Hoofdstuk XIII.Geoffrey houdt een sermoen.Intusschen liep Beatrice in een alles behalve geruste gemoedsstemming huiswaarts. Haar hart was bezwaard. Zij had Owen Davies, wel is waar, voor ’t oogenblik afgescheept, maar zij wist wel dat hij de man niet was om het er bij te laten. Het speet haar bijna, dat zij hem niet dadelijk voor goed had afgewezen. Maar dan zou hij naar haar vader gegaan zijn, waarvan een scène het onvermijdelijke gevolg geweest zou zijn, en daar deinsde zij voor terug, vooral nu Bingham in huis was. Zij kon zich zijn ontzetting, om niet te zeggen, zijne woede voorstellen, als hij, die zoo op geld gesteld was, hoorde dat zij Owen Davies, van Bryngelly Castle en al zijn rijkdom, had afgewezen—werkelijk afgewezen.En met Elisabeth moest zij ook rekening houden. Elisabeth zou haar zeker het leven tot een last maken. Beatrice wist niet dat niets haar zuster beter in de kaart gespeeld was. Als zijBryngelly maar had kunnen verlaten! Doch dat was ook onmogelijk. Zij had geen geld. Zij zou, wel is waar, op een andere veraf gelegen plaats in Engeland een betrekking als onderwijzeres kunnen krijgen, maar daar was ook een onoverkomelijke hinderpaal tegen. Hier had zij een salaris vanvijf-en-zeventigpond ’s jaars; daarvan behield zij vijftien pond, met welke geringe som zij voor haar kleeding toekwam; het overige gaf zij aan haar vader. Zij wist wel dat hij zijn hoofd niet boven water kon houden zonder dezen steun, die, hoe gering ook, voor hun huisgezin al het onderscheid tusschen armoede en werkelijk gebrek uitmaakte. Als zij heenging, gesteld dat zij een even goede betrekking vond, zou zij al dat geld voor haar eigen onderhoud noodig hebben, en er niets van overhouden om naar huis te zenden. Het was een betreurenswaardige toestand; zij, die zooeven een man met duizenden ’s jaars had afgewezen, was niet in staat voor lastig aandringen uit den weg te gaan, om het gemis van vijf-en-zeventig pond ’s jaars, per kwartaal betaald. Het eenige wat zij doen kon, was dus maar af te wachten hoe het loopen zou. Maar op één punt was zij zeker: zij zounietmet Owen Davies trouwen. Dat mocht dwaas van haar zijn, maar zij zou het niet doen. Zij had te veel achting voor zichzelve, om met een man te trouwen, dien zij niet liefhad; een man, van wien zij bepaald afkeerig was. “Neen, nooit!” riep zij, op het kiezelzand aan den oever stampvoetende.“Wat nooit?” zeide een stem op eenigen afstand.Zij schrikte en zag rond. Daar, met zijn rug tegen een rots leunende, en een pijp in zijn mond, een geopenden brief op zijn knie, en zijn hoed bijna over zijn oogen getrokken, zat Geoffrey. Hij had Effie bij Granger thuis gelaten, en was langs een afhelling van de rots naar het strand gewandeld. De brief op zijn knie was van zijn vrouw. Die was kort en er stond niets bizonders in. Effie’s naam werd niet eens genoemd. Het was om te zien of hij dat ook had overgeslagen, dat hij den brief nog eens overlas. Neen, de inhoud had alleen betrekking op Lady Honoria’s veilige aankomst en de logeergasten, die zij had aangetroffen—een lossentroep, zooals Geoffrey opmerkte, onder anderen, een zekerenDunstan, dien hij niet kon uitstaan—en het aantal koppels patrijzen, dat op den vorigen dag geschoten was. Toen kwam de verzekering dat Honoria zich uitstekend vermaakte, en dat de nieuwe Fransche kok “perfect” was.“Wat nooit, Miss Granger?” herhaalde hij zijn vraag, terwijl hij langzaam den brief dichtsloeg.“Dat komt er niet op aan,” antwoordde zij, zich herstellende. “Wat hebt ge mij verschrikt, mijnheer Bingham! Ik dacht niet dat er iemand op het strand was.”“Dat is toch voor iedereen vrij, niet waar?” zeide hij, opstaande. “Ik dacht dat ge mij in het kiezelzand wildet trappen. ’t Is om er bang voor te worden, als men op een Zondagnamiddag rustig zit, een jonge dame te zien aankomen, die eensklaps staan blijft, stampvoet, en dan zegt: ‘Neen, nooit!’ Gelukkig wist ik dat gij uit waart, anders zou ik er van ontsteld zijn.”“Hoe wist ge dat ik uit was?” vroeg Beatrice, een weinig uitdagend. Hij behoefde haar gangen niet na te gaan.“Op tweeërlei manieren. Zie!” zeide hij, naar een strook wit zand wijzende. “Dat zijn, geloof ik, uw voetstappen.”“En wat zou dat?” vroeg Beatrice, met een lachje.“Niets bizonders, alleen dat het uw voetstappen zijn,” antwoordde hij. “Toen ontmoette ik toevallig den ouden Eduard, die aan ’t wandelen was, en hij zeide mij dat hij u en mijnheer Davies naar hetstrandhad zien gaan; daar is zijn voetstap—van Davies bedoel ik—maar gij schijnt niet zeer gezellig geweest te zijn, want de uwe is er een heel eind van af.”“Waarom hebt ge u de moeite gegeven dat zoo nauwkeurig op te merken?” vroeg zij, half lachend en half toornig.“Dat weet ik niet—waarschijnlijk een gewoonte, die ik mij heb eigen gemaakt omdat ik aan de rechtbank ben. Uit die voetstappen op het zand, en wat er de gevolgen van hadden kunnen zijn, zou men een roman kunnen maken. Maar gij hebt mijn treffend verhaal nog niet ten einde gehoord. De oude Eduard heeftmij ook verteld, dat hij uw zuster langs de rots heeft zien loopen, bijna op gelijke hoogte met u, waaruit hij opmaakte dat gij er over hadt geredetwist wat de kortste weg naar de Roode Rotsen was, en er de proef van naamt.”“Elisabeth,” zeide Beatrice, min of meer verbleekende; “waarom zou zij dat gedaan hebben?”“Ik denk om lichaamsbeweging te nemen, evenals gij. Welnu dan, ik ging, mijn pijp rookende, in de schaduw van die rots zitten, toen ik eensklaps mijnheer Davies, den kant van Bryngelly op, zag aankomen, loopende alsof hij een wedloop hield, met zijn hoed achterop zijn hoofd. Hij liep letterlijk over mijn beenen heen, zonder mij te zien. Toen volgdet gij, en riept: ‘Neen, nooit!’—en daar is mijn verhaal mee uit. Vergunt ge mij met u mee te loopen, of stoor ik de ontwikkeling van het plan?”“Er is geen plan, en zooals gij zooeven gezegd hebt, het strand is voor iedereen vrij,” antwoordde Beatrice wrevelig.Zij liepen een eindweegs voort, en toen sprak hij op een anderen toon—doelende op hetgeen hij aan het hek van het kerkhof had gehoord.“Ik geloof dat ik u mag feliciteeren, Miss Granger,” zeide hij, “en dat doe ik van harte. Niet iedereen is zoo gelukkig.—”“Wat wilt ge daarmee zeggen, mijnheer Bingham?” viel Beatrice hem in de rede, stilstaande en zich naar hem toe wendende.“Wat ik daarmee zeggen wil? Och, niets bizonders; nietsandersdan dat ik u gelukwensch met uw engagement.”“Mijn engagement! Wat voor engagement?”“Het schijnt dat er een misverstand is,” zeide hij, op een toon van verlichting, hoeveel moeite hij ook deed om het te verbergen. “Ik had begrepen dat het tusschen u en Owen Davies tot een engagement was gekomen. Als ik het mis heb, vraag ik u wel verschooning.”“Ge hebt het totaal mis, mijnheer Bingham; ik weet niet hoe ge u dat in ’t hoofd hebt gehaald, maar er is niets van aan.”“Veroorloof mij dan u geluk te wenschen dat het niet waar is. Ziet ge, dat is in negen van de tien gevallen, waar sprake van een huwelijk is, juist het mooie—zij hebben twee of meer zijden. Als het er toe komt, kan de vriendelijke en belangelooze opmerker de lichtzijde zien—zooals in dit geval, veel geld, een romantisch kasteel aan zee, een man van een onberispelijk verleden, enz. enz. enz. Als het er daarentegen niet toe komt, kan er ook weer reden tot dankbaarheid voor gevonden worden—de dame kon toch eigenlijk wel beter partij doen, het kasteel aan zee is in het voorjaar wel wat tochtig, de man is zeer achtenswaardig, maar misschien een weinig vervelend, en zoo al meer.”In den toon, waarop hij sprak, was iets spotachtigs, dat Beatrice ergerde. Zulk een toon was zij van Bingham niet gewoon. Het was zelfs de toon niet, waarop een beschaafd man over zulk een onderwerp tot een dame behoorde te spreken. Dit wist hij even goed als zij, en heimelijk schaamde hij zich er over. Maar, om de waarheid te zeggen, was Geoffrey, hoewel hij het zichzelven niet eens wilde bekennen, hevig jaloersch, en jaloersche menschen hebben geen goede manieren. Het was echter van Beatrice niet te verwachten dat zij dit wist, en dus was zij natuurlijk geraakt.“Ik begrijp niet recht waar ge het over hebt, mijnheer Bingham,” zeide zij, met een uitdrukking van beleedigde waardigheid in blik en toon. “Ge hebt een ongegrond praatje gehoord, en nu maakt ge er gebruik van om mij te bespotten en op mijnheer Davies te schimpen. Dat is zeer onaardig.”“O, neen; wat de aanleiding tot mijn vergissing geweest is, Miss Granger, waren de voetstappen,enhet praatjeende afspraak die gij op het kerkhof gemaakt hebt, en die ik, zonder het te willen, gehoord heb—niet het praatje alleen. Natuurlijk moet ik er nu mijn verontschuldigingen over maken.”Weder stampvoette Beatrice. Zij zag dat hij haar bespotte, en gevoelde dat hij haar niet geloofde.“Ziedaar!” ging hij voort, door zijn jaloerschheid tot onheuschheid geprikkeld, want zij had gelijk—hij geloofde haar verklaring datzij niet geëngageerd was eigenlijk nog niet. “Wat ben ik toch ongelukkig—nu heb ik alweer iets gezegd, waar gij boos om wordt. Waarom zijt ge niet met mijnheer Davies samen terug gewandeld? Dan hadt gij aangenamer gezelschap gehad, en zou ik mij niet schuldig gemaakt hebben aan aanmerkingen, die mij zoo kwalijk genomen worden. Ge wilt met mij twisten; welnu, waarover zal het zijn? Er zijn vele punten, waarop wij lijnrecht tegenover elkander staan; laten we daar een van opwerpen.”Dat was te veel; want hoewel zijn woorden niets beteekenden, gaf de toon, waarop hij sprak, er iets stekeligs aan. Beatrice, reeds in geen kalme gemoedsstemming gebracht door het tooneel met Owen Davies, en vervuld van een zeker beangstigend gevoel, waarvan zij zich geen verklaring kon geven, verloor ditmaal haar gewone zelfbeheersching en werd zenuwachtig. Tranen schoten haar in de oogen, en haar mond trok, alsof zij op het punt was van in weenen uit te barsten.“Dat is zeer onaardig van u,” zeide zij, met een gesmoorden snik. “Als gij wist hoeveel ik te verdragen heb, zoudt ge zoo niet spreken. Ik weet dat ge mij niet gelooft; om ’t even, ik zal u de waarheid zeggen. Ja, hoewel ik dat niet behoef te doen, en gij ’t in minst niet het recht hebt het van mij te vergen, zal ik u toch de geheele waarheid zeggen, omdat ik niet kan dulden dat ge mij niet gelooft. Mijnheer Davies heeft mij ten huwelijk gevraagd, en ik heb hem afgewezen. Ik heb hem uitgesteld; dat heb ik gedaan, omdat hij anders naar mijn vader gegaan zou zijn. Dat was lafhartig van mij, maar mijn vader zou mijn leven ondragelijk gemaakt hebben—” en weder kwam er een gesmoorde snik.Veel is er gezegd en geschreven over de uitwerking, die het op de mannen heeft als zij een vrouw in tranen zien, of op de grens van tranen, en het lijdt geen twijfel of die uitwerking is sterk. Een rechtgeaard man wordt door zulk een schouwspel diep getroffen, en hij schrikt er ook van, omdat hij bevreesd is dat er eene scène op zal volgen. De meeste mannen nu zouden liever tienmijlen ver op hun pantoffels loopen, dan met een jonge dame, die het op de zenuwen krijgt, te doen te hebben. De bizondere omstandigheden van het geval ter zijde stellende, was Geoffrey geen uitzondering op den regel. Met Beatrice te schermutselen was alles goed en wel; zij kon zich in een woordenstrijd wel met hem meten, en wist met gelijke munt te betalen; maar te zien dat zij zich op genade of ongenade overgaf was geheel iets anders. Hij schaamde zich over zichzelven.“Kom, kom—dat niet,” zeide hij. Hij wilde ongaarne zeggen, ween niet. “’t Was maar scherts—maar ik had zoo niet moeten spreken. Geloof mij, ik wilde mij niet in uw vertrouwen dringen. Dat is mij niet in de gedachten gekomen. Ik heb er spijt van.”Zijn berouw was blijkbaar oprecht, en Beatrice gevoelde zich eenigszins bevredigd. Misschien was het haar niet geheel onaangenaam dat zij hem spijt kon doen gevoelen.“Gij hebt u niet in mijn vertrouwen gedrongen,” zeide zij fier, vergetende dat zij hem een oogenblik te voren verweten had haar aan ’t spreken gebracht te hebben.“Ik zeide het u, omdat ik niet verkoos dat ge zoudt denken dat ik de waarheid niet sprak. En laten we er nu verder maar van zwijgen.” Zij legde hem geen geheimhouding op, zij wist dat dit niet noodig was. Het geheim zou tusschen hen beiden blijven—alweer een gevaarlijke band.Beatrice had haar bedaardheid terugverkregen en zij liepen langzaam voort.“Zeg mij eens, mijnheer Bingham,” begon zij nu, “hoe kan een meisje den kost verdienen—ik bedoel een meisje zooals ik, zonder eenige bizondere talenten? Sommigen kunnen het wel.”“Dat hangt van het meisje zelve af,” antwoordde hij. “Wat voor soort van kostwinning bedoelt gij? Gij hebt er immers een.”“Ja, maar ik denk weleens dat, als ik er raad op wist, ik hier wel van daan zou willen gaan, om een ander vak bij de hand te nemen, iets grooters. Ik geloof niet dat het er ooit toe komen zal, maar ik denk er toch weleens over.”“Ik weet maar twee wegen, die voor een vrouw openstaan,” zeide hij; “het tooneel en de litteratuur. In uw geval is, natuurlijk, van het eerste geen sprake,” liet hij er snel op volgen.“En van het andere, vrees ik, ook niet,” hernam zij, het hoofd schuddende, “ten minste, als gij door litteratuur werken van verdichting verstaat, en dat is, geloof ik, de eenige kans om naam te maken. Zooals ik u gezegd heb, mijn verbeeldingskracht heb ik verloren—oprecht gesproken, tegelijk met mijn geloof. Er is een tijd geweest dat ik een levendige verbeelding had en veel geloof ook, maar het een is met het ander weggegaan, ik begrijp niet hoe.”“Niet? Ik meen het wel te begrijpen. Een ziel zonder godsdienstig gevoel is als een ster zonder atmosfeer, helderder dan andere sterren, maar niet zoo aangenaam om te zien. Godsdienst, poëzie, muziek, verbeelding en de edelste gevoelens van het hart bloeien in denzelfden grond, en zijn, naar mijn meening, verschillende openbaringen van hetzelfde. Weet ge wel dat het belachelijk is u te hooren zeggen dat ge uw geloof verloren hebt—want dat houd ik voor een onwaarheid. Ten ergste genomen, sluimert het, en eenmaal zal het weer ontwaken. Misschien zult gij geen bizonderen vorm van geloof aannemen, maar ik zeg u ronduit dat het niets anders dan geestelijke ijdelheid in haar leelijksten vorm is, allen godsdienst te verwerpen, omdat men er met zijn verstand niet bij kan. Uw verstand is u te sterk geweest, Miss Granger: het is met u op hol gegaan, maar het heeft zijn grenzen en verder gaat het niet. En nu zijt ge misschien weer boos op mij.”“Neen, waarom zou ik boos zijn? Ge hebt zeker wel gelijk, en ik hoop dat ik eenmaal weer zal kunnen gelooven. Ik zal u zeggen hoe ik mijn geloof verloren heb. Ik had een broertje, dat ik boven alles op de wereld liefhad, en na den dood van mijn moeder was hij ook het eenige wat ik had om lief te hebben, want mijn vader houdt, geloof ik, meer van Elisabeth dan van mij, omdat zij zooveel praktischer is, en Elisabeth en ik kunnen niet goed te zamen overweg. Het kan wel aan mij liggen, maar het is zoo—wij zijn zusters, maar geen vriendinnen. Mijn broertje werddoor een zware koorts aangetast, en lang lag hij tusschen leven en dood, en ik bad voor hem, zooals ik nooit te voren voor iemand of om iets gebeden had—ja, ik bad dat ik in zijne plaats mocht sterven. Hij stond de crisis door en werd beter, en ik dankte God, meenende dat mijn gebeden verhoord waren. O, wat was ik tien dagen lang gelukkig! Maar wat gebeurde er toen? Mijn broertje vatte kou, stortte weer in, en binnen drie dagen was hij dood. De laatste woorden, die hij tot mij sprak, waren: ‘Och, laat mij niet dood gaan, Bee!’—hij noemde mij altijd Bee—‘Laat mij alsjeblieft niet dood gaan, lieve Bee!’ Maar hij stierf—hij stierf in mijn armen, en toen het met hem gedaan was, stond ik van zijn zijde op, met een gevoel alsof mijn hart ook dood was. Daarna heb ik nooit weer gebeden. Het scheen mij toe alsof met mijn gebeden de spot was gedreven, alsof hij mij slechts voor een poos was teruggegeven, om den slag, wanneer hij viel, des te verpletterender te maken.”“Vindt ge niet dat het wel wat dwaas van u was het zoo op te vatten?” zeide Geoffrey. “Hebt gij niet weleens moeten glimlachen als ge van de eerste Christenen laast?—hoe het lood den martelaar niet wilde koken, of de leeuw hem niet wilde verslinden, of de regen uit een blauwe lucht het vuur bluschte, en hoe de heidensche koning eensklaps bekeerd werd en onmiddellijk een menigte moeilijke leerstellingen aannam. De Athanasiaansche Geloofsleer was niet noodwendig waar, omdat het vuur niet wilde branden, of het zwaard niet wilde snijden, en evenmin, houd mij ten goede, was al uw vroeger geloof onwaar, omdat uw gebed niet verhoord werd. ’t Is een oude geschiedenis, dat wij niet weten of het verhooren van onze gebeden goed of kwaad voor ons is. Ik weet, natuurlijk, van zoo iets niets af, maar het komt mij onbezonnen voor, te meenen dat de Voorzienigheid de werking van eeuwige wetten zal veranderen, alleen om aan de voorbijgaande wenschen van enkele personen te voldoen—wenschen, die, wanneer zij vervuld werden, in vele gevallen onvoorzien leed teweeg zouden brengen. Bovendien is het arme kind zeker gelukkiger nu het dood is danwanneer het was blijven leven. ’t Is voor de meesten onzer zoo heel aangenaam niet op de wereld.”“Ja, mijnheer Bingham, dat weet ik, en ik zou den schok ook wel mettertijd te boven gekomen zijn, als ik daarna niet was begonnen te lezen. Ik las de geschiedenis der godsdiensten, en vergeleek ze met elkaar, en ik las de werken van de schrijvers, die opgestaan zijn om ze aan te vallen. Ik vond—althans zoo meende ik—in alle dezelfde bronnen van bijgeloof—een bijgeloof uit oorspronkelijk natuurlijke oorzaken ontstaan, en met verschillendewijzigingenvan het eene geslacht op het andere, door alle tijden heen, overgebracht. In sommige vond ik dezelfde geschiedenis, slechts met een kleine verandering in den uiterlijken vorm, en bovendien leerde ik, dat het eene geloof het andere loochende en voor zichzelf alleen aanspraak maakte het ware te zijn.“Daarna ging ik naar het opleidings-instituut, en daar trof ik een dame aan, een der onderwijzeressen, de kundigste vrouw, die ik ooit gekend heb, en op haar wijze een brave vrouw ook, maar die het er voor hield, dat de godsdienst de vloek der wereld was, en al haar vrijen tijd besteedde om hem in den een of anderen vorm aan te vallen. Zij is nu al lang dood. En zoo, door al die oorzaken, en het gestadig schouwspel van menschelijke ellende voor oogen, dat voor mijn gevoel in strijd is met het denkbeeld van een barmhartige en wakende Voorzienigheid, is eindelijk het eenige altaar, dat in mijn tempel is overgebleven, een altaar aan den ‘Onbekenden God’ gewijd.”Evenals de meeste mannen, die over zulke zaken nagedacht hebben, sprak Geoffrey er niet gaarne veel over, inzonderheid niet met vrouwen. Hij wist ook dat hij een neiging had om er minder eerbiedig over te spreken dan hij er over dacht. Maar hij was Beatrice’s kerk der Duisternis niet binnengetreden; hij had die voor altijd den rug toe gekeerd, hoewel hij, zooals de meeste menschen, in verschillende tijdperken van zijn vroeger leven een uur in haar voorportaal vertoefd had. Dus waagde hij een tegenwerping.“Ik ben geen godgeleerde,” sprak hij, “en ik houd niet vantwistredenen op zulk een gebied. Maar er zijn een paar aanmerkingen, die ik wel zou willen maken. Naar mijn gevoelen, is het bestaan van kwaad en ongeluk onder het menschdom niet als een bewijsgrond aan te voeren dat er geen barmhartige hoogere Macht bestaat; want wat zijn de menschen, dat er zoo iets niet onder hen zou zijn? De mensch moet ook een meester erkennen. Als hij twijfelingen heeft, laat hij de oogen dan opslaan tot den sterrenhemel, en dan zullen zij verdwijnen.”“Neen,” zeide Beatrice, “ik vrees van neen. Kant heeft dat gezegd, maar vroeger heeft Molière dezen bewijsgrond een gek in den mond gelegd. De sterrenhemel bewijst niets meer dan de regendruppels, die langs de vensterruiten druipen. ’t Is geen kwestie van grootte en hoeveelheid.”“Ik kan dat beeld wel aannemen,” hervatte Geoffrey; “het eene voorbeeld van wet is voor mijn bedoeling even goed als het andere. Ik zie in alles de werking van een levenden Wil, maar dat is, natuurlijk,mijnzienswijze, niet de uwe.”“Neen, vrees ik,” antwoordde Beatrice; “al die redeneering, uit stoffelijke dingen geput, treft mij niet. Zoo maakten de Heidenen hun godsdienst. Zij leidden het Inwendige af van het Uitwendige, het geestelijke van het stoffelijke. Dat kan niet; als het Christendom waar is, moet het op een geestelijken voet staan en met een geestelijke stem spreken, niet in donder, maar in de harten der menschen. Het bestaan van een Scheppende Macht bewijst niet het bestaan van een Verlosser; veeleer strekt het om dat te loochenen, want de macht, die schept, is ook de macht, die vernietigt. Wat mij echter treft, is hoe de groote menigte over den Dood denkt.Datis het, waarover wij ons bekommeren, niet over een Eeuwige Macht, altijd scheppend en vernietigend. Denk eens aan al die zielen van vroegere, sinds duizenden jaren niet meer bestaande menschenrassen, die niet veel meer dan dieren waren. Zoudt ge denken, dat de ziel van een neger, die in den tijd van Mozes stierf, nu ergens was?”“Er was op aarde voor allen plaats,” antwoordde Geoffrey; “hetheelal is groot. Er zijn zooveel raadselen in onze natuur, de natuur, die wij meenen te kennen—zullen er dan geene zijn in het voor ons onbekende? Werelden gaan te niet, om weer bewoond te worden, als namillioeneneeuwen de toestanden weer gunstig zijn om te leven, en waarom zou het met den mensch ook niet zoo zijn? Wij zijn schepselen op deze wereld envandeze wereld, Waarom zou ons lot dan niet als het hare zijn? Zij moge veranderen van gas in chaos, van chaos tot werkzaam leven, van werkzaam leven tot schijnbaren dood. Dan kan zij weer tot haar elementen overgaan, en van die elementen tot een samengesteld geheel, en zoo altijd door, altijd veranderend, maar altijd dezelfde. Tot zoover de natuur tot zinnebeeld genomen. ’t Is geen volkomen analogie, want de mensch is iets, van al het andere afgescheiden; het moge slechts een wenk of een type zijn, maar het is toch iets.“Om nu op de kwestie van onzen godsdienst te komen. Ik moet bekennen, dat ik uit uw gegevens een geheel andere gevolgtrekking maak. Gij zegt, dat ge in alle godsdiensten dezelfde bijgeloovigheden bespeurt, en dat dezelfde geestelijke mythe in den een of anderen vorm in bijna alle gevonden wordt. Welnu, duidt dat niet aan dat dezelfde grootewaarheidaan elken ten grondslag ligt en van tijd tot tijd den vorm aanneemt, die het best geschikt is voor de geestelijke ontwikkeling zijner belijders? Elke nieuwe groote godsdienst is beter dan voorafgaande. Gij kunt het Osirianisme niet vergelijken met hetBuddhisme, of het Buddhisme met het Christendom, of het Mahomedanisme met den Arabischen afgodendienst. Neem het oude beeld—houd een stuk kristal in de zon, en gij zult er verschillende kleuren uit zien stralen. Zij schijnen verschillend, maar zij zijn alle uit hetzelfde groote licht ontstaan; zij zijn alle hetzelfde licht. Kan het zoo ook niet met de godsdiensten zijn? Laat uw altaar aan den ‘Onbekenden God’ gewijd zijn, zoo gij wilt—want wie kan aan de Macht boven ons een onveranderlijke gelijkenis geven?—maar haal uw altaar niet omver.“Maak er staat op, Miss Granger, niettegenstaande alles wat het tegendeel aanduidt, er is een wakende Voorzienigheid boven ons, zonder wier wil wij niet kunnen leven, en als wij die Voorzienigheid verwerpen en ons verstand er voor in de plaats stellen, zullen wij er ons niets dan verdriet door berokkenen. Ik wenschte dat ge wildet beproeven het vraagstuk uit een ander, een hooger gezichtspunt te beschouwen. Ge zult, geloof ik, ondervinden, dat het voor veel onderzoek vatbaar is, en tot het besluit komen, dat de beslissende uitspraak van een wijshoofd, die zegt dat er niets is, omdat hij niets ziet, niet noodwendig de ware is. Ziedaar, dat is alles, wat ik wilde zeggen, en ik wenschte dat ik het beter zeggen kon.”“Dank u,” sprak Beatrice, “ik zal het in gedachten houden. Hier zijn wij al thuis; ik moet Effie naar bed brengen.”Het mag wel vermeld worden, dat Geoffrey’s raad niet geheel in den wind geslagen werd. Beatrice beproefde het vraagstuk nog eens te onderzoeken, en hoewel het Geloof niet geheel en al bij haar terugkwam, was de Hoop ten minste in haar hart ontwaakt, en “de meeste van deze, die de Liefde is,” had haar nooit verlaten. De Hoop kwam langzaam terug, waarschijnlijk niet door redeneering, maar veeleer door voorbeeld. In de zee van Twijfel zag zij een ander baken, al was het ook maar op het wrakhout van het vergane schip. Dit moedigde haar aan. Geoffrey geloofde, en zij—zij hechtte geloof aan het geloof van Geoffrey. Is dit niet het geheim der filosofie van menige vrouw—zelfs in zekere mate van zulk een vrouw als Beatrice? Haar geloofsleer is het geloof van hem, dien zij vertrouwt. En Geoffrey was degene, in wien Beatrice vertrouwen begon te stellen, des te meer omdat zij vroeger nooit vertrouwen in iemand had gesteld. Wat zij er anders ook bij mocht verliezen, dit won zij er ten minste bij, toen zij zijn leven had gered.Hoofdstuk XIV.Voortgestuwd.Op den dag na hun godsdienstige gedachtenwisseling, gebeurde er iets, waarvan het gevolg was, dat Geoffrey en Beatrice meer dan ooit in elkanders gezelschap waren. In de vorige week waren er twee gevallen van roodvonk onder de schoolkinderen voorgekomen, en nu had de epidemie zich zóó verspreid, dat de school gesloten moest worden. Dus had Beatrice al haar tijd voor zichzelve. Dat had Geoffrey ook. Het was zijn gewoonte, zich elken ochtend vóór het ontbijt te baden, waarna hij het overige van den dag niets te doen had. Beatrice ging met de kleine Effie ook vóór het ontbijt een bad nemen in de dames-badplaats, op een kwartmijl afstands, en soms ontmoette hij haar als hij terugkwam, met een blos van gezondheid en schoonheid op haar gelaat, en haar half gedroogd haar in zware vlechten langs haar rug golvend. Na het ontbijt brachten zij Effie naar het strand, en daar gaf haar “tantetje,” zooals zij Beatrice noemde, haar les, totdat het kind vermoeid was, en wegliep, om in de zee te plassen of tusschen de rotsen garnalen te zoeken.Intusschen spraken Effie’s vader en Beatrice—niet over godsdienst, dit punt lieten zij rusten, en ook niet over Owen Davies, maar over allerlei andere onderwerpen. Beatrice was vroolijk van aard, en zij waren nooit om stof tot gesprek verlegen, want er was veel overeenstemming tusschen hen. In boekenkennis won Beatrice het van hem, want zij had niet alleen veel gelezen, maar zij onthield ook goed wat zij gelezen had en wist het te pas te brengen. Zij had ook een scherp onderzoekingsvermogen. Hij, daarentegen, had meer wereldkennis, en in zijn rijke dagen had hij veel gereisd, en zoo wist de een den ander altijd wat te vertellen. Geen oogenblik verveelden zij zich in elkanders gezelschap. Zoo verliep de ochtend maar al te spoedig, en als zij tegen het middagmaal thuiskwamen, werden zij door Elisabeth met een koelen glimlach begroet, en met veel hartelijkheid door den ouden man, die nooit aan iets buiten den kring van zijn eigen zaken dacht. Na het middagmaal was ’t weer hetzelfde. Of zij gingen wandelen, om naar de varens en bloemen te zien, of Geoffrey nam zijn geweer, en verschool zich achter de rotsen, om kemphanen te schieten, en zond Beatrice, die de kust zoo goed kende, naar een landtong, om hen op te jagen. Dan kwam zij terug, van rots tot rots naar hem toe springende, en hurkte achter een naburigen, met zeewier begroeiden rotsklomp neder, en dan spraken zij fluisterend, of in ’t geheel niet, om de vogels, die in de vlucht waren, niet te verschrikken. En Geoffrey zag eerst naar de lucht, om kemphanen of wilde eenden in ’t oog te krijgen, en als hij die niet zag, liet hij zijn blik vallen op de reine schoonheid van Beatrice’s gelaat, en dan kwam de vraag bij hem op, waar zij toch wel over dacht; totdat zij, eensklaps zijn blik gevoelende, zich met een glimlach, zoo liefelijk als het eerste morgenrood op het water, tot hem wendde en hem vroeg waarhijover dacht. En dan lachte hij, en antwoordde: “Aan u,” waarop zij weder glimlachte en misschien een weinig bloosde, verblijd in haar hart, zonder te weten waarom.Dan kwam de tijd van theedrinken, wanneer zij voor het open venster zaten en Geoffrey naar het ruischen van de zee en het suizen van de avondkoelte door de pijnboomen luisterde. In den hoek zat Granger in zijn armstoel te slapen, of misschien was hij voor goed naar bed gegaan, want hij ging gaarne om half negen naar bed, zooals zijn vader, de pachter uitHerefordshire, placht te doen; en aan het andere einde der kamer zat Elisabeth, bij het licht van een enkele kaars haar rekeningen opmakende, of als zij die niet had, in een of ander stichtelijk boek lezende. Maar over den rand van het boek heen, of van het blad met gekrabbelde berekeningen, sloeg zij telkens de oogen op naar het paar voor het venster, en dan glimlachte zij. Maar zij zagen die blikken niet, en merkten dien glimlach niet op. Als Geoffrey naar dien kant zag, wat hij niet dikwijls deed, want Elisabeth—de oudeElisabeth, zooals hij haar bij zichzelven altijd noemde—had niets aantrekkelijks voor hem, zag hij niets anders dan haar hoekige gestalte over haar werk gebogen en het licht van de kaars op haar strookleurig haar en haar harde knokkels vallen.En zoo verliep de dag, en kwam de tijd van ter ruste te gaan, met zijn droomen, die wel achterwege hadden mogen blijven.Geoffrey dacht van dit alles geen kwaad, zooals hij eigenlijk had behooren te doen. Hij was niet de brieschende leeuw uit werken van verdichting—zelden in het werkelijk leven ontmoet—rondgaande en zoekende, wien hij zou kunnen verslinden. Hij legde het er volstrekt niet op toe, Beatrice’s liefde te winnen, evenmin als zij van haar kant de zijne zocht, en dat eerste voorgevoel van kwaad was hij vergeten. In de eerste dagen van hun vertrouwelijkheid kwam er, wel is waar, een wroegend gevoel van twijfel bij hem, op, maar dat zette hij als ongerijmd van zich. Hij geloofde niet aan de teedere weerloosheid van volwassen vrouwen, want hij had bij ondervinding dat zij volkomen in staat waren—en meestal meer dan in staat—voor zichzelven te zorgen. Het scheen hem belachelijk toe, dat een meisje als Beatrice, zoo bevoegd om zich over de gewichtige vraagstukken des levens een gevoelen te vormen en te oordeelen, als een kind behandeld moest worden, en dat hij zich uit Bryngelly zou moeten verwijderen, uit vrees dat haar jeugdig hart verstrikt zou worden. Hij hield zich verzekerd, dat haar gevoel nooit anders zou spreken dan met haar volle toestemming.Toen dacht hij er in ’t geheel niet meer over. Er lag dan ook alleen reeds in het denkbeeld van zoo iets een vooronderstelling, die slechts aannemelijk geweest zou zijn voor een man, die met zichzelven ingenomen was—namelijk, de mogelijkheid, dat die jonge dame verliefd op hem werd. Welk recht had hij om zoo iets te vooronderstellen? Dat was een onbeschaamde verwaandheid. Dat er een andere mogelijkheid bestond—namelijk, dat hij zich meer aan haar zou hechten dan wenschelijk was—kwam hemechter eens of tweemaal in de gedachten. Maar daar haalde hij de schouders voor op. Daar hadhijin allen gevalle op te passen, en het konhaargeen kwaad. Doch weldra verdwenen al zulke verontrustende opkomende gedachten. Zij losten zich op in het heldere licht der vriendschap. Later, als vriendschap haar tijd had gehad, zouden zij zich misschien onder een anderen naam weder doen gelden en een strenger aanzien vertoonen.Het was toch al te belachelijk dat hij, op zijn leeftijd, verliefd zou worden als een jongen; hij gevoelde niet anders dan dankbaarheid en belangstelling—en zij niet anders dan genoegen in zijn gezelschap. Wat hun vertrouwelijkheid betrof—dien vertrouwelijken omgang, waardoor zij reeds bijna elkanders gedachten konden raden, waardoor zij zich naar elkanders stemming wisten te voegen, waardoor zij denzelfden smaak voor het schoone hadden, en zelfs harmonie van ziel in de tegenstrijdigste gevoelens konden ontdekken—dat was immers niet meer dan natuurlijk tusschen twee menschen, die te zamen een verschrikkelijk gevaar hadden uitgestaan. Dus namen zij het goede, dat hun te genieten was gegeven, aan, en lieten zich door het lot zacht voortstuwen, waarheen vroegen zij niet.Op zekeren dag viel er echter iets voor, dat beiden de oogen had moeten openen. Zij hadden beiden afgesproken, of liever, het was een stilzwijgende overeenkomst, dat zij dien namiddag, als naar gewoonte, zouden uitgaan. Geoffrey zou zijn geweer meenemen, en Beatrice een boek; maar het toeval wilde dat Beatrice, toen zij, even vóór het middagmaal, uit het dorp, waar zij garen had gekocht om Effie’s kleeren te verstellen, terugkwam, Owen Davies van aangezicht tot aangezicht ontmoette. Het was hun eerste ontmoeting zonder getuigen sedert dien Zondag, waarvan de gebeurtenissen beschreven zijn, en dus was er, natuurlijk, iets gedwongens in. Owen bleef staan, zoodat zij hem niet met een enkele buiging kon voorbijloopen, keerde zich om en liep met haar mede. Na een paar aanmerkingen over het weer, was de stof tot gesprek uitgeput.“Ge herinnert u wel dat ge dezen namiddag op het kasteel zult komen?” zeide hij eindelijk.“Op het kasteel!” antwoordde zij. “Neen, daar heb ik niets van gehoord.”“Heeft uw zuster u dan niet gezegd dat zij dit, reeds langer dan een week geleden, voor zichzelve en u heeft afgesproken? Gij zoudt het kleine meisje meebrengen; zij wil zoo gaarne het gezicht zien, dat men boven van den toren heeft.”Nu schoot het Beatrice te binnen. Elisabeth had het haar gezegd, en zij had het maar het best geacht zich er in te schikken. Het was haar geheel uit de gedachten gegaan.“O, neem me niet kwalijk! Ja, nu herinner ik mij, maar het ik heb een ander plan gemaakt—hoe dom, dat ik het vergeten was!”“Gij waart het vergeten,” zeide hij, met zijn zware stem; “vergeet gij dan zoo licht iets, waarnaar ik de heele week zoo verlangend heb uitgezien? Wat is uw plan—zeker met mijnheer Bingham uit wandelen te gaan?”“Ja,” antwoordde Beatrice, “met mijnheer Bingham uit te gaan.”“Gij gaat tegenwoordig elken dag met mijnheer Bingham uit.”“En wat zou dat?” zeide Beatrice, met levendigheid. “Ik zal toch wel het recht hebben, mijnheer Davies, om uit te gaan met wien ik verkies?”“Ja, natuurlijk; maar de afspraak om op het kasteel te komen was het eerst gemaakt; zult gij die niet houden?”“Natuurlijk zal ik die houden; ik houd altijd een afspraak, die ik gemaakt heb.”“Goed, ik verwacht u dan te drie uur.”Beatrice ging in een zonderling geprikkelde gemoedsstemming naar huis. Natuurlijk wilde zij niet gaarne naar het kasteel gaan, en zij wilde wèl gaarne met Geoffrey uitgaan. Er was echter niets tegen te doen.Toen zij thuis kwam, vond zij Geoffrey daar niet. Hij was bij dokter Chambers, dien hij op het strand ontmoet had, hetluncheongaan gebruiken. Eer hij terugkwam, waren zij alle drie naar het kasteel gegaan; Beatrice had Betty de boodschap gegeven dit te zeggen.Omstreeks een kwartier later, kwam Geoffrey terug, om zijn geweer en Beatrice te halen, maar Beatrice was niet thuis, en het eenige, wat hij van Betty kon te weten komen, was dat zij mijnheer Davies was gaan bezoeken.Hij was letterlijk woedend, ofschoon hij wist hoe onredelijk zijn toorn was. Maar de teleurstelling was voor hem te zwaar om er bedaard onder te blijven. In zijn kwade luim ging hij nu maar alleen uit, om een allerverdrietigsten namiddag door te brengen. Bij elken stap scheen hij Beatrice meer te missen, en hij werd hoe langer hoe toorniger om hetgeen hij haar “lompheid” noemde. Het kwam, natuurlijk, niet bij hem op dat hij eigenlijk wrevelig was, omdat zij Davies was gaan bezoeken, of dat haar gezelschap zoo onmisbaar voor hem was geworden dat het een verdriet voor hem was er zelfs een enkelen namiddag van beroofd te zijn. Tot overmaat van ramp, had hij dien namiddag maar drie schoten, die hij alle drie miste, en dat maakte hem nog knorriger.Intusschen vermaakte Beatrice zich evenmin op het kasteel als Geoffrey op het strand. Owen Davies liet zijn bezoeksters de groote ongebruikte kamers en de schilderijen zien, maar die had zij reeds vroeger gezien, en hoewel er eenige zeer fraaie onder waren, was zij er niet op gesteld ze nog eens te zien—ten minste, dien namiddag niet. Maar Elisabeth beschouwde ze met gretige oogen, en berekende inwendig wat zij wel waard zouden zijn—benieuwd of zij ooit haar eigendom zouden worden.“Wat is dat voor een schilderij?” vroeg zij, naar een fraai portret van een Hollandschen Burgemeester, van Rembrandt, wijzende.“Dat,” antwoordde Owen, die volstrekt geen verstand van schilderkunst had, en er nog minder om gaf, “dat is een Velasquez, op £ 3000 geschat—neen,” de catalogus inziende en lezende, “ik vergis mij, die daarnaast is een Velasquez; ’t is een Rembrandt, een van de beste stukken van dien meester, dat al zijn meesterschapover licht en schaduw doet uitkomen.Het is geschat op 4000 guinjes.”“Vier duizend guinjes!” riep Elisabeth uit. “Een waarde van vier duizend guinjes hangt zoo maar aan den wand!”En zoo ging het voort. Elisabeth deed vragen, en Owen beantwoordde ze met behulp van den catalogus, totdat zij eindelijk al de schilderijen gezien hadden. Toen dronken zij thee in de kleine huiskamer van den eigenaar van al die pracht. Tot haar ergernis, zat Owen tegenover Beatrice, en had zijn oogen niet van haar af, terwijl zij met Effie op haar schoot zat, en Elisabeth, die dit opmerkte, beet zich vanjaloerschheidop de lippen. Zij had goedgevonden haar zuster hier te brengen; Davies moest niet denken dat zij Beatrice voor hem uit den weg hield, maar die stilzwijgende afgodische vereering ergerde haar. Na het theedrinken klommen zij naar den top van den toren, en Effie juichte over het gezicht, dat men van daar had, en dat werkelijk zeer schoon was. Hier had Owen een kort gesprek met Elisabeth.“Uw zuster schijnt over iets uit haar humeur te zijn,” zeide hij.“Dat lijkt wel,” antwoordde zij onverschillig. “Beatrice heeft zoo haar nukken. Ik geloof dat zij van middag met mijnheer Bingham op de jacht had willen gaan.”Als Owen een minder godsdienstig man was geweest, zou hij gevloekt hebben; nu zeide hij alleen maar: “Mijnheer Bingham—’t is altijd mijnheer Bingham, van den ochtend tot den avond! Wanneer gaat hij heen?”“De volgende week, geloof ik. Het zal Beatrice wel spijten; zij is zoo op zijn gezelschap gesteld. En nu geloof ik, dat wij naar huis moeten gaan;” en toen zij heenging, liet zij dezen vergiftigden pijl in zijn borst achter.Toen zij op de pastorie terug waren, en nadat zij Effie haar gebedje had laten opzeggen en haar in haar bedje had gelegd, ging zij naar het hek, om nog een rustig poosje voor zichzelve te hebben eer het tijd voor het avondeten was. Geoffrey was nog niet thuis gekomen.Het was een liefelijke herfstavond; de zee scheen te slapen, en de lichte wolkjes, waardoor de gloed der ondergaande zon verbleekt was, zweefden als een kronkelende dunne rook langs het blauwe uitspansel. Waarom was Bingham nog niet terug? dacht zij; hij zou nauwelijks tijd hebben om van kleeding te verwisselen. Als hem eens een ongeluk overkomen was? Gekheid! wat voor ongeluk zou hem gebeurd kunnen zijn? Hij was zoo forsch en zoo sterk, hij scheen ongelukken te trotseeren; en toch had hij het aan haar te danken dat hij nog die krachtige man was. Hoe verheugde het haar dat zij in staat was geweest hem van den dood te redden! Daar kwam in de verte zijn forsche gestalte uit den avondnevel te voorschijn.Naast het hek, waarop zij leunde, was een zijhekje. Daar liep Geoffrey recht op aan, alsof hij haar niet zag; hij zag haar wel, maar hij was misnoegd op haar.Zij liet hem het hek doorgaan, dat hij langzaam sloot, misschien om haar gelegenheid te geven om te spreken, als zij het wilde; toen zeide zij, meenende dat hij haar niet gezien had, op haar zachten, welwillenden toon:“Hebt gij een goede jacht gehad, mijnheer Bingham?”“Neen,” gaf hij kortaf ten antwoord: “ik heb weinig gezien, en het weinige, wat ik zag, gemist.”“Dat spijt mij, behalve voor de vogels. Ik vind het zoo naar, dat die arme vogels geschoten worden. Hebt ge mij in dat witte kleed niet gezien? Ik zag u al op vijftig meter afstands.”“Ja, Miss Granger,” antwoordde hij, “ik heb u wel gezien.”“En gij gingt voorbij, zonder mij toe te spreken; dat was zeer lomp van u—wat scheelt er aan?”“Niet zoo lomp als het van u was, met mij af te spreken om te gaan wandelen, en in plaats daarvan mijnheer Davies een bezoek te brengen.”“Dat kon ik niet helpen, mijnheer Bingham; het was een oude afspraak, die ik vergeten was.”“Juist, dames hebben altijd een verontschuldiging om te doen wat zij gaarne willen.”“’t Is geen verontschuldiging, mijnheer Bingham,” hernam Beatrice, met waardigheid; “ik behoef mijn gangen tegenover u niet te verontschuldigen.”“Natuurlijk niet, Miss Granger; maar een andermaal zal het toch beleefder zijn het mij te zeggen, als gij van plan verandert, weet ge. Ik twijfel echter niet of het kasteel zal veel aantrekkelijks voor u hebben.”Zij wierp hem een vlammenden blik toe, en wilde heengaan; maar toen zij zich omkeerde, werd zijn hart verzacht en schaamde hij zich.“Miss Granger, ga niet heen; vergeef mij. Ik weet niet hoe ik zoo onbeleefd heb kunnen zijn; ik had zoo niet moeten spreken. Het geval is eigenlijk dat ik zeer teleurgesteld was omdat ge niet kwaamt. Om u de waarheid te zeggen, heb ik u schrikkelijk gemist.”“Ge hebt mij gemist? Dat is heel aardig van u; men heeft wel gaarne dat ons gemis gevoeld wordt. Maar als ge mij voor een enkelen namiddag zoo gemist hebt, hoe zult ge het dan wel over een week maken, als ge weg zijt en mij heelemaal moet missen?”Beatrice sprak op een schertsenden toon en lachte, maar haar lach liep uit op iets, dat veel van een zucht had. Hij zag haar aan, totdat zij de oogen nedersloeg.“Dat weet de Hemel!” antwoordde hij droevig.“Laten we naar binnen gaan,” zeide Beatrice, op een gedwongen toon, “de avondlucht is kil geworden.”Hoofdstuk XV.Alleen maar goeden nacht.Nog vijf dagen verliepen, maar al te snel, en Maandagochtend was weder gekomen. Het was de 22ste October, en de najaarszittingen begonnen den 24sten. Den volgenden dag, Dinsdag, zou Geoffrey naar Londen terugkeeren, om Lady Honoria te ontmoeten en op zijn bureau aan ’t werk gaan. Dien Maandagochtend was hem een akte gezonden—de grootste, die hij nog ooit ontvangen had—met een brief van zijn klerk er bij, dat de zaak verwacht werd den eersten dag van de zitting op de rol te komen, en dat zijn klerk een afspraak met de zaakwaarnemers voor hem had gemaakt voor Dinsdag 5.15. De akte kwam van de firma van zijn oom, en achterop stond genoteerd: “Met u de Procureur-generaal en de President van het Kanselarij Hof.” Nog hooit had Geoffrey zich achterop een akte in zulk achtbaar gezelschap bevonden, en hij was er niet weinig verrukt over.Maar toen hij de zaak inzag, werd zijn vreugde wel wat getemperd, want het was een van de moeilijkste en ingewikkeldste zaken, die hem ooit waren voorgekomen. Zij betrof een betwist testament van een geldschieter uit Yorkshire, beschikkende over een nalatenschap, ter waarde van over de £ 80.000, en ter legalisatie aangeboden door een nicht van den testateur, die, toen hij stierf, zoo al niet werkelijk zwak van geestvermogens, toch suf was, en bijgeloovig bij krankzinnig af. De nicht, wie het geheele vermogen vermaakt was, met uitsluiting van den zoon en dochter van den overledene, beiden gehuwd en op een andere plaats woonachtig—woonde bij den testateur en paste hem op. Kort vóór zijn dood had hij met zijn nicht een hevigen twist gehad, wegens een liefdesbetrekking, die zij met een getrouwd man van een slechtennaam, een ontslagen procureursklerk, had aangeknoopt. Zoo ernstig was de twist geweest, dat de testateur, drie dagen vóór zijn dood, zijn zaakwaarnemer had ontboden en in allen vorm, door middel van een codicil, een legaat van £2000, dat hij aan zijn nicht vermaakt had (al het overige van zijn vermogen was tusschen zijn zoon en dochter verdeeld) herriep. Den derden dag echter maakte hij een nieuw testament, in het bijzijn van twee dienstboden als getuigen, waarbij hij zijn geheele vermogen aan zijn nicht naliet, met uitsluiting van zijn eigen kinderen. Dit testament, hoewel kort, was in den behoorlijken vorm, en geschreven door niemand wist wien. De dienstboden verklaarden dat de testateur, alvorens het testament te teekenen, volkomen met den inhoud bekend was, want de nicht had het hem in hun bijzijn laten voorlezen. Zij verklaarden echter ook, dat hij verschrikkelijk bang scheen te zijn en tweemaal gezegd had: “Het is achter mij; het is achter mij!”Nog geen uur na het teekenen van het testament, werd de testateur dood gevonden, klaarblijkelijk ten gevolge van een schrik, maar de nicht was op het oogenblik van zijn dood niet in de kamer. Een andere opmerkelijke omstandigheid was dat men dienzelfden avond, toen de testateur te tien uur gestorven was, den in een kwaad gerucht staanden minnaar in de schemering om het huis had zien sluipen. Er kwam nog iets bij. Toen de zoon een boodschap van de nicht had ontvangen dat zijn vader zooveel erger was geworden, en met buitengewonen spoed naar het huis was gegaan, had hij iemand of iets ontmoet—hij wist niet wat—dat van het venster der ziekenkamer, die op de benedenverdieping was, scheen weg te loopen; en later vond men onder dat venster voetstappen. Van die voetstappen waren twee afgietsels gemaakt, waarvan bij de akte photographieën werden gezonden. Het waren de afdruksels van kleine bloote voeten, waaraan een lid van den derden teen aan den rechtervoet scheen te ontbreken. Maar alle pogingen om de voeten, die deze afdruksels gemaakt hadden, te vinden, waren tot dusverre te vergeefs geweest. Het testament werd betwist door de naaste bloedverwanten, voor wieGeoffrey een der advocaten was, op de gewone gronden van onwettigen invloed en bedrog, maar, naar het scheen, met weinig vooruitzicht op welslagen, want hoewel de omstandigheden verdacht waren, was er van geen van beide eenig bewijs. Dit zonderling geval, dat hier kortelijk beschreven is, legde den grondslag tot Geoffrey’s latere uitgebreide praktijk en den naam, dien hij aan de rechtbank maakte.Hij las de akte tweemaal over, dacht er rijpelijk over na, en wist er weinig van te maken. Dat er valsch spel was gespeeld, was in ’t oogspringend, maar hij kon geen gegevens vinden om naar te werk te gaan. Was de persoon, die weggeloopen was, in de zaak betrokken? Zoo ja, waren die voetstappen van hem? Natuurlijk had de voormalige procureursklerk er iets mede te maken, maar wat? Te vergeefs pijnigde Geoffrey zijn hersens; elk denkbeeld, dat hem inviel, stuitte op het een of ander.“Wij zullen het verliezen,” riep hij in wanhoop uit, “verdachte omstandigheden zijn niet genoeg om een testament ongeldig te maken;” en zich tot Beatrice, die aan de tafel zat te werken, wendende, zeide hij hij—“Daar, Miss Granger, gij hebt eenige rechtsgeleerde kennis, zie of gij daar uit wijs kunt worden,” en hij schoof haar de akte toe.Beatrice nam die lachend aan, en zat drie kwartier lang met een aardig gefronst voorhoofd. Eindelijk sloeg zij de akte dicht. “Laat mij de photographieën eens zien,” zeide zij.Geoffrey overhandigde haar die. Zij bezag ze oplettend één voor één, en terwijl zij dat deed, scheen er een licht voor haar op te gaan.“Welnu, hebt ge het gevonden?” vroeg hij.“Ik heb, ten minste, iets gevonden,” antwoordde zij. “Of ’t het rechte is, weet ik niet. Ziet ge, de oude man was bijgeloovig; zij hebben hem bang gemaakt, door een stem, die uit het graf heette te komen, of zoo iets, om hem zoodoende te dwingen het testament te teekenen, en hem, nadat hij het geteekend had, zulk een angst aangejaagd, dat hij van schrik gestorven is. De procureursklerkheeft het testament opgesteld—hij wist wel hoe dat gedaan moest worden. Toen werd hij in de kamer onder het ledekant, of ergens anders verborgen, misschien als een spook verkleed. Dat de nicht den zoon had laten roepen, was maar om verdenking af te weren. Wat men heeft zien wegloopen, was een jongen—dat zijn de voetstappen van een jongen. Ik heb er zooveel duizenden op het strand gezien, dat ik er op zou kunnen zweren. Hij werd van den weg af naar het huis aangetrokken doordat hij iets ongewoons door de jaloezieën zag; de akte zegt dat er geen gordijnen of luiken voor het venster waren. Zie nu de photographieën van de voetstappen. Op No. 1 zijn de teenen diep in het slijk gedrukt. De jongen heeft op de teenen gestaan, om beter te kunnen zien. Maar op No. 2, die gevonden zijn in de nabijheid van de plek, waar de zoon meende iemand te zien loopen, zijn de teenen wijd uiteen. Dat zijn de voetstappen van iemand, die groote haast had. Nu is het toch niet waarschijnlijk, dat een jongen van de straat iets met den dood van den testateur te maken had. Waarom liep die jongen dan zoo hard? Dat zal ik u zeggen: omdat hij geschrikt is van iets, dat hij door de jaloezieën gezien heeft. Zoo verschrikt was hij, dat hij niet te voorschijn zal komen op advertentiën of nasporingen. Zie in het dorp een jongen te vinden, die een lid van den derden teen aan zijn rechtervoet mist, en spoedig zult gij er alles van weten.”“Drommels!” zeide Geoffrey, “wat zoudt gij een knap advocaat aan het Hof van crimineele zaken zijn! Ik geloof, dat ge het hebt. Maar hoe vinden wij dien jongen met het vermiste lid aan den derden teen? Alle mogelijk onderzoek is reeds ingesteld geworden en vruchteloos geweest. Niemand heeft zulk een jongen gezien, wiens gebrek waarschijnlijk toch wel bij zijn ouders of schoolmakkers bekend zou zijn.”“Ja,” hernam Beatrice, “het is mislukt omdat de jongen schoenen is gaan dragen, wat hij trouwens op school altijd had moeten doen. Zijn ouders, als hij die heeft, wilden misschien niet over zijn gebrek spreken, en misschien weet niemand anders er van, vooral niet als hij pas in de buurt was komen wonen. ’t Is ook zeer wel mogelijk,dat hij zijn laarzen heeft uitgetrokken, om beter tegen het venster te kunnen opklimmen. En u zal ik nu zeggen hoe ik te werk zou gaan om hem te vinden. Ik zou elke plaats in de rivier, waar gebaad wordt—er loopt een rivier door het dorp—nauwkeurig doordetectiveslaten onderzoeken. In dit weer (het was een bizonder warme herfst) plassen jongens van die klasse met hun voeten in de rivier, en baden er soms in. Als zij maar scherp genoeg opletten, zullen zij onder die jongens er waarschijnlijk wel een vinden, die een lid van zijn teen mist.”“Welk een goede inval!” zeide Geoffrey. “Ik zal dadelijk den zaakwaarnemers telegrafeeren. Ik geloof zeker dat ge den draad hebt.”En zoo bleek het ook; haar vooronderstellingen waren in bijna elke bizonderheid juist. De jongen was de zoon van een marskramer, die eerst onlangs in het dorp was gekomen, en werd in de rivier wadende gevonden, en door een behendigen streek, die niet vermeld behoeft te worden, er toe gebracht om uit bevreesdheid de waarheid te zeggen, evenals hij vroeger uit bevreesdheid zijn mond had gehouden. Hij had zelfs, zooals Beatrice gegist had, zijn laarzen uitgetrokken om naar het venster op te klimmen, en toen hij in zijn angst wegliep, had hij ze in een sloot geworpen. Daar werden zij gevonden, en zij brachten er veel toe bij om de gezworenen van de waarheid zijner verklaring te overtuigen. Zoo had Beatrice’s scherpzinnigheid den grondslag gelegd tot Geoffrey’s latere vermaardheid.Deze Maandag was een afrekeningsdag op de pastorie. Jones was onwillig gebleven; geen macht op aarde kon hem bewegen de £ 34.11 shilling 4pence, wegens verschuldigde tienden, te betalen. Derhalve had Granger, krachtens een wettig verkregen vonnis, zijn voornemen aangekondigd om het hooi en het vee van Jones te verkoopen. Jones had daarop met brutale trotseering geantwoord. Als er een deurwaarder, of afslager, of een van dat volk kwam om zijn hooi te verkoopen, zou hij hem dooden.Dat had Jones gezegd, en hij riep zijn aanhangers op, waarvan velen tienden schuldig waren, en die geen van allen wilden betalen,om voor zijn zaak te strijden. Van zijn kant had Granger een afslager van erkenden moed aangenomen, die dienzelfden middag, gesteund door zes politie-agenten, zou aankomen om de verkooping te houden. Beatrice was over de geheele zaak ongerust, maar Elisabeth was zeer vastberaden, en de oude predikant was nu eens aan het zwetsen en dan weder neerslachtig. De afslager kwam met den trein van één uur. Hij was een rijzig, kloekgebouwd man, en had in zijn voorkomen wel iets van Geoffrey, zoodat men op een afstand den een licht voor den ander had kunnen aanzien. De verkooping was bepaald op half drie, en Johnson—zoo heette de afslager—ging naar de herberg, om zijn middagmaal te gebruiken alvorens aan de zaken te gaan. Hij was onderricht van de vijandige houding, die tegenover hem aangenomen zou worden, en dat een lid van het Parlement opzettelijk was overgekomen, om zich aan het hoofd van de weerspannigen te stellen; maar, als een moedig man, bekommerde hij zich daar niet over.“Zij blaffen wel, maar zij bijten niet, mijnheer,” zeide hij tot Geoffrey; “ik ben voor dat volk niet bang. Als niemand er op bieden wil, koop ik den boel zelf in.”“Heel goed,” zeide Geoffrey, “maar ik raad u toch op uw hoede te zijn. Ik geloof dat die oude man een ruwe klant is.”Toen ging Geoffrey dineeren.Terwijl zij aan tafel zaten, zagen zij door een gaping in de pijnboomen, dat de groote meerderheid der bevolking van Bryngelly naar de hoeve van Jones stroomde, sommigen om op te ruien, anderen om de grap te zien.“Aanstonds begint de verkooping,” zeide Geoffrey. “Gaat gij er heen, mijnheer Granger?”“Ik had er plan op,” antwoordde de oude heer, “maar Elisabeth vindt beter dat ik maar wegblijf. En een predikant moet zich ook niet te veel met zulke aardsche zaken bemoeien,” liet hij er luchtig op volgen. “Neen, ik moet over het koopen van eenige varkens gaan spreken, heel aan het andere einde van het kerspel, en ik geloof dat ik deze gelegenheid maar zal waarnemen.”“Gij gaat er toch niet heen, mijnheer Bingham?” vroeg Beatrice, op een toon, die haar bezorgdheid verried.“O, ja,” antwoordde hij, “zeker ga ik er heen. Ik zou die kans niet gaarne willen missen. Wel, Beecham Bones zal er zijn, het Parlementslid, dat pas zijn zes maanden heeft uitgezeten wegens opruiing tot geweldpleging. Wij zijn oude bekenden; ik heb met hem schoolgegaan. De arme vent was toen ook al zoo’n dolleman, en ik moet hooren wat voor onzin hij nu weer uitkraamt.”“Ik geloof dat gij beter doet niet te gaan, mijnheer Bingham,” hernam Beatrice; “’t is een ruwe troep.”“Iedereen is zoo lafhartig niet als jij bent,” viel Elisabeth in. “Ik ga er in allen gevalle heen.”“Dat is goed, Miss Elisabeth,” zeide Geoffrey; “dan zullen wij elkaar tegen de revolutionnaire volkswoede beschermen. Kom, ’t is tijd om te gaan.”En zoo gingen zij te zamen heen, en lieten Beatrice ter prooi aan bange voorgevoelens achter.Zij wachtte bijna een uur in huis, en zocht afleiding onder den schijn van met Effie te spelen. Toen kreeg haar ongerustheid de overhand, zij zette haar hoed op en liep de deur uit, Effie aan de zorg van de dienstmaagd overlatende.Beatrice liep snel langs de rots, totdat zij de hoeve van Jones in ’t gezicht kreeg. Van de plaats waar zij stond, kon zij een opeengedrongen menigte zien, en zelfs, als de wind naar haar toe was, geschreeuw en rumoer hooren. Opeens hoorde zij een knal als een geweerschot, zag de menigte in groote verwarring uiteen stuiven en daarna in dichte groepen weer bij elkander staan.“Wat zou dat beteekenen?” dacht Beatrice.Een oogenblik later zag zij twee mannen, zoo snel loopende als zij konden, naar haar toe komen, gevolgd door een vrouw. Nog drie minuten, en zij herkende in die vrouw Elisabeth.De mannen liepen haar nu voorbij.“Wat is ’t?” riep zij.“Moord!” antwoordden zij beiden tegelijk, en spoedden zich voort naar Bryngelly.Een oogenblik na hen kwam Elisabeth; ontzetting stond op haar bleek gelaat te lezen.Beatrice greep haar bij den arm. “Wie is het?” riep zij.“Mijnheer Bingham,” bracht haar zuster hijgend uit. “Hij is doodgeschoten!” En meteen was zij ook weg.Beatrice’s knieën knikten, haar tong kleefde aan haar verhemelte; alles draaide om haar heen. Geoffrey vermoord! O, wat moest zij doen? Waar moest zij zichzelve en haar droefheid verbergen?Een eind ver van het pad stond een geknotte boom, met een grooten platten steen bij den wortel. Daar waggelde Beatrice heen, en op dien steen zonk zij neder, terwijl alles nog om haar heen draaide.Van lieverlede ging die geestbedwelmende duizeling voorbij, en een nog heviger smart doorvlijmde haar ziel. Eerst was zij verdoofd geweest, nu gevoelde zij.Maar misschien was het niet waar, dacht zij; misschien had Elisabeth zich vergist of het alleen maar gezegd om haar te plagen.Zij stond op. Zij viel op de knieën, en bad, voor de eerste maal sedert vele jaren; uit den grond van haar hart bad zij: “O, God, als gij bestaat, spaar zijn leven, en bespaar mij die verschrikkelijke smart!” Zoo werd in haar zielsfoltering haar geloof herboren, en evenals alle stervelingen in de ure van zielsangst, gevoelde Beatrice haar afhankelijkheid van den Ongeziene. Zij stond op, en nog door aandoening overstelpt, zonk zij weer op den steen neder. Nu stroomde de naar het dorp terugkeerende menigte haar voorbij, opgewonden met elkaar sprekende. Iemand trad naar haar toe, en stond tegenover haar.O, Hemel, het was Geoffrey!“Zijt gij het?” stamelde zij. “Elisabeth zeide, dat ge dood waart.”“Neen, ik ben niet dood, ’t is die arme Johnson, de afslager. Jones heeft hem doodgeschoten. Ik stond naast hem. Uw zuster heeft zeker gedacht dat ik het was, dien zij zag vallen. Hij geleek wel wat op mij, de arme vent!”Beatrice zag hem aan; zij werd beurtelings rood en bleek, en toen barstte zij in een stroom van tranen uit.Een zonderlinge aandoening greep hem aan, doortrilde zijn hart en schokte hem tot in het diepst zijner ziel. Waarom was dat meisje zoo ontroerd? Kon het zijn dat—? Gekheid; hij smoorde dit denkbeeld, zoodra het bij hem opkwam.“Ween niet,” zeide Geoffrey, “de menschen zullen naar u zien, Beatrice,” (voor de eerste maal noemde hij haar bij haar doopnaam); “kom, ween niet. Dat kan ik niet aanzien. Gij zijt ontsteld, en dat is niet te verwonderen. Die Beecham Bones moest opgehangen worden, en dat heb ik hem ook gezegd. ’t Is alleszijnschuld, hoewel hij niet bedoeld had het zoo ver te laten komen. Hij is nu bang genoeg, dat kan ik u verzekeren.”Beatrice bedwong zich door een krachtige poging.“Onder het naar huis gaan,” zeide hij, “zal ik u vertellen wat er gebeurd is. Neen, ga niet naar de hoeve. ’t Is geen aangenaam schouwspel den armen vent te zien. Toen ik daar kwam, stond Beecham Bones, met heftige gesticulaties, waarbij zijn lang haar om zijn hoofd zwierde, te oreeren, om de menigte op te ruien tot verzet tegen wetten, door onmenschelijke landheeren, van het zweet en bloed der armen levende, gemaakt, en al zulke bombastische uitdrukkingen meer; verzekerende dat zij bij een sterke partij in het Parlement steun zou vinden, enz. enz. Het volk nam het echter nogal luchtig op. Men had een pop, die uw vader moest verbeelden, aan een paal gehangen, met een plakkaat op de borst, waarop geschreven was: ‘De dief, die weduwen en weezen besteelt,’ en men zong Welsche liederen. Maar ik zag dat Jones meer dan half dronken was, en hij vloekte in het Welsch en Engelsch. Toen de afslager begon te verkoopen, ging Jones in huis, en Bones ging met hem mee. Nadat er genoeg verkocht was om de schuld te betalen, en terwijl de menigte nog lachte en juichte, werd eensklaps de achterdeur van het huis geopend en stormde Jones er uit, nu geheel dronken, met een geweer in de hand, en door Bones bij de pandenvan zijn jas vastgehouden. Ik sprak met den afslager, en ik geloof dat de schurk mij voor Johnson aanzag. Althans, hij legde zijn geweer aan en schoot op mij. Het schot ging echter langs mijn hoofd, raakte Johnson vlak in ’t gelaat, en hij viel dood neder. Dat is de geheele geschiedenis.”“En meer dan genoeg ook,” zeide Beatrice, met een huivering. “Welk een tijd beleven wij! ’t Is afschuwelijk!”Aan het avondeten zat men treurig bij elkander. De oude Granger was geheel van streek, en zelfs Elisabeth’s ijzeren zenuwen waren geschokt.“Het kon niet erger zijn,” jammerde de oude man, van tafel opstaande, en de kamer op en neer loopende.“Dat kon het wel, vader,” sprak de praktische Elisabeth. “Hij had doodgeschoten kunnen worden, voordat hij het hooi verkocht had, en dan zoudt gij uw tienden niet gehad hebben.”Geoffrey moest om haar inval, van de zaak uit dit oogpunt te beschouwen, glimlachen, maar haar vader scheen er toch eenigen troost uit te putten. Door er gestadig over te denken, zoowel als door den dagelijkschen drang der noodzakelijkheid, ging geld bij denoudenman boven alles op de wereld.Nauwelijks was het avondeten afgeloopen, of er kwamen drie verslaggevers, om Geoffrey’s verklaring van het gebeurde te hooren ten einde er in de bladen melding van te maken, en Beatrice ging voor het inpakken van Effie’s kleeren zorgen. Den volgenden ochtend, met den trein van negen uur, zou Geoffrey met haar vertrekken. Toen Beatrice weer binnenkwam, was het half elf, en in zijn geprikkelde gemoedsstemming stond Granger er op, dat zij allen naar bed zouden gaan. Elisabeth gaf Geoffrey de hand, wenschte hem geluk dat hij er zoo goed afgekomen was, en ging dadelijk heen, maar Beatrice draalde even. Eindelijk trad zij vooruit en stak hem de hand toe.“Goeden nacht, mijnheer Bingham,” zeide zij.“Goeden nacht. Ik hoop dat het niet vaarwel ook is,” liet hij er met eenige ongerustheid op volgen.“Natuurlijk niet,” viel Granger in. “Beatrice zal u naar den trein brengen. Ik kan het niet doen, ik moet den lijkschouwer afwachten, en Elisabeth heeft het altijd druk met het huishouden. Gelukkig zullen zij u niet noodig hebben, er waren getuigen genoeg bij.”“Dus is ’t alleen maar goeden nacht,” zeide Beatrice.Zij ging naar haar kamer. Elisabeth, die in dezelfde kamer met haar sliep, lag reeds te bed en scheen te slapen. Nu ontkleedde Beatrice zich en legde zich ter ruste—maar rusten kon zij niet. Het was “alleen maar goeden nacht,” een laatst “goeden nacht.” Hij ging heen—terug naar zijn vrouw, terug naar de woelige groote wereld en naar het leven, waaraan zij geen deel had. Weldra zou hij haar vergeten zijn. Andere belangen zouden zich opdoen; andere vrouwen zouden zijn vriendinnen worden, en hij zou niet meer denken aan het Welsche meisje, dat hem voor een poos had aangetrokken, of zich harer slechts herinneren als de deelgenoote van een levensgevaarlijk avontuur. Wat beteekende dat? Waarom was haar hart zoo bekneld? Waarom had zij zich te moede gevoeld alsof zij gestorven zou zijn, als men haar gezegd had dat hij dood was?Toen rees het antwoord in haar binnenste op. Zij beminde hem; de waarheid was niet te loochenen—zij beminde hem met hart en ziel. Zij was de zijne, en de zijne alleen—heden, morgen en voor altijd. Hij mocht uit haar gezicht gaan, zij mocht hem nimmer wederzien, maar beminnen moest zij hem altijd. En hij was gehuwd!Dat was haar ongeluk; maar het kon de ernstige waarheid niet wegnemen. Wat moest zij dan doen—wat was het leven voor haar, wanneer haar oogen de zijne niet meer zagen en haar ooren zijn stem niet meer hoorden? Zij zag de toekomst voor zich opengesteld als in een visioen. Zij zag zich vergeten door dien man, dien zij beminde, of zich slechts met een flauw gevoel van leedwezen herinnerd. Zij zag zich langzamerhand oud worden, haar schoonheid van jaar tot jaar verwelken, slechts samengaande met de liefde, die niet oud wordt. O, het was bitter, zeer bitter! en toch zou zij het niet anders gewenscht hebben. In al haar smartgevoelde zij geen leedwezen die innige, maar verderfelijke vreugde te hebben gevonden, met haar eigen hart geworsteld te hebben en overwonnen te zijn, liever dan zijn gelaat nooit aanschouwd te hebben. Had zij slechts geweten dat, wat zij gaf, teruggegeven werd, dat hij haar beminde zooals zij hem, dan zou zij tevreden geweest zijn. Zij was onschuldig, zij had nooit beproefd hem tot zich aan te trekken; zij had nooit een van die vrouwelijke kunstgrepen gebezigd, die haar schoonheid te harer beschikking stelden. Nooit was hun omgang met elkander door woord of blik anders geweest dan gul vriendschappelijk, als tusschen man en man. Zij wist, dat hij niet van zijn vrouw hield, en dat zijn vrouw niet van hem hield—dat kon zij zien. Maar zij had nooit beproefd hem van haar af te lokken, en hoewel zij in gedachten zondigde, hoewel zij schuldig in haar hart was, waren haar handen rein.Haar onrustigheid overmeesterde haar. Zij kon niet langer in bed blijven liggen. Elisabeth, die haar, onder voorwendsel van te slapen, bespiedde, zag Beatrice opstaan, eenpeignoiraandoen en naar het venster gaan, dat zij wijd opensloeg. Eerst meende Elisabeth tusschenbeide te komen, want zij was voorzichtig, en bang voor tocht; maar zij was nieuwsgierig wat haar zuster ging doen, en daarom liet zij haar begaan. Beatrice leunde met haar arm op de vensterbank en zag in den stillen nacht uit. Wat teekenden die pijnboomen zich donker tegen de lucht af; hoe zacht ruischte de zee, en hoe helder flonkerden de sterren aan het uitspansel.Wat was haar liefde dan? Was het een louter aardsche hartstocht? Neen, het was meer. Het was iets grootschers, iets reiners, iets diepers, iets onsterfelijks. Van waar kwam die liefde dan? Was zijzelve, zooals zij meende, niets anders dan een kind dezer aarde, van waar kwam dan dat sterk verlangen, dat niet van deze aarde was? Had zij ongelijk gehad, had zij een ziel—iets, dat met de zinnen en door de zinnen en boven de zinnen kon beminnen—iets, waarvan het lichaam slechts het omhulsel of het werktuig was? O, nu scheen het Beatrice toe, dat het zoo was, en dat, door haar liefde in wezen geroepen, zij en haar ziel moesten erkennen éénte zijn. Eenmaal had zij gedacht dat dit verbeelding was; dat zulk een geestelijke hoop slechts het uitvloeisel van een onvoldaan hart was; dat, wanneer de liefde ons op aarde ontsnapt, wij in onze wanhoop zweren, dat zij onsterfelijk is en dat wij haar in den hemel zullen vinden. Nu geloofde Beatrice dit niet meer. De liefde had haar wakker gekust, en haar ontwaakte geest zag een visioen van de waarheid.Ja, zij beminde hem, en moest hem altijd beminnen! Maar nooit zou zij op aarde kunnen weten dat hij de hare was, en als zij een ziel had, die na eenige jaren van de banden des lichaams bevrijd werd, zouzijnziel dan in dat verre hiernamaals de hare niet vergeten zijn?Zij liet het hoofd op haar arm zinken en snikte zacht. Wat kon zij anders doen dan snikken—totdat haar hart brak?Elisabeth, die met gespitste ooren lag, hoorde haar snikken. Zij zag, door het maanlicht turende, de gestalte harer zuster stuipachtig trillen, en glimlachte boosaardig.“Zij weent omdat die man heengaat,” dacht zij. “Ween maar niet, Beatrice, ween maar niet! Wees gerust: je krijgt je lieveling wel terug. Hij is even gek op jou als jij op hem bent.”Er was iets kwaadaardigs, bijna iets duivelachtigs in dit tooneel van de eene vrouw, die de andere bespiedde, den draad had van haar geheime zielesmart, en intusschen een plan smeedde om die in haar eigen voordeel en tot verderf van het onschuldig voorwerp harer bittere jaloezie aan te wenden.Eensklaps hield Beatrice met snikken op. Een plotselinge aandrift deed haar het hoofd opheffen, en in eenige hartstochtelijke dichtregelen, die haar invielen, alsof zij uit haar eigen hart opwelden, gaf zij in een opgewonden gefluister haar overstelpt gemoed lucht.Op dit oogenblik droomde Geoffrey, die gerust sliep, dat hij Beatrice aan het venster zag zitten, en dat haar oogen op hem gericht waren, met een blik, die door elken aardschen scheidsmuur heen drong. Zij sprak, haar lippen bewogen zich, maar hoewelhij haar stem niet kon hooren, was het alsof zijn hart de woorden, die zij sprak, opving.Teedere, aandoenlijke woorden waren het. Tegelijk toen zij ophielden, verdween het visioen van Beatrice, en eensklaps ontwaakte hij.O, wat was die bruischende vloed van onweerstaanbare gedachten, die zijn ziel overstelpten? Dat was geen droom, geen verbeelding; dat was werkelijkheid; zij was aanwezig, hoewel zij persoonlijk niet bij hem was; haar geest was in gemeenschap met den zijnen. Zijn hart bonsde, zijn leden trilden, hij trachtte te begrijpen wat dat was, maar kon het niet. Doch in die raadselachtige gemeenschap, nam de hartstocht, dien hij onderdrukt had en niet had willen erkennen, leven en vorm in hem aan. Op dat oogenblik werd het hem duidelijk: hij wist dat hij haar beminde, en wetende wat zulk een liefde moest beteekenen, zonk Geoffrey kermend achterover.En Beatrice? Opeens hield zij op met bij zichzelve te spreken; zij gevoelde dat haar gedachten in een andere ziel dezelfde snaar hadden doen trillen. Zij had door den aardschen scheidsmuur heen gebroken; de electrische vonk, die het gevoel van haar hart had overgebracht, was op gelijke wijze beantwoord door hem, dien zij beminde. Maar in welke taal was dat antwoord? Ach, zij kon het niet lezen, evenmin als hij haar boodschap had kunnen lezen. Eerst twijfelde zij: het was voorzeker verbeelding. Toen herinnerde zij zich gehoord te hebben van stervenden, die een visioen van zichzelven aan anderen konden zenden; en als dat zoo was, waaromditdan niet? Ja, het was een waarheid, een ernstige waarheid; zij wist dat hij haar gedachten gevoelde, dat zijn leven van invloed was op het hare. O, onverklaarbaar mocht het zijn, maar het gaf hoop. Als de blinde kracht harer menschelijke liefde zóó de grenzen van het stoffelijk bestaan kon overschrijden, en zich louter door de macht van haar wil boven alle aardsche hinderpalen verhief, wat had zij dan te vreezen van afstand, van scheiding, van den dood zelven? Zij had den draad gegrepen,die er eenmaal toe kon leiden om wonderbare geheimen voor haar blik open te leggen. Zij had een gefluister gehoord in een onbekende taal, die zij nog moest leeren, en die op den wanhoopskreet des levens met een zegelied antwoordde. Als hij haar slechts beminde, zou eenmaal alles goed zijn. Eenmaal zouden de scheidsmuren omvallen, en de ziel, van haar vleeschelijk omhulsel bevrijd, zou de aan haar verwante ziel zoeken. En dan, als zij haar liefde gevonden had, wat was er dan nog meer te zoeken? Welk ander antwoord verlangde zij op al de vraagstukken van haar leven dan deze eindelijk verkregen eenheid—eenheid verkregen in den dood!En indien hij haar niet beminde, hoe had hij haar dan kunnen antwoorden? Dat antwoord kon immers niet anders tot haar komen dan langs den gouden snaar der liefde, die haar zoetsten klank doet hooren, wanneer de vinger des weemoeds haar tokkelt.De geestvervoering ging voorbij, de ziel verheffende gedachten werden al nauwer en flauwer, als de wegstervende echo’s van een harp, en eindelijk, door de hevigheid harer aandoeningen uitgeput, legde Beatrice zich te bed en viel weldra in slaap.Toen Geoffrey den volgenden ochtend ontwaakte, kwam hij, na een weinig nadenken, tot het besluit dat hij een zonderlingen en treffenden droom had gehad, die het gevolg was van opgewondenheid door de gebeurtenissen van den vorigen dag, of van verdriet dat hij vertrekken moest. Hij stond op, pakte zijn reistasch—al het overige was gereed—en ging ontbijten. Beatrice kwam niet te voorschijn, voordat het ontbijt reeds half afgeloopen was. Zij zag zeer bleek, en zeide dat het pakken van Effie’s goed haar had opgehouden. Geoffrey merkte op, dat zij zijn vingers nauwelijks aanraakte, toen hij opstond om haar de hand te geven, en dat zij zijn blik zorgvuldig vermeed. Toen kwam de vraag bij hem op ofzijmisschien ook een zonderlingen droom had gehad.Nu kwam de drukte van het vertrek. Effie werd in de vigilante met de bagage weggezonden, onder toezicht van Betty, dedikke Welsche dienstmaagd. Beatrice en Geoffrey zouden te voet naar het station gaan.“’t Is tijd om afscheid te nemen, mijnheer Bingham,” zeide Granger. “Vaarwel, vaarwel! God zegene u. Ik heb nooit zoo’n aangenamen commensaal gehad. Ik hoop dat gij nog eens terug zult komen. A propos, bij het verhoor van dien schurk Jones zult gij zeker wel als getuige opgeroepen worden.”“Vaarwel, mijnheer Granger,” antwoordde Geoffrey: “ge moet mij in stad eens komen bezoeken.Verandering is goed voor u.”“Ja, dat doe ik misschien wel. Ik heb in geen vijf-en-twintig jaar verandering gehad. Ik heb het nooit kunnen bekostigen. Gaat gij Elisabeth niet vaarwel zeggen?”“Vaarwel, Miss Granger,” zeide Geoffrey beleefd. “Veel dank voor al uw vriendelijkheid. Ik hoop dat wij elkander eens zullen ontmoeten.”“Hoopt ge dat? Ik ook,” antwoordde Elisabeth. “Ik ben er wel zeker van, dat wij elkaar weer zullen ontmoeten, en het zal mij verheugen u weder te zien, mijnheer Bingham,” voegde zij er op een eigenaardigen toon bij.Een oogenblik later had hij de pastorie verlaten, en liep, met Beatrice naast zich, naar het station.“Scheiden thut weh” zeide hij, nadat zij een poos stilzwijgend voortgeloopen hadden.“Er is altijd iets weemoedigs in afscheidnemen,” antwoordde zij—“òf voor dengene, die heengaat, òf voor de achterblijvenden.”“Of voor beiden,” zeide hij.Daarop bewaarden zij weder het stilzwijgen, dat hij het eerst afbrak.“Miss Beatrice, mag ik u schrijven?”“Zeker, als gij wilt.”“En zult ge mijn brieven beantwoorden?”“Ja, ik zal ze beantwoorden.”“Als ik dan mijn zin had, zoudt ge vrij wat tijd aan schrijven besteden,” zeide hij. “Ge weet niet,” liet hij er ernstig op volgen, “hoe aangenaam het mij geweest is, dat ik u heb leeren kennen.Ik heb nooit in mijn leven grooter genoegen gehad.”“Dat verheugt mij,” antwoordde Beatrice kortaf.“Ik moet u eens iets vragen,” hernam hij. “Ge zijt een ware vraagbaak als het op citaten aankomt. In de laatste twaalf uur heeft mij een gedicht door ’t hoofd gespeeld, en ik kan mij maar nietherinnerenvan wien het is.”“Hoe is het dan?” vroeg zij, opziende, en Geoffrey meende een zonderling vreesachtige uitdrukking in haar oogen te bespeuren.“Ditkwam er, onder anderen, in,” zeide hij, en hij haalde eenige van de dichtregelen aan, die hem het meest getroffen hadden.Beatrice luisterde—en hoorde dezelfde regelen, die den vorigen nacht op haar lippen waren geweest. Zij onthutste hevig, werd doodsbleek, en haar knieën knikten. Met een krachtige poging herstelde zij zich.“Mij dunkt, gij moet dat vers wel kennen, mijnheer Bingham,” zeide zij, met een flauwe stem. “’t Is van Browning, en getiteld: ‘De laatste woorden eener Vrouw’.”Geoffrey zeide hierop niets; wat zou hij zeggen? Een poos liepen zij stilzwijgend voort. Zij waren nu dicht bij het station. Het oogenblik van scheiding voor altijd was gekomen. Een onweerstaanbaar verlangen om de waarheid te weten, maakte zich van hem meester.“Miss Beatrice,” sprak hij weder, “ge ziet bleek. Hebt ge van nacht niet goed geslapen?”“Neen, mijnheer Bingham.”“Hebt ge zonderlinge droomen gehad?”“Ja,” antwoordde zij, recht voor zich uit ziende.Hij verbleekte min of meer. Het was dus waar!“Beatrice,” vroeg hij, half fluisterend, “wat zouden die droomen beteekenen?”“Zooveel of zoo weinig als alle andere droomen,” antwoordde zij.“Wat moet men doen, als men zulke droomen heeft?” vroeg hij, weder op denzelfden gedempten toon.“Ze vergeten,” fluisterde zij.“En als zij terugkomen?”“Ze weer vergeten.”“En als zij niet vergeten willen zijn?”Zij wendde zich tot hem en zag hem strak in de oogen.“Sterven,” antwoordde zij, “dan zullen zij vergeten zijn, of—”“Of wat, Beatrice?”“Hier zijn wij aan het station,” zeide Beatrice, “en Betty is aan ’t kibbelen met den koetsier.”Vijf minuten later was Geoffrey vertrokken.
Hoofdstuk XIII.Geoffrey houdt een sermoen.Intusschen liep Beatrice in een alles behalve geruste gemoedsstemming huiswaarts. Haar hart was bezwaard. Zij had Owen Davies, wel is waar, voor ’t oogenblik afgescheept, maar zij wist wel dat hij de man niet was om het er bij te laten. Het speet haar bijna, dat zij hem niet dadelijk voor goed had afgewezen. Maar dan zou hij naar haar vader gegaan zijn, waarvan een scène het onvermijdelijke gevolg geweest zou zijn, en daar deinsde zij voor terug, vooral nu Bingham in huis was. Zij kon zich zijn ontzetting, om niet te zeggen, zijne woede voorstellen, als hij, die zoo op geld gesteld was, hoorde dat zij Owen Davies, van Bryngelly Castle en al zijn rijkdom, had afgewezen—werkelijk afgewezen.En met Elisabeth moest zij ook rekening houden. Elisabeth zou haar zeker het leven tot een last maken. Beatrice wist niet dat niets haar zuster beter in de kaart gespeeld was. Als zijBryngelly maar had kunnen verlaten! Doch dat was ook onmogelijk. Zij had geen geld. Zij zou, wel is waar, op een andere veraf gelegen plaats in Engeland een betrekking als onderwijzeres kunnen krijgen, maar daar was ook een onoverkomelijke hinderpaal tegen. Hier had zij een salaris vanvijf-en-zeventigpond ’s jaars; daarvan behield zij vijftien pond, met welke geringe som zij voor haar kleeding toekwam; het overige gaf zij aan haar vader. Zij wist wel dat hij zijn hoofd niet boven water kon houden zonder dezen steun, die, hoe gering ook, voor hun huisgezin al het onderscheid tusschen armoede en werkelijk gebrek uitmaakte. Als zij heenging, gesteld dat zij een even goede betrekking vond, zou zij al dat geld voor haar eigen onderhoud noodig hebben, en er niets van overhouden om naar huis te zenden. Het was een betreurenswaardige toestand; zij, die zooeven een man met duizenden ’s jaars had afgewezen, was niet in staat voor lastig aandringen uit den weg te gaan, om het gemis van vijf-en-zeventig pond ’s jaars, per kwartaal betaald. Het eenige wat zij doen kon, was dus maar af te wachten hoe het loopen zou. Maar op één punt was zij zeker: zij zounietmet Owen Davies trouwen. Dat mocht dwaas van haar zijn, maar zij zou het niet doen. Zij had te veel achting voor zichzelve, om met een man te trouwen, dien zij niet liefhad; een man, van wien zij bepaald afkeerig was. “Neen, nooit!” riep zij, op het kiezelzand aan den oever stampvoetende.“Wat nooit?” zeide een stem op eenigen afstand.Zij schrikte en zag rond. Daar, met zijn rug tegen een rots leunende, en een pijp in zijn mond, een geopenden brief op zijn knie, en zijn hoed bijna over zijn oogen getrokken, zat Geoffrey. Hij had Effie bij Granger thuis gelaten, en was langs een afhelling van de rots naar het strand gewandeld. De brief op zijn knie was van zijn vrouw. Die was kort en er stond niets bizonders in. Effie’s naam werd niet eens genoemd. Het was om te zien of hij dat ook had overgeslagen, dat hij den brief nog eens overlas. Neen, de inhoud had alleen betrekking op Lady Honoria’s veilige aankomst en de logeergasten, die zij had aangetroffen—een lossentroep, zooals Geoffrey opmerkte, onder anderen, een zekerenDunstan, dien hij niet kon uitstaan—en het aantal koppels patrijzen, dat op den vorigen dag geschoten was. Toen kwam de verzekering dat Honoria zich uitstekend vermaakte, en dat de nieuwe Fransche kok “perfect” was.“Wat nooit, Miss Granger?” herhaalde hij zijn vraag, terwijl hij langzaam den brief dichtsloeg.“Dat komt er niet op aan,” antwoordde zij, zich herstellende. “Wat hebt ge mij verschrikt, mijnheer Bingham! Ik dacht niet dat er iemand op het strand was.”“Dat is toch voor iedereen vrij, niet waar?” zeide hij, opstaande. “Ik dacht dat ge mij in het kiezelzand wildet trappen. ’t Is om er bang voor te worden, als men op een Zondagnamiddag rustig zit, een jonge dame te zien aankomen, die eensklaps staan blijft, stampvoet, en dan zegt: ‘Neen, nooit!’ Gelukkig wist ik dat gij uit waart, anders zou ik er van ontsteld zijn.”“Hoe wist ge dat ik uit was?” vroeg Beatrice, een weinig uitdagend. Hij behoefde haar gangen niet na te gaan.“Op tweeërlei manieren. Zie!” zeide hij, naar een strook wit zand wijzende. “Dat zijn, geloof ik, uw voetstappen.”“En wat zou dat?” vroeg Beatrice, met een lachje.“Niets bizonders, alleen dat het uw voetstappen zijn,” antwoordde hij. “Toen ontmoette ik toevallig den ouden Eduard, die aan ’t wandelen was, en hij zeide mij dat hij u en mijnheer Davies naar hetstrandhad zien gaan; daar is zijn voetstap—van Davies bedoel ik—maar gij schijnt niet zeer gezellig geweest te zijn, want de uwe is er een heel eind van af.”“Waarom hebt ge u de moeite gegeven dat zoo nauwkeurig op te merken?” vroeg zij, half lachend en half toornig.“Dat weet ik niet—waarschijnlijk een gewoonte, die ik mij heb eigen gemaakt omdat ik aan de rechtbank ben. Uit die voetstappen op het zand, en wat er de gevolgen van hadden kunnen zijn, zou men een roman kunnen maken. Maar gij hebt mijn treffend verhaal nog niet ten einde gehoord. De oude Eduard heeftmij ook verteld, dat hij uw zuster langs de rots heeft zien loopen, bijna op gelijke hoogte met u, waaruit hij opmaakte dat gij er over hadt geredetwist wat de kortste weg naar de Roode Rotsen was, en er de proef van naamt.”“Elisabeth,” zeide Beatrice, min of meer verbleekende; “waarom zou zij dat gedaan hebben?”“Ik denk om lichaamsbeweging te nemen, evenals gij. Welnu dan, ik ging, mijn pijp rookende, in de schaduw van die rots zitten, toen ik eensklaps mijnheer Davies, den kant van Bryngelly op, zag aankomen, loopende alsof hij een wedloop hield, met zijn hoed achterop zijn hoofd. Hij liep letterlijk over mijn beenen heen, zonder mij te zien. Toen volgdet gij, en riept: ‘Neen, nooit!’—en daar is mijn verhaal mee uit. Vergunt ge mij met u mee te loopen, of stoor ik de ontwikkeling van het plan?”“Er is geen plan, en zooals gij zooeven gezegd hebt, het strand is voor iedereen vrij,” antwoordde Beatrice wrevelig.Zij liepen een eindweegs voort, en toen sprak hij op een anderen toon—doelende op hetgeen hij aan het hek van het kerkhof had gehoord.“Ik geloof dat ik u mag feliciteeren, Miss Granger,” zeide hij, “en dat doe ik van harte. Niet iedereen is zoo gelukkig.—”“Wat wilt ge daarmee zeggen, mijnheer Bingham?” viel Beatrice hem in de rede, stilstaande en zich naar hem toe wendende.“Wat ik daarmee zeggen wil? Och, niets bizonders; nietsandersdan dat ik u gelukwensch met uw engagement.”“Mijn engagement! Wat voor engagement?”“Het schijnt dat er een misverstand is,” zeide hij, op een toon van verlichting, hoeveel moeite hij ook deed om het te verbergen. “Ik had begrepen dat het tusschen u en Owen Davies tot een engagement was gekomen. Als ik het mis heb, vraag ik u wel verschooning.”“Ge hebt het totaal mis, mijnheer Bingham; ik weet niet hoe ge u dat in ’t hoofd hebt gehaald, maar er is niets van aan.”“Veroorloof mij dan u geluk te wenschen dat het niet waar is. Ziet ge, dat is in negen van de tien gevallen, waar sprake van een huwelijk is, juist het mooie—zij hebben twee of meer zijden. Als het er toe komt, kan de vriendelijke en belangelooze opmerker de lichtzijde zien—zooals in dit geval, veel geld, een romantisch kasteel aan zee, een man van een onberispelijk verleden, enz. enz. enz. Als het er daarentegen niet toe komt, kan er ook weer reden tot dankbaarheid voor gevonden worden—de dame kon toch eigenlijk wel beter partij doen, het kasteel aan zee is in het voorjaar wel wat tochtig, de man is zeer achtenswaardig, maar misschien een weinig vervelend, en zoo al meer.”In den toon, waarop hij sprak, was iets spotachtigs, dat Beatrice ergerde. Zulk een toon was zij van Bingham niet gewoon. Het was zelfs de toon niet, waarop een beschaafd man over zulk een onderwerp tot een dame behoorde te spreken. Dit wist hij even goed als zij, en heimelijk schaamde hij zich er over. Maar, om de waarheid te zeggen, was Geoffrey, hoewel hij het zichzelven niet eens wilde bekennen, hevig jaloersch, en jaloersche menschen hebben geen goede manieren. Het was echter van Beatrice niet te verwachten dat zij dit wist, en dus was zij natuurlijk geraakt.“Ik begrijp niet recht waar ge het over hebt, mijnheer Bingham,” zeide zij, met een uitdrukking van beleedigde waardigheid in blik en toon. “Ge hebt een ongegrond praatje gehoord, en nu maakt ge er gebruik van om mij te bespotten en op mijnheer Davies te schimpen. Dat is zeer onaardig.”“O, neen; wat de aanleiding tot mijn vergissing geweest is, Miss Granger, waren de voetstappen,enhet praatjeende afspraak die gij op het kerkhof gemaakt hebt, en die ik, zonder het te willen, gehoord heb—niet het praatje alleen. Natuurlijk moet ik er nu mijn verontschuldigingen over maken.”Weder stampvoette Beatrice. Zij zag dat hij haar bespotte, en gevoelde dat hij haar niet geloofde.“Ziedaar!” ging hij voort, door zijn jaloerschheid tot onheuschheid geprikkeld, want zij had gelijk—hij geloofde haar verklaring datzij niet geëngageerd was eigenlijk nog niet. “Wat ben ik toch ongelukkig—nu heb ik alweer iets gezegd, waar gij boos om wordt. Waarom zijt ge niet met mijnheer Davies samen terug gewandeld? Dan hadt gij aangenamer gezelschap gehad, en zou ik mij niet schuldig gemaakt hebben aan aanmerkingen, die mij zoo kwalijk genomen worden. Ge wilt met mij twisten; welnu, waarover zal het zijn? Er zijn vele punten, waarop wij lijnrecht tegenover elkander staan; laten we daar een van opwerpen.”Dat was te veel; want hoewel zijn woorden niets beteekenden, gaf de toon, waarop hij sprak, er iets stekeligs aan. Beatrice, reeds in geen kalme gemoedsstemming gebracht door het tooneel met Owen Davies, en vervuld van een zeker beangstigend gevoel, waarvan zij zich geen verklaring kon geven, verloor ditmaal haar gewone zelfbeheersching en werd zenuwachtig. Tranen schoten haar in de oogen, en haar mond trok, alsof zij op het punt was van in weenen uit te barsten.“Dat is zeer onaardig van u,” zeide zij, met een gesmoorden snik. “Als gij wist hoeveel ik te verdragen heb, zoudt ge zoo niet spreken. Ik weet dat ge mij niet gelooft; om ’t even, ik zal u de waarheid zeggen. Ja, hoewel ik dat niet behoef te doen, en gij ’t in minst niet het recht hebt het van mij te vergen, zal ik u toch de geheele waarheid zeggen, omdat ik niet kan dulden dat ge mij niet gelooft. Mijnheer Davies heeft mij ten huwelijk gevraagd, en ik heb hem afgewezen. Ik heb hem uitgesteld; dat heb ik gedaan, omdat hij anders naar mijn vader gegaan zou zijn. Dat was lafhartig van mij, maar mijn vader zou mijn leven ondragelijk gemaakt hebben—” en weder kwam er een gesmoorde snik.Veel is er gezegd en geschreven over de uitwerking, die het op de mannen heeft als zij een vrouw in tranen zien, of op de grens van tranen, en het lijdt geen twijfel of die uitwerking is sterk. Een rechtgeaard man wordt door zulk een schouwspel diep getroffen, en hij schrikt er ook van, omdat hij bevreesd is dat er eene scène op zal volgen. De meeste mannen nu zouden liever tienmijlen ver op hun pantoffels loopen, dan met een jonge dame, die het op de zenuwen krijgt, te doen te hebben. De bizondere omstandigheden van het geval ter zijde stellende, was Geoffrey geen uitzondering op den regel. Met Beatrice te schermutselen was alles goed en wel; zij kon zich in een woordenstrijd wel met hem meten, en wist met gelijke munt te betalen; maar te zien dat zij zich op genade of ongenade overgaf was geheel iets anders. Hij schaamde zich over zichzelven.“Kom, kom—dat niet,” zeide hij. Hij wilde ongaarne zeggen, ween niet. “’t Was maar scherts—maar ik had zoo niet moeten spreken. Geloof mij, ik wilde mij niet in uw vertrouwen dringen. Dat is mij niet in de gedachten gekomen. Ik heb er spijt van.”Zijn berouw was blijkbaar oprecht, en Beatrice gevoelde zich eenigszins bevredigd. Misschien was het haar niet geheel onaangenaam dat zij hem spijt kon doen gevoelen.“Gij hebt u niet in mijn vertrouwen gedrongen,” zeide zij fier, vergetende dat zij hem een oogenblik te voren verweten had haar aan ’t spreken gebracht te hebben.“Ik zeide het u, omdat ik niet verkoos dat ge zoudt denken dat ik de waarheid niet sprak. En laten we er nu verder maar van zwijgen.” Zij legde hem geen geheimhouding op, zij wist dat dit niet noodig was. Het geheim zou tusschen hen beiden blijven—alweer een gevaarlijke band.Beatrice had haar bedaardheid terugverkregen en zij liepen langzaam voort.“Zeg mij eens, mijnheer Bingham,” begon zij nu, “hoe kan een meisje den kost verdienen—ik bedoel een meisje zooals ik, zonder eenige bizondere talenten? Sommigen kunnen het wel.”“Dat hangt van het meisje zelve af,” antwoordde hij. “Wat voor soort van kostwinning bedoelt gij? Gij hebt er immers een.”“Ja, maar ik denk weleens dat, als ik er raad op wist, ik hier wel van daan zou willen gaan, om een ander vak bij de hand te nemen, iets grooters. Ik geloof niet dat het er ooit toe komen zal, maar ik denk er toch weleens over.”“Ik weet maar twee wegen, die voor een vrouw openstaan,” zeide hij; “het tooneel en de litteratuur. In uw geval is, natuurlijk, van het eerste geen sprake,” liet hij er snel op volgen.“En van het andere, vrees ik, ook niet,” hernam zij, het hoofd schuddende, “ten minste, als gij door litteratuur werken van verdichting verstaat, en dat is, geloof ik, de eenige kans om naam te maken. Zooals ik u gezegd heb, mijn verbeeldingskracht heb ik verloren—oprecht gesproken, tegelijk met mijn geloof. Er is een tijd geweest dat ik een levendige verbeelding had en veel geloof ook, maar het een is met het ander weggegaan, ik begrijp niet hoe.”“Niet? Ik meen het wel te begrijpen. Een ziel zonder godsdienstig gevoel is als een ster zonder atmosfeer, helderder dan andere sterren, maar niet zoo aangenaam om te zien. Godsdienst, poëzie, muziek, verbeelding en de edelste gevoelens van het hart bloeien in denzelfden grond, en zijn, naar mijn meening, verschillende openbaringen van hetzelfde. Weet ge wel dat het belachelijk is u te hooren zeggen dat ge uw geloof verloren hebt—want dat houd ik voor een onwaarheid. Ten ergste genomen, sluimert het, en eenmaal zal het weer ontwaken. Misschien zult gij geen bizonderen vorm van geloof aannemen, maar ik zeg u ronduit dat het niets anders dan geestelijke ijdelheid in haar leelijksten vorm is, allen godsdienst te verwerpen, omdat men er met zijn verstand niet bij kan. Uw verstand is u te sterk geweest, Miss Granger: het is met u op hol gegaan, maar het heeft zijn grenzen en verder gaat het niet. En nu zijt ge misschien weer boos op mij.”“Neen, waarom zou ik boos zijn? Ge hebt zeker wel gelijk, en ik hoop dat ik eenmaal weer zal kunnen gelooven. Ik zal u zeggen hoe ik mijn geloof verloren heb. Ik had een broertje, dat ik boven alles op de wereld liefhad, en na den dood van mijn moeder was hij ook het eenige wat ik had om lief te hebben, want mijn vader houdt, geloof ik, meer van Elisabeth dan van mij, omdat zij zooveel praktischer is, en Elisabeth en ik kunnen niet goed te zamen overweg. Het kan wel aan mij liggen, maar het is zoo—wij zijn zusters, maar geen vriendinnen. Mijn broertje werddoor een zware koorts aangetast, en lang lag hij tusschen leven en dood, en ik bad voor hem, zooals ik nooit te voren voor iemand of om iets gebeden had—ja, ik bad dat ik in zijne plaats mocht sterven. Hij stond de crisis door en werd beter, en ik dankte God, meenende dat mijn gebeden verhoord waren. O, wat was ik tien dagen lang gelukkig! Maar wat gebeurde er toen? Mijn broertje vatte kou, stortte weer in, en binnen drie dagen was hij dood. De laatste woorden, die hij tot mij sprak, waren: ‘Och, laat mij niet dood gaan, Bee!’—hij noemde mij altijd Bee—‘Laat mij alsjeblieft niet dood gaan, lieve Bee!’ Maar hij stierf—hij stierf in mijn armen, en toen het met hem gedaan was, stond ik van zijn zijde op, met een gevoel alsof mijn hart ook dood was. Daarna heb ik nooit weer gebeden. Het scheen mij toe alsof met mijn gebeden de spot was gedreven, alsof hij mij slechts voor een poos was teruggegeven, om den slag, wanneer hij viel, des te verpletterender te maken.”“Vindt ge niet dat het wel wat dwaas van u was het zoo op te vatten?” zeide Geoffrey. “Hebt gij niet weleens moeten glimlachen als ge van de eerste Christenen laast?—hoe het lood den martelaar niet wilde koken, of de leeuw hem niet wilde verslinden, of de regen uit een blauwe lucht het vuur bluschte, en hoe de heidensche koning eensklaps bekeerd werd en onmiddellijk een menigte moeilijke leerstellingen aannam. De Athanasiaansche Geloofsleer was niet noodwendig waar, omdat het vuur niet wilde branden, of het zwaard niet wilde snijden, en evenmin, houd mij ten goede, was al uw vroeger geloof onwaar, omdat uw gebed niet verhoord werd. ’t Is een oude geschiedenis, dat wij niet weten of het verhooren van onze gebeden goed of kwaad voor ons is. Ik weet, natuurlijk, van zoo iets niets af, maar het komt mij onbezonnen voor, te meenen dat de Voorzienigheid de werking van eeuwige wetten zal veranderen, alleen om aan de voorbijgaande wenschen van enkele personen te voldoen—wenschen, die, wanneer zij vervuld werden, in vele gevallen onvoorzien leed teweeg zouden brengen. Bovendien is het arme kind zeker gelukkiger nu het dood is danwanneer het was blijven leven. ’t Is voor de meesten onzer zoo heel aangenaam niet op de wereld.”“Ja, mijnheer Bingham, dat weet ik, en ik zou den schok ook wel mettertijd te boven gekomen zijn, als ik daarna niet was begonnen te lezen. Ik las de geschiedenis der godsdiensten, en vergeleek ze met elkaar, en ik las de werken van de schrijvers, die opgestaan zijn om ze aan te vallen. Ik vond—althans zoo meende ik—in alle dezelfde bronnen van bijgeloof—een bijgeloof uit oorspronkelijk natuurlijke oorzaken ontstaan, en met verschillendewijzigingenvan het eene geslacht op het andere, door alle tijden heen, overgebracht. In sommige vond ik dezelfde geschiedenis, slechts met een kleine verandering in den uiterlijken vorm, en bovendien leerde ik, dat het eene geloof het andere loochende en voor zichzelf alleen aanspraak maakte het ware te zijn.“Daarna ging ik naar het opleidings-instituut, en daar trof ik een dame aan, een der onderwijzeressen, de kundigste vrouw, die ik ooit gekend heb, en op haar wijze een brave vrouw ook, maar die het er voor hield, dat de godsdienst de vloek der wereld was, en al haar vrijen tijd besteedde om hem in den een of anderen vorm aan te vallen. Zij is nu al lang dood. En zoo, door al die oorzaken, en het gestadig schouwspel van menschelijke ellende voor oogen, dat voor mijn gevoel in strijd is met het denkbeeld van een barmhartige en wakende Voorzienigheid, is eindelijk het eenige altaar, dat in mijn tempel is overgebleven, een altaar aan den ‘Onbekenden God’ gewijd.”Evenals de meeste mannen, die over zulke zaken nagedacht hebben, sprak Geoffrey er niet gaarne veel over, inzonderheid niet met vrouwen. Hij wist ook dat hij een neiging had om er minder eerbiedig over te spreken dan hij er over dacht. Maar hij was Beatrice’s kerk der Duisternis niet binnengetreden; hij had die voor altijd den rug toe gekeerd, hoewel hij, zooals de meeste menschen, in verschillende tijdperken van zijn vroeger leven een uur in haar voorportaal vertoefd had. Dus waagde hij een tegenwerping.“Ik ben geen godgeleerde,” sprak hij, “en ik houd niet vantwistredenen op zulk een gebied. Maar er zijn een paar aanmerkingen, die ik wel zou willen maken. Naar mijn gevoelen, is het bestaan van kwaad en ongeluk onder het menschdom niet als een bewijsgrond aan te voeren dat er geen barmhartige hoogere Macht bestaat; want wat zijn de menschen, dat er zoo iets niet onder hen zou zijn? De mensch moet ook een meester erkennen. Als hij twijfelingen heeft, laat hij de oogen dan opslaan tot den sterrenhemel, en dan zullen zij verdwijnen.”“Neen,” zeide Beatrice, “ik vrees van neen. Kant heeft dat gezegd, maar vroeger heeft Molière dezen bewijsgrond een gek in den mond gelegd. De sterrenhemel bewijst niets meer dan de regendruppels, die langs de vensterruiten druipen. ’t Is geen kwestie van grootte en hoeveelheid.”“Ik kan dat beeld wel aannemen,” hervatte Geoffrey; “het eene voorbeeld van wet is voor mijn bedoeling even goed als het andere. Ik zie in alles de werking van een levenden Wil, maar dat is, natuurlijk,mijnzienswijze, niet de uwe.”“Neen, vrees ik,” antwoordde Beatrice; “al die redeneering, uit stoffelijke dingen geput, treft mij niet. Zoo maakten de Heidenen hun godsdienst. Zij leidden het Inwendige af van het Uitwendige, het geestelijke van het stoffelijke. Dat kan niet; als het Christendom waar is, moet het op een geestelijken voet staan en met een geestelijke stem spreken, niet in donder, maar in de harten der menschen. Het bestaan van een Scheppende Macht bewijst niet het bestaan van een Verlosser; veeleer strekt het om dat te loochenen, want de macht, die schept, is ook de macht, die vernietigt. Wat mij echter treft, is hoe de groote menigte over den Dood denkt.Datis het, waarover wij ons bekommeren, niet over een Eeuwige Macht, altijd scheppend en vernietigend. Denk eens aan al die zielen van vroegere, sinds duizenden jaren niet meer bestaande menschenrassen, die niet veel meer dan dieren waren. Zoudt ge denken, dat de ziel van een neger, die in den tijd van Mozes stierf, nu ergens was?”“Er was op aarde voor allen plaats,” antwoordde Geoffrey; “hetheelal is groot. Er zijn zooveel raadselen in onze natuur, de natuur, die wij meenen te kennen—zullen er dan geene zijn in het voor ons onbekende? Werelden gaan te niet, om weer bewoond te worden, als namillioeneneeuwen de toestanden weer gunstig zijn om te leven, en waarom zou het met den mensch ook niet zoo zijn? Wij zijn schepselen op deze wereld envandeze wereld, Waarom zou ons lot dan niet als het hare zijn? Zij moge veranderen van gas in chaos, van chaos tot werkzaam leven, van werkzaam leven tot schijnbaren dood. Dan kan zij weer tot haar elementen overgaan, en van die elementen tot een samengesteld geheel, en zoo altijd door, altijd veranderend, maar altijd dezelfde. Tot zoover de natuur tot zinnebeeld genomen. ’t Is geen volkomen analogie, want de mensch is iets, van al het andere afgescheiden; het moge slechts een wenk of een type zijn, maar het is toch iets.“Om nu op de kwestie van onzen godsdienst te komen. Ik moet bekennen, dat ik uit uw gegevens een geheel andere gevolgtrekking maak. Gij zegt, dat ge in alle godsdiensten dezelfde bijgeloovigheden bespeurt, en dat dezelfde geestelijke mythe in den een of anderen vorm in bijna alle gevonden wordt. Welnu, duidt dat niet aan dat dezelfde grootewaarheidaan elken ten grondslag ligt en van tijd tot tijd den vorm aanneemt, die het best geschikt is voor de geestelijke ontwikkeling zijner belijders? Elke nieuwe groote godsdienst is beter dan voorafgaande. Gij kunt het Osirianisme niet vergelijken met hetBuddhisme, of het Buddhisme met het Christendom, of het Mahomedanisme met den Arabischen afgodendienst. Neem het oude beeld—houd een stuk kristal in de zon, en gij zult er verschillende kleuren uit zien stralen. Zij schijnen verschillend, maar zij zijn alle uit hetzelfde groote licht ontstaan; zij zijn alle hetzelfde licht. Kan het zoo ook niet met de godsdiensten zijn? Laat uw altaar aan den ‘Onbekenden God’ gewijd zijn, zoo gij wilt—want wie kan aan de Macht boven ons een onveranderlijke gelijkenis geven?—maar haal uw altaar niet omver.“Maak er staat op, Miss Granger, niettegenstaande alles wat het tegendeel aanduidt, er is een wakende Voorzienigheid boven ons, zonder wier wil wij niet kunnen leven, en als wij die Voorzienigheid verwerpen en ons verstand er voor in de plaats stellen, zullen wij er ons niets dan verdriet door berokkenen. Ik wenschte dat ge wildet beproeven het vraagstuk uit een ander, een hooger gezichtspunt te beschouwen. Ge zult, geloof ik, ondervinden, dat het voor veel onderzoek vatbaar is, en tot het besluit komen, dat de beslissende uitspraak van een wijshoofd, die zegt dat er niets is, omdat hij niets ziet, niet noodwendig de ware is. Ziedaar, dat is alles, wat ik wilde zeggen, en ik wenschte dat ik het beter zeggen kon.”“Dank u,” sprak Beatrice, “ik zal het in gedachten houden. Hier zijn wij al thuis; ik moet Effie naar bed brengen.”Het mag wel vermeld worden, dat Geoffrey’s raad niet geheel in den wind geslagen werd. Beatrice beproefde het vraagstuk nog eens te onderzoeken, en hoewel het Geloof niet geheel en al bij haar terugkwam, was de Hoop ten minste in haar hart ontwaakt, en “de meeste van deze, die de Liefde is,” had haar nooit verlaten. De Hoop kwam langzaam terug, waarschijnlijk niet door redeneering, maar veeleer door voorbeeld. In de zee van Twijfel zag zij een ander baken, al was het ook maar op het wrakhout van het vergane schip. Dit moedigde haar aan. Geoffrey geloofde, en zij—zij hechtte geloof aan het geloof van Geoffrey. Is dit niet het geheim der filosofie van menige vrouw—zelfs in zekere mate van zulk een vrouw als Beatrice? Haar geloofsleer is het geloof van hem, dien zij vertrouwt. En Geoffrey was degene, in wien Beatrice vertrouwen begon te stellen, des te meer omdat zij vroeger nooit vertrouwen in iemand had gesteld. Wat zij er anders ook bij mocht verliezen, dit won zij er ten minste bij, toen zij zijn leven had gered.
Intusschen liep Beatrice in een alles behalve geruste gemoedsstemming huiswaarts. Haar hart was bezwaard. Zij had Owen Davies, wel is waar, voor ’t oogenblik afgescheept, maar zij wist wel dat hij de man niet was om het er bij te laten. Het speet haar bijna, dat zij hem niet dadelijk voor goed had afgewezen. Maar dan zou hij naar haar vader gegaan zijn, waarvan een scène het onvermijdelijke gevolg geweest zou zijn, en daar deinsde zij voor terug, vooral nu Bingham in huis was. Zij kon zich zijn ontzetting, om niet te zeggen, zijne woede voorstellen, als hij, die zoo op geld gesteld was, hoorde dat zij Owen Davies, van Bryngelly Castle en al zijn rijkdom, had afgewezen—werkelijk afgewezen.
En met Elisabeth moest zij ook rekening houden. Elisabeth zou haar zeker het leven tot een last maken. Beatrice wist niet dat niets haar zuster beter in de kaart gespeeld was. Als zijBryngelly maar had kunnen verlaten! Doch dat was ook onmogelijk. Zij had geen geld. Zij zou, wel is waar, op een andere veraf gelegen plaats in Engeland een betrekking als onderwijzeres kunnen krijgen, maar daar was ook een onoverkomelijke hinderpaal tegen. Hier had zij een salaris vanvijf-en-zeventigpond ’s jaars; daarvan behield zij vijftien pond, met welke geringe som zij voor haar kleeding toekwam; het overige gaf zij aan haar vader. Zij wist wel dat hij zijn hoofd niet boven water kon houden zonder dezen steun, die, hoe gering ook, voor hun huisgezin al het onderscheid tusschen armoede en werkelijk gebrek uitmaakte. Als zij heenging, gesteld dat zij een even goede betrekking vond, zou zij al dat geld voor haar eigen onderhoud noodig hebben, en er niets van overhouden om naar huis te zenden. Het was een betreurenswaardige toestand; zij, die zooeven een man met duizenden ’s jaars had afgewezen, was niet in staat voor lastig aandringen uit den weg te gaan, om het gemis van vijf-en-zeventig pond ’s jaars, per kwartaal betaald. Het eenige wat zij doen kon, was dus maar af te wachten hoe het loopen zou. Maar op één punt was zij zeker: zij zounietmet Owen Davies trouwen. Dat mocht dwaas van haar zijn, maar zij zou het niet doen. Zij had te veel achting voor zichzelve, om met een man te trouwen, dien zij niet liefhad; een man, van wien zij bepaald afkeerig was. “Neen, nooit!” riep zij, op het kiezelzand aan den oever stampvoetende.
“Wat nooit?” zeide een stem op eenigen afstand.
Zij schrikte en zag rond. Daar, met zijn rug tegen een rots leunende, en een pijp in zijn mond, een geopenden brief op zijn knie, en zijn hoed bijna over zijn oogen getrokken, zat Geoffrey. Hij had Effie bij Granger thuis gelaten, en was langs een afhelling van de rots naar het strand gewandeld. De brief op zijn knie was van zijn vrouw. Die was kort en er stond niets bizonders in. Effie’s naam werd niet eens genoemd. Het was om te zien of hij dat ook had overgeslagen, dat hij den brief nog eens overlas. Neen, de inhoud had alleen betrekking op Lady Honoria’s veilige aankomst en de logeergasten, die zij had aangetroffen—een lossentroep, zooals Geoffrey opmerkte, onder anderen, een zekerenDunstan, dien hij niet kon uitstaan—en het aantal koppels patrijzen, dat op den vorigen dag geschoten was. Toen kwam de verzekering dat Honoria zich uitstekend vermaakte, en dat de nieuwe Fransche kok “perfect” was.
“Wat nooit, Miss Granger?” herhaalde hij zijn vraag, terwijl hij langzaam den brief dichtsloeg.
“Dat komt er niet op aan,” antwoordde zij, zich herstellende. “Wat hebt ge mij verschrikt, mijnheer Bingham! Ik dacht niet dat er iemand op het strand was.”
“Dat is toch voor iedereen vrij, niet waar?” zeide hij, opstaande. “Ik dacht dat ge mij in het kiezelzand wildet trappen. ’t Is om er bang voor te worden, als men op een Zondagnamiddag rustig zit, een jonge dame te zien aankomen, die eensklaps staan blijft, stampvoet, en dan zegt: ‘Neen, nooit!’ Gelukkig wist ik dat gij uit waart, anders zou ik er van ontsteld zijn.”
“Hoe wist ge dat ik uit was?” vroeg Beatrice, een weinig uitdagend. Hij behoefde haar gangen niet na te gaan.
“Op tweeërlei manieren. Zie!” zeide hij, naar een strook wit zand wijzende. “Dat zijn, geloof ik, uw voetstappen.”
“En wat zou dat?” vroeg Beatrice, met een lachje.
“Niets bizonders, alleen dat het uw voetstappen zijn,” antwoordde hij. “Toen ontmoette ik toevallig den ouden Eduard, die aan ’t wandelen was, en hij zeide mij dat hij u en mijnheer Davies naar hetstrandhad zien gaan; daar is zijn voetstap—van Davies bedoel ik—maar gij schijnt niet zeer gezellig geweest te zijn, want de uwe is er een heel eind van af.”
“Waarom hebt ge u de moeite gegeven dat zoo nauwkeurig op te merken?” vroeg zij, half lachend en half toornig.
“Dat weet ik niet—waarschijnlijk een gewoonte, die ik mij heb eigen gemaakt omdat ik aan de rechtbank ben. Uit die voetstappen op het zand, en wat er de gevolgen van hadden kunnen zijn, zou men een roman kunnen maken. Maar gij hebt mijn treffend verhaal nog niet ten einde gehoord. De oude Eduard heeftmij ook verteld, dat hij uw zuster langs de rots heeft zien loopen, bijna op gelijke hoogte met u, waaruit hij opmaakte dat gij er over hadt geredetwist wat de kortste weg naar de Roode Rotsen was, en er de proef van naamt.”
“Elisabeth,” zeide Beatrice, min of meer verbleekende; “waarom zou zij dat gedaan hebben?”
“Ik denk om lichaamsbeweging te nemen, evenals gij. Welnu dan, ik ging, mijn pijp rookende, in de schaduw van die rots zitten, toen ik eensklaps mijnheer Davies, den kant van Bryngelly op, zag aankomen, loopende alsof hij een wedloop hield, met zijn hoed achterop zijn hoofd. Hij liep letterlijk over mijn beenen heen, zonder mij te zien. Toen volgdet gij, en riept: ‘Neen, nooit!’—en daar is mijn verhaal mee uit. Vergunt ge mij met u mee te loopen, of stoor ik de ontwikkeling van het plan?”
“Er is geen plan, en zooals gij zooeven gezegd hebt, het strand is voor iedereen vrij,” antwoordde Beatrice wrevelig.
Zij liepen een eindweegs voort, en toen sprak hij op een anderen toon—doelende op hetgeen hij aan het hek van het kerkhof had gehoord.
“Ik geloof dat ik u mag feliciteeren, Miss Granger,” zeide hij, “en dat doe ik van harte. Niet iedereen is zoo gelukkig.—”
“Wat wilt ge daarmee zeggen, mijnheer Bingham?” viel Beatrice hem in de rede, stilstaande en zich naar hem toe wendende.
“Wat ik daarmee zeggen wil? Och, niets bizonders; nietsandersdan dat ik u gelukwensch met uw engagement.”
“Mijn engagement! Wat voor engagement?”
“Het schijnt dat er een misverstand is,” zeide hij, op een toon van verlichting, hoeveel moeite hij ook deed om het te verbergen. “Ik had begrepen dat het tusschen u en Owen Davies tot een engagement was gekomen. Als ik het mis heb, vraag ik u wel verschooning.”
“Ge hebt het totaal mis, mijnheer Bingham; ik weet niet hoe ge u dat in ’t hoofd hebt gehaald, maar er is niets van aan.”
“Veroorloof mij dan u geluk te wenschen dat het niet waar is. Ziet ge, dat is in negen van de tien gevallen, waar sprake van een huwelijk is, juist het mooie—zij hebben twee of meer zijden. Als het er toe komt, kan de vriendelijke en belangelooze opmerker de lichtzijde zien—zooals in dit geval, veel geld, een romantisch kasteel aan zee, een man van een onberispelijk verleden, enz. enz. enz. Als het er daarentegen niet toe komt, kan er ook weer reden tot dankbaarheid voor gevonden worden—de dame kon toch eigenlijk wel beter partij doen, het kasteel aan zee is in het voorjaar wel wat tochtig, de man is zeer achtenswaardig, maar misschien een weinig vervelend, en zoo al meer.”
In den toon, waarop hij sprak, was iets spotachtigs, dat Beatrice ergerde. Zulk een toon was zij van Bingham niet gewoon. Het was zelfs de toon niet, waarop een beschaafd man over zulk een onderwerp tot een dame behoorde te spreken. Dit wist hij even goed als zij, en heimelijk schaamde hij zich er over. Maar, om de waarheid te zeggen, was Geoffrey, hoewel hij het zichzelven niet eens wilde bekennen, hevig jaloersch, en jaloersche menschen hebben geen goede manieren. Het was echter van Beatrice niet te verwachten dat zij dit wist, en dus was zij natuurlijk geraakt.
“Ik begrijp niet recht waar ge het over hebt, mijnheer Bingham,” zeide zij, met een uitdrukking van beleedigde waardigheid in blik en toon. “Ge hebt een ongegrond praatje gehoord, en nu maakt ge er gebruik van om mij te bespotten en op mijnheer Davies te schimpen. Dat is zeer onaardig.”
“O, neen; wat de aanleiding tot mijn vergissing geweest is, Miss Granger, waren de voetstappen,enhet praatjeende afspraak die gij op het kerkhof gemaakt hebt, en die ik, zonder het te willen, gehoord heb—niet het praatje alleen. Natuurlijk moet ik er nu mijn verontschuldigingen over maken.”
Weder stampvoette Beatrice. Zij zag dat hij haar bespotte, en gevoelde dat hij haar niet geloofde.
“Ziedaar!” ging hij voort, door zijn jaloerschheid tot onheuschheid geprikkeld, want zij had gelijk—hij geloofde haar verklaring datzij niet geëngageerd was eigenlijk nog niet. “Wat ben ik toch ongelukkig—nu heb ik alweer iets gezegd, waar gij boos om wordt. Waarom zijt ge niet met mijnheer Davies samen terug gewandeld? Dan hadt gij aangenamer gezelschap gehad, en zou ik mij niet schuldig gemaakt hebben aan aanmerkingen, die mij zoo kwalijk genomen worden. Ge wilt met mij twisten; welnu, waarover zal het zijn? Er zijn vele punten, waarop wij lijnrecht tegenover elkander staan; laten we daar een van opwerpen.”
Dat was te veel; want hoewel zijn woorden niets beteekenden, gaf de toon, waarop hij sprak, er iets stekeligs aan. Beatrice, reeds in geen kalme gemoedsstemming gebracht door het tooneel met Owen Davies, en vervuld van een zeker beangstigend gevoel, waarvan zij zich geen verklaring kon geven, verloor ditmaal haar gewone zelfbeheersching en werd zenuwachtig. Tranen schoten haar in de oogen, en haar mond trok, alsof zij op het punt was van in weenen uit te barsten.
“Dat is zeer onaardig van u,” zeide zij, met een gesmoorden snik. “Als gij wist hoeveel ik te verdragen heb, zoudt ge zoo niet spreken. Ik weet dat ge mij niet gelooft; om ’t even, ik zal u de waarheid zeggen. Ja, hoewel ik dat niet behoef te doen, en gij ’t in minst niet het recht hebt het van mij te vergen, zal ik u toch de geheele waarheid zeggen, omdat ik niet kan dulden dat ge mij niet gelooft. Mijnheer Davies heeft mij ten huwelijk gevraagd, en ik heb hem afgewezen. Ik heb hem uitgesteld; dat heb ik gedaan, omdat hij anders naar mijn vader gegaan zou zijn. Dat was lafhartig van mij, maar mijn vader zou mijn leven ondragelijk gemaakt hebben—” en weder kwam er een gesmoorde snik.
Veel is er gezegd en geschreven over de uitwerking, die het op de mannen heeft als zij een vrouw in tranen zien, of op de grens van tranen, en het lijdt geen twijfel of die uitwerking is sterk. Een rechtgeaard man wordt door zulk een schouwspel diep getroffen, en hij schrikt er ook van, omdat hij bevreesd is dat er eene scène op zal volgen. De meeste mannen nu zouden liever tienmijlen ver op hun pantoffels loopen, dan met een jonge dame, die het op de zenuwen krijgt, te doen te hebben. De bizondere omstandigheden van het geval ter zijde stellende, was Geoffrey geen uitzondering op den regel. Met Beatrice te schermutselen was alles goed en wel; zij kon zich in een woordenstrijd wel met hem meten, en wist met gelijke munt te betalen; maar te zien dat zij zich op genade of ongenade overgaf was geheel iets anders. Hij schaamde zich over zichzelven.
“Kom, kom—dat niet,” zeide hij. Hij wilde ongaarne zeggen, ween niet. “’t Was maar scherts—maar ik had zoo niet moeten spreken. Geloof mij, ik wilde mij niet in uw vertrouwen dringen. Dat is mij niet in de gedachten gekomen. Ik heb er spijt van.”
Zijn berouw was blijkbaar oprecht, en Beatrice gevoelde zich eenigszins bevredigd. Misschien was het haar niet geheel onaangenaam dat zij hem spijt kon doen gevoelen.
“Gij hebt u niet in mijn vertrouwen gedrongen,” zeide zij fier, vergetende dat zij hem een oogenblik te voren verweten had haar aan ’t spreken gebracht te hebben.
“Ik zeide het u, omdat ik niet verkoos dat ge zoudt denken dat ik de waarheid niet sprak. En laten we er nu verder maar van zwijgen.” Zij legde hem geen geheimhouding op, zij wist dat dit niet noodig was. Het geheim zou tusschen hen beiden blijven—alweer een gevaarlijke band.
Beatrice had haar bedaardheid terugverkregen en zij liepen langzaam voort.
“Zeg mij eens, mijnheer Bingham,” begon zij nu, “hoe kan een meisje den kost verdienen—ik bedoel een meisje zooals ik, zonder eenige bizondere talenten? Sommigen kunnen het wel.”
“Dat hangt van het meisje zelve af,” antwoordde hij. “Wat voor soort van kostwinning bedoelt gij? Gij hebt er immers een.”
“Ja, maar ik denk weleens dat, als ik er raad op wist, ik hier wel van daan zou willen gaan, om een ander vak bij de hand te nemen, iets grooters. Ik geloof niet dat het er ooit toe komen zal, maar ik denk er toch weleens over.”
“Ik weet maar twee wegen, die voor een vrouw openstaan,” zeide hij; “het tooneel en de litteratuur. In uw geval is, natuurlijk, van het eerste geen sprake,” liet hij er snel op volgen.
“En van het andere, vrees ik, ook niet,” hernam zij, het hoofd schuddende, “ten minste, als gij door litteratuur werken van verdichting verstaat, en dat is, geloof ik, de eenige kans om naam te maken. Zooals ik u gezegd heb, mijn verbeeldingskracht heb ik verloren—oprecht gesproken, tegelijk met mijn geloof. Er is een tijd geweest dat ik een levendige verbeelding had en veel geloof ook, maar het een is met het ander weggegaan, ik begrijp niet hoe.”
“Niet? Ik meen het wel te begrijpen. Een ziel zonder godsdienstig gevoel is als een ster zonder atmosfeer, helderder dan andere sterren, maar niet zoo aangenaam om te zien. Godsdienst, poëzie, muziek, verbeelding en de edelste gevoelens van het hart bloeien in denzelfden grond, en zijn, naar mijn meening, verschillende openbaringen van hetzelfde. Weet ge wel dat het belachelijk is u te hooren zeggen dat ge uw geloof verloren hebt—want dat houd ik voor een onwaarheid. Ten ergste genomen, sluimert het, en eenmaal zal het weer ontwaken. Misschien zult gij geen bizonderen vorm van geloof aannemen, maar ik zeg u ronduit dat het niets anders dan geestelijke ijdelheid in haar leelijksten vorm is, allen godsdienst te verwerpen, omdat men er met zijn verstand niet bij kan. Uw verstand is u te sterk geweest, Miss Granger: het is met u op hol gegaan, maar het heeft zijn grenzen en verder gaat het niet. En nu zijt ge misschien weer boos op mij.”
“Neen, waarom zou ik boos zijn? Ge hebt zeker wel gelijk, en ik hoop dat ik eenmaal weer zal kunnen gelooven. Ik zal u zeggen hoe ik mijn geloof verloren heb. Ik had een broertje, dat ik boven alles op de wereld liefhad, en na den dood van mijn moeder was hij ook het eenige wat ik had om lief te hebben, want mijn vader houdt, geloof ik, meer van Elisabeth dan van mij, omdat zij zooveel praktischer is, en Elisabeth en ik kunnen niet goed te zamen overweg. Het kan wel aan mij liggen, maar het is zoo—wij zijn zusters, maar geen vriendinnen. Mijn broertje werddoor een zware koorts aangetast, en lang lag hij tusschen leven en dood, en ik bad voor hem, zooals ik nooit te voren voor iemand of om iets gebeden had—ja, ik bad dat ik in zijne plaats mocht sterven. Hij stond de crisis door en werd beter, en ik dankte God, meenende dat mijn gebeden verhoord waren. O, wat was ik tien dagen lang gelukkig! Maar wat gebeurde er toen? Mijn broertje vatte kou, stortte weer in, en binnen drie dagen was hij dood. De laatste woorden, die hij tot mij sprak, waren: ‘Och, laat mij niet dood gaan, Bee!’—hij noemde mij altijd Bee—‘Laat mij alsjeblieft niet dood gaan, lieve Bee!’ Maar hij stierf—hij stierf in mijn armen, en toen het met hem gedaan was, stond ik van zijn zijde op, met een gevoel alsof mijn hart ook dood was. Daarna heb ik nooit weer gebeden. Het scheen mij toe alsof met mijn gebeden de spot was gedreven, alsof hij mij slechts voor een poos was teruggegeven, om den slag, wanneer hij viel, des te verpletterender te maken.”
“Vindt ge niet dat het wel wat dwaas van u was het zoo op te vatten?” zeide Geoffrey. “Hebt gij niet weleens moeten glimlachen als ge van de eerste Christenen laast?—hoe het lood den martelaar niet wilde koken, of de leeuw hem niet wilde verslinden, of de regen uit een blauwe lucht het vuur bluschte, en hoe de heidensche koning eensklaps bekeerd werd en onmiddellijk een menigte moeilijke leerstellingen aannam. De Athanasiaansche Geloofsleer was niet noodwendig waar, omdat het vuur niet wilde branden, of het zwaard niet wilde snijden, en evenmin, houd mij ten goede, was al uw vroeger geloof onwaar, omdat uw gebed niet verhoord werd. ’t Is een oude geschiedenis, dat wij niet weten of het verhooren van onze gebeden goed of kwaad voor ons is. Ik weet, natuurlijk, van zoo iets niets af, maar het komt mij onbezonnen voor, te meenen dat de Voorzienigheid de werking van eeuwige wetten zal veranderen, alleen om aan de voorbijgaande wenschen van enkele personen te voldoen—wenschen, die, wanneer zij vervuld werden, in vele gevallen onvoorzien leed teweeg zouden brengen. Bovendien is het arme kind zeker gelukkiger nu het dood is danwanneer het was blijven leven. ’t Is voor de meesten onzer zoo heel aangenaam niet op de wereld.”
“Ja, mijnheer Bingham, dat weet ik, en ik zou den schok ook wel mettertijd te boven gekomen zijn, als ik daarna niet was begonnen te lezen. Ik las de geschiedenis der godsdiensten, en vergeleek ze met elkaar, en ik las de werken van de schrijvers, die opgestaan zijn om ze aan te vallen. Ik vond—althans zoo meende ik—in alle dezelfde bronnen van bijgeloof—een bijgeloof uit oorspronkelijk natuurlijke oorzaken ontstaan, en met verschillendewijzigingenvan het eene geslacht op het andere, door alle tijden heen, overgebracht. In sommige vond ik dezelfde geschiedenis, slechts met een kleine verandering in den uiterlijken vorm, en bovendien leerde ik, dat het eene geloof het andere loochende en voor zichzelf alleen aanspraak maakte het ware te zijn.
“Daarna ging ik naar het opleidings-instituut, en daar trof ik een dame aan, een der onderwijzeressen, de kundigste vrouw, die ik ooit gekend heb, en op haar wijze een brave vrouw ook, maar die het er voor hield, dat de godsdienst de vloek der wereld was, en al haar vrijen tijd besteedde om hem in den een of anderen vorm aan te vallen. Zij is nu al lang dood. En zoo, door al die oorzaken, en het gestadig schouwspel van menschelijke ellende voor oogen, dat voor mijn gevoel in strijd is met het denkbeeld van een barmhartige en wakende Voorzienigheid, is eindelijk het eenige altaar, dat in mijn tempel is overgebleven, een altaar aan den ‘Onbekenden God’ gewijd.”
Evenals de meeste mannen, die over zulke zaken nagedacht hebben, sprak Geoffrey er niet gaarne veel over, inzonderheid niet met vrouwen. Hij wist ook dat hij een neiging had om er minder eerbiedig over te spreken dan hij er over dacht. Maar hij was Beatrice’s kerk der Duisternis niet binnengetreden; hij had die voor altijd den rug toe gekeerd, hoewel hij, zooals de meeste menschen, in verschillende tijdperken van zijn vroeger leven een uur in haar voorportaal vertoefd had. Dus waagde hij een tegenwerping.
“Ik ben geen godgeleerde,” sprak hij, “en ik houd niet vantwistredenen op zulk een gebied. Maar er zijn een paar aanmerkingen, die ik wel zou willen maken. Naar mijn gevoelen, is het bestaan van kwaad en ongeluk onder het menschdom niet als een bewijsgrond aan te voeren dat er geen barmhartige hoogere Macht bestaat; want wat zijn de menschen, dat er zoo iets niet onder hen zou zijn? De mensch moet ook een meester erkennen. Als hij twijfelingen heeft, laat hij de oogen dan opslaan tot den sterrenhemel, en dan zullen zij verdwijnen.”
“Neen,” zeide Beatrice, “ik vrees van neen. Kant heeft dat gezegd, maar vroeger heeft Molière dezen bewijsgrond een gek in den mond gelegd. De sterrenhemel bewijst niets meer dan de regendruppels, die langs de vensterruiten druipen. ’t Is geen kwestie van grootte en hoeveelheid.”
“Ik kan dat beeld wel aannemen,” hervatte Geoffrey; “het eene voorbeeld van wet is voor mijn bedoeling even goed als het andere. Ik zie in alles de werking van een levenden Wil, maar dat is, natuurlijk,mijnzienswijze, niet de uwe.”
“Neen, vrees ik,” antwoordde Beatrice; “al die redeneering, uit stoffelijke dingen geput, treft mij niet. Zoo maakten de Heidenen hun godsdienst. Zij leidden het Inwendige af van het Uitwendige, het geestelijke van het stoffelijke. Dat kan niet; als het Christendom waar is, moet het op een geestelijken voet staan en met een geestelijke stem spreken, niet in donder, maar in de harten der menschen. Het bestaan van een Scheppende Macht bewijst niet het bestaan van een Verlosser; veeleer strekt het om dat te loochenen, want de macht, die schept, is ook de macht, die vernietigt. Wat mij echter treft, is hoe de groote menigte over den Dood denkt.Datis het, waarover wij ons bekommeren, niet over een Eeuwige Macht, altijd scheppend en vernietigend. Denk eens aan al die zielen van vroegere, sinds duizenden jaren niet meer bestaande menschenrassen, die niet veel meer dan dieren waren. Zoudt ge denken, dat de ziel van een neger, die in den tijd van Mozes stierf, nu ergens was?”
“Er was op aarde voor allen plaats,” antwoordde Geoffrey; “hetheelal is groot. Er zijn zooveel raadselen in onze natuur, de natuur, die wij meenen te kennen—zullen er dan geene zijn in het voor ons onbekende? Werelden gaan te niet, om weer bewoond te worden, als namillioeneneeuwen de toestanden weer gunstig zijn om te leven, en waarom zou het met den mensch ook niet zoo zijn? Wij zijn schepselen op deze wereld envandeze wereld, Waarom zou ons lot dan niet als het hare zijn? Zij moge veranderen van gas in chaos, van chaos tot werkzaam leven, van werkzaam leven tot schijnbaren dood. Dan kan zij weer tot haar elementen overgaan, en van die elementen tot een samengesteld geheel, en zoo altijd door, altijd veranderend, maar altijd dezelfde. Tot zoover de natuur tot zinnebeeld genomen. ’t Is geen volkomen analogie, want de mensch is iets, van al het andere afgescheiden; het moge slechts een wenk of een type zijn, maar het is toch iets.
“Om nu op de kwestie van onzen godsdienst te komen. Ik moet bekennen, dat ik uit uw gegevens een geheel andere gevolgtrekking maak. Gij zegt, dat ge in alle godsdiensten dezelfde bijgeloovigheden bespeurt, en dat dezelfde geestelijke mythe in den een of anderen vorm in bijna alle gevonden wordt. Welnu, duidt dat niet aan dat dezelfde grootewaarheidaan elken ten grondslag ligt en van tijd tot tijd den vorm aanneemt, die het best geschikt is voor de geestelijke ontwikkeling zijner belijders? Elke nieuwe groote godsdienst is beter dan voorafgaande. Gij kunt het Osirianisme niet vergelijken met hetBuddhisme, of het Buddhisme met het Christendom, of het Mahomedanisme met den Arabischen afgodendienst. Neem het oude beeld—houd een stuk kristal in de zon, en gij zult er verschillende kleuren uit zien stralen. Zij schijnen verschillend, maar zij zijn alle uit hetzelfde groote licht ontstaan; zij zijn alle hetzelfde licht. Kan het zoo ook niet met de godsdiensten zijn? Laat uw altaar aan den ‘Onbekenden God’ gewijd zijn, zoo gij wilt—want wie kan aan de Macht boven ons een onveranderlijke gelijkenis geven?—maar haal uw altaar niet omver.
“Maak er staat op, Miss Granger, niettegenstaande alles wat het tegendeel aanduidt, er is een wakende Voorzienigheid boven ons, zonder wier wil wij niet kunnen leven, en als wij die Voorzienigheid verwerpen en ons verstand er voor in de plaats stellen, zullen wij er ons niets dan verdriet door berokkenen. Ik wenschte dat ge wildet beproeven het vraagstuk uit een ander, een hooger gezichtspunt te beschouwen. Ge zult, geloof ik, ondervinden, dat het voor veel onderzoek vatbaar is, en tot het besluit komen, dat de beslissende uitspraak van een wijshoofd, die zegt dat er niets is, omdat hij niets ziet, niet noodwendig de ware is. Ziedaar, dat is alles, wat ik wilde zeggen, en ik wenschte dat ik het beter zeggen kon.”
“Dank u,” sprak Beatrice, “ik zal het in gedachten houden. Hier zijn wij al thuis; ik moet Effie naar bed brengen.”
Het mag wel vermeld worden, dat Geoffrey’s raad niet geheel in den wind geslagen werd. Beatrice beproefde het vraagstuk nog eens te onderzoeken, en hoewel het Geloof niet geheel en al bij haar terugkwam, was de Hoop ten minste in haar hart ontwaakt, en “de meeste van deze, die de Liefde is,” had haar nooit verlaten. De Hoop kwam langzaam terug, waarschijnlijk niet door redeneering, maar veeleer door voorbeeld. In de zee van Twijfel zag zij een ander baken, al was het ook maar op het wrakhout van het vergane schip. Dit moedigde haar aan. Geoffrey geloofde, en zij—zij hechtte geloof aan het geloof van Geoffrey. Is dit niet het geheim der filosofie van menige vrouw—zelfs in zekere mate van zulk een vrouw als Beatrice? Haar geloofsleer is het geloof van hem, dien zij vertrouwt. En Geoffrey was degene, in wien Beatrice vertrouwen begon te stellen, des te meer omdat zij vroeger nooit vertrouwen in iemand had gesteld. Wat zij er anders ook bij mocht verliezen, dit won zij er ten minste bij, toen zij zijn leven had gered.
Hoofdstuk XIV.Voortgestuwd.Op den dag na hun godsdienstige gedachtenwisseling, gebeurde er iets, waarvan het gevolg was, dat Geoffrey en Beatrice meer dan ooit in elkanders gezelschap waren. In de vorige week waren er twee gevallen van roodvonk onder de schoolkinderen voorgekomen, en nu had de epidemie zich zóó verspreid, dat de school gesloten moest worden. Dus had Beatrice al haar tijd voor zichzelve. Dat had Geoffrey ook. Het was zijn gewoonte, zich elken ochtend vóór het ontbijt te baden, waarna hij het overige van den dag niets te doen had. Beatrice ging met de kleine Effie ook vóór het ontbijt een bad nemen in de dames-badplaats, op een kwartmijl afstands, en soms ontmoette hij haar als hij terugkwam, met een blos van gezondheid en schoonheid op haar gelaat, en haar half gedroogd haar in zware vlechten langs haar rug golvend. Na het ontbijt brachten zij Effie naar het strand, en daar gaf haar “tantetje,” zooals zij Beatrice noemde, haar les, totdat het kind vermoeid was, en wegliep, om in de zee te plassen of tusschen de rotsen garnalen te zoeken.Intusschen spraken Effie’s vader en Beatrice—niet over godsdienst, dit punt lieten zij rusten, en ook niet over Owen Davies, maar over allerlei andere onderwerpen. Beatrice was vroolijk van aard, en zij waren nooit om stof tot gesprek verlegen, want er was veel overeenstemming tusschen hen. In boekenkennis won Beatrice het van hem, want zij had niet alleen veel gelezen, maar zij onthield ook goed wat zij gelezen had en wist het te pas te brengen. Zij had ook een scherp onderzoekingsvermogen. Hij, daarentegen, had meer wereldkennis, en in zijn rijke dagen had hij veel gereisd, en zoo wist de een den ander altijd wat te vertellen. Geen oogenblik verveelden zij zich in elkanders gezelschap. Zoo verliep de ochtend maar al te spoedig, en als zij tegen het middagmaal thuiskwamen, werden zij door Elisabeth met een koelen glimlach begroet, en met veel hartelijkheid door den ouden man, die nooit aan iets buiten den kring van zijn eigen zaken dacht. Na het middagmaal was ’t weer hetzelfde. Of zij gingen wandelen, om naar de varens en bloemen te zien, of Geoffrey nam zijn geweer, en verschool zich achter de rotsen, om kemphanen te schieten, en zond Beatrice, die de kust zoo goed kende, naar een landtong, om hen op te jagen. Dan kwam zij terug, van rots tot rots naar hem toe springende, en hurkte achter een naburigen, met zeewier begroeiden rotsklomp neder, en dan spraken zij fluisterend, of in ’t geheel niet, om de vogels, die in de vlucht waren, niet te verschrikken. En Geoffrey zag eerst naar de lucht, om kemphanen of wilde eenden in ’t oog te krijgen, en als hij die niet zag, liet hij zijn blik vallen op de reine schoonheid van Beatrice’s gelaat, en dan kwam de vraag bij hem op, waar zij toch wel over dacht; totdat zij, eensklaps zijn blik gevoelende, zich met een glimlach, zoo liefelijk als het eerste morgenrood op het water, tot hem wendde en hem vroeg waarhijover dacht. En dan lachte hij, en antwoordde: “Aan u,” waarop zij weder glimlachte en misschien een weinig bloosde, verblijd in haar hart, zonder te weten waarom.Dan kwam de tijd van theedrinken, wanneer zij voor het open venster zaten en Geoffrey naar het ruischen van de zee en het suizen van de avondkoelte door de pijnboomen luisterde. In den hoek zat Granger in zijn armstoel te slapen, of misschien was hij voor goed naar bed gegaan, want hij ging gaarne om half negen naar bed, zooals zijn vader, de pachter uitHerefordshire, placht te doen; en aan het andere einde der kamer zat Elisabeth, bij het licht van een enkele kaars haar rekeningen opmakende, of als zij die niet had, in een of ander stichtelijk boek lezende. Maar over den rand van het boek heen, of van het blad met gekrabbelde berekeningen, sloeg zij telkens de oogen op naar het paar voor het venster, en dan glimlachte zij. Maar zij zagen die blikken niet, en merkten dien glimlach niet op. Als Geoffrey naar dien kant zag, wat hij niet dikwijls deed, want Elisabeth—de oudeElisabeth, zooals hij haar bij zichzelven altijd noemde—had niets aantrekkelijks voor hem, zag hij niets anders dan haar hoekige gestalte over haar werk gebogen en het licht van de kaars op haar strookleurig haar en haar harde knokkels vallen.En zoo verliep de dag, en kwam de tijd van ter ruste te gaan, met zijn droomen, die wel achterwege hadden mogen blijven.Geoffrey dacht van dit alles geen kwaad, zooals hij eigenlijk had behooren te doen. Hij was niet de brieschende leeuw uit werken van verdichting—zelden in het werkelijk leven ontmoet—rondgaande en zoekende, wien hij zou kunnen verslinden. Hij legde het er volstrekt niet op toe, Beatrice’s liefde te winnen, evenmin als zij van haar kant de zijne zocht, en dat eerste voorgevoel van kwaad was hij vergeten. In de eerste dagen van hun vertrouwelijkheid kwam er, wel is waar, een wroegend gevoel van twijfel bij hem, op, maar dat zette hij als ongerijmd van zich. Hij geloofde niet aan de teedere weerloosheid van volwassen vrouwen, want hij had bij ondervinding dat zij volkomen in staat waren—en meestal meer dan in staat—voor zichzelven te zorgen. Het scheen hem belachelijk toe, dat een meisje als Beatrice, zoo bevoegd om zich over de gewichtige vraagstukken des levens een gevoelen te vormen en te oordeelen, als een kind behandeld moest worden, en dat hij zich uit Bryngelly zou moeten verwijderen, uit vrees dat haar jeugdig hart verstrikt zou worden. Hij hield zich verzekerd, dat haar gevoel nooit anders zou spreken dan met haar volle toestemming.Toen dacht hij er in ’t geheel niet meer over. Er lag dan ook alleen reeds in het denkbeeld van zoo iets een vooronderstelling, die slechts aannemelijk geweest zou zijn voor een man, die met zichzelven ingenomen was—namelijk, de mogelijkheid, dat die jonge dame verliefd op hem werd. Welk recht had hij om zoo iets te vooronderstellen? Dat was een onbeschaamde verwaandheid. Dat er een andere mogelijkheid bestond—namelijk, dat hij zich meer aan haar zou hechten dan wenschelijk was—kwam hemechter eens of tweemaal in de gedachten. Maar daar haalde hij de schouders voor op. Daar hadhijin allen gevalle op te passen, en het konhaargeen kwaad. Doch weldra verdwenen al zulke verontrustende opkomende gedachten. Zij losten zich op in het heldere licht der vriendschap. Later, als vriendschap haar tijd had gehad, zouden zij zich misschien onder een anderen naam weder doen gelden en een strenger aanzien vertoonen.Het was toch al te belachelijk dat hij, op zijn leeftijd, verliefd zou worden als een jongen; hij gevoelde niet anders dan dankbaarheid en belangstelling—en zij niet anders dan genoegen in zijn gezelschap. Wat hun vertrouwelijkheid betrof—dien vertrouwelijken omgang, waardoor zij reeds bijna elkanders gedachten konden raden, waardoor zij zich naar elkanders stemming wisten te voegen, waardoor zij denzelfden smaak voor het schoone hadden, en zelfs harmonie van ziel in de tegenstrijdigste gevoelens konden ontdekken—dat was immers niet meer dan natuurlijk tusschen twee menschen, die te zamen een verschrikkelijk gevaar hadden uitgestaan. Dus namen zij het goede, dat hun te genieten was gegeven, aan, en lieten zich door het lot zacht voortstuwen, waarheen vroegen zij niet.Op zekeren dag viel er echter iets voor, dat beiden de oogen had moeten openen. Zij hadden beiden afgesproken, of liever, het was een stilzwijgende overeenkomst, dat zij dien namiddag, als naar gewoonte, zouden uitgaan. Geoffrey zou zijn geweer meenemen, en Beatrice een boek; maar het toeval wilde dat Beatrice, toen zij, even vóór het middagmaal, uit het dorp, waar zij garen had gekocht om Effie’s kleeren te verstellen, terugkwam, Owen Davies van aangezicht tot aangezicht ontmoette. Het was hun eerste ontmoeting zonder getuigen sedert dien Zondag, waarvan de gebeurtenissen beschreven zijn, en dus was er, natuurlijk, iets gedwongens in. Owen bleef staan, zoodat zij hem niet met een enkele buiging kon voorbijloopen, keerde zich om en liep met haar mede. Na een paar aanmerkingen over het weer, was de stof tot gesprek uitgeput.“Ge herinnert u wel dat ge dezen namiddag op het kasteel zult komen?” zeide hij eindelijk.“Op het kasteel!” antwoordde zij. “Neen, daar heb ik niets van gehoord.”“Heeft uw zuster u dan niet gezegd dat zij dit, reeds langer dan een week geleden, voor zichzelve en u heeft afgesproken? Gij zoudt het kleine meisje meebrengen; zij wil zoo gaarne het gezicht zien, dat men boven van den toren heeft.”Nu schoot het Beatrice te binnen. Elisabeth had het haar gezegd, en zij had het maar het best geacht zich er in te schikken. Het was haar geheel uit de gedachten gegaan.“O, neem me niet kwalijk! Ja, nu herinner ik mij, maar het ik heb een ander plan gemaakt—hoe dom, dat ik het vergeten was!”“Gij waart het vergeten,” zeide hij, met zijn zware stem; “vergeet gij dan zoo licht iets, waarnaar ik de heele week zoo verlangend heb uitgezien? Wat is uw plan—zeker met mijnheer Bingham uit wandelen te gaan?”“Ja,” antwoordde Beatrice, “met mijnheer Bingham uit te gaan.”“Gij gaat tegenwoordig elken dag met mijnheer Bingham uit.”“En wat zou dat?” zeide Beatrice, met levendigheid. “Ik zal toch wel het recht hebben, mijnheer Davies, om uit te gaan met wien ik verkies?”“Ja, natuurlijk; maar de afspraak om op het kasteel te komen was het eerst gemaakt; zult gij die niet houden?”“Natuurlijk zal ik die houden; ik houd altijd een afspraak, die ik gemaakt heb.”“Goed, ik verwacht u dan te drie uur.”Beatrice ging in een zonderling geprikkelde gemoedsstemming naar huis. Natuurlijk wilde zij niet gaarne naar het kasteel gaan, en zij wilde wèl gaarne met Geoffrey uitgaan. Er was echter niets tegen te doen.Toen zij thuis kwam, vond zij Geoffrey daar niet. Hij was bij dokter Chambers, dien hij op het strand ontmoet had, hetluncheongaan gebruiken. Eer hij terugkwam, waren zij alle drie naar het kasteel gegaan; Beatrice had Betty de boodschap gegeven dit te zeggen.Omstreeks een kwartier later, kwam Geoffrey terug, om zijn geweer en Beatrice te halen, maar Beatrice was niet thuis, en het eenige, wat hij van Betty kon te weten komen, was dat zij mijnheer Davies was gaan bezoeken.Hij was letterlijk woedend, ofschoon hij wist hoe onredelijk zijn toorn was. Maar de teleurstelling was voor hem te zwaar om er bedaard onder te blijven. In zijn kwade luim ging hij nu maar alleen uit, om een allerverdrietigsten namiddag door te brengen. Bij elken stap scheen hij Beatrice meer te missen, en hij werd hoe langer hoe toorniger om hetgeen hij haar “lompheid” noemde. Het kwam, natuurlijk, niet bij hem op dat hij eigenlijk wrevelig was, omdat zij Davies was gaan bezoeken, of dat haar gezelschap zoo onmisbaar voor hem was geworden dat het een verdriet voor hem was er zelfs een enkelen namiddag van beroofd te zijn. Tot overmaat van ramp, had hij dien namiddag maar drie schoten, die hij alle drie miste, en dat maakte hem nog knorriger.Intusschen vermaakte Beatrice zich evenmin op het kasteel als Geoffrey op het strand. Owen Davies liet zijn bezoeksters de groote ongebruikte kamers en de schilderijen zien, maar die had zij reeds vroeger gezien, en hoewel er eenige zeer fraaie onder waren, was zij er niet op gesteld ze nog eens te zien—ten minste, dien namiddag niet. Maar Elisabeth beschouwde ze met gretige oogen, en berekende inwendig wat zij wel waard zouden zijn—benieuwd of zij ooit haar eigendom zouden worden.“Wat is dat voor een schilderij?” vroeg zij, naar een fraai portret van een Hollandschen Burgemeester, van Rembrandt, wijzende.“Dat,” antwoordde Owen, die volstrekt geen verstand van schilderkunst had, en er nog minder om gaf, “dat is een Velasquez, op £ 3000 geschat—neen,” de catalogus inziende en lezende, “ik vergis mij, die daarnaast is een Velasquez; ’t is een Rembrandt, een van de beste stukken van dien meester, dat al zijn meesterschapover licht en schaduw doet uitkomen.Het is geschat op 4000 guinjes.”“Vier duizend guinjes!” riep Elisabeth uit. “Een waarde van vier duizend guinjes hangt zoo maar aan den wand!”En zoo ging het voort. Elisabeth deed vragen, en Owen beantwoordde ze met behulp van den catalogus, totdat zij eindelijk al de schilderijen gezien hadden. Toen dronken zij thee in de kleine huiskamer van den eigenaar van al die pracht. Tot haar ergernis, zat Owen tegenover Beatrice, en had zijn oogen niet van haar af, terwijl zij met Effie op haar schoot zat, en Elisabeth, die dit opmerkte, beet zich vanjaloerschheidop de lippen. Zij had goedgevonden haar zuster hier te brengen; Davies moest niet denken dat zij Beatrice voor hem uit den weg hield, maar die stilzwijgende afgodische vereering ergerde haar. Na het theedrinken klommen zij naar den top van den toren, en Effie juichte over het gezicht, dat men van daar had, en dat werkelijk zeer schoon was. Hier had Owen een kort gesprek met Elisabeth.“Uw zuster schijnt over iets uit haar humeur te zijn,” zeide hij.“Dat lijkt wel,” antwoordde zij onverschillig. “Beatrice heeft zoo haar nukken. Ik geloof dat zij van middag met mijnheer Bingham op de jacht had willen gaan.”Als Owen een minder godsdienstig man was geweest, zou hij gevloekt hebben; nu zeide hij alleen maar: “Mijnheer Bingham—’t is altijd mijnheer Bingham, van den ochtend tot den avond! Wanneer gaat hij heen?”“De volgende week, geloof ik. Het zal Beatrice wel spijten; zij is zoo op zijn gezelschap gesteld. En nu geloof ik, dat wij naar huis moeten gaan;” en toen zij heenging, liet zij dezen vergiftigden pijl in zijn borst achter.Toen zij op de pastorie terug waren, en nadat zij Effie haar gebedje had laten opzeggen en haar in haar bedje had gelegd, ging zij naar het hek, om nog een rustig poosje voor zichzelve te hebben eer het tijd voor het avondeten was. Geoffrey was nog niet thuis gekomen.Het was een liefelijke herfstavond; de zee scheen te slapen, en de lichte wolkjes, waardoor de gloed der ondergaande zon verbleekt was, zweefden als een kronkelende dunne rook langs het blauwe uitspansel. Waarom was Bingham nog niet terug? dacht zij; hij zou nauwelijks tijd hebben om van kleeding te verwisselen. Als hem eens een ongeluk overkomen was? Gekheid! wat voor ongeluk zou hem gebeurd kunnen zijn? Hij was zoo forsch en zoo sterk, hij scheen ongelukken te trotseeren; en toch had hij het aan haar te danken dat hij nog die krachtige man was. Hoe verheugde het haar dat zij in staat was geweest hem van den dood te redden! Daar kwam in de verte zijn forsche gestalte uit den avondnevel te voorschijn.Naast het hek, waarop zij leunde, was een zijhekje. Daar liep Geoffrey recht op aan, alsof hij haar niet zag; hij zag haar wel, maar hij was misnoegd op haar.Zij liet hem het hek doorgaan, dat hij langzaam sloot, misschien om haar gelegenheid te geven om te spreken, als zij het wilde; toen zeide zij, meenende dat hij haar niet gezien had, op haar zachten, welwillenden toon:“Hebt gij een goede jacht gehad, mijnheer Bingham?”“Neen,” gaf hij kortaf ten antwoord: “ik heb weinig gezien, en het weinige, wat ik zag, gemist.”“Dat spijt mij, behalve voor de vogels. Ik vind het zoo naar, dat die arme vogels geschoten worden. Hebt ge mij in dat witte kleed niet gezien? Ik zag u al op vijftig meter afstands.”“Ja, Miss Granger,” antwoordde hij, “ik heb u wel gezien.”“En gij gingt voorbij, zonder mij toe te spreken; dat was zeer lomp van u—wat scheelt er aan?”“Niet zoo lomp als het van u was, met mij af te spreken om te gaan wandelen, en in plaats daarvan mijnheer Davies een bezoek te brengen.”“Dat kon ik niet helpen, mijnheer Bingham; het was een oude afspraak, die ik vergeten was.”“Juist, dames hebben altijd een verontschuldiging om te doen wat zij gaarne willen.”“’t Is geen verontschuldiging, mijnheer Bingham,” hernam Beatrice, met waardigheid; “ik behoef mijn gangen tegenover u niet te verontschuldigen.”“Natuurlijk niet, Miss Granger; maar een andermaal zal het toch beleefder zijn het mij te zeggen, als gij van plan verandert, weet ge. Ik twijfel echter niet of het kasteel zal veel aantrekkelijks voor u hebben.”Zij wierp hem een vlammenden blik toe, en wilde heengaan; maar toen zij zich omkeerde, werd zijn hart verzacht en schaamde hij zich.“Miss Granger, ga niet heen; vergeef mij. Ik weet niet hoe ik zoo onbeleefd heb kunnen zijn; ik had zoo niet moeten spreken. Het geval is eigenlijk dat ik zeer teleurgesteld was omdat ge niet kwaamt. Om u de waarheid te zeggen, heb ik u schrikkelijk gemist.”“Ge hebt mij gemist? Dat is heel aardig van u; men heeft wel gaarne dat ons gemis gevoeld wordt. Maar als ge mij voor een enkelen namiddag zoo gemist hebt, hoe zult ge het dan wel over een week maken, als ge weg zijt en mij heelemaal moet missen?”Beatrice sprak op een schertsenden toon en lachte, maar haar lach liep uit op iets, dat veel van een zucht had. Hij zag haar aan, totdat zij de oogen nedersloeg.“Dat weet de Hemel!” antwoordde hij droevig.“Laten we naar binnen gaan,” zeide Beatrice, op een gedwongen toon, “de avondlucht is kil geworden.”
Op den dag na hun godsdienstige gedachtenwisseling, gebeurde er iets, waarvan het gevolg was, dat Geoffrey en Beatrice meer dan ooit in elkanders gezelschap waren. In de vorige week waren er twee gevallen van roodvonk onder de schoolkinderen voorgekomen, en nu had de epidemie zich zóó verspreid, dat de school gesloten moest worden. Dus had Beatrice al haar tijd voor zichzelve. Dat had Geoffrey ook. Het was zijn gewoonte, zich elken ochtend vóór het ontbijt te baden, waarna hij het overige van den dag niets te doen had. Beatrice ging met de kleine Effie ook vóór het ontbijt een bad nemen in de dames-badplaats, op een kwartmijl afstands, en soms ontmoette hij haar als hij terugkwam, met een blos van gezondheid en schoonheid op haar gelaat, en haar half gedroogd haar in zware vlechten langs haar rug golvend. Na het ontbijt brachten zij Effie naar het strand, en daar gaf haar “tantetje,” zooals zij Beatrice noemde, haar les, totdat het kind vermoeid was, en wegliep, om in de zee te plassen of tusschen de rotsen garnalen te zoeken.
Intusschen spraken Effie’s vader en Beatrice—niet over godsdienst, dit punt lieten zij rusten, en ook niet over Owen Davies, maar over allerlei andere onderwerpen. Beatrice was vroolijk van aard, en zij waren nooit om stof tot gesprek verlegen, want er was veel overeenstemming tusschen hen. In boekenkennis won Beatrice het van hem, want zij had niet alleen veel gelezen, maar zij onthield ook goed wat zij gelezen had en wist het te pas te brengen. Zij had ook een scherp onderzoekingsvermogen. Hij, daarentegen, had meer wereldkennis, en in zijn rijke dagen had hij veel gereisd, en zoo wist de een den ander altijd wat te vertellen. Geen oogenblik verveelden zij zich in elkanders gezelschap. Zoo verliep de ochtend maar al te spoedig, en als zij tegen het middagmaal thuiskwamen, werden zij door Elisabeth met een koelen glimlach begroet, en met veel hartelijkheid door den ouden man, die nooit aan iets buiten den kring van zijn eigen zaken dacht. Na het middagmaal was ’t weer hetzelfde. Of zij gingen wandelen, om naar de varens en bloemen te zien, of Geoffrey nam zijn geweer, en verschool zich achter de rotsen, om kemphanen te schieten, en zond Beatrice, die de kust zoo goed kende, naar een landtong, om hen op te jagen. Dan kwam zij terug, van rots tot rots naar hem toe springende, en hurkte achter een naburigen, met zeewier begroeiden rotsklomp neder, en dan spraken zij fluisterend, of in ’t geheel niet, om de vogels, die in de vlucht waren, niet te verschrikken. En Geoffrey zag eerst naar de lucht, om kemphanen of wilde eenden in ’t oog te krijgen, en als hij die niet zag, liet hij zijn blik vallen op de reine schoonheid van Beatrice’s gelaat, en dan kwam de vraag bij hem op, waar zij toch wel over dacht; totdat zij, eensklaps zijn blik gevoelende, zich met een glimlach, zoo liefelijk als het eerste morgenrood op het water, tot hem wendde en hem vroeg waarhijover dacht. En dan lachte hij, en antwoordde: “Aan u,” waarop zij weder glimlachte en misschien een weinig bloosde, verblijd in haar hart, zonder te weten waarom.
Dan kwam de tijd van theedrinken, wanneer zij voor het open venster zaten en Geoffrey naar het ruischen van de zee en het suizen van de avondkoelte door de pijnboomen luisterde. In den hoek zat Granger in zijn armstoel te slapen, of misschien was hij voor goed naar bed gegaan, want hij ging gaarne om half negen naar bed, zooals zijn vader, de pachter uitHerefordshire, placht te doen; en aan het andere einde der kamer zat Elisabeth, bij het licht van een enkele kaars haar rekeningen opmakende, of als zij die niet had, in een of ander stichtelijk boek lezende. Maar over den rand van het boek heen, of van het blad met gekrabbelde berekeningen, sloeg zij telkens de oogen op naar het paar voor het venster, en dan glimlachte zij. Maar zij zagen die blikken niet, en merkten dien glimlach niet op. Als Geoffrey naar dien kant zag, wat hij niet dikwijls deed, want Elisabeth—de oudeElisabeth, zooals hij haar bij zichzelven altijd noemde—had niets aantrekkelijks voor hem, zag hij niets anders dan haar hoekige gestalte over haar werk gebogen en het licht van de kaars op haar strookleurig haar en haar harde knokkels vallen.
En zoo verliep de dag, en kwam de tijd van ter ruste te gaan, met zijn droomen, die wel achterwege hadden mogen blijven.
Geoffrey dacht van dit alles geen kwaad, zooals hij eigenlijk had behooren te doen. Hij was niet de brieschende leeuw uit werken van verdichting—zelden in het werkelijk leven ontmoet—rondgaande en zoekende, wien hij zou kunnen verslinden. Hij legde het er volstrekt niet op toe, Beatrice’s liefde te winnen, evenmin als zij van haar kant de zijne zocht, en dat eerste voorgevoel van kwaad was hij vergeten. In de eerste dagen van hun vertrouwelijkheid kwam er, wel is waar, een wroegend gevoel van twijfel bij hem, op, maar dat zette hij als ongerijmd van zich. Hij geloofde niet aan de teedere weerloosheid van volwassen vrouwen, want hij had bij ondervinding dat zij volkomen in staat waren—en meestal meer dan in staat—voor zichzelven te zorgen. Het scheen hem belachelijk toe, dat een meisje als Beatrice, zoo bevoegd om zich over de gewichtige vraagstukken des levens een gevoelen te vormen en te oordeelen, als een kind behandeld moest worden, en dat hij zich uit Bryngelly zou moeten verwijderen, uit vrees dat haar jeugdig hart verstrikt zou worden. Hij hield zich verzekerd, dat haar gevoel nooit anders zou spreken dan met haar volle toestemming.
Toen dacht hij er in ’t geheel niet meer over. Er lag dan ook alleen reeds in het denkbeeld van zoo iets een vooronderstelling, die slechts aannemelijk geweest zou zijn voor een man, die met zichzelven ingenomen was—namelijk, de mogelijkheid, dat die jonge dame verliefd op hem werd. Welk recht had hij om zoo iets te vooronderstellen? Dat was een onbeschaamde verwaandheid. Dat er een andere mogelijkheid bestond—namelijk, dat hij zich meer aan haar zou hechten dan wenschelijk was—kwam hemechter eens of tweemaal in de gedachten. Maar daar haalde hij de schouders voor op. Daar hadhijin allen gevalle op te passen, en het konhaargeen kwaad. Doch weldra verdwenen al zulke verontrustende opkomende gedachten. Zij losten zich op in het heldere licht der vriendschap. Later, als vriendschap haar tijd had gehad, zouden zij zich misschien onder een anderen naam weder doen gelden en een strenger aanzien vertoonen.
Het was toch al te belachelijk dat hij, op zijn leeftijd, verliefd zou worden als een jongen; hij gevoelde niet anders dan dankbaarheid en belangstelling—en zij niet anders dan genoegen in zijn gezelschap. Wat hun vertrouwelijkheid betrof—dien vertrouwelijken omgang, waardoor zij reeds bijna elkanders gedachten konden raden, waardoor zij zich naar elkanders stemming wisten te voegen, waardoor zij denzelfden smaak voor het schoone hadden, en zelfs harmonie van ziel in de tegenstrijdigste gevoelens konden ontdekken—dat was immers niet meer dan natuurlijk tusschen twee menschen, die te zamen een verschrikkelijk gevaar hadden uitgestaan. Dus namen zij het goede, dat hun te genieten was gegeven, aan, en lieten zich door het lot zacht voortstuwen, waarheen vroegen zij niet.
Op zekeren dag viel er echter iets voor, dat beiden de oogen had moeten openen. Zij hadden beiden afgesproken, of liever, het was een stilzwijgende overeenkomst, dat zij dien namiddag, als naar gewoonte, zouden uitgaan. Geoffrey zou zijn geweer meenemen, en Beatrice een boek; maar het toeval wilde dat Beatrice, toen zij, even vóór het middagmaal, uit het dorp, waar zij garen had gekocht om Effie’s kleeren te verstellen, terugkwam, Owen Davies van aangezicht tot aangezicht ontmoette. Het was hun eerste ontmoeting zonder getuigen sedert dien Zondag, waarvan de gebeurtenissen beschreven zijn, en dus was er, natuurlijk, iets gedwongens in. Owen bleef staan, zoodat zij hem niet met een enkele buiging kon voorbijloopen, keerde zich om en liep met haar mede. Na een paar aanmerkingen over het weer, was de stof tot gesprek uitgeput.
“Ge herinnert u wel dat ge dezen namiddag op het kasteel zult komen?” zeide hij eindelijk.
“Op het kasteel!” antwoordde zij. “Neen, daar heb ik niets van gehoord.”
“Heeft uw zuster u dan niet gezegd dat zij dit, reeds langer dan een week geleden, voor zichzelve en u heeft afgesproken? Gij zoudt het kleine meisje meebrengen; zij wil zoo gaarne het gezicht zien, dat men boven van den toren heeft.”
Nu schoot het Beatrice te binnen. Elisabeth had het haar gezegd, en zij had het maar het best geacht zich er in te schikken. Het was haar geheel uit de gedachten gegaan.
“O, neem me niet kwalijk! Ja, nu herinner ik mij, maar het ik heb een ander plan gemaakt—hoe dom, dat ik het vergeten was!”
“Gij waart het vergeten,” zeide hij, met zijn zware stem; “vergeet gij dan zoo licht iets, waarnaar ik de heele week zoo verlangend heb uitgezien? Wat is uw plan—zeker met mijnheer Bingham uit wandelen te gaan?”
“Ja,” antwoordde Beatrice, “met mijnheer Bingham uit te gaan.”
“Gij gaat tegenwoordig elken dag met mijnheer Bingham uit.”
“En wat zou dat?” zeide Beatrice, met levendigheid. “Ik zal toch wel het recht hebben, mijnheer Davies, om uit te gaan met wien ik verkies?”
“Ja, natuurlijk; maar de afspraak om op het kasteel te komen was het eerst gemaakt; zult gij die niet houden?”
“Natuurlijk zal ik die houden; ik houd altijd een afspraak, die ik gemaakt heb.”
“Goed, ik verwacht u dan te drie uur.”
Beatrice ging in een zonderling geprikkelde gemoedsstemming naar huis. Natuurlijk wilde zij niet gaarne naar het kasteel gaan, en zij wilde wèl gaarne met Geoffrey uitgaan. Er was echter niets tegen te doen.
Toen zij thuis kwam, vond zij Geoffrey daar niet. Hij was bij dokter Chambers, dien hij op het strand ontmoet had, hetluncheongaan gebruiken. Eer hij terugkwam, waren zij alle drie naar het kasteel gegaan; Beatrice had Betty de boodschap gegeven dit te zeggen.
Omstreeks een kwartier later, kwam Geoffrey terug, om zijn geweer en Beatrice te halen, maar Beatrice was niet thuis, en het eenige, wat hij van Betty kon te weten komen, was dat zij mijnheer Davies was gaan bezoeken.
Hij was letterlijk woedend, ofschoon hij wist hoe onredelijk zijn toorn was. Maar de teleurstelling was voor hem te zwaar om er bedaard onder te blijven. In zijn kwade luim ging hij nu maar alleen uit, om een allerverdrietigsten namiddag door te brengen. Bij elken stap scheen hij Beatrice meer te missen, en hij werd hoe langer hoe toorniger om hetgeen hij haar “lompheid” noemde. Het kwam, natuurlijk, niet bij hem op dat hij eigenlijk wrevelig was, omdat zij Davies was gaan bezoeken, of dat haar gezelschap zoo onmisbaar voor hem was geworden dat het een verdriet voor hem was er zelfs een enkelen namiddag van beroofd te zijn. Tot overmaat van ramp, had hij dien namiddag maar drie schoten, die hij alle drie miste, en dat maakte hem nog knorriger.
Intusschen vermaakte Beatrice zich evenmin op het kasteel als Geoffrey op het strand. Owen Davies liet zijn bezoeksters de groote ongebruikte kamers en de schilderijen zien, maar die had zij reeds vroeger gezien, en hoewel er eenige zeer fraaie onder waren, was zij er niet op gesteld ze nog eens te zien—ten minste, dien namiddag niet. Maar Elisabeth beschouwde ze met gretige oogen, en berekende inwendig wat zij wel waard zouden zijn—benieuwd of zij ooit haar eigendom zouden worden.
“Wat is dat voor een schilderij?” vroeg zij, naar een fraai portret van een Hollandschen Burgemeester, van Rembrandt, wijzende.
“Dat,” antwoordde Owen, die volstrekt geen verstand van schilderkunst had, en er nog minder om gaf, “dat is een Velasquez, op £ 3000 geschat—neen,” de catalogus inziende en lezende, “ik vergis mij, die daarnaast is een Velasquez; ’t is een Rembrandt, een van de beste stukken van dien meester, dat al zijn meesterschapover licht en schaduw doet uitkomen.Het is geschat op 4000 guinjes.”
“Vier duizend guinjes!” riep Elisabeth uit. “Een waarde van vier duizend guinjes hangt zoo maar aan den wand!”
En zoo ging het voort. Elisabeth deed vragen, en Owen beantwoordde ze met behulp van den catalogus, totdat zij eindelijk al de schilderijen gezien hadden. Toen dronken zij thee in de kleine huiskamer van den eigenaar van al die pracht. Tot haar ergernis, zat Owen tegenover Beatrice, en had zijn oogen niet van haar af, terwijl zij met Effie op haar schoot zat, en Elisabeth, die dit opmerkte, beet zich vanjaloerschheidop de lippen. Zij had goedgevonden haar zuster hier te brengen; Davies moest niet denken dat zij Beatrice voor hem uit den weg hield, maar die stilzwijgende afgodische vereering ergerde haar. Na het theedrinken klommen zij naar den top van den toren, en Effie juichte over het gezicht, dat men van daar had, en dat werkelijk zeer schoon was. Hier had Owen een kort gesprek met Elisabeth.
“Uw zuster schijnt over iets uit haar humeur te zijn,” zeide hij.
“Dat lijkt wel,” antwoordde zij onverschillig. “Beatrice heeft zoo haar nukken. Ik geloof dat zij van middag met mijnheer Bingham op de jacht had willen gaan.”
Als Owen een minder godsdienstig man was geweest, zou hij gevloekt hebben; nu zeide hij alleen maar: “Mijnheer Bingham—’t is altijd mijnheer Bingham, van den ochtend tot den avond! Wanneer gaat hij heen?”
“De volgende week, geloof ik. Het zal Beatrice wel spijten; zij is zoo op zijn gezelschap gesteld. En nu geloof ik, dat wij naar huis moeten gaan;” en toen zij heenging, liet zij dezen vergiftigden pijl in zijn borst achter.
Toen zij op de pastorie terug waren, en nadat zij Effie haar gebedje had laten opzeggen en haar in haar bedje had gelegd, ging zij naar het hek, om nog een rustig poosje voor zichzelve te hebben eer het tijd voor het avondeten was. Geoffrey was nog niet thuis gekomen.
Het was een liefelijke herfstavond; de zee scheen te slapen, en de lichte wolkjes, waardoor de gloed der ondergaande zon verbleekt was, zweefden als een kronkelende dunne rook langs het blauwe uitspansel. Waarom was Bingham nog niet terug? dacht zij; hij zou nauwelijks tijd hebben om van kleeding te verwisselen. Als hem eens een ongeluk overkomen was? Gekheid! wat voor ongeluk zou hem gebeurd kunnen zijn? Hij was zoo forsch en zoo sterk, hij scheen ongelukken te trotseeren; en toch had hij het aan haar te danken dat hij nog die krachtige man was. Hoe verheugde het haar dat zij in staat was geweest hem van den dood te redden! Daar kwam in de verte zijn forsche gestalte uit den avondnevel te voorschijn.
Naast het hek, waarop zij leunde, was een zijhekje. Daar liep Geoffrey recht op aan, alsof hij haar niet zag; hij zag haar wel, maar hij was misnoegd op haar.
Zij liet hem het hek doorgaan, dat hij langzaam sloot, misschien om haar gelegenheid te geven om te spreken, als zij het wilde; toen zeide zij, meenende dat hij haar niet gezien had, op haar zachten, welwillenden toon:
“Hebt gij een goede jacht gehad, mijnheer Bingham?”
“Neen,” gaf hij kortaf ten antwoord: “ik heb weinig gezien, en het weinige, wat ik zag, gemist.”
“Dat spijt mij, behalve voor de vogels. Ik vind het zoo naar, dat die arme vogels geschoten worden. Hebt ge mij in dat witte kleed niet gezien? Ik zag u al op vijftig meter afstands.”
“Ja, Miss Granger,” antwoordde hij, “ik heb u wel gezien.”
“En gij gingt voorbij, zonder mij toe te spreken; dat was zeer lomp van u—wat scheelt er aan?”
“Niet zoo lomp als het van u was, met mij af te spreken om te gaan wandelen, en in plaats daarvan mijnheer Davies een bezoek te brengen.”
“Dat kon ik niet helpen, mijnheer Bingham; het was een oude afspraak, die ik vergeten was.”
“Juist, dames hebben altijd een verontschuldiging om te doen wat zij gaarne willen.”
“’t Is geen verontschuldiging, mijnheer Bingham,” hernam Beatrice, met waardigheid; “ik behoef mijn gangen tegenover u niet te verontschuldigen.”
“Natuurlijk niet, Miss Granger; maar een andermaal zal het toch beleefder zijn het mij te zeggen, als gij van plan verandert, weet ge. Ik twijfel echter niet of het kasteel zal veel aantrekkelijks voor u hebben.”
Zij wierp hem een vlammenden blik toe, en wilde heengaan; maar toen zij zich omkeerde, werd zijn hart verzacht en schaamde hij zich.
“Miss Granger, ga niet heen; vergeef mij. Ik weet niet hoe ik zoo onbeleefd heb kunnen zijn; ik had zoo niet moeten spreken. Het geval is eigenlijk dat ik zeer teleurgesteld was omdat ge niet kwaamt. Om u de waarheid te zeggen, heb ik u schrikkelijk gemist.”
“Ge hebt mij gemist? Dat is heel aardig van u; men heeft wel gaarne dat ons gemis gevoeld wordt. Maar als ge mij voor een enkelen namiddag zoo gemist hebt, hoe zult ge het dan wel over een week maken, als ge weg zijt en mij heelemaal moet missen?”
Beatrice sprak op een schertsenden toon en lachte, maar haar lach liep uit op iets, dat veel van een zucht had. Hij zag haar aan, totdat zij de oogen nedersloeg.
“Dat weet de Hemel!” antwoordde hij droevig.
“Laten we naar binnen gaan,” zeide Beatrice, op een gedwongen toon, “de avondlucht is kil geworden.”
Hoofdstuk XV.Alleen maar goeden nacht.Nog vijf dagen verliepen, maar al te snel, en Maandagochtend was weder gekomen. Het was de 22ste October, en de najaarszittingen begonnen den 24sten. Den volgenden dag, Dinsdag, zou Geoffrey naar Londen terugkeeren, om Lady Honoria te ontmoeten en op zijn bureau aan ’t werk gaan. Dien Maandagochtend was hem een akte gezonden—de grootste, die hij nog ooit ontvangen had—met een brief van zijn klerk er bij, dat de zaak verwacht werd den eersten dag van de zitting op de rol te komen, en dat zijn klerk een afspraak met de zaakwaarnemers voor hem had gemaakt voor Dinsdag 5.15. De akte kwam van de firma van zijn oom, en achterop stond genoteerd: “Met u de Procureur-generaal en de President van het Kanselarij Hof.” Nog hooit had Geoffrey zich achterop een akte in zulk achtbaar gezelschap bevonden, en hij was er niet weinig verrukt over.Maar toen hij de zaak inzag, werd zijn vreugde wel wat getemperd, want het was een van de moeilijkste en ingewikkeldste zaken, die hem ooit waren voorgekomen. Zij betrof een betwist testament van een geldschieter uit Yorkshire, beschikkende over een nalatenschap, ter waarde van over de £ 80.000, en ter legalisatie aangeboden door een nicht van den testateur, die, toen hij stierf, zoo al niet werkelijk zwak van geestvermogens, toch suf was, en bijgeloovig bij krankzinnig af. De nicht, wie het geheele vermogen vermaakt was, met uitsluiting van den zoon en dochter van den overledene, beiden gehuwd en op een andere plaats woonachtig—woonde bij den testateur en paste hem op. Kort vóór zijn dood had hij met zijn nicht een hevigen twist gehad, wegens een liefdesbetrekking, die zij met een getrouwd man van een slechtennaam, een ontslagen procureursklerk, had aangeknoopt. Zoo ernstig was de twist geweest, dat de testateur, drie dagen vóór zijn dood, zijn zaakwaarnemer had ontboden en in allen vorm, door middel van een codicil, een legaat van £2000, dat hij aan zijn nicht vermaakt had (al het overige van zijn vermogen was tusschen zijn zoon en dochter verdeeld) herriep. Den derden dag echter maakte hij een nieuw testament, in het bijzijn van twee dienstboden als getuigen, waarbij hij zijn geheele vermogen aan zijn nicht naliet, met uitsluiting van zijn eigen kinderen. Dit testament, hoewel kort, was in den behoorlijken vorm, en geschreven door niemand wist wien. De dienstboden verklaarden dat de testateur, alvorens het testament te teekenen, volkomen met den inhoud bekend was, want de nicht had het hem in hun bijzijn laten voorlezen. Zij verklaarden echter ook, dat hij verschrikkelijk bang scheen te zijn en tweemaal gezegd had: “Het is achter mij; het is achter mij!”Nog geen uur na het teekenen van het testament, werd de testateur dood gevonden, klaarblijkelijk ten gevolge van een schrik, maar de nicht was op het oogenblik van zijn dood niet in de kamer. Een andere opmerkelijke omstandigheid was dat men dienzelfden avond, toen de testateur te tien uur gestorven was, den in een kwaad gerucht staanden minnaar in de schemering om het huis had zien sluipen. Er kwam nog iets bij. Toen de zoon een boodschap van de nicht had ontvangen dat zijn vader zooveel erger was geworden, en met buitengewonen spoed naar het huis was gegaan, had hij iemand of iets ontmoet—hij wist niet wat—dat van het venster der ziekenkamer, die op de benedenverdieping was, scheen weg te loopen; en later vond men onder dat venster voetstappen. Van die voetstappen waren twee afgietsels gemaakt, waarvan bij de akte photographieën werden gezonden. Het waren de afdruksels van kleine bloote voeten, waaraan een lid van den derden teen aan den rechtervoet scheen te ontbreken. Maar alle pogingen om de voeten, die deze afdruksels gemaakt hadden, te vinden, waren tot dusverre te vergeefs geweest. Het testament werd betwist door de naaste bloedverwanten, voor wieGeoffrey een der advocaten was, op de gewone gronden van onwettigen invloed en bedrog, maar, naar het scheen, met weinig vooruitzicht op welslagen, want hoewel de omstandigheden verdacht waren, was er van geen van beide eenig bewijs. Dit zonderling geval, dat hier kortelijk beschreven is, legde den grondslag tot Geoffrey’s latere uitgebreide praktijk en den naam, dien hij aan de rechtbank maakte.Hij las de akte tweemaal over, dacht er rijpelijk over na, en wist er weinig van te maken. Dat er valsch spel was gespeeld, was in ’t oogspringend, maar hij kon geen gegevens vinden om naar te werk te gaan. Was de persoon, die weggeloopen was, in de zaak betrokken? Zoo ja, waren die voetstappen van hem? Natuurlijk had de voormalige procureursklerk er iets mede te maken, maar wat? Te vergeefs pijnigde Geoffrey zijn hersens; elk denkbeeld, dat hem inviel, stuitte op het een of ander.“Wij zullen het verliezen,” riep hij in wanhoop uit, “verdachte omstandigheden zijn niet genoeg om een testament ongeldig te maken;” en zich tot Beatrice, die aan de tafel zat te werken, wendende, zeide hij hij—“Daar, Miss Granger, gij hebt eenige rechtsgeleerde kennis, zie of gij daar uit wijs kunt worden,” en hij schoof haar de akte toe.Beatrice nam die lachend aan, en zat drie kwartier lang met een aardig gefronst voorhoofd. Eindelijk sloeg zij de akte dicht. “Laat mij de photographieën eens zien,” zeide zij.Geoffrey overhandigde haar die. Zij bezag ze oplettend één voor één, en terwijl zij dat deed, scheen er een licht voor haar op te gaan.“Welnu, hebt ge het gevonden?” vroeg hij.“Ik heb, ten minste, iets gevonden,” antwoordde zij. “Of ’t het rechte is, weet ik niet. Ziet ge, de oude man was bijgeloovig; zij hebben hem bang gemaakt, door een stem, die uit het graf heette te komen, of zoo iets, om hem zoodoende te dwingen het testament te teekenen, en hem, nadat hij het geteekend had, zulk een angst aangejaagd, dat hij van schrik gestorven is. De procureursklerkheeft het testament opgesteld—hij wist wel hoe dat gedaan moest worden. Toen werd hij in de kamer onder het ledekant, of ergens anders verborgen, misschien als een spook verkleed. Dat de nicht den zoon had laten roepen, was maar om verdenking af te weren. Wat men heeft zien wegloopen, was een jongen—dat zijn de voetstappen van een jongen. Ik heb er zooveel duizenden op het strand gezien, dat ik er op zou kunnen zweren. Hij werd van den weg af naar het huis aangetrokken doordat hij iets ongewoons door de jaloezieën zag; de akte zegt dat er geen gordijnen of luiken voor het venster waren. Zie nu de photographieën van de voetstappen. Op No. 1 zijn de teenen diep in het slijk gedrukt. De jongen heeft op de teenen gestaan, om beter te kunnen zien. Maar op No. 2, die gevonden zijn in de nabijheid van de plek, waar de zoon meende iemand te zien loopen, zijn de teenen wijd uiteen. Dat zijn de voetstappen van iemand, die groote haast had. Nu is het toch niet waarschijnlijk, dat een jongen van de straat iets met den dood van den testateur te maken had. Waarom liep die jongen dan zoo hard? Dat zal ik u zeggen: omdat hij geschrikt is van iets, dat hij door de jaloezieën gezien heeft. Zoo verschrikt was hij, dat hij niet te voorschijn zal komen op advertentiën of nasporingen. Zie in het dorp een jongen te vinden, die een lid van den derden teen aan zijn rechtervoet mist, en spoedig zult gij er alles van weten.”“Drommels!” zeide Geoffrey, “wat zoudt gij een knap advocaat aan het Hof van crimineele zaken zijn! Ik geloof, dat ge het hebt. Maar hoe vinden wij dien jongen met het vermiste lid aan den derden teen? Alle mogelijk onderzoek is reeds ingesteld geworden en vruchteloos geweest. Niemand heeft zulk een jongen gezien, wiens gebrek waarschijnlijk toch wel bij zijn ouders of schoolmakkers bekend zou zijn.”“Ja,” hernam Beatrice, “het is mislukt omdat de jongen schoenen is gaan dragen, wat hij trouwens op school altijd had moeten doen. Zijn ouders, als hij die heeft, wilden misschien niet over zijn gebrek spreken, en misschien weet niemand anders er van, vooral niet als hij pas in de buurt was komen wonen. ’t Is ook zeer wel mogelijk,dat hij zijn laarzen heeft uitgetrokken, om beter tegen het venster te kunnen opklimmen. En u zal ik nu zeggen hoe ik te werk zou gaan om hem te vinden. Ik zou elke plaats in de rivier, waar gebaad wordt—er loopt een rivier door het dorp—nauwkeurig doordetectiveslaten onderzoeken. In dit weer (het was een bizonder warme herfst) plassen jongens van die klasse met hun voeten in de rivier, en baden er soms in. Als zij maar scherp genoeg opletten, zullen zij onder die jongens er waarschijnlijk wel een vinden, die een lid van zijn teen mist.”“Welk een goede inval!” zeide Geoffrey. “Ik zal dadelijk den zaakwaarnemers telegrafeeren. Ik geloof zeker dat ge den draad hebt.”En zoo bleek het ook; haar vooronderstellingen waren in bijna elke bizonderheid juist. De jongen was de zoon van een marskramer, die eerst onlangs in het dorp was gekomen, en werd in de rivier wadende gevonden, en door een behendigen streek, die niet vermeld behoeft te worden, er toe gebracht om uit bevreesdheid de waarheid te zeggen, evenals hij vroeger uit bevreesdheid zijn mond had gehouden. Hij had zelfs, zooals Beatrice gegist had, zijn laarzen uitgetrokken om naar het venster op te klimmen, en toen hij in zijn angst wegliep, had hij ze in een sloot geworpen. Daar werden zij gevonden, en zij brachten er veel toe bij om de gezworenen van de waarheid zijner verklaring te overtuigen. Zoo had Beatrice’s scherpzinnigheid den grondslag gelegd tot Geoffrey’s latere vermaardheid.Deze Maandag was een afrekeningsdag op de pastorie. Jones was onwillig gebleven; geen macht op aarde kon hem bewegen de £ 34.11 shilling 4pence, wegens verschuldigde tienden, te betalen. Derhalve had Granger, krachtens een wettig verkregen vonnis, zijn voornemen aangekondigd om het hooi en het vee van Jones te verkoopen. Jones had daarop met brutale trotseering geantwoord. Als er een deurwaarder, of afslager, of een van dat volk kwam om zijn hooi te verkoopen, zou hij hem dooden.Dat had Jones gezegd, en hij riep zijn aanhangers op, waarvan velen tienden schuldig waren, en die geen van allen wilden betalen,om voor zijn zaak te strijden. Van zijn kant had Granger een afslager van erkenden moed aangenomen, die dienzelfden middag, gesteund door zes politie-agenten, zou aankomen om de verkooping te houden. Beatrice was over de geheele zaak ongerust, maar Elisabeth was zeer vastberaden, en de oude predikant was nu eens aan het zwetsen en dan weder neerslachtig. De afslager kwam met den trein van één uur. Hij was een rijzig, kloekgebouwd man, en had in zijn voorkomen wel iets van Geoffrey, zoodat men op een afstand den een licht voor den ander had kunnen aanzien. De verkooping was bepaald op half drie, en Johnson—zoo heette de afslager—ging naar de herberg, om zijn middagmaal te gebruiken alvorens aan de zaken te gaan. Hij was onderricht van de vijandige houding, die tegenover hem aangenomen zou worden, en dat een lid van het Parlement opzettelijk was overgekomen, om zich aan het hoofd van de weerspannigen te stellen; maar, als een moedig man, bekommerde hij zich daar niet over.“Zij blaffen wel, maar zij bijten niet, mijnheer,” zeide hij tot Geoffrey; “ik ben voor dat volk niet bang. Als niemand er op bieden wil, koop ik den boel zelf in.”“Heel goed,” zeide Geoffrey, “maar ik raad u toch op uw hoede te zijn. Ik geloof dat die oude man een ruwe klant is.”Toen ging Geoffrey dineeren.Terwijl zij aan tafel zaten, zagen zij door een gaping in de pijnboomen, dat de groote meerderheid der bevolking van Bryngelly naar de hoeve van Jones stroomde, sommigen om op te ruien, anderen om de grap te zien.“Aanstonds begint de verkooping,” zeide Geoffrey. “Gaat gij er heen, mijnheer Granger?”“Ik had er plan op,” antwoordde de oude heer, “maar Elisabeth vindt beter dat ik maar wegblijf. En een predikant moet zich ook niet te veel met zulke aardsche zaken bemoeien,” liet hij er luchtig op volgen. “Neen, ik moet over het koopen van eenige varkens gaan spreken, heel aan het andere einde van het kerspel, en ik geloof dat ik deze gelegenheid maar zal waarnemen.”“Gij gaat er toch niet heen, mijnheer Bingham?” vroeg Beatrice, op een toon, die haar bezorgdheid verried.“O, ja,” antwoordde hij, “zeker ga ik er heen. Ik zou die kans niet gaarne willen missen. Wel, Beecham Bones zal er zijn, het Parlementslid, dat pas zijn zes maanden heeft uitgezeten wegens opruiing tot geweldpleging. Wij zijn oude bekenden; ik heb met hem schoolgegaan. De arme vent was toen ook al zoo’n dolleman, en ik moet hooren wat voor onzin hij nu weer uitkraamt.”“Ik geloof dat gij beter doet niet te gaan, mijnheer Bingham,” hernam Beatrice; “’t is een ruwe troep.”“Iedereen is zoo lafhartig niet als jij bent,” viel Elisabeth in. “Ik ga er in allen gevalle heen.”“Dat is goed, Miss Elisabeth,” zeide Geoffrey; “dan zullen wij elkaar tegen de revolutionnaire volkswoede beschermen. Kom, ’t is tijd om te gaan.”En zoo gingen zij te zamen heen, en lieten Beatrice ter prooi aan bange voorgevoelens achter.Zij wachtte bijna een uur in huis, en zocht afleiding onder den schijn van met Effie te spelen. Toen kreeg haar ongerustheid de overhand, zij zette haar hoed op en liep de deur uit, Effie aan de zorg van de dienstmaagd overlatende.Beatrice liep snel langs de rots, totdat zij de hoeve van Jones in ’t gezicht kreeg. Van de plaats waar zij stond, kon zij een opeengedrongen menigte zien, en zelfs, als de wind naar haar toe was, geschreeuw en rumoer hooren. Opeens hoorde zij een knal als een geweerschot, zag de menigte in groote verwarring uiteen stuiven en daarna in dichte groepen weer bij elkander staan.“Wat zou dat beteekenen?” dacht Beatrice.Een oogenblik later zag zij twee mannen, zoo snel loopende als zij konden, naar haar toe komen, gevolgd door een vrouw. Nog drie minuten, en zij herkende in die vrouw Elisabeth.De mannen liepen haar nu voorbij.“Wat is ’t?” riep zij.“Moord!” antwoordden zij beiden tegelijk, en spoedden zich voort naar Bryngelly.Een oogenblik na hen kwam Elisabeth; ontzetting stond op haar bleek gelaat te lezen.Beatrice greep haar bij den arm. “Wie is het?” riep zij.“Mijnheer Bingham,” bracht haar zuster hijgend uit. “Hij is doodgeschoten!” En meteen was zij ook weg.Beatrice’s knieën knikten, haar tong kleefde aan haar verhemelte; alles draaide om haar heen. Geoffrey vermoord! O, wat moest zij doen? Waar moest zij zichzelve en haar droefheid verbergen?Een eind ver van het pad stond een geknotte boom, met een grooten platten steen bij den wortel. Daar waggelde Beatrice heen, en op dien steen zonk zij neder, terwijl alles nog om haar heen draaide.Van lieverlede ging die geestbedwelmende duizeling voorbij, en een nog heviger smart doorvlijmde haar ziel. Eerst was zij verdoofd geweest, nu gevoelde zij.Maar misschien was het niet waar, dacht zij; misschien had Elisabeth zich vergist of het alleen maar gezegd om haar te plagen.Zij stond op. Zij viel op de knieën, en bad, voor de eerste maal sedert vele jaren; uit den grond van haar hart bad zij: “O, God, als gij bestaat, spaar zijn leven, en bespaar mij die verschrikkelijke smart!” Zoo werd in haar zielsfoltering haar geloof herboren, en evenals alle stervelingen in de ure van zielsangst, gevoelde Beatrice haar afhankelijkheid van den Ongeziene. Zij stond op, en nog door aandoening overstelpt, zonk zij weer op den steen neder. Nu stroomde de naar het dorp terugkeerende menigte haar voorbij, opgewonden met elkaar sprekende. Iemand trad naar haar toe, en stond tegenover haar.O, Hemel, het was Geoffrey!“Zijt gij het?” stamelde zij. “Elisabeth zeide, dat ge dood waart.”“Neen, ik ben niet dood, ’t is die arme Johnson, de afslager. Jones heeft hem doodgeschoten. Ik stond naast hem. Uw zuster heeft zeker gedacht dat ik het was, dien zij zag vallen. Hij geleek wel wat op mij, de arme vent!”Beatrice zag hem aan; zij werd beurtelings rood en bleek, en toen barstte zij in een stroom van tranen uit.Een zonderlinge aandoening greep hem aan, doortrilde zijn hart en schokte hem tot in het diepst zijner ziel. Waarom was dat meisje zoo ontroerd? Kon het zijn dat—? Gekheid; hij smoorde dit denkbeeld, zoodra het bij hem opkwam.“Ween niet,” zeide Geoffrey, “de menschen zullen naar u zien, Beatrice,” (voor de eerste maal noemde hij haar bij haar doopnaam); “kom, ween niet. Dat kan ik niet aanzien. Gij zijt ontsteld, en dat is niet te verwonderen. Die Beecham Bones moest opgehangen worden, en dat heb ik hem ook gezegd. ’t Is alleszijnschuld, hoewel hij niet bedoeld had het zoo ver te laten komen. Hij is nu bang genoeg, dat kan ik u verzekeren.”Beatrice bedwong zich door een krachtige poging.“Onder het naar huis gaan,” zeide hij, “zal ik u vertellen wat er gebeurd is. Neen, ga niet naar de hoeve. ’t Is geen aangenaam schouwspel den armen vent te zien. Toen ik daar kwam, stond Beecham Bones, met heftige gesticulaties, waarbij zijn lang haar om zijn hoofd zwierde, te oreeren, om de menigte op te ruien tot verzet tegen wetten, door onmenschelijke landheeren, van het zweet en bloed der armen levende, gemaakt, en al zulke bombastische uitdrukkingen meer; verzekerende dat zij bij een sterke partij in het Parlement steun zou vinden, enz. enz. Het volk nam het echter nogal luchtig op. Men had een pop, die uw vader moest verbeelden, aan een paal gehangen, met een plakkaat op de borst, waarop geschreven was: ‘De dief, die weduwen en weezen besteelt,’ en men zong Welsche liederen. Maar ik zag dat Jones meer dan half dronken was, en hij vloekte in het Welsch en Engelsch. Toen de afslager begon te verkoopen, ging Jones in huis, en Bones ging met hem mee. Nadat er genoeg verkocht was om de schuld te betalen, en terwijl de menigte nog lachte en juichte, werd eensklaps de achterdeur van het huis geopend en stormde Jones er uit, nu geheel dronken, met een geweer in de hand, en door Bones bij de pandenvan zijn jas vastgehouden. Ik sprak met den afslager, en ik geloof dat de schurk mij voor Johnson aanzag. Althans, hij legde zijn geweer aan en schoot op mij. Het schot ging echter langs mijn hoofd, raakte Johnson vlak in ’t gelaat, en hij viel dood neder. Dat is de geheele geschiedenis.”“En meer dan genoeg ook,” zeide Beatrice, met een huivering. “Welk een tijd beleven wij! ’t Is afschuwelijk!”Aan het avondeten zat men treurig bij elkander. De oude Granger was geheel van streek, en zelfs Elisabeth’s ijzeren zenuwen waren geschokt.“Het kon niet erger zijn,” jammerde de oude man, van tafel opstaande, en de kamer op en neer loopende.“Dat kon het wel, vader,” sprak de praktische Elisabeth. “Hij had doodgeschoten kunnen worden, voordat hij het hooi verkocht had, en dan zoudt gij uw tienden niet gehad hebben.”Geoffrey moest om haar inval, van de zaak uit dit oogpunt te beschouwen, glimlachen, maar haar vader scheen er toch eenigen troost uit te putten. Door er gestadig over te denken, zoowel als door den dagelijkschen drang der noodzakelijkheid, ging geld bij denoudenman boven alles op de wereld.Nauwelijks was het avondeten afgeloopen, of er kwamen drie verslaggevers, om Geoffrey’s verklaring van het gebeurde te hooren ten einde er in de bladen melding van te maken, en Beatrice ging voor het inpakken van Effie’s kleeren zorgen. Den volgenden ochtend, met den trein van negen uur, zou Geoffrey met haar vertrekken. Toen Beatrice weer binnenkwam, was het half elf, en in zijn geprikkelde gemoedsstemming stond Granger er op, dat zij allen naar bed zouden gaan. Elisabeth gaf Geoffrey de hand, wenschte hem geluk dat hij er zoo goed afgekomen was, en ging dadelijk heen, maar Beatrice draalde even. Eindelijk trad zij vooruit en stak hem de hand toe.“Goeden nacht, mijnheer Bingham,” zeide zij.“Goeden nacht. Ik hoop dat het niet vaarwel ook is,” liet hij er met eenige ongerustheid op volgen.“Natuurlijk niet,” viel Granger in. “Beatrice zal u naar den trein brengen. Ik kan het niet doen, ik moet den lijkschouwer afwachten, en Elisabeth heeft het altijd druk met het huishouden. Gelukkig zullen zij u niet noodig hebben, er waren getuigen genoeg bij.”“Dus is ’t alleen maar goeden nacht,” zeide Beatrice.Zij ging naar haar kamer. Elisabeth, die in dezelfde kamer met haar sliep, lag reeds te bed en scheen te slapen. Nu ontkleedde Beatrice zich en legde zich ter ruste—maar rusten kon zij niet. Het was “alleen maar goeden nacht,” een laatst “goeden nacht.” Hij ging heen—terug naar zijn vrouw, terug naar de woelige groote wereld en naar het leven, waaraan zij geen deel had. Weldra zou hij haar vergeten zijn. Andere belangen zouden zich opdoen; andere vrouwen zouden zijn vriendinnen worden, en hij zou niet meer denken aan het Welsche meisje, dat hem voor een poos had aangetrokken, of zich harer slechts herinneren als de deelgenoote van een levensgevaarlijk avontuur. Wat beteekende dat? Waarom was haar hart zoo bekneld? Waarom had zij zich te moede gevoeld alsof zij gestorven zou zijn, als men haar gezegd had dat hij dood was?Toen rees het antwoord in haar binnenste op. Zij beminde hem; de waarheid was niet te loochenen—zij beminde hem met hart en ziel. Zij was de zijne, en de zijne alleen—heden, morgen en voor altijd. Hij mocht uit haar gezicht gaan, zij mocht hem nimmer wederzien, maar beminnen moest zij hem altijd. En hij was gehuwd!Dat was haar ongeluk; maar het kon de ernstige waarheid niet wegnemen. Wat moest zij dan doen—wat was het leven voor haar, wanneer haar oogen de zijne niet meer zagen en haar ooren zijn stem niet meer hoorden? Zij zag de toekomst voor zich opengesteld als in een visioen. Zij zag zich vergeten door dien man, dien zij beminde, of zich slechts met een flauw gevoel van leedwezen herinnerd. Zij zag zich langzamerhand oud worden, haar schoonheid van jaar tot jaar verwelken, slechts samengaande met de liefde, die niet oud wordt. O, het was bitter, zeer bitter! en toch zou zij het niet anders gewenscht hebben. In al haar smartgevoelde zij geen leedwezen die innige, maar verderfelijke vreugde te hebben gevonden, met haar eigen hart geworsteld te hebben en overwonnen te zijn, liever dan zijn gelaat nooit aanschouwd te hebben. Had zij slechts geweten dat, wat zij gaf, teruggegeven werd, dat hij haar beminde zooals zij hem, dan zou zij tevreden geweest zijn. Zij was onschuldig, zij had nooit beproefd hem tot zich aan te trekken; zij had nooit een van die vrouwelijke kunstgrepen gebezigd, die haar schoonheid te harer beschikking stelden. Nooit was hun omgang met elkander door woord of blik anders geweest dan gul vriendschappelijk, als tusschen man en man. Zij wist, dat hij niet van zijn vrouw hield, en dat zijn vrouw niet van hem hield—dat kon zij zien. Maar zij had nooit beproefd hem van haar af te lokken, en hoewel zij in gedachten zondigde, hoewel zij schuldig in haar hart was, waren haar handen rein.Haar onrustigheid overmeesterde haar. Zij kon niet langer in bed blijven liggen. Elisabeth, die haar, onder voorwendsel van te slapen, bespiedde, zag Beatrice opstaan, eenpeignoiraandoen en naar het venster gaan, dat zij wijd opensloeg. Eerst meende Elisabeth tusschenbeide te komen, want zij was voorzichtig, en bang voor tocht; maar zij was nieuwsgierig wat haar zuster ging doen, en daarom liet zij haar begaan. Beatrice leunde met haar arm op de vensterbank en zag in den stillen nacht uit. Wat teekenden die pijnboomen zich donker tegen de lucht af; hoe zacht ruischte de zee, en hoe helder flonkerden de sterren aan het uitspansel.Wat was haar liefde dan? Was het een louter aardsche hartstocht? Neen, het was meer. Het was iets grootschers, iets reiners, iets diepers, iets onsterfelijks. Van waar kwam die liefde dan? Was zijzelve, zooals zij meende, niets anders dan een kind dezer aarde, van waar kwam dan dat sterk verlangen, dat niet van deze aarde was? Had zij ongelijk gehad, had zij een ziel—iets, dat met de zinnen en door de zinnen en boven de zinnen kon beminnen—iets, waarvan het lichaam slechts het omhulsel of het werktuig was? O, nu scheen het Beatrice toe, dat het zoo was, en dat, door haar liefde in wezen geroepen, zij en haar ziel moesten erkennen éénte zijn. Eenmaal had zij gedacht dat dit verbeelding was; dat zulk een geestelijke hoop slechts het uitvloeisel van een onvoldaan hart was; dat, wanneer de liefde ons op aarde ontsnapt, wij in onze wanhoop zweren, dat zij onsterfelijk is en dat wij haar in den hemel zullen vinden. Nu geloofde Beatrice dit niet meer. De liefde had haar wakker gekust, en haar ontwaakte geest zag een visioen van de waarheid.Ja, zij beminde hem, en moest hem altijd beminnen! Maar nooit zou zij op aarde kunnen weten dat hij de hare was, en als zij een ziel had, die na eenige jaren van de banden des lichaams bevrijd werd, zouzijnziel dan in dat verre hiernamaals de hare niet vergeten zijn?Zij liet het hoofd op haar arm zinken en snikte zacht. Wat kon zij anders doen dan snikken—totdat haar hart brak?Elisabeth, die met gespitste ooren lag, hoorde haar snikken. Zij zag, door het maanlicht turende, de gestalte harer zuster stuipachtig trillen, en glimlachte boosaardig.“Zij weent omdat die man heengaat,” dacht zij. “Ween maar niet, Beatrice, ween maar niet! Wees gerust: je krijgt je lieveling wel terug. Hij is even gek op jou als jij op hem bent.”Er was iets kwaadaardigs, bijna iets duivelachtigs in dit tooneel van de eene vrouw, die de andere bespiedde, den draad had van haar geheime zielesmart, en intusschen een plan smeedde om die in haar eigen voordeel en tot verderf van het onschuldig voorwerp harer bittere jaloezie aan te wenden.Eensklaps hield Beatrice met snikken op. Een plotselinge aandrift deed haar het hoofd opheffen, en in eenige hartstochtelijke dichtregelen, die haar invielen, alsof zij uit haar eigen hart opwelden, gaf zij in een opgewonden gefluister haar overstelpt gemoed lucht.Op dit oogenblik droomde Geoffrey, die gerust sliep, dat hij Beatrice aan het venster zag zitten, en dat haar oogen op hem gericht waren, met een blik, die door elken aardschen scheidsmuur heen drong. Zij sprak, haar lippen bewogen zich, maar hoewelhij haar stem niet kon hooren, was het alsof zijn hart de woorden, die zij sprak, opving.Teedere, aandoenlijke woorden waren het. Tegelijk toen zij ophielden, verdween het visioen van Beatrice, en eensklaps ontwaakte hij.O, wat was die bruischende vloed van onweerstaanbare gedachten, die zijn ziel overstelpten? Dat was geen droom, geen verbeelding; dat was werkelijkheid; zij was aanwezig, hoewel zij persoonlijk niet bij hem was; haar geest was in gemeenschap met den zijnen. Zijn hart bonsde, zijn leden trilden, hij trachtte te begrijpen wat dat was, maar kon het niet. Doch in die raadselachtige gemeenschap, nam de hartstocht, dien hij onderdrukt had en niet had willen erkennen, leven en vorm in hem aan. Op dat oogenblik werd het hem duidelijk: hij wist dat hij haar beminde, en wetende wat zulk een liefde moest beteekenen, zonk Geoffrey kermend achterover.En Beatrice? Opeens hield zij op met bij zichzelve te spreken; zij gevoelde dat haar gedachten in een andere ziel dezelfde snaar hadden doen trillen. Zij had door den aardschen scheidsmuur heen gebroken; de electrische vonk, die het gevoel van haar hart had overgebracht, was op gelijke wijze beantwoord door hem, dien zij beminde. Maar in welke taal was dat antwoord? Ach, zij kon het niet lezen, evenmin als hij haar boodschap had kunnen lezen. Eerst twijfelde zij: het was voorzeker verbeelding. Toen herinnerde zij zich gehoord te hebben van stervenden, die een visioen van zichzelven aan anderen konden zenden; en als dat zoo was, waaromditdan niet? Ja, het was een waarheid, een ernstige waarheid; zij wist dat hij haar gedachten gevoelde, dat zijn leven van invloed was op het hare. O, onverklaarbaar mocht het zijn, maar het gaf hoop. Als de blinde kracht harer menschelijke liefde zóó de grenzen van het stoffelijk bestaan kon overschrijden, en zich louter door de macht van haar wil boven alle aardsche hinderpalen verhief, wat had zij dan te vreezen van afstand, van scheiding, van den dood zelven? Zij had den draad gegrepen,die er eenmaal toe kon leiden om wonderbare geheimen voor haar blik open te leggen. Zij had een gefluister gehoord in een onbekende taal, die zij nog moest leeren, en die op den wanhoopskreet des levens met een zegelied antwoordde. Als hij haar slechts beminde, zou eenmaal alles goed zijn. Eenmaal zouden de scheidsmuren omvallen, en de ziel, van haar vleeschelijk omhulsel bevrijd, zou de aan haar verwante ziel zoeken. En dan, als zij haar liefde gevonden had, wat was er dan nog meer te zoeken? Welk ander antwoord verlangde zij op al de vraagstukken van haar leven dan deze eindelijk verkregen eenheid—eenheid verkregen in den dood!En indien hij haar niet beminde, hoe had hij haar dan kunnen antwoorden? Dat antwoord kon immers niet anders tot haar komen dan langs den gouden snaar der liefde, die haar zoetsten klank doet hooren, wanneer de vinger des weemoeds haar tokkelt.De geestvervoering ging voorbij, de ziel verheffende gedachten werden al nauwer en flauwer, als de wegstervende echo’s van een harp, en eindelijk, door de hevigheid harer aandoeningen uitgeput, legde Beatrice zich te bed en viel weldra in slaap.Toen Geoffrey den volgenden ochtend ontwaakte, kwam hij, na een weinig nadenken, tot het besluit dat hij een zonderlingen en treffenden droom had gehad, die het gevolg was van opgewondenheid door de gebeurtenissen van den vorigen dag, of van verdriet dat hij vertrekken moest. Hij stond op, pakte zijn reistasch—al het overige was gereed—en ging ontbijten. Beatrice kwam niet te voorschijn, voordat het ontbijt reeds half afgeloopen was. Zij zag zeer bleek, en zeide dat het pakken van Effie’s goed haar had opgehouden. Geoffrey merkte op, dat zij zijn vingers nauwelijks aanraakte, toen hij opstond om haar de hand te geven, en dat zij zijn blik zorgvuldig vermeed. Toen kwam de vraag bij hem op ofzijmisschien ook een zonderlingen droom had gehad.Nu kwam de drukte van het vertrek. Effie werd in de vigilante met de bagage weggezonden, onder toezicht van Betty, dedikke Welsche dienstmaagd. Beatrice en Geoffrey zouden te voet naar het station gaan.“’t Is tijd om afscheid te nemen, mijnheer Bingham,” zeide Granger. “Vaarwel, vaarwel! God zegene u. Ik heb nooit zoo’n aangenamen commensaal gehad. Ik hoop dat gij nog eens terug zult komen. A propos, bij het verhoor van dien schurk Jones zult gij zeker wel als getuige opgeroepen worden.”“Vaarwel, mijnheer Granger,” antwoordde Geoffrey: “ge moet mij in stad eens komen bezoeken.Verandering is goed voor u.”“Ja, dat doe ik misschien wel. Ik heb in geen vijf-en-twintig jaar verandering gehad. Ik heb het nooit kunnen bekostigen. Gaat gij Elisabeth niet vaarwel zeggen?”“Vaarwel, Miss Granger,” zeide Geoffrey beleefd. “Veel dank voor al uw vriendelijkheid. Ik hoop dat wij elkander eens zullen ontmoeten.”“Hoopt ge dat? Ik ook,” antwoordde Elisabeth. “Ik ben er wel zeker van, dat wij elkaar weer zullen ontmoeten, en het zal mij verheugen u weder te zien, mijnheer Bingham,” voegde zij er op een eigenaardigen toon bij.Een oogenblik later had hij de pastorie verlaten, en liep, met Beatrice naast zich, naar het station.“Scheiden thut weh” zeide hij, nadat zij een poos stilzwijgend voortgeloopen hadden.“Er is altijd iets weemoedigs in afscheidnemen,” antwoordde zij—“òf voor dengene, die heengaat, òf voor de achterblijvenden.”“Of voor beiden,” zeide hij.Daarop bewaarden zij weder het stilzwijgen, dat hij het eerst afbrak.“Miss Beatrice, mag ik u schrijven?”“Zeker, als gij wilt.”“En zult ge mijn brieven beantwoorden?”“Ja, ik zal ze beantwoorden.”“Als ik dan mijn zin had, zoudt ge vrij wat tijd aan schrijven besteden,” zeide hij. “Ge weet niet,” liet hij er ernstig op volgen, “hoe aangenaam het mij geweest is, dat ik u heb leeren kennen.Ik heb nooit in mijn leven grooter genoegen gehad.”“Dat verheugt mij,” antwoordde Beatrice kortaf.“Ik moet u eens iets vragen,” hernam hij. “Ge zijt een ware vraagbaak als het op citaten aankomt. In de laatste twaalf uur heeft mij een gedicht door ’t hoofd gespeeld, en ik kan mij maar nietherinnerenvan wien het is.”“Hoe is het dan?” vroeg zij, opziende, en Geoffrey meende een zonderling vreesachtige uitdrukking in haar oogen te bespeuren.“Ditkwam er, onder anderen, in,” zeide hij, en hij haalde eenige van de dichtregelen aan, die hem het meest getroffen hadden.Beatrice luisterde—en hoorde dezelfde regelen, die den vorigen nacht op haar lippen waren geweest. Zij onthutste hevig, werd doodsbleek, en haar knieën knikten. Met een krachtige poging herstelde zij zich.“Mij dunkt, gij moet dat vers wel kennen, mijnheer Bingham,” zeide zij, met een flauwe stem. “’t Is van Browning, en getiteld: ‘De laatste woorden eener Vrouw’.”Geoffrey zeide hierop niets; wat zou hij zeggen? Een poos liepen zij stilzwijgend voort. Zij waren nu dicht bij het station. Het oogenblik van scheiding voor altijd was gekomen. Een onweerstaanbaar verlangen om de waarheid te weten, maakte zich van hem meester.“Miss Beatrice,” sprak hij weder, “ge ziet bleek. Hebt ge van nacht niet goed geslapen?”“Neen, mijnheer Bingham.”“Hebt ge zonderlinge droomen gehad?”“Ja,” antwoordde zij, recht voor zich uit ziende.Hij verbleekte min of meer. Het was dus waar!“Beatrice,” vroeg hij, half fluisterend, “wat zouden die droomen beteekenen?”“Zooveel of zoo weinig als alle andere droomen,” antwoordde zij.“Wat moet men doen, als men zulke droomen heeft?” vroeg hij, weder op denzelfden gedempten toon.“Ze vergeten,” fluisterde zij.“En als zij terugkomen?”“Ze weer vergeten.”“En als zij niet vergeten willen zijn?”Zij wendde zich tot hem en zag hem strak in de oogen.“Sterven,” antwoordde zij, “dan zullen zij vergeten zijn, of—”“Of wat, Beatrice?”“Hier zijn wij aan het station,” zeide Beatrice, “en Betty is aan ’t kibbelen met den koetsier.”Vijf minuten later was Geoffrey vertrokken.
Nog vijf dagen verliepen, maar al te snel, en Maandagochtend was weder gekomen. Het was de 22ste October, en de najaarszittingen begonnen den 24sten. Den volgenden dag, Dinsdag, zou Geoffrey naar Londen terugkeeren, om Lady Honoria te ontmoeten en op zijn bureau aan ’t werk gaan. Dien Maandagochtend was hem een akte gezonden—de grootste, die hij nog ooit ontvangen had—met een brief van zijn klerk er bij, dat de zaak verwacht werd den eersten dag van de zitting op de rol te komen, en dat zijn klerk een afspraak met de zaakwaarnemers voor hem had gemaakt voor Dinsdag 5.15. De akte kwam van de firma van zijn oom, en achterop stond genoteerd: “Met u de Procureur-generaal en de President van het Kanselarij Hof.” Nog hooit had Geoffrey zich achterop een akte in zulk achtbaar gezelschap bevonden, en hij was er niet weinig verrukt over.
Maar toen hij de zaak inzag, werd zijn vreugde wel wat getemperd, want het was een van de moeilijkste en ingewikkeldste zaken, die hem ooit waren voorgekomen. Zij betrof een betwist testament van een geldschieter uit Yorkshire, beschikkende over een nalatenschap, ter waarde van over de £ 80.000, en ter legalisatie aangeboden door een nicht van den testateur, die, toen hij stierf, zoo al niet werkelijk zwak van geestvermogens, toch suf was, en bijgeloovig bij krankzinnig af. De nicht, wie het geheele vermogen vermaakt was, met uitsluiting van den zoon en dochter van den overledene, beiden gehuwd en op een andere plaats woonachtig—woonde bij den testateur en paste hem op. Kort vóór zijn dood had hij met zijn nicht een hevigen twist gehad, wegens een liefdesbetrekking, die zij met een getrouwd man van een slechtennaam, een ontslagen procureursklerk, had aangeknoopt. Zoo ernstig was de twist geweest, dat de testateur, drie dagen vóór zijn dood, zijn zaakwaarnemer had ontboden en in allen vorm, door middel van een codicil, een legaat van £2000, dat hij aan zijn nicht vermaakt had (al het overige van zijn vermogen was tusschen zijn zoon en dochter verdeeld) herriep. Den derden dag echter maakte hij een nieuw testament, in het bijzijn van twee dienstboden als getuigen, waarbij hij zijn geheele vermogen aan zijn nicht naliet, met uitsluiting van zijn eigen kinderen. Dit testament, hoewel kort, was in den behoorlijken vorm, en geschreven door niemand wist wien. De dienstboden verklaarden dat de testateur, alvorens het testament te teekenen, volkomen met den inhoud bekend was, want de nicht had het hem in hun bijzijn laten voorlezen. Zij verklaarden echter ook, dat hij verschrikkelijk bang scheen te zijn en tweemaal gezegd had: “Het is achter mij; het is achter mij!”
Nog geen uur na het teekenen van het testament, werd de testateur dood gevonden, klaarblijkelijk ten gevolge van een schrik, maar de nicht was op het oogenblik van zijn dood niet in de kamer. Een andere opmerkelijke omstandigheid was dat men dienzelfden avond, toen de testateur te tien uur gestorven was, den in een kwaad gerucht staanden minnaar in de schemering om het huis had zien sluipen. Er kwam nog iets bij. Toen de zoon een boodschap van de nicht had ontvangen dat zijn vader zooveel erger was geworden, en met buitengewonen spoed naar het huis was gegaan, had hij iemand of iets ontmoet—hij wist niet wat—dat van het venster der ziekenkamer, die op de benedenverdieping was, scheen weg te loopen; en later vond men onder dat venster voetstappen. Van die voetstappen waren twee afgietsels gemaakt, waarvan bij de akte photographieën werden gezonden. Het waren de afdruksels van kleine bloote voeten, waaraan een lid van den derden teen aan den rechtervoet scheen te ontbreken. Maar alle pogingen om de voeten, die deze afdruksels gemaakt hadden, te vinden, waren tot dusverre te vergeefs geweest. Het testament werd betwist door de naaste bloedverwanten, voor wieGeoffrey een der advocaten was, op de gewone gronden van onwettigen invloed en bedrog, maar, naar het scheen, met weinig vooruitzicht op welslagen, want hoewel de omstandigheden verdacht waren, was er van geen van beide eenig bewijs. Dit zonderling geval, dat hier kortelijk beschreven is, legde den grondslag tot Geoffrey’s latere uitgebreide praktijk en den naam, dien hij aan de rechtbank maakte.
Hij las de akte tweemaal over, dacht er rijpelijk over na, en wist er weinig van te maken. Dat er valsch spel was gespeeld, was in ’t oogspringend, maar hij kon geen gegevens vinden om naar te werk te gaan. Was de persoon, die weggeloopen was, in de zaak betrokken? Zoo ja, waren die voetstappen van hem? Natuurlijk had de voormalige procureursklerk er iets mede te maken, maar wat? Te vergeefs pijnigde Geoffrey zijn hersens; elk denkbeeld, dat hem inviel, stuitte op het een of ander.
“Wij zullen het verliezen,” riep hij in wanhoop uit, “verdachte omstandigheden zijn niet genoeg om een testament ongeldig te maken;” en zich tot Beatrice, die aan de tafel zat te werken, wendende, zeide hij hij—
“Daar, Miss Granger, gij hebt eenige rechtsgeleerde kennis, zie of gij daar uit wijs kunt worden,” en hij schoof haar de akte toe.
Beatrice nam die lachend aan, en zat drie kwartier lang met een aardig gefronst voorhoofd. Eindelijk sloeg zij de akte dicht. “Laat mij de photographieën eens zien,” zeide zij.
Geoffrey overhandigde haar die. Zij bezag ze oplettend één voor één, en terwijl zij dat deed, scheen er een licht voor haar op te gaan.
“Welnu, hebt ge het gevonden?” vroeg hij.
“Ik heb, ten minste, iets gevonden,” antwoordde zij. “Of ’t het rechte is, weet ik niet. Ziet ge, de oude man was bijgeloovig; zij hebben hem bang gemaakt, door een stem, die uit het graf heette te komen, of zoo iets, om hem zoodoende te dwingen het testament te teekenen, en hem, nadat hij het geteekend had, zulk een angst aangejaagd, dat hij van schrik gestorven is. De procureursklerkheeft het testament opgesteld—hij wist wel hoe dat gedaan moest worden. Toen werd hij in de kamer onder het ledekant, of ergens anders verborgen, misschien als een spook verkleed. Dat de nicht den zoon had laten roepen, was maar om verdenking af te weren. Wat men heeft zien wegloopen, was een jongen—dat zijn de voetstappen van een jongen. Ik heb er zooveel duizenden op het strand gezien, dat ik er op zou kunnen zweren. Hij werd van den weg af naar het huis aangetrokken doordat hij iets ongewoons door de jaloezieën zag; de akte zegt dat er geen gordijnen of luiken voor het venster waren. Zie nu de photographieën van de voetstappen. Op No. 1 zijn de teenen diep in het slijk gedrukt. De jongen heeft op de teenen gestaan, om beter te kunnen zien. Maar op No. 2, die gevonden zijn in de nabijheid van de plek, waar de zoon meende iemand te zien loopen, zijn de teenen wijd uiteen. Dat zijn de voetstappen van iemand, die groote haast had. Nu is het toch niet waarschijnlijk, dat een jongen van de straat iets met den dood van den testateur te maken had. Waarom liep die jongen dan zoo hard? Dat zal ik u zeggen: omdat hij geschrikt is van iets, dat hij door de jaloezieën gezien heeft. Zoo verschrikt was hij, dat hij niet te voorschijn zal komen op advertentiën of nasporingen. Zie in het dorp een jongen te vinden, die een lid van den derden teen aan zijn rechtervoet mist, en spoedig zult gij er alles van weten.”
“Drommels!” zeide Geoffrey, “wat zoudt gij een knap advocaat aan het Hof van crimineele zaken zijn! Ik geloof, dat ge het hebt. Maar hoe vinden wij dien jongen met het vermiste lid aan den derden teen? Alle mogelijk onderzoek is reeds ingesteld geworden en vruchteloos geweest. Niemand heeft zulk een jongen gezien, wiens gebrek waarschijnlijk toch wel bij zijn ouders of schoolmakkers bekend zou zijn.”
“Ja,” hernam Beatrice, “het is mislukt omdat de jongen schoenen is gaan dragen, wat hij trouwens op school altijd had moeten doen. Zijn ouders, als hij die heeft, wilden misschien niet over zijn gebrek spreken, en misschien weet niemand anders er van, vooral niet als hij pas in de buurt was komen wonen. ’t Is ook zeer wel mogelijk,dat hij zijn laarzen heeft uitgetrokken, om beter tegen het venster te kunnen opklimmen. En u zal ik nu zeggen hoe ik te werk zou gaan om hem te vinden. Ik zou elke plaats in de rivier, waar gebaad wordt—er loopt een rivier door het dorp—nauwkeurig doordetectiveslaten onderzoeken. In dit weer (het was een bizonder warme herfst) plassen jongens van die klasse met hun voeten in de rivier, en baden er soms in. Als zij maar scherp genoeg opletten, zullen zij onder die jongens er waarschijnlijk wel een vinden, die een lid van zijn teen mist.”
“Welk een goede inval!” zeide Geoffrey. “Ik zal dadelijk den zaakwaarnemers telegrafeeren. Ik geloof zeker dat ge den draad hebt.”
En zoo bleek het ook; haar vooronderstellingen waren in bijna elke bizonderheid juist. De jongen was de zoon van een marskramer, die eerst onlangs in het dorp was gekomen, en werd in de rivier wadende gevonden, en door een behendigen streek, die niet vermeld behoeft te worden, er toe gebracht om uit bevreesdheid de waarheid te zeggen, evenals hij vroeger uit bevreesdheid zijn mond had gehouden. Hij had zelfs, zooals Beatrice gegist had, zijn laarzen uitgetrokken om naar het venster op te klimmen, en toen hij in zijn angst wegliep, had hij ze in een sloot geworpen. Daar werden zij gevonden, en zij brachten er veel toe bij om de gezworenen van de waarheid zijner verklaring te overtuigen. Zoo had Beatrice’s scherpzinnigheid den grondslag gelegd tot Geoffrey’s latere vermaardheid.
Deze Maandag was een afrekeningsdag op de pastorie. Jones was onwillig gebleven; geen macht op aarde kon hem bewegen de £ 34.11 shilling 4pence, wegens verschuldigde tienden, te betalen. Derhalve had Granger, krachtens een wettig verkregen vonnis, zijn voornemen aangekondigd om het hooi en het vee van Jones te verkoopen. Jones had daarop met brutale trotseering geantwoord. Als er een deurwaarder, of afslager, of een van dat volk kwam om zijn hooi te verkoopen, zou hij hem dooden.
Dat had Jones gezegd, en hij riep zijn aanhangers op, waarvan velen tienden schuldig waren, en die geen van allen wilden betalen,om voor zijn zaak te strijden. Van zijn kant had Granger een afslager van erkenden moed aangenomen, die dienzelfden middag, gesteund door zes politie-agenten, zou aankomen om de verkooping te houden. Beatrice was over de geheele zaak ongerust, maar Elisabeth was zeer vastberaden, en de oude predikant was nu eens aan het zwetsen en dan weder neerslachtig. De afslager kwam met den trein van één uur. Hij was een rijzig, kloekgebouwd man, en had in zijn voorkomen wel iets van Geoffrey, zoodat men op een afstand den een licht voor den ander had kunnen aanzien. De verkooping was bepaald op half drie, en Johnson—zoo heette de afslager—ging naar de herberg, om zijn middagmaal te gebruiken alvorens aan de zaken te gaan. Hij was onderricht van de vijandige houding, die tegenover hem aangenomen zou worden, en dat een lid van het Parlement opzettelijk was overgekomen, om zich aan het hoofd van de weerspannigen te stellen; maar, als een moedig man, bekommerde hij zich daar niet over.
“Zij blaffen wel, maar zij bijten niet, mijnheer,” zeide hij tot Geoffrey; “ik ben voor dat volk niet bang. Als niemand er op bieden wil, koop ik den boel zelf in.”
“Heel goed,” zeide Geoffrey, “maar ik raad u toch op uw hoede te zijn. Ik geloof dat die oude man een ruwe klant is.”
Toen ging Geoffrey dineeren.
Terwijl zij aan tafel zaten, zagen zij door een gaping in de pijnboomen, dat de groote meerderheid der bevolking van Bryngelly naar de hoeve van Jones stroomde, sommigen om op te ruien, anderen om de grap te zien.
“Aanstonds begint de verkooping,” zeide Geoffrey. “Gaat gij er heen, mijnheer Granger?”
“Ik had er plan op,” antwoordde de oude heer, “maar Elisabeth vindt beter dat ik maar wegblijf. En een predikant moet zich ook niet te veel met zulke aardsche zaken bemoeien,” liet hij er luchtig op volgen. “Neen, ik moet over het koopen van eenige varkens gaan spreken, heel aan het andere einde van het kerspel, en ik geloof dat ik deze gelegenheid maar zal waarnemen.”
“Gij gaat er toch niet heen, mijnheer Bingham?” vroeg Beatrice, op een toon, die haar bezorgdheid verried.
“O, ja,” antwoordde hij, “zeker ga ik er heen. Ik zou die kans niet gaarne willen missen. Wel, Beecham Bones zal er zijn, het Parlementslid, dat pas zijn zes maanden heeft uitgezeten wegens opruiing tot geweldpleging. Wij zijn oude bekenden; ik heb met hem schoolgegaan. De arme vent was toen ook al zoo’n dolleman, en ik moet hooren wat voor onzin hij nu weer uitkraamt.”
“Ik geloof dat gij beter doet niet te gaan, mijnheer Bingham,” hernam Beatrice; “’t is een ruwe troep.”
“Iedereen is zoo lafhartig niet als jij bent,” viel Elisabeth in. “Ik ga er in allen gevalle heen.”
“Dat is goed, Miss Elisabeth,” zeide Geoffrey; “dan zullen wij elkaar tegen de revolutionnaire volkswoede beschermen. Kom, ’t is tijd om te gaan.”
En zoo gingen zij te zamen heen, en lieten Beatrice ter prooi aan bange voorgevoelens achter.
Zij wachtte bijna een uur in huis, en zocht afleiding onder den schijn van met Effie te spelen. Toen kreeg haar ongerustheid de overhand, zij zette haar hoed op en liep de deur uit, Effie aan de zorg van de dienstmaagd overlatende.
Beatrice liep snel langs de rots, totdat zij de hoeve van Jones in ’t gezicht kreeg. Van de plaats waar zij stond, kon zij een opeengedrongen menigte zien, en zelfs, als de wind naar haar toe was, geschreeuw en rumoer hooren. Opeens hoorde zij een knal als een geweerschot, zag de menigte in groote verwarring uiteen stuiven en daarna in dichte groepen weer bij elkander staan.
“Wat zou dat beteekenen?” dacht Beatrice.
Een oogenblik later zag zij twee mannen, zoo snel loopende als zij konden, naar haar toe komen, gevolgd door een vrouw. Nog drie minuten, en zij herkende in die vrouw Elisabeth.
De mannen liepen haar nu voorbij.
“Wat is ’t?” riep zij.
“Moord!” antwoordden zij beiden tegelijk, en spoedden zich voort naar Bryngelly.
Een oogenblik na hen kwam Elisabeth; ontzetting stond op haar bleek gelaat te lezen.
Beatrice greep haar bij den arm. “Wie is het?” riep zij.
“Mijnheer Bingham,” bracht haar zuster hijgend uit. “Hij is doodgeschoten!” En meteen was zij ook weg.
Beatrice’s knieën knikten, haar tong kleefde aan haar verhemelte; alles draaide om haar heen. Geoffrey vermoord! O, wat moest zij doen? Waar moest zij zichzelve en haar droefheid verbergen?
Een eind ver van het pad stond een geknotte boom, met een grooten platten steen bij den wortel. Daar waggelde Beatrice heen, en op dien steen zonk zij neder, terwijl alles nog om haar heen draaide.
Van lieverlede ging die geestbedwelmende duizeling voorbij, en een nog heviger smart doorvlijmde haar ziel. Eerst was zij verdoofd geweest, nu gevoelde zij.
Maar misschien was het niet waar, dacht zij; misschien had Elisabeth zich vergist of het alleen maar gezegd om haar te plagen.
Zij stond op. Zij viel op de knieën, en bad, voor de eerste maal sedert vele jaren; uit den grond van haar hart bad zij: “O, God, als gij bestaat, spaar zijn leven, en bespaar mij die verschrikkelijke smart!” Zoo werd in haar zielsfoltering haar geloof herboren, en evenals alle stervelingen in de ure van zielsangst, gevoelde Beatrice haar afhankelijkheid van den Ongeziene. Zij stond op, en nog door aandoening overstelpt, zonk zij weer op den steen neder. Nu stroomde de naar het dorp terugkeerende menigte haar voorbij, opgewonden met elkaar sprekende. Iemand trad naar haar toe, en stond tegenover haar.
O, Hemel, het was Geoffrey!
“Zijt gij het?” stamelde zij. “Elisabeth zeide, dat ge dood waart.”
“Neen, ik ben niet dood, ’t is die arme Johnson, de afslager. Jones heeft hem doodgeschoten. Ik stond naast hem. Uw zuster heeft zeker gedacht dat ik het was, dien zij zag vallen. Hij geleek wel wat op mij, de arme vent!”
Beatrice zag hem aan; zij werd beurtelings rood en bleek, en toen barstte zij in een stroom van tranen uit.
Een zonderlinge aandoening greep hem aan, doortrilde zijn hart en schokte hem tot in het diepst zijner ziel. Waarom was dat meisje zoo ontroerd? Kon het zijn dat—? Gekheid; hij smoorde dit denkbeeld, zoodra het bij hem opkwam.
“Ween niet,” zeide Geoffrey, “de menschen zullen naar u zien, Beatrice,” (voor de eerste maal noemde hij haar bij haar doopnaam); “kom, ween niet. Dat kan ik niet aanzien. Gij zijt ontsteld, en dat is niet te verwonderen. Die Beecham Bones moest opgehangen worden, en dat heb ik hem ook gezegd. ’t Is alleszijnschuld, hoewel hij niet bedoeld had het zoo ver te laten komen. Hij is nu bang genoeg, dat kan ik u verzekeren.”
Beatrice bedwong zich door een krachtige poging.
“Onder het naar huis gaan,” zeide hij, “zal ik u vertellen wat er gebeurd is. Neen, ga niet naar de hoeve. ’t Is geen aangenaam schouwspel den armen vent te zien. Toen ik daar kwam, stond Beecham Bones, met heftige gesticulaties, waarbij zijn lang haar om zijn hoofd zwierde, te oreeren, om de menigte op te ruien tot verzet tegen wetten, door onmenschelijke landheeren, van het zweet en bloed der armen levende, gemaakt, en al zulke bombastische uitdrukkingen meer; verzekerende dat zij bij een sterke partij in het Parlement steun zou vinden, enz. enz. Het volk nam het echter nogal luchtig op. Men had een pop, die uw vader moest verbeelden, aan een paal gehangen, met een plakkaat op de borst, waarop geschreven was: ‘De dief, die weduwen en weezen besteelt,’ en men zong Welsche liederen. Maar ik zag dat Jones meer dan half dronken was, en hij vloekte in het Welsch en Engelsch. Toen de afslager begon te verkoopen, ging Jones in huis, en Bones ging met hem mee. Nadat er genoeg verkocht was om de schuld te betalen, en terwijl de menigte nog lachte en juichte, werd eensklaps de achterdeur van het huis geopend en stormde Jones er uit, nu geheel dronken, met een geweer in de hand, en door Bones bij de pandenvan zijn jas vastgehouden. Ik sprak met den afslager, en ik geloof dat de schurk mij voor Johnson aanzag. Althans, hij legde zijn geweer aan en schoot op mij. Het schot ging echter langs mijn hoofd, raakte Johnson vlak in ’t gelaat, en hij viel dood neder. Dat is de geheele geschiedenis.”
“En meer dan genoeg ook,” zeide Beatrice, met een huivering. “Welk een tijd beleven wij! ’t Is afschuwelijk!”
Aan het avondeten zat men treurig bij elkander. De oude Granger was geheel van streek, en zelfs Elisabeth’s ijzeren zenuwen waren geschokt.
“Het kon niet erger zijn,” jammerde de oude man, van tafel opstaande, en de kamer op en neer loopende.
“Dat kon het wel, vader,” sprak de praktische Elisabeth. “Hij had doodgeschoten kunnen worden, voordat hij het hooi verkocht had, en dan zoudt gij uw tienden niet gehad hebben.”
Geoffrey moest om haar inval, van de zaak uit dit oogpunt te beschouwen, glimlachen, maar haar vader scheen er toch eenigen troost uit te putten. Door er gestadig over te denken, zoowel als door den dagelijkschen drang der noodzakelijkheid, ging geld bij denoudenman boven alles op de wereld.
Nauwelijks was het avondeten afgeloopen, of er kwamen drie verslaggevers, om Geoffrey’s verklaring van het gebeurde te hooren ten einde er in de bladen melding van te maken, en Beatrice ging voor het inpakken van Effie’s kleeren zorgen. Den volgenden ochtend, met den trein van negen uur, zou Geoffrey met haar vertrekken. Toen Beatrice weer binnenkwam, was het half elf, en in zijn geprikkelde gemoedsstemming stond Granger er op, dat zij allen naar bed zouden gaan. Elisabeth gaf Geoffrey de hand, wenschte hem geluk dat hij er zoo goed afgekomen was, en ging dadelijk heen, maar Beatrice draalde even. Eindelijk trad zij vooruit en stak hem de hand toe.
“Goeden nacht, mijnheer Bingham,” zeide zij.
“Goeden nacht. Ik hoop dat het niet vaarwel ook is,” liet hij er met eenige ongerustheid op volgen.
“Natuurlijk niet,” viel Granger in. “Beatrice zal u naar den trein brengen. Ik kan het niet doen, ik moet den lijkschouwer afwachten, en Elisabeth heeft het altijd druk met het huishouden. Gelukkig zullen zij u niet noodig hebben, er waren getuigen genoeg bij.”
“Dus is ’t alleen maar goeden nacht,” zeide Beatrice.
Zij ging naar haar kamer. Elisabeth, die in dezelfde kamer met haar sliep, lag reeds te bed en scheen te slapen. Nu ontkleedde Beatrice zich en legde zich ter ruste—maar rusten kon zij niet. Het was “alleen maar goeden nacht,” een laatst “goeden nacht.” Hij ging heen—terug naar zijn vrouw, terug naar de woelige groote wereld en naar het leven, waaraan zij geen deel had. Weldra zou hij haar vergeten zijn. Andere belangen zouden zich opdoen; andere vrouwen zouden zijn vriendinnen worden, en hij zou niet meer denken aan het Welsche meisje, dat hem voor een poos had aangetrokken, of zich harer slechts herinneren als de deelgenoote van een levensgevaarlijk avontuur. Wat beteekende dat? Waarom was haar hart zoo bekneld? Waarom had zij zich te moede gevoeld alsof zij gestorven zou zijn, als men haar gezegd had dat hij dood was?
Toen rees het antwoord in haar binnenste op. Zij beminde hem; de waarheid was niet te loochenen—zij beminde hem met hart en ziel. Zij was de zijne, en de zijne alleen—heden, morgen en voor altijd. Hij mocht uit haar gezicht gaan, zij mocht hem nimmer wederzien, maar beminnen moest zij hem altijd. En hij was gehuwd!
Dat was haar ongeluk; maar het kon de ernstige waarheid niet wegnemen. Wat moest zij dan doen—wat was het leven voor haar, wanneer haar oogen de zijne niet meer zagen en haar ooren zijn stem niet meer hoorden? Zij zag de toekomst voor zich opengesteld als in een visioen. Zij zag zich vergeten door dien man, dien zij beminde, of zich slechts met een flauw gevoel van leedwezen herinnerd. Zij zag zich langzamerhand oud worden, haar schoonheid van jaar tot jaar verwelken, slechts samengaande met de liefde, die niet oud wordt. O, het was bitter, zeer bitter! en toch zou zij het niet anders gewenscht hebben. In al haar smartgevoelde zij geen leedwezen die innige, maar verderfelijke vreugde te hebben gevonden, met haar eigen hart geworsteld te hebben en overwonnen te zijn, liever dan zijn gelaat nooit aanschouwd te hebben. Had zij slechts geweten dat, wat zij gaf, teruggegeven werd, dat hij haar beminde zooals zij hem, dan zou zij tevreden geweest zijn. Zij was onschuldig, zij had nooit beproefd hem tot zich aan te trekken; zij had nooit een van die vrouwelijke kunstgrepen gebezigd, die haar schoonheid te harer beschikking stelden. Nooit was hun omgang met elkander door woord of blik anders geweest dan gul vriendschappelijk, als tusschen man en man. Zij wist, dat hij niet van zijn vrouw hield, en dat zijn vrouw niet van hem hield—dat kon zij zien. Maar zij had nooit beproefd hem van haar af te lokken, en hoewel zij in gedachten zondigde, hoewel zij schuldig in haar hart was, waren haar handen rein.
Haar onrustigheid overmeesterde haar. Zij kon niet langer in bed blijven liggen. Elisabeth, die haar, onder voorwendsel van te slapen, bespiedde, zag Beatrice opstaan, eenpeignoiraandoen en naar het venster gaan, dat zij wijd opensloeg. Eerst meende Elisabeth tusschenbeide te komen, want zij was voorzichtig, en bang voor tocht; maar zij was nieuwsgierig wat haar zuster ging doen, en daarom liet zij haar begaan. Beatrice leunde met haar arm op de vensterbank en zag in den stillen nacht uit. Wat teekenden die pijnboomen zich donker tegen de lucht af; hoe zacht ruischte de zee, en hoe helder flonkerden de sterren aan het uitspansel.
Wat was haar liefde dan? Was het een louter aardsche hartstocht? Neen, het was meer. Het was iets grootschers, iets reiners, iets diepers, iets onsterfelijks. Van waar kwam die liefde dan? Was zijzelve, zooals zij meende, niets anders dan een kind dezer aarde, van waar kwam dan dat sterk verlangen, dat niet van deze aarde was? Had zij ongelijk gehad, had zij een ziel—iets, dat met de zinnen en door de zinnen en boven de zinnen kon beminnen—iets, waarvan het lichaam slechts het omhulsel of het werktuig was? O, nu scheen het Beatrice toe, dat het zoo was, en dat, door haar liefde in wezen geroepen, zij en haar ziel moesten erkennen éénte zijn. Eenmaal had zij gedacht dat dit verbeelding was; dat zulk een geestelijke hoop slechts het uitvloeisel van een onvoldaan hart was; dat, wanneer de liefde ons op aarde ontsnapt, wij in onze wanhoop zweren, dat zij onsterfelijk is en dat wij haar in den hemel zullen vinden. Nu geloofde Beatrice dit niet meer. De liefde had haar wakker gekust, en haar ontwaakte geest zag een visioen van de waarheid.
Ja, zij beminde hem, en moest hem altijd beminnen! Maar nooit zou zij op aarde kunnen weten dat hij de hare was, en als zij een ziel had, die na eenige jaren van de banden des lichaams bevrijd werd, zouzijnziel dan in dat verre hiernamaals de hare niet vergeten zijn?
Zij liet het hoofd op haar arm zinken en snikte zacht. Wat kon zij anders doen dan snikken—totdat haar hart brak?
Elisabeth, die met gespitste ooren lag, hoorde haar snikken. Zij zag, door het maanlicht turende, de gestalte harer zuster stuipachtig trillen, en glimlachte boosaardig.
“Zij weent omdat die man heengaat,” dacht zij. “Ween maar niet, Beatrice, ween maar niet! Wees gerust: je krijgt je lieveling wel terug. Hij is even gek op jou als jij op hem bent.”
Er was iets kwaadaardigs, bijna iets duivelachtigs in dit tooneel van de eene vrouw, die de andere bespiedde, den draad had van haar geheime zielesmart, en intusschen een plan smeedde om die in haar eigen voordeel en tot verderf van het onschuldig voorwerp harer bittere jaloezie aan te wenden.
Eensklaps hield Beatrice met snikken op. Een plotselinge aandrift deed haar het hoofd opheffen, en in eenige hartstochtelijke dichtregelen, die haar invielen, alsof zij uit haar eigen hart opwelden, gaf zij in een opgewonden gefluister haar overstelpt gemoed lucht.
Op dit oogenblik droomde Geoffrey, die gerust sliep, dat hij Beatrice aan het venster zag zitten, en dat haar oogen op hem gericht waren, met een blik, die door elken aardschen scheidsmuur heen drong. Zij sprak, haar lippen bewogen zich, maar hoewelhij haar stem niet kon hooren, was het alsof zijn hart de woorden, die zij sprak, opving.
Teedere, aandoenlijke woorden waren het. Tegelijk toen zij ophielden, verdween het visioen van Beatrice, en eensklaps ontwaakte hij.
O, wat was die bruischende vloed van onweerstaanbare gedachten, die zijn ziel overstelpten? Dat was geen droom, geen verbeelding; dat was werkelijkheid; zij was aanwezig, hoewel zij persoonlijk niet bij hem was; haar geest was in gemeenschap met den zijnen. Zijn hart bonsde, zijn leden trilden, hij trachtte te begrijpen wat dat was, maar kon het niet. Doch in die raadselachtige gemeenschap, nam de hartstocht, dien hij onderdrukt had en niet had willen erkennen, leven en vorm in hem aan. Op dat oogenblik werd het hem duidelijk: hij wist dat hij haar beminde, en wetende wat zulk een liefde moest beteekenen, zonk Geoffrey kermend achterover.
En Beatrice? Opeens hield zij op met bij zichzelve te spreken; zij gevoelde dat haar gedachten in een andere ziel dezelfde snaar hadden doen trillen. Zij had door den aardschen scheidsmuur heen gebroken; de electrische vonk, die het gevoel van haar hart had overgebracht, was op gelijke wijze beantwoord door hem, dien zij beminde. Maar in welke taal was dat antwoord? Ach, zij kon het niet lezen, evenmin als hij haar boodschap had kunnen lezen. Eerst twijfelde zij: het was voorzeker verbeelding. Toen herinnerde zij zich gehoord te hebben van stervenden, die een visioen van zichzelven aan anderen konden zenden; en als dat zoo was, waaromditdan niet? Ja, het was een waarheid, een ernstige waarheid; zij wist dat hij haar gedachten gevoelde, dat zijn leven van invloed was op het hare. O, onverklaarbaar mocht het zijn, maar het gaf hoop. Als de blinde kracht harer menschelijke liefde zóó de grenzen van het stoffelijk bestaan kon overschrijden, en zich louter door de macht van haar wil boven alle aardsche hinderpalen verhief, wat had zij dan te vreezen van afstand, van scheiding, van den dood zelven? Zij had den draad gegrepen,die er eenmaal toe kon leiden om wonderbare geheimen voor haar blik open te leggen. Zij had een gefluister gehoord in een onbekende taal, die zij nog moest leeren, en die op den wanhoopskreet des levens met een zegelied antwoordde. Als hij haar slechts beminde, zou eenmaal alles goed zijn. Eenmaal zouden de scheidsmuren omvallen, en de ziel, van haar vleeschelijk omhulsel bevrijd, zou de aan haar verwante ziel zoeken. En dan, als zij haar liefde gevonden had, wat was er dan nog meer te zoeken? Welk ander antwoord verlangde zij op al de vraagstukken van haar leven dan deze eindelijk verkregen eenheid—eenheid verkregen in den dood!
En indien hij haar niet beminde, hoe had hij haar dan kunnen antwoorden? Dat antwoord kon immers niet anders tot haar komen dan langs den gouden snaar der liefde, die haar zoetsten klank doet hooren, wanneer de vinger des weemoeds haar tokkelt.
De geestvervoering ging voorbij, de ziel verheffende gedachten werden al nauwer en flauwer, als de wegstervende echo’s van een harp, en eindelijk, door de hevigheid harer aandoeningen uitgeput, legde Beatrice zich te bed en viel weldra in slaap.
Toen Geoffrey den volgenden ochtend ontwaakte, kwam hij, na een weinig nadenken, tot het besluit dat hij een zonderlingen en treffenden droom had gehad, die het gevolg was van opgewondenheid door de gebeurtenissen van den vorigen dag, of van verdriet dat hij vertrekken moest. Hij stond op, pakte zijn reistasch—al het overige was gereed—en ging ontbijten. Beatrice kwam niet te voorschijn, voordat het ontbijt reeds half afgeloopen was. Zij zag zeer bleek, en zeide dat het pakken van Effie’s goed haar had opgehouden. Geoffrey merkte op, dat zij zijn vingers nauwelijks aanraakte, toen hij opstond om haar de hand te geven, en dat zij zijn blik zorgvuldig vermeed. Toen kwam de vraag bij hem op ofzijmisschien ook een zonderlingen droom had gehad.
Nu kwam de drukte van het vertrek. Effie werd in de vigilante met de bagage weggezonden, onder toezicht van Betty, dedikke Welsche dienstmaagd. Beatrice en Geoffrey zouden te voet naar het station gaan.
“’t Is tijd om afscheid te nemen, mijnheer Bingham,” zeide Granger. “Vaarwel, vaarwel! God zegene u. Ik heb nooit zoo’n aangenamen commensaal gehad. Ik hoop dat gij nog eens terug zult komen. A propos, bij het verhoor van dien schurk Jones zult gij zeker wel als getuige opgeroepen worden.”
“Vaarwel, mijnheer Granger,” antwoordde Geoffrey: “ge moet mij in stad eens komen bezoeken.Verandering is goed voor u.”
“Ja, dat doe ik misschien wel. Ik heb in geen vijf-en-twintig jaar verandering gehad. Ik heb het nooit kunnen bekostigen. Gaat gij Elisabeth niet vaarwel zeggen?”
“Vaarwel, Miss Granger,” zeide Geoffrey beleefd. “Veel dank voor al uw vriendelijkheid. Ik hoop dat wij elkander eens zullen ontmoeten.”
“Hoopt ge dat? Ik ook,” antwoordde Elisabeth. “Ik ben er wel zeker van, dat wij elkaar weer zullen ontmoeten, en het zal mij verheugen u weder te zien, mijnheer Bingham,” voegde zij er op een eigenaardigen toon bij.
Een oogenblik later had hij de pastorie verlaten, en liep, met Beatrice naast zich, naar het station.
“Scheiden thut weh” zeide hij, nadat zij een poos stilzwijgend voortgeloopen hadden.
“Er is altijd iets weemoedigs in afscheidnemen,” antwoordde zij—“òf voor dengene, die heengaat, òf voor de achterblijvenden.”
“Of voor beiden,” zeide hij.
Daarop bewaarden zij weder het stilzwijgen, dat hij het eerst afbrak.
“Miss Beatrice, mag ik u schrijven?”
“Zeker, als gij wilt.”
“En zult ge mijn brieven beantwoorden?”
“Ja, ik zal ze beantwoorden.”
“Als ik dan mijn zin had, zoudt ge vrij wat tijd aan schrijven besteden,” zeide hij. “Ge weet niet,” liet hij er ernstig op volgen, “hoe aangenaam het mij geweest is, dat ik u heb leeren kennen.Ik heb nooit in mijn leven grooter genoegen gehad.”
“Dat verheugt mij,” antwoordde Beatrice kortaf.
“Ik moet u eens iets vragen,” hernam hij. “Ge zijt een ware vraagbaak als het op citaten aankomt. In de laatste twaalf uur heeft mij een gedicht door ’t hoofd gespeeld, en ik kan mij maar nietherinnerenvan wien het is.”
“Hoe is het dan?” vroeg zij, opziende, en Geoffrey meende een zonderling vreesachtige uitdrukking in haar oogen te bespeuren.
“Ditkwam er, onder anderen, in,” zeide hij, en hij haalde eenige van de dichtregelen aan, die hem het meest getroffen hadden.
Beatrice luisterde—en hoorde dezelfde regelen, die den vorigen nacht op haar lippen waren geweest. Zij onthutste hevig, werd doodsbleek, en haar knieën knikten. Met een krachtige poging herstelde zij zich.
“Mij dunkt, gij moet dat vers wel kennen, mijnheer Bingham,” zeide zij, met een flauwe stem. “’t Is van Browning, en getiteld: ‘De laatste woorden eener Vrouw’.”
Geoffrey zeide hierop niets; wat zou hij zeggen? Een poos liepen zij stilzwijgend voort. Zij waren nu dicht bij het station. Het oogenblik van scheiding voor altijd was gekomen. Een onweerstaanbaar verlangen om de waarheid te weten, maakte zich van hem meester.
“Miss Beatrice,” sprak hij weder, “ge ziet bleek. Hebt ge van nacht niet goed geslapen?”
“Neen, mijnheer Bingham.”
“Hebt ge zonderlinge droomen gehad?”
“Ja,” antwoordde zij, recht voor zich uit ziende.
Hij verbleekte min of meer. Het was dus waar!
“Beatrice,” vroeg hij, half fluisterend, “wat zouden die droomen beteekenen?”
“Zooveel of zoo weinig als alle andere droomen,” antwoordde zij.
“Wat moet men doen, als men zulke droomen heeft?” vroeg hij, weder op denzelfden gedempten toon.
“Ze vergeten,” fluisterde zij.
“En als zij terugkomen?”
“Ze weer vergeten.”
“En als zij niet vergeten willen zijn?”
Zij wendde zich tot hem en zag hem strak in de oogen.
“Sterven,” antwoordde zij, “dan zullen zij vergeten zijn, of—”
“Of wat, Beatrice?”
“Hier zijn wij aan het station,” zeide Beatrice, “en Betty is aan ’t kibbelen met den koetsier.”
Vijf minuten later was Geoffrey vertrokken.