Hoofdstuk VIII.

Hoofdstuk VIII.Uitleggingen.Omstreeks twee uur stond Geoffrey op, en kwam met eenige hulp van zijn WelEerwaarden gastheer in zijn kleeren. Toen gebruikte hij eenluncheon, en terwijl hij dat deed, stortte Granger zijn hart voor hem uit.“Mijn vader was een pachter in Herefordshire, mijnheer Bingham,” zeide hij, “en in dien stand werd ik opgevoed. Mijn vader maakte goede zaken, zooals in die dagen een vlijtig man doen kon. Wat meer is, hij won wat geld als veekooper, en ik geloof dat dit zijn hoofd een weinig op hol bracht; ten minste, hij wilde ‘een heer van mij maken,’ zooals hij het noemde. Dus werd ik, toen ik achttien jaar was, weggestuurd om predikant te worden, of ik er lust in had of niet. Goed, ik werd predikant, en vier jaar lang had ik een hulppredikersplaats in een dorp, Kington genaamd, in Herefordshire, geen slecht plaatsje—misschien kent gij het wel. Terwijl ik daar was, ging mijn vader, die buiten zichzelven geraakte, aan ’t speculeeren. Hij liet een rij villa’s te Leominster bouwen, ten minste, hij leende een zaakwaarnemer het geld om ze te bouwen, en toen ze gebouwd waren, wilde niemand ze huren. Die villa’s hadden mijn vader geruïneerd. Ik heb na dien tijd geen villa kunnen zien zonder er van te griezelen, mijnheerBingham. Enkort daarop stierf hij, een bankroet zoo nabij als iemands neus dichtbij zijn mond is.“Daarna werd mij deze predikantsplaats aangeboden van niet meer dan £ 150, en als een gek nam ik die aan. De oude predikant, mijn voorganger, was door de geringe bezoldiging geruïneerd, evenals zij mij ruïneert, en had een eenige dochter nagelaten. Met die dochter trouwde ik, en zij was een lieve vrouw; zij had veel van mijn Beatrice, maar zij was niet zoo verstandig. Ik weet niet waar Beatrice’s verstand van daan komt,—van mij niet, daar geef ik mij niet voor uit. Mijn vrouw was van goede geboorte, van een oude Cornwallsche familie, maar zij had nergens een heenkomen, en ik geloof, dat zij maar met mij trouwde, omdat zij niet wist wat zij anders beginnen moest, en omdat zij aan de oude plaats gehecht was. Zij nam mij, als ’t ware, op den koop toe, om er te blijven. Nu, het ging alles vrij goed, tot elf jaar geleden, toen onze zoon geboren werd, hoewel ik niet geloof dat wij elkander ooit recht verstonden. Na dien tijd kreeg zij haar gezondheid niet terug, en zeven jaar geleden is zij gestorven. Ik herinner mij, dat het op een avond was, die bizonder veel overeenkomst had met gisterenavond—eerst mist en toen storm. Het knaapje stierf eenige jaren later. Ik dacht dat het Beatrice’s hart gebroken zou hebben, zij is nooit weer hetzelfde meisje geweest, maar altijd vol rare begrippen, waarmee ik mij niet kan vereenigen.“En wat ik hier voor een leven heb, mijnheer Bingham, als ik u dat vertelde, zoudt gij het niet gelooven. Niet alleen dat de bezoldiging zoo schraal is, maar er zijn hier zooveelDissenters, en tienden zijn er niet te krijgen. Als ik niet zoo wat aan de boerderij deed, wat ook niet veel geeft, en het salaris van Beatrice als onderwijzeres, waarvoor zij een akte heeft, er bij had, zou ik al lang in het armenhuis zijn, en soms denk ik, dat het daar toch wel op zal uitloopen. Ik heb aleens een commensaal moeten nemen om toch maar rond te komen, en dat zal ik wel weer moeten doen.“En nu moet ik naar mijn boerderij terug: de oude zeug moetjongen, en ik wil eens zien hoe het met haar gaat. God geve dat zij er weer dertien krijgt! Ik zal de vigilante bestellen om hier tegen vijf uur te wezen, ofschoon ik vóór dien tijd terug zal zijn—dat wil zeggen, ik heb Elisabeth gezegd, dat zij het doen zou. Zij is uitgegaan, om eenige bezoeken voor mij af te leggen en te zien of zij niet een paar pond kan innen van de tienden, die mij sinds drie maanden verschuldigd zijn. Als iemand die kan binnenkrijgen, is het Elisabeth. Adieu, als ge met Beatrice wilt spreken, die is opgestaan en daarbinnen. Gij zult elkaar wel bevallen. Zij is een raar meisje, die Beatrice; haar begrippen gaan mijn verstand te boven, en het was kluchtig dat zij u zoo vasthield, maar dat was zeker een beschikking van de Voorzienigheid. Tot weerziens, mijnheer Bingham,” en dit zonderling exemplaar van een predikant verdween, na Geoffrey de ooren doof gepraat te hebben.Het was half drie, en de dokter had gezegd dat hij Miss Granger om drie uur kon spreken. Hij wenschte dat het al drie uur was, want hij was zijn eigen gedachten en gezelschap moede, en natuurlijk verlangend om de kennis met het zonderlinge meisje, dat zulk een diepen indruk op hem had gemaakt en ten slotte zijn leven gered had, te hernieuwen. Het was doodstil in huis; Betty, de dienstmaagd, was in de keuken bezig, de dokters waren beiden weg, en Elisabeth en haar vader waren uit. Het weer had uitgeraasd; er was dien dag geen wind, en de zonnestralen, die door het open venster schoten, deden Geoffrey verlangen in de vrije lucht te zijn. Hij had geen boek om te lezen, en telkens kwam die echtelijke twist hem weder in de gedachten.Dat hij zulke scènes te verduren had, viel Geoffrey hard. Hij kon voor zichzelven niet langer de waarheid verhelen—hij had op zijn huwelijksdag zijn geluk begraven. Als hij op vroegere jaren terugzag, herinnerde hij zich welk een geheel ander leven hij zich had voorgesteld. In die dagen was hij de kromme sprongen der jeugd moede; zelfs de gunst, die een knap, geestig en aangenaam jonkman, met groote verwachtingen, gewoonlijk bij de dames vindt,had op zes-en-twintigjarigen leeftijd niets aantrekkelijks meer voor hem. Dus had hij er wel ooren naar, toen zijn oom, Sir Robert Bingham, die naar de zeventig liep, een wenk gaf dat het voor Geoffrey wel goed zou zijn zich te vestigen, en hem aan Lady Honoria voorstelde.Lady Honoria was toen achttien jaar en een schoonheid van het wel wat strakke, beeldachtige type, dat mannen tot op vijf- of zes-en-twintigjarigen leeftijd aantrekt, en dan begint te vervelen, zoo niet tegen te staan. Daarbij was zij schrander en belezen, en maakte aanspraak op poëtisch talent, zooals dames, die niet bizonder door Apollo begunstigd zijn, soms doen—vóórdat zij getrouwd zijn. Koel en afgemeten was zij altijd; niemand kon zeggen dat Lady Honoria ooit de perken der striktste welvoeglijkheid overschreed; maar Geoffrey schreef dit toe aan een zachte en gepaste zedigheid, die mettertijd wel zou veranderen. Zij veinsde ook een onschuldige onbekendheid met zoo iets prozaïsch als geldzaken, die hem zoowel misleidde als bekoorde. Slechts eenmaal vóór hun trouwen, sprak zij over hun middelen om huis van te houden, en dat was om te zeggen dat zij blijde was dat zij zoo arm zouden zijn, totdat die lieve oom Sir Robert stierf (hij had hun een jaargeld van vijftienhonderd pond beloofd, en zij hadden te zamen nog zeven honderd) omdat zij daardoor des te meer alles voor elkander zouden zijn.Eindelijk was de gelukkige dag aangebroken, en die reine maagdelijke ziel kwam in Geoffrey’s bezit. Een week, of iets langer misschien, ging het vrij goed, en toen begon de teleurstelling. Van lieverlede, maar zeker, bespeurde hij dat zijn vrouw ijdel, zelfzuchtig en verkwistend was, en, wat het ergste van alles was, dat zij zich zeer weinig aan hem gelegen liet zijn. De eerste schok was toen hij, vier of vijf dagen na hun trouwdag, toevallig ontdekte dat Honoria nauwkeurig bekend was met elke bizonderheid van Sir Robert Bingham’s bezitting, en hoe jong zij ook was, reeds een plan had gemaakt om er na den dood van den ouden man meer voordeel van te trekken.Zij gingen in Londen wonen, en daar bleek het hem, dat LadyHonoria, hoewel veel te koel en te voorzichtig om iets te doen waardoor zij in ’t allerminst in opspraak kon komen, toch niet weinig op bewondering gesteld was. Altijd was er een troep jongelieden om haar heen. Daar waren er onder, die hij zeer gaarne mocht lijden; maar over ’t geheel zou hij toch liever ongetrouwd gebleven zijn en in zijn club met hen omgegaan hebben. Dat leven in de gezelschapswereld ging ook met zwaarder uitgaven gepaard dan hij bekostigen kon. En zoo vervloog Geoffrey’s droom van huwelijksgeluk allengs in rook. Maar gelukkig voor hem bezat hij een zekere mate van beredeneerdheid en billijkheid. Hij zag bijtijds in, dat de schuld niet geheel en al aan zijn vrouw lag, die in haar soort niet slecht was. Maar haar soort waszijnsoort niet. Zij was getrouwd om in een ruimer sfeer te leven, waar zij, vrij kon voldoen aan de neigingen, die in haar aard lagen en door opvoeding aangekweekt waren; en van haar kant meende zij dat hij haar alleen ten huwelijk had gevraagd omdat zij de dochter van een pair was.Lady Honoria was, evenals menige andere vrouw van haar stempel, de vrucht der opvoeding van een overbeschaafde eeuw. Die oorspronkelijke deugden en dat aangeboren gevoel, waarop haar echtgenoot vertrouwd had het geluk van hun huwelijksleven te kunnen bouwen, bestonden eenvoudig niet in haar. Gevoeligheid was door opvoeding in haar hart onderdrukt; sedert vele geslachten, had men dit een lastige en verontrustende eigenschap in een vrouw gevonden. Wat die oude deugden betrof, zooals liefde voor kinderen en gewone huiselijke plichten, die vond zij slechts vervelend. Over ’t geheel, hoewel scherp van tong, werd zij zelden driftig, want haar ondeugden waren, evenals haar deugden, van negatieven aard; maar de toorn, waarin zij ontstak, toen zij de zekerheid had dat zij moeder zou worden, was iets, dat haar echtgenoot nimmer vergat en ook nimmer weder zou willen zien. Eindelijk werd het kind geboren, waarvoor Geoffrey ten minste zeer dankbaar was.“Neem het weg. Ik wil het niet zien,” zeide Lady Honoria tot degeërgerde baker, toen het kleine schepseltje haar gebracht werd.“Geef het mij maar, baker—ik wil het wel zien,” zeide haar echtgenoot.Van dat oogenblik af schonk Geoffrey al de liefde van zijn gekrenkt hart aan zijn dochtertje, en met het verloopen der jaren werden zij elkander zeer dierbaar. Maar een kind kan niet het eenige gezelschap van een naar geest en lichaam krachtig man zijn. Waarschijnlijk zou dit Geoffrey mettertijd gebleken zijn, en zou hij misschien een andere, minder wenschelijke leefwijze aangenomen hebben, als een onverwachte gebeurtenis dit niet voorkomen had. Op zijn ouden dag werd Geoffrey’s oom, Sir Robert Bingham, het slachtoffer van de listen eener gelukzoekster en trouwde met haar. Kort daarna stierf hij, en acht maanden later werd er een zoon na het overlijden van den vader geboren.Daardoor was Geoffrey geruïneerd.Zijn jaargeld hield op, en weg waren zijn vooruitzichten. Hij hield echter het hoofd omhoog, zooals een moedig man onder zulk een slag doet, gaf zijn vrouw te verstaan, dat hij nu moest werken om den kost te verdienen, en verzocht haar den slagboom, die tusschen hen was, op te heffen en hem haar hulp en sympathie te schenken. Zij beantwoordde dit met tranen en verwijtingen. Het eenige, wat haar diep trof, het eenige, wat zij vreesde en haatte, was de armoede, en alles wat armoede voor vrouwen van haar rang en haar aard beteekende. Maar er was niet aan te verhelpen; het fraaie huis inBoltonStreet moest verwisseld worden met eenbovenverdiepingbij Edgware Rood. Lady Honoria gevoelde zich ongelukkig; ja, als zij niet veel meer of minder voorname familie had bezeten, waar zij soms weken of maanden achtereen uit logeeren kon gaan, zou haar veranderd leven bijna niet om uit te houden voor haar geweest zijn.Maar, wat zonderling was, Geoffrey gevoelde zich gelukkiger dan hij sedert zijn huwelijk geweest was. Hij ging moedig aan ’t werk, en voor ieder man, die geestkracht bezit, is werken een bron van geluk. ’t Is wel geen bizonder aangename bezigheid, den geheelendag in gerechtshoven door te brengen, en menigen nacht met bijna vergeten rechtsgeleerde studiën en het uitpluizen van de ingewikkeldheden der rechtspleging. Maar zijn vader, een jongere broeder van Sir Robert, was zaakwaarnemer geweest, en hoewel hij dood was en alle rechtstreeksche betrekking met de firma had opgehouden, was er nog een andere oom in, en de compagnons vergaten Geoffrey niet in zijn moeilijkheden.Zij zonden hem zooveel werk als zij konden, zonder hun vasten advocaat voor ’t hoofd te stooten, en hij deed het goed. Toen kreeg hij allengs een algemeene geoefendheid door het opstellen van akten vooradvocaten, die een zaak in handen hadden. Dat gaf wel geen voordeel, maar elke zaak gaf vermeerdering van kennis, en, wat meer is, bekendheid, en zoo kwam het dat binnen twee jaar na zijn finantieelen tegenslag Geoffrey Bingham in de gerechtshoven een niet onopgemerkt persoon was.“Wie is dat toch, dien wij hier zoo dikwijls zien?” vroeg een voornaam lid van de rechtbank aan een ander, toen hij, op den laatsten dag der zitting, die het begin van deze geschiedenis voorafging, Geoffrey door de gang zag loopen.“Bingham heet hij,” was het antwoord. “Hij is pas sedert kort in de praktijk, maar hij zal het ver brengen. Hij heeft een goed huwelijk gedaan, met de dochter van den ouden Garsington, weet gij, een knappe vrouw.”“Dat hij het ver zal brengen, is hem wel aan te zien,” beaamde de ander, en van nu af aan was dat het algemeen gevoelen.Want, zooals Beatrice gezegd had, Geoffrey was een man, wien het op zijn voorhoofd te lezen stond, dat hij naam zou maken. Het kon bijna niet missen of hij moest slagen in alles wat hij ondernam.Hoofdstuk IX.Wat Beatrice gedroomd had.Geoffrey lag op de sofa en zag naar den zonneschijn, en luisterde naar het getik van de pendule, terwijl hij zich al die gebeurtenissen voor den geest riep, totdat zij op het tooneel van dien ochtend uitliepen.“’t Is niet langer te dulden,” zeide hij eindelijk. “Zij maakt mijn leven ellendig. Als het niet om Effie was, op mijn woord, ik zou—Drommels, ’t is drie uur; ik ga naar Miss Granger. Zij is in allen gevalle een vrouw met een hart, hoewel een vrijgeest—wat zeer dwaas van haar is,” liet hij er op volgen, terwijl hij langzaam van de sofa opstond.Met moeite, want hij was stijf en pijnlijk, strompelde hij de lange, smalle kamer door en de deur uit, die op een kier stond. De deur aan de overzijde was ook open. Hij klopte zacht aan, en toen hij geen antwoord kreeg, stiet hij die verder open en zag naar binnen, meenende dat hij zich misschien in de kamer vergist had. Op een sofa, die omstreeks twee derden van het vertrek in de lengte besloeg, lag Beatrice te slapen.Zij was in een soort vanpeignoirvan een eenvoudige blauwe stof gewikkeld, en haar krullend haar golfde langs haar borst en schouders. Haar lief gelaat, waarvan de bleekheid nog des te meer uitkwam door de schaduw van de lange, donkere wimpers, en tegen de frissche roode kleur der lippen, was naar hem toegekeerd. Een der blanke handen hing bijna tot op den grond neder, en onder den sluier van het goudkleurig haar bewoog haar boezem zacht in haar slaap. Zóó schoon was zij in haar rust, dat hij bijna met ontzag staan bleef, met een gevoel alsof een aanwezige macht zijn hart in bedwang hield. ’t Is gevaarlijk zulk een stille schoonheid te aanschouwen en dat in bedwang houden van het hart tegevoelen. Een waarlijk verstandig man, die het gevoelt, zou gevlucht zijn, wetende dat het zaad, in zulke oogenblikken gezaaid, kan ontkiemen om eenmaal bittere vruchten voort te brengen. Maar Geoffrey was niet verstandig—wie zou het ook geweest zijn? Hij bleef op die slapende schoonheid staren totdat haar beeld zich zoo vast in zijn hart prentte, dat het door alle latere jaren, met al hun verschillende gemoedsbewegingen, niet was uit te wisschen.En terwijl hij daar in diepe stilte stond te staren, maakte een angstig voorgevoel zich van hem meester.De zonnestraal, die in de kamer viel, week voor de schaduw van een voorbijtrekkende wolk. Een oogenblik trilde het zonlicht op zijn borst, scheen terug op de hare, en verdween, en toen het wegstierf, was het hem alsof hij wist dat voortaan, voor leven en dood, zijn lot en dat van dat slapende meisje één waren. Het was slechts een oogenblikkelijke aandoening, reeds verdwenen bijna voordat hij er de dwaasheid van begrepen had. Maar in later dagen herinnerde hij zich wat hij toen gevoeld had.Juist op dat oogenblik opende Beatrice de oogen. Haar droomerige blik viel op hem, meer alsof zij door hem heen en voorbij hem, dan naar hem zag. Toen richtte zij zich een weinig op, en strekte beide armen naar hem uit.“Zoo zijt gij dan eindelijk bij mij gekomen,” sprak zij. “Ik wist wel dat gij komen zoudt en heb op u gewacht.”Hij gaf geen antwoord; hij wist niet wat hij zeggen zou; hij dacht eigenlijk dat zij droomde. Een poos staarde Beatrice hem nog even afgetrokken aan, totdat zij eensklaps schrikte en het bloed haar naar het voorhoofd stroomde.“Wel, mijnheer Bingham,” zeide zij, “zijt gij het werkelijk? Wat heb ik gezegd? O, vergeef het mij, wat het ook was. Ik heb geslapen, en zoo’n zonderlingen droom gehad, en in mijn slaap gesproken.”“Maak u niet ongerust, Miss Granger,” antwoordde hij, zich eensklaps herstellende; “gij hebt niets verschrikkelijks gezegd, alleendat gij blij waart mij te zien. Waar hebt ge van gedroomd?” Zij zag hem twijfelachtig aan; misschien klonken zijn woorden niet volkomen waar.“Het zal, geloof ik, beter zijn dat ik het u vertel, nu ik u reeds zooveel gezegd heb,” hernam zij. “Bovendien was het een zeer zonderlinge droom, en als ik aan droomen geloofde, zou hij mij bang gemaakt hebben, maar dat doe ik gelukkig niet. Ga zitten, dan zal ik ’t u vertellen, eer ik het vergeten ben. ’t Is geen lang verhaal.”Hij nam den stoel, dien zij hem aanwees, en zij begon op den toon van iemand, nog geheel onder den indruk der herinnering van wat hij gedroomd heeft.“Ik droomde dat ik in een ruimte stond. Ver rechts van mij af, was een groote lichtbol, en links was een andere bol, en ik wist dat die bollen Leven en Dood waren. Van den bol rechts, naar den bol links, heen en terug, werd gestadig een gouden schietspoel geschoten, waarin twee oogen gezet waren, en ik wist dat dit de schietspoel was, waarmede het Noodlot het lot der menschen weeft. Daar vloog de schietspoel weer, en liet een langen zilveren draad na, en de oogen in de spoel waren uw oogen. Weer vloog de schietspoel door de ruimte, en ditmaal waren haar oogen als mijn oogen en de draad, dien zij achterliet, was van vrouwenhaar gevlochten. Halverwege tusschen de bollen van Leven en Dood brak mijn levensdraad af, maar de schietspoel vloog door en verdween. Een oogenblik hing de draad in de lucht, en toen stak er een wind op en blies hem weg, zoodat hij als de draad van een spinneweb zweefde, totdat hij op uw zilveren levensdraad stiet en, zich er omheen begon te winden. Onder dat omwinden werd hij grooter en zwaarder, en eindelijk was hij zoo dik als een groote haarvlecht, en begon de zilveren draad onder zijn zwaarte te buigen, zoodat ik zag dat die spoedig moest breken. Terwijl ik in verbazingafwachttewat er gebeuren zou, gleed een witte hand, die een mes hield, langzaam langs den zilveren draad neder en sneed de omwindsels van vrouwenhaar af, die langzaam wegzweefden als,een door het zonlicht bestraald wolkje, totdat zij zich in het duister verloren. Maar de zilveren draad, die uw levensdraad was, sprong trillend op, en maakte een zuchtend geluid.“Nu scheen ik te slapen, en toen ik wakker werd, dreef ik op zulk een mistige zee als wij gisterenavond gezien hebben. Ik had het land geheel uit het gezicht verloren, en ik kon mij niet herinneren hoe de sterren er uitzagen, of hoe ik had leeren sturen, of begrijpen waar ik heen moest. Ik riep de zee aan en vroeg haar naar de sterren, en de zee antwoordde:“‘De hoop heeft haar gewaad verscheurd, en er zijn geen sterren meer.’“Ik riep weder, en vroeg het land waarheen ik gaan moest, en het land gaf geen antwoord, maar de zee antwoordde ten tweede male:“‘Kind van den nevel, zwerf in den nevel om, en zoek in duisternis licht.’“Toen weende ik, omdat de hoop haar sterrenkleed verscheurd had en ik in duisternis licht moest zoeken. En terwijl ik nog weende, zag ikuuit de zee oprijzen, en gij kwaamt naast mij in de boot zitten. Ik had u vroeger nooit gezien, en toch gevoelde ik dat ik u altijd gekend had. Gij spraakt niet, en ik sprak ook niet, maar ge zaagt in mijn hart, en daar zaagt ge mijn droefheid. Toen zag ik inuwhart, en las wat daarin geschreven stond. Het was dit:“‘Vrouw, die ik gekend heb voordat het verleden begon, en die ik zal kennen, wanneer de toekomst geëindigd is, waarom weent gij?’“En ik antwoordde: ‘Ik ween omdat ik op de wateren der aarde verdwaald ben, omdat de hoop haar sterrenkleed verscheurd heeft, en ik in eeuwigdurende duisternis moet zoeken naar licht, dat er niet is.’ Toen zeide uw hart: ’Ikzal u het licht laten zien,’ en gij boogt u voorover en raaktet mijn borst aan.“En eensklaps gevoelde ik een doodsbenauwdheid, en daarop was de lucht vol engelen met groote vleugels, die den mist oproldenals een laken en den sluier van den nacht wegtrokken, en daar, met haar voeten op den bol en haar met sterren omringd hoofd in het firmament, stond de hoop en ademde vrede en schoonheid. Zij zag naar het noorden en het zuiden en het oosten en het westen, en zij zag naar omhoog door het hemelgewelf, en waar zij haar oogen wendde, verdween de duisternis, hield de droefheid op en uit het verdorvene ontstond het reine. Terwijl ik aanbiddend op dit heerlijk schouwspel staarde, sprak de zee weer, ditmaal ongevraagd:“‘in duisternis hebt gij licht gevonden, zoek wijsheid in den dood.’“Toen verscheurde de hoop weder haar sterrenkleed, en de engelen trokken den sluier over de oogen van den nacht neder, en de zee verzwolg mij, en ik zonk tot in den diepsten afgrond van den lichamelijken dood. En daar, in de gewelven des doods, bleef ik, eeuw op eeuw, totdat ik eindelijk u zag komen, en op uw lippen was het woord van wijsheid, dat alle dingen helder maakt, maar wat het was, kan ik mij niet herinneren. Toen strekte ik mijn hand naar u uit, om u te begroeten, en ontwaakte, en dat is nu mijn geheele droom.”Zij hield op, met wijdgeopende oogen, alsof zij dit geestelijk visioen nog op de aarde zocht; haar borst zwoegde en haar lippen waren half geopend.“Groote Hemel!” riep hij uit, “wat moet gij een verbeelding hebben, om zoo iets te droomen!”“Verbeelding;” zeide zij, op haar natuurlijken toon, “heb ik niet, mijnheer Bingham. Die placht ik te hebben, maar ik heb ze verloren, toen ik—alles verloor. Kunt gij mijn droom uitleggen? Dat kunt ge, natuurlijk niet; ’t is niets anders dan onzin—zooals alle droomen zijn.”“Het moge onzin wezen, en dat is het ook wel, maar ’t is schoone onzin,” antwoordde hij.“Nu ja, droomend is men misschien verstandiger dan wakend, en onzin is mogelijk beter dan geleerde gesprekken, voor zooverrewij weten. Maar genoeg daarvan. Ik weet niet waarom ik u eigenlijk dien droom verteld heb; maar hij kwam mij zóó als werkelijk voor, dat ik er door ontroerd was. Dat komt er van als men uit zijn gewone sleur gaat door drie kwart verdronken te zijn. Op den bodem der zee vindt men rare dingen, zooals gij weet. Intusschen hoop ik, dat gij spoedig geheel hersteld zult zijn. Ik geloof niet dat ge lust zult hebben weer met mij uit varen te gaan, mijnheer Bingham.”Dit gaf hem, als ’t ware, in den mond haar iets galants te zeggen, maar Geoffrey gevoelde dat, als hij het deed, het te ernstig zou zijn, dus weerstond hij de verzoeking.“Wat zal ik u daarop antwoorden, Miss Granger?” zeide hij. “Hoe kan een man woorden vinden, om een dame, die den vorigen avond zijn leven heeft gered, bijna ten koste van het hare, te zeggen wat er in hem omgaat?”“Het was niets,” hernam zij kleurende, “ik hield u vast, anders niet, meer uit instinct dan om eenige beweegreden. Ik dacht, geloof ik, dat ge zoudt blijven drijven en ik op u een steunpunt zou hebben.”“De zaak is te ernstig, Miss Granger, voor beleefde jokkernij. Ik weet, dat gij mijn leven gered hebt. Ik weet niet hoe ik u daarvoor genoeg kan danken.”“Bedank mij dan in ’t geheel maar niet, mijnheer Bingham.Waarom zoudt ge mij bedanken? Ik deed niets anders dan wat ik wel verplicht was te doen. Ik zou veel liever sterven dan een makker in den nood te verlaten; sterven moeten wij allen, maar beschaamd te sterven zou verschrikkelijk zijn. Gij weet, het spreekwoord zegt, dat, als men iemand uit het water haalt, men hem later kwaad doet; men zegt het ook wel andersom. Maar ik zal u niet licht kwaad doen, dus maak ik mij daar niet ongerust over. Het was een akelige gewaarwording; gij waart bewusteloos, dus kunt gij niet weten welk een zonderling gevoel het was op die glibberige rots te liggen en die groote witte golven in de duisternis op ons af te zien bruisen, met niets anders dan de zwartelucht boven ons en de zee om ons heen, en daartusschen de dood. Ik ben vele jaren eenzaam geweest, maar ik geloof dat ik vroeger nooit begrepen heb wat eenzaamheid eigenlijk was. Ziet gij,” liet zij er op volgen, “ik dacht dat ge dood waart, en aan een lijk heeft men niet veel gezelschap.”“Het zou toch nog akeliger eenzaam geweest zijn, als wij verdronken waren,” zeide hij.“Zoudt gij dat denken?” hernam zij vragend. “Ik zie niet recht in, hoe gij dat bewijst. Als gij gelooft wat ons geleerd is, zooals gij, meen ik, doet, dan zoudt gij, waar gij u ook bevondt, gezelschap in overvloed vinden, en als gij, zooals ik, aan niets gelooft, welnu, dan zoudt gij geslapen hebben, en in den slaap heeft men aan niets behoefte.”“Geloofdet gij aan niets, toen ge daar op de rots laagt te wachten om te verdrinken, Miss Granger?”“Aan niets!” antwoordde zij; “het zijn alleen zwakke menschen, die in den uitersten nood openbaring vinden. Als de openbaring ooit komt, dan moet zij uit het hart ontstaan en niet uit vrees. Ik geloofde aan niets, en ik was voor niets bevreesd dan alleen voor de benauwdheid van den doodstrijd. Waarom zou ik bevreesd zijn? Gesteld dat ik dwaal, en dat er hiernamaals iets is, kan ik het dan helpen dat ik niet geloof? Wat heb ik gedaan, om bevreesd te zijn? Zoover ik weet, heb ik nooit opzettelijk iemand leed gedaan, en als ikkongelooven, zou ik het doen. Ik wenschte dat ik maar gestorven was,” ging zij hartstochtelijk voort; “dan was nu alles uit. Ik ben de wereld moede, ik ben het werken en afhankelijkheid en al de kleine kwellingen, die het leven zoo vervelend maken, moede. Ik ben hier niet noodig, ik heb niets waarvoor ik leef, en ik zou maar liever dood willen zijn.”“Eenmaal zult ge er anders over denken, Miss Granger. Er is veel, waar een vrouw zooals gij voor leven kan—in allen gevalle hebt gij uw werk.”Zij lachte bitter. “Mijn werk! Als gij wist hoe dat was, zoudt ge er mij niet over spreken. Elken dag rol ik mijn steen den heuvelop, en elken nacht schijnt hij weer naar beneden te rollen. Maar gij hebt nooit onderwijs gegeven op een dorpsschool. Hoe kunt gij er van weten? Ik werk den geheelen dag, en ’s avonds moet ik misschien tafellakens verstellen, of—wat denkt ge wel?—mijn vaders preeken schrijven. Het klinkt zonderling, niet waar, dat ik preeken moet schrijven? Maar het is toch zoo. Nu schrijf ik er weer een voor aanstaanden Zondag. Het maakt voor hem weinig verschil hoe de preek is, als hij ze maar lezen kan, en natuurlijk zeg ik er niets in, wat iemand aanstoot kan geven, en ik geloof ook niet, dat men er veel naar luistert. In Bryngelly gaan weinig menschen naar de kerk.”“Hebt ge dan nooit tijd voor uzelve?”“O, ja, soms wel, en dan ga ik in mijn bootje varen, of ik lees, en dan gevoel ik mij bijna gelukkig. ’t Is eigenlijk zeer verkeerd en ondankbaar van mij dat ik zoo spreek. Ik heb meer voorrechten dan negen tienden van de wereld, en die behoorde ik mij ten nutte te maken. Ik weet niet waarom ik zoo gesproken heb, en dat wel tegen u, dien ik gisteren voor ’t eerst gezien heb. Met geen levende ziel heb ik ooit zoo gesproken, dat verzeker ik u. ’t Is evenals de geschiedenis van den man met de tooverroede, die hier verleden jaar geweest is. Op de rots staat een huisje—het behoort aan mijnheer Davies, die op het kasteel woont. Er is geen drinkwater in de nabijheid, en een nieuwe huurder maakte er veel beweging over. Dus zette mijnheer Davies mannen aan ’t werk, die dag in dag uit aan het graven waren, maar zij konden geen water vinden. Eindelijk haalde de huurder een oud man uit een ver afgelegen kerspel, die zeide dat hij met een tooverroede water kon vinden. Hij was een raar oud man, met een kruk, en hij kwam met zijn tooverroede, en strompelde voort, totdat de roede eindelijk vanzelf in den grond stak, vlak bij de achterdeur van den bewoner—tenminste, zooals de zoogenaamde toovenaar zeide. In allen gevalle gingen zij daar graven, en binnen tien minuten stieten zij op een bron, die zoo sterk opborrelde dat het huis er door overstroomd werd. En wat denkt ge dat het was? Niets anders dan brak water. Gijzijt de man met de tooverroede, mijnheer Bingham; gij hebt mij aan het spreken gebracht, en ik heb veel te veel gezegd, en wat alles behalve aardig was. Gij moet mij wel voor een naar en slecht meisje houden, en dat ben ik ook. Maar ’t is zoo’n verlichting zijn hart eens uit te storten. Ik hoop, mijnheer Bingham, dat ge zult inzien—kortom, dat ge mij niet verkeerd begrijpen zult.”“Miss Granger,” antwoordde hij, “er bestaat tusschen ons iets, dat ons altijd aanspraak geeft op wederzijdsche achting en vertrouwen—de band van leven en dood. Zonder u, zou ik hier nu niet zitten om uw vertrouwelijke mededeelingen aan te hooren. Ge moogt mij zeggen, dat een niet meer dan natuurlijke aandrift u bewogen heeft om te doen wat gij gedaan hebt. Ik weet beter. Het was uw wil, die uw natuurlijke aandrift tot zelfbehoud overwon. Maar ik zal er niets meer van zeggen dan alleen dit: Als ooit een man door banden van dankbaarheid en achting aan een vrouw gebonden was, dan ben ik het aan u. Ge behoeft niet te vreezen dat ik uw vertrouwen zal misbruiken of er een verkeerde uitlegging aan zal geven.” Dit zeggende, stond hij op, en boog voor haar. “Miss Granger, ik beschouw het als eer, welke mij is aangedaan door iemand, die ik voortaan boven alle vrouwen moet vereeren. Het leven, dat ge mij teruggegeven hebt, en het verstand, waardoor het geleid wordt, ben ik aan u verschuldigd, en die schuld zal ik niet vergeten.”Zij luisterde naar die krachtige en ernstige stem, die later in de rechtzaal en het Parlement zoo bekend werd, en zijn woorden wekten een nieuw gevoel van genoegen in haar. In zijn oogen was zij meer dan een schoon meisje, dat alleen om haar schoonheid bewonderd en vereerd werd, en met fierheid gevoelde zij haar zedelijke zegepraal.“Weet ge wel,” zeide zij, de oogen tot hem opslaande, “dat ge mij trotsch maakt,” en zij stak hem de hand toe.Hij vatte die, bukte zich er overheen en drukte er even zijn lippen op. Het was niet mogelijk daar een verkeerde uitleggingaan te geven, en hoewel zij een weinig kleurde—want geen man had nog ooit de toppen harer vingers gekust—zag zij er dan ook niets anders dan een hulde in.En zoo bezegelden zij hun verbond van zuivere vriendschap eens en voor altijd.Nu volgde er een oogenblik stilzwijgen, dat door Geoffrey werd afgebroken.“Miss Granger,” zeide hij, “wilt ge mij vergunnen u een kleine zedepreek te houden?”“Ga uw gang” antwoordde zij.“Goed. Als zij u niet bevalt, moet ge het mij niet kwalijk nemen, en houd mij niet voor een wijsneus, als ik u zeg wat uw gebreken zijn, zooals ik die in uw woorden lees. Gij zijt trotsch en eerzuchtig, en de perken, waarbinnen gij u genoodzaakt ziet te leven, zijn u te eng. Gij hebt geleden, en de les van het lijden—nederigheid—nog niet geleerd. Gij hebt u tegen het Lot verzet, en het Lot drijft u voort als het schuim der zee, dat door den storm wordt voortgezweept, maar gij zwicht onwillig. In uw wrevel hebt gij uw toevlucht tot studie genomen, en die heeft u den laatsten stoot gegeven, want die heeft u er toe gebracht alles wat gij niet begrijpen kunt, als niet bestaande te verwerpen. Omdat uw begrensd verstand het oneindige niet kan begrijpen, omdat er op al uw gebeden geen antwoord is gekomen, omdat gij ellende ziet en er het doel niet van kunt doorgronden, omdat gij lijdt en geen rust gevonden hebt, hebt gij gezegd dat er niets anders dan toeval is en zijt ge een atheïst geworden, als zoovele anderen. Is dat niet waar?”“Ga voort,” antwoordde zij, haar hoofd op haar borst buigende, zoodat haar lang, golvend haar bijna haar gelaat verborg.“Het schijnt wel wat zonderling,” hernam Geoffrey, met een korten lach, “dat ik, met al mijn gebreken, mij verstout u een zedeles te geven, maar gij zult zelve het best weten hoe nabij of hoe ver van de waarheid ik ben. Dit wil ik u zeggen: Ik heb vijf-en-dertig jaar geleefd, en veel gezien, en getracht er veel uit teleeren; en ik weet, dat, als wij niet zelven de kans laten voorbijgaan, de wereld ons mettertijd geeft wat ons toekomt—al is dat meestal ook niet veel. Als gij geschikt zijt om te heerschen, zult gij eenmaal heerschen; zijt gij het niet, dan moet gij uw ongeschiktheid erkennen en tevreden zijn. Zooveel wat de tijdelijke dingen betreft. En wat nu de geestelijke dingen betreft, ben ik zeker—hoewel men, natuurlijk, niet gaarne veel over zulke zaken spreekt—dat als ge er maar lang genoeg in den een of anderen vorm naar zoekt, gij ze zult vinden, al is het ook niet zulk een vorm als meestal door een bizonderen godsdienst erkend wordt. Maar opzettelijk een muur op te richten tusschen onszelven en het ongeziene, en dan te klagen dat de weg versperd is—dat is eenvoudig kinderachtig.”“En als die muur nu al opgericht is, mijnheer Bingham?”“De meesten onzer hebben dat eenmaal gedaan,” antwoordde hij, “en een weg er om heen gevonden.”“En als hij zich uitstrekt van horizon tot horizon, en hooger is dan de wolken, wat dan?”“Dan moet men vleugels vinden om er overheen te vliegen.”“En waar kan een aardsche vrouw zulke geestelijke vleugels vinden?” vroeg zij, en, zij liet het hoofd nog dieper op haar borst zinken om haar verlegenheid te verbergen. Want zij herinnerde zich wel gehoord te hebben van zwervers op de donkere paden van menschelijken hartstocht, die eensklaps in strijd met hun eigen ziel waren gekomen en dat de wreede paden van aardsche liefde den voet, die ze betreedt, nog naar de poorten des hemels kunnen leiden.En terwijl zij zich deze schoone fabelen herinnerde, hoewel zij geen ondervinding van liefde had en er weinig van wist, werd Beatrice eensklaps stil. Geoffrey gaf haar ook geen antwoord, ofschoon hij daarvoor niet had behoeven te schromen.Zij bespraken immers een zuiver abstract vraagstuk!Hoofdstuk X.Lady Honoria maakt schikkingen.Een oogenblik later kwam iemand de kamer binnen; het was Elisabeth. Zij was van haar expeditie om tienden in te zamelen teruggekomen—met de tienden. De deur van de huiskamer stond nog op een kier, en Geoffrey zat met den rug er naar toe. Zoo kwam het dat geen van beiden Elisabeth’s min of meer katachtig sluipenden tred gehoord had, en eenige oogenblikken stond zij in de kamer zonder gezien te worden. Zij merkte op dat haar zuster het gelaat voorover had gebogen, en vermoedde dat zij daar een reden voor had—waarschijnlijk omdat zij het wilde verbergen. Zij bespeurde ook de uitdrukking van levendige belangstelling op Geoffrey’s gelaat, dat zij in den spiegel met vergulde lijst, die boven den schoorsteenmantel hing, zien kon, en dat beiden iets verlegens over zich hadden, ontsnapte haar scherpen blik ook niet.Toen zij de kamer binnenkwam, dacht Elisabeth aan Owen Davies en wat er had kunnen gebeuren als zij den levensstroom niet weder door de aderen harer zuster had zien vloeien. Zij had er den geheelen nacht van gedroomd en den geheelen dag over gedacht; en zelfs onder de inspanning om een onwilligen en vrij ruwen boer zijn tiende af te persen, was zij het niet vergeten. De boer was een pachter van Owen Davies, en toen hij haar, met kiesche toespeling op haar talent van afpersen, een “bloedzuiger” had genoemd en meer dergelijke liefelijke uitdrukkingen gebezigd had, dacht zij misschien niet onnatuurlijk, dat als zeker iets—wat toch niet bepaald tot de onmogelijkheden behoorde—mocht gebeuren, zij het dien pachter wel zou inpeperen. Want Elisabeth had een sterk geheugen, zooals sommige menschen te hunnen koste ondervonden hadden, en doorgaans betaalde zij vroeg of laat kapitaal en interest als zij een oude schuld had af te rekenen.En terwijl zij nu ongezien in de kamer stond enditeen en ander opmerkte, kwam er iets bij haar op, in verband met het heerschend denkbeeld, dat evenals alle denkbeelden van meer dan één zijde te beschouwen was. Althans was er voor een oogenblik een opgeklaarde uitdrukking in haar fletse oogen, als een flauwe zonnestraal in een Decembernevel; daarop trad zij vooruit, en toen zij dicht achter Geoffrey was, sprak zij opeens.“Waar denkt gij beiden aan?” zeide zij, met haar schelle stem; “ge schijnt wel uitgepraat te zijn.”Met een uitroep sprong Geoffrey van zijn stoel op, wat hem in zijn gekneusden toestand niet weinig pijn deed. Beatrice onthutste ook; maar zij herstelde zich bijna oogenblikkelijk.“Wat loop je stil, Elisabeth!” zeide zij.“Niet stiller dan jijzit. Ik heb gewacht of een van beiden ook iets zeggen zou, en dacht dat ge allebei in slaap waart gevallen.”Beatrice dacht er over, hoelang haar zuster wel in de kamer geweest zou zijn. Hun gesprek was onschuldig genoeg geweest, maar toch niet van dien aard om er juist op gesteld te zijn dat Elisabeth het had afgeluisterd. En Elisabeth had er den slag van om iets af te luisteren.“Ziet ge, Miss Granger,” redde Geoffrey haar uit de verlegenheid, “onze hoofden zijn nog wat onklaar, en dan willen de woorden zoo niet vloeien.”“Juist,” zeide Elisabeth. “Lieve Beatrice, waarom bind je je haar niet op? Ik weet niet wat je wel lijkt. Niet dat je geen mooi haar hebt,” liet zij er critisch op volgen. “Zijt ge een bewonderaar van mooi haar, mijnheer Bingham?”“Natuurlijk,” antwoordde hij galant, “maar zulk haar is zeldzaam.”Beatrice beet verlegen op haar lip. “Ik had mijn haar bijna vergeten,” zeide zij; “ik moet mijn verontschuldigingen maken dat ik mij zóó vertoond heb. Ik had het willen opmaken, maar ik was te stijf, en terwijl ik op Betsy wachtte, viel ik in slaap.”“Ik geloof dat er in de lade een lint ligt. Ik zag het je gisterener in leggen,” sprak hierop de oplettende Elisabeth. “Ja, daar is het. Als je wilt, en als mijnheer Bingham het niet kwalijk neemt, zal ik het voor je opbinden,” en zonder antwoord af te wachten, liep zij achter Beatrice om, en bond de dikke vlechten op zulk een wijze dat zij niet voorover konden vallen, hoewel zij nog langs haar rug bleven golven.Haar vader kwam nu ook van de boerderij terug. Hij was in een zeer goede luim. De zeug had zichzelve overtroffen en het ditmaal tot het verrassend getal van vijftien gebracht. Daarop haalde Elisabeth de twee pond en eenige shillings, die zij den onwilligen boer had afgeperst, voor den dag, en het gezicht van dat geld maakte den WelEerwaarden heer nog vergenoegder.“Wilt ge wel gelooven, mijnheer Bingham,” zeide hij, “dat ik in dit ellendig bezoldigde kerspel bijna honderd pond aan uitstaande schuld heb, honderd pond aan tienden? Daar hebt ge den ouden Jones, die bij deBell Rockwoont; die is mij drie jaar tienden schuldig—vier-en-dertig pond, elf shilling en vierpence. Hij kan wel betalen, maar hijwilniet betalen,—hij zegt dat hij Baptist is, en geen kerklasten wil betalen—maar eigenlijk is die oude bierton niets anders dan een heiden.”“Waarom doet gij hem geen proces aan, mijnheer Granger?”“Dat heb ik gedaan. Ik heb vonnis tegen hem, en ik ben voornemens het binnen eenige dagen ten uitvoer te laten leggen. Ik wil het niet langer dulden,” ging hij voort, zichzelf hoe langer hoe meer opwindende, en met het hoofd schuddende, dat zijn dun wit haar voor zijn oogen viel. “Ik zal hem gerechtelijk vervolgen, hem en de anderen ook. Gij zijt een rechtsgeleerde en kunt mij helpen. Ik zeg u, hier heerscht een geest, die hierop neerkomt: betaal al uw schulden, behalve den predikant en den landheer. Maar er is nog recht, eer zij hier bij ons dat Iersche spelletje beginnen te spelen!” En hij sloeg hard met zijn vuist op de tafel.Geoffrey hoorde dit inwendig lachend aan. Dat was dus het gevoelige punt van den ouden man—het geld. Daar was hij blijkbaar zeer vurig op—even vurig als Lady Honoria, maar met meerreden. Elisabeth luisterde met merkbare goedkeuring, maar Beatrice zag verdrietig.“Wees niet boos, vader,” zeide zij, “misschien betaalt hij nog wel. ’t Is niet goed gerechtelijk te vervolgen als gij het in der minne kunt schikken—dat zet maar kwaad bloed.”“Gekheid, Beatrice,” viel haar zuster scherp in. “Vader heeft groot gelijk. Beslag leggen is het eenige wat met hem te beginnen is. Ik geloof dat je op het punt van eigendom al evenzoo een socialist bent als op al het andere. Je zoudt wel alles ’t onderste boven willen keeren, van de Koningin af tot de wet op het huwelijk, alles tot welzijn van het menschdom, en ik zeg je dat die begrippen je ongeluk zullen zijn. Trotseer het gebruik, en het zal u verpletteren. Je loopt met je hoofd tegen een steenen muur aan, en eenmaal zul je ondervinden wie het hardst is.”Beatrice bloosde, maar antwoordde op den uitval harer zuster, die des te scherper was, omdat er wel een zweem van waarheid doorliep:“Zulke begrippen heb ik nooit te kennen gegeven, Elisabeth, dus zie ik niet in waarom je mij die toeschrijft. Ik heb alleen gezegd, dat gerechtelijke vervolging kwaad bloed in het kerspel zet, en dat is ook zoo.”“Ik heb ook niet gezegd dat je ze te kennen hebt gegeven,” hernam Elisabeth, die zich niet licht van haar stuk liet brengen, “maar je geeft er bewijzen van, ze zijn uit al je woorden op te maken. Iedereen weet, dat je een radicaal en een vrijgeest bent, en zoo al meer, dat slecht en dwaas is, en in strijd met den levensstand, waarin het God behaagd heeft je te plaatsen. Het zal er nog op uitloopen dat je als onderwijzeres op de school je ontslag krijgt—en ik geloof dat het voor vader en mij heel hard is dat je door je rare manieren en onzedelijke begrippen schande over ons brengt, en nu kun je het opvatten zooals je verkiest.”“Het ware te wenschen dat alle radicalen zoo waren als Miss Beatrice,” zeide Geoffrey, die kriegel werd, met een zwakke poging om te schertsen. Doch niemand scheen hem te hooren. Inwoede ontstoken, stond Elisabeth tegenover haar schoone zuster; een blos van toorn had haar bleeke wangen gekleurd, haar lichtgrijze oogen fonkelden en haar magere vingers waren samengeklemd. Maar Geoffrey, die haar gadesloeg, kon gemakkelijk zien dat het niet de begrippen van haar zuster waren, die zij aanviel, maar dat het haar zuster zelve was. Het was die zachte bekoorlijkheid van dat gelaat; het was die grootheid van ziel, die juist door haar kracht dwaalde, en dat helder verstand, dat dien krachtigen geest verlichtte; het was die kennis en die macht, die, als zij vrij spel hadden, een wereld in vuur en vlam zouden zetten, evenals zij het hart van dien eenzaam levendenSquire, dien Elisabeth voor zich begeerde, ontgloeid hadden—dat was het wat Elisabeth haatte en wat zij met bitterheid aanviel.Geoffrey, die gewoon was op te merken, bespeurde dit dadelijk en toen zag hij naar den vader. De oude man was blijkbaar bang voor Elisabeth en vreesde dat er een scène zou komen. Hij schoof met zijn voeten gedurig heen en weer, en zocht iets om te zeggen, terwijl hij ongerust naar zijn oudste dochter keek.Nu zag Geoffrey naar Beatrice, die waarlijk wel waard was dat men naar haar zag. Haar gelaat was doodsbleek, en haar heldere grijze oogen glinsterden onder haar donkere wimpers uit. Zij was opgestaan, richtte zich in haar volle lengte op, wat haar welgeëvenredigde gestalte nog des te meer deed uitkomen, en zag haar zuster aan. Zij sprak slecht één woord, maar dat was genoeg:“Elisabeth!”Haar zuster opende de lippen, om nog iets te zeggen, maar zij bedacht zich. In Beatrice’s toon en houding was iets, dat haar in bedwang hield.“Je moest me ook niet zoo ergeren, Beatrice,” zeide zij eindelijk.Beatrice gaf hierop geen antwoord. Zij wendde zich slechts tot Geoffrey, en zeide op vriendelijken toon: “Mijnheer Bingham zal ons deze scène wel willen vergeven. Wij hebben van nacht allen slecht geslapen, en daar zijn onze humeuren niet beter op geworden.”Nu volgde er een poos stilte, waarvan Granger snel en vrij onwaardig gebruik maakte.“Ehem!” zeide hij. “A propos, Beatrice, wat wilde ik ook weer zeggen? O ja, ik weet het—heb je die preek voor aanstaanden Zondag geschreven, ik bedoel voor mij afgeschreven? Mijn dochter,” legde hij Geoffrey uit, “schrijft mijn preeken voor mij over. Zij schrijft een zeer goede hand—”Geoffrey, die zich herinnerde hoe Beatrice hem in vertrouwen had medegedeeld dat het preeken maken tot haar functiën behoorde, vond de naïeve wijze, waarop haar vader dit beschreef, vermakelijk, en Beatrice glimlachte ook even, terwijl zij antwoordde dat de preek klaar was. Op dit oogenblik hoorde men het geratel van wielen, en de eenige vigilante, waarop Bryngelly kon roemen, hield voor de deur stil.“Daar is de vigilante voor u, mijnheer Bingham,” zeide Granger—“en zoo waar ik leef, haar Ladyschap is meegekomen. Elisabeth, zet spoedig thee,” en de oude heer, die al de traditioneele voorliefde van den Engelschman uit de middelklasse voor een titel bezat, haastte zich om “haar Ladyschap” te begroeten.Lady Honoria trad de kamer binnen, met een vriendelijken, zij het dan ook een gekunstelden glimlach op haar schoon gelaat, en met een bevalligheid van houding en manieren, die uitstekend bij haar rijzige gestalte paste. Want om Lady Honoria recht te doen wedervaren, moet gezegd worden dat zij, wat persoonlijk voorkomen betrof, een echte dame was, een waardig type van de klasse, waartoe zij behoorde.Geoffrey bespeurde dat de kwade bui klaarblijkelijk voorbij was, en daar was hij blijde om. Dat was ook niet te verwonderen, want hoearistocratischereen dame in haar manieren is, des te onaangenamer is zij, wanneer zij in een slechte luim is.“Ge ziet, Geoffrey,” zeide zij, “dat ik u kom halen. Ik had besloten er voor te zorgen, dat ge niet voor de tweede maal op uw terugweg naar huis zoudt verdrinken. Hoe gaat het u nu?—maar dat behoef ik niet te vragen, ge ziet er weer goed uit.”“Dat is zeer vriendelijk van u, Honoria,” was het eenige wat haar echtgenoot hierop zeide, maar het valt te betwijfelen of zij hem hoorde, want op dat oogenblik was zij bezig met Beatrice vorschend aan te zien, met een zoo doorborenden blik als waarmede die jonge dame nooit vereerd was geworden. Er was niets lomps in dien blik, daartoe was hij te snel, maar Beatrice gevoelde, dat die enkele blik haar van top tot teen had opgenomen. Dat had zij ook niet mis.“Het lijdt geen twijfel,” dacht Lady Honoria, “zij is bekoorlijk, recht bekoorlijk. ’t Was slim bedacht dat zij het haar niet heeft opgemaakt en het maar zoo los heeft laten hangen; dat doet den vorm van haar hoofd des te beter uitkomen. De blauwepeignoirstaat haar ook goed. Weinige vrouwen kunnen op zulk een gestalte als de hare roemen. Zij bevalt mij niet; zij is anders dan de meeste andere vrouwen; juist zoo’n meisje voor mannen om mee te dwepen, en voor vrouwen om te haten.”Dit alles ging in haar geest om, terwijl haar oogen die van Beatrice ontmoetten; en in die heldere oogen, te oprecht dan dat opkomende gedachten zich er niet in afspiegelden, las zij dat zij Beatrice evenmin beviel als Beatrice haar.“Valsch, koel en onverschillig,” dacht Beatrice. “Hoe kan een man als hij met haar getrouwd zijn; zou hij veel van haar houden?”Zoo hadden die twee vrouwen elkander met een enkelen blik gemeten, en elk van beiden vond dat de andere niet naar haar smaak was. En van dat haastig gevormd oordeel kwamen zij ook nooit terug.Dit nam echter niet weg dat Lady Honoria, na dat ééne oogenblik, met uitgestoken hand en haar vriendelijksten glimlach naar Beatrice toe trad.“Miss Granger,” zeide zij, “wat ik u verschuldigd ben, kan ik u nooit vergelden—het leven van mijn geliefden echtgenoot. Ik heb er alles van gehoord hoe ge hem gered hebt. Ik weet niet hoe ge het hebt kunnen doen. Ik wenschte dat ik half zoo moedig en sterk was.”“Och, spreek er niet van, Lady Honoria,” zeide Beatrice. “Ik ben er al meer dan genoeg voor bedankt dat ik niets anders gedaan heb dan wat mijn plicht was te doen. Als ik mijnheer Bingham had losgelaten, zoolang ik nog de kracht had om hem vast te houden, zou ik vandaag een gevoel gehad hebben alsof ik een moordenares was. Zeg er, wat ik u bidden mag, niets meer van.”“Men vindt niet dikwijls zooveel bescheidenheid met zooveel moed gepaard, en als ge ’t mij vergunt te zeggen, met zooveel schoonheid,” hernam Lady Honoria vriendelijk. “Welnu, ik zal doen zooals gij wenscht, maar ik waarschuw u dat de Faam u wel vinden zal. Ik heb gehoord dat er in de nieuwsbladen van vandaag een verslag van het heele avontuur komt, getiteld: ‘Een Welsche Heldin.’”“Hoe hebt ge dat gehoord, Honoria?” vroeg haar echtgenoot.“Och, ik heb een telegram van Garsington ontvangen, en hij maakt er melding van,” antwoordde zij onverschillig.“Een telegram van Garsington! Daarom glimlacht zij zoo vriendelijk” dacht hij, “zij gaat morgen zeker heen.”“Ik heb nog wat nieuws voor u, Miss Granger,” ging Lady Honoria voort. “Uw bootje is aan land gespoeld, zeer weinig beschadigd. De oude schipper—Eduard, heet hij, geloof ik—heeft het gevonden; en uw geweer was er ook in, Geoffrey. Het was ergens onder de bank blijven steken. Maar ik geloof dat gij beiden vooreerst wel genoeg van het roeien zult hebben.”“Dat weet ik niet, Lady Honoria,” antwoordde Beatrice. “Zoo’n weer als gisterenavond is het niet dikwijls, en het roeien is zoo aangenaam. Ge weet, geen lief zonder leed; of met andere woorden, omslaan kan men altijd.”Op dit oogenblik kwam Betsy, de plompe Welsche dienstmaagd, met een voorarm bijna zoo dik als de achterpoot van een olifant en een onaangename gewoonte van onder het loopen hoorbaar den neus op te halen, met het theegoed binnenschommelen. Achter haar aan kwam Elisabeth, die aan Lady Honoria werd voorgesteld.Daarna verflauwde het gesprek een weinig, totdat Lady Honoria het weder aan den gang bracht.“Wat hebt gij hier uit het venster een mooi uitzicht op de zee,” zeide zij, met haar welluidende stem. “Ik ben blijde dat ik het gezien heb, want morgen ga ik heen, moet gij weten.”Beatrice zag levendig op.“Mijn man gaat niet mee,” vervolgde zij, als tot antwoord op een onuitgesproken vraag. “Ik speel de rol van een ontrouwe vrouw, en loop voor drie weken van hem weg. Dat is heel slecht van mij, niet waar? Maar ik heb een afspraak, en die moet ik houden. ’t Is lastig.”Geoffrey, die zijn thee dronk, grimlachte bitter achter zijn kopje. “Zij doet het bizonder goed,” dacht hij.“Gaat uw dochtertje met u mee, Lady Honoria?” vroeg Elisabeth.“Neen, ik geloof niet dat ik haar zal meenemen. Het valt mij hard van haar te scheiden—gij kunt begrijpen hoe hard het is als men maar één kind heeft. Maar zij zou zich zoo vervelen waar ik ga logeeren, want daar zijn geen kinderen, en zij houdt ook zooveel van de zee. Dus zal ik haar maar hier aan de teedere zorg van haar vader overlaten, het lieve kind.”“Ik heb wel hoop, dat Effie het overleven zal,” zeide Geoffrey lachend.“Dan blijft mijnheer Bingham zeker bij juffrouw Jones?” zeide de predikant.“Dat weet ik waarlijk niet. Wat zult ge doen, Geoffrey? De kamers bij juffrouw Jones zijn nogal duur. En zij zal zeker ook niet voor Effie kunnen zorgen. Denk eens, het arme mensch heeft zelve acht kinderen. En ik moet Anne meenemen—dat is Effie’s Fransche kindermeid, weet gij, een ware schat. Ik ga in een groot huis logeeren, en mijn ondervinding van groote huizen is dat men niet bediend wordt als men geen eigen kamenier heeft. Ik weet niet hoe ge het met het kind zult maken, Geoffrey; zij vereischt zoo ontzaglijk veel zorg.”“Wees daar niet ongerust over, Honoria,” antwoordde hij; “Effie en ik zullen wel goed met elkaar terecht kunnen.”Nu was het Elisabeth aan te zien dat zij op een inval kwam. Zij zat naast haar vader, en fluisterde hem iets toe. Beatrice zag het, en maakte een beweging alsof zij tusschenbeide wilde komen, maar eer zij dat kon doen, sprak Granger:“Hoor eens, mijnheer Bingham, als gij toch voornemens zijt te verhuizen, zoudt ge dan een kamer hier willen hebben? De voorwaarden zijn zeer billijk, maar voor niemendal zou ik u niet in huis kunnen hebben. Gij zult het voor lief moeten nemen zooals het is; maar er is een kleedkamer naast mijn kamer, waar uw kleine meid zou kunnen slapen, en mijn dochters zullen gaarne gezamelijk zorg voor haar dragen.”Weder opende Beatrice haar lippen, alsof zij iets zeggen wilde, maar sloot ze weder zonder te spreken. Zoo laten wij willens en wetens de gelegenheid voorbijgaan.Instinctmatig had Geoffrey naar Beatrice gezien. Hij wist niet of dit plan haar aangenaam was. Hij wist dat zij veel werk had, en wilde haar ongaarne nog meer moeite veroorzaken, want hij vermoedde dat de last om voor Effie te zorgen wel ophaarzou neerkomen. Maar de uitdrukking van haar gelaat zeide hem niets; het was volkomen lijdelijk, en oogenschijnlijk onverschillig.“’t Is zeer vriendelijk van u aangeboden, mijnheer Granger,” zeide hij aarzelend. “Ik zou Bryngelly nog niet gaarne verlaten, en in sommige opzichten zou het een goed plan zijn, als het maar niet te lastig voor uw dochter is.”“’t Is een uitmuntend plan,” viel Lady Honoria in, vreezende dat er misschien zwarigheden tegen geopperd zouden worden dat zij Anne in beslag had genomen; “hoe gelukkig dat ik er toevallig van sprak! Met het opzeggen van de kamers bij juffrouw Jones zullen wij geen moeite hebben, want ik weet dat zij er al iemand voor heeft.”“Goed,” zeide Geoffrey, die geen bezwaar wilde maken tegen een zoo openlijk goedgekeurd plan, hoewel hij liever tijd tot beraadhad willen hebben. Het was alsof een geheime stem hem waarschuwde dat de pastorie van Bryngelly een noodlottig verblijf voor hem zou zijn. Toen stond Elisabeth op, en vroeg Lady Honoria of zij de kamers, die door haar echtgenoot en Effie betrokken zouden worden, niet eens wilde zien.Zij antwoordde dat zij dit zeer gaarne wilde, en ging met Elisabeth mede, door Granger gevolgd.“Denkt gij niet dat gij het hier wel wat vervelend zult vinden, mijnheer Bingham?” vroeg Beatrice.“Integendeel,” antwoordde hij. “Waarom zou ik mij hier vervelen? Het kan zoo vervelend niet zijn dan wanneer ik alleen was.”Beatrice aarzelde, en hernam toen: “Wij zijn een zonderling gezin, mijnheer Bingham, zooals gij van middag wel gezien zult hebben. Zoudt ge er niet liever nog eens over nadenken?”“Als gij bedoelt dat ge liever niet hebt dat ik kom, zal ik het niet doen,” antwoorde hij, min of meer plomp, en terstond gevoelde hij dat hij een flater gemaakt had.“Ik!” zeide Beatrice, groote oogen opzettende, “’t Is hier de vraag niet wat ik liever heb of niet. Wij zijn arm en verhuren kamers—daar komt het op neer. Als gij meent, dat zij u zullen bevallen, hebt gij gelijk dat gij ze neemt.”Geoffrey kleurde. Hij was een man, die niet dulden kon, dat hij zich de minste berisping van een vrouw op den hals had gehaald, en nu had hij dit gedaan. Beatrice zag het en werd daardoor verzacht.“Natuurlijk, mijnheer Bingham,” hernam zij, “wat mij betreft, ben ik de winnende partij als gij komt. Ik ontmoet te weinig menschen, met wie ik gaarne omga en van wie ik kan leeren, dan dat ik een kans zou willen vergooien.”“Ik geloof dat ge mij een weinig verkeerd begrepen hebt,” zeide hij. “Ik bedoelde alleen maar of Effie niet te lastig voor u zou zijn, Miss Granger.”Zij lachte. “Wel, ik houd veel van kinderen. Het zal een genoegen voor mij zijn voor haar te zorgen, in zooverre als ik tijd heb.”Nu kwamen de anderen terug, en hun gesprek was uit.“Het zijn alleraardigste ouderwetsche kamers, Geoffrey,” zeide Lady Honoria. “Ik benijd u werkelijk.” (Niets was er wat Lady Honoria zoo leelijk vond als een ouderwetsche kamer.) “En nu moeten wij heengaan. O, arm schepsel, ik vergat dat ge zoo bont en blauw gestooten zijt. Mijnheer Granger zal u zijn arm wel willen geven.”Granger strompelde vooruit, en nadat Geoffrey afscheid genomen en een hoed van den predikant geleend had, werd hij naar de vigilante gebracht.En zoo eindigde Geoffrey’s eerste dag in de pastorie van Bryngelly.

Hoofdstuk VIII.Uitleggingen.Omstreeks twee uur stond Geoffrey op, en kwam met eenige hulp van zijn WelEerwaarden gastheer in zijn kleeren. Toen gebruikte hij eenluncheon, en terwijl hij dat deed, stortte Granger zijn hart voor hem uit.“Mijn vader was een pachter in Herefordshire, mijnheer Bingham,” zeide hij, “en in dien stand werd ik opgevoed. Mijn vader maakte goede zaken, zooals in die dagen een vlijtig man doen kon. Wat meer is, hij won wat geld als veekooper, en ik geloof dat dit zijn hoofd een weinig op hol bracht; ten minste, hij wilde ‘een heer van mij maken,’ zooals hij het noemde. Dus werd ik, toen ik achttien jaar was, weggestuurd om predikant te worden, of ik er lust in had of niet. Goed, ik werd predikant, en vier jaar lang had ik een hulppredikersplaats in een dorp, Kington genaamd, in Herefordshire, geen slecht plaatsje—misschien kent gij het wel. Terwijl ik daar was, ging mijn vader, die buiten zichzelven geraakte, aan ’t speculeeren. Hij liet een rij villa’s te Leominster bouwen, ten minste, hij leende een zaakwaarnemer het geld om ze te bouwen, en toen ze gebouwd waren, wilde niemand ze huren. Die villa’s hadden mijn vader geruïneerd. Ik heb na dien tijd geen villa kunnen zien zonder er van te griezelen, mijnheerBingham. Enkort daarop stierf hij, een bankroet zoo nabij als iemands neus dichtbij zijn mond is.“Daarna werd mij deze predikantsplaats aangeboden van niet meer dan £ 150, en als een gek nam ik die aan. De oude predikant, mijn voorganger, was door de geringe bezoldiging geruïneerd, evenals zij mij ruïneert, en had een eenige dochter nagelaten. Met die dochter trouwde ik, en zij was een lieve vrouw; zij had veel van mijn Beatrice, maar zij was niet zoo verstandig. Ik weet niet waar Beatrice’s verstand van daan komt,—van mij niet, daar geef ik mij niet voor uit. Mijn vrouw was van goede geboorte, van een oude Cornwallsche familie, maar zij had nergens een heenkomen, en ik geloof, dat zij maar met mij trouwde, omdat zij niet wist wat zij anders beginnen moest, en omdat zij aan de oude plaats gehecht was. Zij nam mij, als ’t ware, op den koop toe, om er te blijven. Nu, het ging alles vrij goed, tot elf jaar geleden, toen onze zoon geboren werd, hoewel ik niet geloof dat wij elkander ooit recht verstonden. Na dien tijd kreeg zij haar gezondheid niet terug, en zeven jaar geleden is zij gestorven. Ik herinner mij, dat het op een avond was, die bizonder veel overeenkomst had met gisterenavond—eerst mist en toen storm. Het knaapje stierf eenige jaren later. Ik dacht dat het Beatrice’s hart gebroken zou hebben, zij is nooit weer hetzelfde meisje geweest, maar altijd vol rare begrippen, waarmee ik mij niet kan vereenigen.“En wat ik hier voor een leven heb, mijnheer Bingham, als ik u dat vertelde, zoudt gij het niet gelooven. Niet alleen dat de bezoldiging zoo schraal is, maar er zijn hier zooveelDissenters, en tienden zijn er niet te krijgen. Als ik niet zoo wat aan de boerderij deed, wat ook niet veel geeft, en het salaris van Beatrice als onderwijzeres, waarvoor zij een akte heeft, er bij had, zou ik al lang in het armenhuis zijn, en soms denk ik, dat het daar toch wel op zal uitloopen. Ik heb aleens een commensaal moeten nemen om toch maar rond te komen, en dat zal ik wel weer moeten doen.“En nu moet ik naar mijn boerderij terug: de oude zeug moetjongen, en ik wil eens zien hoe het met haar gaat. God geve dat zij er weer dertien krijgt! Ik zal de vigilante bestellen om hier tegen vijf uur te wezen, ofschoon ik vóór dien tijd terug zal zijn—dat wil zeggen, ik heb Elisabeth gezegd, dat zij het doen zou. Zij is uitgegaan, om eenige bezoeken voor mij af te leggen en te zien of zij niet een paar pond kan innen van de tienden, die mij sinds drie maanden verschuldigd zijn. Als iemand die kan binnenkrijgen, is het Elisabeth. Adieu, als ge met Beatrice wilt spreken, die is opgestaan en daarbinnen. Gij zult elkaar wel bevallen. Zij is een raar meisje, die Beatrice; haar begrippen gaan mijn verstand te boven, en het was kluchtig dat zij u zoo vasthield, maar dat was zeker een beschikking van de Voorzienigheid. Tot weerziens, mijnheer Bingham,” en dit zonderling exemplaar van een predikant verdween, na Geoffrey de ooren doof gepraat te hebben.Het was half drie, en de dokter had gezegd dat hij Miss Granger om drie uur kon spreken. Hij wenschte dat het al drie uur was, want hij was zijn eigen gedachten en gezelschap moede, en natuurlijk verlangend om de kennis met het zonderlinge meisje, dat zulk een diepen indruk op hem had gemaakt en ten slotte zijn leven gered had, te hernieuwen. Het was doodstil in huis; Betty, de dienstmaagd, was in de keuken bezig, de dokters waren beiden weg, en Elisabeth en haar vader waren uit. Het weer had uitgeraasd; er was dien dag geen wind, en de zonnestralen, die door het open venster schoten, deden Geoffrey verlangen in de vrije lucht te zijn. Hij had geen boek om te lezen, en telkens kwam die echtelijke twist hem weder in de gedachten.Dat hij zulke scènes te verduren had, viel Geoffrey hard. Hij kon voor zichzelven niet langer de waarheid verhelen—hij had op zijn huwelijksdag zijn geluk begraven. Als hij op vroegere jaren terugzag, herinnerde hij zich welk een geheel ander leven hij zich had voorgesteld. In die dagen was hij de kromme sprongen der jeugd moede; zelfs de gunst, die een knap, geestig en aangenaam jonkman, met groote verwachtingen, gewoonlijk bij de dames vindt,had op zes-en-twintigjarigen leeftijd niets aantrekkelijks meer voor hem. Dus had hij er wel ooren naar, toen zijn oom, Sir Robert Bingham, die naar de zeventig liep, een wenk gaf dat het voor Geoffrey wel goed zou zijn zich te vestigen, en hem aan Lady Honoria voorstelde.Lady Honoria was toen achttien jaar en een schoonheid van het wel wat strakke, beeldachtige type, dat mannen tot op vijf- of zes-en-twintigjarigen leeftijd aantrekt, en dan begint te vervelen, zoo niet tegen te staan. Daarbij was zij schrander en belezen, en maakte aanspraak op poëtisch talent, zooals dames, die niet bizonder door Apollo begunstigd zijn, soms doen—vóórdat zij getrouwd zijn. Koel en afgemeten was zij altijd; niemand kon zeggen dat Lady Honoria ooit de perken der striktste welvoeglijkheid overschreed; maar Geoffrey schreef dit toe aan een zachte en gepaste zedigheid, die mettertijd wel zou veranderen. Zij veinsde ook een onschuldige onbekendheid met zoo iets prozaïsch als geldzaken, die hem zoowel misleidde als bekoorde. Slechts eenmaal vóór hun trouwen, sprak zij over hun middelen om huis van te houden, en dat was om te zeggen dat zij blijde was dat zij zoo arm zouden zijn, totdat die lieve oom Sir Robert stierf (hij had hun een jaargeld van vijftienhonderd pond beloofd, en zij hadden te zamen nog zeven honderd) omdat zij daardoor des te meer alles voor elkander zouden zijn.Eindelijk was de gelukkige dag aangebroken, en die reine maagdelijke ziel kwam in Geoffrey’s bezit. Een week, of iets langer misschien, ging het vrij goed, en toen begon de teleurstelling. Van lieverlede, maar zeker, bespeurde hij dat zijn vrouw ijdel, zelfzuchtig en verkwistend was, en, wat het ergste van alles was, dat zij zich zeer weinig aan hem gelegen liet zijn. De eerste schok was toen hij, vier of vijf dagen na hun trouwdag, toevallig ontdekte dat Honoria nauwkeurig bekend was met elke bizonderheid van Sir Robert Bingham’s bezitting, en hoe jong zij ook was, reeds een plan had gemaakt om er na den dood van den ouden man meer voordeel van te trekken.Zij gingen in Londen wonen, en daar bleek het hem, dat LadyHonoria, hoewel veel te koel en te voorzichtig om iets te doen waardoor zij in ’t allerminst in opspraak kon komen, toch niet weinig op bewondering gesteld was. Altijd was er een troep jongelieden om haar heen. Daar waren er onder, die hij zeer gaarne mocht lijden; maar over ’t geheel zou hij toch liever ongetrouwd gebleven zijn en in zijn club met hen omgegaan hebben. Dat leven in de gezelschapswereld ging ook met zwaarder uitgaven gepaard dan hij bekostigen kon. En zoo vervloog Geoffrey’s droom van huwelijksgeluk allengs in rook. Maar gelukkig voor hem bezat hij een zekere mate van beredeneerdheid en billijkheid. Hij zag bijtijds in, dat de schuld niet geheel en al aan zijn vrouw lag, die in haar soort niet slecht was. Maar haar soort waszijnsoort niet. Zij was getrouwd om in een ruimer sfeer te leven, waar zij, vrij kon voldoen aan de neigingen, die in haar aard lagen en door opvoeding aangekweekt waren; en van haar kant meende zij dat hij haar alleen ten huwelijk had gevraagd omdat zij de dochter van een pair was.Lady Honoria was, evenals menige andere vrouw van haar stempel, de vrucht der opvoeding van een overbeschaafde eeuw. Die oorspronkelijke deugden en dat aangeboren gevoel, waarop haar echtgenoot vertrouwd had het geluk van hun huwelijksleven te kunnen bouwen, bestonden eenvoudig niet in haar. Gevoeligheid was door opvoeding in haar hart onderdrukt; sedert vele geslachten, had men dit een lastige en verontrustende eigenschap in een vrouw gevonden. Wat die oude deugden betrof, zooals liefde voor kinderen en gewone huiselijke plichten, die vond zij slechts vervelend. Over ’t geheel, hoewel scherp van tong, werd zij zelden driftig, want haar ondeugden waren, evenals haar deugden, van negatieven aard; maar de toorn, waarin zij ontstak, toen zij de zekerheid had dat zij moeder zou worden, was iets, dat haar echtgenoot nimmer vergat en ook nimmer weder zou willen zien. Eindelijk werd het kind geboren, waarvoor Geoffrey ten minste zeer dankbaar was.“Neem het weg. Ik wil het niet zien,” zeide Lady Honoria tot degeërgerde baker, toen het kleine schepseltje haar gebracht werd.“Geef het mij maar, baker—ik wil het wel zien,” zeide haar echtgenoot.Van dat oogenblik af schonk Geoffrey al de liefde van zijn gekrenkt hart aan zijn dochtertje, en met het verloopen der jaren werden zij elkander zeer dierbaar. Maar een kind kan niet het eenige gezelschap van een naar geest en lichaam krachtig man zijn. Waarschijnlijk zou dit Geoffrey mettertijd gebleken zijn, en zou hij misschien een andere, minder wenschelijke leefwijze aangenomen hebben, als een onverwachte gebeurtenis dit niet voorkomen had. Op zijn ouden dag werd Geoffrey’s oom, Sir Robert Bingham, het slachtoffer van de listen eener gelukzoekster en trouwde met haar. Kort daarna stierf hij, en acht maanden later werd er een zoon na het overlijden van den vader geboren.Daardoor was Geoffrey geruïneerd.Zijn jaargeld hield op, en weg waren zijn vooruitzichten. Hij hield echter het hoofd omhoog, zooals een moedig man onder zulk een slag doet, gaf zijn vrouw te verstaan, dat hij nu moest werken om den kost te verdienen, en verzocht haar den slagboom, die tusschen hen was, op te heffen en hem haar hulp en sympathie te schenken. Zij beantwoordde dit met tranen en verwijtingen. Het eenige, wat haar diep trof, het eenige, wat zij vreesde en haatte, was de armoede, en alles wat armoede voor vrouwen van haar rang en haar aard beteekende. Maar er was niet aan te verhelpen; het fraaie huis inBoltonStreet moest verwisseld worden met eenbovenverdiepingbij Edgware Rood. Lady Honoria gevoelde zich ongelukkig; ja, als zij niet veel meer of minder voorname familie had bezeten, waar zij soms weken of maanden achtereen uit logeeren kon gaan, zou haar veranderd leven bijna niet om uit te houden voor haar geweest zijn.Maar, wat zonderling was, Geoffrey gevoelde zich gelukkiger dan hij sedert zijn huwelijk geweest was. Hij ging moedig aan ’t werk, en voor ieder man, die geestkracht bezit, is werken een bron van geluk. ’t Is wel geen bizonder aangename bezigheid, den geheelendag in gerechtshoven door te brengen, en menigen nacht met bijna vergeten rechtsgeleerde studiën en het uitpluizen van de ingewikkeldheden der rechtspleging. Maar zijn vader, een jongere broeder van Sir Robert, was zaakwaarnemer geweest, en hoewel hij dood was en alle rechtstreeksche betrekking met de firma had opgehouden, was er nog een andere oom in, en de compagnons vergaten Geoffrey niet in zijn moeilijkheden.Zij zonden hem zooveel werk als zij konden, zonder hun vasten advocaat voor ’t hoofd te stooten, en hij deed het goed. Toen kreeg hij allengs een algemeene geoefendheid door het opstellen van akten vooradvocaten, die een zaak in handen hadden. Dat gaf wel geen voordeel, maar elke zaak gaf vermeerdering van kennis, en, wat meer is, bekendheid, en zoo kwam het dat binnen twee jaar na zijn finantieelen tegenslag Geoffrey Bingham in de gerechtshoven een niet onopgemerkt persoon was.“Wie is dat toch, dien wij hier zoo dikwijls zien?” vroeg een voornaam lid van de rechtbank aan een ander, toen hij, op den laatsten dag der zitting, die het begin van deze geschiedenis voorafging, Geoffrey door de gang zag loopen.“Bingham heet hij,” was het antwoord. “Hij is pas sedert kort in de praktijk, maar hij zal het ver brengen. Hij heeft een goed huwelijk gedaan, met de dochter van den ouden Garsington, weet gij, een knappe vrouw.”“Dat hij het ver zal brengen, is hem wel aan te zien,” beaamde de ander, en van nu af aan was dat het algemeen gevoelen.Want, zooals Beatrice gezegd had, Geoffrey was een man, wien het op zijn voorhoofd te lezen stond, dat hij naam zou maken. Het kon bijna niet missen of hij moest slagen in alles wat hij ondernam.

Omstreeks twee uur stond Geoffrey op, en kwam met eenige hulp van zijn WelEerwaarden gastheer in zijn kleeren. Toen gebruikte hij eenluncheon, en terwijl hij dat deed, stortte Granger zijn hart voor hem uit.

“Mijn vader was een pachter in Herefordshire, mijnheer Bingham,” zeide hij, “en in dien stand werd ik opgevoed. Mijn vader maakte goede zaken, zooals in die dagen een vlijtig man doen kon. Wat meer is, hij won wat geld als veekooper, en ik geloof dat dit zijn hoofd een weinig op hol bracht; ten minste, hij wilde ‘een heer van mij maken,’ zooals hij het noemde. Dus werd ik, toen ik achttien jaar was, weggestuurd om predikant te worden, of ik er lust in had of niet. Goed, ik werd predikant, en vier jaar lang had ik een hulppredikersplaats in een dorp, Kington genaamd, in Herefordshire, geen slecht plaatsje—misschien kent gij het wel. Terwijl ik daar was, ging mijn vader, die buiten zichzelven geraakte, aan ’t speculeeren. Hij liet een rij villa’s te Leominster bouwen, ten minste, hij leende een zaakwaarnemer het geld om ze te bouwen, en toen ze gebouwd waren, wilde niemand ze huren. Die villa’s hadden mijn vader geruïneerd. Ik heb na dien tijd geen villa kunnen zien zonder er van te griezelen, mijnheerBingham. Enkort daarop stierf hij, een bankroet zoo nabij als iemands neus dichtbij zijn mond is.

“Daarna werd mij deze predikantsplaats aangeboden van niet meer dan £ 150, en als een gek nam ik die aan. De oude predikant, mijn voorganger, was door de geringe bezoldiging geruïneerd, evenals zij mij ruïneert, en had een eenige dochter nagelaten. Met die dochter trouwde ik, en zij was een lieve vrouw; zij had veel van mijn Beatrice, maar zij was niet zoo verstandig. Ik weet niet waar Beatrice’s verstand van daan komt,—van mij niet, daar geef ik mij niet voor uit. Mijn vrouw was van goede geboorte, van een oude Cornwallsche familie, maar zij had nergens een heenkomen, en ik geloof, dat zij maar met mij trouwde, omdat zij niet wist wat zij anders beginnen moest, en omdat zij aan de oude plaats gehecht was. Zij nam mij, als ’t ware, op den koop toe, om er te blijven. Nu, het ging alles vrij goed, tot elf jaar geleden, toen onze zoon geboren werd, hoewel ik niet geloof dat wij elkander ooit recht verstonden. Na dien tijd kreeg zij haar gezondheid niet terug, en zeven jaar geleden is zij gestorven. Ik herinner mij, dat het op een avond was, die bizonder veel overeenkomst had met gisterenavond—eerst mist en toen storm. Het knaapje stierf eenige jaren later. Ik dacht dat het Beatrice’s hart gebroken zou hebben, zij is nooit weer hetzelfde meisje geweest, maar altijd vol rare begrippen, waarmee ik mij niet kan vereenigen.

“En wat ik hier voor een leven heb, mijnheer Bingham, als ik u dat vertelde, zoudt gij het niet gelooven. Niet alleen dat de bezoldiging zoo schraal is, maar er zijn hier zooveelDissenters, en tienden zijn er niet te krijgen. Als ik niet zoo wat aan de boerderij deed, wat ook niet veel geeft, en het salaris van Beatrice als onderwijzeres, waarvoor zij een akte heeft, er bij had, zou ik al lang in het armenhuis zijn, en soms denk ik, dat het daar toch wel op zal uitloopen. Ik heb aleens een commensaal moeten nemen om toch maar rond te komen, en dat zal ik wel weer moeten doen.

“En nu moet ik naar mijn boerderij terug: de oude zeug moetjongen, en ik wil eens zien hoe het met haar gaat. God geve dat zij er weer dertien krijgt! Ik zal de vigilante bestellen om hier tegen vijf uur te wezen, ofschoon ik vóór dien tijd terug zal zijn—dat wil zeggen, ik heb Elisabeth gezegd, dat zij het doen zou. Zij is uitgegaan, om eenige bezoeken voor mij af te leggen en te zien of zij niet een paar pond kan innen van de tienden, die mij sinds drie maanden verschuldigd zijn. Als iemand die kan binnenkrijgen, is het Elisabeth. Adieu, als ge met Beatrice wilt spreken, die is opgestaan en daarbinnen. Gij zult elkaar wel bevallen. Zij is een raar meisje, die Beatrice; haar begrippen gaan mijn verstand te boven, en het was kluchtig dat zij u zoo vasthield, maar dat was zeker een beschikking van de Voorzienigheid. Tot weerziens, mijnheer Bingham,” en dit zonderling exemplaar van een predikant verdween, na Geoffrey de ooren doof gepraat te hebben.

Het was half drie, en de dokter had gezegd dat hij Miss Granger om drie uur kon spreken. Hij wenschte dat het al drie uur was, want hij was zijn eigen gedachten en gezelschap moede, en natuurlijk verlangend om de kennis met het zonderlinge meisje, dat zulk een diepen indruk op hem had gemaakt en ten slotte zijn leven gered had, te hernieuwen. Het was doodstil in huis; Betty, de dienstmaagd, was in de keuken bezig, de dokters waren beiden weg, en Elisabeth en haar vader waren uit. Het weer had uitgeraasd; er was dien dag geen wind, en de zonnestralen, die door het open venster schoten, deden Geoffrey verlangen in de vrije lucht te zijn. Hij had geen boek om te lezen, en telkens kwam die echtelijke twist hem weder in de gedachten.

Dat hij zulke scènes te verduren had, viel Geoffrey hard. Hij kon voor zichzelven niet langer de waarheid verhelen—hij had op zijn huwelijksdag zijn geluk begraven. Als hij op vroegere jaren terugzag, herinnerde hij zich welk een geheel ander leven hij zich had voorgesteld. In die dagen was hij de kromme sprongen der jeugd moede; zelfs de gunst, die een knap, geestig en aangenaam jonkman, met groote verwachtingen, gewoonlijk bij de dames vindt,had op zes-en-twintigjarigen leeftijd niets aantrekkelijks meer voor hem. Dus had hij er wel ooren naar, toen zijn oom, Sir Robert Bingham, die naar de zeventig liep, een wenk gaf dat het voor Geoffrey wel goed zou zijn zich te vestigen, en hem aan Lady Honoria voorstelde.

Lady Honoria was toen achttien jaar en een schoonheid van het wel wat strakke, beeldachtige type, dat mannen tot op vijf- of zes-en-twintigjarigen leeftijd aantrekt, en dan begint te vervelen, zoo niet tegen te staan. Daarbij was zij schrander en belezen, en maakte aanspraak op poëtisch talent, zooals dames, die niet bizonder door Apollo begunstigd zijn, soms doen—vóórdat zij getrouwd zijn. Koel en afgemeten was zij altijd; niemand kon zeggen dat Lady Honoria ooit de perken der striktste welvoeglijkheid overschreed; maar Geoffrey schreef dit toe aan een zachte en gepaste zedigheid, die mettertijd wel zou veranderen. Zij veinsde ook een onschuldige onbekendheid met zoo iets prozaïsch als geldzaken, die hem zoowel misleidde als bekoorde. Slechts eenmaal vóór hun trouwen, sprak zij over hun middelen om huis van te houden, en dat was om te zeggen dat zij blijde was dat zij zoo arm zouden zijn, totdat die lieve oom Sir Robert stierf (hij had hun een jaargeld van vijftienhonderd pond beloofd, en zij hadden te zamen nog zeven honderd) omdat zij daardoor des te meer alles voor elkander zouden zijn.

Eindelijk was de gelukkige dag aangebroken, en die reine maagdelijke ziel kwam in Geoffrey’s bezit. Een week, of iets langer misschien, ging het vrij goed, en toen begon de teleurstelling. Van lieverlede, maar zeker, bespeurde hij dat zijn vrouw ijdel, zelfzuchtig en verkwistend was, en, wat het ergste van alles was, dat zij zich zeer weinig aan hem gelegen liet zijn. De eerste schok was toen hij, vier of vijf dagen na hun trouwdag, toevallig ontdekte dat Honoria nauwkeurig bekend was met elke bizonderheid van Sir Robert Bingham’s bezitting, en hoe jong zij ook was, reeds een plan had gemaakt om er na den dood van den ouden man meer voordeel van te trekken.

Zij gingen in Londen wonen, en daar bleek het hem, dat LadyHonoria, hoewel veel te koel en te voorzichtig om iets te doen waardoor zij in ’t allerminst in opspraak kon komen, toch niet weinig op bewondering gesteld was. Altijd was er een troep jongelieden om haar heen. Daar waren er onder, die hij zeer gaarne mocht lijden; maar over ’t geheel zou hij toch liever ongetrouwd gebleven zijn en in zijn club met hen omgegaan hebben. Dat leven in de gezelschapswereld ging ook met zwaarder uitgaven gepaard dan hij bekostigen kon. En zoo vervloog Geoffrey’s droom van huwelijksgeluk allengs in rook. Maar gelukkig voor hem bezat hij een zekere mate van beredeneerdheid en billijkheid. Hij zag bijtijds in, dat de schuld niet geheel en al aan zijn vrouw lag, die in haar soort niet slecht was. Maar haar soort waszijnsoort niet. Zij was getrouwd om in een ruimer sfeer te leven, waar zij, vrij kon voldoen aan de neigingen, die in haar aard lagen en door opvoeding aangekweekt waren; en van haar kant meende zij dat hij haar alleen ten huwelijk had gevraagd omdat zij de dochter van een pair was.

Lady Honoria was, evenals menige andere vrouw van haar stempel, de vrucht der opvoeding van een overbeschaafde eeuw. Die oorspronkelijke deugden en dat aangeboren gevoel, waarop haar echtgenoot vertrouwd had het geluk van hun huwelijksleven te kunnen bouwen, bestonden eenvoudig niet in haar. Gevoeligheid was door opvoeding in haar hart onderdrukt; sedert vele geslachten, had men dit een lastige en verontrustende eigenschap in een vrouw gevonden. Wat die oude deugden betrof, zooals liefde voor kinderen en gewone huiselijke plichten, die vond zij slechts vervelend. Over ’t geheel, hoewel scherp van tong, werd zij zelden driftig, want haar ondeugden waren, evenals haar deugden, van negatieven aard; maar de toorn, waarin zij ontstak, toen zij de zekerheid had dat zij moeder zou worden, was iets, dat haar echtgenoot nimmer vergat en ook nimmer weder zou willen zien. Eindelijk werd het kind geboren, waarvoor Geoffrey ten minste zeer dankbaar was.

“Neem het weg. Ik wil het niet zien,” zeide Lady Honoria tot degeërgerde baker, toen het kleine schepseltje haar gebracht werd.

“Geef het mij maar, baker—ik wil het wel zien,” zeide haar echtgenoot.

Van dat oogenblik af schonk Geoffrey al de liefde van zijn gekrenkt hart aan zijn dochtertje, en met het verloopen der jaren werden zij elkander zeer dierbaar. Maar een kind kan niet het eenige gezelschap van een naar geest en lichaam krachtig man zijn. Waarschijnlijk zou dit Geoffrey mettertijd gebleken zijn, en zou hij misschien een andere, minder wenschelijke leefwijze aangenomen hebben, als een onverwachte gebeurtenis dit niet voorkomen had. Op zijn ouden dag werd Geoffrey’s oom, Sir Robert Bingham, het slachtoffer van de listen eener gelukzoekster en trouwde met haar. Kort daarna stierf hij, en acht maanden later werd er een zoon na het overlijden van den vader geboren.

Daardoor was Geoffrey geruïneerd.

Zijn jaargeld hield op, en weg waren zijn vooruitzichten. Hij hield echter het hoofd omhoog, zooals een moedig man onder zulk een slag doet, gaf zijn vrouw te verstaan, dat hij nu moest werken om den kost te verdienen, en verzocht haar den slagboom, die tusschen hen was, op te heffen en hem haar hulp en sympathie te schenken. Zij beantwoordde dit met tranen en verwijtingen. Het eenige, wat haar diep trof, het eenige, wat zij vreesde en haatte, was de armoede, en alles wat armoede voor vrouwen van haar rang en haar aard beteekende. Maar er was niet aan te verhelpen; het fraaie huis inBoltonStreet moest verwisseld worden met eenbovenverdiepingbij Edgware Rood. Lady Honoria gevoelde zich ongelukkig; ja, als zij niet veel meer of minder voorname familie had bezeten, waar zij soms weken of maanden achtereen uit logeeren kon gaan, zou haar veranderd leven bijna niet om uit te houden voor haar geweest zijn.

Maar, wat zonderling was, Geoffrey gevoelde zich gelukkiger dan hij sedert zijn huwelijk geweest was. Hij ging moedig aan ’t werk, en voor ieder man, die geestkracht bezit, is werken een bron van geluk. ’t Is wel geen bizonder aangename bezigheid, den geheelendag in gerechtshoven door te brengen, en menigen nacht met bijna vergeten rechtsgeleerde studiën en het uitpluizen van de ingewikkeldheden der rechtspleging. Maar zijn vader, een jongere broeder van Sir Robert, was zaakwaarnemer geweest, en hoewel hij dood was en alle rechtstreeksche betrekking met de firma had opgehouden, was er nog een andere oom in, en de compagnons vergaten Geoffrey niet in zijn moeilijkheden.

Zij zonden hem zooveel werk als zij konden, zonder hun vasten advocaat voor ’t hoofd te stooten, en hij deed het goed. Toen kreeg hij allengs een algemeene geoefendheid door het opstellen van akten vooradvocaten, die een zaak in handen hadden. Dat gaf wel geen voordeel, maar elke zaak gaf vermeerdering van kennis, en, wat meer is, bekendheid, en zoo kwam het dat binnen twee jaar na zijn finantieelen tegenslag Geoffrey Bingham in de gerechtshoven een niet onopgemerkt persoon was.

“Wie is dat toch, dien wij hier zoo dikwijls zien?” vroeg een voornaam lid van de rechtbank aan een ander, toen hij, op den laatsten dag der zitting, die het begin van deze geschiedenis voorafging, Geoffrey door de gang zag loopen.

“Bingham heet hij,” was het antwoord. “Hij is pas sedert kort in de praktijk, maar hij zal het ver brengen. Hij heeft een goed huwelijk gedaan, met de dochter van den ouden Garsington, weet gij, een knappe vrouw.”

“Dat hij het ver zal brengen, is hem wel aan te zien,” beaamde de ander, en van nu af aan was dat het algemeen gevoelen.

Want, zooals Beatrice gezegd had, Geoffrey was een man, wien het op zijn voorhoofd te lezen stond, dat hij naam zou maken. Het kon bijna niet missen of hij moest slagen in alles wat hij ondernam.

Hoofdstuk IX.Wat Beatrice gedroomd had.Geoffrey lag op de sofa en zag naar den zonneschijn, en luisterde naar het getik van de pendule, terwijl hij zich al die gebeurtenissen voor den geest riep, totdat zij op het tooneel van dien ochtend uitliepen.“’t Is niet langer te dulden,” zeide hij eindelijk. “Zij maakt mijn leven ellendig. Als het niet om Effie was, op mijn woord, ik zou—Drommels, ’t is drie uur; ik ga naar Miss Granger. Zij is in allen gevalle een vrouw met een hart, hoewel een vrijgeest—wat zeer dwaas van haar is,” liet hij er op volgen, terwijl hij langzaam van de sofa opstond.Met moeite, want hij was stijf en pijnlijk, strompelde hij de lange, smalle kamer door en de deur uit, die op een kier stond. De deur aan de overzijde was ook open. Hij klopte zacht aan, en toen hij geen antwoord kreeg, stiet hij die verder open en zag naar binnen, meenende dat hij zich misschien in de kamer vergist had. Op een sofa, die omstreeks twee derden van het vertrek in de lengte besloeg, lag Beatrice te slapen.Zij was in een soort vanpeignoirvan een eenvoudige blauwe stof gewikkeld, en haar krullend haar golfde langs haar borst en schouders. Haar lief gelaat, waarvan de bleekheid nog des te meer uitkwam door de schaduw van de lange, donkere wimpers, en tegen de frissche roode kleur der lippen, was naar hem toegekeerd. Een der blanke handen hing bijna tot op den grond neder, en onder den sluier van het goudkleurig haar bewoog haar boezem zacht in haar slaap. Zóó schoon was zij in haar rust, dat hij bijna met ontzag staan bleef, met een gevoel alsof een aanwezige macht zijn hart in bedwang hield. ’t Is gevaarlijk zulk een stille schoonheid te aanschouwen en dat in bedwang houden van het hart tegevoelen. Een waarlijk verstandig man, die het gevoelt, zou gevlucht zijn, wetende dat het zaad, in zulke oogenblikken gezaaid, kan ontkiemen om eenmaal bittere vruchten voort te brengen. Maar Geoffrey was niet verstandig—wie zou het ook geweest zijn? Hij bleef op die slapende schoonheid staren totdat haar beeld zich zoo vast in zijn hart prentte, dat het door alle latere jaren, met al hun verschillende gemoedsbewegingen, niet was uit te wisschen.En terwijl hij daar in diepe stilte stond te staren, maakte een angstig voorgevoel zich van hem meester.De zonnestraal, die in de kamer viel, week voor de schaduw van een voorbijtrekkende wolk. Een oogenblik trilde het zonlicht op zijn borst, scheen terug op de hare, en verdween, en toen het wegstierf, was het hem alsof hij wist dat voortaan, voor leven en dood, zijn lot en dat van dat slapende meisje één waren. Het was slechts een oogenblikkelijke aandoening, reeds verdwenen bijna voordat hij er de dwaasheid van begrepen had. Maar in later dagen herinnerde hij zich wat hij toen gevoeld had.Juist op dat oogenblik opende Beatrice de oogen. Haar droomerige blik viel op hem, meer alsof zij door hem heen en voorbij hem, dan naar hem zag. Toen richtte zij zich een weinig op, en strekte beide armen naar hem uit.“Zoo zijt gij dan eindelijk bij mij gekomen,” sprak zij. “Ik wist wel dat gij komen zoudt en heb op u gewacht.”Hij gaf geen antwoord; hij wist niet wat hij zeggen zou; hij dacht eigenlijk dat zij droomde. Een poos staarde Beatrice hem nog even afgetrokken aan, totdat zij eensklaps schrikte en het bloed haar naar het voorhoofd stroomde.“Wel, mijnheer Bingham,” zeide zij, “zijt gij het werkelijk? Wat heb ik gezegd? O, vergeef het mij, wat het ook was. Ik heb geslapen, en zoo’n zonderlingen droom gehad, en in mijn slaap gesproken.”“Maak u niet ongerust, Miss Granger,” antwoordde hij, zich eensklaps herstellende; “gij hebt niets verschrikkelijks gezegd, alleendat gij blij waart mij te zien. Waar hebt ge van gedroomd?” Zij zag hem twijfelachtig aan; misschien klonken zijn woorden niet volkomen waar.“Het zal, geloof ik, beter zijn dat ik het u vertel, nu ik u reeds zooveel gezegd heb,” hernam zij. “Bovendien was het een zeer zonderlinge droom, en als ik aan droomen geloofde, zou hij mij bang gemaakt hebben, maar dat doe ik gelukkig niet. Ga zitten, dan zal ik ’t u vertellen, eer ik het vergeten ben. ’t Is geen lang verhaal.”Hij nam den stoel, dien zij hem aanwees, en zij begon op den toon van iemand, nog geheel onder den indruk der herinnering van wat hij gedroomd heeft.“Ik droomde dat ik in een ruimte stond. Ver rechts van mij af, was een groote lichtbol, en links was een andere bol, en ik wist dat die bollen Leven en Dood waren. Van den bol rechts, naar den bol links, heen en terug, werd gestadig een gouden schietspoel geschoten, waarin twee oogen gezet waren, en ik wist dat dit de schietspoel was, waarmede het Noodlot het lot der menschen weeft. Daar vloog de schietspoel weer, en liet een langen zilveren draad na, en de oogen in de spoel waren uw oogen. Weer vloog de schietspoel door de ruimte, en ditmaal waren haar oogen als mijn oogen en de draad, dien zij achterliet, was van vrouwenhaar gevlochten. Halverwege tusschen de bollen van Leven en Dood brak mijn levensdraad af, maar de schietspoel vloog door en verdween. Een oogenblik hing de draad in de lucht, en toen stak er een wind op en blies hem weg, zoodat hij als de draad van een spinneweb zweefde, totdat hij op uw zilveren levensdraad stiet en, zich er omheen begon te winden. Onder dat omwinden werd hij grooter en zwaarder, en eindelijk was hij zoo dik als een groote haarvlecht, en begon de zilveren draad onder zijn zwaarte te buigen, zoodat ik zag dat die spoedig moest breken. Terwijl ik in verbazingafwachttewat er gebeuren zou, gleed een witte hand, die een mes hield, langzaam langs den zilveren draad neder en sneed de omwindsels van vrouwenhaar af, die langzaam wegzweefden als,een door het zonlicht bestraald wolkje, totdat zij zich in het duister verloren. Maar de zilveren draad, die uw levensdraad was, sprong trillend op, en maakte een zuchtend geluid.“Nu scheen ik te slapen, en toen ik wakker werd, dreef ik op zulk een mistige zee als wij gisterenavond gezien hebben. Ik had het land geheel uit het gezicht verloren, en ik kon mij niet herinneren hoe de sterren er uitzagen, of hoe ik had leeren sturen, of begrijpen waar ik heen moest. Ik riep de zee aan en vroeg haar naar de sterren, en de zee antwoordde:“‘De hoop heeft haar gewaad verscheurd, en er zijn geen sterren meer.’“Ik riep weder, en vroeg het land waarheen ik gaan moest, en het land gaf geen antwoord, maar de zee antwoordde ten tweede male:“‘Kind van den nevel, zwerf in den nevel om, en zoek in duisternis licht.’“Toen weende ik, omdat de hoop haar sterrenkleed verscheurd had en ik in duisternis licht moest zoeken. En terwijl ik nog weende, zag ikuuit de zee oprijzen, en gij kwaamt naast mij in de boot zitten. Ik had u vroeger nooit gezien, en toch gevoelde ik dat ik u altijd gekend had. Gij spraakt niet, en ik sprak ook niet, maar ge zaagt in mijn hart, en daar zaagt ge mijn droefheid. Toen zag ik inuwhart, en las wat daarin geschreven stond. Het was dit:“‘Vrouw, die ik gekend heb voordat het verleden begon, en die ik zal kennen, wanneer de toekomst geëindigd is, waarom weent gij?’“En ik antwoordde: ‘Ik ween omdat ik op de wateren der aarde verdwaald ben, omdat de hoop haar sterrenkleed verscheurd heeft, en ik in eeuwigdurende duisternis moet zoeken naar licht, dat er niet is.’ Toen zeide uw hart: ’Ikzal u het licht laten zien,’ en gij boogt u voorover en raaktet mijn borst aan.“En eensklaps gevoelde ik een doodsbenauwdheid, en daarop was de lucht vol engelen met groote vleugels, die den mist oproldenals een laken en den sluier van den nacht wegtrokken, en daar, met haar voeten op den bol en haar met sterren omringd hoofd in het firmament, stond de hoop en ademde vrede en schoonheid. Zij zag naar het noorden en het zuiden en het oosten en het westen, en zij zag naar omhoog door het hemelgewelf, en waar zij haar oogen wendde, verdween de duisternis, hield de droefheid op en uit het verdorvene ontstond het reine. Terwijl ik aanbiddend op dit heerlijk schouwspel staarde, sprak de zee weer, ditmaal ongevraagd:“‘in duisternis hebt gij licht gevonden, zoek wijsheid in den dood.’“Toen verscheurde de hoop weder haar sterrenkleed, en de engelen trokken den sluier over de oogen van den nacht neder, en de zee verzwolg mij, en ik zonk tot in den diepsten afgrond van den lichamelijken dood. En daar, in de gewelven des doods, bleef ik, eeuw op eeuw, totdat ik eindelijk u zag komen, en op uw lippen was het woord van wijsheid, dat alle dingen helder maakt, maar wat het was, kan ik mij niet herinneren. Toen strekte ik mijn hand naar u uit, om u te begroeten, en ontwaakte, en dat is nu mijn geheele droom.”Zij hield op, met wijdgeopende oogen, alsof zij dit geestelijk visioen nog op de aarde zocht; haar borst zwoegde en haar lippen waren half geopend.“Groote Hemel!” riep hij uit, “wat moet gij een verbeelding hebben, om zoo iets te droomen!”“Verbeelding;” zeide zij, op haar natuurlijken toon, “heb ik niet, mijnheer Bingham. Die placht ik te hebben, maar ik heb ze verloren, toen ik—alles verloor. Kunt gij mijn droom uitleggen? Dat kunt ge, natuurlijk niet; ’t is niets anders dan onzin—zooals alle droomen zijn.”“Het moge onzin wezen, en dat is het ook wel, maar ’t is schoone onzin,” antwoordde hij.“Nu ja, droomend is men misschien verstandiger dan wakend, en onzin is mogelijk beter dan geleerde gesprekken, voor zooverrewij weten. Maar genoeg daarvan. Ik weet niet waarom ik u eigenlijk dien droom verteld heb; maar hij kwam mij zóó als werkelijk voor, dat ik er door ontroerd was. Dat komt er van als men uit zijn gewone sleur gaat door drie kwart verdronken te zijn. Op den bodem der zee vindt men rare dingen, zooals gij weet. Intusschen hoop ik, dat gij spoedig geheel hersteld zult zijn. Ik geloof niet dat ge lust zult hebben weer met mij uit varen te gaan, mijnheer Bingham.”Dit gaf hem, als ’t ware, in den mond haar iets galants te zeggen, maar Geoffrey gevoelde dat, als hij het deed, het te ernstig zou zijn, dus weerstond hij de verzoeking.“Wat zal ik u daarop antwoorden, Miss Granger?” zeide hij. “Hoe kan een man woorden vinden, om een dame, die den vorigen avond zijn leven heeft gered, bijna ten koste van het hare, te zeggen wat er in hem omgaat?”“Het was niets,” hernam zij kleurende, “ik hield u vast, anders niet, meer uit instinct dan om eenige beweegreden. Ik dacht, geloof ik, dat ge zoudt blijven drijven en ik op u een steunpunt zou hebben.”“De zaak is te ernstig, Miss Granger, voor beleefde jokkernij. Ik weet, dat gij mijn leven gered hebt. Ik weet niet hoe ik u daarvoor genoeg kan danken.”“Bedank mij dan in ’t geheel maar niet, mijnheer Bingham.Waarom zoudt ge mij bedanken? Ik deed niets anders dan wat ik wel verplicht was te doen. Ik zou veel liever sterven dan een makker in den nood te verlaten; sterven moeten wij allen, maar beschaamd te sterven zou verschrikkelijk zijn. Gij weet, het spreekwoord zegt, dat, als men iemand uit het water haalt, men hem later kwaad doet; men zegt het ook wel andersom. Maar ik zal u niet licht kwaad doen, dus maak ik mij daar niet ongerust over. Het was een akelige gewaarwording; gij waart bewusteloos, dus kunt gij niet weten welk een zonderling gevoel het was op die glibberige rots te liggen en die groote witte golven in de duisternis op ons af te zien bruisen, met niets anders dan de zwartelucht boven ons en de zee om ons heen, en daartusschen de dood. Ik ben vele jaren eenzaam geweest, maar ik geloof dat ik vroeger nooit begrepen heb wat eenzaamheid eigenlijk was. Ziet gij,” liet zij er op volgen, “ik dacht dat ge dood waart, en aan een lijk heeft men niet veel gezelschap.”“Het zou toch nog akeliger eenzaam geweest zijn, als wij verdronken waren,” zeide hij.“Zoudt gij dat denken?” hernam zij vragend. “Ik zie niet recht in, hoe gij dat bewijst. Als gij gelooft wat ons geleerd is, zooals gij, meen ik, doet, dan zoudt gij, waar gij u ook bevondt, gezelschap in overvloed vinden, en als gij, zooals ik, aan niets gelooft, welnu, dan zoudt gij geslapen hebben, en in den slaap heeft men aan niets behoefte.”“Geloofdet gij aan niets, toen ge daar op de rots laagt te wachten om te verdrinken, Miss Granger?”“Aan niets!” antwoordde zij; “het zijn alleen zwakke menschen, die in den uitersten nood openbaring vinden. Als de openbaring ooit komt, dan moet zij uit het hart ontstaan en niet uit vrees. Ik geloofde aan niets, en ik was voor niets bevreesd dan alleen voor de benauwdheid van den doodstrijd. Waarom zou ik bevreesd zijn? Gesteld dat ik dwaal, en dat er hiernamaals iets is, kan ik het dan helpen dat ik niet geloof? Wat heb ik gedaan, om bevreesd te zijn? Zoover ik weet, heb ik nooit opzettelijk iemand leed gedaan, en als ikkongelooven, zou ik het doen. Ik wenschte dat ik maar gestorven was,” ging zij hartstochtelijk voort; “dan was nu alles uit. Ik ben de wereld moede, ik ben het werken en afhankelijkheid en al de kleine kwellingen, die het leven zoo vervelend maken, moede. Ik ben hier niet noodig, ik heb niets waarvoor ik leef, en ik zou maar liever dood willen zijn.”“Eenmaal zult ge er anders over denken, Miss Granger. Er is veel, waar een vrouw zooals gij voor leven kan—in allen gevalle hebt gij uw werk.”Zij lachte bitter. “Mijn werk! Als gij wist hoe dat was, zoudt ge er mij niet over spreken. Elken dag rol ik mijn steen den heuvelop, en elken nacht schijnt hij weer naar beneden te rollen. Maar gij hebt nooit onderwijs gegeven op een dorpsschool. Hoe kunt gij er van weten? Ik werk den geheelen dag, en ’s avonds moet ik misschien tafellakens verstellen, of—wat denkt ge wel?—mijn vaders preeken schrijven. Het klinkt zonderling, niet waar, dat ik preeken moet schrijven? Maar het is toch zoo. Nu schrijf ik er weer een voor aanstaanden Zondag. Het maakt voor hem weinig verschil hoe de preek is, als hij ze maar lezen kan, en natuurlijk zeg ik er niets in, wat iemand aanstoot kan geven, en ik geloof ook niet, dat men er veel naar luistert. In Bryngelly gaan weinig menschen naar de kerk.”“Hebt ge dan nooit tijd voor uzelve?”“O, ja, soms wel, en dan ga ik in mijn bootje varen, of ik lees, en dan gevoel ik mij bijna gelukkig. ’t Is eigenlijk zeer verkeerd en ondankbaar van mij dat ik zoo spreek. Ik heb meer voorrechten dan negen tienden van de wereld, en die behoorde ik mij ten nutte te maken. Ik weet niet waarom ik zoo gesproken heb, en dat wel tegen u, dien ik gisteren voor ’t eerst gezien heb. Met geen levende ziel heb ik ooit zoo gesproken, dat verzeker ik u. ’t Is evenals de geschiedenis van den man met de tooverroede, die hier verleden jaar geweest is. Op de rots staat een huisje—het behoort aan mijnheer Davies, die op het kasteel woont. Er is geen drinkwater in de nabijheid, en een nieuwe huurder maakte er veel beweging over. Dus zette mijnheer Davies mannen aan ’t werk, die dag in dag uit aan het graven waren, maar zij konden geen water vinden. Eindelijk haalde de huurder een oud man uit een ver afgelegen kerspel, die zeide dat hij met een tooverroede water kon vinden. Hij was een raar oud man, met een kruk, en hij kwam met zijn tooverroede, en strompelde voort, totdat de roede eindelijk vanzelf in den grond stak, vlak bij de achterdeur van den bewoner—tenminste, zooals de zoogenaamde toovenaar zeide. In allen gevalle gingen zij daar graven, en binnen tien minuten stieten zij op een bron, die zoo sterk opborrelde dat het huis er door overstroomd werd. En wat denkt ge dat het was? Niets anders dan brak water. Gijzijt de man met de tooverroede, mijnheer Bingham; gij hebt mij aan het spreken gebracht, en ik heb veel te veel gezegd, en wat alles behalve aardig was. Gij moet mij wel voor een naar en slecht meisje houden, en dat ben ik ook. Maar ’t is zoo’n verlichting zijn hart eens uit te storten. Ik hoop, mijnheer Bingham, dat ge zult inzien—kortom, dat ge mij niet verkeerd begrijpen zult.”“Miss Granger,” antwoordde hij, “er bestaat tusschen ons iets, dat ons altijd aanspraak geeft op wederzijdsche achting en vertrouwen—de band van leven en dood. Zonder u, zou ik hier nu niet zitten om uw vertrouwelijke mededeelingen aan te hooren. Ge moogt mij zeggen, dat een niet meer dan natuurlijke aandrift u bewogen heeft om te doen wat gij gedaan hebt. Ik weet beter. Het was uw wil, die uw natuurlijke aandrift tot zelfbehoud overwon. Maar ik zal er niets meer van zeggen dan alleen dit: Als ooit een man door banden van dankbaarheid en achting aan een vrouw gebonden was, dan ben ik het aan u. Ge behoeft niet te vreezen dat ik uw vertrouwen zal misbruiken of er een verkeerde uitlegging aan zal geven.” Dit zeggende, stond hij op, en boog voor haar. “Miss Granger, ik beschouw het als eer, welke mij is aangedaan door iemand, die ik voortaan boven alle vrouwen moet vereeren. Het leven, dat ge mij teruggegeven hebt, en het verstand, waardoor het geleid wordt, ben ik aan u verschuldigd, en die schuld zal ik niet vergeten.”Zij luisterde naar die krachtige en ernstige stem, die later in de rechtzaal en het Parlement zoo bekend werd, en zijn woorden wekten een nieuw gevoel van genoegen in haar. In zijn oogen was zij meer dan een schoon meisje, dat alleen om haar schoonheid bewonderd en vereerd werd, en met fierheid gevoelde zij haar zedelijke zegepraal.“Weet ge wel,” zeide zij, de oogen tot hem opslaande, “dat ge mij trotsch maakt,” en zij stak hem de hand toe.Hij vatte die, bukte zich er overheen en drukte er even zijn lippen op. Het was niet mogelijk daar een verkeerde uitleggingaan te geven, en hoewel zij een weinig kleurde—want geen man had nog ooit de toppen harer vingers gekust—zag zij er dan ook niets anders dan een hulde in.En zoo bezegelden zij hun verbond van zuivere vriendschap eens en voor altijd.Nu volgde er een oogenblik stilzwijgen, dat door Geoffrey werd afgebroken.“Miss Granger,” zeide hij, “wilt ge mij vergunnen u een kleine zedepreek te houden?”“Ga uw gang” antwoordde zij.“Goed. Als zij u niet bevalt, moet ge het mij niet kwalijk nemen, en houd mij niet voor een wijsneus, als ik u zeg wat uw gebreken zijn, zooals ik die in uw woorden lees. Gij zijt trotsch en eerzuchtig, en de perken, waarbinnen gij u genoodzaakt ziet te leven, zijn u te eng. Gij hebt geleden, en de les van het lijden—nederigheid—nog niet geleerd. Gij hebt u tegen het Lot verzet, en het Lot drijft u voort als het schuim der zee, dat door den storm wordt voortgezweept, maar gij zwicht onwillig. In uw wrevel hebt gij uw toevlucht tot studie genomen, en die heeft u den laatsten stoot gegeven, want die heeft u er toe gebracht alles wat gij niet begrijpen kunt, als niet bestaande te verwerpen. Omdat uw begrensd verstand het oneindige niet kan begrijpen, omdat er op al uw gebeden geen antwoord is gekomen, omdat gij ellende ziet en er het doel niet van kunt doorgronden, omdat gij lijdt en geen rust gevonden hebt, hebt gij gezegd dat er niets anders dan toeval is en zijt ge een atheïst geworden, als zoovele anderen. Is dat niet waar?”“Ga voort,” antwoordde zij, haar hoofd op haar borst buigende, zoodat haar lang, golvend haar bijna haar gelaat verborg.“Het schijnt wel wat zonderling,” hernam Geoffrey, met een korten lach, “dat ik, met al mijn gebreken, mij verstout u een zedeles te geven, maar gij zult zelve het best weten hoe nabij of hoe ver van de waarheid ik ben. Dit wil ik u zeggen: Ik heb vijf-en-dertig jaar geleefd, en veel gezien, en getracht er veel uit teleeren; en ik weet, dat, als wij niet zelven de kans laten voorbijgaan, de wereld ons mettertijd geeft wat ons toekomt—al is dat meestal ook niet veel. Als gij geschikt zijt om te heerschen, zult gij eenmaal heerschen; zijt gij het niet, dan moet gij uw ongeschiktheid erkennen en tevreden zijn. Zooveel wat de tijdelijke dingen betreft. En wat nu de geestelijke dingen betreft, ben ik zeker—hoewel men, natuurlijk, niet gaarne veel over zulke zaken spreekt—dat als ge er maar lang genoeg in den een of anderen vorm naar zoekt, gij ze zult vinden, al is het ook niet zulk een vorm als meestal door een bizonderen godsdienst erkend wordt. Maar opzettelijk een muur op te richten tusschen onszelven en het ongeziene, en dan te klagen dat de weg versperd is—dat is eenvoudig kinderachtig.”“En als die muur nu al opgericht is, mijnheer Bingham?”“De meesten onzer hebben dat eenmaal gedaan,” antwoordde hij, “en een weg er om heen gevonden.”“En als hij zich uitstrekt van horizon tot horizon, en hooger is dan de wolken, wat dan?”“Dan moet men vleugels vinden om er overheen te vliegen.”“En waar kan een aardsche vrouw zulke geestelijke vleugels vinden?” vroeg zij, en, zij liet het hoofd nog dieper op haar borst zinken om haar verlegenheid te verbergen. Want zij herinnerde zich wel gehoord te hebben van zwervers op de donkere paden van menschelijken hartstocht, die eensklaps in strijd met hun eigen ziel waren gekomen en dat de wreede paden van aardsche liefde den voet, die ze betreedt, nog naar de poorten des hemels kunnen leiden.En terwijl zij zich deze schoone fabelen herinnerde, hoewel zij geen ondervinding van liefde had en er weinig van wist, werd Beatrice eensklaps stil. Geoffrey gaf haar ook geen antwoord, ofschoon hij daarvoor niet had behoeven te schromen.Zij bespraken immers een zuiver abstract vraagstuk!

Geoffrey lag op de sofa en zag naar den zonneschijn, en luisterde naar het getik van de pendule, terwijl hij zich al die gebeurtenissen voor den geest riep, totdat zij op het tooneel van dien ochtend uitliepen.

“’t Is niet langer te dulden,” zeide hij eindelijk. “Zij maakt mijn leven ellendig. Als het niet om Effie was, op mijn woord, ik zou—Drommels, ’t is drie uur; ik ga naar Miss Granger. Zij is in allen gevalle een vrouw met een hart, hoewel een vrijgeest—wat zeer dwaas van haar is,” liet hij er op volgen, terwijl hij langzaam van de sofa opstond.

Met moeite, want hij was stijf en pijnlijk, strompelde hij de lange, smalle kamer door en de deur uit, die op een kier stond. De deur aan de overzijde was ook open. Hij klopte zacht aan, en toen hij geen antwoord kreeg, stiet hij die verder open en zag naar binnen, meenende dat hij zich misschien in de kamer vergist had. Op een sofa, die omstreeks twee derden van het vertrek in de lengte besloeg, lag Beatrice te slapen.

Zij was in een soort vanpeignoirvan een eenvoudige blauwe stof gewikkeld, en haar krullend haar golfde langs haar borst en schouders. Haar lief gelaat, waarvan de bleekheid nog des te meer uitkwam door de schaduw van de lange, donkere wimpers, en tegen de frissche roode kleur der lippen, was naar hem toegekeerd. Een der blanke handen hing bijna tot op den grond neder, en onder den sluier van het goudkleurig haar bewoog haar boezem zacht in haar slaap. Zóó schoon was zij in haar rust, dat hij bijna met ontzag staan bleef, met een gevoel alsof een aanwezige macht zijn hart in bedwang hield. ’t Is gevaarlijk zulk een stille schoonheid te aanschouwen en dat in bedwang houden van het hart tegevoelen. Een waarlijk verstandig man, die het gevoelt, zou gevlucht zijn, wetende dat het zaad, in zulke oogenblikken gezaaid, kan ontkiemen om eenmaal bittere vruchten voort te brengen. Maar Geoffrey was niet verstandig—wie zou het ook geweest zijn? Hij bleef op die slapende schoonheid staren totdat haar beeld zich zoo vast in zijn hart prentte, dat het door alle latere jaren, met al hun verschillende gemoedsbewegingen, niet was uit te wisschen.

En terwijl hij daar in diepe stilte stond te staren, maakte een angstig voorgevoel zich van hem meester.

De zonnestraal, die in de kamer viel, week voor de schaduw van een voorbijtrekkende wolk. Een oogenblik trilde het zonlicht op zijn borst, scheen terug op de hare, en verdween, en toen het wegstierf, was het hem alsof hij wist dat voortaan, voor leven en dood, zijn lot en dat van dat slapende meisje één waren. Het was slechts een oogenblikkelijke aandoening, reeds verdwenen bijna voordat hij er de dwaasheid van begrepen had. Maar in later dagen herinnerde hij zich wat hij toen gevoeld had.

Juist op dat oogenblik opende Beatrice de oogen. Haar droomerige blik viel op hem, meer alsof zij door hem heen en voorbij hem, dan naar hem zag. Toen richtte zij zich een weinig op, en strekte beide armen naar hem uit.

“Zoo zijt gij dan eindelijk bij mij gekomen,” sprak zij. “Ik wist wel dat gij komen zoudt en heb op u gewacht.”

Hij gaf geen antwoord; hij wist niet wat hij zeggen zou; hij dacht eigenlijk dat zij droomde. Een poos staarde Beatrice hem nog even afgetrokken aan, totdat zij eensklaps schrikte en het bloed haar naar het voorhoofd stroomde.

“Wel, mijnheer Bingham,” zeide zij, “zijt gij het werkelijk? Wat heb ik gezegd? O, vergeef het mij, wat het ook was. Ik heb geslapen, en zoo’n zonderlingen droom gehad, en in mijn slaap gesproken.”

“Maak u niet ongerust, Miss Granger,” antwoordde hij, zich eensklaps herstellende; “gij hebt niets verschrikkelijks gezegd, alleendat gij blij waart mij te zien. Waar hebt ge van gedroomd?” Zij zag hem twijfelachtig aan; misschien klonken zijn woorden niet volkomen waar.

“Het zal, geloof ik, beter zijn dat ik het u vertel, nu ik u reeds zooveel gezegd heb,” hernam zij. “Bovendien was het een zeer zonderlinge droom, en als ik aan droomen geloofde, zou hij mij bang gemaakt hebben, maar dat doe ik gelukkig niet. Ga zitten, dan zal ik ’t u vertellen, eer ik het vergeten ben. ’t Is geen lang verhaal.”

Hij nam den stoel, dien zij hem aanwees, en zij begon op den toon van iemand, nog geheel onder den indruk der herinnering van wat hij gedroomd heeft.

“Ik droomde dat ik in een ruimte stond. Ver rechts van mij af, was een groote lichtbol, en links was een andere bol, en ik wist dat die bollen Leven en Dood waren. Van den bol rechts, naar den bol links, heen en terug, werd gestadig een gouden schietspoel geschoten, waarin twee oogen gezet waren, en ik wist dat dit de schietspoel was, waarmede het Noodlot het lot der menschen weeft. Daar vloog de schietspoel weer, en liet een langen zilveren draad na, en de oogen in de spoel waren uw oogen. Weer vloog de schietspoel door de ruimte, en ditmaal waren haar oogen als mijn oogen en de draad, dien zij achterliet, was van vrouwenhaar gevlochten. Halverwege tusschen de bollen van Leven en Dood brak mijn levensdraad af, maar de schietspoel vloog door en verdween. Een oogenblik hing de draad in de lucht, en toen stak er een wind op en blies hem weg, zoodat hij als de draad van een spinneweb zweefde, totdat hij op uw zilveren levensdraad stiet en, zich er omheen begon te winden. Onder dat omwinden werd hij grooter en zwaarder, en eindelijk was hij zoo dik als een groote haarvlecht, en begon de zilveren draad onder zijn zwaarte te buigen, zoodat ik zag dat die spoedig moest breken. Terwijl ik in verbazingafwachttewat er gebeuren zou, gleed een witte hand, die een mes hield, langzaam langs den zilveren draad neder en sneed de omwindsels van vrouwenhaar af, die langzaam wegzweefden als,een door het zonlicht bestraald wolkje, totdat zij zich in het duister verloren. Maar de zilveren draad, die uw levensdraad was, sprong trillend op, en maakte een zuchtend geluid.

“Nu scheen ik te slapen, en toen ik wakker werd, dreef ik op zulk een mistige zee als wij gisterenavond gezien hebben. Ik had het land geheel uit het gezicht verloren, en ik kon mij niet herinneren hoe de sterren er uitzagen, of hoe ik had leeren sturen, of begrijpen waar ik heen moest. Ik riep de zee aan en vroeg haar naar de sterren, en de zee antwoordde:

“‘De hoop heeft haar gewaad verscheurd, en er zijn geen sterren meer.’

“Ik riep weder, en vroeg het land waarheen ik gaan moest, en het land gaf geen antwoord, maar de zee antwoordde ten tweede male:

“‘Kind van den nevel, zwerf in den nevel om, en zoek in duisternis licht.’

“Toen weende ik, omdat de hoop haar sterrenkleed verscheurd had en ik in duisternis licht moest zoeken. En terwijl ik nog weende, zag ikuuit de zee oprijzen, en gij kwaamt naast mij in de boot zitten. Ik had u vroeger nooit gezien, en toch gevoelde ik dat ik u altijd gekend had. Gij spraakt niet, en ik sprak ook niet, maar ge zaagt in mijn hart, en daar zaagt ge mijn droefheid. Toen zag ik inuwhart, en las wat daarin geschreven stond. Het was dit:

“‘Vrouw, die ik gekend heb voordat het verleden begon, en die ik zal kennen, wanneer de toekomst geëindigd is, waarom weent gij?’

“En ik antwoordde: ‘Ik ween omdat ik op de wateren der aarde verdwaald ben, omdat de hoop haar sterrenkleed verscheurd heeft, en ik in eeuwigdurende duisternis moet zoeken naar licht, dat er niet is.’ Toen zeide uw hart: ’Ikzal u het licht laten zien,’ en gij boogt u voorover en raaktet mijn borst aan.

“En eensklaps gevoelde ik een doodsbenauwdheid, en daarop was de lucht vol engelen met groote vleugels, die den mist oproldenals een laken en den sluier van den nacht wegtrokken, en daar, met haar voeten op den bol en haar met sterren omringd hoofd in het firmament, stond de hoop en ademde vrede en schoonheid. Zij zag naar het noorden en het zuiden en het oosten en het westen, en zij zag naar omhoog door het hemelgewelf, en waar zij haar oogen wendde, verdween de duisternis, hield de droefheid op en uit het verdorvene ontstond het reine. Terwijl ik aanbiddend op dit heerlijk schouwspel staarde, sprak de zee weer, ditmaal ongevraagd:

“‘in duisternis hebt gij licht gevonden, zoek wijsheid in den dood.’

“Toen verscheurde de hoop weder haar sterrenkleed, en de engelen trokken den sluier over de oogen van den nacht neder, en de zee verzwolg mij, en ik zonk tot in den diepsten afgrond van den lichamelijken dood. En daar, in de gewelven des doods, bleef ik, eeuw op eeuw, totdat ik eindelijk u zag komen, en op uw lippen was het woord van wijsheid, dat alle dingen helder maakt, maar wat het was, kan ik mij niet herinneren. Toen strekte ik mijn hand naar u uit, om u te begroeten, en ontwaakte, en dat is nu mijn geheele droom.”

Zij hield op, met wijdgeopende oogen, alsof zij dit geestelijk visioen nog op de aarde zocht; haar borst zwoegde en haar lippen waren half geopend.

“Groote Hemel!” riep hij uit, “wat moet gij een verbeelding hebben, om zoo iets te droomen!”

“Verbeelding;” zeide zij, op haar natuurlijken toon, “heb ik niet, mijnheer Bingham. Die placht ik te hebben, maar ik heb ze verloren, toen ik—alles verloor. Kunt gij mijn droom uitleggen? Dat kunt ge, natuurlijk niet; ’t is niets anders dan onzin—zooals alle droomen zijn.”

“Het moge onzin wezen, en dat is het ook wel, maar ’t is schoone onzin,” antwoordde hij.

“Nu ja, droomend is men misschien verstandiger dan wakend, en onzin is mogelijk beter dan geleerde gesprekken, voor zooverrewij weten. Maar genoeg daarvan. Ik weet niet waarom ik u eigenlijk dien droom verteld heb; maar hij kwam mij zóó als werkelijk voor, dat ik er door ontroerd was. Dat komt er van als men uit zijn gewone sleur gaat door drie kwart verdronken te zijn. Op den bodem der zee vindt men rare dingen, zooals gij weet. Intusschen hoop ik, dat gij spoedig geheel hersteld zult zijn. Ik geloof niet dat ge lust zult hebben weer met mij uit varen te gaan, mijnheer Bingham.”

Dit gaf hem, als ’t ware, in den mond haar iets galants te zeggen, maar Geoffrey gevoelde dat, als hij het deed, het te ernstig zou zijn, dus weerstond hij de verzoeking.

“Wat zal ik u daarop antwoorden, Miss Granger?” zeide hij. “Hoe kan een man woorden vinden, om een dame, die den vorigen avond zijn leven heeft gered, bijna ten koste van het hare, te zeggen wat er in hem omgaat?”

“Het was niets,” hernam zij kleurende, “ik hield u vast, anders niet, meer uit instinct dan om eenige beweegreden. Ik dacht, geloof ik, dat ge zoudt blijven drijven en ik op u een steunpunt zou hebben.”

“De zaak is te ernstig, Miss Granger, voor beleefde jokkernij. Ik weet, dat gij mijn leven gered hebt. Ik weet niet hoe ik u daarvoor genoeg kan danken.”

“Bedank mij dan in ’t geheel maar niet, mijnheer Bingham.Waarom zoudt ge mij bedanken? Ik deed niets anders dan wat ik wel verplicht was te doen. Ik zou veel liever sterven dan een makker in den nood te verlaten; sterven moeten wij allen, maar beschaamd te sterven zou verschrikkelijk zijn. Gij weet, het spreekwoord zegt, dat, als men iemand uit het water haalt, men hem later kwaad doet; men zegt het ook wel andersom. Maar ik zal u niet licht kwaad doen, dus maak ik mij daar niet ongerust over. Het was een akelige gewaarwording; gij waart bewusteloos, dus kunt gij niet weten welk een zonderling gevoel het was op die glibberige rots te liggen en die groote witte golven in de duisternis op ons af te zien bruisen, met niets anders dan de zwartelucht boven ons en de zee om ons heen, en daartusschen de dood. Ik ben vele jaren eenzaam geweest, maar ik geloof dat ik vroeger nooit begrepen heb wat eenzaamheid eigenlijk was. Ziet gij,” liet zij er op volgen, “ik dacht dat ge dood waart, en aan een lijk heeft men niet veel gezelschap.”

“Het zou toch nog akeliger eenzaam geweest zijn, als wij verdronken waren,” zeide hij.

“Zoudt gij dat denken?” hernam zij vragend. “Ik zie niet recht in, hoe gij dat bewijst. Als gij gelooft wat ons geleerd is, zooals gij, meen ik, doet, dan zoudt gij, waar gij u ook bevondt, gezelschap in overvloed vinden, en als gij, zooals ik, aan niets gelooft, welnu, dan zoudt gij geslapen hebben, en in den slaap heeft men aan niets behoefte.”

“Geloofdet gij aan niets, toen ge daar op de rots laagt te wachten om te verdrinken, Miss Granger?”

“Aan niets!” antwoordde zij; “het zijn alleen zwakke menschen, die in den uitersten nood openbaring vinden. Als de openbaring ooit komt, dan moet zij uit het hart ontstaan en niet uit vrees. Ik geloofde aan niets, en ik was voor niets bevreesd dan alleen voor de benauwdheid van den doodstrijd. Waarom zou ik bevreesd zijn? Gesteld dat ik dwaal, en dat er hiernamaals iets is, kan ik het dan helpen dat ik niet geloof? Wat heb ik gedaan, om bevreesd te zijn? Zoover ik weet, heb ik nooit opzettelijk iemand leed gedaan, en als ikkongelooven, zou ik het doen. Ik wenschte dat ik maar gestorven was,” ging zij hartstochtelijk voort; “dan was nu alles uit. Ik ben de wereld moede, ik ben het werken en afhankelijkheid en al de kleine kwellingen, die het leven zoo vervelend maken, moede. Ik ben hier niet noodig, ik heb niets waarvoor ik leef, en ik zou maar liever dood willen zijn.”

“Eenmaal zult ge er anders over denken, Miss Granger. Er is veel, waar een vrouw zooals gij voor leven kan—in allen gevalle hebt gij uw werk.”

Zij lachte bitter. “Mijn werk! Als gij wist hoe dat was, zoudt ge er mij niet over spreken. Elken dag rol ik mijn steen den heuvelop, en elken nacht schijnt hij weer naar beneden te rollen. Maar gij hebt nooit onderwijs gegeven op een dorpsschool. Hoe kunt gij er van weten? Ik werk den geheelen dag, en ’s avonds moet ik misschien tafellakens verstellen, of—wat denkt ge wel?—mijn vaders preeken schrijven. Het klinkt zonderling, niet waar, dat ik preeken moet schrijven? Maar het is toch zoo. Nu schrijf ik er weer een voor aanstaanden Zondag. Het maakt voor hem weinig verschil hoe de preek is, als hij ze maar lezen kan, en natuurlijk zeg ik er niets in, wat iemand aanstoot kan geven, en ik geloof ook niet, dat men er veel naar luistert. In Bryngelly gaan weinig menschen naar de kerk.”

“Hebt ge dan nooit tijd voor uzelve?”

“O, ja, soms wel, en dan ga ik in mijn bootje varen, of ik lees, en dan gevoel ik mij bijna gelukkig. ’t Is eigenlijk zeer verkeerd en ondankbaar van mij dat ik zoo spreek. Ik heb meer voorrechten dan negen tienden van de wereld, en die behoorde ik mij ten nutte te maken. Ik weet niet waarom ik zoo gesproken heb, en dat wel tegen u, dien ik gisteren voor ’t eerst gezien heb. Met geen levende ziel heb ik ooit zoo gesproken, dat verzeker ik u. ’t Is evenals de geschiedenis van den man met de tooverroede, die hier verleden jaar geweest is. Op de rots staat een huisje—het behoort aan mijnheer Davies, die op het kasteel woont. Er is geen drinkwater in de nabijheid, en een nieuwe huurder maakte er veel beweging over. Dus zette mijnheer Davies mannen aan ’t werk, die dag in dag uit aan het graven waren, maar zij konden geen water vinden. Eindelijk haalde de huurder een oud man uit een ver afgelegen kerspel, die zeide dat hij met een tooverroede water kon vinden. Hij was een raar oud man, met een kruk, en hij kwam met zijn tooverroede, en strompelde voort, totdat de roede eindelijk vanzelf in den grond stak, vlak bij de achterdeur van den bewoner—tenminste, zooals de zoogenaamde toovenaar zeide. In allen gevalle gingen zij daar graven, en binnen tien minuten stieten zij op een bron, die zoo sterk opborrelde dat het huis er door overstroomd werd. En wat denkt ge dat het was? Niets anders dan brak water. Gijzijt de man met de tooverroede, mijnheer Bingham; gij hebt mij aan het spreken gebracht, en ik heb veel te veel gezegd, en wat alles behalve aardig was. Gij moet mij wel voor een naar en slecht meisje houden, en dat ben ik ook. Maar ’t is zoo’n verlichting zijn hart eens uit te storten. Ik hoop, mijnheer Bingham, dat ge zult inzien—kortom, dat ge mij niet verkeerd begrijpen zult.”

“Miss Granger,” antwoordde hij, “er bestaat tusschen ons iets, dat ons altijd aanspraak geeft op wederzijdsche achting en vertrouwen—de band van leven en dood. Zonder u, zou ik hier nu niet zitten om uw vertrouwelijke mededeelingen aan te hooren. Ge moogt mij zeggen, dat een niet meer dan natuurlijke aandrift u bewogen heeft om te doen wat gij gedaan hebt. Ik weet beter. Het was uw wil, die uw natuurlijke aandrift tot zelfbehoud overwon. Maar ik zal er niets meer van zeggen dan alleen dit: Als ooit een man door banden van dankbaarheid en achting aan een vrouw gebonden was, dan ben ik het aan u. Ge behoeft niet te vreezen dat ik uw vertrouwen zal misbruiken of er een verkeerde uitlegging aan zal geven.” Dit zeggende, stond hij op, en boog voor haar. “Miss Granger, ik beschouw het als eer, welke mij is aangedaan door iemand, die ik voortaan boven alle vrouwen moet vereeren. Het leven, dat ge mij teruggegeven hebt, en het verstand, waardoor het geleid wordt, ben ik aan u verschuldigd, en die schuld zal ik niet vergeten.”

Zij luisterde naar die krachtige en ernstige stem, die later in de rechtzaal en het Parlement zoo bekend werd, en zijn woorden wekten een nieuw gevoel van genoegen in haar. In zijn oogen was zij meer dan een schoon meisje, dat alleen om haar schoonheid bewonderd en vereerd werd, en met fierheid gevoelde zij haar zedelijke zegepraal.

“Weet ge wel,” zeide zij, de oogen tot hem opslaande, “dat ge mij trotsch maakt,” en zij stak hem de hand toe.

Hij vatte die, bukte zich er overheen en drukte er even zijn lippen op. Het was niet mogelijk daar een verkeerde uitleggingaan te geven, en hoewel zij een weinig kleurde—want geen man had nog ooit de toppen harer vingers gekust—zag zij er dan ook niets anders dan een hulde in.

En zoo bezegelden zij hun verbond van zuivere vriendschap eens en voor altijd.

Nu volgde er een oogenblik stilzwijgen, dat door Geoffrey werd afgebroken.

“Miss Granger,” zeide hij, “wilt ge mij vergunnen u een kleine zedepreek te houden?”

“Ga uw gang” antwoordde zij.

“Goed. Als zij u niet bevalt, moet ge het mij niet kwalijk nemen, en houd mij niet voor een wijsneus, als ik u zeg wat uw gebreken zijn, zooals ik die in uw woorden lees. Gij zijt trotsch en eerzuchtig, en de perken, waarbinnen gij u genoodzaakt ziet te leven, zijn u te eng. Gij hebt geleden, en de les van het lijden—nederigheid—nog niet geleerd. Gij hebt u tegen het Lot verzet, en het Lot drijft u voort als het schuim der zee, dat door den storm wordt voortgezweept, maar gij zwicht onwillig. In uw wrevel hebt gij uw toevlucht tot studie genomen, en die heeft u den laatsten stoot gegeven, want die heeft u er toe gebracht alles wat gij niet begrijpen kunt, als niet bestaande te verwerpen. Omdat uw begrensd verstand het oneindige niet kan begrijpen, omdat er op al uw gebeden geen antwoord is gekomen, omdat gij ellende ziet en er het doel niet van kunt doorgronden, omdat gij lijdt en geen rust gevonden hebt, hebt gij gezegd dat er niets anders dan toeval is en zijt ge een atheïst geworden, als zoovele anderen. Is dat niet waar?”

“Ga voort,” antwoordde zij, haar hoofd op haar borst buigende, zoodat haar lang, golvend haar bijna haar gelaat verborg.

“Het schijnt wel wat zonderling,” hernam Geoffrey, met een korten lach, “dat ik, met al mijn gebreken, mij verstout u een zedeles te geven, maar gij zult zelve het best weten hoe nabij of hoe ver van de waarheid ik ben. Dit wil ik u zeggen: Ik heb vijf-en-dertig jaar geleefd, en veel gezien, en getracht er veel uit teleeren; en ik weet, dat, als wij niet zelven de kans laten voorbijgaan, de wereld ons mettertijd geeft wat ons toekomt—al is dat meestal ook niet veel. Als gij geschikt zijt om te heerschen, zult gij eenmaal heerschen; zijt gij het niet, dan moet gij uw ongeschiktheid erkennen en tevreden zijn. Zooveel wat de tijdelijke dingen betreft. En wat nu de geestelijke dingen betreft, ben ik zeker—hoewel men, natuurlijk, niet gaarne veel over zulke zaken spreekt—dat als ge er maar lang genoeg in den een of anderen vorm naar zoekt, gij ze zult vinden, al is het ook niet zulk een vorm als meestal door een bizonderen godsdienst erkend wordt. Maar opzettelijk een muur op te richten tusschen onszelven en het ongeziene, en dan te klagen dat de weg versperd is—dat is eenvoudig kinderachtig.”

“En als die muur nu al opgericht is, mijnheer Bingham?”

“De meesten onzer hebben dat eenmaal gedaan,” antwoordde hij, “en een weg er om heen gevonden.”

“En als hij zich uitstrekt van horizon tot horizon, en hooger is dan de wolken, wat dan?”

“Dan moet men vleugels vinden om er overheen te vliegen.”

“En waar kan een aardsche vrouw zulke geestelijke vleugels vinden?” vroeg zij, en, zij liet het hoofd nog dieper op haar borst zinken om haar verlegenheid te verbergen. Want zij herinnerde zich wel gehoord te hebben van zwervers op de donkere paden van menschelijken hartstocht, die eensklaps in strijd met hun eigen ziel waren gekomen en dat de wreede paden van aardsche liefde den voet, die ze betreedt, nog naar de poorten des hemels kunnen leiden.

En terwijl zij zich deze schoone fabelen herinnerde, hoewel zij geen ondervinding van liefde had en er weinig van wist, werd Beatrice eensklaps stil. Geoffrey gaf haar ook geen antwoord, ofschoon hij daarvoor niet had behoeven te schromen.

Zij bespraken immers een zuiver abstract vraagstuk!

Hoofdstuk X.Lady Honoria maakt schikkingen.Een oogenblik later kwam iemand de kamer binnen; het was Elisabeth. Zij was van haar expeditie om tienden in te zamelen teruggekomen—met de tienden. De deur van de huiskamer stond nog op een kier, en Geoffrey zat met den rug er naar toe. Zoo kwam het dat geen van beiden Elisabeth’s min of meer katachtig sluipenden tred gehoord had, en eenige oogenblikken stond zij in de kamer zonder gezien te worden. Zij merkte op dat haar zuster het gelaat voorover had gebogen, en vermoedde dat zij daar een reden voor had—waarschijnlijk omdat zij het wilde verbergen. Zij bespeurde ook de uitdrukking van levendige belangstelling op Geoffrey’s gelaat, dat zij in den spiegel met vergulde lijst, die boven den schoorsteenmantel hing, zien kon, en dat beiden iets verlegens over zich hadden, ontsnapte haar scherpen blik ook niet.Toen zij de kamer binnenkwam, dacht Elisabeth aan Owen Davies en wat er had kunnen gebeuren als zij den levensstroom niet weder door de aderen harer zuster had zien vloeien. Zij had er den geheelen nacht van gedroomd en den geheelen dag over gedacht; en zelfs onder de inspanning om een onwilligen en vrij ruwen boer zijn tiende af te persen, was zij het niet vergeten. De boer was een pachter van Owen Davies, en toen hij haar, met kiesche toespeling op haar talent van afpersen, een “bloedzuiger” had genoemd en meer dergelijke liefelijke uitdrukkingen gebezigd had, dacht zij misschien niet onnatuurlijk, dat als zeker iets—wat toch niet bepaald tot de onmogelijkheden behoorde—mocht gebeuren, zij het dien pachter wel zou inpeperen. Want Elisabeth had een sterk geheugen, zooals sommige menschen te hunnen koste ondervonden hadden, en doorgaans betaalde zij vroeg of laat kapitaal en interest als zij een oude schuld had af te rekenen.En terwijl zij nu ongezien in de kamer stond enditeen en ander opmerkte, kwam er iets bij haar op, in verband met het heerschend denkbeeld, dat evenals alle denkbeelden van meer dan één zijde te beschouwen was. Althans was er voor een oogenblik een opgeklaarde uitdrukking in haar fletse oogen, als een flauwe zonnestraal in een Decembernevel; daarop trad zij vooruit, en toen zij dicht achter Geoffrey was, sprak zij opeens.“Waar denkt gij beiden aan?” zeide zij, met haar schelle stem; “ge schijnt wel uitgepraat te zijn.”Met een uitroep sprong Geoffrey van zijn stoel op, wat hem in zijn gekneusden toestand niet weinig pijn deed. Beatrice onthutste ook; maar zij herstelde zich bijna oogenblikkelijk.“Wat loop je stil, Elisabeth!” zeide zij.“Niet stiller dan jijzit. Ik heb gewacht of een van beiden ook iets zeggen zou, en dacht dat ge allebei in slaap waart gevallen.”Beatrice dacht er over, hoelang haar zuster wel in de kamer geweest zou zijn. Hun gesprek was onschuldig genoeg geweest, maar toch niet van dien aard om er juist op gesteld te zijn dat Elisabeth het had afgeluisterd. En Elisabeth had er den slag van om iets af te luisteren.“Ziet ge, Miss Granger,” redde Geoffrey haar uit de verlegenheid, “onze hoofden zijn nog wat onklaar, en dan willen de woorden zoo niet vloeien.”“Juist,” zeide Elisabeth. “Lieve Beatrice, waarom bind je je haar niet op? Ik weet niet wat je wel lijkt. Niet dat je geen mooi haar hebt,” liet zij er critisch op volgen. “Zijt ge een bewonderaar van mooi haar, mijnheer Bingham?”“Natuurlijk,” antwoordde hij galant, “maar zulk haar is zeldzaam.”Beatrice beet verlegen op haar lip. “Ik had mijn haar bijna vergeten,” zeide zij; “ik moet mijn verontschuldigingen maken dat ik mij zóó vertoond heb. Ik had het willen opmaken, maar ik was te stijf, en terwijl ik op Betsy wachtte, viel ik in slaap.”“Ik geloof dat er in de lade een lint ligt. Ik zag het je gisterener in leggen,” sprak hierop de oplettende Elisabeth. “Ja, daar is het. Als je wilt, en als mijnheer Bingham het niet kwalijk neemt, zal ik het voor je opbinden,” en zonder antwoord af te wachten, liep zij achter Beatrice om, en bond de dikke vlechten op zulk een wijze dat zij niet voorover konden vallen, hoewel zij nog langs haar rug bleven golven.Haar vader kwam nu ook van de boerderij terug. Hij was in een zeer goede luim. De zeug had zichzelve overtroffen en het ditmaal tot het verrassend getal van vijftien gebracht. Daarop haalde Elisabeth de twee pond en eenige shillings, die zij den onwilligen boer had afgeperst, voor den dag, en het gezicht van dat geld maakte den WelEerwaarden heer nog vergenoegder.“Wilt ge wel gelooven, mijnheer Bingham,” zeide hij, “dat ik in dit ellendig bezoldigde kerspel bijna honderd pond aan uitstaande schuld heb, honderd pond aan tienden? Daar hebt ge den ouden Jones, die bij deBell Rockwoont; die is mij drie jaar tienden schuldig—vier-en-dertig pond, elf shilling en vierpence. Hij kan wel betalen, maar hijwilniet betalen,—hij zegt dat hij Baptist is, en geen kerklasten wil betalen—maar eigenlijk is die oude bierton niets anders dan een heiden.”“Waarom doet gij hem geen proces aan, mijnheer Granger?”“Dat heb ik gedaan. Ik heb vonnis tegen hem, en ik ben voornemens het binnen eenige dagen ten uitvoer te laten leggen. Ik wil het niet langer dulden,” ging hij voort, zichzelf hoe langer hoe meer opwindende, en met het hoofd schuddende, dat zijn dun wit haar voor zijn oogen viel. “Ik zal hem gerechtelijk vervolgen, hem en de anderen ook. Gij zijt een rechtsgeleerde en kunt mij helpen. Ik zeg u, hier heerscht een geest, die hierop neerkomt: betaal al uw schulden, behalve den predikant en den landheer. Maar er is nog recht, eer zij hier bij ons dat Iersche spelletje beginnen te spelen!” En hij sloeg hard met zijn vuist op de tafel.Geoffrey hoorde dit inwendig lachend aan. Dat was dus het gevoelige punt van den ouden man—het geld. Daar was hij blijkbaar zeer vurig op—even vurig als Lady Honoria, maar met meerreden. Elisabeth luisterde met merkbare goedkeuring, maar Beatrice zag verdrietig.“Wees niet boos, vader,” zeide zij, “misschien betaalt hij nog wel. ’t Is niet goed gerechtelijk te vervolgen als gij het in der minne kunt schikken—dat zet maar kwaad bloed.”“Gekheid, Beatrice,” viel haar zuster scherp in. “Vader heeft groot gelijk. Beslag leggen is het eenige wat met hem te beginnen is. Ik geloof dat je op het punt van eigendom al evenzoo een socialist bent als op al het andere. Je zoudt wel alles ’t onderste boven willen keeren, van de Koningin af tot de wet op het huwelijk, alles tot welzijn van het menschdom, en ik zeg je dat die begrippen je ongeluk zullen zijn. Trotseer het gebruik, en het zal u verpletteren. Je loopt met je hoofd tegen een steenen muur aan, en eenmaal zul je ondervinden wie het hardst is.”Beatrice bloosde, maar antwoordde op den uitval harer zuster, die des te scherper was, omdat er wel een zweem van waarheid doorliep:“Zulke begrippen heb ik nooit te kennen gegeven, Elisabeth, dus zie ik niet in waarom je mij die toeschrijft. Ik heb alleen gezegd, dat gerechtelijke vervolging kwaad bloed in het kerspel zet, en dat is ook zoo.”“Ik heb ook niet gezegd dat je ze te kennen hebt gegeven,” hernam Elisabeth, die zich niet licht van haar stuk liet brengen, “maar je geeft er bewijzen van, ze zijn uit al je woorden op te maken. Iedereen weet, dat je een radicaal en een vrijgeest bent, en zoo al meer, dat slecht en dwaas is, en in strijd met den levensstand, waarin het God behaagd heeft je te plaatsen. Het zal er nog op uitloopen dat je als onderwijzeres op de school je ontslag krijgt—en ik geloof dat het voor vader en mij heel hard is dat je door je rare manieren en onzedelijke begrippen schande over ons brengt, en nu kun je het opvatten zooals je verkiest.”“Het ware te wenschen dat alle radicalen zoo waren als Miss Beatrice,” zeide Geoffrey, die kriegel werd, met een zwakke poging om te schertsen. Doch niemand scheen hem te hooren. Inwoede ontstoken, stond Elisabeth tegenover haar schoone zuster; een blos van toorn had haar bleeke wangen gekleurd, haar lichtgrijze oogen fonkelden en haar magere vingers waren samengeklemd. Maar Geoffrey, die haar gadesloeg, kon gemakkelijk zien dat het niet de begrippen van haar zuster waren, die zij aanviel, maar dat het haar zuster zelve was. Het was die zachte bekoorlijkheid van dat gelaat; het was die grootheid van ziel, die juist door haar kracht dwaalde, en dat helder verstand, dat dien krachtigen geest verlichtte; het was die kennis en die macht, die, als zij vrij spel hadden, een wereld in vuur en vlam zouden zetten, evenals zij het hart van dien eenzaam levendenSquire, dien Elisabeth voor zich begeerde, ontgloeid hadden—dat was het wat Elisabeth haatte en wat zij met bitterheid aanviel.Geoffrey, die gewoon was op te merken, bespeurde dit dadelijk en toen zag hij naar den vader. De oude man was blijkbaar bang voor Elisabeth en vreesde dat er een scène zou komen. Hij schoof met zijn voeten gedurig heen en weer, en zocht iets om te zeggen, terwijl hij ongerust naar zijn oudste dochter keek.Nu zag Geoffrey naar Beatrice, die waarlijk wel waard was dat men naar haar zag. Haar gelaat was doodsbleek, en haar heldere grijze oogen glinsterden onder haar donkere wimpers uit. Zij was opgestaan, richtte zich in haar volle lengte op, wat haar welgeëvenredigde gestalte nog des te meer deed uitkomen, en zag haar zuster aan. Zij sprak slecht één woord, maar dat was genoeg:“Elisabeth!”Haar zuster opende de lippen, om nog iets te zeggen, maar zij bedacht zich. In Beatrice’s toon en houding was iets, dat haar in bedwang hield.“Je moest me ook niet zoo ergeren, Beatrice,” zeide zij eindelijk.Beatrice gaf hierop geen antwoord. Zij wendde zich slechts tot Geoffrey, en zeide op vriendelijken toon: “Mijnheer Bingham zal ons deze scène wel willen vergeven. Wij hebben van nacht allen slecht geslapen, en daar zijn onze humeuren niet beter op geworden.”Nu volgde er een poos stilte, waarvan Granger snel en vrij onwaardig gebruik maakte.“Ehem!” zeide hij. “A propos, Beatrice, wat wilde ik ook weer zeggen? O ja, ik weet het—heb je die preek voor aanstaanden Zondag geschreven, ik bedoel voor mij afgeschreven? Mijn dochter,” legde hij Geoffrey uit, “schrijft mijn preeken voor mij over. Zij schrijft een zeer goede hand—”Geoffrey, die zich herinnerde hoe Beatrice hem in vertrouwen had medegedeeld dat het preeken maken tot haar functiën behoorde, vond de naïeve wijze, waarop haar vader dit beschreef, vermakelijk, en Beatrice glimlachte ook even, terwijl zij antwoordde dat de preek klaar was. Op dit oogenblik hoorde men het geratel van wielen, en de eenige vigilante, waarop Bryngelly kon roemen, hield voor de deur stil.“Daar is de vigilante voor u, mijnheer Bingham,” zeide Granger—“en zoo waar ik leef, haar Ladyschap is meegekomen. Elisabeth, zet spoedig thee,” en de oude heer, die al de traditioneele voorliefde van den Engelschman uit de middelklasse voor een titel bezat, haastte zich om “haar Ladyschap” te begroeten.Lady Honoria trad de kamer binnen, met een vriendelijken, zij het dan ook een gekunstelden glimlach op haar schoon gelaat, en met een bevalligheid van houding en manieren, die uitstekend bij haar rijzige gestalte paste. Want om Lady Honoria recht te doen wedervaren, moet gezegd worden dat zij, wat persoonlijk voorkomen betrof, een echte dame was, een waardig type van de klasse, waartoe zij behoorde.Geoffrey bespeurde dat de kwade bui klaarblijkelijk voorbij was, en daar was hij blijde om. Dat was ook niet te verwonderen, want hoearistocratischereen dame in haar manieren is, des te onaangenamer is zij, wanneer zij in een slechte luim is.“Ge ziet, Geoffrey,” zeide zij, “dat ik u kom halen. Ik had besloten er voor te zorgen, dat ge niet voor de tweede maal op uw terugweg naar huis zoudt verdrinken. Hoe gaat het u nu?—maar dat behoef ik niet te vragen, ge ziet er weer goed uit.”“Dat is zeer vriendelijk van u, Honoria,” was het eenige wat haar echtgenoot hierop zeide, maar het valt te betwijfelen of zij hem hoorde, want op dat oogenblik was zij bezig met Beatrice vorschend aan te zien, met een zoo doorborenden blik als waarmede die jonge dame nooit vereerd was geworden. Er was niets lomps in dien blik, daartoe was hij te snel, maar Beatrice gevoelde, dat die enkele blik haar van top tot teen had opgenomen. Dat had zij ook niet mis.“Het lijdt geen twijfel,” dacht Lady Honoria, “zij is bekoorlijk, recht bekoorlijk. ’t Was slim bedacht dat zij het haar niet heeft opgemaakt en het maar zoo los heeft laten hangen; dat doet den vorm van haar hoofd des te beter uitkomen. De blauwepeignoirstaat haar ook goed. Weinige vrouwen kunnen op zulk een gestalte als de hare roemen. Zij bevalt mij niet; zij is anders dan de meeste andere vrouwen; juist zoo’n meisje voor mannen om mee te dwepen, en voor vrouwen om te haten.”Dit alles ging in haar geest om, terwijl haar oogen die van Beatrice ontmoetten; en in die heldere oogen, te oprecht dan dat opkomende gedachten zich er niet in afspiegelden, las zij dat zij Beatrice evenmin beviel als Beatrice haar.“Valsch, koel en onverschillig,” dacht Beatrice. “Hoe kan een man als hij met haar getrouwd zijn; zou hij veel van haar houden?”Zoo hadden die twee vrouwen elkander met een enkelen blik gemeten, en elk van beiden vond dat de andere niet naar haar smaak was. En van dat haastig gevormd oordeel kwamen zij ook nooit terug.Dit nam echter niet weg dat Lady Honoria, na dat ééne oogenblik, met uitgestoken hand en haar vriendelijksten glimlach naar Beatrice toe trad.“Miss Granger,” zeide zij, “wat ik u verschuldigd ben, kan ik u nooit vergelden—het leven van mijn geliefden echtgenoot. Ik heb er alles van gehoord hoe ge hem gered hebt. Ik weet niet hoe ge het hebt kunnen doen. Ik wenschte dat ik half zoo moedig en sterk was.”“Och, spreek er niet van, Lady Honoria,” zeide Beatrice. “Ik ben er al meer dan genoeg voor bedankt dat ik niets anders gedaan heb dan wat mijn plicht was te doen. Als ik mijnheer Bingham had losgelaten, zoolang ik nog de kracht had om hem vast te houden, zou ik vandaag een gevoel gehad hebben alsof ik een moordenares was. Zeg er, wat ik u bidden mag, niets meer van.”“Men vindt niet dikwijls zooveel bescheidenheid met zooveel moed gepaard, en als ge ’t mij vergunt te zeggen, met zooveel schoonheid,” hernam Lady Honoria vriendelijk. “Welnu, ik zal doen zooals gij wenscht, maar ik waarschuw u dat de Faam u wel vinden zal. Ik heb gehoord dat er in de nieuwsbladen van vandaag een verslag van het heele avontuur komt, getiteld: ‘Een Welsche Heldin.’”“Hoe hebt ge dat gehoord, Honoria?” vroeg haar echtgenoot.“Och, ik heb een telegram van Garsington ontvangen, en hij maakt er melding van,” antwoordde zij onverschillig.“Een telegram van Garsington! Daarom glimlacht zij zoo vriendelijk” dacht hij, “zij gaat morgen zeker heen.”“Ik heb nog wat nieuws voor u, Miss Granger,” ging Lady Honoria voort. “Uw bootje is aan land gespoeld, zeer weinig beschadigd. De oude schipper—Eduard, heet hij, geloof ik—heeft het gevonden; en uw geweer was er ook in, Geoffrey. Het was ergens onder de bank blijven steken. Maar ik geloof dat gij beiden vooreerst wel genoeg van het roeien zult hebben.”“Dat weet ik niet, Lady Honoria,” antwoordde Beatrice. “Zoo’n weer als gisterenavond is het niet dikwijls, en het roeien is zoo aangenaam. Ge weet, geen lief zonder leed; of met andere woorden, omslaan kan men altijd.”Op dit oogenblik kwam Betsy, de plompe Welsche dienstmaagd, met een voorarm bijna zoo dik als de achterpoot van een olifant en een onaangename gewoonte van onder het loopen hoorbaar den neus op te halen, met het theegoed binnenschommelen. Achter haar aan kwam Elisabeth, die aan Lady Honoria werd voorgesteld.Daarna verflauwde het gesprek een weinig, totdat Lady Honoria het weder aan den gang bracht.“Wat hebt gij hier uit het venster een mooi uitzicht op de zee,” zeide zij, met haar welluidende stem. “Ik ben blijde dat ik het gezien heb, want morgen ga ik heen, moet gij weten.”Beatrice zag levendig op.“Mijn man gaat niet mee,” vervolgde zij, als tot antwoord op een onuitgesproken vraag. “Ik speel de rol van een ontrouwe vrouw, en loop voor drie weken van hem weg. Dat is heel slecht van mij, niet waar? Maar ik heb een afspraak, en die moet ik houden. ’t Is lastig.”Geoffrey, die zijn thee dronk, grimlachte bitter achter zijn kopje. “Zij doet het bizonder goed,” dacht hij.“Gaat uw dochtertje met u mee, Lady Honoria?” vroeg Elisabeth.“Neen, ik geloof niet dat ik haar zal meenemen. Het valt mij hard van haar te scheiden—gij kunt begrijpen hoe hard het is als men maar één kind heeft. Maar zij zou zich zoo vervelen waar ik ga logeeren, want daar zijn geen kinderen, en zij houdt ook zooveel van de zee. Dus zal ik haar maar hier aan de teedere zorg van haar vader overlaten, het lieve kind.”“Ik heb wel hoop, dat Effie het overleven zal,” zeide Geoffrey lachend.“Dan blijft mijnheer Bingham zeker bij juffrouw Jones?” zeide de predikant.“Dat weet ik waarlijk niet. Wat zult ge doen, Geoffrey? De kamers bij juffrouw Jones zijn nogal duur. En zij zal zeker ook niet voor Effie kunnen zorgen. Denk eens, het arme mensch heeft zelve acht kinderen. En ik moet Anne meenemen—dat is Effie’s Fransche kindermeid, weet gij, een ware schat. Ik ga in een groot huis logeeren, en mijn ondervinding van groote huizen is dat men niet bediend wordt als men geen eigen kamenier heeft. Ik weet niet hoe ge het met het kind zult maken, Geoffrey; zij vereischt zoo ontzaglijk veel zorg.”“Wees daar niet ongerust over, Honoria,” antwoordde hij; “Effie en ik zullen wel goed met elkaar terecht kunnen.”Nu was het Elisabeth aan te zien dat zij op een inval kwam. Zij zat naast haar vader, en fluisterde hem iets toe. Beatrice zag het, en maakte een beweging alsof zij tusschenbeide wilde komen, maar eer zij dat kon doen, sprak Granger:“Hoor eens, mijnheer Bingham, als gij toch voornemens zijt te verhuizen, zoudt ge dan een kamer hier willen hebben? De voorwaarden zijn zeer billijk, maar voor niemendal zou ik u niet in huis kunnen hebben. Gij zult het voor lief moeten nemen zooals het is; maar er is een kleedkamer naast mijn kamer, waar uw kleine meid zou kunnen slapen, en mijn dochters zullen gaarne gezamelijk zorg voor haar dragen.”Weder opende Beatrice haar lippen, alsof zij iets zeggen wilde, maar sloot ze weder zonder te spreken. Zoo laten wij willens en wetens de gelegenheid voorbijgaan.Instinctmatig had Geoffrey naar Beatrice gezien. Hij wist niet of dit plan haar aangenaam was. Hij wist dat zij veel werk had, en wilde haar ongaarne nog meer moeite veroorzaken, want hij vermoedde dat de last om voor Effie te zorgen wel ophaarzou neerkomen. Maar de uitdrukking van haar gelaat zeide hem niets; het was volkomen lijdelijk, en oogenschijnlijk onverschillig.“’t Is zeer vriendelijk van u aangeboden, mijnheer Granger,” zeide hij aarzelend. “Ik zou Bryngelly nog niet gaarne verlaten, en in sommige opzichten zou het een goed plan zijn, als het maar niet te lastig voor uw dochter is.”“’t Is een uitmuntend plan,” viel Lady Honoria in, vreezende dat er misschien zwarigheden tegen geopperd zouden worden dat zij Anne in beslag had genomen; “hoe gelukkig dat ik er toevallig van sprak! Met het opzeggen van de kamers bij juffrouw Jones zullen wij geen moeite hebben, want ik weet dat zij er al iemand voor heeft.”“Goed,” zeide Geoffrey, die geen bezwaar wilde maken tegen een zoo openlijk goedgekeurd plan, hoewel hij liever tijd tot beraadhad willen hebben. Het was alsof een geheime stem hem waarschuwde dat de pastorie van Bryngelly een noodlottig verblijf voor hem zou zijn. Toen stond Elisabeth op, en vroeg Lady Honoria of zij de kamers, die door haar echtgenoot en Effie betrokken zouden worden, niet eens wilde zien.Zij antwoordde dat zij dit zeer gaarne wilde, en ging met Elisabeth mede, door Granger gevolgd.“Denkt gij niet dat gij het hier wel wat vervelend zult vinden, mijnheer Bingham?” vroeg Beatrice.“Integendeel,” antwoordde hij. “Waarom zou ik mij hier vervelen? Het kan zoo vervelend niet zijn dan wanneer ik alleen was.”Beatrice aarzelde, en hernam toen: “Wij zijn een zonderling gezin, mijnheer Bingham, zooals gij van middag wel gezien zult hebben. Zoudt ge er niet liever nog eens over nadenken?”“Als gij bedoelt dat ge liever niet hebt dat ik kom, zal ik het niet doen,” antwoorde hij, min of meer plomp, en terstond gevoelde hij dat hij een flater gemaakt had.“Ik!” zeide Beatrice, groote oogen opzettende, “’t Is hier de vraag niet wat ik liever heb of niet. Wij zijn arm en verhuren kamers—daar komt het op neer. Als gij meent, dat zij u zullen bevallen, hebt gij gelijk dat gij ze neemt.”Geoffrey kleurde. Hij was een man, die niet dulden kon, dat hij zich de minste berisping van een vrouw op den hals had gehaald, en nu had hij dit gedaan. Beatrice zag het en werd daardoor verzacht.“Natuurlijk, mijnheer Bingham,” hernam zij, “wat mij betreft, ben ik de winnende partij als gij komt. Ik ontmoet te weinig menschen, met wie ik gaarne omga en van wie ik kan leeren, dan dat ik een kans zou willen vergooien.”“Ik geloof dat ge mij een weinig verkeerd begrepen hebt,” zeide hij. “Ik bedoelde alleen maar of Effie niet te lastig voor u zou zijn, Miss Granger.”Zij lachte. “Wel, ik houd veel van kinderen. Het zal een genoegen voor mij zijn voor haar te zorgen, in zooverre als ik tijd heb.”Nu kwamen de anderen terug, en hun gesprek was uit.“Het zijn alleraardigste ouderwetsche kamers, Geoffrey,” zeide Lady Honoria. “Ik benijd u werkelijk.” (Niets was er wat Lady Honoria zoo leelijk vond als een ouderwetsche kamer.) “En nu moeten wij heengaan. O, arm schepsel, ik vergat dat ge zoo bont en blauw gestooten zijt. Mijnheer Granger zal u zijn arm wel willen geven.”Granger strompelde vooruit, en nadat Geoffrey afscheid genomen en een hoed van den predikant geleend had, werd hij naar de vigilante gebracht.En zoo eindigde Geoffrey’s eerste dag in de pastorie van Bryngelly.

Een oogenblik later kwam iemand de kamer binnen; het was Elisabeth. Zij was van haar expeditie om tienden in te zamelen teruggekomen—met de tienden. De deur van de huiskamer stond nog op een kier, en Geoffrey zat met den rug er naar toe. Zoo kwam het dat geen van beiden Elisabeth’s min of meer katachtig sluipenden tred gehoord had, en eenige oogenblikken stond zij in de kamer zonder gezien te worden. Zij merkte op dat haar zuster het gelaat voorover had gebogen, en vermoedde dat zij daar een reden voor had—waarschijnlijk omdat zij het wilde verbergen. Zij bespeurde ook de uitdrukking van levendige belangstelling op Geoffrey’s gelaat, dat zij in den spiegel met vergulde lijst, die boven den schoorsteenmantel hing, zien kon, en dat beiden iets verlegens over zich hadden, ontsnapte haar scherpen blik ook niet.

Toen zij de kamer binnenkwam, dacht Elisabeth aan Owen Davies en wat er had kunnen gebeuren als zij den levensstroom niet weder door de aderen harer zuster had zien vloeien. Zij had er den geheelen nacht van gedroomd en den geheelen dag over gedacht; en zelfs onder de inspanning om een onwilligen en vrij ruwen boer zijn tiende af te persen, was zij het niet vergeten. De boer was een pachter van Owen Davies, en toen hij haar, met kiesche toespeling op haar talent van afpersen, een “bloedzuiger” had genoemd en meer dergelijke liefelijke uitdrukkingen gebezigd had, dacht zij misschien niet onnatuurlijk, dat als zeker iets—wat toch niet bepaald tot de onmogelijkheden behoorde—mocht gebeuren, zij het dien pachter wel zou inpeperen. Want Elisabeth had een sterk geheugen, zooals sommige menschen te hunnen koste ondervonden hadden, en doorgaans betaalde zij vroeg of laat kapitaal en interest als zij een oude schuld had af te rekenen.En terwijl zij nu ongezien in de kamer stond enditeen en ander opmerkte, kwam er iets bij haar op, in verband met het heerschend denkbeeld, dat evenals alle denkbeelden van meer dan één zijde te beschouwen was. Althans was er voor een oogenblik een opgeklaarde uitdrukking in haar fletse oogen, als een flauwe zonnestraal in een Decembernevel; daarop trad zij vooruit, en toen zij dicht achter Geoffrey was, sprak zij opeens.

“Waar denkt gij beiden aan?” zeide zij, met haar schelle stem; “ge schijnt wel uitgepraat te zijn.”

Met een uitroep sprong Geoffrey van zijn stoel op, wat hem in zijn gekneusden toestand niet weinig pijn deed. Beatrice onthutste ook; maar zij herstelde zich bijna oogenblikkelijk.

“Wat loop je stil, Elisabeth!” zeide zij.

“Niet stiller dan jijzit. Ik heb gewacht of een van beiden ook iets zeggen zou, en dacht dat ge allebei in slaap waart gevallen.”

Beatrice dacht er over, hoelang haar zuster wel in de kamer geweest zou zijn. Hun gesprek was onschuldig genoeg geweest, maar toch niet van dien aard om er juist op gesteld te zijn dat Elisabeth het had afgeluisterd. En Elisabeth had er den slag van om iets af te luisteren.

“Ziet ge, Miss Granger,” redde Geoffrey haar uit de verlegenheid, “onze hoofden zijn nog wat onklaar, en dan willen de woorden zoo niet vloeien.”

“Juist,” zeide Elisabeth. “Lieve Beatrice, waarom bind je je haar niet op? Ik weet niet wat je wel lijkt. Niet dat je geen mooi haar hebt,” liet zij er critisch op volgen. “Zijt ge een bewonderaar van mooi haar, mijnheer Bingham?”

“Natuurlijk,” antwoordde hij galant, “maar zulk haar is zeldzaam.”

Beatrice beet verlegen op haar lip. “Ik had mijn haar bijna vergeten,” zeide zij; “ik moet mijn verontschuldigingen maken dat ik mij zóó vertoond heb. Ik had het willen opmaken, maar ik was te stijf, en terwijl ik op Betsy wachtte, viel ik in slaap.”

“Ik geloof dat er in de lade een lint ligt. Ik zag het je gisterener in leggen,” sprak hierop de oplettende Elisabeth. “Ja, daar is het. Als je wilt, en als mijnheer Bingham het niet kwalijk neemt, zal ik het voor je opbinden,” en zonder antwoord af te wachten, liep zij achter Beatrice om, en bond de dikke vlechten op zulk een wijze dat zij niet voorover konden vallen, hoewel zij nog langs haar rug bleven golven.

Haar vader kwam nu ook van de boerderij terug. Hij was in een zeer goede luim. De zeug had zichzelve overtroffen en het ditmaal tot het verrassend getal van vijftien gebracht. Daarop haalde Elisabeth de twee pond en eenige shillings, die zij den onwilligen boer had afgeperst, voor den dag, en het gezicht van dat geld maakte den WelEerwaarden heer nog vergenoegder.

“Wilt ge wel gelooven, mijnheer Bingham,” zeide hij, “dat ik in dit ellendig bezoldigde kerspel bijna honderd pond aan uitstaande schuld heb, honderd pond aan tienden? Daar hebt ge den ouden Jones, die bij deBell Rockwoont; die is mij drie jaar tienden schuldig—vier-en-dertig pond, elf shilling en vierpence. Hij kan wel betalen, maar hijwilniet betalen,—hij zegt dat hij Baptist is, en geen kerklasten wil betalen—maar eigenlijk is die oude bierton niets anders dan een heiden.”

“Waarom doet gij hem geen proces aan, mijnheer Granger?”

“Dat heb ik gedaan. Ik heb vonnis tegen hem, en ik ben voornemens het binnen eenige dagen ten uitvoer te laten leggen. Ik wil het niet langer dulden,” ging hij voort, zichzelf hoe langer hoe meer opwindende, en met het hoofd schuddende, dat zijn dun wit haar voor zijn oogen viel. “Ik zal hem gerechtelijk vervolgen, hem en de anderen ook. Gij zijt een rechtsgeleerde en kunt mij helpen. Ik zeg u, hier heerscht een geest, die hierop neerkomt: betaal al uw schulden, behalve den predikant en den landheer. Maar er is nog recht, eer zij hier bij ons dat Iersche spelletje beginnen te spelen!” En hij sloeg hard met zijn vuist op de tafel.

Geoffrey hoorde dit inwendig lachend aan. Dat was dus het gevoelige punt van den ouden man—het geld. Daar was hij blijkbaar zeer vurig op—even vurig als Lady Honoria, maar met meerreden. Elisabeth luisterde met merkbare goedkeuring, maar Beatrice zag verdrietig.

“Wees niet boos, vader,” zeide zij, “misschien betaalt hij nog wel. ’t Is niet goed gerechtelijk te vervolgen als gij het in der minne kunt schikken—dat zet maar kwaad bloed.”

“Gekheid, Beatrice,” viel haar zuster scherp in. “Vader heeft groot gelijk. Beslag leggen is het eenige wat met hem te beginnen is. Ik geloof dat je op het punt van eigendom al evenzoo een socialist bent als op al het andere. Je zoudt wel alles ’t onderste boven willen keeren, van de Koningin af tot de wet op het huwelijk, alles tot welzijn van het menschdom, en ik zeg je dat die begrippen je ongeluk zullen zijn. Trotseer het gebruik, en het zal u verpletteren. Je loopt met je hoofd tegen een steenen muur aan, en eenmaal zul je ondervinden wie het hardst is.”

Beatrice bloosde, maar antwoordde op den uitval harer zuster, die des te scherper was, omdat er wel een zweem van waarheid doorliep:

“Zulke begrippen heb ik nooit te kennen gegeven, Elisabeth, dus zie ik niet in waarom je mij die toeschrijft. Ik heb alleen gezegd, dat gerechtelijke vervolging kwaad bloed in het kerspel zet, en dat is ook zoo.”

“Ik heb ook niet gezegd dat je ze te kennen hebt gegeven,” hernam Elisabeth, die zich niet licht van haar stuk liet brengen, “maar je geeft er bewijzen van, ze zijn uit al je woorden op te maken. Iedereen weet, dat je een radicaal en een vrijgeest bent, en zoo al meer, dat slecht en dwaas is, en in strijd met den levensstand, waarin het God behaagd heeft je te plaatsen. Het zal er nog op uitloopen dat je als onderwijzeres op de school je ontslag krijgt—en ik geloof dat het voor vader en mij heel hard is dat je door je rare manieren en onzedelijke begrippen schande over ons brengt, en nu kun je het opvatten zooals je verkiest.”

“Het ware te wenschen dat alle radicalen zoo waren als Miss Beatrice,” zeide Geoffrey, die kriegel werd, met een zwakke poging om te schertsen. Doch niemand scheen hem te hooren. Inwoede ontstoken, stond Elisabeth tegenover haar schoone zuster; een blos van toorn had haar bleeke wangen gekleurd, haar lichtgrijze oogen fonkelden en haar magere vingers waren samengeklemd. Maar Geoffrey, die haar gadesloeg, kon gemakkelijk zien dat het niet de begrippen van haar zuster waren, die zij aanviel, maar dat het haar zuster zelve was. Het was die zachte bekoorlijkheid van dat gelaat; het was die grootheid van ziel, die juist door haar kracht dwaalde, en dat helder verstand, dat dien krachtigen geest verlichtte; het was die kennis en die macht, die, als zij vrij spel hadden, een wereld in vuur en vlam zouden zetten, evenals zij het hart van dien eenzaam levendenSquire, dien Elisabeth voor zich begeerde, ontgloeid hadden—dat was het wat Elisabeth haatte en wat zij met bitterheid aanviel.

Geoffrey, die gewoon was op te merken, bespeurde dit dadelijk en toen zag hij naar den vader. De oude man was blijkbaar bang voor Elisabeth en vreesde dat er een scène zou komen. Hij schoof met zijn voeten gedurig heen en weer, en zocht iets om te zeggen, terwijl hij ongerust naar zijn oudste dochter keek.

Nu zag Geoffrey naar Beatrice, die waarlijk wel waard was dat men naar haar zag. Haar gelaat was doodsbleek, en haar heldere grijze oogen glinsterden onder haar donkere wimpers uit. Zij was opgestaan, richtte zich in haar volle lengte op, wat haar welgeëvenredigde gestalte nog des te meer deed uitkomen, en zag haar zuster aan. Zij sprak slecht één woord, maar dat was genoeg:

“Elisabeth!”

Haar zuster opende de lippen, om nog iets te zeggen, maar zij bedacht zich. In Beatrice’s toon en houding was iets, dat haar in bedwang hield.

“Je moest me ook niet zoo ergeren, Beatrice,” zeide zij eindelijk.

Beatrice gaf hierop geen antwoord. Zij wendde zich slechts tot Geoffrey, en zeide op vriendelijken toon: “Mijnheer Bingham zal ons deze scène wel willen vergeven. Wij hebben van nacht allen slecht geslapen, en daar zijn onze humeuren niet beter op geworden.”

Nu volgde er een poos stilte, waarvan Granger snel en vrij onwaardig gebruik maakte.

“Ehem!” zeide hij. “A propos, Beatrice, wat wilde ik ook weer zeggen? O ja, ik weet het—heb je die preek voor aanstaanden Zondag geschreven, ik bedoel voor mij afgeschreven? Mijn dochter,” legde hij Geoffrey uit, “schrijft mijn preeken voor mij over. Zij schrijft een zeer goede hand—”

Geoffrey, die zich herinnerde hoe Beatrice hem in vertrouwen had medegedeeld dat het preeken maken tot haar functiën behoorde, vond de naïeve wijze, waarop haar vader dit beschreef, vermakelijk, en Beatrice glimlachte ook even, terwijl zij antwoordde dat de preek klaar was. Op dit oogenblik hoorde men het geratel van wielen, en de eenige vigilante, waarop Bryngelly kon roemen, hield voor de deur stil.

“Daar is de vigilante voor u, mijnheer Bingham,” zeide Granger—“en zoo waar ik leef, haar Ladyschap is meegekomen. Elisabeth, zet spoedig thee,” en de oude heer, die al de traditioneele voorliefde van den Engelschman uit de middelklasse voor een titel bezat, haastte zich om “haar Ladyschap” te begroeten.

Lady Honoria trad de kamer binnen, met een vriendelijken, zij het dan ook een gekunstelden glimlach op haar schoon gelaat, en met een bevalligheid van houding en manieren, die uitstekend bij haar rijzige gestalte paste. Want om Lady Honoria recht te doen wedervaren, moet gezegd worden dat zij, wat persoonlijk voorkomen betrof, een echte dame was, een waardig type van de klasse, waartoe zij behoorde.

Geoffrey bespeurde dat de kwade bui klaarblijkelijk voorbij was, en daar was hij blijde om. Dat was ook niet te verwonderen, want hoearistocratischereen dame in haar manieren is, des te onaangenamer is zij, wanneer zij in een slechte luim is.

“Ge ziet, Geoffrey,” zeide zij, “dat ik u kom halen. Ik had besloten er voor te zorgen, dat ge niet voor de tweede maal op uw terugweg naar huis zoudt verdrinken. Hoe gaat het u nu?—maar dat behoef ik niet te vragen, ge ziet er weer goed uit.”

“Dat is zeer vriendelijk van u, Honoria,” was het eenige wat haar echtgenoot hierop zeide, maar het valt te betwijfelen of zij hem hoorde, want op dat oogenblik was zij bezig met Beatrice vorschend aan te zien, met een zoo doorborenden blik als waarmede die jonge dame nooit vereerd was geworden. Er was niets lomps in dien blik, daartoe was hij te snel, maar Beatrice gevoelde, dat die enkele blik haar van top tot teen had opgenomen. Dat had zij ook niet mis.

“Het lijdt geen twijfel,” dacht Lady Honoria, “zij is bekoorlijk, recht bekoorlijk. ’t Was slim bedacht dat zij het haar niet heeft opgemaakt en het maar zoo los heeft laten hangen; dat doet den vorm van haar hoofd des te beter uitkomen. De blauwepeignoirstaat haar ook goed. Weinige vrouwen kunnen op zulk een gestalte als de hare roemen. Zij bevalt mij niet; zij is anders dan de meeste andere vrouwen; juist zoo’n meisje voor mannen om mee te dwepen, en voor vrouwen om te haten.”

Dit alles ging in haar geest om, terwijl haar oogen die van Beatrice ontmoetten; en in die heldere oogen, te oprecht dan dat opkomende gedachten zich er niet in afspiegelden, las zij dat zij Beatrice evenmin beviel als Beatrice haar.

“Valsch, koel en onverschillig,” dacht Beatrice. “Hoe kan een man als hij met haar getrouwd zijn; zou hij veel van haar houden?”

Zoo hadden die twee vrouwen elkander met een enkelen blik gemeten, en elk van beiden vond dat de andere niet naar haar smaak was. En van dat haastig gevormd oordeel kwamen zij ook nooit terug.

Dit nam echter niet weg dat Lady Honoria, na dat ééne oogenblik, met uitgestoken hand en haar vriendelijksten glimlach naar Beatrice toe trad.

“Miss Granger,” zeide zij, “wat ik u verschuldigd ben, kan ik u nooit vergelden—het leven van mijn geliefden echtgenoot. Ik heb er alles van gehoord hoe ge hem gered hebt. Ik weet niet hoe ge het hebt kunnen doen. Ik wenschte dat ik half zoo moedig en sterk was.”

“Och, spreek er niet van, Lady Honoria,” zeide Beatrice. “Ik ben er al meer dan genoeg voor bedankt dat ik niets anders gedaan heb dan wat mijn plicht was te doen. Als ik mijnheer Bingham had losgelaten, zoolang ik nog de kracht had om hem vast te houden, zou ik vandaag een gevoel gehad hebben alsof ik een moordenares was. Zeg er, wat ik u bidden mag, niets meer van.”

“Men vindt niet dikwijls zooveel bescheidenheid met zooveel moed gepaard, en als ge ’t mij vergunt te zeggen, met zooveel schoonheid,” hernam Lady Honoria vriendelijk. “Welnu, ik zal doen zooals gij wenscht, maar ik waarschuw u dat de Faam u wel vinden zal. Ik heb gehoord dat er in de nieuwsbladen van vandaag een verslag van het heele avontuur komt, getiteld: ‘Een Welsche Heldin.’”

“Hoe hebt ge dat gehoord, Honoria?” vroeg haar echtgenoot.

“Och, ik heb een telegram van Garsington ontvangen, en hij maakt er melding van,” antwoordde zij onverschillig.

“Een telegram van Garsington! Daarom glimlacht zij zoo vriendelijk” dacht hij, “zij gaat morgen zeker heen.”

“Ik heb nog wat nieuws voor u, Miss Granger,” ging Lady Honoria voort. “Uw bootje is aan land gespoeld, zeer weinig beschadigd. De oude schipper—Eduard, heet hij, geloof ik—heeft het gevonden; en uw geweer was er ook in, Geoffrey. Het was ergens onder de bank blijven steken. Maar ik geloof dat gij beiden vooreerst wel genoeg van het roeien zult hebben.”

“Dat weet ik niet, Lady Honoria,” antwoordde Beatrice. “Zoo’n weer als gisterenavond is het niet dikwijls, en het roeien is zoo aangenaam. Ge weet, geen lief zonder leed; of met andere woorden, omslaan kan men altijd.”

Op dit oogenblik kwam Betsy, de plompe Welsche dienstmaagd, met een voorarm bijna zoo dik als de achterpoot van een olifant en een onaangename gewoonte van onder het loopen hoorbaar den neus op te halen, met het theegoed binnenschommelen. Achter haar aan kwam Elisabeth, die aan Lady Honoria werd voorgesteld.

Daarna verflauwde het gesprek een weinig, totdat Lady Honoria het weder aan den gang bracht.

“Wat hebt gij hier uit het venster een mooi uitzicht op de zee,” zeide zij, met haar welluidende stem. “Ik ben blijde dat ik het gezien heb, want morgen ga ik heen, moet gij weten.”

Beatrice zag levendig op.

“Mijn man gaat niet mee,” vervolgde zij, als tot antwoord op een onuitgesproken vraag. “Ik speel de rol van een ontrouwe vrouw, en loop voor drie weken van hem weg. Dat is heel slecht van mij, niet waar? Maar ik heb een afspraak, en die moet ik houden. ’t Is lastig.”

Geoffrey, die zijn thee dronk, grimlachte bitter achter zijn kopje. “Zij doet het bizonder goed,” dacht hij.

“Gaat uw dochtertje met u mee, Lady Honoria?” vroeg Elisabeth.

“Neen, ik geloof niet dat ik haar zal meenemen. Het valt mij hard van haar te scheiden—gij kunt begrijpen hoe hard het is als men maar één kind heeft. Maar zij zou zich zoo vervelen waar ik ga logeeren, want daar zijn geen kinderen, en zij houdt ook zooveel van de zee. Dus zal ik haar maar hier aan de teedere zorg van haar vader overlaten, het lieve kind.”

“Ik heb wel hoop, dat Effie het overleven zal,” zeide Geoffrey lachend.

“Dan blijft mijnheer Bingham zeker bij juffrouw Jones?” zeide de predikant.

“Dat weet ik waarlijk niet. Wat zult ge doen, Geoffrey? De kamers bij juffrouw Jones zijn nogal duur. En zij zal zeker ook niet voor Effie kunnen zorgen. Denk eens, het arme mensch heeft zelve acht kinderen. En ik moet Anne meenemen—dat is Effie’s Fransche kindermeid, weet gij, een ware schat. Ik ga in een groot huis logeeren, en mijn ondervinding van groote huizen is dat men niet bediend wordt als men geen eigen kamenier heeft. Ik weet niet hoe ge het met het kind zult maken, Geoffrey; zij vereischt zoo ontzaglijk veel zorg.”

“Wees daar niet ongerust over, Honoria,” antwoordde hij; “Effie en ik zullen wel goed met elkaar terecht kunnen.”

Nu was het Elisabeth aan te zien dat zij op een inval kwam. Zij zat naast haar vader, en fluisterde hem iets toe. Beatrice zag het, en maakte een beweging alsof zij tusschenbeide wilde komen, maar eer zij dat kon doen, sprak Granger:

“Hoor eens, mijnheer Bingham, als gij toch voornemens zijt te verhuizen, zoudt ge dan een kamer hier willen hebben? De voorwaarden zijn zeer billijk, maar voor niemendal zou ik u niet in huis kunnen hebben. Gij zult het voor lief moeten nemen zooals het is; maar er is een kleedkamer naast mijn kamer, waar uw kleine meid zou kunnen slapen, en mijn dochters zullen gaarne gezamelijk zorg voor haar dragen.”

Weder opende Beatrice haar lippen, alsof zij iets zeggen wilde, maar sloot ze weder zonder te spreken. Zoo laten wij willens en wetens de gelegenheid voorbijgaan.

Instinctmatig had Geoffrey naar Beatrice gezien. Hij wist niet of dit plan haar aangenaam was. Hij wist dat zij veel werk had, en wilde haar ongaarne nog meer moeite veroorzaken, want hij vermoedde dat de last om voor Effie te zorgen wel ophaarzou neerkomen. Maar de uitdrukking van haar gelaat zeide hem niets; het was volkomen lijdelijk, en oogenschijnlijk onverschillig.

“’t Is zeer vriendelijk van u aangeboden, mijnheer Granger,” zeide hij aarzelend. “Ik zou Bryngelly nog niet gaarne verlaten, en in sommige opzichten zou het een goed plan zijn, als het maar niet te lastig voor uw dochter is.”

“’t Is een uitmuntend plan,” viel Lady Honoria in, vreezende dat er misschien zwarigheden tegen geopperd zouden worden dat zij Anne in beslag had genomen; “hoe gelukkig dat ik er toevallig van sprak! Met het opzeggen van de kamers bij juffrouw Jones zullen wij geen moeite hebben, want ik weet dat zij er al iemand voor heeft.”

“Goed,” zeide Geoffrey, die geen bezwaar wilde maken tegen een zoo openlijk goedgekeurd plan, hoewel hij liever tijd tot beraadhad willen hebben. Het was alsof een geheime stem hem waarschuwde dat de pastorie van Bryngelly een noodlottig verblijf voor hem zou zijn. Toen stond Elisabeth op, en vroeg Lady Honoria of zij de kamers, die door haar echtgenoot en Effie betrokken zouden worden, niet eens wilde zien.

Zij antwoordde dat zij dit zeer gaarne wilde, en ging met Elisabeth mede, door Granger gevolgd.

“Denkt gij niet dat gij het hier wel wat vervelend zult vinden, mijnheer Bingham?” vroeg Beatrice.

“Integendeel,” antwoordde hij. “Waarom zou ik mij hier vervelen? Het kan zoo vervelend niet zijn dan wanneer ik alleen was.”

Beatrice aarzelde, en hernam toen: “Wij zijn een zonderling gezin, mijnheer Bingham, zooals gij van middag wel gezien zult hebben. Zoudt ge er niet liever nog eens over nadenken?”

“Als gij bedoelt dat ge liever niet hebt dat ik kom, zal ik het niet doen,” antwoorde hij, min of meer plomp, en terstond gevoelde hij dat hij een flater gemaakt had.

“Ik!” zeide Beatrice, groote oogen opzettende, “’t Is hier de vraag niet wat ik liever heb of niet. Wij zijn arm en verhuren kamers—daar komt het op neer. Als gij meent, dat zij u zullen bevallen, hebt gij gelijk dat gij ze neemt.”

Geoffrey kleurde. Hij was een man, die niet dulden kon, dat hij zich de minste berisping van een vrouw op den hals had gehaald, en nu had hij dit gedaan. Beatrice zag het en werd daardoor verzacht.

“Natuurlijk, mijnheer Bingham,” hernam zij, “wat mij betreft, ben ik de winnende partij als gij komt. Ik ontmoet te weinig menschen, met wie ik gaarne omga en van wie ik kan leeren, dan dat ik een kans zou willen vergooien.”

“Ik geloof dat ge mij een weinig verkeerd begrepen hebt,” zeide hij. “Ik bedoelde alleen maar of Effie niet te lastig voor u zou zijn, Miss Granger.”

Zij lachte. “Wel, ik houd veel van kinderen. Het zal een genoegen voor mij zijn voor haar te zorgen, in zooverre als ik tijd heb.”

Nu kwamen de anderen terug, en hun gesprek was uit.

“Het zijn alleraardigste ouderwetsche kamers, Geoffrey,” zeide Lady Honoria. “Ik benijd u werkelijk.” (Niets was er wat Lady Honoria zoo leelijk vond als een ouderwetsche kamer.) “En nu moeten wij heengaan. O, arm schepsel, ik vergat dat ge zoo bont en blauw gestooten zijt. Mijnheer Granger zal u zijn arm wel willen geven.”

Granger strompelde vooruit, en nadat Geoffrey afscheid genomen en een hoed van den predikant geleend had, werd hij naar de vigilante gebracht.

En zoo eindigde Geoffrey’s eerste dag in de pastorie van Bryngelly.


Back to IndexNext