Hoofdstuk XXII.

Hoofdstuk XXII.Een stormachtige nacht.Dien namiddag ging het heele gezelschap van de pastorie naar de boerderij, om een nieuw nest jonge varkens te zien. Het kwam Geoffrey voor, toen hij zich vroegere edities herinnerde, dat het voortbrengingsvermogen van Grangers oude zeug aan het wonderbaarlijke grensde, en droomerig maakte hij een berekening, hoeveel tijd zij en haar nakomelingschap wel noodig zouden hebben om op elken vierkanten meter van het grondgebied van Wales een varken voort te brengen. Dat scheen in zes jaar te doen te zijn, maar het was een dwaze berekening, dus liet hij het er bij.Dien namiddag sprak hij geen woord met Beatrice alleen. Het scheen alsof er een zekere koelheid tusschen hen ontstaan was. Met de scherpzinnigheid eener liefhebbende vrouw, had zij geraden dat er in zijn gemoed iets omging, wat strijdig met haar levendigste belangen was, dus vermeed zij zijn gezelschap en beantwoordde zijn gebruikelijke voorkomendheden met een beleefdheid, die even koel als terneerslaand was. Dat beviel Geoffrey niet; ’t is geheel iets anders (natuurlijk, in haar eigen belang) het heldhaftig besluit te nemen, van een dame, die men niet in opspraak wil brengen, af te zien, dan door die dame afgescheept te worden voordat het oogenblik van scheiding gekomen is. In zijn hart zou hij wel gewenscht hebben dat zij dezelfde gebleven was, ja zelfs teederder was geworden, om des te meer eer van zijn deugdzaam gedrag te hebben.Maar ongelukkig speelt een vrouw, in zulk een geval, iemand nooit in de kaart. Haar gedrag kan alles in de war sturen, want het is in ’t oogspringend dat er om een zaak van dien aard tot een waardig einde te brengen, twee noodig zijn. Beatrice gedroeg zich niet beter dan elke andere vrouw gedaan zou hebben. Zij was geraakt en wantrouwend, en dat toonde zij, waarvan het gevolg was dat Geoffrey ook geraakt werd. Hij vond het wreed van haar, alles in aanmerking genomen. Hij vergat dat zij niet weten kon wat er in zijn binnenste omging, hoeveel zij ook mocht gissen; ook dat hij tot dusverre de kracht harer liefde voor hem, en alles wat die voor haar beteekende, niet wist. Had hij dit kunnen beseffen, dan zou hij heel anders gehandeld hebben.Zij kwamen thuis en dronken thee, en toen maakten Granger en Elisabeth zich gereed om naar de avondgodsdienstoefening te gaan. Tot Geoffrey’s teleurstelling, deed Beatrice dat ook. Hij had verwacht een rustig wandelingetje met haar te doen—dat was waarlijk te erg. Gelukkig, of liever ongelukkig, was zij het eerst gereed, zoodat hij een woord met haar kon spreken.“Ik wist niet dat ge naar de kerk gingt,” zeide hij; “ik dachtdat wij samen een wandeling zouden doen. Waarschijnlijk moet ik morgenochtend vroeg vertrekken.”“Zoo?” zeide Beatrice koel. “Maar gij hebt, natuurlijk, uw werk dat u wacht. Ik heb Elisabeth gezegd dat ik in de kerk zou komen, dus moet ik het ook doen; en het is te drukkend weer om te wandelen; er broeit onweer.”Op dat oogenblik kwam Elisabeth binnen.“Ga je nu mee naar de kerk, Beatrice?” zeide zij. “Vader is al vooruit.”Beatrice deed alsof zij haar niet hoorde, en dacht even na. Hij zou heengaan, en zij zou hem niet weer zien. Kon zij zich dat laatste uur laten ontglippen? O, dat kon zij niet!Dit oogenblik van nadenken besliste haar lot.“Neen,” antwoordde zij langzaam, “ik zal maar niet meegaan; ’t is te warm in de kerk. Mijnheer Bingham zal je wel willen vergezellen.”Geoffrey haastte zich om te zeggen dat hij dit niet van plan was, en Elisabeth ging alleen. “Ik dacht wel, lievertje, dat je niet mee zoudt gaan!” zeide zij bij zichzelve.“Welnu,” zeide Geoffrey, toen zij weg was, “zullen wij uitgaan?”“Mij dunkt, ’t is hier aangenamer,” antwoordde Beatrice.“O, Beatrice wees niet zoo stroef,” zeide hij, met een zachte stem.“Nu dan, als gij ’t gaarne wilt,” antwoordde zij. “De zon gaat zoo rood onder—wij krijgen, geloof ik, onweer.”Zij gingen uit, en wandelden het eenzame strand op. Het was daar geheel verlaten, en zij liepen niet vlak naast elkander en bijna zonder te spreken. De zonsondergang was luisterrijk; groote, goudkleurige wolken dreven uit den gloed in het Westen gestadig landwaarts. De zee was nog stil, maar deed een klagend geloei hooren. De onweerswolken pakten zich samen.“Welk een heerlijke zonsondergang!” zeide Geoffrey eindelijk.“Maar een heerlijkheid, die een onstuimigen nacht en een nattenmorgen voorspelt,” antwoordde zij. “De wind steekt op; willen wij terugkeeren?”“Neen, Beatrice, laten we ons niet aan den wind storen. Ik moet u spreken, als gij ’t mij vergunt.”“Ja,” zeide Beatrice, “waarover mijnheer Bingham?”In een geval van dien aard goede voornemens op te vatten is betrekkelijk gemakkelijk, maar ze ten uitvoer te brengen levert nogal moeilijkheden op. Dit ondervond Geoffrey ook, nu het er toe kwam om Beatrice te zeggen dat zij wel zou doen met Owen Davies te trouwen. Intusschen bewaarde zij het stilzwijgen.“Ziet ge,” begon hij, “ik hoop dat ge ’t mij niet kwalijk zult nemen, maar ik heb veel over u en uw toekomstig welzijn gedacht.”“Dat is zeer vriendelijk van u,” zeide Beatrice, met kwaadvoorspellende deemoedigheid.Dit was terneerslaand, maarGeoffrey’sbesluit stond vast en op eenigszins radden toon, uit zenuwachtigheid en tegenzin in zijn taak voortspruitende, ging hij voort. Nooit had hij haar zoo bemind als op dit oogenblik nu hij haar zou aanraden met een ander man te trouwen. En echter volhardde hij in zijn dwaasheid. Want, zooals men meermalen ziet, het schrander doorzicht en de wereldkennis, waardoor Geoffrey zich als rechtsgeleerde onderscheidde, wanneer hij de zaken van anderen behandelde, begaven hem geheel en al in deze crisis van zijn eigen leven en die van het meisje, wier afgod hij was.“Sedert ik hier geweest ben,” zeide hij, “is mijn hulp niet minder dan driemaal, en door verschillende menschen, ten uwen behoeve ingeroepen—door uw vader, die meent dat gij van liefde voor Owen Davies kwijnt; door Owen Davies, die voorzeker van liefde voorukwijnt, en door den ouden Eduard, als een soort van familiestuk.”“Zoo!” zeide Beatrice, op ijskouden toon.“En alle drie drongen op hetzelfde aan—de wenschelijkheid dat gij met Owen Davies zoudt trouwen.”Beatrice’s gelaat werd doodsbleek, haar lippen trilden en haar oogen vlamden van toorn.“Werkelijk?” zeide zij.“En hebtgijop dit punt eenigen raad te geven, mijnheer Bingham?”“Ja, Beatrice, dat heb ik. Ik heb er over nagedacht, en ik geloof—vergeef mij dat ik het zeg—dat, als gij er toe kunt besluiten, gij misschien het best zult doen met hem te trouwen. Hij is geen slecht man, en hij is rijk.”Zij hadden snel geloopen, en nu waren zij aan de plek als het “Amphitheater” bekend, dezelfde plek, waar Owen, zeven maanden geleden, Beatrice een liefdesverklaring had gedaan.Beatrice liep langs den vooruitstekenden kant van den rots om, en een eindweegs naar den platten steen in het midden, voordat zij antwoordde. Bittere toorn vervulde haar hart. Zij meende alles te doorzien. Geoffrey wilde van haar af zijn. Hij had in hun vertrouwelijkheid iets gevaarlijks gezien, en die vertrouwelijkheid wilde hij onmogelijk maken door haar tot een huwelijk tegen haar zin over te halen. Eensklaps wendde zij zich tot hem, en zag hem met van toorn vlammende oogen vlak in ’t gelaat; en met een gebiedende fierheid en waardigheid van voorkomen, zooals hij nog nooit van haar gezien had, en die hem letterlijk ontzag inboezemde, zeide zij:“Beseft gij niet, mijnheer Bingham, dat gij u een groote vrijheid veroorlooft? Beseft gij niet dat een man, die geen nabestaande is, het recht niet heeft zoo tot een vrouw te spreken als gij tot mij gesproken hebt?—kortom, dat gij u aan een grove onbescheidenheid schuldig hebt gemaakt? Welk recht hebt gij mij de wet voor te schrijven met wien ik zal trouwen of niet? Dat is toch zeker mijn eigen zaak.”Geoffrey kleurde tot over zijn slapen. Scherper dan eenige andere beschuldiging, welke zij tegen hem had kunnen inbrengen, gevoelde hij die van krachtens hun vertrouwelijkheid een ongepaste vrijheid genomen, zich een recht aangematigd te hebben, dat hem niet toekwam.“Vergeef mij,” zeide hij deemoedig. “Ik kan u slechts verzekeren, dat dit mijn bedoeling niet was. Ik heb—onberedeneerd, vrees ik—gesproken—omdat ik er toe gedreven werd.”Beatrice nam van zijn woorden geen notitie, maar ging op denzelfden koelen toon voort:“Welk recht hebt gij met een ouden schipper, met mijnheer Davies, of zelfs met mijn vader, over mijn zaken te spreken? Als ik dat gewild had, zou ik het u gevraagd hebben. Met welk gezag stelt ge u tot tusschenpersoon aan, om een huwelijk tot stand te brengen, dat gij zoo goed zijt in mijn geldelijk belang te achten? Weet gij niet dat dit iets is, waarover alleen de vrouw kan oordeelen, die er in betrokken is, wier geluk en zelfachting er bij op ’t spel staan? Ik heb nog slechts dit te zeggen: ik zeide zooeven dat gij u aan een grove onbescheidenheid hebt schuldig gemaakt. Welnu, ik wil er nog bijvoegen dat er in dit geval omstandigheden zijn, mijnheer Bingham, die het tot een wreede beleediging maken.”Zij hield met spreken op, en barstte in een hartstochtelijk geween uit. Juist gierde de eerste stormvlaag over hen en verloor zich loeiend in de verte.Het licht verdween uit de lucht. Nu kon Geoffrey nog slechts de omtrekken van haar weenend gelaat zien. Een oogenblik aarzelde hij, en ook slechts één; toen was de natuur sterker dan de leer, want het volgend oogenblik was zij in zijn armen.Beatrice bood nauwelijks wederstand. Haar geestkracht scheen haar te begeven, of misschien had zij die in bittere woorden uitgeput. Haar hoofd zonk op zijn schouder, en daar snikte zij onbedwongen. Nu hief zij het hoofd op, en hun lippen ontmoetten elkander in een eersten, langen kus. Daar liep het op uit—en zoo bevorderde Geoffrey het aanzoek van Owen Davies.“O, ge zijt wreed geweest, zeer wreed!” fluisterde hij haar in ’t oor. “Ge moet wel geweten hebben dat ik u liefhad, Beatrice, dat ik tegen mijzelven was toen ik zoo sprak, en het alleen deed omdat ik het mijn plicht achtte. Ge moet geweten hebben dat ik,tot mijn schande en zonde, u altijd heb liefgehad, dat gij geen uur uit mijn gedachten geweest zijt, dat ik er naar verlangd heb uw lief gelaat te zien, als een zieke naar het licht. Zeg mij, wist ge dat niet, Beatrice?”“Hoe zou ik het geweten hebben?” antwoorde zij zeer zacht; “ik kon het slechts vermoeden, en als ge mij werkelijk liefhebt, hoe kondet ge dan wenschen dat ik met een ander man zou trouwen? Ik dacht dat ge mijn zwakheid bespeurd hadt en dit middel te baat naamt om mij die te verwijten. O, Geoffrey, wat hebben wij gedaan? Wat is er tusschen u en mij—behalve de liefde?”“Het zou beter geweest zijn als wij voor goed te zamen verdronken waren,” zeide hij neerslachtig.“Neen, neen,” antwoordde zij, “want dan zouden wij elkander nooit liefgehad hebben. ’t Is beter eerst te beminnen en dan te sterven.”“Spreek zoo niet,” zeide hij, “laten we hier gaan zitten en voor ’t oogenblik ten minste gelukkig zijn; morgen is het vroeg genoeg voor zorgen en verdriet.”En waar Beatrice vroeger een anderen minnaar had afgewezen, zaten zij nu naast elkander op den platten steen, en spraken de gewone taal van een paar verliefden.Boven hen loeide de opstekende storm, maar door de rotswanden beschut, voelden zij zijn vlagen niet. Vóór hen klotsten de gezwollen golven op het strand, terwijl ver in zee de halve maan, tusschen donkere wolken uit te voorschijn komende, als een boot over de wateren scheen te zweven.En smaakten zij die verrukking werkelijk, of was het maar een droom? Neen, zij waren daar alleen met hun liefde en liefdes zoet genot, en de volle waarheid werd gezegd en al hun twijfelingen waren opgeheven. Nu was het gedaan met hoop en vrees: nu werd de Rede door de Liefde van den troon gestooten. De Liefde zwaaide haar schepter en opende de poorten van het Paradijs. O, heerlijk zou het zijn in die ure te sterven!Woed en raas, bulderende storm! Wij kennen het geheim uwer ontbreidelde kracht. Bruist, ziedende golven, valt donderend aan den voet der aarde neder! Wij verstaan dat zieden en bruisen, dat donderend geweld.Aarde, zee en winden, zingt uw grootsch minnelied. Hemel, Tijd en Ruimte, weergalmt van dien zang! Want het leven heeft ons het antwoord op zijn raadsel toegeroepen! Hart aan hart zitten wij, en lippen aan lippen, en wij zijn wijzer dan Salomo, en rijker dan de rijkste Oostersche vorst, want het geluk is ons deel.Tot dat doel zijn wij geboren en door alle tijden heen voorbeschikt. Tot dat doel leven wij en sterven wij, om in den dood volkomen vereeniging te vinden. Want hierin bestaat het geheim der wereld, dat de wijzen zoeken en niet kunnen vinden, en hier is ook de poort des Hemels.Zie mij in de oogen, geliefde, en laat mij in de uwe zien, en hoor toe. De wereld is maar een schijn, en een schaduw is ons vleesch, want waar zij eenmaal waren, zal niets zijn. De Liefde alleen is werkelijk; de Liefde zal blijven totdat alle zonnen geen licht of warmte meer uitstralen, en dan nog zal zij jong zijn.Kus mij, verwinnaar, want het Noodlot is overwonnen, leed en kommer is voorbij; en het vuur, dat wij op dit aardsch altaar ontstoken hebben, zal nog helder vlammen, als gindsche sterren al hun glans verloren hebben.Maar ach! woorden kunnen aan zulk een lied geen vorm geven. Muziek?—ook die schiet te kort. Want door die geopende deur komen visioenen en klanken, die niet te beschrijven zijn.Laat zeggen wie wil, dat dit waanzin is, dat diebovenaardscheheerlijkheid niets anders is dan de razernij van een in zijn wezen zinnelijken hartstocht; maar laat droomers hun droomen. Waarom hebben kinderen dezer wereld dan zulke visioenen als Beatrice en Geoffrey? Waarom verdwijnen hun twijfelingen, en wat is die adem des Hemels, dien zij op hun voorhoofd schijnen te voelen? De bedwelming van aardsche liefde, uit de ontmoeting van jeugd enschoonheid ontstaan. Dat zij zoo! Slaaf, breng nog meer zulken wijn, en drinken wij op de Onsterfelijkheid en op die geliefde oogen, die het gelaat van een hemelgeest afspiegelen.Zulk een liefde is zeldzaam. Want weinig harten zijn in staat zulk een ware en innige liefde te gevoelen, en zelden ontmoeten twee zulke harten elkander op het levenspad. Weinigen kunnen zoo hoog opgevoerd worden en dien ether lang inademen. Al spoedig hangen de vleugels, welke de Liefde hun in die ure van openbaring verleend heeft, slap, en wie ze geleend hebben, vallen ter aarde, gelukkig nog als zij door den val niet verpletterd worden. Misschien spreiden die vleugels zich nog eenmaal in hun leven over het altaar hunner huwelijksgeloften, of over de lijkbaar van een geliefden afgestorvene. Maar schaarsch zijn die gelegenheden, en weinigen zijn er, die ze kennen.Zoo zweefden Beatrice enGeoffreyin hooger sfeer, terwijl de storm om hen heen loeide, als een gepast accompagnement van hun onstuimige liefde. En zoo vielen zij ook ter aarde.“Wij moeten heengaan, Geoffrey,” zeide Beatrice, “het wordt laat. O, Geoffrey, Geoffrey, wat hebben wij gedaan? Wat zal daar het einde van zijn? Het zal ongeluk over u brengen, dat weet ik. Het oude spreekwoord zal bewaarheid worden. Ik heb u het leven gered, om u in het verderf te storten!”Het was een kenmerk van Beatrice’s karakter, dat zij er reeds aan dacht wat de gevolgen voor Geoffrey, niet voor haar, zouden zijn.“Beatrice,” sprak Geoffrey, “wij zijn in een wanhopigen toestand. Wilt gij dien trotseeren, en met mij ver van hier, naar de andere zijde van de wereld, gaan?”“Neen, neen,” antwoordde zij met vuur, “dan zou uw loopbaan gebroken zijn. In welk gedeelte der wereld zoudt gij gaan, waar gij niet bekend zoudt zijn? Bovendien moet gij aan uw vrouw denken. Uw vrouw—wat zou zij wel van mij zeggen? Gij behoort aan haar, gij hebt geen recht haar te verlaten. En Effie! Neen, Geoffrey, neen, ik ben slecht genoeg geweest dat ik u heb leerenbeminnen—o, zooals gij nooit bemind zijt!—als het slecht is iets te doen, wat men niet helpen kan; maar zóó slecht ben ik niet. Loop sneller, Geoffrey; wij komen laat thuis, en zij zullen iets vermoeden.”Arme Beatrice; gewetenswroeging greep haar aan!“Wij zijn in een verschrikkelijken toestand,” zeide hij weder. “O, geliefde, ik alleen ben te laken. Ik had niet terug moeten komen.’t Is mijn schuld; en hoewel ik daar nooit aan gedacht heb, ik heb mijn best gedaan u te behagen.”“En daar dank ik u voor,” antwoordde zij. “Misleid uzelven niet, Geoffrey. Wat er ook gebeurt, o, beloof mij dat gij geen oogenblik zult gelooven dat ik u verweten of gelaakt heb. Waarom zou ik u laken omdat ge mijn liefde hebt gewonnen? Eer zou ik de zee, waarop wij gedreven hebben, moeten laken, het strand, waarop wij gewandeld hebben, het huis, waarin wij woonden, en het Noodlot, dat ons bij elkander bracht. Ik ben trotsch en verheugd u lief te hebben, maar ik ben niet zoo zelfzuchtig dat ik u in ’t ongeluk zou willen storten; Geoffrey—ik zou liever sterven.”“Spreek zoo niet,” zeide hij, “dat kan ik niet aanhooren. Wat moeten wij doen? Moet ik heengaan en u nimmer wederzien? Hoe kunnen wij zoo leven, Beatrice?”“Ja, Geoffrey,” antwoordde zij, op diep neerslachtigen toon, terwijl zij hem bij de hand vatte en hem in ’t gelaat zag, “gij moet heengaan en mij in geen jaren wederzien. Dit hebben wij onszelven berokkend, dat is de prijs, dien wij voor het verloopen uur betalen moeten. Morgen moet gij vertrekken, dan zijn wij uit de verzoeking, en ge moet niet terugkomen. Van tijd tot tijd zal ik u schrijven, en misschien gij mij ook, totdat het u te lastig wordt, en dan kunt gij er mee ophouden. En hetzij ge mij vergeet of niet—en o, Geoffrey, dat zult gij, geloof ik, niet—zult gij weten dat ik u nooit zal vergeten—u, wien ik uit de zee heb gered, om mij lief te hebben.”Er was in haar woorden zoo iets onbeschrijfelijk teeders, vermengd met natuurlijke vrouwelijke hartstochtelijkheid, dat Geoffrey’shart er voor buigen moest. Wat moest hij doen, hoe kon hij haar verlaten? En toch had zij gelijk. Hij moest heengaan, en wel spoedig ook, anders zou zijn kracht hem misschien begeven, en zouden zij te zamen een grens overschrijden, van waar geen terugkeeren meer was.“De Hemel sta ons bij, Beatrice!” zeide hij. “Morgenochtend vertrek ik, en als ik kan, zal ik wegblijven.”“Gijmoetwegblijven. Ik wil u niet wederzien. Ik wil geen ongeluk over u brengen, Geoffrey.”“Ge spreekt van ongeluk over mij te brengen,” hernam hij; “en ge zegt niets van uzelve, en toch is een man, zelfs zoo’n man als ik in mijn eigen oogen ben, beter geschikt om zulk een storm door te staan. Als het mij in het ongeluk stort, hoeveel te meer u dan?”Zij waren nu aan het hek van de pastorie, en de wind gierde met zulk een geweld door de pijnboomen, dat zij haar lippen dicht aan zijn oor moest houden om haar woorden verstaanbaar te maken.“Wacht een oogenblik,” zeide zij, “misschien hebt ge mij niet goed begrepen. Wanneer een vrouw doet watikgedaan heb, is het omdat zij met heel haar leven en hart en ziel bemint, omdat dit alles een deel van haar liefde is. Ik voor mij hecht aan niets meer waarde—ik heb geen persoonlijkheid meer zonder u, ik ben niet meer mijzelve, ik behoor mijzelve niet meer toe. Ik behoor geheel en al u toe. Over mijzelve en mijn eigen lot of goeden naam denk ik niet meer; met open oogen en uit vrijen wil, heb ik mij aan mijn liefde voor u overgegeven, en dat heb ik met vreugde gedaan. Maar over u ben ik nog bekommerd, en als ik een stap deed, of toeliet dat gij een stap deedt, die u leed kon berokkenen, zou ik het mijzelve nooit vergeven. Daarom moeten wij scheiden, Geoffrey. En laten wij nu naar binnen gaan; er is niets anders meer te zeggen dan dit: als ge mij een laatst vaarwel wilt zeggen, lieve Geoffrey, zal ik morgenochtend op het strand wachten.”“Ik vertrek om half negen,” zeide hij, met een heesche stem.“Dan zullen wij elkaar om zeven uur ontmoeten,” sprak Beatrice, en ging hem voor naar binnen.Elisabeth en Granger zaten reeds aan het avondeten. Op Zondagavond gebruikten zij dat gewoonlijk te negen uur; nu was het half tien.“Wel, wel,” zeide de oude heer, “wij begonnen al te denken dat gij samen uit roeien waart gegaan, en dat gij ditmaal voorgoed verdronken waart. Waar zijt gij al dien tijd geweest?”“We hebben een lange wandeling gedaan,” antwoordde Geoffrey; “ik wist niet dat het al zoo laat was.”“Men moet al heel veel genoegen in iemands gezelschap vinden, om in zoo’n weer zoo ver te loopen,” merkte Elisabeth boosaardig aan.“Ikvond dat althans wel,” antwoordde Geoffrey, volkomen naar waarheid, “en het weer is zoo erg niet als ge zoudt denken, ten minste onder de beschutting van de rotsen. Het zal straks wel erger worden.”Toen gingen zij aanzitten en maakten een wanhopig vertoon van mee te eten. De scherpziende Elisabeth merkte op, dat Geoffrey’s hand beefde. Wat kon nu wel de hand van een sterk man doen beven? was de vraag, die zich aan haar opdeed. Het kon van hevige aandoening zijn, en Elisabeth meende ook nog andere teekenen van aandoening in hen beiden te bespeuren, behalve het beven van Geoffrey’s hand. Het plan werkte goed, maar zou het niet tot een climax gebracht kunnen worden? O, als hij maar de onbezonnenheid beging van met Beatrice weg te loopen, zoodat zij haar kwijt was en vrij haar eigen spel kon spelen!Kort na het avondeten, gingen Elisabeth en Beatrice naar bed en lieten haar vader met Geoffrey alleen.“Welnu,” zeide Granger, “hebt gij een woordje met Beatrice gesproken? Het was zeer vriendelijk van u, dat gij daarvoor zoo’n verre wandeling hebt gedaan en dat nog wel bij zulk noodweer.”“Ja,” antwoordde Geoffrey, “dat heb ik gedaan.”“Ei zoo! Gij hebt haar, hoop ik, gezegd dat zij de hoop op hem nog niet behoeft op te geven—op mijnheer Davies, bedoel ik?”“Ja, dat heb ik haar gezegd—het lag er ten minste wel in opgesloten,” liet hij er bij zichzelven op volgen.“En hoe nam zij het op?”“Zeer slecht,” antwoordde Geoffrey; “zij scheen van meening te zijn, dat ik mij er niet mee had te bemoeien.”“Dat is vreemd. Maar het beteekent niets. Zij is er u in haar hart dankbaar voor, daar kunt ge staat op maken, maar zij wilde het zoo niet zeggen. Hemel, wat stormt het! Dat zal een nacht geven! Dus gaat ge morgen heen? Och ja, de beste vrienden moeten eenmaal scheiden. Ik hoop dat ge ons nog dikwijls zult komen bezoeken. Vaarwel!”Weder kwam het gevoel, hoe belachelijk de toestand eigenlijk was, bij Geoffrey boven, en hij glimlachte bitter, terwijl hij zijn kaars aanstak, om naar bed te gaan. Achter in het huis was een lange gang, aan het eene einde waarvan de kamer was, waar hij logeerde, en aan het andere einde de slaapkamer van Elisabeth en Beatrice. Die gang werd verlicht door twee vensters, en nog twee andere kamers kwamen er in uit—die van Granger, en de kamer waar Effie had geslapen. Er waren geen luiken voor de vensters van die gang, en een oogenblik stond Geoffrey uit te zien naar de flikkering van het weerlicht. Toen wierp hij een blik op de deur van Beatrice’s kamer, met dat eigenaardig gevoel van eerbied, dat soms met verliefdheid gepaard gaat, en met een zucht wendde hij zich om en ging zijn eigen kamer binnen.Hij kon niet slapen, dat was onmogelijk. Bijna twee uur lang wentelde hij zich van de eene zijde op de andere, en het was alsof zijn hoofd zou bersten. Morgen moest hij haar verlaten, haar voor altijd verlaten, en terugkeeren tot zijn strijd met de wereld, waar geen Beatrice was om hem gelukkig te maken. En zij, hoe was het met haar?De storm, die een weinig bedaard was, begon nu opnieuw opte steken, door het weerlicht voorafgegaan. Hij stond op, trok eenchambercloakaan, en zat voor het venster uit te zien naar het woeden der natuur, dat zijn gefolterd hart eenige verlichting scheen te geven; in dit smartelijk uur zou nachtelijke stilte hem waanzinnig gemaakt hebben.Nog acht uur en het zou met werkelijken omgang tusschen hen gedaan zijn. Het geheim zou voor altijd in hun binnenste besloten blijven, en aan hun hart knagen, als de worm, die niet sterft. Geoffrey sloeg de oogen op, met een blik alsof hij in een visioen de verborgenste gedachten zijner ziel voor zijn geliefde uitstortte. Weder overviel hem datzelfde raadselachtige gevoel als in een vroegeren nacht. Al sterker en sterker werd het, al meer en meer bracht het zijn geest in verwarring, totdat hij zich niets meer herinnerde dan Beatrice, niets meer wist dan dat haar leven nu één was met het zijne.Hij strekte de armen in de ledige lucht uit, en fluisterde: “Beatrice! O, mijn geliefde! mijn ziel, mijn leven! Hoor mij aan, Beatrice!”Een gierende windvlaag deed op dit oogenblik het huis schudden.O, wat was dat? Stil werd de deur geopend, en een witte gedaante kwam over den drempel. Hij sprong overeind; schrik en ontzettende verrassing vermeesterden hem. Daar, in het helle schijnsel van het weerlicht, stond zij voor hem—zij, Beatrice, met haar blanke armen uitgestrekt, bloote voeten en loshangend haar; haar boezem zwoegde zacht onder haar nachtgewaad, haar lippen waren half geopend, haar oogen stonden strak, haar gelaat teekende een akelige kalmte.Groote Hemel, zij sliep!Stil! zij sprak.“Ge hebt mij geroepen, Geoffrey,” zeide zij, met een doffe, onnatuurlijke stem. “Ge hebt mij geroepen, geliefde, en—daar ben ik.” Hevig ontsteld, bevend als een espenblad, staarde hij op die bekoorlijke verschijning.Zie! Zij trad naar hem toe, en zijsliep. O, wat moest hij doen?Eensklaps deed de tocht de geopende deur met een harden slag dichtvallen. Zij ontwaakte met schrik.“O, God, waar ben ik?” riep zij uit.“Stil, om ’s Hemelswil, stil!” antwoordde hij, zijn tegenwoordigheid van geest terugverkrijgende. “Stil, of gij zijt verloren.”Maar het was niet noodig haar te waarschuwen stil te zijn, want de schok deed Beatrice het bewustzijn verliezen, en bezwijmd zonk zij in zijn armen.HoofdstukXXIII.Een regenachtige ochtend.De slag van de dichtvallende deur had niet alleen Beatrice doen ontwaken; ook Elisabeth en Granger waren er wakker van geworden. Elisabeth zat in bed overeind, door de duisternis heen, te zien wat er gebeurd was; haar blik viel op Beatrice’s bed—zeker—zeker—Elisabeth stapte het bed uit, sloop als een kat de kamer door en voelde met haar hand op het bed. Beatrice was daar niet. Snel trok zij de blinden open, om bij het weinige licht, dat zij doorlieten, de kamer te doorzoeken. “Beatrice,” riep zij, “waar ben je?”Geen antwoord.“Aha,” zeide Elisabeth; “ik begrijp het. Eindelijk—eindelijk!”Wat zou zij doen? Zou zij haar vader roepen en haar openlijk te schande maken? Neen. Beatrice zou wel terugkomen. Het was genoeg dat zij het wist; daar kon zij, als het noodig was, gebruik van maken. Zij wilde haar zuster niet in ’t verderf storten dan tot zelfverdediging, of liever uit eigenbelang. Nog minderwilde zij Geoffrey kwetsen, tegen wien zij geen wrok had. Dus ging zij de gang in, kwam terug, kroop weer in bed, als een slang in haar hol, en lag op de loer.Granger, die, toen hij den slag hoorde, meende dat de voordeur was opengewaaid, stond op, en stak een kaars aan, om er naar te gaan zien.Maar van dit alles wist Geoffrey niets, en Beatrice, natuurlijk, nog veel minder.Zij lag bewusteloos in zijn armen; haar hoofd rustte op zijn schouder, haar golvend haar hing langs zijn zijde bijna tot aan zijn knie. Hij tilde haar op, raakte met zijn lippen haar voorhoofd aan, en legde haar op het bed. Wat te doen? Haar tot bewustzijn terugbrengen? Neen, dat durfde hij niet—hier niet. Terwijl zij zoo lag, was haar hulpeloosheid haar bescherming; maar als de bewustelooze gedaante weer een levende en minnende vrouw was, hier, en zoo—o, wat dan? Hij durfde haar niet aanraken of naar haar zien, voordat hij zijn besluit had genomen. Hier moest zij niet blijven, en daar zij niet in staat was heen te gaan, moest hij haar wegbrengen, en dat wel oogenblikkelijk. Hoe ver Geoffrey overigens ook, naar den maatstaf van strenge deugd gemeten, te kort schoot, dit zal altijd voor hem pleiten.Hij deed de deur open, en tegelijk meende hij iemand door het huis te hooren loopen. En dat was ook zoo; het was Granger in de huiskamer. Toen hij niets meer hoorde, begreep Geoffrey dat het de wind geweest moest zijn, en op den tast liep hij naar het bed, waar Beatrice doodstil lag. Een oogenblik kwam de ontzettende vrees bij hem op dat zij misschien werkelijk dood was. Hij had wel gehoord van slaapwandelaars, die, als zij plotseling uit hun onnatuurlijken slaap wakker gemaakt worden, slechts ontwaken om te sterven. Dat kon ook met haar het geval zijn. Snel legde hij zijn hand op haar borst. Ja, haar hart klopte nog—wel flauw, maar toch klopte het. Zij was dus alleen maar bezwijmd. Nu draalde hij niet langer, sloeg zijn arm om haar heen, en tilde haar van het bed op, alsof zij een kind was. Beatrice was geenspichtig opgeschoten meisje, maar een volwassen, flink ontwikkelde vrouw. Hij voelde haar zwaarte niet; zij scheen hem zoo licht als een veer toe. Sluipend, als iemand, die op een nachtelijken moord uitgaat, stapte hij met haar naar de deur en de gang in. Toen ondersteunde hij haar met den eenen arm, en deed met de linkerhand de deur dicht. Steelsgewijze liep hij in de duisternis den gang door, zonder dat zijn bloote voeten op den houten vloer gedruisch maakten, totdat hij aan den zijgang kwam.Hij wierp er een angstigen blik in, en wat hij zag, deed het bloed in zijn aderen stollen, want geen acht passen van hem af was Granger, met een blaker in de hand. Wat moest hij beginnen? Naar zijn kamer terugkeeren was onmogelijk—die van Beatrice te bereiken, evenzeer. Daar schoot het hem als een lichtstraal te binnen, dat de ledige kamer geen twee passen van hem af was. Eén schrede, en hij was er. O, waar was de kruk? O, als de kamer eens gesloten was! Gelukkig was dit niet zoo. Hij stapte binnen, deed de deur dicht, en stond er hijgend achter.Het lichtschijnsel kwam nader. Genadige Hemel! hij was gezien—de oude man zou binnenkomen. Wat kon hij zeggen? De waarheid, dat was het eenige; maar wie zou zulk een verhaal gelooven? Kon hij verwachten, dat het geloof zou vinden bij een vader, die een man in het holle van den nacht als een dief achter een deur zag staan, met zijn dochter bewusteloos in zijn armen? Hij had er reeds aan gedacht regelrecht naar Granger toe te gaan, maar dat denkbeeld had hij als hopeloos opgegeven. Hoe zou hij gelooven, dat zijn dochter zoo opeens een slaapwandelaarster was geworden? Voor de eerste maal in zijn leven, was Geoffrey doodelijk bevreesd; zijn haar rees te berge, zijn hart kromp ineen, en het klamme zweet brak hem uit.“’t Is raar,” hoorde hij den ouden man bij zichzelven mompelen, “ik had er bijna op kunnen zweren dat ik iets wits die kamer zag binnengaan. Waar is de kruk? Als ik aan spoken geloofde—hei, daar waait mijn kaars uit! Ik zal een lucifer gaan halen. Zonder licht ga ik daar niet binnen.”Voor ’t oogenblik waren zij gered. De tocht, die door het slecht sluitende venster kwam, had het licht uitgeblazen.Na een oogenblik gewacht te hebben, om Granger tijd te laten naar zijn kamer te gaan, kwam Geoffrey veilig de kamer uit. Gelukkig gaf Beatrice nog geen blijk van terugkeerend bewustzijn. Nog eenige snelle schreden, en hij was aan de deur van haar eigen kamer. Maar nu beving hem een nieuwe vrees. Als Elisabeth ook eens door het huis liep, of alleen maar wakker was? Hij dacht er over, Beatrice aan de deur neder te leggen en haar daar te verlaten, maar dit denkbeeld liet hij varen. Ten eerste, zou haar vader haar kunnen zien, en hoe zou zij dan kunnen verklaren dat zij daar lag? En al vond haar vader haar niet, dan zou de koude zeker kwade gevolgen voor haar hebben. Neen, hij moest het wagen, en dat wel zonder aarzelen, hoewel hij liever tegenover een geschutvuur gestaan zou hebben. De deur stond gelukkig op een kier. Geoffrey stiet ze met zijn voet open, trad binnen, en stiet ze met zijn voet weer dicht. Plotseling bedacht hij, dat hijnooit in die kamer was geweest en niet wist wat het bed van Beatrice was. Hij liep naar het eerste het beste; een zware ademhaling zeide hem dat dit het verkeerde was. In zooverre, ten minste, gerustgesteld dat Elisabeth sliep, liep hij door de donkere kamer naar het tweede bed. Hij legde Beatrice er op, en trok de dekens, die opengeslagen waren, over haar heen. Toen nam hij de vlucht.Aan de deur zag hij Granger met zijn licht verdwijnen en hoorde hem de deur van zijn kamer dichtdoen. Daarna was hij, naar ’t hem toescheen, met twee stappen in de zijne.Hij barstte in een akelig gelach uit; zijn zenuwen waren hevig geschokt. Het geheele tooneel had iets tragisch-komisch. Als zijn politieke tegenstanders, die hem reeds zulk een bitteren haat toedroegen, hem eens zoo van de eene deur naar de andere hadden zien sluipen, met een bewustelooze vrouw in zijn armen—wat zouden zij wel gezegd hebben?Hij hield met lachen op; de vlaag was voorbij—het was niet om te lachen. Toen dacht hij aan dien anderen nacht, voordathij naar Londen terug was gegaan. Het zaad, in dat zonderling uur gestrooid, had gebloeid en vruchten voortgebracht. Wie zou het mogelijk geacht hebben, dat hij Beatrice zoo tot zich had kunnen trekken? Hij had het moeten weten. Als het mogelijk was dat dezelfde woorden, waarin zij haar gevoel uiting had gegeven, juist op hetzelfde oogenblik hem ook in de gedachten waren gekomen, zooals in dien nacht, wat was dan niet mogelijk? Ja, hij had het moeten weten! Het eenige, wat hij in zijn voordeel kon aanvoeren, was dat zijn zelfbedwang hem niet begeven had.Maar hoe zou het met Beatrice gaan? Zou zij weer tot haar bewustzijn komen? Hij dacht het wel, het was maar een bezwijming. Doch als zij uit haar bezwijming ontwaakte, wat zou zij dan doen? Niets onbezonnens, hoopte hij. En wat zou van dat alles het einde zijn? Wie kon dat zeggen? Hoe gelukkig dat haar zuster zoo gerust sliep. Want hij had het niet op Elisabeth begrepen—hij wantrouwde haar.Wel mocht hij haar wantrouwen! Elisabeth’s slaap was als die van een wezel. Zij lachte op dit oogenblik ook, niet luid, maar lang; het was de lach van iemand, die aan de winnende hand is.Zij had hem zien binnenkomen met zijn vracht in zijn armen; zij had hem naar haar bed zien komen en zwaar ademgehaald, om hem te waarschuwen, dat hij zich vergist had. Zij had hem Beatrice op het bed zien leggen; zij had hem hooren zuchten en zien heengaan; niets was haar opmerkzaamheid ontsnapt. Zoodra hij zich uit de kamer verwijderd had, was zij opgestaan en naar Beatrice’s bed geslopen, en bespeurende dat zij in een bezwijming lag, had zij haar maar stil laten liggen, wetende dat er geen gevaar bij was. Elisabeth was volstrekt niet zenuwachtig. Toen had zij geluisterd, totdat eindelijk een diepe zucht aanduidde dat haar zuster weder uit haar bewusteloosheid bijkwam. Kort daarna bleek haar uit Beatrice’s lange en zachte ademhaling, dat haar bezwijming in slaap was overgegaan.De nacht ging voorbij, en eindelijk scheen het daglicht door het venster. Elisabeth, nog altijd op de loer—want zij wilde geenenkel tooneel van een drama, zoo boeiend op zichzelf en zoo gewichtig voor haar belangen, missen, zag haar zuster eensklaps overeind in haar bed zitten en de handen tegen het voorhoofd drukken, alsof zij zich een droom zocht te binnen te roepen. Toen hield Beatrice de handen voor de oogen, en zuchtte diep. Nu zag zij op haar horloge, stond op, dronk een glas water, en kleedde zich.“Zij gaat uit, om haar minnaar te ontmoeten,” dacht Elisabeth, toen zij haar een ouden grijzen regenmantel met kap zag omslaan, want buiten was het nat. “Ik zou er wel bij willen zijn, om dat ook te zien, maar ik heb al genoeg gezien.”Zij geeuwde, en deed alsof zij wakker werd. “Ga je in dien stortregen uit, Beatrice?” vroeg zij, metgeveinsdeverbazing.“Ja, ik heb slecht geslapen en moet wat frissche lucht scheppen,” antwoordde Beatrice, onthutsende en kleurende. “Dat komt zeker van den storm.”“Heeft het zoo gestormd?” zeide Elisabeth, weder geeuwende. “Daar heb ik niets van gehoord—maar terwijl men slaapt, gebeuren er zooveel dingen, waarvan men op het oogenblik niets weet,” voegde zij er slaperig bij, als iemand, die zoo maar losweg iets zegt. “Zorg dat je tijdig genoeg terug bent om van mijnheer Bingham afscheid te nemen; hij vertrekt met den eersten trein, zooals je weet—maar misschien ontmoet je hem wel op je wandeling,” en den schijn aannemende alsof zij nu eerst recht wakker werd, richtte zij zich in haar bed overeind, en vestigde een doorborenden blik op haar zuster.Beatrice gaf geen antwoord; die blik joeg haar schrik aan. O, wat was er gebeurd? Of was alles een droom? Had zij gedroomd dat zij met Geoffrey van aangezicht tot aangezicht in zijn kamer had gestaan, voordat een diepe duisternis haar had overvallen? Of was het een ontzettende waarheid?—en als het een waarheid was, hoe kwam zij dan weer hier? Zij ging naar de provisiekast, nam een stuk brood en at het, want zij had nog een gevoel van flauwheid. Toen gevoelde zij zich beter en ging uit, den kant van het strand op.Het was een gure ochtend. De storm was bedaard; het woei nu nog slechts bij vlagen, met zware regenbuien. De zee was grauw en onstuimig; de branding sloeg met donderend geraas op het strand, en kolommen schuim stoven over de gezonken rotsen. De geheele aarde scheen een woestenij, en het middelpunt van al haar leed was in het gebroken hart van dit meisje.Geoffrey was ook op. Hoe hij het overige van dien nacht had doorgebracht, behoeven wij niet te vragen—alles behalve aangenaam, daar kunnen wij zeker van zijn. Hij hoorde Beatrice de voordeur achter zich dichtdoen, en volgde haar in den regen.Omstreeks een halve mijl ver, vond hij haar op het strand, naar de zee ziende, terwijl een groote zeemeeuw om haar hoofd vloog. Zij wisselden geen woord van begroeting; zij gaven elkaar slechts de hand en zagen elkaar in de oogen.“Kom onder de beschutting van die rots,” zeide hij, en dat deed zij. Zij stond daar met gebogen hoofd, en haar gelaat door de kap verborgen.“Zeg mij wat er gebeurd is,” sprak zij, “Ik heb iets gedroomd, iets ergers dan wat er nog gebeurd is—zeg mij wat het is. Spaar mij niet.”En Geoffrey vertelde haar alles.Toen hij gedaan had, sprak zij weder.“Waarbij moet ik zweren,” zeide zij, “dat ik niet ben wat ge van mij denken moet? Geoffrey, ik zweer bij mijn liefde voor u, dat ik onschuldig ben. Dat ik—o, schande!—van nacht in uw kamer ben gekomen, was buiten mijn wil, buiten mijn weten. Ik ging slapen, ik was afgemat, en verder weet ik niets meer dan dat ik een vreeselijk geweld hoorde en u in een hel licht voor mij zag, waarna alles duisternis was.”“O, Beatrice, wees niet bedroefd,” antwoordde hij. “Ik zag dat ge sliept. Het gebeurde is iets verschrikkelijks, maar ik geloof niet dat iemand ons gezien heeft.”“Dat weet ik niet,” hernam zij. “Elisabeth zag mij van ochtendzoo zonderling aan, en zij ziet alles. Geoffrey, voor mijzelve bekommer ik er mij er niet om. Maar waar ik mij wel om bekommer, is watgijvan mij denken moet? Gij moet gelooven—o! ik kan het niet zeggen. En toch ben ik onschuldig. Nooit, nooit heb ik er aan gedacht. Bij u te komen—zoo—o, ’t is schaamteloos!”“Beatrice, spreek zoo niet. Ik zeg u immers, dat ik het weet. Luister—ik heb u aangetrokken. Ik had niet bedoeld dat gij komen zoudt. Ik dacht niet dat gij zoudt komen, maar ’t ismijnschuld. Luister naar mij, lieve,” en hij zeide haar wat geschreven woorden niet kunnen uitdrukken.Toen hij had uitgesproken, zag zij hem aan met een opgeklaard gelaat; de donkere schaduw van schaamte was er van geweken. “Ik geloof u, Geoffrey,” zeide zij, “omdat ik weet, dat gij dit niet verzonnen hebt om mij te verontschuldigen, want ik heb dat ook gevoeld. Daardoor ziet ge wat ge voor mij zijt. Gij zijt mijn heer en meester en mijn alles. Ik kan u niet weerstaan, al wilde ik het ook. Ik heb geen anderen wil dan den uwen. En beloof mij nu dit op uw woord: laat mij nu buiten uw invloed blijven. Trek mij niet tot u aan, om uw verderf te zijn. Ik maak geen aanspraak; ik heb mijn leven aan uw voeten gelegd, maar zoolang ik eenige kracht heb om er tegen te strijden, zult gij het niet opnemen, tenzij ge het tot uw eigen eer kondet doen, en dat is niet mogelijk. O, wat hadden wij samen gelukkig kunnen zijn, gelukkiger dan man en vrouw meestal zijn, maar dat is ons ontzegd. Wij moeten ons kruis dragen, het vleesch kruisigen; misschien aldus—wie kan dat zeggen?—den geest verheerlijken. Ik ben u veel verschuldigd. Ik heb veel van u geleerd, Geoffrey. Ik heb geleerd weer op een Hiernamaals te hopen. Niets is mij nu meer overgebleven dan dat—en over een uur, de herinnering aan u.“O, waarom zou ik weenen? Dat is ondankbaar, als ik uw liefde bezit—en wat beteekent dit verdriet daar tegenover gesteld? Kus mij, geliefde en ga—en zie mij nimmer weder. Gij zult mij niet vergeten, ik weet dat ge mij uw leven lang niet vergetenzult. Eenmaal misschien—wie weet dat? Zoo niet, welnu dan zal ’t het best zijn te sterven.”’t Is niet goed bij zulk een tooneel als dit langer te verwijlen. ’t Is maar een gebroken hart meer. De wereld breekt op deze of op een andere wijze zooveel harten, dat zij er weinig genoegen in kan vinden op zulke tooneelen van zielsfoltering te staren.Bovendien moeten wij ons niet door onze sympathie laten medesleepen. Geoffrey en Beatrice hadden niet meer dan hun verdiend loon. Wat behoefden zij zich in zulk een toestand te brengen! Zij hadden de gebruiken van hun wereld getrotseerd, en de wereld wreekte zich op hen en hun hartstocht voor elkander. Wat gebeurt den worm, die op den grooten weg wil wroeten? Door wielen verpletterd en door voeten vertrapt te worden is zijn deel. Beatrice en Geoffrey zijn voorbeelden, die een moraal verkondigen. Zoover wij kunnen zien en oordeelen, hadden zij zich niet in die altijd stroomende rivier van menschelijk verdriet behoeven te storten. Laat hen worstelen en verdrinken, en laten degenen, die op den oever staan, uit dat schouwspel wijsheid leeren en geen hand uitsteken om hen te helpen.Geoffrey trok een ring van zijn vinger, en gaf dien aan zijn geliefde. Het was een gladde zilveren ring, die uit het graf van een Romeinsch krijgsman was genomen, en waarop aan de binnenzijde ruw de woorden gegraveerd waren: “Ave atque vale.” Gegroet en vaarwel! Het was een gepast geschenk voor menschen in hun toestand. Beatrice fluisterde bevend, dat zij dien ring op haar hart zou dragen, aan haar vinger kon zij hem niet steken—hij zou herkend kunnen worden.Toen omhelsden zij elkaar driemaal op dat eenzaam strand, eens, als ’t ware, voor vroegere vreugde, eens voor tegenwoordig leed, en eens voor toekomstige hoop, en daarna scheidden zij. Er was geen sprake van latere ontmoetingen—zij gevoelden dat die onmogelijkwaren, althans voor menig jaar. Hoe konden zij elkander als onverschillige bekenden ontmoeten? Daartoe beminden zij elkander te zeer. Het was een laatst afscheid, smartelijker dan het afscheidnemen van een stervende—want de Hoop zit altijd aan het sterfbed—en hier was niets dan verpletterende droefheid.Hij verliet haar, en het geluk was uit zijn leven, evenals het daglicht voor de avondschemering wijkt. Hij had, ten minste, de geestinspanning van zijn werk, dat hem wachtte. Maar Beatrice, arm meisje, wat had zij?Geoffrey verliet haar. Toen hij ongeveer dertig passen ver was, zag hij om, en wierp een laatsten blik op haar. Daar stond, of liever, leunde zij, met haar hand tegen de natte rots, en zag hem met haar heldere grijze oogen na. Zelfs door den stofregen heen, kon hij haar glanzig haar, de afteekening van haar bekoorlijk gelaat en het frissche rood van haar lippen zien. Zij wenkte hem voort te gaan. Dat deed hij, maar toen hij honderd schreden verder was, zag hij nog eens om. Daar stond zij nog, maar nu was haar gelaat niet meer te onderscheiden, en de groote zeemeeuw vloog weder om haar hoofd.Toen verborg de nevel haar geheel en al.Ach, Beatrice, met al uw verstand hebt gij nooit die eenvoudige beginselen kunnen leeren, die voor het geluk der vrouw zoo noodzakelijk zijn; beginselen door duizend geslachten van onbeschaafde en half beschaafde voorzaten van het eene op het andere overgeërfd. Den toestand te nemen zooals hij is, en zich aan de eischen van dien toestand te houden, dat is de gulden regel tot welzijn. Steek de hand niet verder uit dan gij die weer terug kunt trekken, ten minste niet voordat gij volkomen zeker zijt dat het voorwerp in uw bereik is. Indien gij bij ongeluk, of door de gramschap van het Noodlot, begaafd zijt met die sterker eigenschappen, die u tot zelfopofferende liefde in staat stellen, houd zein uw hart verborgen; laat er niets van aan de wereld blijken. De wereld gelooft er niet aan; zij zijn zelfs onzedelijk. Wat de wereld, en zeer terecht, van u verlangt, is stille huiselijkheid van karakter, geen tentoonspreiding van hoedanigheden, die, al mogen zij u geschikt maken voor de heldin van een Grieksch treurspel, u in onzen tijd waarschijnlijk slechts aan verguizing zullen blootstellen.Beatrice, de wereld kan met Lady Honoria sympathiseren, maar metuniet.

Hoofdstuk XXII.Een stormachtige nacht.Dien namiddag ging het heele gezelschap van de pastorie naar de boerderij, om een nieuw nest jonge varkens te zien. Het kwam Geoffrey voor, toen hij zich vroegere edities herinnerde, dat het voortbrengingsvermogen van Grangers oude zeug aan het wonderbaarlijke grensde, en droomerig maakte hij een berekening, hoeveel tijd zij en haar nakomelingschap wel noodig zouden hebben om op elken vierkanten meter van het grondgebied van Wales een varken voort te brengen. Dat scheen in zes jaar te doen te zijn, maar het was een dwaze berekening, dus liet hij het er bij.Dien namiddag sprak hij geen woord met Beatrice alleen. Het scheen alsof er een zekere koelheid tusschen hen ontstaan was. Met de scherpzinnigheid eener liefhebbende vrouw, had zij geraden dat er in zijn gemoed iets omging, wat strijdig met haar levendigste belangen was, dus vermeed zij zijn gezelschap en beantwoordde zijn gebruikelijke voorkomendheden met een beleefdheid, die even koel als terneerslaand was. Dat beviel Geoffrey niet; ’t is geheel iets anders (natuurlijk, in haar eigen belang) het heldhaftig besluit te nemen, van een dame, die men niet in opspraak wil brengen, af te zien, dan door die dame afgescheept te worden voordat het oogenblik van scheiding gekomen is. In zijn hart zou hij wel gewenscht hebben dat zij dezelfde gebleven was, ja zelfs teederder was geworden, om des te meer eer van zijn deugdzaam gedrag te hebben.Maar ongelukkig speelt een vrouw, in zulk een geval, iemand nooit in de kaart. Haar gedrag kan alles in de war sturen, want het is in ’t oogspringend dat er om een zaak van dien aard tot een waardig einde te brengen, twee noodig zijn. Beatrice gedroeg zich niet beter dan elke andere vrouw gedaan zou hebben. Zij was geraakt en wantrouwend, en dat toonde zij, waarvan het gevolg was dat Geoffrey ook geraakt werd. Hij vond het wreed van haar, alles in aanmerking genomen. Hij vergat dat zij niet weten kon wat er in zijn binnenste omging, hoeveel zij ook mocht gissen; ook dat hij tot dusverre de kracht harer liefde voor hem, en alles wat die voor haar beteekende, niet wist. Had hij dit kunnen beseffen, dan zou hij heel anders gehandeld hebben.Zij kwamen thuis en dronken thee, en toen maakten Granger en Elisabeth zich gereed om naar de avondgodsdienstoefening te gaan. Tot Geoffrey’s teleurstelling, deed Beatrice dat ook. Hij had verwacht een rustig wandelingetje met haar te doen—dat was waarlijk te erg. Gelukkig, of liever ongelukkig, was zij het eerst gereed, zoodat hij een woord met haar kon spreken.“Ik wist niet dat ge naar de kerk gingt,” zeide hij; “ik dachtdat wij samen een wandeling zouden doen. Waarschijnlijk moet ik morgenochtend vroeg vertrekken.”“Zoo?” zeide Beatrice koel. “Maar gij hebt, natuurlijk, uw werk dat u wacht. Ik heb Elisabeth gezegd dat ik in de kerk zou komen, dus moet ik het ook doen; en het is te drukkend weer om te wandelen; er broeit onweer.”Op dat oogenblik kwam Elisabeth binnen.“Ga je nu mee naar de kerk, Beatrice?” zeide zij. “Vader is al vooruit.”Beatrice deed alsof zij haar niet hoorde, en dacht even na. Hij zou heengaan, en zij zou hem niet weer zien. Kon zij zich dat laatste uur laten ontglippen? O, dat kon zij niet!Dit oogenblik van nadenken besliste haar lot.“Neen,” antwoordde zij langzaam, “ik zal maar niet meegaan; ’t is te warm in de kerk. Mijnheer Bingham zal je wel willen vergezellen.”Geoffrey haastte zich om te zeggen dat hij dit niet van plan was, en Elisabeth ging alleen. “Ik dacht wel, lievertje, dat je niet mee zoudt gaan!” zeide zij bij zichzelve.“Welnu,” zeide Geoffrey, toen zij weg was, “zullen wij uitgaan?”“Mij dunkt, ’t is hier aangenamer,” antwoordde Beatrice.“O, Beatrice wees niet zoo stroef,” zeide hij, met een zachte stem.“Nu dan, als gij ’t gaarne wilt,” antwoordde zij. “De zon gaat zoo rood onder—wij krijgen, geloof ik, onweer.”Zij gingen uit, en wandelden het eenzame strand op. Het was daar geheel verlaten, en zij liepen niet vlak naast elkander en bijna zonder te spreken. De zonsondergang was luisterrijk; groote, goudkleurige wolken dreven uit den gloed in het Westen gestadig landwaarts. De zee was nog stil, maar deed een klagend geloei hooren. De onweerswolken pakten zich samen.“Welk een heerlijke zonsondergang!” zeide Geoffrey eindelijk.“Maar een heerlijkheid, die een onstuimigen nacht en een nattenmorgen voorspelt,” antwoordde zij. “De wind steekt op; willen wij terugkeeren?”“Neen, Beatrice, laten we ons niet aan den wind storen. Ik moet u spreken, als gij ’t mij vergunt.”“Ja,” zeide Beatrice, “waarover mijnheer Bingham?”In een geval van dien aard goede voornemens op te vatten is betrekkelijk gemakkelijk, maar ze ten uitvoer te brengen levert nogal moeilijkheden op. Dit ondervond Geoffrey ook, nu het er toe kwam om Beatrice te zeggen dat zij wel zou doen met Owen Davies te trouwen. Intusschen bewaarde zij het stilzwijgen.“Ziet ge,” begon hij, “ik hoop dat ge ’t mij niet kwalijk zult nemen, maar ik heb veel over u en uw toekomstig welzijn gedacht.”“Dat is zeer vriendelijk van u,” zeide Beatrice, met kwaadvoorspellende deemoedigheid.Dit was terneerslaand, maarGeoffrey’sbesluit stond vast en op eenigszins radden toon, uit zenuwachtigheid en tegenzin in zijn taak voortspruitende, ging hij voort. Nooit had hij haar zoo bemind als op dit oogenblik nu hij haar zou aanraden met een ander man te trouwen. En echter volhardde hij in zijn dwaasheid. Want, zooals men meermalen ziet, het schrander doorzicht en de wereldkennis, waardoor Geoffrey zich als rechtsgeleerde onderscheidde, wanneer hij de zaken van anderen behandelde, begaven hem geheel en al in deze crisis van zijn eigen leven en die van het meisje, wier afgod hij was.“Sedert ik hier geweest ben,” zeide hij, “is mijn hulp niet minder dan driemaal, en door verschillende menschen, ten uwen behoeve ingeroepen—door uw vader, die meent dat gij van liefde voor Owen Davies kwijnt; door Owen Davies, die voorzeker van liefde voorukwijnt, en door den ouden Eduard, als een soort van familiestuk.”“Zoo!” zeide Beatrice, op ijskouden toon.“En alle drie drongen op hetzelfde aan—de wenschelijkheid dat gij met Owen Davies zoudt trouwen.”Beatrice’s gelaat werd doodsbleek, haar lippen trilden en haar oogen vlamden van toorn.“Werkelijk?” zeide zij.“En hebtgijop dit punt eenigen raad te geven, mijnheer Bingham?”“Ja, Beatrice, dat heb ik. Ik heb er over nagedacht, en ik geloof—vergeef mij dat ik het zeg—dat, als gij er toe kunt besluiten, gij misschien het best zult doen met hem te trouwen. Hij is geen slecht man, en hij is rijk.”Zij hadden snel geloopen, en nu waren zij aan de plek als het “Amphitheater” bekend, dezelfde plek, waar Owen, zeven maanden geleden, Beatrice een liefdesverklaring had gedaan.Beatrice liep langs den vooruitstekenden kant van den rots om, en een eindweegs naar den platten steen in het midden, voordat zij antwoordde. Bittere toorn vervulde haar hart. Zij meende alles te doorzien. Geoffrey wilde van haar af zijn. Hij had in hun vertrouwelijkheid iets gevaarlijks gezien, en die vertrouwelijkheid wilde hij onmogelijk maken door haar tot een huwelijk tegen haar zin over te halen. Eensklaps wendde zij zich tot hem, en zag hem met van toorn vlammende oogen vlak in ’t gelaat; en met een gebiedende fierheid en waardigheid van voorkomen, zooals hij nog nooit van haar gezien had, en die hem letterlijk ontzag inboezemde, zeide zij:“Beseft gij niet, mijnheer Bingham, dat gij u een groote vrijheid veroorlooft? Beseft gij niet dat een man, die geen nabestaande is, het recht niet heeft zoo tot een vrouw te spreken als gij tot mij gesproken hebt?—kortom, dat gij u aan een grove onbescheidenheid schuldig hebt gemaakt? Welk recht hebt gij mij de wet voor te schrijven met wien ik zal trouwen of niet? Dat is toch zeker mijn eigen zaak.”Geoffrey kleurde tot over zijn slapen. Scherper dan eenige andere beschuldiging, welke zij tegen hem had kunnen inbrengen, gevoelde hij die van krachtens hun vertrouwelijkheid een ongepaste vrijheid genomen, zich een recht aangematigd te hebben, dat hem niet toekwam.“Vergeef mij,” zeide hij deemoedig. “Ik kan u slechts verzekeren, dat dit mijn bedoeling niet was. Ik heb—onberedeneerd, vrees ik—gesproken—omdat ik er toe gedreven werd.”Beatrice nam van zijn woorden geen notitie, maar ging op denzelfden koelen toon voort:“Welk recht hebt gij met een ouden schipper, met mijnheer Davies, of zelfs met mijn vader, over mijn zaken te spreken? Als ik dat gewild had, zou ik het u gevraagd hebben. Met welk gezag stelt ge u tot tusschenpersoon aan, om een huwelijk tot stand te brengen, dat gij zoo goed zijt in mijn geldelijk belang te achten? Weet gij niet dat dit iets is, waarover alleen de vrouw kan oordeelen, die er in betrokken is, wier geluk en zelfachting er bij op ’t spel staan? Ik heb nog slechts dit te zeggen: ik zeide zooeven dat gij u aan een grove onbescheidenheid hebt schuldig gemaakt. Welnu, ik wil er nog bijvoegen dat er in dit geval omstandigheden zijn, mijnheer Bingham, die het tot een wreede beleediging maken.”Zij hield met spreken op, en barstte in een hartstochtelijk geween uit. Juist gierde de eerste stormvlaag over hen en verloor zich loeiend in de verte.Het licht verdween uit de lucht. Nu kon Geoffrey nog slechts de omtrekken van haar weenend gelaat zien. Een oogenblik aarzelde hij, en ook slechts één; toen was de natuur sterker dan de leer, want het volgend oogenblik was zij in zijn armen.Beatrice bood nauwelijks wederstand. Haar geestkracht scheen haar te begeven, of misschien had zij die in bittere woorden uitgeput. Haar hoofd zonk op zijn schouder, en daar snikte zij onbedwongen. Nu hief zij het hoofd op, en hun lippen ontmoetten elkander in een eersten, langen kus. Daar liep het op uit—en zoo bevorderde Geoffrey het aanzoek van Owen Davies.“O, ge zijt wreed geweest, zeer wreed!” fluisterde hij haar in ’t oor. “Ge moet wel geweten hebben dat ik u liefhad, Beatrice, dat ik tegen mijzelven was toen ik zoo sprak, en het alleen deed omdat ik het mijn plicht achtte. Ge moet geweten hebben dat ik,tot mijn schande en zonde, u altijd heb liefgehad, dat gij geen uur uit mijn gedachten geweest zijt, dat ik er naar verlangd heb uw lief gelaat te zien, als een zieke naar het licht. Zeg mij, wist ge dat niet, Beatrice?”“Hoe zou ik het geweten hebben?” antwoorde zij zeer zacht; “ik kon het slechts vermoeden, en als ge mij werkelijk liefhebt, hoe kondet ge dan wenschen dat ik met een ander man zou trouwen? Ik dacht dat ge mijn zwakheid bespeurd hadt en dit middel te baat naamt om mij die te verwijten. O, Geoffrey, wat hebben wij gedaan? Wat is er tusschen u en mij—behalve de liefde?”“Het zou beter geweest zijn als wij voor goed te zamen verdronken waren,” zeide hij neerslachtig.“Neen, neen,” antwoordde zij, “want dan zouden wij elkander nooit liefgehad hebben. ’t Is beter eerst te beminnen en dan te sterven.”“Spreek zoo niet,” zeide hij, “laten we hier gaan zitten en voor ’t oogenblik ten minste gelukkig zijn; morgen is het vroeg genoeg voor zorgen en verdriet.”En waar Beatrice vroeger een anderen minnaar had afgewezen, zaten zij nu naast elkander op den platten steen, en spraken de gewone taal van een paar verliefden.Boven hen loeide de opstekende storm, maar door de rotswanden beschut, voelden zij zijn vlagen niet. Vóór hen klotsten de gezwollen golven op het strand, terwijl ver in zee de halve maan, tusschen donkere wolken uit te voorschijn komende, als een boot over de wateren scheen te zweven.En smaakten zij die verrukking werkelijk, of was het maar een droom? Neen, zij waren daar alleen met hun liefde en liefdes zoet genot, en de volle waarheid werd gezegd en al hun twijfelingen waren opgeheven. Nu was het gedaan met hoop en vrees: nu werd de Rede door de Liefde van den troon gestooten. De Liefde zwaaide haar schepter en opende de poorten van het Paradijs. O, heerlijk zou het zijn in die ure te sterven!Woed en raas, bulderende storm! Wij kennen het geheim uwer ontbreidelde kracht. Bruist, ziedende golven, valt donderend aan den voet der aarde neder! Wij verstaan dat zieden en bruisen, dat donderend geweld.Aarde, zee en winden, zingt uw grootsch minnelied. Hemel, Tijd en Ruimte, weergalmt van dien zang! Want het leven heeft ons het antwoord op zijn raadsel toegeroepen! Hart aan hart zitten wij, en lippen aan lippen, en wij zijn wijzer dan Salomo, en rijker dan de rijkste Oostersche vorst, want het geluk is ons deel.Tot dat doel zijn wij geboren en door alle tijden heen voorbeschikt. Tot dat doel leven wij en sterven wij, om in den dood volkomen vereeniging te vinden. Want hierin bestaat het geheim der wereld, dat de wijzen zoeken en niet kunnen vinden, en hier is ook de poort des Hemels.Zie mij in de oogen, geliefde, en laat mij in de uwe zien, en hoor toe. De wereld is maar een schijn, en een schaduw is ons vleesch, want waar zij eenmaal waren, zal niets zijn. De Liefde alleen is werkelijk; de Liefde zal blijven totdat alle zonnen geen licht of warmte meer uitstralen, en dan nog zal zij jong zijn.Kus mij, verwinnaar, want het Noodlot is overwonnen, leed en kommer is voorbij; en het vuur, dat wij op dit aardsch altaar ontstoken hebben, zal nog helder vlammen, als gindsche sterren al hun glans verloren hebben.Maar ach! woorden kunnen aan zulk een lied geen vorm geven. Muziek?—ook die schiet te kort. Want door die geopende deur komen visioenen en klanken, die niet te beschrijven zijn.Laat zeggen wie wil, dat dit waanzin is, dat diebovenaardscheheerlijkheid niets anders is dan de razernij van een in zijn wezen zinnelijken hartstocht; maar laat droomers hun droomen. Waarom hebben kinderen dezer wereld dan zulke visioenen als Beatrice en Geoffrey? Waarom verdwijnen hun twijfelingen, en wat is die adem des Hemels, dien zij op hun voorhoofd schijnen te voelen? De bedwelming van aardsche liefde, uit de ontmoeting van jeugd enschoonheid ontstaan. Dat zij zoo! Slaaf, breng nog meer zulken wijn, en drinken wij op de Onsterfelijkheid en op die geliefde oogen, die het gelaat van een hemelgeest afspiegelen.Zulk een liefde is zeldzaam. Want weinig harten zijn in staat zulk een ware en innige liefde te gevoelen, en zelden ontmoeten twee zulke harten elkander op het levenspad. Weinigen kunnen zoo hoog opgevoerd worden en dien ether lang inademen. Al spoedig hangen de vleugels, welke de Liefde hun in die ure van openbaring verleend heeft, slap, en wie ze geleend hebben, vallen ter aarde, gelukkig nog als zij door den val niet verpletterd worden. Misschien spreiden die vleugels zich nog eenmaal in hun leven over het altaar hunner huwelijksgeloften, of over de lijkbaar van een geliefden afgestorvene. Maar schaarsch zijn die gelegenheden, en weinigen zijn er, die ze kennen.Zoo zweefden Beatrice enGeoffreyin hooger sfeer, terwijl de storm om hen heen loeide, als een gepast accompagnement van hun onstuimige liefde. En zoo vielen zij ook ter aarde.“Wij moeten heengaan, Geoffrey,” zeide Beatrice, “het wordt laat. O, Geoffrey, Geoffrey, wat hebben wij gedaan? Wat zal daar het einde van zijn? Het zal ongeluk over u brengen, dat weet ik. Het oude spreekwoord zal bewaarheid worden. Ik heb u het leven gered, om u in het verderf te storten!”Het was een kenmerk van Beatrice’s karakter, dat zij er reeds aan dacht wat de gevolgen voor Geoffrey, niet voor haar, zouden zijn.“Beatrice,” sprak Geoffrey, “wij zijn in een wanhopigen toestand. Wilt gij dien trotseeren, en met mij ver van hier, naar de andere zijde van de wereld, gaan?”“Neen, neen,” antwoordde zij met vuur, “dan zou uw loopbaan gebroken zijn. In welk gedeelte der wereld zoudt gij gaan, waar gij niet bekend zoudt zijn? Bovendien moet gij aan uw vrouw denken. Uw vrouw—wat zou zij wel van mij zeggen? Gij behoort aan haar, gij hebt geen recht haar te verlaten. En Effie! Neen, Geoffrey, neen, ik ben slecht genoeg geweest dat ik u heb leerenbeminnen—o, zooals gij nooit bemind zijt!—als het slecht is iets te doen, wat men niet helpen kan; maar zóó slecht ben ik niet. Loop sneller, Geoffrey; wij komen laat thuis, en zij zullen iets vermoeden.”Arme Beatrice; gewetenswroeging greep haar aan!“Wij zijn in een verschrikkelijken toestand,” zeide hij weder. “O, geliefde, ik alleen ben te laken. Ik had niet terug moeten komen.’t Is mijn schuld; en hoewel ik daar nooit aan gedacht heb, ik heb mijn best gedaan u te behagen.”“En daar dank ik u voor,” antwoordde zij. “Misleid uzelven niet, Geoffrey. Wat er ook gebeurt, o, beloof mij dat gij geen oogenblik zult gelooven dat ik u verweten of gelaakt heb. Waarom zou ik u laken omdat ge mijn liefde hebt gewonnen? Eer zou ik de zee, waarop wij gedreven hebben, moeten laken, het strand, waarop wij gewandeld hebben, het huis, waarin wij woonden, en het Noodlot, dat ons bij elkander bracht. Ik ben trotsch en verheugd u lief te hebben, maar ik ben niet zoo zelfzuchtig dat ik u in ’t ongeluk zou willen storten; Geoffrey—ik zou liever sterven.”“Spreek zoo niet,” zeide hij, “dat kan ik niet aanhooren. Wat moeten wij doen? Moet ik heengaan en u nimmer wederzien? Hoe kunnen wij zoo leven, Beatrice?”“Ja, Geoffrey,” antwoordde zij, op diep neerslachtigen toon, terwijl zij hem bij de hand vatte en hem in ’t gelaat zag, “gij moet heengaan en mij in geen jaren wederzien. Dit hebben wij onszelven berokkend, dat is de prijs, dien wij voor het verloopen uur betalen moeten. Morgen moet gij vertrekken, dan zijn wij uit de verzoeking, en ge moet niet terugkomen. Van tijd tot tijd zal ik u schrijven, en misschien gij mij ook, totdat het u te lastig wordt, en dan kunt gij er mee ophouden. En hetzij ge mij vergeet of niet—en o, Geoffrey, dat zult gij, geloof ik, niet—zult gij weten dat ik u nooit zal vergeten—u, wien ik uit de zee heb gered, om mij lief te hebben.”Er was in haar woorden zoo iets onbeschrijfelijk teeders, vermengd met natuurlijke vrouwelijke hartstochtelijkheid, dat Geoffrey’shart er voor buigen moest. Wat moest hij doen, hoe kon hij haar verlaten? En toch had zij gelijk. Hij moest heengaan, en wel spoedig ook, anders zou zijn kracht hem misschien begeven, en zouden zij te zamen een grens overschrijden, van waar geen terugkeeren meer was.“De Hemel sta ons bij, Beatrice!” zeide hij. “Morgenochtend vertrek ik, en als ik kan, zal ik wegblijven.”“Gijmoetwegblijven. Ik wil u niet wederzien. Ik wil geen ongeluk over u brengen, Geoffrey.”“Ge spreekt van ongeluk over mij te brengen,” hernam hij; “en ge zegt niets van uzelve, en toch is een man, zelfs zoo’n man als ik in mijn eigen oogen ben, beter geschikt om zulk een storm door te staan. Als het mij in het ongeluk stort, hoeveel te meer u dan?”Zij waren nu aan het hek van de pastorie, en de wind gierde met zulk een geweld door de pijnboomen, dat zij haar lippen dicht aan zijn oor moest houden om haar woorden verstaanbaar te maken.“Wacht een oogenblik,” zeide zij, “misschien hebt ge mij niet goed begrepen. Wanneer een vrouw doet watikgedaan heb, is het omdat zij met heel haar leven en hart en ziel bemint, omdat dit alles een deel van haar liefde is. Ik voor mij hecht aan niets meer waarde—ik heb geen persoonlijkheid meer zonder u, ik ben niet meer mijzelve, ik behoor mijzelve niet meer toe. Ik behoor geheel en al u toe. Over mijzelve en mijn eigen lot of goeden naam denk ik niet meer; met open oogen en uit vrijen wil, heb ik mij aan mijn liefde voor u overgegeven, en dat heb ik met vreugde gedaan. Maar over u ben ik nog bekommerd, en als ik een stap deed, of toeliet dat gij een stap deedt, die u leed kon berokkenen, zou ik het mijzelve nooit vergeven. Daarom moeten wij scheiden, Geoffrey. En laten wij nu naar binnen gaan; er is niets anders meer te zeggen dan dit: als ge mij een laatst vaarwel wilt zeggen, lieve Geoffrey, zal ik morgenochtend op het strand wachten.”“Ik vertrek om half negen,” zeide hij, met een heesche stem.“Dan zullen wij elkaar om zeven uur ontmoeten,” sprak Beatrice, en ging hem voor naar binnen.Elisabeth en Granger zaten reeds aan het avondeten. Op Zondagavond gebruikten zij dat gewoonlijk te negen uur; nu was het half tien.“Wel, wel,” zeide de oude heer, “wij begonnen al te denken dat gij samen uit roeien waart gegaan, en dat gij ditmaal voorgoed verdronken waart. Waar zijt gij al dien tijd geweest?”“We hebben een lange wandeling gedaan,” antwoordde Geoffrey; “ik wist niet dat het al zoo laat was.”“Men moet al heel veel genoegen in iemands gezelschap vinden, om in zoo’n weer zoo ver te loopen,” merkte Elisabeth boosaardig aan.“Ikvond dat althans wel,” antwoordde Geoffrey, volkomen naar waarheid, “en het weer is zoo erg niet als ge zoudt denken, ten minste onder de beschutting van de rotsen. Het zal straks wel erger worden.”Toen gingen zij aanzitten en maakten een wanhopig vertoon van mee te eten. De scherpziende Elisabeth merkte op, dat Geoffrey’s hand beefde. Wat kon nu wel de hand van een sterk man doen beven? was de vraag, die zich aan haar opdeed. Het kon van hevige aandoening zijn, en Elisabeth meende ook nog andere teekenen van aandoening in hen beiden te bespeuren, behalve het beven van Geoffrey’s hand. Het plan werkte goed, maar zou het niet tot een climax gebracht kunnen worden? O, als hij maar de onbezonnenheid beging van met Beatrice weg te loopen, zoodat zij haar kwijt was en vrij haar eigen spel kon spelen!Kort na het avondeten, gingen Elisabeth en Beatrice naar bed en lieten haar vader met Geoffrey alleen.“Welnu,” zeide Granger, “hebt gij een woordje met Beatrice gesproken? Het was zeer vriendelijk van u, dat gij daarvoor zoo’n verre wandeling hebt gedaan en dat nog wel bij zulk noodweer.”“Ja,” antwoordde Geoffrey, “dat heb ik gedaan.”“Ei zoo! Gij hebt haar, hoop ik, gezegd dat zij de hoop op hem nog niet behoeft op te geven—op mijnheer Davies, bedoel ik?”“Ja, dat heb ik haar gezegd—het lag er ten minste wel in opgesloten,” liet hij er bij zichzelven op volgen.“En hoe nam zij het op?”“Zeer slecht,” antwoordde Geoffrey; “zij scheen van meening te zijn, dat ik mij er niet mee had te bemoeien.”“Dat is vreemd. Maar het beteekent niets. Zij is er u in haar hart dankbaar voor, daar kunt ge staat op maken, maar zij wilde het zoo niet zeggen. Hemel, wat stormt het! Dat zal een nacht geven! Dus gaat ge morgen heen? Och ja, de beste vrienden moeten eenmaal scheiden. Ik hoop dat ge ons nog dikwijls zult komen bezoeken. Vaarwel!”Weder kwam het gevoel, hoe belachelijk de toestand eigenlijk was, bij Geoffrey boven, en hij glimlachte bitter, terwijl hij zijn kaars aanstak, om naar bed te gaan. Achter in het huis was een lange gang, aan het eene einde waarvan de kamer was, waar hij logeerde, en aan het andere einde de slaapkamer van Elisabeth en Beatrice. Die gang werd verlicht door twee vensters, en nog twee andere kamers kwamen er in uit—die van Granger, en de kamer waar Effie had geslapen. Er waren geen luiken voor de vensters van die gang, en een oogenblik stond Geoffrey uit te zien naar de flikkering van het weerlicht. Toen wierp hij een blik op de deur van Beatrice’s kamer, met dat eigenaardig gevoel van eerbied, dat soms met verliefdheid gepaard gaat, en met een zucht wendde hij zich om en ging zijn eigen kamer binnen.Hij kon niet slapen, dat was onmogelijk. Bijna twee uur lang wentelde hij zich van de eene zijde op de andere, en het was alsof zijn hoofd zou bersten. Morgen moest hij haar verlaten, haar voor altijd verlaten, en terugkeeren tot zijn strijd met de wereld, waar geen Beatrice was om hem gelukkig te maken. En zij, hoe was het met haar?De storm, die een weinig bedaard was, begon nu opnieuw opte steken, door het weerlicht voorafgegaan. Hij stond op, trok eenchambercloakaan, en zat voor het venster uit te zien naar het woeden der natuur, dat zijn gefolterd hart eenige verlichting scheen te geven; in dit smartelijk uur zou nachtelijke stilte hem waanzinnig gemaakt hebben.Nog acht uur en het zou met werkelijken omgang tusschen hen gedaan zijn. Het geheim zou voor altijd in hun binnenste besloten blijven, en aan hun hart knagen, als de worm, die niet sterft. Geoffrey sloeg de oogen op, met een blik alsof hij in een visioen de verborgenste gedachten zijner ziel voor zijn geliefde uitstortte. Weder overviel hem datzelfde raadselachtige gevoel als in een vroegeren nacht. Al sterker en sterker werd het, al meer en meer bracht het zijn geest in verwarring, totdat hij zich niets meer herinnerde dan Beatrice, niets meer wist dan dat haar leven nu één was met het zijne.Hij strekte de armen in de ledige lucht uit, en fluisterde: “Beatrice! O, mijn geliefde! mijn ziel, mijn leven! Hoor mij aan, Beatrice!”Een gierende windvlaag deed op dit oogenblik het huis schudden.O, wat was dat? Stil werd de deur geopend, en een witte gedaante kwam over den drempel. Hij sprong overeind; schrik en ontzettende verrassing vermeesterden hem. Daar, in het helle schijnsel van het weerlicht, stond zij voor hem—zij, Beatrice, met haar blanke armen uitgestrekt, bloote voeten en loshangend haar; haar boezem zwoegde zacht onder haar nachtgewaad, haar lippen waren half geopend, haar oogen stonden strak, haar gelaat teekende een akelige kalmte.Groote Hemel, zij sliep!Stil! zij sprak.“Ge hebt mij geroepen, Geoffrey,” zeide zij, met een doffe, onnatuurlijke stem. “Ge hebt mij geroepen, geliefde, en—daar ben ik.” Hevig ontsteld, bevend als een espenblad, staarde hij op die bekoorlijke verschijning.Zie! Zij trad naar hem toe, en zijsliep. O, wat moest hij doen?Eensklaps deed de tocht de geopende deur met een harden slag dichtvallen. Zij ontwaakte met schrik.“O, God, waar ben ik?” riep zij uit.“Stil, om ’s Hemelswil, stil!” antwoordde hij, zijn tegenwoordigheid van geest terugverkrijgende. “Stil, of gij zijt verloren.”Maar het was niet noodig haar te waarschuwen stil te zijn, want de schok deed Beatrice het bewustzijn verliezen, en bezwijmd zonk zij in zijn armen.

Dien namiddag ging het heele gezelschap van de pastorie naar de boerderij, om een nieuw nest jonge varkens te zien. Het kwam Geoffrey voor, toen hij zich vroegere edities herinnerde, dat het voortbrengingsvermogen van Grangers oude zeug aan het wonderbaarlijke grensde, en droomerig maakte hij een berekening, hoeveel tijd zij en haar nakomelingschap wel noodig zouden hebben om op elken vierkanten meter van het grondgebied van Wales een varken voort te brengen. Dat scheen in zes jaar te doen te zijn, maar het was een dwaze berekening, dus liet hij het er bij.

Dien namiddag sprak hij geen woord met Beatrice alleen. Het scheen alsof er een zekere koelheid tusschen hen ontstaan was. Met de scherpzinnigheid eener liefhebbende vrouw, had zij geraden dat er in zijn gemoed iets omging, wat strijdig met haar levendigste belangen was, dus vermeed zij zijn gezelschap en beantwoordde zijn gebruikelijke voorkomendheden met een beleefdheid, die even koel als terneerslaand was. Dat beviel Geoffrey niet; ’t is geheel iets anders (natuurlijk, in haar eigen belang) het heldhaftig besluit te nemen, van een dame, die men niet in opspraak wil brengen, af te zien, dan door die dame afgescheept te worden voordat het oogenblik van scheiding gekomen is. In zijn hart zou hij wel gewenscht hebben dat zij dezelfde gebleven was, ja zelfs teederder was geworden, om des te meer eer van zijn deugdzaam gedrag te hebben.

Maar ongelukkig speelt een vrouw, in zulk een geval, iemand nooit in de kaart. Haar gedrag kan alles in de war sturen, want het is in ’t oogspringend dat er om een zaak van dien aard tot een waardig einde te brengen, twee noodig zijn. Beatrice gedroeg zich niet beter dan elke andere vrouw gedaan zou hebben. Zij was geraakt en wantrouwend, en dat toonde zij, waarvan het gevolg was dat Geoffrey ook geraakt werd. Hij vond het wreed van haar, alles in aanmerking genomen. Hij vergat dat zij niet weten kon wat er in zijn binnenste omging, hoeveel zij ook mocht gissen; ook dat hij tot dusverre de kracht harer liefde voor hem, en alles wat die voor haar beteekende, niet wist. Had hij dit kunnen beseffen, dan zou hij heel anders gehandeld hebben.

Zij kwamen thuis en dronken thee, en toen maakten Granger en Elisabeth zich gereed om naar de avondgodsdienstoefening te gaan. Tot Geoffrey’s teleurstelling, deed Beatrice dat ook. Hij had verwacht een rustig wandelingetje met haar te doen—dat was waarlijk te erg. Gelukkig, of liever ongelukkig, was zij het eerst gereed, zoodat hij een woord met haar kon spreken.

“Ik wist niet dat ge naar de kerk gingt,” zeide hij; “ik dachtdat wij samen een wandeling zouden doen. Waarschijnlijk moet ik morgenochtend vroeg vertrekken.”

“Zoo?” zeide Beatrice koel. “Maar gij hebt, natuurlijk, uw werk dat u wacht. Ik heb Elisabeth gezegd dat ik in de kerk zou komen, dus moet ik het ook doen; en het is te drukkend weer om te wandelen; er broeit onweer.”

Op dat oogenblik kwam Elisabeth binnen.

“Ga je nu mee naar de kerk, Beatrice?” zeide zij. “Vader is al vooruit.”

Beatrice deed alsof zij haar niet hoorde, en dacht even na. Hij zou heengaan, en zij zou hem niet weer zien. Kon zij zich dat laatste uur laten ontglippen? O, dat kon zij niet!

Dit oogenblik van nadenken besliste haar lot.

“Neen,” antwoordde zij langzaam, “ik zal maar niet meegaan; ’t is te warm in de kerk. Mijnheer Bingham zal je wel willen vergezellen.”

Geoffrey haastte zich om te zeggen dat hij dit niet van plan was, en Elisabeth ging alleen. “Ik dacht wel, lievertje, dat je niet mee zoudt gaan!” zeide zij bij zichzelve.

“Welnu,” zeide Geoffrey, toen zij weg was, “zullen wij uitgaan?”

“Mij dunkt, ’t is hier aangenamer,” antwoordde Beatrice.

“O, Beatrice wees niet zoo stroef,” zeide hij, met een zachte stem.

“Nu dan, als gij ’t gaarne wilt,” antwoordde zij. “De zon gaat zoo rood onder—wij krijgen, geloof ik, onweer.”

Zij gingen uit, en wandelden het eenzame strand op. Het was daar geheel verlaten, en zij liepen niet vlak naast elkander en bijna zonder te spreken. De zonsondergang was luisterrijk; groote, goudkleurige wolken dreven uit den gloed in het Westen gestadig landwaarts. De zee was nog stil, maar deed een klagend geloei hooren. De onweerswolken pakten zich samen.

“Welk een heerlijke zonsondergang!” zeide Geoffrey eindelijk.

“Maar een heerlijkheid, die een onstuimigen nacht en een nattenmorgen voorspelt,” antwoordde zij. “De wind steekt op; willen wij terugkeeren?”

“Neen, Beatrice, laten we ons niet aan den wind storen. Ik moet u spreken, als gij ’t mij vergunt.”

“Ja,” zeide Beatrice, “waarover mijnheer Bingham?”

In een geval van dien aard goede voornemens op te vatten is betrekkelijk gemakkelijk, maar ze ten uitvoer te brengen levert nogal moeilijkheden op. Dit ondervond Geoffrey ook, nu het er toe kwam om Beatrice te zeggen dat zij wel zou doen met Owen Davies te trouwen. Intusschen bewaarde zij het stilzwijgen.

“Ziet ge,” begon hij, “ik hoop dat ge ’t mij niet kwalijk zult nemen, maar ik heb veel over u en uw toekomstig welzijn gedacht.”

“Dat is zeer vriendelijk van u,” zeide Beatrice, met kwaadvoorspellende deemoedigheid.

Dit was terneerslaand, maarGeoffrey’sbesluit stond vast en op eenigszins radden toon, uit zenuwachtigheid en tegenzin in zijn taak voortspruitende, ging hij voort. Nooit had hij haar zoo bemind als op dit oogenblik nu hij haar zou aanraden met een ander man te trouwen. En echter volhardde hij in zijn dwaasheid. Want, zooals men meermalen ziet, het schrander doorzicht en de wereldkennis, waardoor Geoffrey zich als rechtsgeleerde onderscheidde, wanneer hij de zaken van anderen behandelde, begaven hem geheel en al in deze crisis van zijn eigen leven en die van het meisje, wier afgod hij was.

“Sedert ik hier geweest ben,” zeide hij, “is mijn hulp niet minder dan driemaal, en door verschillende menschen, ten uwen behoeve ingeroepen—door uw vader, die meent dat gij van liefde voor Owen Davies kwijnt; door Owen Davies, die voorzeker van liefde voorukwijnt, en door den ouden Eduard, als een soort van familiestuk.”

“Zoo!” zeide Beatrice, op ijskouden toon.

“En alle drie drongen op hetzelfde aan—de wenschelijkheid dat gij met Owen Davies zoudt trouwen.”

Beatrice’s gelaat werd doodsbleek, haar lippen trilden en haar oogen vlamden van toorn.

“Werkelijk?” zeide zij.“En hebtgijop dit punt eenigen raad te geven, mijnheer Bingham?”

“Ja, Beatrice, dat heb ik. Ik heb er over nagedacht, en ik geloof—vergeef mij dat ik het zeg—dat, als gij er toe kunt besluiten, gij misschien het best zult doen met hem te trouwen. Hij is geen slecht man, en hij is rijk.”

Zij hadden snel geloopen, en nu waren zij aan de plek als het “Amphitheater” bekend, dezelfde plek, waar Owen, zeven maanden geleden, Beatrice een liefdesverklaring had gedaan.

Beatrice liep langs den vooruitstekenden kant van den rots om, en een eindweegs naar den platten steen in het midden, voordat zij antwoordde. Bittere toorn vervulde haar hart. Zij meende alles te doorzien. Geoffrey wilde van haar af zijn. Hij had in hun vertrouwelijkheid iets gevaarlijks gezien, en die vertrouwelijkheid wilde hij onmogelijk maken door haar tot een huwelijk tegen haar zin over te halen. Eensklaps wendde zij zich tot hem, en zag hem met van toorn vlammende oogen vlak in ’t gelaat; en met een gebiedende fierheid en waardigheid van voorkomen, zooals hij nog nooit van haar gezien had, en die hem letterlijk ontzag inboezemde, zeide zij:

“Beseft gij niet, mijnheer Bingham, dat gij u een groote vrijheid veroorlooft? Beseft gij niet dat een man, die geen nabestaande is, het recht niet heeft zoo tot een vrouw te spreken als gij tot mij gesproken hebt?—kortom, dat gij u aan een grove onbescheidenheid schuldig hebt gemaakt? Welk recht hebt gij mij de wet voor te schrijven met wien ik zal trouwen of niet? Dat is toch zeker mijn eigen zaak.”

Geoffrey kleurde tot over zijn slapen. Scherper dan eenige andere beschuldiging, welke zij tegen hem had kunnen inbrengen, gevoelde hij die van krachtens hun vertrouwelijkheid een ongepaste vrijheid genomen, zich een recht aangematigd te hebben, dat hem niet toekwam.

“Vergeef mij,” zeide hij deemoedig. “Ik kan u slechts verzekeren, dat dit mijn bedoeling niet was. Ik heb—onberedeneerd, vrees ik—gesproken—omdat ik er toe gedreven werd.”

Beatrice nam van zijn woorden geen notitie, maar ging op denzelfden koelen toon voort:

“Welk recht hebt gij met een ouden schipper, met mijnheer Davies, of zelfs met mijn vader, over mijn zaken te spreken? Als ik dat gewild had, zou ik het u gevraagd hebben. Met welk gezag stelt ge u tot tusschenpersoon aan, om een huwelijk tot stand te brengen, dat gij zoo goed zijt in mijn geldelijk belang te achten? Weet gij niet dat dit iets is, waarover alleen de vrouw kan oordeelen, die er in betrokken is, wier geluk en zelfachting er bij op ’t spel staan? Ik heb nog slechts dit te zeggen: ik zeide zooeven dat gij u aan een grove onbescheidenheid hebt schuldig gemaakt. Welnu, ik wil er nog bijvoegen dat er in dit geval omstandigheden zijn, mijnheer Bingham, die het tot een wreede beleediging maken.”

Zij hield met spreken op, en barstte in een hartstochtelijk geween uit. Juist gierde de eerste stormvlaag over hen en verloor zich loeiend in de verte.

Het licht verdween uit de lucht. Nu kon Geoffrey nog slechts de omtrekken van haar weenend gelaat zien. Een oogenblik aarzelde hij, en ook slechts één; toen was de natuur sterker dan de leer, want het volgend oogenblik was zij in zijn armen.

Beatrice bood nauwelijks wederstand. Haar geestkracht scheen haar te begeven, of misschien had zij die in bittere woorden uitgeput. Haar hoofd zonk op zijn schouder, en daar snikte zij onbedwongen. Nu hief zij het hoofd op, en hun lippen ontmoetten elkander in een eersten, langen kus. Daar liep het op uit—en zoo bevorderde Geoffrey het aanzoek van Owen Davies.

“O, ge zijt wreed geweest, zeer wreed!” fluisterde hij haar in ’t oor. “Ge moet wel geweten hebben dat ik u liefhad, Beatrice, dat ik tegen mijzelven was toen ik zoo sprak, en het alleen deed omdat ik het mijn plicht achtte. Ge moet geweten hebben dat ik,tot mijn schande en zonde, u altijd heb liefgehad, dat gij geen uur uit mijn gedachten geweest zijt, dat ik er naar verlangd heb uw lief gelaat te zien, als een zieke naar het licht. Zeg mij, wist ge dat niet, Beatrice?”

“Hoe zou ik het geweten hebben?” antwoorde zij zeer zacht; “ik kon het slechts vermoeden, en als ge mij werkelijk liefhebt, hoe kondet ge dan wenschen dat ik met een ander man zou trouwen? Ik dacht dat ge mijn zwakheid bespeurd hadt en dit middel te baat naamt om mij die te verwijten. O, Geoffrey, wat hebben wij gedaan? Wat is er tusschen u en mij—behalve de liefde?”

“Het zou beter geweest zijn als wij voor goed te zamen verdronken waren,” zeide hij neerslachtig.

“Neen, neen,” antwoordde zij, “want dan zouden wij elkander nooit liefgehad hebben. ’t Is beter eerst te beminnen en dan te sterven.”

“Spreek zoo niet,” zeide hij, “laten we hier gaan zitten en voor ’t oogenblik ten minste gelukkig zijn; morgen is het vroeg genoeg voor zorgen en verdriet.”

En waar Beatrice vroeger een anderen minnaar had afgewezen, zaten zij nu naast elkander op den platten steen, en spraken de gewone taal van een paar verliefden.

Boven hen loeide de opstekende storm, maar door de rotswanden beschut, voelden zij zijn vlagen niet. Vóór hen klotsten de gezwollen golven op het strand, terwijl ver in zee de halve maan, tusschen donkere wolken uit te voorschijn komende, als een boot over de wateren scheen te zweven.

En smaakten zij die verrukking werkelijk, of was het maar een droom? Neen, zij waren daar alleen met hun liefde en liefdes zoet genot, en de volle waarheid werd gezegd en al hun twijfelingen waren opgeheven. Nu was het gedaan met hoop en vrees: nu werd de Rede door de Liefde van den troon gestooten. De Liefde zwaaide haar schepter en opende de poorten van het Paradijs. O, heerlijk zou het zijn in die ure te sterven!

Woed en raas, bulderende storm! Wij kennen het geheim uwer ontbreidelde kracht. Bruist, ziedende golven, valt donderend aan den voet der aarde neder! Wij verstaan dat zieden en bruisen, dat donderend geweld.

Aarde, zee en winden, zingt uw grootsch minnelied. Hemel, Tijd en Ruimte, weergalmt van dien zang! Want het leven heeft ons het antwoord op zijn raadsel toegeroepen! Hart aan hart zitten wij, en lippen aan lippen, en wij zijn wijzer dan Salomo, en rijker dan de rijkste Oostersche vorst, want het geluk is ons deel.

Tot dat doel zijn wij geboren en door alle tijden heen voorbeschikt. Tot dat doel leven wij en sterven wij, om in den dood volkomen vereeniging te vinden. Want hierin bestaat het geheim der wereld, dat de wijzen zoeken en niet kunnen vinden, en hier is ook de poort des Hemels.

Zie mij in de oogen, geliefde, en laat mij in de uwe zien, en hoor toe. De wereld is maar een schijn, en een schaduw is ons vleesch, want waar zij eenmaal waren, zal niets zijn. De Liefde alleen is werkelijk; de Liefde zal blijven totdat alle zonnen geen licht of warmte meer uitstralen, en dan nog zal zij jong zijn.

Kus mij, verwinnaar, want het Noodlot is overwonnen, leed en kommer is voorbij; en het vuur, dat wij op dit aardsch altaar ontstoken hebben, zal nog helder vlammen, als gindsche sterren al hun glans verloren hebben.

Maar ach! woorden kunnen aan zulk een lied geen vorm geven. Muziek?—ook die schiet te kort. Want door die geopende deur komen visioenen en klanken, die niet te beschrijven zijn.

Laat zeggen wie wil, dat dit waanzin is, dat diebovenaardscheheerlijkheid niets anders is dan de razernij van een in zijn wezen zinnelijken hartstocht; maar laat droomers hun droomen. Waarom hebben kinderen dezer wereld dan zulke visioenen als Beatrice en Geoffrey? Waarom verdwijnen hun twijfelingen, en wat is die adem des Hemels, dien zij op hun voorhoofd schijnen te voelen? De bedwelming van aardsche liefde, uit de ontmoeting van jeugd enschoonheid ontstaan. Dat zij zoo! Slaaf, breng nog meer zulken wijn, en drinken wij op de Onsterfelijkheid en op die geliefde oogen, die het gelaat van een hemelgeest afspiegelen.

Zulk een liefde is zeldzaam. Want weinig harten zijn in staat zulk een ware en innige liefde te gevoelen, en zelden ontmoeten twee zulke harten elkander op het levenspad. Weinigen kunnen zoo hoog opgevoerd worden en dien ether lang inademen. Al spoedig hangen de vleugels, welke de Liefde hun in die ure van openbaring verleend heeft, slap, en wie ze geleend hebben, vallen ter aarde, gelukkig nog als zij door den val niet verpletterd worden. Misschien spreiden die vleugels zich nog eenmaal in hun leven over het altaar hunner huwelijksgeloften, of over de lijkbaar van een geliefden afgestorvene. Maar schaarsch zijn die gelegenheden, en weinigen zijn er, die ze kennen.

Zoo zweefden Beatrice enGeoffreyin hooger sfeer, terwijl de storm om hen heen loeide, als een gepast accompagnement van hun onstuimige liefde. En zoo vielen zij ook ter aarde.

“Wij moeten heengaan, Geoffrey,” zeide Beatrice, “het wordt laat. O, Geoffrey, Geoffrey, wat hebben wij gedaan? Wat zal daar het einde van zijn? Het zal ongeluk over u brengen, dat weet ik. Het oude spreekwoord zal bewaarheid worden. Ik heb u het leven gered, om u in het verderf te storten!”

Het was een kenmerk van Beatrice’s karakter, dat zij er reeds aan dacht wat de gevolgen voor Geoffrey, niet voor haar, zouden zijn.

“Beatrice,” sprak Geoffrey, “wij zijn in een wanhopigen toestand. Wilt gij dien trotseeren, en met mij ver van hier, naar de andere zijde van de wereld, gaan?”

“Neen, neen,” antwoordde zij met vuur, “dan zou uw loopbaan gebroken zijn. In welk gedeelte der wereld zoudt gij gaan, waar gij niet bekend zoudt zijn? Bovendien moet gij aan uw vrouw denken. Uw vrouw—wat zou zij wel van mij zeggen? Gij behoort aan haar, gij hebt geen recht haar te verlaten. En Effie! Neen, Geoffrey, neen, ik ben slecht genoeg geweest dat ik u heb leerenbeminnen—o, zooals gij nooit bemind zijt!—als het slecht is iets te doen, wat men niet helpen kan; maar zóó slecht ben ik niet. Loop sneller, Geoffrey; wij komen laat thuis, en zij zullen iets vermoeden.”

Arme Beatrice; gewetenswroeging greep haar aan!

“Wij zijn in een verschrikkelijken toestand,” zeide hij weder. “O, geliefde, ik alleen ben te laken. Ik had niet terug moeten komen.’t Is mijn schuld; en hoewel ik daar nooit aan gedacht heb, ik heb mijn best gedaan u te behagen.”

“En daar dank ik u voor,” antwoordde zij. “Misleid uzelven niet, Geoffrey. Wat er ook gebeurt, o, beloof mij dat gij geen oogenblik zult gelooven dat ik u verweten of gelaakt heb. Waarom zou ik u laken omdat ge mijn liefde hebt gewonnen? Eer zou ik de zee, waarop wij gedreven hebben, moeten laken, het strand, waarop wij gewandeld hebben, het huis, waarin wij woonden, en het Noodlot, dat ons bij elkander bracht. Ik ben trotsch en verheugd u lief te hebben, maar ik ben niet zoo zelfzuchtig dat ik u in ’t ongeluk zou willen storten; Geoffrey—ik zou liever sterven.”

“Spreek zoo niet,” zeide hij, “dat kan ik niet aanhooren. Wat moeten wij doen? Moet ik heengaan en u nimmer wederzien? Hoe kunnen wij zoo leven, Beatrice?”

“Ja, Geoffrey,” antwoordde zij, op diep neerslachtigen toon, terwijl zij hem bij de hand vatte en hem in ’t gelaat zag, “gij moet heengaan en mij in geen jaren wederzien. Dit hebben wij onszelven berokkend, dat is de prijs, dien wij voor het verloopen uur betalen moeten. Morgen moet gij vertrekken, dan zijn wij uit de verzoeking, en ge moet niet terugkomen. Van tijd tot tijd zal ik u schrijven, en misschien gij mij ook, totdat het u te lastig wordt, en dan kunt gij er mee ophouden. En hetzij ge mij vergeet of niet—en o, Geoffrey, dat zult gij, geloof ik, niet—zult gij weten dat ik u nooit zal vergeten—u, wien ik uit de zee heb gered, om mij lief te hebben.”

Er was in haar woorden zoo iets onbeschrijfelijk teeders, vermengd met natuurlijke vrouwelijke hartstochtelijkheid, dat Geoffrey’shart er voor buigen moest. Wat moest hij doen, hoe kon hij haar verlaten? En toch had zij gelijk. Hij moest heengaan, en wel spoedig ook, anders zou zijn kracht hem misschien begeven, en zouden zij te zamen een grens overschrijden, van waar geen terugkeeren meer was.

“De Hemel sta ons bij, Beatrice!” zeide hij. “Morgenochtend vertrek ik, en als ik kan, zal ik wegblijven.”

“Gijmoetwegblijven. Ik wil u niet wederzien. Ik wil geen ongeluk over u brengen, Geoffrey.”

“Ge spreekt van ongeluk over mij te brengen,” hernam hij; “en ge zegt niets van uzelve, en toch is een man, zelfs zoo’n man als ik in mijn eigen oogen ben, beter geschikt om zulk een storm door te staan. Als het mij in het ongeluk stort, hoeveel te meer u dan?”

Zij waren nu aan het hek van de pastorie, en de wind gierde met zulk een geweld door de pijnboomen, dat zij haar lippen dicht aan zijn oor moest houden om haar woorden verstaanbaar te maken.

“Wacht een oogenblik,” zeide zij, “misschien hebt ge mij niet goed begrepen. Wanneer een vrouw doet watikgedaan heb, is het omdat zij met heel haar leven en hart en ziel bemint, omdat dit alles een deel van haar liefde is. Ik voor mij hecht aan niets meer waarde—ik heb geen persoonlijkheid meer zonder u, ik ben niet meer mijzelve, ik behoor mijzelve niet meer toe. Ik behoor geheel en al u toe. Over mijzelve en mijn eigen lot of goeden naam denk ik niet meer; met open oogen en uit vrijen wil, heb ik mij aan mijn liefde voor u overgegeven, en dat heb ik met vreugde gedaan. Maar over u ben ik nog bekommerd, en als ik een stap deed, of toeliet dat gij een stap deedt, die u leed kon berokkenen, zou ik het mijzelve nooit vergeven. Daarom moeten wij scheiden, Geoffrey. En laten wij nu naar binnen gaan; er is niets anders meer te zeggen dan dit: als ge mij een laatst vaarwel wilt zeggen, lieve Geoffrey, zal ik morgenochtend op het strand wachten.”

“Ik vertrek om half negen,” zeide hij, met een heesche stem.

“Dan zullen wij elkaar om zeven uur ontmoeten,” sprak Beatrice, en ging hem voor naar binnen.

Elisabeth en Granger zaten reeds aan het avondeten. Op Zondagavond gebruikten zij dat gewoonlijk te negen uur; nu was het half tien.

“Wel, wel,” zeide de oude heer, “wij begonnen al te denken dat gij samen uit roeien waart gegaan, en dat gij ditmaal voorgoed verdronken waart. Waar zijt gij al dien tijd geweest?”

“We hebben een lange wandeling gedaan,” antwoordde Geoffrey; “ik wist niet dat het al zoo laat was.”

“Men moet al heel veel genoegen in iemands gezelschap vinden, om in zoo’n weer zoo ver te loopen,” merkte Elisabeth boosaardig aan.

“Ikvond dat althans wel,” antwoordde Geoffrey, volkomen naar waarheid, “en het weer is zoo erg niet als ge zoudt denken, ten minste onder de beschutting van de rotsen. Het zal straks wel erger worden.”

Toen gingen zij aanzitten en maakten een wanhopig vertoon van mee te eten. De scherpziende Elisabeth merkte op, dat Geoffrey’s hand beefde. Wat kon nu wel de hand van een sterk man doen beven? was de vraag, die zich aan haar opdeed. Het kon van hevige aandoening zijn, en Elisabeth meende ook nog andere teekenen van aandoening in hen beiden te bespeuren, behalve het beven van Geoffrey’s hand. Het plan werkte goed, maar zou het niet tot een climax gebracht kunnen worden? O, als hij maar de onbezonnenheid beging van met Beatrice weg te loopen, zoodat zij haar kwijt was en vrij haar eigen spel kon spelen!

Kort na het avondeten, gingen Elisabeth en Beatrice naar bed en lieten haar vader met Geoffrey alleen.

“Welnu,” zeide Granger, “hebt gij een woordje met Beatrice gesproken? Het was zeer vriendelijk van u, dat gij daarvoor zoo’n verre wandeling hebt gedaan en dat nog wel bij zulk noodweer.”

“Ja,” antwoordde Geoffrey, “dat heb ik gedaan.”

“Ei zoo! Gij hebt haar, hoop ik, gezegd dat zij de hoop op hem nog niet behoeft op te geven—op mijnheer Davies, bedoel ik?”

“Ja, dat heb ik haar gezegd—het lag er ten minste wel in opgesloten,” liet hij er bij zichzelven op volgen.

“En hoe nam zij het op?”

“Zeer slecht,” antwoordde Geoffrey; “zij scheen van meening te zijn, dat ik mij er niet mee had te bemoeien.”

“Dat is vreemd. Maar het beteekent niets. Zij is er u in haar hart dankbaar voor, daar kunt ge staat op maken, maar zij wilde het zoo niet zeggen. Hemel, wat stormt het! Dat zal een nacht geven! Dus gaat ge morgen heen? Och ja, de beste vrienden moeten eenmaal scheiden. Ik hoop dat ge ons nog dikwijls zult komen bezoeken. Vaarwel!”

Weder kwam het gevoel, hoe belachelijk de toestand eigenlijk was, bij Geoffrey boven, en hij glimlachte bitter, terwijl hij zijn kaars aanstak, om naar bed te gaan. Achter in het huis was een lange gang, aan het eene einde waarvan de kamer was, waar hij logeerde, en aan het andere einde de slaapkamer van Elisabeth en Beatrice. Die gang werd verlicht door twee vensters, en nog twee andere kamers kwamen er in uit—die van Granger, en de kamer waar Effie had geslapen. Er waren geen luiken voor de vensters van die gang, en een oogenblik stond Geoffrey uit te zien naar de flikkering van het weerlicht. Toen wierp hij een blik op de deur van Beatrice’s kamer, met dat eigenaardig gevoel van eerbied, dat soms met verliefdheid gepaard gaat, en met een zucht wendde hij zich om en ging zijn eigen kamer binnen.

Hij kon niet slapen, dat was onmogelijk. Bijna twee uur lang wentelde hij zich van de eene zijde op de andere, en het was alsof zijn hoofd zou bersten. Morgen moest hij haar verlaten, haar voor altijd verlaten, en terugkeeren tot zijn strijd met de wereld, waar geen Beatrice was om hem gelukkig te maken. En zij, hoe was het met haar?

De storm, die een weinig bedaard was, begon nu opnieuw opte steken, door het weerlicht voorafgegaan. Hij stond op, trok eenchambercloakaan, en zat voor het venster uit te zien naar het woeden der natuur, dat zijn gefolterd hart eenige verlichting scheen te geven; in dit smartelijk uur zou nachtelijke stilte hem waanzinnig gemaakt hebben.

Nog acht uur en het zou met werkelijken omgang tusschen hen gedaan zijn. Het geheim zou voor altijd in hun binnenste besloten blijven, en aan hun hart knagen, als de worm, die niet sterft. Geoffrey sloeg de oogen op, met een blik alsof hij in een visioen de verborgenste gedachten zijner ziel voor zijn geliefde uitstortte. Weder overviel hem datzelfde raadselachtige gevoel als in een vroegeren nacht. Al sterker en sterker werd het, al meer en meer bracht het zijn geest in verwarring, totdat hij zich niets meer herinnerde dan Beatrice, niets meer wist dan dat haar leven nu één was met het zijne.

Hij strekte de armen in de ledige lucht uit, en fluisterde: “Beatrice! O, mijn geliefde! mijn ziel, mijn leven! Hoor mij aan, Beatrice!”

Een gierende windvlaag deed op dit oogenblik het huis schudden.

O, wat was dat? Stil werd de deur geopend, en een witte gedaante kwam over den drempel. Hij sprong overeind; schrik en ontzettende verrassing vermeesterden hem. Daar, in het helle schijnsel van het weerlicht, stond zij voor hem—zij, Beatrice, met haar blanke armen uitgestrekt, bloote voeten en loshangend haar; haar boezem zwoegde zacht onder haar nachtgewaad, haar lippen waren half geopend, haar oogen stonden strak, haar gelaat teekende een akelige kalmte.

Groote Hemel, zij sliep!

Stil! zij sprak.

“Ge hebt mij geroepen, Geoffrey,” zeide zij, met een doffe, onnatuurlijke stem. “Ge hebt mij geroepen, geliefde, en—daar ben ik.” Hevig ontsteld, bevend als een espenblad, staarde hij op die bekoorlijke verschijning.

Zie! Zij trad naar hem toe, en zijsliep. O, wat moest hij doen?

Eensklaps deed de tocht de geopende deur met een harden slag dichtvallen. Zij ontwaakte met schrik.

“O, God, waar ben ik?” riep zij uit.

“Stil, om ’s Hemelswil, stil!” antwoordde hij, zijn tegenwoordigheid van geest terugverkrijgende. “Stil, of gij zijt verloren.”

Maar het was niet noodig haar te waarschuwen stil te zijn, want de schok deed Beatrice het bewustzijn verliezen, en bezwijmd zonk zij in zijn armen.

HoofdstukXXIII.Een regenachtige ochtend.De slag van de dichtvallende deur had niet alleen Beatrice doen ontwaken; ook Elisabeth en Granger waren er wakker van geworden. Elisabeth zat in bed overeind, door de duisternis heen, te zien wat er gebeurd was; haar blik viel op Beatrice’s bed—zeker—zeker—Elisabeth stapte het bed uit, sloop als een kat de kamer door en voelde met haar hand op het bed. Beatrice was daar niet. Snel trok zij de blinden open, om bij het weinige licht, dat zij doorlieten, de kamer te doorzoeken. “Beatrice,” riep zij, “waar ben je?”Geen antwoord.“Aha,” zeide Elisabeth; “ik begrijp het. Eindelijk—eindelijk!”Wat zou zij doen? Zou zij haar vader roepen en haar openlijk te schande maken? Neen. Beatrice zou wel terugkomen. Het was genoeg dat zij het wist; daar kon zij, als het noodig was, gebruik van maken. Zij wilde haar zuster niet in ’t verderf storten dan tot zelfverdediging, of liever uit eigenbelang. Nog minderwilde zij Geoffrey kwetsen, tegen wien zij geen wrok had. Dus ging zij de gang in, kwam terug, kroop weer in bed, als een slang in haar hol, en lag op de loer.Granger, die, toen hij den slag hoorde, meende dat de voordeur was opengewaaid, stond op, en stak een kaars aan, om er naar te gaan zien.Maar van dit alles wist Geoffrey niets, en Beatrice, natuurlijk, nog veel minder.Zij lag bewusteloos in zijn armen; haar hoofd rustte op zijn schouder, haar golvend haar hing langs zijn zijde bijna tot aan zijn knie. Hij tilde haar op, raakte met zijn lippen haar voorhoofd aan, en legde haar op het bed. Wat te doen? Haar tot bewustzijn terugbrengen? Neen, dat durfde hij niet—hier niet. Terwijl zij zoo lag, was haar hulpeloosheid haar bescherming; maar als de bewustelooze gedaante weer een levende en minnende vrouw was, hier, en zoo—o, wat dan? Hij durfde haar niet aanraken of naar haar zien, voordat hij zijn besluit had genomen. Hier moest zij niet blijven, en daar zij niet in staat was heen te gaan, moest hij haar wegbrengen, en dat wel oogenblikkelijk. Hoe ver Geoffrey overigens ook, naar den maatstaf van strenge deugd gemeten, te kort schoot, dit zal altijd voor hem pleiten.Hij deed de deur open, en tegelijk meende hij iemand door het huis te hooren loopen. En dat was ook zoo; het was Granger in de huiskamer. Toen hij niets meer hoorde, begreep Geoffrey dat het de wind geweest moest zijn, en op den tast liep hij naar het bed, waar Beatrice doodstil lag. Een oogenblik kwam de ontzettende vrees bij hem op dat zij misschien werkelijk dood was. Hij had wel gehoord van slaapwandelaars, die, als zij plotseling uit hun onnatuurlijken slaap wakker gemaakt worden, slechts ontwaken om te sterven. Dat kon ook met haar het geval zijn. Snel legde hij zijn hand op haar borst. Ja, haar hart klopte nog—wel flauw, maar toch klopte het. Zij was dus alleen maar bezwijmd. Nu draalde hij niet langer, sloeg zijn arm om haar heen, en tilde haar van het bed op, alsof zij een kind was. Beatrice was geenspichtig opgeschoten meisje, maar een volwassen, flink ontwikkelde vrouw. Hij voelde haar zwaarte niet; zij scheen hem zoo licht als een veer toe. Sluipend, als iemand, die op een nachtelijken moord uitgaat, stapte hij met haar naar de deur en de gang in. Toen ondersteunde hij haar met den eenen arm, en deed met de linkerhand de deur dicht. Steelsgewijze liep hij in de duisternis den gang door, zonder dat zijn bloote voeten op den houten vloer gedruisch maakten, totdat hij aan den zijgang kwam.Hij wierp er een angstigen blik in, en wat hij zag, deed het bloed in zijn aderen stollen, want geen acht passen van hem af was Granger, met een blaker in de hand. Wat moest hij beginnen? Naar zijn kamer terugkeeren was onmogelijk—die van Beatrice te bereiken, evenzeer. Daar schoot het hem als een lichtstraal te binnen, dat de ledige kamer geen twee passen van hem af was. Eén schrede, en hij was er. O, waar was de kruk? O, als de kamer eens gesloten was! Gelukkig was dit niet zoo. Hij stapte binnen, deed de deur dicht, en stond er hijgend achter.Het lichtschijnsel kwam nader. Genadige Hemel! hij was gezien—de oude man zou binnenkomen. Wat kon hij zeggen? De waarheid, dat was het eenige; maar wie zou zulk een verhaal gelooven? Kon hij verwachten, dat het geloof zou vinden bij een vader, die een man in het holle van den nacht als een dief achter een deur zag staan, met zijn dochter bewusteloos in zijn armen? Hij had er reeds aan gedacht regelrecht naar Granger toe te gaan, maar dat denkbeeld had hij als hopeloos opgegeven. Hoe zou hij gelooven, dat zijn dochter zoo opeens een slaapwandelaarster was geworden? Voor de eerste maal in zijn leven, was Geoffrey doodelijk bevreesd; zijn haar rees te berge, zijn hart kromp ineen, en het klamme zweet brak hem uit.“’t Is raar,” hoorde hij den ouden man bij zichzelven mompelen, “ik had er bijna op kunnen zweren dat ik iets wits die kamer zag binnengaan. Waar is de kruk? Als ik aan spoken geloofde—hei, daar waait mijn kaars uit! Ik zal een lucifer gaan halen. Zonder licht ga ik daar niet binnen.”Voor ’t oogenblik waren zij gered. De tocht, die door het slecht sluitende venster kwam, had het licht uitgeblazen.Na een oogenblik gewacht te hebben, om Granger tijd te laten naar zijn kamer te gaan, kwam Geoffrey veilig de kamer uit. Gelukkig gaf Beatrice nog geen blijk van terugkeerend bewustzijn. Nog eenige snelle schreden, en hij was aan de deur van haar eigen kamer. Maar nu beving hem een nieuwe vrees. Als Elisabeth ook eens door het huis liep, of alleen maar wakker was? Hij dacht er over, Beatrice aan de deur neder te leggen en haar daar te verlaten, maar dit denkbeeld liet hij varen. Ten eerste, zou haar vader haar kunnen zien, en hoe zou zij dan kunnen verklaren dat zij daar lag? En al vond haar vader haar niet, dan zou de koude zeker kwade gevolgen voor haar hebben. Neen, hij moest het wagen, en dat wel zonder aarzelen, hoewel hij liever tegenover een geschutvuur gestaan zou hebben. De deur stond gelukkig op een kier. Geoffrey stiet ze met zijn voet open, trad binnen, en stiet ze met zijn voet weer dicht. Plotseling bedacht hij, dat hijnooit in die kamer was geweest en niet wist wat het bed van Beatrice was. Hij liep naar het eerste het beste; een zware ademhaling zeide hem dat dit het verkeerde was. In zooverre, ten minste, gerustgesteld dat Elisabeth sliep, liep hij door de donkere kamer naar het tweede bed. Hij legde Beatrice er op, en trok de dekens, die opengeslagen waren, over haar heen. Toen nam hij de vlucht.Aan de deur zag hij Granger met zijn licht verdwijnen en hoorde hem de deur van zijn kamer dichtdoen. Daarna was hij, naar ’t hem toescheen, met twee stappen in de zijne.Hij barstte in een akelig gelach uit; zijn zenuwen waren hevig geschokt. Het geheele tooneel had iets tragisch-komisch. Als zijn politieke tegenstanders, die hem reeds zulk een bitteren haat toedroegen, hem eens zoo van de eene deur naar de andere hadden zien sluipen, met een bewustelooze vrouw in zijn armen—wat zouden zij wel gezegd hebben?Hij hield met lachen op; de vlaag was voorbij—het was niet om te lachen. Toen dacht hij aan dien anderen nacht, voordathij naar Londen terug was gegaan. Het zaad, in dat zonderling uur gestrooid, had gebloeid en vruchten voortgebracht. Wie zou het mogelijk geacht hebben, dat hij Beatrice zoo tot zich had kunnen trekken? Hij had het moeten weten. Als het mogelijk was dat dezelfde woorden, waarin zij haar gevoel uiting had gegeven, juist op hetzelfde oogenblik hem ook in de gedachten waren gekomen, zooals in dien nacht, wat was dan niet mogelijk? Ja, hij had het moeten weten! Het eenige, wat hij in zijn voordeel kon aanvoeren, was dat zijn zelfbedwang hem niet begeven had.Maar hoe zou het met Beatrice gaan? Zou zij weer tot haar bewustzijn komen? Hij dacht het wel, het was maar een bezwijming. Doch als zij uit haar bezwijming ontwaakte, wat zou zij dan doen? Niets onbezonnens, hoopte hij. En wat zou van dat alles het einde zijn? Wie kon dat zeggen? Hoe gelukkig dat haar zuster zoo gerust sliep. Want hij had het niet op Elisabeth begrepen—hij wantrouwde haar.Wel mocht hij haar wantrouwen! Elisabeth’s slaap was als die van een wezel. Zij lachte op dit oogenblik ook, niet luid, maar lang; het was de lach van iemand, die aan de winnende hand is.Zij had hem zien binnenkomen met zijn vracht in zijn armen; zij had hem naar haar bed zien komen en zwaar ademgehaald, om hem te waarschuwen, dat hij zich vergist had. Zij had hem Beatrice op het bed zien leggen; zij had hem hooren zuchten en zien heengaan; niets was haar opmerkzaamheid ontsnapt. Zoodra hij zich uit de kamer verwijderd had, was zij opgestaan en naar Beatrice’s bed geslopen, en bespeurende dat zij in een bezwijming lag, had zij haar maar stil laten liggen, wetende dat er geen gevaar bij was. Elisabeth was volstrekt niet zenuwachtig. Toen had zij geluisterd, totdat eindelijk een diepe zucht aanduidde dat haar zuster weder uit haar bewusteloosheid bijkwam. Kort daarna bleek haar uit Beatrice’s lange en zachte ademhaling, dat haar bezwijming in slaap was overgegaan.De nacht ging voorbij, en eindelijk scheen het daglicht door het venster. Elisabeth, nog altijd op de loer—want zij wilde geenenkel tooneel van een drama, zoo boeiend op zichzelf en zoo gewichtig voor haar belangen, missen, zag haar zuster eensklaps overeind in haar bed zitten en de handen tegen het voorhoofd drukken, alsof zij zich een droom zocht te binnen te roepen. Toen hield Beatrice de handen voor de oogen, en zuchtte diep. Nu zag zij op haar horloge, stond op, dronk een glas water, en kleedde zich.“Zij gaat uit, om haar minnaar te ontmoeten,” dacht Elisabeth, toen zij haar een ouden grijzen regenmantel met kap zag omslaan, want buiten was het nat. “Ik zou er wel bij willen zijn, om dat ook te zien, maar ik heb al genoeg gezien.”Zij geeuwde, en deed alsof zij wakker werd. “Ga je in dien stortregen uit, Beatrice?” vroeg zij, metgeveinsdeverbazing.“Ja, ik heb slecht geslapen en moet wat frissche lucht scheppen,” antwoordde Beatrice, onthutsende en kleurende. “Dat komt zeker van den storm.”“Heeft het zoo gestormd?” zeide Elisabeth, weder geeuwende. “Daar heb ik niets van gehoord—maar terwijl men slaapt, gebeuren er zooveel dingen, waarvan men op het oogenblik niets weet,” voegde zij er slaperig bij, als iemand, die zoo maar losweg iets zegt. “Zorg dat je tijdig genoeg terug bent om van mijnheer Bingham afscheid te nemen; hij vertrekt met den eersten trein, zooals je weet—maar misschien ontmoet je hem wel op je wandeling,” en den schijn aannemende alsof zij nu eerst recht wakker werd, richtte zij zich in haar bed overeind, en vestigde een doorborenden blik op haar zuster.Beatrice gaf geen antwoord; die blik joeg haar schrik aan. O, wat was er gebeurd? Of was alles een droom? Had zij gedroomd dat zij met Geoffrey van aangezicht tot aangezicht in zijn kamer had gestaan, voordat een diepe duisternis haar had overvallen? Of was het een ontzettende waarheid?—en als het een waarheid was, hoe kwam zij dan weer hier? Zij ging naar de provisiekast, nam een stuk brood en at het, want zij had nog een gevoel van flauwheid. Toen gevoelde zij zich beter en ging uit, den kant van het strand op.Het was een gure ochtend. De storm was bedaard; het woei nu nog slechts bij vlagen, met zware regenbuien. De zee was grauw en onstuimig; de branding sloeg met donderend geraas op het strand, en kolommen schuim stoven over de gezonken rotsen. De geheele aarde scheen een woestenij, en het middelpunt van al haar leed was in het gebroken hart van dit meisje.Geoffrey was ook op. Hoe hij het overige van dien nacht had doorgebracht, behoeven wij niet te vragen—alles behalve aangenaam, daar kunnen wij zeker van zijn. Hij hoorde Beatrice de voordeur achter zich dichtdoen, en volgde haar in den regen.Omstreeks een halve mijl ver, vond hij haar op het strand, naar de zee ziende, terwijl een groote zeemeeuw om haar hoofd vloog. Zij wisselden geen woord van begroeting; zij gaven elkaar slechts de hand en zagen elkaar in de oogen.“Kom onder de beschutting van die rots,” zeide hij, en dat deed zij. Zij stond daar met gebogen hoofd, en haar gelaat door de kap verborgen.“Zeg mij wat er gebeurd is,” sprak zij, “Ik heb iets gedroomd, iets ergers dan wat er nog gebeurd is—zeg mij wat het is. Spaar mij niet.”En Geoffrey vertelde haar alles.Toen hij gedaan had, sprak zij weder.“Waarbij moet ik zweren,” zeide zij, “dat ik niet ben wat ge van mij denken moet? Geoffrey, ik zweer bij mijn liefde voor u, dat ik onschuldig ben. Dat ik—o, schande!—van nacht in uw kamer ben gekomen, was buiten mijn wil, buiten mijn weten. Ik ging slapen, ik was afgemat, en verder weet ik niets meer dan dat ik een vreeselijk geweld hoorde en u in een hel licht voor mij zag, waarna alles duisternis was.”“O, Beatrice, wees niet bedroefd,” antwoordde hij. “Ik zag dat ge sliept. Het gebeurde is iets verschrikkelijks, maar ik geloof niet dat iemand ons gezien heeft.”“Dat weet ik niet,” hernam zij. “Elisabeth zag mij van ochtendzoo zonderling aan, en zij ziet alles. Geoffrey, voor mijzelve bekommer ik er mij er niet om. Maar waar ik mij wel om bekommer, is watgijvan mij denken moet? Gij moet gelooven—o! ik kan het niet zeggen. En toch ben ik onschuldig. Nooit, nooit heb ik er aan gedacht. Bij u te komen—zoo—o, ’t is schaamteloos!”“Beatrice, spreek zoo niet. Ik zeg u immers, dat ik het weet. Luister—ik heb u aangetrokken. Ik had niet bedoeld dat gij komen zoudt. Ik dacht niet dat gij zoudt komen, maar ’t ismijnschuld. Luister naar mij, lieve,” en hij zeide haar wat geschreven woorden niet kunnen uitdrukken.Toen hij had uitgesproken, zag zij hem aan met een opgeklaard gelaat; de donkere schaduw van schaamte was er van geweken. “Ik geloof u, Geoffrey,” zeide zij, “omdat ik weet, dat gij dit niet verzonnen hebt om mij te verontschuldigen, want ik heb dat ook gevoeld. Daardoor ziet ge wat ge voor mij zijt. Gij zijt mijn heer en meester en mijn alles. Ik kan u niet weerstaan, al wilde ik het ook. Ik heb geen anderen wil dan den uwen. En beloof mij nu dit op uw woord: laat mij nu buiten uw invloed blijven. Trek mij niet tot u aan, om uw verderf te zijn. Ik maak geen aanspraak; ik heb mijn leven aan uw voeten gelegd, maar zoolang ik eenige kracht heb om er tegen te strijden, zult gij het niet opnemen, tenzij ge het tot uw eigen eer kondet doen, en dat is niet mogelijk. O, wat hadden wij samen gelukkig kunnen zijn, gelukkiger dan man en vrouw meestal zijn, maar dat is ons ontzegd. Wij moeten ons kruis dragen, het vleesch kruisigen; misschien aldus—wie kan dat zeggen?—den geest verheerlijken. Ik ben u veel verschuldigd. Ik heb veel van u geleerd, Geoffrey. Ik heb geleerd weer op een Hiernamaals te hopen. Niets is mij nu meer overgebleven dan dat—en over een uur, de herinnering aan u.“O, waarom zou ik weenen? Dat is ondankbaar, als ik uw liefde bezit—en wat beteekent dit verdriet daar tegenover gesteld? Kus mij, geliefde en ga—en zie mij nimmer weder. Gij zult mij niet vergeten, ik weet dat ge mij uw leven lang niet vergetenzult. Eenmaal misschien—wie weet dat? Zoo niet, welnu dan zal ’t het best zijn te sterven.”’t Is niet goed bij zulk een tooneel als dit langer te verwijlen. ’t Is maar een gebroken hart meer. De wereld breekt op deze of op een andere wijze zooveel harten, dat zij er weinig genoegen in kan vinden op zulke tooneelen van zielsfoltering te staren.Bovendien moeten wij ons niet door onze sympathie laten medesleepen. Geoffrey en Beatrice hadden niet meer dan hun verdiend loon. Wat behoefden zij zich in zulk een toestand te brengen! Zij hadden de gebruiken van hun wereld getrotseerd, en de wereld wreekte zich op hen en hun hartstocht voor elkander. Wat gebeurt den worm, die op den grooten weg wil wroeten? Door wielen verpletterd en door voeten vertrapt te worden is zijn deel. Beatrice en Geoffrey zijn voorbeelden, die een moraal verkondigen. Zoover wij kunnen zien en oordeelen, hadden zij zich niet in die altijd stroomende rivier van menschelijk verdriet behoeven te storten. Laat hen worstelen en verdrinken, en laten degenen, die op den oever staan, uit dat schouwspel wijsheid leeren en geen hand uitsteken om hen te helpen.Geoffrey trok een ring van zijn vinger, en gaf dien aan zijn geliefde. Het was een gladde zilveren ring, die uit het graf van een Romeinsch krijgsman was genomen, en waarop aan de binnenzijde ruw de woorden gegraveerd waren: “Ave atque vale.” Gegroet en vaarwel! Het was een gepast geschenk voor menschen in hun toestand. Beatrice fluisterde bevend, dat zij dien ring op haar hart zou dragen, aan haar vinger kon zij hem niet steken—hij zou herkend kunnen worden.Toen omhelsden zij elkaar driemaal op dat eenzaam strand, eens, als ’t ware, voor vroegere vreugde, eens voor tegenwoordig leed, en eens voor toekomstige hoop, en daarna scheidden zij. Er was geen sprake van latere ontmoetingen—zij gevoelden dat die onmogelijkwaren, althans voor menig jaar. Hoe konden zij elkander als onverschillige bekenden ontmoeten? Daartoe beminden zij elkander te zeer. Het was een laatst afscheid, smartelijker dan het afscheidnemen van een stervende—want de Hoop zit altijd aan het sterfbed—en hier was niets dan verpletterende droefheid.Hij verliet haar, en het geluk was uit zijn leven, evenals het daglicht voor de avondschemering wijkt. Hij had, ten minste, de geestinspanning van zijn werk, dat hem wachtte. Maar Beatrice, arm meisje, wat had zij?Geoffrey verliet haar. Toen hij ongeveer dertig passen ver was, zag hij om, en wierp een laatsten blik op haar. Daar stond, of liever, leunde zij, met haar hand tegen de natte rots, en zag hem met haar heldere grijze oogen na. Zelfs door den stofregen heen, kon hij haar glanzig haar, de afteekening van haar bekoorlijk gelaat en het frissche rood van haar lippen zien. Zij wenkte hem voort te gaan. Dat deed hij, maar toen hij honderd schreden verder was, zag hij nog eens om. Daar stond zij nog, maar nu was haar gelaat niet meer te onderscheiden, en de groote zeemeeuw vloog weder om haar hoofd.Toen verborg de nevel haar geheel en al.Ach, Beatrice, met al uw verstand hebt gij nooit die eenvoudige beginselen kunnen leeren, die voor het geluk der vrouw zoo noodzakelijk zijn; beginselen door duizend geslachten van onbeschaafde en half beschaafde voorzaten van het eene op het andere overgeërfd. Den toestand te nemen zooals hij is, en zich aan de eischen van dien toestand te houden, dat is de gulden regel tot welzijn. Steek de hand niet verder uit dan gij die weer terug kunt trekken, ten minste niet voordat gij volkomen zeker zijt dat het voorwerp in uw bereik is. Indien gij bij ongeluk, of door de gramschap van het Noodlot, begaafd zijt met die sterker eigenschappen, die u tot zelfopofferende liefde in staat stellen, houd zein uw hart verborgen; laat er niets van aan de wereld blijken. De wereld gelooft er niet aan; zij zijn zelfs onzedelijk. Wat de wereld, en zeer terecht, van u verlangt, is stille huiselijkheid van karakter, geen tentoonspreiding van hoedanigheden, die, al mogen zij u geschikt maken voor de heldin van een Grieksch treurspel, u in onzen tijd waarschijnlijk slechts aan verguizing zullen blootstellen.Beatrice, de wereld kan met Lady Honoria sympathiseren, maar metuniet.

De slag van de dichtvallende deur had niet alleen Beatrice doen ontwaken; ook Elisabeth en Granger waren er wakker van geworden. Elisabeth zat in bed overeind, door de duisternis heen, te zien wat er gebeurd was; haar blik viel op Beatrice’s bed—zeker—zeker—

Elisabeth stapte het bed uit, sloop als een kat de kamer door en voelde met haar hand op het bed. Beatrice was daar niet. Snel trok zij de blinden open, om bij het weinige licht, dat zij doorlieten, de kamer te doorzoeken. “Beatrice,” riep zij, “waar ben je?”

Geen antwoord.

“Aha,” zeide Elisabeth; “ik begrijp het. Eindelijk—eindelijk!”

Wat zou zij doen? Zou zij haar vader roepen en haar openlijk te schande maken? Neen. Beatrice zou wel terugkomen. Het was genoeg dat zij het wist; daar kon zij, als het noodig was, gebruik van maken. Zij wilde haar zuster niet in ’t verderf storten dan tot zelfverdediging, of liever uit eigenbelang. Nog minderwilde zij Geoffrey kwetsen, tegen wien zij geen wrok had. Dus ging zij de gang in, kwam terug, kroop weer in bed, als een slang in haar hol, en lag op de loer.

Granger, die, toen hij den slag hoorde, meende dat de voordeur was opengewaaid, stond op, en stak een kaars aan, om er naar te gaan zien.

Maar van dit alles wist Geoffrey niets, en Beatrice, natuurlijk, nog veel minder.

Zij lag bewusteloos in zijn armen; haar hoofd rustte op zijn schouder, haar golvend haar hing langs zijn zijde bijna tot aan zijn knie. Hij tilde haar op, raakte met zijn lippen haar voorhoofd aan, en legde haar op het bed. Wat te doen? Haar tot bewustzijn terugbrengen? Neen, dat durfde hij niet—hier niet. Terwijl zij zoo lag, was haar hulpeloosheid haar bescherming; maar als de bewustelooze gedaante weer een levende en minnende vrouw was, hier, en zoo—o, wat dan? Hij durfde haar niet aanraken of naar haar zien, voordat hij zijn besluit had genomen. Hier moest zij niet blijven, en daar zij niet in staat was heen te gaan, moest hij haar wegbrengen, en dat wel oogenblikkelijk. Hoe ver Geoffrey overigens ook, naar den maatstaf van strenge deugd gemeten, te kort schoot, dit zal altijd voor hem pleiten.

Hij deed de deur open, en tegelijk meende hij iemand door het huis te hooren loopen. En dat was ook zoo; het was Granger in de huiskamer. Toen hij niets meer hoorde, begreep Geoffrey dat het de wind geweest moest zijn, en op den tast liep hij naar het bed, waar Beatrice doodstil lag. Een oogenblik kwam de ontzettende vrees bij hem op dat zij misschien werkelijk dood was. Hij had wel gehoord van slaapwandelaars, die, als zij plotseling uit hun onnatuurlijken slaap wakker gemaakt worden, slechts ontwaken om te sterven. Dat kon ook met haar het geval zijn. Snel legde hij zijn hand op haar borst. Ja, haar hart klopte nog—wel flauw, maar toch klopte het. Zij was dus alleen maar bezwijmd. Nu draalde hij niet langer, sloeg zijn arm om haar heen, en tilde haar van het bed op, alsof zij een kind was. Beatrice was geenspichtig opgeschoten meisje, maar een volwassen, flink ontwikkelde vrouw. Hij voelde haar zwaarte niet; zij scheen hem zoo licht als een veer toe. Sluipend, als iemand, die op een nachtelijken moord uitgaat, stapte hij met haar naar de deur en de gang in. Toen ondersteunde hij haar met den eenen arm, en deed met de linkerhand de deur dicht. Steelsgewijze liep hij in de duisternis den gang door, zonder dat zijn bloote voeten op den houten vloer gedruisch maakten, totdat hij aan den zijgang kwam.

Hij wierp er een angstigen blik in, en wat hij zag, deed het bloed in zijn aderen stollen, want geen acht passen van hem af was Granger, met een blaker in de hand. Wat moest hij beginnen? Naar zijn kamer terugkeeren was onmogelijk—die van Beatrice te bereiken, evenzeer. Daar schoot het hem als een lichtstraal te binnen, dat de ledige kamer geen twee passen van hem af was. Eén schrede, en hij was er. O, waar was de kruk? O, als de kamer eens gesloten was! Gelukkig was dit niet zoo. Hij stapte binnen, deed de deur dicht, en stond er hijgend achter.

Het lichtschijnsel kwam nader. Genadige Hemel! hij was gezien—de oude man zou binnenkomen. Wat kon hij zeggen? De waarheid, dat was het eenige; maar wie zou zulk een verhaal gelooven? Kon hij verwachten, dat het geloof zou vinden bij een vader, die een man in het holle van den nacht als een dief achter een deur zag staan, met zijn dochter bewusteloos in zijn armen? Hij had er reeds aan gedacht regelrecht naar Granger toe te gaan, maar dat denkbeeld had hij als hopeloos opgegeven. Hoe zou hij gelooven, dat zijn dochter zoo opeens een slaapwandelaarster was geworden? Voor de eerste maal in zijn leven, was Geoffrey doodelijk bevreesd; zijn haar rees te berge, zijn hart kromp ineen, en het klamme zweet brak hem uit.

“’t Is raar,” hoorde hij den ouden man bij zichzelven mompelen, “ik had er bijna op kunnen zweren dat ik iets wits die kamer zag binnengaan. Waar is de kruk? Als ik aan spoken geloofde—hei, daar waait mijn kaars uit! Ik zal een lucifer gaan halen. Zonder licht ga ik daar niet binnen.”

Voor ’t oogenblik waren zij gered. De tocht, die door het slecht sluitende venster kwam, had het licht uitgeblazen.

Na een oogenblik gewacht te hebben, om Granger tijd te laten naar zijn kamer te gaan, kwam Geoffrey veilig de kamer uit. Gelukkig gaf Beatrice nog geen blijk van terugkeerend bewustzijn. Nog eenige snelle schreden, en hij was aan de deur van haar eigen kamer. Maar nu beving hem een nieuwe vrees. Als Elisabeth ook eens door het huis liep, of alleen maar wakker was? Hij dacht er over, Beatrice aan de deur neder te leggen en haar daar te verlaten, maar dit denkbeeld liet hij varen. Ten eerste, zou haar vader haar kunnen zien, en hoe zou zij dan kunnen verklaren dat zij daar lag? En al vond haar vader haar niet, dan zou de koude zeker kwade gevolgen voor haar hebben. Neen, hij moest het wagen, en dat wel zonder aarzelen, hoewel hij liever tegenover een geschutvuur gestaan zou hebben. De deur stond gelukkig op een kier. Geoffrey stiet ze met zijn voet open, trad binnen, en stiet ze met zijn voet weer dicht. Plotseling bedacht hij, dat hijnooit in die kamer was geweest en niet wist wat het bed van Beatrice was. Hij liep naar het eerste het beste; een zware ademhaling zeide hem dat dit het verkeerde was. In zooverre, ten minste, gerustgesteld dat Elisabeth sliep, liep hij door de donkere kamer naar het tweede bed. Hij legde Beatrice er op, en trok de dekens, die opengeslagen waren, over haar heen. Toen nam hij de vlucht.

Aan de deur zag hij Granger met zijn licht verdwijnen en hoorde hem de deur van zijn kamer dichtdoen. Daarna was hij, naar ’t hem toescheen, met twee stappen in de zijne.

Hij barstte in een akelig gelach uit; zijn zenuwen waren hevig geschokt. Het geheele tooneel had iets tragisch-komisch. Als zijn politieke tegenstanders, die hem reeds zulk een bitteren haat toedroegen, hem eens zoo van de eene deur naar de andere hadden zien sluipen, met een bewustelooze vrouw in zijn armen—wat zouden zij wel gezegd hebben?

Hij hield met lachen op; de vlaag was voorbij—het was niet om te lachen. Toen dacht hij aan dien anderen nacht, voordathij naar Londen terug was gegaan. Het zaad, in dat zonderling uur gestrooid, had gebloeid en vruchten voortgebracht. Wie zou het mogelijk geacht hebben, dat hij Beatrice zoo tot zich had kunnen trekken? Hij had het moeten weten. Als het mogelijk was dat dezelfde woorden, waarin zij haar gevoel uiting had gegeven, juist op hetzelfde oogenblik hem ook in de gedachten waren gekomen, zooals in dien nacht, wat was dan niet mogelijk? Ja, hij had het moeten weten! Het eenige, wat hij in zijn voordeel kon aanvoeren, was dat zijn zelfbedwang hem niet begeven had.

Maar hoe zou het met Beatrice gaan? Zou zij weer tot haar bewustzijn komen? Hij dacht het wel, het was maar een bezwijming. Doch als zij uit haar bezwijming ontwaakte, wat zou zij dan doen? Niets onbezonnens, hoopte hij. En wat zou van dat alles het einde zijn? Wie kon dat zeggen? Hoe gelukkig dat haar zuster zoo gerust sliep. Want hij had het niet op Elisabeth begrepen—hij wantrouwde haar.

Wel mocht hij haar wantrouwen! Elisabeth’s slaap was als die van een wezel. Zij lachte op dit oogenblik ook, niet luid, maar lang; het was de lach van iemand, die aan de winnende hand is.

Zij had hem zien binnenkomen met zijn vracht in zijn armen; zij had hem naar haar bed zien komen en zwaar ademgehaald, om hem te waarschuwen, dat hij zich vergist had. Zij had hem Beatrice op het bed zien leggen; zij had hem hooren zuchten en zien heengaan; niets was haar opmerkzaamheid ontsnapt. Zoodra hij zich uit de kamer verwijderd had, was zij opgestaan en naar Beatrice’s bed geslopen, en bespeurende dat zij in een bezwijming lag, had zij haar maar stil laten liggen, wetende dat er geen gevaar bij was. Elisabeth was volstrekt niet zenuwachtig. Toen had zij geluisterd, totdat eindelijk een diepe zucht aanduidde dat haar zuster weder uit haar bewusteloosheid bijkwam. Kort daarna bleek haar uit Beatrice’s lange en zachte ademhaling, dat haar bezwijming in slaap was overgegaan.

De nacht ging voorbij, en eindelijk scheen het daglicht door het venster. Elisabeth, nog altijd op de loer—want zij wilde geenenkel tooneel van een drama, zoo boeiend op zichzelf en zoo gewichtig voor haar belangen, missen, zag haar zuster eensklaps overeind in haar bed zitten en de handen tegen het voorhoofd drukken, alsof zij zich een droom zocht te binnen te roepen. Toen hield Beatrice de handen voor de oogen, en zuchtte diep. Nu zag zij op haar horloge, stond op, dronk een glas water, en kleedde zich.

“Zij gaat uit, om haar minnaar te ontmoeten,” dacht Elisabeth, toen zij haar een ouden grijzen regenmantel met kap zag omslaan, want buiten was het nat. “Ik zou er wel bij willen zijn, om dat ook te zien, maar ik heb al genoeg gezien.”

Zij geeuwde, en deed alsof zij wakker werd. “Ga je in dien stortregen uit, Beatrice?” vroeg zij, metgeveinsdeverbazing.

“Ja, ik heb slecht geslapen en moet wat frissche lucht scheppen,” antwoordde Beatrice, onthutsende en kleurende. “Dat komt zeker van den storm.”

“Heeft het zoo gestormd?” zeide Elisabeth, weder geeuwende. “Daar heb ik niets van gehoord—maar terwijl men slaapt, gebeuren er zooveel dingen, waarvan men op het oogenblik niets weet,” voegde zij er slaperig bij, als iemand, die zoo maar losweg iets zegt. “Zorg dat je tijdig genoeg terug bent om van mijnheer Bingham afscheid te nemen; hij vertrekt met den eersten trein, zooals je weet—maar misschien ontmoet je hem wel op je wandeling,” en den schijn aannemende alsof zij nu eerst recht wakker werd, richtte zij zich in haar bed overeind, en vestigde een doorborenden blik op haar zuster.

Beatrice gaf geen antwoord; die blik joeg haar schrik aan. O, wat was er gebeurd? Of was alles een droom? Had zij gedroomd dat zij met Geoffrey van aangezicht tot aangezicht in zijn kamer had gestaan, voordat een diepe duisternis haar had overvallen? Of was het een ontzettende waarheid?—en als het een waarheid was, hoe kwam zij dan weer hier? Zij ging naar de provisiekast, nam een stuk brood en at het, want zij had nog een gevoel van flauwheid. Toen gevoelde zij zich beter en ging uit, den kant van het strand op.

Het was een gure ochtend. De storm was bedaard; het woei nu nog slechts bij vlagen, met zware regenbuien. De zee was grauw en onstuimig; de branding sloeg met donderend geraas op het strand, en kolommen schuim stoven over de gezonken rotsen. De geheele aarde scheen een woestenij, en het middelpunt van al haar leed was in het gebroken hart van dit meisje.

Geoffrey was ook op. Hoe hij het overige van dien nacht had doorgebracht, behoeven wij niet te vragen—alles behalve aangenaam, daar kunnen wij zeker van zijn. Hij hoorde Beatrice de voordeur achter zich dichtdoen, en volgde haar in den regen.

Omstreeks een halve mijl ver, vond hij haar op het strand, naar de zee ziende, terwijl een groote zeemeeuw om haar hoofd vloog. Zij wisselden geen woord van begroeting; zij gaven elkaar slechts de hand en zagen elkaar in de oogen.

“Kom onder de beschutting van die rots,” zeide hij, en dat deed zij. Zij stond daar met gebogen hoofd, en haar gelaat door de kap verborgen.

“Zeg mij wat er gebeurd is,” sprak zij, “Ik heb iets gedroomd, iets ergers dan wat er nog gebeurd is—zeg mij wat het is. Spaar mij niet.”

En Geoffrey vertelde haar alles.

Toen hij gedaan had, sprak zij weder.

“Waarbij moet ik zweren,” zeide zij, “dat ik niet ben wat ge van mij denken moet? Geoffrey, ik zweer bij mijn liefde voor u, dat ik onschuldig ben. Dat ik—o, schande!—van nacht in uw kamer ben gekomen, was buiten mijn wil, buiten mijn weten. Ik ging slapen, ik was afgemat, en verder weet ik niets meer dan dat ik een vreeselijk geweld hoorde en u in een hel licht voor mij zag, waarna alles duisternis was.”

“O, Beatrice, wees niet bedroefd,” antwoordde hij. “Ik zag dat ge sliept. Het gebeurde is iets verschrikkelijks, maar ik geloof niet dat iemand ons gezien heeft.”

“Dat weet ik niet,” hernam zij. “Elisabeth zag mij van ochtendzoo zonderling aan, en zij ziet alles. Geoffrey, voor mijzelve bekommer ik er mij er niet om. Maar waar ik mij wel om bekommer, is watgijvan mij denken moet? Gij moet gelooven—o! ik kan het niet zeggen. En toch ben ik onschuldig. Nooit, nooit heb ik er aan gedacht. Bij u te komen—zoo—o, ’t is schaamteloos!”

“Beatrice, spreek zoo niet. Ik zeg u immers, dat ik het weet. Luister—ik heb u aangetrokken. Ik had niet bedoeld dat gij komen zoudt. Ik dacht niet dat gij zoudt komen, maar ’t ismijnschuld. Luister naar mij, lieve,” en hij zeide haar wat geschreven woorden niet kunnen uitdrukken.

Toen hij had uitgesproken, zag zij hem aan met een opgeklaard gelaat; de donkere schaduw van schaamte was er van geweken. “Ik geloof u, Geoffrey,” zeide zij, “omdat ik weet, dat gij dit niet verzonnen hebt om mij te verontschuldigen, want ik heb dat ook gevoeld. Daardoor ziet ge wat ge voor mij zijt. Gij zijt mijn heer en meester en mijn alles. Ik kan u niet weerstaan, al wilde ik het ook. Ik heb geen anderen wil dan den uwen. En beloof mij nu dit op uw woord: laat mij nu buiten uw invloed blijven. Trek mij niet tot u aan, om uw verderf te zijn. Ik maak geen aanspraak; ik heb mijn leven aan uw voeten gelegd, maar zoolang ik eenige kracht heb om er tegen te strijden, zult gij het niet opnemen, tenzij ge het tot uw eigen eer kondet doen, en dat is niet mogelijk. O, wat hadden wij samen gelukkig kunnen zijn, gelukkiger dan man en vrouw meestal zijn, maar dat is ons ontzegd. Wij moeten ons kruis dragen, het vleesch kruisigen; misschien aldus—wie kan dat zeggen?—den geest verheerlijken. Ik ben u veel verschuldigd. Ik heb veel van u geleerd, Geoffrey. Ik heb geleerd weer op een Hiernamaals te hopen. Niets is mij nu meer overgebleven dan dat—en over een uur, de herinnering aan u.

“O, waarom zou ik weenen? Dat is ondankbaar, als ik uw liefde bezit—en wat beteekent dit verdriet daar tegenover gesteld? Kus mij, geliefde en ga—en zie mij nimmer weder. Gij zult mij niet vergeten, ik weet dat ge mij uw leven lang niet vergetenzult. Eenmaal misschien—wie weet dat? Zoo niet, welnu dan zal ’t het best zijn te sterven.”

’t Is niet goed bij zulk een tooneel als dit langer te verwijlen. ’t Is maar een gebroken hart meer. De wereld breekt op deze of op een andere wijze zooveel harten, dat zij er weinig genoegen in kan vinden op zulke tooneelen van zielsfoltering te staren.

Bovendien moeten wij ons niet door onze sympathie laten medesleepen. Geoffrey en Beatrice hadden niet meer dan hun verdiend loon. Wat behoefden zij zich in zulk een toestand te brengen! Zij hadden de gebruiken van hun wereld getrotseerd, en de wereld wreekte zich op hen en hun hartstocht voor elkander. Wat gebeurt den worm, die op den grooten weg wil wroeten? Door wielen verpletterd en door voeten vertrapt te worden is zijn deel. Beatrice en Geoffrey zijn voorbeelden, die een moraal verkondigen. Zoover wij kunnen zien en oordeelen, hadden zij zich niet in die altijd stroomende rivier van menschelijk verdriet behoeven te storten. Laat hen worstelen en verdrinken, en laten degenen, die op den oever staan, uit dat schouwspel wijsheid leeren en geen hand uitsteken om hen te helpen.

Geoffrey trok een ring van zijn vinger, en gaf dien aan zijn geliefde. Het was een gladde zilveren ring, die uit het graf van een Romeinsch krijgsman was genomen, en waarop aan de binnenzijde ruw de woorden gegraveerd waren: “Ave atque vale.” Gegroet en vaarwel! Het was een gepast geschenk voor menschen in hun toestand. Beatrice fluisterde bevend, dat zij dien ring op haar hart zou dragen, aan haar vinger kon zij hem niet steken—hij zou herkend kunnen worden.

Toen omhelsden zij elkaar driemaal op dat eenzaam strand, eens, als ’t ware, voor vroegere vreugde, eens voor tegenwoordig leed, en eens voor toekomstige hoop, en daarna scheidden zij. Er was geen sprake van latere ontmoetingen—zij gevoelden dat die onmogelijkwaren, althans voor menig jaar. Hoe konden zij elkander als onverschillige bekenden ontmoeten? Daartoe beminden zij elkander te zeer. Het was een laatst afscheid, smartelijker dan het afscheidnemen van een stervende—want de Hoop zit altijd aan het sterfbed—en hier was niets dan verpletterende droefheid.

Hij verliet haar, en het geluk was uit zijn leven, evenals het daglicht voor de avondschemering wijkt. Hij had, ten minste, de geestinspanning van zijn werk, dat hem wachtte. Maar Beatrice, arm meisje, wat had zij?

Geoffrey verliet haar. Toen hij ongeveer dertig passen ver was, zag hij om, en wierp een laatsten blik op haar. Daar stond, of liever, leunde zij, met haar hand tegen de natte rots, en zag hem met haar heldere grijze oogen na. Zelfs door den stofregen heen, kon hij haar glanzig haar, de afteekening van haar bekoorlijk gelaat en het frissche rood van haar lippen zien. Zij wenkte hem voort te gaan. Dat deed hij, maar toen hij honderd schreden verder was, zag hij nog eens om. Daar stond zij nog, maar nu was haar gelaat niet meer te onderscheiden, en de groote zeemeeuw vloog weder om haar hoofd.

Toen verborg de nevel haar geheel en al.

Ach, Beatrice, met al uw verstand hebt gij nooit die eenvoudige beginselen kunnen leeren, die voor het geluk der vrouw zoo noodzakelijk zijn; beginselen door duizend geslachten van onbeschaafde en half beschaafde voorzaten van het eene op het andere overgeërfd. Den toestand te nemen zooals hij is, en zich aan de eischen van dien toestand te houden, dat is de gulden regel tot welzijn. Steek de hand niet verder uit dan gij die weer terug kunt trekken, ten minste niet voordat gij volkomen zeker zijt dat het voorwerp in uw bereik is. Indien gij bij ongeluk, of door de gramschap van het Noodlot, begaafd zijt met die sterker eigenschappen, die u tot zelfopofferende liefde in staat stellen, houd zein uw hart verborgen; laat er niets van aan de wereld blijken. De wereld gelooft er niet aan; zij zijn zelfs onzedelijk. Wat de wereld, en zeer terecht, van u verlangt, is stille huiselijkheid van karakter, geen tentoonspreiding van hoedanigheden, die, al mogen zij u geschikt maken voor de heldin van een Grieksch treurspel, u in onzen tijd waarschijnlijk slechts aan verguizing zullen blootstellen.

Beatrice, de wereld kan met Lady Honoria sympathiseren, maar metuniet.


Back to IndexNext