Hoofdstuk I.

Hoofdstuk I.Een visioen in den nevel.De herfstnamiddag ging in avond over. De lucht was bewolkt geweest, maar de wolken hadden zich van lieverlede in een donkerblauw opgelost. De zee was zoo stil alsof zij sliep, doch in haar slaap rees zij met den wassenden vloed. Het oog kon dat langzamerhand wassen niet opmerken, maar Beatrice, die op het uiterste punt van deDog Rocksstond, zag het lange, bruine zeewier aan den kant der rotsen allengs onder de groene golven verdwijnen. Inmiddels had zich een dichte nevel over het stille water verspreid. Hij was niet uit het westen aangewaaid, hij kwam eenvoudig als de schemering, maakte de stilte nog stiller, en deed de omtrekken van het land ineensmelten. Beatrice zag niet meer naar het zeewier, en vestigde al haar aandacht op dat toenemend nevelachtig waas.“Welk een merkwaardige avond!” zeide zij bij zichzelve. “Zooeen heb ik niet gezien sedert moeder gestorven is, en dat is nu zeven jaar geleden. Ik ben sedert dien tijd gegroeid, in elk opzicht gegroeid,” en zij lachte eenigszins droevig, en zag naar haar eigen afspiegeling in het water.Zij had nauwelijks naar iets bekoorlijkers kunnen zien, want bezwaarlijk had men een meisje kunnen vinden van een edeler voorkomen dan Beatrice Granger, terwijl zij op dezen haartwee-en-twintigstenverjaardag daar op de nevelachtige zee staarde.Van iets meer dan middelbare lengte, en van eene gestalte, die een beeldhouwer tot model had kunnen dienen, schenen kracht en gezondheid uit haar geheele wezen te stralen. Maar het was inzonderheid haar gelaat, met den stempel van schranderheid en zielskracht, wat haar zelfs onder vrouwen, die schooner waren dan zij, in ’t oog moest doen vallen. Er zijn vele meisjes, die weelderig, bruin haar hebben, meisjes, wier donkergrijze oogen eene teedere uitdrukking kunnen aannemen, als die eener duif, of schitteren als de door de zon bestraalde zee, en die de vergelijking met eene bloeiende roos kunnen doorstaan. Maar weinigen kunnen een gelaat vertoonen zooals Geoffrey Bingham dat voor ’t eerst, tot zijne droefheid en zijne hoop, aanschouwde. Het teekende de kracht en frischheid van de zeekoelte, en wie het zag moest wel weten dat er een even frissche, krachtige geest uit sprak. En toch was het echt vrouwelijk; het had niets van den harden stempel der “beschaafde” vrouw. Zij, die dat gelaat bezat, was tot vele dingen in staat. Zij kon liefhebben en zij kon lijden, en als het noodig was, kon zij moedig strijden of sterven. Dat stond te lezen op dat edel, open voorhoofd en in die zielvolle, grijze oogen—namelijk, voor hen, voor wie het karakter geen gesloten boek is en wie het willen bestudeeren.Maar Beatrice dacht niet aan haar bekoorlijkheid, terwijl zij in het water staarde. Zij wist, natuurlijk, wel dat zij schoon was; haar schoonheid was te in ’t oogvallend om voorbijgezien te worden, en bovendien was zij er op verscheidene, meer of minder aangename wijzen opmerkzaam op gemaakt.“Zeven jaar,” dacht zij, “sedert dien avond van den ‘nevel des doods,’ zooals de oude Eduard het noemde, en dat was het ook. Ik was toen nog maar zóó hoog,” en den loop harer gedachten volgende, raakte zij haar borst aan. “En ik was op mijn wijze gelukkig ook. Waarom kan men niet altijd vijftien jaar zijn en alles gelooven wat ons verteld wordt?” en zij zuchtte. “Zeven jaar en nog niets gedaan. Werken, werken, en van dat werken komt niets, en alles verdwijnt. Ik vind het leven zeer vervelend, als men alles verloren en niets gevonden heeft, en niemand liefheeft. Hoe zou het over zeven jaar zijn?”Zij bedekte haar oogen met de handen, en daarna zag zij weder in het water. Het licht, dat door den nevel worstelde, was achter haar, en de nevel werd dichter. Eerst had zij eenige moeite om haar eigen beeld in den waterspiegel te onderscheiden, en het vertoonde zich aan haar, alsof zij in het met den nevel samensmeltende water op den rug lag. “Hoe zonderling komt mij dat voor,” dacht zij; “wat is het, waaraan die afspiegeling, met al dat wit er omheen, mij herinnert?”Het volgend oogenblik ontglipte haar een kreet, en wendde zij zich af. Nu wist zij het. Het beeld harer moeder was haar voor den geest gekomen, zooals zij haar zeven jaar geleden gezien had.Hoofdstuk II.Bij de Belrots.Op ruim een mijl afstands van de plaats, waar Beatrice stond en visioenen zag, en verder langs de kustlijn, steekt een tweede groep rotsen, om haar kleur bekend als de Roode Rotsen, of soms, om een andere reden, als de Belrotsen, ongeveer drie kwart mijlver in de zee vooruit. Bij eb zijn die rotsen bloot, zoodat men tot het uiterste punt kan loopen of waden; maar als het volle vloed is, komen slechts de met zeewier begroeide kruinen van twee der grootste boven de klotsende golven uit. Bij zekeren wind en getij is dit in ruw weder een allergevaarlijkste plek, zooals menig schip ten zijnen koste heeft ondervonden. In 1780 is daar een driedekker-oorlogsschip, met zeven honderd koppen bemand, in een vreeselijken winterstorm gestrand, en, op één uitzondering na, met man en muis vergaan. Die ééne uitzondering was een man in boeien geslagen, die, op een stuk van het wrak gezeten, veilig en bedaard aan land kwam drijven. Hoe de schipbreuk gebeurd is, weet niemand, de overlevende in boeien het allerminst, maar de traditie van het verschrikkelijk voorval leeft nog in het district, en, niet onnatuurlijk, heet het op de plek, waar de beenderen der verdronkenschipbreukelingennog door het zand te voorschijn komen, te spoken. Sedert die ramp is er op de hoogste rots een groote bel gezet (oorspronkelijk de bel van het verongelukte schip zelf, met den naam: “Harer Majesteits Donder” op het metaal gestempeld) en bij storm en hoogen vloed klinkt haar waarschuwend gelui over de diepte.Maar nu was de bel stil, en vlak er onder, in de schaduw van de rots, waarop zij geplaatst was, zat een man half verborgen in zeewier, waarmede hij zich opzettelijk bedekt scheen te hebben. Het was een man van een knap voorkomen, breed van schouders, forschgebouwd, en naar gissing zal hij ongeveervijf-en-dertigjaar geweest zijn. Van zijn gestalte was echter op dit oogenblik, in den nevel en tusschen het zeewier, niet veel te zien. Maar zooveel licht als er was, viel op zijn gelaat, terwijl hij over en om de rotsen tuurde of snel zijn geweer met dubbelen loop, dat hij tusschen zijn knieën hield, aanlegde.Het was een schrander gelaat, met bruinachtige oogen, een donkeren, spitsen baard en sterk geteekende trekken. En toch was er iets zachts in den trek, die om den mond speelde, als het licht op den rand van een donkere wolk, dat zonneschijn doet vermoeden.Maar weinig daarvan was nu zichtbaar. Geoffrey Bingham, meester in de rechten, was verdiept in een ernstige bezigheid. Hij beproefde kemphanen te schieten, terwijl zij over zijn schuilplaats vlogen, op hun weg naar de modderige oevers verder op de kust, waar zij hun aas vinden.Als er iets is, dat iemands geduld op de proef stelt en de scherpste opmerkzaamheid vereischt, dan is het voorzeker wel het schieten van kemphanen in een nevel. Misschien moet hij een uur, of zelfs twee uren, wachten, zonder iets te zien. Dan hoort hij mijlen ver het gekrijsch van kemphanen in de vlucht. Hij spant zijn oogen in, het gekrijsch komt nader, maar hij ziet nog niets. Eindelijk, ja, daar krijgt hij op een afstand van misschien zestig meter zijwaarts van hem af, het klepperen van vleugels in het oog, en als een bliksemstraal zijn zij weg, Weder een gekrijsch—de kemphanen komen aanvliegen. Hij kijkt, hij tuurt, springt in zijn opgewondenheid overeind en heft zijn hoofd onvoorzichtig ver boven de hem verbergende rots op. Een groote vlucht van wel dertig of meer vliegt regelrecht naar hem toe, al nader en nader. Daar legt hij zijn geweer aan, maar helaas! zij zien den loop in het licht glinsteren, en misschien hebben zij ook het hoofd daarachter in ’t oog gekregen, en in een seconde verstrooien zij zich in alle richtingen en verdwijnen met een treurig gekrijsch in den nevel.Dat is erg, maar de vurige jager gaat met een zucht weer zitten en wacht, naar het zacht geklots van den vloed luisterende. En nu wordt zijn geduld eindelijk beloond. Eerst komen er twee wilde eenden, die als pijlen de lucht klieven. Den woerd mist hij; maar de wijfjeseend is geraakt en ploft neder. Nauwelijks heeft hij opnieuw geladen, of daar hoort hij weer het gekrijsch van kemphanen—ditmaal dicht in zijn nabijheid. Daar komen zij in den nevel opdagen. Pang!—en de eerste ligt tusschen de rotsen te klapwieken. Pijlsnel vliegt de tweede zijwaarts. Pang! hem achterna, en hij is ook geraakt. Hoor hem op vijftig meter afstands in het water plassen! En nu wordt de mist zoodicht, dat het voor dien dag met de jacht gedaan is. Welnu die juist gemikte schoten zijn wel waard drie uur in het natte zeewier te zitten en op den koop toe een zware verkoudheid op te doen—ten minste, voor ieder man, die een waar hart voor het jachtvermaak heeft.Zoo iets had Geoffrey Bingham juist ondervonden. Hij had zijn wilde eend en een van de geschoten kemphanen in zijn weitasch gestoken, want de andere dreef op de zee, toen het plotseling toenemen van den mist een einde aan zijn verdere verrichtingen maakte. Hij schudde het natte zeewier van zijn kleeding, en na een kort pijpje opgestoken te hebben, liep hij langs den kant van de rots, waar de vloed al meer en meer tegen opsteeg, in den mist te turen, om den anderen kemphaan te zoeken. Op een oogenblik dat de nevel een weinig optrok, zag hij op eenigen afstand den vogel drijven. Linksaf liep de rots in een punt uit, en hij wist bij ondervinding dat de opzettende vloed den kemphaan daar voorbij zou stuwen. Dus ging hij naar dit uiterste punt, zette zich op een steen neder, en wachtte. Inmiddels steeg de vloed snel, maar in zijn ijver om den kemphaan ook in zijn weitasch te steken, lette hij daar niet op, vergetende dat hij van het land afgesneden zou worden. Eindelijk, na langer dan een half uur gewacht te hebben, kreeg hij den vogel in ’t oog, maar ongelukkig nog wel bijna twintig meter van hem af, en in diep water. Hij had het er echter op gezet den vogel te krijgen, want Geoffrey liet zijn geschoten wild niet gaarne in den steek, dus stroopte hij zijn broek op en beproefde er heen te waden. Bij de eerste stappen ging alles goed, maar bij den vierden of vijfden kwam hij in een gat terecht, waardoor zijn rechterbeen tot aan de dij nat werd en zijn voet omzwikte. Beseffende dat het zeer lastig zou zijn, als hij op zulk een eenzame plaats zijn voet verstuitte, keerde hij terug, en begreep dat, als hij niet wilde dat de kemphaan voedsel voor de haaien zou worden, hij beter deed er heen te zwemmen. Dit besloot hij dan ook te doen, en reeds had hij te dien einde zijn jas en vest uitgetrokken,toen hij eensklaps door den nevel heen een bootje voor zich uit zag. Daar kwam hij op een inval: degene, die zoo dwaas was in zulk weer een roeitochtje te doen, kon den kemphaan voor hem halen en hem het zwemmen uitwinnen.“Hei!” riep hij, met een stentorstem. “Hallo daar!”“Ja,” antwoordde een zachte vrouwenstem over het water.“Och,” hernam hij, haastig zijn vest weer aantrekkende, want die stem zeide hem dat hij met een dame, die door den mist overvallen was, te doen had, “neem me niet kwalijk, maar zoudt ge mij een genoegen willen doen? Daar, dichtbij uw bootje, drijft een doode vogel. Als gij zoo goed wildet zijn—”Het bootje gleed naar den vogel toe, een blanke hand werd uitgestoken en haalde den kemphaan uit het water. Toen, eer Geoffrey zijn jas weer had aangetrokken, werd het bootje naar de rots geroeid, en een lief gezichtje zag uit den nevel tot hem op.Gaan wij nu een weinig terug, (ach, dat dit voorrecht alleen maar aan den verhaler van gedane dingen vergund is!) en zien wij hoe het kwam dat Beatrice Granger zoo juist van pas kwam om den geschoten kemphaan voor Geoffrey Bingham uit het water te halen.Terstond na dat visioen, in het eerste hoofdstuk van dit verhaal vermeld, begreep zij dat zij voor éen namiddag genoeg van deDog Rocksgezien had. Daarop besloot zij, als een verstandig meisje, de rots weer te verlaten op dezelfde wijze als zij er gekomen was, namelijk, door middel van een bootje. Zij stapte er veilig in en roeide een eind ver in zee, met het oogmerk terug te keeren naar de plaats, waar zij van daan kwam. Maar hoe verder zij in zee kwam, en dat moest zij wel, om de rotsen en de draaistroomen te vermijden, des te dichter werd de nevel. Zij hoorde er wel geluiden doorheen, maar zij kon niet duidelijk onderscheiden van waar die kwamen, totdat zij eindelijk, hoe bekend zij ook met de kust was, niet recht meer wist waar zij heen roeide. In die verlegenheid, terwijl zij op haar roeispaan rustte en in den dichten mist om haar heen tuurde, en haar oogen zoo wijd als zij kon opendeed,en dat was zeer wijd, hoorde zij rechts een geweerschot achter zich. Bij zichzelve beredeneerende dat een jager op wild gevogelte dat schot gelost moest hebben, wendde zij haar bootje om en roeide snel in de richting, vanwaar het geluid gekomen was. Daar hoorde zij weder den knal van een geweerschot rechtsaf, maar een eind ver. Krachtig roeide zij voort, maar nu kwamen er niet meer schoten, waarnaar zij zich richten kon, dus was haar zoeken een poos vruchteloos. Eindelijk zag zij iets door den nevel heen schemeren; het waren de Roode Rotsen, hoewel zij die niet kende, en voorzichtig naderde zij, totdat zij Geoffrey’s geroep hoorde.“Hier is de kemphaan, mijnheer,” zeide zij, toen zij aan zijn verzoek voldaan had.“O, ik dank u,” antwoordde de nevelachtige gedaante op de rots. “Ik ben u zeer verplicht. Ik wilde er juist heen zwemmen, want ik verlies mijn wild niet gaarne. Ik vind het zoo wreed vogels voor niets te schieten.”“Gij zult er wel geen gebruik van maken, nu gij hem hebt,” zeide de zachte stem in het bootje, “Kemphanen zijn juist niet heel lekker om te eten.”“Daar is het ook niet om te doen,” hernam de Robinson Crusoe op de rots. “’t Is de aardigheid van ze mee te brengenAprés Cela—”“De vogelopzetter?” zeide de zachte stem.“Neen,” antwoordde de Robinson Crusoe, “de kok—”Een lach klonk uit het bootje—en daarna een vraag.“Zeg, mijnheer Bingham, kunt ge mij ook zeggen waar ik ben? Ik ben in den mist geheel en al van mijn koers geraakt.”Hij was verbaasd. Hoe wist die geheimzinnige jonge dame in een bootje zijn naam?“Ge zijt bij de Roode Rotsen; daar is de bel, dat grijze ding, mejuffrouw—mejuffrouw—”“Beatrice Granger,” viel zij haastig in. “Mijn vader is de predikant van Bryngelly. Ik heb u gezien, toen gij met Lady Honoria Bingham gisteren in de school kwaamt. Ik geef daar onderwijs.”Zij zeide hem echter niet dat zijn gelaat zulk een indruk op haar had gemaakt dat zij naar zijn naam gevraagd had.Weder was hij verbaasd. Hij had van die jonge dame gehoord. Iemand had hem gezegd dat zij het liefste en knapste meisje in Wales was, maar dat haar vader geengentlemanwas.“O,” zeide hij, zijn hoed afnemende. “Is het niet een weinig gewaagd voor u, Miss Granger, zoo alleen in dezen mist op zee te roeien?”“Ja,” antwoorde zij gulhartig, “maar ik ben het gewoon; ik roei in alle weer. Dat is mijn vermaak, en eigenlijk komt het er ook niet veel op aan of het gewaagd is,” liet zij er op volgen, meer bij zichzelve sprekende dan tot hem.Terwijl hij er over dacht wat zij met dit somber gezegde zou bedoelen ging zij snel voort:“Weet gij wel, mijnheer Bingham, dat gij, geloof ik, in grooter gevaar zijt dan ik? Het moet bij zevenen zijn, en kwartier voor achten is de vloed hoog. Als ik mij niet vergis, is er bijna een halve mijl ver diep water tusschen u en de kust.”“Op mijn woord!” zeide hij, “ik heb volstrekt niet aan het getij gedacht. Door dat schieten en het zoeken naar den kemphaan, en ook door den mist, is het niet bij mij opgekomen dat het al laat werd. Ik zal nu zeker moeten zwemmen, dat is het eenige, wat er op zit.”“Neen, neen,” bracht zij ernstig hiertegen in, “’t is hier zeer gevaarlijk zwemmen, het is er vol scherpe rotsen, en er is een verschrikkelijke draaistroom.”“Welnu, wat dan te doen? Kunnen er in uw bootje twee zitten? Zoo ja, dan wilt gij misschien wel zoo goed zijn mij aan land te brengen?”“Ja,” zeide zij, “er is in mijn bootje plaats voor twee. Maar ik durf u niet naar land roeien, er zijn zooveel rotsen, en in dien mist is het kabbelen van het water er op niet te zien. Het bootje zou er op stooten. Neen, gij moet instappen, en ik zal u naar Bryngelly roeien, dat is het eenige. Nu ik weet waar ik ben, geloof ik den weg wel te kunnen vinden.”“Waarlijk, gij zijt wel goed,” sprak hij.“Er is niets goeds in,” gaf zij ten antwoord; “ik moet er zelve immers ook heen, dus zal ik blijde zijn met uw hulp. ’t Is bijna vijf mijlen over het water, en ’t is geen aangename avond.”Dat was waar. Hij was volkomen bereid zelf naar de kust te zwemmen, maar, het denkbeeld van die jonge dame alleen door den mist en de toenemende duisternis in een éénriems bootje naar Bryngelly te laten roeien beviel hem volstrekt niet. Het zou hem niet bevallen zijn, al was zij een man geweest, want hij wist dat zulk een tocht met groot gevaar gepaard ging. Dus nam hij haar aanbod aan.“Ge zult mij, ten minste, wel vergunnen te roeien,” zeide hij, toen zij haar bootje behendig onder de rots had gebracht.“Als gij wilt,” antwoordde zij twijfelachtig. “Mijn handen doen mij een weinig zeer, en natuurlijk,” met een blik op zijn breede schouders, “zijt gij veel sterker. Maar als gij niet gewoon zijt te roeien, geloof ik dat ik wel even goed voort zal komen als gij.”“Gekheid,” hernam hij. “Ik wil mij geen vijf mijlen ver door u laten roeien.”Zonder een woord meer te zeggen, gaf zij toe, en ruimde haar plaats aan de roeispaan voor hem in.Toen overhandigde hij haar zijn geweer, dat zij met de doode vogels zorgvuldig op den bodem van het zwakke vaartuigje legde Nu liet hij zich voorzichtig van de rots in het bootje afglijden.“Pas op, of gij zult ons omgooien,” zeide zij, zich voorover buigende en hem de hand reikende, om hem bij het instappen te ondersteunen.Terwijl hij haar hand vatte, kon hij haar voor ’t eerst goed in ’t gelaat zien en wist hoe schoon het was.Hoofdstuk III.Een geloofsbelijdenis.“Zijt gij gereed?” vroeg hij.“Ja,” antwoordde Beatrice. “Gij moet een eind rechtuit in zee aanhouden niet te ver, want als wij voorbijRumball Pointzijn, komen wij in de branding—daar is altijd branding—en dan links sturen. Ik zal u zeggen wanneer. En, mijnheer Bingham, wees, als ’t u belieft, voorzichtig met de roeispaan; zij is gespleten, geweest, en kan er niet tegen ruw behandeld te worden.”“Goed,” antwoordde hij, en vroolijk staken zij af, en snel gleed het lichte bootje vooruit onder zijn krachtige riemslagen.Beatrice leunde achterover, zoodat hij slechts gedeeltelijk haar gelaat kon zien. Maar zij zag het zijne, telkens als hij zich door het in beweging houden van de roeispaan naar haar toe boog, en zij sloeg het met belangstelling gade. Het was voor haar een nieuw gelaatstype, zoo edel, zoo mannelijk, en toch met zulk een zachten trek om den mond—bijna al te zacht, dacht zij.Wat had hem bewogen met Lady Honoria te trouwen? was de vraag, die bij Beatrice opkwam; die dame zag er niet bizonder edel uit, hoewel zij een bevallige vrouw was.En zoo gingen zij een poos voort, elkaar in hun hart bewonderende, wat niet vreemd was, want zij waren een zeer passend paar maar geen van beiden sprak een woord, voordat Geoffrey, na ongeveer een kwartier hard geroeid te hebben, ophield om te rusten.“Doet gij zoo iets dikwijls, Miss Granger?” zeide hij, hijgend, “want ik moet zeggen dat het een vrij vermoeiend werk is.”Zij lachte. “Ik dacht wel,” zeide zij, “dat gij het niet zoudt volhouden zoo hard te roeien. Ja, zoo’n bootje is in den zomer een groot genot. ’t Is mijn manier van lichaamsbeweging te nemen, en ik kan zwemmen ook, zoodat ik niet bang ben voor omslaan.’t Is ten minste twee jaar mijn gewoonte geweest, sedert een dame, die hier logeerde, mij dit éénriems-bootje gaf, toen zij heenging. Vóór dien tijd roeide ik in een gewoon tweeriems-bootje—dat wil zeggen, voordat ik naar het college ging.”“Naar het college? Wat voor college? Girton?”“O, neen, niet half zoo voornaam. Het was een college, waar men getuigschriften kreeg dat men bevoegd was om onderwijzeres op een kostschool te zijn.Ik wenschte dat het Girton geweest was.”“Zoo?—daar zijt gij te goed voor,” wilde hij er bijvoegen, maar hij veranderde het in: “Ik geloof dat gij even goed af zijt. Ik houd niet veel van die Girton-stempel; wie ik van dat soort ken, of gekend heb, zijn zoo hard.”“Des te beter voor hen,” antwoordde zij, “Ik zou wel zoo hard als een steen willen zijn; een steen kan niet gevoelen. Zijt gij dan niet van meening dat vrouwen moeten leeren?”“Zijt gij het wèl?” vroeg hij.“Ja, zeker.”“Hebt gij wat geleerd?”“Ik heb mij zelve wat geleerd en op het college iets opgevangen.Maar ik heb niets meer dan oppervlakkige kennis?“Wat kent ge zoo al—Fransch en Duitsch?”“Ja.”“Latijn?”“Ja, daar weet ik iets van.”“Grieksch?”“Dat kan ik vrij goed lezen, maar ik ken het Grieksch niet grondig.“Wiskunde?”“Neen, dat heb ik opgegeven. Wiskunde is tegen de menschelijke natuur. Zij berekent alles naar een vasten regel, die een uitkomst zus of zoomoetgeven.Zoo is het leven niet; wat een vierkant moest zijn wordt een rechthoek en X is altijd een onbekend getal, dat men nooit te weten komt voordat men dood is.”“Goede hemel!” dachtGeoffrey, tusschen de slagen van zijn roeispaan door, “welk een buitengewoon meisje! Een echte blauwkous, en toch zoo bekoorlijk. In allen gevalle zal ik haar nu toch eens uithooren.”“Misschien hebt gij ook wel in de rechten gestudeerd?” hernam hij, met bedwongen spotternij.“Ik heb er een weinig aan gedaan,” antwoordde zij bedaard. “Ik houd wel van de rechtsgeleerde studie. Er is zooveel fijns in, en zooveel op een kleinen grondslag te bouwen. Bij voorbeeld, deKanselarijwet. Misschien kunt ge mij wel zeggen.—”“Neen, dat kan ik zeker niet,” antwoordde hij. “Ik ben geen man van hetKanselarij-Gerechtshof. Ik ben maar aan de gewone rechtbank, en aan de kennis van mijn departement heb ik genoeg. Ge maakt mij bepaald ongerust, Miss Granger. Het verwondert mij, dat het bootje niet onder zooveel geleerdheid zinkt.”“Zoo? Maak ik u ongerust?” zeide zij. “Ik ben blijde dat ik eens iemand ongerust heb kunnen maken. Ik sprak daar van de Kanselarij, maar als ik een advocaat was, zou ik ook liever aan de gewone rechtbank zijn, omdat daar veel meer leven en strijd bij is. Het bestaan is niets waard, als men niets heeft om tegen te strijden en dat men moet trachten te overwinnen.”“Welk een rustig gezichtspunt!” zeide Geoffrey verbaasd. Nooit had hij zulk een vrouw ontmoet.“Rust is alleen goed, wanneer zij verdiend is,” ging de filosofische jonge dame voort, “en om iemand in staat te stellen nog meer rust te verdienen, anders wordt zij luiheid, en dat is ellende. Verbeeld u, werkeloos te zijn, als men maar zoo’n korten tijd om te leven heeft. Het eenige, wat men doen kan, is werken en de gedachten smoren. Gij hebt zeker een uitgebreide praktijk, mijnheer Bingham?”“Dat moet gij een advocaat nooit vragen,” antwoordde hij lachend; “’t is alsof men naar de schilderijen ziet, die een schilder naar den wand heeft gekeerd. Neen, om openhartig te zijn, ik heb geen uitgebreide praktijk. Ik heb mij eerst sedert de laatstetwee jaar in ernst op mijn vak toegelegd. Vóór dien tijd was ik niets anders dan een advocaat in naam.”“Waarom zijt gij zoo plotseling begonnen te werken?”“Omdat ik mijn vooruitzichten verloren had, Miss Granger—kortom, uit noodzakelijkheid.”“O, ik vraag u verschooning,” zeide zij, met een blos, dien hij natuurlijk niet zien kon. “Ik bedoelde niet onbescheiden te zijn. Maar ’t is zeer gelukkig voor u, niet waar?”“Zoo! Sommige menschen denken er anders over. Waarom is het gelukkig?”“Omdat gij nu in aanzien zult rijzen en een groot man worden, en dat is meer dan een rijk man te zijn.”“En waarom denkt gij, dat ik een groot man zal worden?” vroeg hij, in zijn verbazing met roeien ophoudende en naar de nevelachtige gedaante tegenover hem ziende.“O, omdat het op uw gelaat te lezen staat,” was het eenvoudig antwoord.Haar woorden klonken oprecht; er was geen vleierij of gekunsteldheid in. Geoffrey gevoelde, dat het meisje juist sprak zooals zij dacht.“Dus bestudeert gij de gelaatkunde ook,” zeide hij. “Welnu, Miss Granger, ’t is zonderling, alles in aanmerking genomen, dat ik u zal zeggen wat ik nog tegen niemand anders gezegd heb. Ik geloof dat gij gelijk hebt. Ik zal in aanzien rijzen. Ik gevoel dat het in mij ligt, als ik in het leven blijf.”Misschien begreep Beatrice, dat zij voor een nog zoouiterstkorte kennismaking een nogal vertrouwelijk gesprek voerden. In allen gevalle, gaf zij er schielijk een wending aan.“Ik vrees dat gij vermoeid wordt,” zeide zij; “maar wij moeten voort. Het zal spoedig geheel donker zijn, en wij hebben nog een heel eind voor den boeg. Zie hier,” en zij wees zeewaarts.Hij zag in de aangewezen richting. De mist trok op in kronkelingen van dikken damp, die over hen heen golfden en de zware lucht zoo verduisterden, dat die twee, hoewel geen vier voet van elkaar af, elkanders gelaat nauwelijks zien konden. Tot dusverregevoelden zij geen wind. De dikke mist was verstikkend.“Ik geloof dat de lucht breekt, wij krijgen storm,” zeide Beatrice, een weinig bezorgd.Nauwelijks waren die woorden over haar lippen, of de mist verdween van het geheele zeevlak. Geen spoor was er meer van te zien, en in plaats daarvan blies een sterke windvlaag hun in ’t gelaat. Ver in het westen zonk de vurige schijf der zon in het schuim, en schoot een langen, rooden straal over het nu onstuimig woelende water. Het licht viel op het bootje en wierp zijn volle schijnsel op Beatrice, waarna het zich verloor in de nevelen, die de kust nog omhulden.“O, hoe verrukkelijk!” riep zij uit, zich oprichtende en naar den luister der ondergaande zon wijzende.“Ja, wel is het verrukkelijk!” zeide hij, doch hij zag niet naar den zonsondergang, maar naar het gelaat van het meisje tegenover hem, blinkend als dat van een heilige in zijn gouden aureool. Want dat was ook verrukkelijk—zoo verrukkelijk, dat het hem zonderling trof.“’t Is als—” begon zij, en eensklaps brak zij af.“Als wat?” vroeg hij.“’t Is alsof de waarheid eindelijk gevonden is,” hernam zij, meer bij zichzelve sprekende dan tot hem. “Men zou er een allegorie van kunnen maken. Wij zwerven in nevelen en duisternis, en scheppen ons een onzekere toekomst. En dan worden eensklaps de nevelen weggevaagd, alle twijfel is verdwenen, wij zien slechts een luister voor ons, die alles helder maakt en ons een licht is op de zee der onsterfelijkheid. Het klinkt bijna te verheven,” liet zij er met een bekoorlijk lachje op volgen; “maar er is iets in, dat ik zoo niet weet uit te drukken. O, zie!”Terwijl zij sprak, dreef een zware onweerswolk over de verdwijnende schijf der zon. Een oogenblik worstelde het licht met de verduisterende wolk en veranderde haar grauwen rand in koperkleur, maar de wolk was te sterk, het licht verdween en liet de zee in duisternis.“Uw allegorie zou een akelig slot gehad hebben, als gij ze hadt uitgewerkt,” merkte hij aan. “Het wordt pikdonker, endaaris ook heel wat in, als ik het zoo wist uit te drukken.”Beatrice daalde wijselijk uit de sfeer der poëzie weer neder tot de werkelijkheid.“Er komt een storm opzetten, mijnheer Bingham,” zeide zij: “gij moet zoo hard roeien als ge kunt. Ik geloof dat wij niet verder dan twee mijlen van Bryngelly af zijn, en misschien zijn wij zoo gelukkig daar aan te komen voordat de storm losbarst.”“Ja,alswij zoo gelukkig zijn,” zeide hij, op bitteren toon, terwijl hij aan ’t werk ging. “Maar de vraag is, waarheen te roeien—’t is zoo donker. Zouden wij niet liever op de kust aanhouden?”“Wij zijn nu in het midden van de baai,” antwoordde zij, “en bijna even ver van het vasteland, als van Bryngelly; bovendien is het alles rotsen. Neen, gij moet rechtdoor sturen. Aanstonds zult gij het kustlicht van Coed zien. Zooals gij weet, is Coed vier mijlen aan de andere zijde van Bryngelly, dus, als gij het ziet, moet gij links houden.”Hij volgde haar wenk, en een poos spraken zij geen van beiden. De opstekende wind maakte het trouwens moeilijk een gesprek te voeren, en Geoffrey had dan ook niet veel adem voor woorden over. Hij was sterk, maar zulk ongewoon werk kostte hem veel inspanning en hij begon blaren in zijn handen te krijgen. Een minuut of tien roeide hij voort in een bijna totale duisternis, niet wetende waar ter wereld hij heen stuurde, want het was niet mogelijk te zien. Voor zooveel hij wist, had hij wel in een cirkel kunnen draaien. Het eenige, waarnaar hij zich richten kon, was de windstreek en het plassen van de golven. Zoolang deze, die nu onheilspellend begonnen te zwellen, tegen stuurboordzijde sloegen, meende hij een rechte koers te houden. Maar in het rumoer van den opstekenden storm en de verwarring van de duisternis, was dit geen zeer voldoend richtsnoer.Eindelijk viel er een helder schijnsel over de zee, bijna recht voor hen uit. Dat was het kustlicht.Hij veranderde zijn koers een weinig en roeide voort. En nu barstte de storm los. Gelukkig was die niet zeer hevig, anders zou hun zwak bootje gezonken zijn, maar toch hevig genoeg om hen in groot gevaar te brengen. Als een veertje rees het bootje op de golven, doch het was laag van boord, en bij elke rijzing schepte het een weinig water. Maar nog erger wachtte hen.Met een beangst hart roeide hij voort, terwijl Beatrice niets zeide. Daar kwam een groote golf opzetten; hij zag haar witte kruin door de duisternis blinken. Haar schuim spatte over het bootje, terwijl zij het ophief als om het in de diepte neder te storten; maar het ranke vaartuigje gleed er overheen, echter niet zonder een paar emmers water te scheppen. Beatrice zeide geen woord, maar nam haar hoed af, boog zich voorover en begon te hoozen zoo goed zij kon, en dat was juist niet veel.“Dat gaat niet,” riep hij. “Ik moet den voorsteven omhoog houden, of wij worden overstroomd.”“Ja,” antwoordde zij, “doe dat. Wij zijn in groot gevaar.”Hij zag rechtsaf; daar kwam weder een witte golf opzetten; hij zag haar blinkende kruin. Met al zijn kracht sloeg hij de roeispaan in het water, het bootje gehoorzaamde er aan, en gleed veilig over de golf heen, maar de roeispaan knapte. De kracht, die hij er op gezet had, was meer dan zij verdragen kon. Zij brak intweeën, een duim of negen boven het blad, dat op dit oogenblik in het water was. Wanhoop overmeesterde hem.“Groote Hemel!” riep hij uit, “de roeispaan is gebroken!”Beatrice schrikte hevig.“Gebruik dan het andere einde,” zeide zij; “roei eerst aan de eene en dan aan de andere zijde, en houd den voorsteven omhoog.”“Totdat wij zinken,” antwoordde hij.“Neen, totdat wij gered zijn—Spreek niet van zinken.”De moed van het meisje beschaamde hem, en hij volgde haar raad op, zoo goed als hij kon. Door gestadig met het overschotvan de roeispaan nu aan de eene dan aan de andere zijde te roeien, wist hij tegen de zwellende golven op te zwoegen. Maar in beider hart kwam de vraag op, hoe lang zij dit nog zouden volhouden.“Hebt gij kardoezen?” vroeg zij.“Ja, in mijn jaszak,” antwoordde hij.“Geef me er twee van, als ge kunt,” zeide zij.Hij wist een oogenblik waar te nemen om zijn hand in zijn zak te steken en haar de kardoezen te overhandigen. Zij scheen iets van de behandeling van een geweer te verstaan, want weldra was er een flikkering en een knal, spoedig door nog een gevolgd.“Geef mij nog meer kardoezen,” riep zij. Dat deed hij, maar er volgde niets op.“Het helpt niet,” zeide zij eindelijk, “de kardoezen zijn nat. Maar misschien heeft men de schoten gezien of gehoord. De oude Eduard zal wel naar mij op den uitkijk staan. Ge moest nu maar liever uw zakken ledigen, als gij kunt,” liet zij er, als bij nader inzien op volgen, “want straks zullen wij moeten zwemmen.”Dit scheen Geoffrey zeer waarschijnlijk toe, en zoo dikwijls hij er kans toe zag, volgde hij haar wenk op, totdat hij al zijn kardoezen kwijt was. Nu begon de regen bij stroomen te vallen. Hoewel het niet warm was, gudste het zweet hem uit elke porie, en de regen, die hem tegen het gelaat sloeg, verkwikte hem eenigszins; ook was met den regen de wind een weinig bedaard.Maar hij werd afgemat, en dat wist hij. Weldra zou hij niet meer in staat zijn het bootje recht te houden, en dan zouden zij overstroomd worden en naar alle waarschijnlijkheid verdrinken. Dat zou dus het einde van zijn leven en al zijn eerzuchtig streven zijn. Eer er nog een uur verloopen was, zou hij in de armen van die woeste zee gewiegd worden. Wat zou zijn vrouw Honoria zeggen, als zij het vernam? Misschien zou zij door den schok eenig blijk van gevoel geven. En Effie, zijn lief, zesjarig dochtertje? Nu, zij was Goddank nog te jong om zijn verlies lang te gevoelen. Tegen den tijd dat zij tot een vrouw was opgegroeid, zou zij bijna vergeten zijn, dat zijooit een vader had gehad. Maar hoe zou het met haar gaan, als zij hem niet had om haar te leiden? Haar moeder hield niet van kinderen, en een aankomend meisje zou haar gestadig herinneren dat zij zelve ouder werd. Hij wist het niet; hij kon slechts het beste hopen.En hijzelf! Wat zou er van hem worden na dien korten worstelstrijd om het leven? Hij was een Christen en had niet slechter geleefd dan andere mannen. Ja, hoewel hij de laatste geweest zou zijn om dat te denken, had hij eenige vergoedende deugden. Maar nu, aan het einde, was de geestelijke horizon even donker als bij het begin.Daar voor hem waren de Poorten des Doods, maar nog vergunden zij den reiziger niet een blik te slaan in wat daarachter lag. Wat wist hij of zij zich zouden openen, of daarachter iets was? Misschien zeide hij voor eeuwig vaarwel aan alle bewustzijn, aan aarde en zee en lucht en liefde, en alles wat liefelijk is. Welnu, dat was misschien beter dan sommige vooruitzichten. Op dit oogenblik zou Geoffrey Bingham, in zijn folterenden twijfel, gaarne zijn hoop op een leven hiernamaals verwisseld hebben voor de zekerheid van een eeuwigen slaap. Niet ieder heeft het voorrecht van het vast geloof te bezitten, dat sommigen onzer dien ontzaglijken overgang met het volste vertrouwen doet te gemoet zien, en in allen gevalle bezat hij het nog niet, hoewel misschien de tijd zou komen dat hij het deelachtig werd. Er zijn niet velen, zelfs wie zonder smet of blaam zijn, die zich in de armen des Doods kunnen leggen met de zekerheid van in heerlijkheid te ontwaken. Helaas! hij kon er niet volkomen zeker van zijn, en waar twijfel bestaat, is de hoop slechts zwak. Hij zuchtte diep, prevelde een gebedsformulier, dat sinds dertig jaar de meeste avonden op zijn lippen was geweest—hij had het als kind aan zijn moeders knie geleerd—en toen, terwijl de storm om hem heen loeide, verzamelde hij al zijn kracht, om het einde, dat onvermijdelijk scheen, af te wachten. In allen gevalle wilde hij sterven als een man.Toen kwam de reactie. Zijn levenskrachten waren weder opgewekt.Hij gevoelde zich niet langer beangst, hij gevoelde slechts een zonderlinge verbazing, zooals iemand zich verbaast over iets, dat een ander aangaat. Nu vestigde hij zijn aandacht op het meisje, dat tegenover hem zat. Met den regen was het ook begonnen te weerlichten, en bij de eerste flikkering zag hij haar duidelijk. Haar schoon gelaat was strak, en terwijl zij zich voorover boog en met haar groote oogen in de duisternis tuurde, meende hij er een bijna uitdagende uitdrukking op te zien.Het bootje draaide eenigszins. Hij sloeg zijn gebroken roeispaan in het water, om het weer vooruit te brengen. Toen sprak hij Beatrice toe.“Zijt gij bevreesd?” vroeg hij.“Neen,” antwoordde zij, “ik ben niet bevreesd.”“Weet gij dat wij waarschijnlijk zullen verdrinken?”“Ja, dat weet ik. Men zegt dat die dood zacht is. Ik heb u hier gebracht. Vergeef mij dat. Ik had moeten beproeven u aan land te roeien, zooals gij gezegd hebt.”“Bekommer u niet over mij: een man moet zijn lot weten te ondergaan. Denk niet aan mij. Maar ik kan den voorsteven niet veel langer boven houden. Ik moet u raden uw gebed te doen.”Beatrice boog zich voorover, totdat haar hoofd dicht bij het zijne was. De wind had haar lokken losgemaakt, en hoewel hij het toen niet scheen op te merken, herinnerde hij zich later dat een daarvan hem langs het gelaat streek.“Ik kan niet bidden,” zeide zij: “ik zou niet weten tot wien ik bidden moest. Ik ben geen Christin.”Die woorden troffen hem als een donderslag. Hij vond het een ontzettend denkbeeld, dat dit edele, fiere meisje nu op den rand van, zoo zij meende, totale vernietiging zweefde. Zelfs in den moed, die haar op zulk een oogenblik haar hopeloozen toestand deed bekennen, vond hij iets ontzettends.“Beproef het,” zeide hij, met een diepen zucht.“Neen,” antwoordde zij, “ik ben niet bevreesd voor den dood. De dood kan niet erger zijn dan het leven voor de meesten onzeris. Ik heb in geen jaren gebeden, niet sedert—welnu, om ’t even. Ik ben niet lafhartig. Het zou lafhartig zijn nu te bidden, omdat het misschien slecht met mij afloopt. Als er een God is, die alles weet, zal Hij dat begrijpen.”Geoffrey zeide niets meer, maar roeide zoo goed en kwaad als hij kon, doch met gedurig afnemende kracht, met de gebroken roeispaan voort. Het weerlicht had opgehouden en het was volslagen duister, want de door den windvoortgezweeptewolken verborgen het sterrenlicht. Nu kwam er een geluid boven het geloei van den storm uit, een donderend geraas, waar de zee hen allengs heen dreef. Dat geluid was van de golven, die tegen de rotsen van Bryngelly sloegen.“Waar drijven wij heen?” riep hij uit.“Naar de branding, waar wij verloren zijn,” antwoordde zij bedaard. “Roei maar niet meer, het baat niet, en tracht uw jas uit te trekken. Ik heb mijn rok losgemaakt. Misschien kunnen wij aan land zwemmen.”Dit kwam hem, in de duisternis en de branding, niet waarschijnlijk voor, maar hij zeide niets, en begon zich van zijn jas en vest te ontdoen—wat in deze beperkte ruimte niet gemakkelijk ging. Intusschen draaide het bootje rond als een notedop in een overloopende goot. Eer de golven op het rif en tegen de rotsen braken, kwamen zij geregeld zwellend opzetten. Maar op de zandbank kromden zij haar schuimende ruggen tot een vervaarlijke hoogte en sloegen met donderend geweld tegen de rotsen.Naar die branding werd het bootje door de golven voortgestuwd.“Vaarwel!” riep Geoffrey Beatrice toe, terwijl hij zijn natte hand uitstak en de hare vatte, want een makker in den dood maakt het sterven gemakkelijker.“Vaarwel,” zeide zij zijn hand drukkende. “O, waarom heb ik u daarin gebracht?”In dien uitersten nood dacht dit meisje meer aan haar lotgenoot dan aan zichzelve.Nog eens draaide het bootje, en meteen werd het eensklaps alseen strootje opgeheven en hoog in de lucht geworpen. Een ontzaglijke massa water bruiste er onder en er omheen. Geoffrey had nog slechts even een flauw besef dat zij op een brekende golf waren, toen het ziedend schuim het bootje overstroomde. Krak!—en hij verloor zijn bewustzijn.HoofdstukIV.Een belangstellend vrager.Het was aldus gebeurd. Midden op de zandbank is een groote rots met platte kruin—zij zal ongeveer twintig voet in ’t vierkant zijn—bij de visschers van Bryngelly bekend als de Tafelrots. Bij gewoon weer, zelfs als het vloed is, komt het water nauwelijks boven deze rots, maar bij een hooge zee wordt zij met groot geweld door de golven bespoeld. Op deze rots waren Geoffrey en Beatrice door de brekende golf geworpen. Gelukkig voor hen, was zij dicht begroeid met zeewier, zoodat hun val in zekere mate gebroken was. Geoffrey was bewusteloos van den schok; maar Beatrice, wier hand hij nog vasthield, viel op hem, en kwam er dus, behalve eenige lichte kneuzingen, ongedeerd af.Hijgend krabbelde zij op haar knieën overeind. Het water was van de rots afgeloopen, en haar metgezel lag stil aan haar zijde. Zij bukte en riep hem in ’t oor, maar hij gaf geen antwoord, en nu wist zij dat hij dood of bewusteloos was.Op dit oogenblik zag Beatrice iets wits in de duisternis blinken. Instinctmatig wierp zij zich voorover en greep met de eene hand het lange, taaie zeewier. De andere sloeg zij om het lichaam van den bewusteloozen man aan haar zijde en hield hem met al haar kracht vast.Toen werden zij met schuim overstroomd. Het water lichtte haarvan de rots op, maar het zeewier hield, en toen de golf ziedend gebroken was, lagen Beatrice en de bewustelooze gedaante van Geoffrey nog naast elkander. Zij was half verstikt. Wanhopig richtte zij zich op en tuurde in de duisternis landwaarts. Hemel! daar, geen honderd meter van haar af, glinsterde een licht op het water. Het was de lantaarn van een boot, want het bewoog op en neer. Met al de kracht harer longen liet zij een hulpkreet hooren. Een oogenblik verliep, en zij meende dat haar hulpgeroep beantwoord werd maar door het geweld van den storm en de branding was zij er niet zeker van. Nu zag zij zeewaarts. Weder kwam er een schuimende golf opzetten; weder wierp zij zich voorover op de rots, greep het glibberig zeewier en sloeg haar linkerarm om den bewusteloozen Geoffrey.De golf had hen bereikt.O, schrik! Juist toen het ziedende water over hen heen bruiste, voelde Beatrice het zeewier loslaten. Nu werden zij door de golf meegesleept en waren den dood nabij. Maar nog hield zij Geoffrey vast. Weder gevoelde zij de lucht op haar gelaat. Zij was naar de oppervlakte geslingerd en dreef op het onstuimige water. De golf was gebroken. Nu liet zij Geoffrey even los, om haar hand omhoog te brengen, en toen hij begon te zinken greep zij hem bij het haar. Toen sloeg zij trappend haar voeten in het water uit, want zij kon zoo goed zwemmen als de beste zwemmer op de kust, en wist haar oogen open te houden. Daar, op geen zestig meter afstands, was het licht van de boot, O, indien zij dat kon bereiken! Zij spoog het zoute water uit haar mond en riep nog eens luid. Het licht scheen naderbij te komen.Nu werd zij weder door een golf overstelpt, want met dat zware aanhangsel kon zij zich niet boven houden. Het schoot haar in de gedachten, dat zij, zelfs nu nog, zichzelve kon redden, als zij hem losliet, maar zelfs in dien doodsangst wilde zij dat niet doen. Als hij zonk, wilde zij met hem zinken.Beter zou het geweest zijn, als zij hem zijn graf in de golven had laten vinden.Omlaag ging zij—al lager en lager.“Ik zal hem vasthouden,” zeide Beatrice in haar hart; “ik zal hem vasthouden, totdat ik sterf.” Toen kwamen er lichtgolvingen en een geluid alsof de wind door de boomen suisde—en alles werd donker.“Ik zeg je, ’t helpt niet, Eduard,” riep een man in de boot een ouden zeeman toe, die in den voorsteven voorover leunde en in de duisternis tuurde. “We zullen aanstonds regelrecht op de Tafelrots gesmeten worden en allemaal verdrinken. Laten wij maar omkeeren.”“Lafaards, die jelui bent!” zeide de oude man, zich naar de anderen in de boot toe wendende, zoodat het licht van de lantaarn op zijn gerimpeld gelaat, waar hevige ongerustheid op te lezen stond, en op zijn in den wind zwierend wit haar viel—“vervloekte lafaards! Ik zeg jelui, dat ik haar stem gehoord heb—tweemaal heb ik haar om hulp hooren roepen. Als jelui omkeert, bij God, ik sla jelui de ribben stuk wanneer ik aan land kom—zoo oud als ik ben, al zou ik er voor moeten hangen.”Dit nadrukkelijk te kennen gegeven gevoelen had een merkbare uitwerking op de bemanning van de boot—acht man in ’t geheel. Zij keerden niet om; zij lieten de boot slechts op de riemen drijven, met den voorsteven naar de zee.De oude man bleef in de duisternis turen.Hij beefde, niet van koude, maar van opgewondenheid.Eensklaps wendde hij het hoofd om en riep: “Bijdraaien—bijdraaien! Daar is iets op de golf.”De mannen gehoorzaamden gewillig, maar er was niets te zien.“Zij is weg! O, God, zij is weg!” kermde de oude man. “Nu kun jelui wel omkeeren, jongens, en de wil des Heeren geschiede!”Het licht van de lantaarn viel in een kleinen kring op het ziedende water. Eensklaps kwam er iets wits in het midden van dienverlichten cirkel te voorschijn. Eduard staarde er op. Het dreef naar boven. Het verdween—het kwam weder te voorschijn. Het was een vrouwengelaat. Met een gil stak hij zijn armen in de zee.“Ik heb haar—helpt een handje, jongens.”Een andere man schoot toe, en te zamen grepen zij het voorwerp in het water.“Pas op, trek zoo hard niet. Er is nog een ander, dien zij bij het haar heeft. Bedaard aan, bedaard aan!”Vier sterke armen haalden langzaam de bewustelooze gedaante van Beatrice over de verschansing, en tegelijk met haar haalden zij Geoffrey op, want zij had hem niet losgelaten, en te zamen werden zij in de boot gelegd.“Ik geloof dat zij dood zijn,” zeide de andere man.“Help om hen met hun gezicht over de bank te leggen, zoodat het water uit hun keel loopt. Dat is de eenige kans. Geef mij nu dat zeil aan, om hen te dekken—zoo. Gij leeft nog, Miss Beatrice, ge zijt niet dood, daar wil ik op zweren. De oude Eduard heeft u gered, en de goede God te zamen!”Intusschen was de boot omgewend en de mannen roeiden uit al hun macht naar Bryngelly terug, wetende dat er een leven bij op ’t spel stond. Allen kenden zij Beatrice en hadden haar lief, en dat bedachten zij onder het roeien. De duisternis hinderde hen weinig, want zij hadden blindelings op de kust aan kunnen sturen.Binnen vijf minuten waren zij om een kleine landtong heen, en hadden de lichten van Bryngelly vlak voor hen. Op het strand liepen menschen met lantarens heen en weer.Een gunstige golf bracht de boot half over de branding, waar een twaalftal mannen zich in het water stortten en haar voortsleepten. Zij waren veilig aan land.“Hebt ge Miss Beatrice?” riep een stem.“Ja, en wij hebben een ander ook, maar of zij nog leven, weet ik niet. Waar is de dokter?”“Hier, hier!” antwoordde een stem. “Breng de draagbaar.”Een forschgebouwd, dik man, die geluisterd had, in een donkeren mantel gehuld, wendde met een diepen zucht het gelaat af. Toen volgde hij de anderen, zonder echter hulp te bieden.De draagbaar werd gebracht, de twee drenkelingen werden er op gelegd, met het gelaat naar omlaag en bedekt.“Waarheen?” vroegen de dragers, terwijl zij de draagbaar opnamen.“Naar de pastorie,” antwoordde de dokter, “Ik heb hun daar gezegd alles in gereedheid te houden, in geval zij gevonden werd. Loop een van allen vooruit en zeg dat wij komen.”“Wie is de andere?” vroeg iemand.“Mijnheer Bingham—de advocaat, die onlangs uit Londen hier gekomen is. Laat de veldwachter naar zijn vrouw gaan. Zij is bij mevrouw Jones en denkt dat hij op zijn terugweg van de Belrots in den mist verdwaald is.”De veldwachter ging op zijn treurige boodschap uit, en de stoet zette zich snel in beweging over het strand en hetsteenenpad, waarlangs de booten naar zee gesleept worden. Het dorp Bryngelly lag rechts op eenigen afstand van de kerk, die gevaarlijk en dicht bij den kant van de rots stond. Aan de eene zijde van de kerk, gedeeltelijk tegen den zeewind beschut door een groep in hun groei belemmerde pijnboomen, was de pastorie, een laag gebouw van één verdieping, langer danvijf-en-twintigjaar bewoond door Beatrice’s vader, den WelEerwaarden Joseph Granger. De beste weg er heen, van den kant van Bryngelly, was over het kerkhof, en dien weg namen de mannen met de draagbaar nu, door de nieuwsgierige menigte gevolgd.“Wij konden hen hier wel meteen laten,” zeide een van de dragers tot een der anderen. “Ik twijfel niet of ze zijn allebei dood.”De toegesprokene beaamde dit, en de dikke man in een zwarten mantel gehuld, die bij de draagbaar liep, zuchtte weder. Eenige oogenblikken later kwamen zij door de groep pijnboomen aan de deur der pastorie. Een groep menschen stond aan de deur. Het schijnsel van een ganglantaarn viel op hen en deed hen scherp tegen de donkere lucht uitkomen. Vooraan, met een lantaarn inde hand, stond een man van ongeveer zestig jaar, met sneeuwwit haar, dat verward over zijn gerimpeld voorhoofd hing. Hij was van middelbare lengte en min of meer gebogen van houding. Hij had kleine, scherpe oogen en een harden trek om den mond. Door zijn korte, grijze bakkebaarden en zijn ruige wenkbrauwen liep nog een gele tint. Zijn gelaat had een roode, gezonde kleur, en alleen aan zijn vuile witte das en zijn kale zwarte jas was het te zien, dat hij niet was waar men hem voor gehouden zou hebben en wat hij ook in zijn hart was, namelijk een ruwe boer. Kortom, hij was Beatrice’s vader en geen boer, hoewel hij al de eigenschappen van een boer bezat, maar een predikant.Naast hem stond Elisabeth, Beatrice’s zuster, die vijf jaar ouder was dan zij. Zij was een slechte copie van Beatrice, of, juister gezegd, Beatrice was een prachteditie van Elisabeth. Beiden hadden zij bruin haar, maar dat van Elisabeth was lichter van kleur en had niet dien goudkleurigen glans. Elisabeth’s oogen waren ook grijs, maar van een koud, waterachtig grijs, als dat van een Februari-lucht. En zoo was het met elken gelaatstrek en met de uitdrukking ook. De uitdrukking van Beatrice’s gelaat was open en edel, soms in haar fierheid uitdagend. Men had haar slechts aan te zien, om te weten dat zij eigenzinnig kon zijn en in haar eigenzinnigheid kon dwalen, maar dat zij tot geen laagheid in staat was. Welk van de tien geboden zij mocht overtreden, het gebod van geen valsche getuigenis te spreken tegen zijn naaste zou het niet zijn. Dat kon ieder in haar oogen lezen. Maar in die van haar zuster was, niettegenstaande zij flauwer waren dan de hare, een zekere geslepenheid te bespeuren. Voor ’t overige had Elisabeth een bevallige gestalte, maar zij miste de bekoorlijke rondheid van vormen harer zuster, hoewel die twee zoo op elkaar geleken, dat men op een afstand de een wel voor de andere had kunnen aanzien. Men zou zich bijna kunnen verbeelden, dat de natuur een proef met Elisabeth had genomen alvorens te besluiten Beatrice voort te brengen, ten einde de juiste lijnen en evenredigheden te verkrijgen. De oudere zusterwas, in vergelijking met de andere, wat het dof, onvoltooid model van klei is tegenover het glanzig beeld van ivoor en goud.“O, mijn God! mijn God!” jammerde de oude man; “zie, zij liggen op de draagbaar. Zij zijn beiden dood. O, Beatrice! Beatrice! en van ochtend nog heb ik haar harde woorden toegevoegd.”“Wees zoo gek niet, vader,” zeide Elisabeth op scherpen toon. “Zij zijn misschien alleen maar bewusteloos.”“Ja, jou kan het niet schelen,” snauwde hij, “jij houdt niet van je zuster. Je bent jaloersch op haar. Maar ik heb haar lief, al verstaan we elkaar ook niet. Daar komen zij aan. Sta daar niet te kijken. Ga zien of de dekens gewarmd zijn en al het noodige in gereedheid is. Dokter, zeg mij, is zij dood?”“Hoe kan ik dat zeggen, voordat ik haar gezien heb?” scheepte de dokter hem ruw af, terwijl hij naar binnen ging.De pastorie van Bryngelly was een zeer eenvoudig gebouwd huis. Bij het binnenkomen bevond men zich in een gang met deuren rechts en links. Rechts was de deur van de huiskamer en links die van de eetkamer, en beide waren lang, laag en smal. Aan het einde van de gang kwam men aan een andere, die rechthoekig met den eerste door de breedte van het huis liep, met eenige deuren van slaapkamers aan de zijde het verst van den ingang af. De kamer aan het einde rechts was de slaapkamer van Beatrice en haar zuster; die daarnaast was ledig, de derde was van Granger en de vierde was de logeerkamer. Behalve nog de keuken en een slaapplaats voor de dienstbode, achter de eetkamer, was dit de geheele inrichting van het huis.In beide de voornaamste kamers was vuur aangelegd. Geoffrey werd naar de eetkamer gebracht en door den assistent van den dokter behandeld, en Beatrice naar de huiskamer waar de dokter zelf zijn zorgen aan haar wijdde. Binnen weinige oogenblikken was de kamer van allen behalve de helpers ontruimd, en begon het werk. De dokter zag naar Beatrice’s van koude ineengekrompen gestalte en naar het schuim op haar lippen. Hij lichtte een ooglid op en hield een licht voor den samengetrokken oogappel. Toen schudde hijhet hoofd en ging met allen ijver aan het werk. Wij behoeven hem in den loop van die akelige werkzaamheden, waarmede de meeste menschen wel min of meer bekend zijn, niet te volgen. Hoe hopeloos zij ook schenen, ging hij er uur op uur mee voort.Intusschen bewezen de assistent-geneeskundige en eenigen, die hem hielpen, Geoffrey Bingham denzelfden dienst, en van tijd tot tijd kwam de dokter, een schraal man van een schrander voorkomen, even zijn voorschriften geven en zien hoe de zaken stonden. Hoewel nu Geoffrey het langst in het water was geweest, was hij er verreweg het best aan toe, want toen hij zonk, was hij reeds bewusteloos, en in dien toestand vindt iemand niet zoo licht zijn dood in het water als wie ademt en spartelt en al zijn krachten tot levensbehoud inspant. Zoo kwam het dus, dat na omstreeks twintig minuten wrijven met warme doeken en het aanwenden van de kunstmatige ademhaling, Geoffrey eensklaps een vinger boog. De assistent van den dokter, een levendig jongeling, die pas zijn arts-examen gedaan had, deed een kreet van blijdschap hooren en wreef met verdubbelden ijver. Nu hoestte het voorwerp, dat hij onder zijn behandeling had, en een oogenblik later, toen de benauwdheid van het terugkeerend leven zich deed gevoelen, ontsnapte den patiënt een krachtige vloek.“’t Is in orde met hem!” kwam de assistent den dokter berichten. “Hij vloekt al mooi!”Dokter Chambers, die in de andere kamer met zijn treurige en weinig belovende taak bezig was, glimlachte droevig, en riep den assistent toe, dat hij maar met zijn behandeling moest voortgaan, wat hij dan ook uit al zijn macht deed.Allengs werden de levensgeesten weder in Geoffrey opgewekt, maar hij leed nog zware benauwdheid. Het eerste, wat hij gewaar werd, was de gedaante van een rijzige en elegante vrouw, die zich over hem heen boog en er half verlegen, half verschrikt, uitzag. Hij had nog geen besef wie dat zijn kon. Die rijzige gestalte en dat schoon, maar koel gelaat kwamen hem zoo bekend voor, en toch kon hij zich den naam niet herinneren. Niet voordatzij sprak, begreep zijn verdoofd brein dat hij zijn vrouw zag.“Wat ben ik blij dat ge weer beter zijt. Ge hebt me doodelijk verschrikt. Ik dacht dat ge verdronken waart.”“Dank u, Honoria,” zeide hij, met een flauwe stem, en meteen kermde hij, door een nieuwe vlaag van hevige benauwdheid aangetast.“Ik hoop dat niemand Effie er iets van gezegd heeft,” zeide Geoffrey een poos daarna.“Ja, het kind wilde niet naar bed gaan, omdat ge niet terug waart gekomen, en toen de veldwachter kwam, hoorde zij hem juffrouw Jones vertellen, dat ge verdronken waart, en zij kreeg het bijna op haar zenuwen. Zij moest tegengehouden worden, anders zou zij hierheen geloopen zijn.”Geoffrey’s bleek gelaat nam een uitdrukking van diepe treurigheid aan, “Hoe hebt ge het kind zulk een schrik kunnen aanjagen?” zeide hij. “Ga haar dadelijk zeggen dat ik wel ben.”“’t Was mijn schuld niet,” hernam Lady Honoria, haar welgevormde schouders ophalende, “Bovendien is er met Effie niets te beginnen. Zij gaat aan als een razende over u.”“Ga het haar, als ’t u belieft, zeggen, Honoria,” herhaalde haar echtgenoot.“O, ja, ik zal gaan,” antwoordde zij. “Het zal mij eigenlijk ook niet spijten hier van daan te zijn; ik begin een gevoel te krijgen alsof ik zelve verdronken was,” en zij zag naar de dampende doeken, en huiverde. “Adieu Geoffrey. ’t Is een ontzaglijke verlichting voor mij te weten dat ge er goed afgekomen zijt. Ik werd raar om mijn hart van de boodschap, die de veldwachter mij bracht. Ik kan u, zoo laag als ge daar ligt, geen kus geven, anders zou ik het doen. Tot weerziens, mijn lieve.”“Adieu, Honoria,” zeide haar echtgenoot, met een flauwen glimlach.De assistent-geneeskundige zag een weinig verbaasd. Hij was, wel is waar, nooit tegenwoordig geweest bij een ontmoeting tusschen man en vrouw, als een van het paar ter nauwernood aan een plotselingen dood ontkomen was; maar het kwam hem toch voor dat er iets was, wat zoo niet behoorde. De dame scheen hem toe nietin haar rol te zijn van een echtgenoote, die den Hemel dankte. Het was hem een raadsel. Misschien liet zijn gelaat daarvan iets blijken. In allen gevalle meende Lady Honoria, wie het niet aan scherpzinnigheid ontbrak, er zoo iets op te lezen.“Hij is nu behouden, niet waar?” vroeg zij. “Het zal er niet op aankomen of ik heenga?”“Neen, mevrouw,” antwoordde de assistent, “hij is, geloof ik, buiten gevaar. Gij kunt gerust heengaan.”Lady Honoria aarzelde een weinig: zij bleef in de gang staan. Toen wierp zij een blik door de deur in de kamer aan de overzijde en zag daar Beatrice’s strakke gedaante en den dokter, die zich over haar heen boog. Haar hoofd lag achterover, en haar glanzig, bruin haar, dat nu bijna droog was, hing in weelderige vlechten over den grond, terwijl haar gelaat den akeligen stempel des doods vertoonde.Lady Honoria huiverde. Dat was voor haar niet om aan te zien. “Zou het noodig zijn, dat ik van avond nog terugkwam?” vroeg zij den assistent.“Ik geloof het niet,” antwoordde hij, “tenzij gij mocht willen hooren of Miss Granger bijkomt?”“Dat hoor ik morgenochtend wel,” zeide zij, “Arm meisje! Ik kan haar toch niet helpen.”“Neen, Lady Honoria, gij kunt haar niet helpen. Zij heeft uw echtgenoot het leven gered, zegt men.”“Zij moet een moedig meisje zijn. Zou zij weer bijkomen?”De assistent schudde het hoofd.“Misschien wel. Het heeft er nu nog niet veel van.”“Arm schepsel! Zoo jong en zoo schoon! Wat heeft ze een lief gezichtje, en wat een arm!” En Lady Honoria huiverde weder en ging heen.Buiten de deur stond nog een deelnemende groep, niettegenstaande het vergevorderde uur en het slechte weer.“Dat is zijn vrouw,” zeide er een, en men maakte ruimte om haar door te laten.“Waarom blijft zij niet bij hem?” vroeg een vrouw, op hoorbaren toon. “Als hetmijnman was, zou ik een uur lang bij hem gebleven zijn om hem te omhelzen.”“Ja, je zoudt hem met je omhelzingen gesmoord hebben.” gaf iemand haar ten antwoord.Lady Honoria liep door. Opeens kwam een dik man uit de schaduw van de pijnboomen te voorschijn. Zij kon zijn gelaat niet zien, maar hij was in een wijden mantel gehuld.“Neem mij niet kwalijk,” zeide hij met de heesche stem van iemand, die met aandoeningen kampt, welke hij niet kan bedwingen, “maar gij kunt het mij zeker wel zeggen. Leeft zij nog?”“Bedoelt gij Miss Granger?” vroeg zij.“Ja, natuurlijk. Beatrice—Miss Granger.”“Zij weten het nog niet, maar zij denken—”“Ja, ja—zij denken—”“Dat zij dood is.”De man zeide geen woord meer. Hij liet het hoofd op de borst zinken, keerde zich, om en verdween weder in de schaduw van de pijnboomen.“Hoe zonderling!” dacht Lady Honoria, terwijl zij zich naar haar woning spoedde. “Die man is zeker verliefd op haar. Nu, dat verwondert mij ook niet. Ik heb nooit zulk een lief gezichtje en zoo’n arm gezien. Wat zou er van dat tooneel een schilderij te maken zijn. Zij redde Geoffrey het leven en nu is zij dood. Als hijhaarhet leven had gered, zou het mij niet verwonderd hebben. ’t Is iets uit een roman.”Men ziet hieruit dat Lady Honoria niet van zekere romaneske begrippen en kunstgevoel ontbloot was.

Hoofdstuk I.Een visioen in den nevel.De herfstnamiddag ging in avond over. De lucht was bewolkt geweest, maar de wolken hadden zich van lieverlede in een donkerblauw opgelost. De zee was zoo stil alsof zij sliep, doch in haar slaap rees zij met den wassenden vloed. Het oog kon dat langzamerhand wassen niet opmerken, maar Beatrice, die op het uiterste punt van deDog Rocksstond, zag het lange, bruine zeewier aan den kant der rotsen allengs onder de groene golven verdwijnen. Inmiddels had zich een dichte nevel over het stille water verspreid. Hij was niet uit het westen aangewaaid, hij kwam eenvoudig als de schemering, maakte de stilte nog stiller, en deed de omtrekken van het land ineensmelten. Beatrice zag niet meer naar het zeewier, en vestigde al haar aandacht op dat toenemend nevelachtig waas.“Welk een merkwaardige avond!” zeide zij bij zichzelve. “Zooeen heb ik niet gezien sedert moeder gestorven is, en dat is nu zeven jaar geleden. Ik ben sedert dien tijd gegroeid, in elk opzicht gegroeid,” en zij lachte eenigszins droevig, en zag naar haar eigen afspiegeling in het water.Zij had nauwelijks naar iets bekoorlijkers kunnen zien, want bezwaarlijk had men een meisje kunnen vinden van een edeler voorkomen dan Beatrice Granger, terwijl zij op dezen haartwee-en-twintigstenverjaardag daar op de nevelachtige zee staarde.Van iets meer dan middelbare lengte, en van eene gestalte, die een beeldhouwer tot model had kunnen dienen, schenen kracht en gezondheid uit haar geheele wezen te stralen. Maar het was inzonderheid haar gelaat, met den stempel van schranderheid en zielskracht, wat haar zelfs onder vrouwen, die schooner waren dan zij, in ’t oog moest doen vallen. Er zijn vele meisjes, die weelderig, bruin haar hebben, meisjes, wier donkergrijze oogen eene teedere uitdrukking kunnen aannemen, als die eener duif, of schitteren als de door de zon bestraalde zee, en die de vergelijking met eene bloeiende roos kunnen doorstaan. Maar weinigen kunnen een gelaat vertoonen zooals Geoffrey Bingham dat voor ’t eerst, tot zijne droefheid en zijne hoop, aanschouwde. Het teekende de kracht en frischheid van de zeekoelte, en wie het zag moest wel weten dat er een even frissche, krachtige geest uit sprak. En toch was het echt vrouwelijk; het had niets van den harden stempel der “beschaafde” vrouw. Zij, die dat gelaat bezat, was tot vele dingen in staat. Zij kon liefhebben en zij kon lijden, en als het noodig was, kon zij moedig strijden of sterven. Dat stond te lezen op dat edel, open voorhoofd en in die zielvolle, grijze oogen—namelijk, voor hen, voor wie het karakter geen gesloten boek is en wie het willen bestudeeren.Maar Beatrice dacht niet aan haar bekoorlijkheid, terwijl zij in het water staarde. Zij wist, natuurlijk, wel dat zij schoon was; haar schoonheid was te in ’t oogvallend om voorbijgezien te worden, en bovendien was zij er op verscheidene, meer of minder aangename wijzen opmerkzaam op gemaakt.“Zeven jaar,” dacht zij, “sedert dien avond van den ‘nevel des doods,’ zooals de oude Eduard het noemde, en dat was het ook. Ik was toen nog maar zóó hoog,” en den loop harer gedachten volgende, raakte zij haar borst aan. “En ik was op mijn wijze gelukkig ook. Waarom kan men niet altijd vijftien jaar zijn en alles gelooven wat ons verteld wordt?” en zij zuchtte. “Zeven jaar en nog niets gedaan. Werken, werken, en van dat werken komt niets, en alles verdwijnt. Ik vind het leven zeer vervelend, als men alles verloren en niets gevonden heeft, en niemand liefheeft. Hoe zou het over zeven jaar zijn?”Zij bedekte haar oogen met de handen, en daarna zag zij weder in het water. Het licht, dat door den nevel worstelde, was achter haar, en de nevel werd dichter. Eerst had zij eenige moeite om haar eigen beeld in den waterspiegel te onderscheiden, en het vertoonde zich aan haar, alsof zij in het met den nevel samensmeltende water op den rug lag. “Hoe zonderling komt mij dat voor,” dacht zij; “wat is het, waaraan die afspiegeling, met al dat wit er omheen, mij herinnert?”Het volgend oogenblik ontglipte haar een kreet, en wendde zij zich af. Nu wist zij het. Het beeld harer moeder was haar voor den geest gekomen, zooals zij haar zeven jaar geleden gezien had.

De herfstnamiddag ging in avond over. De lucht was bewolkt geweest, maar de wolken hadden zich van lieverlede in een donkerblauw opgelost. De zee was zoo stil alsof zij sliep, doch in haar slaap rees zij met den wassenden vloed. Het oog kon dat langzamerhand wassen niet opmerken, maar Beatrice, die op het uiterste punt van deDog Rocksstond, zag het lange, bruine zeewier aan den kant der rotsen allengs onder de groene golven verdwijnen. Inmiddels had zich een dichte nevel over het stille water verspreid. Hij was niet uit het westen aangewaaid, hij kwam eenvoudig als de schemering, maakte de stilte nog stiller, en deed de omtrekken van het land ineensmelten. Beatrice zag niet meer naar het zeewier, en vestigde al haar aandacht op dat toenemend nevelachtig waas.

“Welk een merkwaardige avond!” zeide zij bij zichzelve. “Zooeen heb ik niet gezien sedert moeder gestorven is, en dat is nu zeven jaar geleden. Ik ben sedert dien tijd gegroeid, in elk opzicht gegroeid,” en zij lachte eenigszins droevig, en zag naar haar eigen afspiegeling in het water.

Zij had nauwelijks naar iets bekoorlijkers kunnen zien, want bezwaarlijk had men een meisje kunnen vinden van een edeler voorkomen dan Beatrice Granger, terwijl zij op dezen haartwee-en-twintigstenverjaardag daar op de nevelachtige zee staarde.

Van iets meer dan middelbare lengte, en van eene gestalte, die een beeldhouwer tot model had kunnen dienen, schenen kracht en gezondheid uit haar geheele wezen te stralen. Maar het was inzonderheid haar gelaat, met den stempel van schranderheid en zielskracht, wat haar zelfs onder vrouwen, die schooner waren dan zij, in ’t oog moest doen vallen. Er zijn vele meisjes, die weelderig, bruin haar hebben, meisjes, wier donkergrijze oogen eene teedere uitdrukking kunnen aannemen, als die eener duif, of schitteren als de door de zon bestraalde zee, en die de vergelijking met eene bloeiende roos kunnen doorstaan. Maar weinigen kunnen een gelaat vertoonen zooals Geoffrey Bingham dat voor ’t eerst, tot zijne droefheid en zijne hoop, aanschouwde. Het teekende de kracht en frischheid van de zeekoelte, en wie het zag moest wel weten dat er een even frissche, krachtige geest uit sprak. En toch was het echt vrouwelijk; het had niets van den harden stempel der “beschaafde” vrouw. Zij, die dat gelaat bezat, was tot vele dingen in staat. Zij kon liefhebben en zij kon lijden, en als het noodig was, kon zij moedig strijden of sterven. Dat stond te lezen op dat edel, open voorhoofd en in die zielvolle, grijze oogen—namelijk, voor hen, voor wie het karakter geen gesloten boek is en wie het willen bestudeeren.

Maar Beatrice dacht niet aan haar bekoorlijkheid, terwijl zij in het water staarde. Zij wist, natuurlijk, wel dat zij schoon was; haar schoonheid was te in ’t oogvallend om voorbijgezien te worden, en bovendien was zij er op verscheidene, meer of minder aangename wijzen opmerkzaam op gemaakt.

“Zeven jaar,” dacht zij, “sedert dien avond van den ‘nevel des doods,’ zooals de oude Eduard het noemde, en dat was het ook. Ik was toen nog maar zóó hoog,” en den loop harer gedachten volgende, raakte zij haar borst aan. “En ik was op mijn wijze gelukkig ook. Waarom kan men niet altijd vijftien jaar zijn en alles gelooven wat ons verteld wordt?” en zij zuchtte. “Zeven jaar en nog niets gedaan. Werken, werken, en van dat werken komt niets, en alles verdwijnt. Ik vind het leven zeer vervelend, als men alles verloren en niets gevonden heeft, en niemand liefheeft. Hoe zou het over zeven jaar zijn?”

Zij bedekte haar oogen met de handen, en daarna zag zij weder in het water. Het licht, dat door den nevel worstelde, was achter haar, en de nevel werd dichter. Eerst had zij eenige moeite om haar eigen beeld in den waterspiegel te onderscheiden, en het vertoonde zich aan haar, alsof zij in het met den nevel samensmeltende water op den rug lag. “Hoe zonderling komt mij dat voor,” dacht zij; “wat is het, waaraan die afspiegeling, met al dat wit er omheen, mij herinnert?”

Het volgend oogenblik ontglipte haar een kreet, en wendde zij zich af. Nu wist zij het. Het beeld harer moeder was haar voor den geest gekomen, zooals zij haar zeven jaar geleden gezien had.

Hoofdstuk II.Bij de Belrots.Op ruim een mijl afstands van de plaats, waar Beatrice stond en visioenen zag, en verder langs de kustlijn, steekt een tweede groep rotsen, om haar kleur bekend als de Roode Rotsen, of soms, om een andere reden, als de Belrotsen, ongeveer drie kwart mijlver in de zee vooruit. Bij eb zijn die rotsen bloot, zoodat men tot het uiterste punt kan loopen of waden; maar als het volle vloed is, komen slechts de met zeewier begroeide kruinen van twee der grootste boven de klotsende golven uit. Bij zekeren wind en getij is dit in ruw weder een allergevaarlijkste plek, zooals menig schip ten zijnen koste heeft ondervonden. In 1780 is daar een driedekker-oorlogsschip, met zeven honderd koppen bemand, in een vreeselijken winterstorm gestrand, en, op één uitzondering na, met man en muis vergaan. Die ééne uitzondering was een man in boeien geslagen, die, op een stuk van het wrak gezeten, veilig en bedaard aan land kwam drijven. Hoe de schipbreuk gebeurd is, weet niemand, de overlevende in boeien het allerminst, maar de traditie van het verschrikkelijk voorval leeft nog in het district, en, niet onnatuurlijk, heet het op de plek, waar de beenderen der verdronkenschipbreukelingennog door het zand te voorschijn komen, te spoken. Sedert die ramp is er op de hoogste rots een groote bel gezet (oorspronkelijk de bel van het verongelukte schip zelf, met den naam: “Harer Majesteits Donder” op het metaal gestempeld) en bij storm en hoogen vloed klinkt haar waarschuwend gelui over de diepte.Maar nu was de bel stil, en vlak er onder, in de schaduw van de rots, waarop zij geplaatst was, zat een man half verborgen in zeewier, waarmede hij zich opzettelijk bedekt scheen te hebben. Het was een man van een knap voorkomen, breed van schouders, forschgebouwd, en naar gissing zal hij ongeveervijf-en-dertigjaar geweest zijn. Van zijn gestalte was echter op dit oogenblik, in den nevel en tusschen het zeewier, niet veel te zien. Maar zooveel licht als er was, viel op zijn gelaat, terwijl hij over en om de rotsen tuurde of snel zijn geweer met dubbelen loop, dat hij tusschen zijn knieën hield, aanlegde.Het was een schrander gelaat, met bruinachtige oogen, een donkeren, spitsen baard en sterk geteekende trekken. En toch was er iets zachts in den trek, die om den mond speelde, als het licht op den rand van een donkere wolk, dat zonneschijn doet vermoeden.Maar weinig daarvan was nu zichtbaar. Geoffrey Bingham, meester in de rechten, was verdiept in een ernstige bezigheid. Hij beproefde kemphanen te schieten, terwijl zij over zijn schuilplaats vlogen, op hun weg naar de modderige oevers verder op de kust, waar zij hun aas vinden.Als er iets is, dat iemands geduld op de proef stelt en de scherpste opmerkzaamheid vereischt, dan is het voorzeker wel het schieten van kemphanen in een nevel. Misschien moet hij een uur, of zelfs twee uren, wachten, zonder iets te zien. Dan hoort hij mijlen ver het gekrijsch van kemphanen in de vlucht. Hij spant zijn oogen in, het gekrijsch komt nader, maar hij ziet nog niets. Eindelijk, ja, daar krijgt hij op een afstand van misschien zestig meter zijwaarts van hem af, het klepperen van vleugels in het oog, en als een bliksemstraal zijn zij weg, Weder een gekrijsch—de kemphanen komen aanvliegen. Hij kijkt, hij tuurt, springt in zijn opgewondenheid overeind en heft zijn hoofd onvoorzichtig ver boven de hem verbergende rots op. Een groote vlucht van wel dertig of meer vliegt regelrecht naar hem toe, al nader en nader. Daar legt hij zijn geweer aan, maar helaas! zij zien den loop in het licht glinsteren, en misschien hebben zij ook het hoofd daarachter in ’t oog gekregen, en in een seconde verstrooien zij zich in alle richtingen en verdwijnen met een treurig gekrijsch in den nevel.Dat is erg, maar de vurige jager gaat met een zucht weer zitten en wacht, naar het zacht geklots van den vloed luisterende. En nu wordt zijn geduld eindelijk beloond. Eerst komen er twee wilde eenden, die als pijlen de lucht klieven. Den woerd mist hij; maar de wijfjeseend is geraakt en ploft neder. Nauwelijks heeft hij opnieuw geladen, of daar hoort hij weer het gekrijsch van kemphanen—ditmaal dicht in zijn nabijheid. Daar komen zij in den nevel opdagen. Pang!—en de eerste ligt tusschen de rotsen te klapwieken. Pijlsnel vliegt de tweede zijwaarts. Pang! hem achterna, en hij is ook geraakt. Hoor hem op vijftig meter afstands in het water plassen! En nu wordt de mist zoodicht, dat het voor dien dag met de jacht gedaan is. Welnu die juist gemikte schoten zijn wel waard drie uur in het natte zeewier te zitten en op den koop toe een zware verkoudheid op te doen—ten minste, voor ieder man, die een waar hart voor het jachtvermaak heeft.Zoo iets had Geoffrey Bingham juist ondervonden. Hij had zijn wilde eend en een van de geschoten kemphanen in zijn weitasch gestoken, want de andere dreef op de zee, toen het plotseling toenemen van den mist een einde aan zijn verdere verrichtingen maakte. Hij schudde het natte zeewier van zijn kleeding, en na een kort pijpje opgestoken te hebben, liep hij langs den kant van de rots, waar de vloed al meer en meer tegen opsteeg, in den mist te turen, om den anderen kemphaan te zoeken. Op een oogenblik dat de nevel een weinig optrok, zag hij op eenigen afstand den vogel drijven. Linksaf liep de rots in een punt uit, en hij wist bij ondervinding dat de opzettende vloed den kemphaan daar voorbij zou stuwen. Dus ging hij naar dit uiterste punt, zette zich op een steen neder, en wachtte. Inmiddels steeg de vloed snel, maar in zijn ijver om den kemphaan ook in zijn weitasch te steken, lette hij daar niet op, vergetende dat hij van het land afgesneden zou worden. Eindelijk, na langer dan een half uur gewacht te hebben, kreeg hij den vogel in ’t oog, maar ongelukkig nog wel bijna twintig meter van hem af, en in diep water. Hij had het er echter op gezet den vogel te krijgen, want Geoffrey liet zijn geschoten wild niet gaarne in den steek, dus stroopte hij zijn broek op en beproefde er heen te waden. Bij de eerste stappen ging alles goed, maar bij den vierden of vijfden kwam hij in een gat terecht, waardoor zijn rechterbeen tot aan de dij nat werd en zijn voet omzwikte. Beseffende dat het zeer lastig zou zijn, als hij op zulk een eenzame plaats zijn voet verstuitte, keerde hij terug, en begreep dat, als hij niet wilde dat de kemphaan voedsel voor de haaien zou worden, hij beter deed er heen te zwemmen. Dit besloot hij dan ook te doen, en reeds had hij te dien einde zijn jas en vest uitgetrokken,toen hij eensklaps door den nevel heen een bootje voor zich uit zag. Daar kwam hij op een inval: degene, die zoo dwaas was in zulk weer een roeitochtje te doen, kon den kemphaan voor hem halen en hem het zwemmen uitwinnen.“Hei!” riep hij, met een stentorstem. “Hallo daar!”“Ja,” antwoordde een zachte vrouwenstem over het water.“Och,” hernam hij, haastig zijn vest weer aantrekkende, want die stem zeide hem dat hij met een dame, die door den mist overvallen was, te doen had, “neem me niet kwalijk, maar zoudt ge mij een genoegen willen doen? Daar, dichtbij uw bootje, drijft een doode vogel. Als gij zoo goed wildet zijn—”Het bootje gleed naar den vogel toe, een blanke hand werd uitgestoken en haalde den kemphaan uit het water. Toen, eer Geoffrey zijn jas weer had aangetrokken, werd het bootje naar de rots geroeid, en een lief gezichtje zag uit den nevel tot hem op.Gaan wij nu een weinig terug, (ach, dat dit voorrecht alleen maar aan den verhaler van gedane dingen vergund is!) en zien wij hoe het kwam dat Beatrice Granger zoo juist van pas kwam om den geschoten kemphaan voor Geoffrey Bingham uit het water te halen.Terstond na dat visioen, in het eerste hoofdstuk van dit verhaal vermeld, begreep zij dat zij voor éen namiddag genoeg van deDog Rocksgezien had. Daarop besloot zij, als een verstandig meisje, de rots weer te verlaten op dezelfde wijze als zij er gekomen was, namelijk, door middel van een bootje. Zij stapte er veilig in en roeide een eind ver in zee, met het oogmerk terug te keeren naar de plaats, waar zij van daan kwam. Maar hoe verder zij in zee kwam, en dat moest zij wel, om de rotsen en de draaistroomen te vermijden, des te dichter werd de nevel. Zij hoorde er wel geluiden doorheen, maar zij kon niet duidelijk onderscheiden van waar die kwamen, totdat zij eindelijk, hoe bekend zij ook met de kust was, niet recht meer wist waar zij heen roeide. In die verlegenheid, terwijl zij op haar roeispaan rustte en in den dichten mist om haar heen tuurde, en haar oogen zoo wijd als zij kon opendeed,en dat was zeer wijd, hoorde zij rechts een geweerschot achter zich. Bij zichzelve beredeneerende dat een jager op wild gevogelte dat schot gelost moest hebben, wendde zij haar bootje om en roeide snel in de richting, vanwaar het geluid gekomen was. Daar hoorde zij weder den knal van een geweerschot rechtsaf, maar een eind ver. Krachtig roeide zij voort, maar nu kwamen er niet meer schoten, waarnaar zij zich richten kon, dus was haar zoeken een poos vruchteloos. Eindelijk zag zij iets door den nevel heen schemeren; het waren de Roode Rotsen, hoewel zij die niet kende, en voorzichtig naderde zij, totdat zij Geoffrey’s geroep hoorde.“Hier is de kemphaan, mijnheer,” zeide zij, toen zij aan zijn verzoek voldaan had.“O, ik dank u,” antwoordde de nevelachtige gedaante op de rots. “Ik ben u zeer verplicht. Ik wilde er juist heen zwemmen, want ik verlies mijn wild niet gaarne. Ik vind het zoo wreed vogels voor niets te schieten.”“Gij zult er wel geen gebruik van maken, nu gij hem hebt,” zeide de zachte stem in het bootje, “Kemphanen zijn juist niet heel lekker om te eten.”“Daar is het ook niet om te doen,” hernam de Robinson Crusoe op de rots. “’t Is de aardigheid van ze mee te brengenAprés Cela—”“De vogelopzetter?” zeide de zachte stem.“Neen,” antwoordde de Robinson Crusoe, “de kok—”Een lach klonk uit het bootje—en daarna een vraag.“Zeg, mijnheer Bingham, kunt ge mij ook zeggen waar ik ben? Ik ben in den mist geheel en al van mijn koers geraakt.”Hij was verbaasd. Hoe wist die geheimzinnige jonge dame in een bootje zijn naam?“Ge zijt bij de Roode Rotsen; daar is de bel, dat grijze ding, mejuffrouw—mejuffrouw—”“Beatrice Granger,” viel zij haastig in. “Mijn vader is de predikant van Bryngelly. Ik heb u gezien, toen gij met Lady Honoria Bingham gisteren in de school kwaamt. Ik geef daar onderwijs.”Zij zeide hem echter niet dat zijn gelaat zulk een indruk op haar had gemaakt dat zij naar zijn naam gevraagd had.Weder was hij verbaasd. Hij had van die jonge dame gehoord. Iemand had hem gezegd dat zij het liefste en knapste meisje in Wales was, maar dat haar vader geengentlemanwas.“O,” zeide hij, zijn hoed afnemende. “Is het niet een weinig gewaagd voor u, Miss Granger, zoo alleen in dezen mist op zee te roeien?”“Ja,” antwoorde zij gulhartig, “maar ik ben het gewoon; ik roei in alle weer. Dat is mijn vermaak, en eigenlijk komt het er ook niet veel op aan of het gewaagd is,” liet zij er op volgen, meer bij zichzelve sprekende dan tot hem.Terwijl hij er over dacht wat zij met dit somber gezegde zou bedoelen ging zij snel voort:“Weet gij wel, mijnheer Bingham, dat gij, geloof ik, in grooter gevaar zijt dan ik? Het moet bij zevenen zijn, en kwartier voor achten is de vloed hoog. Als ik mij niet vergis, is er bijna een halve mijl ver diep water tusschen u en de kust.”“Op mijn woord!” zeide hij, “ik heb volstrekt niet aan het getij gedacht. Door dat schieten en het zoeken naar den kemphaan, en ook door den mist, is het niet bij mij opgekomen dat het al laat werd. Ik zal nu zeker moeten zwemmen, dat is het eenige, wat er op zit.”“Neen, neen,” bracht zij ernstig hiertegen in, “’t is hier zeer gevaarlijk zwemmen, het is er vol scherpe rotsen, en er is een verschrikkelijke draaistroom.”“Welnu, wat dan te doen? Kunnen er in uw bootje twee zitten? Zoo ja, dan wilt gij misschien wel zoo goed zijn mij aan land te brengen?”“Ja,” zeide zij, “er is in mijn bootje plaats voor twee. Maar ik durf u niet naar land roeien, er zijn zooveel rotsen, en in dien mist is het kabbelen van het water er op niet te zien. Het bootje zou er op stooten. Neen, gij moet instappen, en ik zal u naar Bryngelly roeien, dat is het eenige. Nu ik weet waar ik ben, geloof ik den weg wel te kunnen vinden.”“Waarlijk, gij zijt wel goed,” sprak hij.“Er is niets goeds in,” gaf zij ten antwoord; “ik moet er zelve immers ook heen, dus zal ik blijde zijn met uw hulp. ’t Is bijna vijf mijlen over het water, en ’t is geen aangename avond.”Dat was waar. Hij was volkomen bereid zelf naar de kust te zwemmen, maar, het denkbeeld van die jonge dame alleen door den mist en de toenemende duisternis in een éénriems bootje naar Bryngelly te laten roeien beviel hem volstrekt niet. Het zou hem niet bevallen zijn, al was zij een man geweest, want hij wist dat zulk een tocht met groot gevaar gepaard ging. Dus nam hij haar aanbod aan.“Ge zult mij, ten minste, wel vergunnen te roeien,” zeide hij, toen zij haar bootje behendig onder de rots had gebracht.“Als gij wilt,” antwoordde zij twijfelachtig. “Mijn handen doen mij een weinig zeer, en natuurlijk,” met een blik op zijn breede schouders, “zijt gij veel sterker. Maar als gij niet gewoon zijt te roeien, geloof ik dat ik wel even goed voort zal komen als gij.”“Gekheid,” hernam hij. “Ik wil mij geen vijf mijlen ver door u laten roeien.”Zonder een woord meer te zeggen, gaf zij toe, en ruimde haar plaats aan de roeispaan voor hem in.Toen overhandigde hij haar zijn geweer, dat zij met de doode vogels zorgvuldig op den bodem van het zwakke vaartuigje legde Nu liet hij zich voorzichtig van de rots in het bootje afglijden.“Pas op, of gij zult ons omgooien,” zeide zij, zich voorover buigende en hem de hand reikende, om hem bij het instappen te ondersteunen.Terwijl hij haar hand vatte, kon hij haar voor ’t eerst goed in ’t gelaat zien en wist hoe schoon het was.

Op ruim een mijl afstands van de plaats, waar Beatrice stond en visioenen zag, en verder langs de kustlijn, steekt een tweede groep rotsen, om haar kleur bekend als de Roode Rotsen, of soms, om een andere reden, als de Belrotsen, ongeveer drie kwart mijlver in de zee vooruit. Bij eb zijn die rotsen bloot, zoodat men tot het uiterste punt kan loopen of waden; maar als het volle vloed is, komen slechts de met zeewier begroeide kruinen van twee der grootste boven de klotsende golven uit. Bij zekeren wind en getij is dit in ruw weder een allergevaarlijkste plek, zooals menig schip ten zijnen koste heeft ondervonden. In 1780 is daar een driedekker-oorlogsschip, met zeven honderd koppen bemand, in een vreeselijken winterstorm gestrand, en, op één uitzondering na, met man en muis vergaan. Die ééne uitzondering was een man in boeien geslagen, die, op een stuk van het wrak gezeten, veilig en bedaard aan land kwam drijven. Hoe de schipbreuk gebeurd is, weet niemand, de overlevende in boeien het allerminst, maar de traditie van het verschrikkelijk voorval leeft nog in het district, en, niet onnatuurlijk, heet het op de plek, waar de beenderen der verdronkenschipbreukelingennog door het zand te voorschijn komen, te spoken. Sedert die ramp is er op de hoogste rots een groote bel gezet (oorspronkelijk de bel van het verongelukte schip zelf, met den naam: “Harer Majesteits Donder” op het metaal gestempeld) en bij storm en hoogen vloed klinkt haar waarschuwend gelui over de diepte.

Maar nu was de bel stil, en vlak er onder, in de schaduw van de rots, waarop zij geplaatst was, zat een man half verborgen in zeewier, waarmede hij zich opzettelijk bedekt scheen te hebben. Het was een man van een knap voorkomen, breed van schouders, forschgebouwd, en naar gissing zal hij ongeveervijf-en-dertigjaar geweest zijn. Van zijn gestalte was echter op dit oogenblik, in den nevel en tusschen het zeewier, niet veel te zien. Maar zooveel licht als er was, viel op zijn gelaat, terwijl hij over en om de rotsen tuurde of snel zijn geweer met dubbelen loop, dat hij tusschen zijn knieën hield, aanlegde.

Het was een schrander gelaat, met bruinachtige oogen, een donkeren, spitsen baard en sterk geteekende trekken. En toch was er iets zachts in den trek, die om den mond speelde, als het licht op den rand van een donkere wolk, dat zonneschijn doet vermoeden.Maar weinig daarvan was nu zichtbaar. Geoffrey Bingham, meester in de rechten, was verdiept in een ernstige bezigheid. Hij beproefde kemphanen te schieten, terwijl zij over zijn schuilplaats vlogen, op hun weg naar de modderige oevers verder op de kust, waar zij hun aas vinden.

Als er iets is, dat iemands geduld op de proef stelt en de scherpste opmerkzaamheid vereischt, dan is het voorzeker wel het schieten van kemphanen in een nevel. Misschien moet hij een uur, of zelfs twee uren, wachten, zonder iets te zien. Dan hoort hij mijlen ver het gekrijsch van kemphanen in de vlucht. Hij spant zijn oogen in, het gekrijsch komt nader, maar hij ziet nog niets. Eindelijk, ja, daar krijgt hij op een afstand van misschien zestig meter zijwaarts van hem af, het klepperen van vleugels in het oog, en als een bliksemstraal zijn zij weg, Weder een gekrijsch—de kemphanen komen aanvliegen. Hij kijkt, hij tuurt, springt in zijn opgewondenheid overeind en heft zijn hoofd onvoorzichtig ver boven de hem verbergende rots op. Een groote vlucht van wel dertig of meer vliegt regelrecht naar hem toe, al nader en nader. Daar legt hij zijn geweer aan, maar helaas! zij zien den loop in het licht glinsteren, en misschien hebben zij ook het hoofd daarachter in ’t oog gekregen, en in een seconde verstrooien zij zich in alle richtingen en verdwijnen met een treurig gekrijsch in den nevel.

Dat is erg, maar de vurige jager gaat met een zucht weer zitten en wacht, naar het zacht geklots van den vloed luisterende. En nu wordt zijn geduld eindelijk beloond. Eerst komen er twee wilde eenden, die als pijlen de lucht klieven. Den woerd mist hij; maar de wijfjeseend is geraakt en ploft neder. Nauwelijks heeft hij opnieuw geladen, of daar hoort hij weer het gekrijsch van kemphanen—ditmaal dicht in zijn nabijheid. Daar komen zij in den nevel opdagen. Pang!—en de eerste ligt tusschen de rotsen te klapwieken. Pijlsnel vliegt de tweede zijwaarts. Pang! hem achterna, en hij is ook geraakt. Hoor hem op vijftig meter afstands in het water plassen! En nu wordt de mist zoodicht, dat het voor dien dag met de jacht gedaan is. Welnu die juist gemikte schoten zijn wel waard drie uur in het natte zeewier te zitten en op den koop toe een zware verkoudheid op te doen—ten minste, voor ieder man, die een waar hart voor het jachtvermaak heeft.

Zoo iets had Geoffrey Bingham juist ondervonden. Hij had zijn wilde eend en een van de geschoten kemphanen in zijn weitasch gestoken, want de andere dreef op de zee, toen het plotseling toenemen van den mist een einde aan zijn verdere verrichtingen maakte. Hij schudde het natte zeewier van zijn kleeding, en na een kort pijpje opgestoken te hebben, liep hij langs den kant van de rots, waar de vloed al meer en meer tegen opsteeg, in den mist te turen, om den anderen kemphaan te zoeken. Op een oogenblik dat de nevel een weinig optrok, zag hij op eenigen afstand den vogel drijven. Linksaf liep de rots in een punt uit, en hij wist bij ondervinding dat de opzettende vloed den kemphaan daar voorbij zou stuwen. Dus ging hij naar dit uiterste punt, zette zich op een steen neder, en wachtte. Inmiddels steeg de vloed snel, maar in zijn ijver om den kemphaan ook in zijn weitasch te steken, lette hij daar niet op, vergetende dat hij van het land afgesneden zou worden. Eindelijk, na langer dan een half uur gewacht te hebben, kreeg hij den vogel in ’t oog, maar ongelukkig nog wel bijna twintig meter van hem af, en in diep water. Hij had het er echter op gezet den vogel te krijgen, want Geoffrey liet zijn geschoten wild niet gaarne in den steek, dus stroopte hij zijn broek op en beproefde er heen te waden. Bij de eerste stappen ging alles goed, maar bij den vierden of vijfden kwam hij in een gat terecht, waardoor zijn rechterbeen tot aan de dij nat werd en zijn voet omzwikte. Beseffende dat het zeer lastig zou zijn, als hij op zulk een eenzame plaats zijn voet verstuitte, keerde hij terug, en begreep dat, als hij niet wilde dat de kemphaan voedsel voor de haaien zou worden, hij beter deed er heen te zwemmen. Dit besloot hij dan ook te doen, en reeds had hij te dien einde zijn jas en vest uitgetrokken,toen hij eensklaps door den nevel heen een bootje voor zich uit zag. Daar kwam hij op een inval: degene, die zoo dwaas was in zulk weer een roeitochtje te doen, kon den kemphaan voor hem halen en hem het zwemmen uitwinnen.

“Hei!” riep hij, met een stentorstem. “Hallo daar!”

“Ja,” antwoordde een zachte vrouwenstem over het water.

“Och,” hernam hij, haastig zijn vest weer aantrekkende, want die stem zeide hem dat hij met een dame, die door den mist overvallen was, te doen had, “neem me niet kwalijk, maar zoudt ge mij een genoegen willen doen? Daar, dichtbij uw bootje, drijft een doode vogel. Als gij zoo goed wildet zijn—”

Het bootje gleed naar den vogel toe, een blanke hand werd uitgestoken en haalde den kemphaan uit het water. Toen, eer Geoffrey zijn jas weer had aangetrokken, werd het bootje naar de rots geroeid, en een lief gezichtje zag uit den nevel tot hem op.

Gaan wij nu een weinig terug, (ach, dat dit voorrecht alleen maar aan den verhaler van gedane dingen vergund is!) en zien wij hoe het kwam dat Beatrice Granger zoo juist van pas kwam om den geschoten kemphaan voor Geoffrey Bingham uit het water te halen.

Terstond na dat visioen, in het eerste hoofdstuk van dit verhaal vermeld, begreep zij dat zij voor éen namiddag genoeg van deDog Rocksgezien had. Daarop besloot zij, als een verstandig meisje, de rots weer te verlaten op dezelfde wijze als zij er gekomen was, namelijk, door middel van een bootje. Zij stapte er veilig in en roeide een eind ver in zee, met het oogmerk terug te keeren naar de plaats, waar zij van daan kwam. Maar hoe verder zij in zee kwam, en dat moest zij wel, om de rotsen en de draaistroomen te vermijden, des te dichter werd de nevel. Zij hoorde er wel geluiden doorheen, maar zij kon niet duidelijk onderscheiden van waar die kwamen, totdat zij eindelijk, hoe bekend zij ook met de kust was, niet recht meer wist waar zij heen roeide. In die verlegenheid, terwijl zij op haar roeispaan rustte en in den dichten mist om haar heen tuurde, en haar oogen zoo wijd als zij kon opendeed,en dat was zeer wijd, hoorde zij rechts een geweerschot achter zich. Bij zichzelve beredeneerende dat een jager op wild gevogelte dat schot gelost moest hebben, wendde zij haar bootje om en roeide snel in de richting, vanwaar het geluid gekomen was. Daar hoorde zij weder den knal van een geweerschot rechtsaf, maar een eind ver. Krachtig roeide zij voort, maar nu kwamen er niet meer schoten, waarnaar zij zich richten kon, dus was haar zoeken een poos vruchteloos. Eindelijk zag zij iets door den nevel heen schemeren; het waren de Roode Rotsen, hoewel zij die niet kende, en voorzichtig naderde zij, totdat zij Geoffrey’s geroep hoorde.

“Hier is de kemphaan, mijnheer,” zeide zij, toen zij aan zijn verzoek voldaan had.

“O, ik dank u,” antwoordde de nevelachtige gedaante op de rots. “Ik ben u zeer verplicht. Ik wilde er juist heen zwemmen, want ik verlies mijn wild niet gaarne. Ik vind het zoo wreed vogels voor niets te schieten.”

“Gij zult er wel geen gebruik van maken, nu gij hem hebt,” zeide de zachte stem in het bootje, “Kemphanen zijn juist niet heel lekker om te eten.”

“Daar is het ook niet om te doen,” hernam de Robinson Crusoe op de rots. “’t Is de aardigheid van ze mee te brengenAprés Cela—”

“De vogelopzetter?” zeide de zachte stem.

“Neen,” antwoordde de Robinson Crusoe, “de kok—”

Een lach klonk uit het bootje—en daarna een vraag.

“Zeg, mijnheer Bingham, kunt ge mij ook zeggen waar ik ben? Ik ben in den mist geheel en al van mijn koers geraakt.”

Hij was verbaasd. Hoe wist die geheimzinnige jonge dame in een bootje zijn naam?

“Ge zijt bij de Roode Rotsen; daar is de bel, dat grijze ding, mejuffrouw—mejuffrouw—”

“Beatrice Granger,” viel zij haastig in. “Mijn vader is de predikant van Bryngelly. Ik heb u gezien, toen gij met Lady Honoria Bingham gisteren in de school kwaamt. Ik geef daar onderwijs.”Zij zeide hem echter niet dat zijn gelaat zulk een indruk op haar had gemaakt dat zij naar zijn naam gevraagd had.

Weder was hij verbaasd. Hij had van die jonge dame gehoord. Iemand had hem gezegd dat zij het liefste en knapste meisje in Wales was, maar dat haar vader geengentlemanwas.

“O,” zeide hij, zijn hoed afnemende. “Is het niet een weinig gewaagd voor u, Miss Granger, zoo alleen in dezen mist op zee te roeien?”

“Ja,” antwoorde zij gulhartig, “maar ik ben het gewoon; ik roei in alle weer. Dat is mijn vermaak, en eigenlijk komt het er ook niet veel op aan of het gewaagd is,” liet zij er op volgen, meer bij zichzelve sprekende dan tot hem.

Terwijl hij er over dacht wat zij met dit somber gezegde zou bedoelen ging zij snel voort:

“Weet gij wel, mijnheer Bingham, dat gij, geloof ik, in grooter gevaar zijt dan ik? Het moet bij zevenen zijn, en kwartier voor achten is de vloed hoog. Als ik mij niet vergis, is er bijna een halve mijl ver diep water tusschen u en de kust.”

“Op mijn woord!” zeide hij, “ik heb volstrekt niet aan het getij gedacht. Door dat schieten en het zoeken naar den kemphaan, en ook door den mist, is het niet bij mij opgekomen dat het al laat werd. Ik zal nu zeker moeten zwemmen, dat is het eenige, wat er op zit.”

“Neen, neen,” bracht zij ernstig hiertegen in, “’t is hier zeer gevaarlijk zwemmen, het is er vol scherpe rotsen, en er is een verschrikkelijke draaistroom.”

“Welnu, wat dan te doen? Kunnen er in uw bootje twee zitten? Zoo ja, dan wilt gij misschien wel zoo goed zijn mij aan land te brengen?”

“Ja,” zeide zij, “er is in mijn bootje plaats voor twee. Maar ik durf u niet naar land roeien, er zijn zooveel rotsen, en in dien mist is het kabbelen van het water er op niet te zien. Het bootje zou er op stooten. Neen, gij moet instappen, en ik zal u naar Bryngelly roeien, dat is het eenige. Nu ik weet waar ik ben, geloof ik den weg wel te kunnen vinden.”

“Waarlijk, gij zijt wel goed,” sprak hij.

“Er is niets goeds in,” gaf zij ten antwoord; “ik moet er zelve immers ook heen, dus zal ik blijde zijn met uw hulp. ’t Is bijna vijf mijlen over het water, en ’t is geen aangename avond.”

Dat was waar. Hij was volkomen bereid zelf naar de kust te zwemmen, maar, het denkbeeld van die jonge dame alleen door den mist en de toenemende duisternis in een éénriems bootje naar Bryngelly te laten roeien beviel hem volstrekt niet. Het zou hem niet bevallen zijn, al was zij een man geweest, want hij wist dat zulk een tocht met groot gevaar gepaard ging. Dus nam hij haar aanbod aan.

“Ge zult mij, ten minste, wel vergunnen te roeien,” zeide hij, toen zij haar bootje behendig onder de rots had gebracht.

“Als gij wilt,” antwoordde zij twijfelachtig. “Mijn handen doen mij een weinig zeer, en natuurlijk,” met een blik op zijn breede schouders, “zijt gij veel sterker. Maar als gij niet gewoon zijt te roeien, geloof ik dat ik wel even goed voort zal komen als gij.”

“Gekheid,” hernam hij. “Ik wil mij geen vijf mijlen ver door u laten roeien.”

Zonder een woord meer te zeggen, gaf zij toe, en ruimde haar plaats aan de roeispaan voor hem in.

Toen overhandigde hij haar zijn geweer, dat zij met de doode vogels zorgvuldig op den bodem van het zwakke vaartuigje legde Nu liet hij zich voorzichtig van de rots in het bootje afglijden.

“Pas op, of gij zult ons omgooien,” zeide zij, zich voorover buigende en hem de hand reikende, om hem bij het instappen te ondersteunen.

Terwijl hij haar hand vatte, kon hij haar voor ’t eerst goed in ’t gelaat zien en wist hoe schoon het was.

Hoofdstuk III.Een geloofsbelijdenis.“Zijt gij gereed?” vroeg hij.“Ja,” antwoordde Beatrice. “Gij moet een eind rechtuit in zee aanhouden niet te ver, want als wij voorbijRumball Pointzijn, komen wij in de branding—daar is altijd branding—en dan links sturen. Ik zal u zeggen wanneer. En, mijnheer Bingham, wees, als ’t u belieft, voorzichtig met de roeispaan; zij is gespleten, geweest, en kan er niet tegen ruw behandeld te worden.”“Goed,” antwoordde hij, en vroolijk staken zij af, en snel gleed het lichte bootje vooruit onder zijn krachtige riemslagen.Beatrice leunde achterover, zoodat hij slechts gedeeltelijk haar gelaat kon zien. Maar zij zag het zijne, telkens als hij zich door het in beweging houden van de roeispaan naar haar toe boog, en zij sloeg het met belangstelling gade. Het was voor haar een nieuw gelaatstype, zoo edel, zoo mannelijk, en toch met zulk een zachten trek om den mond—bijna al te zacht, dacht zij.Wat had hem bewogen met Lady Honoria te trouwen? was de vraag, die bij Beatrice opkwam; die dame zag er niet bizonder edel uit, hoewel zij een bevallige vrouw was.En zoo gingen zij een poos voort, elkaar in hun hart bewonderende, wat niet vreemd was, want zij waren een zeer passend paar maar geen van beiden sprak een woord, voordat Geoffrey, na ongeveer een kwartier hard geroeid te hebben, ophield om te rusten.“Doet gij zoo iets dikwijls, Miss Granger?” zeide hij, hijgend, “want ik moet zeggen dat het een vrij vermoeiend werk is.”Zij lachte. “Ik dacht wel,” zeide zij, “dat gij het niet zoudt volhouden zoo hard te roeien. Ja, zoo’n bootje is in den zomer een groot genot. ’t Is mijn manier van lichaamsbeweging te nemen, en ik kan zwemmen ook, zoodat ik niet bang ben voor omslaan.’t Is ten minste twee jaar mijn gewoonte geweest, sedert een dame, die hier logeerde, mij dit éénriems-bootje gaf, toen zij heenging. Vóór dien tijd roeide ik in een gewoon tweeriems-bootje—dat wil zeggen, voordat ik naar het college ging.”“Naar het college? Wat voor college? Girton?”“O, neen, niet half zoo voornaam. Het was een college, waar men getuigschriften kreeg dat men bevoegd was om onderwijzeres op een kostschool te zijn.Ik wenschte dat het Girton geweest was.”“Zoo?—daar zijt gij te goed voor,” wilde hij er bijvoegen, maar hij veranderde het in: “Ik geloof dat gij even goed af zijt. Ik houd niet veel van die Girton-stempel; wie ik van dat soort ken, of gekend heb, zijn zoo hard.”“Des te beter voor hen,” antwoordde zij, “Ik zou wel zoo hard als een steen willen zijn; een steen kan niet gevoelen. Zijt gij dan niet van meening dat vrouwen moeten leeren?”“Zijt gij het wèl?” vroeg hij.“Ja, zeker.”“Hebt gij wat geleerd?”“Ik heb mij zelve wat geleerd en op het college iets opgevangen.Maar ik heb niets meer dan oppervlakkige kennis?“Wat kent ge zoo al—Fransch en Duitsch?”“Ja.”“Latijn?”“Ja, daar weet ik iets van.”“Grieksch?”“Dat kan ik vrij goed lezen, maar ik ken het Grieksch niet grondig.“Wiskunde?”“Neen, dat heb ik opgegeven. Wiskunde is tegen de menschelijke natuur. Zij berekent alles naar een vasten regel, die een uitkomst zus of zoomoetgeven.Zoo is het leven niet; wat een vierkant moest zijn wordt een rechthoek en X is altijd een onbekend getal, dat men nooit te weten komt voordat men dood is.”“Goede hemel!” dachtGeoffrey, tusschen de slagen van zijn roeispaan door, “welk een buitengewoon meisje! Een echte blauwkous, en toch zoo bekoorlijk. In allen gevalle zal ik haar nu toch eens uithooren.”“Misschien hebt gij ook wel in de rechten gestudeerd?” hernam hij, met bedwongen spotternij.“Ik heb er een weinig aan gedaan,” antwoordde zij bedaard. “Ik houd wel van de rechtsgeleerde studie. Er is zooveel fijns in, en zooveel op een kleinen grondslag te bouwen. Bij voorbeeld, deKanselarijwet. Misschien kunt ge mij wel zeggen.—”“Neen, dat kan ik zeker niet,” antwoordde hij. “Ik ben geen man van hetKanselarij-Gerechtshof. Ik ben maar aan de gewone rechtbank, en aan de kennis van mijn departement heb ik genoeg. Ge maakt mij bepaald ongerust, Miss Granger. Het verwondert mij, dat het bootje niet onder zooveel geleerdheid zinkt.”“Zoo? Maak ik u ongerust?” zeide zij. “Ik ben blijde dat ik eens iemand ongerust heb kunnen maken. Ik sprak daar van de Kanselarij, maar als ik een advocaat was, zou ik ook liever aan de gewone rechtbank zijn, omdat daar veel meer leven en strijd bij is. Het bestaan is niets waard, als men niets heeft om tegen te strijden en dat men moet trachten te overwinnen.”“Welk een rustig gezichtspunt!” zeide Geoffrey verbaasd. Nooit had hij zulk een vrouw ontmoet.“Rust is alleen goed, wanneer zij verdiend is,” ging de filosofische jonge dame voort, “en om iemand in staat te stellen nog meer rust te verdienen, anders wordt zij luiheid, en dat is ellende. Verbeeld u, werkeloos te zijn, als men maar zoo’n korten tijd om te leven heeft. Het eenige, wat men doen kan, is werken en de gedachten smoren. Gij hebt zeker een uitgebreide praktijk, mijnheer Bingham?”“Dat moet gij een advocaat nooit vragen,” antwoordde hij lachend; “’t is alsof men naar de schilderijen ziet, die een schilder naar den wand heeft gekeerd. Neen, om openhartig te zijn, ik heb geen uitgebreide praktijk. Ik heb mij eerst sedert de laatstetwee jaar in ernst op mijn vak toegelegd. Vóór dien tijd was ik niets anders dan een advocaat in naam.”“Waarom zijt gij zoo plotseling begonnen te werken?”“Omdat ik mijn vooruitzichten verloren had, Miss Granger—kortom, uit noodzakelijkheid.”“O, ik vraag u verschooning,” zeide zij, met een blos, dien hij natuurlijk niet zien kon. “Ik bedoelde niet onbescheiden te zijn. Maar ’t is zeer gelukkig voor u, niet waar?”“Zoo! Sommige menschen denken er anders over. Waarom is het gelukkig?”“Omdat gij nu in aanzien zult rijzen en een groot man worden, en dat is meer dan een rijk man te zijn.”“En waarom denkt gij, dat ik een groot man zal worden?” vroeg hij, in zijn verbazing met roeien ophoudende en naar de nevelachtige gedaante tegenover hem ziende.“O, omdat het op uw gelaat te lezen staat,” was het eenvoudig antwoord.Haar woorden klonken oprecht; er was geen vleierij of gekunsteldheid in. Geoffrey gevoelde, dat het meisje juist sprak zooals zij dacht.“Dus bestudeert gij de gelaatkunde ook,” zeide hij. “Welnu, Miss Granger, ’t is zonderling, alles in aanmerking genomen, dat ik u zal zeggen wat ik nog tegen niemand anders gezegd heb. Ik geloof dat gij gelijk hebt. Ik zal in aanzien rijzen. Ik gevoel dat het in mij ligt, als ik in het leven blijf.”Misschien begreep Beatrice, dat zij voor een nog zoouiterstkorte kennismaking een nogal vertrouwelijk gesprek voerden. In allen gevalle, gaf zij er schielijk een wending aan.“Ik vrees dat gij vermoeid wordt,” zeide zij; “maar wij moeten voort. Het zal spoedig geheel donker zijn, en wij hebben nog een heel eind voor den boeg. Zie hier,” en zij wees zeewaarts.Hij zag in de aangewezen richting. De mist trok op in kronkelingen van dikken damp, die over hen heen golfden en de zware lucht zoo verduisterden, dat die twee, hoewel geen vier voet van elkaar af, elkanders gelaat nauwelijks zien konden. Tot dusverregevoelden zij geen wind. De dikke mist was verstikkend.“Ik geloof dat de lucht breekt, wij krijgen storm,” zeide Beatrice, een weinig bezorgd.Nauwelijks waren die woorden over haar lippen, of de mist verdween van het geheele zeevlak. Geen spoor was er meer van te zien, en in plaats daarvan blies een sterke windvlaag hun in ’t gelaat. Ver in het westen zonk de vurige schijf der zon in het schuim, en schoot een langen, rooden straal over het nu onstuimig woelende water. Het licht viel op het bootje en wierp zijn volle schijnsel op Beatrice, waarna het zich verloor in de nevelen, die de kust nog omhulden.“O, hoe verrukkelijk!” riep zij uit, zich oprichtende en naar den luister der ondergaande zon wijzende.“Ja, wel is het verrukkelijk!” zeide hij, doch hij zag niet naar den zonsondergang, maar naar het gelaat van het meisje tegenover hem, blinkend als dat van een heilige in zijn gouden aureool. Want dat was ook verrukkelijk—zoo verrukkelijk, dat het hem zonderling trof.“’t Is als—” begon zij, en eensklaps brak zij af.“Als wat?” vroeg hij.“’t Is alsof de waarheid eindelijk gevonden is,” hernam zij, meer bij zichzelve sprekende dan tot hem. “Men zou er een allegorie van kunnen maken. Wij zwerven in nevelen en duisternis, en scheppen ons een onzekere toekomst. En dan worden eensklaps de nevelen weggevaagd, alle twijfel is verdwenen, wij zien slechts een luister voor ons, die alles helder maakt en ons een licht is op de zee der onsterfelijkheid. Het klinkt bijna te verheven,” liet zij er met een bekoorlijk lachje op volgen; “maar er is iets in, dat ik zoo niet weet uit te drukken. O, zie!”Terwijl zij sprak, dreef een zware onweerswolk over de verdwijnende schijf der zon. Een oogenblik worstelde het licht met de verduisterende wolk en veranderde haar grauwen rand in koperkleur, maar de wolk was te sterk, het licht verdween en liet de zee in duisternis.“Uw allegorie zou een akelig slot gehad hebben, als gij ze hadt uitgewerkt,” merkte hij aan. “Het wordt pikdonker, endaaris ook heel wat in, als ik het zoo wist uit te drukken.”Beatrice daalde wijselijk uit de sfeer der poëzie weer neder tot de werkelijkheid.“Er komt een storm opzetten, mijnheer Bingham,” zeide zij: “gij moet zoo hard roeien als ge kunt. Ik geloof dat wij niet verder dan twee mijlen van Bryngelly af zijn, en misschien zijn wij zoo gelukkig daar aan te komen voordat de storm losbarst.”“Ja,alswij zoo gelukkig zijn,” zeide hij, op bitteren toon, terwijl hij aan ’t werk ging. “Maar de vraag is, waarheen te roeien—’t is zoo donker. Zouden wij niet liever op de kust aanhouden?”“Wij zijn nu in het midden van de baai,” antwoordde zij, “en bijna even ver van het vasteland, als van Bryngelly; bovendien is het alles rotsen. Neen, gij moet rechtdoor sturen. Aanstonds zult gij het kustlicht van Coed zien. Zooals gij weet, is Coed vier mijlen aan de andere zijde van Bryngelly, dus, als gij het ziet, moet gij links houden.”Hij volgde haar wenk, en een poos spraken zij geen van beiden. De opstekende wind maakte het trouwens moeilijk een gesprek te voeren, en Geoffrey had dan ook niet veel adem voor woorden over. Hij was sterk, maar zulk ongewoon werk kostte hem veel inspanning en hij begon blaren in zijn handen te krijgen. Een minuut of tien roeide hij voort in een bijna totale duisternis, niet wetende waar ter wereld hij heen stuurde, want het was niet mogelijk te zien. Voor zooveel hij wist, had hij wel in een cirkel kunnen draaien. Het eenige, waarnaar hij zich richten kon, was de windstreek en het plassen van de golven. Zoolang deze, die nu onheilspellend begonnen te zwellen, tegen stuurboordzijde sloegen, meende hij een rechte koers te houden. Maar in het rumoer van den opstekenden storm en de verwarring van de duisternis, was dit geen zeer voldoend richtsnoer.Eindelijk viel er een helder schijnsel over de zee, bijna recht voor hen uit. Dat was het kustlicht.Hij veranderde zijn koers een weinig en roeide voort. En nu barstte de storm los. Gelukkig was die niet zeer hevig, anders zou hun zwak bootje gezonken zijn, maar toch hevig genoeg om hen in groot gevaar te brengen. Als een veertje rees het bootje op de golven, doch het was laag van boord, en bij elke rijzing schepte het een weinig water. Maar nog erger wachtte hen.Met een beangst hart roeide hij voort, terwijl Beatrice niets zeide. Daar kwam een groote golf opzetten; hij zag haar witte kruin door de duisternis blinken. Haar schuim spatte over het bootje, terwijl zij het ophief als om het in de diepte neder te storten; maar het ranke vaartuigje gleed er overheen, echter niet zonder een paar emmers water te scheppen. Beatrice zeide geen woord, maar nam haar hoed af, boog zich voorover en begon te hoozen zoo goed zij kon, en dat was juist niet veel.“Dat gaat niet,” riep hij. “Ik moet den voorsteven omhoog houden, of wij worden overstroomd.”“Ja,” antwoordde zij, “doe dat. Wij zijn in groot gevaar.”Hij zag rechtsaf; daar kwam weder een witte golf opzetten; hij zag haar blinkende kruin. Met al zijn kracht sloeg hij de roeispaan in het water, het bootje gehoorzaamde er aan, en gleed veilig over de golf heen, maar de roeispaan knapte. De kracht, die hij er op gezet had, was meer dan zij verdragen kon. Zij brak intweeën, een duim of negen boven het blad, dat op dit oogenblik in het water was. Wanhoop overmeesterde hem.“Groote Hemel!” riep hij uit, “de roeispaan is gebroken!”Beatrice schrikte hevig.“Gebruik dan het andere einde,” zeide zij; “roei eerst aan de eene en dan aan de andere zijde, en houd den voorsteven omhoog.”“Totdat wij zinken,” antwoordde hij.“Neen, totdat wij gered zijn—Spreek niet van zinken.”De moed van het meisje beschaamde hem, en hij volgde haar raad op, zoo goed als hij kon. Door gestadig met het overschotvan de roeispaan nu aan de eene dan aan de andere zijde te roeien, wist hij tegen de zwellende golven op te zwoegen. Maar in beider hart kwam de vraag op, hoe lang zij dit nog zouden volhouden.“Hebt gij kardoezen?” vroeg zij.“Ja, in mijn jaszak,” antwoordde hij.“Geef me er twee van, als ge kunt,” zeide zij.Hij wist een oogenblik waar te nemen om zijn hand in zijn zak te steken en haar de kardoezen te overhandigen. Zij scheen iets van de behandeling van een geweer te verstaan, want weldra was er een flikkering en een knal, spoedig door nog een gevolgd.“Geef mij nog meer kardoezen,” riep zij. Dat deed hij, maar er volgde niets op.“Het helpt niet,” zeide zij eindelijk, “de kardoezen zijn nat. Maar misschien heeft men de schoten gezien of gehoord. De oude Eduard zal wel naar mij op den uitkijk staan. Ge moest nu maar liever uw zakken ledigen, als gij kunt,” liet zij er, als bij nader inzien op volgen, “want straks zullen wij moeten zwemmen.”Dit scheen Geoffrey zeer waarschijnlijk toe, en zoo dikwijls hij er kans toe zag, volgde hij haar wenk op, totdat hij al zijn kardoezen kwijt was. Nu begon de regen bij stroomen te vallen. Hoewel het niet warm was, gudste het zweet hem uit elke porie, en de regen, die hem tegen het gelaat sloeg, verkwikte hem eenigszins; ook was met den regen de wind een weinig bedaard.Maar hij werd afgemat, en dat wist hij. Weldra zou hij niet meer in staat zijn het bootje recht te houden, en dan zouden zij overstroomd worden en naar alle waarschijnlijkheid verdrinken. Dat zou dus het einde van zijn leven en al zijn eerzuchtig streven zijn. Eer er nog een uur verloopen was, zou hij in de armen van die woeste zee gewiegd worden. Wat zou zijn vrouw Honoria zeggen, als zij het vernam? Misschien zou zij door den schok eenig blijk van gevoel geven. En Effie, zijn lief, zesjarig dochtertje? Nu, zij was Goddank nog te jong om zijn verlies lang te gevoelen. Tegen den tijd dat zij tot een vrouw was opgegroeid, zou zij bijna vergeten zijn, dat zijooit een vader had gehad. Maar hoe zou het met haar gaan, als zij hem niet had om haar te leiden? Haar moeder hield niet van kinderen, en een aankomend meisje zou haar gestadig herinneren dat zij zelve ouder werd. Hij wist het niet; hij kon slechts het beste hopen.En hijzelf! Wat zou er van hem worden na dien korten worstelstrijd om het leven? Hij was een Christen en had niet slechter geleefd dan andere mannen. Ja, hoewel hij de laatste geweest zou zijn om dat te denken, had hij eenige vergoedende deugden. Maar nu, aan het einde, was de geestelijke horizon even donker als bij het begin.Daar voor hem waren de Poorten des Doods, maar nog vergunden zij den reiziger niet een blik te slaan in wat daarachter lag. Wat wist hij of zij zich zouden openen, of daarachter iets was? Misschien zeide hij voor eeuwig vaarwel aan alle bewustzijn, aan aarde en zee en lucht en liefde, en alles wat liefelijk is. Welnu, dat was misschien beter dan sommige vooruitzichten. Op dit oogenblik zou Geoffrey Bingham, in zijn folterenden twijfel, gaarne zijn hoop op een leven hiernamaals verwisseld hebben voor de zekerheid van een eeuwigen slaap. Niet ieder heeft het voorrecht van het vast geloof te bezitten, dat sommigen onzer dien ontzaglijken overgang met het volste vertrouwen doet te gemoet zien, en in allen gevalle bezat hij het nog niet, hoewel misschien de tijd zou komen dat hij het deelachtig werd. Er zijn niet velen, zelfs wie zonder smet of blaam zijn, die zich in de armen des Doods kunnen leggen met de zekerheid van in heerlijkheid te ontwaken. Helaas! hij kon er niet volkomen zeker van zijn, en waar twijfel bestaat, is de hoop slechts zwak. Hij zuchtte diep, prevelde een gebedsformulier, dat sinds dertig jaar de meeste avonden op zijn lippen was geweest—hij had het als kind aan zijn moeders knie geleerd—en toen, terwijl de storm om hem heen loeide, verzamelde hij al zijn kracht, om het einde, dat onvermijdelijk scheen, af te wachten. In allen gevalle wilde hij sterven als een man.Toen kwam de reactie. Zijn levenskrachten waren weder opgewekt.Hij gevoelde zich niet langer beangst, hij gevoelde slechts een zonderlinge verbazing, zooals iemand zich verbaast over iets, dat een ander aangaat. Nu vestigde hij zijn aandacht op het meisje, dat tegenover hem zat. Met den regen was het ook begonnen te weerlichten, en bij de eerste flikkering zag hij haar duidelijk. Haar schoon gelaat was strak, en terwijl zij zich voorover boog en met haar groote oogen in de duisternis tuurde, meende hij er een bijna uitdagende uitdrukking op te zien.Het bootje draaide eenigszins. Hij sloeg zijn gebroken roeispaan in het water, om het weer vooruit te brengen. Toen sprak hij Beatrice toe.“Zijt gij bevreesd?” vroeg hij.“Neen,” antwoordde zij, “ik ben niet bevreesd.”“Weet gij dat wij waarschijnlijk zullen verdrinken?”“Ja, dat weet ik. Men zegt dat die dood zacht is. Ik heb u hier gebracht. Vergeef mij dat. Ik had moeten beproeven u aan land te roeien, zooals gij gezegd hebt.”“Bekommer u niet over mij: een man moet zijn lot weten te ondergaan. Denk niet aan mij. Maar ik kan den voorsteven niet veel langer boven houden. Ik moet u raden uw gebed te doen.”Beatrice boog zich voorover, totdat haar hoofd dicht bij het zijne was. De wind had haar lokken losgemaakt, en hoewel hij het toen niet scheen op te merken, herinnerde hij zich later dat een daarvan hem langs het gelaat streek.“Ik kan niet bidden,” zeide zij: “ik zou niet weten tot wien ik bidden moest. Ik ben geen Christin.”Die woorden troffen hem als een donderslag. Hij vond het een ontzettend denkbeeld, dat dit edele, fiere meisje nu op den rand van, zoo zij meende, totale vernietiging zweefde. Zelfs in den moed, die haar op zulk een oogenblik haar hopeloozen toestand deed bekennen, vond hij iets ontzettends.“Beproef het,” zeide hij, met een diepen zucht.“Neen,” antwoordde zij, “ik ben niet bevreesd voor den dood. De dood kan niet erger zijn dan het leven voor de meesten onzeris. Ik heb in geen jaren gebeden, niet sedert—welnu, om ’t even. Ik ben niet lafhartig. Het zou lafhartig zijn nu te bidden, omdat het misschien slecht met mij afloopt. Als er een God is, die alles weet, zal Hij dat begrijpen.”Geoffrey zeide niets meer, maar roeide zoo goed en kwaad als hij kon, doch met gedurig afnemende kracht, met de gebroken roeispaan voort. Het weerlicht had opgehouden en het was volslagen duister, want de door den windvoortgezweeptewolken verborgen het sterrenlicht. Nu kwam er een geluid boven het geloei van den storm uit, een donderend geraas, waar de zee hen allengs heen dreef. Dat geluid was van de golven, die tegen de rotsen van Bryngelly sloegen.“Waar drijven wij heen?” riep hij uit.“Naar de branding, waar wij verloren zijn,” antwoordde zij bedaard. “Roei maar niet meer, het baat niet, en tracht uw jas uit te trekken. Ik heb mijn rok losgemaakt. Misschien kunnen wij aan land zwemmen.”Dit kwam hem, in de duisternis en de branding, niet waarschijnlijk voor, maar hij zeide niets, en begon zich van zijn jas en vest te ontdoen—wat in deze beperkte ruimte niet gemakkelijk ging. Intusschen draaide het bootje rond als een notedop in een overloopende goot. Eer de golven op het rif en tegen de rotsen braken, kwamen zij geregeld zwellend opzetten. Maar op de zandbank kromden zij haar schuimende ruggen tot een vervaarlijke hoogte en sloegen met donderend geweld tegen de rotsen.Naar die branding werd het bootje door de golven voortgestuwd.“Vaarwel!” riep Geoffrey Beatrice toe, terwijl hij zijn natte hand uitstak en de hare vatte, want een makker in den dood maakt het sterven gemakkelijker.“Vaarwel,” zeide zij zijn hand drukkende. “O, waarom heb ik u daarin gebracht?”In dien uitersten nood dacht dit meisje meer aan haar lotgenoot dan aan zichzelve.Nog eens draaide het bootje, en meteen werd het eensklaps alseen strootje opgeheven en hoog in de lucht geworpen. Een ontzaglijke massa water bruiste er onder en er omheen. Geoffrey had nog slechts even een flauw besef dat zij op een brekende golf waren, toen het ziedend schuim het bootje overstroomde. Krak!—en hij verloor zijn bewustzijn.

“Zijt gij gereed?” vroeg hij.

“Ja,” antwoordde Beatrice. “Gij moet een eind rechtuit in zee aanhouden niet te ver, want als wij voorbijRumball Pointzijn, komen wij in de branding—daar is altijd branding—en dan links sturen. Ik zal u zeggen wanneer. En, mijnheer Bingham, wees, als ’t u belieft, voorzichtig met de roeispaan; zij is gespleten, geweest, en kan er niet tegen ruw behandeld te worden.”

“Goed,” antwoordde hij, en vroolijk staken zij af, en snel gleed het lichte bootje vooruit onder zijn krachtige riemslagen.

Beatrice leunde achterover, zoodat hij slechts gedeeltelijk haar gelaat kon zien. Maar zij zag het zijne, telkens als hij zich door het in beweging houden van de roeispaan naar haar toe boog, en zij sloeg het met belangstelling gade. Het was voor haar een nieuw gelaatstype, zoo edel, zoo mannelijk, en toch met zulk een zachten trek om den mond—bijna al te zacht, dacht zij.

Wat had hem bewogen met Lady Honoria te trouwen? was de vraag, die bij Beatrice opkwam; die dame zag er niet bizonder edel uit, hoewel zij een bevallige vrouw was.

En zoo gingen zij een poos voort, elkaar in hun hart bewonderende, wat niet vreemd was, want zij waren een zeer passend paar maar geen van beiden sprak een woord, voordat Geoffrey, na ongeveer een kwartier hard geroeid te hebben, ophield om te rusten.

“Doet gij zoo iets dikwijls, Miss Granger?” zeide hij, hijgend, “want ik moet zeggen dat het een vrij vermoeiend werk is.”

Zij lachte. “Ik dacht wel,” zeide zij, “dat gij het niet zoudt volhouden zoo hard te roeien. Ja, zoo’n bootje is in den zomer een groot genot. ’t Is mijn manier van lichaamsbeweging te nemen, en ik kan zwemmen ook, zoodat ik niet bang ben voor omslaan.’t Is ten minste twee jaar mijn gewoonte geweest, sedert een dame, die hier logeerde, mij dit éénriems-bootje gaf, toen zij heenging. Vóór dien tijd roeide ik in een gewoon tweeriems-bootje—dat wil zeggen, voordat ik naar het college ging.”

“Naar het college? Wat voor college? Girton?”

“O, neen, niet half zoo voornaam. Het was een college, waar men getuigschriften kreeg dat men bevoegd was om onderwijzeres op een kostschool te zijn.Ik wenschte dat het Girton geweest was.”

“Zoo?—daar zijt gij te goed voor,” wilde hij er bijvoegen, maar hij veranderde het in: “Ik geloof dat gij even goed af zijt. Ik houd niet veel van die Girton-stempel; wie ik van dat soort ken, of gekend heb, zijn zoo hard.”

“Des te beter voor hen,” antwoordde zij, “Ik zou wel zoo hard als een steen willen zijn; een steen kan niet gevoelen. Zijt gij dan niet van meening dat vrouwen moeten leeren?”

“Zijt gij het wèl?” vroeg hij.

“Ja, zeker.”

“Hebt gij wat geleerd?”

“Ik heb mij zelve wat geleerd en op het college iets opgevangen.Maar ik heb niets meer dan oppervlakkige kennis?

“Wat kent ge zoo al—Fransch en Duitsch?”

“Ja.”

“Latijn?”

“Ja, daar weet ik iets van.”

“Grieksch?”

“Dat kan ik vrij goed lezen, maar ik ken het Grieksch niet grondig.

“Wiskunde?”

“Neen, dat heb ik opgegeven. Wiskunde is tegen de menschelijke natuur. Zij berekent alles naar een vasten regel, die een uitkomst zus of zoomoetgeven.Zoo is het leven niet; wat een vierkant moest zijn wordt een rechthoek en X is altijd een onbekend getal, dat men nooit te weten komt voordat men dood is.”

“Goede hemel!” dachtGeoffrey, tusschen de slagen van zijn roeispaan door, “welk een buitengewoon meisje! Een echte blauwkous, en toch zoo bekoorlijk. In allen gevalle zal ik haar nu toch eens uithooren.”

“Misschien hebt gij ook wel in de rechten gestudeerd?” hernam hij, met bedwongen spotternij.

“Ik heb er een weinig aan gedaan,” antwoordde zij bedaard. “Ik houd wel van de rechtsgeleerde studie. Er is zooveel fijns in, en zooveel op een kleinen grondslag te bouwen. Bij voorbeeld, deKanselarijwet. Misschien kunt ge mij wel zeggen.—”

“Neen, dat kan ik zeker niet,” antwoordde hij. “Ik ben geen man van hetKanselarij-Gerechtshof. Ik ben maar aan de gewone rechtbank, en aan de kennis van mijn departement heb ik genoeg. Ge maakt mij bepaald ongerust, Miss Granger. Het verwondert mij, dat het bootje niet onder zooveel geleerdheid zinkt.”

“Zoo? Maak ik u ongerust?” zeide zij. “Ik ben blijde dat ik eens iemand ongerust heb kunnen maken. Ik sprak daar van de Kanselarij, maar als ik een advocaat was, zou ik ook liever aan de gewone rechtbank zijn, omdat daar veel meer leven en strijd bij is. Het bestaan is niets waard, als men niets heeft om tegen te strijden en dat men moet trachten te overwinnen.”

“Welk een rustig gezichtspunt!” zeide Geoffrey verbaasd. Nooit had hij zulk een vrouw ontmoet.

“Rust is alleen goed, wanneer zij verdiend is,” ging de filosofische jonge dame voort, “en om iemand in staat te stellen nog meer rust te verdienen, anders wordt zij luiheid, en dat is ellende. Verbeeld u, werkeloos te zijn, als men maar zoo’n korten tijd om te leven heeft. Het eenige, wat men doen kan, is werken en de gedachten smoren. Gij hebt zeker een uitgebreide praktijk, mijnheer Bingham?”

“Dat moet gij een advocaat nooit vragen,” antwoordde hij lachend; “’t is alsof men naar de schilderijen ziet, die een schilder naar den wand heeft gekeerd. Neen, om openhartig te zijn, ik heb geen uitgebreide praktijk. Ik heb mij eerst sedert de laatstetwee jaar in ernst op mijn vak toegelegd. Vóór dien tijd was ik niets anders dan een advocaat in naam.”

“Waarom zijt gij zoo plotseling begonnen te werken?”

“Omdat ik mijn vooruitzichten verloren had, Miss Granger—kortom, uit noodzakelijkheid.”

“O, ik vraag u verschooning,” zeide zij, met een blos, dien hij natuurlijk niet zien kon. “Ik bedoelde niet onbescheiden te zijn. Maar ’t is zeer gelukkig voor u, niet waar?”

“Zoo! Sommige menschen denken er anders over. Waarom is het gelukkig?”

“Omdat gij nu in aanzien zult rijzen en een groot man worden, en dat is meer dan een rijk man te zijn.”

“En waarom denkt gij, dat ik een groot man zal worden?” vroeg hij, in zijn verbazing met roeien ophoudende en naar de nevelachtige gedaante tegenover hem ziende.

“O, omdat het op uw gelaat te lezen staat,” was het eenvoudig antwoord.

Haar woorden klonken oprecht; er was geen vleierij of gekunsteldheid in. Geoffrey gevoelde, dat het meisje juist sprak zooals zij dacht.

“Dus bestudeert gij de gelaatkunde ook,” zeide hij. “Welnu, Miss Granger, ’t is zonderling, alles in aanmerking genomen, dat ik u zal zeggen wat ik nog tegen niemand anders gezegd heb. Ik geloof dat gij gelijk hebt. Ik zal in aanzien rijzen. Ik gevoel dat het in mij ligt, als ik in het leven blijf.”

Misschien begreep Beatrice, dat zij voor een nog zoouiterstkorte kennismaking een nogal vertrouwelijk gesprek voerden. In allen gevalle, gaf zij er schielijk een wending aan.

“Ik vrees dat gij vermoeid wordt,” zeide zij; “maar wij moeten voort. Het zal spoedig geheel donker zijn, en wij hebben nog een heel eind voor den boeg. Zie hier,” en zij wees zeewaarts.

Hij zag in de aangewezen richting. De mist trok op in kronkelingen van dikken damp, die over hen heen golfden en de zware lucht zoo verduisterden, dat die twee, hoewel geen vier voet van elkaar af, elkanders gelaat nauwelijks zien konden. Tot dusverregevoelden zij geen wind. De dikke mist was verstikkend.

“Ik geloof dat de lucht breekt, wij krijgen storm,” zeide Beatrice, een weinig bezorgd.

Nauwelijks waren die woorden over haar lippen, of de mist verdween van het geheele zeevlak. Geen spoor was er meer van te zien, en in plaats daarvan blies een sterke windvlaag hun in ’t gelaat. Ver in het westen zonk de vurige schijf der zon in het schuim, en schoot een langen, rooden straal over het nu onstuimig woelende water. Het licht viel op het bootje en wierp zijn volle schijnsel op Beatrice, waarna het zich verloor in de nevelen, die de kust nog omhulden.

“O, hoe verrukkelijk!” riep zij uit, zich oprichtende en naar den luister der ondergaande zon wijzende.

“Ja, wel is het verrukkelijk!” zeide hij, doch hij zag niet naar den zonsondergang, maar naar het gelaat van het meisje tegenover hem, blinkend als dat van een heilige in zijn gouden aureool. Want dat was ook verrukkelijk—zoo verrukkelijk, dat het hem zonderling trof.

“’t Is als—” begon zij, en eensklaps brak zij af.

“Als wat?” vroeg hij.

“’t Is alsof de waarheid eindelijk gevonden is,” hernam zij, meer bij zichzelve sprekende dan tot hem. “Men zou er een allegorie van kunnen maken. Wij zwerven in nevelen en duisternis, en scheppen ons een onzekere toekomst. En dan worden eensklaps de nevelen weggevaagd, alle twijfel is verdwenen, wij zien slechts een luister voor ons, die alles helder maakt en ons een licht is op de zee der onsterfelijkheid. Het klinkt bijna te verheven,” liet zij er met een bekoorlijk lachje op volgen; “maar er is iets in, dat ik zoo niet weet uit te drukken. O, zie!”

Terwijl zij sprak, dreef een zware onweerswolk over de verdwijnende schijf der zon. Een oogenblik worstelde het licht met de verduisterende wolk en veranderde haar grauwen rand in koperkleur, maar de wolk was te sterk, het licht verdween en liet de zee in duisternis.

“Uw allegorie zou een akelig slot gehad hebben, als gij ze hadt uitgewerkt,” merkte hij aan. “Het wordt pikdonker, endaaris ook heel wat in, als ik het zoo wist uit te drukken.”

Beatrice daalde wijselijk uit de sfeer der poëzie weer neder tot de werkelijkheid.

“Er komt een storm opzetten, mijnheer Bingham,” zeide zij: “gij moet zoo hard roeien als ge kunt. Ik geloof dat wij niet verder dan twee mijlen van Bryngelly af zijn, en misschien zijn wij zoo gelukkig daar aan te komen voordat de storm losbarst.”

“Ja,alswij zoo gelukkig zijn,” zeide hij, op bitteren toon, terwijl hij aan ’t werk ging. “Maar de vraag is, waarheen te roeien—’t is zoo donker. Zouden wij niet liever op de kust aanhouden?”

“Wij zijn nu in het midden van de baai,” antwoordde zij, “en bijna even ver van het vasteland, als van Bryngelly; bovendien is het alles rotsen. Neen, gij moet rechtdoor sturen. Aanstonds zult gij het kustlicht van Coed zien. Zooals gij weet, is Coed vier mijlen aan de andere zijde van Bryngelly, dus, als gij het ziet, moet gij links houden.”

Hij volgde haar wenk, en een poos spraken zij geen van beiden. De opstekende wind maakte het trouwens moeilijk een gesprek te voeren, en Geoffrey had dan ook niet veel adem voor woorden over. Hij was sterk, maar zulk ongewoon werk kostte hem veel inspanning en hij begon blaren in zijn handen te krijgen. Een minuut of tien roeide hij voort in een bijna totale duisternis, niet wetende waar ter wereld hij heen stuurde, want het was niet mogelijk te zien. Voor zooveel hij wist, had hij wel in een cirkel kunnen draaien. Het eenige, waarnaar hij zich richten kon, was de windstreek en het plassen van de golven. Zoolang deze, die nu onheilspellend begonnen te zwellen, tegen stuurboordzijde sloegen, meende hij een rechte koers te houden. Maar in het rumoer van den opstekenden storm en de verwarring van de duisternis, was dit geen zeer voldoend richtsnoer.

Eindelijk viel er een helder schijnsel over de zee, bijna recht voor hen uit. Dat was het kustlicht.

Hij veranderde zijn koers een weinig en roeide voort. En nu barstte de storm los. Gelukkig was die niet zeer hevig, anders zou hun zwak bootje gezonken zijn, maar toch hevig genoeg om hen in groot gevaar te brengen. Als een veertje rees het bootje op de golven, doch het was laag van boord, en bij elke rijzing schepte het een weinig water. Maar nog erger wachtte hen.

Met een beangst hart roeide hij voort, terwijl Beatrice niets zeide. Daar kwam een groote golf opzetten; hij zag haar witte kruin door de duisternis blinken. Haar schuim spatte over het bootje, terwijl zij het ophief als om het in de diepte neder te storten; maar het ranke vaartuigje gleed er overheen, echter niet zonder een paar emmers water te scheppen. Beatrice zeide geen woord, maar nam haar hoed af, boog zich voorover en begon te hoozen zoo goed zij kon, en dat was juist niet veel.

“Dat gaat niet,” riep hij. “Ik moet den voorsteven omhoog houden, of wij worden overstroomd.”

“Ja,” antwoordde zij, “doe dat. Wij zijn in groot gevaar.”

Hij zag rechtsaf; daar kwam weder een witte golf opzetten; hij zag haar blinkende kruin. Met al zijn kracht sloeg hij de roeispaan in het water, het bootje gehoorzaamde er aan, en gleed veilig over de golf heen, maar de roeispaan knapte. De kracht, die hij er op gezet had, was meer dan zij verdragen kon. Zij brak intweeën, een duim of negen boven het blad, dat op dit oogenblik in het water was. Wanhoop overmeesterde hem.

“Groote Hemel!” riep hij uit, “de roeispaan is gebroken!”

Beatrice schrikte hevig.

“Gebruik dan het andere einde,” zeide zij; “roei eerst aan de eene en dan aan de andere zijde, en houd den voorsteven omhoog.”

“Totdat wij zinken,” antwoordde hij.

“Neen, totdat wij gered zijn—Spreek niet van zinken.”

De moed van het meisje beschaamde hem, en hij volgde haar raad op, zoo goed als hij kon. Door gestadig met het overschotvan de roeispaan nu aan de eene dan aan de andere zijde te roeien, wist hij tegen de zwellende golven op te zwoegen. Maar in beider hart kwam de vraag op, hoe lang zij dit nog zouden volhouden.

“Hebt gij kardoezen?” vroeg zij.

“Ja, in mijn jaszak,” antwoordde hij.

“Geef me er twee van, als ge kunt,” zeide zij.

Hij wist een oogenblik waar te nemen om zijn hand in zijn zak te steken en haar de kardoezen te overhandigen. Zij scheen iets van de behandeling van een geweer te verstaan, want weldra was er een flikkering en een knal, spoedig door nog een gevolgd.

“Geef mij nog meer kardoezen,” riep zij. Dat deed hij, maar er volgde niets op.

“Het helpt niet,” zeide zij eindelijk, “de kardoezen zijn nat. Maar misschien heeft men de schoten gezien of gehoord. De oude Eduard zal wel naar mij op den uitkijk staan. Ge moest nu maar liever uw zakken ledigen, als gij kunt,” liet zij er, als bij nader inzien op volgen, “want straks zullen wij moeten zwemmen.”

Dit scheen Geoffrey zeer waarschijnlijk toe, en zoo dikwijls hij er kans toe zag, volgde hij haar wenk op, totdat hij al zijn kardoezen kwijt was. Nu begon de regen bij stroomen te vallen. Hoewel het niet warm was, gudste het zweet hem uit elke porie, en de regen, die hem tegen het gelaat sloeg, verkwikte hem eenigszins; ook was met den regen de wind een weinig bedaard.

Maar hij werd afgemat, en dat wist hij. Weldra zou hij niet meer in staat zijn het bootje recht te houden, en dan zouden zij overstroomd worden en naar alle waarschijnlijkheid verdrinken. Dat zou dus het einde van zijn leven en al zijn eerzuchtig streven zijn. Eer er nog een uur verloopen was, zou hij in de armen van die woeste zee gewiegd worden. Wat zou zijn vrouw Honoria zeggen, als zij het vernam? Misschien zou zij door den schok eenig blijk van gevoel geven. En Effie, zijn lief, zesjarig dochtertje? Nu, zij was Goddank nog te jong om zijn verlies lang te gevoelen. Tegen den tijd dat zij tot een vrouw was opgegroeid, zou zij bijna vergeten zijn, dat zijooit een vader had gehad. Maar hoe zou het met haar gaan, als zij hem niet had om haar te leiden? Haar moeder hield niet van kinderen, en een aankomend meisje zou haar gestadig herinneren dat zij zelve ouder werd. Hij wist het niet; hij kon slechts het beste hopen.

En hijzelf! Wat zou er van hem worden na dien korten worstelstrijd om het leven? Hij was een Christen en had niet slechter geleefd dan andere mannen. Ja, hoewel hij de laatste geweest zou zijn om dat te denken, had hij eenige vergoedende deugden. Maar nu, aan het einde, was de geestelijke horizon even donker als bij het begin.Daar voor hem waren de Poorten des Doods, maar nog vergunden zij den reiziger niet een blik te slaan in wat daarachter lag. Wat wist hij of zij zich zouden openen, of daarachter iets was? Misschien zeide hij voor eeuwig vaarwel aan alle bewustzijn, aan aarde en zee en lucht en liefde, en alles wat liefelijk is. Welnu, dat was misschien beter dan sommige vooruitzichten. Op dit oogenblik zou Geoffrey Bingham, in zijn folterenden twijfel, gaarne zijn hoop op een leven hiernamaals verwisseld hebben voor de zekerheid van een eeuwigen slaap. Niet ieder heeft het voorrecht van het vast geloof te bezitten, dat sommigen onzer dien ontzaglijken overgang met het volste vertrouwen doet te gemoet zien, en in allen gevalle bezat hij het nog niet, hoewel misschien de tijd zou komen dat hij het deelachtig werd. Er zijn niet velen, zelfs wie zonder smet of blaam zijn, die zich in de armen des Doods kunnen leggen met de zekerheid van in heerlijkheid te ontwaken. Helaas! hij kon er niet volkomen zeker van zijn, en waar twijfel bestaat, is de hoop slechts zwak. Hij zuchtte diep, prevelde een gebedsformulier, dat sinds dertig jaar de meeste avonden op zijn lippen was geweest—hij had het als kind aan zijn moeders knie geleerd—en toen, terwijl de storm om hem heen loeide, verzamelde hij al zijn kracht, om het einde, dat onvermijdelijk scheen, af te wachten. In allen gevalle wilde hij sterven als een man.

Toen kwam de reactie. Zijn levenskrachten waren weder opgewekt.Hij gevoelde zich niet langer beangst, hij gevoelde slechts een zonderlinge verbazing, zooals iemand zich verbaast over iets, dat een ander aangaat. Nu vestigde hij zijn aandacht op het meisje, dat tegenover hem zat. Met den regen was het ook begonnen te weerlichten, en bij de eerste flikkering zag hij haar duidelijk. Haar schoon gelaat was strak, en terwijl zij zich voorover boog en met haar groote oogen in de duisternis tuurde, meende hij er een bijna uitdagende uitdrukking op te zien.

Het bootje draaide eenigszins. Hij sloeg zijn gebroken roeispaan in het water, om het weer vooruit te brengen. Toen sprak hij Beatrice toe.

“Zijt gij bevreesd?” vroeg hij.

“Neen,” antwoordde zij, “ik ben niet bevreesd.”

“Weet gij dat wij waarschijnlijk zullen verdrinken?”

“Ja, dat weet ik. Men zegt dat die dood zacht is. Ik heb u hier gebracht. Vergeef mij dat. Ik had moeten beproeven u aan land te roeien, zooals gij gezegd hebt.”

“Bekommer u niet over mij: een man moet zijn lot weten te ondergaan. Denk niet aan mij. Maar ik kan den voorsteven niet veel langer boven houden. Ik moet u raden uw gebed te doen.”

Beatrice boog zich voorover, totdat haar hoofd dicht bij het zijne was. De wind had haar lokken losgemaakt, en hoewel hij het toen niet scheen op te merken, herinnerde hij zich later dat een daarvan hem langs het gelaat streek.

“Ik kan niet bidden,” zeide zij: “ik zou niet weten tot wien ik bidden moest. Ik ben geen Christin.”

Die woorden troffen hem als een donderslag. Hij vond het een ontzettend denkbeeld, dat dit edele, fiere meisje nu op den rand van, zoo zij meende, totale vernietiging zweefde. Zelfs in den moed, die haar op zulk een oogenblik haar hopeloozen toestand deed bekennen, vond hij iets ontzettends.

“Beproef het,” zeide hij, met een diepen zucht.

“Neen,” antwoordde zij, “ik ben niet bevreesd voor den dood. De dood kan niet erger zijn dan het leven voor de meesten onzeris. Ik heb in geen jaren gebeden, niet sedert—welnu, om ’t even. Ik ben niet lafhartig. Het zou lafhartig zijn nu te bidden, omdat het misschien slecht met mij afloopt. Als er een God is, die alles weet, zal Hij dat begrijpen.”

Geoffrey zeide niets meer, maar roeide zoo goed en kwaad als hij kon, doch met gedurig afnemende kracht, met de gebroken roeispaan voort. Het weerlicht had opgehouden en het was volslagen duister, want de door den windvoortgezweeptewolken verborgen het sterrenlicht. Nu kwam er een geluid boven het geloei van den storm uit, een donderend geraas, waar de zee hen allengs heen dreef. Dat geluid was van de golven, die tegen de rotsen van Bryngelly sloegen.

“Waar drijven wij heen?” riep hij uit.

“Naar de branding, waar wij verloren zijn,” antwoordde zij bedaard. “Roei maar niet meer, het baat niet, en tracht uw jas uit te trekken. Ik heb mijn rok losgemaakt. Misschien kunnen wij aan land zwemmen.”

Dit kwam hem, in de duisternis en de branding, niet waarschijnlijk voor, maar hij zeide niets, en begon zich van zijn jas en vest te ontdoen—wat in deze beperkte ruimte niet gemakkelijk ging. Intusschen draaide het bootje rond als een notedop in een overloopende goot. Eer de golven op het rif en tegen de rotsen braken, kwamen zij geregeld zwellend opzetten. Maar op de zandbank kromden zij haar schuimende ruggen tot een vervaarlijke hoogte en sloegen met donderend geweld tegen de rotsen.

Naar die branding werd het bootje door de golven voortgestuwd.

“Vaarwel!” riep Geoffrey Beatrice toe, terwijl hij zijn natte hand uitstak en de hare vatte, want een makker in den dood maakt het sterven gemakkelijker.

“Vaarwel,” zeide zij zijn hand drukkende. “O, waarom heb ik u daarin gebracht?”

In dien uitersten nood dacht dit meisje meer aan haar lotgenoot dan aan zichzelve.

Nog eens draaide het bootje, en meteen werd het eensklaps alseen strootje opgeheven en hoog in de lucht geworpen. Een ontzaglijke massa water bruiste er onder en er omheen. Geoffrey had nog slechts even een flauw besef dat zij op een brekende golf waren, toen het ziedend schuim het bootje overstroomde. Krak!—en hij verloor zijn bewustzijn.

HoofdstukIV.Een belangstellend vrager.Het was aldus gebeurd. Midden op de zandbank is een groote rots met platte kruin—zij zal ongeveer twintig voet in ’t vierkant zijn—bij de visschers van Bryngelly bekend als de Tafelrots. Bij gewoon weer, zelfs als het vloed is, komt het water nauwelijks boven deze rots, maar bij een hooge zee wordt zij met groot geweld door de golven bespoeld. Op deze rots waren Geoffrey en Beatrice door de brekende golf geworpen. Gelukkig voor hen, was zij dicht begroeid met zeewier, zoodat hun val in zekere mate gebroken was. Geoffrey was bewusteloos van den schok; maar Beatrice, wier hand hij nog vasthield, viel op hem, en kwam er dus, behalve eenige lichte kneuzingen, ongedeerd af.Hijgend krabbelde zij op haar knieën overeind. Het water was van de rots afgeloopen, en haar metgezel lag stil aan haar zijde. Zij bukte en riep hem in ’t oor, maar hij gaf geen antwoord, en nu wist zij dat hij dood of bewusteloos was.Op dit oogenblik zag Beatrice iets wits in de duisternis blinken. Instinctmatig wierp zij zich voorover en greep met de eene hand het lange, taaie zeewier. De andere sloeg zij om het lichaam van den bewusteloozen man aan haar zijde en hield hem met al haar kracht vast.Toen werden zij met schuim overstroomd. Het water lichtte haarvan de rots op, maar het zeewier hield, en toen de golf ziedend gebroken was, lagen Beatrice en de bewustelooze gedaante van Geoffrey nog naast elkander. Zij was half verstikt. Wanhopig richtte zij zich op en tuurde in de duisternis landwaarts. Hemel! daar, geen honderd meter van haar af, glinsterde een licht op het water. Het was de lantaarn van een boot, want het bewoog op en neer. Met al de kracht harer longen liet zij een hulpkreet hooren. Een oogenblik verliep, en zij meende dat haar hulpgeroep beantwoord werd maar door het geweld van den storm en de branding was zij er niet zeker van. Nu zag zij zeewaarts. Weder kwam er een schuimende golf opzetten; weder wierp zij zich voorover op de rots, greep het glibberig zeewier en sloeg haar linkerarm om den bewusteloozen Geoffrey.De golf had hen bereikt.O, schrik! Juist toen het ziedende water over hen heen bruiste, voelde Beatrice het zeewier loslaten. Nu werden zij door de golf meegesleept en waren den dood nabij. Maar nog hield zij Geoffrey vast. Weder gevoelde zij de lucht op haar gelaat. Zij was naar de oppervlakte geslingerd en dreef op het onstuimige water. De golf was gebroken. Nu liet zij Geoffrey even los, om haar hand omhoog te brengen, en toen hij begon te zinken greep zij hem bij het haar. Toen sloeg zij trappend haar voeten in het water uit, want zij kon zoo goed zwemmen als de beste zwemmer op de kust, en wist haar oogen open te houden. Daar, op geen zestig meter afstands, was het licht van de boot, O, indien zij dat kon bereiken! Zij spoog het zoute water uit haar mond en riep nog eens luid. Het licht scheen naderbij te komen.Nu werd zij weder door een golf overstelpt, want met dat zware aanhangsel kon zij zich niet boven houden. Het schoot haar in de gedachten, dat zij, zelfs nu nog, zichzelve kon redden, als zij hem losliet, maar zelfs in dien doodsangst wilde zij dat niet doen. Als hij zonk, wilde zij met hem zinken.Beter zou het geweest zijn, als zij hem zijn graf in de golven had laten vinden.Omlaag ging zij—al lager en lager.“Ik zal hem vasthouden,” zeide Beatrice in haar hart; “ik zal hem vasthouden, totdat ik sterf.” Toen kwamen er lichtgolvingen en een geluid alsof de wind door de boomen suisde—en alles werd donker.“Ik zeg je, ’t helpt niet, Eduard,” riep een man in de boot een ouden zeeman toe, die in den voorsteven voorover leunde en in de duisternis tuurde. “We zullen aanstonds regelrecht op de Tafelrots gesmeten worden en allemaal verdrinken. Laten wij maar omkeeren.”“Lafaards, die jelui bent!” zeide de oude man, zich naar de anderen in de boot toe wendende, zoodat het licht van de lantaarn op zijn gerimpeld gelaat, waar hevige ongerustheid op te lezen stond, en op zijn in den wind zwierend wit haar viel—“vervloekte lafaards! Ik zeg jelui, dat ik haar stem gehoord heb—tweemaal heb ik haar om hulp hooren roepen. Als jelui omkeert, bij God, ik sla jelui de ribben stuk wanneer ik aan land kom—zoo oud als ik ben, al zou ik er voor moeten hangen.”Dit nadrukkelijk te kennen gegeven gevoelen had een merkbare uitwerking op de bemanning van de boot—acht man in ’t geheel. Zij keerden niet om; zij lieten de boot slechts op de riemen drijven, met den voorsteven naar de zee.De oude man bleef in de duisternis turen.Hij beefde, niet van koude, maar van opgewondenheid.Eensklaps wendde hij het hoofd om en riep: “Bijdraaien—bijdraaien! Daar is iets op de golf.”De mannen gehoorzaamden gewillig, maar er was niets te zien.“Zij is weg! O, God, zij is weg!” kermde de oude man. “Nu kun jelui wel omkeeren, jongens, en de wil des Heeren geschiede!”Het licht van de lantaarn viel in een kleinen kring op het ziedende water. Eensklaps kwam er iets wits in het midden van dienverlichten cirkel te voorschijn. Eduard staarde er op. Het dreef naar boven. Het verdween—het kwam weder te voorschijn. Het was een vrouwengelaat. Met een gil stak hij zijn armen in de zee.“Ik heb haar—helpt een handje, jongens.”Een andere man schoot toe, en te zamen grepen zij het voorwerp in het water.“Pas op, trek zoo hard niet. Er is nog een ander, dien zij bij het haar heeft. Bedaard aan, bedaard aan!”Vier sterke armen haalden langzaam de bewustelooze gedaante van Beatrice over de verschansing, en tegelijk met haar haalden zij Geoffrey op, want zij had hem niet losgelaten, en te zamen werden zij in de boot gelegd.“Ik geloof dat zij dood zijn,” zeide de andere man.“Help om hen met hun gezicht over de bank te leggen, zoodat het water uit hun keel loopt. Dat is de eenige kans. Geef mij nu dat zeil aan, om hen te dekken—zoo. Gij leeft nog, Miss Beatrice, ge zijt niet dood, daar wil ik op zweren. De oude Eduard heeft u gered, en de goede God te zamen!”Intusschen was de boot omgewend en de mannen roeiden uit al hun macht naar Bryngelly terug, wetende dat er een leven bij op ’t spel stond. Allen kenden zij Beatrice en hadden haar lief, en dat bedachten zij onder het roeien. De duisternis hinderde hen weinig, want zij hadden blindelings op de kust aan kunnen sturen.Binnen vijf minuten waren zij om een kleine landtong heen, en hadden de lichten van Bryngelly vlak voor hen. Op het strand liepen menschen met lantarens heen en weer.Een gunstige golf bracht de boot half over de branding, waar een twaalftal mannen zich in het water stortten en haar voortsleepten. Zij waren veilig aan land.“Hebt ge Miss Beatrice?” riep een stem.“Ja, en wij hebben een ander ook, maar of zij nog leven, weet ik niet. Waar is de dokter?”“Hier, hier!” antwoordde een stem. “Breng de draagbaar.”Een forschgebouwd, dik man, die geluisterd had, in een donkeren mantel gehuld, wendde met een diepen zucht het gelaat af. Toen volgde hij de anderen, zonder echter hulp te bieden.De draagbaar werd gebracht, de twee drenkelingen werden er op gelegd, met het gelaat naar omlaag en bedekt.“Waarheen?” vroegen de dragers, terwijl zij de draagbaar opnamen.“Naar de pastorie,” antwoordde de dokter, “Ik heb hun daar gezegd alles in gereedheid te houden, in geval zij gevonden werd. Loop een van allen vooruit en zeg dat wij komen.”“Wie is de andere?” vroeg iemand.“Mijnheer Bingham—de advocaat, die onlangs uit Londen hier gekomen is. Laat de veldwachter naar zijn vrouw gaan. Zij is bij mevrouw Jones en denkt dat hij op zijn terugweg van de Belrots in den mist verdwaald is.”De veldwachter ging op zijn treurige boodschap uit, en de stoet zette zich snel in beweging over het strand en hetsteenenpad, waarlangs de booten naar zee gesleept worden. Het dorp Bryngelly lag rechts op eenigen afstand van de kerk, die gevaarlijk en dicht bij den kant van de rots stond. Aan de eene zijde van de kerk, gedeeltelijk tegen den zeewind beschut door een groep in hun groei belemmerde pijnboomen, was de pastorie, een laag gebouw van één verdieping, langer danvijf-en-twintigjaar bewoond door Beatrice’s vader, den WelEerwaarden Joseph Granger. De beste weg er heen, van den kant van Bryngelly, was over het kerkhof, en dien weg namen de mannen met de draagbaar nu, door de nieuwsgierige menigte gevolgd.“Wij konden hen hier wel meteen laten,” zeide een van de dragers tot een der anderen. “Ik twijfel niet of ze zijn allebei dood.”De toegesprokene beaamde dit, en de dikke man in een zwarten mantel gehuld, die bij de draagbaar liep, zuchtte weder. Eenige oogenblikken later kwamen zij door de groep pijnboomen aan de deur der pastorie. Een groep menschen stond aan de deur. Het schijnsel van een ganglantaarn viel op hen en deed hen scherp tegen de donkere lucht uitkomen. Vooraan, met een lantaarn inde hand, stond een man van ongeveer zestig jaar, met sneeuwwit haar, dat verward over zijn gerimpeld voorhoofd hing. Hij was van middelbare lengte en min of meer gebogen van houding. Hij had kleine, scherpe oogen en een harden trek om den mond. Door zijn korte, grijze bakkebaarden en zijn ruige wenkbrauwen liep nog een gele tint. Zijn gelaat had een roode, gezonde kleur, en alleen aan zijn vuile witte das en zijn kale zwarte jas was het te zien, dat hij niet was waar men hem voor gehouden zou hebben en wat hij ook in zijn hart was, namelijk een ruwe boer. Kortom, hij was Beatrice’s vader en geen boer, hoewel hij al de eigenschappen van een boer bezat, maar een predikant.Naast hem stond Elisabeth, Beatrice’s zuster, die vijf jaar ouder was dan zij. Zij was een slechte copie van Beatrice, of, juister gezegd, Beatrice was een prachteditie van Elisabeth. Beiden hadden zij bruin haar, maar dat van Elisabeth was lichter van kleur en had niet dien goudkleurigen glans. Elisabeth’s oogen waren ook grijs, maar van een koud, waterachtig grijs, als dat van een Februari-lucht. En zoo was het met elken gelaatstrek en met de uitdrukking ook. De uitdrukking van Beatrice’s gelaat was open en edel, soms in haar fierheid uitdagend. Men had haar slechts aan te zien, om te weten dat zij eigenzinnig kon zijn en in haar eigenzinnigheid kon dwalen, maar dat zij tot geen laagheid in staat was. Welk van de tien geboden zij mocht overtreden, het gebod van geen valsche getuigenis te spreken tegen zijn naaste zou het niet zijn. Dat kon ieder in haar oogen lezen. Maar in die van haar zuster was, niettegenstaande zij flauwer waren dan de hare, een zekere geslepenheid te bespeuren. Voor ’t overige had Elisabeth een bevallige gestalte, maar zij miste de bekoorlijke rondheid van vormen harer zuster, hoewel die twee zoo op elkaar geleken, dat men op een afstand de een wel voor de andere had kunnen aanzien. Men zou zich bijna kunnen verbeelden, dat de natuur een proef met Elisabeth had genomen alvorens te besluiten Beatrice voort te brengen, ten einde de juiste lijnen en evenredigheden te verkrijgen. De oudere zusterwas, in vergelijking met de andere, wat het dof, onvoltooid model van klei is tegenover het glanzig beeld van ivoor en goud.“O, mijn God! mijn God!” jammerde de oude man; “zie, zij liggen op de draagbaar. Zij zijn beiden dood. O, Beatrice! Beatrice! en van ochtend nog heb ik haar harde woorden toegevoegd.”“Wees zoo gek niet, vader,” zeide Elisabeth op scherpen toon. “Zij zijn misschien alleen maar bewusteloos.”“Ja, jou kan het niet schelen,” snauwde hij, “jij houdt niet van je zuster. Je bent jaloersch op haar. Maar ik heb haar lief, al verstaan we elkaar ook niet. Daar komen zij aan. Sta daar niet te kijken. Ga zien of de dekens gewarmd zijn en al het noodige in gereedheid is. Dokter, zeg mij, is zij dood?”“Hoe kan ik dat zeggen, voordat ik haar gezien heb?” scheepte de dokter hem ruw af, terwijl hij naar binnen ging.De pastorie van Bryngelly was een zeer eenvoudig gebouwd huis. Bij het binnenkomen bevond men zich in een gang met deuren rechts en links. Rechts was de deur van de huiskamer en links die van de eetkamer, en beide waren lang, laag en smal. Aan het einde van de gang kwam men aan een andere, die rechthoekig met den eerste door de breedte van het huis liep, met eenige deuren van slaapkamers aan de zijde het verst van den ingang af. De kamer aan het einde rechts was de slaapkamer van Beatrice en haar zuster; die daarnaast was ledig, de derde was van Granger en de vierde was de logeerkamer. Behalve nog de keuken en een slaapplaats voor de dienstbode, achter de eetkamer, was dit de geheele inrichting van het huis.In beide de voornaamste kamers was vuur aangelegd. Geoffrey werd naar de eetkamer gebracht en door den assistent van den dokter behandeld, en Beatrice naar de huiskamer waar de dokter zelf zijn zorgen aan haar wijdde. Binnen weinige oogenblikken was de kamer van allen behalve de helpers ontruimd, en begon het werk. De dokter zag naar Beatrice’s van koude ineengekrompen gestalte en naar het schuim op haar lippen. Hij lichtte een ooglid op en hield een licht voor den samengetrokken oogappel. Toen schudde hijhet hoofd en ging met allen ijver aan het werk. Wij behoeven hem in den loop van die akelige werkzaamheden, waarmede de meeste menschen wel min of meer bekend zijn, niet te volgen. Hoe hopeloos zij ook schenen, ging hij er uur op uur mee voort.Intusschen bewezen de assistent-geneeskundige en eenigen, die hem hielpen, Geoffrey Bingham denzelfden dienst, en van tijd tot tijd kwam de dokter, een schraal man van een schrander voorkomen, even zijn voorschriften geven en zien hoe de zaken stonden. Hoewel nu Geoffrey het langst in het water was geweest, was hij er verreweg het best aan toe, want toen hij zonk, was hij reeds bewusteloos, en in dien toestand vindt iemand niet zoo licht zijn dood in het water als wie ademt en spartelt en al zijn krachten tot levensbehoud inspant. Zoo kwam het dus, dat na omstreeks twintig minuten wrijven met warme doeken en het aanwenden van de kunstmatige ademhaling, Geoffrey eensklaps een vinger boog. De assistent van den dokter, een levendig jongeling, die pas zijn arts-examen gedaan had, deed een kreet van blijdschap hooren en wreef met verdubbelden ijver. Nu hoestte het voorwerp, dat hij onder zijn behandeling had, en een oogenblik later, toen de benauwdheid van het terugkeerend leven zich deed gevoelen, ontsnapte den patiënt een krachtige vloek.“’t Is in orde met hem!” kwam de assistent den dokter berichten. “Hij vloekt al mooi!”Dokter Chambers, die in de andere kamer met zijn treurige en weinig belovende taak bezig was, glimlachte droevig, en riep den assistent toe, dat hij maar met zijn behandeling moest voortgaan, wat hij dan ook uit al zijn macht deed.Allengs werden de levensgeesten weder in Geoffrey opgewekt, maar hij leed nog zware benauwdheid. Het eerste, wat hij gewaar werd, was de gedaante van een rijzige en elegante vrouw, die zich over hem heen boog en er half verlegen, half verschrikt, uitzag. Hij had nog geen besef wie dat zijn kon. Die rijzige gestalte en dat schoon, maar koel gelaat kwamen hem zoo bekend voor, en toch kon hij zich den naam niet herinneren. Niet voordatzij sprak, begreep zijn verdoofd brein dat hij zijn vrouw zag.“Wat ben ik blij dat ge weer beter zijt. Ge hebt me doodelijk verschrikt. Ik dacht dat ge verdronken waart.”“Dank u, Honoria,” zeide hij, met een flauwe stem, en meteen kermde hij, door een nieuwe vlaag van hevige benauwdheid aangetast.“Ik hoop dat niemand Effie er iets van gezegd heeft,” zeide Geoffrey een poos daarna.“Ja, het kind wilde niet naar bed gaan, omdat ge niet terug waart gekomen, en toen de veldwachter kwam, hoorde zij hem juffrouw Jones vertellen, dat ge verdronken waart, en zij kreeg het bijna op haar zenuwen. Zij moest tegengehouden worden, anders zou zij hierheen geloopen zijn.”Geoffrey’s bleek gelaat nam een uitdrukking van diepe treurigheid aan, “Hoe hebt ge het kind zulk een schrik kunnen aanjagen?” zeide hij. “Ga haar dadelijk zeggen dat ik wel ben.”“’t Was mijn schuld niet,” hernam Lady Honoria, haar welgevormde schouders ophalende, “Bovendien is er met Effie niets te beginnen. Zij gaat aan als een razende over u.”“Ga het haar, als ’t u belieft, zeggen, Honoria,” herhaalde haar echtgenoot.“O, ja, ik zal gaan,” antwoordde zij. “Het zal mij eigenlijk ook niet spijten hier van daan te zijn; ik begin een gevoel te krijgen alsof ik zelve verdronken was,” en zij zag naar de dampende doeken, en huiverde. “Adieu Geoffrey. ’t Is een ontzaglijke verlichting voor mij te weten dat ge er goed afgekomen zijt. Ik werd raar om mijn hart van de boodschap, die de veldwachter mij bracht. Ik kan u, zoo laag als ge daar ligt, geen kus geven, anders zou ik het doen. Tot weerziens, mijn lieve.”“Adieu, Honoria,” zeide haar echtgenoot, met een flauwen glimlach.De assistent-geneeskundige zag een weinig verbaasd. Hij was, wel is waar, nooit tegenwoordig geweest bij een ontmoeting tusschen man en vrouw, als een van het paar ter nauwernood aan een plotselingen dood ontkomen was; maar het kwam hem toch voor dat er iets was, wat zoo niet behoorde. De dame scheen hem toe nietin haar rol te zijn van een echtgenoote, die den Hemel dankte. Het was hem een raadsel. Misschien liet zijn gelaat daarvan iets blijken. In allen gevalle meende Lady Honoria, wie het niet aan scherpzinnigheid ontbrak, er zoo iets op te lezen.“Hij is nu behouden, niet waar?” vroeg zij. “Het zal er niet op aankomen of ik heenga?”“Neen, mevrouw,” antwoordde de assistent, “hij is, geloof ik, buiten gevaar. Gij kunt gerust heengaan.”Lady Honoria aarzelde een weinig: zij bleef in de gang staan. Toen wierp zij een blik door de deur in de kamer aan de overzijde en zag daar Beatrice’s strakke gedaante en den dokter, die zich over haar heen boog. Haar hoofd lag achterover, en haar glanzig, bruin haar, dat nu bijna droog was, hing in weelderige vlechten over den grond, terwijl haar gelaat den akeligen stempel des doods vertoonde.Lady Honoria huiverde. Dat was voor haar niet om aan te zien. “Zou het noodig zijn, dat ik van avond nog terugkwam?” vroeg zij den assistent.“Ik geloof het niet,” antwoordde hij, “tenzij gij mocht willen hooren of Miss Granger bijkomt?”“Dat hoor ik morgenochtend wel,” zeide zij, “Arm meisje! Ik kan haar toch niet helpen.”“Neen, Lady Honoria, gij kunt haar niet helpen. Zij heeft uw echtgenoot het leven gered, zegt men.”“Zij moet een moedig meisje zijn. Zou zij weer bijkomen?”De assistent schudde het hoofd.“Misschien wel. Het heeft er nu nog niet veel van.”“Arm schepsel! Zoo jong en zoo schoon! Wat heeft ze een lief gezichtje, en wat een arm!” En Lady Honoria huiverde weder en ging heen.Buiten de deur stond nog een deelnemende groep, niettegenstaande het vergevorderde uur en het slechte weer.“Dat is zijn vrouw,” zeide er een, en men maakte ruimte om haar door te laten.“Waarom blijft zij niet bij hem?” vroeg een vrouw, op hoorbaren toon. “Als hetmijnman was, zou ik een uur lang bij hem gebleven zijn om hem te omhelzen.”“Ja, je zoudt hem met je omhelzingen gesmoord hebben.” gaf iemand haar ten antwoord.Lady Honoria liep door. Opeens kwam een dik man uit de schaduw van de pijnboomen te voorschijn. Zij kon zijn gelaat niet zien, maar hij was in een wijden mantel gehuld.“Neem mij niet kwalijk,” zeide hij met de heesche stem van iemand, die met aandoeningen kampt, welke hij niet kan bedwingen, “maar gij kunt het mij zeker wel zeggen. Leeft zij nog?”“Bedoelt gij Miss Granger?” vroeg zij.“Ja, natuurlijk. Beatrice—Miss Granger.”“Zij weten het nog niet, maar zij denken—”“Ja, ja—zij denken—”“Dat zij dood is.”De man zeide geen woord meer. Hij liet het hoofd op de borst zinken, keerde zich, om en verdween weder in de schaduw van de pijnboomen.“Hoe zonderling!” dacht Lady Honoria, terwijl zij zich naar haar woning spoedde. “Die man is zeker verliefd op haar. Nu, dat verwondert mij ook niet. Ik heb nooit zulk een lief gezichtje en zoo’n arm gezien. Wat zou er van dat tooneel een schilderij te maken zijn. Zij redde Geoffrey het leven en nu is zij dood. Als hijhaarhet leven had gered, zou het mij niet verwonderd hebben. ’t Is iets uit een roman.”Men ziet hieruit dat Lady Honoria niet van zekere romaneske begrippen en kunstgevoel ontbloot was.

Het was aldus gebeurd. Midden op de zandbank is een groote rots met platte kruin—zij zal ongeveer twintig voet in ’t vierkant zijn—bij de visschers van Bryngelly bekend als de Tafelrots. Bij gewoon weer, zelfs als het vloed is, komt het water nauwelijks boven deze rots, maar bij een hooge zee wordt zij met groot geweld door de golven bespoeld. Op deze rots waren Geoffrey en Beatrice door de brekende golf geworpen. Gelukkig voor hen, was zij dicht begroeid met zeewier, zoodat hun val in zekere mate gebroken was. Geoffrey was bewusteloos van den schok; maar Beatrice, wier hand hij nog vasthield, viel op hem, en kwam er dus, behalve eenige lichte kneuzingen, ongedeerd af.

Hijgend krabbelde zij op haar knieën overeind. Het water was van de rots afgeloopen, en haar metgezel lag stil aan haar zijde. Zij bukte en riep hem in ’t oor, maar hij gaf geen antwoord, en nu wist zij dat hij dood of bewusteloos was.

Op dit oogenblik zag Beatrice iets wits in de duisternis blinken. Instinctmatig wierp zij zich voorover en greep met de eene hand het lange, taaie zeewier. De andere sloeg zij om het lichaam van den bewusteloozen man aan haar zijde en hield hem met al haar kracht vast.

Toen werden zij met schuim overstroomd. Het water lichtte haarvan de rots op, maar het zeewier hield, en toen de golf ziedend gebroken was, lagen Beatrice en de bewustelooze gedaante van Geoffrey nog naast elkander. Zij was half verstikt. Wanhopig richtte zij zich op en tuurde in de duisternis landwaarts. Hemel! daar, geen honderd meter van haar af, glinsterde een licht op het water. Het was de lantaarn van een boot, want het bewoog op en neer. Met al de kracht harer longen liet zij een hulpkreet hooren. Een oogenblik verliep, en zij meende dat haar hulpgeroep beantwoord werd maar door het geweld van den storm en de branding was zij er niet zeker van. Nu zag zij zeewaarts. Weder kwam er een schuimende golf opzetten; weder wierp zij zich voorover op de rots, greep het glibberig zeewier en sloeg haar linkerarm om den bewusteloozen Geoffrey.

De golf had hen bereikt.

O, schrik! Juist toen het ziedende water over hen heen bruiste, voelde Beatrice het zeewier loslaten. Nu werden zij door de golf meegesleept en waren den dood nabij. Maar nog hield zij Geoffrey vast. Weder gevoelde zij de lucht op haar gelaat. Zij was naar de oppervlakte geslingerd en dreef op het onstuimige water. De golf was gebroken. Nu liet zij Geoffrey even los, om haar hand omhoog te brengen, en toen hij begon te zinken greep zij hem bij het haar. Toen sloeg zij trappend haar voeten in het water uit, want zij kon zoo goed zwemmen als de beste zwemmer op de kust, en wist haar oogen open te houden. Daar, op geen zestig meter afstands, was het licht van de boot, O, indien zij dat kon bereiken! Zij spoog het zoute water uit haar mond en riep nog eens luid. Het licht scheen naderbij te komen.

Nu werd zij weder door een golf overstelpt, want met dat zware aanhangsel kon zij zich niet boven houden. Het schoot haar in de gedachten, dat zij, zelfs nu nog, zichzelve kon redden, als zij hem losliet, maar zelfs in dien doodsangst wilde zij dat niet doen. Als hij zonk, wilde zij met hem zinken.

Beter zou het geweest zijn, als zij hem zijn graf in de golven had laten vinden.

Omlaag ging zij—al lager en lager.

“Ik zal hem vasthouden,” zeide Beatrice in haar hart; “ik zal hem vasthouden, totdat ik sterf.” Toen kwamen er lichtgolvingen en een geluid alsof de wind door de boomen suisde—en alles werd donker.

“Ik zeg je, ’t helpt niet, Eduard,” riep een man in de boot een ouden zeeman toe, die in den voorsteven voorover leunde en in de duisternis tuurde. “We zullen aanstonds regelrecht op de Tafelrots gesmeten worden en allemaal verdrinken. Laten wij maar omkeeren.”

“Lafaards, die jelui bent!” zeide de oude man, zich naar de anderen in de boot toe wendende, zoodat het licht van de lantaarn op zijn gerimpeld gelaat, waar hevige ongerustheid op te lezen stond, en op zijn in den wind zwierend wit haar viel—“vervloekte lafaards! Ik zeg jelui, dat ik haar stem gehoord heb—tweemaal heb ik haar om hulp hooren roepen. Als jelui omkeert, bij God, ik sla jelui de ribben stuk wanneer ik aan land kom—zoo oud als ik ben, al zou ik er voor moeten hangen.”

Dit nadrukkelijk te kennen gegeven gevoelen had een merkbare uitwerking op de bemanning van de boot—acht man in ’t geheel. Zij keerden niet om; zij lieten de boot slechts op de riemen drijven, met den voorsteven naar de zee.

De oude man bleef in de duisternis turen.Hij beefde, niet van koude, maar van opgewondenheid.

Eensklaps wendde hij het hoofd om en riep: “Bijdraaien—bijdraaien! Daar is iets op de golf.”

De mannen gehoorzaamden gewillig, maar er was niets te zien.

“Zij is weg! O, God, zij is weg!” kermde de oude man. “Nu kun jelui wel omkeeren, jongens, en de wil des Heeren geschiede!”

Het licht van de lantaarn viel in een kleinen kring op het ziedende water. Eensklaps kwam er iets wits in het midden van dienverlichten cirkel te voorschijn. Eduard staarde er op. Het dreef naar boven. Het verdween—het kwam weder te voorschijn. Het was een vrouwengelaat. Met een gil stak hij zijn armen in de zee.

“Ik heb haar—helpt een handje, jongens.”

Een andere man schoot toe, en te zamen grepen zij het voorwerp in het water.

“Pas op, trek zoo hard niet. Er is nog een ander, dien zij bij het haar heeft. Bedaard aan, bedaard aan!”

Vier sterke armen haalden langzaam de bewustelooze gedaante van Beatrice over de verschansing, en tegelijk met haar haalden zij Geoffrey op, want zij had hem niet losgelaten, en te zamen werden zij in de boot gelegd.

“Ik geloof dat zij dood zijn,” zeide de andere man.

“Help om hen met hun gezicht over de bank te leggen, zoodat het water uit hun keel loopt. Dat is de eenige kans. Geef mij nu dat zeil aan, om hen te dekken—zoo. Gij leeft nog, Miss Beatrice, ge zijt niet dood, daar wil ik op zweren. De oude Eduard heeft u gered, en de goede God te zamen!”

Intusschen was de boot omgewend en de mannen roeiden uit al hun macht naar Bryngelly terug, wetende dat er een leven bij op ’t spel stond. Allen kenden zij Beatrice en hadden haar lief, en dat bedachten zij onder het roeien. De duisternis hinderde hen weinig, want zij hadden blindelings op de kust aan kunnen sturen.

Binnen vijf minuten waren zij om een kleine landtong heen, en hadden de lichten van Bryngelly vlak voor hen. Op het strand liepen menschen met lantarens heen en weer.

Een gunstige golf bracht de boot half over de branding, waar een twaalftal mannen zich in het water stortten en haar voortsleepten. Zij waren veilig aan land.

“Hebt ge Miss Beatrice?” riep een stem.

“Ja, en wij hebben een ander ook, maar of zij nog leven, weet ik niet. Waar is de dokter?”

“Hier, hier!” antwoordde een stem. “Breng de draagbaar.”

Een forschgebouwd, dik man, die geluisterd had, in een donkeren mantel gehuld, wendde met een diepen zucht het gelaat af. Toen volgde hij de anderen, zonder echter hulp te bieden.

De draagbaar werd gebracht, de twee drenkelingen werden er op gelegd, met het gelaat naar omlaag en bedekt.

“Waarheen?” vroegen de dragers, terwijl zij de draagbaar opnamen.

“Naar de pastorie,” antwoordde de dokter, “Ik heb hun daar gezegd alles in gereedheid te houden, in geval zij gevonden werd. Loop een van allen vooruit en zeg dat wij komen.”

“Wie is de andere?” vroeg iemand.

“Mijnheer Bingham—de advocaat, die onlangs uit Londen hier gekomen is. Laat de veldwachter naar zijn vrouw gaan. Zij is bij mevrouw Jones en denkt dat hij op zijn terugweg van de Belrots in den mist verdwaald is.”

De veldwachter ging op zijn treurige boodschap uit, en de stoet zette zich snel in beweging over het strand en hetsteenenpad, waarlangs de booten naar zee gesleept worden. Het dorp Bryngelly lag rechts op eenigen afstand van de kerk, die gevaarlijk en dicht bij den kant van de rots stond. Aan de eene zijde van de kerk, gedeeltelijk tegen den zeewind beschut door een groep in hun groei belemmerde pijnboomen, was de pastorie, een laag gebouw van één verdieping, langer danvijf-en-twintigjaar bewoond door Beatrice’s vader, den WelEerwaarden Joseph Granger. De beste weg er heen, van den kant van Bryngelly, was over het kerkhof, en dien weg namen de mannen met de draagbaar nu, door de nieuwsgierige menigte gevolgd.

“Wij konden hen hier wel meteen laten,” zeide een van de dragers tot een der anderen. “Ik twijfel niet of ze zijn allebei dood.”

De toegesprokene beaamde dit, en de dikke man in een zwarten mantel gehuld, die bij de draagbaar liep, zuchtte weder. Eenige oogenblikken later kwamen zij door de groep pijnboomen aan de deur der pastorie. Een groep menschen stond aan de deur. Het schijnsel van een ganglantaarn viel op hen en deed hen scherp tegen de donkere lucht uitkomen. Vooraan, met een lantaarn inde hand, stond een man van ongeveer zestig jaar, met sneeuwwit haar, dat verward over zijn gerimpeld voorhoofd hing. Hij was van middelbare lengte en min of meer gebogen van houding. Hij had kleine, scherpe oogen en een harden trek om den mond. Door zijn korte, grijze bakkebaarden en zijn ruige wenkbrauwen liep nog een gele tint. Zijn gelaat had een roode, gezonde kleur, en alleen aan zijn vuile witte das en zijn kale zwarte jas was het te zien, dat hij niet was waar men hem voor gehouden zou hebben en wat hij ook in zijn hart was, namelijk een ruwe boer. Kortom, hij was Beatrice’s vader en geen boer, hoewel hij al de eigenschappen van een boer bezat, maar een predikant.

Naast hem stond Elisabeth, Beatrice’s zuster, die vijf jaar ouder was dan zij. Zij was een slechte copie van Beatrice, of, juister gezegd, Beatrice was een prachteditie van Elisabeth. Beiden hadden zij bruin haar, maar dat van Elisabeth was lichter van kleur en had niet dien goudkleurigen glans. Elisabeth’s oogen waren ook grijs, maar van een koud, waterachtig grijs, als dat van een Februari-lucht. En zoo was het met elken gelaatstrek en met de uitdrukking ook. De uitdrukking van Beatrice’s gelaat was open en edel, soms in haar fierheid uitdagend. Men had haar slechts aan te zien, om te weten dat zij eigenzinnig kon zijn en in haar eigenzinnigheid kon dwalen, maar dat zij tot geen laagheid in staat was. Welk van de tien geboden zij mocht overtreden, het gebod van geen valsche getuigenis te spreken tegen zijn naaste zou het niet zijn. Dat kon ieder in haar oogen lezen. Maar in die van haar zuster was, niettegenstaande zij flauwer waren dan de hare, een zekere geslepenheid te bespeuren. Voor ’t overige had Elisabeth een bevallige gestalte, maar zij miste de bekoorlijke rondheid van vormen harer zuster, hoewel die twee zoo op elkaar geleken, dat men op een afstand de een wel voor de andere had kunnen aanzien. Men zou zich bijna kunnen verbeelden, dat de natuur een proef met Elisabeth had genomen alvorens te besluiten Beatrice voort te brengen, ten einde de juiste lijnen en evenredigheden te verkrijgen. De oudere zusterwas, in vergelijking met de andere, wat het dof, onvoltooid model van klei is tegenover het glanzig beeld van ivoor en goud.

“O, mijn God! mijn God!” jammerde de oude man; “zie, zij liggen op de draagbaar. Zij zijn beiden dood. O, Beatrice! Beatrice! en van ochtend nog heb ik haar harde woorden toegevoegd.”

“Wees zoo gek niet, vader,” zeide Elisabeth op scherpen toon. “Zij zijn misschien alleen maar bewusteloos.”

“Ja, jou kan het niet schelen,” snauwde hij, “jij houdt niet van je zuster. Je bent jaloersch op haar. Maar ik heb haar lief, al verstaan we elkaar ook niet. Daar komen zij aan. Sta daar niet te kijken. Ga zien of de dekens gewarmd zijn en al het noodige in gereedheid is. Dokter, zeg mij, is zij dood?”

“Hoe kan ik dat zeggen, voordat ik haar gezien heb?” scheepte de dokter hem ruw af, terwijl hij naar binnen ging.

De pastorie van Bryngelly was een zeer eenvoudig gebouwd huis. Bij het binnenkomen bevond men zich in een gang met deuren rechts en links. Rechts was de deur van de huiskamer en links die van de eetkamer, en beide waren lang, laag en smal. Aan het einde van de gang kwam men aan een andere, die rechthoekig met den eerste door de breedte van het huis liep, met eenige deuren van slaapkamers aan de zijde het verst van den ingang af. De kamer aan het einde rechts was de slaapkamer van Beatrice en haar zuster; die daarnaast was ledig, de derde was van Granger en de vierde was de logeerkamer. Behalve nog de keuken en een slaapplaats voor de dienstbode, achter de eetkamer, was dit de geheele inrichting van het huis.

In beide de voornaamste kamers was vuur aangelegd. Geoffrey werd naar de eetkamer gebracht en door den assistent van den dokter behandeld, en Beatrice naar de huiskamer waar de dokter zelf zijn zorgen aan haar wijdde. Binnen weinige oogenblikken was de kamer van allen behalve de helpers ontruimd, en begon het werk. De dokter zag naar Beatrice’s van koude ineengekrompen gestalte en naar het schuim op haar lippen. Hij lichtte een ooglid op en hield een licht voor den samengetrokken oogappel. Toen schudde hijhet hoofd en ging met allen ijver aan het werk. Wij behoeven hem in den loop van die akelige werkzaamheden, waarmede de meeste menschen wel min of meer bekend zijn, niet te volgen. Hoe hopeloos zij ook schenen, ging hij er uur op uur mee voort.

Intusschen bewezen de assistent-geneeskundige en eenigen, die hem hielpen, Geoffrey Bingham denzelfden dienst, en van tijd tot tijd kwam de dokter, een schraal man van een schrander voorkomen, even zijn voorschriften geven en zien hoe de zaken stonden. Hoewel nu Geoffrey het langst in het water was geweest, was hij er verreweg het best aan toe, want toen hij zonk, was hij reeds bewusteloos, en in dien toestand vindt iemand niet zoo licht zijn dood in het water als wie ademt en spartelt en al zijn krachten tot levensbehoud inspant. Zoo kwam het dus, dat na omstreeks twintig minuten wrijven met warme doeken en het aanwenden van de kunstmatige ademhaling, Geoffrey eensklaps een vinger boog. De assistent van den dokter, een levendig jongeling, die pas zijn arts-examen gedaan had, deed een kreet van blijdschap hooren en wreef met verdubbelden ijver. Nu hoestte het voorwerp, dat hij onder zijn behandeling had, en een oogenblik later, toen de benauwdheid van het terugkeerend leven zich deed gevoelen, ontsnapte den patiënt een krachtige vloek.

“’t Is in orde met hem!” kwam de assistent den dokter berichten. “Hij vloekt al mooi!”

Dokter Chambers, die in de andere kamer met zijn treurige en weinig belovende taak bezig was, glimlachte droevig, en riep den assistent toe, dat hij maar met zijn behandeling moest voortgaan, wat hij dan ook uit al zijn macht deed.

Allengs werden de levensgeesten weder in Geoffrey opgewekt, maar hij leed nog zware benauwdheid. Het eerste, wat hij gewaar werd, was de gedaante van een rijzige en elegante vrouw, die zich over hem heen boog en er half verlegen, half verschrikt, uitzag. Hij had nog geen besef wie dat zijn kon. Die rijzige gestalte en dat schoon, maar koel gelaat kwamen hem zoo bekend voor, en toch kon hij zich den naam niet herinneren. Niet voordatzij sprak, begreep zijn verdoofd brein dat hij zijn vrouw zag.

“Wat ben ik blij dat ge weer beter zijt. Ge hebt me doodelijk verschrikt. Ik dacht dat ge verdronken waart.”

“Dank u, Honoria,” zeide hij, met een flauwe stem, en meteen kermde hij, door een nieuwe vlaag van hevige benauwdheid aangetast.

“Ik hoop dat niemand Effie er iets van gezegd heeft,” zeide Geoffrey een poos daarna.

“Ja, het kind wilde niet naar bed gaan, omdat ge niet terug waart gekomen, en toen de veldwachter kwam, hoorde zij hem juffrouw Jones vertellen, dat ge verdronken waart, en zij kreeg het bijna op haar zenuwen. Zij moest tegengehouden worden, anders zou zij hierheen geloopen zijn.”

Geoffrey’s bleek gelaat nam een uitdrukking van diepe treurigheid aan, “Hoe hebt ge het kind zulk een schrik kunnen aanjagen?” zeide hij. “Ga haar dadelijk zeggen dat ik wel ben.”

“’t Was mijn schuld niet,” hernam Lady Honoria, haar welgevormde schouders ophalende, “Bovendien is er met Effie niets te beginnen. Zij gaat aan als een razende over u.”

“Ga het haar, als ’t u belieft, zeggen, Honoria,” herhaalde haar echtgenoot.

“O, ja, ik zal gaan,” antwoordde zij. “Het zal mij eigenlijk ook niet spijten hier van daan te zijn; ik begin een gevoel te krijgen alsof ik zelve verdronken was,” en zij zag naar de dampende doeken, en huiverde. “Adieu Geoffrey. ’t Is een ontzaglijke verlichting voor mij te weten dat ge er goed afgekomen zijt. Ik werd raar om mijn hart van de boodschap, die de veldwachter mij bracht. Ik kan u, zoo laag als ge daar ligt, geen kus geven, anders zou ik het doen. Tot weerziens, mijn lieve.”

“Adieu, Honoria,” zeide haar echtgenoot, met een flauwen glimlach.

De assistent-geneeskundige zag een weinig verbaasd. Hij was, wel is waar, nooit tegenwoordig geweest bij een ontmoeting tusschen man en vrouw, als een van het paar ter nauwernood aan een plotselingen dood ontkomen was; maar het kwam hem toch voor dat er iets was, wat zoo niet behoorde. De dame scheen hem toe nietin haar rol te zijn van een echtgenoote, die den Hemel dankte. Het was hem een raadsel. Misschien liet zijn gelaat daarvan iets blijken. In allen gevalle meende Lady Honoria, wie het niet aan scherpzinnigheid ontbrak, er zoo iets op te lezen.

“Hij is nu behouden, niet waar?” vroeg zij. “Het zal er niet op aankomen of ik heenga?”

“Neen, mevrouw,” antwoordde de assistent, “hij is, geloof ik, buiten gevaar. Gij kunt gerust heengaan.”

Lady Honoria aarzelde een weinig: zij bleef in de gang staan. Toen wierp zij een blik door de deur in de kamer aan de overzijde en zag daar Beatrice’s strakke gedaante en den dokter, die zich over haar heen boog. Haar hoofd lag achterover, en haar glanzig, bruin haar, dat nu bijna droog was, hing in weelderige vlechten over den grond, terwijl haar gelaat den akeligen stempel des doods vertoonde.

Lady Honoria huiverde. Dat was voor haar niet om aan te zien. “Zou het noodig zijn, dat ik van avond nog terugkwam?” vroeg zij den assistent.

“Ik geloof het niet,” antwoordde hij, “tenzij gij mocht willen hooren of Miss Granger bijkomt?”

“Dat hoor ik morgenochtend wel,” zeide zij, “Arm meisje! Ik kan haar toch niet helpen.”

“Neen, Lady Honoria, gij kunt haar niet helpen. Zij heeft uw echtgenoot het leven gered, zegt men.”

“Zij moet een moedig meisje zijn. Zou zij weer bijkomen?”

De assistent schudde het hoofd.

“Misschien wel. Het heeft er nu nog niet veel van.”

“Arm schepsel! Zoo jong en zoo schoon! Wat heeft ze een lief gezichtje, en wat een arm!” En Lady Honoria huiverde weder en ging heen.

Buiten de deur stond nog een deelnemende groep, niettegenstaande het vergevorderde uur en het slechte weer.

“Dat is zijn vrouw,” zeide er een, en men maakte ruimte om haar door te laten.

“Waarom blijft zij niet bij hem?” vroeg een vrouw, op hoorbaren toon. “Als hetmijnman was, zou ik een uur lang bij hem gebleven zijn om hem te omhelzen.”

“Ja, je zoudt hem met je omhelzingen gesmoord hebben.” gaf iemand haar ten antwoord.

Lady Honoria liep door. Opeens kwam een dik man uit de schaduw van de pijnboomen te voorschijn. Zij kon zijn gelaat niet zien, maar hij was in een wijden mantel gehuld.

“Neem mij niet kwalijk,” zeide hij met de heesche stem van iemand, die met aandoeningen kampt, welke hij niet kan bedwingen, “maar gij kunt het mij zeker wel zeggen. Leeft zij nog?”

“Bedoelt gij Miss Granger?” vroeg zij.

“Ja, natuurlijk. Beatrice—Miss Granger.”

“Zij weten het nog niet, maar zij denken—”

“Ja, ja—zij denken—”

“Dat zij dood is.”

De man zeide geen woord meer. Hij liet het hoofd op de borst zinken, keerde zich, om en verdween weder in de schaduw van de pijnboomen.

“Hoe zonderling!” dacht Lady Honoria, terwijl zij zich naar haar woning spoedde. “Die man is zeker verliefd op haar. Nu, dat verwondert mij ook niet. Ik heb nooit zulk een lief gezichtje en zoo’n arm gezien. Wat zou er van dat tooneel een schilderij te maken zijn. Zij redde Geoffrey het leven en nu is zij dood. Als hijhaarhet leven had gered, zou het mij niet verwonderd hebben. ’t Is iets uit een roman.”

Men ziet hieruit dat Lady Honoria niet van zekere romaneske begrippen en kunstgevoel ontbloot was.


Back to IndexNext