Hoofdstuk V.

Hoofdstuk V.Elisabeth is dankbaar.Geoffrey, die voor het vuur lag, pas aan den dood ontsnapt, had iets van het gesprek tusschen zijn vrouw en den assistent, die hem in het leven had teruggeroepen, opgevangen. Zij was dus dood, dat moedige, schoone, atheïstische meisje—zij was daarheen gegaan, waar de waarheid aan het licht zou komen. En zij had zijn leven gered!De assistent had zich eenige minuten verwijderd. Hij hielp in de andere kamer. Eindelijk kwam hij weer binnen.“Wat hebt gij tegen Lady Honoria gezegd?” vroeg Geoffrey, met een zwakke stem. “Hebt gij gezegd, dat Miss Granger mij gered heeft?”“Ja, mijnheer Bingham; dat heeft men mij ten minste verteld. In allen gevalle, toen men haar uit het water ophaalde, heeft men u tegelijk met haar opgehaald. Zij had u bij het haar vast.”“Groote Hemel!” kermde hij, “en mijn zwaarte moet haar naar beneden getrokken hebben. Is zij dan dood?”“Dat kunnen wij nog niet met zekerheid zeggen. Wij gelooven het wel.”“De Hemel geve, dat zij niet dood is,” zeide hij, meer bij zich zelf dan tot den ander. En overluid liet hij er op volgen: “Verlaat mij, ik ben nu weer in orde. Ga haar helpen. Maar wacht, kom mij nu en dan zeggen hoe het met haar gaat.”“Goed. Ik zal een vrouw bij u zenden, om u verder op te passen,” en hij ging heen.Inmiddels ging in de andere kamer de behandeling van de drenkeling langzaam voort. Twee uren waren verloopen, en nog gaf Beatrice geen blijk van terugkeerend bewustzijn. Het hart klopte niet, er was volstrekt geen polsslag, maar, zooals de dokter wist,er was misschien nog leven in de weefsels. Langzaam, zeer langzaam, werd het lichaam heen en weer gekeerd, zoodat het hoofd zwaaide en het lange haar nu aan deze, dan aan gene zijde viel, maar nog was er geen spoor van leven. Elk hulpmiddel van de geneeskunde, warme lucht, wrijving, kunstmatige ademhaling, electriciteit, alles werd aangewend, maar te vergeefs.Elisabeth, die er met een strak en bleek gelaat bij stond, gaf alles aan wat er noodig was. Zij hield niet veel van haar zuster; haar belangen waren met elkander in strijd, of ten minste zoo dacht zij, maar die plotselinge dood was akelig. In een hoek zat, erbarmelijk om te zien, jammerend en biddend, de oude predikant, en zijn wit haar hing over zijn oogen. Hij was een zwak, knorrig man, maar op zijn manier had hij zijn schoone en knappe dochter lief, en haar zoo te zien, was een foltering voor zijn ziel, zooals hij in geen jaren gekend had.“Zij is dood,” zei hij gestadig, “zij is dood; de wil des Heeren geschiede. Nu moet er een andere meesteres op de school zijn. Zeventig pond ’s jaars zal zij kosten—Zeventig pond ’s jaars!”“Wees bedaard, vader,” zeide Elisabeth scherp.“Ja, jij hebt goed praten dat ik bedaard moet zijn. Je bent bedaard, omdat het je niet kan schelen. Je hebt nooit veel van je zuster gehouden. Maarikheb haar liefgehad sedert zij een klein blondkopje was, en je goede moeder ook. ‘Beatrice,’ was het laatste woord, dat zij sprak.”“Wees bedaard, vader,” hernam Elisabeth op nog scherper toon. De oude man gaf geen antwoord, verzonk in een halve verdooving en wiegde zich op zijn stoel heen en weer.Intusschen werd het werk zonder tusschenpoozing voortgezet.“Het baat niet,” zeide de assistent eindelijk, terwijl hij zijn vermoeid lichaam uitrekte en het zweet van zijn voorhoofd wischte. “Zij moet dood zijn; wij zijn nu drie uur met haar bezig geweest.”“Geduld,” antwoordde de dokter. “Als het noodig is, zal ik het vier uur volhouden—of totdat ik er bij neerval,” liet hij er op volgen.Nog tien minuten verliepen. Iedereen wist, dat het een hopelooze taak was, maar toch hoopte men.“Groote Hemel!” riep de assistent opeens uit, terugdeinzende en op Beatrice’s gelaat wijzende. “Zaagt gij dat?”Elisabeth en Granger sprongen overeind, roepende: “Wat? Wat?”“Blijft zitten,” zeide de dokter, hen terug wenkende. En zich tot zijnassistentwendende, sprak hij met gedempte stem: “Ge bedoelt dat ge het rechterooglid hebt zien bewegen, Williams? Dat heb ik ook gezien. Leg de batterij aan.”Williams deed het.“Nu met volle kracht,” hernam de dokter, “’t Is nu dood of leven.”De electrische schok werd eenige seconden zonder gevolg aangebracht. Maar plotseling ging er een huivering door de leden en een hand bewoog. Het volgend oogenblik gingen de oogen open, en met een benauwde ademhaling keerde het leven in Beatrice terug. Nog tien minuten, en zij was door de poorten des doods tot de levende wereld wedergekeerd.“Laat mij sterven,” bracht zij hijgend, met een zwakke stem uit. “Ik kan het niet verdragen.O, laat mij sterven!”“Stil,” zeide de dokter; “aanstonds zijt ge beter.”Nog tien minuten verliepen, en toen zag de dokter aan haar oogen, dat Beatrice iets wilde zeggen. Hij boog zijn hoofd naar haar toe, totdat het bijna haar lippen aanraakte.“Dokter Chambers,” fluisterde zij, “is hij verdronken?”“Neen, hij is behouden; wij hebben hem bijgebracht.”Zij zuchtte. Het was een diepe zucht, half van smart, half van verlichting, Toen sprak zij weder:“Is hij aan land gespoeld?”“Neen. Gij hebt zijn leven gered. Gij hadt hem vast, toen men u uit het water haalde. Drink dit nu, en ga slapen.”Een zachte glimlach speelde over Beatrice’s gelaat, maar zij zeide niets. Toen dronk zij van den drank zooveel als zij kon, en kort daarna volgde zij ook den laatsten wenk op, en viel in slaap.Intusschen had het gerucht van die wonderbare herstelling zich buiten het huis verspreid, totdat het eindelijk ook den eenzamen man in de schaduw van de pijnboomen ter oore kwam.Niet zoodra hoorde hij het, of in de hevigste ontroering liep hij met snelle schreden naar de deur van de pastorie. Hier scheen zijn moed hem te begeven, want hij aarzelde.“Klop aan,Squire, klop aan, en vraag of het waar is,” zeide een vrouw, dezelfde, die verklaard had, dat zij haar man door haar omhelzingen in het leven teruggeroepen zou hebben.Dit gezegde scheen hem aan te moedigen, althans hij klopte aan. De deur werd geopend door Elisabeth.“Ga heen,” beet zij hem toe: “er moet stilte in huis zijn.”“Ik vraag u verschooning, Miss Granger,” zeide de bezoeker, op een allernederigsten toon. “Ik wilde alleen maar weten of het waar is dat Miss Beatrice leeft.”“Wel, zijt gij het, mijnheer Davies?” hernam Elisabeth, met schrik. “Dat kon ik niet denken. Kom binnen, en ik zal de deur dichtdoen. Zoo! Hoe lang hebt gij buiten gestaan?”“O, sedert zij hier gebracht zijn. Maar is het waar?”“Ja, ja, ’t is waar. Zij zal nu wel herstellen. En al dien tijd hebt gij in dat weer buiten gestaan. Beatrice mag zich wel gevleid gevoelen.”“Volstrekt niet. Ik vond het zoo akelig, en—ik stel zooveel belang—” en eensklaps brak hij af.“Zooveel belang in Beatrice,” zeide Elisabeth, den volzin aanvullende. “Ja, dat schijnt wel zoo,” en eensklaps, als toevallig, hield zij den blaker, dien zij in de hand hand, zoo, dat het volle schijnsel van het licht op Owen Davies’ gelaat viel. Het was een vrij dom gezicht, maar anders niet leelijk. De kleur was frisch als die van een kind, de oogen waren groot, blauw en zacht, en het golvende bruine haar was voor menige vrouw om te benijden. Ja, als niet een korte, maar volle baard daarmede in tegenspraak was geweest, zou men het eer voor het gelaat van een negentienjarig jongeling dan van een man over de dertig gehouden hebben. Tijdnoch zorg had er een enkelen trek op gegrift; het getuigde van volkomen en sterke gezondheid en had nog al den bloei der eerste jeugd. ’t Was het gelaat van een man, die wel honderd jaar kon worden en er dan nog jong zou uitzien, en de gestalte was er mede in overeenkomst.Davies bloosde tot over zijn ooren onder Elisabeth’s vorschenden blik.“Natuurlijk stel ik belang in het lot van een mijner buren,” zeide hij, op zijn langzamen bedaarden toon. “Zij is dus buiten alle gevaar?”“Ik geloof het wel,” antwoordde Elisabeth.“Goddank!” zeide hij, of liever, dat scheen hem in een zucht van verlichting te ontsnappen. “Hoe kwam het dat die heer, mijnheer Bingham, bij haar werd gevonden?”“Hoe zou ik dat weten?” gaf zij schouderophalend ten antwoord. “Beatrice heeft zijn leven gered, zij hield hem nog vast nadat zij bewusteloos was.”“’t Is verwonderlijk. Ik heb nooit zoo iets gehoord. Wat is hij voor iemand?”“Hij is een van de knapste mannen, die ik ooit gezien heb,” antwoordde Elisabeth, hem nog steeds vorschend gadeslaande.“Zoo! Maar hij is, meen ik, getrouwd, Miss Granger?”“O, ja, hij is getrouwd met de dochter van een pair—hij weet maar al te goed dat hij getrouwd is, geloof ik.”“Ik begrijp u niet, Miss Granger.”“Niet, mijnheer Davies? Gebruik dan uw oogen, als gij hen bij elkander ziet.”“Ik zou niets zien. Ik ben zoo slim niet als gij.”“Hoe zult gij van avond naar het kasteel teruggaan, mijnheer Davies? In dien wind kunt gij niet roeien, en de zee zal den straatweg overstroomd hebben.”“O, ik zal er wel komen. Ik ben toch al nat; wat meer of minder zal mij niet hinderen, en ik heb een ketting laten spannen, om te voorkomen dat iemand weggespoeld wordt. En nu moet ik weg. Goeden avond.”“Goeden avond, mijnheer Davies.” Hij aarzelde een oogenblik en zeide toen: “Zoudt gij—zoudt gij zoo goed willen zijn uw zuster te zeggen—ik bedoel, natuurlijk, als zij sterker is—dat ik naar haar ben komen vragen?”“Mij dunkt, dat gij dat zelf wel kunt doen, mijnheer Davies,” zeide Elisabeth bijna lomp. “Ik bedoel, dan zal het meer gewaardeerd worden,” en zij keerde zich om.Owen Davies waagde het niet iets meer te zeggen. Hij gevoelde, dat Elisabeth’s toon wel wat scherp was, en hij was een weinig bang voor haar. “Zij vindt zeker, dat ik niet goed genoeg ben om haar zuster oplettendheden te bewijzen,” dacht hij, terwijl hij in de duisternis en den regen heenliep. “Zij heeft gelijk—ik ben niet goed genoeg om haar schoenen te poetsen. O, God, ik dank U dat Gij haar leven gered hebt! Ik dank U!—ik dank U!” gaf hij zijn hart lucht. “Als zij gestorven was, geloof ik dat ik ook gestorven zou zijn. O, God, ik dank U!’”Het denkbeeld dat Owen Davies, Esq. van Bryngelly Castle, eigenaar van die kleine badplaats in haar opkomst en van een der grootste lei-mijnen in Wales, en een jaarlijksch inkomen van tusschen de zeven en tien duizend pond bezittende, niet goed genoeg was om de laarsjes van haar schoone zuster te poetsen, was nooit bij Elisabeth Granger opgekomen. En als het ooit bij haar opgekomen was, zou zij er om gelachen hebben, want Elisabeth had een praktisch verstand.Wat wel bij haar opkwam, toen zij de welgedane gestalte van den rijken grondbezitter in de duisternis zag verdwijnen, was een zeker gevoel van iets meer dan nieuwsgierigheid. Gesteld dat zij die huivering van terugkeerend leven niet door die blanke leden had zien gaan; gesteld dat die al kouder en kouder waren geworden, totdat eindelijk de dood zich zoo vast in dat stille hart gezeteld had, dat alle menschelijke kunde voor zijn heerschappij had moeten zwichten? Wat dan? Owen Davies beminde haar zuster; dat wist zij, en dat had zij sinds jaren geweten. Maar zou hij het mettertijd niet te boven gekomen zijn? Zou hij niet mettertijd door zijngevoel van eenzaamheid overstelpt zijn geworden en zijn hand, zoo niet zijn hart, aan een andere vrouw geschonken hebben? En zou zij, die zijn hand bezat, ook zijn hart niet kunnen winnen? En aan wie zou die hand geschonken worden—en alles wat met die hand geschonken werd? Welke vrouw zou die kluizenaar, zonder familie of vrienden, anders gekozen hebben dan haar—Elisabeth—die zooveel van hem hield als zij van iemand houden kon, wat misschien juist niet veel gezegd was, maar die in allen gevalle gaarne zijn vrouw zou willen worden? Zou dat alles niet gebeurd zijn, als zij dat ooglid niet had zien trillen, als die lichte huivering niet door haar zusters leden was gegaan? Ja, dat zou het, dat wist zij.Over dit alles dacht Elisabeth, terwijl zij in de gang stond, en een begeerig licht straalde uit haar fletse oogen en verhelderde haar bleek gelaat. Maar zij drong die gedachten terug; zij was niet zoo slecht om te wenschen dat haar zuster niet tot het leven teruggeroepen was. Zij hield slechts bespiegelingen, wat in dat geval had kunnen gebeuren, even als men eenschaakprobleemuitwerkt.Misschien ook was hetzelfde doel op een andere wijze te bereiken. Misschien kon Davies nog wel van zijn verzotheid afgebracht worden. Het was moeilijk over dien muur te klimmen, maar het zou al zeer moeilijk moeten zijn, als zij er geen middel op wist te vinden. Het kwam niet bij haar op, dat er misschien een open deur kon zijn. Zij kon het niet mogelijk achten dat een meisje Owen Davies met zijn zeven à tien duizend pond ’s jaars zou afwijzen, en nog wel een onbemiddeld meisje, in een afhankelijke positie. Bryngelly Castle met al zijn rijkdom en weelde en al zijn gemakken afwijzen? Neen, eer zou de zon in het oosten ondergaan. Het moest niet eens zoo ver komen, dat zij er toe in de gelegenheid was. Het begeerig licht verdween uit Elisabeth’s oogen; zij ging weder naar de ziekenkamer, en juist toen zij die wilde binnentreden, kwam haar vader er uit.“Wie was daar aan de deur?” vroeg hij.“Mijnheer Davies van Bryngelly Castle, vader.”“En wat kwam mijnheer Davies hier op dit uur van den avond doen? Naar Beatrice vragen?”“Ja,” antwoordde zij langzaam, “hij kwam naar Beatrice vragen, of juister gezegd, hij heeft drie uur in den regen staan wachten om te hooren of zij bijkwam.”“Drie uur in den regen gestaan,” zeide de predikant verbaasd—“al dien tijd heeftSquireDavies buiten de deur gewacht! Waarom?”“Omdat hij zoo ongerust over Beatrice was, en niet wilde binnenkomen, denk ik.”“Zoo ongerust over Beatrice—ei, zoo ongerust over Beatrice! Zou je denken, Elisabeth—hm—je weet, Beatrice ziet er goed uit—iedereen zegt dat zij schoon is—”“Daar weet ik niets van, vader,” antwoordde zij, “en of Beatrice er goed uitziet, dat hangt van den smaak af. Ik heb er mijn eigen gevoelen over. En zouden we nu niet naar bed gaan? De dokters en Betty zullen den heelen nacht bij mijnheer Bingham en Beatrice blijven.”“Ja, Elisabeth, wij zullen maar naar bed gaan, dat zal het best zijn. Wij hebben veel reden om dankbaar te zijn. Welk een genadige redding! En als Beatrice gestorven was, had het kerspel een andere meesteres op de school moeten hebben, en wij zouden het salaris kwijt zijn. Wij hebben veel reden om dankbaar te zijn, Elisabeth.”“Ja,” zeide Elisabeth zeer bedaard, “dat hebben wij.”Hoofdstuk VI.Owen Davies te huis.Met een luchtig hart liep Owen Davies huiswaarts. De regen, die hem in ’t gelaat sloeg, en het loeien van den wind verstoorden zijn gemoedsstemming in ’t minst niet. Dat waren wel onaangenaamheden,maar hij nam ze aan zooals hij het leven met al zijn ijdelheden aannam, zonder zich er het hoofd mee te breken. Er zijn karakters, waarvan dit een heerschende geestgesteldheid is. Wie met zulk een geestgesteldheid begiftigd zijn, komen reeds vroeg in hun leven tot het besluit, dat de wereld hun verstand te boven gaat. Zij doen dus ook maar geen moeite meer om haar te begrijpen, en gevolgelijk zijn zij, op hun stompzinnige wijze, tevreden en gelukkige stervelingen. Vraagstukken, waarover menschen van een sterker verstand en een onderzoekenden geest hun leven lang hun hersens vermoeien, verstoren hun kalmte niet; die laten zij eenvoudig glippen. Zij zien de sterren, zij lezen van het groote raadsel des heelals, van wereldbollen, altijd voortwentelend in het grenzenloos ruim, en zij zijn niet verbaasd. In hun kindsheid hebben zij geleerd, dat God de zon en de maan en de sterren geschapen heeft om licht op aarde te geven; dat is hun genoeg. En zoo is het met alles. Armoede en lijden, oorlog, pestilentie, de ongelijke lotsbedeeling, waanzin, leven en dood, en de geestelijke wonderen, die van alle kanten ons bestaan omringen, zijn zaken, die niet onderzocht, maar aangenomen moeten worden. Dus nemen zij ze aan, zooals zij hun middagmaal of een winkelierscirculaire aannemen.In sommige gevallen spruit zulk een geestgesteldheid voort uit eenvoudige en diepe godsdienstige overtuiging, en soms ook uit een overwicht van gezond dierlijk instinct op het hoogere en lastiger geestelijk element. De os, die in de frissche weide herkauwt, denkt over geen verleden of toekomst, en de zeemeeuw, die als een sneeuwvlokje tegen de ondergaande zon uitkomt, weet niets van den luister van lucht en zee. Ook de wilde bekommert zich even weinig over het scheppingsplan. Het begin is zijn eigen geboorte en het einde is dat hij overgaat in het Onbekende, en voor ’t overige zijn er runderen en vrouwen, en vijanden om te overwinnen. Maar ossen en zeemeeuwen hebben, zoover wij weten, geen last van een geestelijk element, en in den wilde wordt zoo iets niet aangekweekt.Maarmisschienontstaat deze gesteldheid, zoo noodzakelijk voor een kalmen vorm van geluk, meestal uit een vereeniging van physieke en godsdienstige ontwikkeling. Zoo tenminste was het met den rijken man, die daar in den wind en den regen voortzwoegde. Hij was zoowel van aard als door opvoeding een man van even eenvoudige en sterke godsdienstige beginselen, als hij van een benijdenswaardig sterk, gezond en kalm lichaamsgestel was. Nu zal men misschien wel zeggen, dat het met tienduizend pond ’s jaars niet moeilijk is godsdienstig en kalm te zijn, maar Owen Davies had zich niet altijd in het genot van tienduizend pond ’s jaars en het bezit van een der fraaiste en meeste romantische buitenverblijven in Wales kunnen verheugen. Van zijn zeventiende jaar af, toen hij door den dood zijner moeder ouderloos was geworden, totdat hij den dertigjarigen leeftijd had bereikt, een jaar of zes voor het begin van dit verhaal, had hij een zoo hard leven gehad als het lot iemand maar kan toebedeelen. Men heeft misschien weleens gehoord van koopvaardijbrikken, die tusschen Engeland en West-Indië varen, en kolen uit- en suiker invoeren.Aan boord van een van die schepen werkte Owen Davies dertien jaar lang. Hij deed zijn werk goed, maar hij maakte zich geen vrienden en bleef altijd dezelfde beschroomde, stille en vrome man. Toen stierf er plotseling een oom van hem zonder testament, en hij zag zich erfgenaam van Bryngelly Castle met al zijn inkomsten. Hij had dien oom nooit gezien, en nooit gedroomd, dat die groote bezitting op hem zou overgaan. Maar hij nam het goede aan zooals hij het kwade had aangenomen en zeide niets. De eenige menschen, die hem kenden, waren zijn scheepskameraden, en ook van hen kon het nauwelijks gezegd worden, dat zij hem kenden. Zij kenden hem van gezicht, zij kenden het geluid van zijn stem en zijn manier van zijn werk te doen. Zij wisten ook, hoewel hij nooit over godsdienst sprak, dat hij elken avond een hoofdstuk uit den Bijbel las, en zoo dikwijls zij een haven aandeden, naar de kerk ging. Maar van zijn innerlijk karakter wisten zij niets. Dit belette echter niet, dat zij voorspelden dat Davies een“slimmerd” was, die, nu hij “de moppen” had, ook wel den “banjer zou uithangen.”Maar Davies was er de man niet naar om “den banjer uit te hangen.” Het nieuws van het geluk, dat hem ten deel was gevallen, vernam hij juist, toen de brik, waarmee hij als eerste stuurman onder zeil zou gaan, haar lading voor West-Indië innam.Hij had zijn contract voor de reis geteekend, en tot verbazing van den zaakwaarnemer, die de bezitting administreerde, verklaarde hij, dat hij zich er aan houden zou. Te vergeefs zocht de man van zaken zijn cliënt te beduiden dat hij door middel van eencheckvan£100 de zaak in tien minuten voor hem kon afmaken. Davies antwoordde slechts, dat de bezitting kon wachten, en dat hij de reis zou doen en dan stil gaan leven. De zaakwaarnemer sloeg de handen in de lucht en bedacht toen opeens, dat er inWest-Indiëzoowel vrouwen zijn als in andere wereldstreken. Zijn zonderlinge cliënt had zeker een doel met zijn reis. Maar hij had het totaal mis. Owen Davies had nooit in zijn leven een teeder woord met een vrouw gewisseld; hij was een man vanroutine, en een deel van zijnroutinewas, zich aan de letter van een eenmaal gesloten overeenkomst te houden. Dat was het eenige.Als laatste toevlucht deed de zaakwaarnemer het voorstel, dat Davies een testament zou maken.“Dat acht ik niet noodig,” was het langzaam en afgemeten antwoord. “De bezitting is bij toeval aan mij gekomen. Als ik sterf, kan zij even goed bij toeval op een ander overgaan.”De zaakwaarnemer zette groote oogen op. “Goed,” zeide hij; “’t is tegen mijn raad, maar gij moet doen wat gij zelf verkiest. Hebt gij ook wat geld noodig?”Owen dacht een oogenblik na.“Ja,” zeide hij, “ik zou wel tien pond willen hebben. Er wordt daar een kerk gebouwd, en daar zou ik wel voor willen inteekenen.”De zaakwaarnemer gaf hem de tien pond, zonder een woord te zeggen; hij was verstomd, en in dien toestand bleef hij totdat dedeur achter zijn cliënt dicht was. Toen sprong hij overeind met den enkelen uitroep:“Gek, gek! even als zijn oudoom!”Maar Owen Davies was volstrekt niet gek, ten minste toen niet; hij was alleen maar een slaaf der gewoonte. Toen hij aan zijn contract voldaan had, bracht hij zijn brik veilig uitWest-Indiëin de vaderlandsche haven terug (want de kapitein was in een storm verdronken). Toen nam hij een plaatskaartje tweede klasse naar Bryngelly, waar hij nog nooit in zijn leven geweest was, en vroeg den weg naar het kasteel. Men zeide hem, dat hij naar de zeekust moest gaan en dat hij het dan zien zou. Dat deed hij, hij liet zijn zeekist achter, en daar, omstreeks twee honderd passen van het land af en op een eenzame rotshoogte gebouwd, zag hij een groot middeleeuwsch versterkt gebouw, met hooge torens en door den gloed der ondergaande zon beschenen. Met verbazing staarde hij er op. Kon het zijn, dat die sterkte hem toebehoorde, en zoo ja, hoe ter wereld kwam men er dan? Een poos liep hij verbaasd heen en weer, te beschroomd om in het dorp inlichtingen te vragen. Intusschen, hoewel door hem niet opgemerkt, zat op een bank, aan den voet van een rots, een slank, bevallig meisje, naar gissing van vijftienjarigen leeftijd, dat hem met haar groote grijze oogen lachend gadesloeg. Eindelijk stond zij op, en met de vrijmoedige vertrouwelijkheid aan haar leeftijd eigen, kwam zij recht op hem af.“Wilt gij het kasteel zien, mijnheer?” vroeg zij met een zachte, welluidende stem, waarvan Owen Davies de klank nimmer vergat.“Ja—o, neem mij niet kwalijk,” toen hij zag, dat hij tot een jonge dame sprak.“Dan vrees ik dat gij te laat komt—juffrouw Thomas laat na vier uur niemand meer het kasteel zien. Zij is daar de huishoudster, moet gij weten.”“O, zoo—maar ik kom eigenlijk niet om het kasteel te zien. Ik kom om er te wonen. Ik ben Owen Davies, en het is aan mij vermaakt.”Beatrice, want niemand anders dan zij was het, beschouwde hemmet verbazing. Dat was dus de geheimzinnige zeeman, over wien in Bryngelly zooveel gesproken was.“O,” zeide zij, met een vrijmoedigheid, die hem verlegen maakte, “wat is dat een rare manier om thuis te komen! ’t Is hoog getij, en gij zult een boot moeten nemen. Ik zal u wijzen waar gij er een vinden kunt. De oude Eduard zal u voor eensixpenceoverroeien,” en zij ging hem voor naar een plaats op het strand, waar de oude Eduard van den vroegen ochtend tot den avond in zijn boot zat te wachten op iemand, die overgeroeid wilde worden.“Eduard,” zeide de jonge dame, “hier is de nieuwe eigenaar van het kasteel, mijnheer Owen Davies, die er heen geroeid wil worden.” Eduard, een echt type van een oud zeeman, met kleine oogen en een verweerd gelaat, dat aan een van die rare gezichten deed denken, die men wel op knoppen van wandelstokken ziet, zag haar met verbazing aan, en zeide, met een wantrouwenden blik op fluisterenden toon:“Heeft hij papieren bij zich, die bewijzen dat hij is, voor wien hij zich uitgeeft?”“Dat weet ik niet,” antwoordde zij lachend. “Hij zegt dat hij mijnheer Owen Davies is.”“Welnu, misschien is hij het, en misschien is hij het niet; in allen gevalle gaat het mij niet aan, en eensixpenceis eensixpence.”Dit alles hoorde de ongelukkige Davies, en het bracht hem juist niet meer op zijn gemak.“Kom, mijnheer, als gij maar wilt,” zeide Eduard, terwijl hij zijn boot naar de branding trok. Een visioen van juffrouw Thomas schoot Owen voor den geest. Als de schipper hem niet geloofde, wat had hij dan voor kans bij de huishoudster? Hij had wel gewenscht, dat hij den zaakwaarnemer medegebracht had, en toen wenschte hij dat hij maar weer op de brik was.“Kom mijnheer,” herhaalde Eduard, op strengen toon, zijn aarzeling aan het schuldbesef van een bedrieger toeschrijvende.“Hm!” zeide Owen tot de jonge dame. “Ik vraag u wel verschooning.Ik weet uw naam niet eens, en ik heb zeker geen recht om het te vragen, maar zoudt gij er tegen hebben met mij mee te roeien? Het zou zoo vriendelijk van u zijn; gij zoudt mij aan de huishoudster kunnen voorstellen.”Weder lachte Beatrice met meisjesachtige vroolijkheid; zij was te jong om er iets onbehoorlijks in te zien, en dat was er dan eigenlijk ook niet in. Maar zij vond het grappig, en een niet onnatuurlijke nieuwsgierigheid was bij haar gewekt om te zien, hoe het zou afloopen.“O, jawel,” antwoordde zij, “ik zal meegaan.”De boot werd afgestooten, en weldra waren zij aan de steenen kaai van de haven bij het kasteel, in den omtrek waarvan allengs een klein dorp van pachtersontstaanwas. Eenige van die lieden waren, toen zij de boot zagen aankomen, hun hutten uitgedrenteld, en meenende dat een bezoeker, onder leiding van Miss Beatrice de oudheden van het kasteel kwam bezichtigen, waren zij weer teruggedrenteld. Nu begon het paar langs een slingerpad de rotshoogte te beklimmen, totdat zij eindelijk voor het gebouw stonden, dat, hoe oud ook, toch geenszins van de gemakken der hedendaagsche beschaving verstoken was, want het water werd er bij voorbeeld aangebracht door buizen, onder de zee door gelegd, van een bergtop op twee mijlen afstands op het vasteland.“Is dat hier geen mooi gezicht?” zeide Beatrice, naar de uitgestrektheid land en zee wijzende. “Ik geloof, mijnheer Davies, dat gij de mooiste woonplaats op de heele wereld hebt. Uw oudoom, die hier een jaar geleden gestorven is, heeft meer dan vijftigduizend pond aan reparatiën besteed, zegt men. Hij heeft de groote gezelschapszaal, daar waar de steenen een weinig lichter van kleur zijn, laten aanbouwen; die is vijf-en-vijftig voet lang. Denk eens, vijftig duizend pond!”“’t Is een groote som,” zeide Owen, in zijn hart denkende wat ter wereld hij toch met dat middeleeuwsch kasteel en zijn gezelschapszaal van vijf-en-vijftig voet lang moest beginnen.“Het schijnt niet veel indruk op hem te maken,” dachtBeatrice,terwijl zij aan de schel van de achterdeur trok, “hij is zeker dom. Hij ziet er dom uit.”De deur werd geopend door een oude vrouw van een driftig voorkomen, met een schelle stem.“Juffrouw Thomas,” dacht Owen; “zij is nog erger dan ik verwacht had.”“Ga alsjeblieft weer heen,” begon de geduchte huishoudster op haar schelsten toon, “’t is te laat om het kasteel te laten zien. Wel, Miss Beatrice, zijt gij het, met een vreemden man! Wat komt gij doen?”Beatrice zag haar metgezel aan, als een wenk dat hij de reden van zijn komst verklaren zou, maar hij zeide niets.“Dat is de nieuwe eigenaar van het kasteel,” zeide zij, niet zonder zekere trotschheid. “Ik vond hem aan het strand omdwalen. Hij wist niet hoe hij hier zou komen, daarom heb ik hem hier gebracht.”“Mijn Hemel, Miss Beatrice, hoe weet gij dat hij dat is?” riep juffrouw Thomas uit. “Hij kan wel een inbreker zijn.”“O, neen, dat is hij zeker niet,” antwoordde Beatrice, en bij zichzelve zeide zij: “Daar is hij niet slim genoeg voor.”Nu volgde er een lange beraadslaging. Juffrouw Thomas weigerde stijf en sterk den vreemdeling binnen te laten zonder bewijzen van zijn identiteit, en Beatrice, die partij voor hem trok, drong even sterk op zijn aanspraken aan. Wat de wettige eigenaar zelven betrof, die wendde nu en dan zwakke pogingen aan, om te bewijzen dat hij zichzelf was, maar juffrouw Thomas bleef onverbiddelijk. Er was niets aan te doen.“Ga maar liever naar het logement terug, mijnheer,” zeide juffrouw Thomas, met scherpe spotternij, “en kom morgen met uw bagage en bewijzen.”“Hebt gij geen brieven bij u?” opperde Beatrice, als een laatst hulpmiddel.Toevallig had Owen een brief van den zaakwaarnemer aan hem over de bezitting, en waarin de naam van juffrouw Thomas alshuishoudster op het kasteel genoemd werd. Daar had hij niet aan gedacht, maar nu werd de brief te voorschijn gehaald en door Beatrice voorgelezen. Juffrouw Thomas nam dien brief aan, en na hem oplettend door haar bril met hoornen montuur wantrouwend bekeken te hebben, was zij wel genoodzaakt de echtheid er van te erkennen.“Ik vraag u wel verschooning, mijnheer,” zeide zij, met half twijfelachtige beleefdheid en juist niet veel tact, “maar men kan niet tevoorzichtigzijn, met al die landloopers, die hier omzwerven. Naar uw uiterlijk te oordeelen, mijnheer, zou ik niet gezegd hebben dat gij de eigenaar waart.”Dit mocht oprecht zijn, maar vleiend was het niet, en op echte schoolmeisjesmanier, kon Beatrice niet nalaten er achter haar zakdoek om te giegelen. Intusschen gingen zij naar binnen en werden door juffrouw Thomas plechtig door groote en kleine portalen al de kamers, de met eikenhouten beschoten boekerij en de groote gezelschapszaal rondgeleid, in welke laatstgenoemde de witte hoofden van marmeren beelden spookachtig uit de bruin linnen zakken, waarin zij gehuld waren, staken.Eindelijk kwamen zij aan een kleine, langwerpige kamer, die op het zuiden lag, en van waar men een heerlijk uitzicht op land en zee had. Die kamer werd hetboudoirgenoemd en grensde aan een andere, van omstreeks dezelfde grootte, die in den tijd van den vroegeren eigenaar als rookkamer gebruikt werd.“Als gij er niets tegen hebt, juffrouw,” zeide de eigenaar van al die pracht, “zou ik hier wel willen blijven; ik ben vermoeid van het loopen.” En hier bleef hij ook vele jaren. Het overige van het kasteel werd gesloten: hij kwam er bijna nooit, dan alleen om te zien of de kamers behoorlijk gelucht werden, want hij was een geregeld man.Beatrice ging, nog bij zichzelve lachend, naar huis, waar Elisabeth haar streng de les las over haar “ongepaste vrijmoedigheid.” Maar Owen Davies vergat nooit de dankbaarheid, die hij haar verschuldigd was. In zijn hart gevoelde hij zich overtuigd dat, als zij er niet bij was geweest, hij voor juffrouw Thomas de vlucht zougenomen hebben, om nooit terug te komen. Het geval was echter, dat hij, hoe jong Beatrice ook was, op staanden voet verliefd op haar was geworden, en dat die verliefdheid met het verloopen der jaren al dieper en dieper wortel had geschoten. Hij sprak er nooit van, hij liet nauwelijks van zijn hopeloozen toestand iets blijken, hoewel Beatrice er, natuurlijk, wel iets van vermoedde, toen zij tot jaren van onderscheid was gekomen. Maar in het hart van den eenzamen Owen was een sterke, alles overheerschende begeerte ontstaan om dat meisje met haar grijze oogen tot zijn vrouw te hebben. Hij berekende den tijd naar de tusschenpoozen dat hij haar zag. Die twee jaren, die zij in het opleidings-instituut doorbracht, waren het ongelukkigste tijdperk van zijn leven. Hij was een zeer lijdelijk minnaar, ten minste dreef zijn toenemende liefde hem niet tot uitersten. Tot een liefdesverklaring kon hij maar niet besluiten. Den beker had hij in zijn hand, maar hij waagde het niet de teerling te werpen.Hij zocht echter zooveel haar bijzijn als hij durfde. Eens gaf hij Beatrice een bloem—toen was zij zeventien jaar—en op een plompe wijze gaf hij daarbij de hoop te kennen, dat zij die om zijnentwil zou dragen. Dat gezegde was niet veel, en de bloem was ook niet veel, maar er was een uitdrukking in zijn blik en in den toon zijner stem, die het scherpzinnig meisje genoeg zeide. Daarna bemerkte hij dat zij hem vermeed, en bitter betreurde hij zijn stoutmoedigheid. Want Beatrice hield niet van hem op die wijze zooals hij het wenschte. Voor een meisje van haar stempel beteekende zijn rijkdom niets. Zij begeerde geen rijkdom, zij begeerde onafhankelijkheid, en was verstandig genoeg om wel te weten dat een huwelijk met zulk een man haar die niet zou aanbrengen. Een kooi blijft altijd een kooi, of de tralies van ijzer of van goud zijn. Hij verveelde haar, en zij verachtte hem, om zijn gebrek aan schranderheid en ondernemingszucht. Dat een man met al dien rijkdom en zooveel gelegenheid om zich te onderscheiden, op zulk een wijze zijn leven doorbracht, vond zij onverdragelijk. Als zij maar half zooveel kans had, zou zij haar naamvan het eene einde van Europa tot het andere doen weergalmen. Kortom, Beatrice verachtte Owen even diep als hij bij Elisabeth, uit een ander gezichtspunt beschouwd, in hooge achting stond. En nooit zou Beatrice willen trouwen met een man, dien zij verachtte. Daarvoor bezat zij te veel gevoel van eigenwaarde.Owen Davies zag dit alles met verdriet, en op zijn manier zocht hij naar een middel tot toenadering. Hij had opgemerkt, dat Beatrice hartstochtelijk veel van degelijke lectuur hield, en ook dat zij de middelen niet bezat om zich de noodige boeken aan te schaffen. Dus zette hij zijn bibliotheek voor haar open; het was een der beste in Wales. Hij deed nog meer: hij gaf een Londensch boekverkooper order, hem elk nieuw boek van beteekenis, dat in zekere soort van litteratuur in ’t licht verscheen, te zenden, en al die boeken stelde hij tot haar beschikking, na eerst eigenhandig, de bladen opengesneden te hebben. Dit was een lokaas, dat Beatrice niet kon weerstaan. Al vermeed zij Davies, ja, al verfoeide zij hem ook, op zijn boeken was zij zeer gesteld, en als zij in onmin met hem was, zou haar bron van kennis opdrogen, want er waren te Bryngelly geen leesbibliotheken. Dus bleef zij op een goeden voet met hem, en glimlachte zelfs, als hij vruchtelooze pogingen deed om haar in haar studie bij te houden. Die arme man! lezen was zijn zaak niet; bladen opensnijden kon hij beter. Hij las deTimesen zekere godsdienstige boeken, dat was alles. Maar hij worstelde dapper door menig verfoeid boekdeel heen, om in staat te zijn er tegen Beatrice iets van te zeggen; en het ergste er van was dat Beatrice dit altijd doorzag, en het hem liet blijken ook. Dat was misschien niet vriendelijk, maar de jeugd is soms wreed.En zoo verliep jaar op jaar, totdat Beatrice eindelijk wist dat er een crisis ophanden was. Zelfs de traagste en beschroomdste minnaar moet er eindelijk voor uitkomen, als hij het ernstig meent, en Owen Davies meende het zeer ernstig. Onlangs was hij, tot haar schrik, zoo ver uit zijn schelp gekomen, dat hij zich tot lid van de schoolcommissie had laten benoemen. Zij wist, natuurlijk, datdit alleen was om meer gelegenheden te hebben haar te zien. Als lid van de schoolcommissie kon hij de school, waar zij onderwijs gaf, zoo dikwijls bezoeken als hij verkoos, en al spoedig stelde hij dan ook het levendigst belang in de opvoeding der dorpsjeugd. Tweemaal in de week kwam hij binnenloopen, juist als de school uitging, en dan bood hij aan haar thuis te brengen, om eengunstigegelegenheid voor zijn aanzoek te hebben. Tot dusverre had zij dit laatste nog altijd weten af te wenden, maar zij wist dat het er toe komen moest.Niet dat zij bevreesd voor den man zelf was, daartoe washijte bevreesd voorhaar. Wat zij vreesde, was de uitbarsting van toorn van haar vader en haar zuster, als zij hoorden dat zij Owen Davies had afgewezen. Het kwam volstrekt niet bij haar op, dat Elisabeth weleens haar eigen kaart zou kunnen spelen.Uit dit alles zal duidelijk blijken, als het niet reeds gebleken is, dat Beatrice Granger een vrij eigenzinnige jonge dame was, geboren om zichzelve en allen, die met haar in betrekking stonden, last aan te doen. Als het anders geweest was, zou zij haar geluk niet vergooid hebben en met Owen Davies getrouwd zijn, in welk geval haar geschiedenis niet geschreven had behoeven te worden.Hoofdstuk VII.Een echtelijk praatje.Voordat Geoffrey Bingham, op dien gewichtigen avond van den storm, in een onrustigen slaap viel, vernam hij dat het meisje, dat zijn leven had gered, bijna ten koste van het hare, buiten gevaar was, en op zijn meer bedaarde wijze dankte hij de Voorzienigheid even innig als Owen Davies het gedaan had. Daarna ging hij slapen.Toen hij, met een pijnlijk gevoel en zoo stijf dat hij zich nauwelijks kon verroeren, ontwaakte, scheen het heldere daglicht reeds door de blinden. Het was volkomen stil in de kamer, want de assistent van den dokter, die hem tot het leven had teruggeroepen en op een sofa aan het andere einde van de kamer lag, sliep den rustigen slaap der jeugd en totale uitgeputheid. Alleen een pendule op den schoorsteenmantel tikte eentonig, met dien plechtigen indruk, welken pendules in de stilte op ons maken. Geoffrey spande zijn oogen in, om te zien hoe laat het was, en ontdekte dat het eenige minuten vóór zessen was. Toen begon hij er over te denken hoe het met Miss Granger zou zijn, en zich elk tooneel van hun avontuur voor den geest te halen, tot het laatste, toen zij uit het bootje geslingerd en door die schuimende golf verzwolgen werden.Daarna herinnerde hij zich niets anders dan een ruischend geluid en een visioen van schuim. Hij huiverde een weinig als hij er aan dacht, want zijn zenuwen waren geschokt; ’t is niet aangenaam zoo dicht bij het einde en het begin geweest te zijn; en met hernieuwde dankbaarheid trok zijn hart naar het meisje, dat hem aan het leven en licht en hoop had teruggegeven. Juist op dit oogenblik meende hij een snikkend geluid buiten het venster te hooren. Hij luisterde; het geluid hield aan. Hij beproefde op te staan, maar daar was hij te stijf toe. Dus riep hij, als laatste toevlucht, den assistent.“Wat scheelt er aan?” zeide de jongeling, met de vlugheid van iemand, die gewoon is plotseling gewekt te worden, overeind springende. “Gevoelt ge u niet goed?”“Dat is het niet,” antwoordde Geoffrey. “Er staat buiten iemand te weenen.”De jonge dokter trok zijn jas aan, trad naar het venster en trok de blinden open.“Ja, zoo is ’t,” zeide hij. “Het is een klein meisje, met blond haar en zonder hoed.”“Een klein meisje?” hernam Geoffrey. “Dat moet Effie, mijn dochtertje, zijn. Laat haar, als ’t u belieft, binnen.”“Goed. Dek u dicht, dan kan ik het door het venster doen; het is geen vijf voet van den grond.” Derhalve deed hij het venster open, en vroeg het kleine meisje hoe zij heette.“Effie,” antwoordde zij snikkend, “Effie Bingham. Ik kom naar paatje zien.”“Goed, liefje, huil maar niet zoo; uw paatje is hier. Kom, laat mij u binnen tillen.”Nog een oogenblik, en door het open venster vertoonde zich het liefste gezichtje, waarmede een kind van zes jaar begiftigd kon zijn. Want dat gezichtje was rooskleurig en wit, en de donkere oogen leverden een allerbevalligst contrast op met het blonde haar. Maar, ach, nu waren de wangen met tranen bezoedeld, en om de donkere oogen waren bijna even donkere kringen. Dat was alles nog niet. Haar jurkje was scheef vastgehaakt, aan het eene voetje, doornat van den dauw, was geen laarsje en op het blonde krulkopje geen hoed.“O, paatje, paatje!” riep het kind, zoodra zij hem zag, en zich losworstelende om in zijn armen te snellen, “u is niet dood, is u wel, paatje?”“Neen, mijn lieve, neen,” antwoordde haar vader, haar kussende. “Waarom dacht je dat ik dood was? Heeft je moeder je niet gezegd dat ik in veiligheid ben?”“O, paatje,” antwoordde zij, “ze zeiden dat u verdronken was, en ik huilde en wou dat ik ook verdronken was. Toen kwam moeder eindelijk thuis, en ze zei dat u beter was, en ze was boos op me, omdat ik nog huilde en naar u toe wilde. Maar ik bleef toch huilen. Ik heb den heelen nacht gehuild, en toen het licht werd, heb ik mij zelf aangekleed, maar mijn hoed en mijn éénen schoen kon ik niet vinden, en ik ben het huis uitgeloopen, om u te zoeken.”“En hoe heb je mij gevonden, mijn arm, lief kind?”“O, ik hoorde moeder zeggen dat u in de pastorie was; dus wachtte ik totdat ik een man zag, en vroeg hem wat voor weg ik op moest, en hij zei me dat ik langs de rots moest gaan totdat ikeen lang, wit huis zag, en toen hij zag dat ik maar één schoen aanhad, wilde hij mij naar huis brengen, maar ik liep hard weg, totdat ik hier kwam. Maar de luiken waren dicht, dus dacht ik dat u dood was, lieve paatje, en ik huilde totdat die heer het venster opendeed.”Daarna begon Geoffrey haar te berispen dat zij weggeloopen was, maar dat scheen zij zich niet zwaar aan te trekken, want zij zat op den rand van het bed, met haar handjes op de zijne, allerliefst om te zien.“Je moet weer naar huis gaan, Effie, en moeder zeggen waar je geweest bent.”“Dat kan ik niet, paatje, ik heb maar één schoen aan,” antwoordde zij pruilend.“Maar je bent toch op één schoen gekomen.”“Ja, paatje, maar ik wou graag komen, en ik wil niet graag weer naar huis gaan.Vertel mij hoe u verdronken is.”Hij lachte om haar logica en gaf haar toe, want dat dochtertje lag hem na aan het hart, nader dan iets anders op de wereld. Dus vertelde hij haar hoe hij “verdronken” was en hoe een dame hem het leven had gered.Effie luisterde met wijdgeopende oogen, en zeide, dat zij die dame graag zou willen zien, wat later ook gebeurde. Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt, en Granger, vergezeld van den dokter, trad binnen.“Hoe gaat het, mijnheer?” zeide eerstgenoemde. “Ik moet mij aan u voorstellen, want gij weet waarschijnlijk niet wie ik ben. Toen ik u het laatst zag, zaagt gij er uit alsof gij zoo dood waart als een haai op het strand. Ik ben Granger, dominé Granger, de predikant van Bryngelly, een van de slechtste predikantsplaatsen hier op de kust, en dat zegt veel.”“Ik ben u veel dankbaarheid verschuldigd voor uw gastvrijheid, mijnheer Granger, en uw dochter nog meer, maar ik hoop haar persoonlijk te danken.”“Spreek er niet van,” zeide de predikant. “Warm wateren het warmen van dekens kost niet veel, en denbrandyen den dokter zult gij zelf moeten betalen. Hoe is ’t met hem, dokter?”“Het gaat heel goed met hem, mijnheer Granger. Maar gij zult u wel stijf gevoelen, mijnheer Bingham. Ik zie dat gij leelijke builen aan ’t hoofd hebt.”“Ja,” antwoordde hij lachend, “en mijn lichaam is ook bont en blauw. Zou ik in staat zijn vandaag naar huis te gaan?”“Ik geloof het wel,” antwoordde de dokter, “maar niet vóór van avond. Tot zoo lang doet gij beter u rustig te houden. Het zal u genoegen doen dat het met Miss Beatrice goed gaat. Dat is de wonderdadigste herstelling, die ik ooit gezien heb. Ik had haar al opgegeven, hoewel ik de behandeling toch nog een uur volgehouden zou hebben. Ge moogt Miss Beatrice wel dankbaar zijn. Zonder haar zoudt gij hier niet geweest zijn.”“Ik ben haar ten hoogste dankbaar,” antwoordde hij ernstig. “Kan ik haar vandaag nog zien?”“Ja, ik geloof het wel, na den middag, zeggen wij om drie uur. Is dat uw dochtertje? Een lief kind. Nu, tegen twaalf uur kom ik nog eens naar u zien. Het eenige, wat gij nu noodig hebt, is uw rust te houden en inwrijving metarnica.”Een uur later bracht de dienstmaagd Geoffrey een ontbijt van thee en geroosterd brood. Hij had honger, maar toen het er op aankwam, kon hij niet veel eten. Aan Effie was het echter beter besteed; zij at al het geroosterd brood op en nog een paar boterhammetjes toe. Nauwelijks had zij gedaan, of haar vader bespeurde een zweem van ongerustheid op haar gezichtje.“Wat is ’t, Effie?” vroeg hij.“Ik geloof,” antwoordde Effie, met merkbaren schrik, “dat ik moeder en Anne ook buiten hoor.”“Welnu, die komen om naar mij te zien.”“Ja, en om mij te beknorren omdat ik ben weggeloopen,” en het kind schoof dichter naar haar vader toe, op een wijze, die het voor ieder toeschouwer duidelijk gemaakt zou hebben, dat debetrekking tusschen haar en haar moeder eenigszins gespannen was.Effie had gelijk. Het duurde niet lang of er werd aan de deur geklopt, en Lady Honoria trad binnen, zoo bedaard en bleek en elegant als ooit. Zij werd gevolgd door een Franschebonne, met een paar brutale zwarte oogen, die, zoodra zij zich in de deur vertoonde, haar handen omhoog sloeg, met den uitroep: “Mon Dieu!”“Ik dacht het wel,” zeide Lady Honoria, debonnein het Fransch toesprekende. “Daar is zij,” en zij wees met haar parasol naar de weggeloopen Effie.“Mon Dieu!” zeide de vrouw weder. “Vous voilà enfin, et moi qui suis accablée de peur, et votre chère mère aussi; oh, mais que c’est méchant; et regardez donc, avec un souli seulement. Mais c’est affreux!”“Zwijg,” zeide Geoffrey scherp, “Laat de jongejuffrouw Effie met rust. Zij is naar mij komen zien.”Anne riep nog eens: “Mon Dieu!!” en zweeg toen.“Waarlijk, Geoffrey,” zeide zijn vrouw. “’t Is ergerlijk zooals ge dat kind bederft. Zij is zoo eigenzinnig als ’t maar zijn kan, en gij maakt haar nog erger. ’t Is zeer ondeugend van haar, zoo weg te loopen en ons naar haar te laten zoeken. Hoe krijgen we haar thuis, met maar één schoen aan?”Haar echtgenoot beet zich op de lippen en fronste het voorhoofd. Het was niet de eerste maal, dat het tusschen hem en Lady Honoria tot woorden was gekomen over het kind, waarmede zijn vrouw niet sympathiseerde. Zij had Effie eigenlijk nooit vergeven dat zij in de wereld was gekomen. Lady Honoria was niet een van die vrouwen, die het een vreugde achten moeder te zijn.“Anne,” zeide hij, “neem Effie op en draag haar, totdat je een ezel hebt gevonden. Dan kan zij naar huis terugrijden.” De kindermeid mompelde in het Fransch zoo iets dat het kind zoo zwaar als lood was.“Doe zooals ik je zeg,” zeide hij, op scherpen toon in dezelfdetaal. “Effie, liefje, geef mij een kus en ga naar huis. ’t Is lief van je dat je naar mij bent komen zien.”Het kind gehoorzaamde en ging heen. Lady Honoria stond haar stampvoetend na te zien, met een uitdrukking op haar schoon, maar koel gelaat, die juist geen aangenamen indruk maakte.Het was Geoffrey in den loop van zijn huwelijksleven weleens gebeurd, dat hij weer thuis kwam met iets van die versterkte liefde, die men zegt dat door afwezigheid gewekt wordt. Bij zulke gelegenheden was hij altijd zoo ongelukkig te ondervinden dat Lady Honoria die spreuk logenstrafte, dat zij hem met een overblijfsel van vroegere grieven begroette, en, zoo mogelijk, strakker dan ooit was.Zou dat nu ook weer zoo wezen, nu hij teruggekomen was na een afwezigheid, die er bij af was geweest een altijddurende te zijn? Het had er veel van. Hij bespeurde kenteekenen, waarmede hij maar al te goed bekend was, en zoowel om hemzelven als om harentwil—want boven alles had Geoffrey een afkeer van die bittere echtelijke kibbelarijen—zocht hij iets vriendelijks te bedenken om te zeggen. Het valt niet te ontkennen dat hij juist geen blijk van veel tact gaf in het onderwerp, dat hij koos, hoewel het de sympathie van andere vrouwen misschien gewekt zou hebben. ’t Is zoo moeilijk altijd te bedenken dat men met een Lady Honoria te doen heeft.“Als wij er ooit nog een kind bij krijgen—” begon hij, op zachten toon.“Neem me niet kwalijk dat ik u in de rede val,” zeide de dame, met een vriendelijkheid, die juist geen hoog denkbeeld gaf van haar vreedzame gemoedsgesteldheid, “maar ik moet u verzoeken niet in dien geest voort te gaan. Aan één zoo’n lieveling heb ik ruimschoots genoeg.”“Welnu,” hernam de ongelukkige Geoffrey, zich met moeite bedwingende, “als ge dan zelve niet veel van het kind houdt, is het wel wat onredelijk er tegen te zijn dat zij veel vanmijhoudten bedroefd was toen zij dacht dat ik dood was. Waarlijk, Honoria, ik betwijfel soms of ge wel een hart hebt. Waarom waart ge zoo knorrig omdat Effie vroeg opgestaan is om naar mij te komen zien?—waarvan gij, dit moet ik bekennen, haar het voorbeeld niet gegeven hebt. En wat haar schoen betreft—” liet hij er glimlachend op volgen.“Ge moogt om haar schoen lachen, Geoffrey,” viel zij hem in rede, “maar ge vergeet, dat zelfs zulke kleinigheden tegenwoordig voor ons geen zaken om te lachen zijn. De schoenen van het kind houden mij soms ’s nachts uit den slaap. Defoy is in, ik weet niet hoe lang, niet betaald. Ik had wel lust haar klompen te laten dragen. En wat hart betreft—”“Welnu,” viel Geoffrey in, bedenkende dat de gevoelskwestie, hoewel erg genoeg, toch beter was dan de geldkwestie—“wat ‘hart’ betreft?”“Daar mocht gij wel van zwijgen. Hoeveel van uw hart hebt gemijgegeven?”“Waarlijk, Honoria—” begon hij levendig en in de grootste verbazing. Was het mogelijk dat zijn vrouw een soort vanbesoin d’amourgevoelde, en zich iets aan zijn zijn hart gelegen liet zijn? Zoo ja, dan was het vreemd, want nog nooit had zij de minste belangstelling daarin laten blijken.“Ja,” ging zij snel en met toenemende heftigheid voort, “ge spreekt van uw hart”—wat hij niet gedaan had—“en ge weet toch even goed als ik dat ge mij dat hart, waarvan gij zooveel ophef maakt, niet aangeboden zoudt hebben, als ik geen meisje van stand was geweest. Of waart ge zóó verliefd, dat ge dacht van rozengeur en maneschijn te kunnen leven? Dan zouikwat minder hart en wat meer gezond verstand verkozen hebben.”Geoffrey gevoelde den steek. Want het was waar dat verliefdheid bij zijn aanzoek de grootste rol niet had gespeeld, en ook dat Lady Honoria en hij even arm waren alsof het werkelijk een huwelijk uit liefde was geweest.“’t Is niet billijk het verleden weer op te halen en er zoo overte spreken,” zeide hij, “al had uw positie er iets mee te maken; want ge moet in ’t oog houden dat de mijne, toen wij trouwden, niet verwerpelijk was. Tweeduizend pond ’s jaars om mee te beginnen, en een baronetschap en acht duizend pond ’s jaars in ’t vooruitzicht—maar ik spreek niet gaarne over zoo iets. Waarom dwingt ge mij er toe? Niemand kon weten dat mijn oom, die er zoo op gesteld was dat ik met u trouwen zou, op zijn leeftijd zelf nog zou trouwen en een zoon en erfgenaam zou krijgen. Dat was mijn schuld niet, Honoria. Als ge dat hadt kunnen voorzien, zoudt ge misschien mijn aanzoek niet aangenomen hebben.”“Zeer waarschijnlijk niet,” antwoordde zij kalm, “en ’t ismijnschuld niet dat ik niet geleerd heb vergenoegd te leven van zevenhonderd pond ’s jaars. ’t Was al moeilijk genoeg van twee duizend te bestaan totdat uw oom stierf, en nu—”“En nu, Honoria, als gij nog maar een weinig geduld wilt hebben en u in de omstandigheden wilt schikken zooals ze zijn, zult ge rijk genoeg worden; ik zal geld voor u verdienen, zooveel geld als ge noodig hebt. Ik heb vele vrienden. Ik heb dit jaar aan de balie geen slechte zaken gemaakt.“Twee honderd pond, negentien shillings en zevenpence, minus zeven-en-negentig pond aan kamerhuur en klerk,” zeide Lady Honoria, met een smadelijken nadruk op de zevenpence.“Die som zal ik het volgende jaar verdubbelen, en het daarop volgende weer, en zoo gaat het voort. Ik werk van den ochtend tot den avond, om vooruit te komen, zoodat gij alles kunt krijgen—waar ge voor leeft,” voegde hij er met bitterheid bij.“Ik zal wel zestig jaar zijn voordat die gelukkige tijd komt en ik aan niets meer behoefte heb dan aan oude-wijvenpraatjes en een badstoel. Ik weet wel hoe het aan de balie gaat,” hernam zij scherp. “Ge droomt, ge maakt u voorstellingen zooals ge het zoudt willen hebben, maar het komt verkeerd uit en ge misleidt uzelf en mij. Het wordt weer zooals de geschiedenis van Sir Robert Bingham’s bezitting. Wij blijven ons leven lang arm. Ik zeg u, Geoffrey, gij hadt het recht niet met mij te trouwen.”Nu verloor hij eindelijk zijn geduld. Het was niet de eerste van zulkescènes—zij hadden in den laatsten tijd dikwijls plaats.“Geen recht?” zeide hij, “en als ik vragen mag, welk recht hadt gij om met mij te trouwen, daar ge zelfs niet voorgeeft ooit van mij gehouden te hebben, maar mijn aanzoek alleen hebt aangenomen zooals ge dat van ieder ander man, die een tamelijk goede partij was, aangenomen zoudt hebben? Ik stem u toe, dat ik er het eerst aan gedacht heb u ten huwelijk te vragen omdat mijn oom het wenschte, maar al was ik niet verliefd op u, was ik toch voornemens een goed echtgenoot voor u te zijn, en ik zou u lief gehad hebben, als ge het mij maar mogelijk hadt gemaakt. Maar ge zijt koel en zelfzuchtig; ge beschouwt het huwelijk alleen als een stap tot weelde; ge hebt nooit iemand liefgehad dan uzelve. Als ik gisterenavond gestorven was, geloof ik dat ge het u meer aangetrokken zoudt hebben in den rouw te moeten gaan dan dat ge mij verloren hadt. Toen ge binnenkwaamt, deedt ge niet meer gevoel voor mij blijken dan alsof ik een vreemde was—ja, niet eens zooveel als sommige vrouwen voor vreemden zouden hebben. Ik betwijfel soms of ge in ’t geheel wel gevoel hebt. Ik zou meenen dat ge mij zoo behandelt als ge doet, omdat ge niet van mij, maar wel van een ander houdt, als ik niet wist dat ge niet in staat zijt van iemand te houden. Wilt gij dat ik u ga haten, Honoria?”De toon, waarop Geoffrey sprak, zeide zijn vrouw, die hem met een zweem van glimlach op haar lippen gadesloeg, hoe diep hij bewogen was. Hij had zijn zelfbedwang verloren, en zijn hart voor haar opengelegd—iets wat hij zelden deed, en dat was op zichzelf reeds een zegepraal, die zij op dit oogenblik niet wilde voortzetten. Geoffrey was de man niet om hem ver te drijven.“Als ge hebt uitgesproken, Geoffrey, zou ik wel willen zeggen—”“Vervloekt!” viel hij in.“Zoo?” zeide zij kalm en op vragenden toon, en zij wachtte even; maar dewijl die uitroep niets of niemand in ’t bizonder gold, ging zij voort: “Als ge met die bloemrijke taal gedaanhebt, is wat ik te zeggen heb, dit: Ik ben niet voornemens in dit akelig nest langer te blijven. Morgen ga ik naar mijn broeder Garsington. Wij zijn er beiden genoodigd, zooals ge u wel zult herinneren, maar om redenen, die gij zelf het best weet, wildet gij er niet heen gaan.”“Ge weet mijn redenen zeer goed, Honoria.”“Met uw verlof, ik weet volstrekt niet wat zij waren,” zeide Lady Honoria met overtuiging. “Mag ik ze hooren?”“Als ge het dan weten wilt, ik wil niet logeeren bij een man die—welnu, die mijn club op zoo’n manier verlaten heeft als Garsington, en die, zonder mijn tusschenkomst, er zelfs op een nog onaangenamer en meer in ’t oog loopende wijze uitgegaan zou zijn. En zijn vrouw is nog erger dan hij.”“Ik geloof, dat ge u vergist,” hernam Lady Honoria koel, en als iemand, die de deur van een kamer dichtdoet, waarin hij niet zien wil: “En in allen gevalle is dat jaren geleden gebeurd en al lang overgewaaid. Maar ik zie de noodzakelijkheid niet in om er verder over te spreken. Wij zullen elkander aan het diner zeker wel ontmoeten. Ik ga morgenochtend met den eersten trein.”“Doe zooals ge wilt, Honoria. Misschien zoudt gij liever in ’t geheel niet terugkomen.”“Dank u, neen. Ik wil mij niet aan dwaze aantijgingen blootstellen. In Londen kom ik bij u terug, en dan zal ik mij maar weer in mijn lot zien te schikken. Ik heb, Goddank, geleerd, mijn ongeluk te dragen,” en met dezen laatsten schimpscheut verliet zij de kamer.Eenige oogenblikken had haar echtgenoot een gevoel alsof hij haar bijna haatte. Toen verborg hij kermend zijn gelaat in het kussen.“Zij heeft gelijk,” zeidehijbij zichzelven; “wij moeten ons in ons lot zien te schikken. Maar ik heb mijn leven bedorven. En toch heb ik haar eenmaal liefgehad—een maand of twee.”Dat was geen aangenaam tooneel, en men zal wel zeggen dat Lady Honoria voor een dame van haar stand al vrij “ordinair”was. Maar zelfs het voorrecht van “op de knieën van markiezinnen” grootgebracht te zijn, is geen voorbehoedmiddel tegen het “ordinaire,” als een vrouw ongelukkig haar hart, of wat er van over is, op niets anders dan “ordinaire” dingen gezet heeft.

Hoofdstuk V.Elisabeth is dankbaar.Geoffrey, die voor het vuur lag, pas aan den dood ontsnapt, had iets van het gesprek tusschen zijn vrouw en den assistent, die hem in het leven had teruggeroepen, opgevangen. Zij was dus dood, dat moedige, schoone, atheïstische meisje—zij was daarheen gegaan, waar de waarheid aan het licht zou komen. En zij had zijn leven gered!De assistent had zich eenige minuten verwijderd. Hij hielp in de andere kamer. Eindelijk kwam hij weer binnen.“Wat hebt gij tegen Lady Honoria gezegd?” vroeg Geoffrey, met een zwakke stem. “Hebt gij gezegd, dat Miss Granger mij gered heeft?”“Ja, mijnheer Bingham; dat heeft men mij ten minste verteld. In allen gevalle, toen men haar uit het water ophaalde, heeft men u tegelijk met haar opgehaald. Zij had u bij het haar vast.”“Groote Hemel!” kermde hij, “en mijn zwaarte moet haar naar beneden getrokken hebben. Is zij dan dood?”“Dat kunnen wij nog niet met zekerheid zeggen. Wij gelooven het wel.”“De Hemel geve, dat zij niet dood is,” zeide hij, meer bij zich zelf dan tot den ander. En overluid liet hij er op volgen: “Verlaat mij, ik ben nu weer in orde. Ga haar helpen. Maar wacht, kom mij nu en dan zeggen hoe het met haar gaat.”“Goed. Ik zal een vrouw bij u zenden, om u verder op te passen,” en hij ging heen.Inmiddels ging in de andere kamer de behandeling van de drenkeling langzaam voort. Twee uren waren verloopen, en nog gaf Beatrice geen blijk van terugkeerend bewustzijn. Het hart klopte niet, er was volstrekt geen polsslag, maar, zooals de dokter wist,er was misschien nog leven in de weefsels. Langzaam, zeer langzaam, werd het lichaam heen en weer gekeerd, zoodat het hoofd zwaaide en het lange haar nu aan deze, dan aan gene zijde viel, maar nog was er geen spoor van leven. Elk hulpmiddel van de geneeskunde, warme lucht, wrijving, kunstmatige ademhaling, electriciteit, alles werd aangewend, maar te vergeefs.Elisabeth, die er met een strak en bleek gelaat bij stond, gaf alles aan wat er noodig was. Zij hield niet veel van haar zuster; haar belangen waren met elkander in strijd, of ten minste zoo dacht zij, maar die plotselinge dood was akelig. In een hoek zat, erbarmelijk om te zien, jammerend en biddend, de oude predikant, en zijn wit haar hing over zijn oogen. Hij was een zwak, knorrig man, maar op zijn manier had hij zijn schoone en knappe dochter lief, en haar zoo te zien, was een foltering voor zijn ziel, zooals hij in geen jaren gekend had.“Zij is dood,” zei hij gestadig, “zij is dood; de wil des Heeren geschiede. Nu moet er een andere meesteres op de school zijn. Zeventig pond ’s jaars zal zij kosten—Zeventig pond ’s jaars!”“Wees bedaard, vader,” zeide Elisabeth scherp.“Ja, jij hebt goed praten dat ik bedaard moet zijn. Je bent bedaard, omdat het je niet kan schelen. Je hebt nooit veel van je zuster gehouden. Maarikheb haar liefgehad sedert zij een klein blondkopje was, en je goede moeder ook. ‘Beatrice,’ was het laatste woord, dat zij sprak.”“Wees bedaard, vader,” hernam Elisabeth op nog scherper toon. De oude man gaf geen antwoord, verzonk in een halve verdooving en wiegde zich op zijn stoel heen en weer.Intusschen werd het werk zonder tusschenpoozing voortgezet.“Het baat niet,” zeide de assistent eindelijk, terwijl hij zijn vermoeid lichaam uitrekte en het zweet van zijn voorhoofd wischte. “Zij moet dood zijn; wij zijn nu drie uur met haar bezig geweest.”“Geduld,” antwoordde de dokter. “Als het noodig is, zal ik het vier uur volhouden—of totdat ik er bij neerval,” liet hij er op volgen.Nog tien minuten verliepen. Iedereen wist, dat het een hopelooze taak was, maar toch hoopte men.“Groote Hemel!” riep de assistent opeens uit, terugdeinzende en op Beatrice’s gelaat wijzende. “Zaagt gij dat?”Elisabeth en Granger sprongen overeind, roepende: “Wat? Wat?”“Blijft zitten,” zeide de dokter, hen terug wenkende. En zich tot zijnassistentwendende, sprak hij met gedempte stem: “Ge bedoelt dat ge het rechterooglid hebt zien bewegen, Williams? Dat heb ik ook gezien. Leg de batterij aan.”Williams deed het.“Nu met volle kracht,” hernam de dokter, “’t Is nu dood of leven.”De electrische schok werd eenige seconden zonder gevolg aangebracht. Maar plotseling ging er een huivering door de leden en een hand bewoog. Het volgend oogenblik gingen de oogen open, en met een benauwde ademhaling keerde het leven in Beatrice terug. Nog tien minuten, en zij was door de poorten des doods tot de levende wereld wedergekeerd.“Laat mij sterven,” bracht zij hijgend, met een zwakke stem uit. “Ik kan het niet verdragen.O, laat mij sterven!”“Stil,” zeide de dokter; “aanstonds zijt ge beter.”Nog tien minuten verliepen, en toen zag de dokter aan haar oogen, dat Beatrice iets wilde zeggen. Hij boog zijn hoofd naar haar toe, totdat het bijna haar lippen aanraakte.“Dokter Chambers,” fluisterde zij, “is hij verdronken?”“Neen, hij is behouden; wij hebben hem bijgebracht.”Zij zuchtte. Het was een diepe zucht, half van smart, half van verlichting, Toen sprak zij weder:“Is hij aan land gespoeld?”“Neen. Gij hebt zijn leven gered. Gij hadt hem vast, toen men u uit het water haalde. Drink dit nu, en ga slapen.”Een zachte glimlach speelde over Beatrice’s gelaat, maar zij zeide niets. Toen dronk zij van den drank zooveel als zij kon, en kort daarna volgde zij ook den laatsten wenk op, en viel in slaap.Intusschen had het gerucht van die wonderbare herstelling zich buiten het huis verspreid, totdat het eindelijk ook den eenzamen man in de schaduw van de pijnboomen ter oore kwam.Niet zoodra hoorde hij het, of in de hevigste ontroering liep hij met snelle schreden naar de deur van de pastorie. Hier scheen zijn moed hem te begeven, want hij aarzelde.“Klop aan,Squire, klop aan, en vraag of het waar is,” zeide een vrouw, dezelfde, die verklaard had, dat zij haar man door haar omhelzingen in het leven teruggeroepen zou hebben.Dit gezegde scheen hem aan te moedigen, althans hij klopte aan. De deur werd geopend door Elisabeth.“Ga heen,” beet zij hem toe: “er moet stilte in huis zijn.”“Ik vraag u verschooning, Miss Granger,” zeide de bezoeker, op een allernederigsten toon. “Ik wilde alleen maar weten of het waar is dat Miss Beatrice leeft.”“Wel, zijt gij het, mijnheer Davies?” hernam Elisabeth, met schrik. “Dat kon ik niet denken. Kom binnen, en ik zal de deur dichtdoen. Zoo! Hoe lang hebt gij buiten gestaan?”“O, sedert zij hier gebracht zijn. Maar is het waar?”“Ja, ja, ’t is waar. Zij zal nu wel herstellen. En al dien tijd hebt gij in dat weer buiten gestaan. Beatrice mag zich wel gevleid gevoelen.”“Volstrekt niet. Ik vond het zoo akelig, en—ik stel zooveel belang—” en eensklaps brak hij af.“Zooveel belang in Beatrice,” zeide Elisabeth, den volzin aanvullende. “Ja, dat schijnt wel zoo,” en eensklaps, als toevallig, hield zij den blaker, dien zij in de hand hand, zoo, dat het volle schijnsel van het licht op Owen Davies’ gelaat viel. Het was een vrij dom gezicht, maar anders niet leelijk. De kleur was frisch als die van een kind, de oogen waren groot, blauw en zacht, en het golvende bruine haar was voor menige vrouw om te benijden. Ja, als niet een korte, maar volle baard daarmede in tegenspraak was geweest, zou men het eer voor het gelaat van een negentienjarig jongeling dan van een man over de dertig gehouden hebben. Tijdnoch zorg had er een enkelen trek op gegrift; het getuigde van volkomen en sterke gezondheid en had nog al den bloei der eerste jeugd. ’t Was het gelaat van een man, die wel honderd jaar kon worden en er dan nog jong zou uitzien, en de gestalte was er mede in overeenkomst.Davies bloosde tot over zijn ooren onder Elisabeth’s vorschenden blik.“Natuurlijk stel ik belang in het lot van een mijner buren,” zeide hij, op zijn langzamen bedaarden toon. “Zij is dus buiten alle gevaar?”“Ik geloof het wel,” antwoordde Elisabeth.“Goddank!” zeide hij, of liever, dat scheen hem in een zucht van verlichting te ontsnappen. “Hoe kwam het dat die heer, mijnheer Bingham, bij haar werd gevonden?”“Hoe zou ik dat weten?” gaf zij schouderophalend ten antwoord. “Beatrice heeft zijn leven gered, zij hield hem nog vast nadat zij bewusteloos was.”“’t Is verwonderlijk. Ik heb nooit zoo iets gehoord. Wat is hij voor iemand?”“Hij is een van de knapste mannen, die ik ooit gezien heb,” antwoordde Elisabeth, hem nog steeds vorschend gadeslaande.“Zoo! Maar hij is, meen ik, getrouwd, Miss Granger?”“O, ja, hij is getrouwd met de dochter van een pair—hij weet maar al te goed dat hij getrouwd is, geloof ik.”“Ik begrijp u niet, Miss Granger.”“Niet, mijnheer Davies? Gebruik dan uw oogen, als gij hen bij elkander ziet.”“Ik zou niets zien. Ik ben zoo slim niet als gij.”“Hoe zult gij van avond naar het kasteel teruggaan, mijnheer Davies? In dien wind kunt gij niet roeien, en de zee zal den straatweg overstroomd hebben.”“O, ik zal er wel komen. Ik ben toch al nat; wat meer of minder zal mij niet hinderen, en ik heb een ketting laten spannen, om te voorkomen dat iemand weggespoeld wordt. En nu moet ik weg. Goeden avond.”“Goeden avond, mijnheer Davies.” Hij aarzelde een oogenblik en zeide toen: “Zoudt gij—zoudt gij zoo goed willen zijn uw zuster te zeggen—ik bedoel, natuurlijk, als zij sterker is—dat ik naar haar ben komen vragen?”“Mij dunkt, dat gij dat zelf wel kunt doen, mijnheer Davies,” zeide Elisabeth bijna lomp. “Ik bedoel, dan zal het meer gewaardeerd worden,” en zij keerde zich om.Owen Davies waagde het niet iets meer te zeggen. Hij gevoelde, dat Elisabeth’s toon wel wat scherp was, en hij was een weinig bang voor haar. “Zij vindt zeker, dat ik niet goed genoeg ben om haar zuster oplettendheden te bewijzen,” dacht hij, terwijl hij in de duisternis en den regen heenliep. “Zij heeft gelijk—ik ben niet goed genoeg om haar schoenen te poetsen. O, God, ik dank U dat Gij haar leven gered hebt! Ik dank U!—ik dank U!” gaf hij zijn hart lucht. “Als zij gestorven was, geloof ik dat ik ook gestorven zou zijn. O, God, ik dank U!’”Het denkbeeld dat Owen Davies, Esq. van Bryngelly Castle, eigenaar van die kleine badplaats in haar opkomst en van een der grootste lei-mijnen in Wales, en een jaarlijksch inkomen van tusschen de zeven en tien duizend pond bezittende, niet goed genoeg was om de laarsjes van haar schoone zuster te poetsen, was nooit bij Elisabeth Granger opgekomen. En als het ooit bij haar opgekomen was, zou zij er om gelachen hebben, want Elisabeth had een praktisch verstand.Wat wel bij haar opkwam, toen zij de welgedane gestalte van den rijken grondbezitter in de duisternis zag verdwijnen, was een zeker gevoel van iets meer dan nieuwsgierigheid. Gesteld dat zij die huivering van terugkeerend leven niet door die blanke leden had zien gaan; gesteld dat die al kouder en kouder waren geworden, totdat eindelijk de dood zich zoo vast in dat stille hart gezeteld had, dat alle menschelijke kunde voor zijn heerschappij had moeten zwichten? Wat dan? Owen Davies beminde haar zuster; dat wist zij, en dat had zij sinds jaren geweten. Maar zou hij het mettertijd niet te boven gekomen zijn? Zou hij niet mettertijd door zijngevoel van eenzaamheid overstelpt zijn geworden en zijn hand, zoo niet zijn hart, aan een andere vrouw geschonken hebben? En zou zij, die zijn hand bezat, ook zijn hart niet kunnen winnen? En aan wie zou die hand geschonken worden—en alles wat met die hand geschonken werd? Welke vrouw zou die kluizenaar, zonder familie of vrienden, anders gekozen hebben dan haar—Elisabeth—die zooveel van hem hield als zij van iemand houden kon, wat misschien juist niet veel gezegd was, maar die in allen gevalle gaarne zijn vrouw zou willen worden? Zou dat alles niet gebeurd zijn, als zij dat ooglid niet had zien trillen, als die lichte huivering niet door haar zusters leden was gegaan? Ja, dat zou het, dat wist zij.Over dit alles dacht Elisabeth, terwijl zij in de gang stond, en een begeerig licht straalde uit haar fletse oogen en verhelderde haar bleek gelaat. Maar zij drong die gedachten terug; zij was niet zoo slecht om te wenschen dat haar zuster niet tot het leven teruggeroepen was. Zij hield slechts bespiegelingen, wat in dat geval had kunnen gebeuren, even als men eenschaakprobleemuitwerkt.Misschien ook was hetzelfde doel op een andere wijze te bereiken. Misschien kon Davies nog wel van zijn verzotheid afgebracht worden. Het was moeilijk over dien muur te klimmen, maar het zou al zeer moeilijk moeten zijn, als zij er geen middel op wist te vinden. Het kwam niet bij haar op, dat er misschien een open deur kon zijn. Zij kon het niet mogelijk achten dat een meisje Owen Davies met zijn zeven à tien duizend pond ’s jaars zou afwijzen, en nog wel een onbemiddeld meisje, in een afhankelijke positie. Bryngelly Castle met al zijn rijkdom en weelde en al zijn gemakken afwijzen? Neen, eer zou de zon in het oosten ondergaan. Het moest niet eens zoo ver komen, dat zij er toe in de gelegenheid was. Het begeerig licht verdween uit Elisabeth’s oogen; zij ging weder naar de ziekenkamer, en juist toen zij die wilde binnentreden, kwam haar vader er uit.“Wie was daar aan de deur?” vroeg hij.“Mijnheer Davies van Bryngelly Castle, vader.”“En wat kwam mijnheer Davies hier op dit uur van den avond doen? Naar Beatrice vragen?”“Ja,” antwoordde zij langzaam, “hij kwam naar Beatrice vragen, of juister gezegd, hij heeft drie uur in den regen staan wachten om te hooren of zij bijkwam.”“Drie uur in den regen gestaan,” zeide de predikant verbaasd—“al dien tijd heeftSquireDavies buiten de deur gewacht! Waarom?”“Omdat hij zoo ongerust over Beatrice was, en niet wilde binnenkomen, denk ik.”“Zoo ongerust over Beatrice—ei, zoo ongerust over Beatrice! Zou je denken, Elisabeth—hm—je weet, Beatrice ziet er goed uit—iedereen zegt dat zij schoon is—”“Daar weet ik niets van, vader,” antwoordde zij, “en of Beatrice er goed uitziet, dat hangt van den smaak af. Ik heb er mijn eigen gevoelen over. En zouden we nu niet naar bed gaan? De dokters en Betty zullen den heelen nacht bij mijnheer Bingham en Beatrice blijven.”“Ja, Elisabeth, wij zullen maar naar bed gaan, dat zal het best zijn. Wij hebben veel reden om dankbaar te zijn. Welk een genadige redding! En als Beatrice gestorven was, had het kerspel een andere meesteres op de school moeten hebben, en wij zouden het salaris kwijt zijn. Wij hebben veel reden om dankbaar te zijn, Elisabeth.”“Ja,” zeide Elisabeth zeer bedaard, “dat hebben wij.”

Geoffrey, die voor het vuur lag, pas aan den dood ontsnapt, had iets van het gesprek tusschen zijn vrouw en den assistent, die hem in het leven had teruggeroepen, opgevangen. Zij was dus dood, dat moedige, schoone, atheïstische meisje—zij was daarheen gegaan, waar de waarheid aan het licht zou komen. En zij had zijn leven gered!

De assistent had zich eenige minuten verwijderd. Hij hielp in de andere kamer. Eindelijk kwam hij weer binnen.

“Wat hebt gij tegen Lady Honoria gezegd?” vroeg Geoffrey, met een zwakke stem. “Hebt gij gezegd, dat Miss Granger mij gered heeft?”

“Ja, mijnheer Bingham; dat heeft men mij ten minste verteld. In allen gevalle, toen men haar uit het water ophaalde, heeft men u tegelijk met haar opgehaald. Zij had u bij het haar vast.”

“Groote Hemel!” kermde hij, “en mijn zwaarte moet haar naar beneden getrokken hebben. Is zij dan dood?”

“Dat kunnen wij nog niet met zekerheid zeggen. Wij gelooven het wel.”

“De Hemel geve, dat zij niet dood is,” zeide hij, meer bij zich zelf dan tot den ander. En overluid liet hij er op volgen: “Verlaat mij, ik ben nu weer in orde. Ga haar helpen. Maar wacht, kom mij nu en dan zeggen hoe het met haar gaat.”

“Goed. Ik zal een vrouw bij u zenden, om u verder op te passen,” en hij ging heen.

Inmiddels ging in de andere kamer de behandeling van de drenkeling langzaam voort. Twee uren waren verloopen, en nog gaf Beatrice geen blijk van terugkeerend bewustzijn. Het hart klopte niet, er was volstrekt geen polsslag, maar, zooals de dokter wist,er was misschien nog leven in de weefsels. Langzaam, zeer langzaam, werd het lichaam heen en weer gekeerd, zoodat het hoofd zwaaide en het lange haar nu aan deze, dan aan gene zijde viel, maar nog was er geen spoor van leven. Elk hulpmiddel van de geneeskunde, warme lucht, wrijving, kunstmatige ademhaling, electriciteit, alles werd aangewend, maar te vergeefs.

Elisabeth, die er met een strak en bleek gelaat bij stond, gaf alles aan wat er noodig was. Zij hield niet veel van haar zuster; haar belangen waren met elkander in strijd, of ten minste zoo dacht zij, maar die plotselinge dood was akelig. In een hoek zat, erbarmelijk om te zien, jammerend en biddend, de oude predikant, en zijn wit haar hing over zijn oogen. Hij was een zwak, knorrig man, maar op zijn manier had hij zijn schoone en knappe dochter lief, en haar zoo te zien, was een foltering voor zijn ziel, zooals hij in geen jaren gekend had.

“Zij is dood,” zei hij gestadig, “zij is dood; de wil des Heeren geschiede. Nu moet er een andere meesteres op de school zijn. Zeventig pond ’s jaars zal zij kosten—Zeventig pond ’s jaars!”

“Wees bedaard, vader,” zeide Elisabeth scherp.

“Ja, jij hebt goed praten dat ik bedaard moet zijn. Je bent bedaard, omdat het je niet kan schelen. Je hebt nooit veel van je zuster gehouden. Maarikheb haar liefgehad sedert zij een klein blondkopje was, en je goede moeder ook. ‘Beatrice,’ was het laatste woord, dat zij sprak.”

“Wees bedaard, vader,” hernam Elisabeth op nog scherper toon. De oude man gaf geen antwoord, verzonk in een halve verdooving en wiegde zich op zijn stoel heen en weer.

Intusschen werd het werk zonder tusschenpoozing voortgezet.

“Het baat niet,” zeide de assistent eindelijk, terwijl hij zijn vermoeid lichaam uitrekte en het zweet van zijn voorhoofd wischte. “Zij moet dood zijn; wij zijn nu drie uur met haar bezig geweest.”

“Geduld,” antwoordde de dokter. “Als het noodig is, zal ik het vier uur volhouden—of totdat ik er bij neerval,” liet hij er op volgen.

Nog tien minuten verliepen. Iedereen wist, dat het een hopelooze taak was, maar toch hoopte men.

“Groote Hemel!” riep de assistent opeens uit, terugdeinzende en op Beatrice’s gelaat wijzende. “Zaagt gij dat?”

Elisabeth en Granger sprongen overeind, roepende: “Wat? Wat?”

“Blijft zitten,” zeide de dokter, hen terug wenkende. En zich tot zijnassistentwendende, sprak hij met gedempte stem: “Ge bedoelt dat ge het rechterooglid hebt zien bewegen, Williams? Dat heb ik ook gezien. Leg de batterij aan.”

Williams deed het.

“Nu met volle kracht,” hernam de dokter, “’t Is nu dood of leven.”

De electrische schok werd eenige seconden zonder gevolg aangebracht. Maar plotseling ging er een huivering door de leden en een hand bewoog. Het volgend oogenblik gingen de oogen open, en met een benauwde ademhaling keerde het leven in Beatrice terug. Nog tien minuten, en zij was door de poorten des doods tot de levende wereld wedergekeerd.

“Laat mij sterven,” bracht zij hijgend, met een zwakke stem uit. “Ik kan het niet verdragen.O, laat mij sterven!”

“Stil,” zeide de dokter; “aanstonds zijt ge beter.”

Nog tien minuten verliepen, en toen zag de dokter aan haar oogen, dat Beatrice iets wilde zeggen. Hij boog zijn hoofd naar haar toe, totdat het bijna haar lippen aanraakte.

“Dokter Chambers,” fluisterde zij, “is hij verdronken?”

“Neen, hij is behouden; wij hebben hem bijgebracht.”

Zij zuchtte. Het was een diepe zucht, half van smart, half van verlichting, Toen sprak zij weder:

“Is hij aan land gespoeld?”

“Neen. Gij hebt zijn leven gered. Gij hadt hem vast, toen men u uit het water haalde. Drink dit nu, en ga slapen.”

Een zachte glimlach speelde over Beatrice’s gelaat, maar zij zeide niets. Toen dronk zij van den drank zooveel als zij kon, en kort daarna volgde zij ook den laatsten wenk op, en viel in slaap.

Intusschen had het gerucht van die wonderbare herstelling zich buiten het huis verspreid, totdat het eindelijk ook den eenzamen man in de schaduw van de pijnboomen ter oore kwam.

Niet zoodra hoorde hij het, of in de hevigste ontroering liep hij met snelle schreden naar de deur van de pastorie. Hier scheen zijn moed hem te begeven, want hij aarzelde.

“Klop aan,Squire, klop aan, en vraag of het waar is,” zeide een vrouw, dezelfde, die verklaard had, dat zij haar man door haar omhelzingen in het leven teruggeroepen zou hebben.

Dit gezegde scheen hem aan te moedigen, althans hij klopte aan. De deur werd geopend door Elisabeth.

“Ga heen,” beet zij hem toe: “er moet stilte in huis zijn.”

“Ik vraag u verschooning, Miss Granger,” zeide de bezoeker, op een allernederigsten toon. “Ik wilde alleen maar weten of het waar is dat Miss Beatrice leeft.”

“Wel, zijt gij het, mijnheer Davies?” hernam Elisabeth, met schrik. “Dat kon ik niet denken. Kom binnen, en ik zal de deur dichtdoen. Zoo! Hoe lang hebt gij buiten gestaan?”

“O, sedert zij hier gebracht zijn. Maar is het waar?”

“Ja, ja, ’t is waar. Zij zal nu wel herstellen. En al dien tijd hebt gij in dat weer buiten gestaan. Beatrice mag zich wel gevleid gevoelen.”

“Volstrekt niet. Ik vond het zoo akelig, en—ik stel zooveel belang—” en eensklaps brak hij af.

“Zooveel belang in Beatrice,” zeide Elisabeth, den volzin aanvullende. “Ja, dat schijnt wel zoo,” en eensklaps, als toevallig, hield zij den blaker, dien zij in de hand hand, zoo, dat het volle schijnsel van het licht op Owen Davies’ gelaat viel. Het was een vrij dom gezicht, maar anders niet leelijk. De kleur was frisch als die van een kind, de oogen waren groot, blauw en zacht, en het golvende bruine haar was voor menige vrouw om te benijden. Ja, als niet een korte, maar volle baard daarmede in tegenspraak was geweest, zou men het eer voor het gelaat van een negentienjarig jongeling dan van een man over de dertig gehouden hebben. Tijdnoch zorg had er een enkelen trek op gegrift; het getuigde van volkomen en sterke gezondheid en had nog al den bloei der eerste jeugd. ’t Was het gelaat van een man, die wel honderd jaar kon worden en er dan nog jong zou uitzien, en de gestalte was er mede in overeenkomst.

Davies bloosde tot over zijn ooren onder Elisabeth’s vorschenden blik.

“Natuurlijk stel ik belang in het lot van een mijner buren,” zeide hij, op zijn langzamen bedaarden toon. “Zij is dus buiten alle gevaar?”

“Ik geloof het wel,” antwoordde Elisabeth.

“Goddank!” zeide hij, of liever, dat scheen hem in een zucht van verlichting te ontsnappen. “Hoe kwam het dat die heer, mijnheer Bingham, bij haar werd gevonden?”

“Hoe zou ik dat weten?” gaf zij schouderophalend ten antwoord. “Beatrice heeft zijn leven gered, zij hield hem nog vast nadat zij bewusteloos was.”

“’t Is verwonderlijk. Ik heb nooit zoo iets gehoord. Wat is hij voor iemand?”

“Hij is een van de knapste mannen, die ik ooit gezien heb,” antwoordde Elisabeth, hem nog steeds vorschend gadeslaande.

“Zoo! Maar hij is, meen ik, getrouwd, Miss Granger?”

“O, ja, hij is getrouwd met de dochter van een pair—hij weet maar al te goed dat hij getrouwd is, geloof ik.”

“Ik begrijp u niet, Miss Granger.”

“Niet, mijnheer Davies? Gebruik dan uw oogen, als gij hen bij elkander ziet.”

“Ik zou niets zien. Ik ben zoo slim niet als gij.”

“Hoe zult gij van avond naar het kasteel teruggaan, mijnheer Davies? In dien wind kunt gij niet roeien, en de zee zal den straatweg overstroomd hebben.”

“O, ik zal er wel komen. Ik ben toch al nat; wat meer of minder zal mij niet hinderen, en ik heb een ketting laten spannen, om te voorkomen dat iemand weggespoeld wordt. En nu moet ik weg. Goeden avond.”

“Goeden avond, mijnheer Davies.” Hij aarzelde een oogenblik en zeide toen: “Zoudt gij—zoudt gij zoo goed willen zijn uw zuster te zeggen—ik bedoel, natuurlijk, als zij sterker is—dat ik naar haar ben komen vragen?”

“Mij dunkt, dat gij dat zelf wel kunt doen, mijnheer Davies,” zeide Elisabeth bijna lomp. “Ik bedoel, dan zal het meer gewaardeerd worden,” en zij keerde zich om.

Owen Davies waagde het niet iets meer te zeggen. Hij gevoelde, dat Elisabeth’s toon wel wat scherp was, en hij was een weinig bang voor haar. “Zij vindt zeker, dat ik niet goed genoeg ben om haar zuster oplettendheden te bewijzen,” dacht hij, terwijl hij in de duisternis en den regen heenliep. “Zij heeft gelijk—ik ben niet goed genoeg om haar schoenen te poetsen. O, God, ik dank U dat Gij haar leven gered hebt! Ik dank U!—ik dank U!” gaf hij zijn hart lucht. “Als zij gestorven was, geloof ik dat ik ook gestorven zou zijn. O, God, ik dank U!’”

Het denkbeeld dat Owen Davies, Esq. van Bryngelly Castle, eigenaar van die kleine badplaats in haar opkomst en van een der grootste lei-mijnen in Wales, en een jaarlijksch inkomen van tusschen de zeven en tien duizend pond bezittende, niet goed genoeg was om de laarsjes van haar schoone zuster te poetsen, was nooit bij Elisabeth Granger opgekomen. En als het ooit bij haar opgekomen was, zou zij er om gelachen hebben, want Elisabeth had een praktisch verstand.

Wat wel bij haar opkwam, toen zij de welgedane gestalte van den rijken grondbezitter in de duisternis zag verdwijnen, was een zeker gevoel van iets meer dan nieuwsgierigheid. Gesteld dat zij die huivering van terugkeerend leven niet door die blanke leden had zien gaan; gesteld dat die al kouder en kouder waren geworden, totdat eindelijk de dood zich zoo vast in dat stille hart gezeteld had, dat alle menschelijke kunde voor zijn heerschappij had moeten zwichten? Wat dan? Owen Davies beminde haar zuster; dat wist zij, en dat had zij sinds jaren geweten. Maar zou hij het mettertijd niet te boven gekomen zijn? Zou hij niet mettertijd door zijngevoel van eenzaamheid overstelpt zijn geworden en zijn hand, zoo niet zijn hart, aan een andere vrouw geschonken hebben? En zou zij, die zijn hand bezat, ook zijn hart niet kunnen winnen? En aan wie zou die hand geschonken worden—en alles wat met die hand geschonken werd? Welke vrouw zou die kluizenaar, zonder familie of vrienden, anders gekozen hebben dan haar—Elisabeth—die zooveel van hem hield als zij van iemand houden kon, wat misschien juist niet veel gezegd was, maar die in allen gevalle gaarne zijn vrouw zou willen worden? Zou dat alles niet gebeurd zijn, als zij dat ooglid niet had zien trillen, als die lichte huivering niet door haar zusters leden was gegaan? Ja, dat zou het, dat wist zij.

Over dit alles dacht Elisabeth, terwijl zij in de gang stond, en een begeerig licht straalde uit haar fletse oogen en verhelderde haar bleek gelaat. Maar zij drong die gedachten terug; zij was niet zoo slecht om te wenschen dat haar zuster niet tot het leven teruggeroepen was. Zij hield slechts bespiegelingen, wat in dat geval had kunnen gebeuren, even als men eenschaakprobleemuitwerkt.

Misschien ook was hetzelfde doel op een andere wijze te bereiken. Misschien kon Davies nog wel van zijn verzotheid afgebracht worden. Het was moeilijk over dien muur te klimmen, maar het zou al zeer moeilijk moeten zijn, als zij er geen middel op wist te vinden. Het kwam niet bij haar op, dat er misschien een open deur kon zijn. Zij kon het niet mogelijk achten dat een meisje Owen Davies met zijn zeven à tien duizend pond ’s jaars zou afwijzen, en nog wel een onbemiddeld meisje, in een afhankelijke positie. Bryngelly Castle met al zijn rijkdom en weelde en al zijn gemakken afwijzen? Neen, eer zou de zon in het oosten ondergaan. Het moest niet eens zoo ver komen, dat zij er toe in de gelegenheid was. Het begeerig licht verdween uit Elisabeth’s oogen; zij ging weder naar de ziekenkamer, en juist toen zij die wilde binnentreden, kwam haar vader er uit.

“Wie was daar aan de deur?” vroeg hij.

“Mijnheer Davies van Bryngelly Castle, vader.”

“En wat kwam mijnheer Davies hier op dit uur van den avond doen? Naar Beatrice vragen?”

“Ja,” antwoordde zij langzaam, “hij kwam naar Beatrice vragen, of juister gezegd, hij heeft drie uur in den regen staan wachten om te hooren of zij bijkwam.”

“Drie uur in den regen gestaan,” zeide de predikant verbaasd—“al dien tijd heeftSquireDavies buiten de deur gewacht! Waarom?”

“Omdat hij zoo ongerust over Beatrice was, en niet wilde binnenkomen, denk ik.”

“Zoo ongerust over Beatrice—ei, zoo ongerust over Beatrice! Zou je denken, Elisabeth—hm—je weet, Beatrice ziet er goed uit—iedereen zegt dat zij schoon is—”

“Daar weet ik niets van, vader,” antwoordde zij, “en of Beatrice er goed uitziet, dat hangt van den smaak af. Ik heb er mijn eigen gevoelen over. En zouden we nu niet naar bed gaan? De dokters en Betty zullen den heelen nacht bij mijnheer Bingham en Beatrice blijven.”

“Ja, Elisabeth, wij zullen maar naar bed gaan, dat zal het best zijn. Wij hebben veel reden om dankbaar te zijn. Welk een genadige redding! En als Beatrice gestorven was, had het kerspel een andere meesteres op de school moeten hebben, en wij zouden het salaris kwijt zijn. Wij hebben veel reden om dankbaar te zijn, Elisabeth.”

“Ja,” zeide Elisabeth zeer bedaard, “dat hebben wij.”

Hoofdstuk VI.Owen Davies te huis.Met een luchtig hart liep Owen Davies huiswaarts. De regen, die hem in ’t gelaat sloeg, en het loeien van den wind verstoorden zijn gemoedsstemming in ’t minst niet. Dat waren wel onaangenaamheden,maar hij nam ze aan zooals hij het leven met al zijn ijdelheden aannam, zonder zich er het hoofd mee te breken. Er zijn karakters, waarvan dit een heerschende geestgesteldheid is. Wie met zulk een geestgesteldheid begiftigd zijn, komen reeds vroeg in hun leven tot het besluit, dat de wereld hun verstand te boven gaat. Zij doen dus ook maar geen moeite meer om haar te begrijpen, en gevolgelijk zijn zij, op hun stompzinnige wijze, tevreden en gelukkige stervelingen. Vraagstukken, waarover menschen van een sterker verstand en een onderzoekenden geest hun leven lang hun hersens vermoeien, verstoren hun kalmte niet; die laten zij eenvoudig glippen. Zij zien de sterren, zij lezen van het groote raadsel des heelals, van wereldbollen, altijd voortwentelend in het grenzenloos ruim, en zij zijn niet verbaasd. In hun kindsheid hebben zij geleerd, dat God de zon en de maan en de sterren geschapen heeft om licht op aarde te geven; dat is hun genoeg. En zoo is het met alles. Armoede en lijden, oorlog, pestilentie, de ongelijke lotsbedeeling, waanzin, leven en dood, en de geestelijke wonderen, die van alle kanten ons bestaan omringen, zijn zaken, die niet onderzocht, maar aangenomen moeten worden. Dus nemen zij ze aan, zooals zij hun middagmaal of een winkelierscirculaire aannemen.In sommige gevallen spruit zulk een geestgesteldheid voort uit eenvoudige en diepe godsdienstige overtuiging, en soms ook uit een overwicht van gezond dierlijk instinct op het hoogere en lastiger geestelijk element. De os, die in de frissche weide herkauwt, denkt over geen verleden of toekomst, en de zeemeeuw, die als een sneeuwvlokje tegen de ondergaande zon uitkomt, weet niets van den luister van lucht en zee. Ook de wilde bekommert zich even weinig over het scheppingsplan. Het begin is zijn eigen geboorte en het einde is dat hij overgaat in het Onbekende, en voor ’t overige zijn er runderen en vrouwen, en vijanden om te overwinnen. Maar ossen en zeemeeuwen hebben, zoover wij weten, geen last van een geestelijk element, en in den wilde wordt zoo iets niet aangekweekt.Maarmisschienontstaat deze gesteldheid, zoo noodzakelijk voor een kalmen vorm van geluk, meestal uit een vereeniging van physieke en godsdienstige ontwikkeling. Zoo tenminste was het met den rijken man, die daar in den wind en den regen voortzwoegde. Hij was zoowel van aard als door opvoeding een man van even eenvoudige en sterke godsdienstige beginselen, als hij van een benijdenswaardig sterk, gezond en kalm lichaamsgestel was. Nu zal men misschien wel zeggen, dat het met tienduizend pond ’s jaars niet moeilijk is godsdienstig en kalm te zijn, maar Owen Davies had zich niet altijd in het genot van tienduizend pond ’s jaars en het bezit van een der fraaiste en meeste romantische buitenverblijven in Wales kunnen verheugen. Van zijn zeventiende jaar af, toen hij door den dood zijner moeder ouderloos was geworden, totdat hij den dertigjarigen leeftijd had bereikt, een jaar of zes voor het begin van dit verhaal, had hij een zoo hard leven gehad als het lot iemand maar kan toebedeelen. Men heeft misschien weleens gehoord van koopvaardijbrikken, die tusschen Engeland en West-Indië varen, en kolen uit- en suiker invoeren.Aan boord van een van die schepen werkte Owen Davies dertien jaar lang. Hij deed zijn werk goed, maar hij maakte zich geen vrienden en bleef altijd dezelfde beschroomde, stille en vrome man. Toen stierf er plotseling een oom van hem zonder testament, en hij zag zich erfgenaam van Bryngelly Castle met al zijn inkomsten. Hij had dien oom nooit gezien, en nooit gedroomd, dat die groote bezitting op hem zou overgaan. Maar hij nam het goede aan zooals hij het kwade had aangenomen en zeide niets. De eenige menschen, die hem kenden, waren zijn scheepskameraden, en ook van hen kon het nauwelijks gezegd worden, dat zij hem kenden. Zij kenden hem van gezicht, zij kenden het geluid van zijn stem en zijn manier van zijn werk te doen. Zij wisten ook, hoewel hij nooit over godsdienst sprak, dat hij elken avond een hoofdstuk uit den Bijbel las, en zoo dikwijls zij een haven aandeden, naar de kerk ging. Maar van zijn innerlijk karakter wisten zij niets. Dit belette echter niet, dat zij voorspelden dat Davies een“slimmerd” was, die, nu hij “de moppen” had, ook wel den “banjer zou uithangen.”Maar Davies was er de man niet naar om “den banjer uit te hangen.” Het nieuws van het geluk, dat hem ten deel was gevallen, vernam hij juist, toen de brik, waarmee hij als eerste stuurman onder zeil zou gaan, haar lading voor West-Indië innam.Hij had zijn contract voor de reis geteekend, en tot verbazing van den zaakwaarnemer, die de bezitting administreerde, verklaarde hij, dat hij zich er aan houden zou. Te vergeefs zocht de man van zaken zijn cliënt te beduiden dat hij door middel van eencheckvan£100 de zaak in tien minuten voor hem kon afmaken. Davies antwoordde slechts, dat de bezitting kon wachten, en dat hij de reis zou doen en dan stil gaan leven. De zaakwaarnemer sloeg de handen in de lucht en bedacht toen opeens, dat er inWest-Indiëzoowel vrouwen zijn als in andere wereldstreken. Zijn zonderlinge cliënt had zeker een doel met zijn reis. Maar hij had het totaal mis. Owen Davies had nooit in zijn leven een teeder woord met een vrouw gewisseld; hij was een man vanroutine, en een deel van zijnroutinewas, zich aan de letter van een eenmaal gesloten overeenkomst te houden. Dat was het eenige.Als laatste toevlucht deed de zaakwaarnemer het voorstel, dat Davies een testament zou maken.“Dat acht ik niet noodig,” was het langzaam en afgemeten antwoord. “De bezitting is bij toeval aan mij gekomen. Als ik sterf, kan zij even goed bij toeval op een ander overgaan.”De zaakwaarnemer zette groote oogen op. “Goed,” zeide hij; “’t is tegen mijn raad, maar gij moet doen wat gij zelf verkiest. Hebt gij ook wat geld noodig?”Owen dacht een oogenblik na.“Ja,” zeide hij, “ik zou wel tien pond willen hebben. Er wordt daar een kerk gebouwd, en daar zou ik wel voor willen inteekenen.”De zaakwaarnemer gaf hem de tien pond, zonder een woord te zeggen; hij was verstomd, en in dien toestand bleef hij totdat dedeur achter zijn cliënt dicht was. Toen sprong hij overeind met den enkelen uitroep:“Gek, gek! even als zijn oudoom!”Maar Owen Davies was volstrekt niet gek, ten minste toen niet; hij was alleen maar een slaaf der gewoonte. Toen hij aan zijn contract voldaan had, bracht hij zijn brik veilig uitWest-Indiëin de vaderlandsche haven terug (want de kapitein was in een storm verdronken). Toen nam hij een plaatskaartje tweede klasse naar Bryngelly, waar hij nog nooit in zijn leven geweest was, en vroeg den weg naar het kasteel. Men zeide hem, dat hij naar de zeekust moest gaan en dat hij het dan zien zou. Dat deed hij, hij liet zijn zeekist achter, en daar, omstreeks twee honderd passen van het land af en op een eenzame rotshoogte gebouwd, zag hij een groot middeleeuwsch versterkt gebouw, met hooge torens en door den gloed der ondergaande zon beschenen. Met verbazing staarde hij er op. Kon het zijn, dat die sterkte hem toebehoorde, en zoo ja, hoe ter wereld kwam men er dan? Een poos liep hij verbaasd heen en weer, te beschroomd om in het dorp inlichtingen te vragen. Intusschen, hoewel door hem niet opgemerkt, zat op een bank, aan den voet van een rots, een slank, bevallig meisje, naar gissing van vijftienjarigen leeftijd, dat hem met haar groote grijze oogen lachend gadesloeg. Eindelijk stond zij op, en met de vrijmoedige vertrouwelijkheid aan haar leeftijd eigen, kwam zij recht op hem af.“Wilt gij het kasteel zien, mijnheer?” vroeg zij met een zachte, welluidende stem, waarvan Owen Davies de klank nimmer vergat.“Ja—o, neem mij niet kwalijk,” toen hij zag, dat hij tot een jonge dame sprak.“Dan vrees ik dat gij te laat komt—juffrouw Thomas laat na vier uur niemand meer het kasteel zien. Zij is daar de huishoudster, moet gij weten.”“O, zoo—maar ik kom eigenlijk niet om het kasteel te zien. Ik kom om er te wonen. Ik ben Owen Davies, en het is aan mij vermaakt.”Beatrice, want niemand anders dan zij was het, beschouwde hemmet verbazing. Dat was dus de geheimzinnige zeeman, over wien in Bryngelly zooveel gesproken was.“O,” zeide zij, met een vrijmoedigheid, die hem verlegen maakte, “wat is dat een rare manier om thuis te komen! ’t Is hoog getij, en gij zult een boot moeten nemen. Ik zal u wijzen waar gij er een vinden kunt. De oude Eduard zal u voor eensixpenceoverroeien,” en zij ging hem voor naar een plaats op het strand, waar de oude Eduard van den vroegen ochtend tot den avond in zijn boot zat te wachten op iemand, die overgeroeid wilde worden.“Eduard,” zeide de jonge dame, “hier is de nieuwe eigenaar van het kasteel, mijnheer Owen Davies, die er heen geroeid wil worden.” Eduard, een echt type van een oud zeeman, met kleine oogen en een verweerd gelaat, dat aan een van die rare gezichten deed denken, die men wel op knoppen van wandelstokken ziet, zag haar met verbazing aan, en zeide, met een wantrouwenden blik op fluisterenden toon:“Heeft hij papieren bij zich, die bewijzen dat hij is, voor wien hij zich uitgeeft?”“Dat weet ik niet,” antwoordde zij lachend. “Hij zegt dat hij mijnheer Owen Davies is.”“Welnu, misschien is hij het, en misschien is hij het niet; in allen gevalle gaat het mij niet aan, en eensixpenceis eensixpence.”Dit alles hoorde de ongelukkige Davies, en het bracht hem juist niet meer op zijn gemak.“Kom, mijnheer, als gij maar wilt,” zeide Eduard, terwijl hij zijn boot naar de branding trok. Een visioen van juffrouw Thomas schoot Owen voor den geest. Als de schipper hem niet geloofde, wat had hij dan voor kans bij de huishoudster? Hij had wel gewenscht, dat hij den zaakwaarnemer medegebracht had, en toen wenschte hij dat hij maar weer op de brik was.“Kom mijnheer,” herhaalde Eduard, op strengen toon, zijn aarzeling aan het schuldbesef van een bedrieger toeschrijvende.“Hm!” zeide Owen tot de jonge dame. “Ik vraag u wel verschooning.Ik weet uw naam niet eens, en ik heb zeker geen recht om het te vragen, maar zoudt gij er tegen hebben met mij mee te roeien? Het zou zoo vriendelijk van u zijn; gij zoudt mij aan de huishoudster kunnen voorstellen.”Weder lachte Beatrice met meisjesachtige vroolijkheid; zij was te jong om er iets onbehoorlijks in te zien, en dat was er dan eigenlijk ook niet in. Maar zij vond het grappig, en een niet onnatuurlijke nieuwsgierigheid was bij haar gewekt om te zien, hoe het zou afloopen.“O, jawel,” antwoordde zij, “ik zal meegaan.”De boot werd afgestooten, en weldra waren zij aan de steenen kaai van de haven bij het kasteel, in den omtrek waarvan allengs een klein dorp van pachtersontstaanwas. Eenige van die lieden waren, toen zij de boot zagen aankomen, hun hutten uitgedrenteld, en meenende dat een bezoeker, onder leiding van Miss Beatrice de oudheden van het kasteel kwam bezichtigen, waren zij weer teruggedrenteld. Nu begon het paar langs een slingerpad de rotshoogte te beklimmen, totdat zij eindelijk voor het gebouw stonden, dat, hoe oud ook, toch geenszins van de gemakken der hedendaagsche beschaving verstoken was, want het water werd er bij voorbeeld aangebracht door buizen, onder de zee door gelegd, van een bergtop op twee mijlen afstands op het vasteland.“Is dat hier geen mooi gezicht?” zeide Beatrice, naar de uitgestrektheid land en zee wijzende. “Ik geloof, mijnheer Davies, dat gij de mooiste woonplaats op de heele wereld hebt. Uw oudoom, die hier een jaar geleden gestorven is, heeft meer dan vijftigduizend pond aan reparatiën besteed, zegt men. Hij heeft de groote gezelschapszaal, daar waar de steenen een weinig lichter van kleur zijn, laten aanbouwen; die is vijf-en-vijftig voet lang. Denk eens, vijftig duizend pond!”“’t Is een groote som,” zeide Owen, in zijn hart denkende wat ter wereld hij toch met dat middeleeuwsch kasteel en zijn gezelschapszaal van vijf-en-vijftig voet lang moest beginnen.“Het schijnt niet veel indruk op hem te maken,” dachtBeatrice,terwijl zij aan de schel van de achterdeur trok, “hij is zeker dom. Hij ziet er dom uit.”De deur werd geopend door een oude vrouw van een driftig voorkomen, met een schelle stem.“Juffrouw Thomas,” dacht Owen; “zij is nog erger dan ik verwacht had.”“Ga alsjeblieft weer heen,” begon de geduchte huishoudster op haar schelsten toon, “’t is te laat om het kasteel te laten zien. Wel, Miss Beatrice, zijt gij het, met een vreemden man! Wat komt gij doen?”Beatrice zag haar metgezel aan, als een wenk dat hij de reden van zijn komst verklaren zou, maar hij zeide niets.“Dat is de nieuwe eigenaar van het kasteel,” zeide zij, niet zonder zekere trotschheid. “Ik vond hem aan het strand omdwalen. Hij wist niet hoe hij hier zou komen, daarom heb ik hem hier gebracht.”“Mijn Hemel, Miss Beatrice, hoe weet gij dat hij dat is?” riep juffrouw Thomas uit. “Hij kan wel een inbreker zijn.”“O, neen, dat is hij zeker niet,” antwoordde Beatrice, en bij zichzelve zeide zij: “Daar is hij niet slim genoeg voor.”Nu volgde er een lange beraadslaging. Juffrouw Thomas weigerde stijf en sterk den vreemdeling binnen te laten zonder bewijzen van zijn identiteit, en Beatrice, die partij voor hem trok, drong even sterk op zijn aanspraken aan. Wat de wettige eigenaar zelven betrof, die wendde nu en dan zwakke pogingen aan, om te bewijzen dat hij zichzelf was, maar juffrouw Thomas bleef onverbiddelijk. Er was niets aan te doen.“Ga maar liever naar het logement terug, mijnheer,” zeide juffrouw Thomas, met scherpe spotternij, “en kom morgen met uw bagage en bewijzen.”“Hebt gij geen brieven bij u?” opperde Beatrice, als een laatst hulpmiddel.Toevallig had Owen een brief van den zaakwaarnemer aan hem over de bezitting, en waarin de naam van juffrouw Thomas alshuishoudster op het kasteel genoemd werd. Daar had hij niet aan gedacht, maar nu werd de brief te voorschijn gehaald en door Beatrice voorgelezen. Juffrouw Thomas nam dien brief aan, en na hem oplettend door haar bril met hoornen montuur wantrouwend bekeken te hebben, was zij wel genoodzaakt de echtheid er van te erkennen.“Ik vraag u wel verschooning, mijnheer,” zeide zij, met half twijfelachtige beleefdheid en juist niet veel tact, “maar men kan niet tevoorzichtigzijn, met al die landloopers, die hier omzwerven. Naar uw uiterlijk te oordeelen, mijnheer, zou ik niet gezegd hebben dat gij de eigenaar waart.”Dit mocht oprecht zijn, maar vleiend was het niet, en op echte schoolmeisjesmanier, kon Beatrice niet nalaten er achter haar zakdoek om te giegelen. Intusschen gingen zij naar binnen en werden door juffrouw Thomas plechtig door groote en kleine portalen al de kamers, de met eikenhouten beschoten boekerij en de groote gezelschapszaal rondgeleid, in welke laatstgenoemde de witte hoofden van marmeren beelden spookachtig uit de bruin linnen zakken, waarin zij gehuld waren, staken.Eindelijk kwamen zij aan een kleine, langwerpige kamer, die op het zuiden lag, en van waar men een heerlijk uitzicht op land en zee had. Die kamer werd hetboudoirgenoemd en grensde aan een andere, van omstreeks dezelfde grootte, die in den tijd van den vroegeren eigenaar als rookkamer gebruikt werd.“Als gij er niets tegen hebt, juffrouw,” zeide de eigenaar van al die pracht, “zou ik hier wel willen blijven; ik ben vermoeid van het loopen.” En hier bleef hij ook vele jaren. Het overige van het kasteel werd gesloten: hij kwam er bijna nooit, dan alleen om te zien of de kamers behoorlijk gelucht werden, want hij was een geregeld man.Beatrice ging, nog bij zichzelve lachend, naar huis, waar Elisabeth haar streng de les las over haar “ongepaste vrijmoedigheid.” Maar Owen Davies vergat nooit de dankbaarheid, die hij haar verschuldigd was. In zijn hart gevoelde hij zich overtuigd dat, als zij er niet bij was geweest, hij voor juffrouw Thomas de vlucht zougenomen hebben, om nooit terug te komen. Het geval was echter, dat hij, hoe jong Beatrice ook was, op staanden voet verliefd op haar was geworden, en dat die verliefdheid met het verloopen der jaren al dieper en dieper wortel had geschoten. Hij sprak er nooit van, hij liet nauwelijks van zijn hopeloozen toestand iets blijken, hoewel Beatrice er, natuurlijk, wel iets van vermoedde, toen zij tot jaren van onderscheid was gekomen. Maar in het hart van den eenzamen Owen was een sterke, alles overheerschende begeerte ontstaan om dat meisje met haar grijze oogen tot zijn vrouw te hebben. Hij berekende den tijd naar de tusschenpoozen dat hij haar zag. Die twee jaren, die zij in het opleidings-instituut doorbracht, waren het ongelukkigste tijdperk van zijn leven. Hij was een zeer lijdelijk minnaar, ten minste dreef zijn toenemende liefde hem niet tot uitersten. Tot een liefdesverklaring kon hij maar niet besluiten. Den beker had hij in zijn hand, maar hij waagde het niet de teerling te werpen.Hij zocht echter zooveel haar bijzijn als hij durfde. Eens gaf hij Beatrice een bloem—toen was zij zeventien jaar—en op een plompe wijze gaf hij daarbij de hoop te kennen, dat zij die om zijnentwil zou dragen. Dat gezegde was niet veel, en de bloem was ook niet veel, maar er was een uitdrukking in zijn blik en in den toon zijner stem, die het scherpzinnig meisje genoeg zeide. Daarna bemerkte hij dat zij hem vermeed, en bitter betreurde hij zijn stoutmoedigheid. Want Beatrice hield niet van hem op die wijze zooals hij het wenschte. Voor een meisje van haar stempel beteekende zijn rijkdom niets. Zij begeerde geen rijkdom, zij begeerde onafhankelijkheid, en was verstandig genoeg om wel te weten dat een huwelijk met zulk een man haar die niet zou aanbrengen. Een kooi blijft altijd een kooi, of de tralies van ijzer of van goud zijn. Hij verveelde haar, en zij verachtte hem, om zijn gebrek aan schranderheid en ondernemingszucht. Dat een man met al dien rijkdom en zooveel gelegenheid om zich te onderscheiden, op zulk een wijze zijn leven doorbracht, vond zij onverdragelijk. Als zij maar half zooveel kans had, zou zij haar naamvan het eene einde van Europa tot het andere doen weergalmen. Kortom, Beatrice verachtte Owen even diep als hij bij Elisabeth, uit een ander gezichtspunt beschouwd, in hooge achting stond. En nooit zou Beatrice willen trouwen met een man, dien zij verachtte. Daarvoor bezat zij te veel gevoel van eigenwaarde.Owen Davies zag dit alles met verdriet, en op zijn manier zocht hij naar een middel tot toenadering. Hij had opgemerkt, dat Beatrice hartstochtelijk veel van degelijke lectuur hield, en ook dat zij de middelen niet bezat om zich de noodige boeken aan te schaffen. Dus zette hij zijn bibliotheek voor haar open; het was een der beste in Wales. Hij deed nog meer: hij gaf een Londensch boekverkooper order, hem elk nieuw boek van beteekenis, dat in zekere soort van litteratuur in ’t licht verscheen, te zenden, en al die boeken stelde hij tot haar beschikking, na eerst eigenhandig, de bladen opengesneden te hebben. Dit was een lokaas, dat Beatrice niet kon weerstaan. Al vermeed zij Davies, ja, al verfoeide zij hem ook, op zijn boeken was zij zeer gesteld, en als zij in onmin met hem was, zou haar bron van kennis opdrogen, want er waren te Bryngelly geen leesbibliotheken. Dus bleef zij op een goeden voet met hem, en glimlachte zelfs, als hij vruchtelooze pogingen deed om haar in haar studie bij te houden. Die arme man! lezen was zijn zaak niet; bladen opensnijden kon hij beter. Hij las deTimesen zekere godsdienstige boeken, dat was alles. Maar hij worstelde dapper door menig verfoeid boekdeel heen, om in staat te zijn er tegen Beatrice iets van te zeggen; en het ergste er van was dat Beatrice dit altijd doorzag, en het hem liet blijken ook. Dat was misschien niet vriendelijk, maar de jeugd is soms wreed.En zoo verliep jaar op jaar, totdat Beatrice eindelijk wist dat er een crisis ophanden was. Zelfs de traagste en beschroomdste minnaar moet er eindelijk voor uitkomen, als hij het ernstig meent, en Owen Davies meende het zeer ernstig. Onlangs was hij, tot haar schrik, zoo ver uit zijn schelp gekomen, dat hij zich tot lid van de schoolcommissie had laten benoemen. Zij wist, natuurlijk, datdit alleen was om meer gelegenheden te hebben haar te zien. Als lid van de schoolcommissie kon hij de school, waar zij onderwijs gaf, zoo dikwijls bezoeken als hij verkoos, en al spoedig stelde hij dan ook het levendigst belang in de opvoeding der dorpsjeugd. Tweemaal in de week kwam hij binnenloopen, juist als de school uitging, en dan bood hij aan haar thuis te brengen, om eengunstigegelegenheid voor zijn aanzoek te hebben. Tot dusverre had zij dit laatste nog altijd weten af te wenden, maar zij wist dat het er toe komen moest.Niet dat zij bevreesd voor den man zelf was, daartoe washijte bevreesd voorhaar. Wat zij vreesde, was de uitbarsting van toorn van haar vader en haar zuster, als zij hoorden dat zij Owen Davies had afgewezen. Het kwam volstrekt niet bij haar op, dat Elisabeth weleens haar eigen kaart zou kunnen spelen.Uit dit alles zal duidelijk blijken, als het niet reeds gebleken is, dat Beatrice Granger een vrij eigenzinnige jonge dame was, geboren om zichzelve en allen, die met haar in betrekking stonden, last aan te doen. Als het anders geweest was, zou zij haar geluk niet vergooid hebben en met Owen Davies getrouwd zijn, in welk geval haar geschiedenis niet geschreven had behoeven te worden.

Met een luchtig hart liep Owen Davies huiswaarts. De regen, die hem in ’t gelaat sloeg, en het loeien van den wind verstoorden zijn gemoedsstemming in ’t minst niet. Dat waren wel onaangenaamheden,maar hij nam ze aan zooals hij het leven met al zijn ijdelheden aannam, zonder zich er het hoofd mee te breken. Er zijn karakters, waarvan dit een heerschende geestgesteldheid is. Wie met zulk een geestgesteldheid begiftigd zijn, komen reeds vroeg in hun leven tot het besluit, dat de wereld hun verstand te boven gaat. Zij doen dus ook maar geen moeite meer om haar te begrijpen, en gevolgelijk zijn zij, op hun stompzinnige wijze, tevreden en gelukkige stervelingen. Vraagstukken, waarover menschen van een sterker verstand en een onderzoekenden geest hun leven lang hun hersens vermoeien, verstoren hun kalmte niet; die laten zij eenvoudig glippen. Zij zien de sterren, zij lezen van het groote raadsel des heelals, van wereldbollen, altijd voortwentelend in het grenzenloos ruim, en zij zijn niet verbaasd. In hun kindsheid hebben zij geleerd, dat God de zon en de maan en de sterren geschapen heeft om licht op aarde te geven; dat is hun genoeg. En zoo is het met alles. Armoede en lijden, oorlog, pestilentie, de ongelijke lotsbedeeling, waanzin, leven en dood, en de geestelijke wonderen, die van alle kanten ons bestaan omringen, zijn zaken, die niet onderzocht, maar aangenomen moeten worden. Dus nemen zij ze aan, zooals zij hun middagmaal of een winkelierscirculaire aannemen.

In sommige gevallen spruit zulk een geestgesteldheid voort uit eenvoudige en diepe godsdienstige overtuiging, en soms ook uit een overwicht van gezond dierlijk instinct op het hoogere en lastiger geestelijk element. De os, die in de frissche weide herkauwt, denkt over geen verleden of toekomst, en de zeemeeuw, die als een sneeuwvlokje tegen de ondergaande zon uitkomt, weet niets van den luister van lucht en zee. Ook de wilde bekommert zich even weinig over het scheppingsplan. Het begin is zijn eigen geboorte en het einde is dat hij overgaat in het Onbekende, en voor ’t overige zijn er runderen en vrouwen, en vijanden om te overwinnen. Maar ossen en zeemeeuwen hebben, zoover wij weten, geen last van een geestelijk element, en in den wilde wordt zoo iets niet aangekweekt.

Maarmisschienontstaat deze gesteldheid, zoo noodzakelijk voor een kalmen vorm van geluk, meestal uit een vereeniging van physieke en godsdienstige ontwikkeling. Zoo tenminste was het met den rijken man, die daar in den wind en den regen voortzwoegde. Hij was zoowel van aard als door opvoeding een man van even eenvoudige en sterke godsdienstige beginselen, als hij van een benijdenswaardig sterk, gezond en kalm lichaamsgestel was. Nu zal men misschien wel zeggen, dat het met tienduizend pond ’s jaars niet moeilijk is godsdienstig en kalm te zijn, maar Owen Davies had zich niet altijd in het genot van tienduizend pond ’s jaars en het bezit van een der fraaiste en meeste romantische buitenverblijven in Wales kunnen verheugen. Van zijn zeventiende jaar af, toen hij door den dood zijner moeder ouderloos was geworden, totdat hij den dertigjarigen leeftijd had bereikt, een jaar of zes voor het begin van dit verhaal, had hij een zoo hard leven gehad als het lot iemand maar kan toebedeelen. Men heeft misschien weleens gehoord van koopvaardijbrikken, die tusschen Engeland en West-Indië varen, en kolen uit- en suiker invoeren.

Aan boord van een van die schepen werkte Owen Davies dertien jaar lang. Hij deed zijn werk goed, maar hij maakte zich geen vrienden en bleef altijd dezelfde beschroomde, stille en vrome man. Toen stierf er plotseling een oom van hem zonder testament, en hij zag zich erfgenaam van Bryngelly Castle met al zijn inkomsten. Hij had dien oom nooit gezien, en nooit gedroomd, dat die groote bezitting op hem zou overgaan. Maar hij nam het goede aan zooals hij het kwade had aangenomen en zeide niets. De eenige menschen, die hem kenden, waren zijn scheepskameraden, en ook van hen kon het nauwelijks gezegd worden, dat zij hem kenden. Zij kenden hem van gezicht, zij kenden het geluid van zijn stem en zijn manier van zijn werk te doen. Zij wisten ook, hoewel hij nooit over godsdienst sprak, dat hij elken avond een hoofdstuk uit den Bijbel las, en zoo dikwijls zij een haven aandeden, naar de kerk ging. Maar van zijn innerlijk karakter wisten zij niets. Dit belette echter niet, dat zij voorspelden dat Davies een“slimmerd” was, die, nu hij “de moppen” had, ook wel den “banjer zou uithangen.”

Maar Davies was er de man niet naar om “den banjer uit te hangen.” Het nieuws van het geluk, dat hem ten deel was gevallen, vernam hij juist, toen de brik, waarmee hij als eerste stuurman onder zeil zou gaan, haar lading voor West-Indië innam.

Hij had zijn contract voor de reis geteekend, en tot verbazing van den zaakwaarnemer, die de bezitting administreerde, verklaarde hij, dat hij zich er aan houden zou. Te vergeefs zocht de man van zaken zijn cliënt te beduiden dat hij door middel van eencheckvan£100 de zaak in tien minuten voor hem kon afmaken. Davies antwoordde slechts, dat de bezitting kon wachten, en dat hij de reis zou doen en dan stil gaan leven. De zaakwaarnemer sloeg de handen in de lucht en bedacht toen opeens, dat er inWest-Indiëzoowel vrouwen zijn als in andere wereldstreken. Zijn zonderlinge cliënt had zeker een doel met zijn reis. Maar hij had het totaal mis. Owen Davies had nooit in zijn leven een teeder woord met een vrouw gewisseld; hij was een man vanroutine, en een deel van zijnroutinewas, zich aan de letter van een eenmaal gesloten overeenkomst te houden. Dat was het eenige.

Als laatste toevlucht deed de zaakwaarnemer het voorstel, dat Davies een testament zou maken.

“Dat acht ik niet noodig,” was het langzaam en afgemeten antwoord. “De bezitting is bij toeval aan mij gekomen. Als ik sterf, kan zij even goed bij toeval op een ander overgaan.”

De zaakwaarnemer zette groote oogen op. “Goed,” zeide hij; “’t is tegen mijn raad, maar gij moet doen wat gij zelf verkiest. Hebt gij ook wat geld noodig?”

Owen dacht een oogenblik na.

“Ja,” zeide hij, “ik zou wel tien pond willen hebben. Er wordt daar een kerk gebouwd, en daar zou ik wel voor willen inteekenen.”

De zaakwaarnemer gaf hem de tien pond, zonder een woord te zeggen; hij was verstomd, en in dien toestand bleef hij totdat dedeur achter zijn cliënt dicht was. Toen sprong hij overeind met den enkelen uitroep:“Gek, gek! even als zijn oudoom!”

Maar Owen Davies was volstrekt niet gek, ten minste toen niet; hij was alleen maar een slaaf der gewoonte. Toen hij aan zijn contract voldaan had, bracht hij zijn brik veilig uitWest-Indiëin de vaderlandsche haven terug (want de kapitein was in een storm verdronken). Toen nam hij een plaatskaartje tweede klasse naar Bryngelly, waar hij nog nooit in zijn leven geweest was, en vroeg den weg naar het kasteel. Men zeide hem, dat hij naar de zeekust moest gaan en dat hij het dan zien zou. Dat deed hij, hij liet zijn zeekist achter, en daar, omstreeks twee honderd passen van het land af en op een eenzame rotshoogte gebouwd, zag hij een groot middeleeuwsch versterkt gebouw, met hooge torens en door den gloed der ondergaande zon beschenen. Met verbazing staarde hij er op. Kon het zijn, dat die sterkte hem toebehoorde, en zoo ja, hoe ter wereld kwam men er dan? Een poos liep hij verbaasd heen en weer, te beschroomd om in het dorp inlichtingen te vragen. Intusschen, hoewel door hem niet opgemerkt, zat op een bank, aan den voet van een rots, een slank, bevallig meisje, naar gissing van vijftienjarigen leeftijd, dat hem met haar groote grijze oogen lachend gadesloeg. Eindelijk stond zij op, en met de vrijmoedige vertrouwelijkheid aan haar leeftijd eigen, kwam zij recht op hem af.

“Wilt gij het kasteel zien, mijnheer?” vroeg zij met een zachte, welluidende stem, waarvan Owen Davies de klank nimmer vergat.

“Ja—o, neem mij niet kwalijk,” toen hij zag, dat hij tot een jonge dame sprak.

“Dan vrees ik dat gij te laat komt—juffrouw Thomas laat na vier uur niemand meer het kasteel zien. Zij is daar de huishoudster, moet gij weten.”

“O, zoo—maar ik kom eigenlijk niet om het kasteel te zien. Ik kom om er te wonen. Ik ben Owen Davies, en het is aan mij vermaakt.”

Beatrice, want niemand anders dan zij was het, beschouwde hemmet verbazing. Dat was dus de geheimzinnige zeeman, over wien in Bryngelly zooveel gesproken was.

“O,” zeide zij, met een vrijmoedigheid, die hem verlegen maakte, “wat is dat een rare manier om thuis te komen! ’t Is hoog getij, en gij zult een boot moeten nemen. Ik zal u wijzen waar gij er een vinden kunt. De oude Eduard zal u voor eensixpenceoverroeien,” en zij ging hem voor naar een plaats op het strand, waar de oude Eduard van den vroegen ochtend tot den avond in zijn boot zat te wachten op iemand, die overgeroeid wilde worden.

“Eduard,” zeide de jonge dame, “hier is de nieuwe eigenaar van het kasteel, mijnheer Owen Davies, die er heen geroeid wil worden.” Eduard, een echt type van een oud zeeman, met kleine oogen en een verweerd gelaat, dat aan een van die rare gezichten deed denken, die men wel op knoppen van wandelstokken ziet, zag haar met verbazing aan, en zeide, met een wantrouwenden blik op fluisterenden toon:

“Heeft hij papieren bij zich, die bewijzen dat hij is, voor wien hij zich uitgeeft?”

“Dat weet ik niet,” antwoordde zij lachend. “Hij zegt dat hij mijnheer Owen Davies is.”

“Welnu, misschien is hij het, en misschien is hij het niet; in allen gevalle gaat het mij niet aan, en eensixpenceis eensixpence.”

Dit alles hoorde de ongelukkige Davies, en het bracht hem juist niet meer op zijn gemak.

“Kom, mijnheer, als gij maar wilt,” zeide Eduard, terwijl hij zijn boot naar de branding trok. Een visioen van juffrouw Thomas schoot Owen voor den geest. Als de schipper hem niet geloofde, wat had hij dan voor kans bij de huishoudster? Hij had wel gewenscht, dat hij den zaakwaarnemer medegebracht had, en toen wenschte hij dat hij maar weer op de brik was.

“Kom mijnheer,” herhaalde Eduard, op strengen toon, zijn aarzeling aan het schuldbesef van een bedrieger toeschrijvende.

“Hm!” zeide Owen tot de jonge dame. “Ik vraag u wel verschooning.Ik weet uw naam niet eens, en ik heb zeker geen recht om het te vragen, maar zoudt gij er tegen hebben met mij mee te roeien? Het zou zoo vriendelijk van u zijn; gij zoudt mij aan de huishoudster kunnen voorstellen.”

Weder lachte Beatrice met meisjesachtige vroolijkheid; zij was te jong om er iets onbehoorlijks in te zien, en dat was er dan eigenlijk ook niet in. Maar zij vond het grappig, en een niet onnatuurlijke nieuwsgierigheid was bij haar gewekt om te zien, hoe het zou afloopen.

“O, jawel,” antwoordde zij, “ik zal meegaan.”

De boot werd afgestooten, en weldra waren zij aan de steenen kaai van de haven bij het kasteel, in den omtrek waarvan allengs een klein dorp van pachtersontstaanwas. Eenige van die lieden waren, toen zij de boot zagen aankomen, hun hutten uitgedrenteld, en meenende dat een bezoeker, onder leiding van Miss Beatrice de oudheden van het kasteel kwam bezichtigen, waren zij weer teruggedrenteld. Nu begon het paar langs een slingerpad de rotshoogte te beklimmen, totdat zij eindelijk voor het gebouw stonden, dat, hoe oud ook, toch geenszins van de gemakken der hedendaagsche beschaving verstoken was, want het water werd er bij voorbeeld aangebracht door buizen, onder de zee door gelegd, van een bergtop op twee mijlen afstands op het vasteland.

“Is dat hier geen mooi gezicht?” zeide Beatrice, naar de uitgestrektheid land en zee wijzende. “Ik geloof, mijnheer Davies, dat gij de mooiste woonplaats op de heele wereld hebt. Uw oudoom, die hier een jaar geleden gestorven is, heeft meer dan vijftigduizend pond aan reparatiën besteed, zegt men. Hij heeft de groote gezelschapszaal, daar waar de steenen een weinig lichter van kleur zijn, laten aanbouwen; die is vijf-en-vijftig voet lang. Denk eens, vijftig duizend pond!”

“’t Is een groote som,” zeide Owen, in zijn hart denkende wat ter wereld hij toch met dat middeleeuwsch kasteel en zijn gezelschapszaal van vijf-en-vijftig voet lang moest beginnen.

“Het schijnt niet veel indruk op hem te maken,” dachtBeatrice,terwijl zij aan de schel van de achterdeur trok, “hij is zeker dom. Hij ziet er dom uit.”

De deur werd geopend door een oude vrouw van een driftig voorkomen, met een schelle stem.

“Juffrouw Thomas,” dacht Owen; “zij is nog erger dan ik verwacht had.”

“Ga alsjeblieft weer heen,” begon de geduchte huishoudster op haar schelsten toon, “’t is te laat om het kasteel te laten zien. Wel, Miss Beatrice, zijt gij het, met een vreemden man! Wat komt gij doen?”

Beatrice zag haar metgezel aan, als een wenk dat hij de reden van zijn komst verklaren zou, maar hij zeide niets.

“Dat is de nieuwe eigenaar van het kasteel,” zeide zij, niet zonder zekere trotschheid. “Ik vond hem aan het strand omdwalen. Hij wist niet hoe hij hier zou komen, daarom heb ik hem hier gebracht.”

“Mijn Hemel, Miss Beatrice, hoe weet gij dat hij dat is?” riep juffrouw Thomas uit. “Hij kan wel een inbreker zijn.”

“O, neen, dat is hij zeker niet,” antwoordde Beatrice, en bij zichzelve zeide zij: “Daar is hij niet slim genoeg voor.”

Nu volgde er een lange beraadslaging. Juffrouw Thomas weigerde stijf en sterk den vreemdeling binnen te laten zonder bewijzen van zijn identiteit, en Beatrice, die partij voor hem trok, drong even sterk op zijn aanspraken aan. Wat de wettige eigenaar zelven betrof, die wendde nu en dan zwakke pogingen aan, om te bewijzen dat hij zichzelf was, maar juffrouw Thomas bleef onverbiddelijk. Er was niets aan te doen.

“Ga maar liever naar het logement terug, mijnheer,” zeide juffrouw Thomas, met scherpe spotternij, “en kom morgen met uw bagage en bewijzen.”

“Hebt gij geen brieven bij u?” opperde Beatrice, als een laatst hulpmiddel.

Toevallig had Owen een brief van den zaakwaarnemer aan hem over de bezitting, en waarin de naam van juffrouw Thomas alshuishoudster op het kasteel genoemd werd. Daar had hij niet aan gedacht, maar nu werd de brief te voorschijn gehaald en door Beatrice voorgelezen. Juffrouw Thomas nam dien brief aan, en na hem oplettend door haar bril met hoornen montuur wantrouwend bekeken te hebben, was zij wel genoodzaakt de echtheid er van te erkennen.

“Ik vraag u wel verschooning, mijnheer,” zeide zij, met half twijfelachtige beleefdheid en juist niet veel tact, “maar men kan niet tevoorzichtigzijn, met al die landloopers, die hier omzwerven. Naar uw uiterlijk te oordeelen, mijnheer, zou ik niet gezegd hebben dat gij de eigenaar waart.”

Dit mocht oprecht zijn, maar vleiend was het niet, en op echte schoolmeisjesmanier, kon Beatrice niet nalaten er achter haar zakdoek om te giegelen. Intusschen gingen zij naar binnen en werden door juffrouw Thomas plechtig door groote en kleine portalen al de kamers, de met eikenhouten beschoten boekerij en de groote gezelschapszaal rondgeleid, in welke laatstgenoemde de witte hoofden van marmeren beelden spookachtig uit de bruin linnen zakken, waarin zij gehuld waren, staken.

Eindelijk kwamen zij aan een kleine, langwerpige kamer, die op het zuiden lag, en van waar men een heerlijk uitzicht op land en zee had. Die kamer werd hetboudoirgenoemd en grensde aan een andere, van omstreeks dezelfde grootte, die in den tijd van den vroegeren eigenaar als rookkamer gebruikt werd.

“Als gij er niets tegen hebt, juffrouw,” zeide de eigenaar van al die pracht, “zou ik hier wel willen blijven; ik ben vermoeid van het loopen.” En hier bleef hij ook vele jaren. Het overige van het kasteel werd gesloten: hij kwam er bijna nooit, dan alleen om te zien of de kamers behoorlijk gelucht werden, want hij was een geregeld man.

Beatrice ging, nog bij zichzelve lachend, naar huis, waar Elisabeth haar streng de les las over haar “ongepaste vrijmoedigheid.” Maar Owen Davies vergat nooit de dankbaarheid, die hij haar verschuldigd was. In zijn hart gevoelde hij zich overtuigd dat, als zij er niet bij was geweest, hij voor juffrouw Thomas de vlucht zougenomen hebben, om nooit terug te komen. Het geval was echter, dat hij, hoe jong Beatrice ook was, op staanden voet verliefd op haar was geworden, en dat die verliefdheid met het verloopen der jaren al dieper en dieper wortel had geschoten. Hij sprak er nooit van, hij liet nauwelijks van zijn hopeloozen toestand iets blijken, hoewel Beatrice er, natuurlijk, wel iets van vermoedde, toen zij tot jaren van onderscheid was gekomen. Maar in het hart van den eenzamen Owen was een sterke, alles overheerschende begeerte ontstaan om dat meisje met haar grijze oogen tot zijn vrouw te hebben. Hij berekende den tijd naar de tusschenpoozen dat hij haar zag. Die twee jaren, die zij in het opleidings-instituut doorbracht, waren het ongelukkigste tijdperk van zijn leven. Hij was een zeer lijdelijk minnaar, ten minste dreef zijn toenemende liefde hem niet tot uitersten. Tot een liefdesverklaring kon hij maar niet besluiten. Den beker had hij in zijn hand, maar hij waagde het niet de teerling te werpen.

Hij zocht echter zooveel haar bijzijn als hij durfde. Eens gaf hij Beatrice een bloem—toen was zij zeventien jaar—en op een plompe wijze gaf hij daarbij de hoop te kennen, dat zij die om zijnentwil zou dragen. Dat gezegde was niet veel, en de bloem was ook niet veel, maar er was een uitdrukking in zijn blik en in den toon zijner stem, die het scherpzinnig meisje genoeg zeide. Daarna bemerkte hij dat zij hem vermeed, en bitter betreurde hij zijn stoutmoedigheid. Want Beatrice hield niet van hem op die wijze zooals hij het wenschte. Voor een meisje van haar stempel beteekende zijn rijkdom niets. Zij begeerde geen rijkdom, zij begeerde onafhankelijkheid, en was verstandig genoeg om wel te weten dat een huwelijk met zulk een man haar die niet zou aanbrengen. Een kooi blijft altijd een kooi, of de tralies van ijzer of van goud zijn. Hij verveelde haar, en zij verachtte hem, om zijn gebrek aan schranderheid en ondernemingszucht. Dat een man met al dien rijkdom en zooveel gelegenheid om zich te onderscheiden, op zulk een wijze zijn leven doorbracht, vond zij onverdragelijk. Als zij maar half zooveel kans had, zou zij haar naamvan het eene einde van Europa tot het andere doen weergalmen. Kortom, Beatrice verachtte Owen even diep als hij bij Elisabeth, uit een ander gezichtspunt beschouwd, in hooge achting stond. En nooit zou Beatrice willen trouwen met een man, dien zij verachtte. Daarvoor bezat zij te veel gevoel van eigenwaarde.

Owen Davies zag dit alles met verdriet, en op zijn manier zocht hij naar een middel tot toenadering. Hij had opgemerkt, dat Beatrice hartstochtelijk veel van degelijke lectuur hield, en ook dat zij de middelen niet bezat om zich de noodige boeken aan te schaffen. Dus zette hij zijn bibliotheek voor haar open; het was een der beste in Wales. Hij deed nog meer: hij gaf een Londensch boekverkooper order, hem elk nieuw boek van beteekenis, dat in zekere soort van litteratuur in ’t licht verscheen, te zenden, en al die boeken stelde hij tot haar beschikking, na eerst eigenhandig, de bladen opengesneden te hebben. Dit was een lokaas, dat Beatrice niet kon weerstaan. Al vermeed zij Davies, ja, al verfoeide zij hem ook, op zijn boeken was zij zeer gesteld, en als zij in onmin met hem was, zou haar bron van kennis opdrogen, want er waren te Bryngelly geen leesbibliotheken. Dus bleef zij op een goeden voet met hem, en glimlachte zelfs, als hij vruchtelooze pogingen deed om haar in haar studie bij te houden. Die arme man! lezen was zijn zaak niet; bladen opensnijden kon hij beter. Hij las deTimesen zekere godsdienstige boeken, dat was alles. Maar hij worstelde dapper door menig verfoeid boekdeel heen, om in staat te zijn er tegen Beatrice iets van te zeggen; en het ergste er van was dat Beatrice dit altijd doorzag, en het hem liet blijken ook. Dat was misschien niet vriendelijk, maar de jeugd is soms wreed.

En zoo verliep jaar op jaar, totdat Beatrice eindelijk wist dat er een crisis ophanden was. Zelfs de traagste en beschroomdste minnaar moet er eindelijk voor uitkomen, als hij het ernstig meent, en Owen Davies meende het zeer ernstig. Onlangs was hij, tot haar schrik, zoo ver uit zijn schelp gekomen, dat hij zich tot lid van de schoolcommissie had laten benoemen. Zij wist, natuurlijk, datdit alleen was om meer gelegenheden te hebben haar te zien. Als lid van de schoolcommissie kon hij de school, waar zij onderwijs gaf, zoo dikwijls bezoeken als hij verkoos, en al spoedig stelde hij dan ook het levendigst belang in de opvoeding der dorpsjeugd. Tweemaal in de week kwam hij binnenloopen, juist als de school uitging, en dan bood hij aan haar thuis te brengen, om eengunstigegelegenheid voor zijn aanzoek te hebben. Tot dusverre had zij dit laatste nog altijd weten af te wenden, maar zij wist dat het er toe komen moest.

Niet dat zij bevreesd voor den man zelf was, daartoe washijte bevreesd voorhaar. Wat zij vreesde, was de uitbarsting van toorn van haar vader en haar zuster, als zij hoorden dat zij Owen Davies had afgewezen. Het kwam volstrekt niet bij haar op, dat Elisabeth weleens haar eigen kaart zou kunnen spelen.

Uit dit alles zal duidelijk blijken, als het niet reeds gebleken is, dat Beatrice Granger een vrij eigenzinnige jonge dame was, geboren om zichzelve en allen, die met haar in betrekking stonden, last aan te doen. Als het anders geweest was, zou zij haar geluk niet vergooid hebben en met Owen Davies getrouwd zijn, in welk geval haar geschiedenis niet geschreven had behoeven te worden.

Hoofdstuk VII.Een echtelijk praatje.Voordat Geoffrey Bingham, op dien gewichtigen avond van den storm, in een onrustigen slaap viel, vernam hij dat het meisje, dat zijn leven had gered, bijna ten koste van het hare, buiten gevaar was, en op zijn meer bedaarde wijze dankte hij de Voorzienigheid even innig als Owen Davies het gedaan had. Daarna ging hij slapen.Toen hij, met een pijnlijk gevoel en zoo stijf dat hij zich nauwelijks kon verroeren, ontwaakte, scheen het heldere daglicht reeds door de blinden. Het was volkomen stil in de kamer, want de assistent van den dokter, die hem tot het leven had teruggeroepen en op een sofa aan het andere einde van de kamer lag, sliep den rustigen slaap der jeugd en totale uitgeputheid. Alleen een pendule op den schoorsteenmantel tikte eentonig, met dien plechtigen indruk, welken pendules in de stilte op ons maken. Geoffrey spande zijn oogen in, om te zien hoe laat het was, en ontdekte dat het eenige minuten vóór zessen was. Toen begon hij er over te denken hoe het met Miss Granger zou zijn, en zich elk tooneel van hun avontuur voor den geest te halen, tot het laatste, toen zij uit het bootje geslingerd en door die schuimende golf verzwolgen werden.Daarna herinnerde hij zich niets anders dan een ruischend geluid en een visioen van schuim. Hij huiverde een weinig als hij er aan dacht, want zijn zenuwen waren geschokt; ’t is niet aangenaam zoo dicht bij het einde en het begin geweest te zijn; en met hernieuwde dankbaarheid trok zijn hart naar het meisje, dat hem aan het leven en licht en hoop had teruggegeven. Juist op dit oogenblik meende hij een snikkend geluid buiten het venster te hooren. Hij luisterde; het geluid hield aan. Hij beproefde op te staan, maar daar was hij te stijf toe. Dus riep hij, als laatste toevlucht, den assistent.“Wat scheelt er aan?” zeide de jongeling, met de vlugheid van iemand, die gewoon is plotseling gewekt te worden, overeind springende. “Gevoelt ge u niet goed?”“Dat is het niet,” antwoordde Geoffrey. “Er staat buiten iemand te weenen.”De jonge dokter trok zijn jas aan, trad naar het venster en trok de blinden open.“Ja, zoo is ’t,” zeide hij. “Het is een klein meisje, met blond haar en zonder hoed.”“Een klein meisje?” hernam Geoffrey. “Dat moet Effie, mijn dochtertje, zijn. Laat haar, als ’t u belieft, binnen.”“Goed. Dek u dicht, dan kan ik het door het venster doen; het is geen vijf voet van den grond.” Derhalve deed hij het venster open, en vroeg het kleine meisje hoe zij heette.“Effie,” antwoordde zij snikkend, “Effie Bingham. Ik kom naar paatje zien.”“Goed, liefje, huil maar niet zoo; uw paatje is hier. Kom, laat mij u binnen tillen.”Nog een oogenblik, en door het open venster vertoonde zich het liefste gezichtje, waarmede een kind van zes jaar begiftigd kon zijn. Want dat gezichtje was rooskleurig en wit, en de donkere oogen leverden een allerbevalligst contrast op met het blonde haar. Maar, ach, nu waren de wangen met tranen bezoedeld, en om de donkere oogen waren bijna even donkere kringen. Dat was alles nog niet. Haar jurkje was scheef vastgehaakt, aan het eene voetje, doornat van den dauw, was geen laarsje en op het blonde krulkopje geen hoed.“O, paatje, paatje!” riep het kind, zoodra zij hem zag, en zich losworstelende om in zijn armen te snellen, “u is niet dood, is u wel, paatje?”“Neen, mijn lieve, neen,” antwoordde haar vader, haar kussende. “Waarom dacht je dat ik dood was? Heeft je moeder je niet gezegd dat ik in veiligheid ben?”“O, paatje,” antwoordde zij, “ze zeiden dat u verdronken was, en ik huilde en wou dat ik ook verdronken was. Toen kwam moeder eindelijk thuis, en ze zei dat u beter was, en ze was boos op me, omdat ik nog huilde en naar u toe wilde. Maar ik bleef toch huilen. Ik heb den heelen nacht gehuild, en toen het licht werd, heb ik mij zelf aangekleed, maar mijn hoed en mijn éénen schoen kon ik niet vinden, en ik ben het huis uitgeloopen, om u te zoeken.”“En hoe heb je mij gevonden, mijn arm, lief kind?”“O, ik hoorde moeder zeggen dat u in de pastorie was; dus wachtte ik totdat ik een man zag, en vroeg hem wat voor weg ik op moest, en hij zei me dat ik langs de rots moest gaan totdat ikeen lang, wit huis zag, en toen hij zag dat ik maar één schoen aanhad, wilde hij mij naar huis brengen, maar ik liep hard weg, totdat ik hier kwam. Maar de luiken waren dicht, dus dacht ik dat u dood was, lieve paatje, en ik huilde totdat die heer het venster opendeed.”Daarna begon Geoffrey haar te berispen dat zij weggeloopen was, maar dat scheen zij zich niet zwaar aan te trekken, want zij zat op den rand van het bed, met haar handjes op de zijne, allerliefst om te zien.“Je moet weer naar huis gaan, Effie, en moeder zeggen waar je geweest bent.”“Dat kan ik niet, paatje, ik heb maar één schoen aan,” antwoordde zij pruilend.“Maar je bent toch op één schoen gekomen.”“Ja, paatje, maar ik wou graag komen, en ik wil niet graag weer naar huis gaan.Vertel mij hoe u verdronken is.”Hij lachte om haar logica en gaf haar toe, want dat dochtertje lag hem na aan het hart, nader dan iets anders op de wereld. Dus vertelde hij haar hoe hij “verdronken” was en hoe een dame hem het leven had gered.Effie luisterde met wijdgeopende oogen, en zeide, dat zij die dame graag zou willen zien, wat later ook gebeurde. Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt, en Granger, vergezeld van den dokter, trad binnen.“Hoe gaat het, mijnheer?” zeide eerstgenoemde. “Ik moet mij aan u voorstellen, want gij weet waarschijnlijk niet wie ik ben. Toen ik u het laatst zag, zaagt gij er uit alsof gij zoo dood waart als een haai op het strand. Ik ben Granger, dominé Granger, de predikant van Bryngelly, een van de slechtste predikantsplaatsen hier op de kust, en dat zegt veel.”“Ik ben u veel dankbaarheid verschuldigd voor uw gastvrijheid, mijnheer Granger, en uw dochter nog meer, maar ik hoop haar persoonlijk te danken.”“Spreek er niet van,” zeide de predikant. “Warm wateren het warmen van dekens kost niet veel, en denbrandyen den dokter zult gij zelf moeten betalen. Hoe is ’t met hem, dokter?”“Het gaat heel goed met hem, mijnheer Granger. Maar gij zult u wel stijf gevoelen, mijnheer Bingham. Ik zie dat gij leelijke builen aan ’t hoofd hebt.”“Ja,” antwoordde hij lachend, “en mijn lichaam is ook bont en blauw. Zou ik in staat zijn vandaag naar huis te gaan?”“Ik geloof het wel,” antwoordde de dokter, “maar niet vóór van avond. Tot zoo lang doet gij beter u rustig te houden. Het zal u genoegen doen dat het met Miss Beatrice goed gaat. Dat is de wonderdadigste herstelling, die ik ooit gezien heb. Ik had haar al opgegeven, hoewel ik de behandeling toch nog een uur volgehouden zou hebben. Ge moogt Miss Beatrice wel dankbaar zijn. Zonder haar zoudt gij hier niet geweest zijn.”“Ik ben haar ten hoogste dankbaar,” antwoordde hij ernstig. “Kan ik haar vandaag nog zien?”“Ja, ik geloof het wel, na den middag, zeggen wij om drie uur. Is dat uw dochtertje? Een lief kind. Nu, tegen twaalf uur kom ik nog eens naar u zien. Het eenige, wat gij nu noodig hebt, is uw rust te houden en inwrijving metarnica.”Een uur later bracht de dienstmaagd Geoffrey een ontbijt van thee en geroosterd brood. Hij had honger, maar toen het er op aankwam, kon hij niet veel eten. Aan Effie was het echter beter besteed; zij at al het geroosterd brood op en nog een paar boterhammetjes toe. Nauwelijks had zij gedaan, of haar vader bespeurde een zweem van ongerustheid op haar gezichtje.“Wat is ’t, Effie?” vroeg hij.“Ik geloof,” antwoordde Effie, met merkbaren schrik, “dat ik moeder en Anne ook buiten hoor.”“Welnu, die komen om naar mij te zien.”“Ja, en om mij te beknorren omdat ik ben weggeloopen,” en het kind schoof dichter naar haar vader toe, op een wijze, die het voor ieder toeschouwer duidelijk gemaakt zou hebben, dat debetrekking tusschen haar en haar moeder eenigszins gespannen was.Effie had gelijk. Het duurde niet lang of er werd aan de deur geklopt, en Lady Honoria trad binnen, zoo bedaard en bleek en elegant als ooit. Zij werd gevolgd door een Franschebonne, met een paar brutale zwarte oogen, die, zoodra zij zich in de deur vertoonde, haar handen omhoog sloeg, met den uitroep: “Mon Dieu!”“Ik dacht het wel,” zeide Lady Honoria, debonnein het Fransch toesprekende. “Daar is zij,” en zij wees met haar parasol naar de weggeloopen Effie.“Mon Dieu!” zeide de vrouw weder. “Vous voilà enfin, et moi qui suis accablée de peur, et votre chère mère aussi; oh, mais que c’est méchant; et regardez donc, avec un souli seulement. Mais c’est affreux!”“Zwijg,” zeide Geoffrey scherp, “Laat de jongejuffrouw Effie met rust. Zij is naar mij komen zien.”Anne riep nog eens: “Mon Dieu!!” en zweeg toen.“Waarlijk, Geoffrey,” zeide zijn vrouw. “’t Is ergerlijk zooals ge dat kind bederft. Zij is zoo eigenzinnig als ’t maar zijn kan, en gij maakt haar nog erger. ’t Is zeer ondeugend van haar, zoo weg te loopen en ons naar haar te laten zoeken. Hoe krijgen we haar thuis, met maar één schoen aan?”Haar echtgenoot beet zich op de lippen en fronste het voorhoofd. Het was niet de eerste maal, dat het tusschen hem en Lady Honoria tot woorden was gekomen over het kind, waarmede zijn vrouw niet sympathiseerde. Zij had Effie eigenlijk nooit vergeven dat zij in de wereld was gekomen. Lady Honoria was niet een van die vrouwen, die het een vreugde achten moeder te zijn.“Anne,” zeide hij, “neem Effie op en draag haar, totdat je een ezel hebt gevonden. Dan kan zij naar huis terugrijden.” De kindermeid mompelde in het Fransch zoo iets dat het kind zoo zwaar als lood was.“Doe zooals ik je zeg,” zeide hij, op scherpen toon in dezelfdetaal. “Effie, liefje, geef mij een kus en ga naar huis. ’t Is lief van je dat je naar mij bent komen zien.”Het kind gehoorzaamde en ging heen. Lady Honoria stond haar stampvoetend na te zien, met een uitdrukking op haar schoon, maar koel gelaat, die juist geen aangenamen indruk maakte.Het was Geoffrey in den loop van zijn huwelijksleven weleens gebeurd, dat hij weer thuis kwam met iets van die versterkte liefde, die men zegt dat door afwezigheid gewekt wordt. Bij zulke gelegenheden was hij altijd zoo ongelukkig te ondervinden dat Lady Honoria die spreuk logenstrafte, dat zij hem met een overblijfsel van vroegere grieven begroette, en, zoo mogelijk, strakker dan ooit was.Zou dat nu ook weer zoo wezen, nu hij teruggekomen was na een afwezigheid, die er bij af was geweest een altijddurende te zijn? Het had er veel van. Hij bespeurde kenteekenen, waarmede hij maar al te goed bekend was, en zoowel om hemzelven als om harentwil—want boven alles had Geoffrey een afkeer van die bittere echtelijke kibbelarijen—zocht hij iets vriendelijks te bedenken om te zeggen. Het valt niet te ontkennen dat hij juist geen blijk van veel tact gaf in het onderwerp, dat hij koos, hoewel het de sympathie van andere vrouwen misschien gewekt zou hebben. ’t Is zoo moeilijk altijd te bedenken dat men met een Lady Honoria te doen heeft.“Als wij er ooit nog een kind bij krijgen—” begon hij, op zachten toon.“Neem me niet kwalijk dat ik u in de rede val,” zeide de dame, met een vriendelijkheid, die juist geen hoog denkbeeld gaf van haar vreedzame gemoedsgesteldheid, “maar ik moet u verzoeken niet in dien geest voort te gaan. Aan één zoo’n lieveling heb ik ruimschoots genoeg.”“Welnu,” hernam de ongelukkige Geoffrey, zich met moeite bedwingende, “als ge dan zelve niet veel van het kind houdt, is het wel wat onredelijk er tegen te zijn dat zij veel vanmijhoudten bedroefd was toen zij dacht dat ik dood was. Waarlijk, Honoria, ik betwijfel soms of ge wel een hart hebt. Waarom waart ge zoo knorrig omdat Effie vroeg opgestaan is om naar mij te komen zien?—waarvan gij, dit moet ik bekennen, haar het voorbeeld niet gegeven hebt. En wat haar schoen betreft—” liet hij er glimlachend op volgen.“Ge moogt om haar schoen lachen, Geoffrey,” viel zij hem in rede, “maar ge vergeet, dat zelfs zulke kleinigheden tegenwoordig voor ons geen zaken om te lachen zijn. De schoenen van het kind houden mij soms ’s nachts uit den slaap. Defoy is in, ik weet niet hoe lang, niet betaald. Ik had wel lust haar klompen te laten dragen. En wat hart betreft—”“Welnu,” viel Geoffrey in, bedenkende dat de gevoelskwestie, hoewel erg genoeg, toch beter was dan de geldkwestie—“wat ‘hart’ betreft?”“Daar mocht gij wel van zwijgen. Hoeveel van uw hart hebt gemijgegeven?”“Waarlijk, Honoria—” begon hij levendig en in de grootste verbazing. Was het mogelijk dat zijn vrouw een soort vanbesoin d’amourgevoelde, en zich iets aan zijn zijn hart gelegen liet zijn? Zoo ja, dan was het vreemd, want nog nooit had zij de minste belangstelling daarin laten blijken.“Ja,” ging zij snel en met toenemende heftigheid voort, “ge spreekt van uw hart”—wat hij niet gedaan had—“en ge weet toch even goed als ik dat ge mij dat hart, waarvan gij zooveel ophef maakt, niet aangeboden zoudt hebben, als ik geen meisje van stand was geweest. Of waart ge zóó verliefd, dat ge dacht van rozengeur en maneschijn te kunnen leven? Dan zouikwat minder hart en wat meer gezond verstand verkozen hebben.”Geoffrey gevoelde den steek. Want het was waar dat verliefdheid bij zijn aanzoek de grootste rol niet had gespeeld, en ook dat Lady Honoria en hij even arm waren alsof het werkelijk een huwelijk uit liefde was geweest.“’t Is niet billijk het verleden weer op te halen en er zoo overte spreken,” zeide hij, “al had uw positie er iets mee te maken; want ge moet in ’t oog houden dat de mijne, toen wij trouwden, niet verwerpelijk was. Tweeduizend pond ’s jaars om mee te beginnen, en een baronetschap en acht duizend pond ’s jaars in ’t vooruitzicht—maar ik spreek niet gaarne over zoo iets. Waarom dwingt ge mij er toe? Niemand kon weten dat mijn oom, die er zoo op gesteld was dat ik met u trouwen zou, op zijn leeftijd zelf nog zou trouwen en een zoon en erfgenaam zou krijgen. Dat was mijn schuld niet, Honoria. Als ge dat hadt kunnen voorzien, zoudt ge misschien mijn aanzoek niet aangenomen hebben.”“Zeer waarschijnlijk niet,” antwoordde zij kalm, “en ’t ismijnschuld niet dat ik niet geleerd heb vergenoegd te leven van zevenhonderd pond ’s jaars. ’t Was al moeilijk genoeg van twee duizend te bestaan totdat uw oom stierf, en nu—”“En nu, Honoria, als gij nog maar een weinig geduld wilt hebben en u in de omstandigheden wilt schikken zooals ze zijn, zult ge rijk genoeg worden; ik zal geld voor u verdienen, zooveel geld als ge noodig hebt. Ik heb vele vrienden. Ik heb dit jaar aan de balie geen slechte zaken gemaakt.“Twee honderd pond, negentien shillings en zevenpence, minus zeven-en-negentig pond aan kamerhuur en klerk,” zeide Lady Honoria, met een smadelijken nadruk op de zevenpence.“Die som zal ik het volgende jaar verdubbelen, en het daarop volgende weer, en zoo gaat het voort. Ik werk van den ochtend tot den avond, om vooruit te komen, zoodat gij alles kunt krijgen—waar ge voor leeft,” voegde hij er met bitterheid bij.“Ik zal wel zestig jaar zijn voordat die gelukkige tijd komt en ik aan niets meer behoefte heb dan aan oude-wijvenpraatjes en een badstoel. Ik weet wel hoe het aan de balie gaat,” hernam zij scherp. “Ge droomt, ge maakt u voorstellingen zooals ge het zoudt willen hebben, maar het komt verkeerd uit en ge misleidt uzelf en mij. Het wordt weer zooals de geschiedenis van Sir Robert Bingham’s bezitting. Wij blijven ons leven lang arm. Ik zeg u, Geoffrey, gij hadt het recht niet met mij te trouwen.”Nu verloor hij eindelijk zijn geduld. Het was niet de eerste van zulkescènes—zij hadden in den laatsten tijd dikwijls plaats.“Geen recht?” zeide hij, “en als ik vragen mag, welk recht hadt gij om met mij te trouwen, daar ge zelfs niet voorgeeft ooit van mij gehouden te hebben, maar mijn aanzoek alleen hebt aangenomen zooals ge dat van ieder ander man, die een tamelijk goede partij was, aangenomen zoudt hebben? Ik stem u toe, dat ik er het eerst aan gedacht heb u ten huwelijk te vragen omdat mijn oom het wenschte, maar al was ik niet verliefd op u, was ik toch voornemens een goed echtgenoot voor u te zijn, en ik zou u lief gehad hebben, als ge het mij maar mogelijk hadt gemaakt. Maar ge zijt koel en zelfzuchtig; ge beschouwt het huwelijk alleen als een stap tot weelde; ge hebt nooit iemand liefgehad dan uzelve. Als ik gisterenavond gestorven was, geloof ik dat ge het u meer aangetrokken zoudt hebben in den rouw te moeten gaan dan dat ge mij verloren hadt. Toen ge binnenkwaamt, deedt ge niet meer gevoel voor mij blijken dan alsof ik een vreemde was—ja, niet eens zooveel als sommige vrouwen voor vreemden zouden hebben. Ik betwijfel soms of ge in ’t geheel wel gevoel hebt. Ik zou meenen dat ge mij zoo behandelt als ge doet, omdat ge niet van mij, maar wel van een ander houdt, als ik niet wist dat ge niet in staat zijt van iemand te houden. Wilt gij dat ik u ga haten, Honoria?”De toon, waarop Geoffrey sprak, zeide zijn vrouw, die hem met een zweem van glimlach op haar lippen gadesloeg, hoe diep hij bewogen was. Hij had zijn zelfbedwang verloren, en zijn hart voor haar opengelegd—iets wat hij zelden deed, en dat was op zichzelf reeds een zegepraal, die zij op dit oogenblik niet wilde voortzetten. Geoffrey was de man niet om hem ver te drijven.“Als ge hebt uitgesproken, Geoffrey, zou ik wel willen zeggen—”“Vervloekt!” viel hij in.“Zoo?” zeide zij kalm en op vragenden toon, en zij wachtte even; maar dewijl die uitroep niets of niemand in ’t bizonder gold, ging zij voort: “Als ge met die bloemrijke taal gedaanhebt, is wat ik te zeggen heb, dit: Ik ben niet voornemens in dit akelig nest langer te blijven. Morgen ga ik naar mijn broeder Garsington. Wij zijn er beiden genoodigd, zooals ge u wel zult herinneren, maar om redenen, die gij zelf het best weet, wildet gij er niet heen gaan.”“Ge weet mijn redenen zeer goed, Honoria.”“Met uw verlof, ik weet volstrekt niet wat zij waren,” zeide Lady Honoria met overtuiging. “Mag ik ze hooren?”“Als ge het dan weten wilt, ik wil niet logeeren bij een man die—welnu, die mijn club op zoo’n manier verlaten heeft als Garsington, en die, zonder mijn tusschenkomst, er zelfs op een nog onaangenamer en meer in ’t oog loopende wijze uitgegaan zou zijn. En zijn vrouw is nog erger dan hij.”“Ik geloof, dat ge u vergist,” hernam Lady Honoria koel, en als iemand, die de deur van een kamer dichtdoet, waarin hij niet zien wil: “En in allen gevalle is dat jaren geleden gebeurd en al lang overgewaaid. Maar ik zie de noodzakelijkheid niet in om er verder over te spreken. Wij zullen elkander aan het diner zeker wel ontmoeten. Ik ga morgenochtend met den eersten trein.”“Doe zooals ge wilt, Honoria. Misschien zoudt gij liever in ’t geheel niet terugkomen.”“Dank u, neen. Ik wil mij niet aan dwaze aantijgingen blootstellen. In Londen kom ik bij u terug, en dan zal ik mij maar weer in mijn lot zien te schikken. Ik heb, Goddank, geleerd, mijn ongeluk te dragen,” en met dezen laatsten schimpscheut verliet zij de kamer.Eenige oogenblikken had haar echtgenoot een gevoel alsof hij haar bijna haatte. Toen verborg hij kermend zijn gelaat in het kussen.“Zij heeft gelijk,” zeidehijbij zichzelven; “wij moeten ons in ons lot zien te schikken. Maar ik heb mijn leven bedorven. En toch heb ik haar eenmaal liefgehad—een maand of twee.”Dat was geen aangenaam tooneel, en men zal wel zeggen dat Lady Honoria voor een dame van haar stand al vrij “ordinair”was. Maar zelfs het voorrecht van “op de knieën van markiezinnen” grootgebracht te zijn, is geen voorbehoedmiddel tegen het “ordinaire,” als een vrouw ongelukkig haar hart, of wat er van over is, op niets anders dan “ordinaire” dingen gezet heeft.

Voordat Geoffrey Bingham, op dien gewichtigen avond van den storm, in een onrustigen slaap viel, vernam hij dat het meisje, dat zijn leven had gered, bijna ten koste van het hare, buiten gevaar was, en op zijn meer bedaarde wijze dankte hij de Voorzienigheid even innig als Owen Davies het gedaan had. Daarna ging hij slapen.

Toen hij, met een pijnlijk gevoel en zoo stijf dat hij zich nauwelijks kon verroeren, ontwaakte, scheen het heldere daglicht reeds door de blinden. Het was volkomen stil in de kamer, want de assistent van den dokter, die hem tot het leven had teruggeroepen en op een sofa aan het andere einde van de kamer lag, sliep den rustigen slaap der jeugd en totale uitgeputheid. Alleen een pendule op den schoorsteenmantel tikte eentonig, met dien plechtigen indruk, welken pendules in de stilte op ons maken. Geoffrey spande zijn oogen in, om te zien hoe laat het was, en ontdekte dat het eenige minuten vóór zessen was. Toen begon hij er over te denken hoe het met Miss Granger zou zijn, en zich elk tooneel van hun avontuur voor den geest te halen, tot het laatste, toen zij uit het bootje geslingerd en door die schuimende golf verzwolgen werden.

Daarna herinnerde hij zich niets anders dan een ruischend geluid en een visioen van schuim. Hij huiverde een weinig als hij er aan dacht, want zijn zenuwen waren geschokt; ’t is niet aangenaam zoo dicht bij het einde en het begin geweest te zijn; en met hernieuwde dankbaarheid trok zijn hart naar het meisje, dat hem aan het leven en licht en hoop had teruggegeven. Juist op dit oogenblik meende hij een snikkend geluid buiten het venster te hooren. Hij luisterde; het geluid hield aan. Hij beproefde op te staan, maar daar was hij te stijf toe. Dus riep hij, als laatste toevlucht, den assistent.

“Wat scheelt er aan?” zeide de jongeling, met de vlugheid van iemand, die gewoon is plotseling gewekt te worden, overeind springende. “Gevoelt ge u niet goed?”

“Dat is het niet,” antwoordde Geoffrey. “Er staat buiten iemand te weenen.”

De jonge dokter trok zijn jas aan, trad naar het venster en trok de blinden open.

“Ja, zoo is ’t,” zeide hij. “Het is een klein meisje, met blond haar en zonder hoed.”

“Een klein meisje?” hernam Geoffrey. “Dat moet Effie, mijn dochtertje, zijn. Laat haar, als ’t u belieft, binnen.”

“Goed. Dek u dicht, dan kan ik het door het venster doen; het is geen vijf voet van den grond.” Derhalve deed hij het venster open, en vroeg het kleine meisje hoe zij heette.

“Effie,” antwoordde zij snikkend, “Effie Bingham. Ik kom naar paatje zien.”

“Goed, liefje, huil maar niet zoo; uw paatje is hier. Kom, laat mij u binnen tillen.”

Nog een oogenblik, en door het open venster vertoonde zich het liefste gezichtje, waarmede een kind van zes jaar begiftigd kon zijn. Want dat gezichtje was rooskleurig en wit, en de donkere oogen leverden een allerbevalligst contrast op met het blonde haar. Maar, ach, nu waren de wangen met tranen bezoedeld, en om de donkere oogen waren bijna even donkere kringen. Dat was alles nog niet. Haar jurkje was scheef vastgehaakt, aan het eene voetje, doornat van den dauw, was geen laarsje en op het blonde krulkopje geen hoed.

“O, paatje, paatje!” riep het kind, zoodra zij hem zag, en zich losworstelende om in zijn armen te snellen, “u is niet dood, is u wel, paatje?”

“Neen, mijn lieve, neen,” antwoordde haar vader, haar kussende. “Waarom dacht je dat ik dood was? Heeft je moeder je niet gezegd dat ik in veiligheid ben?”

“O, paatje,” antwoordde zij, “ze zeiden dat u verdronken was, en ik huilde en wou dat ik ook verdronken was. Toen kwam moeder eindelijk thuis, en ze zei dat u beter was, en ze was boos op me, omdat ik nog huilde en naar u toe wilde. Maar ik bleef toch huilen. Ik heb den heelen nacht gehuild, en toen het licht werd, heb ik mij zelf aangekleed, maar mijn hoed en mijn éénen schoen kon ik niet vinden, en ik ben het huis uitgeloopen, om u te zoeken.”

“En hoe heb je mij gevonden, mijn arm, lief kind?”

“O, ik hoorde moeder zeggen dat u in de pastorie was; dus wachtte ik totdat ik een man zag, en vroeg hem wat voor weg ik op moest, en hij zei me dat ik langs de rots moest gaan totdat ikeen lang, wit huis zag, en toen hij zag dat ik maar één schoen aanhad, wilde hij mij naar huis brengen, maar ik liep hard weg, totdat ik hier kwam. Maar de luiken waren dicht, dus dacht ik dat u dood was, lieve paatje, en ik huilde totdat die heer het venster opendeed.”

Daarna begon Geoffrey haar te berispen dat zij weggeloopen was, maar dat scheen zij zich niet zwaar aan te trekken, want zij zat op den rand van het bed, met haar handjes op de zijne, allerliefst om te zien.

“Je moet weer naar huis gaan, Effie, en moeder zeggen waar je geweest bent.”

“Dat kan ik niet, paatje, ik heb maar één schoen aan,” antwoordde zij pruilend.

“Maar je bent toch op één schoen gekomen.”

“Ja, paatje, maar ik wou graag komen, en ik wil niet graag weer naar huis gaan.Vertel mij hoe u verdronken is.”

Hij lachte om haar logica en gaf haar toe, want dat dochtertje lag hem na aan het hart, nader dan iets anders op de wereld. Dus vertelde hij haar hoe hij “verdronken” was en hoe een dame hem het leven had gered.

Effie luisterde met wijdgeopende oogen, en zeide, dat zij die dame graag zou willen zien, wat later ook gebeurde. Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt, en Granger, vergezeld van den dokter, trad binnen.

“Hoe gaat het, mijnheer?” zeide eerstgenoemde. “Ik moet mij aan u voorstellen, want gij weet waarschijnlijk niet wie ik ben. Toen ik u het laatst zag, zaagt gij er uit alsof gij zoo dood waart als een haai op het strand. Ik ben Granger, dominé Granger, de predikant van Bryngelly, een van de slechtste predikantsplaatsen hier op de kust, en dat zegt veel.”

“Ik ben u veel dankbaarheid verschuldigd voor uw gastvrijheid, mijnheer Granger, en uw dochter nog meer, maar ik hoop haar persoonlijk te danken.”

“Spreek er niet van,” zeide de predikant. “Warm wateren het warmen van dekens kost niet veel, en denbrandyen den dokter zult gij zelf moeten betalen. Hoe is ’t met hem, dokter?”

“Het gaat heel goed met hem, mijnheer Granger. Maar gij zult u wel stijf gevoelen, mijnheer Bingham. Ik zie dat gij leelijke builen aan ’t hoofd hebt.”

“Ja,” antwoordde hij lachend, “en mijn lichaam is ook bont en blauw. Zou ik in staat zijn vandaag naar huis te gaan?”

“Ik geloof het wel,” antwoordde de dokter, “maar niet vóór van avond. Tot zoo lang doet gij beter u rustig te houden. Het zal u genoegen doen dat het met Miss Beatrice goed gaat. Dat is de wonderdadigste herstelling, die ik ooit gezien heb. Ik had haar al opgegeven, hoewel ik de behandeling toch nog een uur volgehouden zou hebben. Ge moogt Miss Beatrice wel dankbaar zijn. Zonder haar zoudt gij hier niet geweest zijn.”

“Ik ben haar ten hoogste dankbaar,” antwoordde hij ernstig. “Kan ik haar vandaag nog zien?”

“Ja, ik geloof het wel, na den middag, zeggen wij om drie uur. Is dat uw dochtertje? Een lief kind. Nu, tegen twaalf uur kom ik nog eens naar u zien. Het eenige, wat gij nu noodig hebt, is uw rust te houden en inwrijving metarnica.”

Een uur later bracht de dienstmaagd Geoffrey een ontbijt van thee en geroosterd brood. Hij had honger, maar toen het er op aankwam, kon hij niet veel eten. Aan Effie was het echter beter besteed; zij at al het geroosterd brood op en nog een paar boterhammetjes toe. Nauwelijks had zij gedaan, of haar vader bespeurde een zweem van ongerustheid op haar gezichtje.

“Wat is ’t, Effie?” vroeg hij.

“Ik geloof,” antwoordde Effie, met merkbaren schrik, “dat ik moeder en Anne ook buiten hoor.”

“Welnu, die komen om naar mij te zien.”

“Ja, en om mij te beknorren omdat ik ben weggeloopen,” en het kind schoof dichter naar haar vader toe, op een wijze, die het voor ieder toeschouwer duidelijk gemaakt zou hebben, dat debetrekking tusschen haar en haar moeder eenigszins gespannen was.

Effie had gelijk. Het duurde niet lang of er werd aan de deur geklopt, en Lady Honoria trad binnen, zoo bedaard en bleek en elegant als ooit. Zij werd gevolgd door een Franschebonne, met een paar brutale zwarte oogen, die, zoodra zij zich in de deur vertoonde, haar handen omhoog sloeg, met den uitroep: “Mon Dieu!”

“Ik dacht het wel,” zeide Lady Honoria, debonnein het Fransch toesprekende. “Daar is zij,” en zij wees met haar parasol naar de weggeloopen Effie.

“Mon Dieu!” zeide de vrouw weder. “Vous voilà enfin, et moi qui suis accablée de peur, et votre chère mère aussi; oh, mais que c’est méchant; et regardez donc, avec un souli seulement. Mais c’est affreux!”

“Zwijg,” zeide Geoffrey scherp, “Laat de jongejuffrouw Effie met rust. Zij is naar mij komen zien.”

Anne riep nog eens: “Mon Dieu!!” en zweeg toen.

“Waarlijk, Geoffrey,” zeide zijn vrouw. “’t Is ergerlijk zooals ge dat kind bederft. Zij is zoo eigenzinnig als ’t maar zijn kan, en gij maakt haar nog erger. ’t Is zeer ondeugend van haar, zoo weg te loopen en ons naar haar te laten zoeken. Hoe krijgen we haar thuis, met maar één schoen aan?”

Haar echtgenoot beet zich op de lippen en fronste het voorhoofd. Het was niet de eerste maal, dat het tusschen hem en Lady Honoria tot woorden was gekomen over het kind, waarmede zijn vrouw niet sympathiseerde. Zij had Effie eigenlijk nooit vergeven dat zij in de wereld was gekomen. Lady Honoria was niet een van die vrouwen, die het een vreugde achten moeder te zijn.

“Anne,” zeide hij, “neem Effie op en draag haar, totdat je een ezel hebt gevonden. Dan kan zij naar huis terugrijden.” De kindermeid mompelde in het Fransch zoo iets dat het kind zoo zwaar als lood was.

“Doe zooals ik je zeg,” zeide hij, op scherpen toon in dezelfdetaal. “Effie, liefje, geef mij een kus en ga naar huis. ’t Is lief van je dat je naar mij bent komen zien.”

Het kind gehoorzaamde en ging heen. Lady Honoria stond haar stampvoetend na te zien, met een uitdrukking op haar schoon, maar koel gelaat, die juist geen aangenamen indruk maakte.

Het was Geoffrey in den loop van zijn huwelijksleven weleens gebeurd, dat hij weer thuis kwam met iets van die versterkte liefde, die men zegt dat door afwezigheid gewekt wordt. Bij zulke gelegenheden was hij altijd zoo ongelukkig te ondervinden dat Lady Honoria die spreuk logenstrafte, dat zij hem met een overblijfsel van vroegere grieven begroette, en, zoo mogelijk, strakker dan ooit was.

Zou dat nu ook weer zoo wezen, nu hij teruggekomen was na een afwezigheid, die er bij af was geweest een altijddurende te zijn? Het had er veel van. Hij bespeurde kenteekenen, waarmede hij maar al te goed bekend was, en zoowel om hemzelven als om harentwil—want boven alles had Geoffrey een afkeer van die bittere echtelijke kibbelarijen—zocht hij iets vriendelijks te bedenken om te zeggen. Het valt niet te ontkennen dat hij juist geen blijk van veel tact gaf in het onderwerp, dat hij koos, hoewel het de sympathie van andere vrouwen misschien gewekt zou hebben. ’t Is zoo moeilijk altijd te bedenken dat men met een Lady Honoria te doen heeft.

“Als wij er ooit nog een kind bij krijgen—” begon hij, op zachten toon.

“Neem me niet kwalijk dat ik u in de rede val,” zeide de dame, met een vriendelijkheid, die juist geen hoog denkbeeld gaf van haar vreedzame gemoedsgesteldheid, “maar ik moet u verzoeken niet in dien geest voort te gaan. Aan één zoo’n lieveling heb ik ruimschoots genoeg.”

“Welnu,” hernam de ongelukkige Geoffrey, zich met moeite bedwingende, “als ge dan zelve niet veel van het kind houdt, is het wel wat onredelijk er tegen te zijn dat zij veel vanmijhoudten bedroefd was toen zij dacht dat ik dood was. Waarlijk, Honoria, ik betwijfel soms of ge wel een hart hebt. Waarom waart ge zoo knorrig omdat Effie vroeg opgestaan is om naar mij te komen zien?—waarvan gij, dit moet ik bekennen, haar het voorbeeld niet gegeven hebt. En wat haar schoen betreft—” liet hij er glimlachend op volgen.

“Ge moogt om haar schoen lachen, Geoffrey,” viel zij hem in rede, “maar ge vergeet, dat zelfs zulke kleinigheden tegenwoordig voor ons geen zaken om te lachen zijn. De schoenen van het kind houden mij soms ’s nachts uit den slaap. Defoy is in, ik weet niet hoe lang, niet betaald. Ik had wel lust haar klompen te laten dragen. En wat hart betreft—”

“Welnu,” viel Geoffrey in, bedenkende dat de gevoelskwestie, hoewel erg genoeg, toch beter was dan de geldkwestie—“wat ‘hart’ betreft?”

“Daar mocht gij wel van zwijgen. Hoeveel van uw hart hebt gemijgegeven?”

“Waarlijk, Honoria—” begon hij levendig en in de grootste verbazing. Was het mogelijk dat zijn vrouw een soort vanbesoin d’amourgevoelde, en zich iets aan zijn zijn hart gelegen liet zijn? Zoo ja, dan was het vreemd, want nog nooit had zij de minste belangstelling daarin laten blijken.

“Ja,” ging zij snel en met toenemende heftigheid voort, “ge spreekt van uw hart”—wat hij niet gedaan had—“en ge weet toch even goed als ik dat ge mij dat hart, waarvan gij zooveel ophef maakt, niet aangeboden zoudt hebben, als ik geen meisje van stand was geweest. Of waart ge zóó verliefd, dat ge dacht van rozengeur en maneschijn te kunnen leven? Dan zouikwat minder hart en wat meer gezond verstand verkozen hebben.”

Geoffrey gevoelde den steek. Want het was waar dat verliefdheid bij zijn aanzoek de grootste rol niet had gespeeld, en ook dat Lady Honoria en hij even arm waren alsof het werkelijk een huwelijk uit liefde was geweest.

“’t Is niet billijk het verleden weer op te halen en er zoo overte spreken,” zeide hij, “al had uw positie er iets mee te maken; want ge moet in ’t oog houden dat de mijne, toen wij trouwden, niet verwerpelijk was. Tweeduizend pond ’s jaars om mee te beginnen, en een baronetschap en acht duizend pond ’s jaars in ’t vooruitzicht—maar ik spreek niet gaarne over zoo iets. Waarom dwingt ge mij er toe? Niemand kon weten dat mijn oom, die er zoo op gesteld was dat ik met u trouwen zou, op zijn leeftijd zelf nog zou trouwen en een zoon en erfgenaam zou krijgen. Dat was mijn schuld niet, Honoria. Als ge dat hadt kunnen voorzien, zoudt ge misschien mijn aanzoek niet aangenomen hebben.”

“Zeer waarschijnlijk niet,” antwoordde zij kalm, “en ’t ismijnschuld niet dat ik niet geleerd heb vergenoegd te leven van zevenhonderd pond ’s jaars. ’t Was al moeilijk genoeg van twee duizend te bestaan totdat uw oom stierf, en nu—”

“En nu, Honoria, als gij nog maar een weinig geduld wilt hebben en u in de omstandigheden wilt schikken zooals ze zijn, zult ge rijk genoeg worden; ik zal geld voor u verdienen, zooveel geld als ge noodig hebt. Ik heb vele vrienden. Ik heb dit jaar aan de balie geen slechte zaken gemaakt.

“Twee honderd pond, negentien shillings en zevenpence, minus zeven-en-negentig pond aan kamerhuur en klerk,” zeide Lady Honoria, met een smadelijken nadruk op de zevenpence.

“Die som zal ik het volgende jaar verdubbelen, en het daarop volgende weer, en zoo gaat het voort. Ik werk van den ochtend tot den avond, om vooruit te komen, zoodat gij alles kunt krijgen—waar ge voor leeft,” voegde hij er met bitterheid bij.

“Ik zal wel zestig jaar zijn voordat die gelukkige tijd komt en ik aan niets meer behoefte heb dan aan oude-wijvenpraatjes en een badstoel. Ik weet wel hoe het aan de balie gaat,” hernam zij scherp. “Ge droomt, ge maakt u voorstellingen zooals ge het zoudt willen hebben, maar het komt verkeerd uit en ge misleidt uzelf en mij. Het wordt weer zooals de geschiedenis van Sir Robert Bingham’s bezitting. Wij blijven ons leven lang arm. Ik zeg u, Geoffrey, gij hadt het recht niet met mij te trouwen.”

Nu verloor hij eindelijk zijn geduld. Het was niet de eerste van zulkescènes—zij hadden in den laatsten tijd dikwijls plaats.

“Geen recht?” zeide hij, “en als ik vragen mag, welk recht hadt gij om met mij te trouwen, daar ge zelfs niet voorgeeft ooit van mij gehouden te hebben, maar mijn aanzoek alleen hebt aangenomen zooals ge dat van ieder ander man, die een tamelijk goede partij was, aangenomen zoudt hebben? Ik stem u toe, dat ik er het eerst aan gedacht heb u ten huwelijk te vragen omdat mijn oom het wenschte, maar al was ik niet verliefd op u, was ik toch voornemens een goed echtgenoot voor u te zijn, en ik zou u lief gehad hebben, als ge het mij maar mogelijk hadt gemaakt. Maar ge zijt koel en zelfzuchtig; ge beschouwt het huwelijk alleen als een stap tot weelde; ge hebt nooit iemand liefgehad dan uzelve. Als ik gisterenavond gestorven was, geloof ik dat ge het u meer aangetrokken zoudt hebben in den rouw te moeten gaan dan dat ge mij verloren hadt. Toen ge binnenkwaamt, deedt ge niet meer gevoel voor mij blijken dan alsof ik een vreemde was—ja, niet eens zooveel als sommige vrouwen voor vreemden zouden hebben. Ik betwijfel soms of ge in ’t geheel wel gevoel hebt. Ik zou meenen dat ge mij zoo behandelt als ge doet, omdat ge niet van mij, maar wel van een ander houdt, als ik niet wist dat ge niet in staat zijt van iemand te houden. Wilt gij dat ik u ga haten, Honoria?”

De toon, waarop Geoffrey sprak, zeide zijn vrouw, die hem met een zweem van glimlach op haar lippen gadesloeg, hoe diep hij bewogen was. Hij had zijn zelfbedwang verloren, en zijn hart voor haar opengelegd—iets wat hij zelden deed, en dat was op zichzelf reeds een zegepraal, die zij op dit oogenblik niet wilde voortzetten. Geoffrey was de man niet om hem ver te drijven.

“Als ge hebt uitgesproken, Geoffrey, zou ik wel willen zeggen—”

“Vervloekt!” viel hij in.

“Zoo?” zeide zij kalm en op vragenden toon, en zij wachtte even; maar dewijl die uitroep niets of niemand in ’t bizonder gold, ging zij voort: “Als ge met die bloemrijke taal gedaanhebt, is wat ik te zeggen heb, dit: Ik ben niet voornemens in dit akelig nest langer te blijven. Morgen ga ik naar mijn broeder Garsington. Wij zijn er beiden genoodigd, zooals ge u wel zult herinneren, maar om redenen, die gij zelf het best weet, wildet gij er niet heen gaan.”

“Ge weet mijn redenen zeer goed, Honoria.”

“Met uw verlof, ik weet volstrekt niet wat zij waren,” zeide Lady Honoria met overtuiging. “Mag ik ze hooren?”

“Als ge het dan weten wilt, ik wil niet logeeren bij een man die—welnu, die mijn club op zoo’n manier verlaten heeft als Garsington, en die, zonder mijn tusschenkomst, er zelfs op een nog onaangenamer en meer in ’t oog loopende wijze uitgegaan zou zijn. En zijn vrouw is nog erger dan hij.”

“Ik geloof, dat ge u vergist,” hernam Lady Honoria koel, en als iemand, die de deur van een kamer dichtdoet, waarin hij niet zien wil: “En in allen gevalle is dat jaren geleden gebeurd en al lang overgewaaid. Maar ik zie de noodzakelijkheid niet in om er verder over te spreken. Wij zullen elkander aan het diner zeker wel ontmoeten. Ik ga morgenochtend met den eersten trein.”

“Doe zooals ge wilt, Honoria. Misschien zoudt gij liever in ’t geheel niet terugkomen.”

“Dank u, neen. Ik wil mij niet aan dwaze aantijgingen blootstellen. In Londen kom ik bij u terug, en dan zal ik mij maar weer in mijn lot zien te schikken. Ik heb, Goddank, geleerd, mijn ongeluk te dragen,” en met dezen laatsten schimpscheut verliet zij de kamer.

Eenige oogenblikken had haar echtgenoot een gevoel alsof hij haar bijna haatte. Toen verborg hij kermend zijn gelaat in het kussen.

“Zij heeft gelijk,” zeidehijbij zichzelven; “wij moeten ons in ons lot zien te schikken. Maar ik heb mijn leven bedorven. En toch heb ik haar eenmaal liefgehad—een maand of twee.”

Dat was geen aangenaam tooneel, en men zal wel zeggen dat Lady Honoria voor een dame van haar stand al vrij “ordinair”was. Maar zelfs het voorrecht van “op de knieën van markiezinnen” grootgebracht te zijn, is geen voorbehoedmiddel tegen het “ordinaire,” als een vrouw ongelukkig haar hart, of wat er van over is, op niets anders dan “ordinaire” dingen gezet heeft.


Back to IndexNext