Hoofdstuk XVI.

Hoofdstuk XVI.De eerste verdieping bij Edgware Road.Geoffrey’s reis naar de stad was niet van de aangenaamste. Om te beginnen, deed Effie niet anders dan schreien omdat zij niet langer bij “tantetje,” zooals zij Beatrice noemde, mocht blijven, en wilde zich niet laten troosten. Het vooruitzicht van weer naar haar moeder en Anne te gaan, had voor Effie niets wat haar toelachte. Geoffrey zelf had veel om over na te denken, en die gedachten waren juist niet van opbeurenden aard. Hij haalde zich de gebeurtenissen van de laatste weken voor den geest, hij herinnerde zich hoe hij Beatrice’s gelaat het eerst in den mist bij de Roode Rotsen had gezien, en hoe haar schoonheid hem getroffen had. Toen dacht hij aan het avontuur van hun schipbreuk en den wanhopigen moed, waarmede zij zijn leven had gered, bijna ten koste van het hare. Hij dacht ook aan dat tooneel, toen hij den volgenden dag in de kamer was gekomen, waar zij sliep, toen die zonnestraal, die van haar borst op de zijne trilde, een gevoel inhem had gewekt alsof voortaan zijn lot en dat van het slapende meisje één waren, en zij ontwaakt was met die zonderlinge begroeting op haar lippen. Terwijl Effie in den hoek tegenover hem zich in slaap snikte, riep hij zich elke fase, elk tooneel van hun toenemende vertrouwelijkheid te binnen, totdat het overzicht uitliep op zijn raadselachtige ervaring van den vorigen nacht en de herinnering aan Beatrice’s afscheidswoorden.Geoffrey was in ’t minst niet bijgeloovig; van zijn jongelingsjaren af, was hij bekend geweest als iemand van een gezond verstand en min of meer tot ongeloovigheid geneigd. Maar aan verstand en scherpzinnig doorzicht paarde hij verbeeldingskracht, wat eigenlijk ook niets anders is dan een voorstellingsvermogen van het verstand. Had hij die niet bezeten, dan zou hij waarschijnlijk, bij voorbeeld, op het punt van godsdienst, een twijfelaar geweest zijn, en dat was hij niet. Wat nu zijn ervaring in den vorigen nacht, en in ’t algemeen die zonderlinge, bijna onnatuurlijke sympathie met dat jonge meisje betrof zeide hem zijn gezond verstand dat dit alles maar gekheid was—het gevolg van dagelijkschen omgang met een lief gezichtje, en niets meer.Maar hier kwamen zijn doorzicht en voorstellingsvermogen tusschenbeide en hielden hem duidelijk voor, dat het geen gekheid was, dat hij zich niet maar alleen als een zotskap had aangesteld tegenover een hysterisch of misschien een minziek meisje. Zij zeiden hem, dat iets wat raadselachtig is, daarom nog geen onwaarheid behoeft te zijn. Zij wezen er op, dat er vele verborgenheden en krachten rondom en boven ons zijn, onzichtbaar als een electrische stroom, ontastbaar als het licht, maar toch bestaande, en in staat zich onder zeker zeldzame en gunstige omstandigheden te openbaren.En was het niet mogelijk, dat zulke toestanden zich vereenigden in een meisje, wier lichamelijke schoonheid slechts door de schoonheid harer ziel overtroffen werd? Het was geen antwoord, te zeggen dat de meeste vrouwen zulk een meer dan aardsch gevoel, als in zijn hart gewekt was, konden inboezemen, of dat de meeste mannen daar niet vatbaar voor waren. Heeft de mensch geen vermogensen aandoeningen, die het gedierte des velds ontzegd zijn, en kunnen er geen mannen en vrouwen zijn, in dit opzicht even ver boven hun medemenschen verheven als boven de dieren?Maar het zwakke punt van zulke raadselachtige gevallen is, dat zij nergens heen leiden en feitelijk aan de levensomstandigheden niets veranderen. Men kan, bij voorbeeld, in een gerechtshof geen raadselachtigheden aanvoeren; dus liet hij de bespiegelende beschouwing van het vraagstuk varen, als boven zijn sfeer, en beschouwde het uit een praktisch oogpunt, alleen om het even moeilijk te vinden.Hoe zonderling het moge schijnen, Geoffrey wist tot op dit oogenblik niet recht, welke plaats hij in Beatrice’s hart, of zij in het zijne, bekleedde. Hij was niet verliefd op haar, ten minste, niet op zulk een wijze als hij dit, over ’t geheel lastige, gevoel had leeren kennen. In allen gevalle, ging hij van de stelling uit, dat hij het niet was. Dit wilde hij in het daglicht niet erkennen, hoewel hij het in de wakend doorgebrachte uren van den nacht ten volle erkend had. Maar hij kon niet loochenen, dat zij zich zoo met zijn leven vereenzelvigd had, dat er toen, en nog maanden naderhand, behalve als hij sliep, of in uren van sterke geestinspanning geen enkel half uur verliep zonder dat hij aan Beatrice dacht. Alles wat schoon, of grootsch, of verheven was, herinnerde hem aan haar—en was dat niet het grootste compliment, dat hij haar maken kon? Als hij naar heerlijke muziek luisterde, sprak de stem van Beatrice uit de tonen; als een schoon dichtstuk of een goed geschreven roman hem trof, was Beatrice er in zijn geest bij, om het genot met hem te deelen. Dat alles was voorzeker lief en aardig, maar onder onze maatschappelijke instellingen niet anders dan lastig voor een getrouwd man.En nu was hij van Beatrice gescheiden, en moest weder aan zijn dagelijkschen arbeid gaan, veraangenaamd door Honoria’s klachten over hun armoede. Dit denkbeeld was smartelijk voor Geoffrey’s hart, maar zijn verstand zeide hem, dat het zoo het best was. Er stak dan ook eigenlijk geen kwaad in, er waren geen liefdestooneelen geweest, geen kussen, geen woorden, die niet herroepen konden worden; water was, lag onder de oppervlakte verborgen, en zoolang de schijn maar opgehouden werd, was alles goed. Ongetwijfeld was dat huichelarij, maar huichelarij is een der steunpilaren van de beschaving, en wat komt het er op aan wat het hart zegt, als de lippen maar zwijgen?Sterven door droomen! Neen, daar zou Beatrice wel niet van sterven, en hij zeker ook niet. Waarschijnlijk zou zij ten slotte met dien vleeschklomp, Owen Davies, trouwen. Het was wel niet aangenaam daaraan te denken, het was zelfs verschrikkelijk, maar als zij hem zijn gevoelen vroeg, zou hij, “als vriend,” haar zeggen dat dit het beste was, wat zij doen kon. Dat was, natuurlijk, ook weer huichelarij; de lippen zouden zeggen wat het hart niet meende; maar als het hart in opstand komt tegen het verstand, moet het onderdrukt worden. Ongelukkig is het hart zoo sterk!Eindelijk kwamen zij te Londen aan, en volgens afspraak, wachtte Anne, de Franschebonne, hen aan het station op, om Effie naar huis te brengen. Geoffrey merkte op, dat zij er zwieriger en minder dan ooit naar zijn smaak uitzag. Zij omhelsde Effie echter met een vertoon van hartelijkheid, die door het kind nauwelijks beantwoord werd, en gaf intusschen knipoogjes aan den conducteur, die met het afnemen der kaartjes belast was. Hoewel het nog vroeg in het jaar was voor zwaren mist, was Londen toch in duisternis gehuld. Het was dien ochtend te Bryngelly mistig weer geweest, en dat was verder op den dag erger geworden; maar in Londen was het zoo donker als de nacht, hoewel het pas vier uur was. Gelukkig is Edgware Road, waar Geoffrey woonde, niet ver van het Paddington-station, en na persoonlijk dencab-voerman het adres opgegeven te hebben, liet hij de zorg voor Effie en de bagage aan Anne over, en ging met een gerust hart langs den spoorweg door den Tunnel naar deInns of Court.Kort nadat hij op zijn kamers was aangekomen, meldde zich daar niet, volgens afspraak, zijn oom aan—die, zooals hij, vernam, ongesteld was geworden—maar een der compagnons. Tot zijn groot genoegen, bleek hem toen dat Beatrice het aan het rechte einde had gehad met te vooronderstellen dat er een geestverschijningvertoond was; de jongen, die een lid van zijn teen miste, was gevonden, en had het geheele akelige komediespel door een reet van de jaloezie gezien; bovendien was de waarheid hem ontwrongen, en hij zou bij de terechtzitting als getuige opkomen—ja hij had reeds een voorloopige verklaring afgelegd.Ook was, uit vergelijking met andere stukken, door den voormaligen procureursklerk geschreven, gebleken dat die van dezelfde hand waren als het testament. Het eenige bezwaar was dat de Procureur-Generaal en Mr. Candleton, de President van het Kanselarij-Gerechtshof, geen van beiden in de stad waren, zoodat dien avond geen conferentie mogelijk was. Beiden werden echter nog dienzelfden avond laat terug verwacht, de Procureur-Generaal uit Devonshire en Mr. Candleton van het Vasteland; dus werd bepaald, daar de zaak de eerste op de rol was, dat de conferentie den volgenden ochtend te tien uur zou plaats hebben.Thuis gekomen, vernam Geoffrey dat Lady Honoria zich kleedde, en de boodschap had gelaten dat hij dit ook spoedig moest doen, omdat er een heer bij hen kwam dineeren. Derhalve ging hij naar zijn kamer, aan het andere einde der eerste verdieping—om van kleeding te verwisselen. Alvorens zich naar de eetkamer te begeven, ging hij echter Effie—die wel reeds naar bed was, maar nog niet sliep—goeden nacht zeggen, en vroeg haar hoe laat zij thuis gekomen was.“Twintig minuten over vijven, paatje,” zeide Effie fluks.“Twintig minuten over vijven! Je wilt toch niet zeggen dat je over dat kleine eind een uur onderweg bent geweest? Moest decabdan stilhouden om den mist?”“Neen, paatje maar—”“Maar wat, lieve?”“Anne heeft me gezegd dat ik het niet mocht vertellen.”“Stoor je er maar niet aan wat Anne gezegd heeft,—ik zeg je dat je het wel vertellen moet.”“Anne heeft nog een heelen tijd staan praten met den man, die de kaartjes aannam.”“O, zoo!” zeide hij.Op dit oogenblik kwam de kamermeid binnen, om te zeggen dat Lady Honoria en de “heer” hem aan tafel wachtten. Geoffrey vroeg haar zoo ter loops hoe laat de jongejuffrouw Effie was thuisgekomen.“Zoo wat half zes, mijnheer. Anne zei dat decabniet voort kon, door den mist.”“Goed. Zeg mevrouw dat ik dadelijk kom.”“Paatje,” zeide het kind, “ik heb mijn gebedje nog niet opgezegd. Moeder kwam niet, en Anne zei dat bidden maar allemaal gekheid was. Tantetje liet mij altijd mijn gebedje opzeggen.”“Ja, lieve, en dat zal ik ook doen. Kom, ga op mijn schoot op je knietjes liggen, en zeg het op.”Te midden van haar gebedje—dat Effie zich niet zoo goed meer herinnerde als zij wel had kunnen doen—kwam de kamermeid terug.“Met uw verlof, mijnheer, haar Ladyschap—”“Zeg haar Ladyschap dat ik kom, en dat zij maar beginnen moet, als zij zoo’n haast heeft! Ga voort, lieve.”Toen kuste hij haar, en legde haar weder te bed.“Paatje,” zeide Effie, toen hij heenging, “zal ik tantetje Beatrice nooit weerzien?”“Ik hoop van ja, lieve.”“En zult u nooit weer van haar hooren? U verlangt zeker ook wel haar te zien? Zij hield zooveel van u.”Geoffrey kon het niet langer uithouden. De waarheid is altijd scherper als zij uit een kindermond komt. Met een haastig goeden nacht snelde hij de kamer uit.In de kleine gezelschapskamer vond hij Lady Honoria, zeer net gekleed, en ook haar vriend, dieDunstanheette. Geoffrey kende hem terstond als een zeer rijk man, van geringe geboorte en van nog minder opvoeding, maar een schitterend licht in de kliek derGarsingtons. Dunstan wilde zich in hoogere kringen dringen, en hij meende dat Lady Honoria, ondanks haar bekrompen middelen,hem daartoe behulpzaam kon zijn. Daarom was hij dien avond bij haar.“Hoe gaat het u, Geoffrey?” zeide zijn vrouw, naar hem toe tredende, om hem met den vredekus te begroeten. “Ge ziet er goed uit. Maar wat hebt ge ontzagelijk lang werk gehad om u te kleeden. Die arme mijnheer Dunstan rammelt van den honger. Ge kent mijnheer Dunstan, geloof ik, wel. Doe maar op, Mary.”Geoffrey maakte zijn verontschuldigingen dat hij zoo laat kwam, en gaf mijnheer Dunstan—St. Dunstan, zooals hij algemeen genoemd werd—beleefd de hand. Zoo was hij betiteld wegens zijn eenigszins clericaal voorkomen, en als een spottende toespeling op zijn niet geheel vlekkeloozen naam. Toen gingen zij aan tafel.“Jammer dat er geen dame voor u is, Geoffrey, maar het heeft u in den laatsten tijd niet aan gezelschap van dames ontbroken. A propos, hoe vaart Miss—Miss Granger? Zoudt gij het wel gelooven, mijnheer Dunstan? mijn ergerlijke heer gemaal heeft de laatste maand doorgebracht in het gezelschap van een der bekoorlijkste meisjes, die ik ooit gezien heb. En knap dat zij is! Zij kent Latijn, en weet van de rechtsgeleerdheid en van alles. Zij begon met zijn leven te redden; ge moet weten dat zij samen met een bootje omgeslagen zijn. Is dat niet romantisch?”St. Dunstan vond het een gepaste aardigheid hierop te zeggen dat mijnheer Bingham een geluksvogel was, die van zulk een buitenkansje dan ook zeker wel gebruik had weten te maken; en met een diepen zucht, liet hij er op volgen dat nog nooit een mooi meisje zijn leven had gered, zoodat hij voortaan voorhaarzou leven enz. enz.Geoffrey, die niet kon aanhooren dat Beatrice het onderwerp van zulke flauwe scherts was, viel zonder veel complimenten in.“Zeg, lieve,” sprak hij zijn vrouw toe, “wat hebtgijal dien tijd gedaan?”“Om u getreurd, Geoffrey, en mij intusschen uitstekend vermaakt. Wij hebben een heerlijken tijd gehad, niet waar, mijnheer Dunstan? Ge moet weten dat mijnheer Dunstan ook bij de familie gelogeerd heeft.”“Hoe kon dat anders,gijwaart er immers, Lady Honoria?” zeide de Sint, op zijn manier van galant zijn, die, om de waarheid te zeggen, stuitend was voor haar, wie het gold, want zij was toch in allen gevalle een beschaafde vrouw.“De Garsingtons hebben de groote zaal en hun gezelschapskamer opnieuw laten meubileeren,” ging zij voort. “Het kost achttien honderd pond, maar ’t is dan ook allerkeurigst geworden.”“Zoo!” antwoordde Geoffrey, die van meening was dat Lord Garsington wel wat van zijn schulden had mogen betalen, eer hij achttien honderd pond aan nieuwe meubelen besteedde.Nu begonnen de Sint en Lady Honoria een levendig en langdurig gesprek te voeren over de andere logeergasten, waar Geoffrey nauwelijks naar luisterde. Hij vond het aan tafel zitten zeer vervelend, en droeg van zijn kant weinig tot de gezelligheid bij.Toen zijn vrouw de kamer verlaten had, moest hij toch wat zeggen, dus spraken zij over het jagen. De Sint was min of meer eensportman, en hij beschreef Geoffrey een paar geweren van een nieuw model, die hij voor de geringe som van honderd veertig guinjes gekocht had, en die hij hem bizonder aanbeval.“Ja,” antwoordde Geoffrey, “die zullen wel zeer goed zijn, maar, ziet ge, ze zijn mij te duur. Ik kan zooveel geld niet uitgeven voor een paar geweren.”“O, is het anders niet,” hernam zijn gast, “dan wil ik u deze wel verkoopen, en ge kunt ze betalen wanneer het u schikt. Maar wat kan het mij ook schelen, ik heb geweren genoeg. Ik wil royaal zijn en ze u cadeau geven. Alsikniet royaal kan zijn, zou ik niet weten wie!”“Ik dank u, mijnheer Dunstan,” antwoordde Geoffrey koel, “maar ik ben niet gewoon zulke geschenken van mijn vr—— van mijn bekenden aan te nemen. Wilt gij een glas sherry?—niet? Zullen wij dan maar weer naar Lady Honoria gaan?”Dit gezegde sloeg den plompen Sint, die het echter niet kwaad gemeend had, geheel ter neder; en een oogenblik later had Geoffrey er spijt van. Maar hij was in een verdrietige en wrevelige luim.Waarom bracht zijn vrouw zulke menschen in zijn huis? Kort daarna nam hun gast afscheid. Hij vond Bingham een verwaanden kwast, en gevoelde dat hij niet tegen hem bestand was. “En ik geloof dat hij geen duizend pond ’s jaars heeft,” redeneerde hij bij zichzelven, “en zijn vrouw alleen heeft een titel, hij niet. Daarom is hij zeker met haar getrouwd. Zij is een veel beter soort dan hij, maar ik kan uit haar toch ook niet recht wijs worden—men kan niet heel ver met haar komen. Maar zij is de dochter van een Pair, en wel waard de kennis met haar aan te houden, doch als ik weet dat Bingham thuis is, kom ik niet.”“Wat hebt ge mijnheer Dunstan toch gezegd, dat hij zoo spoedig heengegaan is?” vroeg Lady Honoria.“Wat ik hem gezegd heb? och, dat weet ik niet.Hij bood mij een paar geweren aan, en toen heb ik gezegd dat ik geen geschenken van mijn bekenden aannam. Waarlijk, Honoria, ik laat u in uw leefwijze geheel vrij, maar ik begrijp niet hoe ge met zoo iemand als dien mijnheer Dunstan kunt omgaan.”“Denkt ge dat ik met hem omga?” zeide zijn vrouw. “Denkt ge dat ik niet weet wat dat voor een man is? Maar wie arm is, moet niet te kieskeurig zijn. Al is hij een vlegel, hij heeft toch dertig duizend pond ’s jaars, en een bekende, die zoo’n inkomen heeft, is niet te versmaden. ’t Is te erg van u, Geoffrey,” ging zij, met toenemende wreveligheid, voort, “als ge weet, dat ik mij in ons ellendig, armoedig leven moet schikken, dat ge elke gelegenheid waarneemt om u onaangenaam te maken bij de menschen, die ik raadzaam acht bij ons te noodigen. Pas ben ik uit een aangename omgeving in deze nare woning terug, of het eerste wat ge doet, is twist te zoeken. Mijnheer Dunstan heeft loges in verscheidene van de beste schouwburgen, en hij heeft er mij een aangeboden zoo dikwijls ik er gebruik van wilde maken—en nu is dat, natuurlijk, uit. ’t Is te erg van u, zeg ik!”“’t Is werkelijk zonderling, Honoria,” hernam haar echtgenoot, “te zien welke verplichtingen ge maakt, uit zucht naar vermaakt. ’t Is vernederend voor u, van dien man loges aan te nemen.”“Gekheid. Ik maak er volstrekt geen verplichting door. Als hij mij een loge geeft, stelt hij er een eer in, mij in die loge te komen aanspreken, en dan zijn vrienden te zeggen dat hij met Lady Honoria Bingham sprak. ’t Is een ruil: ik wil naar den schouwburg gaan; hij wil in goede gezelschappen komen—daar hebt ge ’t precies. Zoo iets gebeurt dagelijks. Als ge dan het ware van de zaak wilt weten, Geoffrey,” ging zij voort, met een gezicht alsof zij op het punt was in tranen van toorn uit te barsten, “ik kan niet als de vrouw van een kantoorklerk leven. Ikmoetwat vermaak, iets tot veraangenaming van mijn leven hebben, eer ik een oude vrouw word. Als dat u niet bevalt, waarom hebt ge mij dan tot dit ellendig huwelijk verlokt, eer ik oud genoeg was om beter te weten, of waarom verdient ge geen geld genoeg om mij in staat te stellen mijn stand op te houden?”“Daar hebben wij het al dikwijls over gehad, Honoria,” zeide Geoffrey, met moeite zijn bedaardheid behoudende; “en nu is er iets anders, waarover ik u wensch te spreken. Weet ge wel, dat Anne van avond langer dan een half uur aan het Paddington station gebleven is, om met een van de spoorwegbeambten te staan vrijen, in plaats van Effie naar huis te brengen, zooals ik haar bevolen had? Dat neem ik haar zeer kwalijk. Zij is niet te vertrouwen; door haar onachtzaamheid zal het kind eenmaal een ongeluk krijgen. Kunt ge haar niet wegzenden en een andere kindermeid nemen?”“Neen, dat kan ik niet. Zij is het eenige gemak, dat ik heb. Waar vind ik een andere vrouw, die zoo goed japonnen kan maken als zij?—ze wint mij wel honderd pond in het jaar uit—en het kan me niet schelen, al vrijde zij met vijftig spoorwegbeambten. Gij hebt dat praatje zeker van Effie gehoord; het kind moest een pak slaag hebben voor haar verklikken—en het zal wel niet eens waar zijn.”“Effie zal voorzeker geen pak slaag krijgen,” antwoordde Geoffrey, op strengen toon. “Ik waarschuw u, dat het ieder, die haar met een vinger aanraakt, slecht zal bekomen.”“O, heel goed, bederf het kind maar. Ga uw eigen gang maar, Geoffrey! In allen gevalle, blijf ik niet langer om beleedigende taal aan te hooren. Goeden nacht,” en zij ging heen.Geoffrey stak een cigarette op. “Een aangename tehuiskomst!” dacht hij. “Honoria zal zooveel geld hebben als zij maar kan uitgeven—al zou ik mij doodwerken, zij zal het hebben. Welk een leven, welk een leven! Zou Beatrice haar man ook zoo behandelen, als zij er een had?”Hij lachte om de ongerijmdheid van dit denkbeeld, wierp met een wrevelig gebaar zijn cigarette in het vuur, en ging naar zijn kamer, om te beproeven of hij slapen kon, want hij was zwaar vermoeid.Hoofdstuk XVII.Geoffrey wint zijn zaak.Den volgend ochtend vóór tienen, was Geoffrey, na reeds twee uren aan zijn akte besteed te hebben, die hij nu volkomen meester was, op zijn kamers, waar hij niet zonder moeite gekomen was, wegens den dikken mist, die nog over Londen en over geheel Engeland hing.Tot zijn verbazing vernam hij, dat men van den Procureur-Generaal noch van den President van het Kanselarij-Gerechtshof iets gehoord had. De zaakwaarnemers waren wanhopig, maar hij troostte hen, door te zeggen dat één van beiden nog wel bijtijds zou komen opdagen, en dat eenige woorden voldoende zouden zijn, om het meerdere licht, dat over de zaak verspreid was, uit te leggen. Hij besteedde echter nog een half uur, om eenige ruwe aanteekeningen te maken, ten einde een richtsnoer te hebben in het wel onwaarschijnlijkmaar mogelijk geval dat hij de zaak zou moeten inleiden, en ging toen naar het Gerechtshof. Het was de eerste zaak op de rol, en de tegenpartij had ook haar advocaat. Juist toen de rechter zijn plaats had ingenomen, overhandigde de zaakwaarnemer, met een uitdrukking van schrik op zijn gelaat, Geoffrey een telegram, dat op dit oogenblik van Mr. Candleton gekomen was. Het was uit Calais gedateerd, en luidde: “Niet in staat over te steken, wegens den dikken mist. Benoem een ander in Parsons en Douse.”“En wij hebben zoo maar dadelijk geen ander,” zeide de ongeruste zaakwaarnemer. “Wat meer is, ik hoor niets van den Procureur-Generaal, en zijn klerk schijnt niet te weten waar hij is. Gij moet verdaging vragen, mijnheer Bingham; gij kunt de zaak niet alleen behandelen.”“Goed,” zeide Geoffrey, en toen de zaak werd opgelezen, stond hij op en deelde de omstandigheden aan het Gerechtshof mede. Maar de president van de Rechtbank was in een brommige bui. Hij had den mist in zijn geleerde keel, en zag geen reden tot verdaging. Bovendien was de tegenpartij, die haar voordeel bespeurde, er sterk tegen. De getuigen waren er met groote kosten gebracht; zijn Lordschap was er, de gezworenen waren er; de zaak moest voortgang hebben.Zijn Lordschap de president was van hetzelfde gevoelen, en voegde Geoffrey op strengentoontoe, dat ieder advocaat in een zaak, zoodra die voor de Rechtbank diende, elk oogenblik bereid behoorde te zijn, als het noodig was, die zaak in te leiden; maar als hij, Geoffrey, het Gerechtshof verklaarde daartoe ten eenenmale onvoorbereid te zijn, dat er dan, natuurlijk, niets anders op zat dan een verdaging toe te staan.“Ik ben volkomen bereid met de zaak voort te gaan, Mylord,” antwoordde Geoffrey bedaard.“Goed,” zeide de president, op een verzachten toon. “Ga dan maar voort. Ik twijfel niet of de Procureur-Generaal zal aanstonds wel komen.”De tegenpartij had er niets tegen, dat de inleiding was opgedragenaan een onervaren man, die waarschijnlijk zijn partij meer kwaad dan goed zou doen. Dus stond Geoffrey, eenigszins tot schrik van de zaakwaarnemers, die met verlangen aan de welsprekendheid van den Procureur-Generaal dachten, zonder vrees of aarzeling op, van zijn kant hopende dat de Procureur-Generaal maar zou wegblijven. Hij had een kans, waarop menig bekwaam man jaren lang moet wachten, en dat wist hij, en daar was hij voornemens gebruik van te maken. Geoffrey was een goed spreker, had niet, zooals menig goed spreker, last van zenuwachtigheid, en bovendien was hij zijn zaak volkomen meester. Binnen vijf minuten luisterden rechter, gezworenen en advocaat aandachtig naar hem, en binnen tien minuten had hij hun de zaak klaar en duidelijk uiteengezet. Om zijn onderstelling van het komediespel der geestverschijning werd eerst geglimlacht, maar al spoedig lachte de advocaat der tegenpartij niet meer en begon onrustig te zien. Als hij kon bewijzen wat hij zeide, was het uit met de zaak. Toen hij ongeveer twintig minuten gesproken had, werd hij door een aanmerking van den advocaat der tegenpartij geïnterpelleerd, en op dat oogenblik merkte hij op, dat de klerk van den Procureur-Generaal met een der zaakwaarnemers sprak.“Als hij maar niet komt,” dacht Geoffrey.Maar neen, de zaakwaarnemer boog zich naar hem toe, en verwittigde hem dat de Procureur-Generaal door een gewichtige regeeringszaak onvermijdelijk werd opgehouden en zijn akte teruggezonden had.“Welnu, dan moeten wij zoo goed voortgaan als wij kunnen,” zeide Geoffrey.“Als gij zoo voortgaat, kan het niet beter,” fluisterde de zaakwaarnemer, en nu wist Geoffrey dat hij het goed deed.“Ja, mijnheer Bingham,” zeide de president.En Geoffrey ging met zijn uiteenzetting van de zaak voort. ’t Is onnoodig dit merkwaardig proces, dat twee dagen duurde en algemeen de aandacht trok, in al zijn bizonderheden te volgen. Geoffrey won het met glans. Zijn welsprekende aanspraak tot degezworenen bleef in de Gerechtshoven lang in herinnering. Weinigen, die het zagen, vergaten ooit zijn bezield gelaat en gebiedende houding, toen hij de zaak van zijn tegenpartij als een eierdop verbrijzelde en daarop met kalme, overstelpende kracht van taal de vrouw beschuldigde, die met haar minnaar het wreede plan gesmeed had, dat haar oom van het leven en haar neef en nicht van hun rechtmatig eigendom beroofd had, totdat hij haar eindelijk, met uitgestrekte hand naar haar wijzende, voor de jury als een moordenares brandmerkte.Weinigen in die volle rechtzaal vergaten het tragisch tooneel, dat nu volgde, toen de bevende vrouw, uitgeput door langdurige spanning, en verpletterd door de indrukwekkende woorden van haar beschuldiger, van haar plaats opstond en uitriep:“Wij hebben het gedaan—’t is waar, wij hebben het gedaan om het geld te krijgen, maar het was onze bedoeling niet dat hij van schrik zou sterven,” en bezwijmd viel zij op den grond.“Mylords en heeren gezworenen,” zeide Geoffrey, op kalmen toon, “ik geloof niet dat het noodig is mijn zaak verder te bepleiten.”Er volgde geen applaudissement, daartoe was de gelegenheid te dramatisch plechtig, maar de indruk, op het Gerechtshof en het publiek gemaakt, was diep en blijvend.Geoffrey misleidde zichzelven niet, noch door zich op zijn zegepraal te verhoovaardigen, noch door valsche nederigheid. Als een verstandig man, beschouwde hij den staat van zaken uit het juiste oogpunt—met dankbaarheid, maar zonder verbazing. Hij had eindelijk zijn kans gehad, en was er voor berekend geweest. Dat was het eenige. De meeste menschen hebben in den een of anderen vorm zulke kansen, en weten er geen gebruik van te maken. Geoffrey was een van de uitzonderingen, zooals Beatrice gezegd had; hij was geboren om te slagen. Hij wist nu, dat hij het in zijn vak ver kon brengen.Toen hij dien avond naar huis ging, nadat hem van alle kanten gelukwenschingen waren toegestroomd, gevoelde hij toch een zekere trotschheid.Wat Geoffrey dien avond gevoelde, zal ieder gevoeld hebben, die lang met bijna overstelpende tegenspoeden te kampen heeft gehad, in zijn hart wetende dat hij geboren is om te leiden en niet om te volgen; en die eindelijk, door een enkele geestinspanning, zonder een vriendenhand om hem te helpen, of een vriendenstem om hem te leiden, er in geslaagd is zich door alle moeilijkheden heen een weg te banen en zicheensklapsin staat ziet alle mededinging het hoofd te bieden. Daar zal hij niet al te trotsch op zijn; het zal hem slechts een kleinigheid toeschijnen—iets, dat nog vol gebreken en onvolkomenheden is en nog lang niet aan zijn ideaal beantwoordt. Hij zal zelfs niet veel gewicht hechten aan die eerste zegepraal, omdat hij, in al zijn glorie, bedenkt dat anderen op zijn eigen terrein tegen hem zijn opgewassen, en ook dat alle aardsche voorspoed, evenals de schoonste bloem, de kiem van verval in zich draagt. Maar met bescheiden zelfvoldoening zal hij terugzien op die jaren van geduldig streven, dat hem eindelijk op een hoogte heeft gebracht, van waar hij al hooger en hooger kan opklimmen, totdat eindelijk, als hij uitgeput is, de tijd voor hem komt om te vallen.Zoo dacht en gevoelde Geoffrey. Hij had zich van de taak, die hem was opgedragen, gekweten. Honoria zou nu geld hebben; zij zou hem niet langer hun armoede voor de voeten kunnen werpen. En—dat was een nog betere gedachte—het zou Beatrice verheugen zijn zegepraal te vernemen.Hij kwam vrij laat thuis. Honoria zou bij een voorname nicht gaan dineeren, en was reeds bezig zich te kleeden. Geoffrey had voor de uitnoodiging bedankt, omdat hij niet verwacht had uit de rechtzaal terug te zijn. In zijn geestdrift, ging hij echter naar de kamer zijner vrouw, om haar den afloop te vertellen.“Waar hebt ge al dien tijd gezeten?” zeide zij. “Ik dacht dat ge afgesproken hadt met mij uit te gaan. Het staat niet goed dat ik zooveel alleen uitga. O, ja, dat was ik vergeten; ge waart in die zaak.”“Ja, juist—dat was het. Ik heb de zaak gewonnen. Hier vindtge er een verslag van in deSt. James Gazette, als ge ’t lezen wilt.”“Goede Hemel, Geoffrey! Hoe kunt ge verwachten dat ik al dat gezeur zal lezen terwijl ik mij kleed?”“Dat verwacht ik ook niet van u, Honoria, alleen, zooals ik zeg, heb ik de zaak gewonnen en nu zal ik werk in overvloed krijgen.”“Zoo? Dat hoor ik met genoegen. Misschien kunnen we dan wel van die nare eerste verdieping afgaan. Zie je wel, Anne!Je vous l’ai toujours dit, cette robe ne me va pas bien.”1“Mais, Milady, la robe va parfaitement—”“Dat mag jij vinden,” bromde Lady Honoria, “maar dat vind ik niet. Maar het moet nu maar zoo mee. Goeden avond, Geoffrey, ge zult zeker wel al naar bed zijn als ik thuiskom;” en weg was zij.Geoffrey nam met een zucht zijnSt. James Gazetteop. Hij gevoelde zich zwaar gekrenkt; hij had zoo dwaas niet moeten zijn sympathie van Lady Honoria te verwachten—zij was geen sympathetische vrouw. Dat had hij moeten bedenken, maar toch gevoelde hij zich gekrenkt. Hij ging naar boven, en liet Effie haar gebedje opzeggen.“Waar is u geweest, paatje?—naar de Rookerige Stad?” De Temple2was bij Effie bekend als de Rookerige Stad.“Ja, lieve.”“U gaat naar de Rookerige stad om den kost te verdienen, niet waar, paatje?”“Ja, lieve, om den kost te verdienen.”“En hebt u wat verdiend, paatje?”“Ja, Effie, heel veel.”“Waar is het dan? In uw zak?”“Neen, dat juist niet. Ik heb vandaag een groot proces gewonnen, en daar krijg ik veel geld voor.”“O,” hernam Effie nadenkend, “daar ben ik blij om. U wint graag, niet waar, paatje?”“Ja, lieve.”“Dan zal ik u een kus geven, paatje, omdat u gewonnen hebt,” en zij voegde de daad bij het woord.Geoffrey verliet het kamertje met een verzacht hart, en ging alleen zijn middagmaal gebruiken.Toen zette hij zich er toe om een langen brief aan Beatrice te schrijven, waarin hij haar alles van de terechtzitting en alle bizonderheden van de taktiek en de bewijsgronden, die hij gebezigd had, mededeelde.En hoewel het een brief van vier bladzijden was, wist hij dat het Beatrice niet zou vervelen hem te lezen.1Ik heb je altijd wel gezegd, dat kleed past mij niet goed.2Het gebouw van de rechtsgeleerde Colleges te Londen.Hoofdstuk XVIII.De ster in ’t opkomen.Zooals wel te verwachten was, bleek de gedenkwaardige rechtzaak van Parsons en Douse het keerpunt in Geoffrey’s loopbaan te zijn, die van nu aan glansrijk was. Reeds den volgenden ochtend, toen hij op zijn kamers in deInns of Courtkwam, vond hij daar twee akten, die nog maar de voorloopers waren van een gestadigen toevloed van winstgevende zaken. Nu oogstte Geoffrey de vruchten in van den ijver, waarmede hij zich aan zijn rechtsgeleerde studiën had gewijd, sedert hij geheel op zijn eigen wieken moest drijven, en die hem zoowel tot een doorkneed wetgeleerde als een welsprekend advocaat hadden gemaakt. Weldra had hij zooveel werk als hij maar af kon. Wanneer de Fortuin eenmaal haar goede gaven schenkt, doet zij het met milde hand.Drie weken na het rechtsgeding van Parsons en Douse, stierfGeoffrey’s oom, de zaakwaarnemer, en liet hem, tot zijn verrassing, twintig duizend pond na, “meenende,” zooals hij in zijn testament zeide, dat drie dagen voor den dood van den erflater gemaakt was, “dat die som hem helpen zou om in zijn vak vooruit te komen.”Nu zij eenmaal tot het besef was gekomen, dat haar echtgenoot een man was, wien het in de wereld voorspoedig kon gaan, nam Honoria een geheel anderen toon jegens hem aan. Zij werd zelfs vriendelijk, en een paar malen bijna teeder. Toen Geoffrey haar van de twintig duizend pond vertelde, straalde haar gelaat van genoegen.“Dan zullen wij nu weer in Bolton Street kunnen wonen,” zeide zij, “en het treft juist zoo gelukkig dat het huis te huur staat. Dat heb ik gezien.”“Ja,” antwoordde hij, “daar kunnen we weer gaan wonen, zoodra ge maar wilt.”“En kunnen we rijtuig houden?”“Neen, nog niet; daar verdien ik nog niet genoeg voor. Het volgend jaar, als ik het beleef, zult ge een rijtuig kunnen krijgen. Begin nu niet weer ontevreden te worden, Honoria. Ik heb £ 150 te missen, en als ge met mij mee naar een juwelier wilt gaan, kunt ge die besteden zooals ge wilt.”“O, wat vind ik u lief!” zeide zijn vrouw.Dus gingen zij naar den juwelier, en Lady Honoria kocht sieraden voor een bedrag van £ 150, nam ze mee naar huis, en bewonderde ze met een teedere verrukking, zooals een vrouw van een ander soort haar eerstgeboren kind bewonderd zou hebben. Zoo dikwijls hij een som geld had, die hij kon missen, ging Geoffrey aldus met haar naar den juwelier of de modiste, en stond er onverschillig bij, terwijl zij voor dat bedrag kocht. Lady Honoria was recht in haar schik. Het kwam niet bij haar op dat hij in zekeren zin wraak op haar nam, en dat zij door elk blijk van vreugde, die zij bij zulke gelegenheden gaf, zich des te meer zijn verachting op den hals haalde.Dat waren gelukkige dagen voor Honoria! Zij verheugde zichover dien hernieuwden rijkdom als een schooljongen over het ingaan van zijn vacantie, of een verkleumd zwerver over den zonneschijn. In dien nacht van armoede, had zij zich zoo ongelukkig gevoeld als haar koele aard slechts vergunde, en nu was zij weer gelukkig, volgens haar begrip van geluk. Want opvoeding, beschaving—wat gij maar wilt—alles was bij Honoria vervangen door den afgodsdienst van rijkdom, of liever, van al datgene wat rijkdom geeft. Dat was haar genot; haar schoonheid, die aan het verwelken was, kwam terug; zij zag er vijf jaar jonger uit. En intusschen sloeg Geoffrey haar met toenemende verachting gade.Eens kwam het tot een uitbarsting. Het huis in Bolton Street was gemeubileerd; hij had haar daarvoor vijftien honderd pond gegeven, en met wat zij bezaten, kon zij het daar zeer goed mee doen. Zij verhuisden er heen, en Honoria had, nu zij in haar vorige stand hersteld was, zich een genoegzamen voorraad daarbij passende toiletten en kostbaarheden aangeschaft. Op zekeren dag viel het haar in ’t oog, dat Effie eigenlijk een mooi kind was, en dat zij, behoorlijk gekleed, in de gezelschapskamer wel een aardig figuur zou maken. Dus bestelde zij een “lief” costuum voor haar—hoe het was, zullen mijn lezeressen zich misschien beter kunnen voorstellen dan ik het beschrijven kan, maar het bestond voornamelijk uit fluweel en kant. Geoffrey had daar niets van gehoord, maar op zekeren Zaterdagnamiddag wat vroeger dan gewoonlijk thuiskomende, vond hij het kind tentoongesteld voor een kamer vol gezelschap, en gekleed in een allerwonderlijkst costuum, dat haar, wat niet onnatuurlijk was, bizonder beviel. Hij zeide op dat oogenblik niets, maar toen eindelijk het gezelschap vertrokken was, vroeg hij wie Effie zóó had opgeschikt.“Dat hebikgedaan,” antwoordde Lady Honoria, “en het heeft aardig geld gekost, dat kan ik u verzekeren. Maar ik kan niet hebben dat het kind zoo eenvoudig voor den dag komt, dat staat niet goed.”“Dan moet zij maar boven blijven,” zeide Geoffrey gemelijk.“Hoe bedoelt ge dat?”“Ik bedoel dat ik haar niet zoo opgedrild wil zien. Dat past niet voor haar leeftijd. Zij heeft nog tijd genoeg om ijdel te worden.”“Ik begrijp u waarlijk niet, Geoffrey. Waarom zou het kind niet fraai gekleed gaan?”“Waarom niet? Groote Hemel! Honoria, denkt ge dat ik Effie wil zien opgroeien om zoo te worden als gij?—om een beuzelachtig leven van niets anders dan het vermaak najagen te leiden, en een afgod van weelde te maken? Ik zou haar liever”—hij wilde er bijvoegen, “dood zien,” maar bedwong zich, en zeide—“voor haar brood zien werken. Kleed uzelve zoo zwierig als ge wilt, maar laat het kind met vrede.”Lady Honoria was woedend, maar zij was ook een weinig bevreesd. Nooit had zij haar echtgenoot zoo hooren spreken, en in zijn toon was iets, wat zij niet recht begreep. Nog minder begreep zij hem, toen hij haar den daaropvolgenden Maandag zeide, dat hij vijftig pond te missen had, die zij kon besteden zooals zij verkoos, haar toen naar een modewinkel vergezelde, en koel glimlachte terwijl zij voor die som kant en borduursels kocht. Honoria dacht, dat het een vergoeding voor zijn scherpe woorden was, en een vergoeding was het ook, maar voor hemzelven, en in een andere beteekenis. Telkens gaf hij haar op die wijze geld. Geoffrey had daarbij een gevoel als een man, die een schuld van eer aflost. Zij had hem gedurig hun armoede verweten, en voor elk verwijt wilde hij haar overstelpen met alles, wat haar ziel verrukte. Hij wilde haar rijkdom laten zwelgen, evenals Koningin Tomyris, in de ure harer zegepraal, den dooden Cyrus menschenbloed deed zwelgen.Het was een zonderlinge wijze van wraakneming, waar Lady Honoria niets tegen had; maar hoewel zij er niets van gevoelde, had Geoffrey er toch veel heimelijke voldoening van. Hij was ook nieuwsgierig om te zien of de zucht naar weelde van zulk een vrouw geen grenzen had, of zij niet eindelijk oververzadigd zou worden. Maar voor zulk een proefneming was Lady Honoria al zeer slecht geschikt. Zij gaf niet het minste blijk dat zij oververzadigd was, hetzij van opschik en kostbaarheden, of van vermaken.Een weelderig leven was haar element, en dat werd zij evenmin moede als men zou kunnen verwachten dat een visch het water, of een arend het luchtruim moede werd.De winter ging voorbij en maakte plaats voor de lente. Op zekeren dag in April gaf Geoffrey, die uit overtuiging een gematigd liberaal was, te kennen, dat hij zich candidaat voor het Parlement wilde stellen, in het belang der Unionisten. Er was een zetel open gekomen voor de vertegenwoordiging van een der districten onder het gebied van de hoofdstad. Toevallig kende hij den leider der Unionistische partij zeer goed. Zij waren vrienden geweest sedert zij samen hadden schoolgegaan, en toen dit Parlementslid een schitterende redevoering van Geoffrey in het Gerechtshof had gehoord, was hij op den inval gekomen, dat zijn oude schoolmakker juist de man was, in wien een zwakke partij een krachtigen steun zou vinden.Het gevolg was dat Geoffrey verzocht werd of hij zich candidaat wilde stellen, en hij antwoordde dat hij het twee dagen in bedenking moest nemen. Die twee dagen wilde hij eigenlijk hebben om Beatrice te schrijven en antwoord van haar te ontvangen. Hij stelde een bijna bijgeloovig vertrouwen in haar oordeel, en wilde niet gaarne handelen zonder haar gevoelen gevraagd te hebben. Na het voor en tegen gewogen te hebben, was zijn eigen meening dat hij wèl zou doen zich candidaat te stellen. Waarschijnlijk zouden er wel niet genoeg stemmen op hem uitgebracht worden, en het zou hem vijf honderd pond kosten. Maar daarentegen zou het zijn naam zeker bekend maken als politicus, en hij was nu op weg om zulk een ruim inkomen te verdienen, dat hij die som er wel aan kon wagen. Het eenige groote bezwaar, dat hij zag, was, dat als hij verkozen werd, hij den geheelen dag en ’s nachts ook zou moeten werken. Welnu, hij was sterk, en hoe meer werk hij had, des te beter—dat zou zijn gedachten afleiding geven.Beatrice’s antwoord kwam. Haar zienswijze kwam met de zijne overeen; zij ried hem aan de gelegenheid te baat te nemen, en wees hem er op, dat er, met zijn toenemende vermaardheid alsrechtsgeleerde, geen staatspost was, waarnaar hij niet kon dingen, als hij eenmaal bewezen had een bekwaam Parlementslid te zijn. Geoffrey las dien brief door, en schreef zijn vriend onmiddellijk, dat hij de candidatuur aannam.De volgende veertien dagen waren een zware tijd voor hem, maar Geoffrey was een even goed spreker op de tribune als in het Gerechtshof, en bovendien had hij er den onwaardeerbaren slag van, zich naar zijn toehoorders te kunnen voegen. Bij de stemwerving voor hem bleek het, dat de zaak der partij niet zoo hopeloos stond als men gedacht had. Zoowel de Unionisten als de Separatisten betoonden veel belangstelling in de verkiezing; van weerszijden werd beweerd, dat de stemming in hun voordeel zou uitvallen, en deHome Rule-partij spande al haar krachten tegen hem in. Brieven van groote autoriteiten werden gedrukt en verspreid. Iersche Parlementsleden, pas uit de gevangenis ontslagen, traden te voorschijn om hun grieven op te sommen. Er werd zelfs van gesproken, dat een hunner zich in de gevangeniskleeding op de tribune zou vertoonen—kortom, elke verkiezingsmachine bij de politieke wetenschap bekend, werd door alle partijen in werking gebracht.Lady Honoria was eerst vrij onverschillig geweest, maar nu het eenmaal zoover gekomen was, zag zij in spanning den uitslag te gemoet. In dien verkiezingsstrijd was iets, dat haar persoonlijk een streelend gevoel van gewicht gaf. Op den dag der stemopneming reed zij den geheelen dag in een open rijtuig, onder een lichtblauwe parasol, met Effie (die zich niet weinig verveelde) naast zich, en twee edele Lords op de voorste bank. Het gevolg daarvan was, dat een zekere afdeeling van de pers verklaarde, dat de uitslag alleen te danken was aan de kuiperijen van een voorname en schoone vrouw. Men zeide zelfs, dat zij, evenals een andere dame van rang uit vroeger tijd, een slager gekust had, om zijn stem te winnen. Maar wie dat beweerden, kenden Lady Honoria niet; zij was niet in staat een slager, of wien ook, te kussen. Zoo iets viel niet in haar smaak.Ten slotte werd Geoffrey verkozen met een meerderheid vantien stemmen. Den volgenden avond nam hij in het Lagerhuis zitting, onder luide toejuiching der Unionisten. In den loop der avond-debatten zinspeelde een regeeringslid op zijn verkiezing als een bewijs van de zegepraal der Unionistische beginselen. Daarop antwoordde een lid der Separatistische oppositie dat dit volstrekt het geval niet was, dat het “van algemeene bekendheid was dat de verkiezing van het geëerde lid was toe te schrijven aan de buitengewone bekwaamheid, door hem in den loop der stemwerving aan den dag gelegd, als ’t ware, geholpen door behendig aangewenden aristocratischen vrouwelijken invloed.” Dit was een kiesche zinspeling op Lady Honoria en haar blauwe parasol.Toen Geoffrey en zijn vrouw, na den uitslag der stemopneming, naarBoltonStreet terugreden, had er een klein voorval plaats. Geoffrey beval den koetsier aan het eerste telegraafkantoor stil te houden; daar stapte hij uit en telegrafeerde aan Beatrice: “Verkozen met tien stemmen.”“Aan wie hebt ge geseind, Geoffrey?” vroeg Lady Honoria.“Aan Miss Granger,” antwoordde hij.“Ei! Ge houdt dus nog correspondentie met dat schooljuffertje?”“Ja,dat doe ik. Ik wenschte dat ik meer zulke correspondenten had.”“Zoo! Ge zijt gemakkelijk te voldoen. Ik vond haar een van de onaangenaamste meisjes, die ik ooit ontmoet heb.”“Dat bewijst dan niet veel voor uw smaak, Honoria.”Zijn vrouw zeide verder niets, maar zij had er haar eigen gedachten over. Het lag niet in Honoria’s karakter jaloersch te zijn; daartoe was zij te koel en te onverschillig. Maar het beviel haar niet, dat een andere vrouw invloed had op haar echtgenoot, die, zooals zij nu begon te erkennen, een der uitstekendste mannen van zijn tijd was, en ook wel een van de rijkste en machtigste zou kunnen worden. Zij alleen had recht op hem, geen andere vrouw. Zij was niet gek, en zij zag wel, dat er tusschen die twee een groote vertrouwelijkheid moest bestaan. Anders zou hij er niet aan gedacht hebben, Beatrice op zulk een oogenblik te telegrafeeren.Binnen een week na zijn verkiezing hield Geoffrey een redevoering. Het was geen lange, en ook niet over een zeer gewichtig punt; maar zij was zeer goed in haar soort, goed genoeg dat er woordelijk een verslag van werd gegeven, en wie er naar geluisterd hadden, erkenden dat zij te doen hadden met een nieuw man, die eenmaal een groot man zou worden.De nu volgende maanden werkte Geoffrey zoo hard als iemand zelden werkt. Den geheelen dag was hij op zijn kamers of in het Gerechtshof, en ’s avonds zat hij in het Lagerhuis. Maar hoe weinig tijd hij ook voor zijn akten beschikbaar had, de belangen zijner cliënten verzuimde hij niet, en ook vond hij nog tijd om aan Beatrice te schrijven. Hij ging zelden uit, en behalve wanneer het voor zaken was, ging hij met weinigen om. Hij werd al meer en meer stil en teruggetrokken, zoodat hij eindelijk den naam kreeg van koel en stuursch te zijn. Maar dat was hij toch niet. Hij wijdde zich met hart en ziel aan zijn werk, met het vast besluit het tot den hoogsten trap te brengen. Hij wist, dat hij er weinig om geven zou als hij dien bereikt had, maar in het streven daarnaar vond hij een aangenamen prikkel.Geoffrey was geen eerzuchtig man. Hij kende de dwaasheid van eerzucht te goed, en het einde er van stond hem altijd voor oogen. Dikwijls dacht hij, dat, als hij zijn lot had kunnen kiezen, hij gevraagd zou hebben naar een landelijke woning met een goeden tuin, vijfhonderd pond ’s jaars, en iemand om lief te hebben. Maar misschien zou hij zijn landelijke woning spoedig moede geweest zijn. Hij werkte om zijn gedachten te smoren, en in zekere mate gelukte hem dat ook. Maar hij had een gevoelig hart, en het verlangen naar sympathie, dat zijn geheime zwakheid was, kon hij niet smoren, hoewel zijn trotschheid niet gedoogde het te laten blijken. Wat gaf hij om zijn zegepralen, als hij niemand had om ze met hem te deelen? Alles, wat hij er van kon mededeelen, waren de vruchten, en die gaf hij mild genoeg. Voor zijn eigen genoegen besteedde Geoffrey weinig. Een zeker deel van zijn winst spaarde hij op, en het overige werd uitgegeven. In zijn huis waren vroolijke partijen aan deorde van den dag, maar de heer des huizes nam er weinig deel aan.En wat was het geval? Hoe langer hij van Beatrice gescheiden bleef, des te sterker verlangde hij naar haar gezelschap. Wat hij ook deed, het baatte niet; hij kon dat lief gezichtje niet uit zijn gedachten zetten; het trok hem aan als de magneet de naald. Zijn voorspoed bracht hem geen geluk aan, behalve in dien zin dat hij geen geldzorgen had.Menschen van een grover zedelijk gehalte kunnen ware voldoening smaken in wereldsche zegepralen, en eten, drinken en vroolijk zijn, want morgen sterven zij! Maar een man als Geoffrey leert spoedig, dat dit ook ijdelheid is. Integendeel, hoe meer hij zijn geest inspande, des te meer maakte weemoedigheid zich van hem meester. Als hij naar een dokter gegaan was, zou deze hem misschien gezegd hebben, dat zijn lever niet in orde was, en dat was ook wel mogelijk. Maar daar zou de zaak niet mee verholpen zijn. “Welk een wereld!” zou hij uitgeroepen hebben, “welk een wereld om in te leven, als iemands geluk van zijn lever afhangt!” Hij had zich de ongelukkige gewoonte eigen gemaakt alles van de zwartste zijde te zien; het verdrietige viel hem altijd in ’t oog.Het was geen vreemd geval. Groote geesten zijn zelden gelukkig. Dat kunnen alleen eenvoudige, bekrompen zielen zijn. Maar een groote geest ziet te ver, en raadt te veel naar wat hij niet ziet. Hij ziet vooruit en aanschouwt het einde van zijn arbeid; hij ziet om zich heen, en huivert van de ellende eener zwoegende en worstelende wereld; het schouwspel van het beklagenswaardige bedelaarskind, dat op waggelende voetjes om brood smeekt, doorboort hem het hart. Hij kan zich niet troosten met de gedachte dat het kind maar niet geboren moest zijn, of dat hij, door zijn laatsten shilling te geven, de klasse, die het heeft voortgebracht, feitelijk toch niet zou helpen.En boven het schitterend licht van aardsche vreugde en den donkeren walm van aardsche ellende, ziet hij het plechtig uitspansel, dat de toekomst van zijn geslacht bedekt houdt. Want voor zulk een man heeft ook de godsdienst zijn verschrikking zoowelals zijn hoop, des te meer naarmate het donkerder in zijn ziel wordt. Wat ligt daar achter dat geheimzinnig gewelf, waarvan hij het einde met elken dag nader komt, waarvan de poorten misschien nu reeds voor hem geopend worden? Honderd stemmen antwoorden, maar geen twee zijn het eens. Honderd handen wijzen honderd wegen van kennis aan—en halverwege verdwaalt hij er op. En onveranderlijk blijft dat strak overwelvend geestelijk uitspansel, waar geen lichtstraal door het nachtelijk duister heen dringt, en al nader en nader brengen zijn vermoeide voeten hem tot den westelijken gezichteinder.’t Is bedroevend en ’t is verkeerd, maar het is niet geheel en al zijn schuld; veeleer is het de schuld van de eeuw, van overbeschaving, van een overdreven streven naar wijsheid. Kweek den onderzoekenden geest aan, en zijn banden worden hem te eng. De geest wil een hooger vlucht nemen, hij wil zien, maar het vleesch drukt hem neder, en in alle vleesch is weinig licht. Soms echter, in een onnatuurlijk hooge gedachtensfeer zwevende, meent hij een blik te slaan in een beangstigende toekomst, of misschien in de hopelooze duisternis van een oneindigen nacht.O, benijdenswaardig is dat eenvoudig geloof, dat niet vraagt, niet onderzoekt! Daardoor alleen is vrede te vinden, en voor hen, die het dwazelijk vaarwel zeggen en er menschelijke wijsheid voor in de plaats stellen, zal het menschelijk lot weldra een langdurige vrees zijn. Wetenschappelijk ontwikkeld, en zwoegend onder den last van kennis, zullen zij hun oude goden verwerpen, en geen positief weten zal hun troost aanbrengen. De wetenschap, die hier en daar de donkerheid van het lot met haar electrisch licht bestraalt, geeft zich voor een leidstar uit. Maar zij is geen leidstar, zij is slechts een flikkerlicht. Bidden wij om duisternis, meer duisternis, opdat voor ons verblind gezicht haar licht niet slechts strekken moge om ons te doen zien, wat de Hoop den doodsteek geeft.Zoo zocht ook Geoffrey een toevlucht voor zijn geestelijke eenzaamheid, maar zonder er een te vinden. De sympathie, waarnaarzijn hart haakte, en die hij niet had kunnen vinden bij devrouw, die zijn levensgezellin geworden was, had hij gevonden bij Beatrice, nadat hij door het huwelijk een onoverkomelijken scheidsmuur tusschen hen had gesteld. En toch verlangde hij zoo sterk naar haar gezelschap, dat het hem verontrustte. Hij had wel brieven van haar, maar wat zijn brieven! Een aanraking van een geliefde hand is wel duizend brieven waard. Te midden van al den roem, dien hij behaalde, was Geoffrey in zijn hart ongelukkig; en evenwel scheen het hem toe, dat, als hij Beatrice maar weer aan zijn zijde kon hebben, al was ’t slechts als vriendin, hij rust en vergenoegdheid had kunnen vinden.Wanneer iemand zijn hart zóó op één doel heeft gezet, is zijn verstand spoedig overtuigd, dat het onschuldig, zelfs wenschelijk is, en meestal zullen de omstandigheden ook wel meeloopen om hem gelegenheid te geven, tot zijn ongeluk, dat zoo vurig begeerde doel te bereiken.

Hoofdstuk XVI.De eerste verdieping bij Edgware Road.Geoffrey’s reis naar de stad was niet van de aangenaamste. Om te beginnen, deed Effie niet anders dan schreien omdat zij niet langer bij “tantetje,” zooals zij Beatrice noemde, mocht blijven, en wilde zich niet laten troosten. Het vooruitzicht van weer naar haar moeder en Anne te gaan, had voor Effie niets wat haar toelachte. Geoffrey zelf had veel om over na te denken, en die gedachten waren juist niet van opbeurenden aard. Hij haalde zich de gebeurtenissen van de laatste weken voor den geest, hij herinnerde zich hoe hij Beatrice’s gelaat het eerst in den mist bij de Roode Rotsen had gezien, en hoe haar schoonheid hem getroffen had. Toen dacht hij aan het avontuur van hun schipbreuk en den wanhopigen moed, waarmede zij zijn leven had gered, bijna ten koste van het hare. Hij dacht ook aan dat tooneel, toen hij den volgenden dag in de kamer was gekomen, waar zij sliep, toen die zonnestraal, die van haar borst op de zijne trilde, een gevoel inhem had gewekt alsof voortaan zijn lot en dat van het slapende meisje één waren, en zij ontwaakt was met die zonderlinge begroeting op haar lippen. Terwijl Effie in den hoek tegenover hem zich in slaap snikte, riep hij zich elke fase, elk tooneel van hun toenemende vertrouwelijkheid te binnen, totdat het overzicht uitliep op zijn raadselachtige ervaring van den vorigen nacht en de herinnering aan Beatrice’s afscheidswoorden.Geoffrey was in ’t minst niet bijgeloovig; van zijn jongelingsjaren af, was hij bekend geweest als iemand van een gezond verstand en min of meer tot ongeloovigheid geneigd. Maar aan verstand en scherpzinnig doorzicht paarde hij verbeeldingskracht, wat eigenlijk ook niets anders is dan een voorstellingsvermogen van het verstand. Had hij die niet bezeten, dan zou hij waarschijnlijk, bij voorbeeld, op het punt van godsdienst, een twijfelaar geweest zijn, en dat was hij niet. Wat nu zijn ervaring in den vorigen nacht, en in ’t algemeen die zonderlinge, bijna onnatuurlijke sympathie met dat jonge meisje betrof zeide hem zijn gezond verstand dat dit alles maar gekheid was—het gevolg van dagelijkschen omgang met een lief gezichtje, en niets meer.Maar hier kwamen zijn doorzicht en voorstellingsvermogen tusschenbeide en hielden hem duidelijk voor, dat het geen gekheid was, dat hij zich niet maar alleen als een zotskap had aangesteld tegenover een hysterisch of misschien een minziek meisje. Zij zeiden hem, dat iets wat raadselachtig is, daarom nog geen onwaarheid behoeft te zijn. Zij wezen er op, dat er vele verborgenheden en krachten rondom en boven ons zijn, onzichtbaar als een electrische stroom, ontastbaar als het licht, maar toch bestaande, en in staat zich onder zeker zeldzame en gunstige omstandigheden te openbaren.En was het niet mogelijk, dat zulke toestanden zich vereenigden in een meisje, wier lichamelijke schoonheid slechts door de schoonheid harer ziel overtroffen werd? Het was geen antwoord, te zeggen dat de meeste vrouwen zulk een meer dan aardsch gevoel, als in zijn hart gewekt was, konden inboezemen, of dat de meeste mannen daar niet vatbaar voor waren. Heeft de mensch geen vermogensen aandoeningen, die het gedierte des velds ontzegd zijn, en kunnen er geen mannen en vrouwen zijn, in dit opzicht even ver boven hun medemenschen verheven als boven de dieren?Maar het zwakke punt van zulke raadselachtige gevallen is, dat zij nergens heen leiden en feitelijk aan de levensomstandigheden niets veranderen. Men kan, bij voorbeeld, in een gerechtshof geen raadselachtigheden aanvoeren; dus liet hij de bespiegelende beschouwing van het vraagstuk varen, als boven zijn sfeer, en beschouwde het uit een praktisch oogpunt, alleen om het even moeilijk te vinden.Hoe zonderling het moge schijnen, Geoffrey wist tot op dit oogenblik niet recht, welke plaats hij in Beatrice’s hart, of zij in het zijne, bekleedde. Hij was niet verliefd op haar, ten minste, niet op zulk een wijze als hij dit, over ’t geheel lastige, gevoel had leeren kennen. In allen gevalle, ging hij van de stelling uit, dat hij het niet was. Dit wilde hij in het daglicht niet erkennen, hoewel hij het in de wakend doorgebrachte uren van den nacht ten volle erkend had. Maar hij kon niet loochenen, dat zij zich zoo met zijn leven vereenzelvigd had, dat er toen, en nog maanden naderhand, behalve als hij sliep, of in uren van sterke geestinspanning geen enkel half uur verliep zonder dat hij aan Beatrice dacht. Alles wat schoon, of grootsch, of verheven was, herinnerde hem aan haar—en was dat niet het grootste compliment, dat hij haar maken kon? Als hij naar heerlijke muziek luisterde, sprak de stem van Beatrice uit de tonen; als een schoon dichtstuk of een goed geschreven roman hem trof, was Beatrice er in zijn geest bij, om het genot met hem te deelen. Dat alles was voorzeker lief en aardig, maar onder onze maatschappelijke instellingen niet anders dan lastig voor een getrouwd man.En nu was hij van Beatrice gescheiden, en moest weder aan zijn dagelijkschen arbeid gaan, veraangenaamd door Honoria’s klachten over hun armoede. Dit denkbeeld was smartelijk voor Geoffrey’s hart, maar zijn verstand zeide hem, dat het zoo het best was. Er stak dan ook eigenlijk geen kwaad in, er waren geen liefdestooneelen geweest, geen kussen, geen woorden, die niet herroepen konden worden; water was, lag onder de oppervlakte verborgen, en zoolang de schijn maar opgehouden werd, was alles goed. Ongetwijfeld was dat huichelarij, maar huichelarij is een der steunpilaren van de beschaving, en wat komt het er op aan wat het hart zegt, als de lippen maar zwijgen?Sterven door droomen! Neen, daar zou Beatrice wel niet van sterven, en hij zeker ook niet. Waarschijnlijk zou zij ten slotte met dien vleeschklomp, Owen Davies, trouwen. Het was wel niet aangenaam daaraan te denken, het was zelfs verschrikkelijk, maar als zij hem zijn gevoelen vroeg, zou hij, “als vriend,” haar zeggen dat dit het beste was, wat zij doen kon. Dat was, natuurlijk, ook weer huichelarij; de lippen zouden zeggen wat het hart niet meende; maar als het hart in opstand komt tegen het verstand, moet het onderdrukt worden. Ongelukkig is het hart zoo sterk!Eindelijk kwamen zij te Londen aan, en volgens afspraak, wachtte Anne, de Franschebonne, hen aan het station op, om Effie naar huis te brengen. Geoffrey merkte op, dat zij er zwieriger en minder dan ooit naar zijn smaak uitzag. Zij omhelsde Effie echter met een vertoon van hartelijkheid, die door het kind nauwelijks beantwoord werd, en gaf intusschen knipoogjes aan den conducteur, die met het afnemen der kaartjes belast was. Hoewel het nog vroeg in het jaar was voor zwaren mist, was Londen toch in duisternis gehuld. Het was dien ochtend te Bryngelly mistig weer geweest, en dat was verder op den dag erger geworden; maar in Londen was het zoo donker als de nacht, hoewel het pas vier uur was. Gelukkig is Edgware Road, waar Geoffrey woonde, niet ver van het Paddington-station, en na persoonlijk dencab-voerman het adres opgegeven te hebben, liet hij de zorg voor Effie en de bagage aan Anne over, en ging met een gerust hart langs den spoorweg door den Tunnel naar deInns of Court.Kort nadat hij op zijn kamers was aangekomen, meldde zich daar niet, volgens afspraak, zijn oom aan—die, zooals hij, vernam, ongesteld was geworden—maar een der compagnons. Tot zijn groot genoegen, bleek hem toen dat Beatrice het aan het rechte einde had gehad met te vooronderstellen dat er een geestverschijningvertoond was; de jongen, die een lid van zijn teen miste, was gevonden, en had het geheele akelige komediespel door een reet van de jaloezie gezien; bovendien was de waarheid hem ontwrongen, en hij zou bij de terechtzitting als getuige opkomen—ja hij had reeds een voorloopige verklaring afgelegd.Ook was, uit vergelijking met andere stukken, door den voormaligen procureursklerk geschreven, gebleken dat die van dezelfde hand waren als het testament. Het eenige bezwaar was dat de Procureur-Generaal en Mr. Candleton, de President van het Kanselarij-Gerechtshof, geen van beiden in de stad waren, zoodat dien avond geen conferentie mogelijk was. Beiden werden echter nog dienzelfden avond laat terug verwacht, de Procureur-Generaal uit Devonshire en Mr. Candleton van het Vasteland; dus werd bepaald, daar de zaak de eerste op de rol was, dat de conferentie den volgenden ochtend te tien uur zou plaats hebben.Thuis gekomen, vernam Geoffrey dat Lady Honoria zich kleedde, en de boodschap had gelaten dat hij dit ook spoedig moest doen, omdat er een heer bij hen kwam dineeren. Derhalve ging hij naar zijn kamer, aan het andere einde der eerste verdieping—om van kleeding te verwisselen. Alvorens zich naar de eetkamer te begeven, ging hij echter Effie—die wel reeds naar bed was, maar nog niet sliep—goeden nacht zeggen, en vroeg haar hoe laat zij thuis gekomen was.“Twintig minuten over vijven, paatje,” zeide Effie fluks.“Twintig minuten over vijven! Je wilt toch niet zeggen dat je over dat kleine eind een uur onderweg bent geweest? Moest decabdan stilhouden om den mist?”“Neen, paatje maar—”“Maar wat, lieve?”“Anne heeft me gezegd dat ik het niet mocht vertellen.”“Stoor je er maar niet aan wat Anne gezegd heeft,—ik zeg je dat je het wel vertellen moet.”“Anne heeft nog een heelen tijd staan praten met den man, die de kaartjes aannam.”“O, zoo!” zeide hij.Op dit oogenblik kwam de kamermeid binnen, om te zeggen dat Lady Honoria en de “heer” hem aan tafel wachtten. Geoffrey vroeg haar zoo ter loops hoe laat de jongejuffrouw Effie was thuisgekomen.“Zoo wat half zes, mijnheer. Anne zei dat decabniet voort kon, door den mist.”“Goed. Zeg mevrouw dat ik dadelijk kom.”“Paatje,” zeide het kind, “ik heb mijn gebedje nog niet opgezegd. Moeder kwam niet, en Anne zei dat bidden maar allemaal gekheid was. Tantetje liet mij altijd mijn gebedje opzeggen.”“Ja, lieve, en dat zal ik ook doen. Kom, ga op mijn schoot op je knietjes liggen, en zeg het op.”Te midden van haar gebedje—dat Effie zich niet zoo goed meer herinnerde als zij wel had kunnen doen—kwam de kamermeid terug.“Met uw verlof, mijnheer, haar Ladyschap—”“Zeg haar Ladyschap dat ik kom, en dat zij maar beginnen moet, als zij zoo’n haast heeft! Ga voort, lieve.”Toen kuste hij haar, en legde haar weder te bed.“Paatje,” zeide Effie, toen hij heenging, “zal ik tantetje Beatrice nooit weerzien?”“Ik hoop van ja, lieve.”“En zult u nooit weer van haar hooren? U verlangt zeker ook wel haar te zien? Zij hield zooveel van u.”Geoffrey kon het niet langer uithouden. De waarheid is altijd scherper als zij uit een kindermond komt. Met een haastig goeden nacht snelde hij de kamer uit.In de kleine gezelschapskamer vond hij Lady Honoria, zeer net gekleed, en ook haar vriend, dieDunstanheette. Geoffrey kende hem terstond als een zeer rijk man, van geringe geboorte en van nog minder opvoeding, maar een schitterend licht in de kliek derGarsingtons. Dunstan wilde zich in hoogere kringen dringen, en hij meende dat Lady Honoria, ondanks haar bekrompen middelen,hem daartoe behulpzaam kon zijn. Daarom was hij dien avond bij haar.“Hoe gaat het u, Geoffrey?” zeide zijn vrouw, naar hem toe tredende, om hem met den vredekus te begroeten. “Ge ziet er goed uit. Maar wat hebt ge ontzagelijk lang werk gehad om u te kleeden. Die arme mijnheer Dunstan rammelt van den honger. Ge kent mijnheer Dunstan, geloof ik, wel. Doe maar op, Mary.”Geoffrey maakte zijn verontschuldigingen dat hij zoo laat kwam, en gaf mijnheer Dunstan—St. Dunstan, zooals hij algemeen genoemd werd—beleefd de hand. Zoo was hij betiteld wegens zijn eenigszins clericaal voorkomen, en als een spottende toespeling op zijn niet geheel vlekkeloozen naam. Toen gingen zij aan tafel.“Jammer dat er geen dame voor u is, Geoffrey, maar het heeft u in den laatsten tijd niet aan gezelschap van dames ontbroken. A propos, hoe vaart Miss—Miss Granger? Zoudt gij het wel gelooven, mijnheer Dunstan? mijn ergerlijke heer gemaal heeft de laatste maand doorgebracht in het gezelschap van een der bekoorlijkste meisjes, die ik ooit gezien heb. En knap dat zij is! Zij kent Latijn, en weet van de rechtsgeleerdheid en van alles. Zij begon met zijn leven te redden; ge moet weten dat zij samen met een bootje omgeslagen zijn. Is dat niet romantisch?”St. Dunstan vond het een gepaste aardigheid hierop te zeggen dat mijnheer Bingham een geluksvogel was, die van zulk een buitenkansje dan ook zeker wel gebruik had weten te maken; en met een diepen zucht, liet hij er op volgen dat nog nooit een mooi meisje zijn leven had gered, zoodat hij voortaan voorhaarzou leven enz. enz.Geoffrey, die niet kon aanhooren dat Beatrice het onderwerp van zulke flauwe scherts was, viel zonder veel complimenten in.“Zeg, lieve,” sprak hij zijn vrouw toe, “wat hebtgijal dien tijd gedaan?”“Om u getreurd, Geoffrey, en mij intusschen uitstekend vermaakt. Wij hebben een heerlijken tijd gehad, niet waar, mijnheer Dunstan? Ge moet weten dat mijnheer Dunstan ook bij de familie gelogeerd heeft.”“Hoe kon dat anders,gijwaart er immers, Lady Honoria?” zeide de Sint, op zijn manier van galant zijn, die, om de waarheid te zeggen, stuitend was voor haar, wie het gold, want zij was toch in allen gevalle een beschaafde vrouw.“De Garsingtons hebben de groote zaal en hun gezelschapskamer opnieuw laten meubileeren,” ging zij voort. “Het kost achttien honderd pond, maar ’t is dan ook allerkeurigst geworden.”“Zoo!” antwoordde Geoffrey, die van meening was dat Lord Garsington wel wat van zijn schulden had mogen betalen, eer hij achttien honderd pond aan nieuwe meubelen besteedde.Nu begonnen de Sint en Lady Honoria een levendig en langdurig gesprek te voeren over de andere logeergasten, waar Geoffrey nauwelijks naar luisterde. Hij vond het aan tafel zitten zeer vervelend, en droeg van zijn kant weinig tot de gezelligheid bij.Toen zijn vrouw de kamer verlaten had, moest hij toch wat zeggen, dus spraken zij over het jagen. De Sint was min of meer eensportman, en hij beschreef Geoffrey een paar geweren van een nieuw model, die hij voor de geringe som van honderd veertig guinjes gekocht had, en die hij hem bizonder aanbeval.“Ja,” antwoordde Geoffrey, “die zullen wel zeer goed zijn, maar, ziet ge, ze zijn mij te duur. Ik kan zooveel geld niet uitgeven voor een paar geweren.”“O, is het anders niet,” hernam zijn gast, “dan wil ik u deze wel verkoopen, en ge kunt ze betalen wanneer het u schikt. Maar wat kan het mij ook schelen, ik heb geweren genoeg. Ik wil royaal zijn en ze u cadeau geven. Alsikniet royaal kan zijn, zou ik niet weten wie!”“Ik dank u, mijnheer Dunstan,” antwoordde Geoffrey koel, “maar ik ben niet gewoon zulke geschenken van mijn vr—— van mijn bekenden aan te nemen. Wilt gij een glas sherry?—niet? Zullen wij dan maar weer naar Lady Honoria gaan?”Dit gezegde sloeg den plompen Sint, die het echter niet kwaad gemeend had, geheel ter neder; en een oogenblik later had Geoffrey er spijt van. Maar hij was in een verdrietige en wrevelige luim.Waarom bracht zijn vrouw zulke menschen in zijn huis? Kort daarna nam hun gast afscheid. Hij vond Bingham een verwaanden kwast, en gevoelde dat hij niet tegen hem bestand was. “En ik geloof dat hij geen duizend pond ’s jaars heeft,” redeneerde hij bij zichzelven, “en zijn vrouw alleen heeft een titel, hij niet. Daarom is hij zeker met haar getrouwd. Zij is een veel beter soort dan hij, maar ik kan uit haar toch ook niet recht wijs worden—men kan niet heel ver met haar komen. Maar zij is de dochter van een Pair, en wel waard de kennis met haar aan te houden, doch als ik weet dat Bingham thuis is, kom ik niet.”“Wat hebt ge mijnheer Dunstan toch gezegd, dat hij zoo spoedig heengegaan is?” vroeg Lady Honoria.“Wat ik hem gezegd heb? och, dat weet ik niet.Hij bood mij een paar geweren aan, en toen heb ik gezegd dat ik geen geschenken van mijn bekenden aannam. Waarlijk, Honoria, ik laat u in uw leefwijze geheel vrij, maar ik begrijp niet hoe ge met zoo iemand als dien mijnheer Dunstan kunt omgaan.”“Denkt ge dat ik met hem omga?” zeide zijn vrouw. “Denkt ge dat ik niet weet wat dat voor een man is? Maar wie arm is, moet niet te kieskeurig zijn. Al is hij een vlegel, hij heeft toch dertig duizend pond ’s jaars, en een bekende, die zoo’n inkomen heeft, is niet te versmaden. ’t Is te erg van u, Geoffrey,” ging zij, met toenemende wreveligheid, voort, “als ge weet, dat ik mij in ons ellendig, armoedig leven moet schikken, dat ge elke gelegenheid waarneemt om u onaangenaam te maken bij de menschen, die ik raadzaam acht bij ons te noodigen. Pas ben ik uit een aangename omgeving in deze nare woning terug, of het eerste wat ge doet, is twist te zoeken. Mijnheer Dunstan heeft loges in verscheidene van de beste schouwburgen, en hij heeft er mij een aangeboden zoo dikwijls ik er gebruik van wilde maken—en nu is dat, natuurlijk, uit. ’t Is te erg van u, zeg ik!”“’t Is werkelijk zonderling, Honoria,” hernam haar echtgenoot, “te zien welke verplichtingen ge maakt, uit zucht naar vermaakt. ’t Is vernederend voor u, van dien man loges aan te nemen.”“Gekheid. Ik maak er volstrekt geen verplichting door. Als hij mij een loge geeft, stelt hij er een eer in, mij in die loge te komen aanspreken, en dan zijn vrienden te zeggen dat hij met Lady Honoria Bingham sprak. ’t Is een ruil: ik wil naar den schouwburg gaan; hij wil in goede gezelschappen komen—daar hebt ge ’t precies. Zoo iets gebeurt dagelijks. Als ge dan het ware van de zaak wilt weten, Geoffrey,” ging zij voort, met een gezicht alsof zij op het punt was in tranen van toorn uit te barsten, “ik kan niet als de vrouw van een kantoorklerk leven. Ikmoetwat vermaak, iets tot veraangenaming van mijn leven hebben, eer ik een oude vrouw word. Als dat u niet bevalt, waarom hebt ge mij dan tot dit ellendig huwelijk verlokt, eer ik oud genoeg was om beter te weten, of waarom verdient ge geen geld genoeg om mij in staat te stellen mijn stand op te houden?”“Daar hebben wij het al dikwijls over gehad, Honoria,” zeide Geoffrey, met moeite zijn bedaardheid behoudende; “en nu is er iets anders, waarover ik u wensch te spreken. Weet ge wel, dat Anne van avond langer dan een half uur aan het Paddington station gebleven is, om met een van de spoorwegbeambten te staan vrijen, in plaats van Effie naar huis te brengen, zooals ik haar bevolen had? Dat neem ik haar zeer kwalijk. Zij is niet te vertrouwen; door haar onachtzaamheid zal het kind eenmaal een ongeluk krijgen. Kunt ge haar niet wegzenden en een andere kindermeid nemen?”“Neen, dat kan ik niet. Zij is het eenige gemak, dat ik heb. Waar vind ik een andere vrouw, die zoo goed japonnen kan maken als zij?—ze wint mij wel honderd pond in het jaar uit—en het kan me niet schelen, al vrijde zij met vijftig spoorwegbeambten. Gij hebt dat praatje zeker van Effie gehoord; het kind moest een pak slaag hebben voor haar verklikken—en het zal wel niet eens waar zijn.”“Effie zal voorzeker geen pak slaag krijgen,” antwoordde Geoffrey, op strengen toon. “Ik waarschuw u, dat het ieder, die haar met een vinger aanraakt, slecht zal bekomen.”“O, heel goed, bederf het kind maar. Ga uw eigen gang maar, Geoffrey! In allen gevalle, blijf ik niet langer om beleedigende taal aan te hooren. Goeden nacht,” en zij ging heen.Geoffrey stak een cigarette op. “Een aangename tehuiskomst!” dacht hij. “Honoria zal zooveel geld hebben als zij maar kan uitgeven—al zou ik mij doodwerken, zij zal het hebben. Welk een leven, welk een leven! Zou Beatrice haar man ook zoo behandelen, als zij er een had?”Hij lachte om de ongerijmdheid van dit denkbeeld, wierp met een wrevelig gebaar zijn cigarette in het vuur, en ging naar zijn kamer, om te beproeven of hij slapen kon, want hij was zwaar vermoeid.

Geoffrey’s reis naar de stad was niet van de aangenaamste. Om te beginnen, deed Effie niet anders dan schreien omdat zij niet langer bij “tantetje,” zooals zij Beatrice noemde, mocht blijven, en wilde zich niet laten troosten. Het vooruitzicht van weer naar haar moeder en Anne te gaan, had voor Effie niets wat haar toelachte. Geoffrey zelf had veel om over na te denken, en die gedachten waren juist niet van opbeurenden aard. Hij haalde zich de gebeurtenissen van de laatste weken voor den geest, hij herinnerde zich hoe hij Beatrice’s gelaat het eerst in den mist bij de Roode Rotsen had gezien, en hoe haar schoonheid hem getroffen had. Toen dacht hij aan het avontuur van hun schipbreuk en den wanhopigen moed, waarmede zij zijn leven had gered, bijna ten koste van het hare. Hij dacht ook aan dat tooneel, toen hij den volgenden dag in de kamer was gekomen, waar zij sliep, toen die zonnestraal, die van haar borst op de zijne trilde, een gevoel inhem had gewekt alsof voortaan zijn lot en dat van het slapende meisje één waren, en zij ontwaakt was met die zonderlinge begroeting op haar lippen. Terwijl Effie in den hoek tegenover hem zich in slaap snikte, riep hij zich elke fase, elk tooneel van hun toenemende vertrouwelijkheid te binnen, totdat het overzicht uitliep op zijn raadselachtige ervaring van den vorigen nacht en de herinnering aan Beatrice’s afscheidswoorden.

Geoffrey was in ’t minst niet bijgeloovig; van zijn jongelingsjaren af, was hij bekend geweest als iemand van een gezond verstand en min of meer tot ongeloovigheid geneigd. Maar aan verstand en scherpzinnig doorzicht paarde hij verbeeldingskracht, wat eigenlijk ook niets anders is dan een voorstellingsvermogen van het verstand. Had hij die niet bezeten, dan zou hij waarschijnlijk, bij voorbeeld, op het punt van godsdienst, een twijfelaar geweest zijn, en dat was hij niet. Wat nu zijn ervaring in den vorigen nacht, en in ’t algemeen die zonderlinge, bijna onnatuurlijke sympathie met dat jonge meisje betrof zeide hem zijn gezond verstand dat dit alles maar gekheid was—het gevolg van dagelijkschen omgang met een lief gezichtje, en niets meer.

Maar hier kwamen zijn doorzicht en voorstellingsvermogen tusschenbeide en hielden hem duidelijk voor, dat het geen gekheid was, dat hij zich niet maar alleen als een zotskap had aangesteld tegenover een hysterisch of misschien een minziek meisje. Zij zeiden hem, dat iets wat raadselachtig is, daarom nog geen onwaarheid behoeft te zijn. Zij wezen er op, dat er vele verborgenheden en krachten rondom en boven ons zijn, onzichtbaar als een electrische stroom, ontastbaar als het licht, maar toch bestaande, en in staat zich onder zeker zeldzame en gunstige omstandigheden te openbaren.

En was het niet mogelijk, dat zulke toestanden zich vereenigden in een meisje, wier lichamelijke schoonheid slechts door de schoonheid harer ziel overtroffen werd? Het was geen antwoord, te zeggen dat de meeste vrouwen zulk een meer dan aardsch gevoel, als in zijn hart gewekt was, konden inboezemen, of dat de meeste mannen daar niet vatbaar voor waren. Heeft de mensch geen vermogensen aandoeningen, die het gedierte des velds ontzegd zijn, en kunnen er geen mannen en vrouwen zijn, in dit opzicht even ver boven hun medemenschen verheven als boven de dieren?

Maar het zwakke punt van zulke raadselachtige gevallen is, dat zij nergens heen leiden en feitelijk aan de levensomstandigheden niets veranderen. Men kan, bij voorbeeld, in een gerechtshof geen raadselachtigheden aanvoeren; dus liet hij de bespiegelende beschouwing van het vraagstuk varen, als boven zijn sfeer, en beschouwde het uit een praktisch oogpunt, alleen om het even moeilijk te vinden.

Hoe zonderling het moge schijnen, Geoffrey wist tot op dit oogenblik niet recht, welke plaats hij in Beatrice’s hart, of zij in het zijne, bekleedde. Hij was niet verliefd op haar, ten minste, niet op zulk een wijze als hij dit, over ’t geheel lastige, gevoel had leeren kennen. In allen gevalle, ging hij van de stelling uit, dat hij het niet was. Dit wilde hij in het daglicht niet erkennen, hoewel hij het in de wakend doorgebrachte uren van den nacht ten volle erkend had. Maar hij kon niet loochenen, dat zij zich zoo met zijn leven vereenzelvigd had, dat er toen, en nog maanden naderhand, behalve als hij sliep, of in uren van sterke geestinspanning geen enkel half uur verliep zonder dat hij aan Beatrice dacht. Alles wat schoon, of grootsch, of verheven was, herinnerde hem aan haar—en was dat niet het grootste compliment, dat hij haar maken kon? Als hij naar heerlijke muziek luisterde, sprak de stem van Beatrice uit de tonen; als een schoon dichtstuk of een goed geschreven roman hem trof, was Beatrice er in zijn geest bij, om het genot met hem te deelen. Dat alles was voorzeker lief en aardig, maar onder onze maatschappelijke instellingen niet anders dan lastig voor een getrouwd man.

En nu was hij van Beatrice gescheiden, en moest weder aan zijn dagelijkschen arbeid gaan, veraangenaamd door Honoria’s klachten over hun armoede. Dit denkbeeld was smartelijk voor Geoffrey’s hart, maar zijn verstand zeide hem, dat het zoo het best was. Er stak dan ook eigenlijk geen kwaad in, er waren geen liefdestooneelen geweest, geen kussen, geen woorden, die niet herroepen konden worden; water was, lag onder de oppervlakte verborgen, en zoolang de schijn maar opgehouden werd, was alles goed. Ongetwijfeld was dat huichelarij, maar huichelarij is een der steunpilaren van de beschaving, en wat komt het er op aan wat het hart zegt, als de lippen maar zwijgen?

Sterven door droomen! Neen, daar zou Beatrice wel niet van sterven, en hij zeker ook niet. Waarschijnlijk zou zij ten slotte met dien vleeschklomp, Owen Davies, trouwen. Het was wel niet aangenaam daaraan te denken, het was zelfs verschrikkelijk, maar als zij hem zijn gevoelen vroeg, zou hij, “als vriend,” haar zeggen dat dit het beste was, wat zij doen kon. Dat was, natuurlijk, ook weer huichelarij; de lippen zouden zeggen wat het hart niet meende; maar als het hart in opstand komt tegen het verstand, moet het onderdrukt worden. Ongelukkig is het hart zoo sterk!

Eindelijk kwamen zij te Londen aan, en volgens afspraak, wachtte Anne, de Franschebonne, hen aan het station op, om Effie naar huis te brengen. Geoffrey merkte op, dat zij er zwieriger en minder dan ooit naar zijn smaak uitzag. Zij omhelsde Effie echter met een vertoon van hartelijkheid, die door het kind nauwelijks beantwoord werd, en gaf intusschen knipoogjes aan den conducteur, die met het afnemen der kaartjes belast was. Hoewel het nog vroeg in het jaar was voor zwaren mist, was Londen toch in duisternis gehuld. Het was dien ochtend te Bryngelly mistig weer geweest, en dat was verder op den dag erger geworden; maar in Londen was het zoo donker als de nacht, hoewel het pas vier uur was. Gelukkig is Edgware Road, waar Geoffrey woonde, niet ver van het Paddington-station, en na persoonlijk dencab-voerman het adres opgegeven te hebben, liet hij de zorg voor Effie en de bagage aan Anne over, en ging met een gerust hart langs den spoorweg door den Tunnel naar deInns of Court.

Kort nadat hij op zijn kamers was aangekomen, meldde zich daar niet, volgens afspraak, zijn oom aan—die, zooals hij, vernam, ongesteld was geworden—maar een der compagnons. Tot zijn groot genoegen, bleek hem toen dat Beatrice het aan het rechte einde had gehad met te vooronderstellen dat er een geestverschijningvertoond was; de jongen, die een lid van zijn teen miste, was gevonden, en had het geheele akelige komediespel door een reet van de jaloezie gezien; bovendien was de waarheid hem ontwrongen, en hij zou bij de terechtzitting als getuige opkomen—ja hij had reeds een voorloopige verklaring afgelegd.

Ook was, uit vergelijking met andere stukken, door den voormaligen procureursklerk geschreven, gebleken dat die van dezelfde hand waren als het testament. Het eenige bezwaar was dat de Procureur-Generaal en Mr. Candleton, de President van het Kanselarij-Gerechtshof, geen van beiden in de stad waren, zoodat dien avond geen conferentie mogelijk was. Beiden werden echter nog dienzelfden avond laat terug verwacht, de Procureur-Generaal uit Devonshire en Mr. Candleton van het Vasteland; dus werd bepaald, daar de zaak de eerste op de rol was, dat de conferentie den volgenden ochtend te tien uur zou plaats hebben.

Thuis gekomen, vernam Geoffrey dat Lady Honoria zich kleedde, en de boodschap had gelaten dat hij dit ook spoedig moest doen, omdat er een heer bij hen kwam dineeren. Derhalve ging hij naar zijn kamer, aan het andere einde der eerste verdieping—om van kleeding te verwisselen. Alvorens zich naar de eetkamer te begeven, ging hij echter Effie—die wel reeds naar bed was, maar nog niet sliep—goeden nacht zeggen, en vroeg haar hoe laat zij thuis gekomen was.

“Twintig minuten over vijven, paatje,” zeide Effie fluks.

“Twintig minuten over vijven! Je wilt toch niet zeggen dat je over dat kleine eind een uur onderweg bent geweest? Moest decabdan stilhouden om den mist?”

“Neen, paatje maar—”

“Maar wat, lieve?”

“Anne heeft me gezegd dat ik het niet mocht vertellen.”

“Stoor je er maar niet aan wat Anne gezegd heeft,—ik zeg je dat je het wel vertellen moet.”

“Anne heeft nog een heelen tijd staan praten met den man, die de kaartjes aannam.”

“O, zoo!” zeide hij.

Op dit oogenblik kwam de kamermeid binnen, om te zeggen dat Lady Honoria en de “heer” hem aan tafel wachtten. Geoffrey vroeg haar zoo ter loops hoe laat de jongejuffrouw Effie was thuisgekomen.

“Zoo wat half zes, mijnheer. Anne zei dat decabniet voort kon, door den mist.”

“Goed. Zeg mevrouw dat ik dadelijk kom.”

“Paatje,” zeide het kind, “ik heb mijn gebedje nog niet opgezegd. Moeder kwam niet, en Anne zei dat bidden maar allemaal gekheid was. Tantetje liet mij altijd mijn gebedje opzeggen.”

“Ja, lieve, en dat zal ik ook doen. Kom, ga op mijn schoot op je knietjes liggen, en zeg het op.”

Te midden van haar gebedje—dat Effie zich niet zoo goed meer herinnerde als zij wel had kunnen doen—kwam de kamermeid terug.

“Met uw verlof, mijnheer, haar Ladyschap—”

“Zeg haar Ladyschap dat ik kom, en dat zij maar beginnen moet, als zij zoo’n haast heeft! Ga voort, lieve.”

Toen kuste hij haar, en legde haar weder te bed.

“Paatje,” zeide Effie, toen hij heenging, “zal ik tantetje Beatrice nooit weerzien?”

“Ik hoop van ja, lieve.”

“En zult u nooit weer van haar hooren? U verlangt zeker ook wel haar te zien? Zij hield zooveel van u.”

Geoffrey kon het niet langer uithouden. De waarheid is altijd scherper als zij uit een kindermond komt. Met een haastig goeden nacht snelde hij de kamer uit.

In de kleine gezelschapskamer vond hij Lady Honoria, zeer net gekleed, en ook haar vriend, dieDunstanheette. Geoffrey kende hem terstond als een zeer rijk man, van geringe geboorte en van nog minder opvoeding, maar een schitterend licht in de kliek derGarsingtons. Dunstan wilde zich in hoogere kringen dringen, en hij meende dat Lady Honoria, ondanks haar bekrompen middelen,hem daartoe behulpzaam kon zijn. Daarom was hij dien avond bij haar.

“Hoe gaat het u, Geoffrey?” zeide zijn vrouw, naar hem toe tredende, om hem met den vredekus te begroeten. “Ge ziet er goed uit. Maar wat hebt ge ontzagelijk lang werk gehad om u te kleeden. Die arme mijnheer Dunstan rammelt van den honger. Ge kent mijnheer Dunstan, geloof ik, wel. Doe maar op, Mary.”

Geoffrey maakte zijn verontschuldigingen dat hij zoo laat kwam, en gaf mijnheer Dunstan—St. Dunstan, zooals hij algemeen genoemd werd—beleefd de hand. Zoo was hij betiteld wegens zijn eenigszins clericaal voorkomen, en als een spottende toespeling op zijn niet geheel vlekkeloozen naam. Toen gingen zij aan tafel.

“Jammer dat er geen dame voor u is, Geoffrey, maar het heeft u in den laatsten tijd niet aan gezelschap van dames ontbroken. A propos, hoe vaart Miss—Miss Granger? Zoudt gij het wel gelooven, mijnheer Dunstan? mijn ergerlijke heer gemaal heeft de laatste maand doorgebracht in het gezelschap van een der bekoorlijkste meisjes, die ik ooit gezien heb. En knap dat zij is! Zij kent Latijn, en weet van de rechtsgeleerdheid en van alles. Zij begon met zijn leven te redden; ge moet weten dat zij samen met een bootje omgeslagen zijn. Is dat niet romantisch?”

St. Dunstan vond het een gepaste aardigheid hierop te zeggen dat mijnheer Bingham een geluksvogel was, die van zulk een buitenkansje dan ook zeker wel gebruik had weten te maken; en met een diepen zucht, liet hij er op volgen dat nog nooit een mooi meisje zijn leven had gered, zoodat hij voortaan voorhaarzou leven enz. enz.

Geoffrey, die niet kon aanhooren dat Beatrice het onderwerp van zulke flauwe scherts was, viel zonder veel complimenten in.

“Zeg, lieve,” sprak hij zijn vrouw toe, “wat hebtgijal dien tijd gedaan?”

“Om u getreurd, Geoffrey, en mij intusschen uitstekend vermaakt. Wij hebben een heerlijken tijd gehad, niet waar, mijnheer Dunstan? Ge moet weten dat mijnheer Dunstan ook bij de familie gelogeerd heeft.”

“Hoe kon dat anders,gijwaart er immers, Lady Honoria?” zeide de Sint, op zijn manier van galant zijn, die, om de waarheid te zeggen, stuitend was voor haar, wie het gold, want zij was toch in allen gevalle een beschaafde vrouw.

“De Garsingtons hebben de groote zaal en hun gezelschapskamer opnieuw laten meubileeren,” ging zij voort. “Het kost achttien honderd pond, maar ’t is dan ook allerkeurigst geworden.”

“Zoo!” antwoordde Geoffrey, die van meening was dat Lord Garsington wel wat van zijn schulden had mogen betalen, eer hij achttien honderd pond aan nieuwe meubelen besteedde.

Nu begonnen de Sint en Lady Honoria een levendig en langdurig gesprek te voeren over de andere logeergasten, waar Geoffrey nauwelijks naar luisterde. Hij vond het aan tafel zitten zeer vervelend, en droeg van zijn kant weinig tot de gezelligheid bij.

Toen zijn vrouw de kamer verlaten had, moest hij toch wat zeggen, dus spraken zij over het jagen. De Sint was min of meer eensportman, en hij beschreef Geoffrey een paar geweren van een nieuw model, die hij voor de geringe som van honderd veertig guinjes gekocht had, en die hij hem bizonder aanbeval.

“Ja,” antwoordde Geoffrey, “die zullen wel zeer goed zijn, maar, ziet ge, ze zijn mij te duur. Ik kan zooveel geld niet uitgeven voor een paar geweren.”

“O, is het anders niet,” hernam zijn gast, “dan wil ik u deze wel verkoopen, en ge kunt ze betalen wanneer het u schikt. Maar wat kan het mij ook schelen, ik heb geweren genoeg. Ik wil royaal zijn en ze u cadeau geven. Alsikniet royaal kan zijn, zou ik niet weten wie!”

“Ik dank u, mijnheer Dunstan,” antwoordde Geoffrey koel, “maar ik ben niet gewoon zulke geschenken van mijn vr—— van mijn bekenden aan te nemen. Wilt gij een glas sherry?—niet? Zullen wij dan maar weer naar Lady Honoria gaan?”

Dit gezegde sloeg den plompen Sint, die het echter niet kwaad gemeend had, geheel ter neder; en een oogenblik later had Geoffrey er spijt van. Maar hij was in een verdrietige en wrevelige luim.Waarom bracht zijn vrouw zulke menschen in zijn huis? Kort daarna nam hun gast afscheid. Hij vond Bingham een verwaanden kwast, en gevoelde dat hij niet tegen hem bestand was. “En ik geloof dat hij geen duizend pond ’s jaars heeft,” redeneerde hij bij zichzelven, “en zijn vrouw alleen heeft een titel, hij niet. Daarom is hij zeker met haar getrouwd. Zij is een veel beter soort dan hij, maar ik kan uit haar toch ook niet recht wijs worden—men kan niet heel ver met haar komen. Maar zij is de dochter van een Pair, en wel waard de kennis met haar aan te houden, doch als ik weet dat Bingham thuis is, kom ik niet.”

“Wat hebt ge mijnheer Dunstan toch gezegd, dat hij zoo spoedig heengegaan is?” vroeg Lady Honoria.

“Wat ik hem gezegd heb? och, dat weet ik niet.Hij bood mij een paar geweren aan, en toen heb ik gezegd dat ik geen geschenken van mijn bekenden aannam. Waarlijk, Honoria, ik laat u in uw leefwijze geheel vrij, maar ik begrijp niet hoe ge met zoo iemand als dien mijnheer Dunstan kunt omgaan.”

“Denkt ge dat ik met hem omga?” zeide zijn vrouw. “Denkt ge dat ik niet weet wat dat voor een man is? Maar wie arm is, moet niet te kieskeurig zijn. Al is hij een vlegel, hij heeft toch dertig duizend pond ’s jaars, en een bekende, die zoo’n inkomen heeft, is niet te versmaden. ’t Is te erg van u, Geoffrey,” ging zij, met toenemende wreveligheid, voort, “als ge weet, dat ik mij in ons ellendig, armoedig leven moet schikken, dat ge elke gelegenheid waarneemt om u onaangenaam te maken bij de menschen, die ik raadzaam acht bij ons te noodigen. Pas ben ik uit een aangename omgeving in deze nare woning terug, of het eerste wat ge doet, is twist te zoeken. Mijnheer Dunstan heeft loges in verscheidene van de beste schouwburgen, en hij heeft er mij een aangeboden zoo dikwijls ik er gebruik van wilde maken—en nu is dat, natuurlijk, uit. ’t Is te erg van u, zeg ik!”

“’t Is werkelijk zonderling, Honoria,” hernam haar echtgenoot, “te zien welke verplichtingen ge maakt, uit zucht naar vermaakt. ’t Is vernederend voor u, van dien man loges aan te nemen.”

“Gekheid. Ik maak er volstrekt geen verplichting door. Als hij mij een loge geeft, stelt hij er een eer in, mij in die loge te komen aanspreken, en dan zijn vrienden te zeggen dat hij met Lady Honoria Bingham sprak. ’t Is een ruil: ik wil naar den schouwburg gaan; hij wil in goede gezelschappen komen—daar hebt ge ’t precies. Zoo iets gebeurt dagelijks. Als ge dan het ware van de zaak wilt weten, Geoffrey,” ging zij voort, met een gezicht alsof zij op het punt was in tranen van toorn uit te barsten, “ik kan niet als de vrouw van een kantoorklerk leven. Ikmoetwat vermaak, iets tot veraangenaming van mijn leven hebben, eer ik een oude vrouw word. Als dat u niet bevalt, waarom hebt ge mij dan tot dit ellendig huwelijk verlokt, eer ik oud genoeg was om beter te weten, of waarom verdient ge geen geld genoeg om mij in staat te stellen mijn stand op te houden?”

“Daar hebben wij het al dikwijls over gehad, Honoria,” zeide Geoffrey, met moeite zijn bedaardheid behoudende; “en nu is er iets anders, waarover ik u wensch te spreken. Weet ge wel, dat Anne van avond langer dan een half uur aan het Paddington station gebleven is, om met een van de spoorwegbeambten te staan vrijen, in plaats van Effie naar huis te brengen, zooals ik haar bevolen had? Dat neem ik haar zeer kwalijk. Zij is niet te vertrouwen; door haar onachtzaamheid zal het kind eenmaal een ongeluk krijgen. Kunt ge haar niet wegzenden en een andere kindermeid nemen?”

“Neen, dat kan ik niet. Zij is het eenige gemak, dat ik heb. Waar vind ik een andere vrouw, die zoo goed japonnen kan maken als zij?—ze wint mij wel honderd pond in het jaar uit—en het kan me niet schelen, al vrijde zij met vijftig spoorwegbeambten. Gij hebt dat praatje zeker van Effie gehoord; het kind moest een pak slaag hebben voor haar verklikken—en het zal wel niet eens waar zijn.”

“Effie zal voorzeker geen pak slaag krijgen,” antwoordde Geoffrey, op strengen toon. “Ik waarschuw u, dat het ieder, die haar met een vinger aanraakt, slecht zal bekomen.”

“O, heel goed, bederf het kind maar. Ga uw eigen gang maar, Geoffrey! In allen gevalle, blijf ik niet langer om beleedigende taal aan te hooren. Goeden nacht,” en zij ging heen.

Geoffrey stak een cigarette op. “Een aangename tehuiskomst!” dacht hij. “Honoria zal zooveel geld hebben als zij maar kan uitgeven—al zou ik mij doodwerken, zij zal het hebben. Welk een leven, welk een leven! Zou Beatrice haar man ook zoo behandelen, als zij er een had?”

Hij lachte om de ongerijmdheid van dit denkbeeld, wierp met een wrevelig gebaar zijn cigarette in het vuur, en ging naar zijn kamer, om te beproeven of hij slapen kon, want hij was zwaar vermoeid.

Hoofdstuk XVII.Geoffrey wint zijn zaak.Den volgend ochtend vóór tienen, was Geoffrey, na reeds twee uren aan zijn akte besteed te hebben, die hij nu volkomen meester was, op zijn kamers, waar hij niet zonder moeite gekomen was, wegens den dikken mist, die nog over Londen en over geheel Engeland hing.Tot zijn verbazing vernam hij, dat men van den Procureur-Generaal noch van den President van het Kanselarij-Gerechtshof iets gehoord had. De zaakwaarnemers waren wanhopig, maar hij troostte hen, door te zeggen dat één van beiden nog wel bijtijds zou komen opdagen, en dat eenige woorden voldoende zouden zijn, om het meerdere licht, dat over de zaak verspreid was, uit te leggen. Hij besteedde echter nog een half uur, om eenige ruwe aanteekeningen te maken, ten einde een richtsnoer te hebben in het wel onwaarschijnlijkmaar mogelijk geval dat hij de zaak zou moeten inleiden, en ging toen naar het Gerechtshof. Het was de eerste zaak op de rol, en de tegenpartij had ook haar advocaat. Juist toen de rechter zijn plaats had ingenomen, overhandigde de zaakwaarnemer, met een uitdrukking van schrik op zijn gelaat, Geoffrey een telegram, dat op dit oogenblik van Mr. Candleton gekomen was. Het was uit Calais gedateerd, en luidde: “Niet in staat over te steken, wegens den dikken mist. Benoem een ander in Parsons en Douse.”“En wij hebben zoo maar dadelijk geen ander,” zeide de ongeruste zaakwaarnemer. “Wat meer is, ik hoor niets van den Procureur-Generaal, en zijn klerk schijnt niet te weten waar hij is. Gij moet verdaging vragen, mijnheer Bingham; gij kunt de zaak niet alleen behandelen.”“Goed,” zeide Geoffrey, en toen de zaak werd opgelezen, stond hij op en deelde de omstandigheden aan het Gerechtshof mede. Maar de president van de Rechtbank was in een brommige bui. Hij had den mist in zijn geleerde keel, en zag geen reden tot verdaging. Bovendien was de tegenpartij, die haar voordeel bespeurde, er sterk tegen. De getuigen waren er met groote kosten gebracht; zijn Lordschap was er, de gezworenen waren er; de zaak moest voortgang hebben.Zijn Lordschap de president was van hetzelfde gevoelen, en voegde Geoffrey op strengentoontoe, dat ieder advocaat in een zaak, zoodra die voor de Rechtbank diende, elk oogenblik bereid behoorde te zijn, als het noodig was, die zaak in te leiden; maar als hij, Geoffrey, het Gerechtshof verklaarde daartoe ten eenenmale onvoorbereid te zijn, dat er dan, natuurlijk, niets anders op zat dan een verdaging toe te staan.“Ik ben volkomen bereid met de zaak voort te gaan, Mylord,” antwoordde Geoffrey bedaard.“Goed,” zeide de president, op een verzachten toon. “Ga dan maar voort. Ik twijfel niet of de Procureur-Generaal zal aanstonds wel komen.”De tegenpartij had er niets tegen, dat de inleiding was opgedragenaan een onervaren man, die waarschijnlijk zijn partij meer kwaad dan goed zou doen. Dus stond Geoffrey, eenigszins tot schrik van de zaakwaarnemers, die met verlangen aan de welsprekendheid van den Procureur-Generaal dachten, zonder vrees of aarzeling op, van zijn kant hopende dat de Procureur-Generaal maar zou wegblijven. Hij had een kans, waarop menig bekwaam man jaren lang moet wachten, en dat wist hij, en daar was hij voornemens gebruik van te maken. Geoffrey was een goed spreker, had niet, zooals menig goed spreker, last van zenuwachtigheid, en bovendien was hij zijn zaak volkomen meester. Binnen vijf minuten luisterden rechter, gezworenen en advocaat aandachtig naar hem, en binnen tien minuten had hij hun de zaak klaar en duidelijk uiteengezet. Om zijn onderstelling van het komediespel der geestverschijning werd eerst geglimlacht, maar al spoedig lachte de advocaat der tegenpartij niet meer en begon onrustig te zien. Als hij kon bewijzen wat hij zeide, was het uit met de zaak. Toen hij ongeveer twintig minuten gesproken had, werd hij door een aanmerking van den advocaat der tegenpartij geïnterpelleerd, en op dat oogenblik merkte hij op, dat de klerk van den Procureur-Generaal met een der zaakwaarnemers sprak.“Als hij maar niet komt,” dacht Geoffrey.Maar neen, de zaakwaarnemer boog zich naar hem toe, en verwittigde hem dat de Procureur-Generaal door een gewichtige regeeringszaak onvermijdelijk werd opgehouden en zijn akte teruggezonden had.“Welnu, dan moeten wij zoo goed voortgaan als wij kunnen,” zeide Geoffrey.“Als gij zoo voortgaat, kan het niet beter,” fluisterde de zaakwaarnemer, en nu wist Geoffrey dat hij het goed deed.“Ja, mijnheer Bingham,” zeide de president.En Geoffrey ging met zijn uiteenzetting van de zaak voort. ’t Is onnoodig dit merkwaardig proces, dat twee dagen duurde en algemeen de aandacht trok, in al zijn bizonderheden te volgen. Geoffrey won het met glans. Zijn welsprekende aanspraak tot degezworenen bleef in de Gerechtshoven lang in herinnering. Weinigen, die het zagen, vergaten ooit zijn bezield gelaat en gebiedende houding, toen hij de zaak van zijn tegenpartij als een eierdop verbrijzelde en daarop met kalme, overstelpende kracht van taal de vrouw beschuldigde, die met haar minnaar het wreede plan gesmeed had, dat haar oom van het leven en haar neef en nicht van hun rechtmatig eigendom beroofd had, totdat hij haar eindelijk, met uitgestrekte hand naar haar wijzende, voor de jury als een moordenares brandmerkte.Weinigen in die volle rechtzaal vergaten het tragisch tooneel, dat nu volgde, toen de bevende vrouw, uitgeput door langdurige spanning, en verpletterd door de indrukwekkende woorden van haar beschuldiger, van haar plaats opstond en uitriep:“Wij hebben het gedaan—’t is waar, wij hebben het gedaan om het geld te krijgen, maar het was onze bedoeling niet dat hij van schrik zou sterven,” en bezwijmd viel zij op den grond.“Mylords en heeren gezworenen,” zeide Geoffrey, op kalmen toon, “ik geloof niet dat het noodig is mijn zaak verder te bepleiten.”Er volgde geen applaudissement, daartoe was de gelegenheid te dramatisch plechtig, maar de indruk, op het Gerechtshof en het publiek gemaakt, was diep en blijvend.Geoffrey misleidde zichzelven niet, noch door zich op zijn zegepraal te verhoovaardigen, noch door valsche nederigheid. Als een verstandig man, beschouwde hij den staat van zaken uit het juiste oogpunt—met dankbaarheid, maar zonder verbazing. Hij had eindelijk zijn kans gehad, en was er voor berekend geweest. Dat was het eenige. De meeste menschen hebben in den een of anderen vorm zulke kansen, en weten er geen gebruik van te maken. Geoffrey was een van de uitzonderingen, zooals Beatrice gezegd had; hij was geboren om te slagen. Hij wist nu, dat hij het in zijn vak ver kon brengen.Toen hij dien avond naar huis ging, nadat hem van alle kanten gelukwenschingen waren toegestroomd, gevoelde hij toch een zekere trotschheid.Wat Geoffrey dien avond gevoelde, zal ieder gevoeld hebben, die lang met bijna overstelpende tegenspoeden te kampen heeft gehad, in zijn hart wetende dat hij geboren is om te leiden en niet om te volgen; en die eindelijk, door een enkele geestinspanning, zonder een vriendenhand om hem te helpen, of een vriendenstem om hem te leiden, er in geslaagd is zich door alle moeilijkheden heen een weg te banen en zicheensklapsin staat ziet alle mededinging het hoofd te bieden. Daar zal hij niet al te trotsch op zijn; het zal hem slechts een kleinigheid toeschijnen—iets, dat nog vol gebreken en onvolkomenheden is en nog lang niet aan zijn ideaal beantwoordt. Hij zal zelfs niet veel gewicht hechten aan die eerste zegepraal, omdat hij, in al zijn glorie, bedenkt dat anderen op zijn eigen terrein tegen hem zijn opgewassen, en ook dat alle aardsche voorspoed, evenals de schoonste bloem, de kiem van verval in zich draagt. Maar met bescheiden zelfvoldoening zal hij terugzien op die jaren van geduldig streven, dat hem eindelijk op een hoogte heeft gebracht, van waar hij al hooger en hooger kan opklimmen, totdat eindelijk, als hij uitgeput is, de tijd voor hem komt om te vallen.Zoo dacht en gevoelde Geoffrey. Hij had zich van de taak, die hem was opgedragen, gekweten. Honoria zou nu geld hebben; zij zou hem niet langer hun armoede voor de voeten kunnen werpen. En—dat was een nog betere gedachte—het zou Beatrice verheugen zijn zegepraal te vernemen.Hij kwam vrij laat thuis. Honoria zou bij een voorname nicht gaan dineeren, en was reeds bezig zich te kleeden. Geoffrey had voor de uitnoodiging bedankt, omdat hij niet verwacht had uit de rechtzaal terug te zijn. In zijn geestdrift, ging hij echter naar de kamer zijner vrouw, om haar den afloop te vertellen.“Waar hebt ge al dien tijd gezeten?” zeide zij. “Ik dacht dat ge afgesproken hadt met mij uit te gaan. Het staat niet goed dat ik zooveel alleen uitga. O, ja, dat was ik vergeten; ge waart in die zaak.”“Ja, juist—dat was het. Ik heb de zaak gewonnen. Hier vindtge er een verslag van in deSt. James Gazette, als ge ’t lezen wilt.”“Goede Hemel, Geoffrey! Hoe kunt ge verwachten dat ik al dat gezeur zal lezen terwijl ik mij kleed?”“Dat verwacht ik ook niet van u, Honoria, alleen, zooals ik zeg, heb ik de zaak gewonnen en nu zal ik werk in overvloed krijgen.”“Zoo? Dat hoor ik met genoegen. Misschien kunnen we dan wel van die nare eerste verdieping afgaan. Zie je wel, Anne!Je vous l’ai toujours dit, cette robe ne me va pas bien.”1“Mais, Milady, la robe va parfaitement—”“Dat mag jij vinden,” bromde Lady Honoria, “maar dat vind ik niet. Maar het moet nu maar zoo mee. Goeden avond, Geoffrey, ge zult zeker wel al naar bed zijn als ik thuiskom;” en weg was zij.Geoffrey nam met een zucht zijnSt. James Gazetteop. Hij gevoelde zich zwaar gekrenkt; hij had zoo dwaas niet moeten zijn sympathie van Lady Honoria te verwachten—zij was geen sympathetische vrouw. Dat had hij moeten bedenken, maar toch gevoelde hij zich gekrenkt. Hij ging naar boven, en liet Effie haar gebedje opzeggen.“Waar is u geweest, paatje?—naar de Rookerige Stad?” De Temple2was bij Effie bekend als de Rookerige Stad.“Ja, lieve.”“U gaat naar de Rookerige stad om den kost te verdienen, niet waar, paatje?”“Ja, lieve, om den kost te verdienen.”“En hebt u wat verdiend, paatje?”“Ja, Effie, heel veel.”“Waar is het dan? In uw zak?”“Neen, dat juist niet. Ik heb vandaag een groot proces gewonnen, en daar krijg ik veel geld voor.”“O,” hernam Effie nadenkend, “daar ben ik blij om. U wint graag, niet waar, paatje?”“Ja, lieve.”“Dan zal ik u een kus geven, paatje, omdat u gewonnen hebt,” en zij voegde de daad bij het woord.Geoffrey verliet het kamertje met een verzacht hart, en ging alleen zijn middagmaal gebruiken.Toen zette hij zich er toe om een langen brief aan Beatrice te schrijven, waarin hij haar alles van de terechtzitting en alle bizonderheden van de taktiek en de bewijsgronden, die hij gebezigd had, mededeelde.En hoewel het een brief van vier bladzijden was, wist hij dat het Beatrice niet zou vervelen hem te lezen.1Ik heb je altijd wel gezegd, dat kleed past mij niet goed.2Het gebouw van de rechtsgeleerde Colleges te Londen.

Den volgend ochtend vóór tienen, was Geoffrey, na reeds twee uren aan zijn akte besteed te hebben, die hij nu volkomen meester was, op zijn kamers, waar hij niet zonder moeite gekomen was, wegens den dikken mist, die nog over Londen en over geheel Engeland hing.

Tot zijn verbazing vernam hij, dat men van den Procureur-Generaal noch van den President van het Kanselarij-Gerechtshof iets gehoord had. De zaakwaarnemers waren wanhopig, maar hij troostte hen, door te zeggen dat één van beiden nog wel bijtijds zou komen opdagen, en dat eenige woorden voldoende zouden zijn, om het meerdere licht, dat over de zaak verspreid was, uit te leggen. Hij besteedde echter nog een half uur, om eenige ruwe aanteekeningen te maken, ten einde een richtsnoer te hebben in het wel onwaarschijnlijkmaar mogelijk geval dat hij de zaak zou moeten inleiden, en ging toen naar het Gerechtshof. Het was de eerste zaak op de rol, en de tegenpartij had ook haar advocaat. Juist toen de rechter zijn plaats had ingenomen, overhandigde de zaakwaarnemer, met een uitdrukking van schrik op zijn gelaat, Geoffrey een telegram, dat op dit oogenblik van Mr. Candleton gekomen was. Het was uit Calais gedateerd, en luidde: “Niet in staat over te steken, wegens den dikken mist. Benoem een ander in Parsons en Douse.”

“En wij hebben zoo maar dadelijk geen ander,” zeide de ongeruste zaakwaarnemer. “Wat meer is, ik hoor niets van den Procureur-Generaal, en zijn klerk schijnt niet te weten waar hij is. Gij moet verdaging vragen, mijnheer Bingham; gij kunt de zaak niet alleen behandelen.”

“Goed,” zeide Geoffrey, en toen de zaak werd opgelezen, stond hij op en deelde de omstandigheden aan het Gerechtshof mede. Maar de president van de Rechtbank was in een brommige bui. Hij had den mist in zijn geleerde keel, en zag geen reden tot verdaging. Bovendien was de tegenpartij, die haar voordeel bespeurde, er sterk tegen. De getuigen waren er met groote kosten gebracht; zijn Lordschap was er, de gezworenen waren er; de zaak moest voortgang hebben.

Zijn Lordschap de president was van hetzelfde gevoelen, en voegde Geoffrey op strengentoontoe, dat ieder advocaat in een zaak, zoodra die voor de Rechtbank diende, elk oogenblik bereid behoorde te zijn, als het noodig was, die zaak in te leiden; maar als hij, Geoffrey, het Gerechtshof verklaarde daartoe ten eenenmale onvoorbereid te zijn, dat er dan, natuurlijk, niets anders op zat dan een verdaging toe te staan.

“Ik ben volkomen bereid met de zaak voort te gaan, Mylord,” antwoordde Geoffrey bedaard.

“Goed,” zeide de president, op een verzachten toon. “Ga dan maar voort. Ik twijfel niet of de Procureur-Generaal zal aanstonds wel komen.”

De tegenpartij had er niets tegen, dat de inleiding was opgedragenaan een onervaren man, die waarschijnlijk zijn partij meer kwaad dan goed zou doen. Dus stond Geoffrey, eenigszins tot schrik van de zaakwaarnemers, die met verlangen aan de welsprekendheid van den Procureur-Generaal dachten, zonder vrees of aarzeling op, van zijn kant hopende dat de Procureur-Generaal maar zou wegblijven. Hij had een kans, waarop menig bekwaam man jaren lang moet wachten, en dat wist hij, en daar was hij voornemens gebruik van te maken. Geoffrey was een goed spreker, had niet, zooals menig goed spreker, last van zenuwachtigheid, en bovendien was hij zijn zaak volkomen meester. Binnen vijf minuten luisterden rechter, gezworenen en advocaat aandachtig naar hem, en binnen tien minuten had hij hun de zaak klaar en duidelijk uiteengezet. Om zijn onderstelling van het komediespel der geestverschijning werd eerst geglimlacht, maar al spoedig lachte de advocaat der tegenpartij niet meer en begon onrustig te zien. Als hij kon bewijzen wat hij zeide, was het uit met de zaak. Toen hij ongeveer twintig minuten gesproken had, werd hij door een aanmerking van den advocaat der tegenpartij geïnterpelleerd, en op dat oogenblik merkte hij op, dat de klerk van den Procureur-Generaal met een der zaakwaarnemers sprak.

“Als hij maar niet komt,” dacht Geoffrey.

Maar neen, de zaakwaarnemer boog zich naar hem toe, en verwittigde hem dat de Procureur-Generaal door een gewichtige regeeringszaak onvermijdelijk werd opgehouden en zijn akte teruggezonden had.

“Welnu, dan moeten wij zoo goed voortgaan als wij kunnen,” zeide Geoffrey.

“Als gij zoo voortgaat, kan het niet beter,” fluisterde de zaakwaarnemer, en nu wist Geoffrey dat hij het goed deed.

“Ja, mijnheer Bingham,” zeide de president.

En Geoffrey ging met zijn uiteenzetting van de zaak voort. ’t Is onnoodig dit merkwaardig proces, dat twee dagen duurde en algemeen de aandacht trok, in al zijn bizonderheden te volgen. Geoffrey won het met glans. Zijn welsprekende aanspraak tot degezworenen bleef in de Gerechtshoven lang in herinnering. Weinigen, die het zagen, vergaten ooit zijn bezield gelaat en gebiedende houding, toen hij de zaak van zijn tegenpartij als een eierdop verbrijzelde en daarop met kalme, overstelpende kracht van taal de vrouw beschuldigde, die met haar minnaar het wreede plan gesmeed had, dat haar oom van het leven en haar neef en nicht van hun rechtmatig eigendom beroofd had, totdat hij haar eindelijk, met uitgestrekte hand naar haar wijzende, voor de jury als een moordenares brandmerkte.

Weinigen in die volle rechtzaal vergaten het tragisch tooneel, dat nu volgde, toen de bevende vrouw, uitgeput door langdurige spanning, en verpletterd door de indrukwekkende woorden van haar beschuldiger, van haar plaats opstond en uitriep:

“Wij hebben het gedaan—’t is waar, wij hebben het gedaan om het geld te krijgen, maar het was onze bedoeling niet dat hij van schrik zou sterven,” en bezwijmd viel zij op den grond.

“Mylords en heeren gezworenen,” zeide Geoffrey, op kalmen toon, “ik geloof niet dat het noodig is mijn zaak verder te bepleiten.”

Er volgde geen applaudissement, daartoe was de gelegenheid te dramatisch plechtig, maar de indruk, op het Gerechtshof en het publiek gemaakt, was diep en blijvend.

Geoffrey misleidde zichzelven niet, noch door zich op zijn zegepraal te verhoovaardigen, noch door valsche nederigheid. Als een verstandig man, beschouwde hij den staat van zaken uit het juiste oogpunt—met dankbaarheid, maar zonder verbazing. Hij had eindelijk zijn kans gehad, en was er voor berekend geweest. Dat was het eenige. De meeste menschen hebben in den een of anderen vorm zulke kansen, en weten er geen gebruik van te maken. Geoffrey was een van de uitzonderingen, zooals Beatrice gezegd had; hij was geboren om te slagen. Hij wist nu, dat hij het in zijn vak ver kon brengen.

Toen hij dien avond naar huis ging, nadat hem van alle kanten gelukwenschingen waren toegestroomd, gevoelde hij toch een zekere trotschheid.

Wat Geoffrey dien avond gevoelde, zal ieder gevoeld hebben, die lang met bijna overstelpende tegenspoeden te kampen heeft gehad, in zijn hart wetende dat hij geboren is om te leiden en niet om te volgen; en die eindelijk, door een enkele geestinspanning, zonder een vriendenhand om hem te helpen, of een vriendenstem om hem te leiden, er in geslaagd is zich door alle moeilijkheden heen een weg te banen en zicheensklapsin staat ziet alle mededinging het hoofd te bieden. Daar zal hij niet al te trotsch op zijn; het zal hem slechts een kleinigheid toeschijnen—iets, dat nog vol gebreken en onvolkomenheden is en nog lang niet aan zijn ideaal beantwoordt. Hij zal zelfs niet veel gewicht hechten aan die eerste zegepraal, omdat hij, in al zijn glorie, bedenkt dat anderen op zijn eigen terrein tegen hem zijn opgewassen, en ook dat alle aardsche voorspoed, evenals de schoonste bloem, de kiem van verval in zich draagt. Maar met bescheiden zelfvoldoening zal hij terugzien op die jaren van geduldig streven, dat hem eindelijk op een hoogte heeft gebracht, van waar hij al hooger en hooger kan opklimmen, totdat eindelijk, als hij uitgeput is, de tijd voor hem komt om te vallen.

Zoo dacht en gevoelde Geoffrey. Hij had zich van de taak, die hem was opgedragen, gekweten. Honoria zou nu geld hebben; zij zou hem niet langer hun armoede voor de voeten kunnen werpen. En—dat was een nog betere gedachte—het zou Beatrice verheugen zijn zegepraal te vernemen.

Hij kwam vrij laat thuis. Honoria zou bij een voorname nicht gaan dineeren, en was reeds bezig zich te kleeden. Geoffrey had voor de uitnoodiging bedankt, omdat hij niet verwacht had uit de rechtzaal terug te zijn. In zijn geestdrift, ging hij echter naar de kamer zijner vrouw, om haar den afloop te vertellen.

“Waar hebt ge al dien tijd gezeten?” zeide zij. “Ik dacht dat ge afgesproken hadt met mij uit te gaan. Het staat niet goed dat ik zooveel alleen uitga. O, ja, dat was ik vergeten; ge waart in die zaak.”

“Ja, juist—dat was het. Ik heb de zaak gewonnen. Hier vindtge er een verslag van in deSt. James Gazette, als ge ’t lezen wilt.”

“Goede Hemel, Geoffrey! Hoe kunt ge verwachten dat ik al dat gezeur zal lezen terwijl ik mij kleed?”

“Dat verwacht ik ook niet van u, Honoria, alleen, zooals ik zeg, heb ik de zaak gewonnen en nu zal ik werk in overvloed krijgen.”

“Zoo? Dat hoor ik met genoegen. Misschien kunnen we dan wel van die nare eerste verdieping afgaan. Zie je wel, Anne!Je vous l’ai toujours dit, cette robe ne me va pas bien.”1

“Mais, Milady, la robe va parfaitement—”

“Dat mag jij vinden,” bromde Lady Honoria, “maar dat vind ik niet. Maar het moet nu maar zoo mee. Goeden avond, Geoffrey, ge zult zeker wel al naar bed zijn als ik thuiskom;” en weg was zij.

Geoffrey nam met een zucht zijnSt. James Gazetteop. Hij gevoelde zich zwaar gekrenkt; hij had zoo dwaas niet moeten zijn sympathie van Lady Honoria te verwachten—zij was geen sympathetische vrouw. Dat had hij moeten bedenken, maar toch gevoelde hij zich gekrenkt. Hij ging naar boven, en liet Effie haar gebedje opzeggen.

“Waar is u geweest, paatje?—naar de Rookerige Stad?” De Temple2was bij Effie bekend als de Rookerige Stad.

“Ja, lieve.”

“U gaat naar de Rookerige stad om den kost te verdienen, niet waar, paatje?”

“Ja, lieve, om den kost te verdienen.”

“En hebt u wat verdiend, paatje?”

“Ja, Effie, heel veel.”

“Waar is het dan? In uw zak?”

“Neen, dat juist niet. Ik heb vandaag een groot proces gewonnen, en daar krijg ik veel geld voor.”

“O,” hernam Effie nadenkend, “daar ben ik blij om. U wint graag, niet waar, paatje?”

“Ja, lieve.”

“Dan zal ik u een kus geven, paatje, omdat u gewonnen hebt,” en zij voegde de daad bij het woord.

Geoffrey verliet het kamertje met een verzacht hart, en ging alleen zijn middagmaal gebruiken.

Toen zette hij zich er toe om een langen brief aan Beatrice te schrijven, waarin hij haar alles van de terechtzitting en alle bizonderheden van de taktiek en de bewijsgronden, die hij gebezigd had, mededeelde.

En hoewel het een brief van vier bladzijden was, wist hij dat het Beatrice niet zou vervelen hem te lezen.

1Ik heb je altijd wel gezegd, dat kleed past mij niet goed.2Het gebouw van de rechtsgeleerde Colleges te Londen.

1Ik heb je altijd wel gezegd, dat kleed past mij niet goed.

2Het gebouw van de rechtsgeleerde Colleges te Londen.

Hoofdstuk XVIII.De ster in ’t opkomen.Zooals wel te verwachten was, bleek de gedenkwaardige rechtzaak van Parsons en Douse het keerpunt in Geoffrey’s loopbaan te zijn, die van nu aan glansrijk was. Reeds den volgenden ochtend, toen hij op zijn kamers in deInns of Courtkwam, vond hij daar twee akten, die nog maar de voorloopers waren van een gestadigen toevloed van winstgevende zaken. Nu oogstte Geoffrey de vruchten in van den ijver, waarmede hij zich aan zijn rechtsgeleerde studiën had gewijd, sedert hij geheel op zijn eigen wieken moest drijven, en die hem zoowel tot een doorkneed wetgeleerde als een welsprekend advocaat hadden gemaakt. Weldra had hij zooveel werk als hij maar af kon. Wanneer de Fortuin eenmaal haar goede gaven schenkt, doet zij het met milde hand.Drie weken na het rechtsgeding van Parsons en Douse, stierfGeoffrey’s oom, de zaakwaarnemer, en liet hem, tot zijn verrassing, twintig duizend pond na, “meenende,” zooals hij in zijn testament zeide, dat drie dagen voor den dood van den erflater gemaakt was, “dat die som hem helpen zou om in zijn vak vooruit te komen.”Nu zij eenmaal tot het besef was gekomen, dat haar echtgenoot een man was, wien het in de wereld voorspoedig kon gaan, nam Honoria een geheel anderen toon jegens hem aan. Zij werd zelfs vriendelijk, en een paar malen bijna teeder. Toen Geoffrey haar van de twintig duizend pond vertelde, straalde haar gelaat van genoegen.“Dan zullen wij nu weer in Bolton Street kunnen wonen,” zeide zij, “en het treft juist zoo gelukkig dat het huis te huur staat. Dat heb ik gezien.”“Ja,” antwoordde hij, “daar kunnen we weer gaan wonen, zoodra ge maar wilt.”“En kunnen we rijtuig houden?”“Neen, nog niet; daar verdien ik nog niet genoeg voor. Het volgend jaar, als ik het beleef, zult ge een rijtuig kunnen krijgen. Begin nu niet weer ontevreden te worden, Honoria. Ik heb £ 150 te missen, en als ge met mij mee naar een juwelier wilt gaan, kunt ge die besteden zooals ge wilt.”“O, wat vind ik u lief!” zeide zijn vrouw.Dus gingen zij naar den juwelier, en Lady Honoria kocht sieraden voor een bedrag van £ 150, nam ze mee naar huis, en bewonderde ze met een teedere verrukking, zooals een vrouw van een ander soort haar eerstgeboren kind bewonderd zou hebben. Zoo dikwijls hij een som geld had, die hij kon missen, ging Geoffrey aldus met haar naar den juwelier of de modiste, en stond er onverschillig bij, terwijl zij voor dat bedrag kocht. Lady Honoria was recht in haar schik. Het kwam niet bij haar op dat hij in zekeren zin wraak op haar nam, en dat zij door elk blijk van vreugde, die zij bij zulke gelegenheden gaf, zich des te meer zijn verachting op den hals haalde.Dat waren gelukkige dagen voor Honoria! Zij verheugde zichover dien hernieuwden rijkdom als een schooljongen over het ingaan van zijn vacantie, of een verkleumd zwerver over den zonneschijn. In dien nacht van armoede, had zij zich zoo ongelukkig gevoeld als haar koele aard slechts vergunde, en nu was zij weer gelukkig, volgens haar begrip van geluk. Want opvoeding, beschaving—wat gij maar wilt—alles was bij Honoria vervangen door den afgodsdienst van rijkdom, of liever, van al datgene wat rijkdom geeft. Dat was haar genot; haar schoonheid, die aan het verwelken was, kwam terug; zij zag er vijf jaar jonger uit. En intusschen sloeg Geoffrey haar met toenemende verachting gade.Eens kwam het tot een uitbarsting. Het huis in Bolton Street was gemeubileerd; hij had haar daarvoor vijftien honderd pond gegeven, en met wat zij bezaten, kon zij het daar zeer goed mee doen. Zij verhuisden er heen, en Honoria had, nu zij in haar vorige stand hersteld was, zich een genoegzamen voorraad daarbij passende toiletten en kostbaarheden aangeschaft. Op zekeren dag viel het haar in ’t oog, dat Effie eigenlijk een mooi kind was, en dat zij, behoorlijk gekleed, in de gezelschapskamer wel een aardig figuur zou maken. Dus bestelde zij een “lief” costuum voor haar—hoe het was, zullen mijn lezeressen zich misschien beter kunnen voorstellen dan ik het beschrijven kan, maar het bestond voornamelijk uit fluweel en kant. Geoffrey had daar niets van gehoord, maar op zekeren Zaterdagnamiddag wat vroeger dan gewoonlijk thuiskomende, vond hij het kind tentoongesteld voor een kamer vol gezelschap, en gekleed in een allerwonderlijkst costuum, dat haar, wat niet onnatuurlijk was, bizonder beviel. Hij zeide op dat oogenblik niets, maar toen eindelijk het gezelschap vertrokken was, vroeg hij wie Effie zóó had opgeschikt.“Dat hebikgedaan,” antwoordde Lady Honoria, “en het heeft aardig geld gekost, dat kan ik u verzekeren. Maar ik kan niet hebben dat het kind zoo eenvoudig voor den dag komt, dat staat niet goed.”“Dan moet zij maar boven blijven,” zeide Geoffrey gemelijk.“Hoe bedoelt ge dat?”“Ik bedoel dat ik haar niet zoo opgedrild wil zien. Dat past niet voor haar leeftijd. Zij heeft nog tijd genoeg om ijdel te worden.”“Ik begrijp u waarlijk niet, Geoffrey. Waarom zou het kind niet fraai gekleed gaan?”“Waarom niet? Groote Hemel! Honoria, denkt ge dat ik Effie wil zien opgroeien om zoo te worden als gij?—om een beuzelachtig leven van niets anders dan het vermaak najagen te leiden, en een afgod van weelde te maken? Ik zou haar liever”—hij wilde er bijvoegen, “dood zien,” maar bedwong zich, en zeide—“voor haar brood zien werken. Kleed uzelve zoo zwierig als ge wilt, maar laat het kind met vrede.”Lady Honoria was woedend, maar zij was ook een weinig bevreesd. Nooit had zij haar echtgenoot zoo hooren spreken, en in zijn toon was iets, wat zij niet recht begreep. Nog minder begreep zij hem, toen hij haar den daaropvolgenden Maandag zeide, dat hij vijftig pond te missen had, die zij kon besteden zooals zij verkoos, haar toen naar een modewinkel vergezelde, en koel glimlachte terwijl zij voor die som kant en borduursels kocht. Honoria dacht, dat het een vergoeding voor zijn scherpe woorden was, en een vergoeding was het ook, maar voor hemzelven, en in een andere beteekenis. Telkens gaf hij haar op die wijze geld. Geoffrey had daarbij een gevoel als een man, die een schuld van eer aflost. Zij had hem gedurig hun armoede verweten, en voor elk verwijt wilde hij haar overstelpen met alles, wat haar ziel verrukte. Hij wilde haar rijkdom laten zwelgen, evenals Koningin Tomyris, in de ure harer zegepraal, den dooden Cyrus menschenbloed deed zwelgen.Het was een zonderlinge wijze van wraakneming, waar Lady Honoria niets tegen had; maar hoewel zij er niets van gevoelde, had Geoffrey er toch veel heimelijke voldoening van. Hij was ook nieuwsgierig om te zien of de zucht naar weelde van zulk een vrouw geen grenzen had, of zij niet eindelijk oververzadigd zou worden. Maar voor zulk een proefneming was Lady Honoria al zeer slecht geschikt. Zij gaf niet het minste blijk dat zij oververzadigd was, hetzij van opschik en kostbaarheden, of van vermaken.Een weelderig leven was haar element, en dat werd zij evenmin moede als men zou kunnen verwachten dat een visch het water, of een arend het luchtruim moede werd.De winter ging voorbij en maakte plaats voor de lente. Op zekeren dag in April gaf Geoffrey, die uit overtuiging een gematigd liberaal was, te kennen, dat hij zich candidaat voor het Parlement wilde stellen, in het belang der Unionisten. Er was een zetel open gekomen voor de vertegenwoordiging van een der districten onder het gebied van de hoofdstad. Toevallig kende hij den leider der Unionistische partij zeer goed. Zij waren vrienden geweest sedert zij samen hadden schoolgegaan, en toen dit Parlementslid een schitterende redevoering van Geoffrey in het Gerechtshof had gehoord, was hij op den inval gekomen, dat zijn oude schoolmakker juist de man was, in wien een zwakke partij een krachtigen steun zou vinden.Het gevolg was dat Geoffrey verzocht werd of hij zich candidaat wilde stellen, en hij antwoordde dat hij het twee dagen in bedenking moest nemen. Die twee dagen wilde hij eigenlijk hebben om Beatrice te schrijven en antwoord van haar te ontvangen. Hij stelde een bijna bijgeloovig vertrouwen in haar oordeel, en wilde niet gaarne handelen zonder haar gevoelen gevraagd te hebben. Na het voor en tegen gewogen te hebben, was zijn eigen meening dat hij wèl zou doen zich candidaat te stellen. Waarschijnlijk zouden er wel niet genoeg stemmen op hem uitgebracht worden, en het zou hem vijf honderd pond kosten. Maar daarentegen zou het zijn naam zeker bekend maken als politicus, en hij was nu op weg om zulk een ruim inkomen te verdienen, dat hij die som er wel aan kon wagen. Het eenige groote bezwaar, dat hij zag, was, dat als hij verkozen werd, hij den geheelen dag en ’s nachts ook zou moeten werken. Welnu, hij was sterk, en hoe meer werk hij had, des te beter—dat zou zijn gedachten afleiding geven.Beatrice’s antwoord kwam. Haar zienswijze kwam met de zijne overeen; zij ried hem aan de gelegenheid te baat te nemen, en wees hem er op, dat er, met zijn toenemende vermaardheid alsrechtsgeleerde, geen staatspost was, waarnaar hij niet kon dingen, als hij eenmaal bewezen had een bekwaam Parlementslid te zijn. Geoffrey las dien brief door, en schreef zijn vriend onmiddellijk, dat hij de candidatuur aannam.De volgende veertien dagen waren een zware tijd voor hem, maar Geoffrey was een even goed spreker op de tribune als in het Gerechtshof, en bovendien had hij er den onwaardeerbaren slag van, zich naar zijn toehoorders te kunnen voegen. Bij de stemwerving voor hem bleek het, dat de zaak der partij niet zoo hopeloos stond als men gedacht had. Zoowel de Unionisten als de Separatisten betoonden veel belangstelling in de verkiezing; van weerszijden werd beweerd, dat de stemming in hun voordeel zou uitvallen, en deHome Rule-partij spande al haar krachten tegen hem in. Brieven van groote autoriteiten werden gedrukt en verspreid. Iersche Parlementsleden, pas uit de gevangenis ontslagen, traden te voorschijn om hun grieven op te sommen. Er werd zelfs van gesproken, dat een hunner zich in de gevangeniskleeding op de tribune zou vertoonen—kortom, elke verkiezingsmachine bij de politieke wetenschap bekend, werd door alle partijen in werking gebracht.Lady Honoria was eerst vrij onverschillig geweest, maar nu het eenmaal zoover gekomen was, zag zij in spanning den uitslag te gemoet. In dien verkiezingsstrijd was iets, dat haar persoonlijk een streelend gevoel van gewicht gaf. Op den dag der stemopneming reed zij den geheelen dag in een open rijtuig, onder een lichtblauwe parasol, met Effie (die zich niet weinig verveelde) naast zich, en twee edele Lords op de voorste bank. Het gevolg daarvan was, dat een zekere afdeeling van de pers verklaarde, dat de uitslag alleen te danken was aan de kuiperijen van een voorname en schoone vrouw. Men zeide zelfs, dat zij, evenals een andere dame van rang uit vroeger tijd, een slager gekust had, om zijn stem te winnen. Maar wie dat beweerden, kenden Lady Honoria niet; zij was niet in staat een slager, of wien ook, te kussen. Zoo iets viel niet in haar smaak.Ten slotte werd Geoffrey verkozen met een meerderheid vantien stemmen. Den volgenden avond nam hij in het Lagerhuis zitting, onder luide toejuiching der Unionisten. In den loop der avond-debatten zinspeelde een regeeringslid op zijn verkiezing als een bewijs van de zegepraal der Unionistische beginselen. Daarop antwoordde een lid der Separatistische oppositie dat dit volstrekt het geval niet was, dat het “van algemeene bekendheid was dat de verkiezing van het geëerde lid was toe te schrijven aan de buitengewone bekwaamheid, door hem in den loop der stemwerving aan den dag gelegd, als ’t ware, geholpen door behendig aangewenden aristocratischen vrouwelijken invloed.” Dit was een kiesche zinspeling op Lady Honoria en haar blauwe parasol.Toen Geoffrey en zijn vrouw, na den uitslag der stemopneming, naarBoltonStreet terugreden, had er een klein voorval plaats. Geoffrey beval den koetsier aan het eerste telegraafkantoor stil te houden; daar stapte hij uit en telegrafeerde aan Beatrice: “Verkozen met tien stemmen.”“Aan wie hebt ge geseind, Geoffrey?” vroeg Lady Honoria.“Aan Miss Granger,” antwoordde hij.“Ei! Ge houdt dus nog correspondentie met dat schooljuffertje?”“Ja,dat doe ik. Ik wenschte dat ik meer zulke correspondenten had.”“Zoo! Ge zijt gemakkelijk te voldoen. Ik vond haar een van de onaangenaamste meisjes, die ik ooit ontmoet heb.”“Dat bewijst dan niet veel voor uw smaak, Honoria.”Zijn vrouw zeide verder niets, maar zij had er haar eigen gedachten over. Het lag niet in Honoria’s karakter jaloersch te zijn; daartoe was zij te koel en te onverschillig. Maar het beviel haar niet, dat een andere vrouw invloed had op haar echtgenoot, die, zooals zij nu begon te erkennen, een der uitstekendste mannen van zijn tijd was, en ook wel een van de rijkste en machtigste zou kunnen worden. Zij alleen had recht op hem, geen andere vrouw. Zij was niet gek, en zij zag wel, dat er tusschen die twee een groote vertrouwelijkheid moest bestaan. Anders zou hij er niet aan gedacht hebben, Beatrice op zulk een oogenblik te telegrafeeren.Binnen een week na zijn verkiezing hield Geoffrey een redevoering. Het was geen lange, en ook niet over een zeer gewichtig punt; maar zij was zeer goed in haar soort, goed genoeg dat er woordelijk een verslag van werd gegeven, en wie er naar geluisterd hadden, erkenden dat zij te doen hadden met een nieuw man, die eenmaal een groot man zou worden.De nu volgende maanden werkte Geoffrey zoo hard als iemand zelden werkt. Den geheelen dag was hij op zijn kamers of in het Gerechtshof, en ’s avonds zat hij in het Lagerhuis. Maar hoe weinig tijd hij ook voor zijn akten beschikbaar had, de belangen zijner cliënten verzuimde hij niet, en ook vond hij nog tijd om aan Beatrice te schrijven. Hij ging zelden uit, en behalve wanneer het voor zaken was, ging hij met weinigen om. Hij werd al meer en meer stil en teruggetrokken, zoodat hij eindelijk den naam kreeg van koel en stuursch te zijn. Maar dat was hij toch niet. Hij wijdde zich met hart en ziel aan zijn werk, met het vast besluit het tot den hoogsten trap te brengen. Hij wist, dat hij er weinig om geven zou als hij dien bereikt had, maar in het streven daarnaar vond hij een aangenamen prikkel.Geoffrey was geen eerzuchtig man. Hij kende de dwaasheid van eerzucht te goed, en het einde er van stond hem altijd voor oogen. Dikwijls dacht hij, dat, als hij zijn lot had kunnen kiezen, hij gevraagd zou hebben naar een landelijke woning met een goeden tuin, vijfhonderd pond ’s jaars, en iemand om lief te hebben. Maar misschien zou hij zijn landelijke woning spoedig moede geweest zijn. Hij werkte om zijn gedachten te smoren, en in zekere mate gelukte hem dat ook. Maar hij had een gevoelig hart, en het verlangen naar sympathie, dat zijn geheime zwakheid was, kon hij niet smoren, hoewel zijn trotschheid niet gedoogde het te laten blijken. Wat gaf hij om zijn zegepralen, als hij niemand had om ze met hem te deelen? Alles, wat hij er van kon mededeelen, waren de vruchten, en die gaf hij mild genoeg. Voor zijn eigen genoegen besteedde Geoffrey weinig. Een zeker deel van zijn winst spaarde hij op, en het overige werd uitgegeven. In zijn huis waren vroolijke partijen aan deorde van den dag, maar de heer des huizes nam er weinig deel aan.En wat was het geval? Hoe langer hij van Beatrice gescheiden bleef, des te sterker verlangde hij naar haar gezelschap. Wat hij ook deed, het baatte niet; hij kon dat lief gezichtje niet uit zijn gedachten zetten; het trok hem aan als de magneet de naald. Zijn voorspoed bracht hem geen geluk aan, behalve in dien zin dat hij geen geldzorgen had.Menschen van een grover zedelijk gehalte kunnen ware voldoening smaken in wereldsche zegepralen, en eten, drinken en vroolijk zijn, want morgen sterven zij! Maar een man als Geoffrey leert spoedig, dat dit ook ijdelheid is. Integendeel, hoe meer hij zijn geest inspande, des te meer maakte weemoedigheid zich van hem meester. Als hij naar een dokter gegaan was, zou deze hem misschien gezegd hebben, dat zijn lever niet in orde was, en dat was ook wel mogelijk. Maar daar zou de zaak niet mee verholpen zijn. “Welk een wereld!” zou hij uitgeroepen hebben, “welk een wereld om in te leven, als iemands geluk van zijn lever afhangt!” Hij had zich de ongelukkige gewoonte eigen gemaakt alles van de zwartste zijde te zien; het verdrietige viel hem altijd in ’t oog.Het was geen vreemd geval. Groote geesten zijn zelden gelukkig. Dat kunnen alleen eenvoudige, bekrompen zielen zijn. Maar een groote geest ziet te ver, en raadt te veel naar wat hij niet ziet. Hij ziet vooruit en aanschouwt het einde van zijn arbeid; hij ziet om zich heen, en huivert van de ellende eener zwoegende en worstelende wereld; het schouwspel van het beklagenswaardige bedelaarskind, dat op waggelende voetjes om brood smeekt, doorboort hem het hart. Hij kan zich niet troosten met de gedachte dat het kind maar niet geboren moest zijn, of dat hij, door zijn laatsten shilling te geven, de klasse, die het heeft voortgebracht, feitelijk toch niet zou helpen.En boven het schitterend licht van aardsche vreugde en den donkeren walm van aardsche ellende, ziet hij het plechtig uitspansel, dat de toekomst van zijn geslacht bedekt houdt. Want voor zulk een man heeft ook de godsdienst zijn verschrikking zoowelals zijn hoop, des te meer naarmate het donkerder in zijn ziel wordt. Wat ligt daar achter dat geheimzinnig gewelf, waarvan hij het einde met elken dag nader komt, waarvan de poorten misschien nu reeds voor hem geopend worden? Honderd stemmen antwoorden, maar geen twee zijn het eens. Honderd handen wijzen honderd wegen van kennis aan—en halverwege verdwaalt hij er op. En onveranderlijk blijft dat strak overwelvend geestelijk uitspansel, waar geen lichtstraal door het nachtelijk duister heen dringt, en al nader en nader brengen zijn vermoeide voeten hem tot den westelijken gezichteinder.’t Is bedroevend en ’t is verkeerd, maar het is niet geheel en al zijn schuld; veeleer is het de schuld van de eeuw, van overbeschaving, van een overdreven streven naar wijsheid. Kweek den onderzoekenden geest aan, en zijn banden worden hem te eng. De geest wil een hooger vlucht nemen, hij wil zien, maar het vleesch drukt hem neder, en in alle vleesch is weinig licht. Soms echter, in een onnatuurlijk hooge gedachtensfeer zwevende, meent hij een blik te slaan in een beangstigende toekomst, of misschien in de hopelooze duisternis van een oneindigen nacht.O, benijdenswaardig is dat eenvoudig geloof, dat niet vraagt, niet onderzoekt! Daardoor alleen is vrede te vinden, en voor hen, die het dwazelijk vaarwel zeggen en er menschelijke wijsheid voor in de plaats stellen, zal het menschelijk lot weldra een langdurige vrees zijn. Wetenschappelijk ontwikkeld, en zwoegend onder den last van kennis, zullen zij hun oude goden verwerpen, en geen positief weten zal hun troost aanbrengen. De wetenschap, die hier en daar de donkerheid van het lot met haar electrisch licht bestraalt, geeft zich voor een leidstar uit. Maar zij is geen leidstar, zij is slechts een flikkerlicht. Bidden wij om duisternis, meer duisternis, opdat voor ons verblind gezicht haar licht niet slechts strekken moge om ons te doen zien, wat de Hoop den doodsteek geeft.Zoo zocht ook Geoffrey een toevlucht voor zijn geestelijke eenzaamheid, maar zonder er een te vinden. De sympathie, waarnaarzijn hart haakte, en die hij niet had kunnen vinden bij devrouw, die zijn levensgezellin geworden was, had hij gevonden bij Beatrice, nadat hij door het huwelijk een onoverkomelijken scheidsmuur tusschen hen had gesteld. En toch verlangde hij zoo sterk naar haar gezelschap, dat het hem verontrustte. Hij had wel brieven van haar, maar wat zijn brieven! Een aanraking van een geliefde hand is wel duizend brieven waard. Te midden van al den roem, dien hij behaalde, was Geoffrey in zijn hart ongelukkig; en evenwel scheen het hem toe, dat, als hij Beatrice maar weer aan zijn zijde kon hebben, al was ’t slechts als vriendin, hij rust en vergenoegdheid had kunnen vinden.Wanneer iemand zijn hart zóó op één doel heeft gezet, is zijn verstand spoedig overtuigd, dat het onschuldig, zelfs wenschelijk is, en meestal zullen de omstandigheden ook wel meeloopen om hem gelegenheid te geven, tot zijn ongeluk, dat zoo vurig begeerde doel te bereiken.

Zooals wel te verwachten was, bleek de gedenkwaardige rechtzaak van Parsons en Douse het keerpunt in Geoffrey’s loopbaan te zijn, die van nu aan glansrijk was. Reeds den volgenden ochtend, toen hij op zijn kamers in deInns of Courtkwam, vond hij daar twee akten, die nog maar de voorloopers waren van een gestadigen toevloed van winstgevende zaken. Nu oogstte Geoffrey de vruchten in van den ijver, waarmede hij zich aan zijn rechtsgeleerde studiën had gewijd, sedert hij geheel op zijn eigen wieken moest drijven, en die hem zoowel tot een doorkneed wetgeleerde als een welsprekend advocaat hadden gemaakt. Weldra had hij zooveel werk als hij maar af kon. Wanneer de Fortuin eenmaal haar goede gaven schenkt, doet zij het met milde hand.

Drie weken na het rechtsgeding van Parsons en Douse, stierfGeoffrey’s oom, de zaakwaarnemer, en liet hem, tot zijn verrassing, twintig duizend pond na, “meenende,” zooals hij in zijn testament zeide, dat drie dagen voor den dood van den erflater gemaakt was, “dat die som hem helpen zou om in zijn vak vooruit te komen.”

Nu zij eenmaal tot het besef was gekomen, dat haar echtgenoot een man was, wien het in de wereld voorspoedig kon gaan, nam Honoria een geheel anderen toon jegens hem aan. Zij werd zelfs vriendelijk, en een paar malen bijna teeder. Toen Geoffrey haar van de twintig duizend pond vertelde, straalde haar gelaat van genoegen.

“Dan zullen wij nu weer in Bolton Street kunnen wonen,” zeide zij, “en het treft juist zoo gelukkig dat het huis te huur staat. Dat heb ik gezien.”

“Ja,” antwoordde hij, “daar kunnen we weer gaan wonen, zoodra ge maar wilt.”

“En kunnen we rijtuig houden?”

“Neen, nog niet; daar verdien ik nog niet genoeg voor. Het volgend jaar, als ik het beleef, zult ge een rijtuig kunnen krijgen. Begin nu niet weer ontevreden te worden, Honoria. Ik heb £ 150 te missen, en als ge met mij mee naar een juwelier wilt gaan, kunt ge die besteden zooals ge wilt.”

“O, wat vind ik u lief!” zeide zijn vrouw.

Dus gingen zij naar den juwelier, en Lady Honoria kocht sieraden voor een bedrag van £ 150, nam ze mee naar huis, en bewonderde ze met een teedere verrukking, zooals een vrouw van een ander soort haar eerstgeboren kind bewonderd zou hebben. Zoo dikwijls hij een som geld had, die hij kon missen, ging Geoffrey aldus met haar naar den juwelier of de modiste, en stond er onverschillig bij, terwijl zij voor dat bedrag kocht. Lady Honoria was recht in haar schik. Het kwam niet bij haar op dat hij in zekeren zin wraak op haar nam, en dat zij door elk blijk van vreugde, die zij bij zulke gelegenheden gaf, zich des te meer zijn verachting op den hals haalde.

Dat waren gelukkige dagen voor Honoria! Zij verheugde zichover dien hernieuwden rijkdom als een schooljongen over het ingaan van zijn vacantie, of een verkleumd zwerver over den zonneschijn. In dien nacht van armoede, had zij zich zoo ongelukkig gevoeld als haar koele aard slechts vergunde, en nu was zij weer gelukkig, volgens haar begrip van geluk. Want opvoeding, beschaving—wat gij maar wilt—alles was bij Honoria vervangen door den afgodsdienst van rijkdom, of liever, van al datgene wat rijkdom geeft. Dat was haar genot; haar schoonheid, die aan het verwelken was, kwam terug; zij zag er vijf jaar jonger uit. En intusschen sloeg Geoffrey haar met toenemende verachting gade.

Eens kwam het tot een uitbarsting. Het huis in Bolton Street was gemeubileerd; hij had haar daarvoor vijftien honderd pond gegeven, en met wat zij bezaten, kon zij het daar zeer goed mee doen. Zij verhuisden er heen, en Honoria had, nu zij in haar vorige stand hersteld was, zich een genoegzamen voorraad daarbij passende toiletten en kostbaarheden aangeschaft. Op zekeren dag viel het haar in ’t oog, dat Effie eigenlijk een mooi kind was, en dat zij, behoorlijk gekleed, in de gezelschapskamer wel een aardig figuur zou maken. Dus bestelde zij een “lief” costuum voor haar—hoe het was, zullen mijn lezeressen zich misschien beter kunnen voorstellen dan ik het beschrijven kan, maar het bestond voornamelijk uit fluweel en kant. Geoffrey had daar niets van gehoord, maar op zekeren Zaterdagnamiddag wat vroeger dan gewoonlijk thuiskomende, vond hij het kind tentoongesteld voor een kamer vol gezelschap, en gekleed in een allerwonderlijkst costuum, dat haar, wat niet onnatuurlijk was, bizonder beviel. Hij zeide op dat oogenblik niets, maar toen eindelijk het gezelschap vertrokken was, vroeg hij wie Effie zóó had opgeschikt.

“Dat hebikgedaan,” antwoordde Lady Honoria, “en het heeft aardig geld gekost, dat kan ik u verzekeren. Maar ik kan niet hebben dat het kind zoo eenvoudig voor den dag komt, dat staat niet goed.”

“Dan moet zij maar boven blijven,” zeide Geoffrey gemelijk.

“Hoe bedoelt ge dat?”

“Ik bedoel dat ik haar niet zoo opgedrild wil zien. Dat past niet voor haar leeftijd. Zij heeft nog tijd genoeg om ijdel te worden.”

“Ik begrijp u waarlijk niet, Geoffrey. Waarom zou het kind niet fraai gekleed gaan?”

“Waarom niet? Groote Hemel! Honoria, denkt ge dat ik Effie wil zien opgroeien om zoo te worden als gij?—om een beuzelachtig leven van niets anders dan het vermaak najagen te leiden, en een afgod van weelde te maken? Ik zou haar liever”—hij wilde er bijvoegen, “dood zien,” maar bedwong zich, en zeide—“voor haar brood zien werken. Kleed uzelve zoo zwierig als ge wilt, maar laat het kind met vrede.”

Lady Honoria was woedend, maar zij was ook een weinig bevreesd. Nooit had zij haar echtgenoot zoo hooren spreken, en in zijn toon was iets, wat zij niet recht begreep. Nog minder begreep zij hem, toen hij haar den daaropvolgenden Maandag zeide, dat hij vijftig pond te missen had, die zij kon besteden zooals zij verkoos, haar toen naar een modewinkel vergezelde, en koel glimlachte terwijl zij voor die som kant en borduursels kocht. Honoria dacht, dat het een vergoeding voor zijn scherpe woorden was, en een vergoeding was het ook, maar voor hemzelven, en in een andere beteekenis. Telkens gaf hij haar op die wijze geld. Geoffrey had daarbij een gevoel als een man, die een schuld van eer aflost. Zij had hem gedurig hun armoede verweten, en voor elk verwijt wilde hij haar overstelpen met alles, wat haar ziel verrukte. Hij wilde haar rijkdom laten zwelgen, evenals Koningin Tomyris, in de ure harer zegepraal, den dooden Cyrus menschenbloed deed zwelgen.

Het was een zonderlinge wijze van wraakneming, waar Lady Honoria niets tegen had; maar hoewel zij er niets van gevoelde, had Geoffrey er toch veel heimelijke voldoening van. Hij was ook nieuwsgierig om te zien of de zucht naar weelde van zulk een vrouw geen grenzen had, of zij niet eindelijk oververzadigd zou worden. Maar voor zulk een proefneming was Lady Honoria al zeer slecht geschikt. Zij gaf niet het minste blijk dat zij oververzadigd was, hetzij van opschik en kostbaarheden, of van vermaken.Een weelderig leven was haar element, en dat werd zij evenmin moede als men zou kunnen verwachten dat een visch het water, of een arend het luchtruim moede werd.

De winter ging voorbij en maakte plaats voor de lente. Op zekeren dag in April gaf Geoffrey, die uit overtuiging een gematigd liberaal was, te kennen, dat hij zich candidaat voor het Parlement wilde stellen, in het belang der Unionisten. Er was een zetel open gekomen voor de vertegenwoordiging van een der districten onder het gebied van de hoofdstad. Toevallig kende hij den leider der Unionistische partij zeer goed. Zij waren vrienden geweest sedert zij samen hadden schoolgegaan, en toen dit Parlementslid een schitterende redevoering van Geoffrey in het Gerechtshof had gehoord, was hij op den inval gekomen, dat zijn oude schoolmakker juist de man was, in wien een zwakke partij een krachtigen steun zou vinden.

Het gevolg was dat Geoffrey verzocht werd of hij zich candidaat wilde stellen, en hij antwoordde dat hij het twee dagen in bedenking moest nemen. Die twee dagen wilde hij eigenlijk hebben om Beatrice te schrijven en antwoord van haar te ontvangen. Hij stelde een bijna bijgeloovig vertrouwen in haar oordeel, en wilde niet gaarne handelen zonder haar gevoelen gevraagd te hebben. Na het voor en tegen gewogen te hebben, was zijn eigen meening dat hij wèl zou doen zich candidaat te stellen. Waarschijnlijk zouden er wel niet genoeg stemmen op hem uitgebracht worden, en het zou hem vijf honderd pond kosten. Maar daarentegen zou het zijn naam zeker bekend maken als politicus, en hij was nu op weg om zulk een ruim inkomen te verdienen, dat hij die som er wel aan kon wagen. Het eenige groote bezwaar, dat hij zag, was, dat als hij verkozen werd, hij den geheelen dag en ’s nachts ook zou moeten werken. Welnu, hij was sterk, en hoe meer werk hij had, des te beter—dat zou zijn gedachten afleiding geven.

Beatrice’s antwoord kwam. Haar zienswijze kwam met de zijne overeen; zij ried hem aan de gelegenheid te baat te nemen, en wees hem er op, dat er, met zijn toenemende vermaardheid alsrechtsgeleerde, geen staatspost was, waarnaar hij niet kon dingen, als hij eenmaal bewezen had een bekwaam Parlementslid te zijn. Geoffrey las dien brief door, en schreef zijn vriend onmiddellijk, dat hij de candidatuur aannam.

De volgende veertien dagen waren een zware tijd voor hem, maar Geoffrey was een even goed spreker op de tribune als in het Gerechtshof, en bovendien had hij er den onwaardeerbaren slag van, zich naar zijn toehoorders te kunnen voegen. Bij de stemwerving voor hem bleek het, dat de zaak der partij niet zoo hopeloos stond als men gedacht had. Zoowel de Unionisten als de Separatisten betoonden veel belangstelling in de verkiezing; van weerszijden werd beweerd, dat de stemming in hun voordeel zou uitvallen, en deHome Rule-partij spande al haar krachten tegen hem in. Brieven van groote autoriteiten werden gedrukt en verspreid. Iersche Parlementsleden, pas uit de gevangenis ontslagen, traden te voorschijn om hun grieven op te sommen. Er werd zelfs van gesproken, dat een hunner zich in de gevangeniskleeding op de tribune zou vertoonen—kortom, elke verkiezingsmachine bij de politieke wetenschap bekend, werd door alle partijen in werking gebracht.

Lady Honoria was eerst vrij onverschillig geweest, maar nu het eenmaal zoover gekomen was, zag zij in spanning den uitslag te gemoet. In dien verkiezingsstrijd was iets, dat haar persoonlijk een streelend gevoel van gewicht gaf. Op den dag der stemopneming reed zij den geheelen dag in een open rijtuig, onder een lichtblauwe parasol, met Effie (die zich niet weinig verveelde) naast zich, en twee edele Lords op de voorste bank. Het gevolg daarvan was, dat een zekere afdeeling van de pers verklaarde, dat de uitslag alleen te danken was aan de kuiperijen van een voorname en schoone vrouw. Men zeide zelfs, dat zij, evenals een andere dame van rang uit vroeger tijd, een slager gekust had, om zijn stem te winnen. Maar wie dat beweerden, kenden Lady Honoria niet; zij was niet in staat een slager, of wien ook, te kussen. Zoo iets viel niet in haar smaak.

Ten slotte werd Geoffrey verkozen met een meerderheid vantien stemmen. Den volgenden avond nam hij in het Lagerhuis zitting, onder luide toejuiching der Unionisten. In den loop der avond-debatten zinspeelde een regeeringslid op zijn verkiezing als een bewijs van de zegepraal der Unionistische beginselen. Daarop antwoordde een lid der Separatistische oppositie dat dit volstrekt het geval niet was, dat het “van algemeene bekendheid was dat de verkiezing van het geëerde lid was toe te schrijven aan de buitengewone bekwaamheid, door hem in den loop der stemwerving aan den dag gelegd, als ’t ware, geholpen door behendig aangewenden aristocratischen vrouwelijken invloed.” Dit was een kiesche zinspeling op Lady Honoria en haar blauwe parasol.

Toen Geoffrey en zijn vrouw, na den uitslag der stemopneming, naarBoltonStreet terugreden, had er een klein voorval plaats. Geoffrey beval den koetsier aan het eerste telegraafkantoor stil te houden; daar stapte hij uit en telegrafeerde aan Beatrice: “Verkozen met tien stemmen.”

“Aan wie hebt ge geseind, Geoffrey?” vroeg Lady Honoria.

“Aan Miss Granger,” antwoordde hij.

“Ei! Ge houdt dus nog correspondentie met dat schooljuffertje?”

“Ja,dat doe ik. Ik wenschte dat ik meer zulke correspondenten had.”

“Zoo! Ge zijt gemakkelijk te voldoen. Ik vond haar een van de onaangenaamste meisjes, die ik ooit ontmoet heb.”

“Dat bewijst dan niet veel voor uw smaak, Honoria.”

Zijn vrouw zeide verder niets, maar zij had er haar eigen gedachten over. Het lag niet in Honoria’s karakter jaloersch te zijn; daartoe was zij te koel en te onverschillig. Maar het beviel haar niet, dat een andere vrouw invloed had op haar echtgenoot, die, zooals zij nu begon te erkennen, een der uitstekendste mannen van zijn tijd was, en ook wel een van de rijkste en machtigste zou kunnen worden. Zij alleen had recht op hem, geen andere vrouw. Zij was niet gek, en zij zag wel, dat er tusschen die twee een groote vertrouwelijkheid moest bestaan. Anders zou hij er niet aan gedacht hebben, Beatrice op zulk een oogenblik te telegrafeeren.

Binnen een week na zijn verkiezing hield Geoffrey een redevoering. Het was geen lange, en ook niet over een zeer gewichtig punt; maar zij was zeer goed in haar soort, goed genoeg dat er woordelijk een verslag van werd gegeven, en wie er naar geluisterd hadden, erkenden dat zij te doen hadden met een nieuw man, die eenmaal een groot man zou worden.

De nu volgende maanden werkte Geoffrey zoo hard als iemand zelden werkt. Den geheelen dag was hij op zijn kamers of in het Gerechtshof, en ’s avonds zat hij in het Lagerhuis. Maar hoe weinig tijd hij ook voor zijn akten beschikbaar had, de belangen zijner cliënten verzuimde hij niet, en ook vond hij nog tijd om aan Beatrice te schrijven. Hij ging zelden uit, en behalve wanneer het voor zaken was, ging hij met weinigen om. Hij werd al meer en meer stil en teruggetrokken, zoodat hij eindelijk den naam kreeg van koel en stuursch te zijn. Maar dat was hij toch niet. Hij wijdde zich met hart en ziel aan zijn werk, met het vast besluit het tot den hoogsten trap te brengen. Hij wist, dat hij er weinig om geven zou als hij dien bereikt had, maar in het streven daarnaar vond hij een aangenamen prikkel.

Geoffrey was geen eerzuchtig man. Hij kende de dwaasheid van eerzucht te goed, en het einde er van stond hem altijd voor oogen. Dikwijls dacht hij, dat, als hij zijn lot had kunnen kiezen, hij gevraagd zou hebben naar een landelijke woning met een goeden tuin, vijfhonderd pond ’s jaars, en iemand om lief te hebben. Maar misschien zou hij zijn landelijke woning spoedig moede geweest zijn. Hij werkte om zijn gedachten te smoren, en in zekere mate gelukte hem dat ook. Maar hij had een gevoelig hart, en het verlangen naar sympathie, dat zijn geheime zwakheid was, kon hij niet smoren, hoewel zijn trotschheid niet gedoogde het te laten blijken. Wat gaf hij om zijn zegepralen, als hij niemand had om ze met hem te deelen? Alles, wat hij er van kon mededeelen, waren de vruchten, en die gaf hij mild genoeg. Voor zijn eigen genoegen besteedde Geoffrey weinig. Een zeker deel van zijn winst spaarde hij op, en het overige werd uitgegeven. In zijn huis waren vroolijke partijen aan deorde van den dag, maar de heer des huizes nam er weinig deel aan.

En wat was het geval? Hoe langer hij van Beatrice gescheiden bleef, des te sterker verlangde hij naar haar gezelschap. Wat hij ook deed, het baatte niet; hij kon dat lief gezichtje niet uit zijn gedachten zetten; het trok hem aan als de magneet de naald. Zijn voorspoed bracht hem geen geluk aan, behalve in dien zin dat hij geen geldzorgen had.

Menschen van een grover zedelijk gehalte kunnen ware voldoening smaken in wereldsche zegepralen, en eten, drinken en vroolijk zijn, want morgen sterven zij! Maar een man als Geoffrey leert spoedig, dat dit ook ijdelheid is. Integendeel, hoe meer hij zijn geest inspande, des te meer maakte weemoedigheid zich van hem meester. Als hij naar een dokter gegaan was, zou deze hem misschien gezegd hebben, dat zijn lever niet in orde was, en dat was ook wel mogelijk. Maar daar zou de zaak niet mee verholpen zijn. “Welk een wereld!” zou hij uitgeroepen hebben, “welk een wereld om in te leven, als iemands geluk van zijn lever afhangt!” Hij had zich de ongelukkige gewoonte eigen gemaakt alles van de zwartste zijde te zien; het verdrietige viel hem altijd in ’t oog.

Het was geen vreemd geval. Groote geesten zijn zelden gelukkig. Dat kunnen alleen eenvoudige, bekrompen zielen zijn. Maar een groote geest ziet te ver, en raadt te veel naar wat hij niet ziet. Hij ziet vooruit en aanschouwt het einde van zijn arbeid; hij ziet om zich heen, en huivert van de ellende eener zwoegende en worstelende wereld; het schouwspel van het beklagenswaardige bedelaarskind, dat op waggelende voetjes om brood smeekt, doorboort hem het hart. Hij kan zich niet troosten met de gedachte dat het kind maar niet geboren moest zijn, of dat hij, door zijn laatsten shilling te geven, de klasse, die het heeft voortgebracht, feitelijk toch niet zou helpen.

En boven het schitterend licht van aardsche vreugde en den donkeren walm van aardsche ellende, ziet hij het plechtig uitspansel, dat de toekomst van zijn geslacht bedekt houdt. Want voor zulk een man heeft ook de godsdienst zijn verschrikking zoowelals zijn hoop, des te meer naarmate het donkerder in zijn ziel wordt. Wat ligt daar achter dat geheimzinnig gewelf, waarvan hij het einde met elken dag nader komt, waarvan de poorten misschien nu reeds voor hem geopend worden? Honderd stemmen antwoorden, maar geen twee zijn het eens. Honderd handen wijzen honderd wegen van kennis aan—en halverwege verdwaalt hij er op. En onveranderlijk blijft dat strak overwelvend geestelijk uitspansel, waar geen lichtstraal door het nachtelijk duister heen dringt, en al nader en nader brengen zijn vermoeide voeten hem tot den westelijken gezichteinder.

’t Is bedroevend en ’t is verkeerd, maar het is niet geheel en al zijn schuld; veeleer is het de schuld van de eeuw, van overbeschaving, van een overdreven streven naar wijsheid. Kweek den onderzoekenden geest aan, en zijn banden worden hem te eng. De geest wil een hooger vlucht nemen, hij wil zien, maar het vleesch drukt hem neder, en in alle vleesch is weinig licht. Soms echter, in een onnatuurlijk hooge gedachtensfeer zwevende, meent hij een blik te slaan in een beangstigende toekomst, of misschien in de hopelooze duisternis van een oneindigen nacht.

O, benijdenswaardig is dat eenvoudig geloof, dat niet vraagt, niet onderzoekt! Daardoor alleen is vrede te vinden, en voor hen, die het dwazelijk vaarwel zeggen en er menschelijke wijsheid voor in de plaats stellen, zal het menschelijk lot weldra een langdurige vrees zijn. Wetenschappelijk ontwikkeld, en zwoegend onder den last van kennis, zullen zij hun oude goden verwerpen, en geen positief weten zal hun troost aanbrengen. De wetenschap, die hier en daar de donkerheid van het lot met haar electrisch licht bestraalt, geeft zich voor een leidstar uit. Maar zij is geen leidstar, zij is slechts een flikkerlicht. Bidden wij om duisternis, meer duisternis, opdat voor ons verblind gezicht haar licht niet slechts strekken moge om ons te doen zien, wat de Hoop den doodsteek geeft.

Zoo zocht ook Geoffrey een toevlucht voor zijn geestelijke eenzaamheid, maar zonder er een te vinden. De sympathie, waarnaarzijn hart haakte, en die hij niet had kunnen vinden bij devrouw, die zijn levensgezellin geworden was, had hij gevonden bij Beatrice, nadat hij door het huwelijk een onoverkomelijken scheidsmuur tusschen hen had gesteld. En toch verlangde hij zoo sterk naar haar gezelschap, dat het hem verontrustte. Hij had wel brieven van haar, maar wat zijn brieven! Een aanraking van een geliefde hand is wel duizend brieven waard. Te midden van al den roem, dien hij behaalde, was Geoffrey in zijn hart ongelukkig; en evenwel scheen het hem toe, dat, als hij Beatrice maar weer aan zijn zijde kon hebben, al was ’t slechts als vriendin, hij rust en vergenoegdheid had kunnen vinden.

Wanneer iemand zijn hart zóó op één doel heeft gezet, is zijn verstand spoedig overtuigd, dat het onschuldig, zelfs wenschelijk is, en meestal zullen de omstandigheden ook wel meeloopen om hem gelegenheid te geven, tot zijn ongeluk, dat zoo vurig begeerde doel te bereiken.


Back to IndexNext