Hoofdstuk XXIV.

Hoofdstuk XXIV.Lady Honoria trekt te velde.Geoffrey spoedde zich naar de pastorie, om zijn bagage te halen en afscheid te nemen. Hij had geen tijd om te ontbijten, en daar was hij blijde om, want het zou hem niet mogelijk geweest zijn te eten. Hij vond Elisabeth en haar vader in de huiskamer.“Waar zijt ge in dat natte weer geweest, mijnheer Bingham?” vroeg Granger.“Ik heb met Miss Beatrice een wandeling gedaan; zij komt door het dorp terug,” antwoordde hij. “Ik geef niet om den regen, en ik wilde nog wat versche lucht scheppen, eer ik naar den tredmolen terugga. Dank u—alleen maar een kop thee—onderweg zal ik wel wat eten.”“Wat is dat vriendelijk van hem!” dacht Granger; “hij heeft Beatrice zeker nog eens over Owen Davies gesproken.”“Zeg, mijnheer Bingham,” wendde hij zich weder tot hem, “hebt gij van nacht ook iets door het huis hooren bewegen, toen de storm op ’t hevigst was? Eerst werd er een deur met zooveel geweld dichtgeslagen, dat ik opstond om te zien wat het was, en toen ik de gang doorliep, had ik er wel op kunnen zweren, dat ik iets wits de ongebruikte logeerkamer zag binnengaan. Maar mijn kaars woeiuit, en eer ik weer licht had aangestoken, was er niets meer te zien.”“Dat heeft bizonder veel van een geestverschijning,” antwoordde Geoffrey onverschillig; maar hij wist, dat die geest hem nog menigen dag zou verschijnen.“Dat is toch raar,” viel Elisabeth levendig in, haar oogen scherp op hem vestigende. “Weet gij wel, dat ik mij verbeeld heb de deur van onze kamer tweemaal op een geheimzinnige wijze te hebben zien open- en dichtdoen? Ik geloof dat Beatrice er iets mede te maken heeft; zij kan zoo zonderling wezen.”Geoffrey bewoog geen spier van zijn gelaat; hij was er in geoefend het in bedwang te houden. Maar hij had wel willen weten hoeveel zij eigenlijk wist. Intusschen moest zij tot zwijgen gebracht worden.“Neem mij niet kwalijk dat ik over iets anders spreek,” zeide hij, “maar ik heb geen tijd om over ‘De geestverschijning in de pastorie’ te spreken. A propos, dat zou een mooie titel zijn. Ik geloof, mijnheer Granger, dat ik in het bijzijn van Miss Elisabeth wel over zaken kan spreken?”“Wel zeker, mijnheer Bingham,” antwoordde Granger, “Elisabeth is mijn rechterhand, en er is in Bryngelly niemand, die zulk een goed hoofd voor zaken heeft als zij.”“Ik wilde alleen dit zeggen,” ging Geoffrey voort. “Als gij door de slechte betaling van uw tienden verder in ongelegenheid mocht komen, meld het mij dan. Ik zal altijd bereid zijn u te helpen, als ik kan. En nu moet ik weg.”Hij sprak zoo om twee redenen. Ten eerste, wat zeer natuurlijk was, wilde hij Beatrice voor den druk van armoede beschermen, en hij wist wel dat het vruchteloos zou zijn haar rechtstreeksche hulp aan te bieden. Ten tweede, wilde hij Elisabeth toonen dat het niet in het voordeel van het gezin zou zijn, met hem te twisten. Dit zou haar misschien bewegen er van te zwijgen als zij een geest gezienhad. Hij wist niet, dat zij een veel hooger spel voor zichzelve speelde, een spel waarbij duizenden ’s jaars te winnen waren, en dat zij bovendien razend jaloersch was, wat bij zulk een vrouw voor liefde moet doorgaan.Elisabeth zeide op dat aanbod niets, en voordat Granger zijn dank kon betuigen, was Geoffrey weg.Drie weken verliepen, en Elisabeth speelde haar kaart nog niet uit. Beatrice verrichtte haar dagelijksche werkzaamheden, bleek en neerslachtig. Elisabeth sprak haar geen woord toe, in een zin, die vermoeden bij haar kon wekken, en de spookgeschiedenis was, of scheen althans, nagenoeg vergeten. Maar eindelijk gebeurde er iets, dat Elisabeth deed besluiten haar slag te slaan. Op zekeren dag ontmoette zij Owen Davies, die met al de manieren van een half onwijze, zooals hij in den laatsten tijd had aangenomen, langs het strand wandelde. Hij bleef staan, en begon dadelijk een gesprek met haar.“Ik kan het niet langer uithouden,” zeide hij, zijn armen woest omhoog slaande. “Ik heb haar gisteren gezien, en zij scheepte mij af voordat ik een woord kon spreken. Ik heb om geduld gebeden, en dat wil niet komen; doch een stem scheen mij te zeggen, dat ik nog tien dagen moest wachten, tien dagen maar, en dat dan Beatrice, mijn schoone Beatrice, eindelijk mijn vrouw zou worden.”“Als gij zoo voortgaat, mijnheer Davies,” voegde Elisabeth hem scherp toe, met een hart vol wrevelige jaloezie, “zal het niet lang duren of ge zijt volslagen gek. Schaamt ge u niet zooveel beweging te maken over een lief gezichtje? Als ge volstrekt wilt trouwen, trouw dan met iemand anders.”“Met iemand anders trouwen,” zeide hij droomerig; “ik zou niet weten met wie ik anders zou moeten trouwen, ofgijzoudt het moeten zijn, en gij zijt Beatrice niet.”“Neen,” antwoordde Elisabeth toornig: “ik hoop dat ik meer verstand heb dan zij, en als ge met mij wildet trouwen, zoudt ge het heel anders moeten aanleggen. Ik ben, Goddank, Beatrice niet, maar ik ben haar zuster, en ik waarschuw u, dat ik meer van haar weet dan gij. Als vriendin waarschuw ik u, voorzichtig te zijn. Gesteld eens, dat Beatrice u niet waardig was, zoudt gij dan toch met haar willen trouwen?”Owen Davies was eigenlijk in zijn hart wel wat bang voor Elisabeth, evenals de meeste menschen, die het voorrecht hadden haar te kennen. Ook was hij zoo dom niet, of hij vermoedde wel eenigszins, dat Elisabeth iets in haar schild voerde, wat, wist hij niet.“Neen, natuurlijk niet,” zeide hij. “Natuurlijk zou ik niet met haar trouwen, als zij niet geschikt was om mijn vrouw te worden—maar dat moet ik eerst weten, voordat ik er van spreek met iemand anders te trouwen. Goeden middag, Miss Elisabeth. Het zal nu spoedig beslist zijn; zoo kan het niet langer voortgaan. Mijn gebeden zullen verhoord worden, dat weet ik.”“Daar heb je gelijk in, Owen,” dacht Elisabeth, terwijl zij hem met onbeschrijfelijke bitterheid, om niet te zeggen, verachting, nazag. “Je gebeden zullen verhoord worden op een manier, die je zal verbazen. Je zult niet met Beatrice trouwen, maar metmij. De visch is lang genoeg aan den haak geweest, nu moet ik beginnen op te halen.”Wat zonderling was, nooit kwam het bij Elisabeth op, dat Beatrice zelve wel de ware hinderpaal kon zijn tegen het huwelijk dat zij wilde beletten. Zij wist dat haar zuster veel van Geoffrey Bingham hield, maar dat zij, als het er op aankwam, zulk een schitterende toekomst voor haar liefde zou opofferen, geloofde zij geen oogenblik. Natuurlijk achtte zij het wel mogelijk, als Beatrice Geoffrey kon bezitten, dat zij hem de voorkeur zou geven, maar nu dit eenmaal niet kon, hield Elisabeth zich overtuigd, naar haar eigen lagen maatstaf oordeelende, dat zij Owen toch wel zou nemen. Het kwam haar niet denkbaar voor, dat wat zoo kostelijk in haar eigen oogen was, in die van haar zuster zonder waarde, ja zelfs hatelijk kon zijn. Wat dat nachtelijk avontuurtjebetrof, dat had met haar huwelijk niets te maken. Men vergeet zoo iets als men trouwt, soms trouwt men zelfs om zoo iets te vergeten.Ja, zij moest haar slag slaan—maar hoe? Elisabeth had ook zoo haar eigen begrippen. Zij zag er geen bezwaar in, haar zuster en vermeende medeminnares in ’t verderf te storten, maar zij zou er veel liever bij de daad niet den naam van hebben. Natuurlijk,als het tot het ergste kwam, moest zij het doen. Was er geen ander voor te vinden—iemand, die het niet uit wraak, maar uit deugdzaamheid deed? Ha! zij had er iemand voor: Lady Honoria! Wie kon beter voor zulk een doel dienen dan de zwaar beleedigde vrouw? Maar hoe zou zij haar de omstandigheden mededeelen zonder er zelve in betrokken te zijn? Weder had zij er iets op gevonden—“un vieux truc mais toujours bon”—het oude middel van lage zielen, een naamloozen brief, waarbij men het groote voordeel heeft van buiten schot te blijven. Juist, een naamlooze brief, naar allen schijn door een dienstbode geschreven: dat was het. Het gevolg zou hoogst waarschijnlijk zijn, dat Lady Honoria scherp onderzoek deed, in welk geval Elisabeth, natuurlijk, tegen haar zin, genoodzaakt zou zijn te zeggen wat zij wist: bijna zeker zou het op een twist tusschen man en vrouw uitloopen, waardoor de eerstgenoemde in zijn kaart zou laten zien, of misschien ten opzichte van Beatrice een openlijken stap zou doen. Het speet haar voor Geoffrey, wien zij geen kwaad hart toedroeg, maar er was niets tegen te doen: hij moest opgeofferd worden.Dienzelfden avond schreef zij haar brief, en zond dien op, om door een oude dienstbode, die in Londen woonde, op de post gedaan te worden. Het was een meesterstuk in zijn soort, vooral alsfoutiefopstel, en met een slechte, grove hand geschreven.Gezuiverd van taal- en spelfouten, zou de inhoud aldus geluid hebben:“Mylady,—Mijn geweten dwingt mij er toe, zeer tegen mijn zin, u dezen te schrijven. Ik had er eerst maar liever niet van willen spreken, omdat ik Miss B. als braaf en onschuldig heb gekend, en ook om uw slechten echtgenoot, dien wolf in schaapsvacht, te sparen. Maar als ik aan u denk, Mylady, als een eerbare, deugdzame vrouw, en aan hetgeen ik gezien heb, en waar ik nog om moet blozen, weet ik dat het mijn heilige plicht is uw Ladyschap te schrijven als volgt. Uw Ladyschap moet het mij niet kwalijk nemen, maar in den nacht van Pinksterzondag is Miss B. Granger, na middernacht, naar de kamer van uw slechten echtgenoot gegaan—zooals ik mij schaam gezien te hebben. Meer dan eenuur later kwam zij er weer uit,in zijn armengedragen. En als uw Ladyschap mij niet gelooft, laat uw Ladyschap dan maar aan Miss Elisabeth schrijven, die ook het ongeluk heeft gehad het te zien, evenals uw getrouwe vriendin“De Schrijfster.”Te behoorlijker tijd kwam deze allerliefste mededeeling Lady Honoria, met een Londenschen poststempel, in handen. Zij las en herlas den brief, en de inhoud was niet moeilijk te begrijpen. Na een nacht tijd tot bedenking genomen te hebben, volgde zij den raad van “de schrijfster” en schreef aan Elisabeth, wie zij een afschrift van den brief toezond, betuigende dat zij er volstrekt geen geloof aan sloeg, en een antwoord verzoekende, dat dien vuigen laster voor altijd uit haar gedachten verdreef.Het antwoord kwam per omgaande. Het was kort, en listig gesteld.“Waarde Lady Honoria Bingham,” luidde het, “gij moet mij vergeven, als ik weiger de vragen in uw brief te beantwoorden. Gij zult licht begrijpen dat iemand, die den goeden naam eener zuster wenscht op te houden, en niet in staat is, wat ieder Christen zal moeten waardeeren, onwaarheid te spreken, zich in een allermoeielijksten toestand bevindt—een toestand, waarmedegijzelfs medelijden zult hebben, hoewel ik dat onder zulke omstandigheden weinig te verwachten heb van een vrouw, die zich zoo zwaar beleedigd moet achten. Laat mij er bijvoegen, dat niet anders dan wanneer ik er voor de rechtbank toe gedwongen word, een woord over mijn lippen zal komen van de omstandigheden (die, naar ik vertrouw, verkeerd begrepen zijn) vermeld in den brief, waarvan ge mij ingesloten een afschrift gezonden hebt.”Dienzelfden avond, alsof het noodlot het zoo wilde, hadden Lady Honoria en haar echtgenoot een twist. Als gewoonlijk, was het over Effie, want over de meeste andere onderwerpen bewaarden zij een gewapende neutraliteit. In de bizonderheden van dien twist behoeven wij niet te treden, maar eindelijk verloor Geoffrey, die in een geprikkelden gemoedstoestand was, zijn geduld.“Ge zijt ongeschikt om voor het kind te zorgen,” zeide hij. Ge denkt alleen maar aan uzelve.”Zij zag hem aan, met een nijdige uitdrukking op haar schoon en koel gelaat.“Wees voorzichtig wat ge zegt, Geoffrey,” voegde zij hem toe. “Gijzijt het, die niet geschikt zijt voor Effie te zorgen. Pas maar op dat ik haar u niet geheel afneem, zooals ik doen kan, als ik wil.”“Wat bedoelt ge met die bedreiging?” vroeg hij.“Wilt ge het weten? Welnu, dan zal ik het u zeggen. Ik begrijp genoeg van de wet, om wel te weten dat een vrouw scheiding van een ontrouwen echtgenoot kan aanvragen, en, wat meer is, hem zijn kinderen kan ontnemen.”“Ik vraag u nogmaals wat dat beteekent?” hernam Geoffrey, bleek van toorn.“Ik bedoel dit. Dat Welsche meisje is uw minnares. Zij heeft den nacht vóór Pinksteren in uw kamer doorgebracht, en ge hebt haar in uw armen er uit gedragen.”“Dat is een leugen!” riep hij uit; “daar is niets van aan. Ik weet niet wie u zulk een schandelijke leugen verteld heeft, maar wie het gedaan heeft, zal er voor boeten.”“Niemand zal er voor boeten, Geoffrey, omdat ge het geval niet durft ophalen—al was het alleen maar om het meisje, zoo niet om uzelven. Kunt ge ontkennen, dat men haar, in den nacht vóór Pinksteren, in uw armen uit uw kamer heeft zien dragen? Kunt ge ontkennen dat ge verliefd op haar zijt?”“En gesteld dat ik verliefd op haar was, zou dat te verwonderen zijn, bij zoo’n behandeling als ik van u ondervind, en sinds jaren ondervonden heb?” zeide hij woedend. “Het is de grootste laster, te zeggen dat zij mijn minnares is.”“Ge hebt mij nog niet op mijn vraag geantwoord,” hernam Lady Honoria, met een zegevierenden glimlach. “Hebt ge in het holle van den nacht dat meisje in uw armen uw kamer uitgedragen?” Het beteekende, natuurlijk, niets. Wie zou die allerliefste,verstandige schoolmatres een klad durven opwerpen? Ik ben niet jaloersch, Geoffrey—”“Zooals het tusschen ons staat, zou ik dat ook niet denken.”“Ik ben niet jaloersch, herhaal ik, maar versta mij wel, dat ik niet wil hebben dat het langer zoo voortgaat, inuwbelang en het mijne. Wat moet ge dwaas zijn! Weet ge dan niet, dat een man, die in aanzien gestegen is, zooals gij, honderd vijanden heeft, die bereid zijn om als een troep wolven op hem aan te vallen en hem te verscheuren? Zelfs wie voor u kruipen en u in uw gezicht vleien, haten u in het geheim, omdat gij het verder hebt gebracht dan zij. Weet ge ook niet, dat er hier in Londen bladen zijn, die honderden ponden zouden geven voor de kans om zoo’n schandaal als dit publiek te maken, inzonderheid omdat het zulk een machtigen politieken tegenstander betreft? Laat het maar eens uitkomen dat dit onbeteekenende meisje uw minnares is—”“Honoria, ik zeg u dat er niets van aan is. ’t Is waar dat ik haar in een bezwijming mijn kamer heb uitgedragen, maar zij was daar in haar slaap gekomen.”Lady Honoria lachte. “Waarlijk, Geoffrey, ik verbaas mij er over, dat ge het de moeite waard acht mij zoo’n onzin te vertellen. Bewaar dat voor het Hof van Echtscheiding, als wij daar komen, en zie wat een jury er van zegt. Hoor eens, wees verstandig. Ik ben geen zedenpreekster, en ik zal ook niet de rol van een beleedigde vrouw spelen, tenzij ge er mij toe noodzaakt. Ik ben niet voornemens verder notitie te nemen van dit interessant historietje te uwen nadeele. Maar wacht u, als ge er mee voortgaat! Ik wil niet voor gek gehouden worden. Als ge u wilt ruïneeren, moet ge het maar alleen doen. Ik waarschuw u ronduit, dat bij het minste teeken, dat ik er van bespeur, ik van mijn recht gebruik zal maken om u een proces van echtscheiding aan te doen. Ik weet, natuurlijk, wel, dat als het tot een scheiding kwam, ge blij zoudt zijn dat ge mij kwijt waart, om uw lieve Beatrice in mijn plaats welkom te heeten. Maar twee dingen moet ge bedenken: ten eerste, dat ge niet met haar zoudt kunnen trouwen, als ge zoomal waart dat te willen doen, omdat ik alleen maar scheiding tusschen tafel en bed zou aanvragen, en dus zoudt ge nog niet van mij af zijn. Ten tweede, als ik heenga, neem ik Effie mee, want de wet geeft mij het recht haar op te eischen; en dat, mijn waarde Geoffrey, maakt dat ik het hecht in handen heb, want ik geloof niet dat ge van Effie zoudt willen afzien, zelfs niet om die juffrouw Beatrice. En nu laat ik het aan u zelven over hoe ge er over denkt.”En met een hoofdknik stevende zij zegevierend de kamer uit. Zij had werkelijk “het hecht in handen,” bedacht Geoffrey. Als zij hem werkelijk eens een proces tot echtscheiding aandeed? Zij moest het voorgevallene vernomen hebben, hoe wist zij er anders van? Klaarblijkelijk was iemand van het geheele tooneel getuige geweest, waarschijnlijk Elisabeth of de dienstmaagd, en had die het aan Honoria, en mogelijk aan anderen, verraden. Dit denkbeeld beangstte hem. Hij was een man van de wereld en een praktisch rechtsgeleerde, en hij wist, dat hoewel zij onschuldig waren, er weinigen zouden gevonden worden, die het geloofden. Het kon niets anders dan een verschrikkelijk en ergerlijk schandaal geven, en Beatrice zou haar goeden naam verliezen. Hij plaatste zich op het standpunt van den advocaat voor de eischeres, en stelde zich voor hoe hij in zijn aanspraak tot de jury zulk een verdediging zou havenen dat er niets van overbleef. Zoo iets onwaarschijnlijks!Ongetwijfeld zou Honoria van haar standpunt ook verstandig handelen. Al de sympathie van het publiek zou zij op haar hand hebben. Hij wist dat men het er algemeen voor hield, dat hij veel van het aanzien, waartoe hij was geraakt, aan zijn schoone vrouw van voorname geboorte had te danken. Nu zou men zeggen dat hij haar als een ladder had gebruikt, en haar verstiet nu hij haar niet meer noodig had. Tegen dit alles gevoelde hij zich echter bestand; de aanvallen van de pers en het hoongelach van zijn politieke en persoonlijke vijanden zou hij zelfs kunnen verdragen, maar Effie missen, dat kon hij niet. En als zulk een actietegen hem werd ingesteld, was het bijna zeker dat hij van haar zou moeten afzien, want als hij de verliezende partij was, zou het toezicht over het kind aan de beleedigde vrouw worden toegekend.Ook moest Beatrice in aanmerking genomen worden. Dezelfde booze tong, die Honoria van het voorgevallene onderricht had, zou het waarschijnlijk ook wel aan anderen ontdekken, en hoe de afloop ook voor hem was, op haar zou de beleedigde moraliteit zich zeker wreken. Een smet zou op Beatrice’s goeden naam kleven, haar betrekking zou zij verliezen, en het leven zou haar tot een last gemaakt worden. Ja, Honoria was aan het beste eind; zij had ware woorden en woorden van beteekenis gesproken.Wat te doen? Was er geen uitweg? Dien geheelen nacht, terwijl Geoffrey in het Lagerhuis zat, met de armen over elkaar geslagen, en schijnbaar aandachtig luisterende naar de lange redevoeringen der Oppositie, bleef die vraag hem bij. Hij beredeneerde den toestand nu van de eene, dan van de andere zijde, totdat hij eindelijk tot een besluit kwam. Of hij moest wachten totdat alles uitlekte, Beatrice aan smaad en schande prijs geven, en al zijn pogingen tot bevrediging van Honoria, en in ’t algemeen tot zelfbehoud aanwenden, òf hij moest de koe bij de horens pakken, zijn schitterende loopbaan in zijn vaderland vaarwel zeggen, en zijn toevlucht in een ander land zoeken, bij voorbeeld, Amerika, en Beatrice en Effie medenemen. Als het kind eenmaal buiten het rechtsgebied was, kon, natuurlijk, geen Gerechtshof haar hem ontrukken.Van die twee wegen, helde Geoffrey sterk tot den laatsten over.De betrekkingen tusschen hem en Honoria waren reeds sedert jaren zóó gespannen geweest, zóó geheel verschillend van wat zij tusschen man en vrouw hadden moeten zijn, dat het laakbare van zulk een stap er in zijn oogen veel door verloor. Ook zou hij weinig wroeging gevoeld hebben het kind van haar moeder weg te nemen, want de liefde tusschen die twee had niet over, en terecht vermoedde hij dat het mettertijd al minder en minder zou worden. Voor ’t overige, had hij zeventien duizend pond in handen; daar zou hij de helft van nemen en de andere helft aan Honoria laten. Hij wistdat hij overal, waarheen hij ging, den kost kon verdienen, en waarschijnlijk veel meer dan den kost, en van alles wat hij verdiende zou hij strikt de helft aan Honoria overmaken. Maar in de eerste plaats, en bovenal, moest hij aan Beatrice denken. Zij moest gered worden, al zou hij zichzelven ook in ’t ongeluk storten, om haar te redden.Het zal nauwelijks gezegd behoeven te worden, dat Lady Honoria weinig vermoedde tot welke gevaarlijke en vaste plannen zij haar echtgenoot dreef. Zij wilde Geoffrey bevreesd maken, maar zij wilde hem, en alles wat hij voor haar beteekende, niet verliezen; dat was wel het allerminst haar bedoeling. Zij gaf eigenlijk niet veel om het geheele voorval, maar haar slimheid zeide haar, dat het haar een overwicht gaf, waarvan zij gebruik moest maken. Daarom had zij zoo gesproken, hoewel het al erg had moeten loopen eer zij haar toevlucht tot de rechtbank zou nemen, waar misschien het een en ander, dat haarzelve betrof, aan het daglicht zou komen, wat zij maar liever in ’t duister wilde laten.Maar daarom liet zij het er niet bij; zij besloot ook nog van een andere zijde een aanval op Geoffrey te doen, namelijk, door Beatrice zelve. Lang aarzelde Honoria hoe zij dien aanval zou aanleggen. Zij had eenige wereld- en menschenkennis, en naar hetgeen zij van Beatrice wist, kwam zij tot het juist besluit, dat zij geen meisje was om te bedreigen, maar veeleer om een beroep op haar gevoel te doen. Dus schreef zij haar, na rijp beraad, aldus:“Een geschiedenis, die ik aarzel te gelooven, is mij, door middel van naamlooze brieven ter ooren gekomen, betreffende uw gedrag met mijn echtgenoot. Ik wil daar niet verder op terugkomen, dan alleen om te zeggen dat, als die geschiedenis waar is, deomstandighedengeen twijfel overlaten omtrent het bestaan van betrekkingen tusschen u beiden, zóó intiem, dat het bij schuldig af is. Het moge niet waar zijn of wel, in welk laatste geval ik dit wensch te zeggen: Met uw moraliteit heb ik niets te maken; dat is uw zaak. Ik wil mij ook niet de beleedigde vrouw toonen, of u verwijtingen doen, want er zijn gedragingen, die te erg zijn voor louter verwijtingen.Ik wil alleen maar zeggen: als de geschiedenis waar is, moet ik vooronderstellen dat gij voor den deelgenoot uwer schande eenige liefde gevoelt. Ik stel mijzelve buiten kwestie, en in den naam van die liefde verzoek ik u de zaak niet verder te drijven. Dat zou het ongeluk van het voorwerp uwer liefde zijn.Als gij veel van hem houdt, breek dan alle betrekkingen met hem voor altijd af.Anders zal hij u eenmaal vloeken en haten. Als gij dezen raad in den wind slaat, en wat ik vernomen heb ruchtbaar wordt, waarschuw ik u, zooals ik hem ook gewaarschuwd heb, dat ik mij uit eergevoel genoodzaakt zal zien den weg van rechten in te slaan. Bedenk dat zijn loopbaan op het spel staat, en dat hij, als hij mij verliest, zijn kind ook zal verliezen. Bedenk dat het door u is, als het daartoe komt. Antwoord niet op mijn schrijven, het zou niet baten, want ik zou, natuurlijk, aan uw betuigingen geen geloof slaan, maar als gij op eenigerlei wijze of eenigermate aan dien misstap schuldig zijt, zeg ik, mij op u beroepende als de eene vrouw op de andere en om den wille van den man, die ons beiden dierbaar is, tracht het kwaad te herstellendoor alle verdere gemeenschap tusschen u en hem onmogelijk te maken.“H. B.”Het was een slim gestelde brief: Lady Honoria had niet krachtiger op het gevoel van zulk een meisje als Beatrice kunnen werken. Met dezelfde post, die haar dezen brief bracht, kwam er ook een van Geoffrey zelven. Die was lang, en behoeft niet in zijn geheel medegedeeld te worden, maar hoewel eenigszins omsluierd, werd daarin de geheele toestand opengelegd, en het slot was: “Een huwelijk kan ik u niet aanbieden, slechts levenslange liefde. In andere omstandigheden zou zulk een aanbod beleedigend zijn, maar als het zoo gaat als ik vrees, is het wel waard in bedenking genomen te worden. Ik zeg niet tot u,kom! ik zeg,kom, als gij het wenscht. Neen, Beatrice, ik wil u dien zwaren last van te beslissen niet opleggen. Ik zegkom! Ik vorder niet dat gij komt, omdat ik beloofd heb geen invloed op u uit te oefenen. Maar ik smeek u te komen.Laten wij een einde maken aan dezen rampzaligen toestand, en de wereld verloren achten als de prijs onzer liefde. Kom, dierbare Beatrice—om mij niet te verlaten, totdat de dood ons scheidt. Ik stel mijn leven in uw handen; als gij het aanneemt, welk leed gij ook te trotseeren moogt hebben, mijn liefde, mijn achting, zult gij nooit verliezen. Denk niet om mij, denk om uzelve. Gij hebt mij uw liefde geschonken, evenals ik aan u de redding van mijn leven te danken heb. Ik ben u wederkeerig iets verschuldigd; ik kan niet zien dat er schande op u kleeft, zonder u vergoeding aan te bieden. Ja, voor zooverre mij betreft, zal ik alles wat ik verlies als niets beschouwen, vergeleken bij wat ik win door uw bezit. Wilt gij komen? Zoo ja, dan zullen wij dit land verlaten en in een andere wereldstreek een nieuw leven beginnen. Mijn tegenwoordig leven is toch eigenlijk niets anders geweest dan een onrustige droom. Het eenige ware, het eenige geluk, dat ik er in heb gevonden, is uw liefde geweest. Werpen wij dat geluk niet weg, Beatrice.”Per omgaande ontving hij dit antwoord, met potlood geschreven:“Neen, lieve Geoffrey. Er is niets aan te veranderen.—B.”Dat was het eenige.Hoofdstuk XXV.Elisabeth laat haar tanden zien.Smartelijke uren had Beatrice doorgebracht sedert dien ochtend der scheiding.Zij moest al de innerlijke bitterheid van haar lot verdragen; zij moest al de stekelige gezegden van Elisabeth’s scherpe tong verduren, en Owen Davies op een afstand trachten te houden. Die laatste taak werd hoe langer hoe zwaarder. De man was totaal onhandelbaar; zijn hartstocht, die in de oogen van Beatrice vernederenden hatelijk was, werd het praatje van het dorp. Iedereen wist er van, behalve haar vader, en zelfs hij begon er iets van te bemerken.Op zekeren avond—het was dezelfde, waarop Geoffrey en Honoria hun brieven aan Beatrice op de post hadden gedaan—zou ieder, die een blik had kunnen slaan in de kleine kamer op Bryngelly Castle, die den eigenaar tot alles, behalve tot slapen, diende, getuige geweest zijn van een zonderling schouwspel. Owen Davies liep heen en weer—met snelle schreden, wilde oogen en verwarde haren. Aan elk einde van de lengte der kamer, hield hij telkens halt, sloeg zijn armen omhoog, en riep uit:“O, God, verhoor mij, en geef mij mijn wensch! O, God, antwoord mij!”Twee uren lang had hij zoo geloopen en geroepen, totdat hij eindelijk hijgend en uitgeput op een stoel nederzonk. Eensklaps hief hij het hoofd op, en scheen aandachtig te luisteren.“De Stem,” zeide hij overluid; “daar is de Stem weder. Wat zegt zij? Morgen, morgen moet ik spreken; en zij zal de mijne worden.”Met een kreet sprong hij overeind, en weer begon hij woest heen en weer te stappen. “O, Beatrice!” zeide hij, “morgen zult ge mij beloven met mij te trouwen; de Stem heeft het mij gezegd, en weldra, weldra, misschien binnen een maand, zult gij de mijne zijn—de mijne alleen! Geoffrey Bingham zal dan niet tusschen ons beiden staan, want ik zal dag en nacht over u waken. Gij zult mijn eigen—mijn eigen schoone Beatrice zijn,” en hij strekte de armen uit, en maakte het gebaar van een omhelzing in de ijle lucht—een akelig gezicht.En zoo liep en sprak hij, totdat het grauwe licht van den dageraad zich in het oosten vertoonde. HetwasVrijdagnacht toen dit beschreven tooneel plaats had. Den volgenden ochtend ontving Beatrice, het ongelukkig en onschuldig voorwerp van die verliefde ontboezemingen, de twee brieven. Zij was, op haar weg naar de school, even aan het postkantoor gaan hooren of er ookbrieven voor haar waren, in de hoop dat er een van Geoffrey zou zijn. Arm meisje! zijn brieven waren haar eenige troost. Uit voorzichtigheid waren zij in den gewonen half officieelen stijl geschreven, maar zij kon tusschen de regels lezen, en bovendien, zij waren van zijn geliefde hand.Ja, er was een brief, en nog een van een vrouwenhand. Zij herkendedehand van Lady Honoria, die zij dikwijls op enveloppen, aan Geoffrey geadresseerd, had gezien, en een angstig gevoel beknelde haar hart. Zij nam de brieven, liep er zoo snel als zij kon mede naar de school, sloot zich in haar kamertje op, want het was nog geen negen uur, en beschouwde ze met toenemende beangstheid. Wat zou er in staan? Wat kon Lady Honoria haar te schrijven hebben? Welken brief zou zij het eerst lezen? In een oogenblik had Beatrice haar besluit genomen. Het ergste wilde zij maar het eerst doorstaan. Met een strak gelaat opende zij Honoria’s brief en las. Wij weten den inhoud reeds. Onder het lezen werden haar lippen aschkleurig, en toen zij de foltering had doorgestaan, was zij een bezwijming nabij.Naamlooze brieven! O, wie kon zoo iets wreeds gedaan hebben? Elisabeth, het moest Elisabeth zijn, die alles gezien had, en haar aldus een dolksteek in den rug toebracht. Was het mogelijk, dat haar eigen zuster haar zoo kon behandelen? Zij wist wel dat Elisabeth niet van haar hield; zij had er nooit de reden van kunnen begrijpen, maar toch wist zij dat het zoo was. Maar als zijditgedaan had, dan moest zij haar haten, haar bitter haten: en wat had zij gedaan om zulk een haat te verdienen? En nu liep Geoffrey gevaar dat zijn geheele loopbaan bedorven zou worden, en dat kwam doorhaar—hoe kon zij dat voorkomen? Dat was haar eerste denkbeeld. De meeste andere meisjes in haar geval zouden aan zichzelven gedacht hebben, en het aan haar minnaar hebben overgelaten maar te zien hoe hij zich er uitredde. Doch Beatrice dacht weinig aan zichzelve. Hij was in gevaar, en hoe kon zij hem beschermen? Wel, daar in dien brief was het antwoord! “Als ge veel van hem houdt, breek dan alle betrekking met hemvoor altijd af. Anders zal hij u vloeken en u haten.” Neen, neen! dat zou Geoffrey nooit doen. Maar Lady Honoria had gelijk; in zijn belang, om zijnentwil, moest zij alle betrekking met hem afbreken—voor altijd. Maar hoe—hoe?Zij stak den brief in de borst van haar kleed—een adder had geen onwelkomer gast kunnen zijn—en opende dien van Geoffrey.Daar stond hetzelfde in, maar er werd een andere oplossing in voorgeslagen. De tranen sprongen haar in de oogen, toen zij zijn aanbod las om haar voor goed en voor altijd tot zich te nemen en een nieuw leven met haar te beginnen. Het kwam Beatrice verwonderlijk voor, dat hij bereid was zooveel aan haar op te offeren—even verwonderlijk als edelmoedig. Maar geen oogenblik dacht zij er aan voor deze zware verzoeking te bezwijken. Hij smeekte haar te komen, maar dat zou zij niet doen zoolang haar wil haar nog overbleef. Hoe,zijzou Geoffrey in het ongeluk storten? Neen, liever zou zij van gebrek omkomen of door langzame martelingen sterven. Hoe kon hij denken dat zij in zulk een plan zou toestemmen? Neen, dat nooit; zij had hem reeds genoeg verdriet berokkend. Maar, o, zij zegende hem voor dien brief. Hoe innig moest hij haar liefhebben, dat hij aanbood dit om harentwil te doen!Luister! De kinderen wachtten; zij moest onderwijs geven. De brief, Geoffrey’s dierbare brief kon na afloop van de school beantwoord worden. Zij stak dien dus in de borst van haar kleed, bij haar hart, en ging naar het schoolvertrek.Dien namiddag, toen Granger in een opgeruimde gemoedsstemming—want zijn schulden waren betaald en geldverlegenheid had hij vooreerst niet te vreezen—over het hek van zijn kleine boerderij met welgevallen naar zijn varkens stond te kijken, was hij verbaasd eensklaps Owen Davies naast zich te zien.“Hoe gaat het u, mijnheer Davies?” zeide hij. “Wat moet gij stil gekomen zijn!”“Ja,” antwoordde Owen afgetrokken. “Ik ben u eigenlijk nageloopen, omdat ik u wilde spreken—geheel alleen.”“Zoo, mijnheer Davies—welnu, ik ben tot uw dienst. Scheelt er wat aan? Gij ziet er niet goed uit.”“O, ik ben heel wel, dank u. Nooit ben ik beter geweest; en er scheelt me ook niets, hoegenaamd niets. Alles komt nu in orde, dat weet ik zeker.”“Ei,” zeide Granger, hem weder met een verlegen gezicht aanziende, “en wat is er dan, waarover ge mij zoo volstrekt moet spreken? Niet dat ik niet altijd tot uw dienst ben, dat weet gij wel,” liet hij er verontschuldigend op volgen.“Dit,” antwoordde Davies, den predikant bij zijn jas grijpende, op een manier, die hem deed schrikken.“Wat—bedoelt gij mijn jas?”“Wees zoo dwaas niet, mijnheer Granger. Neen, over Beatrice.”“Zoo waarlijk, mijnheer Davies? Er is toch, hoop ik, op school niets onaangenaams gebeurd? Ik geloof dat zij haar taak vervult tot tevredenheid van de commissie, hoewel ik beken dat zij in het rekenen—”“Neen, neen, neen! ’t Is niet over de school. Ik wil juist dat zij niet meer naar de school zal behoeven te gaan. Ik heb haar lief, mijnheer Granger, innig lief, en ik wil met haar trouwen.”De oude man kreeg een kleur van genoegen. Was ’t mogelijk? Hoorde hij wel goed? Owen Davies, de rijkste man in dit gedeelte van Wales, wilde met zijn dochter trouwen, die niets anders bezat dan haar schoonheid! Dat was haast te mooi om waar te wezen!“Ik gevoel me er zeer vereerd door,” zeide hij. “’t Is meer dan zij kon verwachten—niet dat Beatrice er niet goed uitziet en heel knap is,” liet hij er snel op volgen, vreezende dat hij op de marktwaarde van zijn dochter afdong.“Zij ziet er niet alleen goed uit—zij is niet alleen knap—zij is een engel,” mompelde Owen.“O, ja, zeker, zeker, dat is zij,” hernam haar vader, “dat wilzeggen, als ooit een vrouw—ja, natuurlijk—en wat meer is, ik geloof dat zij heel veel van u houdt. Ik geloof dat zij van liefde voor u kwijnt. Dat heb ik al lang gedacht.”“Dan moet ik zeggen,” merkte Owen aan, “dat zij al een heel rare manier heeft om het te toonen. Zij heeft geen woord voor mij over; zij scheept mij bij elke gelegenheid af. Maar dat zal alles nu wel in orde komen—alles in orde.”“Och, mijnheer Davies, meisjes zijn meisjes, totdat zij vrouwen zijn. Daar weten wij alles van,” zeide Granger, geruststellend.Zijn candidaat-schoonzoon zette een gezicht alsof hij daar zeer weinig van wist, hoewel de gevolgtrekking duidelijk genoeg was.“Mijnheer Granger,” hernam hij, zijn hand grijpende. “Ik wil Beatrice tot mijn vrouw maken—ja, dat wil ik werkelijk!”“Wel, ik heb ook niet anders voorondersteld, mijnheer Davies.”“Als ge mij daarin helpt, zal ik in geldzaken en dergelijke alles doen wat ge maar wilt. Zij zal een zoo mooie lijfrente hebben als een vrouw maar hebben kan. Ik weet dat een vader daar nogal op gesteld is, en ik wil alle zwarigheden wegruimen.”“Dat is alles goed en wel, en zeker ook wel zooals ’t behoort,” zeide Granger, een hooger toon aannemende, nu hij het voordeel van zijn positie zag. “Maar natuurlijk zal ik over zulke zaken het advies van een rechtsgeleerde vragen. Ik geloof dat mijnheer Bingham mij daarin wel zal willen raden,” ging hij voort, “als een vriend van de familie, weet gij. Hij is een zeer knap rechtsgeleerde, en hij zal er ook wel niet voor rekenen.”“O, neen, mijnheer Bingham niet!” riep Owen met schrik uit. “Ik wil alles doen wat gij maar verlangt, of als gij een rechtsgeleerde wilt hebben, zal ik zelf de kosten wel betalen. Maar laten we daar nu niet over spreken. Laten we het eerst met Beatrice in orde brengen. Ga dadelijk mee.”“Zoudt gij dat niet liever met haar alleen afhandelen?”“Neen, neen. Zij scheept mij altijd af, als ik met haar alleen wil spreken. ’t Is beter dat gij er bij zijt, en Miss Elisabeth ook, als zij wil. Ik wil haar niet weer alleen spreken. Ik zal met haarspreken in het aangezicht van God en de menschen, zooals God mij ingeeft te doen, en dan zal alles in orde zijn—dat weet ik.”Granger zag hem verbaasd aan. Hij was een predikant van de praktische soort, en zag niet recht in wat de Hoogere Macht met de huwelijksplannen van Owen Davies te maken had.“O, zoo!” zeide hij, “ik begrijp u; huwelijken worden in den hemel gesloten, bedoelt gij; ja, ja, natuurlijk. Welnu, als ge met de zaak voortgang wilt maken, geloof ik wel, dat wij Beatrice thuis zullen vinden.”Dus gingen zij naar de pastorie, Granger verheugd en toch een weinig verlegen, want er was in de geheele manier van doen iets, dat hem wel wat vreemd voorkwam, en Owen Davies stilzwijgend of nu en dan bij zichzelven iets mompelende.In de huiskamer vonden zij Elisabeth.“Waar is Beatrice?” vroeg haar vader.“Dat weet ik niet,” antwoordde zij, en op dat oogenblik kwam Beatrice, bleek en bedrukt, de kamer binnen, als een lam, dat ter slachtbank werd geleid.“Ha, Beatrice,” sprak haar vader, “wij vroegen juist naar u.”Zij zag rond, en bespeurde dadelijk dat een nieuw gevaar haar bedreigde.“Zoo?” zeide zij, op een stoel nederzinkende, met een gevoel van zwakte, uit vrees ontstaan. “Wat is het dan, vader?”Granger zag naar Owen Davies, en deed een stap naar de deur. Hij was sterk van meening dat dit tooneel tusschen de betrokken personen zelven onder vier oogen afgespeeld moest worden.“Ga niet heen,” zeide Owen Davies opgewonden, “gaat geen van beiden heen. Wat ik te zeggen heb, wil ik liever in uw bijzijn zeggen. Ik zou het wel ten aanhooren van de heele wereld willen zeggen; ik zou het wel van de bergtoppen willen uitroepen.”Elisabeth wierp een woedenden blik op hem—eerst op hem, en toen op de onschuldige Beatrice. Kon het dan zijn dat hij haar een huwelijksaanzoek ging doen? O, waarom had zij geaarzeld? Waarom had zij niet vroeger de geheele waarheid gezegd?Maar Beatrice, die ieder oogenblik verwachtte openlijk beschuldigd te worden, gevoelde haar hart hoe langer hoe meer bekneld.Granger ging zitten en drukte zich in de zitting van zijn stoel, als om daardoor meer vastheid van houding te hebben. Elisabeth drukte haar tanden op elkaar en leunde met haar elleboog op de tafel, haar hand zoo houdende dat haar gelaat er door beschaduwd was. Beatrice zat op haar stoel als een geknakte lelie, of als een gevangene op de bank der beschuldigden. De anderen zaten tegenover haar, en Owen Davies stond op, met een van woeste geestdrift stralend gelaat en sprak hen allen toe als een Procureur Generaal.“In den herfst van het vorige jaar,” begon hij, het woord richtende tot Granger, die daar zat als een rechter van instructie, “heb ik uw dochter Beatrice ten huwelijk gevraagd.”Beatrice zuchtte, en raapte haar geestkracht bijeen. De storm was eindelijk losgebarsten, en zij moest dien het hoofd bieden.“Ik heb haar ten huwelijk gevraagd, en zij heeft mij gezegd dat ik een jaar moest wachten. Ik heb zoolang gewacht als ik kon, maar het heele jaar kon ik niet wachten. Ik heb veel gebeden, en het is mij gegeven te spreken.”Elisabeth kon een wrevelig gebaar niet bedwingen. Het ontbrak haar niet aan gezond verstand, en die mengeling van godsdienstigheid en verliefdheid walgde haar. Zij wist ook dat de storm was losgebarsten en datzijdie moest trotseeren.“Dus kom ik u zeggen dat ik uw dochter Beatrice bemin en haar tot mijn vrouw wil maken. Ik heb nooit iemand anders liefgehad, maar haar heb ik sinds jaren bemind; en ik vraag uw toestemming.”“Zeer vleiend, zeer vleiend voorzeker, vooral in dezen slechten tijd,” zeide Granger, verontschuldigend, zijn grijze haren over zijn voorhoofd schuddende en ze toen weer opstrijkende. “Maar ziet ge, mijnheer Davies, gij wilt niet metmijtrouwen,” (hier glimlachte Beatrice even)—“gij wilt met mijn dochter trouwen, dus moest gij het liever rechtstreekshaarvragen—ten minste, dat zou ik denken.”Elisabeth maakte een beweging alsof zij wilde spreken, maar veranderde van besluit en luisterde.“Beatrice,” zeide Owen Davies, “gij hoort het. Ik vraag u ten huwelijk.”Hierop volgde een poos stilte. Beatrice, die er zwijgend bij had gezeten, verzamelde haar kracht om te spreken. Elisabeth, die haar van onder haar hand gadesloeg, meende op haar gelaat besluiteloosheid te lezen, die tot toestemming verzachtte. Wat zij werkelijk zag, was twijfel hoe zij op de geschiktste en zekerste manier zou weigeren. Als een bliksemstraal schoot het Elisabeth voor den geest dat zij nu of nooit haar slag moest slaan. Als Beatrice dat noodlottig “Ja” eenmaal had uitgesproken, zouden al haar ontdekkingen niet baten. En Beatrice zou het uitspreken, daar hield zij zich verzekerd van. Het was een gulden weg om uit haar moeilijkheden te geraken.“Wacht!” zeide Elisabeth, met een schelle, barsche stem. “Wacht! Ik moet spreken; dat is mijn plicht als Christin. Ik moet de waarheid zeggen. Ik kan niet toelaten, dat een braaf man bedrogen wordt.”Allen zaten als verstomd. Beatrice brak het stilzwijgen af. Nu zag zij de volle waarheid, nu wist zij wat zij te wachten had. Zij legde de hand op haar hart, om het kloppen tot bedaren te brengen.“O, Elisabeth,” zeide zij, “in den naam onzer overleden moeder”—en zij hield op.“Ja,” antwoordde haar zuster, “in den naam onzer overleden moeder, dien gij geschandvlekt hebt, zal ik het doen. Luister, Owen Davies, en gij vader. Beatrice, die daar zit”—en zij wees met haar magere hand naar haar—“Beatrice is een hoereerster!”“Ik begrijp u waarlijk niet,” zeide Granger, op een doffen toon, naar adem hijgend van verbazing, terwijl Owen woest rondzag, en Beatrice haar hoofd op haar borst liet zinken.“Dan zal ik het u uitleggen,” hernam Elisabeth, nog naar haar zuster wijzende. “Zij is deminnaresvan Geoffrey Bingham. In den nacht vóór Pinksteren is zij uit haar bed opgestaan en naar zijn kamer gegaan. Ik heb het met eigen oogen gezien. Naderhandwerd zij in zijn armen naar haar bed gebracht—dat heb ik ook met eigen oogen gezien, en ik heb gehoord dat hij haar kuste.” (Dit was er door Elisabeth bij geborduurd). “Hij is haar minnaar, en maanden lang is zij verliefd op hem geweest. Ik zeg u dit, Owen Davies, hoe zwaar het mij ook valt schande over onzen naam te brengen en mijn lippen met zulk een mededeeling te bezoedelen, maar evenmin kan ik dulden dat gij met een meisje zoudt trouwen, meenende dat zij braaf is, terwijl zij is wat Beatrice is.”“Dan hadt je ook maar liever je mond moeten houden,” zeide Granger toornig.“Neen, vader, ik heb een plicht te volbrengen, en dat zal ik doen, het koste wat het wil, en hoe smartelijk het ook voor mij is. Gij hebt het gerucht in den nacht vóór Pinkster gehoord, en zijt opgestaan, om te zien wat het was. Gij hebt de witte gedaante in de gang gezien—dat was Geoffrey Bingham, met Beatrice in zijn armen. Ja, wel mag zij het hoofd laten hangen. Laat zij het ontkennen als zij kan. Laat zij het ontkennen, dat zij tot haar schande verliefd op hem is, en dien nacht alleen in zijn kamer is geweest.”Nu stond Beatrice op en sprak. Haar oogen glinsterden, en hoewel doodsbleek, was zij in haar schaamte en wanhoop schooner dan ooit.“Wat mijn hart gevoelt, gaat mij alleen aan, daar geef ik u geen antwoord op,” zeide zij. “Gij moogt denken wat gij wilt. Voor ’t overige is het niet waar. Ik ben niet wat Elisabeth zegt dat ik ben. Ik ben niet de minnares van Geoffrey Bingham. ’t Is waar dat ik in dien nacht in zijn kamer ben geweest, en ’t is ook waar dat hij mij in zijn armen naar de mijne heeft gedragen. Maar het was in mijn slaap dat ik er heen ben gegaan, niet uit vrijen wil. Ik ontwaakte daar, en bezwijmde toen ik ontwaakte, en toen heeft hij mij dadelijk teruggebracht.”Elisabeth lachte schel en luid—het klonk als een duivelenlach.“In haar slaap!” zeide zij. “O, zij is daar in haar slaap heen gegaan!”“Ja, Elisabeth, in mijn slaap. Je gelooft me niet, maar ’t is waar. Je wilt de zuster, die je moest liefhebben, die je door woord noch daad ooit gekrenkt heeft, aan schande prijs geven. In je lage boosaardigheid heb je een naamloozen brief aan Lady Honoria Bingham geschreven, om haar te bewegen den slag toe te brengen, die haar echtgenoot en mij in ’t verderf moest storten, en nu je vreest dat dit niet gelukt is, kom je te voorschijn, om ons openlijk te beschuldigen. Dat doe je in den naam van Christelijken plicht; in den naam van Christelijke liefde geloof je het ergste, en wil je ons schandvlekken. Schaam u, Elisabeth! Schaam u! en moog je nooit gemeten worden met de maat waarmee je meet. Wij zijn niet langer zusters. Wat er ook gebeurt, met u heb ik afgedaan. Ga uws weegs.”Zelfs de hardvochtigheid van Elisabeth’s valsch gemoed was niet bestand tegen die van verontwaardiging flikkerende oogen en de majesteit van beleedigde onschuld. Zij beet zich op de lippen dat het bloed er uitsprong, maar zij zeide niets.Toen wendde Beatrice zich tot haar vader, en sprak op een anderen en smeekenden toon, terwijl zij haar armen naar hem uitstrekte.“O, vader,” zeide zij, “zeg mij, ten minste, datgijmij gelooft. Hoewel ge moogt denken dat ik in mijn liefde overdreven zou kunnen zijn, kunt gij, die mij zooveel jaren gekend hebt, toch niet denken dat ik, zelfs om mijn liefde, zou liegen.”De oude man zag verbijsterd om zich heen, en schudde het hoofd.“In zijn kamer, en in zijn armen!” zeide hij. “Het schijnt dat ik het gezien heb. Ik heb ook nooit geweten dat je een slaapwandelaarster waart, en je zegt ook niet dat je hem niet liefhebt—dien schelm. ’t Is slecht van Elisabeth—heel slecht, zoo iets te vertellen; maar nu het verteld is, hoe kan ik nu zeggen dat ik het niet geloof?”Daarop liet Beatrice weder het hoofd hangen—haar beker was tot overloopens vol—en zij wilde heengaan.“Wacht,” zeide Owen Davies, met een heesche stem. “Hoor, watiku te zeggen heb.”Zij sloeg de oogen op. “Met u, mijnheer Davies, heb ik niets te maken; ik ben u geen verantwoording schuldig. Ga uw medeplichtige helpen,” en zij wees naar Elisabeth, “om dezen laster over de heele wereld uit te bazuinen.”“Wacht,” zeide hij weder. “Ik wil spreken. Ik geloof dat het waar is. Ik geloof dat gij de minnares van Geoffrey Bingham zijt, vloek over hem!—maar daar stoor ik mij niet aan. Ik wil toch nog met u trouwen.”Elisabeth snakte naar adem. Moest al haar plannensmeden dan dáárop uitloopen? Zou de blinde hartstocht van dien dolleman dan toch nog over al haar ontdekkingen zegevieren, en Beatrice nog zijn rijke en geëerde vrouw worden, terwijl zij arm bleef en beschaamd werd? O, dat was afschuwelijk! O, dat had zij nooit kunnen denken!“Edel, edel!” mompelde Granger; “edel! God zegene u!”Dus was alles nog te herstellen. Zijn dwalende dochter zou nog een schitterende partij kunnen doen; hij zou op zijn ouden dag nog vrede en rijkdom kunnen verwachten.Maar Beatrice glimlachte flauw.“Ik dank u,” zeide zij, “ik gevoel mij zeer vereerd, maar ik had in geen geval ooit met u willen trouwen omdat ik niet van u houd. Ge moet mij al zeer weinig begrijpen, als gij denkt, dat ik er nu eer toe bereid zou zijn, omdat er zulk een klad op mij geworpen wordt,” en zij hield op.“Luister, Beatrice,” hernam Owen, en een boosaardige glans straalde uit zijn gewoonlijk doffe oogen, terwijl Elisabeth als verstomd van verbazing was en haar ooren nauwelijks kon gelooven. “Ik wil u hebben, en ik ben vast voornemens met u te trouwen; gij zijt voor mij meer dan de geheele wereld. Ik kan u alles geven, en gij doet het best toe te stemmen, dan zult ge van dit alles nooit meer hooren. Maar als ge niet wilt toestemmen, dan zal ik mij op u wreken—verschrikkelijk wreken—”Beatrice schudde het hoofd en glimlachte weder, alsof zij te kennen wilde geven dat hij het ergste maar doen moest.“En, hoor eens, Beatrice,” ging hij voort, in zijn jaloersche wanhoopbijna welsprekend wordende, “ik heb nog een andere drangreden aan te voeren. Ik zal mij niet alleen op u wreken; ik zal mij wreken op uw minnaar—op dien mijnheer Bingham.”Een kreet als van plotselinge pijn ontsnapte Beatrice. Hij had het middel gevonden om haar te treffen, en met de slimheid van halve krankzinnigheid, ging hij op dit punt door.“Ja, wel moogt gij schrikken—dat zal ik. Ik zeg u dat ik niet zal rusten voordat ik hem in ’t verderf heb gestort, en ik ben rijk en kan het doen. Ik heb er honderd duizend pond voor over. Ik heb niets anders te vreezen dan een actie wegens laster. O, ik ben niet gek, al houdt ge mij daar ook voor. Ik kan wel twaalf acties betalen. Er zijn bladen in Londen, die blijde zullen zijn dat alles publiek te maken—ja, de geheele geschiedenis—met afbeeldingen er bij. Bedenk, Beatrice, wat het zijn zal, als voor heel Engeland—ja, voor de geheele wereld—uw schande openbaar gemaakt wordt, en de bladen er gebruik van maken voor partij-bedoelingen en juichen over de vernedering van den man, die u in het ongeluk heeft gebracht en door u in het ongeluk gestort wordt. Hij heeft een mooie loopbaan; die zal voor goed bedorven zijn. Bij den Hemel, ik zal hem tot zijn dood toe vervolgen, tenzij ge mij belooft met mij te trouwen, Beatrice. Doe dat, en geen woord zal er van gezegd worden. Antwoord mij nu.”Granger zonk in zijn stoel achterover; dit woeste spel van menschelijke hartstochten ging zijn verstand te boven—het overstelpte hem. Wat Elisabeth betrof, die beet op haar magere vingers en staarde van den een naar den ander. “Hij rekent buiten mij,” dacht zij. “Hij rekent buiten mij—toch zalikmet hem trouwen.”Maar Beatrice leunde een oogenblik tegen den wand, en deed haar oogen dicht, om na te denken. O, zij zag in haar verbeelding reeds aanplakbiljetten met haar naam en dien van Geoffrey er op, de schandelijkste afbeeldingen van haar in zijn armen, de kolommen in de bladen vol ergerlijke bizonderheden, de brieven van verontwaardigde huismoeders—dit alles zag zij! Zij hoorde reedsde smadelijketoespelingenin het Lagerhuis—het hoongelach en de bittere aanvallen van vijanden en mededingers. Dan zou Lady Honoria haar proces beginnen, en alles zou weer van nieuws af opgerakeld worden, en Geoffrey’s schuld zou op ieders lippen zijn, totdat hij geruïneerd was. Mocht zij dit iemand op den hals halen, wiens eenige misdaad geweest was dat hij haar had leeren beminnen? Neen, neen, maar evenmin kon zij met dien hatelijken man trouwen. Hoe was het echter mogelijk zich er uit te redden? Zij nam haar toevlucht tot haar vrouwelijk vernuft, en dat begaf haar niet. Binnen weinige oogenblikken had zij dit alles overdacht en haar besluit genomen.“Hoe kan ik u zoo dadelijk antwoorden, mijnheer Davies?” zeide zij. “Ik moet tijd tot beraad hebben. Het is niet mannelijk mij met zulk een wraak te dreigen, doch ik weet dat ge mij bemint, en daarom verontschuldig ik het. Maar ge moet mij tijd laten. Ik ben nu te ontroerd.”“Wat, nog een jaar? Neen, neen,” zeide hij, “ge moet antwoorden.”“Ik vraag geen jaar of geen maand. Ik vraag maar één week. Als ge mij die niet geeft, dan trotseer ik u, en moet gij maar doen wat gij niet laten kunt. Ik kan u nu niet antwoorden.”Dat was een stoute zet, maar hij was van uitwerking. Davies aarzelde.“Sta haar een week toe,” zeide haar vader tot hem. “Zij is zichzelve niet.”“Nu goed, een week dan, maar niet meer,” antwoordde hij.“Ik heb nog een andere voorwaarde te maken,” hernam Beatrice. “Gij moet mij allen zweren, dat geen woord hiervan over uw lippen komt; dat ik in die week niet gekweld of gedrongen of door iemand uwer over dit punt aangesproken zal worden. Als ik, na verloop van dien tijd, nog weiger uw aanzoek aan te nemen, kunt gij het ergste doen wat gij wilt, maar tot zoolang moet gij u bedwingen.”Owen Davies aarzelde; hij vertrouwde haar niet recht.“Bedenk,” ging Beatrice voort, met verheffing van stem, “dat ik tot het uiterste gedreven ben. In mijn wanhoop zou ik misschien iets doen, wat gij niet verwacht, en dat zou niet ten voordeele van een van u allen zijn. Zweert gij dat?”“Ja,” zeide Owen.Toen zag Beatrice naar Elisabeth, en Elisabeth zag naar haar. Zij bespeurde dat de zaak een anderen vorm had aangenomen. Zij zag, wat haar dwaze jaloerschheid tot dusverre voor haar verborgen had gehouden—dat Beatrice niet van zins was met Owen Davies te trouwen, dat zij alleen maar tijd won om een plan, dat zij had, ten uitvoer te brengen. Wat dat was, daar bekreunde Elisabeth zich weinig om, als het maar geen kansen, die voor het oogenblik zwak genoeg schenen, geheel wegnam. Het was niet noodig buiten de grenzen van haar eigen belangen tegen haar zuster of haar minnaar Geoffrey te werk te gaan. Beatrice zou haar week uitstel hebben, voor zooverre haar betrof. Zij besefte nu te laat hoe groot haar dwaling was geweest. O, had zij maar dadelijk Beatrice’s vertrouwen gezocht! Maar het was haar onmogelijk toegeschenen, dat haar zuster zulk een kans zou vergooien.“Zeker beloof ik het, Beatrice,” zeide zij zachtmoedig. “Ik zweer het niet, want ‘zweert ganschelijk niet’ staat geschreven. Ik heb alleen gedaan wat ik mijn plicht achtte, door mijnheer Davies te waarschuwen. Als hij de zaak wil doorzetten, gaat het mij niet aan. Ik heb u of mijnheer Bingham niet willen krenken. Ik heb alleen naar mijn godsdienstige overtuiging gehandeld.”“O, wees nu maar niet zoo godsdienstig in den mond, wees het liever in je daden!” zeide haar vader, ditmaal uit zijn zwakke zelfzucht gewekt. “Wij hebben allen beloofd deze week te zwijgen.”Toen verliet Beatrice de kamer, en na haar Owen Davies, zonder een woord meer te zeggen.“Elisabeth,” sprak haar vader, “wat je daar gedaan hebt, is slecht! Waarom deed je het?”“Wilt ge dat weten, vader?” zeide zij koel; “dan zal ik u zeggen waarom. Omdat ik voornemens ben zelve met Owen Davies tetrouwen. In deze wereld is ieder zichzelf het naast, dat weet ge wel; dat is een stelregel, dien gij ook nooit vergeet. Ik ben van plan met hem te trouwen; en al schijnt mij dat mislukt te zijn, met hem trouwen zal ik toch! En nu weet gij er alles van; en als gij niet dwaas zijt laat ge mij maar stil begaan!”En zij ging ook de kamer uit, en liet hem alleen.Granger sloeg van verbazing de handen omhoog. Hij was een zelfzuchtig, en een geldzuchtig man ook; maar hij gevoelde dat hij toch niet verdiend had zulk een dochter te hebben.

Hoofdstuk XXIV.Lady Honoria trekt te velde.Geoffrey spoedde zich naar de pastorie, om zijn bagage te halen en afscheid te nemen. Hij had geen tijd om te ontbijten, en daar was hij blijde om, want het zou hem niet mogelijk geweest zijn te eten. Hij vond Elisabeth en haar vader in de huiskamer.“Waar zijt ge in dat natte weer geweest, mijnheer Bingham?” vroeg Granger.“Ik heb met Miss Beatrice een wandeling gedaan; zij komt door het dorp terug,” antwoordde hij. “Ik geef niet om den regen, en ik wilde nog wat versche lucht scheppen, eer ik naar den tredmolen terugga. Dank u—alleen maar een kop thee—onderweg zal ik wel wat eten.”“Wat is dat vriendelijk van hem!” dacht Granger; “hij heeft Beatrice zeker nog eens over Owen Davies gesproken.”“Zeg, mijnheer Bingham,” wendde hij zich weder tot hem, “hebt gij van nacht ook iets door het huis hooren bewegen, toen de storm op ’t hevigst was? Eerst werd er een deur met zooveel geweld dichtgeslagen, dat ik opstond om te zien wat het was, en toen ik de gang doorliep, had ik er wel op kunnen zweren, dat ik iets wits de ongebruikte logeerkamer zag binnengaan. Maar mijn kaars woeiuit, en eer ik weer licht had aangestoken, was er niets meer te zien.”“Dat heeft bizonder veel van een geestverschijning,” antwoordde Geoffrey onverschillig; maar hij wist, dat die geest hem nog menigen dag zou verschijnen.“Dat is toch raar,” viel Elisabeth levendig in, haar oogen scherp op hem vestigende. “Weet gij wel, dat ik mij verbeeld heb de deur van onze kamer tweemaal op een geheimzinnige wijze te hebben zien open- en dichtdoen? Ik geloof dat Beatrice er iets mede te maken heeft; zij kan zoo zonderling wezen.”Geoffrey bewoog geen spier van zijn gelaat; hij was er in geoefend het in bedwang te houden. Maar hij had wel willen weten hoeveel zij eigenlijk wist. Intusschen moest zij tot zwijgen gebracht worden.“Neem mij niet kwalijk dat ik over iets anders spreek,” zeide hij, “maar ik heb geen tijd om over ‘De geestverschijning in de pastorie’ te spreken. A propos, dat zou een mooie titel zijn. Ik geloof, mijnheer Granger, dat ik in het bijzijn van Miss Elisabeth wel over zaken kan spreken?”“Wel zeker, mijnheer Bingham,” antwoordde Granger, “Elisabeth is mijn rechterhand, en er is in Bryngelly niemand, die zulk een goed hoofd voor zaken heeft als zij.”“Ik wilde alleen dit zeggen,” ging Geoffrey voort. “Als gij door de slechte betaling van uw tienden verder in ongelegenheid mocht komen, meld het mij dan. Ik zal altijd bereid zijn u te helpen, als ik kan. En nu moet ik weg.”Hij sprak zoo om twee redenen. Ten eerste, wat zeer natuurlijk was, wilde hij Beatrice voor den druk van armoede beschermen, en hij wist wel dat het vruchteloos zou zijn haar rechtstreeksche hulp aan te bieden. Ten tweede, wilde hij Elisabeth toonen dat het niet in het voordeel van het gezin zou zijn, met hem te twisten. Dit zou haar misschien bewegen er van te zwijgen als zij een geest gezienhad. Hij wist niet, dat zij een veel hooger spel voor zichzelve speelde, een spel waarbij duizenden ’s jaars te winnen waren, en dat zij bovendien razend jaloersch was, wat bij zulk een vrouw voor liefde moet doorgaan.Elisabeth zeide op dat aanbod niets, en voordat Granger zijn dank kon betuigen, was Geoffrey weg.Drie weken verliepen, en Elisabeth speelde haar kaart nog niet uit. Beatrice verrichtte haar dagelijksche werkzaamheden, bleek en neerslachtig. Elisabeth sprak haar geen woord toe, in een zin, die vermoeden bij haar kon wekken, en de spookgeschiedenis was, of scheen althans, nagenoeg vergeten. Maar eindelijk gebeurde er iets, dat Elisabeth deed besluiten haar slag te slaan. Op zekeren dag ontmoette zij Owen Davies, die met al de manieren van een half onwijze, zooals hij in den laatsten tijd had aangenomen, langs het strand wandelde. Hij bleef staan, en begon dadelijk een gesprek met haar.“Ik kan het niet langer uithouden,” zeide hij, zijn armen woest omhoog slaande. “Ik heb haar gisteren gezien, en zij scheepte mij af voordat ik een woord kon spreken. Ik heb om geduld gebeden, en dat wil niet komen; doch een stem scheen mij te zeggen, dat ik nog tien dagen moest wachten, tien dagen maar, en dat dan Beatrice, mijn schoone Beatrice, eindelijk mijn vrouw zou worden.”“Als gij zoo voortgaat, mijnheer Davies,” voegde Elisabeth hem scherp toe, met een hart vol wrevelige jaloezie, “zal het niet lang duren of ge zijt volslagen gek. Schaamt ge u niet zooveel beweging te maken over een lief gezichtje? Als ge volstrekt wilt trouwen, trouw dan met iemand anders.”“Met iemand anders trouwen,” zeide hij droomerig; “ik zou niet weten met wie ik anders zou moeten trouwen, ofgijzoudt het moeten zijn, en gij zijt Beatrice niet.”“Neen,” antwoordde Elisabeth toornig: “ik hoop dat ik meer verstand heb dan zij, en als ge met mij wildet trouwen, zoudt ge het heel anders moeten aanleggen. Ik ben, Goddank, Beatrice niet, maar ik ben haar zuster, en ik waarschuw u, dat ik meer van haar weet dan gij. Als vriendin waarschuw ik u, voorzichtig te zijn. Gesteld eens, dat Beatrice u niet waardig was, zoudt gij dan toch met haar willen trouwen?”Owen Davies was eigenlijk in zijn hart wel wat bang voor Elisabeth, evenals de meeste menschen, die het voorrecht hadden haar te kennen. Ook was hij zoo dom niet, of hij vermoedde wel eenigszins, dat Elisabeth iets in haar schild voerde, wat, wist hij niet.“Neen, natuurlijk niet,” zeide hij. “Natuurlijk zou ik niet met haar trouwen, als zij niet geschikt was om mijn vrouw te worden—maar dat moet ik eerst weten, voordat ik er van spreek met iemand anders te trouwen. Goeden middag, Miss Elisabeth. Het zal nu spoedig beslist zijn; zoo kan het niet langer voortgaan. Mijn gebeden zullen verhoord worden, dat weet ik.”“Daar heb je gelijk in, Owen,” dacht Elisabeth, terwijl zij hem met onbeschrijfelijke bitterheid, om niet te zeggen, verachting, nazag. “Je gebeden zullen verhoord worden op een manier, die je zal verbazen. Je zult niet met Beatrice trouwen, maar metmij. De visch is lang genoeg aan den haak geweest, nu moet ik beginnen op te halen.”Wat zonderling was, nooit kwam het bij Elisabeth op, dat Beatrice zelve wel de ware hinderpaal kon zijn tegen het huwelijk dat zij wilde beletten. Zij wist dat haar zuster veel van Geoffrey Bingham hield, maar dat zij, als het er op aankwam, zulk een schitterende toekomst voor haar liefde zou opofferen, geloofde zij geen oogenblik. Natuurlijk achtte zij het wel mogelijk, als Beatrice Geoffrey kon bezitten, dat zij hem de voorkeur zou geven, maar nu dit eenmaal niet kon, hield Elisabeth zich overtuigd, naar haar eigen lagen maatstaf oordeelende, dat zij Owen toch wel zou nemen. Het kwam haar niet denkbaar voor, dat wat zoo kostelijk in haar eigen oogen was, in die van haar zuster zonder waarde, ja zelfs hatelijk kon zijn. Wat dat nachtelijk avontuurtjebetrof, dat had met haar huwelijk niets te maken. Men vergeet zoo iets als men trouwt, soms trouwt men zelfs om zoo iets te vergeten.Ja, zij moest haar slag slaan—maar hoe? Elisabeth had ook zoo haar eigen begrippen. Zij zag er geen bezwaar in, haar zuster en vermeende medeminnares in ’t verderf te storten, maar zij zou er veel liever bij de daad niet den naam van hebben. Natuurlijk,als het tot het ergste kwam, moest zij het doen. Was er geen ander voor te vinden—iemand, die het niet uit wraak, maar uit deugdzaamheid deed? Ha! zij had er iemand voor: Lady Honoria! Wie kon beter voor zulk een doel dienen dan de zwaar beleedigde vrouw? Maar hoe zou zij haar de omstandigheden mededeelen zonder er zelve in betrokken te zijn? Weder had zij er iets op gevonden—“un vieux truc mais toujours bon”—het oude middel van lage zielen, een naamloozen brief, waarbij men het groote voordeel heeft van buiten schot te blijven. Juist, een naamlooze brief, naar allen schijn door een dienstbode geschreven: dat was het. Het gevolg zou hoogst waarschijnlijk zijn, dat Lady Honoria scherp onderzoek deed, in welk geval Elisabeth, natuurlijk, tegen haar zin, genoodzaakt zou zijn te zeggen wat zij wist: bijna zeker zou het op een twist tusschen man en vrouw uitloopen, waardoor de eerstgenoemde in zijn kaart zou laten zien, of misschien ten opzichte van Beatrice een openlijken stap zou doen. Het speet haar voor Geoffrey, wien zij geen kwaad hart toedroeg, maar er was niets tegen te doen: hij moest opgeofferd worden.Dienzelfden avond schreef zij haar brief, en zond dien op, om door een oude dienstbode, die in Londen woonde, op de post gedaan te worden. Het was een meesterstuk in zijn soort, vooral alsfoutiefopstel, en met een slechte, grove hand geschreven.Gezuiverd van taal- en spelfouten, zou de inhoud aldus geluid hebben:“Mylady,—Mijn geweten dwingt mij er toe, zeer tegen mijn zin, u dezen te schrijven. Ik had er eerst maar liever niet van willen spreken, omdat ik Miss B. als braaf en onschuldig heb gekend, en ook om uw slechten echtgenoot, dien wolf in schaapsvacht, te sparen. Maar als ik aan u denk, Mylady, als een eerbare, deugdzame vrouw, en aan hetgeen ik gezien heb, en waar ik nog om moet blozen, weet ik dat het mijn heilige plicht is uw Ladyschap te schrijven als volgt. Uw Ladyschap moet het mij niet kwalijk nemen, maar in den nacht van Pinksterzondag is Miss B. Granger, na middernacht, naar de kamer van uw slechten echtgenoot gegaan—zooals ik mij schaam gezien te hebben. Meer dan eenuur later kwam zij er weer uit,in zijn armengedragen. En als uw Ladyschap mij niet gelooft, laat uw Ladyschap dan maar aan Miss Elisabeth schrijven, die ook het ongeluk heeft gehad het te zien, evenals uw getrouwe vriendin“De Schrijfster.”Te behoorlijker tijd kwam deze allerliefste mededeeling Lady Honoria, met een Londenschen poststempel, in handen. Zij las en herlas den brief, en de inhoud was niet moeilijk te begrijpen. Na een nacht tijd tot bedenking genomen te hebben, volgde zij den raad van “de schrijfster” en schreef aan Elisabeth, wie zij een afschrift van den brief toezond, betuigende dat zij er volstrekt geen geloof aan sloeg, en een antwoord verzoekende, dat dien vuigen laster voor altijd uit haar gedachten verdreef.Het antwoord kwam per omgaande. Het was kort, en listig gesteld.“Waarde Lady Honoria Bingham,” luidde het, “gij moet mij vergeven, als ik weiger de vragen in uw brief te beantwoorden. Gij zult licht begrijpen dat iemand, die den goeden naam eener zuster wenscht op te houden, en niet in staat is, wat ieder Christen zal moeten waardeeren, onwaarheid te spreken, zich in een allermoeielijksten toestand bevindt—een toestand, waarmedegijzelfs medelijden zult hebben, hoewel ik dat onder zulke omstandigheden weinig te verwachten heb van een vrouw, die zich zoo zwaar beleedigd moet achten. Laat mij er bijvoegen, dat niet anders dan wanneer ik er voor de rechtbank toe gedwongen word, een woord over mijn lippen zal komen van de omstandigheden (die, naar ik vertrouw, verkeerd begrepen zijn) vermeld in den brief, waarvan ge mij ingesloten een afschrift gezonden hebt.”Dienzelfden avond, alsof het noodlot het zoo wilde, hadden Lady Honoria en haar echtgenoot een twist. Als gewoonlijk, was het over Effie, want over de meeste andere onderwerpen bewaarden zij een gewapende neutraliteit. In de bizonderheden van dien twist behoeven wij niet te treden, maar eindelijk verloor Geoffrey, die in een geprikkelden gemoedstoestand was, zijn geduld.“Ge zijt ongeschikt om voor het kind te zorgen,” zeide hij. Ge denkt alleen maar aan uzelve.”Zij zag hem aan, met een nijdige uitdrukking op haar schoon en koel gelaat.“Wees voorzichtig wat ge zegt, Geoffrey,” voegde zij hem toe. “Gijzijt het, die niet geschikt zijt voor Effie te zorgen. Pas maar op dat ik haar u niet geheel afneem, zooals ik doen kan, als ik wil.”“Wat bedoelt ge met die bedreiging?” vroeg hij.“Wilt ge het weten? Welnu, dan zal ik het u zeggen. Ik begrijp genoeg van de wet, om wel te weten dat een vrouw scheiding van een ontrouwen echtgenoot kan aanvragen, en, wat meer is, hem zijn kinderen kan ontnemen.”“Ik vraag u nogmaals wat dat beteekent?” hernam Geoffrey, bleek van toorn.“Ik bedoel dit. Dat Welsche meisje is uw minnares. Zij heeft den nacht vóór Pinksteren in uw kamer doorgebracht, en ge hebt haar in uw armen er uit gedragen.”“Dat is een leugen!” riep hij uit; “daar is niets van aan. Ik weet niet wie u zulk een schandelijke leugen verteld heeft, maar wie het gedaan heeft, zal er voor boeten.”“Niemand zal er voor boeten, Geoffrey, omdat ge het geval niet durft ophalen—al was het alleen maar om het meisje, zoo niet om uzelven. Kunt ge ontkennen, dat men haar, in den nacht vóór Pinksteren, in uw armen uit uw kamer heeft zien dragen? Kunt ge ontkennen dat ge verliefd op haar zijt?”“En gesteld dat ik verliefd op haar was, zou dat te verwonderen zijn, bij zoo’n behandeling als ik van u ondervind, en sinds jaren ondervonden heb?” zeide hij woedend. “Het is de grootste laster, te zeggen dat zij mijn minnares is.”“Ge hebt mij nog niet op mijn vraag geantwoord,” hernam Lady Honoria, met een zegevierenden glimlach. “Hebt ge in het holle van den nacht dat meisje in uw armen uw kamer uitgedragen?” Het beteekende, natuurlijk, niets. Wie zou die allerliefste,verstandige schoolmatres een klad durven opwerpen? Ik ben niet jaloersch, Geoffrey—”“Zooals het tusschen ons staat, zou ik dat ook niet denken.”“Ik ben niet jaloersch, herhaal ik, maar versta mij wel, dat ik niet wil hebben dat het langer zoo voortgaat, inuwbelang en het mijne. Wat moet ge dwaas zijn! Weet ge dan niet, dat een man, die in aanzien gestegen is, zooals gij, honderd vijanden heeft, die bereid zijn om als een troep wolven op hem aan te vallen en hem te verscheuren? Zelfs wie voor u kruipen en u in uw gezicht vleien, haten u in het geheim, omdat gij het verder hebt gebracht dan zij. Weet ge ook niet, dat er hier in Londen bladen zijn, die honderden ponden zouden geven voor de kans om zoo’n schandaal als dit publiek te maken, inzonderheid omdat het zulk een machtigen politieken tegenstander betreft? Laat het maar eens uitkomen dat dit onbeteekenende meisje uw minnares is—”“Honoria, ik zeg u dat er niets van aan is. ’t Is waar dat ik haar in een bezwijming mijn kamer heb uitgedragen, maar zij was daar in haar slaap gekomen.”Lady Honoria lachte. “Waarlijk, Geoffrey, ik verbaas mij er over, dat ge het de moeite waard acht mij zoo’n onzin te vertellen. Bewaar dat voor het Hof van Echtscheiding, als wij daar komen, en zie wat een jury er van zegt. Hoor eens, wees verstandig. Ik ben geen zedenpreekster, en ik zal ook niet de rol van een beleedigde vrouw spelen, tenzij ge er mij toe noodzaakt. Ik ben niet voornemens verder notitie te nemen van dit interessant historietje te uwen nadeele. Maar wacht u, als ge er mee voortgaat! Ik wil niet voor gek gehouden worden. Als ge u wilt ruïneeren, moet ge het maar alleen doen. Ik waarschuw u ronduit, dat bij het minste teeken, dat ik er van bespeur, ik van mijn recht gebruik zal maken om u een proces van echtscheiding aan te doen. Ik weet, natuurlijk, wel, dat als het tot een scheiding kwam, ge blij zoudt zijn dat ge mij kwijt waart, om uw lieve Beatrice in mijn plaats welkom te heeten. Maar twee dingen moet ge bedenken: ten eerste, dat ge niet met haar zoudt kunnen trouwen, als ge zoomal waart dat te willen doen, omdat ik alleen maar scheiding tusschen tafel en bed zou aanvragen, en dus zoudt ge nog niet van mij af zijn. Ten tweede, als ik heenga, neem ik Effie mee, want de wet geeft mij het recht haar op te eischen; en dat, mijn waarde Geoffrey, maakt dat ik het hecht in handen heb, want ik geloof niet dat ge van Effie zoudt willen afzien, zelfs niet om die juffrouw Beatrice. En nu laat ik het aan u zelven over hoe ge er over denkt.”En met een hoofdknik stevende zij zegevierend de kamer uit. Zij had werkelijk “het hecht in handen,” bedacht Geoffrey. Als zij hem werkelijk eens een proces tot echtscheiding aandeed? Zij moest het voorgevallene vernomen hebben, hoe wist zij er anders van? Klaarblijkelijk was iemand van het geheele tooneel getuige geweest, waarschijnlijk Elisabeth of de dienstmaagd, en had die het aan Honoria, en mogelijk aan anderen, verraden. Dit denkbeeld beangstte hem. Hij was een man van de wereld en een praktisch rechtsgeleerde, en hij wist, dat hoewel zij onschuldig waren, er weinigen zouden gevonden worden, die het geloofden. Het kon niets anders dan een verschrikkelijk en ergerlijk schandaal geven, en Beatrice zou haar goeden naam verliezen. Hij plaatste zich op het standpunt van den advocaat voor de eischeres, en stelde zich voor hoe hij in zijn aanspraak tot de jury zulk een verdediging zou havenen dat er niets van overbleef. Zoo iets onwaarschijnlijks!Ongetwijfeld zou Honoria van haar standpunt ook verstandig handelen. Al de sympathie van het publiek zou zij op haar hand hebben. Hij wist dat men het er algemeen voor hield, dat hij veel van het aanzien, waartoe hij was geraakt, aan zijn schoone vrouw van voorname geboorte had te danken. Nu zou men zeggen dat hij haar als een ladder had gebruikt, en haar verstiet nu hij haar niet meer noodig had. Tegen dit alles gevoelde hij zich echter bestand; de aanvallen van de pers en het hoongelach van zijn politieke en persoonlijke vijanden zou hij zelfs kunnen verdragen, maar Effie missen, dat kon hij niet. En als zulk een actietegen hem werd ingesteld, was het bijna zeker dat hij van haar zou moeten afzien, want als hij de verliezende partij was, zou het toezicht over het kind aan de beleedigde vrouw worden toegekend.Ook moest Beatrice in aanmerking genomen worden. Dezelfde booze tong, die Honoria van het voorgevallene onderricht had, zou het waarschijnlijk ook wel aan anderen ontdekken, en hoe de afloop ook voor hem was, op haar zou de beleedigde moraliteit zich zeker wreken. Een smet zou op Beatrice’s goeden naam kleven, haar betrekking zou zij verliezen, en het leven zou haar tot een last gemaakt worden. Ja, Honoria was aan het beste eind; zij had ware woorden en woorden van beteekenis gesproken.Wat te doen? Was er geen uitweg? Dien geheelen nacht, terwijl Geoffrey in het Lagerhuis zat, met de armen over elkaar geslagen, en schijnbaar aandachtig luisterende naar de lange redevoeringen der Oppositie, bleef die vraag hem bij. Hij beredeneerde den toestand nu van de eene, dan van de andere zijde, totdat hij eindelijk tot een besluit kwam. Of hij moest wachten totdat alles uitlekte, Beatrice aan smaad en schande prijs geven, en al zijn pogingen tot bevrediging van Honoria, en in ’t algemeen tot zelfbehoud aanwenden, òf hij moest de koe bij de horens pakken, zijn schitterende loopbaan in zijn vaderland vaarwel zeggen, en zijn toevlucht in een ander land zoeken, bij voorbeeld, Amerika, en Beatrice en Effie medenemen. Als het kind eenmaal buiten het rechtsgebied was, kon, natuurlijk, geen Gerechtshof haar hem ontrukken.Van die twee wegen, helde Geoffrey sterk tot den laatsten over.De betrekkingen tusschen hem en Honoria waren reeds sedert jaren zóó gespannen geweest, zóó geheel verschillend van wat zij tusschen man en vrouw hadden moeten zijn, dat het laakbare van zulk een stap er in zijn oogen veel door verloor. Ook zou hij weinig wroeging gevoeld hebben het kind van haar moeder weg te nemen, want de liefde tusschen die twee had niet over, en terecht vermoedde hij dat het mettertijd al minder en minder zou worden. Voor ’t overige, had hij zeventien duizend pond in handen; daar zou hij de helft van nemen en de andere helft aan Honoria laten. Hij wistdat hij overal, waarheen hij ging, den kost kon verdienen, en waarschijnlijk veel meer dan den kost, en van alles wat hij verdiende zou hij strikt de helft aan Honoria overmaken. Maar in de eerste plaats, en bovenal, moest hij aan Beatrice denken. Zij moest gered worden, al zou hij zichzelven ook in ’t ongeluk storten, om haar te redden.Het zal nauwelijks gezegd behoeven te worden, dat Lady Honoria weinig vermoedde tot welke gevaarlijke en vaste plannen zij haar echtgenoot dreef. Zij wilde Geoffrey bevreesd maken, maar zij wilde hem, en alles wat hij voor haar beteekende, niet verliezen; dat was wel het allerminst haar bedoeling. Zij gaf eigenlijk niet veel om het geheele voorval, maar haar slimheid zeide haar, dat het haar een overwicht gaf, waarvan zij gebruik moest maken. Daarom had zij zoo gesproken, hoewel het al erg had moeten loopen eer zij haar toevlucht tot de rechtbank zou nemen, waar misschien het een en ander, dat haarzelve betrof, aan het daglicht zou komen, wat zij maar liever in ’t duister wilde laten.Maar daarom liet zij het er niet bij; zij besloot ook nog van een andere zijde een aanval op Geoffrey te doen, namelijk, door Beatrice zelve. Lang aarzelde Honoria hoe zij dien aanval zou aanleggen. Zij had eenige wereld- en menschenkennis, en naar hetgeen zij van Beatrice wist, kwam zij tot het juist besluit, dat zij geen meisje was om te bedreigen, maar veeleer om een beroep op haar gevoel te doen. Dus schreef zij haar, na rijp beraad, aldus:“Een geschiedenis, die ik aarzel te gelooven, is mij, door middel van naamlooze brieven ter ooren gekomen, betreffende uw gedrag met mijn echtgenoot. Ik wil daar niet verder op terugkomen, dan alleen om te zeggen dat, als die geschiedenis waar is, deomstandighedengeen twijfel overlaten omtrent het bestaan van betrekkingen tusschen u beiden, zóó intiem, dat het bij schuldig af is. Het moge niet waar zijn of wel, in welk laatste geval ik dit wensch te zeggen: Met uw moraliteit heb ik niets te maken; dat is uw zaak. Ik wil mij ook niet de beleedigde vrouw toonen, of u verwijtingen doen, want er zijn gedragingen, die te erg zijn voor louter verwijtingen.Ik wil alleen maar zeggen: als de geschiedenis waar is, moet ik vooronderstellen dat gij voor den deelgenoot uwer schande eenige liefde gevoelt. Ik stel mijzelve buiten kwestie, en in den naam van die liefde verzoek ik u de zaak niet verder te drijven. Dat zou het ongeluk van het voorwerp uwer liefde zijn.Als gij veel van hem houdt, breek dan alle betrekkingen met hem voor altijd af.Anders zal hij u eenmaal vloeken en haten. Als gij dezen raad in den wind slaat, en wat ik vernomen heb ruchtbaar wordt, waarschuw ik u, zooals ik hem ook gewaarschuwd heb, dat ik mij uit eergevoel genoodzaakt zal zien den weg van rechten in te slaan. Bedenk dat zijn loopbaan op het spel staat, en dat hij, als hij mij verliest, zijn kind ook zal verliezen. Bedenk dat het door u is, als het daartoe komt. Antwoord niet op mijn schrijven, het zou niet baten, want ik zou, natuurlijk, aan uw betuigingen geen geloof slaan, maar als gij op eenigerlei wijze of eenigermate aan dien misstap schuldig zijt, zeg ik, mij op u beroepende als de eene vrouw op de andere en om den wille van den man, die ons beiden dierbaar is, tracht het kwaad te herstellendoor alle verdere gemeenschap tusschen u en hem onmogelijk te maken.“H. B.”Het was een slim gestelde brief: Lady Honoria had niet krachtiger op het gevoel van zulk een meisje als Beatrice kunnen werken. Met dezelfde post, die haar dezen brief bracht, kwam er ook een van Geoffrey zelven. Die was lang, en behoeft niet in zijn geheel medegedeeld te worden, maar hoewel eenigszins omsluierd, werd daarin de geheele toestand opengelegd, en het slot was: “Een huwelijk kan ik u niet aanbieden, slechts levenslange liefde. In andere omstandigheden zou zulk een aanbod beleedigend zijn, maar als het zoo gaat als ik vrees, is het wel waard in bedenking genomen te worden. Ik zeg niet tot u,kom! ik zeg,kom, als gij het wenscht. Neen, Beatrice, ik wil u dien zwaren last van te beslissen niet opleggen. Ik zegkom! Ik vorder niet dat gij komt, omdat ik beloofd heb geen invloed op u uit te oefenen. Maar ik smeek u te komen.Laten wij een einde maken aan dezen rampzaligen toestand, en de wereld verloren achten als de prijs onzer liefde. Kom, dierbare Beatrice—om mij niet te verlaten, totdat de dood ons scheidt. Ik stel mijn leven in uw handen; als gij het aanneemt, welk leed gij ook te trotseeren moogt hebben, mijn liefde, mijn achting, zult gij nooit verliezen. Denk niet om mij, denk om uzelve. Gij hebt mij uw liefde geschonken, evenals ik aan u de redding van mijn leven te danken heb. Ik ben u wederkeerig iets verschuldigd; ik kan niet zien dat er schande op u kleeft, zonder u vergoeding aan te bieden. Ja, voor zooverre mij betreft, zal ik alles wat ik verlies als niets beschouwen, vergeleken bij wat ik win door uw bezit. Wilt gij komen? Zoo ja, dan zullen wij dit land verlaten en in een andere wereldstreek een nieuw leven beginnen. Mijn tegenwoordig leven is toch eigenlijk niets anders geweest dan een onrustige droom. Het eenige ware, het eenige geluk, dat ik er in heb gevonden, is uw liefde geweest. Werpen wij dat geluk niet weg, Beatrice.”Per omgaande ontving hij dit antwoord, met potlood geschreven:“Neen, lieve Geoffrey. Er is niets aan te veranderen.—B.”Dat was het eenige.

Geoffrey spoedde zich naar de pastorie, om zijn bagage te halen en afscheid te nemen. Hij had geen tijd om te ontbijten, en daar was hij blijde om, want het zou hem niet mogelijk geweest zijn te eten. Hij vond Elisabeth en haar vader in de huiskamer.

“Waar zijt ge in dat natte weer geweest, mijnheer Bingham?” vroeg Granger.

“Ik heb met Miss Beatrice een wandeling gedaan; zij komt door het dorp terug,” antwoordde hij. “Ik geef niet om den regen, en ik wilde nog wat versche lucht scheppen, eer ik naar den tredmolen terugga. Dank u—alleen maar een kop thee—onderweg zal ik wel wat eten.”

“Wat is dat vriendelijk van hem!” dacht Granger; “hij heeft Beatrice zeker nog eens over Owen Davies gesproken.”

“Zeg, mijnheer Bingham,” wendde hij zich weder tot hem, “hebt gij van nacht ook iets door het huis hooren bewegen, toen de storm op ’t hevigst was? Eerst werd er een deur met zooveel geweld dichtgeslagen, dat ik opstond om te zien wat het was, en toen ik de gang doorliep, had ik er wel op kunnen zweren, dat ik iets wits de ongebruikte logeerkamer zag binnengaan. Maar mijn kaars woeiuit, en eer ik weer licht had aangestoken, was er niets meer te zien.”

“Dat heeft bizonder veel van een geestverschijning,” antwoordde Geoffrey onverschillig; maar hij wist, dat die geest hem nog menigen dag zou verschijnen.

“Dat is toch raar,” viel Elisabeth levendig in, haar oogen scherp op hem vestigende. “Weet gij wel, dat ik mij verbeeld heb de deur van onze kamer tweemaal op een geheimzinnige wijze te hebben zien open- en dichtdoen? Ik geloof dat Beatrice er iets mede te maken heeft; zij kan zoo zonderling wezen.”

Geoffrey bewoog geen spier van zijn gelaat; hij was er in geoefend het in bedwang te houden. Maar hij had wel willen weten hoeveel zij eigenlijk wist. Intusschen moest zij tot zwijgen gebracht worden.

“Neem mij niet kwalijk dat ik over iets anders spreek,” zeide hij, “maar ik heb geen tijd om over ‘De geestverschijning in de pastorie’ te spreken. A propos, dat zou een mooie titel zijn. Ik geloof, mijnheer Granger, dat ik in het bijzijn van Miss Elisabeth wel over zaken kan spreken?”

“Wel zeker, mijnheer Bingham,” antwoordde Granger, “Elisabeth is mijn rechterhand, en er is in Bryngelly niemand, die zulk een goed hoofd voor zaken heeft als zij.”

“Ik wilde alleen dit zeggen,” ging Geoffrey voort. “Als gij door de slechte betaling van uw tienden verder in ongelegenheid mocht komen, meld het mij dan. Ik zal altijd bereid zijn u te helpen, als ik kan. En nu moet ik weg.”

Hij sprak zoo om twee redenen. Ten eerste, wat zeer natuurlijk was, wilde hij Beatrice voor den druk van armoede beschermen, en hij wist wel dat het vruchteloos zou zijn haar rechtstreeksche hulp aan te bieden. Ten tweede, wilde hij Elisabeth toonen dat het niet in het voordeel van het gezin zou zijn, met hem te twisten. Dit zou haar misschien bewegen er van te zwijgen als zij een geest gezienhad. Hij wist niet, dat zij een veel hooger spel voor zichzelve speelde, een spel waarbij duizenden ’s jaars te winnen waren, en dat zij bovendien razend jaloersch was, wat bij zulk een vrouw voor liefde moet doorgaan.

Elisabeth zeide op dat aanbod niets, en voordat Granger zijn dank kon betuigen, was Geoffrey weg.

Drie weken verliepen, en Elisabeth speelde haar kaart nog niet uit. Beatrice verrichtte haar dagelijksche werkzaamheden, bleek en neerslachtig. Elisabeth sprak haar geen woord toe, in een zin, die vermoeden bij haar kon wekken, en de spookgeschiedenis was, of scheen althans, nagenoeg vergeten. Maar eindelijk gebeurde er iets, dat Elisabeth deed besluiten haar slag te slaan. Op zekeren dag ontmoette zij Owen Davies, die met al de manieren van een half onwijze, zooals hij in den laatsten tijd had aangenomen, langs het strand wandelde. Hij bleef staan, en begon dadelijk een gesprek met haar.

“Ik kan het niet langer uithouden,” zeide hij, zijn armen woest omhoog slaande. “Ik heb haar gisteren gezien, en zij scheepte mij af voordat ik een woord kon spreken. Ik heb om geduld gebeden, en dat wil niet komen; doch een stem scheen mij te zeggen, dat ik nog tien dagen moest wachten, tien dagen maar, en dat dan Beatrice, mijn schoone Beatrice, eindelijk mijn vrouw zou worden.”

“Als gij zoo voortgaat, mijnheer Davies,” voegde Elisabeth hem scherp toe, met een hart vol wrevelige jaloezie, “zal het niet lang duren of ge zijt volslagen gek. Schaamt ge u niet zooveel beweging te maken over een lief gezichtje? Als ge volstrekt wilt trouwen, trouw dan met iemand anders.”

“Met iemand anders trouwen,” zeide hij droomerig; “ik zou niet weten met wie ik anders zou moeten trouwen, ofgijzoudt het moeten zijn, en gij zijt Beatrice niet.”

“Neen,” antwoordde Elisabeth toornig: “ik hoop dat ik meer verstand heb dan zij, en als ge met mij wildet trouwen, zoudt ge het heel anders moeten aanleggen. Ik ben, Goddank, Beatrice niet, maar ik ben haar zuster, en ik waarschuw u, dat ik meer van haar weet dan gij. Als vriendin waarschuw ik u, voorzichtig te zijn. Gesteld eens, dat Beatrice u niet waardig was, zoudt gij dan toch met haar willen trouwen?”

Owen Davies was eigenlijk in zijn hart wel wat bang voor Elisabeth, evenals de meeste menschen, die het voorrecht hadden haar te kennen. Ook was hij zoo dom niet, of hij vermoedde wel eenigszins, dat Elisabeth iets in haar schild voerde, wat, wist hij niet.

“Neen, natuurlijk niet,” zeide hij. “Natuurlijk zou ik niet met haar trouwen, als zij niet geschikt was om mijn vrouw te worden—maar dat moet ik eerst weten, voordat ik er van spreek met iemand anders te trouwen. Goeden middag, Miss Elisabeth. Het zal nu spoedig beslist zijn; zoo kan het niet langer voortgaan. Mijn gebeden zullen verhoord worden, dat weet ik.”

“Daar heb je gelijk in, Owen,” dacht Elisabeth, terwijl zij hem met onbeschrijfelijke bitterheid, om niet te zeggen, verachting, nazag. “Je gebeden zullen verhoord worden op een manier, die je zal verbazen. Je zult niet met Beatrice trouwen, maar metmij. De visch is lang genoeg aan den haak geweest, nu moet ik beginnen op te halen.”

Wat zonderling was, nooit kwam het bij Elisabeth op, dat Beatrice zelve wel de ware hinderpaal kon zijn tegen het huwelijk dat zij wilde beletten. Zij wist dat haar zuster veel van Geoffrey Bingham hield, maar dat zij, als het er op aankwam, zulk een schitterende toekomst voor haar liefde zou opofferen, geloofde zij geen oogenblik. Natuurlijk achtte zij het wel mogelijk, als Beatrice Geoffrey kon bezitten, dat zij hem de voorkeur zou geven, maar nu dit eenmaal niet kon, hield Elisabeth zich overtuigd, naar haar eigen lagen maatstaf oordeelende, dat zij Owen toch wel zou nemen. Het kwam haar niet denkbaar voor, dat wat zoo kostelijk in haar eigen oogen was, in die van haar zuster zonder waarde, ja zelfs hatelijk kon zijn. Wat dat nachtelijk avontuurtjebetrof, dat had met haar huwelijk niets te maken. Men vergeet zoo iets als men trouwt, soms trouwt men zelfs om zoo iets te vergeten.

Ja, zij moest haar slag slaan—maar hoe? Elisabeth had ook zoo haar eigen begrippen. Zij zag er geen bezwaar in, haar zuster en vermeende medeminnares in ’t verderf te storten, maar zij zou er veel liever bij de daad niet den naam van hebben. Natuurlijk,als het tot het ergste kwam, moest zij het doen. Was er geen ander voor te vinden—iemand, die het niet uit wraak, maar uit deugdzaamheid deed? Ha! zij had er iemand voor: Lady Honoria! Wie kon beter voor zulk een doel dienen dan de zwaar beleedigde vrouw? Maar hoe zou zij haar de omstandigheden mededeelen zonder er zelve in betrokken te zijn? Weder had zij er iets op gevonden—“un vieux truc mais toujours bon”—het oude middel van lage zielen, een naamloozen brief, waarbij men het groote voordeel heeft van buiten schot te blijven. Juist, een naamlooze brief, naar allen schijn door een dienstbode geschreven: dat was het. Het gevolg zou hoogst waarschijnlijk zijn, dat Lady Honoria scherp onderzoek deed, in welk geval Elisabeth, natuurlijk, tegen haar zin, genoodzaakt zou zijn te zeggen wat zij wist: bijna zeker zou het op een twist tusschen man en vrouw uitloopen, waardoor de eerstgenoemde in zijn kaart zou laten zien, of misschien ten opzichte van Beatrice een openlijken stap zou doen. Het speet haar voor Geoffrey, wien zij geen kwaad hart toedroeg, maar er was niets tegen te doen: hij moest opgeofferd worden.

Dienzelfden avond schreef zij haar brief, en zond dien op, om door een oude dienstbode, die in Londen woonde, op de post gedaan te worden. Het was een meesterstuk in zijn soort, vooral alsfoutiefopstel, en met een slechte, grove hand geschreven.Gezuiverd van taal- en spelfouten, zou de inhoud aldus geluid hebben:

“Mylady,—Mijn geweten dwingt mij er toe, zeer tegen mijn zin, u dezen te schrijven. Ik had er eerst maar liever niet van willen spreken, omdat ik Miss B. als braaf en onschuldig heb gekend, en ook om uw slechten echtgenoot, dien wolf in schaapsvacht, te sparen. Maar als ik aan u denk, Mylady, als een eerbare, deugdzame vrouw, en aan hetgeen ik gezien heb, en waar ik nog om moet blozen, weet ik dat het mijn heilige plicht is uw Ladyschap te schrijven als volgt. Uw Ladyschap moet het mij niet kwalijk nemen, maar in den nacht van Pinksterzondag is Miss B. Granger, na middernacht, naar de kamer van uw slechten echtgenoot gegaan—zooals ik mij schaam gezien te hebben. Meer dan eenuur later kwam zij er weer uit,in zijn armengedragen. En als uw Ladyschap mij niet gelooft, laat uw Ladyschap dan maar aan Miss Elisabeth schrijven, die ook het ongeluk heeft gehad het te zien, evenals uw getrouwe vriendin“De Schrijfster.”

“Mylady,—Mijn geweten dwingt mij er toe, zeer tegen mijn zin, u dezen te schrijven. Ik had er eerst maar liever niet van willen spreken, omdat ik Miss B. als braaf en onschuldig heb gekend, en ook om uw slechten echtgenoot, dien wolf in schaapsvacht, te sparen. Maar als ik aan u denk, Mylady, als een eerbare, deugdzame vrouw, en aan hetgeen ik gezien heb, en waar ik nog om moet blozen, weet ik dat het mijn heilige plicht is uw Ladyschap te schrijven als volgt. Uw Ladyschap moet het mij niet kwalijk nemen, maar in den nacht van Pinksterzondag is Miss B. Granger, na middernacht, naar de kamer van uw slechten echtgenoot gegaan—zooals ik mij schaam gezien te hebben. Meer dan eenuur later kwam zij er weer uit,in zijn armengedragen. En als uw Ladyschap mij niet gelooft, laat uw Ladyschap dan maar aan Miss Elisabeth schrijven, die ook het ongeluk heeft gehad het te zien, evenals uw getrouwe vriendin

“De Schrijfster.”

Te behoorlijker tijd kwam deze allerliefste mededeeling Lady Honoria, met een Londenschen poststempel, in handen. Zij las en herlas den brief, en de inhoud was niet moeilijk te begrijpen. Na een nacht tijd tot bedenking genomen te hebben, volgde zij den raad van “de schrijfster” en schreef aan Elisabeth, wie zij een afschrift van den brief toezond, betuigende dat zij er volstrekt geen geloof aan sloeg, en een antwoord verzoekende, dat dien vuigen laster voor altijd uit haar gedachten verdreef.

Het antwoord kwam per omgaande. Het was kort, en listig gesteld.

“Waarde Lady Honoria Bingham,” luidde het, “gij moet mij vergeven, als ik weiger de vragen in uw brief te beantwoorden. Gij zult licht begrijpen dat iemand, die den goeden naam eener zuster wenscht op te houden, en niet in staat is, wat ieder Christen zal moeten waardeeren, onwaarheid te spreken, zich in een allermoeielijksten toestand bevindt—een toestand, waarmedegijzelfs medelijden zult hebben, hoewel ik dat onder zulke omstandigheden weinig te verwachten heb van een vrouw, die zich zoo zwaar beleedigd moet achten. Laat mij er bijvoegen, dat niet anders dan wanneer ik er voor de rechtbank toe gedwongen word, een woord over mijn lippen zal komen van de omstandigheden (die, naar ik vertrouw, verkeerd begrepen zijn) vermeld in den brief, waarvan ge mij ingesloten een afschrift gezonden hebt.”

Dienzelfden avond, alsof het noodlot het zoo wilde, hadden Lady Honoria en haar echtgenoot een twist. Als gewoonlijk, was het over Effie, want over de meeste andere onderwerpen bewaarden zij een gewapende neutraliteit. In de bizonderheden van dien twist behoeven wij niet te treden, maar eindelijk verloor Geoffrey, die in een geprikkelden gemoedstoestand was, zijn geduld.

“Ge zijt ongeschikt om voor het kind te zorgen,” zeide hij. Ge denkt alleen maar aan uzelve.”

Zij zag hem aan, met een nijdige uitdrukking op haar schoon en koel gelaat.

“Wees voorzichtig wat ge zegt, Geoffrey,” voegde zij hem toe. “Gijzijt het, die niet geschikt zijt voor Effie te zorgen. Pas maar op dat ik haar u niet geheel afneem, zooals ik doen kan, als ik wil.”

“Wat bedoelt ge met die bedreiging?” vroeg hij.

“Wilt ge het weten? Welnu, dan zal ik het u zeggen. Ik begrijp genoeg van de wet, om wel te weten dat een vrouw scheiding van een ontrouwen echtgenoot kan aanvragen, en, wat meer is, hem zijn kinderen kan ontnemen.”

“Ik vraag u nogmaals wat dat beteekent?” hernam Geoffrey, bleek van toorn.

“Ik bedoel dit. Dat Welsche meisje is uw minnares. Zij heeft den nacht vóór Pinksteren in uw kamer doorgebracht, en ge hebt haar in uw armen er uit gedragen.”

“Dat is een leugen!” riep hij uit; “daar is niets van aan. Ik weet niet wie u zulk een schandelijke leugen verteld heeft, maar wie het gedaan heeft, zal er voor boeten.”

“Niemand zal er voor boeten, Geoffrey, omdat ge het geval niet durft ophalen—al was het alleen maar om het meisje, zoo niet om uzelven. Kunt ge ontkennen, dat men haar, in den nacht vóór Pinksteren, in uw armen uit uw kamer heeft zien dragen? Kunt ge ontkennen dat ge verliefd op haar zijt?”

“En gesteld dat ik verliefd op haar was, zou dat te verwonderen zijn, bij zoo’n behandeling als ik van u ondervind, en sinds jaren ondervonden heb?” zeide hij woedend. “Het is de grootste laster, te zeggen dat zij mijn minnares is.”

“Ge hebt mij nog niet op mijn vraag geantwoord,” hernam Lady Honoria, met een zegevierenden glimlach. “Hebt ge in het holle van den nacht dat meisje in uw armen uw kamer uitgedragen?” Het beteekende, natuurlijk, niets. Wie zou die allerliefste,verstandige schoolmatres een klad durven opwerpen? Ik ben niet jaloersch, Geoffrey—”

“Zooals het tusschen ons staat, zou ik dat ook niet denken.”

“Ik ben niet jaloersch, herhaal ik, maar versta mij wel, dat ik niet wil hebben dat het langer zoo voortgaat, inuwbelang en het mijne. Wat moet ge dwaas zijn! Weet ge dan niet, dat een man, die in aanzien gestegen is, zooals gij, honderd vijanden heeft, die bereid zijn om als een troep wolven op hem aan te vallen en hem te verscheuren? Zelfs wie voor u kruipen en u in uw gezicht vleien, haten u in het geheim, omdat gij het verder hebt gebracht dan zij. Weet ge ook niet, dat er hier in Londen bladen zijn, die honderden ponden zouden geven voor de kans om zoo’n schandaal als dit publiek te maken, inzonderheid omdat het zulk een machtigen politieken tegenstander betreft? Laat het maar eens uitkomen dat dit onbeteekenende meisje uw minnares is—”

“Honoria, ik zeg u dat er niets van aan is. ’t Is waar dat ik haar in een bezwijming mijn kamer heb uitgedragen, maar zij was daar in haar slaap gekomen.”

Lady Honoria lachte. “Waarlijk, Geoffrey, ik verbaas mij er over, dat ge het de moeite waard acht mij zoo’n onzin te vertellen. Bewaar dat voor het Hof van Echtscheiding, als wij daar komen, en zie wat een jury er van zegt. Hoor eens, wees verstandig. Ik ben geen zedenpreekster, en ik zal ook niet de rol van een beleedigde vrouw spelen, tenzij ge er mij toe noodzaakt. Ik ben niet voornemens verder notitie te nemen van dit interessant historietje te uwen nadeele. Maar wacht u, als ge er mee voortgaat! Ik wil niet voor gek gehouden worden. Als ge u wilt ruïneeren, moet ge het maar alleen doen. Ik waarschuw u ronduit, dat bij het minste teeken, dat ik er van bespeur, ik van mijn recht gebruik zal maken om u een proces van echtscheiding aan te doen. Ik weet, natuurlijk, wel, dat als het tot een scheiding kwam, ge blij zoudt zijn dat ge mij kwijt waart, om uw lieve Beatrice in mijn plaats welkom te heeten. Maar twee dingen moet ge bedenken: ten eerste, dat ge niet met haar zoudt kunnen trouwen, als ge zoomal waart dat te willen doen, omdat ik alleen maar scheiding tusschen tafel en bed zou aanvragen, en dus zoudt ge nog niet van mij af zijn. Ten tweede, als ik heenga, neem ik Effie mee, want de wet geeft mij het recht haar op te eischen; en dat, mijn waarde Geoffrey, maakt dat ik het hecht in handen heb, want ik geloof niet dat ge van Effie zoudt willen afzien, zelfs niet om die juffrouw Beatrice. En nu laat ik het aan u zelven over hoe ge er over denkt.”

En met een hoofdknik stevende zij zegevierend de kamer uit. Zij had werkelijk “het hecht in handen,” bedacht Geoffrey. Als zij hem werkelijk eens een proces tot echtscheiding aandeed? Zij moest het voorgevallene vernomen hebben, hoe wist zij er anders van? Klaarblijkelijk was iemand van het geheele tooneel getuige geweest, waarschijnlijk Elisabeth of de dienstmaagd, en had die het aan Honoria, en mogelijk aan anderen, verraden. Dit denkbeeld beangstte hem. Hij was een man van de wereld en een praktisch rechtsgeleerde, en hij wist, dat hoewel zij onschuldig waren, er weinigen zouden gevonden worden, die het geloofden. Het kon niets anders dan een verschrikkelijk en ergerlijk schandaal geven, en Beatrice zou haar goeden naam verliezen. Hij plaatste zich op het standpunt van den advocaat voor de eischeres, en stelde zich voor hoe hij in zijn aanspraak tot de jury zulk een verdediging zou havenen dat er niets van overbleef. Zoo iets onwaarschijnlijks!

Ongetwijfeld zou Honoria van haar standpunt ook verstandig handelen. Al de sympathie van het publiek zou zij op haar hand hebben. Hij wist dat men het er algemeen voor hield, dat hij veel van het aanzien, waartoe hij was geraakt, aan zijn schoone vrouw van voorname geboorte had te danken. Nu zou men zeggen dat hij haar als een ladder had gebruikt, en haar verstiet nu hij haar niet meer noodig had. Tegen dit alles gevoelde hij zich echter bestand; de aanvallen van de pers en het hoongelach van zijn politieke en persoonlijke vijanden zou hij zelfs kunnen verdragen, maar Effie missen, dat kon hij niet. En als zulk een actietegen hem werd ingesteld, was het bijna zeker dat hij van haar zou moeten afzien, want als hij de verliezende partij was, zou het toezicht over het kind aan de beleedigde vrouw worden toegekend.

Ook moest Beatrice in aanmerking genomen worden. Dezelfde booze tong, die Honoria van het voorgevallene onderricht had, zou het waarschijnlijk ook wel aan anderen ontdekken, en hoe de afloop ook voor hem was, op haar zou de beleedigde moraliteit zich zeker wreken. Een smet zou op Beatrice’s goeden naam kleven, haar betrekking zou zij verliezen, en het leven zou haar tot een last gemaakt worden. Ja, Honoria was aan het beste eind; zij had ware woorden en woorden van beteekenis gesproken.

Wat te doen? Was er geen uitweg? Dien geheelen nacht, terwijl Geoffrey in het Lagerhuis zat, met de armen over elkaar geslagen, en schijnbaar aandachtig luisterende naar de lange redevoeringen der Oppositie, bleef die vraag hem bij. Hij beredeneerde den toestand nu van de eene, dan van de andere zijde, totdat hij eindelijk tot een besluit kwam. Of hij moest wachten totdat alles uitlekte, Beatrice aan smaad en schande prijs geven, en al zijn pogingen tot bevrediging van Honoria, en in ’t algemeen tot zelfbehoud aanwenden, òf hij moest de koe bij de horens pakken, zijn schitterende loopbaan in zijn vaderland vaarwel zeggen, en zijn toevlucht in een ander land zoeken, bij voorbeeld, Amerika, en Beatrice en Effie medenemen. Als het kind eenmaal buiten het rechtsgebied was, kon, natuurlijk, geen Gerechtshof haar hem ontrukken.

Van die twee wegen, helde Geoffrey sterk tot den laatsten over.

De betrekkingen tusschen hem en Honoria waren reeds sedert jaren zóó gespannen geweest, zóó geheel verschillend van wat zij tusschen man en vrouw hadden moeten zijn, dat het laakbare van zulk een stap er in zijn oogen veel door verloor. Ook zou hij weinig wroeging gevoeld hebben het kind van haar moeder weg te nemen, want de liefde tusschen die twee had niet over, en terecht vermoedde hij dat het mettertijd al minder en minder zou worden. Voor ’t overige, had hij zeventien duizend pond in handen; daar zou hij de helft van nemen en de andere helft aan Honoria laten. Hij wistdat hij overal, waarheen hij ging, den kost kon verdienen, en waarschijnlijk veel meer dan den kost, en van alles wat hij verdiende zou hij strikt de helft aan Honoria overmaken. Maar in de eerste plaats, en bovenal, moest hij aan Beatrice denken. Zij moest gered worden, al zou hij zichzelven ook in ’t ongeluk storten, om haar te redden.

Het zal nauwelijks gezegd behoeven te worden, dat Lady Honoria weinig vermoedde tot welke gevaarlijke en vaste plannen zij haar echtgenoot dreef. Zij wilde Geoffrey bevreesd maken, maar zij wilde hem, en alles wat hij voor haar beteekende, niet verliezen; dat was wel het allerminst haar bedoeling. Zij gaf eigenlijk niet veel om het geheele voorval, maar haar slimheid zeide haar, dat het haar een overwicht gaf, waarvan zij gebruik moest maken. Daarom had zij zoo gesproken, hoewel het al erg had moeten loopen eer zij haar toevlucht tot de rechtbank zou nemen, waar misschien het een en ander, dat haarzelve betrof, aan het daglicht zou komen, wat zij maar liever in ’t duister wilde laten.

Maar daarom liet zij het er niet bij; zij besloot ook nog van een andere zijde een aanval op Geoffrey te doen, namelijk, door Beatrice zelve. Lang aarzelde Honoria hoe zij dien aanval zou aanleggen. Zij had eenige wereld- en menschenkennis, en naar hetgeen zij van Beatrice wist, kwam zij tot het juist besluit, dat zij geen meisje was om te bedreigen, maar veeleer om een beroep op haar gevoel te doen. Dus schreef zij haar, na rijp beraad, aldus:

“Een geschiedenis, die ik aarzel te gelooven, is mij, door middel van naamlooze brieven ter ooren gekomen, betreffende uw gedrag met mijn echtgenoot. Ik wil daar niet verder op terugkomen, dan alleen om te zeggen dat, als die geschiedenis waar is, deomstandighedengeen twijfel overlaten omtrent het bestaan van betrekkingen tusschen u beiden, zóó intiem, dat het bij schuldig af is. Het moge niet waar zijn of wel, in welk laatste geval ik dit wensch te zeggen: Met uw moraliteit heb ik niets te maken; dat is uw zaak. Ik wil mij ook niet de beleedigde vrouw toonen, of u verwijtingen doen, want er zijn gedragingen, die te erg zijn voor louter verwijtingen.Ik wil alleen maar zeggen: als de geschiedenis waar is, moet ik vooronderstellen dat gij voor den deelgenoot uwer schande eenige liefde gevoelt. Ik stel mijzelve buiten kwestie, en in den naam van die liefde verzoek ik u de zaak niet verder te drijven. Dat zou het ongeluk van het voorwerp uwer liefde zijn.Als gij veel van hem houdt, breek dan alle betrekkingen met hem voor altijd af.Anders zal hij u eenmaal vloeken en haten. Als gij dezen raad in den wind slaat, en wat ik vernomen heb ruchtbaar wordt, waarschuw ik u, zooals ik hem ook gewaarschuwd heb, dat ik mij uit eergevoel genoodzaakt zal zien den weg van rechten in te slaan. Bedenk dat zijn loopbaan op het spel staat, en dat hij, als hij mij verliest, zijn kind ook zal verliezen. Bedenk dat het door u is, als het daartoe komt. Antwoord niet op mijn schrijven, het zou niet baten, want ik zou, natuurlijk, aan uw betuigingen geen geloof slaan, maar als gij op eenigerlei wijze of eenigermate aan dien misstap schuldig zijt, zeg ik, mij op u beroepende als de eene vrouw op de andere en om den wille van den man, die ons beiden dierbaar is, tracht het kwaad te herstellendoor alle verdere gemeenschap tusschen u en hem onmogelijk te maken.“H. B.”

“Een geschiedenis, die ik aarzel te gelooven, is mij, door middel van naamlooze brieven ter ooren gekomen, betreffende uw gedrag met mijn echtgenoot. Ik wil daar niet verder op terugkomen, dan alleen om te zeggen dat, als die geschiedenis waar is, deomstandighedengeen twijfel overlaten omtrent het bestaan van betrekkingen tusschen u beiden, zóó intiem, dat het bij schuldig af is. Het moge niet waar zijn of wel, in welk laatste geval ik dit wensch te zeggen: Met uw moraliteit heb ik niets te maken; dat is uw zaak. Ik wil mij ook niet de beleedigde vrouw toonen, of u verwijtingen doen, want er zijn gedragingen, die te erg zijn voor louter verwijtingen.Ik wil alleen maar zeggen: als de geschiedenis waar is, moet ik vooronderstellen dat gij voor den deelgenoot uwer schande eenige liefde gevoelt. Ik stel mijzelve buiten kwestie, en in den naam van die liefde verzoek ik u de zaak niet verder te drijven. Dat zou het ongeluk van het voorwerp uwer liefde zijn.Als gij veel van hem houdt, breek dan alle betrekkingen met hem voor altijd af.Anders zal hij u eenmaal vloeken en haten. Als gij dezen raad in den wind slaat, en wat ik vernomen heb ruchtbaar wordt, waarschuw ik u, zooals ik hem ook gewaarschuwd heb, dat ik mij uit eergevoel genoodzaakt zal zien den weg van rechten in te slaan. Bedenk dat zijn loopbaan op het spel staat, en dat hij, als hij mij verliest, zijn kind ook zal verliezen. Bedenk dat het door u is, als het daartoe komt. Antwoord niet op mijn schrijven, het zou niet baten, want ik zou, natuurlijk, aan uw betuigingen geen geloof slaan, maar als gij op eenigerlei wijze of eenigermate aan dien misstap schuldig zijt, zeg ik, mij op u beroepende als de eene vrouw op de andere en om den wille van den man, die ons beiden dierbaar is, tracht het kwaad te herstellendoor alle verdere gemeenschap tusschen u en hem onmogelijk te maken.

“H. B.”

Het was een slim gestelde brief: Lady Honoria had niet krachtiger op het gevoel van zulk een meisje als Beatrice kunnen werken. Met dezelfde post, die haar dezen brief bracht, kwam er ook een van Geoffrey zelven. Die was lang, en behoeft niet in zijn geheel medegedeeld te worden, maar hoewel eenigszins omsluierd, werd daarin de geheele toestand opengelegd, en het slot was: “Een huwelijk kan ik u niet aanbieden, slechts levenslange liefde. In andere omstandigheden zou zulk een aanbod beleedigend zijn, maar als het zoo gaat als ik vrees, is het wel waard in bedenking genomen te worden. Ik zeg niet tot u,kom! ik zeg,kom, als gij het wenscht. Neen, Beatrice, ik wil u dien zwaren last van te beslissen niet opleggen. Ik zegkom! Ik vorder niet dat gij komt, omdat ik beloofd heb geen invloed op u uit te oefenen. Maar ik smeek u te komen.Laten wij een einde maken aan dezen rampzaligen toestand, en de wereld verloren achten als de prijs onzer liefde. Kom, dierbare Beatrice—om mij niet te verlaten, totdat de dood ons scheidt. Ik stel mijn leven in uw handen; als gij het aanneemt, welk leed gij ook te trotseeren moogt hebben, mijn liefde, mijn achting, zult gij nooit verliezen. Denk niet om mij, denk om uzelve. Gij hebt mij uw liefde geschonken, evenals ik aan u de redding van mijn leven te danken heb. Ik ben u wederkeerig iets verschuldigd; ik kan niet zien dat er schande op u kleeft, zonder u vergoeding aan te bieden. Ja, voor zooverre mij betreft, zal ik alles wat ik verlies als niets beschouwen, vergeleken bij wat ik win door uw bezit. Wilt gij komen? Zoo ja, dan zullen wij dit land verlaten en in een andere wereldstreek een nieuw leven beginnen. Mijn tegenwoordig leven is toch eigenlijk niets anders geweest dan een onrustige droom. Het eenige ware, het eenige geluk, dat ik er in heb gevonden, is uw liefde geweest. Werpen wij dat geluk niet weg, Beatrice.”

Per omgaande ontving hij dit antwoord, met potlood geschreven:

“Neen, lieve Geoffrey. Er is niets aan te veranderen.—B.”

Dat was het eenige.

Hoofdstuk XXV.Elisabeth laat haar tanden zien.Smartelijke uren had Beatrice doorgebracht sedert dien ochtend der scheiding.Zij moest al de innerlijke bitterheid van haar lot verdragen; zij moest al de stekelige gezegden van Elisabeth’s scherpe tong verduren, en Owen Davies op een afstand trachten te houden. Die laatste taak werd hoe langer hoe zwaarder. De man was totaal onhandelbaar; zijn hartstocht, die in de oogen van Beatrice vernederenden hatelijk was, werd het praatje van het dorp. Iedereen wist er van, behalve haar vader, en zelfs hij begon er iets van te bemerken.Op zekeren avond—het was dezelfde, waarop Geoffrey en Honoria hun brieven aan Beatrice op de post hadden gedaan—zou ieder, die een blik had kunnen slaan in de kleine kamer op Bryngelly Castle, die den eigenaar tot alles, behalve tot slapen, diende, getuige geweest zijn van een zonderling schouwspel. Owen Davies liep heen en weer—met snelle schreden, wilde oogen en verwarde haren. Aan elk einde van de lengte der kamer, hield hij telkens halt, sloeg zijn armen omhoog, en riep uit:“O, God, verhoor mij, en geef mij mijn wensch! O, God, antwoord mij!”Twee uren lang had hij zoo geloopen en geroepen, totdat hij eindelijk hijgend en uitgeput op een stoel nederzonk. Eensklaps hief hij het hoofd op, en scheen aandachtig te luisteren.“De Stem,” zeide hij overluid; “daar is de Stem weder. Wat zegt zij? Morgen, morgen moet ik spreken; en zij zal de mijne worden.”Met een kreet sprong hij overeind, en weer begon hij woest heen en weer te stappen. “O, Beatrice!” zeide hij, “morgen zult ge mij beloven met mij te trouwen; de Stem heeft het mij gezegd, en weldra, weldra, misschien binnen een maand, zult gij de mijne zijn—de mijne alleen! Geoffrey Bingham zal dan niet tusschen ons beiden staan, want ik zal dag en nacht over u waken. Gij zult mijn eigen—mijn eigen schoone Beatrice zijn,” en hij strekte de armen uit, en maakte het gebaar van een omhelzing in de ijle lucht—een akelig gezicht.En zoo liep en sprak hij, totdat het grauwe licht van den dageraad zich in het oosten vertoonde. HetwasVrijdagnacht toen dit beschreven tooneel plaats had. Den volgenden ochtend ontving Beatrice, het ongelukkig en onschuldig voorwerp van die verliefde ontboezemingen, de twee brieven. Zij was, op haar weg naar de school, even aan het postkantoor gaan hooren of er ookbrieven voor haar waren, in de hoop dat er een van Geoffrey zou zijn. Arm meisje! zijn brieven waren haar eenige troost. Uit voorzichtigheid waren zij in den gewonen half officieelen stijl geschreven, maar zij kon tusschen de regels lezen, en bovendien, zij waren van zijn geliefde hand.Ja, er was een brief, en nog een van een vrouwenhand. Zij herkendedehand van Lady Honoria, die zij dikwijls op enveloppen, aan Geoffrey geadresseerd, had gezien, en een angstig gevoel beknelde haar hart. Zij nam de brieven, liep er zoo snel als zij kon mede naar de school, sloot zich in haar kamertje op, want het was nog geen negen uur, en beschouwde ze met toenemende beangstheid. Wat zou er in staan? Wat kon Lady Honoria haar te schrijven hebben? Welken brief zou zij het eerst lezen? In een oogenblik had Beatrice haar besluit genomen. Het ergste wilde zij maar het eerst doorstaan. Met een strak gelaat opende zij Honoria’s brief en las. Wij weten den inhoud reeds. Onder het lezen werden haar lippen aschkleurig, en toen zij de foltering had doorgestaan, was zij een bezwijming nabij.Naamlooze brieven! O, wie kon zoo iets wreeds gedaan hebben? Elisabeth, het moest Elisabeth zijn, die alles gezien had, en haar aldus een dolksteek in den rug toebracht. Was het mogelijk, dat haar eigen zuster haar zoo kon behandelen? Zij wist wel dat Elisabeth niet van haar hield; zij had er nooit de reden van kunnen begrijpen, maar toch wist zij dat het zoo was. Maar als zijditgedaan had, dan moest zij haar haten, haar bitter haten: en wat had zij gedaan om zulk een haat te verdienen? En nu liep Geoffrey gevaar dat zijn geheele loopbaan bedorven zou worden, en dat kwam doorhaar—hoe kon zij dat voorkomen? Dat was haar eerste denkbeeld. De meeste andere meisjes in haar geval zouden aan zichzelven gedacht hebben, en het aan haar minnaar hebben overgelaten maar te zien hoe hij zich er uitredde. Doch Beatrice dacht weinig aan zichzelve. Hij was in gevaar, en hoe kon zij hem beschermen? Wel, daar in dien brief was het antwoord! “Als ge veel van hem houdt, breek dan alle betrekking met hemvoor altijd af. Anders zal hij u vloeken en u haten.” Neen, neen! dat zou Geoffrey nooit doen. Maar Lady Honoria had gelijk; in zijn belang, om zijnentwil, moest zij alle betrekking met hem afbreken—voor altijd. Maar hoe—hoe?Zij stak den brief in de borst van haar kleed—een adder had geen onwelkomer gast kunnen zijn—en opende dien van Geoffrey.Daar stond hetzelfde in, maar er werd een andere oplossing in voorgeslagen. De tranen sprongen haar in de oogen, toen zij zijn aanbod las om haar voor goed en voor altijd tot zich te nemen en een nieuw leven met haar te beginnen. Het kwam Beatrice verwonderlijk voor, dat hij bereid was zooveel aan haar op te offeren—even verwonderlijk als edelmoedig. Maar geen oogenblik dacht zij er aan voor deze zware verzoeking te bezwijken. Hij smeekte haar te komen, maar dat zou zij niet doen zoolang haar wil haar nog overbleef. Hoe,zijzou Geoffrey in het ongeluk storten? Neen, liever zou zij van gebrek omkomen of door langzame martelingen sterven. Hoe kon hij denken dat zij in zulk een plan zou toestemmen? Neen, dat nooit; zij had hem reeds genoeg verdriet berokkend. Maar, o, zij zegende hem voor dien brief. Hoe innig moest hij haar liefhebben, dat hij aanbood dit om harentwil te doen!Luister! De kinderen wachtten; zij moest onderwijs geven. De brief, Geoffrey’s dierbare brief kon na afloop van de school beantwoord worden. Zij stak dien dus in de borst van haar kleed, bij haar hart, en ging naar het schoolvertrek.Dien namiddag, toen Granger in een opgeruimde gemoedsstemming—want zijn schulden waren betaald en geldverlegenheid had hij vooreerst niet te vreezen—over het hek van zijn kleine boerderij met welgevallen naar zijn varkens stond te kijken, was hij verbaasd eensklaps Owen Davies naast zich te zien.“Hoe gaat het u, mijnheer Davies?” zeide hij. “Wat moet gij stil gekomen zijn!”“Ja,” antwoordde Owen afgetrokken. “Ik ben u eigenlijk nageloopen, omdat ik u wilde spreken—geheel alleen.”“Zoo, mijnheer Davies—welnu, ik ben tot uw dienst. Scheelt er wat aan? Gij ziet er niet goed uit.”“O, ik ben heel wel, dank u. Nooit ben ik beter geweest; en er scheelt me ook niets, hoegenaamd niets. Alles komt nu in orde, dat weet ik zeker.”“Ei,” zeide Granger, hem weder met een verlegen gezicht aanziende, “en wat is er dan, waarover ge mij zoo volstrekt moet spreken? Niet dat ik niet altijd tot uw dienst ben, dat weet gij wel,” liet hij er verontschuldigend op volgen.“Dit,” antwoordde Davies, den predikant bij zijn jas grijpende, op een manier, die hem deed schrikken.“Wat—bedoelt gij mijn jas?”“Wees zoo dwaas niet, mijnheer Granger. Neen, over Beatrice.”“Zoo waarlijk, mijnheer Davies? Er is toch, hoop ik, op school niets onaangenaams gebeurd? Ik geloof dat zij haar taak vervult tot tevredenheid van de commissie, hoewel ik beken dat zij in het rekenen—”“Neen, neen, neen! ’t Is niet over de school. Ik wil juist dat zij niet meer naar de school zal behoeven te gaan. Ik heb haar lief, mijnheer Granger, innig lief, en ik wil met haar trouwen.”De oude man kreeg een kleur van genoegen. Was ’t mogelijk? Hoorde hij wel goed? Owen Davies, de rijkste man in dit gedeelte van Wales, wilde met zijn dochter trouwen, die niets anders bezat dan haar schoonheid! Dat was haast te mooi om waar te wezen!“Ik gevoel me er zeer vereerd door,” zeide hij. “’t Is meer dan zij kon verwachten—niet dat Beatrice er niet goed uitziet en heel knap is,” liet hij er snel op volgen, vreezende dat hij op de marktwaarde van zijn dochter afdong.“Zij ziet er niet alleen goed uit—zij is niet alleen knap—zij is een engel,” mompelde Owen.“O, ja, zeker, zeker, dat is zij,” hernam haar vader, “dat wilzeggen, als ooit een vrouw—ja, natuurlijk—en wat meer is, ik geloof dat zij heel veel van u houdt. Ik geloof dat zij van liefde voor u kwijnt. Dat heb ik al lang gedacht.”“Dan moet ik zeggen,” merkte Owen aan, “dat zij al een heel rare manier heeft om het te toonen. Zij heeft geen woord voor mij over; zij scheept mij bij elke gelegenheid af. Maar dat zal alles nu wel in orde komen—alles in orde.”“Och, mijnheer Davies, meisjes zijn meisjes, totdat zij vrouwen zijn. Daar weten wij alles van,” zeide Granger, geruststellend.Zijn candidaat-schoonzoon zette een gezicht alsof hij daar zeer weinig van wist, hoewel de gevolgtrekking duidelijk genoeg was.“Mijnheer Granger,” hernam hij, zijn hand grijpende. “Ik wil Beatrice tot mijn vrouw maken—ja, dat wil ik werkelijk!”“Wel, ik heb ook niet anders voorondersteld, mijnheer Davies.”“Als ge mij daarin helpt, zal ik in geldzaken en dergelijke alles doen wat ge maar wilt. Zij zal een zoo mooie lijfrente hebben als een vrouw maar hebben kan. Ik weet dat een vader daar nogal op gesteld is, en ik wil alle zwarigheden wegruimen.”“Dat is alles goed en wel, en zeker ook wel zooals ’t behoort,” zeide Granger, een hooger toon aannemende, nu hij het voordeel van zijn positie zag. “Maar natuurlijk zal ik over zulke zaken het advies van een rechtsgeleerde vragen. Ik geloof dat mijnheer Bingham mij daarin wel zal willen raden,” ging hij voort, “als een vriend van de familie, weet gij. Hij is een zeer knap rechtsgeleerde, en hij zal er ook wel niet voor rekenen.”“O, neen, mijnheer Bingham niet!” riep Owen met schrik uit. “Ik wil alles doen wat gij maar verlangt, of als gij een rechtsgeleerde wilt hebben, zal ik zelf de kosten wel betalen. Maar laten we daar nu niet over spreken. Laten we het eerst met Beatrice in orde brengen. Ga dadelijk mee.”“Zoudt gij dat niet liever met haar alleen afhandelen?”“Neen, neen. Zij scheept mij altijd af, als ik met haar alleen wil spreken. ’t Is beter dat gij er bij zijt, en Miss Elisabeth ook, als zij wil. Ik wil haar niet weer alleen spreken. Ik zal met haarspreken in het aangezicht van God en de menschen, zooals God mij ingeeft te doen, en dan zal alles in orde zijn—dat weet ik.”Granger zag hem verbaasd aan. Hij was een predikant van de praktische soort, en zag niet recht in wat de Hoogere Macht met de huwelijksplannen van Owen Davies te maken had.“O, zoo!” zeide hij, “ik begrijp u; huwelijken worden in den hemel gesloten, bedoelt gij; ja, ja, natuurlijk. Welnu, als ge met de zaak voortgang wilt maken, geloof ik wel, dat wij Beatrice thuis zullen vinden.”Dus gingen zij naar de pastorie, Granger verheugd en toch een weinig verlegen, want er was in de geheele manier van doen iets, dat hem wel wat vreemd voorkwam, en Owen Davies stilzwijgend of nu en dan bij zichzelven iets mompelende.In de huiskamer vonden zij Elisabeth.“Waar is Beatrice?” vroeg haar vader.“Dat weet ik niet,” antwoordde zij, en op dat oogenblik kwam Beatrice, bleek en bedrukt, de kamer binnen, als een lam, dat ter slachtbank werd geleid.“Ha, Beatrice,” sprak haar vader, “wij vroegen juist naar u.”Zij zag rond, en bespeurde dadelijk dat een nieuw gevaar haar bedreigde.“Zoo?” zeide zij, op een stoel nederzinkende, met een gevoel van zwakte, uit vrees ontstaan. “Wat is het dan, vader?”Granger zag naar Owen Davies, en deed een stap naar de deur. Hij was sterk van meening dat dit tooneel tusschen de betrokken personen zelven onder vier oogen afgespeeld moest worden.“Ga niet heen,” zeide Owen Davies opgewonden, “gaat geen van beiden heen. Wat ik te zeggen heb, wil ik liever in uw bijzijn zeggen. Ik zou het wel ten aanhooren van de heele wereld willen zeggen; ik zou het wel van de bergtoppen willen uitroepen.”Elisabeth wierp een woedenden blik op hem—eerst op hem, en toen op de onschuldige Beatrice. Kon het dan zijn dat hij haar een huwelijksaanzoek ging doen? O, waarom had zij geaarzeld? Waarom had zij niet vroeger de geheele waarheid gezegd?Maar Beatrice, die ieder oogenblik verwachtte openlijk beschuldigd te worden, gevoelde haar hart hoe langer hoe meer bekneld.Granger ging zitten en drukte zich in de zitting van zijn stoel, als om daardoor meer vastheid van houding te hebben. Elisabeth drukte haar tanden op elkaar en leunde met haar elleboog op de tafel, haar hand zoo houdende dat haar gelaat er door beschaduwd was. Beatrice zat op haar stoel als een geknakte lelie, of als een gevangene op de bank der beschuldigden. De anderen zaten tegenover haar, en Owen Davies stond op, met een van woeste geestdrift stralend gelaat en sprak hen allen toe als een Procureur Generaal.“In den herfst van het vorige jaar,” begon hij, het woord richtende tot Granger, die daar zat als een rechter van instructie, “heb ik uw dochter Beatrice ten huwelijk gevraagd.”Beatrice zuchtte, en raapte haar geestkracht bijeen. De storm was eindelijk losgebarsten, en zij moest dien het hoofd bieden.“Ik heb haar ten huwelijk gevraagd, en zij heeft mij gezegd dat ik een jaar moest wachten. Ik heb zoolang gewacht als ik kon, maar het heele jaar kon ik niet wachten. Ik heb veel gebeden, en het is mij gegeven te spreken.”Elisabeth kon een wrevelig gebaar niet bedwingen. Het ontbrak haar niet aan gezond verstand, en die mengeling van godsdienstigheid en verliefdheid walgde haar. Zij wist ook dat de storm was losgebarsten en datzijdie moest trotseeren.“Dus kom ik u zeggen dat ik uw dochter Beatrice bemin en haar tot mijn vrouw wil maken. Ik heb nooit iemand anders liefgehad, maar haar heb ik sinds jaren bemind; en ik vraag uw toestemming.”“Zeer vleiend, zeer vleiend voorzeker, vooral in dezen slechten tijd,” zeide Granger, verontschuldigend, zijn grijze haren over zijn voorhoofd schuddende en ze toen weer opstrijkende. “Maar ziet ge, mijnheer Davies, gij wilt niet metmijtrouwen,” (hier glimlachte Beatrice even)—“gij wilt met mijn dochter trouwen, dus moest gij het liever rechtstreekshaarvragen—ten minste, dat zou ik denken.”Elisabeth maakte een beweging alsof zij wilde spreken, maar veranderde van besluit en luisterde.“Beatrice,” zeide Owen Davies, “gij hoort het. Ik vraag u ten huwelijk.”Hierop volgde een poos stilte. Beatrice, die er zwijgend bij had gezeten, verzamelde haar kracht om te spreken. Elisabeth, die haar van onder haar hand gadesloeg, meende op haar gelaat besluiteloosheid te lezen, die tot toestemming verzachtte. Wat zij werkelijk zag, was twijfel hoe zij op de geschiktste en zekerste manier zou weigeren. Als een bliksemstraal schoot het Elisabeth voor den geest dat zij nu of nooit haar slag moest slaan. Als Beatrice dat noodlottig “Ja” eenmaal had uitgesproken, zouden al haar ontdekkingen niet baten. En Beatrice zou het uitspreken, daar hield zij zich verzekerd van. Het was een gulden weg om uit haar moeilijkheden te geraken.“Wacht!” zeide Elisabeth, met een schelle, barsche stem. “Wacht! Ik moet spreken; dat is mijn plicht als Christin. Ik moet de waarheid zeggen. Ik kan niet toelaten, dat een braaf man bedrogen wordt.”Allen zaten als verstomd. Beatrice brak het stilzwijgen af. Nu zag zij de volle waarheid, nu wist zij wat zij te wachten had. Zij legde de hand op haar hart, om het kloppen tot bedaren te brengen.“O, Elisabeth,” zeide zij, “in den naam onzer overleden moeder”—en zij hield op.“Ja,” antwoordde haar zuster, “in den naam onzer overleden moeder, dien gij geschandvlekt hebt, zal ik het doen. Luister, Owen Davies, en gij vader. Beatrice, die daar zit”—en zij wees met haar magere hand naar haar—“Beatrice is een hoereerster!”“Ik begrijp u waarlijk niet,” zeide Granger, op een doffen toon, naar adem hijgend van verbazing, terwijl Owen woest rondzag, en Beatrice haar hoofd op haar borst liet zinken.“Dan zal ik het u uitleggen,” hernam Elisabeth, nog naar haar zuster wijzende. “Zij is deminnaresvan Geoffrey Bingham. In den nacht vóór Pinksteren is zij uit haar bed opgestaan en naar zijn kamer gegaan. Ik heb het met eigen oogen gezien. Naderhandwerd zij in zijn armen naar haar bed gebracht—dat heb ik ook met eigen oogen gezien, en ik heb gehoord dat hij haar kuste.” (Dit was er door Elisabeth bij geborduurd). “Hij is haar minnaar, en maanden lang is zij verliefd op hem geweest. Ik zeg u dit, Owen Davies, hoe zwaar het mij ook valt schande over onzen naam te brengen en mijn lippen met zulk een mededeeling te bezoedelen, maar evenmin kan ik dulden dat gij met een meisje zoudt trouwen, meenende dat zij braaf is, terwijl zij is wat Beatrice is.”“Dan hadt je ook maar liever je mond moeten houden,” zeide Granger toornig.“Neen, vader, ik heb een plicht te volbrengen, en dat zal ik doen, het koste wat het wil, en hoe smartelijk het ook voor mij is. Gij hebt het gerucht in den nacht vóór Pinkster gehoord, en zijt opgestaan, om te zien wat het was. Gij hebt de witte gedaante in de gang gezien—dat was Geoffrey Bingham, met Beatrice in zijn armen. Ja, wel mag zij het hoofd laten hangen. Laat zij het ontkennen als zij kan. Laat zij het ontkennen, dat zij tot haar schande verliefd op hem is, en dien nacht alleen in zijn kamer is geweest.”Nu stond Beatrice op en sprak. Haar oogen glinsterden, en hoewel doodsbleek, was zij in haar schaamte en wanhoop schooner dan ooit.“Wat mijn hart gevoelt, gaat mij alleen aan, daar geef ik u geen antwoord op,” zeide zij. “Gij moogt denken wat gij wilt. Voor ’t overige is het niet waar. Ik ben niet wat Elisabeth zegt dat ik ben. Ik ben niet de minnares van Geoffrey Bingham. ’t Is waar dat ik in dien nacht in zijn kamer ben geweest, en ’t is ook waar dat hij mij in zijn armen naar de mijne heeft gedragen. Maar het was in mijn slaap dat ik er heen ben gegaan, niet uit vrijen wil. Ik ontwaakte daar, en bezwijmde toen ik ontwaakte, en toen heeft hij mij dadelijk teruggebracht.”Elisabeth lachte schel en luid—het klonk als een duivelenlach.“In haar slaap!” zeide zij. “O, zij is daar in haar slaap heen gegaan!”“Ja, Elisabeth, in mijn slaap. Je gelooft me niet, maar ’t is waar. Je wilt de zuster, die je moest liefhebben, die je door woord noch daad ooit gekrenkt heeft, aan schande prijs geven. In je lage boosaardigheid heb je een naamloozen brief aan Lady Honoria Bingham geschreven, om haar te bewegen den slag toe te brengen, die haar echtgenoot en mij in ’t verderf moest storten, en nu je vreest dat dit niet gelukt is, kom je te voorschijn, om ons openlijk te beschuldigen. Dat doe je in den naam van Christelijken plicht; in den naam van Christelijke liefde geloof je het ergste, en wil je ons schandvlekken. Schaam u, Elisabeth! Schaam u! en moog je nooit gemeten worden met de maat waarmee je meet. Wij zijn niet langer zusters. Wat er ook gebeurt, met u heb ik afgedaan. Ga uws weegs.”Zelfs de hardvochtigheid van Elisabeth’s valsch gemoed was niet bestand tegen die van verontwaardiging flikkerende oogen en de majesteit van beleedigde onschuld. Zij beet zich op de lippen dat het bloed er uitsprong, maar zij zeide niets.Toen wendde Beatrice zich tot haar vader, en sprak op een anderen en smeekenden toon, terwijl zij haar armen naar hem uitstrekte.“O, vader,” zeide zij, “zeg mij, ten minste, datgijmij gelooft. Hoewel ge moogt denken dat ik in mijn liefde overdreven zou kunnen zijn, kunt gij, die mij zooveel jaren gekend hebt, toch niet denken dat ik, zelfs om mijn liefde, zou liegen.”De oude man zag verbijsterd om zich heen, en schudde het hoofd.“In zijn kamer, en in zijn armen!” zeide hij. “Het schijnt dat ik het gezien heb. Ik heb ook nooit geweten dat je een slaapwandelaarster waart, en je zegt ook niet dat je hem niet liefhebt—dien schelm. ’t Is slecht van Elisabeth—heel slecht, zoo iets te vertellen; maar nu het verteld is, hoe kan ik nu zeggen dat ik het niet geloof?”Daarop liet Beatrice weder het hoofd hangen—haar beker was tot overloopens vol—en zij wilde heengaan.“Wacht,” zeide Owen Davies, met een heesche stem. “Hoor, watiku te zeggen heb.”Zij sloeg de oogen op. “Met u, mijnheer Davies, heb ik niets te maken; ik ben u geen verantwoording schuldig. Ga uw medeplichtige helpen,” en zij wees naar Elisabeth, “om dezen laster over de heele wereld uit te bazuinen.”“Wacht,” zeide hij weder. “Ik wil spreken. Ik geloof dat het waar is. Ik geloof dat gij de minnares van Geoffrey Bingham zijt, vloek over hem!—maar daar stoor ik mij niet aan. Ik wil toch nog met u trouwen.”Elisabeth snakte naar adem. Moest al haar plannensmeden dan dáárop uitloopen? Zou de blinde hartstocht van dien dolleman dan toch nog over al haar ontdekkingen zegevieren, en Beatrice nog zijn rijke en geëerde vrouw worden, terwijl zij arm bleef en beschaamd werd? O, dat was afschuwelijk! O, dat had zij nooit kunnen denken!“Edel, edel!” mompelde Granger; “edel! God zegene u!”Dus was alles nog te herstellen. Zijn dwalende dochter zou nog een schitterende partij kunnen doen; hij zou op zijn ouden dag nog vrede en rijkdom kunnen verwachten.Maar Beatrice glimlachte flauw.“Ik dank u,” zeide zij, “ik gevoel mij zeer vereerd, maar ik had in geen geval ooit met u willen trouwen omdat ik niet van u houd. Ge moet mij al zeer weinig begrijpen, als gij denkt, dat ik er nu eer toe bereid zou zijn, omdat er zulk een klad op mij geworpen wordt,” en zij hield op.“Luister, Beatrice,” hernam Owen, en een boosaardige glans straalde uit zijn gewoonlijk doffe oogen, terwijl Elisabeth als verstomd van verbazing was en haar ooren nauwelijks kon gelooven. “Ik wil u hebben, en ik ben vast voornemens met u te trouwen; gij zijt voor mij meer dan de geheele wereld. Ik kan u alles geven, en gij doet het best toe te stemmen, dan zult ge van dit alles nooit meer hooren. Maar als ge niet wilt toestemmen, dan zal ik mij op u wreken—verschrikkelijk wreken—”Beatrice schudde het hoofd en glimlachte weder, alsof zij te kennen wilde geven dat hij het ergste maar doen moest.“En, hoor eens, Beatrice,” ging hij voort, in zijn jaloersche wanhoopbijna welsprekend wordende, “ik heb nog een andere drangreden aan te voeren. Ik zal mij niet alleen op u wreken; ik zal mij wreken op uw minnaar—op dien mijnheer Bingham.”Een kreet als van plotselinge pijn ontsnapte Beatrice. Hij had het middel gevonden om haar te treffen, en met de slimheid van halve krankzinnigheid, ging hij op dit punt door.“Ja, wel moogt gij schrikken—dat zal ik. Ik zeg u dat ik niet zal rusten voordat ik hem in ’t verderf heb gestort, en ik ben rijk en kan het doen. Ik heb er honderd duizend pond voor over. Ik heb niets anders te vreezen dan een actie wegens laster. O, ik ben niet gek, al houdt ge mij daar ook voor. Ik kan wel twaalf acties betalen. Er zijn bladen in Londen, die blijde zullen zijn dat alles publiek te maken—ja, de geheele geschiedenis—met afbeeldingen er bij. Bedenk, Beatrice, wat het zijn zal, als voor heel Engeland—ja, voor de geheele wereld—uw schande openbaar gemaakt wordt, en de bladen er gebruik van maken voor partij-bedoelingen en juichen over de vernedering van den man, die u in het ongeluk heeft gebracht en door u in het ongeluk gestort wordt. Hij heeft een mooie loopbaan; die zal voor goed bedorven zijn. Bij den Hemel, ik zal hem tot zijn dood toe vervolgen, tenzij ge mij belooft met mij te trouwen, Beatrice. Doe dat, en geen woord zal er van gezegd worden. Antwoord mij nu.”Granger zonk in zijn stoel achterover; dit woeste spel van menschelijke hartstochten ging zijn verstand te boven—het overstelpte hem. Wat Elisabeth betrof, die beet op haar magere vingers en staarde van den een naar den ander. “Hij rekent buiten mij,” dacht zij. “Hij rekent buiten mij—toch zalikmet hem trouwen.”Maar Beatrice leunde een oogenblik tegen den wand, en deed haar oogen dicht, om na te denken. O, zij zag in haar verbeelding reeds aanplakbiljetten met haar naam en dien van Geoffrey er op, de schandelijkste afbeeldingen van haar in zijn armen, de kolommen in de bladen vol ergerlijke bizonderheden, de brieven van verontwaardigde huismoeders—dit alles zag zij! Zij hoorde reedsde smadelijketoespelingenin het Lagerhuis—het hoongelach en de bittere aanvallen van vijanden en mededingers. Dan zou Lady Honoria haar proces beginnen, en alles zou weer van nieuws af opgerakeld worden, en Geoffrey’s schuld zou op ieders lippen zijn, totdat hij geruïneerd was. Mocht zij dit iemand op den hals halen, wiens eenige misdaad geweest was dat hij haar had leeren beminnen? Neen, neen, maar evenmin kon zij met dien hatelijken man trouwen. Hoe was het echter mogelijk zich er uit te redden? Zij nam haar toevlucht tot haar vrouwelijk vernuft, en dat begaf haar niet. Binnen weinige oogenblikken had zij dit alles overdacht en haar besluit genomen.“Hoe kan ik u zoo dadelijk antwoorden, mijnheer Davies?” zeide zij. “Ik moet tijd tot beraad hebben. Het is niet mannelijk mij met zulk een wraak te dreigen, doch ik weet dat ge mij bemint, en daarom verontschuldig ik het. Maar ge moet mij tijd laten. Ik ben nu te ontroerd.”“Wat, nog een jaar? Neen, neen,” zeide hij, “ge moet antwoorden.”“Ik vraag geen jaar of geen maand. Ik vraag maar één week. Als ge mij die niet geeft, dan trotseer ik u, en moet gij maar doen wat gij niet laten kunt. Ik kan u nu niet antwoorden.”Dat was een stoute zet, maar hij was van uitwerking. Davies aarzelde.“Sta haar een week toe,” zeide haar vader tot hem. “Zij is zichzelve niet.”“Nu goed, een week dan, maar niet meer,” antwoordde hij.“Ik heb nog een andere voorwaarde te maken,” hernam Beatrice. “Gij moet mij allen zweren, dat geen woord hiervan over uw lippen komt; dat ik in die week niet gekweld of gedrongen of door iemand uwer over dit punt aangesproken zal worden. Als ik, na verloop van dien tijd, nog weiger uw aanzoek aan te nemen, kunt gij het ergste doen wat gij wilt, maar tot zoolang moet gij u bedwingen.”Owen Davies aarzelde; hij vertrouwde haar niet recht.“Bedenk,” ging Beatrice voort, met verheffing van stem, “dat ik tot het uiterste gedreven ben. In mijn wanhoop zou ik misschien iets doen, wat gij niet verwacht, en dat zou niet ten voordeele van een van u allen zijn. Zweert gij dat?”“Ja,” zeide Owen.Toen zag Beatrice naar Elisabeth, en Elisabeth zag naar haar. Zij bespeurde dat de zaak een anderen vorm had aangenomen. Zij zag, wat haar dwaze jaloerschheid tot dusverre voor haar verborgen had gehouden—dat Beatrice niet van zins was met Owen Davies te trouwen, dat zij alleen maar tijd won om een plan, dat zij had, ten uitvoer te brengen. Wat dat was, daar bekreunde Elisabeth zich weinig om, als het maar geen kansen, die voor het oogenblik zwak genoeg schenen, geheel wegnam. Het was niet noodig buiten de grenzen van haar eigen belangen tegen haar zuster of haar minnaar Geoffrey te werk te gaan. Beatrice zou haar week uitstel hebben, voor zooverre haar betrof. Zij besefte nu te laat hoe groot haar dwaling was geweest. O, had zij maar dadelijk Beatrice’s vertrouwen gezocht! Maar het was haar onmogelijk toegeschenen, dat haar zuster zulk een kans zou vergooien.“Zeker beloof ik het, Beatrice,” zeide zij zachtmoedig. “Ik zweer het niet, want ‘zweert ganschelijk niet’ staat geschreven. Ik heb alleen gedaan wat ik mijn plicht achtte, door mijnheer Davies te waarschuwen. Als hij de zaak wil doorzetten, gaat het mij niet aan. Ik heb u of mijnheer Bingham niet willen krenken. Ik heb alleen naar mijn godsdienstige overtuiging gehandeld.”“O, wees nu maar niet zoo godsdienstig in den mond, wees het liever in je daden!” zeide haar vader, ditmaal uit zijn zwakke zelfzucht gewekt. “Wij hebben allen beloofd deze week te zwijgen.”Toen verliet Beatrice de kamer, en na haar Owen Davies, zonder een woord meer te zeggen.“Elisabeth,” sprak haar vader, “wat je daar gedaan hebt, is slecht! Waarom deed je het?”“Wilt ge dat weten, vader?” zeide zij koel; “dan zal ik u zeggen waarom. Omdat ik voornemens ben zelve met Owen Davies tetrouwen. In deze wereld is ieder zichzelf het naast, dat weet ge wel; dat is een stelregel, dien gij ook nooit vergeet. Ik ben van plan met hem te trouwen; en al schijnt mij dat mislukt te zijn, met hem trouwen zal ik toch! En nu weet gij er alles van; en als gij niet dwaas zijt laat ge mij maar stil begaan!”En zij ging ook de kamer uit, en liet hem alleen.Granger sloeg van verbazing de handen omhoog. Hij was een zelfzuchtig, en een geldzuchtig man ook; maar hij gevoelde dat hij toch niet verdiend had zulk een dochter te hebben.

Smartelijke uren had Beatrice doorgebracht sedert dien ochtend der scheiding.Zij moest al de innerlijke bitterheid van haar lot verdragen; zij moest al de stekelige gezegden van Elisabeth’s scherpe tong verduren, en Owen Davies op een afstand trachten te houden. Die laatste taak werd hoe langer hoe zwaarder. De man was totaal onhandelbaar; zijn hartstocht, die in de oogen van Beatrice vernederenden hatelijk was, werd het praatje van het dorp. Iedereen wist er van, behalve haar vader, en zelfs hij begon er iets van te bemerken.

Op zekeren avond—het was dezelfde, waarop Geoffrey en Honoria hun brieven aan Beatrice op de post hadden gedaan—zou ieder, die een blik had kunnen slaan in de kleine kamer op Bryngelly Castle, die den eigenaar tot alles, behalve tot slapen, diende, getuige geweest zijn van een zonderling schouwspel. Owen Davies liep heen en weer—met snelle schreden, wilde oogen en verwarde haren. Aan elk einde van de lengte der kamer, hield hij telkens halt, sloeg zijn armen omhoog, en riep uit:

“O, God, verhoor mij, en geef mij mijn wensch! O, God, antwoord mij!”

Twee uren lang had hij zoo geloopen en geroepen, totdat hij eindelijk hijgend en uitgeput op een stoel nederzonk. Eensklaps hief hij het hoofd op, en scheen aandachtig te luisteren.

“De Stem,” zeide hij overluid; “daar is de Stem weder. Wat zegt zij? Morgen, morgen moet ik spreken; en zij zal de mijne worden.”

Met een kreet sprong hij overeind, en weer begon hij woest heen en weer te stappen. “O, Beatrice!” zeide hij, “morgen zult ge mij beloven met mij te trouwen; de Stem heeft het mij gezegd, en weldra, weldra, misschien binnen een maand, zult gij de mijne zijn—de mijne alleen! Geoffrey Bingham zal dan niet tusschen ons beiden staan, want ik zal dag en nacht over u waken. Gij zult mijn eigen—mijn eigen schoone Beatrice zijn,” en hij strekte de armen uit, en maakte het gebaar van een omhelzing in de ijle lucht—een akelig gezicht.

En zoo liep en sprak hij, totdat het grauwe licht van den dageraad zich in het oosten vertoonde. HetwasVrijdagnacht toen dit beschreven tooneel plaats had. Den volgenden ochtend ontving Beatrice, het ongelukkig en onschuldig voorwerp van die verliefde ontboezemingen, de twee brieven. Zij was, op haar weg naar de school, even aan het postkantoor gaan hooren of er ookbrieven voor haar waren, in de hoop dat er een van Geoffrey zou zijn. Arm meisje! zijn brieven waren haar eenige troost. Uit voorzichtigheid waren zij in den gewonen half officieelen stijl geschreven, maar zij kon tusschen de regels lezen, en bovendien, zij waren van zijn geliefde hand.

Ja, er was een brief, en nog een van een vrouwenhand. Zij herkendedehand van Lady Honoria, die zij dikwijls op enveloppen, aan Geoffrey geadresseerd, had gezien, en een angstig gevoel beknelde haar hart. Zij nam de brieven, liep er zoo snel als zij kon mede naar de school, sloot zich in haar kamertje op, want het was nog geen negen uur, en beschouwde ze met toenemende beangstheid. Wat zou er in staan? Wat kon Lady Honoria haar te schrijven hebben? Welken brief zou zij het eerst lezen? In een oogenblik had Beatrice haar besluit genomen. Het ergste wilde zij maar het eerst doorstaan. Met een strak gelaat opende zij Honoria’s brief en las. Wij weten den inhoud reeds. Onder het lezen werden haar lippen aschkleurig, en toen zij de foltering had doorgestaan, was zij een bezwijming nabij.

Naamlooze brieven! O, wie kon zoo iets wreeds gedaan hebben? Elisabeth, het moest Elisabeth zijn, die alles gezien had, en haar aldus een dolksteek in den rug toebracht. Was het mogelijk, dat haar eigen zuster haar zoo kon behandelen? Zij wist wel dat Elisabeth niet van haar hield; zij had er nooit de reden van kunnen begrijpen, maar toch wist zij dat het zoo was. Maar als zijditgedaan had, dan moest zij haar haten, haar bitter haten: en wat had zij gedaan om zulk een haat te verdienen? En nu liep Geoffrey gevaar dat zijn geheele loopbaan bedorven zou worden, en dat kwam doorhaar—hoe kon zij dat voorkomen? Dat was haar eerste denkbeeld. De meeste andere meisjes in haar geval zouden aan zichzelven gedacht hebben, en het aan haar minnaar hebben overgelaten maar te zien hoe hij zich er uitredde. Doch Beatrice dacht weinig aan zichzelve. Hij was in gevaar, en hoe kon zij hem beschermen? Wel, daar in dien brief was het antwoord! “Als ge veel van hem houdt, breek dan alle betrekking met hemvoor altijd af. Anders zal hij u vloeken en u haten.” Neen, neen! dat zou Geoffrey nooit doen. Maar Lady Honoria had gelijk; in zijn belang, om zijnentwil, moest zij alle betrekking met hem afbreken—voor altijd. Maar hoe—hoe?

Zij stak den brief in de borst van haar kleed—een adder had geen onwelkomer gast kunnen zijn—en opende dien van Geoffrey.

Daar stond hetzelfde in, maar er werd een andere oplossing in voorgeslagen. De tranen sprongen haar in de oogen, toen zij zijn aanbod las om haar voor goed en voor altijd tot zich te nemen en een nieuw leven met haar te beginnen. Het kwam Beatrice verwonderlijk voor, dat hij bereid was zooveel aan haar op te offeren—even verwonderlijk als edelmoedig. Maar geen oogenblik dacht zij er aan voor deze zware verzoeking te bezwijken. Hij smeekte haar te komen, maar dat zou zij niet doen zoolang haar wil haar nog overbleef. Hoe,zijzou Geoffrey in het ongeluk storten? Neen, liever zou zij van gebrek omkomen of door langzame martelingen sterven. Hoe kon hij denken dat zij in zulk een plan zou toestemmen? Neen, dat nooit; zij had hem reeds genoeg verdriet berokkend. Maar, o, zij zegende hem voor dien brief. Hoe innig moest hij haar liefhebben, dat hij aanbood dit om harentwil te doen!

Luister! De kinderen wachtten; zij moest onderwijs geven. De brief, Geoffrey’s dierbare brief kon na afloop van de school beantwoord worden. Zij stak dien dus in de borst van haar kleed, bij haar hart, en ging naar het schoolvertrek.

Dien namiddag, toen Granger in een opgeruimde gemoedsstemming—want zijn schulden waren betaald en geldverlegenheid had hij vooreerst niet te vreezen—over het hek van zijn kleine boerderij met welgevallen naar zijn varkens stond te kijken, was hij verbaasd eensklaps Owen Davies naast zich te zien.

“Hoe gaat het u, mijnheer Davies?” zeide hij. “Wat moet gij stil gekomen zijn!”

“Ja,” antwoordde Owen afgetrokken. “Ik ben u eigenlijk nageloopen, omdat ik u wilde spreken—geheel alleen.”

“Zoo, mijnheer Davies—welnu, ik ben tot uw dienst. Scheelt er wat aan? Gij ziet er niet goed uit.”

“O, ik ben heel wel, dank u. Nooit ben ik beter geweest; en er scheelt me ook niets, hoegenaamd niets. Alles komt nu in orde, dat weet ik zeker.”

“Ei,” zeide Granger, hem weder met een verlegen gezicht aanziende, “en wat is er dan, waarover ge mij zoo volstrekt moet spreken? Niet dat ik niet altijd tot uw dienst ben, dat weet gij wel,” liet hij er verontschuldigend op volgen.

“Dit,” antwoordde Davies, den predikant bij zijn jas grijpende, op een manier, die hem deed schrikken.

“Wat—bedoelt gij mijn jas?”

“Wees zoo dwaas niet, mijnheer Granger. Neen, over Beatrice.”

“Zoo waarlijk, mijnheer Davies? Er is toch, hoop ik, op school niets onaangenaams gebeurd? Ik geloof dat zij haar taak vervult tot tevredenheid van de commissie, hoewel ik beken dat zij in het rekenen—”

“Neen, neen, neen! ’t Is niet over de school. Ik wil juist dat zij niet meer naar de school zal behoeven te gaan. Ik heb haar lief, mijnheer Granger, innig lief, en ik wil met haar trouwen.”

De oude man kreeg een kleur van genoegen. Was ’t mogelijk? Hoorde hij wel goed? Owen Davies, de rijkste man in dit gedeelte van Wales, wilde met zijn dochter trouwen, die niets anders bezat dan haar schoonheid! Dat was haast te mooi om waar te wezen!

“Ik gevoel me er zeer vereerd door,” zeide hij. “’t Is meer dan zij kon verwachten—niet dat Beatrice er niet goed uitziet en heel knap is,” liet hij er snel op volgen, vreezende dat hij op de marktwaarde van zijn dochter afdong.

“Zij ziet er niet alleen goed uit—zij is niet alleen knap—zij is een engel,” mompelde Owen.

“O, ja, zeker, zeker, dat is zij,” hernam haar vader, “dat wilzeggen, als ooit een vrouw—ja, natuurlijk—en wat meer is, ik geloof dat zij heel veel van u houdt. Ik geloof dat zij van liefde voor u kwijnt. Dat heb ik al lang gedacht.”

“Dan moet ik zeggen,” merkte Owen aan, “dat zij al een heel rare manier heeft om het te toonen. Zij heeft geen woord voor mij over; zij scheept mij bij elke gelegenheid af. Maar dat zal alles nu wel in orde komen—alles in orde.”

“Och, mijnheer Davies, meisjes zijn meisjes, totdat zij vrouwen zijn. Daar weten wij alles van,” zeide Granger, geruststellend.

Zijn candidaat-schoonzoon zette een gezicht alsof hij daar zeer weinig van wist, hoewel de gevolgtrekking duidelijk genoeg was.

“Mijnheer Granger,” hernam hij, zijn hand grijpende. “Ik wil Beatrice tot mijn vrouw maken—ja, dat wil ik werkelijk!”

“Wel, ik heb ook niet anders voorondersteld, mijnheer Davies.”

“Als ge mij daarin helpt, zal ik in geldzaken en dergelijke alles doen wat ge maar wilt. Zij zal een zoo mooie lijfrente hebben als een vrouw maar hebben kan. Ik weet dat een vader daar nogal op gesteld is, en ik wil alle zwarigheden wegruimen.”

“Dat is alles goed en wel, en zeker ook wel zooals ’t behoort,” zeide Granger, een hooger toon aannemende, nu hij het voordeel van zijn positie zag. “Maar natuurlijk zal ik over zulke zaken het advies van een rechtsgeleerde vragen. Ik geloof dat mijnheer Bingham mij daarin wel zal willen raden,” ging hij voort, “als een vriend van de familie, weet gij. Hij is een zeer knap rechtsgeleerde, en hij zal er ook wel niet voor rekenen.”

“O, neen, mijnheer Bingham niet!” riep Owen met schrik uit. “Ik wil alles doen wat gij maar verlangt, of als gij een rechtsgeleerde wilt hebben, zal ik zelf de kosten wel betalen. Maar laten we daar nu niet over spreken. Laten we het eerst met Beatrice in orde brengen. Ga dadelijk mee.”

“Zoudt gij dat niet liever met haar alleen afhandelen?”

“Neen, neen. Zij scheept mij altijd af, als ik met haar alleen wil spreken. ’t Is beter dat gij er bij zijt, en Miss Elisabeth ook, als zij wil. Ik wil haar niet weer alleen spreken. Ik zal met haarspreken in het aangezicht van God en de menschen, zooals God mij ingeeft te doen, en dan zal alles in orde zijn—dat weet ik.”

Granger zag hem verbaasd aan. Hij was een predikant van de praktische soort, en zag niet recht in wat de Hoogere Macht met de huwelijksplannen van Owen Davies te maken had.

“O, zoo!” zeide hij, “ik begrijp u; huwelijken worden in den hemel gesloten, bedoelt gij; ja, ja, natuurlijk. Welnu, als ge met de zaak voortgang wilt maken, geloof ik wel, dat wij Beatrice thuis zullen vinden.”

Dus gingen zij naar de pastorie, Granger verheugd en toch een weinig verlegen, want er was in de geheele manier van doen iets, dat hem wel wat vreemd voorkwam, en Owen Davies stilzwijgend of nu en dan bij zichzelven iets mompelende.

In de huiskamer vonden zij Elisabeth.

“Waar is Beatrice?” vroeg haar vader.

“Dat weet ik niet,” antwoordde zij, en op dat oogenblik kwam Beatrice, bleek en bedrukt, de kamer binnen, als een lam, dat ter slachtbank werd geleid.

“Ha, Beatrice,” sprak haar vader, “wij vroegen juist naar u.”

Zij zag rond, en bespeurde dadelijk dat een nieuw gevaar haar bedreigde.

“Zoo?” zeide zij, op een stoel nederzinkende, met een gevoel van zwakte, uit vrees ontstaan. “Wat is het dan, vader?”

Granger zag naar Owen Davies, en deed een stap naar de deur. Hij was sterk van meening dat dit tooneel tusschen de betrokken personen zelven onder vier oogen afgespeeld moest worden.

“Ga niet heen,” zeide Owen Davies opgewonden, “gaat geen van beiden heen. Wat ik te zeggen heb, wil ik liever in uw bijzijn zeggen. Ik zou het wel ten aanhooren van de heele wereld willen zeggen; ik zou het wel van de bergtoppen willen uitroepen.”

Elisabeth wierp een woedenden blik op hem—eerst op hem, en toen op de onschuldige Beatrice. Kon het dan zijn dat hij haar een huwelijksaanzoek ging doen? O, waarom had zij geaarzeld? Waarom had zij niet vroeger de geheele waarheid gezegd?

Maar Beatrice, die ieder oogenblik verwachtte openlijk beschuldigd te worden, gevoelde haar hart hoe langer hoe meer bekneld.

Granger ging zitten en drukte zich in de zitting van zijn stoel, als om daardoor meer vastheid van houding te hebben. Elisabeth drukte haar tanden op elkaar en leunde met haar elleboog op de tafel, haar hand zoo houdende dat haar gelaat er door beschaduwd was. Beatrice zat op haar stoel als een geknakte lelie, of als een gevangene op de bank der beschuldigden. De anderen zaten tegenover haar, en Owen Davies stond op, met een van woeste geestdrift stralend gelaat en sprak hen allen toe als een Procureur Generaal.

“In den herfst van het vorige jaar,” begon hij, het woord richtende tot Granger, die daar zat als een rechter van instructie, “heb ik uw dochter Beatrice ten huwelijk gevraagd.”

Beatrice zuchtte, en raapte haar geestkracht bijeen. De storm was eindelijk losgebarsten, en zij moest dien het hoofd bieden.

“Ik heb haar ten huwelijk gevraagd, en zij heeft mij gezegd dat ik een jaar moest wachten. Ik heb zoolang gewacht als ik kon, maar het heele jaar kon ik niet wachten. Ik heb veel gebeden, en het is mij gegeven te spreken.”

Elisabeth kon een wrevelig gebaar niet bedwingen. Het ontbrak haar niet aan gezond verstand, en die mengeling van godsdienstigheid en verliefdheid walgde haar. Zij wist ook dat de storm was losgebarsten en datzijdie moest trotseeren.

“Dus kom ik u zeggen dat ik uw dochter Beatrice bemin en haar tot mijn vrouw wil maken. Ik heb nooit iemand anders liefgehad, maar haar heb ik sinds jaren bemind; en ik vraag uw toestemming.”

“Zeer vleiend, zeer vleiend voorzeker, vooral in dezen slechten tijd,” zeide Granger, verontschuldigend, zijn grijze haren over zijn voorhoofd schuddende en ze toen weer opstrijkende. “Maar ziet ge, mijnheer Davies, gij wilt niet metmijtrouwen,” (hier glimlachte Beatrice even)—“gij wilt met mijn dochter trouwen, dus moest gij het liever rechtstreekshaarvragen—ten minste, dat zou ik denken.”

Elisabeth maakte een beweging alsof zij wilde spreken, maar veranderde van besluit en luisterde.

“Beatrice,” zeide Owen Davies, “gij hoort het. Ik vraag u ten huwelijk.”

Hierop volgde een poos stilte. Beatrice, die er zwijgend bij had gezeten, verzamelde haar kracht om te spreken. Elisabeth, die haar van onder haar hand gadesloeg, meende op haar gelaat besluiteloosheid te lezen, die tot toestemming verzachtte. Wat zij werkelijk zag, was twijfel hoe zij op de geschiktste en zekerste manier zou weigeren. Als een bliksemstraal schoot het Elisabeth voor den geest dat zij nu of nooit haar slag moest slaan. Als Beatrice dat noodlottig “Ja” eenmaal had uitgesproken, zouden al haar ontdekkingen niet baten. En Beatrice zou het uitspreken, daar hield zij zich verzekerd van. Het was een gulden weg om uit haar moeilijkheden te geraken.

“Wacht!” zeide Elisabeth, met een schelle, barsche stem. “Wacht! Ik moet spreken; dat is mijn plicht als Christin. Ik moet de waarheid zeggen. Ik kan niet toelaten, dat een braaf man bedrogen wordt.”

Allen zaten als verstomd. Beatrice brak het stilzwijgen af. Nu zag zij de volle waarheid, nu wist zij wat zij te wachten had. Zij legde de hand op haar hart, om het kloppen tot bedaren te brengen.

“O, Elisabeth,” zeide zij, “in den naam onzer overleden moeder”—en zij hield op.

“Ja,” antwoordde haar zuster, “in den naam onzer overleden moeder, dien gij geschandvlekt hebt, zal ik het doen. Luister, Owen Davies, en gij vader. Beatrice, die daar zit”—en zij wees met haar magere hand naar haar—“Beatrice is een hoereerster!”

“Ik begrijp u waarlijk niet,” zeide Granger, op een doffen toon, naar adem hijgend van verbazing, terwijl Owen woest rondzag, en Beatrice haar hoofd op haar borst liet zinken.

“Dan zal ik het u uitleggen,” hernam Elisabeth, nog naar haar zuster wijzende. “Zij is deminnaresvan Geoffrey Bingham. In den nacht vóór Pinksteren is zij uit haar bed opgestaan en naar zijn kamer gegaan. Ik heb het met eigen oogen gezien. Naderhandwerd zij in zijn armen naar haar bed gebracht—dat heb ik ook met eigen oogen gezien, en ik heb gehoord dat hij haar kuste.” (Dit was er door Elisabeth bij geborduurd). “Hij is haar minnaar, en maanden lang is zij verliefd op hem geweest. Ik zeg u dit, Owen Davies, hoe zwaar het mij ook valt schande over onzen naam te brengen en mijn lippen met zulk een mededeeling te bezoedelen, maar evenmin kan ik dulden dat gij met een meisje zoudt trouwen, meenende dat zij braaf is, terwijl zij is wat Beatrice is.”

“Dan hadt je ook maar liever je mond moeten houden,” zeide Granger toornig.

“Neen, vader, ik heb een plicht te volbrengen, en dat zal ik doen, het koste wat het wil, en hoe smartelijk het ook voor mij is. Gij hebt het gerucht in den nacht vóór Pinkster gehoord, en zijt opgestaan, om te zien wat het was. Gij hebt de witte gedaante in de gang gezien—dat was Geoffrey Bingham, met Beatrice in zijn armen. Ja, wel mag zij het hoofd laten hangen. Laat zij het ontkennen als zij kan. Laat zij het ontkennen, dat zij tot haar schande verliefd op hem is, en dien nacht alleen in zijn kamer is geweest.”

Nu stond Beatrice op en sprak. Haar oogen glinsterden, en hoewel doodsbleek, was zij in haar schaamte en wanhoop schooner dan ooit.

“Wat mijn hart gevoelt, gaat mij alleen aan, daar geef ik u geen antwoord op,” zeide zij. “Gij moogt denken wat gij wilt. Voor ’t overige is het niet waar. Ik ben niet wat Elisabeth zegt dat ik ben. Ik ben niet de minnares van Geoffrey Bingham. ’t Is waar dat ik in dien nacht in zijn kamer ben geweest, en ’t is ook waar dat hij mij in zijn armen naar de mijne heeft gedragen. Maar het was in mijn slaap dat ik er heen ben gegaan, niet uit vrijen wil. Ik ontwaakte daar, en bezwijmde toen ik ontwaakte, en toen heeft hij mij dadelijk teruggebracht.”

Elisabeth lachte schel en luid—het klonk als een duivelenlach.

“In haar slaap!” zeide zij. “O, zij is daar in haar slaap heen gegaan!”

“Ja, Elisabeth, in mijn slaap. Je gelooft me niet, maar ’t is waar. Je wilt de zuster, die je moest liefhebben, die je door woord noch daad ooit gekrenkt heeft, aan schande prijs geven. In je lage boosaardigheid heb je een naamloozen brief aan Lady Honoria Bingham geschreven, om haar te bewegen den slag toe te brengen, die haar echtgenoot en mij in ’t verderf moest storten, en nu je vreest dat dit niet gelukt is, kom je te voorschijn, om ons openlijk te beschuldigen. Dat doe je in den naam van Christelijken plicht; in den naam van Christelijke liefde geloof je het ergste, en wil je ons schandvlekken. Schaam u, Elisabeth! Schaam u! en moog je nooit gemeten worden met de maat waarmee je meet. Wij zijn niet langer zusters. Wat er ook gebeurt, met u heb ik afgedaan. Ga uws weegs.”

Zelfs de hardvochtigheid van Elisabeth’s valsch gemoed was niet bestand tegen die van verontwaardiging flikkerende oogen en de majesteit van beleedigde onschuld. Zij beet zich op de lippen dat het bloed er uitsprong, maar zij zeide niets.

Toen wendde Beatrice zich tot haar vader, en sprak op een anderen en smeekenden toon, terwijl zij haar armen naar hem uitstrekte.

“O, vader,” zeide zij, “zeg mij, ten minste, datgijmij gelooft. Hoewel ge moogt denken dat ik in mijn liefde overdreven zou kunnen zijn, kunt gij, die mij zooveel jaren gekend hebt, toch niet denken dat ik, zelfs om mijn liefde, zou liegen.”

De oude man zag verbijsterd om zich heen, en schudde het hoofd.

“In zijn kamer, en in zijn armen!” zeide hij. “Het schijnt dat ik het gezien heb. Ik heb ook nooit geweten dat je een slaapwandelaarster waart, en je zegt ook niet dat je hem niet liefhebt—dien schelm. ’t Is slecht van Elisabeth—heel slecht, zoo iets te vertellen; maar nu het verteld is, hoe kan ik nu zeggen dat ik het niet geloof?”

Daarop liet Beatrice weder het hoofd hangen—haar beker was tot overloopens vol—en zij wilde heengaan.

“Wacht,” zeide Owen Davies, met een heesche stem. “Hoor, watiku te zeggen heb.”

Zij sloeg de oogen op. “Met u, mijnheer Davies, heb ik niets te maken; ik ben u geen verantwoording schuldig. Ga uw medeplichtige helpen,” en zij wees naar Elisabeth, “om dezen laster over de heele wereld uit te bazuinen.”

“Wacht,” zeide hij weder. “Ik wil spreken. Ik geloof dat het waar is. Ik geloof dat gij de minnares van Geoffrey Bingham zijt, vloek over hem!—maar daar stoor ik mij niet aan. Ik wil toch nog met u trouwen.”

Elisabeth snakte naar adem. Moest al haar plannensmeden dan dáárop uitloopen? Zou de blinde hartstocht van dien dolleman dan toch nog over al haar ontdekkingen zegevieren, en Beatrice nog zijn rijke en geëerde vrouw worden, terwijl zij arm bleef en beschaamd werd? O, dat was afschuwelijk! O, dat had zij nooit kunnen denken!

“Edel, edel!” mompelde Granger; “edel! God zegene u!”

Dus was alles nog te herstellen. Zijn dwalende dochter zou nog een schitterende partij kunnen doen; hij zou op zijn ouden dag nog vrede en rijkdom kunnen verwachten.

Maar Beatrice glimlachte flauw.

“Ik dank u,” zeide zij, “ik gevoel mij zeer vereerd, maar ik had in geen geval ooit met u willen trouwen omdat ik niet van u houd. Ge moet mij al zeer weinig begrijpen, als gij denkt, dat ik er nu eer toe bereid zou zijn, omdat er zulk een klad op mij geworpen wordt,” en zij hield op.

“Luister, Beatrice,” hernam Owen, en een boosaardige glans straalde uit zijn gewoonlijk doffe oogen, terwijl Elisabeth als verstomd van verbazing was en haar ooren nauwelijks kon gelooven. “Ik wil u hebben, en ik ben vast voornemens met u te trouwen; gij zijt voor mij meer dan de geheele wereld. Ik kan u alles geven, en gij doet het best toe te stemmen, dan zult ge van dit alles nooit meer hooren. Maar als ge niet wilt toestemmen, dan zal ik mij op u wreken—verschrikkelijk wreken—”

Beatrice schudde het hoofd en glimlachte weder, alsof zij te kennen wilde geven dat hij het ergste maar doen moest.

“En, hoor eens, Beatrice,” ging hij voort, in zijn jaloersche wanhoopbijna welsprekend wordende, “ik heb nog een andere drangreden aan te voeren. Ik zal mij niet alleen op u wreken; ik zal mij wreken op uw minnaar—op dien mijnheer Bingham.”

Een kreet als van plotselinge pijn ontsnapte Beatrice. Hij had het middel gevonden om haar te treffen, en met de slimheid van halve krankzinnigheid, ging hij op dit punt door.

“Ja, wel moogt gij schrikken—dat zal ik. Ik zeg u dat ik niet zal rusten voordat ik hem in ’t verderf heb gestort, en ik ben rijk en kan het doen. Ik heb er honderd duizend pond voor over. Ik heb niets anders te vreezen dan een actie wegens laster. O, ik ben niet gek, al houdt ge mij daar ook voor. Ik kan wel twaalf acties betalen. Er zijn bladen in Londen, die blijde zullen zijn dat alles publiek te maken—ja, de geheele geschiedenis—met afbeeldingen er bij. Bedenk, Beatrice, wat het zijn zal, als voor heel Engeland—ja, voor de geheele wereld—uw schande openbaar gemaakt wordt, en de bladen er gebruik van maken voor partij-bedoelingen en juichen over de vernedering van den man, die u in het ongeluk heeft gebracht en door u in het ongeluk gestort wordt. Hij heeft een mooie loopbaan; die zal voor goed bedorven zijn. Bij den Hemel, ik zal hem tot zijn dood toe vervolgen, tenzij ge mij belooft met mij te trouwen, Beatrice. Doe dat, en geen woord zal er van gezegd worden. Antwoord mij nu.”

Granger zonk in zijn stoel achterover; dit woeste spel van menschelijke hartstochten ging zijn verstand te boven—het overstelpte hem. Wat Elisabeth betrof, die beet op haar magere vingers en staarde van den een naar den ander. “Hij rekent buiten mij,” dacht zij. “Hij rekent buiten mij—toch zalikmet hem trouwen.”

Maar Beatrice leunde een oogenblik tegen den wand, en deed haar oogen dicht, om na te denken. O, zij zag in haar verbeelding reeds aanplakbiljetten met haar naam en dien van Geoffrey er op, de schandelijkste afbeeldingen van haar in zijn armen, de kolommen in de bladen vol ergerlijke bizonderheden, de brieven van verontwaardigde huismoeders—dit alles zag zij! Zij hoorde reedsde smadelijketoespelingenin het Lagerhuis—het hoongelach en de bittere aanvallen van vijanden en mededingers. Dan zou Lady Honoria haar proces beginnen, en alles zou weer van nieuws af opgerakeld worden, en Geoffrey’s schuld zou op ieders lippen zijn, totdat hij geruïneerd was. Mocht zij dit iemand op den hals halen, wiens eenige misdaad geweest was dat hij haar had leeren beminnen? Neen, neen, maar evenmin kon zij met dien hatelijken man trouwen. Hoe was het echter mogelijk zich er uit te redden? Zij nam haar toevlucht tot haar vrouwelijk vernuft, en dat begaf haar niet. Binnen weinige oogenblikken had zij dit alles overdacht en haar besluit genomen.

“Hoe kan ik u zoo dadelijk antwoorden, mijnheer Davies?” zeide zij. “Ik moet tijd tot beraad hebben. Het is niet mannelijk mij met zulk een wraak te dreigen, doch ik weet dat ge mij bemint, en daarom verontschuldig ik het. Maar ge moet mij tijd laten. Ik ben nu te ontroerd.”

“Wat, nog een jaar? Neen, neen,” zeide hij, “ge moet antwoorden.”

“Ik vraag geen jaar of geen maand. Ik vraag maar één week. Als ge mij die niet geeft, dan trotseer ik u, en moet gij maar doen wat gij niet laten kunt. Ik kan u nu niet antwoorden.”

Dat was een stoute zet, maar hij was van uitwerking. Davies aarzelde.

“Sta haar een week toe,” zeide haar vader tot hem. “Zij is zichzelve niet.”

“Nu goed, een week dan, maar niet meer,” antwoordde hij.

“Ik heb nog een andere voorwaarde te maken,” hernam Beatrice. “Gij moet mij allen zweren, dat geen woord hiervan over uw lippen komt; dat ik in die week niet gekweld of gedrongen of door iemand uwer over dit punt aangesproken zal worden. Als ik, na verloop van dien tijd, nog weiger uw aanzoek aan te nemen, kunt gij het ergste doen wat gij wilt, maar tot zoolang moet gij u bedwingen.”

Owen Davies aarzelde; hij vertrouwde haar niet recht.

“Bedenk,” ging Beatrice voort, met verheffing van stem, “dat ik tot het uiterste gedreven ben. In mijn wanhoop zou ik misschien iets doen, wat gij niet verwacht, en dat zou niet ten voordeele van een van u allen zijn. Zweert gij dat?”

“Ja,” zeide Owen.

Toen zag Beatrice naar Elisabeth, en Elisabeth zag naar haar. Zij bespeurde dat de zaak een anderen vorm had aangenomen. Zij zag, wat haar dwaze jaloerschheid tot dusverre voor haar verborgen had gehouden—dat Beatrice niet van zins was met Owen Davies te trouwen, dat zij alleen maar tijd won om een plan, dat zij had, ten uitvoer te brengen. Wat dat was, daar bekreunde Elisabeth zich weinig om, als het maar geen kansen, die voor het oogenblik zwak genoeg schenen, geheel wegnam. Het was niet noodig buiten de grenzen van haar eigen belangen tegen haar zuster of haar minnaar Geoffrey te werk te gaan. Beatrice zou haar week uitstel hebben, voor zooverre haar betrof. Zij besefte nu te laat hoe groot haar dwaling was geweest. O, had zij maar dadelijk Beatrice’s vertrouwen gezocht! Maar het was haar onmogelijk toegeschenen, dat haar zuster zulk een kans zou vergooien.

“Zeker beloof ik het, Beatrice,” zeide zij zachtmoedig. “Ik zweer het niet, want ‘zweert ganschelijk niet’ staat geschreven. Ik heb alleen gedaan wat ik mijn plicht achtte, door mijnheer Davies te waarschuwen. Als hij de zaak wil doorzetten, gaat het mij niet aan. Ik heb u of mijnheer Bingham niet willen krenken. Ik heb alleen naar mijn godsdienstige overtuiging gehandeld.”

“O, wees nu maar niet zoo godsdienstig in den mond, wees het liever in je daden!” zeide haar vader, ditmaal uit zijn zwakke zelfzucht gewekt. “Wij hebben allen beloofd deze week te zwijgen.”

Toen verliet Beatrice de kamer, en na haar Owen Davies, zonder een woord meer te zeggen.

“Elisabeth,” sprak haar vader, “wat je daar gedaan hebt, is slecht! Waarom deed je het?”

“Wilt ge dat weten, vader?” zeide zij koel; “dan zal ik u zeggen waarom. Omdat ik voornemens ben zelve met Owen Davies tetrouwen. In deze wereld is ieder zichzelf het naast, dat weet ge wel; dat is een stelregel, dien gij ook nooit vergeet. Ik ben van plan met hem te trouwen; en al schijnt mij dat mislukt te zijn, met hem trouwen zal ik toch! En nu weet gij er alles van; en als gij niet dwaas zijt laat ge mij maar stil begaan!”En zij ging ook de kamer uit, en liet hem alleen.

Granger sloeg van verbazing de handen omhoog. Hij was een zelfzuchtig, en een geldzuchtig man ook; maar hij gevoelde dat hij toch niet verdiend had zulk een dochter te hebben.


Back to IndexNext