice is een raar meisje, en heeft wonderlijke begrippen, maar ik houd mij verzekerd, dat zij het nooit met een getrouwd man zou willen aanleggen.”
“Maar het zou wel kunnen zijn, dat hij het met haar wilde aanleggen, Miss Elisabeth.”
Zij lachte. “Denkt ge werkelijk, dat een man als mijnheer Bingham zonder aanmoediging zou beproeven een minnarijtje met een meisje aan te knoopen? Zulke mannen zijn even trotsch als vrouwen, en nog trotscher: de dame moet altijd den eersten stap doen. Maar waar dient het toe er over te spreken? Het is allemaal onzin; Beatrice moet aan een anderen Geoffrey gedacht hebben—of het was alleen maar toevallig. Wel, mijnheer Davies, als ge een oogenblik werkelijk hadt kunnen denken dat die lieve Beatrice zich aan zoo iets schandelijks als een minnarij met een getrouwd man schuldig zou hebben gemaakt, zoudt gij haar dan ten huwelijk gevraagd hebben? Zoudt gij er nog aan denken zulk een meisje als zij dan zijn moest te vragen uw vrouw te worden?”
“Ik weet het niet; ik geloof het niet,” antwoordde hij twijfelachtig.
“Gijgeloofthet niet? Dan ken ik u beter dan gij uzelven kent. Ge zoudt liever nooit trouwen, dan een vrouw te nemen zooals zij dan gebleken was te zijn. Maar genoeg van dat dwaas gepraat. Als gij een medeminnaar hebt, kunt ge er zeker van zijn, dat het een ongetrouwde is.”
In zijn hart dacht Owen dat hij toch eigenlijk liever gehad zou hebben dat het maar een getrouwd man was, omdat een getrouwd man, in allen gevalle, Beatrice niet wettig kon bezitten. Maar hij had ontzag voor Elisabeth’s strenge zedelijkheid, en dus zeide hij dat niet.
“Ik gevoel mij een weinig van streek, Miss Elisabeth,” zeide hij. “Ik wil maar liever heengaan. A propos, ik heb beloofd er uw vader niets van te zeggen. Ik hoop dat gij het ook niet doen zult.”
“Zeker niet,” antwoordde Elisabeth, en dat zou ook wel het laatste geweest zijn wat zij had willen doen. “Adieu dan, mijnheer Davies. Wees niet neerslachtig; alles zal nog wel terecht komen. Bedenk dat ge mij altijd hebt om u te helpen.”
“Dank u, dank u,” zeide hij ernstig, en ging heen.
Elisabeth zag hem, tot om den rotswand, met een koelen en hatelijken glimlach na.
“Gek!” dacht zij, “gek!Mijte zeggen dat je haar zoo innig liefhebt en met haar wilt trouwen! Je wilt dat lieve gezichtje hebben, niet waar? Dat krijg je nooit; ik zal het wel voor je bederven! Die lieve Beatrice, zij is niet in staat eenliefdeshistorietjemet een getrouwd man te hebben—o, zeker niet! Wel, zij is al verliefd op hem, en hij meer dan half op haar. Als zij het niet was, zou zij Owen dan afgescheept hebben? Wel neen! Laat hun den tijd maar, en we zullen zien. Zij zullen elkaar in ’t ongeluk storten—dat moeten zij wel; het is geen kinderspel als twee zooals zij verliefd worden. Zij zullen het niet bij zuchten laten. Het was een goede inval hem in huis te nemen. En als ik haar zoo met dat kind Effie zie, alsof zij haar moeder was—’t is om te lachen. O, Beatrice, met al je wijsheid ben je een onnoozel schaap. En op een goeden dag, lieve meid, zal ik het genoegen hebben je voor Owen ten toon te stellen, dan zal de afgod ontsluierd worden, en dan is het met je kansen bij hem uit, want daarna kan hij niet met je trouwen. En dan komt mijn beurt. ’t Is een kwestie van tijd—alleen maar een kwestie van tijd.”
Zoo peinsde Elisabeth, met een hart vol nijd en jaloezie. Zij hield veel van Owen Davies, zooveel als zij in staat was voor iemand genegenheid te gevoelen, ten minste, zij hield veel van den rijkdom en stand, waarvan hij het zichtbaar middelpunt was, en zij haatte haar zuster, die hij begeerde. Als zij die zuster maarin een slechten naam kon brengen en bewijzen dat zij zich aan misplaatste, ongewettigde liefde schuldig had gemaakt—in de oogen der wereld de zwaarste misdaad eener vrouw—zou Owen wel niet meer van haar willen weten.
Zij vergiste zich. Zij wist niet, dat hij Beatrice volstrekt tot vrouw wilde hebben; zij kon zich niet voorstellen hoe vergevensgezind een man, die zich dit ten doel stelt, kan zijn. Alleen over de vrouw, die zij reeds moede zijn, vellen de mannen maar al te spoedig een streng vonnis, maar niet over haar, die hun nog niet toebehoort, en naar wier bezit zij dag en nacht verlangen. Voor dezulken zijn zij zeer toegevend.