Hoofdstuk XIX.Geoffrey krijgt bezoek.En Beatrice—was het haar in al die maanden beter gegaan? Helaas, geenszins. Zij had op dien herfstochtend van het afscheid-nemen met een bedrukt hart het Bryngelly-station verlaten, en bedrukt van hart was zij gebleven. Gedurende de lange wintermaanden waren droefheid en bitterheid haar deel geweest, en de blijde lente-tijd had die niet uit haar hart verdreven. Zij beminde hem, zij verlangde naar zijn tegenwoordigheid, en die was haar ontzegd. Wel verre dat de tijd die liefde deed uitslijten, scheen zij van week tot week toe te nemen. En toch zou zij het niet anders gewenschthebben. Liever wilde zij aldus door haar geweten en hopeloosheid gekweld worden dan de oorzaak van haar smart te missen.Eén troost had Beatrice echter, en ook slechts één: zij wist dat Geoffrey haar niet vergat. Dat zeiden haar zijn brieven. Die brieven waren alles voor haar—een vrouw kan meer troost aan een brief ontleenen dan een man. Bijna even aangenaam als ze te ontvangen, was het haar ze te beantwoorden. Zij was een goede briefschrijfster, maar dikwijls verscheurde zij wat zij geschreven had en begon weer opnieuw. In Bryngelly was niet veel nieuws; het was moeilijk haar brieven in een aangenamen toon te schrijven. In den geheelen aard van de zaak was ook iets, dat haar scheen te verlammen. Het was belachelijk zooveel te zeggen te hebben, en zoo weinig tekunnenzeggen. Niet dat Beatrice er minnebrieven van had willen maken—dat was nooit bij haar opgekomen, maar zij had willen schrijven, zooals zij met elkander gesproken hadden. Als zij dit echter beproefde, was de uitslag niet naar haar zin, de woorden zagen er op het papier zoo vreemd uit—zij kon ze niet afzenden.In Geoffrey’s snellen vooruitgang op den weg tot roem en fortuin stelde zij het levendigst belang, en zij verheugde zich er veel meer over dan hijzelf. Zij getroostte zich de verveling van de kolommen over de Parlementszittingen van het begin tot het einde te lezen, alleen maar om kans te hebben er zijn naam in te zien voorkomen of een redevoering, die hij gehouden had, vermeld te vinden. Ook in de verslagen der terechtzittingen zocht zij zijn naam niet te vergeefs.Maar het waren nare maanden, die zij had doorgebracht. ’s Morgens opstaan, de oude sleur van haar dagelijksche werkzaamheden, aan Geoffrey denken, vermoeid thuis komen en haar toevlucht zoeken in den slaap en van hem te droomen—zoo ging het den eenen dag voor, den anderen na. Dan kwamen er nog andere verdrietelijkheden bij. Om te beginnen, ging het in de pastorie van kwaad tot erger. De tienden kwamen bijna in ’t geheel niet in, en van dag tot dag werd hun armoede knellender. AlsBeatrice’s salaris er niet bij was geweest, zou het gezin niet geweten hebben, waarvan het langer moest bestaan. Zij gaf nu bijna alles aan haar vader, en hield er slechts een kleine som af voor haar noodzakelijke kleeding en zulke kleinigheden als postzegels en postpapier. Maar toch bromde Elisabeth over haar verkwisting dat zij nog maar voortging met een dagblad te koopen, en vroeg waar het toe diende elke week eensixpenceaan zulk een weelde te besteden. Doch Beatrice kon er niet toe besluiten van het blad, waarin zij nu en dan van Geoffrey melding gemaakt vond, af te zien.Owen Davies was ook een gestadig verdriet voor haar. Zijn verliefdheid op haar werd in ’t oogloopend; iedereen zag het, behalve haar vader. Granger’s geest was zoo vervuld van kwesties in verband met tienden, dat hij, gelukkig voor Beatrice, aan niets anders kon denken. Owen liep haar overal na; uren lang wachtte hij buiten de school of aan het hek der pastorie, alleen om haar eenige woorden toe te spreken. Soms, als zij eindelijk te voorschijn kwam, scheen hij met stomheid geslagen; dan zeide hij niets, maar zag haar met doffe oogen aan op een wijze, die haar ongerust maakte. Hij waagde het, wel is waar, nooit haar over liefde te spreken, maar zijn gezicht stond er naar alsof hij het doen wilde, wat bijna even erg was. Daar kwam nog bij, dat hij jaloersch was geworden.Het zaad, doorElisabethin zijn ziel gestrooid, had rijkelijk vruchten voortgebracht, hoewel Beatrice, natuurlijk, niet wist dat dit haar zusters bedrijf was.Denzelfden ochtend, toen Geoffrey vertrokken was, had Davies haar ontmoet, toen zij van het station terugliep, en vroeg haar of mijnheer Bingham weg was. Toen zij die vraag bevestigend had beantwoord, had zij hem duidelijk hooren mompelen: “Goddank! Goddank!” Later ontdekte zij ook, dat hij den brievengaarder had omgekocht om de brieven te tellen, die zij aan Geoffrey zond en van hem ontving.Dit alles was verontrustend voor Beatrice, maar het werd nogerger. Davies begon haar geschenken te zenden, eerst zoo iets als duiven en hoenders, die op een tentoonstelling van pluimgedierte bekroond waren, en later kostbaarheden. De duiven en hoenders kon zij niet terugzenden zonder dat het in ’t oogvallend geweest zou zijn, maar de kostbaarheden liet zij door een der schoolkinderen terugbrengen. Eerst kwam er een armband, toen een medaillon met zijn photographie er in, en eindelijk een kistje, dat, toen zij het openmaakte, waartoe nieuwsgierigheid haar bewoog, haar bijna door den glans van zijn inhoud verblindde. Het was een juweelen halssnoer, en nooit had zij zulke diamanten gezien, maar naar de grootte en den glans wist zij, dat elke steen wel honderd pond waard moest zijn. Beatrice stak het in haar zak en hield het bij zich, totdat zij hem ontmoette, wat, natuurlijk, in den loop van den namiddag het geval was.“Mijnheer Davies,” zeide zij, voordat hij spreken kon, en terwijl zij hem het pakje overhandigde, “dit is mij bij vergissing gezonden. Wilt gij zoo goed zijn het terug te nemen?”Hij nam het verlegen aan.“Mijnheer Davies,” ging zij voort, hem strak in de oogen ziende, “ik hoop dat zulke vergissingen niet meer zullen plaats hebben. Onthoud, als ’t u belieft, dat ik geen geschenken kan aannemen.”“Als mijnheer Bingham het u had gezonden, zoudt gij het wel aangenomen hebben,” mompelde hij wrevelig.Beatrice wierp hem zulk een vlammenden blik toe, dat hij terugdeinsde en haar verliet. Maar het was waar, en dat wist zij. Als Geoffrey haar eensixpencemet een gaatje er in had gegeven, zou zij dien hooger gewaardeerd hebben dan alle diamanten op de wereld. O, welk een toestand voor haar! Zij had het recht niet den echtgenoot van een andere vrouw te beminnen.Maar recht of onrecht, het was toch maar de waarheid: zij beminde hem.En het ergste was, zooals zij wel wist, dat vroeg of laat het voorgevallene met Davies, haar vader ter oore moest komen, en wat zou er dan gebeuren? Zooveel was zeker, dat hij in zijn armoedigentoestand hemel en aarde bewogen zou hebben om haar huwelijk met dien rijken man tot stand te brengen. Haar vader was nooit zeer nauwgezet geweest, als het op geld aankwam, en nu het geldgebrek zoo nijpend werd, zou hij het waarschijnlijk nog wel minder zijn.Dat dit alles de jaloersche oogen van Elisabeth niet ontsnapte, lijdt geen twijfel. Het zag er donker voor haar uit, maar zij was niet voornemens daarom de kaarten neer te werpen. Doch het was tijd om troef uit te spelen. Met andere woorden, Beatrice moest, in de oogen van Owen Davies schandelijk tentoongesteld worden, als zij dit op de een of andere wijze kon bewerken. Tot dusverre was alles goed gegaan voor haar plannen. Beatrice en Geoffrey beminden elkander, daar was Elisabeth zeker van. Maar het bestaan van die geheime, verborgen liefde zou niet baten, zoolang er geen openlijke bewijzen van waren. Het staat ieder vrij een geheime voorkeur te hebben, maar als er eenmaal aan toegegeven is, als een vrouw eenmaal in opspraak is gekomen, dan neemt de wereld de gelegenheid waar om haar te vertrappen. Welk man, dacht Elisabeth, zou met een vrouw willen trouwen, op wier goeden naam een smet kleefde? Als er een smet op Beatrice geworpen kon worden, zou Owen Davies haar niet tot vrouw nemen—dus moest zij in opspraak gebracht worden.Dat klinkt slecht en onnatuurlijk. “’t Is onmogelijk dat de eene zuster de andere zoo zou behandelen,” zullen de lezeressen van dit verhaal misschien zeggen, aan haar eigen zuster en haar hartelijke en rechtgeaarde omgeving denkende. Maar het is niet onmogelijk. Als gij, die twijfelt, de verslagen van de terechtzittingen wilt lezen—wat juist geen aangename lectuur voor u is—zult gij zien dat zoo iets wel mogelijk is. De menschelijke natuur kan tot een zeldzame hoogte stijgen, maar zij kan ook tot een laagte zinken, die beneden uw peil is. Omdat iets in uw eigen ondervinding zonder weerga is, volgt daaruit niet dat het niet waar kan zijn.Elisabeth was onmeedoogend; ja, wat meer is, zij werd door dekrachtige drijfveeren van hartstocht en hebzucht bewogen. Maar bij haar onmeedoogendheid paarde zij een groote mate van slimheid, of liever beredeneerdheid. Als zij een wilde was geweest, zou zij haar zuster wel spoedig uit den weg geruimd hebben; maar nu zij was wàt zij was, trachtte zij hetzelfde doel te bereiken door een middel, dat niet strafbaar voor de wet was, kortom, door haar goeden naam te vermoorden. Zouzijer verantwoordelijk voor zijn, als haar zuster den verkeerden weg opging en aldus geschandvlekt was in de oogen van den man, die haar tot vrouw wenschte te hebben, en met wien Elisabeth wilde trouwen? Natuurlijk niet, dat was Beatrice’s zaak. Maar zij kon haar alle gelegenheid geven om in verzoeking te komen, en dat was haar vast voornemen.De omstandigheden gaven haar daartoe spoedig gelegenheid. Het geldgebrek in de pastorie werd hoe langer hoe nijpender. Er was letterlijk niet meer genoeg om van te leven. Allen, die tienden moesten betalen, weigerden hardnekkig aan hun verplichtingen te voldoen. Toevallig was het er niet toe gekomen dat Jones, de man, die den afslager had doodgeschoten, terecht had gestaan. Kort na zijn inhechtenisneming stierf hij in een vlaag vandelirium tremens, en zoo werd er een voorbeeld gemist, dat, als hij behoorlijk was opgehangen, anderen wel van gewelddadig verzet tegen de wet afgeschrikt zou hebben. Granger was nu te arm om verder gerechtelijke vervolgingen in te stellen, waarvan, bij de gesteldheid der gemoederen in Wales, de uitslag toch twijfelachtig geweest zou zijn; hij kon zich slechts onderwerpen, en onderwerping was armoede. Hij was reeds bijna tot den bedelstaf gebracht. In dezen wanhopigen staat van zaken raadpleegde hij met Elisabeth, en hield haar voor, dat zij geld moesten zien te krijgen of van gebrek omkomen. De eenige mogelijke kans om geld te krijgen, was het leenen, en Granger sloeg voor bij Owen Davies aan te kloppen, die genoeg had. Dat zou hij reeds lang gedaan hebben als deSquireniet den naam had gehad van vrekkig te zijn.Maar die voorslag was geheel buiten Elisabeth’s boekje. Haar hoofddoel was geweest voor haar vader verborgen te houden datDavies het oog op Beatrice had geslagen, en elken dag vreesde zij, dat hij het uit een andere bron zou vernemen. Zij wist zeer goed, dat als haar vader naar het kasteel ging om geld te leenen, het hem geleend, of liever, vrijwillig genoeg gegeven zou worden; maar zij wist ook, dat de geldschieter deze gunstige gelegenheid zeker zou waarnemen om voor zijn wenschen betreffende de dochter van den leener uit te komen. Het eene zou natuurlijk tot het andere leiden, en de belofte van zijn aanzoek te ondersteunen zou een bewijs van erkentelijkheid voor het ontvangen geld zijn. Hoe gaarne die steun verleend zou worden, was ook in ’t oogspringend voor haar; en aan de eene zijde door haar vader, en aan de andere door Owen Davies gedrongen, hoe kon Elisabeth dan zeker zijn dat zij niet zou toegeven? Beatrice zou juist een meisje zijn om door een begrip van plicht overgehaald te worden. Haar vader zou haar zeggen, dat hij het geld op die voorwaarde gekregen had, en het was zeer mogelijk, dat haar trots haar er toe brengen zou om een aldus gegeven belofte te vervullen, hoe het haar persoonlijk ook tegenstond. Neen, haar vader moest tot elken prijs verhinderd worden hulp bij Owen Davies te zoeken. En toch moest het geld ergens van daan komen, of zij waren geruïneerd.Ha, zij had er iets op gevonden!—Geoffrey Bingham moest het geld leenen! Hij kon het nu wel missen, en zij vermoedde wel, dat het hem niet van zijn hart gescheurd zou worden als hij dacht dat hij, door het te geven, middellijk of onmiddellijk Beatrice kon helpen. Haar vader moest zelf naar Londen gaan om hem te spreken, geen brief schrijven; men weet nooit hoe een brief gelezen kan worden.Hij moest Bingham spreken, en hem, zoo mogelijk, in Bringelly medebrengen. In een oogenblik was elke bizonderheid van het plan Elisabeth duidelijk, en toen kwam zij er mee voor den dag.“Ge moet niet naar mijnheer Davies gaan, vader,” zeide zij, “hij is vrekkig en zou u weigeren, en dat zou u maar in een valsche positie brengen; gij moet naar mijnheer Bingham gaan.Luister: hij is nu rijk, en hij houdt veel van u en van Beatrice. Hij zal u wel dadelijk honderd pond leenen. Morgen, met den eersten trein, moet gij naar Londen gaan, regelrecht naar zijn kamers rijden en hem te spreken vragen. Heen en terug zal twee pond kosten maar dat is niet te verhelpen; ’t is veiliger dan schrijven, en ik ben zeker dat gij geen vergeefsche reis zult doen. En weet gij wat gij doen moet, vader: ge moet mijnheer Bingham meebrengen als gij kunt, om hier eenige dagen te logeeren. Dat zal een kleine vergelding voor zijn goedheid zijn, en ik weet dat hij niet wèl is. Beatrice heeft een brief van hem gehad, waarin hij zeide, dat hij zich overwerkt had en wat rust zou moeten nemen. Breng hem hier, om de Pinksterdagen door te brengen.”Granger aarzelde, maakte bedenkingen, en gaf eindelijk toe. De zwakke, ontevreden, oude boer-predikant, uitgeput door dagelijksche zorgen, en zonder door zedelijke kracht ondersteund te worden, was niets anders dan een werktuig in Elisabeth’s handen. Hij zag er wel niets vernederends in, te beproeven of hij geld te leen kon krijgen, want zoo fijn van gevoel was hij niet, en geldzorgen hadden hem ook niet al te kiesch gemaakt; maar hij had geen zin in de reis naar Londen, waar hij in geen twintig jaar geweest was, en de kosten, die er mede gepaard gingen. Hij liet zich evenwel door Elisabeth raden, zelfs om den tocht voor Beatrice geheim te houden. Beatrice was, zooals haar zuster verklaarde, zoo trotsch als Lucifer, en zou misschien bezwaren opperen als hij naar Londen ging om geld van mijnheer Bingham te leenen. Dat zou zij dan ook zeker gedaan hebben.Den volgenden namiddag—het was de Vrijdag voor Pinkster en de laatste dag van de Voorjaars-assises—zat Geoffrey op zijn bureau, in een neerslachtige stemming, totaal uitgeput door overspanning. Hij stond een cliënt te woord, een stijfhoofdigen Norfolkschen pachter, die zijn eigen landheer, wegens een klein verschil, een proces wilde aandoen, en met zijn zaakwaarnemer bij hem was gekomen om hem daarover te raadplegen. Geoffrey had hem met eenige korte, duidelijke woorden de ongerijmdheidvan de geheele zaak aangetoond en hem sterk een minnelijke schikking aangeraden. Maar de pachter was daarmede niet voldaan, en de zaakwaarnemer beproefde nu het zuivere licht der wet in de donkerheid van zijn gekrenkte ziel te laten schijnen.Geoffrey liet zich in zijn stoel achterover zakken, streek het haar van zijn voorhoofd, en hield zich alsof hij luisterde. Maar in een oogenblik was zijn geest ver afgedwaald. Hemel, wat was hij vermoeid! Nu, hij zou voor eenige dagen rust hebben—tot Donderdag, wanneer hem een gewichtige zaak wachtte. Wat zou hij in dien tusschentijd doen om zich te verpoozen? Honoria wenschte bij haar broeder, LordGarsington, te gaan logeeren, en—wat wonder was—zij wilde Effie meenemen. Dat beviel hem wel niet, maar hij begreep dat hij toch maar moest toestemmen. In allen gevalle, ginghijniet mee. Hij konGarsington,Dunstanen hun heele kliek niet dulden. Zou hij naar Bryngelly gaan? De verzoeking was zeer sterk; dat zou een waar genoegen voor hem zijn; maar zijn verstand kwam er tegen op. Neen, het was beter dat hij daar niet heen ging. Als Beatrice wenschte dat hij kwam, zou zij het wel geschreven hebben, en zij had er zelfs nooit een wenk van gegeven, en al had zij dat gedaan, geloofde hij dat hij toch niet gegaan zou zijn. Maar hij had geen lust ergens anders heen te gaan. Hij zou maar in stad blijven, zijn rust nemen en een roman lezen, want daar achtte Geoffrey zich niet boven verheven, als hij den tijd had. Misschien zou hij wel in staat geweest zijn er zelf een te schrijven. Op dit oogenblik kwam zijn klerk binnen en overhandigde hem een strookje papier, waarop eenige woorden geschreven waren. Hij las:“Dominé Granger om u te spreken. Ik heb hem gezegd dat gij bezig waart, maar hij zeide dat hij dan wel zou wachten.”Geoffrey onthutste hevig—zoo hevig, dat de zaakwaarnemer en de stijfhoofdige pachter beiden opzagen.“Zeg dien heer dat ik hem dadelijk zal ontvangen,” zeide hij tot den klerk, die zich verwijderde, en toen voegde hij den pachter toe: “Welnu, goede vriend, ik heb u alles gezegd wat ik te zeggen heb.“Ik kan u niet raden deze actie door te zetten. Als gij dat doen wilt, moet gij een anderen advocaat nemen, want ik wil geen deel hebben aan iets, wat niet anders dan geld verspillen kan zijn. Goeden middag,” en hij stond op.De pachter ging brommend heen. Een oogenblik later kwam Granger binnen, in een vrij kale zwarte jas gekleed, en zijn dun wit haar, als gewoonlijk, over zijn oogen hangende. Geoffrey beschouwde hem met ongerustheid, en merkte op dat hij in de laatste zeven maanden niet weinig verouderd was. Kwam hij hem slecht nieuws van Beatrice vertellen—dat zij ziek of dood was, of dat zij trouwen ging?“Hoe gaat het u, mijnheer Granger?” zeide hij, hem de hand toestekende, en zijn stem zoo goed als hij kon bedwingende. “Hoe gaat het? Dat is een onverwacht genoegen.”“Hoe vaart gij, mijnheer Bingham?” sprak de oude man, terwijl hij zenuwachtig op een stoel plaats nam, en met bevende hand zijn hoed op den vloer naast zich zette. “Ja, dank u, ik ben redelijk wel, niet al te best—ik verga van zorg en kommer.”“Ik hoop toch dat Miss Elisabeth en Be—dat uw dochters ook wèl zijn?” zeide Geoffrey, niet in staat zijn ongerustheid te bedwingen.“Ja, ja, dank u, mijnheer Bingham. Elisabeth is ook niet al te best; zij klaagt over pijn in de maag, wat hinder van de gal misschien—zij heeft in het voorjaar altijd hinder van de gal.”“En Miss Beatrice?”“O, die is, geloof ik, wèl—heel stil, weet ge, en zij ziet wat bleek; maar zij is altijd zoo stil—een raar meisje, die Beatrice, mijnheer Bingham, een heel raar meisje! Ik begrijp haar niet, en ik probeer ook maar niet eens haar te begrijpen. Zij is heel anders dan andere meisjes, zij schijnt in niets plezier te hebben. Niemand begrijpt Beatrice.”Geoffrey slaakte een zucht van verlichting. “En hoe gaat het met de betaling van de tienden, mijnheer Granger? Ook niet alte best, vrees ik. Ik heb gezien dat die schurk Jones in de gevangenis gestorven is.”Granger werd dadelijk wakker. Eerst had hij maar zoowat in ’t wild gezegd: over zijn dochters te spreken was geen onderwerp, waarin hij veel belang stelde. De geldkwestie was het voornaamste. En dat was ook niet te verwonderen; de arme oude man had zóó lang over geld gedacht, dat er in zijn bekrompen geest nauwelijks plaats voor iets anders overschoot—al het overige ging hem langs zijn koude kleeren. Hij deed een lang verhaal van zijn grieven, haalde een papier uit zijn zak te voorschijn, en wees Geoffrey met een bevenden vinger aan, dat zijn kerkelijk inkomen in de laatste zes maanden maar op veertig pond ’s jaars te staan kwam, van welke som zelfs een Welsch predikant niet leven kon. Geoffrey luisterde en symphathiseerde met hem; toen volgde er een poos stilzwijgen.“En zoo sukkelen wij in Bryngelly voort, mijnheer Bingham,” begon Granger; “’t is armoe troef. Terwijl gij geld verdiend hebt en een groot man geworden zijt, zitten wij erger dan ooit op het droge. Als wij Beatrice’s salaris er niet bij hadden—en met haar salaris handelt zij heel mooi, dat moet ik zeggen; ik weet niet hoe de arme meid zich nog kan kleeden van wat zij er voor zichzelve van behoudt. Den heelen winter heeft zij zonder een warmen mantel geloopen—dat weet ik, omdat zij er kou door heeft gevat. Ja, zonder haar salaris zouden wij reeds lang in het werkhuis zitten, en daar komen wij toch nog in;”en hij streek met den rug van zijn dorre hand over zijn oogen.Dat was te erg! Bij het denkbeeld dat Beatrice nauwelijks genoeg had om zich te kleeden—dat Beatrice ziek werd door gemis van een mantel, terwijlhijin weelde leefde, voelde Geoffrey zijn hart als dichtgenepen. In het eerste oogenblik kon hij niets zeggen.“Ik ben hier gekomen—ik kom,” ging de oude man voort met een haperende stem, niet zoozeer van schaamte over zijn verzoek, als wel van vrees dat het hem geweigerd zou worden, “om ute vragen of ge mij wat geld zoudt kunnen leenen. Ik weet niet tot wien ik mij wenden moet, dat weet ik waarlijk niet, anders zou ik het niet gedaan hebben, mijnheer Bingham. Ik heb mijn laatste pond uitgegeven om hier te komen. Als ge mij honderd pond kunt leenen, zal ik u een briefje van mijn hand geven om het u bij kleine gedeelten terug te betalen; wij zouden er twintig pond ’s jaars van Beatrice’s salaris voor kunnen afnemen—”“Spreek, als ’t u belieft, van zoo iets niet!” riep Geoffrey met afschuw uit. “Waar duivel is mijncheckboek?O ik weet het, ik heb het in Bolton Street gelaten. Hier, dit zal even goed zijn,” en hij schreef snel een wissel aan zijn order, dien hij endosseerde en Granger overhandigde. De oude man nam den wissel aan, hield hem dicht bij zijn oogen, en zag dat het bedrag £ 200 was.“Maar dat is het dubbele van wat ik gevraagd heb,” zeide hij twijfelachtig. “Moet ik u £ 100 teruggeven?”“Neen, neen,” antwoordde Geoffrey: “gij hebt zeker wel eenige schulden te betalen. Den Hemel zij dank, ik kan dat geld wel missen, en ik verdien meer dan ik noodig heb. Niet genoeg kleeren!—’t is verschrikkelijk om aan te denken!” liet hij er op volgen, meer bij zichzelven dan tot zijn toehoorder.De oude man stond op, met de oogen vol tranen. “God zegene u!” zeide hij, “God zegene u! Ik weet niet hoe ik u danken moet—waarlijk niet,” en hij greep Geoffrey’s hand en drukte die tusschen de zijne.“Spreek er niet verder over, mijnheer Granger; ’t is een zaak van wederzijdsche verplichting. Neen, neen, ik wil geen briefje van uw hand hebben. Als ik kwam te sterven, zou er tegen u gebruik van gemaakt kunnen worden. Ge kunt het mij terugbetalen wanneer het u schikt.”“Gij zijt al te goed, mijnheer Bingham,” hernam de oude predikant. “Waar zou een ander te vinden zijn, die mij £ 200 zonder securiteit zou willen leenen?” (Ja juist, waar!) “A propos,” liet hij er op volgen, “dat vergat ik nog—ik ben zoo in de war. Wilt gij voor eenige dagen met mij naar Bryngelly meegaan? Het zalons allen zoo aangenaam zijn u te zien. Doe het, mijnheer Bingham; gij ziet er uit, alsof gij wel eenige verandering noodig hadt.”Geoffrey liet zijn hand zwaar op de lessenaar vallen. Nog geen half uur te voren had hij besloten niet naar Bryngelly te gaan. En nu—Het visioen van Beatrice rees hem voor den geest. Beatrice, die den geheelen winter kou had geleden, en hem nooit een woord van hun nijpende armoede gezegd had! Het verlangen om haar te zien was in zijn hart gewekt, en al de redeneeringen van het verstand moesten er voor zwichten. De verzoeking overweldigde hem; hij streed er niet langer tegen.“Gaarne,” zeide hij bedaard, zijn gebogen hoofd opheffende. “Ja, dat kan ik wel doen. In de eerste dag of wat wacht mij toch niets bizonders. Wanneer gaat gij terug?”“Ik had er over gedacht met den laatsten trein te gaan, maar ik ben zoo vermoeid. Ik weet het waarlijk niet. Ik denk dat ik morgenochtend met den trein van negen uur zal gaan.”“Dat schikt mij zeer goed,” zeide Geoffrey, “en wat zult ge nu van avond doen? Ge moest maar bij mij komen dineeren en den nacht doorbrengen. Niet gekleed, zegt gij? O, dat doet er niet toe; er komt wel gezelschap, maar dat zal daar niet op letten; een predikant is altijd gekleed. Ga maar mee, en dan zal ik u voor dien wissel contanten geven, want de bank is nu gesloten en morgen vóór negenen nog niet open.”Hoofdstuk XX.In Bryngelly terug.Geoffrey en Granger kwamen omstreeks zes uur in Bolton Street aan. De gezelschapskamer was nog vol bezoekers. Lady Honoria’saanhang van jongelieden kwam in die dagen trouw op. Het waren zeer onschadelijke jongelieden, en Geoffrey had niets bizonders tegen hen. Hij vond het alleen maarmoeilijkal hun namen te onthouden. Toen Geoffrey en Granger de gezelschapskamerbinnenkwamen, waren er niet minder dan vijf, benevens een paar dames, prachtig gekleed, en die beeldsprakig aan Honoria’s voeten zaten. Tot het algemeen genoegen droegen zij juist niet veel bij, want haar Ladyschap voerde meestal het woord alleen.Geoffrey stelde Granger voor, dien Honoria zich eerst niet scheen te kunnen herinneren. Ook was zij er niet bizonder mee ingenomen toen zij vernam dat hij zou blijven dineeren en dien nacht logeeren. De jongelieden verdwenen bij Geoffrey’s komst als nevelen voor de opkomende zon. Hij groette hen beleefd genoeg, maar zij hadden niets met hem gemeen. Om de waarheid te zeggen, waren zij een weinig bang voor hem. Die man met zijn knap, donker gelaat, dat den stempel van verstand droeg, zijn forschgebouwde gestalte (naar hun maatstaf slecht gekleed) en zijn groote en toenemende vermaardheid, was iemand, met wien zij niet sympathiseerden, en dien zij gevoelden dat voor hen ook geen sympathie had. Wij spreken alsof er voor ons allen één hemel en één hel is, maar dat is onjuist. Een onoverkomelijke kloof gaapt tusschen de verschillende soorten van menschen. Wat heeft zulk een man als Geoffrey te maken met de onbeteekenende mannelijke en vrouwelijke vlinders van een Londensch salon? Er is slechts één band tusschen hen: zij zijn bewoners van dezelfde planeet.Toen de saletjonkers en de dames verdwenen waren, bracht Geoffrey zijn gast naar zijn kamer. Beneden gekomen, vond hij Lady Honoria in zijn studeerkamer op hem wachten.“Blijft dat individu werkelijk hier dineeren en logeeren?” vroeg zij.“Zeker, Honoria, maar hij heeft geen zwarten rok bij zich,” antwoordde Geoffrey.“Maar dat is al te erg van u,” zeide de dame, met wel eenigszins begrijpelijken wrevel. “Hoe kunt ge zoo iemand meebrengen? Een Welsch predikant, die niet de minste aanspraak op den naamvangentlemankan maken, te dineeren te vragen, als de Eerste Minister en een bisschop komen—en dat nog wel een predikant zonder zwarten rok! Hij zal een steen des aanstoots aan tafel zijn. Wat kwam hij bij u doen?”“Hij kwam mij over zaken spreken; en wat de andere gasten betreft—als het hun niet bevalt met hem aan tafel te zitten, kunnen zij er over brommen als zij thuis komen. A propos, Honoria, ik ga morgen voor een paar dagen naar Wales. Ik moet verandering hebben.”“Zoo! Ge gaat zeker die lieve Beatrice eens bezoeken? Ge moogt wel voorzichtig zijn, Geoffrey. Dat meisje zal u in ongelegenheid brengen, en als zij dat doet, zal men u met den vinger nawijzen. Ge hebt vijanden genoeg, dat kan ik u verzekeren. Ik ben niet jaloersch, dat ligt niet in mijn aard, maar ge zijt veel te intiem met dat meisje, en eenmaal zal het u berouwen.”“Gekheid,” zeide Geoffrey toornig, maar niettemin gevoelde hij dat Lady Honoria ware woorden had gesproken, en in haar toon lag ook een zekere vaste overtuiging. Evenwel wilde hij nu niet meer terugtreden. Hij had er zijn hart op gezet Beatrice weder te zien.“Moet ik begrijpen,” ging zijn vrouw voort, “dat ge er nog tegen hebt dat ik bij de Garsingtons ga logeeren? Mij dunkt, ’t is wel wat hard, als ik er geen beweging over maak dat gij uw dorpsschoone gaat zien, dat gemijdan niet zoudt vergunnen mijn eigen broeder te bezoeken.”Geoffrey gevoelde dat hij een accoord moest maken. Het was wel vernederend, maar in zijn verzotheid gaf hij toe.“Ga, als ge wilt,” zeide hij kortaf, “maar als ge Effie meeneemt, let er dan op dat er behoorlijk zorg voor haar gedragen wordt;” en meteen liep hij de kamer uit.Lady Honoria zag hem na, en zeide bij zichzelve, langzaam met het hoofd knikkend: “Ei, ei, nu weet ik hoe ik u behandelen moet. Ge hebt even goed uw zwakke punt als andere menschen, mijnheer Geoffrey, en dat wordt gespeld Beatrice. Maar ge moet niet tever gaan. Ik ben niet jaloersch, maar ik wil geen schandaal hebben—voor geen vijftig Beatrices. Ik wil niet toelaten dat ge uw naam en positie te grabbelen gooit. ’t Is al te gek dat zoo’n man als hij van liefde kwijnt voor een dorpsmeisje! En dan zegt men nog dat hij zoo knap is! Hij heeft altijd veel van het gezelschap van dames gehouden; dat is een gebrek van hem, en nu heeft hij zijn vingers gebrand. Dat doen die knappe mannen altijd, vroeg of laat. De vrouwen vleien hen, daar komt het van. Natuurlijk zoekt het meisje hem in te pakken, en zij kon wel erger doen, maar zoo zeker als mijn naam Honoria Bingham is, ik zal er wel een stokje voor steken. Ba! En dan lacht men nog om de macht der vrouw, terwijl zoo’n man van aanzien als Geoffrey, verliefd wordt op een mooi gezichtje; ’t is eenheelmooi gezichtje, dat moet ik zeggen. Ik geloof, als ik hem niet in den weg stond, dat hij met haar zou trouwen. Maar ik sta in den weg, en ben voornemens in den weg teblijvenstaan. Maar, komaan, ’t is tijd om mij voor het diner te kleeden. Ik hoop maar dat die oude vlegel van een predikant niets bespottelijks doet. Ik zal verontschuldigingen voor hem moeten maken.”Tegen het bepaalde uur voor het diner—het was nu kwart over achten—verzamelden zich de gasten, allen beschaafde en meer of minder voorname personen. Granger kwam te voorschijn in zijn kale zwarte jas, maar, om hem wat op te knappen, met een paar gelakte schoenen van Geoffrey te hulp gekomen. Zooals wel te verwachten was, schenen de voorname personen niet verbaasd over zijn aanwezigheid te zijn, of bizonder notitie van zijn kleeding te nemen, want zulke lieden zijn nooit verbaasd. Een Zoeloe-opperhoofd in vollen krijgsdos zou slechts vriendelijke belangstelling in hun gemoed wekken. Integendeel vonden zij den ouden man een soort van curiositeit, en als zoodanig de kennismaking wel waard. De Eerste Minister verzocht zelfs, toen hij hoorde dat die vreemde heer een predikant uit Wales was, aan hem voorgesteld te worden, en knoopte dadelijk een gesprek met hem aan over tienden—een onderwerp, waarin Granger volkomen thuis was.Toen men aan tafel ging, geleidde Granger de vrouw van den bisschop, een dikke dame, die eenigszins aanleg voor een beroerte had en met een uitmuntenden eetlust gezegend was. Aan zijn andere zijde zat deEersteMinister, en tusschen die twee in, maakte hij het zeer goed, vooral na eenige glazen wijn gedronken te hebben. Zoowel de dikke vrouw van den bisschop als het hoofd van Harer Majesteits regeering verklaarden later dat dominé Granger een zeer onderhoudend man was. Den eerstgenoemde vertelde hij in alle bizonderheden hoe zijn dochter hun gastheer het leven had gered, en met den laatstgenoemde redeneerde hij over tienden, en gaf hem zijn meening te kennen welke wetgeving op dit punt noodzakelijk was. Eenigszins tot zijn verbazing, bleek het hem dat zijn zienswijze met aandacht, en zelfs met zekeren eerbied, werd aangehoord. In de hoofdzaak werden zij ook ondersteund door den bisschop, voor wien tienden insgelijks een punt van levendige belangstelling waren. Nooit te voren had Granger zulk een goed diner gehad of met zulk voornaam gezelschap omgegaan. Zijn leven lang vergat hij het niet.Den volgenden ochtend vertrok Geoffrey met Granger, voordat Lady Honoria op was. In de bizonderheden van hun lange reis naar Wales behoeven wij niet te treden.Geoffreyhad veel om over te denken, maar zijn vrees was verdwenen, zooals wel meer het geval is, wanneer het oogenblik, waar men tegen opziet, nadert, en door nieuwsgierige verwachting vervangen. Hij zag nu, of meende te zien, dat hij een berg van een molshoop had gemaakt. Waarschijnlijk had het niets te beteekenen. Beatrice hield ongetwijfeld wel van hem; mogelijk had zij zelfs een vlaag van teederheid voor hem gevoeld. Zoo iets komt, en zoo iets gaat. De tijd is een uitmuntend heelmeester voor zedelijke wonden, en weinig jonge dames dragen de kluisters van een onwenschelijke gehechtheid langer dan zeven maanden. Het deed hem bijna blozen dat hij zulk een mogelijkheid had kunnen vooronderstellen—een vooronderstelling, die niets anders was dan het uitvloeisel van zijn ijdelheid, en waar Beatrice, als zij het geweten had, met verontwaardiging om gelachen zou hebben.Hij herinnerde zich hoe hij eens, toen hij nog zeer jong was, verliefd was geweest op zekere dame, die, naar haar woorden en daden te oordeelen, zijn liefde zeker wel beantwoordde. En hij herinnerde zich ook dat die dame, toen hij haar eenige maanden later ontmoette, hem met koele onverschilligheid, ja bijna smadelijk, bejegend had, en hij er zich over verbaasd had hoe iemand zich in een geheel ander licht kon vertoonen, totdat hij eindelijk, teleurgesteld en gekrenkt, en zich schamende dat hij zich zoo in haar vergist had, woedend was weggeloopen en haar nooit had wedergezien. Dat had hij, natuurlijk, aan vrouwelijke trouweloosheid van karakter toegeschreven; zij had hem voor den gek gehouden, dat was haar eenige bedoeling geweest. Nu zou zij lachen om zijn vernedering. Het kwam niet bij hem op, dat het eenvoudig nukkigheid had kunnen zijn, of dat zij niet werkelijk veranderd was, maar zich om de een of andere reden, die zij niet verkoos te laten blijken, door hem beleedigd achtte. ’t Is moeilijk de beweegredenen der vrouwen in de schaal van mannelijke ondervinding te wegen, en menig ander man, behalve Geoffrey, heeft zich genoodzaakt gezien die poging op te geven en zich te troosten met de gedachte dat het onverklaarbare dikwijls niet waard is begrepen te worden.Ja, waarschijnlijk zou het nu weer hetzelfde geval zijn. En toch, en toch—was Beatrice van dat soort? Bezat zij niet te veel degelijkheid van karakter om zulke kuren te hebben? In den grond zijner ziel dacht hij dit wel, maar hij wilde het zichzelven niet bekennen. Het geval was eigenlijk dat hij, half onbewust, zijn geweten in slaap zocht te sussen. Hij wist dat hij, in zijn verlangen om haar te zien, iets gevaarlijks had ondernomen. Hij zou met haar over een afgrond loopen op een brug, die hen misschien zou kunnen houden of—misschien zou breken. Zoolang hij daar alleen op liep, zou het goed gaan, maar zou die brug hen beiden kunnen houden? Ach, zoo zwak is de menschelijke natuur, dit was de waarheid; maar dat wilde hij niet erkennen. Hij ging niet naar Beatrice omdat hij verliefd op haar was, maar alleen om het genoegenvan haar gezelschap te smaken, maakte hij zichzelven wijs. In vriendschap kon toch geen kwaad steken.’t Is niet moeilijk de stem van het geweten aldus tot zwijgen te brengen, vooral wanneer de bewuste zaak, ten ergste genomen, veeleer zondigen tegen plaatselijk gebruik dan tegen de natuurlijke wet is. In vele landen der wereld—ja, in bijna alle landen, in verschillende tijdperken hunner geschiedenis—zou het niets onbehoorlijks geweest zijn dat Geoffrey en Beatrice elkaar beminden, en het menschelijk hart is in sterke verzoeking zoo geneigd over de slagboomen van maatschappelijke instellingen heen te springen. Maar, zooals wij weten, alles is wel hoorbaar maar niet oorbaar. Een daad te bedrijven of zelfs maar te vergoelijken, omdat er op het beginsel, dat haar als slecht stempelt, is af te dingen, is louter sophisme, waardoor wij ons het recht zouden toekennen de meeste wetten van elke soort te trotseeren. De wetten zijn verschillend naar den aard van het bestaand geslacht, maar elk geslacht moet zijn eigen wet eerbiedigen, of het zou verwarring geven. Een daad moet beoordeeld worden naar zijn vruchten; zelfs kan zij op zichzelve onschuldig zijn, en toch is de bedrijver er van in zekeren zin schuldig, als zij kwade vruchten voortbrengt.Liefdesbetrekking tusschen een vrouw en een man, die reeds gehuwd is, berokkent allen, die er in betrokken zijn, meestal verdriet en onheil, inzonderheid de vrouw, wier toekomst er misschien onherstelbaar door bedorven is. ’t Is vruchteloos op het voorbeeld van de aartsvaders, van vorstelijke families en vele fatsoenlijke Turken te wijzen; het baat niet, aan te voeren dat die liefde een zuivere, innige is, waarvoor een man of een vrouw zou willen leven of sterven; of eenzaamheid, gemis van sympathie en dat het bestaand huwelijk maar een huwelijk in naam is, als verschoonende omstandigheden te willen laten gelden. Veel schandelijks en onzedelijks wordt, èn bij mannen èn bij vrouwen, door de vingers gezien—maarditniet.Zulke bedoelingen had Geoffrey echter geenszins. De meeste menschen maken geen plannen van dien aard. Als zij vallen, ishet wanneer de stem van het geweten verloren gaat in den dwarrelwind der hartstochten, en de waarschuwingen van het verstand overschreeuwd worden door de drogredenen van het hart. Hun grootste misslag is dat de meesten zich in toestanden laten brengen, die voor zulke heillooze invloeden gunstig zijn. ’t Is niet veilig in een kruitmagazijn cigarettes te rooken. Als Geoffrey gedaan had wat hij had behooren te doen, zou hij niet naar Bryngelly terug zijn gegaan, en dan zou er geen geschiedenis te verhalen zijn, of, ten minste, niets bizonders.Eindelijk kwam Granger met zijn gast te Bryngelly aan; er was niemand om hen op te wachten, want niemand wist dat zij kwamen, dus liepen zij naar de pastorie. Het wekte een zonderling gevoel in Geoffrey tusschen die welbekende pijnboomen door, die kleine kerk voorbij te gaan en dat lage, langwerpige huis te zien. Het kwam hem zoo verwonderlijk voor dat alles nog juist zoo was als het geweest was, dat er niet de minste verandering was te bespeuren terwijl hijzelf zooveel gezien had. Daar was Beatrice’s woning: waar was Beatrice?Als in een droom, trad hij het huis binnen. Een oogenblik later was hij in de huiskamer, waar hij zoo menig aangenaam uurtje had doorgebracht, en Elisabeth begroette hem. Hij gaf haar de hand, en terwijl hij dat deed, merkte hij op dat zij volstrekt niet veranderd was. Haar strookleurig haar was nog op dezelfde wijze naar achteren gestreken; om haar mond speelde nog dezelfde scherpe glimlach, haar lichtgrijze oogen hadden nog dezelfde koele uitdrukking, zij droeg zelfs nog hetzelfde bruine kleed. Maar het scheen haar veel genoegen te doen hem te zien, en dat was ook zoo, want het spel stond goed voor Elisabeth. Haar vader gaf haar een haastigen kus, en liep met veel drift de kamer uit om zijn geleend geld weg te sluiten, zoodat hij hen te samen alleen liet.Zonderling dat Geoffrey, die anders zoo welbespraakt was, ditmaal geen woorden wist te vinden om een gesprek aan te knoopen. Waar was Beatrice? In de school kon zij niet zijn; het was vacantie. Zou zij hier niet meer wonen?Hij wist niets anders te zeggen dan op een afgetrokken toon de aanmerking te maken dat alles te Bryngelly nog bij het oude gebleven scheen te zijn.“Gij zoekt Beatrice,” zeide Elisabeth, meer op zijn gedachten dan op zijn woorden antwoordende. “Zij is gaan wandelen, maar ik geloof dat zij wel spoedig zal terugkomen. Neem mij niet kwalijk dat ik u alleen laat, maar ik moet uw kamer in orde brengen.”Geoffrey draalde nog een weinig; toen stak hij een pijp op, en wandelde langs het strand, in de heimelijke hoop van Beatrice te ontmoeten. Hij ontmoette Beatrice echter niet, maar den ouden Eduard, die hem terstond herkende.“Wel, mijnheer,” zeide hij, “het doet me pleizier u hier terug te zien, vooral als ik bedenk hoe ik u voor het eerst zag, zoo goed als dood, met Miss Beatrice, die u bij de haren hield. Het scheelde dien avond al heel weinig of ge waart er om koud geweest. En zoo zijt ge dan gespaard gebleven, om lid van het Parlement te worden, heb ik gehoord, en daar kunt ge veel goeds doen—het zal u heel wat tijd kosten, mijnheer. Kijk, ik zou wel op uw gezondheid willen drinken.”Geoffrey stak de hand in zijn zak en gaf den ouden man een sovereign. Dat kon nu wel lijden.“Gaat Miss Beatrice nog weleens uit roeien?” vroeg hij, terwijl Eduard verbaasd zijn dank mompelde.“Zoo nu en dan, mijnheer—dank u vriendelijk; het gebeurt me ook niet alle dagen dat ik een sovereign krijg—maar ik wou liever dat zij het niet deed. Ik zou dat wrakke oude ding wel aan spaanders willen slaan—’t is gevaarlijk. Eenmaal gebeurt er weer een ongeluk mee, en dan loopt het niet zoo goed af. Maar dat is nu zoo haar manier van plezier hebben. Zij is een rare, die Miss Beatrice, en zij wordt hoe langer hoe raarder, nu zij in de pastorie zoo krap zitten, zonder tienden en zoo ’t een en ander. Ik houd het er voor,” ging hij op een gewichtig fluisterenden toon voort, “dat deSquireer wat mee te maken heeft. Hij vrijt naarhaar; hij is zoo tuk op haar als een haai op een haring, en waarom zij geen ja zegt en met hem trouwt, begrijp ik niet.”“Misschien houdt zij niet van hem,” zeide Geoffrey koel.“Dat kan wel wezen, de meisjes hebben zoo haar grillen, maar ’t is toch jammer. Hij is wel geen schrandere bol, dat is waar; maar hij is een braaf man—geen meisje kan een braver man verlangen—hij heeft altijd stil en bedaard geleefd, ziet ge, mijnheer, en wat meer is, hij heeft geld, en in de pastorie is schraalhans keukenmeester. De meisjes moeten soms haar malle grillen maar uit het hoofd zetten. Die gaan er wel uit, als zij een paar kinderen hebben. Ik ben zeventig jaar, en ik weet hoe ze zijn. Gij moest eens een woordje met haar spreken, over vijf jaar zal ze er u dank voor weten. Daar zoudt gij haar een goeden dienst mee doen, mijnheer, en—neem me niet kwalijk dat ik het zeg, voor u zou het ook niet kwaad zijn, want dat zou het praatje tot een leugen maken dat gij, een getrouwd man, verliefd op haar zijt; wat juist zoo’n wonder niet zou wezen, want zij is wel een meisje om gek op te worden—ik ben zelf al gek op haar geweest van haar zevende jaar af, toen de oude mevrouw nog leefde, die acht jaar geleden gestorven is.”Beatrice was een van de weinige onderwerpen, die den ouden Eduard in vuur konden brengen, en Geoffrey onttrok zich aan zijn verlegen makende welsprekendheid. Hij wenschte hem haastig goeden avond, en ging naar de pastorie terug, waar hij, op het hek leunende, het daglicht in het westen zag verdwijnen.Eensklaps kwam Beatrice, met een ruikertje wilde rozen in haar gordel, uit de schemering te voorschijn, en stond van aangezicht tot aangezicht voor hem.Hoofdstuk XXI.Driemaal er bij ingeroepen.In verrukking, alsof hij een hemelsch visioen aanschouwde, staarde Geoffrey op die bekoorlijke verschijning in het zachte avondlicht.“Met uw verlof,” zeide zij, op een verlegen toon, vooruittredende om het hek te openen.“Beatrice!”Een flauwe kreet ontsnapte haar, en zij greep zich aan het hek vast, anders zou zij neergezonken zijn. Een oogenblik bleef zij zoo staan en zag naar zijn gelaat, dat in de schaduw verborgen was, op, met een blik vol hoop en vrees en liefde.“Zijt gij het,” zeide zij eindelijk, “of is het weer een droom?”“Ik ben het, Beatrice!” antwoordde hij, verbaasd.Met een krachtige poging herstelde zij zich.“Waarom hebt ge mij dan zoo verschrikt?” vroeg zij. “Dat was onaardig—o, ik bedoelde niet iets knorrigs te zeggen. Wat heb ik gezegd? Ik ben het vergeten. Ik ben zoo blijde dat gij gekomen zijt!” En zij bracht haar hand aan haar voorhoofd, en zag hem weder aan, zooals men een uit het graf verrezene zou aanstaren.“Hadt ge mij niet verwacht?” vroeg Geoffrey.“U verwacht? Neen. Niet meer dan ik verwacht zou hebben—” Eensklaps zweeg zij.“Dat is zonderling,” hernam hij. “Wist gij dan niet dat uw vader mij hier zou noodigen? Ik ben met hem uit Londen teruggekomen.”“Uit Londen,” herhaalde zij.“Daar wist ik niets van.Elisabethheeft mij er niets van verteld. Dat heeft zij zeker vergeten.”“In allen gevalle ben ik hier. En hoe gaat het u?”“O, nu weer heel wel. Ziezoo, nu ben ik van den schrik bekomen.’t Is niet goed iemand zoo te verschrikken, mijnheer Bingham. Laat mij het hek door, en ik zal u de hand geven—als het,” liet zij er aardig spottend op volgen, “geoorloofd is zoo’n groot man de hand te geven. Maar ik heb het u wel gezegd, niet waar?—even voordat wij verdronken. Hoe gaat het met Effie?”“Effie is frisch en gezond,” antwoordde hij. “Maar mij dunkt dat gij er niet zoo heel goed uitziet. Uw vader heeft mij verteld dat gij dezen winter kou hebt gevat,” en Geoffrey huiverde toen hij aan de reden daarvan dacht.“O, ik heb niets om over te klagen. Ik ben wèl en sterk. Hoe lang blijft ge hier?”“Niet lang. Misschien tot Dinsdagochtend, misschien tot Maandag.”Beatrice zuchtte. Geluk is van korten duur. Zij had hem hier niet gebracht; zij zou geen vinger uitgestoken hebben om hem hier te brengen, maar nu hij gekomen was, wenschte zij dat hij langer bleef.“’t Is tijd voor het avondeten,” zeide zij; “laten we naar binnen gaan.”Dit deden zij. Zij zaten vergenoegd bijeen. Granger was bijna luidruchtig vroolijk. ’t Is verwonderlijk welk een verschil het bezit van twee honderd pond in zijn gedrag maakte; hij scheen een ander mensch te zijn. Wel moest er honderd af om schulden te betalen, maar er schoten toch nog honderd over, en daar kon hij minstens een jaar mee toe. Elisabeth was ook minder grimmig dan gewoonlijk; de twee honderd pond hadden op haar ook invloed, en nog andere invloeden werkten heimelijk in haar arglistig hart. Beatrice wist niets van het geld, en was eenigszins stil, maar zij was ook vergenoegd; zij smaakte dat gevoel van onwezenlijk geluk, dat wij soms in een droom hebben.Wat Geoffrey betrof, als Honoria hem had kunnen zien, zou zij verbaasd geweest zijn. In den laatsten tijd was hij een zeer stil man geweest; menigeen had hem ongezellig gevonden. Maar onder den invloed van Beatrice’s tegenwoordigheid, sprak hij met opgewektheid. Misschien wilde hij, zonder het zelf te weten, zich van zijn gunstigste zijde vertoonen, zooals ieder man natuurlijk doetin het bijzijn van de vrouw, die hij bemint. Zoo boeiend was zijn gesprek, dat zij eindelijk allen stil naar hem zaten te luisteren, en zij hadden hun tijd wel minder aangenaam kunnen doorbrengen.Eindelijk was het avondeten afgeloopen, en Elisabeth ging naar haar kamer. Nu werd Granger ook geroepen om een ziek kind te doopen, en ging brommend heen, zoodat Geoffrey en Beatrice alleen bleven. Zij zaten aan het venster, en zagen in den stillen avond uit.“Vertel mij nu eens van uzelven,” zeide Beatrice.Dit deed hij. Hij verhaalde haar hoe hij stap voor stap zijn tegenwoordige hoogte bereikt had, en toonde haar aan dat hij het van dit standpunt tot den hoogsten post kon brengen. Zij zag hem niet aan, en antwoordde hem niet, maar eens, toen hij ophield, meenende dat hij genoeg over zichzelven had gesproken, zeide zij: “Ga voort; vertel mij nog wat meer.”Eindelijk had hij haar alles verteld.“Ja,”zeide zij, “gij hebt er het vermogen en de gelegenheid toe, en eenmaal wordt gij een der grootste mannen van onzen tijd.”“Dat betwijfel ik,” antwoordde hij, met een zucht. “Ik ben niet eerzuchtig. Ik werk alleen om het werk zelf, niet voor wat het zal aanbrengen. Eenmaal zal ik het, geloof ik, moede worden en het laten varen. Maar zoolang ik werk, wil ik gaarne een van de eersten in mijn stand zijn.”“O, neen,” hernam zij, “ge moet het niet opgeven; ge moet voortgaan, altijd vooruit. Beloof mij,” en daarbij zag zij hem voor de eerste maal aan—“beloof mij dat gij, zoolang gij gezondheid en kracht bezit, zult volharden totdat gij alleen staat en boven alle anderen uitblinkt. Dan moogt gij het opgeven.”“Waarom moet ik u dat beloven, Beatrice?”“Omdat ik het u verzoek. Eenmaal heb ik u het leven gered, mijnheer Bingham, en dat geeft mij eenig recht om u uw loopbaan aan te wijzen. Ik wensch dat de man, dien ik voor de wereld behouden heb, onder de eerste mannen van de wereld genoemd zal worden, niet om zijn rijkdom, wat maar toeval is, maar om zijn geestkracht en verstand. Beloof mij dat, en ik zal tevreden zijn.”“Ik beloof het u,” zeide hij, “ik beloof dat ik zal trachten het tot hoog aanzien te brengen, omdatgijhet mij verzoekt, niet omdat het vooruitzicht mij aantrekt:” maar terwijl hij dit zeide, werd zijn hart verscheurd. Het was bitter haar zoo over een toekomst te hooren spreken, waarin zij niet zou deelen, die voor haar iets zou zijn geheel van haar afgescheiden, zoo afgescheiden alsof zij dood was.“Ja,” ging hij voort, “gij hebt mij het leven gered, en het is een bedroevend denkbeeld voor mij, dat ik niets doen kan om u dat te vergelden. O, Beatrice, ik wil u zeggen wat ik niemand nog ooit gezegd heb: ik ben eenzaam en ongelukkig. U uitgezonderd, geloof ik niet dat er iemand is, die werkelijk belang in mij stelt—die met mij sympathiseert. Dat zal wel mijn eigen schuld zijn, en het klinkt vernederend, en in zekeren zin zelfzuchtig, het te zeggen. Ik zou het ook aan geen andere levende ziel gezegd hebben dan aan u. Wat baat het groot te zijn, als er niemand is, om voor te werken? Het had anders kunnen zijn, maar het is een harde wereld. Als gij—als gij—”Op dit oogenblik raakte zijn hand de hare aan: het was bij toeval, maar in de teederheid van zijn hart zwichtte hij voor de verzoeking en had hij hare hand gevat. Zacht trok zij die terug.“Gij hebt uw vrouw, om uw vermogen met u te deelen,” zeide zij, nadat beiden een oogenblik het stilzwijgen bewaard hadden; “gij hebt Effie, om het te erven, en uw naam kunt gij aan uw vaderland nalaten.”Nu volgde er een pijnlijk stilzwijgen.“En gij,” brak hij het af, “wat isuwtoekomst?”Zij glimlachte weemoedig. “Vrouwen hebben geen toekomst, en verlangen er ook geen—ik, ten minste, nu niet meer, ofschoon vroeger wel. ’t Is voor haar genoeg wanneer zij, hoe weinig ook, anderen in hun leven behulpzaam kunnen zijn. Dat is haar geluk, en haar belooning is—rust.”Juist kwam Granger weer thuis, en Beatrice stond op.“Ze ziet wat bleek, vindt ge niet, mijnheer Bingham?” zeide haar vader. “Ik houd het er voor dat er iets is, wat haar verdrietdoet. Het geval is—och, waarom zou ik het u niet vertellen, zij heeft zoo’n hoogen dunk van u, en gij zoudt een woordje kunnen zeggen om haar op te beuren—welnu, ’t is over mijnheer Davies. Ik geloof, ziet ge, dat zij veel van hem houdt, en bedroefd is omdat hij er niet voor uitkomt. Misschien heb ik het mis, maar soms denk ik dat hij het wel doen zal. Ik heb hem een gezicht zien zetten alsof hij er over dacht, hoewel het, natuurlijk, meer is dan Beatrice recht heeft te verwachten. Zij heeft niets anders te geven dan zichzelve en haar goed uiterlijk, en hij is een rijk man. Denk eens, mijnheer Bingham,” en de oude heer sloeg zijn oogen vroom ten hemel, “wat zou dat niet voor haar zijn, en voor ons allen, als het God behaagde haar zulk een kans te geven; zij zou haar leven lang rijk zijn, en in zoo’n stand! Maar ’t is mogelijk; men kan nooit weten; hij kan wel zin in haar krijgen. In allen gevalle, mijnheer Bingham, geloof ik dat gij haar wel wat kunt opbeuren; zij behoeft de hoop nog niet op te geven.”Geoffrey kon een spotachtig lachen niet bedwingen, dat Beatrice van liefde voor Owen Davies zou kwijnen.“Ja,” zeide hij, “dat zou zeker wel een goede partij voor haar zijn, maar ik weet niet of zij met mijnheer Davies wel overweg zou kunnen.”“Met hem overweg kunnen! O, dat zou wel gaan; de vrouwen weten zich zoo te voegen, vooral als zij een gemakkelijk leven hebben. Hij is misschien wel wat dom, maar ik geloof toch dat zij om hem treurt, en het zou te bejammeren zijn dat zij haar leven zoo verkniesde. Hoe, gaat gij al naar bed? Goeden nacht dan—goeden nacht.”Geoffrey ging naar bed, maar niet om te slapen. Een geruime poos lag hij wakker; allerlei gedachten hielden hem uit den slaap. Hij dacht aan den laatsten nacht, welken hij in die kleine kamer had doorgebracht, aan alles, wat hij sedert dien tijd ondervonden had, en aan de ontmoeting van heden. Kon hij, na die ontmoeting, nog langer twijfelen wat Beatrice voor hem gevoelde? Dat was moeilijk, maar toch was het nog mogelijk dat hij zich vergiste.Toen dacht hij aan hetgeen de oude Eduard hem had gezegd, en wat Granger betrekkelijk Beatrice en Owen Davies gezegd had.Beiden hadden hun meening ruw, en zelfs zeer onkiesch uitgedrukt, maar hun meeningen stemden toch overeen, en wat meer was, er was iets waars in, en dat wist hij.Het denkbeeld dat Beatrice met Davies zou trouwen, was, om het zacht uit te drukken, stuitend voor hem; maar had hij het recht om zich tusschen haar en zulk een wenschelijken levensstand te stellen? Dat had hij ontegenzeggelijk niet, en zijn geweten zeide het hem.Was het bovendien geoorloofd dat die soort van band, die tusschen hen bestond, nauwer toegehaald werd? Wat zou dat geven? Verdriet, en niets anders dan verdriet, inzonderheid voor Beatrice. Hij had verkeerd gedaan hier te komen, hij had verkeerd gedaan haar hand te vatten. Hij zou het zien te herstellen op de eenige wijze, die in zijn vermogen was, alsof in zulk een geval als dat van Beatrice herstel nu mogelijk kon zijn! Hij moest uit haar leven verdwijnen en haar niet wederzien. Dan zou zij hem leeren vergeten, of ten ergste, nog slechts met een flauw gevoel van leedwezen aan hem denken. Ja, het mocht kosten wat het wilde, daar zou hij zich toe dwingen, voordat werkelijk kwaad het gevolg was. De eenige vraag was, zou hij niet verder gaan? Zou hij haar niet zeggen dat zij wel zou doen met Davies te trouwen?Over deze moeilijke vraag peinzend, viel hij in slaap.Wanneer menschen in Geoffrey’s ongelukkigen toestand berouw gevoelen en de dwalingen huns weegs inzien, overdrijven zij licht hun verstandige voornemens en gaan aanvallenderwijze te werk. Niet tevreden met de zaak te laten zooals zij is, moeten zij noodwendig hun nieuw gevonden kracht aan den deelgenoot hunner fout verkondigen als een onfeilbaar middel om hetstatus quo antete herstellen. Soms is het gevolg van dien vromen ijver dat zij verkeerd begrepen worden, of er zelfs het onheil, dat zij zoo prijzenswaardig wenschten af te wenden, door verhaasten.Den volgenden dag was het Pinkster, en een dag, dien Geoffrey gelegenheid had om zich heel zijn volgend leven te herinneren. Aan het ontbijt waren zij allen bijeen, en kort daarna gingen zij naar de kerk, waar het te half elf uur dienst was. Bij wijze van zijn goede voornemens ten uitvoer te brengen, waarmede hij zoo druk bezig was een hel op zijn eigen hand te plaveien, ging Geoffrey niet naast Beatrice zitten, maar koos een plaats aan het einde van de kerk, dichtbij de deur, waar hij zich troostte met naar haar te zien.Het was bizonder zwoel weer, en, hoewel er niet veel zon was, zoo warm als midden in den zomer. Als zij in een vulkanische landstreek geweest waren, zou Geoffrey gedacht hebben dat zulk weer een schok van aardbeving voorafging. Maar hij wist dat het eenvoudig een van die grilligheden van het Engelsche klimaat ten koste der bevolking was. Intusschen vond hij het in de bedompte kleine kerk om te stikken, en even vóór de preek, die hij toevallig te weten was gekomen dat niet door Beatrice geschreven was, nam hij de gelegenheid waar om er ongemerkt uit te gaan. Zonder bepaald doel, drentelde hij langs het strand, waar niemand te zien was, want, zooals reeds gezegd is, Zondags sliep Bryngelly. Evenwel zag hij een man met snelle schreden aankomen, en in dien man herkende hij OwenDavies, die onder het loopen in zichzelven sprak en met zijn armen zwaaide. Geoffrey trad ter zijde, om hem voorbij te laten gaan, en terwijl hij dit deed, was hij verbaasd, en zelfs bijna verschrikt, van de verandering, die hij in hem bespeurde. Zijn vol, blozend gelaat was vermagerd, en teekende een half gemelijke, half droevige uitdrukking; er waren donkere kringen om zijn eenmaal zoo kalme, blauwe oogen, en zijn haar had wel geknipt mogen worden. Geoffrey dacht dat hij ziek was geweest. Op dit oogenblik kreeg Owen hem in het oog.“Hoe gaat het u, mijnheer Bingham?” zeide hij. “Ik heb gehoord dat gij hier waart. Dat hebben ze mij gisterenavond aan het station verteld. Ziet ge, ’t is hier een kleine plaats, en men weet gaarne wie er zoo al komt of heengaat,” liet hij er, als tot verontschuldiging, op volgen.Hij liep voort, en Geoffrey liep met hem mede.“Ge ziet er niet goed uit, mijnheer Davies,” zeide hij, “zijt gij ziek geweest?”“Neen, neen,” antwoorde hij, “ik ben heel wel; ’t is alleen mijn ziel, die ziek is.”“Zoo!” zeide Geoffrey, die vond dat hij er werkelijk vreemd uitzag. “Misschien leeft gij te eenzelvig en zijt gij te veel alleen—dat zal u neerslachtig maken.”“Ja, ik ben te veel alleen, omdat het niet anders kan. Wat moet iemand doen, mijnheer Bingham, als de vrouw, die hij bemint, niet met hem trouwen wil, hem niet wil aanzien, hem behandelt alsof zij hem voor de honden gevonden heeft?”“Met een andere vrouw trouwen,” ried Geoffrey aan.“O, dat kunt gij gemakkelijk zeggen—gij hebt nooit bemind, en weet er niet van. Ik kan met geen andere trouwen, ik wil alleen methaartrouwen.”“Haar? Wie?”“Wie? Wel, Beatrice—met wie anders zou een man willen trouwen, als hij haar eenmaal gezien heeft? Maar zij wil mij niet hebben; ze haat mij.”“Waarlijk?” zeide Geoffrey.“Ja, waarlijk, en weet ge waarom? Wil ik u zeggen, waarom? Ik zal het u zeggen,” en hij greep hem bij den arm, en fluisterde hem heesch in ’t oor: “Omdat zijubemint, mijnheer Bingham.”“Hoor eens, mijnheer Davies,” sprak Geoffrey, zijn arm losrukkende, “zulke malle praatjes duld ik niet. Ge zijt zeker niet bij uw zinnen.”“Wees niet boos op mij,” hernam Davies. “Het is waar. Ik heb haar gadegeslagen, en ik weet dat het waar is. Waarom schrijft zij u elke week? Waarom onthutst zij en luistert zij als uw naam maar genoemd wordt? O, mijnheer Bingham,” ging hij op een erbarmelijken toon voort, “heb medelijden—gij hebt een vrouw, en zooveel vrouwen als gij maar wilt, wie gij het hof kunt maken—laatmijBeatrice. Als ge ’t niet doet, geloof ik dat ik krankzinnigzal worden. Ik heb haar altijd bemind, reeds toen zij nog maar een kind was, en van dag tot dag wordt mijn liefde sterker en onweerstaanbaarder. Gij kunt Beatrice slechts tot schande brengen, maarikkan haar alles geven, zooveel als zij maar wil, alles wat haar hart begeert, en ik zal een goed echtgenoot voor haar wezen; ik zal altijd aan haar zijde zijn.”“Ik betwijfel niet of dat zou wel heerlijk voor u zijn,” antwoordde Geoffrey; “maar vindt ge er niet iets onwaardigs in, mijnheer Davies, dat gemijdit alles zegt? Dat moet gij Miss Granger zelve zeggen.”“Dat weet ik wel,” hernam hij, “maar dat kan mij niet schelen. ’t Is mijn eenige kans, en wat geef ik er om of het onwaardig is? O, mijnheer Bingham, ik heb nooit een andere vrouw bemind, ik ben mijn heele leven eenzaam geweest. Sta mij nu niet in den weg. Als gij wist wat ik geleden heb, hoe ik God heb gebeden mij Beatrice te schenken, zoudt ge mij helpen. Gij zijt een van die mannen, die alles vermogen; zij zal naar u luisteren. Als gij haar zegt dat ze met mij moet trouwen, zal zij het doen, en ik zal er u mijn leven lang voor zegenen.”Geoffrey zag met de grootste verachting op dien smeekeling neder. Er is altijd iets verachtelijks in, als de eene man de hulp van een anderen in zijn liefdeszaken inroept—dat moest hij alleen wel af kunnen. Hoeveel te meer nog is het dan niet vernederend, als de verliefde persoon hulp zoekt bij den man, dien hij voor zijn gelukkigen medeminnaar houdt?“Ik moet u zeggen, mijnheer Davies,” hernam Geoffrey, “dat ik van dat alles genoeg heb. Het past mij niet Miss Granger te willen dwingen een aanzoek aan te nemen, dat haar, volgens uw verklaring, niet welkom is. Maar als ik er toe in de gelegenheid ben, zal ik haar zeggen wat gemijgezegd hebt. Het overige laat ik aan uzelven over. Goeden morgen, mijnheer Davies.”Hij wendde zich om, en liep heen, terwijl Owen hem nastaarde.“Ik geloof hem niet,” bromde hij bij zichzelven. “Hij zal beproeven haar tot zijn minnares te maken. O, God sta mij bij—daarkan ik niet aan denken! Maar als hij het doet, en ik er achter kom, laat hij dan oppassen! Ik zal hem in ’t verderf storten, ja, in ’t verderf storten! Ik heb geld, en dus kan ik dat doen. Ha, hij denkt dat ik gek ben—ze denken altemaal dat ik gek ben, maar ik heb mij niet al die jaren voor niemendal stilgehouden. Ik kan geweld maken, als het noodig is. En als hij een schurk is, zal God mij helpen om hem te vernietigen. Ik heb God gebeden, en God zal mij helpen.”Toen ging hij naar het kasteel terug. Owen Davies was een type van dat soort van godsdienstige menschen, die meenen dat zij den Almachtige voor hun verlangens op hun hand kunnen krijgen, als die verlangens maar door menschelijke instellingen en gebruiken gewettigd zijn.Zoo was, binnen vier-en-twintig uur, Geoffrey’s hulp driemaal ingeroepen, om het meisje, dat hij beminde, in de armen van een echtgenoot, die haar tegenstond, te brengen. Geen wonder dat hij op dit punt bijna bijgeloovig werd.
Hoofdstuk XIX.Geoffrey krijgt bezoek.En Beatrice—was het haar in al die maanden beter gegaan? Helaas, geenszins. Zij had op dien herfstochtend van het afscheid-nemen met een bedrukt hart het Bryngelly-station verlaten, en bedrukt van hart was zij gebleven. Gedurende de lange wintermaanden waren droefheid en bitterheid haar deel geweest, en de blijde lente-tijd had die niet uit haar hart verdreven. Zij beminde hem, zij verlangde naar zijn tegenwoordigheid, en die was haar ontzegd. Wel verre dat de tijd die liefde deed uitslijten, scheen zij van week tot week toe te nemen. En toch zou zij het niet anders gewenschthebben. Liever wilde zij aldus door haar geweten en hopeloosheid gekweld worden dan de oorzaak van haar smart te missen.Eén troost had Beatrice echter, en ook slechts één: zij wist dat Geoffrey haar niet vergat. Dat zeiden haar zijn brieven. Die brieven waren alles voor haar—een vrouw kan meer troost aan een brief ontleenen dan een man. Bijna even aangenaam als ze te ontvangen, was het haar ze te beantwoorden. Zij was een goede briefschrijfster, maar dikwijls verscheurde zij wat zij geschreven had en begon weer opnieuw. In Bryngelly was niet veel nieuws; het was moeilijk haar brieven in een aangenamen toon te schrijven. In den geheelen aard van de zaak was ook iets, dat haar scheen te verlammen. Het was belachelijk zooveel te zeggen te hebben, en zoo weinig tekunnenzeggen. Niet dat Beatrice er minnebrieven van had willen maken—dat was nooit bij haar opgekomen, maar zij had willen schrijven, zooals zij met elkander gesproken hadden. Als zij dit echter beproefde, was de uitslag niet naar haar zin, de woorden zagen er op het papier zoo vreemd uit—zij kon ze niet afzenden.In Geoffrey’s snellen vooruitgang op den weg tot roem en fortuin stelde zij het levendigst belang, en zij verheugde zich er veel meer over dan hijzelf. Zij getroostte zich de verveling van de kolommen over de Parlementszittingen van het begin tot het einde te lezen, alleen maar om kans te hebben er zijn naam in te zien voorkomen of een redevoering, die hij gehouden had, vermeld te vinden. Ook in de verslagen der terechtzittingen zocht zij zijn naam niet te vergeefs.Maar het waren nare maanden, die zij had doorgebracht. ’s Morgens opstaan, de oude sleur van haar dagelijksche werkzaamheden, aan Geoffrey denken, vermoeid thuis komen en haar toevlucht zoeken in den slaap en van hem te droomen—zoo ging het den eenen dag voor, den anderen na. Dan kwamen er nog andere verdrietelijkheden bij. Om te beginnen, ging het in de pastorie van kwaad tot erger. De tienden kwamen bijna in ’t geheel niet in, en van dag tot dag werd hun armoede knellender. AlsBeatrice’s salaris er niet bij was geweest, zou het gezin niet geweten hebben, waarvan het langer moest bestaan. Zij gaf nu bijna alles aan haar vader, en hield er slechts een kleine som af voor haar noodzakelijke kleeding en zulke kleinigheden als postzegels en postpapier. Maar toch bromde Elisabeth over haar verkwisting dat zij nog maar voortging met een dagblad te koopen, en vroeg waar het toe diende elke week eensixpenceaan zulk een weelde te besteden. Doch Beatrice kon er niet toe besluiten van het blad, waarin zij nu en dan van Geoffrey melding gemaakt vond, af te zien.Owen Davies was ook een gestadig verdriet voor haar. Zijn verliefdheid op haar werd in ’t oogloopend; iedereen zag het, behalve haar vader. Granger’s geest was zoo vervuld van kwesties in verband met tienden, dat hij, gelukkig voor Beatrice, aan niets anders kon denken. Owen liep haar overal na; uren lang wachtte hij buiten de school of aan het hek der pastorie, alleen om haar eenige woorden toe te spreken. Soms, als zij eindelijk te voorschijn kwam, scheen hij met stomheid geslagen; dan zeide hij niets, maar zag haar met doffe oogen aan op een wijze, die haar ongerust maakte. Hij waagde het, wel is waar, nooit haar over liefde te spreken, maar zijn gezicht stond er naar alsof hij het doen wilde, wat bijna even erg was. Daar kwam nog bij, dat hij jaloersch was geworden.Het zaad, doorElisabethin zijn ziel gestrooid, had rijkelijk vruchten voortgebracht, hoewel Beatrice, natuurlijk, niet wist dat dit haar zusters bedrijf was.Denzelfden ochtend, toen Geoffrey vertrokken was, had Davies haar ontmoet, toen zij van het station terugliep, en vroeg haar of mijnheer Bingham weg was. Toen zij die vraag bevestigend had beantwoord, had zij hem duidelijk hooren mompelen: “Goddank! Goddank!” Later ontdekte zij ook, dat hij den brievengaarder had omgekocht om de brieven te tellen, die zij aan Geoffrey zond en van hem ontving.Dit alles was verontrustend voor Beatrice, maar het werd nogerger. Davies begon haar geschenken te zenden, eerst zoo iets als duiven en hoenders, die op een tentoonstelling van pluimgedierte bekroond waren, en later kostbaarheden. De duiven en hoenders kon zij niet terugzenden zonder dat het in ’t oogvallend geweest zou zijn, maar de kostbaarheden liet zij door een der schoolkinderen terugbrengen. Eerst kwam er een armband, toen een medaillon met zijn photographie er in, en eindelijk een kistje, dat, toen zij het openmaakte, waartoe nieuwsgierigheid haar bewoog, haar bijna door den glans van zijn inhoud verblindde. Het was een juweelen halssnoer, en nooit had zij zulke diamanten gezien, maar naar de grootte en den glans wist zij, dat elke steen wel honderd pond waard moest zijn. Beatrice stak het in haar zak en hield het bij zich, totdat zij hem ontmoette, wat, natuurlijk, in den loop van den namiddag het geval was.“Mijnheer Davies,” zeide zij, voordat hij spreken kon, en terwijl zij hem het pakje overhandigde, “dit is mij bij vergissing gezonden. Wilt gij zoo goed zijn het terug te nemen?”Hij nam het verlegen aan.“Mijnheer Davies,” ging zij voort, hem strak in de oogen ziende, “ik hoop dat zulke vergissingen niet meer zullen plaats hebben. Onthoud, als ’t u belieft, dat ik geen geschenken kan aannemen.”“Als mijnheer Bingham het u had gezonden, zoudt gij het wel aangenomen hebben,” mompelde hij wrevelig.Beatrice wierp hem zulk een vlammenden blik toe, dat hij terugdeinsde en haar verliet. Maar het was waar, en dat wist zij. Als Geoffrey haar eensixpencemet een gaatje er in had gegeven, zou zij dien hooger gewaardeerd hebben dan alle diamanten op de wereld. O, welk een toestand voor haar! Zij had het recht niet den echtgenoot van een andere vrouw te beminnen.Maar recht of onrecht, het was toch maar de waarheid: zij beminde hem.En het ergste was, zooals zij wel wist, dat vroeg of laat het voorgevallene met Davies, haar vader ter oore moest komen, en wat zou er dan gebeuren? Zooveel was zeker, dat hij in zijn armoedigentoestand hemel en aarde bewogen zou hebben om haar huwelijk met dien rijken man tot stand te brengen. Haar vader was nooit zeer nauwgezet geweest, als het op geld aankwam, en nu het geldgebrek zoo nijpend werd, zou hij het waarschijnlijk nog wel minder zijn.Dat dit alles de jaloersche oogen van Elisabeth niet ontsnapte, lijdt geen twijfel. Het zag er donker voor haar uit, maar zij was niet voornemens daarom de kaarten neer te werpen. Doch het was tijd om troef uit te spelen. Met andere woorden, Beatrice moest, in de oogen van Owen Davies schandelijk tentoongesteld worden, als zij dit op de een of andere wijze kon bewerken. Tot dusverre was alles goed gegaan voor haar plannen. Beatrice en Geoffrey beminden elkander, daar was Elisabeth zeker van. Maar het bestaan van die geheime, verborgen liefde zou niet baten, zoolang er geen openlijke bewijzen van waren. Het staat ieder vrij een geheime voorkeur te hebben, maar als er eenmaal aan toegegeven is, als een vrouw eenmaal in opspraak is gekomen, dan neemt de wereld de gelegenheid waar om haar te vertrappen. Welk man, dacht Elisabeth, zou met een vrouw willen trouwen, op wier goeden naam een smet kleefde? Als er een smet op Beatrice geworpen kon worden, zou Owen Davies haar niet tot vrouw nemen—dus moest zij in opspraak gebracht worden.Dat klinkt slecht en onnatuurlijk. “’t Is onmogelijk dat de eene zuster de andere zoo zou behandelen,” zullen de lezeressen van dit verhaal misschien zeggen, aan haar eigen zuster en haar hartelijke en rechtgeaarde omgeving denkende. Maar het is niet onmogelijk. Als gij, die twijfelt, de verslagen van de terechtzittingen wilt lezen—wat juist geen aangename lectuur voor u is—zult gij zien dat zoo iets wel mogelijk is. De menschelijke natuur kan tot een zeldzame hoogte stijgen, maar zij kan ook tot een laagte zinken, die beneden uw peil is. Omdat iets in uw eigen ondervinding zonder weerga is, volgt daaruit niet dat het niet waar kan zijn.Elisabeth was onmeedoogend; ja, wat meer is, zij werd door dekrachtige drijfveeren van hartstocht en hebzucht bewogen. Maar bij haar onmeedoogendheid paarde zij een groote mate van slimheid, of liever beredeneerdheid. Als zij een wilde was geweest, zou zij haar zuster wel spoedig uit den weg geruimd hebben; maar nu zij was wàt zij was, trachtte zij hetzelfde doel te bereiken door een middel, dat niet strafbaar voor de wet was, kortom, door haar goeden naam te vermoorden. Zouzijer verantwoordelijk voor zijn, als haar zuster den verkeerden weg opging en aldus geschandvlekt was in de oogen van den man, die haar tot vrouw wenschte te hebben, en met wien Elisabeth wilde trouwen? Natuurlijk niet, dat was Beatrice’s zaak. Maar zij kon haar alle gelegenheid geven om in verzoeking te komen, en dat was haar vast voornemen.De omstandigheden gaven haar daartoe spoedig gelegenheid. Het geldgebrek in de pastorie werd hoe langer hoe nijpender. Er was letterlijk niet meer genoeg om van te leven. Allen, die tienden moesten betalen, weigerden hardnekkig aan hun verplichtingen te voldoen. Toevallig was het er niet toe gekomen dat Jones, de man, die den afslager had doodgeschoten, terecht had gestaan. Kort na zijn inhechtenisneming stierf hij in een vlaag vandelirium tremens, en zoo werd er een voorbeeld gemist, dat, als hij behoorlijk was opgehangen, anderen wel van gewelddadig verzet tegen de wet afgeschrikt zou hebben. Granger was nu te arm om verder gerechtelijke vervolgingen in te stellen, waarvan, bij de gesteldheid der gemoederen in Wales, de uitslag toch twijfelachtig geweest zou zijn; hij kon zich slechts onderwerpen, en onderwerping was armoede. Hij was reeds bijna tot den bedelstaf gebracht. In dezen wanhopigen staat van zaken raadpleegde hij met Elisabeth, en hield haar voor, dat zij geld moesten zien te krijgen of van gebrek omkomen. De eenige mogelijke kans om geld te krijgen, was het leenen, en Granger sloeg voor bij Owen Davies aan te kloppen, die genoeg had. Dat zou hij reeds lang gedaan hebben als deSquireniet den naam had gehad van vrekkig te zijn.Maar die voorslag was geheel buiten Elisabeth’s boekje. Haar hoofddoel was geweest voor haar vader verborgen te houden datDavies het oog op Beatrice had geslagen, en elken dag vreesde zij, dat hij het uit een andere bron zou vernemen. Zij wist zeer goed, dat als haar vader naar het kasteel ging om geld te leenen, het hem geleend, of liever, vrijwillig genoeg gegeven zou worden; maar zij wist ook, dat de geldschieter deze gunstige gelegenheid zeker zou waarnemen om voor zijn wenschen betreffende de dochter van den leener uit te komen. Het eene zou natuurlijk tot het andere leiden, en de belofte van zijn aanzoek te ondersteunen zou een bewijs van erkentelijkheid voor het ontvangen geld zijn. Hoe gaarne die steun verleend zou worden, was ook in ’t oogspringend voor haar; en aan de eene zijde door haar vader, en aan de andere door Owen Davies gedrongen, hoe kon Elisabeth dan zeker zijn dat zij niet zou toegeven? Beatrice zou juist een meisje zijn om door een begrip van plicht overgehaald te worden. Haar vader zou haar zeggen, dat hij het geld op die voorwaarde gekregen had, en het was zeer mogelijk, dat haar trots haar er toe brengen zou om een aldus gegeven belofte te vervullen, hoe het haar persoonlijk ook tegenstond. Neen, haar vader moest tot elken prijs verhinderd worden hulp bij Owen Davies te zoeken. En toch moest het geld ergens van daan komen, of zij waren geruïneerd.Ha, zij had er iets op gevonden!—Geoffrey Bingham moest het geld leenen! Hij kon het nu wel missen, en zij vermoedde wel, dat het hem niet van zijn hart gescheurd zou worden als hij dacht dat hij, door het te geven, middellijk of onmiddellijk Beatrice kon helpen. Haar vader moest zelf naar Londen gaan om hem te spreken, geen brief schrijven; men weet nooit hoe een brief gelezen kan worden.Hij moest Bingham spreken, en hem, zoo mogelijk, in Bringelly medebrengen. In een oogenblik was elke bizonderheid van het plan Elisabeth duidelijk, en toen kwam zij er mee voor den dag.“Ge moet niet naar mijnheer Davies gaan, vader,” zeide zij, “hij is vrekkig en zou u weigeren, en dat zou u maar in een valsche positie brengen; gij moet naar mijnheer Bingham gaan.Luister: hij is nu rijk, en hij houdt veel van u en van Beatrice. Hij zal u wel dadelijk honderd pond leenen. Morgen, met den eersten trein, moet gij naar Londen gaan, regelrecht naar zijn kamers rijden en hem te spreken vragen. Heen en terug zal twee pond kosten maar dat is niet te verhelpen; ’t is veiliger dan schrijven, en ik ben zeker dat gij geen vergeefsche reis zult doen. En weet gij wat gij doen moet, vader: ge moet mijnheer Bingham meebrengen als gij kunt, om hier eenige dagen te logeeren. Dat zal een kleine vergelding voor zijn goedheid zijn, en ik weet dat hij niet wèl is. Beatrice heeft een brief van hem gehad, waarin hij zeide, dat hij zich overwerkt had en wat rust zou moeten nemen. Breng hem hier, om de Pinksterdagen door te brengen.”Granger aarzelde, maakte bedenkingen, en gaf eindelijk toe. De zwakke, ontevreden, oude boer-predikant, uitgeput door dagelijksche zorgen, en zonder door zedelijke kracht ondersteund te worden, was niets anders dan een werktuig in Elisabeth’s handen. Hij zag er wel niets vernederends in, te beproeven of hij geld te leen kon krijgen, want zoo fijn van gevoel was hij niet, en geldzorgen hadden hem ook niet al te kiesch gemaakt; maar hij had geen zin in de reis naar Londen, waar hij in geen twintig jaar geweest was, en de kosten, die er mede gepaard gingen. Hij liet zich evenwel door Elisabeth raden, zelfs om den tocht voor Beatrice geheim te houden. Beatrice was, zooals haar zuster verklaarde, zoo trotsch als Lucifer, en zou misschien bezwaren opperen als hij naar Londen ging om geld van mijnheer Bingham te leenen. Dat zou zij dan ook zeker gedaan hebben.Den volgenden namiddag—het was de Vrijdag voor Pinkster en de laatste dag van de Voorjaars-assises—zat Geoffrey op zijn bureau, in een neerslachtige stemming, totaal uitgeput door overspanning. Hij stond een cliënt te woord, een stijfhoofdigen Norfolkschen pachter, die zijn eigen landheer, wegens een klein verschil, een proces wilde aandoen, en met zijn zaakwaarnemer bij hem was gekomen om hem daarover te raadplegen. Geoffrey had hem met eenige korte, duidelijke woorden de ongerijmdheidvan de geheele zaak aangetoond en hem sterk een minnelijke schikking aangeraden. Maar de pachter was daarmede niet voldaan, en de zaakwaarnemer beproefde nu het zuivere licht der wet in de donkerheid van zijn gekrenkte ziel te laten schijnen.Geoffrey liet zich in zijn stoel achterover zakken, streek het haar van zijn voorhoofd, en hield zich alsof hij luisterde. Maar in een oogenblik was zijn geest ver afgedwaald. Hemel, wat was hij vermoeid! Nu, hij zou voor eenige dagen rust hebben—tot Donderdag, wanneer hem een gewichtige zaak wachtte. Wat zou hij in dien tusschentijd doen om zich te verpoozen? Honoria wenschte bij haar broeder, LordGarsington, te gaan logeeren, en—wat wonder was—zij wilde Effie meenemen. Dat beviel hem wel niet, maar hij begreep dat hij toch maar moest toestemmen. In allen gevalle, ginghijniet mee. Hij konGarsington,Dunstanen hun heele kliek niet dulden. Zou hij naar Bryngelly gaan? De verzoeking was zeer sterk; dat zou een waar genoegen voor hem zijn; maar zijn verstand kwam er tegen op. Neen, het was beter dat hij daar niet heen ging. Als Beatrice wenschte dat hij kwam, zou zij het wel geschreven hebben, en zij had er zelfs nooit een wenk van gegeven, en al had zij dat gedaan, geloofde hij dat hij toch niet gegaan zou zijn. Maar hij had geen lust ergens anders heen te gaan. Hij zou maar in stad blijven, zijn rust nemen en een roman lezen, want daar achtte Geoffrey zich niet boven verheven, als hij den tijd had. Misschien zou hij wel in staat geweest zijn er zelf een te schrijven. Op dit oogenblik kwam zijn klerk binnen en overhandigde hem een strookje papier, waarop eenige woorden geschreven waren. Hij las:“Dominé Granger om u te spreken. Ik heb hem gezegd dat gij bezig waart, maar hij zeide dat hij dan wel zou wachten.”Geoffrey onthutste hevig—zoo hevig, dat de zaakwaarnemer en de stijfhoofdige pachter beiden opzagen.“Zeg dien heer dat ik hem dadelijk zal ontvangen,” zeide hij tot den klerk, die zich verwijderde, en toen voegde hij den pachter toe: “Welnu, goede vriend, ik heb u alles gezegd wat ik te zeggen heb.“Ik kan u niet raden deze actie door te zetten. Als gij dat doen wilt, moet gij een anderen advocaat nemen, want ik wil geen deel hebben aan iets, wat niet anders dan geld verspillen kan zijn. Goeden middag,” en hij stond op.De pachter ging brommend heen. Een oogenblik later kwam Granger binnen, in een vrij kale zwarte jas gekleed, en zijn dun wit haar, als gewoonlijk, over zijn oogen hangende. Geoffrey beschouwde hem met ongerustheid, en merkte op dat hij in de laatste zeven maanden niet weinig verouderd was. Kwam hij hem slecht nieuws van Beatrice vertellen—dat zij ziek of dood was, of dat zij trouwen ging?“Hoe gaat het u, mijnheer Granger?” zeide hij, hem de hand toestekende, en zijn stem zoo goed als hij kon bedwingende. “Hoe gaat het? Dat is een onverwacht genoegen.”“Hoe vaart gij, mijnheer Bingham?” sprak de oude man, terwijl hij zenuwachtig op een stoel plaats nam, en met bevende hand zijn hoed op den vloer naast zich zette. “Ja, dank u, ik ben redelijk wel, niet al te best—ik verga van zorg en kommer.”“Ik hoop toch dat Miss Elisabeth en Be—dat uw dochters ook wèl zijn?” zeide Geoffrey, niet in staat zijn ongerustheid te bedwingen.“Ja, ja, dank u, mijnheer Bingham. Elisabeth is ook niet al te best; zij klaagt over pijn in de maag, wat hinder van de gal misschien—zij heeft in het voorjaar altijd hinder van de gal.”“En Miss Beatrice?”“O, die is, geloof ik, wèl—heel stil, weet ge, en zij ziet wat bleek; maar zij is altijd zoo stil—een raar meisje, die Beatrice, mijnheer Bingham, een heel raar meisje! Ik begrijp haar niet, en ik probeer ook maar niet eens haar te begrijpen. Zij is heel anders dan andere meisjes, zij schijnt in niets plezier te hebben. Niemand begrijpt Beatrice.”Geoffrey slaakte een zucht van verlichting. “En hoe gaat het met de betaling van de tienden, mijnheer Granger? Ook niet alte best, vrees ik. Ik heb gezien dat die schurk Jones in de gevangenis gestorven is.”Granger werd dadelijk wakker. Eerst had hij maar zoowat in ’t wild gezegd: over zijn dochters te spreken was geen onderwerp, waarin hij veel belang stelde. De geldkwestie was het voornaamste. En dat was ook niet te verwonderen; de arme oude man had zóó lang over geld gedacht, dat er in zijn bekrompen geest nauwelijks plaats voor iets anders overschoot—al het overige ging hem langs zijn koude kleeren. Hij deed een lang verhaal van zijn grieven, haalde een papier uit zijn zak te voorschijn, en wees Geoffrey met een bevenden vinger aan, dat zijn kerkelijk inkomen in de laatste zes maanden maar op veertig pond ’s jaars te staan kwam, van welke som zelfs een Welsch predikant niet leven kon. Geoffrey luisterde en symphathiseerde met hem; toen volgde er een poos stilzwijgen.“En zoo sukkelen wij in Bryngelly voort, mijnheer Bingham,” begon Granger; “’t is armoe troef. Terwijl gij geld verdiend hebt en een groot man geworden zijt, zitten wij erger dan ooit op het droge. Als wij Beatrice’s salaris er niet bij hadden—en met haar salaris handelt zij heel mooi, dat moet ik zeggen; ik weet niet hoe de arme meid zich nog kan kleeden van wat zij er voor zichzelve van behoudt. Den heelen winter heeft zij zonder een warmen mantel geloopen—dat weet ik, omdat zij er kou door heeft gevat. Ja, zonder haar salaris zouden wij reeds lang in het werkhuis zitten, en daar komen wij toch nog in;”en hij streek met den rug van zijn dorre hand over zijn oogen.Dat was te erg! Bij het denkbeeld dat Beatrice nauwelijks genoeg had om zich te kleeden—dat Beatrice ziek werd door gemis van een mantel, terwijlhijin weelde leefde, voelde Geoffrey zijn hart als dichtgenepen. In het eerste oogenblik kon hij niets zeggen.“Ik ben hier gekomen—ik kom,” ging de oude man voort met een haperende stem, niet zoozeer van schaamte over zijn verzoek, als wel van vrees dat het hem geweigerd zou worden, “om ute vragen of ge mij wat geld zoudt kunnen leenen. Ik weet niet tot wien ik mij wenden moet, dat weet ik waarlijk niet, anders zou ik het niet gedaan hebben, mijnheer Bingham. Ik heb mijn laatste pond uitgegeven om hier te komen. Als ge mij honderd pond kunt leenen, zal ik u een briefje van mijn hand geven om het u bij kleine gedeelten terug te betalen; wij zouden er twintig pond ’s jaars van Beatrice’s salaris voor kunnen afnemen—”“Spreek, als ’t u belieft, van zoo iets niet!” riep Geoffrey met afschuw uit. “Waar duivel is mijncheckboek?O ik weet het, ik heb het in Bolton Street gelaten. Hier, dit zal even goed zijn,” en hij schreef snel een wissel aan zijn order, dien hij endosseerde en Granger overhandigde. De oude man nam den wissel aan, hield hem dicht bij zijn oogen, en zag dat het bedrag £ 200 was.“Maar dat is het dubbele van wat ik gevraagd heb,” zeide hij twijfelachtig. “Moet ik u £ 100 teruggeven?”“Neen, neen,” antwoordde Geoffrey: “gij hebt zeker wel eenige schulden te betalen. Den Hemel zij dank, ik kan dat geld wel missen, en ik verdien meer dan ik noodig heb. Niet genoeg kleeren!—’t is verschrikkelijk om aan te denken!” liet hij er op volgen, meer bij zichzelven dan tot zijn toehoorder.De oude man stond op, met de oogen vol tranen. “God zegene u!” zeide hij, “God zegene u! Ik weet niet hoe ik u danken moet—waarlijk niet,” en hij greep Geoffrey’s hand en drukte die tusschen de zijne.“Spreek er niet verder over, mijnheer Granger; ’t is een zaak van wederzijdsche verplichting. Neen, neen, ik wil geen briefje van uw hand hebben. Als ik kwam te sterven, zou er tegen u gebruik van gemaakt kunnen worden. Ge kunt het mij terugbetalen wanneer het u schikt.”“Gij zijt al te goed, mijnheer Bingham,” hernam de oude predikant. “Waar zou een ander te vinden zijn, die mij £ 200 zonder securiteit zou willen leenen?” (Ja juist, waar!) “A propos,” liet hij er op volgen, “dat vergat ik nog—ik ben zoo in de war. Wilt gij voor eenige dagen met mij naar Bryngelly meegaan? Het zalons allen zoo aangenaam zijn u te zien. Doe het, mijnheer Bingham; gij ziet er uit, alsof gij wel eenige verandering noodig hadt.”Geoffrey liet zijn hand zwaar op de lessenaar vallen. Nog geen half uur te voren had hij besloten niet naar Bryngelly te gaan. En nu—Het visioen van Beatrice rees hem voor den geest. Beatrice, die den geheelen winter kou had geleden, en hem nooit een woord van hun nijpende armoede gezegd had! Het verlangen om haar te zien was in zijn hart gewekt, en al de redeneeringen van het verstand moesten er voor zwichten. De verzoeking overweldigde hem; hij streed er niet langer tegen.“Gaarne,” zeide hij bedaard, zijn gebogen hoofd opheffende. “Ja, dat kan ik wel doen. In de eerste dag of wat wacht mij toch niets bizonders. Wanneer gaat gij terug?”“Ik had er over gedacht met den laatsten trein te gaan, maar ik ben zoo vermoeid. Ik weet het waarlijk niet. Ik denk dat ik morgenochtend met den trein van negen uur zal gaan.”“Dat schikt mij zeer goed,” zeide Geoffrey, “en wat zult ge nu van avond doen? Ge moest maar bij mij komen dineeren en den nacht doorbrengen. Niet gekleed, zegt gij? O, dat doet er niet toe; er komt wel gezelschap, maar dat zal daar niet op letten; een predikant is altijd gekleed. Ga maar mee, en dan zal ik u voor dien wissel contanten geven, want de bank is nu gesloten en morgen vóór negenen nog niet open.”
En Beatrice—was het haar in al die maanden beter gegaan? Helaas, geenszins. Zij had op dien herfstochtend van het afscheid-nemen met een bedrukt hart het Bryngelly-station verlaten, en bedrukt van hart was zij gebleven. Gedurende de lange wintermaanden waren droefheid en bitterheid haar deel geweest, en de blijde lente-tijd had die niet uit haar hart verdreven. Zij beminde hem, zij verlangde naar zijn tegenwoordigheid, en die was haar ontzegd. Wel verre dat de tijd die liefde deed uitslijten, scheen zij van week tot week toe te nemen. En toch zou zij het niet anders gewenschthebben. Liever wilde zij aldus door haar geweten en hopeloosheid gekweld worden dan de oorzaak van haar smart te missen.
Eén troost had Beatrice echter, en ook slechts één: zij wist dat Geoffrey haar niet vergat. Dat zeiden haar zijn brieven. Die brieven waren alles voor haar—een vrouw kan meer troost aan een brief ontleenen dan een man. Bijna even aangenaam als ze te ontvangen, was het haar ze te beantwoorden. Zij was een goede briefschrijfster, maar dikwijls verscheurde zij wat zij geschreven had en begon weer opnieuw. In Bryngelly was niet veel nieuws; het was moeilijk haar brieven in een aangenamen toon te schrijven. In den geheelen aard van de zaak was ook iets, dat haar scheen te verlammen. Het was belachelijk zooveel te zeggen te hebben, en zoo weinig tekunnenzeggen. Niet dat Beatrice er minnebrieven van had willen maken—dat was nooit bij haar opgekomen, maar zij had willen schrijven, zooals zij met elkander gesproken hadden. Als zij dit echter beproefde, was de uitslag niet naar haar zin, de woorden zagen er op het papier zoo vreemd uit—zij kon ze niet afzenden.
In Geoffrey’s snellen vooruitgang op den weg tot roem en fortuin stelde zij het levendigst belang, en zij verheugde zich er veel meer over dan hijzelf. Zij getroostte zich de verveling van de kolommen over de Parlementszittingen van het begin tot het einde te lezen, alleen maar om kans te hebben er zijn naam in te zien voorkomen of een redevoering, die hij gehouden had, vermeld te vinden. Ook in de verslagen der terechtzittingen zocht zij zijn naam niet te vergeefs.
Maar het waren nare maanden, die zij had doorgebracht. ’s Morgens opstaan, de oude sleur van haar dagelijksche werkzaamheden, aan Geoffrey denken, vermoeid thuis komen en haar toevlucht zoeken in den slaap en van hem te droomen—zoo ging het den eenen dag voor, den anderen na. Dan kwamen er nog andere verdrietelijkheden bij. Om te beginnen, ging het in de pastorie van kwaad tot erger. De tienden kwamen bijna in ’t geheel niet in, en van dag tot dag werd hun armoede knellender. AlsBeatrice’s salaris er niet bij was geweest, zou het gezin niet geweten hebben, waarvan het langer moest bestaan. Zij gaf nu bijna alles aan haar vader, en hield er slechts een kleine som af voor haar noodzakelijke kleeding en zulke kleinigheden als postzegels en postpapier. Maar toch bromde Elisabeth over haar verkwisting dat zij nog maar voortging met een dagblad te koopen, en vroeg waar het toe diende elke week eensixpenceaan zulk een weelde te besteden. Doch Beatrice kon er niet toe besluiten van het blad, waarin zij nu en dan van Geoffrey melding gemaakt vond, af te zien.
Owen Davies was ook een gestadig verdriet voor haar. Zijn verliefdheid op haar werd in ’t oogloopend; iedereen zag het, behalve haar vader. Granger’s geest was zoo vervuld van kwesties in verband met tienden, dat hij, gelukkig voor Beatrice, aan niets anders kon denken. Owen liep haar overal na; uren lang wachtte hij buiten de school of aan het hek der pastorie, alleen om haar eenige woorden toe te spreken. Soms, als zij eindelijk te voorschijn kwam, scheen hij met stomheid geslagen; dan zeide hij niets, maar zag haar met doffe oogen aan op een wijze, die haar ongerust maakte. Hij waagde het, wel is waar, nooit haar over liefde te spreken, maar zijn gezicht stond er naar alsof hij het doen wilde, wat bijna even erg was. Daar kwam nog bij, dat hij jaloersch was geworden.
Het zaad, doorElisabethin zijn ziel gestrooid, had rijkelijk vruchten voortgebracht, hoewel Beatrice, natuurlijk, niet wist dat dit haar zusters bedrijf was.
Denzelfden ochtend, toen Geoffrey vertrokken was, had Davies haar ontmoet, toen zij van het station terugliep, en vroeg haar of mijnheer Bingham weg was. Toen zij die vraag bevestigend had beantwoord, had zij hem duidelijk hooren mompelen: “Goddank! Goddank!” Later ontdekte zij ook, dat hij den brievengaarder had omgekocht om de brieven te tellen, die zij aan Geoffrey zond en van hem ontving.
Dit alles was verontrustend voor Beatrice, maar het werd nogerger. Davies begon haar geschenken te zenden, eerst zoo iets als duiven en hoenders, die op een tentoonstelling van pluimgedierte bekroond waren, en later kostbaarheden. De duiven en hoenders kon zij niet terugzenden zonder dat het in ’t oogvallend geweest zou zijn, maar de kostbaarheden liet zij door een der schoolkinderen terugbrengen. Eerst kwam er een armband, toen een medaillon met zijn photographie er in, en eindelijk een kistje, dat, toen zij het openmaakte, waartoe nieuwsgierigheid haar bewoog, haar bijna door den glans van zijn inhoud verblindde. Het was een juweelen halssnoer, en nooit had zij zulke diamanten gezien, maar naar de grootte en den glans wist zij, dat elke steen wel honderd pond waard moest zijn. Beatrice stak het in haar zak en hield het bij zich, totdat zij hem ontmoette, wat, natuurlijk, in den loop van den namiddag het geval was.
“Mijnheer Davies,” zeide zij, voordat hij spreken kon, en terwijl zij hem het pakje overhandigde, “dit is mij bij vergissing gezonden. Wilt gij zoo goed zijn het terug te nemen?”
Hij nam het verlegen aan.
“Mijnheer Davies,” ging zij voort, hem strak in de oogen ziende, “ik hoop dat zulke vergissingen niet meer zullen plaats hebben. Onthoud, als ’t u belieft, dat ik geen geschenken kan aannemen.”
“Als mijnheer Bingham het u had gezonden, zoudt gij het wel aangenomen hebben,” mompelde hij wrevelig.
Beatrice wierp hem zulk een vlammenden blik toe, dat hij terugdeinsde en haar verliet. Maar het was waar, en dat wist zij. Als Geoffrey haar eensixpencemet een gaatje er in had gegeven, zou zij dien hooger gewaardeerd hebben dan alle diamanten op de wereld. O, welk een toestand voor haar! Zij had het recht niet den echtgenoot van een andere vrouw te beminnen.
Maar recht of onrecht, het was toch maar de waarheid: zij beminde hem.
En het ergste was, zooals zij wel wist, dat vroeg of laat het voorgevallene met Davies, haar vader ter oore moest komen, en wat zou er dan gebeuren? Zooveel was zeker, dat hij in zijn armoedigentoestand hemel en aarde bewogen zou hebben om haar huwelijk met dien rijken man tot stand te brengen. Haar vader was nooit zeer nauwgezet geweest, als het op geld aankwam, en nu het geldgebrek zoo nijpend werd, zou hij het waarschijnlijk nog wel minder zijn.
Dat dit alles de jaloersche oogen van Elisabeth niet ontsnapte, lijdt geen twijfel. Het zag er donker voor haar uit, maar zij was niet voornemens daarom de kaarten neer te werpen. Doch het was tijd om troef uit te spelen. Met andere woorden, Beatrice moest, in de oogen van Owen Davies schandelijk tentoongesteld worden, als zij dit op de een of andere wijze kon bewerken. Tot dusverre was alles goed gegaan voor haar plannen. Beatrice en Geoffrey beminden elkander, daar was Elisabeth zeker van. Maar het bestaan van die geheime, verborgen liefde zou niet baten, zoolang er geen openlijke bewijzen van waren. Het staat ieder vrij een geheime voorkeur te hebben, maar als er eenmaal aan toegegeven is, als een vrouw eenmaal in opspraak is gekomen, dan neemt de wereld de gelegenheid waar om haar te vertrappen. Welk man, dacht Elisabeth, zou met een vrouw willen trouwen, op wier goeden naam een smet kleefde? Als er een smet op Beatrice geworpen kon worden, zou Owen Davies haar niet tot vrouw nemen—dus moest zij in opspraak gebracht worden.
Dat klinkt slecht en onnatuurlijk. “’t Is onmogelijk dat de eene zuster de andere zoo zou behandelen,” zullen de lezeressen van dit verhaal misschien zeggen, aan haar eigen zuster en haar hartelijke en rechtgeaarde omgeving denkende. Maar het is niet onmogelijk. Als gij, die twijfelt, de verslagen van de terechtzittingen wilt lezen—wat juist geen aangename lectuur voor u is—zult gij zien dat zoo iets wel mogelijk is. De menschelijke natuur kan tot een zeldzame hoogte stijgen, maar zij kan ook tot een laagte zinken, die beneden uw peil is. Omdat iets in uw eigen ondervinding zonder weerga is, volgt daaruit niet dat het niet waar kan zijn.
Elisabeth was onmeedoogend; ja, wat meer is, zij werd door dekrachtige drijfveeren van hartstocht en hebzucht bewogen. Maar bij haar onmeedoogendheid paarde zij een groote mate van slimheid, of liever beredeneerdheid. Als zij een wilde was geweest, zou zij haar zuster wel spoedig uit den weg geruimd hebben; maar nu zij was wàt zij was, trachtte zij hetzelfde doel te bereiken door een middel, dat niet strafbaar voor de wet was, kortom, door haar goeden naam te vermoorden. Zouzijer verantwoordelijk voor zijn, als haar zuster den verkeerden weg opging en aldus geschandvlekt was in de oogen van den man, die haar tot vrouw wenschte te hebben, en met wien Elisabeth wilde trouwen? Natuurlijk niet, dat was Beatrice’s zaak. Maar zij kon haar alle gelegenheid geven om in verzoeking te komen, en dat was haar vast voornemen.
De omstandigheden gaven haar daartoe spoedig gelegenheid. Het geldgebrek in de pastorie werd hoe langer hoe nijpender. Er was letterlijk niet meer genoeg om van te leven. Allen, die tienden moesten betalen, weigerden hardnekkig aan hun verplichtingen te voldoen. Toevallig was het er niet toe gekomen dat Jones, de man, die den afslager had doodgeschoten, terecht had gestaan. Kort na zijn inhechtenisneming stierf hij in een vlaag vandelirium tremens, en zoo werd er een voorbeeld gemist, dat, als hij behoorlijk was opgehangen, anderen wel van gewelddadig verzet tegen de wet afgeschrikt zou hebben. Granger was nu te arm om verder gerechtelijke vervolgingen in te stellen, waarvan, bij de gesteldheid der gemoederen in Wales, de uitslag toch twijfelachtig geweest zou zijn; hij kon zich slechts onderwerpen, en onderwerping was armoede. Hij was reeds bijna tot den bedelstaf gebracht. In dezen wanhopigen staat van zaken raadpleegde hij met Elisabeth, en hield haar voor, dat zij geld moesten zien te krijgen of van gebrek omkomen. De eenige mogelijke kans om geld te krijgen, was het leenen, en Granger sloeg voor bij Owen Davies aan te kloppen, die genoeg had. Dat zou hij reeds lang gedaan hebben als deSquireniet den naam had gehad van vrekkig te zijn.
Maar die voorslag was geheel buiten Elisabeth’s boekje. Haar hoofddoel was geweest voor haar vader verborgen te houden datDavies het oog op Beatrice had geslagen, en elken dag vreesde zij, dat hij het uit een andere bron zou vernemen. Zij wist zeer goed, dat als haar vader naar het kasteel ging om geld te leenen, het hem geleend, of liever, vrijwillig genoeg gegeven zou worden; maar zij wist ook, dat de geldschieter deze gunstige gelegenheid zeker zou waarnemen om voor zijn wenschen betreffende de dochter van den leener uit te komen. Het eene zou natuurlijk tot het andere leiden, en de belofte van zijn aanzoek te ondersteunen zou een bewijs van erkentelijkheid voor het ontvangen geld zijn. Hoe gaarne die steun verleend zou worden, was ook in ’t oogspringend voor haar; en aan de eene zijde door haar vader, en aan de andere door Owen Davies gedrongen, hoe kon Elisabeth dan zeker zijn dat zij niet zou toegeven? Beatrice zou juist een meisje zijn om door een begrip van plicht overgehaald te worden. Haar vader zou haar zeggen, dat hij het geld op die voorwaarde gekregen had, en het was zeer mogelijk, dat haar trots haar er toe brengen zou om een aldus gegeven belofte te vervullen, hoe het haar persoonlijk ook tegenstond. Neen, haar vader moest tot elken prijs verhinderd worden hulp bij Owen Davies te zoeken. En toch moest het geld ergens van daan komen, of zij waren geruïneerd.
Ha, zij had er iets op gevonden!—Geoffrey Bingham moest het geld leenen! Hij kon het nu wel missen, en zij vermoedde wel, dat het hem niet van zijn hart gescheurd zou worden als hij dacht dat hij, door het te geven, middellijk of onmiddellijk Beatrice kon helpen. Haar vader moest zelf naar Londen gaan om hem te spreken, geen brief schrijven; men weet nooit hoe een brief gelezen kan worden.Hij moest Bingham spreken, en hem, zoo mogelijk, in Bringelly medebrengen. In een oogenblik was elke bizonderheid van het plan Elisabeth duidelijk, en toen kwam zij er mee voor den dag.
“Ge moet niet naar mijnheer Davies gaan, vader,” zeide zij, “hij is vrekkig en zou u weigeren, en dat zou u maar in een valsche positie brengen; gij moet naar mijnheer Bingham gaan.Luister: hij is nu rijk, en hij houdt veel van u en van Beatrice. Hij zal u wel dadelijk honderd pond leenen. Morgen, met den eersten trein, moet gij naar Londen gaan, regelrecht naar zijn kamers rijden en hem te spreken vragen. Heen en terug zal twee pond kosten maar dat is niet te verhelpen; ’t is veiliger dan schrijven, en ik ben zeker dat gij geen vergeefsche reis zult doen. En weet gij wat gij doen moet, vader: ge moet mijnheer Bingham meebrengen als gij kunt, om hier eenige dagen te logeeren. Dat zal een kleine vergelding voor zijn goedheid zijn, en ik weet dat hij niet wèl is. Beatrice heeft een brief van hem gehad, waarin hij zeide, dat hij zich overwerkt had en wat rust zou moeten nemen. Breng hem hier, om de Pinksterdagen door te brengen.”
Granger aarzelde, maakte bedenkingen, en gaf eindelijk toe. De zwakke, ontevreden, oude boer-predikant, uitgeput door dagelijksche zorgen, en zonder door zedelijke kracht ondersteund te worden, was niets anders dan een werktuig in Elisabeth’s handen. Hij zag er wel niets vernederends in, te beproeven of hij geld te leen kon krijgen, want zoo fijn van gevoel was hij niet, en geldzorgen hadden hem ook niet al te kiesch gemaakt; maar hij had geen zin in de reis naar Londen, waar hij in geen twintig jaar geweest was, en de kosten, die er mede gepaard gingen. Hij liet zich evenwel door Elisabeth raden, zelfs om den tocht voor Beatrice geheim te houden. Beatrice was, zooals haar zuster verklaarde, zoo trotsch als Lucifer, en zou misschien bezwaren opperen als hij naar Londen ging om geld van mijnheer Bingham te leenen. Dat zou zij dan ook zeker gedaan hebben.
Den volgenden namiddag—het was de Vrijdag voor Pinkster en de laatste dag van de Voorjaars-assises—zat Geoffrey op zijn bureau, in een neerslachtige stemming, totaal uitgeput door overspanning. Hij stond een cliënt te woord, een stijfhoofdigen Norfolkschen pachter, die zijn eigen landheer, wegens een klein verschil, een proces wilde aandoen, en met zijn zaakwaarnemer bij hem was gekomen om hem daarover te raadplegen. Geoffrey had hem met eenige korte, duidelijke woorden de ongerijmdheidvan de geheele zaak aangetoond en hem sterk een minnelijke schikking aangeraden. Maar de pachter was daarmede niet voldaan, en de zaakwaarnemer beproefde nu het zuivere licht der wet in de donkerheid van zijn gekrenkte ziel te laten schijnen.
Geoffrey liet zich in zijn stoel achterover zakken, streek het haar van zijn voorhoofd, en hield zich alsof hij luisterde. Maar in een oogenblik was zijn geest ver afgedwaald. Hemel, wat was hij vermoeid! Nu, hij zou voor eenige dagen rust hebben—tot Donderdag, wanneer hem een gewichtige zaak wachtte. Wat zou hij in dien tusschentijd doen om zich te verpoozen? Honoria wenschte bij haar broeder, LordGarsington, te gaan logeeren, en—wat wonder was—zij wilde Effie meenemen. Dat beviel hem wel niet, maar hij begreep dat hij toch maar moest toestemmen. In allen gevalle, ginghijniet mee. Hij konGarsington,Dunstanen hun heele kliek niet dulden. Zou hij naar Bryngelly gaan? De verzoeking was zeer sterk; dat zou een waar genoegen voor hem zijn; maar zijn verstand kwam er tegen op. Neen, het was beter dat hij daar niet heen ging. Als Beatrice wenschte dat hij kwam, zou zij het wel geschreven hebben, en zij had er zelfs nooit een wenk van gegeven, en al had zij dat gedaan, geloofde hij dat hij toch niet gegaan zou zijn. Maar hij had geen lust ergens anders heen te gaan. Hij zou maar in stad blijven, zijn rust nemen en een roman lezen, want daar achtte Geoffrey zich niet boven verheven, als hij den tijd had. Misschien zou hij wel in staat geweest zijn er zelf een te schrijven. Op dit oogenblik kwam zijn klerk binnen en overhandigde hem een strookje papier, waarop eenige woorden geschreven waren. Hij las:
“Dominé Granger om u te spreken. Ik heb hem gezegd dat gij bezig waart, maar hij zeide dat hij dan wel zou wachten.”
Geoffrey onthutste hevig—zoo hevig, dat de zaakwaarnemer en de stijfhoofdige pachter beiden opzagen.
“Zeg dien heer dat ik hem dadelijk zal ontvangen,” zeide hij tot den klerk, die zich verwijderde, en toen voegde hij den pachter toe: “Welnu, goede vriend, ik heb u alles gezegd wat ik te zeggen heb.
“Ik kan u niet raden deze actie door te zetten. Als gij dat doen wilt, moet gij een anderen advocaat nemen, want ik wil geen deel hebben aan iets, wat niet anders dan geld verspillen kan zijn. Goeden middag,” en hij stond op.
De pachter ging brommend heen. Een oogenblik later kwam Granger binnen, in een vrij kale zwarte jas gekleed, en zijn dun wit haar, als gewoonlijk, over zijn oogen hangende. Geoffrey beschouwde hem met ongerustheid, en merkte op dat hij in de laatste zeven maanden niet weinig verouderd was. Kwam hij hem slecht nieuws van Beatrice vertellen—dat zij ziek of dood was, of dat zij trouwen ging?
“Hoe gaat het u, mijnheer Granger?” zeide hij, hem de hand toestekende, en zijn stem zoo goed als hij kon bedwingende. “Hoe gaat het? Dat is een onverwacht genoegen.”
“Hoe vaart gij, mijnheer Bingham?” sprak de oude man, terwijl hij zenuwachtig op een stoel plaats nam, en met bevende hand zijn hoed op den vloer naast zich zette. “Ja, dank u, ik ben redelijk wel, niet al te best—ik verga van zorg en kommer.”
“Ik hoop toch dat Miss Elisabeth en Be—dat uw dochters ook wèl zijn?” zeide Geoffrey, niet in staat zijn ongerustheid te bedwingen.
“Ja, ja, dank u, mijnheer Bingham. Elisabeth is ook niet al te best; zij klaagt over pijn in de maag, wat hinder van de gal misschien—zij heeft in het voorjaar altijd hinder van de gal.”
“En Miss Beatrice?”
“O, die is, geloof ik, wèl—heel stil, weet ge, en zij ziet wat bleek; maar zij is altijd zoo stil—een raar meisje, die Beatrice, mijnheer Bingham, een heel raar meisje! Ik begrijp haar niet, en ik probeer ook maar niet eens haar te begrijpen. Zij is heel anders dan andere meisjes, zij schijnt in niets plezier te hebben. Niemand begrijpt Beatrice.”
Geoffrey slaakte een zucht van verlichting. “En hoe gaat het met de betaling van de tienden, mijnheer Granger? Ook niet alte best, vrees ik. Ik heb gezien dat die schurk Jones in de gevangenis gestorven is.”
Granger werd dadelijk wakker. Eerst had hij maar zoowat in ’t wild gezegd: over zijn dochters te spreken was geen onderwerp, waarin hij veel belang stelde. De geldkwestie was het voornaamste. En dat was ook niet te verwonderen; de arme oude man had zóó lang over geld gedacht, dat er in zijn bekrompen geest nauwelijks plaats voor iets anders overschoot—al het overige ging hem langs zijn koude kleeren. Hij deed een lang verhaal van zijn grieven, haalde een papier uit zijn zak te voorschijn, en wees Geoffrey met een bevenden vinger aan, dat zijn kerkelijk inkomen in de laatste zes maanden maar op veertig pond ’s jaars te staan kwam, van welke som zelfs een Welsch predikant niet leven kon. Geoffrey luisterde en symphathiseerde met hem; toen volgde er een poos stilzwijgen.
“En zoo sukkelen wij in Bryngelly voort, mijnheer Bingham,” begon Granger; “’t is armoe troef. Terwijl gij geld verdiend hebt en een groot man geworden zijt, zitten wij erger dan ooit op het droge. Als wij Beatrice’s salaris er niet bij hadden—en met haar salaris handelt zij heel mooi, dat moet ik zeggen; ik weet niet hoe de arme meid zich nog kan kleeden van wat zij er voor zichzelve van behoudt. Den heelen winter heeft zij zonder een warmen mantel geloopen—dat weet ik, omdat zij er kou door heeft gevat. Ja, zonder haar salaris zouden wij reeds lang in het werkhuis zitten, en daar komen wij toch nog in;”en hij streek met den rug van zijn dorre hand over zijn oogen.
Dat was te erg! Bij het denkbeeld dat Beatrice nauwelijks genoeg had om zich te kleeden—dat Beatrice ziek werd door gemis van een mantel, terwijlhijin weelde leefde, voelde Geoffrey zijn hart als dichtgenepen. In het eerste oogenblik kon hij niets zeggen.
“Ik ben hier gekomen—ik kom,” ging de oude man voort met een haperende stem, niet zoozeer van schaamte over zijn verzoek, als wel van vrees dat het hem geweigerd zou worden, “om ute vragen of ge mij wat geld zoudt kunnen leenen. Ik weet niet tot wien ik mij wenden moet, dat weet ik waarlijk niet, anders zou ik het niet gedaan hebben, mijnheer Bingham. Ik heb mijn laatste pond uitgegeven om hier te komen. Als ge mij honderd pond kunt leenen, zal ik u een briefje van mijn hand geven om het u bij kleine gedeelten terug te betalen; wij zouden er twintig pond ’s jaars van Beatrice’s salaris voor kunnen afnemen—”
“Spreek, als ’t u belieft, van zoo iets niet!” riep Geoffrey met afschuw uit. “Waar duivel is mijncheckboek?O ik weet het, ik heb het in Bolton Street gelaten. Hier, dit zal even goed zijn,” en hij schreef snel een wissel aan zijn order, dien hij endosseerde en Granger overhandigde. De oude man nam den wissel aan, hield hem dicht bij zijn oogen, en zag dat het bedrag £ 200 was.
“Maar dat is het dubbele van wat ik gevraagd heb,” zeide hij twijfelachtig. “Moet ik u £ 100 teruggeven?”
“Neen, neen,” antwoordde Geoffrey: “gij hebt zeker wel eenige schulden te betalen. Den Hemel zij dank, ik kan dat geld wel missen, en ik verdien meer dan ik noodig heb. Niet genoeg kleeren!—’t is verschrikkelijk om aan te denken!” liet hij er op volgen, meer bij zichzelven dan tot zijn toehoorder.
De oude man stond op, met de oogen vol tranen. “God zegene u!” zeide hij, “God zegene u! Ik weet niet hoe ik u danken moet—waarlijk niet,” en hij greep Geoffrey’s hand en drukte die tusschen de zijne.
“Spreek er niet verder over, mijnheer Granger; ’t is een zaak van wederzijdsche verplichting. Neen, neen, ik wil geen briefje van uw hand hebben. Als ik kwam te sterven, zou er tegen u gebruik van gemaakt kunnen worden. Ge kunt het mij terugbetalen wanneer het u schikt.”
“Gij zijt al te goed, mijnheer Bingham,” hernam de oude predikant. “Waar zou een ander te vinden zijn, die mij £ 200 zonder securiteit zou willen leenen?” (Ja juist, waar!) “A propos,” liet hij er op volgen, “dat vergat ik nog—ik ben zoo in de war. Wilt gij voor eenige dagen met mij naar Bryngelly meegaan? Het zalons allen zoo aangenaam zijn u te zien. Doe het, mijnheer Bingham; gij ziet er uit, alsof gij wel eenige verandering noodig hadt.”
Geoffrey liet zijn hand zwaar op de lessenaar vallen. Nog geen half uur te voren had hij besloten niet naar Bryngelly te gaan. En nu—
Het visioen van Beatrice rees hem voor den geest. Beatrice, die den geheelen winter kou had geleden, en hem nooit een woord van hun nijpende armoede gezegd had! Het verlangen om haar te zien was in zijn hart gewekt, en al de redeneeringen van het verstand moesten er voor zwichten. De verzoeking overweldigde hem; hij streed er niet langer tegen.
“Gaarne,” zeide hij bedaard, zijn gebogen hoofd opheffende. “Ja, dat kan ik wel doen. In de eerste dag of wat wacht mij toch niets bizonders. Wanneer gaat gij terug?”
“Ik had er over gedacht met den laatsten trein te gaan, maar ik ben zoo vermoeid. Ik weet het waarlijk niet. Ik denk dat ik morgenochtend met den trein van negen uur zal gaan.”
“Dat schikt mij zeer goed,” zeide Geoffrey, “en wat zult ge nu van avond doen? Ge moest maar bij mij komen dineeren en den nacht doorbrengen. Niet gekleed, zegt gij? O, dat doet er niet toe; er komt wel gezelschap, maar dat zal daar niet op letten; een predikant is altijd gekleed. Ga maar mee, en dan zal ik u voor dien wissel contanten geven, want de bank is nu gesloten en morgen vóór negenen nog niet open.”
Hoofdstuk XX.In Bryngelly terug.Geoffrey en Granger kwamen omstreeks zes uur in Bolton Street aan. De gezelschapskamer was nog vol bezoekers. Lady Honoria’saanhang van jongelieden kwam in die dagen trouw op. Het waren zeer onschadelijke jongelieden, en Geoffrey had niets bizonders tegen hen. Hij vond het alleen maarmoeilijkal hun namen te onthouden. Toen Geoffrey en Granger de gezelschapskamerbinnenkwamen, waren er niet minder dan vijf, benevens een paar dames, prachtig gekleed, en die beeldsprakig aan Honoria’s voeten zaten. Tot het algemeen genoegen droegen zij juist niet veel bij, want haar Ladyschap voerde meestal het woord alleen.Geoffrey stelde Granger voor, dien Honoria zich eerst niet scheen te kunnen herinneren. Ook was zij er niet bizonder mee ingenomen toen zij vernam dat hij zou blijven dineeren en dien nacht logeeren. De jongelieden verdwenen bij Geoffrey’s komst als nevelen voor de opkomende zon. Hij groette hen beleefd genoeg, maar zij hadden niets met hem gemeen. Om de waarheid te zeggen, waren zij een weinig bang voor hem. Die man met zijn knap, donker gelaat, dat den stempel van verstand droeg, zijn forschgebouwde gestalte (naar hun maatstaf slecht gekleed) en zijn groote en toenemende vermaardheid, was iemand, met wien zij niet sympathiseerden, en dien zij gevoelden dat voor hen ook geen sympathie had. Wij spreken alsof er voor ons allen één hemel en één hel is, maar dat is onjuist. Een onoverkomelijke kloof gaapt tusschen de verschillende soorten van menschen. Wat heeft zulk een man als Geoffrey te maken met de onbeteekenende mannelijke en vrouwelijke vlinders van een Londensch salon? Er is slechts één band tusschen hen: zij zijn bewoners van dezelfde planeet.Toen de saletjonkers en de dames verdwenen waren, bracht Geoffrey zijn gast naar zijn kamer. Beneden gekomen, vond hij Lady Honoria in zijn studeerkamer op hem wachten.“Blijft dat individu werkelijk hier dineeren en logeeren?” vroeg zij.“Zeker, Honoria, maar hij heeft geen zwarten rok bij zich,” antwoordde Geoffrey.“Maar dat is al te erg van u,” zeide de dame, met wel eenigszins begrijpelijken wrevel. “Hoe kunt ge zoo iemand meebrengen? Een Welsch predikant, die niet de minste aanspraak op den naamvangentlemankan maken, te dineeren te vragen, als de Eerste Minister en een bisschop komen—en dat nog wel een predikant zonder zwarten rok! Hij zal een steen des aanstoots aan tafel zijn. Wat kwam hij bij u doen?”“Hij kwam mij over zaken spreken; en wat de andere gasten betreft—als het hun niet bevalt met hem aan tafel te zitten, kunnen zij er over brommen als zij thuis komen. A propos, Honoria, ik ga morgen voor een paar dagen naar Wales. Ik moet verandering hebben.”“Zoo! Ge gaat zeker die lieve Beatrice eens bezoeken? Ge moogt wel voorzichtig zijn, Geoffrey. Dat meisje zal u in ongelegenheid brengen, en als zij dat doet, zal men u met den vinger nawijzen. Ge hebt vijanden genoeg, dat kan ik u verzekeren. Ik ben niet jaloersch, dat ligt niet in mijn aard, maar ge zijt veel te intiem met dat meisje, en eenmaal zal het u berouwen.”“Gekheid,” zeide Geoffrey toornig, maar niettemin gevoelde hij dat Lady Honoria ware woorden had gesproken, en in haar toon lag ook een zekere vaste overtuiging. Evenwel wilde hij nu niet meer terugtreden. Hij had er zijn hart op gezet Beatrice weder te zien.“Moet ik begrijpen,” ging zijn vrouw voort, “dat ge er nog tegen hebt dat ik bij de Garsingtons ga logeeren? Mij dunkt, ’t is wel wat hard, als ik er geen beweging over maak dat gij uw dorpsschoone gaat zien, dat gemijdan niet zoudt vergunnen mijn eigen broeder te bezoeken.”Geoffrey gevoelde dat hij een accoord moest maken. Het was wel vernederend, maar in zijn verzotheid gaf hij toe.“Ga, als ge wilt,” zeide hij kortaf, “maar als ge Effie meeneemt, let er dan op dat er behoorlijk zorg voor haar gedragen wordt;” en meteen liep hij de kamer uit.Lady Honoria zag hem na, en zeide bij zichzelve, langzaam met het hoofd knikkend: “Ei, ei, nu weet ik hoe ik u behandelen moet. Ge hebt even goed uw zwakke punt als andere menschen, mijnheer Geoffrey, en dat wordt gespeld Beatrice. Maar ge moet niet tever gaan. Ik ben niet jaloersch, maar ik wil geen schandaal hebben—voor geen vijftig Beatrices. Ik wil niet toelaten dat ge uw naam en positie te grabbelen gooit. ’t Is al te gek dat zoo’n man als hij van liefde kwijnt voor een dorpsmeisje! En dan zegt men nog dat hij zoo knap is! Hij heeft altijd veel van het gezelschap van dames gehouden; dat is een gebrek van hem, en nu heeft hij zijn vingers gebrand. Dat doen die knappe mannen altijd, vroeg of laat. De vrouwen vleien hen, daar komt het van. Natuurlijk zoekt het meisje hem in te pakken, en zij kon wel erger doen, maar zoo zeker als mijn naam Honoria Bingham is, ik zal er wel een stokje voor steken. Ba! En dan lacht men nog om de macht der vrouw, terwijl zoo’n man van aanzien als Geoffrey, verliefd wordt op een mooi gezichtje; ’t is eenheelmooi gezichtje, dat moet ik zeggen. Ik geloof, als ik hem niet in den weg stond, dat hij met haar zou trouwen. Maar ik sta in den weg, en ben voornemens in den weg teblijvenstaan. Maar, komaan, ’t is tijd om mij voor het diner te kleeden. Ik hoop maar dat die oude vlegel van een predikant niets bespottelijks doet. Ik zal verontschuldigingen voor hem moeten maken.”Tegen het bepaalde uur voor het diner—het was nu kwart over achten—verzamelden zich de gasten, allen beschaafde en meer of minder voorname personen. Granger kwam te voorschijn in zijn kale zwarte jas, maar, om hem wat op te knappen, met een paar gelakte schoenen van Geoffrey te hulp gekomen. Zooals wel te verwachten was, schenen de voorname personen niet verbaasd over zijn aanwezigheid te zijn, of bizonder notitie van zijn kleeding te nemen, want zulke lieden zijn nooit verbaasd. Een Zoeloe-opperhoofd in vollen krijgsdos zou slechts vriendelijke belangstelling in hun gemoed wekken. Integendeel vonden zij den ouden man een soort van curiositeit, en als zoodanig de kennismaking wel waard. De Eerste Minister verzocht zelfs, toen hij hoorde dat die vreemde heer een predikant uit Wales was, aan hem voorgesteld te worden, en knoopte dadelijk een gesprek met hem aan over tienden—een onderwerp, waarin Granger volkomen thuis was.Toen men aan tafel ging, geleidde Granger de vrouw van den bisschop, een dikke dame, die eenigszins aanleg voor een beroerte had en met een uitmuntenden eetlust gezegend was. Aan zijn andere zijde zat deEersteMinister, en tusschen die twee in, maakte hij het zeer goed, vooral na eenige glazen wijn gedronken te hebben. Zoowel de dikke vrouw van den bisschop als het hoofd van Harer Majesteits regeering verklaarden later dat dominé Granger een zeer onderhoudend man was. Den eerstgenoemde vertelde hij in alle bizonderheden hoe zijn dochter hun gastheer het leven had gered, en met den laatstgenoemde redeneerde hij over tienden, en gaf hem zijn meening te kennen welke wetgeving op dit punt noodzakelijk was. Eenigszins tot zijn verbazing, bleek het hem dat zijn zienswijze met aandacht, en zelfs met zekeren eerbied, werd aangehoord. In de hoofdzaak werden zij ook ondersteund door den bisschop, voor wien tienden insgelijks een punt van levendige belangstelling waren. Nooit te voren had Granger zulk een goed diner gehad of met zulk voornaam gezelschap omgegaan. Zijn leven lang vergat hij het niet.Den volgenden ochtend vertrok Geoffrey met Granger, voordat Lady Honoria op was. In de bizonderheden van hun lange reis naar Wales behoeven wij niet te treden.Geoffreyhad veel om over te denken, maar zijn vrees was verdwenen, zooals wel meer het geval is, wanneer het oogenblik, waar men tegen opziet, nadert, en door nieuwsgierige verwachting vervangen. Hij zag nu, of meende te zien, dat hij een berg van een molshoop had gemaakt. Waarschijnlijk had het niets te beteekenen. Beatrice hield ongetwijfeld wel van hem; mogelijk had zij zelfs een vlaag van teederheid voor hem gevoeld. Zoo iets komt, en zoo iets gaat. De tijd is een uitmuntend heelmeester voor zedelijke wonden, en weinig jonge dames dragen de kluisters van een onwenschelijke gehechtheid langer dan zeven maanden. Het deed hem bijna blozen dat hij zulk een mogelijkheid had kunnen vooronderstellen—een vooronderstelling, die niets anders was dan het uitvloeisel van zijn ijdelheid, en waar Beatrice, als zij het geweten had, met verontwaardiging om gelachen zou hebben.Hij herinnerde zich hoe hij eens, toen hij nog zeer jong was, verliefd was geweest op zekere dame, die, naar haar woorden en daden te oordeelen, zijn liefde zeker wel beantwoordde. En hij herinnerde zich ook dat die dame, toen hij haar eenige maanden later ontmoette, hem met koele onverschilligheid, ja bijna smadelijk, bejegend had, en hij er zich over verbaasd had hoe iemand zich in een geheel ander licht kon vertoonen, totdat hij eindelijk, teleurgesteld en gekrenkt, en zich schamende dat hij zich zoo in haar vergist had, woedend was weggeloopen en haar nooit had wedergezien. Dat had hij, natuurlijk, aan vrouwelijke trouweloosheid van karakter toegeschreven; zij had hem voor den gek gehouden, dat was haar eenige bedoeling geweest. Nu zou zij lachen om zijn vernedering. Het kwam niet bij hem op, dat het eenvoudig nukkigheid had kunnen zijn, of dat zij niet werkelijk veranderd was, maar zich om de een of andere reden, die zij niet verkoos te laten blijken, door hem beleedigd achtte. ’t Is moeilijk de beweegredenen der vrouwen in de schaal van mannelijke ondervinding te wegen, en menig ander man, behalve Geoffrey, heeft zich genoodzaakt gezien die poging op te geven en zich te troosten met de gedachte dat het onverklaarbare dikwijls niet waard is begrepen te worden.Ja, waarschijnlijk zou het nu weer hetzelfde geval zijn. En toch, en toch—was Beatrice van dat soort? Bezat zij niet te veel degelijkheid van karakter om zulke kuren te hebben? In den grond zijner ziel dacht hij dit wel, maar hij wilde het zichzelven niet bekennen. Het geval was eigenlijk dat hij, half onbewust, zijn geweten in slaap zocht te sussen. Hij wist dat hij, in zijn verlangen om haar te zien, iets gevaarlijks had ondernomen. Hij zou met haar over een afgrond loopen op een brug, die hen misschien zou kunnen houden of—misschien zou breken. Zoolang hij daar alleen op liep, zou het goed gaan, maar zou die brug hen beiden kunnen houden? Ach, zoo zwak is de menschelijke natuur, dit was de waarheid; maar dat wilde hij niet erkennen. Hij ging niet naar Beatrice omdat hij verliefd op haar was, maar alleen om het genoegenvan haar gezelschap te smaken, maakte hij zichzelven wijs. In vriendschap kon toch geen kwaad steken.’t Is niet moeilijk de stem van het geweten aldus tot zwijgen te brengen, vooral wanneer de bewuste zaak, ten ergste genomen, veeleer zondigen tegen plaatselijk gebruik dan tegen de natuurlijke wet is. In vele landen der wereld—ja, in bijna alle landen, in verschillende tijdperken hunner geschiedenis—zou het niets onbehoorlijks geweest zijn dat Geoffrey en Beatrice elkaar beminden, en het menschelijk hart is in sterke verzoeking zoo geneigd over de slagboomen van maatschappelijke instellingen heen te springen. Maar, zooals wij weten, alles is wel hoorbaar maar niet oorbaar. Een daad te bedrijven of zelfs maar te vergoelijken, omdat er op het beginsel, dat haar als slecht stempelt, is af te dingen, is louter sophisme, waardoor wij ons het recht zouden toekennen de meeste wetten van elke soort te trotseeren. De wetten zijn verschillend naar den aard van het bestaand geslacht, maar elk geslacht moet zijn eigen wet eerbiedigen, of het zou verwarring geven. Een daad moet beoordeeld worden naar zijn vruchten; zelfs kan zij op zichzelve onschuldig zijn, en toch is de bedrijver er van in zekeren zin schuldig, als zij kwade vruchten voortbrengt.Liefdesbetrekking tusschen een vrouw en een man, die reeds gehuwd is, berokkent allen, die er in betrokken zijn, meestal verdriet en onheil, inzonderheid de vrouw, wier toekomst er misschien onherstelbaar door bedorven is. ’t Is vruchteloos op het voorbeeld van de aartsvaders, van vorstelijke families en vele fatsoenlijke Turken te wijzen; het baat niet, aan te voeren dat die liefde een zuivere, innige is, waarvoor een man of een vrouw zou willen leven of sterven; of eenzaamheid, gemis van sympathie en dat het bestaand huwelijk maar een huwelijk in naam is, als verschoonende omstandigheden te willen laten gelden. Veel schandelijks en onzedelijks wordt, èn bij mannen èn bij vrouwen, door de vingers gezien—maarditniet.Zulke bedoelingen had Geoffrey echter geenszins. De meeste menschen maken geen plannen van dien aard. Als zij vallen, ishet wanneer de stem van het geweten verloren gaat in den dwarrelwind der hartstochten, en de waarschuwingen van het verstand overschreeuwd worden door de drogredenen van het hart. Hun grootste misslag is dat de meesten zich in toestanden laten brengen, die voor zulke heillooze invloeden gunstig zijn. ’t Is niet veilig in een kruitmagazijn cigarettes te rooken. Als Geoffrey gedaan had wat hij had behooren te doen, zou hij niet naar Bryngelly terug zijn gegaan, en dan zou er geen geschiedenis te verhalen zijn, of, ten minste, niets bizonders.Eindelijk kwam Granger met zijn gast te Bryngelly aan; er was niemand om hen op te wachten, want niemand wist dat zij kwamen, dus liepen zij naar de pastorie. Het wekte een zonderling gevoel in Geoffrey tusschen die welbekende pijnboomen door, die kleine kerk voorbij te gaan en dat lage, langwerpige huis te zien. Het kwam hem zoo verwonderlijk voor dat alles nog juist zoo was als het geweest was, dat er niet de minste verandering was te bespeuren terwijl hijzelf zooveel gezien had. Daar was Beatrice’s woning: waar was Beatrice?Als in een droom, trad hij het huis binnen. Een oogenblik later was hij in de huiskamer, waar hij zoo menig aangenaam uurtje had doorgebracht, en Elisabeth begroette hem. Hij gaf haar de hand, en terwijl hij dat deed, merkte hij op dat zij volstrekt niet veranderd was. Haar strookleurig haar was nog op dezelfde wijze naar achteren gestreken; om haar mond speelde nog dezelfde scherpe glimlach, haar lichtgrijze oogen hadden nog dezelfde koele uitdrukking, zij droeg zelfs nog hetzelfde bruine kleed. Maar het scheen haar veel genoegen te doen hem te zien, en dat was ook zoo, want het spel stond goed voor Elisabeth. Haar vader gaf haar een haastigen kus, en liep met veel drift de kamer uit om zijn geleend geld weg te sluiten, zoodat hij hen te samen alleen liet.Zonderling dat Geoffrey, die anders zoo welbespraakt was, ditmaal geen woorden wist te vinden om een gesprek aan te knoopen. Waar was Beatrice? In de school kon zij niet zijn; het was vacantie. Zou zij hier niet meer wonen?Hij wist niets anders te zeggen dan op een afgetrokken toon de aanmerking te maken dat alles te Bryngelly nog bij het oude gebleven scheen te zijn.“Gij zoekt Beatrice,” zeide Elisabeth, meer op zijn gedachten dan op zijn woorden antwoordende. “Zij is gaan wandelen, maar ik geloof dat zij wel spoedig zal terugkomen. Neem mij niet kwalijk dat ik u alleen laat, maar ik moet uw kamer in orde brengen.”Geoffrey draalde nog een weinig; toen stak hij een pijp op, en wandelde langs het strand, in de heimelijke hoop van Beatrice te ontmoeten. Hij ontmoette Beatrice echter niet, maar den ouden Eduard, die hem terstond herkende.“Wel, mijnheer,” zeide hij, “het doet me pleizier u hier terug te zien, vooral als ik bedenk hoe ik u voor het eerst zag, zoo goed als dood, met Miss Beatrice, die u bij de haren hield. Het scheelde dien avond al heel weinig of ge waart er om koud geweest. En zoo zijt ge dan gespaard gebleven, om lid van het Parlement te worden, heb ik gehoord, en daar kunt ge veel goeds doen—het zal u heel wat tijd kosten, mijnheer. Kijk, ik zou wel op uw gezondheid willen drinken.”Geoffrey stak de hand in zijn zak en gaf den ouden man een sovereign. Dat kon nu wel lijden.“Gaat Miss Beatrice nog weleens uit roeien?” vroeg hij, terwijl Eduard verbaasd zijn dank mompelde.“Zoo nu en dan, mijnheer—dank u vriendelijk; het gebeurt me ook niet alle dagen dat ik een sovereign krijg—maar ik wou liever dat zij het niet deed. Ik zou dat wrakke oude ding wel aan spaanders willen slaan—’t is gevaarlijk. Eenmaal gebeurt er weer een ongeluk mee, en dan loopt het niet zoo goed af. Maar dat is nu zoo haar manier van plezier hebben. Zij is een rare, die Miss Beatrice, en zij wordt hoe langer hoe raarder, nu zij in de pastorie zoo krap zitten, zonder tienden en zoo ’t een en ander. Ik houd het er voor,” ging hij op een gewichtig fluisterenden toon voort, “dat deSquireer wat mee te maken heeft. Hij vrijt naarhaar; hij is zoo tuk op haar als een haai op een haring, en waarom zij geen ja zegt en met hem trouwt, begrijp ik niet.”“Misschien houdt zij niet van hem,” zeide Geoffrey koel.“Dat kan wel wezen, de meisjes hebben zoo haar grillen, maar ’t is toch jammer. Hij is wel geen schrandere bol, dat is waar; maar hij is een braaf man—geen meisje kan een braver man verlangen—hij heeft altijd stil en bedaard geleefd, ziet ge, mijnheer, en wat meer is, hij heeft geld, en in de pastorie is schraalhans keukenmeester. De meisjes moeten soms haar malle grillen maar uit het hoofd zetten. Die gaan er wel uit, als zij een paar kinderen hebben. Ik ben zeventig jaar, en ik weet hoe ze zijn. Gij moest eens een woordje met haar spreken, over vijf jaar zal ze er u dank voor weten. Daar zoudt gij haar een goeden dienst mee doen, mijnheer, en—neem me niet kwalijk dat ik het zeg, voor u zou het ook niet kwaad zijn, want dat zou het praatje tot een leugen maken dat gij, een getrouwd man, verliefd op haar zijt; wat juist zoo’n wonder niet zou wezen, want zij is wel een meisje om gek op te worden—ik ben zelf al gek op haar geweest van haar zevende jaar af, toen de oude mevrouw nog leefde, die acht jaar geleden gestorven is.”Beatrice was een van de weinige onderwerpen, die den ouden Eduard in vuur konden brengen, en Geoffrey onttrok zich aan zijn verlegen makende welsprekendheid. Hij wenschte hem haastig goeden avond, en ging naar de pastorie terug, waar hij, op het hek leunende, het daglicht in het westen zag verdwijnen.Eensklaps kwam Beatrice, met een ruikertje wilde rozen in haar gordel, uit de schemering te voorschijn, en stond van aangezicht tot aangezicht voor hem.
Geoffrey en Granger kwamen omstreeks zes uur in Bolton Street aan. De gezelschapskamer was nog vol bezoekers. Lady Honoria’saanhang van jongelieden kwam in die dagen trouw op. Het waren zeer onschadelijke jongelieden, en Geoffrey had niets bizonders tegen hen. Hij vond het alleen maarmoeilijkal hun namen te onthouden. Toen Geoffrey en Granger de gezelschapskamerbinnenkwamen, waren er niet minder dan vijf, benevens een paar dames, prachtig gekleed, en die beeldsprakig aan Honoria’s voeten zaten. Tot het algemeen genoegen droegen zij juist niet veel bij, want haar Ladyschap voerde meestal het woord alleen.
Geoffrey stelde Granger voor, dien Honoria zich eerst niet scheen te kunnen herinneren. Ook was zij er niet bizonder mee ingenomen toen zij vernam dat hij zou blijven dineeren en dien nacht logeeren. De jongelieden verdwenen bij Geoffrey’s komst als nevelen voor de opkomende zon. Hij groette hen beleefd genoeg, maar zij hadden niets met hem gemeen. Om de waarheid te zeggen, waren zij een weinig bang voor hem. Die man met zijn knap, donker gelaat, dat den stempel van verstand droeg, zijn forschgebouwde gestalte (naar hun maatstaf slecht gekleed) en zijn groote en toenemende vermaardheid, was iemand, met wien zij niet sympathiseerden, en dien zij gevoelden dat voor hen ook geen sympathie had. Wij spreken alsof er voor ons allen één hemel en één hel is, maar dat is onjuist. Een onoverkomelijke kloof gaapt tusschen de verschillende soorten van menschen. Wat heeft zulk een man als Geoffrey te maken met de onbeteekenende mannelijke en vrouwelijke vlinders van een Londensch salon? Er is slechts één band tusschen hen: zij zijn bewoners van dezelfde planeet.
Toen de saletjonkers en de dames verdwenen waren, bracht Geoffrey zijn gast naar zijn kamer. Beneden gekomen, vond hij Lady Honoria in zijn studeerkamer op hem wachten.
“Blijft dat individu werkelijk hier dineeren en logeeren?” vroeg zij.
“Zeker, Honoria, maar hij heeft geen zwarten rok bij zich,” antwoordde Geoffrey.
“Maar dat is al te erg van u,” zeide de dame, met wel eenigszins begrijpelijken wrevel. “Hoe kunt ge zoo iemand meebrengen? Een Welsch predikant, die niet de minste aanspraak op den naamvangentlemankan maken, te dineeren te vragen, als de Eerste Minister en een bisschop komen—en dat nog wel een predikant zonder zwarten rok! Hij zal een steen des aanstoots aan tafel zijn. Wat kwam hij bij u doen?”
“Hij kwam mij over zaken spreken; en wat de andere gasten betreft—als het hun niet bevalt met hem aan tafel te zitten, kunnen zij er over brommen als zij thuis komen. A propos, Honoria, ik ga morgen voor een paar dagen naar Wales. Ik moet verandering hebben.”
“Zoo! Ge gaat zeker die lieve Beatrice eens bezoeken? Ge moogt wel voorzichtig zijn, Geoffrey. Dat meisje zal u in ongelegenheid brengen, en als zij dat doet, zal men u met den vinger nawijzen. Ge hebt vijanden genoeg, dat kan ik u verzekeren. Ik ben niet jaloersch, dat ligt niet in mijn aard, maar ge zijt veel te intiem met dat meisje, en eenmaal zal het u berouwen.”
“Gekheid,” zeide Geoffrey toornig, maar niettemin gevoelde hij dat Lady Honoria ware woorden had gesproken, en in haar toon lag ook een zekere vaste overtuiging. Evenwel wilde hij nu niet meer terugtreden. Hij had er zijn hart op gezet Beatrice weder te zien.
“Moet ik begrijpen,” ging zijn vrouw voort, “dat ge er nog tegen hebt dat ik bij de Garsingtons ga logeeren? Mij dunkt, ’t is wel wat hard, als ik er geen beweging over maak dat gij uw dorpsschoone gaat zien, dat gemijdan niet zoudt vergunnen mijn eigen broeder te bezoeken.”
Geoffrey gevoelde dat hij een accoord moest maken. Het was wel vernederend, maar in zijn verzotheid gaf hij toe.
“Ga, als ge wilt,” zeide hij kortaf, “maar als ge Effie meeneemt, let er dan op dat er behoorlijk zorg voor haar gedragen wordt;” en meteen liep hij de kamer uit.
Lady Honoria zag hem na, en zeide bij zichzelve, langzaam met het hoofd knikkend: “Ei, ei, nu weet ik hoe ik u behandelen moet. Ge hebt even goed uw zwakke punt als andere menschen, mijnheer Geoffrey, en dat wordt gespeld Beatrice. Maar ge moet niet tever gaan. Ik ben niet jaloersch, maar ik wil geen schandaal hebben—voor geen vijftig Beatrices. Ik wil niet toelaten dat ge uw naam en positie te grabbelen gooit. ’t Is al te gek dat zoo’n man als hij van liefde kwijnt voor een dorpsmeisje! En dan zegt men nog dat hij zoo knap is! Hij heeft altijd veel van het gezelschap van dames gehouden; dat is een gebrek van hem, en nu heeft hij zijn vingers gebrand. Dat doen die knappe mannen altijd, vroeg of laat. De vrouwen vleien hen, daar komt het van. Natuurlijk zoekt het meisje hem in te pakken, en zij kon wel erger doen, maar zoo zeker als mijn naam Honoria Bingham is, ik zal er wel een stokje voor steken. Ba! En dan lacht men nog om de macht der vrouw, terwijl zoo’n man van aanzien als Geoffrey, verliefd wordt op een mooi gezichtje; ’t is eenheelmooi gezichtje, dat moet ik zeggen. Ik geloof, als ik hem niet in den weg stond, dat hij met haar zou trouwen. Maar ik sta in den weg, en ben voornemens in den weg teblijvenstaan. Maar, komaan, ’t is tijd om mij voor het diner te kleeden. Ik hoop maar dat die oude vlegel van een predikant niets bespottelijks doet. Ik zal verontschuldigingen voor hem moeten maken.”
Tegen het bepaalde uur voor het diner—het was nu kwart over achten—verzamelden zich de gasten, allen beschaafde en meer of minder voorname personen. Granger kwam te voorschijn in zijn kale zwarte jas, maar, om hem wat op te knappen, met een paar gelakte schoenen van Geoffrey te hulp gekomen. Zooals wel te verwachten was, schenen de voorname personen niet verbaasd over zijn aanwezigheid te zijn, of bizonder notitie van zijn kleeding te nemen, want zulke lieden zijn nooit verbaasd. Een Zoeloe-opperhoofd in vollen krijgsdos zou slechts vriendelijke belangstelling in hun gemoed wekken. Integendeel vonden zij den ouden man een soort van curiositeit, en als zoodanig de kennismaking wel waard. De Eerste Minister verzocht zelfs, toen hij hoorde dat die vreemde heer een predikant uit Wales was, aan hem voorgesteld te worden, en knoopte dadelijk een gesprek met hem aan over tienden—een onderwerp, waarin Granger volkomen thuis was.
Toen men aan tafel ging, geleidde Granger de vrouw van den bisschop, een dikke dame, die eenigszins aanleg voor een beroerte had en met een uitmuntenden eetlust gezegend was. Aan zijn andere zijde zat deEersteMinister, en tusschen die twee in, maakte hij het zeer goed, vooral na eenige glazen wijn gedronken te hebben. Zoowel de dikke vrouw van den bisschop als het hoofd van Harer Majesteits regeering verklaarden later dat dominé Granger een zeer onderhoudend man was. Den eerstgenoemde vertelde hij in alle bizonderheden hoe zijn dochter hun gastheer het leven had gered, en met den laatstgenoemde redeneerde hij over tienden, en gaf hem zijn meening te kennen welke wetgeving op dit punt noodzakelijk was. Eenigszins tot zijn verbazing, bleek het hem dat zijn zienswijze met aandacht, en zelfs met zekeren eerbied, werd aangehoord. In de hoofdzaak werden zij ook ondersteund door den bisschop, voor wien tienden insgelijks een punt van levendige belangstelling waren. Nooit te voren had Granger zulk een goed diner gehad of met zulk voornaam gezelschap omgegaan. Zijn leven lang vergat hij het niet.
Den volgenden ochtend vertrok Geoffrey met Granger, voordat Lady Honoria op was. In de bizonderheden van hun lange reis naar Wales behoeven wij niet te treden.Geoffreyhad veel om over te denken, maar zijn vrees was verdwenen, zooals wel meer het geval is, wanneer het oogenblik, waar men tegen opziet, nadert, en door nieuwsgierige verwachting vervangen. Hij zag nu, of meende te zien, dat hij een berg van een molshoop had gemaakt. Waarschijnlijk had het niets te beteekenen. Beatrice hield ongetwijfeld wel van hem; mogelijk had zij zelfs een vlaag van teederheid voor hem gevoeld. Zoo iets komt, en zoo iets gaat. De tijd is een uitmuntend heelmeester voor zedelijke wonden, en weinig jonge dames dragen de kluisters van een onwenschelijke gehechtheid langer dan zeven maanden. Het deed hem bijna blozen dat hij zulk een mogelijkheid had kunnen vooronderstellen—een vooronderstelling, die niets anders was dan het uitvloeisel van zijn ijdelheid, en waar Beatrice, als zij het geweten had, met verontwaardiging om gelachen zou hebben.
Hij herinnerde zich hoe hij eens, toen hij nog zeer jong was, verliefd was geweest op zekere dame, die, naar haar woorden en daden te oordeelen, zijn liefde zeker wel beantwoordde. En hij herinnerde zich ook dat die dame, toen hij haar eenige maanden later ontmoette, hem met koele onverschilligheid, ja bijna smadelijk, bejegend had, en hij er zich over verbaasd had hoe iemand zich in een geheel ander licht kon vertoonen, totdat hij eindelijk, teleurgesteld en gekrenkt, en zich schamende dat hij zich zoo in haar vergist had, woedend was weggeloopen en haar nooit had wedergezien. Dat had hij, natuurlijk, aan vrouwelijke trouweloosheid van karakter toegeschreven; zij had hem voor den gek gehouden, dat was haar eenige bedoeling geweest. Nu zou zij lachen om zijn vernedering. Het kwam niet bij hem op, dat het eenvoudig nukkigheid had kunnen zijn, of dat zij niet werkelijk veranderd was, maar zich om de een of andere reden, die zij niet verkoos te laten blijken, door hem beleedigd achtte. ’t Is moeilijk de beweegredenen der vrouwen in de schaal van mannelijke ondervinding te wegen, en menig ander man, behalve Geoffrey, heeft zich genoodzaakt gezien die poging op te geven en zich te troosten met de gedachte dat het onverklaarbare dikwijls niet waard is begrepen te worden.
Ja, waarschijnlijk zou het nu weer hetzelfde geval zijn. En toch, en toch—was Beatrice van dat soort? Bezat zij niet te veel degelijkheid van karakter om zulke kuren te hebben? In den grond zijner ziel dacht hij dit wel, maar hij wilde het zichzelven niet bekennen. Het geval was eigenlijk dat hij, half onbewust, zijn geweten in slaap zocht te sussen. Hij wist dat hij, in zijn verlangen om haar te zien, iets gevaarlijks had ondernomen. Hij zou met haar over een afgrond loopen op een brug, die hen misschien zou kunnen houden of—misschien zou breken. Zoolang hij daar alleen op liep, zou het goed gaan, maar zou die brug hen beiden kunnen houden? Ach, zoo zwak is de menschelijke natuur, dit was de waarheid; maar dat wilde hij niet erkennen. Hij ging niet naar Beatrice omdat hij verliefd op haar was, maar alleen om het genoegenvan haar gezelschap te smaken, maakte hij zichzelven wijs. In vriendschap kon toch geen kwaad steken.
’t Is niet moeilijk de stem van het geweten aldus tot zwijgen te brengen, vooral wanneer de bewuste zaak, ten ergste genomen, veeleer zondigen tegen plaatselijk gebruik dan tegen de natuurlijke wet is. In vele landen der wereld—ja, in bijna alle landen, in verschillende tijdperken hunner geschiedenis—zou het niets onbehoorlijks geweest zijn dat Geoffrey en Beatrice elkaar beminden, en het menschelijk hart is in sterke verzoeking zoo geneigd over de slagboomen van maatschappelijke instellingen heen te springen. Maar, zooals wij weten, alles is wel hoorbaar maar niet oorbaar. Een daad te bedrijven of zelfs maar te vergoelijken, omdat er op het beginsel, dat haar als slecht stempelt, is af te dingen, is louter sophisme, waardoor wij ons het recht zouden toekennen de meeste wetten van elke soort te trotseeren. De wetten zijn verschillend naar den aard van het bestaand geslacht, maar elk geslacht moet zijn eigen wet eerbiedigen, of het zou verwarring geven. Een daad moet beoordeeld worden naar zijn vruchten; zelfs kan zij op zichzelve onschuldig zijn, en toch is de bedrijver er van in zekeren zin schuldig, als zij kwade vruchten voortbrengt.
Liefdesbetrekking tusschen een vrouw en een man, die reeds gehuwd is, berokkent allen, die er in betrokken zijn, meestal verdriet en onheil, inzonderheid de vrouw, wier toekomst er misschien onherstelbaar door bedorven is. ’t Is vruchteloos op het voorbeeld van de aartsvaders, van vorstelijke families en vele fatsoenlijke Turken te wijzen; het baat niet, aan te voeren dat die liefde een zuivere, innige is, waarvoor een man of een vrouw zou willen leven of sterven; of eenzaamheid, gemis van sympathie en dat het bestaand huwelijk maar een huwelijk in naam is, als verschoonende omstandigheden te willen laten gelden. Veel schandelijks en onzedelijks wordt, èn bij mannen èn bij vrouwen, door de vingers gezien—maarditniet.
Zulke bedoelingen had Geoffrey echter geenszins. De meeste menschen maken geen plannen van dien aard. Als zij vallen, ishet wanneer de stem van het geweten verloren gaat in den dwarrelwind der hartstochten, en de waarschuwingen van het verstand overschreeuwd worden door de drogredenen van het hart. Hun grootste misslag is dat de meesten zich in toestanden laten brengen, die voor zulke heillooze invloeden gunstig zijn. ’t Is niet veilig in een kruitmagazijn cigarettes te rooken. Als Geoffrey gedaan had wat hij had behooren te doen, zou hij niet naar Bryngelly terug zijn gegaan, en dan zou er geen geschiedenis te verhalen zijn, of, ten minste, niets bizonders.
Eindelijk kwam Granger met zijn gast te Bryngelly aan; er was niemand om hen op te wachten, want niemand wist dat zij kwamen, dus liepen zij naar de pastorie. Het wekte een zonderling gevoel in Geoffrey tusschen die welbekende pijnboomen door, die kleine kerk voorbij te gaan en dat lage, langwerpige huis te zien. Het kwam hem zoo verwonderlijk voor dat alles nog juist zoo was als het geweest was, dat er niet de minste verandering was te bespeuren terwijl hijzelf zooveel gezien had. Daar was Beatrice’s woning: waar was Beatrice?
Als in een droom, trad hij het huis binnen. Een oogenblik later was hij in de huiskamer, waar hij zoo menig aangenaam uurtje had doorgebracht, en Elisabeth begroette hem. Hij gaf haar de hand, en terwijl hij dat deed, merkte hij op dat zij volstrekt niet veranderd was. Haar strookleurig haar was nog op dezelfde wijze naar achteren gestreken; om haar mond speelde nog dezelfde scherpe glimlach, haar lichtgrijze oogen hadden nog dezelfde koele uitdrukking, zij droeg zelfs nog hetzelfde bruine kleed. Maar het scheen haar veel genoegen te doen hem te zien, en dat was ook zoo, want het spel stond goed voor Elisabeth. Haar vader gaf haar een haastigen kus, en liep met veel drift de kamer uit om zijn geleend geld weg te sluiten, zoodat hij hen te samen alleen liet.
Zonderling dat Geoffrey, die anders zoo welbespraakt was, ditmaal geen woorden wist te vinden om een gesprek aan te knoopen. Waar was Beatrice? In de school kon zij niet zijn; het was vacantie. Zou zij hier niet meer wonen?
Hij wist niets anders te zeggen dan op een afgetrokken toon de aanmerking te maken dat alles te Bryngelly nog bij het oude gebleven scheen te zijn.
“Gij zoekt Beatrice,” zeide Elisabeth, meer op zijn gedachten dan op zijn woorden antwoordende. “Zij is gaan wandelen, maar ik geloof dat zij wel spoedig zal terugkomen. Neem mij niet kwalijk dat ik u alleen laat, maar ik moet uw kamer in orde brengen.”
Geoffrey draalde nog een weinig; toen stak hij een pijp op, en wandelde langs het strand, in de heimelijke hoop van Beatrice te ontmoeten. Hij ontmoette Beatrice echter niet, maar den ouden Eduard, die hem terstond herkende.
“Wel, mijnheer,” zeide hij, “het doet me pleizier u hier terug te zien, vooral als ik bedenk hoe ik u voor het eerst zag, zoo goed als dood, met Miss Beatrice, die u bij de haren hield. Het scheelde dien avond al heel weinig of ge waart er om koud geweest. En zoo zijt ge dan gespaard gebleven, om lid van het Parlement te worden, heb ik gehoord, en daar kunt ge veel goeds doen—het zal u heel wat tijd kosten, mijnheer. Kijk, ik zou wel op uw gezondheid willen drinken.”
Geoffrey stak de hand in zijn zak en gaf den ouden man een sovereign. Dat kon nu wel lijden.
“Gaat Miss Beatrice nog weleens uit roeien?” vroeg hij, terwijl Eduard verbaasd zijn dank mompelde.
“Zoo nu en dan, mijnheer—dank u vriendelijk; het gebeurt me ook niet alle dagen dat ik een sovereign krijg—maar ik wou liever dat zij het niet deed. Ik zou dat wrakke oude ding wel aan spaanders willen slaan—’t is gevaarlijk. Eenmaal gebeurt er weer een ongeluk mee, en dan loopt het niet zoo goed af. Maar dat is nu zoo haar manier van plezier hebben. Zij is een rare, die Miss Beatrice, en zij wordt hoe langer hoe raarder, nu zij in de pastorie zoo krap zitten, zonder tienden en zoo ’t een en ander. Ik houd het er voor,” ging hij op een gewichtig fluisterenden toon voort, “dat deSquireer wat mee te maken heeft. Hij vrijt naarhaar; hij is zoo tuk op haar als een haai op een haring, en waarom zij geen ja zegt en met hem trouwt, begrijp ik niet.”
“Misschien houdt zij niet van hem,” zeide Geoffrey koel.
“Dat kan wel wezen, de meisjes hebben zoo haar grillen, maar ’t is toch jammer. Hij is wel geen schrandere bol, dat is waar; maar hij is een braaf man—geen meisje kan een braver man verlangen—hij heeft altijd stil en bedaard geleefd, ziet ge, mijnheer, en wat meer is, hij heeft geld, en in de pastorie is schraalhans keukenmeester. De meisjes moeten soms haar malle grillen maar uit het hoofd zetten. Die gaan er wel uit, als zij een paar kinderen hebben. Ik ben zeventig jaar, en ik weet hoe ze zijn. Gij moest eens een woordje met haar spreken, over vijf jaar zal ze er u dank voor weten. Daar zoudt gij haar een goeden dienst mee doen, mijnheer, en—neem me niet kwalijk dat ik het zeg, voor u zou het ook niet kwaad zijn, want dat zou het praatje tot een leugen maken dat gij, een getrouwd man, verliefd op haar zijt; wat juist zoo’n wonder niet zou wezen, want zij is wel een meisje om gek op te worden—ik ben zelf al gek op haar geweest van haar zevende jaar af, toen de oude mevrouw nog leefde, die acht jaar geleden gestorven is.”
Beatrice was een van de weinige onderwerpen, die den ouden Eduard in vuur konden brengen, en Geoffrey onttrok zich aan zijn verlegen makende welsprekendheid. Hij wenschte hem haastig goeden avond, en ging naar de pastorie terug, waar hij, op het hek leunende, het daglicht in het westen zag verdwijnen.
Eensklaps kwam Beatrice, met een ruikertje wilde rozen in haar gordel, uit de schemering te voorschijn, en stond van aangezicht tot aangezicht voor hem.
Hoofdstuk XXI.Driemaal er bij ingeroepen.In verrukking, alsof hij een hemelsch visioen aanschouwde, staarde Geoffrey op die bekoorlijke verschijning in het zachte avondlicht.“Met uw verlof,” zeide zij, op een verlegen toon, vooruittredende om het hek te openen.“Beatrice!”Een flauwe kreet ontsnapte haar, en zij greep zich aan het hek vast, anders zou zij neergezonken zijn. Een oogenblik bleef zij zoo staan en zag naar zijn gelaat, dat in de schaduw verborgen was, op, met een blik vol hoop en vrees en liefde.“Zijt gij het,” zeide zij eindelijk, “of is het weer een droom?”“Ik ben het, Beatrice!” antwoordde hij, verbaasd.Met een krachtige poging herstelde zij zich.“Waarom hebt ge mij dan zoo verschrikt?” vroeg zij. “Dat was onaardig—o, ik bedoelde niet iets knorrigs te zeggen. Wat heb ik gezegd? Ik ben het vergeten. Ik ben zoo blijde dat gij gekomen zijt!” En zij bracht haar hand aan haar voorhoofd, en zag hem weder aan, zooals men een uit het graf verrezene zou aanstaren.“Hadt ge mij niet verwacht?” vroeg Geoffrey.“U verwacht? Neen. Niet meer dan ik verwacht zou hebben—” Eensklaps zweeg zij.“Dat is zonderling,” hernam hij. “Wist gij dan niet dat uw vader mij hier zou noodigen? Ik ben met hem uit Londen teruggekomen.”“Uit Londen,” herhaalde zij.“Daar wist ik niets van.Elisabethheeft mij er niets van verteld. Dat heeft zij zeker vergeten.”“In allen gevalle ben ik hier. En hoe gaat het u?”“O, nu weer heel wel. Ziezoo, nu ben ik van den schrik bekomen.’t Is niet goed iemand zoo te verschrikken, mijnheer Bingham. Laat mij het hek door, en ik zal u de hand geven—als het,” liet zij er aardig spottend op volgen, “geoorloofd is zoo’n groot man de hand te geven. Maar ik heb het u wel gezegd, niet waar?—even voordat wij verdronken. Hoe gaat het met Effie?”“Effie is frisch en gezond,” antwoordde hij. “Maar mij dunkt dat gij er niet zoo heel goed uitziet. Uw vader heeft mij verteld dat gij dezen winter kou hebt gevat,” en Geoffrey huiverde toen hij aan de reden daarvan dacht.“O, ik heb niets om over te klagen. Ik ben wèl en sterk. Hoe lang blijft ge hier?”“Niet lang. Misschien tot Dinsdagochtend, misschien tot Maandag.”Beatrice zuchtte. Geluk is van korten duur. Zij had hem hier niet gebracht; zij zou geen vinger uitgestoken hebben om hem hier te brengen, maar nu hij gekomen was, wenschte zij dat hij langer bleef.“’t Is tijd voor het avondeten,” zeide zij; “laten we naar binnen gaan.”Dit deden zij. Zij zaten vergenoegd bijeen. Granger was bijna luidruchtig vroolijk. ’t Is verwonderlijk welk een verschil het bezit van twee honderd pond in zijn gedrag maakte; hij scheen een ander mensch te zijn. Wel moest er honderd af om schulden te betalen, maar er schoten toch nog honderd over, en daar kon hij minstens een jaar mee toe. Elisabeth was ook minder grimmig dan gewoonlijk; de twee honderd pond hadden op haar ook invloed, en nog andere invloeden werkten heimelijk in haar arglistig hart. Beatrice wist niets van het geld, en was eenigszins stil, maar zij was ook vergenoegd; zij smaakte dat gevoel van onwezenlijk geluk, dat wij soms in een droom hebben.Wat Geoffrey betrof, als Honoria hem had kunnen zien, zou zij verbaasd geweest zijn. In den laatsten tijd was hij een zeer stil man geweest; menigeen had hem ongezellig gevonden. Maar onder den invloed van Beatrice’s tegenwoordigheid, sprak hij met opgewektheid. Misschien wilde hij, zonder het zelf te weten, zich van zijn gunstigste zijde vertoonen, zooals ieder man natuurlijk doetin het bijzijn van de vrouw, die hij bemint. Zoo boeiend was zijn gesprek, dat zij eindelijk allen stil naar hem zaten te luisteren, en zij hadden hun tijd wel minder aangenaam kunnen doorbrengen.Eindelijk was het avondeten afgeloopen, en Elisabeth ging naar haar kamer. Nu werd Granger ook geroepen om een ziek kind te doopen, en ging brommend heen, zoodat Geoffrey en Beatrice alleen bleven. Zij zaten aan het venster, en zagen in den stillen avond uit.“Vertel mij nu eens van uzelven,” zeide Beatrice.Dit deed hij. Hij verhaalde haar hoe hij stap voor stap zijn tegenwoordige hoogte bereikt had, en toonde haar aan dat hij het van dit standpunt tot den hoogsten post kon brengen. Zij zag hem niet aan, en antwoordde hem niet, maar eens, toen hij ophield, meenende dat hij genoeg over zichzelven had gesproken, zeide zij: “Ga voort; vertel mij nog wat meer.”Eindelijk had hij haar alles verteld.“Ja,”zeide zij, “gij hebt er het vermogen en de gelegenheid toe, en eenmaal wordt gij een der grootste mannen van onzen tijd.”“Dat betwijfel ik,” antwoordde hij, met een zucht. “Ik ben niet eerzuchtig. Ik werk alleen om het werk zelf, niet voor wat het zal aanbrengen. Eenmaal zal ik het, geloof ik, moede worden en het laten varen. Maar zoolang ik werk, wil ik gaarne een van de eersten in mijn stand zijn.”“O, neen,” hernam zij, “ge moet het niet opgeven; ge moet voortgaan, altijd vooruit. Beloof mij,” en daarbij zag zij hem voor de eerste maal aan—“beloof mij dat gij, zoolang gij gezondheid en kracht bezit, zult volharden totdat gij alleen staat en boven alle anderen uitblinkt. Dan moogt gij het opgeven.”“Waarom moet ik u dat beloven, Beatrice?”“Omdat ik het u verzoek. Eenmaal heb ik u het leven gered, mijnheer Bingham, en dat geeft mij eenig recht om u uw loopbaan aan te wijzen. Ik wensch dat de man, dien ik voor de wereld behouden heb, onder de eerste mannen van de wereld genoemd zal worden, niet om zijn rijkdom, wat maar toeval is, maar om zijn geestkracht en verstand. Beloof mij dat, en ik zal tevreden zijn.”“Ik beloof het u,” zeide hij, “ik beloof dat ik zal trachten het tot hoog aanzien te brengen, omdatgijhet mij verzoekt, niet omdat het vooruitzicht mij aantrekt:” maar terwijl hij dit zeide, werd zijn hart verscheurd. Het was bitter haar zoo over een toekomst te hooren spreken, waarin zij niet zou deelen, die voor haar iets zou zijn geheel van haar afgescheiden, zoo afgescheiden alsof zij dood was.“Ja,” ging hij voort, “gij hebt mij het leven gered, en het is een bedroevend denkbeeld voor mij, dat ik niets doen kan om u dat te vergelden. O, Beatrice, ik wil u zeggen wat ik niemand nog ooit gezegd heb: ik ben eenzaam en ongelukkig. U uitgezonderd, geloof ik niet dat er iemand is, die werkelijk belang in mij stelt—die met mij sympathiseert. Dat zal wel mijn eigen schuld zijn, en het klinkt vernederend, en in zekeren zin zelfzuchtig, het te zeggen. Ik zou het ook aan geen andere levende ziel gezegd hebben dan aan u. Wat baat het groot te zijn, als er niemand is, om voor te werken? Het had anders kunnen zijn, maar het is een harde wereld. Als gij—als gij—”Op dit oogenblik raakte zijn hand de hare aan: het was bij toeval, maar in de teederheid van zijn hart zwichtte hij voor de verzoeking en had hij hare hand gevat. Zacht trok zij die terug.“Gij hebt uw vrouw, om uw vermogen met u te deelen,” zeide zij, nadat beiden een oogenblik het stilzwijgen bewaard hadden; “gij hebt Effie, om het te erven, en uw naam kunt gij aan uw vaderland nalaten.”Nu volgde er een pijnlijk stilzwijgen.“En gij,” brak hij het af, “wat isuwtoekomst?”Zij glimlachte weemoedig. “Vrouwen hebben geen toekomst, en verlangen er ook geen—ik, ten minste, nu niet meer, ofschoon vroeger wel. ’t Is voor haar genoeg wanneer zij, hoe weinig ook, anderen in hun leven behulpzaam kunnen zijn. Dat is haar geluk, en haar belooning is—rust.”Juist kwam Granger weer thuis, en Beatrice stond op.“Ze ziet wat bleek, vindt ge niet, mijnheer Bingham?” zeide haar vader. “Ik houd het er voor dat er iets is, wat haar verdrietdoet. Het geval is—och, waarom zou ik het u niet vertellen, zij heeft zoo’n hoogen dunk van u, en gij zoudt een woordje kunnen zeggen om haar op te beuren—welnu, ’t is over mijnheer Davies. Ik geloof, ziet ge, dat zij veel van hem houdt, en bedroefd is omdat hij er niet voor uitkomt. Misschien heb ik het mis, maar soms denk ik dat hij het wel doen zal. Ik heb hem een gezicht zien zetten alsof hij er over dacht, hoewel het, natuurlijk, meer is dan Beatrice recht heeft te verwachten. Zij heeft niets anders te geven dan zichzelve en haar goed uiterlijk, en hij is een rijk man. Denk eens, mijnheer Bingham,” en de oude heer sloeg zijn oogen vroom ten hemel, “wat zou dat niet voor haar zijn, en voor ons allen, als het God behaagde haar zulk een kans te geven; zij zou haar leven lang rijk zijn, en in zoo’n stand! Maar ’t is mogelijk; men kan nooit weten; hij kan wel zin in haar krijgen. In allen gevalle, mijnheer Bingham, geloof ik dat gij haar wel wat kunt opbeuren; zij behoeft de hoop nog niet op te geven.”Geoffrey kon een spotachtig lachen niet bedwingen, dat Beatrice van liefde voor Owen Davies zou kwijnen.“Ja,” zeide hij, “dat zou zeker wel een goede partij voor haar zijn, maar ik weet niet of zij met mijnheer Davies wel overweg zou kunnen.”“Met hem overweg kunnen! O, dat zou wel gaan; de vrouwen weten zich zoo te voegen, vooral als zij een gemakkelijk leven hebben. Hij is misschien wel wat dom, maar ik geloof toch dat zij om hem treurt, en het zou te bejammeren zijn dat zij haar leven zoo verkniesde. Hoe, gaat gij al naar bed? Goeden nacht dan—goeden nacht.”Geoffrey ging naar bed, maar niet om te slapen. Een geruime poos lag hij wakker; allerlei gedachten hielden hem uit den slaap. Hij dacht aan den laatsten nacht, welken hij in die kleine kamer had doorgebracht, aan alles, wat hij sedert dien tijd ondervonden had, en aan de ontmoeting van heden. Kon hij, na die ontmoeting, nog langer twijfelen wat Beatrice voor hem gevoelde? Dat was moeilijk, maar toch was het nog mogelijk dat hij zich vergiste.Toen dacht hij aan hetgeen de oude Eduard hem had gezegd, en wat Granger betrekkelijk Beatrice en Owen Davies gezegd had.Beiden hadden hun meening ruw, en zelfs zeer onkiesch uitgedrukt, maar hun meeningen stemden toch overeen, en wat meer was, er was iets waars in, en dat wist hij.Het denkbeeld dat Beatrice met Davies zou trouwen, was, om het zacht uit te drukken, stuitend voor hem; maar had hij het recht om zich tusschen haar en zulk een wenschelijken levensstand te stellen? Dat had hij ontegenzeggelijk niet, en zijn geweten zeide het hem.Was het bovendien geoorloofd dat die soort van band, die tusschen hen bestond, nauwer toegehaald werd? Wat zou dat geven? Verdriet, en niets anders dan verdriet, inzonderheid voor Beatrice. Hij had verkeerd gedaan hier te komen, hij had verkeerd gedaan haar hand te vatten. Hij zou het zien te herstellen op de eenige wijze, die in zijn vermogen was, alsof in zulk een geval als dat van Beatrice herstel nu mogelijk kon zijn! Hij moest uit haar leven verdwijnen en haar niet wederzien. Dan zou zij hem leeren vergeten, of ten ergste, nog slechts met een flauw gevoel van leedwezen aan hem denken. Ja, het mocht kosten wat het wilde, daar zou hij zich toe dwingen, voordat werkelijk kwaad het gevolg was. De eenige vraag was, zou hij niet verder gaan? Zou hij haar niet zeggen dat zij wel zou doen met Davies te trouwen?Over deze moeilijke vraag peinzend, viel hij in slaap.Wanneer menschen in Geoffrey’s ongelukkigen toestand berouw gevoelen en de dwalingen huns weegs inzien, overdrijven zij licht hun verstandige voornemens en gaan aanvallenderwijze te werk. Niet tevreden met de zaak te laten zooals zij is, moeten zij noodwendig hun nieuw gevonden kracht aan den deelgenoot hunner fout verkondigen als een onfeilbaar middel om hetstatus quo antete herstellen. Soms is het gevolg van dien vromen ijver dat zij verkeerd begrepen worden, of er zelfs het onheil, dat zij zoo prijzenswaardig wenschten af te wenden, door verhaasten.Den volgenden dag was het Pinkster, en een dag, dien Geoffrey gelegenheid had om zich heel zijn volgend leven te herinneren. Aan het ontbijt waren zij allen bijeen, en kort daarna gingen zij naar de kerk, waar het te half elf uur dienst was. Bij wijze van zijn goede voornemens ten uitvoer te brengen, waarmede hij zoo druk bezig was een hel op zijn eigen hand te plaveien, ging Geoffrey niet naast Beatrice zitten, maar koos een plaats aan het einde van de kerk, dichtbij de deur, waar hij zich troostte met naar haar te zien.Het was bizonder zwoel weer, en, hoewel er niet veel zon was, zoo warm als midden in den zomer. Als zij in een vulkanische landstreek geweest waren, zou Geoffrey gedacht hebben dat zulk weer een schok van aardbeving voorafging. Maar hij wist dat het eenvoudig een van die grilligheden van het Engelsche klimaat ten koste der bevolking was. Intusschen vond hij het in de bedompte kleine kerk om te stikken, en even vóór de preek, die hij toevallig te weten was gekomen dat niet door Beatrice geschreven was, nam hij de gelegenheid waar om er ongemerkt uit te gaan. Zonder bepaald doel, drentelde hij langs het strand, waar niemand te zien was, want, zooals reeds gezegd is, Zondags sliep Bryngelly. Evenwel zag hij een man met snelle schreden aankomen, en in dien man herkende hij OwenDavies, die onder het loopen in zichzelven sprak en met zijn armen zwaaide. Geoffrey trad ter zijde, om hem voorbij te laten gaan, en terwijl hij dit deed, was hij verbaasd, en zelfs bijna verschrikt, van de verandering, die hij in hem bespeurde. Zijn vol, blozend gelaat was vermagerd, en teekende een half gemelijke, half droevige uitdrukking; er waren donkere kringen om zijn eenmaal zoo kalme, blauwe oogen, en zijn haar had wel geknipt mogen worden. Geoffrey dacht dat hij ziek was geweest. Op dit oogenblik kreeg Owen hem in het oog.“Hoe gaat het u, mijnheer Bingham?” zeide hij. “Ik heb gehoord dat gij hier waart. Dat hebben ze mij gisterenavond aan het station verteld. Ziet ge, ’t is hier een kleine plaats, en men weet gaarne wie er zoo al komt of heengaat,” liet hij er, als tot verontschuldiging, op volgen.Hij liep voort, en Geoffrey liep met hem mede.“Ge ziet er niet goed uit, mijnheer Davies,” zeide hij, “zijt gij ziek geweest?”“Neen, neen,” antwoorde hij, “ik ben heel wel; ’t is alleen mijn ziel, die ziek is.”“Zoo!” zeide Geoffrey, die vond dat hij er werkelijk vreemd uitzag. “Misschien leeft gij te eenzelvig en zijt gij te veel alleen—dat zal u neerslachtig maken.”“Ja, ik ben te veel alleen, omdat het niet anders kan. Wat moet iemand doen, mijnheer Bingham, als de vrouw, die hij bemint, niet met hem trouwen wil, hem niet wil aanzien, hem behandelt alsof zij hem voor de honden gevonden heeft?”“Met een andere vrouw trouwen,” ried Geoffrey aan.“O, dat kunt gij gemakkelijk zeggen—gij hebt nooit bemind, en weet er niet van. Ik kan met geen andere trouwen, ik wil alleen methaartrouwen.”“Haar? Wie?”“Wie? Wel, Beatrice—met wie anders zou een man willen trouwen, als hij haar eenmaal gezien heeft? Maar zij wil mij niet hebben; ze haat mij.”“Waarlijk?” zeide Geoffrey.“Ja, waarlijk, en weet ge waarom? Wil ik u zeggen, waarom? Ik zal het u zeggen,” en hij greep hem bij den arm, en fluisterde hem heesch in ’t oor: “Omdat zijubemint, mijnheer Bingham.”“Hoor eens, mijnheer Davies,” sprak Geoffrey, zijn arm losrukkende, “zulke malle praatjes duld ik niet. Ge zijt zeker niet bij uw zinnen.”“Wees niet boos op mij,” hernam Davies. “Het is waar. Ik heb haar gadegeslagen, en ik weet dat het waar is. Waarom schrijft zij u elke week? Waarom onthutst zij en luistert zij als uw naam maar genoemd wordt? O, mijnheer Bingham,” ging hij op een erbarmelijken toon voort, “heb medelijden—gij hebt een vrouw, en zooveel vrouwen als gij maar wilt, wie gij het hof kunt maken—laatmijBeatrice. Als ge ’t niet doet, geloof ik dat ik krankzinnigzal worden. Ik heb haar altijd bemind, reeds toen zij nog maar een kind was, en van dag tot dag wordt mijn liefde sterker en onweerstaanbaarder. Gij kunt Beatrice slechts tot schande brengen, maarikkan haar alles geven, zooveel als zij maar wil, alles wat haar hart begeert, en ik zal een goed echtgenoot voor haar wezen; ik zal altijd aan haar zijde zijn.”“Ik betwijfel niet of dat zou wel heerlijk voor u zijn,” antwoordde Geoffrey; “maar vindt ge er niet iets onwaardigs in, mijnheer Davies, dat gemijdit alles zegt? Dat moet gij Miss Granger zelve zeggen.”“Dat weet ik wel,” hernam hij, “maar dat kan mij niet schelen. ’t Is mijn eenige kans, en wat geef ik er om of het onwaardig is? O, mijnheer Bingham, ik heb nooit een andere vrouw bemind, ik ben mijn heele leven eenzaam geweest. Sta mij nu niet in den weg. Als gij wist wat ik geleden heb, hoe ik God heb gebeden mij Beatrice te schenken, zoudt ge mij helpen. Gij zijt een van die mannen, die alles vermogen; zij zal naar u luisteren. Als gij haar zegt dat ze met mij moet trouwen, zal zij het doen, en ik zal er u mijn leven lang voor zegenen.”Geoffrey zag met de grootste verachting op dien smeekeling neder. Er is altijd iets verachtelijks in, als de eene man de hulp van een anderen in zijn liefdeszaken inroept—dat moest hij alleen wel af kunnen. Hoeveel te meer nog is het dan niet vernederend, als de verliefde persoon hulp zoekt bij den man, dien hij voor zijn gelukkigen medeminnaar houdt?“Ik moet u zeggen, mijnheer Davies,” hernam Geoffrey, “dat ik van dat alles genoeg heb. Het past mij niet Miss Granger te willen dwingen een aanzoek aan te nemen, dat haar, volgens uw verklaring, niet welkom is. Maar als ik er toe in de gelegenheid ben, zal ik haar zeggen wat gemijgezegd hebt. Het overige laat ik aan uzelven over. Goeden morgen, mijnheer Davies.”Hij wendde zich om, en liep heen, terwijl Owen hem nastaarde.“Ik geloof hem niet,” bromde hij bij zichzelven. “Hij zal beproeven haar tot zijn minnares te maken. O, God sta mij bij—daarkan ik niet aan denken! Maar als hij het doet, en ik er achter kom, laat hij dan oppassen! Ik zal hem in ’t verderf storten, ja, in ’t verderf storten! Ik heb geld, en dus kan ik dat doen. Ha, hij denkt dat ik gek ben—ze denken altemaal dat ik gek ben, maar ik heb mij niet al die jaren voor niemendal stilgehouden. Ik kan geweld maken, als het noodig is. En als hij een schurk is, zal God mij helpen om hem te vernietigen. Ik heb God gebeden, en God zal mij helpen.”Toen ging hij naar het kasteel terug. Owen Davies was een type van dat soort van godsdienstige menschen, die meenen dat zij den Almachtige voor hun verlangens op hun hand kunnen krijgen, als die verlangens maar door menschelijke instellingen en gebruiken gewettigd zijn.Zoo was, binnen vier-en-twintig uur, Geoffrey’s hulp driemaal ingeroepen, om het meisje, dat hij beminde, in de armen van een echtgenoot, die haar tegenstond, te brengen. Geen wonder dat hij op dit punt bijna bijgeloovig werd.
In verrukking, alsof hij een hemelsch visioen aanschouwde, staarde Geoffrey op die bekoorlijke verschijning in het zachte avondlicht.
“Met uw verlof,” zeide zij, op een verlegen toon, vooruittredende om het hek te openen.
“Beatrice!”
Een flauwe kreet ontsnapte haar, en zij greep zich aan het hek vast, anders zou zij neergezonken zijn. Een oogenblik bleef zij zoo staan en zag naar zijn gelaat, dat in de schaduw verborgen was, op, met een blik vol hoop en vrees en liefde.
“Zijt gij het,” zeide zij eindelijk, “of is het weer een droom?”
“Ik ben het, Beatrice!” antwoordde hij, verbaasd.
Met een krachtige poging herstelde zij zich.
“Waarom hebt ge mij dan zoo verschrikt?” vroeg zij. “Dat was onaardig—o, ik bedoelde niet iets knorrigs te zeggen. Wat heb ik gezegd? Ik ben het vergeten. Ik ben zoo blijde dat gij gekomen zijt!” En zij bracht haar hand aan haar voorhoofd, en zag hem weder aan, zooals men een uit het graf verrezene zou aanstaren.
“Hadt ge mij niet verwacht?” vroeg Geoffrey.
“U verwacht? Neen. Niet meer dan ik verwacht zou hebben—” Eensklaps zweeg zij.
“Dat is zonderling,” hernam hij. “Wist gij dan niet dat uw vader mij hier zou noodigen? Ik ben met hem uit Londen teruggekomen.”
“Uit Londen,” herhaalde zij.“Daar wist ik niets van.Elisabethheeft mij er niets van verteld. Dat heeft zij zeker vergeten.”
“In allen gevalle ben ik hier. En hoe gaat het u?”
“O, nu weer heel wel. Ziezoo, nu ben ik van den schrik bekomen.’t Is niet goed iemand zoo te verschrikken, mijnheer Bingham. Laat mij het hek door, en ik zal u de hand geven—als het,” liet zij er aardig spottend op volgen, “geoorloofd is zoo’n groot man de hand te geven. Maar ik heb het u wel gezegd, niet waar?—even voordat wij verdronken. Hoe gaat het met Effie?”
“Effie is frisch en gezond,” antwoordde hij. “Maar mij dunkt dat gij er niet zoo heel goed uitziet. Uw vader heeft mij verteld dat gij dezen winter kou hebt gevat,” en Geoffrey huiverde toen hij aan de reden daarvan dacht.
“O, ik heb niets om over te klagen. Ik ben wèl en sterk. Hoe lang blijft ge hier?”
“Niet lang. Misschien tot Dinsdagochtend, misschien tot Maandag.”
Beatrice zuchtte. Geluk is van korten duur. Zij had hem hier niet gebracht; zij zou geen vinger uitgestoken hebben om hem hier te brengen, maar nu hij gekomen was, wenschte zij dat hij langer bleef.
“’t Is tijd voor het avondeten,” zeide zij; “laten we naar binnen gaan.”
Dit deden zij. Zij zaten vergenoegd bijeen. Granger was bijna luidruchtig vroolijk. ’t Is verwonderlijk welk een verschil het bezit van twee honderd pond in zijn gedrag maakte; hij scheen een ander mensch te zijn. Wel moest er honderd af om schulden te betalen, maar er schoten toch nog honderd over, en daar kon hij minstens een jaar mee toe. Elisabeth was ook minder grimmig dan gewoonlijk; de twee honderd pond hadden op haar ook invloed, en nog andere invloeden werkten heimelijk in haar arglistig hart. Beatrice wist niets van het geld, en was eenigszins stil, maar zij was ook vergenoegd; zij smaakte dat gevoel van onwezenlijk geluk, dat wij soms in een droom hebben.
Wat Geoffrey betrof, als Honoria hem had kunnen zien, zou zij verbaasd geweest zijn. In den laatsten tijd was hij een zeer stil man geweest; menigeen had hem ongezellig gevonden. Maar onder den invloed van Beatrice’s tegenwoordigheid, sprak hij met opgewektheid. Misschien wilde hij, zonder het zelf te weten, zich van zijn gunstigste zijde vertoonen, zooals ieder man natuurlijk doetin het bijzijn van de vrouw, die hij bemint. Zoo boeiend was zijn gesprek, dat zij eindelijk allen stil naar hem zaten te luisteren, en zij hadden hun tijd wel minder aangenaam kunnen doorbrengen.
Eindelijk was het avondeten afgeloopen, en Elisabeth ging naar haar kamer. Nu werd Granger ook geroepen om een ziek kind te doopen, en ging brommend heen, zoodat Geoffrey en Beatrice alleen bleven. Zij zaten aan het venster, en zagen in den stillen avond uit.
“Vertel mij nu eens van uzelven,” zeide Beatrice.
Dit deed hij. Hij verhaalde haar hoe hij stap voor stap zijn tegenwoordige hoogte bereikt had, en toonde haar aan dat hij het van dit standpunt tot den hoogsten post kon brengen. Zij zag hem niet aan, en antwoordde hem niet, maar eens, toen hij ophield, meenende dat hij genoeg over zichzelven had gesproken, zeide zij: “Ga voort; vertel mij nog wat meer.”
Eindelijk had hij haar alles verteld.
“Ja,”zeide zij, “gij hebt er het vermogen en de gelegenheid toe, en eenmaal wordt gij een der grootste mannen van onzen tijd.”
“Dat betwijfel ik,” antwoordde hij, met een zucht. “Ik ben niet eerzuchtig. Ik werk alleen om het werk zelf, niet voor wat het zal aanbrengen. Eenmaal zal ik het, geloof ik, moede worden en het laten varen. Maar zoolang ik werk, wil ik gaarne een van de eersten in mijn stand zijn.”
“O, neen,” hernam zij, “ge moet het niet opgeven; ge moet voortgaan, altijd vooruit. Beloof mij,” en daarbij zag zij hem voor de eerste maal aan—“beloof mij dat gij, zoolang gij gezondheid en kracht bezit, zult volharden totdat gij alleen staat en boven alle anderen uitblinkt. Dan moogt gij het opgeven.”
“Waarom moet ik u dat beloven, Beatrice?”
“Omdat ik het u verzoek. Eenmaal heb ik u het leven gered, mijnheer Bingham, en dat geeft mij eenig recht om u uw loopbaan aan te wijzen. Ik wensch dat de man, dien ik voor de wereld behouden heb, onder de eerste mannen van de wereld genoemd zal worden, niet om zijn rijkdom, wat maar toeval is, maar om zijn geestkracht en verstand. Beloof mij dat, en ik zal tevreden zijn.”
“Ik beloof het u,” zeide hij, “ik beloof dat ik zal trachten het tot hoog aanzien te brengen, omdatgijhet mij verzoekt, niet omdat het vooruitzicht mij aantrekt:” maar terwijl hij dit zeide, werd zijn hart verscheurd. Het was bitter haar zoo over een toekomst te hooren spreken, waarin zij niet zou deelen, die voor haar iets zou zijn geheel van haar afgescheiden, zoo afgescheiden alsof zij dood was.
“Ja,” ging hij voort, “gij hebt mij het leven gered, en het is een bedroevend denkbeeld voor mij, dat ik niets doen kan om u dat te vergelden. O, Beatrice, ik wil u zeggen wat ik niemand nog ooit gezegd heb: ik ben eenzaam en ongelukkig. U uitgezonderd, geloof ik niet dat er iemand is, die werkelijk belang in mij stelt—die met mij sympathiseert. Dat zal wel mijn eigen schuld zijn, en het klinkt vernederend, en in zekeren zin zelfzuchtig, het te zeggen. Ik zou het ook aan geen andere levende ziel gezegd hebben dan aan u. Wat baat het groot te zijn, als er niemand is, om voor te werken? Het had anders kunnen zijn, maar het is een harde wereld. Als gij—als gij—”
Op dit oogenblik raakte zijn hand de hare aan: het was bij toeval, maar in de teederheid van zijn hart zwichtte hij voor de verzoeking en had hij hare hand gevat. Zacht trok zij die terug.
“Gij hebt uw vrouw, om uw vermogen met u te deelen,” zeide zij, nadat beiden een oogenblik het stilzwijgen bewaard hadden; “gij hebt Effie, om het te erven, en uw naam kunt gij aan uw vaderland nalaten.”
Nu volgde er een pijnlijk stilzwijgen.
“En gij,” brak hij het af, “wat isuwtoekomst?”
Zij glimlachte weemoedig. “Vrouwen hebben geen toekomst, en verlangen er ook geen—ik, ten minste, nu niet meer, ofschoon vroeger wel. ’t Is voor haar genoeg wanneer zij, hoe weinig ook, anderen in hun leven behulpzaam kunnen zijn. Dat is haar geluk, en haar belooning is—rust.”
Juist kwam Granger weer thuis, en Beatrice stond op.
“Ze ziet wat bleek, vindt ge niet, mijnheer Bingham?” zeide haar vader. “Ik houd het er voor dat er iets is, wat haar verdrietdoet. Het geval is—och, waarom zou ik het u niet vertellen, zij heeft zoo’n hoogen dunk van u, en gij zoudt een woordje kunnen zeggen om haar op te beuren—welnu, ’t is over mijnheer Davies. Ik geloof, ziet ge, dat zij veel van hem houdt, en bedroefd is omdat hij er niet voor uitkomt. Misschien heb ik het mis, maar soms denk ik dat hij het wel doen zal. Ik heb hem een gezicht zien zetten alsof hij er over dacht, hoewel het, natuurlijk, meer is dan Beatrice recht heeft te verwachten. Zij heeft niets anders te geven dan zichzelve en haar goed uiterlijk, en hij is een rijk man. Denk eens, mijnheer Bingham,” en de oude heer sloeg zijn oogen vroom ten hemel, “wat zou dat niet voor haar zijn, en voor ons allen, als het God behaagde haar zulk een kans te geven; zij zou haar leven lang rijk zijn, en in zoo’n stand! Maar ’t is mogelijk; men kan nooit weten; hij kan wel zin in haar krijgen. In allen gevalle, mijnheer Bingham, geloof ik dat gij haar wel wat kunt opbeuren; zij behoeft de hoop nog niet op te geven.”
Geoffrey kon een spotachtig lachen niet bedwingen, dat Beatrice van liefde voor Owen Davies zou kwijnen.
“Ja,” zeide hij, “dat zou zeker wel een goede partij voor haar zijn, maar ik weet niet of zij met mijnheer Davies wel overweg zou kunnen.”
“Met hem overweg kunnen! O, dat zou wel gaan; de vrouwen weten zich zoo te voegen, vooral als zij een gemakkelijk leven hebben. Hij is misschien wel wat dom, maar ik geloof toch dat zij om hem treurt, en het zou te bejammeren zijn dat zij haar leven zoo verkniesde. Hoe, gaat gij al naar bed? Goeden nacht dan—goeden nacht.”
Geoffrey ging naar bed, maar niet om te slapen. Een geruime poos lag hij wakker; allerlei gedachten hielden hem uit den slaap. Hij dacht aan den laatsten nacht, welken hij in die kleine kamer had doorgebracht, aan alles, wat hij sedert dien tijd ondervonden had, en aan de ontmoeting van heden. Kon hij, na die ontmoeting, nog langer twijfelen wat Beatrice voor hem gevoelde? Dat was moeilijk, maar toch was het nog mogelijk dat hij zich vergiste.Toen dacht hij aan hetgeen de oude Eduard hem had gezegd, en wat Granger betrekkelijk Beatrice en Owen Davies gezegd had.
Beiden hadden hun meening ruw, en zelfs zeer onkiesch uitgedrukt, maar hun meeningen stemden toch overeen, en wat meer was, er was iets waars in, en dat wist hij.
Het denkbeeld dat Beatrice met Davies zou trouwen, was, om het zacht uit te drukken, stuitend voor hem; maar had hij het recht om zich tusschen haar en zulk een wenschelijken levensstand te stellen? Dat had hij ontegenzeggelijk niet, en zijn geweten zeide het hem.
Was het bovendien geoorloofd dat die soort van band, die tusschen hen bestond, nauwer toegehaald werd? Wat zou dat geven? Verdriet, en niets anders dan verdriet, inzonderheid voor Beatrice. Hij had verkeerd gedaan hier te komen, hij had verkeerd gedaan haar hand te vatten. Hij zou het zien te herstellen op de eenige wijze, die in zijn vermogen was, alsof in zulk een geval als dat van Beatrice herstel nu mogelijk kon zijn! Hij moest uit haar leven verdwijnen en haar niet wederzien. Dan zou zij hem leeren vergeten, of ten ergste, nog slechts met een flauw gevoel van leedwezen aan hem denken. Ja, het mocht kosten wat het wilde, daar zou hij zich toe dwingen, voordat werkelijk kwaad het gevolg was. De eenige vraag was, zou hij niet verder gaan? Zou hij haar niet zeggen dat zij wel zou doen met Davies te trouwen?
Over deze moeilijke vraag peinzend, viel hij in slaap.
Wanneer menschen in Geoffrey’s ongelukkigen toestand berouw gevoelen en de dwalingen huns weegs inzien, overdrijven zij licht hun verstandige voornemens en gaan aanvallenderwijze te werk. Niet tevreden met de zaak te laten zooals zij is, moeten zij noodwendig hun nieuw gevonden kracht aan den deelgenoot hunner fout verkondigen als een onfeilbaar middel om hetstatus quo antete herstellen. Soms is het gevolg van dien vromen ijver dat zij verkeerd begrepen worden, of er zelfs het onheil, dat zij zoo prijzenswaardig wenschten af te wenden, door verhaasten.
Den volgenden dag was het Pinkster, en een dag, dien Geoffrey gelegenheid had om zich heel zijn volgend leven te herinneren. Aan het ontbijt waren zij allen bijeen, en kort daarna gingen zij naar de kerk, waar het te half elf uur dienst was. Bij wijze van zijn goede voornemens ten uitvoer te brengen, waarmede hij zoo druk bezig was een hel op zijn eigen hand te plaveien, ging Geoffrey niet naast Beatrice zitten, maar koos een plaats aan het einde van de kerk, dichtbij de deur, waar hij zich troostte met naar haar te zien.
Het was bizonder zwoel weer, en, hoewel er niet veel zon was, zoo warm als midden in den zomer. Als zij in een vulkanische landstreek geweest waren, zou Geoffrey gedacht hebben dat zulk weer een schok van aardbeving voorafging. Maar hij wist dat het eenvoudig een van die grilligheden van het Engelsche klimaat ten koste der bevolking was. Intusschen vond hij het in de bedompte kleine kerk om te stikken, en even vóór de preek, die hij toevallig te weten was gekomen dat niet door Beatrice geschreven was, nam hij de gelegenheid waar om er ongemerkt uit te gaan. Zonder bepaald doel, drentelde hij langs het strand, waar niemand te zien was, want, zooals reeds gezegd is, Zondags sliep Bryngelly. Evenwel zag hij een man met snelle schreden aankomen, en in dien man herkende hij OwenDavies, die onder het loopen in zichzelven sprak en met zijn armen zwaaide. Geoffrey trad ter zijde, om hem voorbij te laten gaan, en terwijl hij dit deed, was hij verbaasd, en zelfs bijna verschrikt, van de verandering, die hij in hem bespeurde. Zijn vol, blozend gelaat was vermagerd, en teekende een half gemelijke, half droevige uitdrukking; er waren donkere kringen om zijn eenmaal zoo kalme, blauwe oogen, en zijn haar had wel geknipt mogen worden. Geoffrey dacht dat hij ziek was geweest. Op dit oogenblik kreeg Owen hem in het oog.
“Hoe gaat het u, mijnheer Bingham?” zeide hij. “Ik heb gehoord dat gij hier waart. Dat hebben ze mij gisterenavond aan het station verteld. Ziet ge, ’t is hier een kleine plaats, en men weet gaarne wie er zoo al komt of heengaat,” liet hij er, als tot verontschuldiging, op volgen.
Hij liep voort, en Geoffrey liep met hem mede.
“Ge ziet er niet goed uit, mijnheer Davies,” zeide hij, “zijt gij ziek geweest?”
“Neen, neen,” antwoorde hij, “ik ben heel wel; ’t is alleen mijn ziel, die ziek is.”
“Zoo!” zeide Geoffrey, die vond dat hij er werkelijk vreemd uitzag. “Misschien leeft gij te eenzelvig en zijt gij te veel alleen—dat zal u neerslachtig maken.”
“Ja, ik ben te veel alleen, omdat het niet anders kan. Wat moet iemand doen, mijnheer Bingham, als de vrouw, die hij bemint, niet met hem trouwen wil, hem niet wil aanzien, hem behandelt alsof zij hem voor de honden gevonden heeft?”
“Met een andere vrouw trouwen,” ried Geoffrey aan.
“O, dat kunt gij gemakkelijk zeggen—gij hebt nooit bemind, en weet er niet van. Ik kan met geen andere trouwen, ik wil alleen methaartrouwen.”
“Haar? Wie?”
“Wie? Wel, Beatrice—met wie anders zou een man willen trouwen, als hij haar eenmaal gezien heeft? Maar zij wil mij niet hebben; ze haat mij.”
“Waarlijk?” zeide Geoffrey.
“Ja, waarlijk, en weet ge waarom? Wil ik u zeggen, waarom? Ik zal het u zeggen,” en hij greep hem bij den arm, en fluisterde hem heesch in ’t oor: “Omdat zijubemint, mijnheer Bingham.”
“Hoor eens, mijnheer Davies,” sprak Geoffrey, zijn arm losrukkende, “zulke malle praatjes duld ik niet. Ge zijt zeker niet bij uw zinnen.”
“Wees niet boos op mij,” hernam Davies. “Het is waar. Ik heb haar gadegeslagen, en ik weet dat het waar is. Waarom schrijft zij u elke week? Waarom onthutst zij en luistert zij als uw naam maar genoemd wordt? O, mijnheer Bingham,” ging hij op een erbarmelijken toon voort, “heb medelijden—gij hebt een vrouw, en zooveel vrouwen als gij maar wilt, wie gij het hof kunt maken—laatmijBeatrice. Als ge ’t niet doet, geloof ik dat ik krankzinnigzal worden. Ik heb haar altijd bemind, reeds toen zij nog maar een kind was, en van dag tot dag wordt mijn liefde sterker en onweerstaanbaarder. Gij kunt Beatrice slechts tot schande brengen, maarikkan haar alles geven, zooveel als zij maar wil, alles wat haar hart begeert, en ik zal een goed echtgenoot voor haar wezen; ik zal altijd aan haar zijde zijn.”
“Ik betwijfel niet of dat zou wel heerlijk voor u zijn,” antwoordde Geoffrey; “maar vindt ge er niet iets onwaardigs in, mijnheer Davies, dat gemijdit alles zegt? Dat moet gij Miss Granger zelve zeggen.”
“Dat weet ik wel,” hernam hij, “maar dat kan mij niet schelen. ’t Is mijn eenige kans, en wat geef ik er om of het onwaardig is? O, mijnheer Bingham, ik heb nooit een andere vrouw bemind, ik ben mijn heele leven eenzaam geweest. Sta mij nu niet in den weg. Als gij wist wat ik geleden heb, hoe ik God heb gebeden mij Beatrice te schenken, zoudt ge mij helpen. Gij zijt een van die mannen, die alles vermogen; zij zal naar u luisteren. Als gij haar zegt dat ze met mij moet trouwen, zal zij het doen, en ik zal er u mijn leven lang voor zegenen.”
Geoffrey zag met de grootste verachting op dien smeekeling neder. Er is altijd iets verachtelijks in, als de eene man de hulp van een anderen in zijn liefdeszaken inroept—dat moest hij alleen wel af kunnen. Hoeveel te meer nog is het dan niet vernederend, als de verliefde persoon hulp zoekt bij den man, dien hij voor zijn gelukkigen medeminnaar houdt?
“Ik moet u zeggen, mijnheer Davies,” hernam Geoffrey, “dat ik van dat alles genoeg heb. Het past mij niet Miss Granger te willen dwingen een aanzoek aan te nemen, dat haar, volgens uw verklaring, niet welkom is. Maar als ik er toe in de gelegenheid ben, zal ik haar zeggen wat gemijgezegd hebt. Het overige laat ik aan uzelven over. Goeden morgen, mijnheer Davies.”
Hij wendde zich om, en liep heen, terwijl Owen hem nastaarde.
“Ik geloof hem niet,” bromde hij bij zichzelven. “Hij zal beproeven haar tot zijn minnares te maken. O, God sta mij bij—daarkan ik niet aan denken! Maar als hij het doet, en ik er achter kom, laat hij dan oppassen! Ik zal hem in ’t verderf storten, ja, in ’t verderf storten! Ik heb geld, en dus kan ik dat doen. Ha, hij denkt dat ik gek ben—ze denken altemaal dat ik gek ben, maar ik heb mij niet al die jaren voor niemendal stilgehouden. Ik kan geweld maken, als het noodig is. En als hij een schurk is, zal God mij helpen om hem te vernietigen. Ik heb God gebeden, en God zal mij helpen.”
Toen ging hij naar het kasteel terug. Owen Davies was een type van dat soort van godsdienstige menschen, die meenen dat zij den Almachtige voor hun verlangens op hun hand kunnen krijgen, als die verlangens maar door menschelijke instellingen en gebruiken gewettigd zijn.
Zoo was, binnen vier-en-twintig uur, Geoffrey’s hulp driemaal ingeroepen, om het meisje, dat hij beminde, in de armen van een echtgenoot, die haar tegenstond, te brengen. Geen wonder dat hij op dit punt bijna bijgeloovig werd.