Hoofdstuk XXVI.Wat Beatrice zwoer.Beatrice ging naar haar kamer, maar de atmosfeer daar scheen haar te verstikken. Haar hoofd duizelde, zij moest naar buiten, in de lucht, ver van haar kwelgeesten. Zij had Geoffrey’s brief nog niet beantwoord, en die moest met deze post nog beantwoord worden, want Zondags was er geen. Het was half vijf—te vijf uur ging de post: als zij schrijven wilde, moest zij het dadelijk doen, maar hier kon zij het niet. Bovendien moest zij tijd tot nadenken hebben. Ha, zij had er iets op gevonden; zij zou in haar bootje over de baai naar het stadje Coed roeien en daar haar brief schrijven. De post ging niet vóór half zes uit Coed. Zij zette haar hoed op, trok haar jacquet aan, nam een postzegel, een vel papier en een enveloppe mee, en sloop stil het huis uit naar Eduard’s schuitenhuis, waar het bootje lag. De oude Eduard was daar zelf niet, maar zijn zoon was er, een knaap van veertien jaar, en met zijn hulp was Beatrice spoedig in zee gestoken en roeide zuidwaarts om de kust van het eiland, waarop het kasteel stond, naar de baai.Onder het roeien klaarde haar geest op, en was zij in staat over haar toestand na te denken. Die was erg genoeg. Zij zag geen licht, rondom was het duisternis. Maar zij had, ten minste, een week voor zich, en wat zou zij intusschen aan Geoffrey schrijven?Terwijl zij nadacht, bestormde haar een zware verzoeking, en voor de eerste maal was haar besluit aan ’t wankelen gebracht. Waarom zou zij Geoffrey’s aanbod niet aannemen en met hem, meegaan—ver van al die ellende? Zij zou er gaarne haar leven voor geven om één jaar aan zijn zijde door te brengen. Zij had het maar te zeggen, en hij zou haar tot zich nemen, en over een maand zouden zij te zamen in een vreemd land zijn, en de wereld zou niets meer voor hen zijn, zooals hij gezegd had. Ongetwijfeld zou Lady Honoria wel echtscheiding verkrijgen, en dan konden zij trouwen. Er kon zelfs een tijd komen, dat dit alles een, vergeten nacht van storm en vrees zou schijnen, wanneer zij, door de kinderen hunner liefde omringd, vreedzaam en gelukkig in den avond huns levens al meer en meer die grens naderden, die de helft van haar verschrikking zou verloren hebben, omdat zij die hand in hand zouden overschrijden.O, dat zou goed voor haar zijn; maar zou het voor hem ook goed zijn? Als de eerste maanden van hartstocht voorbij waren, zou hij dan niet beginnen te denken aan alles wat hij voor de liefde eener vrouw weggeworpen had? Zou de smaad en schande, die hem tot in de verste hoeken der aarde volgde, zijn liefde niet doen slijten, totdat hij eindelijk, zooals Lady Honoria gezegd had, haar leerde vloeken en haten? En als dat niet zoo was—als hij haar, door alles heen, bleef liefhebben, wat van hem wel te verwachten was—konzijhet dan zijn, die zijn loopbaan voor hem bedorven had? O, beter zou het geweest zijn als zij hem had laten verdrinken, toen in dien stormachtigen nacht het noodlot hen bij elkander had gebracht.Neen, neen; eens en voor al, dat zou zijnietdoen. Hoe folterend haar toestand, hoe zwaar haar last ook was, hij zou daar niet onder te lijden hebben, als het in haar macht was hem daarvoorte vrijwaren. Zij zou hem niet eens mededeelen wat er gebeurd was—in allen gevalle, nu niet. Dat zou hem maar bedroeven; hij zou misschien een of anderen wanhopigen stap doen; dat was bijna zeker. Haar antwoord moest zeer kort zijn.Zij was nu dicht bij Coed, en het water was zoo kalm als een vijver. Zóó kalm was het, dat zij het vel papier en de enveloppe uit haar zak haalde, die op de bank van het bootje legde, en met potlood de woorden schreef, die wij reeds gelezen hebben:“Neen, lieve Geoffrey. Er is niets aan te veranderen B.”Na dit geschreven te hebben, roeide zij naar de kust. Een visscher, die daar stond, zag haar bootje, en haalde het op het strand. Zij liet het aan zijn zorg over, liep het stille stadje in, deed haar briefje op de post, en kocht wat wol. Dat was een voorwendsel om daar geweest te zijn, in geval haar iets gevraagd werd. Daarna ging zij naar haar bootje terug. De visscher stond er bij. Zij bood hem eensixpencevoor zijn moeite aan, maar dien wilde hij niet aannemen.“Neen, juffrouw,” zeide hij, “dank u vriendelijk—maar we krijgen hier niet dikwijls zoo’n lief gezichtje te zien. Dat is wel eensixpencewaard. Maar, juffrouw, als ik zoo vrij mag wezen het te zeggen, ’t is niet veilig voor u in dat bootje te kruisen, ten minste, niet zoo alleen.”Beatrice dankte hem en bloosde een weinig. Onwillekeurig kwam het bij haar op, dat zij wel met een meer dan gewone schoonheid bedeeld moest zijn, als die op een ruwen varensgast zulk een indruk maakte. Dat was het waarom een man verliefd op een meisje wordt—schoonheid; en daarom alleen beminde en begeerde Owen Davies haar.Zou het misschien met Geoffrey hetzelfde zijn?—neen, dat geloofde zij niet. Hij beminde haar om meer dan haar uiterlijke schoonheid. Maar als zij niet schoon was geweest, misschien zou hij dan niet begonnen zijn haar te beminnen, dus was zij haar schoonheid van oogen, van haar en gestalte dankbaar.Kon dwaze verblinding verder gaan? In de donkerste ure vanhaar wanhopigen toestand, waarvan het einde niet was te zien, ter prooi aan gewetensknaging, en bedreigd door schande, die als een donderwolk boven haar hoofd hing, kon dat meisje zich nog dankbaar gevoelen dat zij die liefde, die de bron van al haar verdriet was, gewonnen had. Of was haar dwaasheid vermomde diepe wijsheid?—is er iets goddelijks in een gevoel, dat aldus het zwaarste trotseert en er over kan zegevieren?Zij was nu weder op zee, en de avond viel op het water, zacht als een droom. De brief was op de post gedaan. Zou het de laatste zijn? vroeg zij zichzelve af. Het scheen haar toe alsof zij geen brieven meer schrijven moest. En wat te doen? Met Owen Davies trouwen wilde zij niet—dat nooit. Zoo schandelijk kon zij haar gevoel geen geweld aandoen. Als zij dat deed, zou zij zich de laagste der laaggezonkenen geacht hebben. En nog minder zou zij het willen doen, omdat haar hart haar zeide hoe grievend het voor Geoffrey moest zijn, al zeide hij geen woord. Voorzeker zou hij haar er om verachten. Neen, dat denkbeeld werd verworpen—totaal verworpen.Wat bleef haar dan over? Met Geoffrey vluchten wilde zij niet, omdat het zijn ongeluk zou zijn. Zij wilde niet met Owen trouwen, en als zij het niet deed, zou Geoffrey in ’t verderf gestort worden. Zij wist wel dat haar onschuld moeilijk te bewijzen zou zijn; immers haar eigen vader geloofde er niet aan, en haar zuster zou haar voor de wereld openlijk beschuldigen. Wat moest zij dan doen? Zou zij zich in een verre, half beschaafde streek, of in Londen, verbergen? Dat was onmogelijk; zij had geen geld, en geen middelen om aan geld te komen. Bovendien zou men haar wel opsporen; zoowel Owen Davies als Geoffrey zouden haar beiden tot in de uiterste hoeken der aarde opsporen. En zou de eerstgenoemde niet denken dat Geoffrey haar ingeblazen had heen te gaan, en terstond zijn bedreigingen ten uitvoer brengen? Zeker zou hij dat. Van dien kant was er geen hoop. Zij moest een ander plan bedenken, of haar minnaar zou er het slachtoffer van zijn.Zoo redeneerde Beatrice, niet aan zichzelve maar aan Geoffreydenkende, die meer dan alles op de wereld voor haar was, meer, duizendmaal meer dan haar eigen veiligheid of welzijn. Misschien overdreef zij. Owen Davies, Lady Honoria, en zelfs Elisabeth mochten alles gedaan hebben, waarmede zij dreigden: de eerste zeker, de beideanderenmisschien; en toch had het kunnen zijn dat Geoffrey er ongedeerd afkwam. Mogelijk waren er uitwegen, waarvan zij niets wist. Maar van alle kanten in het nauw gebracht, scheen het ergste Beatrice een noodzakelijk gevolg toe. Haar eigen geweten trad ook beschuldigend tegen haar op. Die bizondere aantijging was een leugen, maar het was geen leugen, dat zij Geoffrey beminde, en dat scheen haar toe op hetzelfde neer te komen. In zulke zaken maakte zij geen fijn onderscheid; en zoo stelde zij zichzelve in staat van beschuldiging. Zij besefte niet het door de geheele beschaafde wereld erkende, groote verschil tusschen denken en doen, tusschen de neiging en het schuldig bedrijf. Beatrice beschouwde dit punt meer in den geest van den Bijbel, waarin uitdrukkelijk verklaard wordt, dat dit een onderscheid maken zonder verschil is.Indien zij naar Geoffrey toe was gegaan en hem de geheele geschiedenis verteld had, zou hij waarschijnlijk allesgetrotseerdhebben en er mogelijk zegevierend afgekomen zijn. Maar met die terughouding, waartoe alleen vrouwen in staat zijn, deed zij dat niet, en wilde zij het niet doen. Zij wilde hem niet met den last van haar leed bezwaren, dat wilde zij alléén verduren—niet bedenkende dat zij daardoor een veel zwaarderen last op hem laadde, dien hij zijn leven lang zou moeten dragen.Hoe liefelijk viel de avond, hoe schitterend wierp de ondergaande zon haar laatste stralen op de zee, en hoe helder was het water! Zie, daar sprong een visch voorbij haar roeispaan, en daar kwam de eerste ster aan het uitspansel te voorschijn! Was Geoffrey maar bij haar om het genot van dat schouwspel met haar te deelen! Geoffrey? zij had hem verloren; zij was nu alleen op de wereld—alleen met de zee en de sterren. Welnu, die waren beter dande menschen—beter dan allen, behalve één. Er was een hoogere gemeenschap der zielen, en dat vertroostte haar. Want hoewel haar geweten haar verweet dat zij tegen de tijdelijke en menschelijke wet gezondigd had, gevoelde zij geen berouw; haar hart zeide haar dat de liefde, die zij geschonken had, onsterfelijk, en dus boven tijd en menschen verheven was. In allen gevalle beminde zij Geoffrey, en daar was zij trotsch op en verheugde zij zich over. De omstandigheden waren ongelukkig, maar zij had de wereld en de maatschappelijke instellingen evenmin gemaakt als zichzelve, en dat kon zij niet helpen. Het feit bleef, goed of kwaad—zij beminde hem!Hoe helder was het water. Wat was dat voor een droom harer opgewonden verbeelding van op den bodem der zee te zitten en op hem te wachten totdat hij eindelijk kwam? Op den bodem der zee zitten—waarom wekte dat zulke zonderlinge denkbeelden in haar geest? Welnu, waarom niet? Het zou daar aangenaam zijn, in allen gevalle beter dan op aarde. Waarom moest zij langer een leven dragen, dat haar te zwaar werd? Zie, zij had slechts over den kant van het bootje te glijden en zich in die geopende armen te storten, en binnen weinige oogenblikken zou het met haar gedaan zijn!Hier zou het antwoord op haar vragen en twijfelingen zijn, hetzelfde antwoord, dat op alle menschelijk verdriet, alle aardsche hoop en vrees en strijden gegeven wordt. Eén oogenblik, en alles zou verloren of gevonden zijn. Zou het dan zooveel te beteekenen hebben haar leven voor Geoffrey op te offeren?—zij had het immers bijna gedaan toen zij hem nog maar een uur kende, en zou zij het dan nu niet doen, nu hij alles in alles voor haar was? Als zij stierf—heimelijk, plotseling stierf—zou Geoffrey voorzeker gered zijn; men zou hem niet lastig vallen; er zou niemand zijn, over wie men hem lastig zoukunnenvallen: Owen Davies zou dan niet met haar kunnen trouwen, Geoffrey zou zich voor haar niet in ’t ongeluk kunnen storten, Elisabeth zou haar niet meer kunnen vervolgen. Het zou goed zijn dit voor Geoffrey te doen, en hijzou haar altijd blijven beminnen, en achter dat zwarte gordijn was misschien iets beters.Men zeide dat het zonde was. Ja, het zou misschien zonde zijn dit voor zichzelf alleen te doen. Maar als het voor een ander was? Zou het zonde zijn voor Geoffrey te sterven, zich voor Geoffrey’s welzijn op te offeren?O, er zou niet veel verdienstelijks in zijn. Wat was haar leven voor haar? Het zou beter, veel beter zijn dan met Owen Davies te trouwen, dan hun liefde te ontheiligen, en te maken dat Geoffrey haar moest verachten. En hoe anders kon zij het dreigend leed van hem afweren dan door haar dood of door een huwelijk, dat in haar oogen veel verschrikkelijker was dan de dood?Maar nu kon zij het nog niet doen. Zij kon niet sterven voordat zij nog eenmaal zijn gelaat aanschouwd had, al zag hij ook het hare niet. Neen, dezen avond zou zij die snelle oplossing niet zoeken. Zij had nog woorden te zeggen—of woorden te schrijven. Reeds drongen zij zich aan haar geest op!Maar als zich geen beter plan opdeed, zou zij het doen, daar was zij zeker van. Het was een zonde—welnu, dan zondigde zij voor Geoffrey. Hij zou daarom niet slechter van haar denken. En zij had hoop, ja, Geoffrey had haar leeren hopen. Als er een hel was, dan was het hier op aarde. En toch niet geheel en al een hel, want zij had er haar liefde gevonden!Het werd donker, zij kon het ruischen van de golven op het strand van Bryngelly hooren. Daar gekomen, zag zij den ouden Eduard staan, die haar bootje op het droge haalde.“Alweer in dat ding uit, Miss Beatrice, en dat zoo alleen,” bromde de oude man, het hoofd schuddende, terwijl hij het bootje verachtelijk een schop gaf, “en nog wel in donker. Gij moest een man hebben, die op u paste, dat moest gij. Gij zult niet rusten voordat gij verdronken zijt.”“Neen, Eduard,” antwoorde zij, met een lachje, “dat geloof ik ook niet. Ge weet wel, voor de boozen is geen vrede boven de zee. Nu, weesmaar niet boos. In dit weer, en op de baai, zit ik in het bootje zoo veilig als in de kerk.”“O, ja, bij kalm weer en in de baai gaat het wel,” hernam hij, “maar gesteld dat ge voorbijRumball Pointafdreeft en de branding op u kreegt—wel dan zoudt ge binnen vijf minuten verdronken zijn. ’t Isongepermitteerd, juffrouw, dat zegik.”Beatrice lachte weder en ging heen.“’t Is me een rare!” zeide de oude man, zijn hoofd krabbende, terwijl hij haar nazag. “Van al het vrouwvolk, dat ik ooit gekend heb, is zij de wonderlijkste. Het lijkt wel alsof zij verdrinkenwil. De drommel hale me als ik niet wel lust had een gat in den bodem van dat vervloekte bootje te boren en het ding naar den kelder te laten gaan.”Beatrice kwam een weinig vóór het avondeten thuis. Het eerste, wat zij deed, was Betty, de dienstmaagd, te roepen, en met haar hulp haar bed en toebehooren naar de logeerkamer te laten brengen. Met Elisabeth wilde zij niets meer te doen hebben. Zij hadden bij elkander geslapen sedert zij kinderen waren, maar nu was dat uit. Toen kwam zij binnen, en onder het avondeten zat zij als een steenen beeld, zonder een woord te spreken. Haar vader en Elisabeth voerden een gedwongen gesprek, maar zij spraken niet tegen haar, en zij sprak niet tegen hen. Elisabeth vroeg haar niet eens waar zij geweest was, en nam van haar verandering van kamer geen notitie.Beatrice vernam echter dat haar vader Maandag met den eersten trein naar Herefordshire zou gaan, om een vergadering van predikanten bij te wonen, die belegd was om de kwestie van de tienden te bespreken. Dinsdagavond met den laatsten trein, omstreeks middernacht, zou hij terugkomen. Beatrice bemerkte dat Elisabeth hem zou vergezellen. Blijkbaar wilde zij gedurende die week van wapenstilstand haar zuster zoo weinig mogelijk zien—mogelijk was zij een weinig bevreesd voor haar. Het kon zijn dat zelfs Elisabeth een geweten had.Dus zou zij van Maandagochtend tot Dinsdagnacht alleen gelaten worden. In veertig uur kan men veel doen.Na het avondeten stond Beatrice op, zonder een woord te zeggen, en zij waren blijde dat zij heenging. Zij maakte hen bevreesd, met haar strak gezicht en haar groote oogen. Maar geen van beiden sprak er over. Zij hadden samengezworen om het stilzwijgen te bewaren.Beatrice deed haar deur op slot en zat in gepeins verzonken. Als de gedachte aan zelfmoord eenmaal opgekomen is, wortelt zij zich met verbazende snelheid vast. Beatrice overzag en beredeneerde den geheelen toestand; zij tuurde op den zedelijken gezichtseinder, om een middel tot uitredding te zien, maar zij kon geen ander vinden, dat Geoffrey zou redden, dan dit. Ja, zij zou het doen, zooals menige andere ongelukkige gedaan had, echter niet uit lafhartigheid, want als het haar alleen betroffen had, zou zij alles getrotseerd, tot het uiterste gestreden hebben—maar omdat het een einde zou maken aan de gevaren, die Geoffrey bedreigden. Natuurlijk moest er geen schandaal bij zijn; het moest nooit bekend worden dat zij den dood had gezocht; anders zou zij zelve haar doel verijdeld hebben en de zaak weer opgerakeld worden. Maar zulk een mogelijkheid wist zij wel te vermijden; in haar uitersten nood werd Beatrice zoo slim als een vos. Er zou een lijkschouwing gehouden kunnen worden, waarbij lastige vragen gedaan konden worden. Maar zij wist ook wel dat er geen lijkschouwing gehouden kan worden, of er moet iets zijn, waarop zij gehouden wordt, en dat iets zou er niet zijn.En zoo, in de stilte van den avond en in de eenzaamheid van haar kamer, wijdde Beatrice zich tot een offer op het altaar harer onmetelijke liefde. Zij zou den doodstrijd trotseeren in den eersten bloei van haar jeugdige kracht en schoonheid; de wereld in de lente haars levens verlaten, en alleen die donkerheid, met haar verschrikkingen voor het zondige menschdom, ingaan. Alleen!—O, hand in hand met hem zou het gemakkelijk geweest zijn, maar dat mocht niet zijn. De deur der uiterste duisternis zou achter daar dichtgeslagen worden, en wie kon zeggen of die deur eenmaal,als Geoffrey haar volgde, voor hem geopend zou worden, en of hij welooit het pad dat zij betreden had, zou vinden? Maar het moest, het zou geschieden. Beatrice stond van haar stoel op met schitterende oogen en versnelde ademhaling, en zwoer voor God dat zij het doen zou, op Zijn vergiffenis en barmhartigheid hopende of—op eeuwigen slaap.Ja, maar eerst moest zij nog een blik slaan op Geoffrey’s geliefd gelaat—en dan vaarwel!Beklaag haar, dat arme dwalende meisje, dat van haar eigen wil een Voorzienigheid maakt en zich den dood in de armen werpt! Beklaag haar, maar laak haar niet al te zeer, of gij moet ook Judith, Jephta’s dochter, en Charlotte Corday laken, en al de roemrijke vrouwen, die van tijd tot tijd op deze wereld vol hebzucht en eigenbaat zijn opgestaan en zichzelven opgeofferd hebben op het altaar van haar liefde, haar godsdienst, haar eer of haar vaderland.Het was besloten. Laat haar nu rusten terwijl zij kan, in afwachting van wat er zal komen. Met een zucht over alles, dat was, en alles wat had kunnen zijn, legde Beatrice zich te bed, en sliep weldra zoo rustig als een kind.Hoofdstuk XXVII.Het Lagerhuis.De volgende dag was Zondag. Beatrice ging niet naar de kerk. Eén reden daarvoor was dat zij bevreesd was er Owen Davies te ontmoeten. Maar zij nam haar Zondagsklasse als gewoonlijk waar, en nog lang naderhand herinnerden de kinderen zich hoe vriendelijken geduldig zij dien dag jegens hen geweest was, en hoe mooi zij hun de geschiedenis van dat Joodsche meisje verteld had, dat haar leven opofferde opdat haar vader zijn gelofte getrouw zou zijn.Bijna al het overige van den dag en den avond besteedde zij om te schrijven, wat wij later zullen lezen; alleen des namiddags ging zij een poos in haar bootje roeien. Nog iets anders deed zij ook; zij ging naar de hoofdonderwijzeres, en zeide haar dat zij mogelijk Dinsdag (Maandag was het toevallig een vacantiedag) niet in het dorp zou zijn. Als iemand naar de reden van haar afwezigheid mocht vragen, verzocht zij de hoofdonderwijzeres of deze zoo vriendelijk zou willen zijn te zeggen dat zij een afspraak had gemaakt, en om die te houden een ochtend vrijaf had genomen. De hoofdonderwijzeres bewilligde daarin, zonder eenige achterdocht, zeggende dat alsBeatricegeen ochtend vrijaf zou mogen nemen, zij niet zou weten wie.Den volgenden ochtend ontbeten zij zeer vroeg, omdat Granger en Elisabeth met den eersten trein zouden vertrekken. Beatrice zat er stilzwijgend bij; haar kalme oogen staarden strak, en de anderen gevoelden hun hart door een onverklaarbare vrees bekneld, terwijl zij naar haar ondoorgrondelijk gelaat zagen. Wat was dat meisje voornemens te doen? Dat was de vraag, die zij zichzelven deden, hoewel elkander niet. Dat zij iets in den zin had, daar waren zij zeker van, want een vast besluit stond op elken trek van haar strak gelaat te lezen.Eensklaps, terwijl zij zat te peinzen, en den schijn aannam van te eten, schoot haar een denkbeeld voor den geest als een pijl, die haar hart doorboorde. Dit was de laatste maal dat zij ooit te zamen aan tafel zouden zitten, de laatste maal dat zij het gelaat van haar vader en haar zuster ooit zou aanschouwen. Wat haar zuster betrof, daar kon zij zich wel overheen zetten—want er zijn dingen, die zelfs een vrouw als Beatrice niet vergeven kan—maar haar vader had zij lief, met al zijn gebreken; zelfs zijn geldgierigheid en zelfzuchtigheid waren haar door de gewoonte van er zich over te verbazen lief geworden. Bovendienwas hij haar vader; hij was de oorsprong van het leven, dat zij ging wegwerpen. En zij zou hem nimmer wederzien. Wel weifelde zij daarom niet in haar besluit, dat nu zoo vast stond als Bryngelly Castle op zijn rots, maar dat denkbeeld deed haar toch de tranen in de oogen schieten.Juist was het ontbijt afgeloopen, en Elisabeth liep de kamer uit, om haar hoed te halen.“Vader,” zeide Beatrice, “eer gij heengaat, zou ik u gaarne hooren zeggen dat gij niet gelooft dat het onwaar is wat ik u gezegd heb—van die geschiedenis.”“Hm, hm!” antwoordde de oude man zenuwachtig, “ik dacht dat wij overeengekomen waren vooreerst daar niet over te spreken.”“Ja, maar ik zou het u toch gaarne hooren zeggen. Het grieft mij zoo dat gij zoudt denken dat ik u voorgelogen heb, want nooit in mijn leven heb ik u opzettelijk iets gezegd, dat niet waar was,” en zij klemde haar handen om zijn arm, en sloeg de oogen naar zijn gelaat op.Hij zag haar twijfelachtig aan. Was het mogelijk dat zij dan toch de waarheid sprak? Neen; het was niet mogelijk.“Dat kan ik niet, Beatrice,” antwoordde hij—“niet dat ik je er te zeer om laak dat ge u zoekt te verdedigen; een rat, die in een hoek gejaagd is, stelt zich te weer.”“Mogen die woorden u nimmer berouwen,” zeide zij; “en nu vaarwel,” en zij kuste hem op het voorhoofd.Op dat oogenblik trad Elisabeth binnen, zeggende dat het tijd was om heen te gaan, en hij beantwoordde den kus niet.“Vaarwel, Elisabeth,” zeide Beatrice, haar de hand toestekende. Maar Elisabeth deed alsof zij dit niet zag, en een oogenblik later waren zij weg. Zij volgde hen tot aan het hek; en zag hen na, totdat zij op den weg uit haar gezicht verdwenen. Toen keerde zij terug, haar hart tot berstens toe vol; maar zij stortte geen enkelen traan.Zoo had Beatrice haar vader en haar zuster een laatst vaarwel gezegd.“Elisabeth,” zeide Granger, toen zij het station naderden, “ik ben ongerust over Beatrice. Er was zoo’n vreemde uitdrukking in haar oogen, het—kortom, het maakt mij beangst. Ik had wel lust Hereford er aan te geven, en terug te gaan,” en hij bleef aarzelend op den weg stilstaan.“Zooals ge wilt,” zeide Elisabeth, met een smadelijken glimlach,“maar ik zou meenen dat Beatrice groot genoeg is om op zichzelve te passen.”“Bij den God, die ons geschapen heeft,” riep de oude man woedend uit, met zijn stok op den grond stampende, “zij moge slecht zijn, maar zij is niet zoo slecht als jij, die haar verraden hebt. Als Beatrice een Magdalena is, ben jij een vrouwelijke Judas, en ik geloof dat je haar haat en wel zou willen dat zij dood was.”Elisabeth gaf hierop geen antwoord. Zij waren nu aan het station, want haar vader was weer voortgeloopen, en er waren menschen om hen heen. Maar zij wierp hem een blik toe, en nooit vergat hij dien blik. Het was genoeg om zijn tong te verstijven, en hij roerde dit punt niet weder aan.Toen zij vertrokken waren, ging Beatrice toebereidselen maken. Haar voornemen was naar Londen te reizen, om, zoo mogelijk, in het Lagerhuis Geoffrey voor ’t laatst te zien, en dan terug te keeren. Zij zette haar hoed op, en trok haar beste kleed aan; dit was zeer eenvoudig en van grijs laken, maar het stond haar zeer goed, en in de borst stak zij den brief, dien zij den vorigen dag geschreven had. Een kleine reistasch, met een paar boterhammen en een schuier en kam er in, benevens een mantel, maakte haar geheele bagage uit.De trein, die te Bryngelly niet stilhield, vertrok te tien uur van Coed, en naar Coed was het anderhalf uur gaans. Het was tijd om heen te gaan. Zij zou, natuurlijk, dien nacht afwezig zijn, en wat voor reden zij Betty, de dienstmaagd, voor haar afwezigheid zou opgeven, wist zij niet. Maar het toeval kwam haar te hulp. Terwijl zij er over nadacht, kwam Betty zelve weenend binnen. Zijhad zooeven vernomen dat haar zusje, dat met haar moeder in een dorp op zes mijlen afstands woonde, door een wagen aangereden en zwaar bezeerd was; en zij vroeg of zij voor dien nacht naar huis mocht gaan. Den volgenden dag zou zij terugkomen.Beatrice stemde in haar verzoek toe, en Betty ging dadelijk heen. Zoodra zij weg was, sloot Beatrice het huis, stak den sleutel in haar zak, en ging op haar wandeltocht van vijf mijlen uit. Niemand zag haar het huis verlaten, en zij liep langs een pad achter het dorp om, zoodat niemand haar ook op den weg zag. Onopgemerkt aan het Coed-station gekomen, even vóór het vertrekuur van den trein, deed zij haar voile neer, en nam een plaatskaartje derde klasse naar Londen. Dit moest zij wel doen, want haar geldvoorraad was zeer gering;alles bijelkaarhad zij maar zes-en-dertig shillings, waarvoor de reis naar Londen heen en terug haar acht-en-twintig shillings en vierpencezou kosten.Een oogenblik later was zij een leegen waggon ingestapt, en de trein stoomde heen.Dien avond omstreeks acht uur kwam zij aan het Paddington-station. In de restauratiekamer deed zij haar middagmaal met een kop thee en een boterham, waarna zij verder op haar tocht uitging.Beatrice was nooit in Londen geweest, en zoodra zij het station verlaten had, bracht de rumoerige drukte van de groote stad haar in verlegenheid. Haar plan was te voet naar het Parlementsgebouw in Westminster te gaan. Daar meende zij zeker te zijn van Geoffrey te zien, omdat zij een dagblad gekocht had, waarin zij gelezen had dat hij een van de sprekers in een groot debat over de Iersche kwestie zou zijn, dat dien nacht gesloten zou worden. Een vriendelijke kruier had haar gezegd dat zij Praed Street maar moest volgen totdat zij aan Edgware Road kwam, dan doorloopen naar den Marmeren Boog, en maar weer vragen. Beatrice volgde het eerste gedeelte van die aanwijzing tot Edgware Road. Maar daar stond zij verlegen en aarzelde.Op dit oogenblik kwam er een ruwe vent naar haar toe en zeide iets. Een meisje als Beatrice kon onmogelijk door de straten vanLonden loopen zonder aan het gevaar van zulke ongewenschteaandachtblootgesteld te zijn. Zij wendde zich van hem af, en terwijl zij dit deed, hoorde zij hem tegen een ander een onkiesch gezegde over haar schoonheid uiten. Dicht bij de plaats waar zij zich bevond, stonden tweecabs. Zij ging naar de eerste toe, en vroeg den voerman voor hoeveel hij haar naar het Lagerhuis wilde rijden.“Twee shillings, juffrouw,” was het antwoord.Beatrice schudde het hoofd, en wilde heengaan. Zij durfde zooveel geld niet aancabsbesteden, want zij moest naar Bryngelly terug.“Ik zal er u brengen voor anderhalven shilling, juffrouw,” riep de voerman van de anderecab. Dit aanbod wilde zij juist aannemen, toen de eerste inviel:“Wou je mij mijn vrachtje afsnoepen? Hoor eens, juffer, ik ben galant voor dames, en ik zal er u voor één shilling brengen.”Zij glimlachte en stapte decabin. Nu dwarrelde het haar voor de oogen in de drukke, met gas verlichte straten, en binnen een kwartier hield decabvoor den ingang van het Lagerhuis stil. Beatrice betaalde dencab-voerman zijn shilling, bedankte hem, en trad binnen, maar stond weer verlegen te midden van witte beelden, marmeren vloeren, hooge gewelfde zolderingen en gedrang van menschen. Een op post staande politiedienaar vroeg haar waarvoor zij hier kwam. Beatrice antwoordde dat zij de zitting van het Lagerhuis wilde bijwonen.“Dien kant op, juffrouw—dien kant op,” zeide de politiedienaar, op een stroeven toon. Zij volgde zijn aanwijzing, en kwam eindelijk in een portaal onder een menigte lieden van allerlei soort—kale politieke aanhangers, Iersche priesters, mannen van de pers, enz. Aan de eene zijde van het portaal stondenpolitiedienaarsen boden, die gestadig kaartjes aannamen. Onmerkbaar werd zij door den stroom naar dien kant medegesleept.“De damesgalerij, juffrouw?” vroeg een stem; “uw toegang-kaartje als ’t u belieft, maar ik geloof dat er wel geen plaats meer zal zijn.”Dit was een nieuwe verlegenheid. Beatrice had geen toegang-kaartje. Zij had niet gedacht dat het noodig was.“Ik heb geen toegangkaartje,” zeide zij. “Ik wist niet dat ik er een hebben moest. Kan ik niet zonder binnenkomen?”“Zeer zekerniet,” antwoordde de stem, terwijl de eigenaar van die stem, die waarschijnlijk dynamiet vermoedde, haar met een koelen ambtelijken blik in oogenschouw nam. “Uit den weg als ’t u belieft.”Beatrice’s oogen schoten vol tranen, terwijl zij zich in bitterheid des harten omkeerde. Zoo was al haar moeite dan te vergeefs, en moest zij zich dit laatste zwijgend afscheidnemen ontzeggen. Welnu, wat kwam bij zooveel treurigs een weinig meer er op aan? Zij keerde zich om, en wilde heengaan, maar niet onopgemerkt. Een nog vrij jong Parlementslid, die in Beatrice’s nabijheid met een zijner kiezers had gesproken, had haar afwijzing gezien. Getroffen door haar schoonheid en haar droefheid, deed hij wat hij behoorde te doen; hij nam, namelijk, zijn hoed af, en vroeg of hij, als lid van het Lagerhuis, haar van dienst kon zijn. Beatrice luisterde, en legde hem uit dat zij bizonder gaarne toegang tot de Damesgalerij had willen hebben.“Dan kan ik u, geloof ik, helpen,” zeide hij. “Toevallig heeft een dame, voor wie ik een kaartje had, mij getelegrafeerd dat zij niet kan komen. Wilt ge mij maar volgen? Mag ik u verzoeken mij uw naam op te geven?”“Mevrouw Everston,” antwoordde Beatrice, den eersten naam, die haar inviel, nemende. Het Parlementslid zag een weinig teleurgesteld. Hij had, zonder eigenlijk te weten waarom, gehoopt dat die schoone vrouw nog vrij was. Haar huwelijk was zeker niet gelukkig, anders zou zij er niet zoo treurig uitzien.Toen kwamen er nog meer trappen en gangen en formaliteiten, totdat Beatrice zich in een soort van vogelkooi bevond, tot stikkens toe vol met allerlei soort van dames.“Ik vrees—ik vrees dat er geen plaats meer is,” zeide haar nieuwe vriend, met ongerustheid de menigte overziende.Maar op dit oogenblik was een dikke dame, die vooraan zat, en bijna flauw viel van de hitte, genoodzaakt de galerij te verlaten,en eer zij recht wist waar zij was, was Beatrice naar haar plaats geleid. Haar vriend had voor haar gebogen en was verdwenen, en zij zat zoo goed als alleen, want zij lette niet op degenen, die om haar heen zaten, hoewel sommigen haar scherp opnamen, benieuwd wie dat schoone meisje toch wel wezen mocht.Zij liet haar blik door de volle zaal gaan, en zag een chaos van hoeden, halsboorden en beenen, en hoorde een rumoer van geluiden: de scherpe stem van een spreker, die spoedig driftig werd, de toejuichingen van de Regeeringsbanken, de interpellaties van de Oppositie—ja, zelfs geschreeuw en gejouw, en geluiden, die wel iets van hanengekraai hadden. Als zij er aan gedacht had, zou Beatrice geen hoogen dunk verkregen hebben van de waardigheid eener vergadering, waar zoovelen van haar leden hun fatsoenlijkheid met hun overjassen en stokken aan de deur schenen gelaten te hebben; maar zij dacht er eenvoudig niet aan. Wel zag zij vorschend de zaal rond, maar het was om slechts één gelaat te zien—Ha! daar was het.En nu mocht het Lagerhuis in den bodemloozen afgrond verzinken, en het Hoogerhuis, en alles wat er van de Britsche Constitutie overbleef meenemen, en zij zou het niet gemist hebben. Want zelfs in haar beste gemoedsstemming was Beatrice—wat zij met de meesten van haar sekse gemeen had, dat zij met alle dankbaarheid gezegd—geen vurig politicus.Daar zat Geoffrey, met zijn armen over elkander geslagen. Daar was hij, om wien te zien zij van zoo ver gekomen was, en voor wien zij morgen haar leven ten offer zou brengen. Wat zag hij treurig—hij scheen afgetrokken te zijn. Zij wist dat hij aanhaardacht; dat kon zij gevoelen, evenals zij het vroeger gevoeld had. Onafgewend hield zij haar oogen gevestigd op dat geliefd gelaat, waarvan zij afscheid nam; zij zag niets anders, zij hoorde niets van het gegons, als van een bijenzwerm, om haar heen en onder haar.Nu kwam de heer, die zoo vriendelijk voor haar geweest was, naast Geoffrey zitten en begon met hem te fluisteren, en terwijl hijdat deed, zag hij een paar malen naar het traliewerk, waarachter zij zat. Zij vermoedde dat hij haar vertelde van de dame, die zoo onverklaarbaar verlangend was om de debatten te hooren, en hoe schoon zij was. Maar Geoffrey scheen daar niet veel belang in te stellen, en Beatrice was genoeg vrouw om dit op te merken en zich er over te verheugen. Het denkbeeld dat Geoffrey er belang in stelde van geheimzinnige schoone dames te hooren, zou haar niet aangenaam geweest zijn.Eindelijk stond er een spreker op—uit het gemompel om haar heen begreep zij dat het een der leiders van de Oppositie was—en begon een krachtige en bittere redevoering. Zij merkte op dat Geoffrey met aandacht begon te luisteren.“Zie,” zeide een der dames in haar nabijheid, “mijnheer Bingham maaktaanteekeningen. Aanstonds gaat hij spreken—hij spreekt uitmuntend, zooals gij weet. Men zegt dat hij, op Gladstone en Lord Randolph na, de beste in het Lagerhuis is.”“Lady Honoria schijnt er niet te zijn,” zeide een andere dame. “Ik zie haar niet.”“Neen,” hernam de eerste, “zij is een lieve vrouw, en zoo schoon!—juist de vrouw voor een man van aanzien—maar ik geloof niet dat zij veel belang stelt in politiek. Wat zijn haar diners uitgelezen!”Hier werd het gemompeld gesprek door een storm van toejuichingen gestoord.Deze spreker sprak ongeveer drie kwartier, en toen stond Geoffrey eindelijk op. Een paar andere leden stonden tegelijk met hem op, maar lieten hem aan ’t woord.Hij begon langzaam—wat al te bedaard, naar het Beatrice, die het hart op de tong had, toescheen—maar toen hij ongeveer vijf minuten gesproken had, geraakte hij in vuur. En nu begon een van de merkwaardigste redevoeringen, die ooit in dat Parlement gehouden zijn. Geoffrey had vroeger goed gesproken, en zou later weer goed spreken, maar nooit had hij zoo goed gesproken als ditmaal. Bijna anderhalf uur hield hij het Lagerhuisgeboeid, en zelfs de interpellaties en teekenen van afkeuring der Oppositie hielden tegen het einde van zijn redevoering op. Zijn gelaat schitterde van het vuur der welsprekendheid. Hij ontleedde de door de Oppositie aangevoerde feiten één voor één, en toonde met overtuigende logica aan dat het geen feiten waren; te midden van een toornig gesis vergruisde hij al haar bewijsgronden en wederlegde haar beweegredenen. Toen sloeg hij een anderen toon aan, en richtte het woord niet meer bepaald tot de Oppositie, maar tot het Lagerhuis in ’t algemeen, en tot het geheele land, in dien echt vaderlandsgezinden geest en met die kracht en gloed van taal, waardoor zijn toenemende beroemdheid zoowel in het Parlement als in de kiezersvereenigingen bevestigd werd.Beatrice deed de oogen dicht, en luisterde naar die volle, heldere en indrukwekkende stem, die al krachtiger en krachtiger scheen te worden, totdat de geheele zaal er van vervuld was en elke bestrijding tot zwijgen was gebracht.Met een kernachtig slot hield Geoffrey op, en nam zijn plaats weder in. Hij had anderhalf uur gesproken, en toch scheen het Beatrice toe dat er slechts eenige minuten verloopen waren sedert hij was opgestaan. Nu barstte er een storm van toejuichingen los, te midden waarvan een leider der Oppositie opstond, om, juist niet in de beste luim, te antwoorden, want Geoffrey’s redevoering had hem gevoelig geraakt.Hij begon met den geachten spreker een compliment te maken over zijn gehouden redevoering, “zoo welsprekend als hij er in geen jaren een gehoord had, hoewel, ongelukkig, van een verkeerd standpunt uitgaande.” Daarna laakte hij de Regeering dat zij een man, die zooveel knapper was dan de meesten harer “bevoorrechten,” niet reeds een hoogen post had gegeven, en verwekte gelach door satiriek te zeggen dat, als het hem ooit ten deel viel op de voorste bank van de Thesaurie te zitten, hij voorzeker den geachten spreker een bod zou doen. Na deze niet kwaad gemeende scherts, ging hij over tot de beschouwing van het punt in behandeling, en Beatrice lette niet verder op hem, maar zag Geoffrey wederin denzelfden schijnbaren staat van koele onverschilligheid zitten, waaruit de noodzakelijkheid van te spreken hem gewekt had.Nu kwam de heer, die haar een plaats had bezorgd, bij haar en sprak haar toe. Al spoedig begon hij over Geoffrey’s redevoering te spreken, zeggende dat het een van de schitterendste, zoo niet de schitterendste, van de zittingen was.“Mijnheer Bingham zal het dus zeker wel tot hoog aanzien brengen?” zeide Beatrice.“Tot hoog aanzien? Dat zou ik meenen!” antwoordde hij. “Bij de eerste gelegenheid zal hij wel een Regeeringspost krijgen; hij is te knap om hem voorbij te zien. Weinig mannen zijn zoo spoedig op den voorgrond gekomen als mijnheer Bingham. Wij noemen hem de komeet, en als hij zijn kansen niet vergooit, door iets dwaas te doen, is er geen reden waarom hij niet binnen weinig jaren Procureur-Generaal zou zijn.”“Waarom zou hij iets dwaas doen?” vroeg zij.“Och, om geen bepaalde reden, zoover ik weet; alleen, zooals gij zeker wel opgemerkt zult hebben, doen mannen van zijn soort soms belachelijke dingen, en brengen zich in opspraak door met de een of andere vrouw weg te loopen of zoo iets, waardoor zij hun loopbaan bederven. Niet dat dit van mijnheer Bingham te vreezen is, want hij heeft een allerliefste vrouw, en men zegt dat hij veel hulp van haar heeft. Maar daar gaat de bel van de afdeeling. Adieu, mevrouw Everston, aanstonds kom ik weer bij u, om u hieruit te brengen.”“Adieu, mijnheer,” antwoordde Beatrice, “en in geval ge mij niet meer mocht vinden, wensch ik u iets te zeggen—u te danken voor uw vriendschappelijkheid dat ge mij hier gebracht hebt. Ge hebt mij een grooten dienst gedaan, een zeer grooten dienst, waarvoor ik u ten hoogste dankbaar ben.”“Dat is geen dank waard,” antwoordde hij. “Dat is een genoegen voor mij geweest. Als ge mij wildet vergunnen,” voegde hij er met eenige verlegenheid bij, “u eens te komen bezoeken, zou het genoegen des te grooter zijn. Ik zal mijnheer Bingham meebrengen, alsgij gaarne kennis met hem wilt maken—ten minste, als ik kan.”Beatrice schudde het hoofd. “Dat kan niet,” antwoordde zij, droevig glimlachend. “Ik ga morgen op een lange reis, en ik kom hier niet terug. Vaarwel.”Het volgend oogenblik was hij weg. In geen jaren had een vrouw zulk een levendige belangstelling in hem gewekt als deze schoone onbekende. Wie kon zij zijn? en waarom was zij er zoo bizonder op gesteld de debatten te hooren? Daar school een geheim achter, en dat wilde hij, zoo mogelijk, oplossen.Inmiddels nam de afdeeling plaats, en onder gejuich van de Ministerieele partij en geschreeuw van de Oppositie werd de zegepraal der Regeering aangekondigd. Toen kwamen de gewone formaliteiten, en de vergadering begon uiteen te gaan. Beatrice zag de voorzitter van het Lagerhuis en verscheidene Regeeringsleden naar Geoffrey toe komen, hem de hand geven en hem gelukwenschen. Nu keerde zij zich om, na een langen blik op hem geworpen te hebben, en ging heen, in het oogenblik zijner zegepraal, die hem zoo onverschillig scheen te laten, maar die Beatrice in haar hart trotscher maakte dan alsof zij tot keizerin over de geheele wereld verklaard was.O, het was iets zulk een man te beminnen, een man, die geboren was om zich boven zijn medemenschen te verheffen—en het was goed voor hem te sterven! Mocht zij haar jammerlijk bestaan een hinderpaal laten zijn op zulk een loopbaan als de zijne zou zijn? Nooit, nooit! Om haar zou er geen publiek “schandaal” zijn.Zij sloeg haar voile neder en vroeg den weg naar den uitgang van de vergaderzaal. Weldra was zij er buiten. In een der portalen en in de schaduw van de pilaren, zag zij de leden van het Lagerhuis haar voorbijgaan. Velen hunner spraken te zamen, en een paar malen ving zij Geoffrey’s naam op, gepaard met zulke woorden als “een uitstekende redevoering,” en dergelijke uitdrukkingen van bewondering.“Voortloopen, voortloopen,” zeide een politiedienaar. Beatrice lichtte haar voile op, wendde zich om en zag hem aan, waarna hij,iets mompelende, zelf voortliep en haar met rust liet. Nu zag zij Geoffrey en den heer, die zoo vriendelijk jegens haar geweest was, te zamen loopen. Zij kwamen door een zijdeur, en hij ging haar strijkelings voorbij, maar zag haar niet. Zij drong dichter tegen den pilaar aan, en verschool zich in de schaduw. Binnen zes voet van haar af, stond Geoffrey stil, en stak een sigaar op. Het licht van den lucifer scheen op zijn gelaat. Wat zag hij er afgemat uit! Een vurig verlangen om vooruit te treden en hem aan te spreken bestormde haar, maar zij bedwong zich met geweld.Haar vriend sprak met hem, en over haar.“Een allerliefste vrouw,” zeide hij, “met een paar grijze oogen, zoo schoon, zoo vol glans, als ik ooit gezien heb! Maar zij is verdwenen als een droom. Ik kan haar nergens vinden. ’t Is een zeer geheimzinnig geval.”“Ge wordt verliefd, Tom,” antwoordde Geoffrey afgetrokken, terwijl hij den lucifer wegwierp en voortliep. “Doe dat niet; ’t is ongelukkig genoeg het te zijn,” en hij zuchtte.Hij ging heen. O, Hemel! nimmer zou zij hem wederzien! Een koude huivering overviel Beatrice; haar bloed scheen te stollen. Zij beefde zóó hevig, dat zij zich nauwelijks staande kon houden. Voorovergebogen zag zij hem na, met zulk een bedroefde uitdrukking, dat zelfs de politiedienaar, die berouw had over zijn inschikkelijkheid, en terugkwam om haar weg te jagen, verbaasd stond. De beide mannen waren ongeveer vijf-en-twintig passen ver, toen iets Beatrice’s vriend bewoog even om te zien. Zijn blik viel op het bleek, treurig gelaat, dat nu in het volle licht van de gaslamp stond.Beatrice zag hem omzien, en begreep haar gevaar. “O, vaarwel, Geoffrey!” ontboezemde zij, voor een oogenblik door de geheimzinnige werking der tusschen hen bestaande zielsverwantschap zijn hart tot zich trekkende. Maar terstond beseffende wat zij gedaan had, sloeg zij haar voile weer neder en ging snel heen. De heer, die “Tom” heette—zijn naam was zij niet te weten gekomen—tuurde in de richting waar hij haar ontdekt had, en op datzelfdeoogenblik wankelde Geoffrey alsof hij door een schot getroffen was, verbleekte en bleef stilstaan.“Daar is die dame weer,” zeide zijn metgezel; “wij moeten haar vlak voorbijgegaan zijn. Zij zag naar ons; ik heb haar gelaat in het gaslicht gezien—en ik kan er mij niet in vergissen.”Geoffrey greep hem bij den arm. “Waar is zij?” vroeg hij; “en hoe zag zij er uit?”“Zooeven stond zij daar,” antwoordde hij, naar den pilaar wijzende, “maar nu heb ik haar uit het oog verloren—ik geloof dat zij den kant van het station op is gegaan, maar dat kan ik niet zien. Wacht, is zij dat?” en hij wees den kant van de Abdij op, naar een rijzige gestalte.Zij liepen snel, om haar in te halen, maar de uitkomst was niet voldoende, en haastig keerden zij van het voorwerp hunner opmerkzaamheid terug.Intusschen was Beatrice aan deWestminster Bridgegekomen. Daar stond eencab: zij stapte er in, en beval den voerman haar naar Paddington te rijden.Voordat de twee heeren teruggekeerd waren, was zij weg. “Zij is weer verdwenen,” zeide Tom, en nu gaf hij Geoffrey een beschrijving van haar. Op haar kleeding had hij ongelukkig weinig gelet. Het kon, naar zijn beschrijving, Beatrice’s kleeding zijn, of niet. Het kwam Geoffrey bijna onbegrijpelijk voor dat zij vermomd door Londen zou loopen, onder den naam van mevrouw Everston. En toch—en toch—hij had er op kunnen zweren—maar het was dwaasheid.Eensklaps wenschte hij zijn vriend goeden nacht en nam eencab. “Het wordt hoe langer hoe geheimzinniger,” zeide de verbaasde Tom, terwijl hij hem zag wegrijden. “Het zou mij wel honderd pond waard zijn, om te weten te komen wat dat alles beteekent.”Maar hij kwam er nooit iets van te weten, hoewel hij de wanhopige uitdrukking van Beatrice’s oogen bij dien laatsten afscheidsblik, nog menigmaal in zijn slaap zag.Geoffrey dacht over de zaak na. Het geval, hoe ongerijmd ook, was toch mogelijk. Behalve dat enkele regeltje, tot antwoord op zijn brief, had hij niets van Beatrice vernomen; en eigenlijk verwachtte hij iets van haar te zullen hooren, alvorens verder een stap te doen. Maar gesteld zelfs dat zij in Londen was, waar moest hij haar dan zoeken? Het viel hem in dat er een trein van Euston naar Wales, ’s ochtends te vier uur vertrok. Het was zeer goed mogelijk dat zij in stad was en met dien treinterugkeerde. Hij beval den voerman hem naar het Euston-station te rijden, en daar aangekomen, ondervroeg hij een slaperigen kruier, maar zonder voldoenden uitslag.Toen zocht hij op het station; daar was geen spoor van Beatrice te zien. Hij deed nog meer; zoo vermoeid als hij was, wachtte hij anderhalf uur totdat het tijd was voor den trein om te vertrekken. Er waren maar drie passagiers, en geen van drieën geleek in ’t allerminst op Beatrice.“’t Is al zeer vreemd,” zeide Geoffrey bij zichzelven, terwijl hij terugliep. “Ik had er op kunnen zweren dat ik eenoogenblikhaar aanwezigheid gevoelde. Het moet verbeelding geweest zijn. Dat komt er van, als men aan geheime invloeden gelooft. Men heeft er maar last van!”Was hij maar naar Paddington gegaan!
Hoofdstuk XXVI.Wat Beatrice zwoer.Beatrice ging naar haar kamer, maar de atmosfeer daar scheen haar te verstikken. Haar hoofd duizelde, zij moest naar buiten, in de lucht, ver van haar kwelgeesten. Zij had Geoffrey’s brief nog niet beantwoord, en die moest met deze post nog beantwoord worden, want Zondags was er geen. Het was half vijf—te vijf uur ging de post: als zij schrijven wilde, moest zij het dadelijk doen, maar hier kon zij het niet. Bovendien moest zij tijd tot nadenken hebben. Ha, zij had er iets op gevonden; zij zou in haar bootje over de baai naar het stadje Coed roeien en daar haar brief schrijven. De post ging niet vóór half zes uit Coed. Zij zette haar hoed op, trok haar jacquet aan, nam een postzegel, een vel papier en een enveloppe mee, en sloop stil het huis uit naar Eduard’s schuitenhuis, waar het bootje lag. De oude Eduard was daar zelf niet, maar zijn zoon was er, een knaap van veertien jaar, en met zijn hulp was Beatrice spoedig in zee gestoken en roeide zuidwaarts om de kust van het eiland, waarop het kasteel stond, naar de baai.Onder het roeien klaarde haar geest op, en was zij in staat over haar toestand na te denken. Die was erg genoeg. Zij zag geen licht, rondom was het duisternis. Maar zij had, ten minste, een week voor zich, en wat zou zij intusschen aan Geoffrey schrijven?Terwijl zij nadacht, bestormde haar een zware verzoeking, en voor de eerste maal was haar besluit aan ’t wankelen gebracht. Waarom zou zij Geoffrey’s aanbod niet aannemen en met hem, meegaan—ver van al die ellende? Zij zou er gaarne haar leven voor geven om één jaar aan zijn zijde door te brengen. Zij had het maar te zeggen, en hij zou haar tot zich nemen, en over een maand zouden zij te zamen in een vreemd land zijn, en de wereld zou niets meer voor hen zijn, zooals hij gezegd had. Ongetwijfeld zou Lady Honoria wel echtscheiding verkrijgen, en dan konden zij trouwen. Er kon zelfs een tijd komen, dat dit alles een, vergeten nacht van storm en vrees zou schijnen, wanneer zij, door de kinderen hunner liefde omringd, vreedzaam en gelukkig in den avond huns levens al meer en meer die grens naderden, die de helft van haar verschrikking zou verloren hebben, omdat zij die hand in hand zouden overschrijden.O, dat zou goed voor haar zijn; maar zou het voor hem ook goed zijn? Als de eerste maanden van hartstocht voorbij waren, zou hij dan niet beginnen te denken aan alles wat hij voor de liefde eener vrouw weggeworpen had? Zou de smaad en schande, die hem tot in de verste hoeken der aarde volgde, zijn liefde niet doen slijten, totdat hij eindelijk, zooals Lady Honoria gezegd had, haar leerde vloeken en haten? En als dat niet zoo was—als hij haar, door alles heen, bleef liefhebben, wat van hem wel te verwachten was—konzijhet dan zijn, die zijn loopbaan voor hem bedorven had? O, beter zou het geweest zijn als zij hem had laten verdrinken, toen in dien stormachtigen nacht het noodlot hen bij elkander had gebracht.Neen, neen; eens en voor al, dat zou zijnietdoen. Hoe folterend haar toestand, hoe zwaar haar last ook was, hij zou daar niet onder te lijden hebben, als het in haar macht was hem daarvoorte vrijwaren. Zij zou hem niet eens mededeelen wat er gebeurd was—in allen gevalle, nu niet. Dat zou hem maar bedroeven; hij zou misschien een of anderen wanhopigen stap doen; dat was bijna zeker. Haar antwoord moest zeer kort zijn.Zij was nu dicht bij Coed, en het water was zoo kalm als een vijver. Zóó kalm was het, dat zij het vel papier en de enveloppe uit haar zak haalde, die op de bank van het bootje legde, en met potlood de woorden schreef, die wij reeds gelezen hebben:“Neen, lieve Geoffrey. Er is niets aan te veranderen B.”Na dit geschreven te hebben, roeide zij naar de kust. Een visscher, die daar stond, zag haar bootje, en haalde het op het strand. Zij liet het aan zijn zorg over, liep het stille stadje in, deed haar briefje op de post, en kocht wat wol. Dat was een voorwendsel om daar geweest te zijn, in geval haar iets gevraagd werd. Daarna ging zij naar haar bootje terug. De visscher stond er bij. Zij bood hem eensixpencevoor zijn moeite aan, maar dien wilde hij niet aannemen.“Neen, juffrouw,” zeide hij, “dank u vriendelijk—maar we krijgen hier niet dikwijls zoo’n lief gezichtje te zien. Dat is wel eensixpencewaard. Maar, juffrouw, als ik zoo vrij mag wezen het te zeggen, ’t is niet veilig voor u in dat bootje te kruisen, ten minste, niet zoo alleen.”Beatrice dankte hem en bloosde een weinig. Onwillekeurig kwam het bij haar op, dat zij wel met een meer dan gewone schoonheid bedeeld moest zijn, als die op een ruwen varensgast zulk een indruk maakte. Dat was het waarom een man verliefd op een meisje wordt—schoonheid; en daarom alleen beminde en begeerde Owen Davies haar.Zou het misschien met Geoffrey hetzelfde zijn?—neen, dat geloofde zij niet. Hij beminde haar om meer dan haar uiterlijke schoonheid. Maar als zij niet schoon was geweest, misschien zou hij dan niet begonnen zijn haar te beminnen, dus was zij haar schoonheid van oogen, van haar en gestalte dankbaar.Kon dwaze verblinding verder gaan? In de donkerste ure vanhaar wanhopigen toestand, waarvan het einde niet was te zien, ter prooi aan gewetensknaging, en bedreigd door schande, die als een donderwolk boven haar hoofd hing, kon dat meisje zich nog dankbaar gevoelen dat zij die liefde, die de bron van al haar verdriet was, gewonnen had. Of was haar dwaasheid vermomde diepe wijsheid?—is er iets goddelijks in een gevoel, dat aldus het zwaarste trotseert en er over kan zegevieren?Zij was nu weder op zee, en de avond viel op het water, zacht als een droom. De brief was op de post gedaan. Zou het de laatste zijn? vroeg zij zichzelve af. Het scheen haar toe alsof zij geen brieven meer schrijven moest. En wat te doen? Met Owen Davies trouwen wilde zij niet—dat nooit. Zoo schandelijk kon zij haar gevoel geen geweld aandoen. Als zij dat deed, zou zij zich de laagste der laaggezonkenen geacht hebben. En nog minder zou zij het willen doen, omdat haar hart haar zeide hoe grievend het voor Geoffrey moest zijn, al zeide hij geen woord. Voorzeker zou hij haar er om verachten. Neen, dat denkbeeld werd verworpen—totaal verworpen.Wat bleef haar dan over? Met Geoffrey vluchten wilde zij niet, omdat het zijn ongeluk zou zijn. Zij wilde niet met Owen trouwen, en als zij het niet deed, zou Geoffrey in ’t verderf gestort worden. Zij wist wel dat haar onschuld moeilijk te bewijzen zou zijn; immers haar eigen vader geloofde er niet aan, en haar zuster zou haar voor de wereld openlijk beschuldigen. Wat moest zij dan doen? Zou zij zich in een verre, half beschaafde streek, of in Londen, verbergen? Dat was onmogelijk; zij had geen geld, en geen middelen om aan geld te komen. Bovendien zou men haar wel opsporen; zoowel Owen Davies als Geoffrey zouden haar beiden tot in de uiterste hoeken der aarde opsporen. En zou de eerstgenoemde niet denken dat Geoffrey haar ingeblazen had heen te gaan, en terstond zijn bedreigingen ten uitvoer brengen? Zeker zou hij dat. Van dien kant was er geen hoop. Zij moest een ander plan bedenken, of haar minnaar zou er het slachtoffer van zijn.Zoo redeneerde Beatrice, niet aan zichzelve maar aan Geoffreydenkende, die meer dan alles op de wereld voor haar was, meer, duizendmaal meer dan haar eigen veiligheid of welzijn. Misschien overdreef zij. Owen Davies, Lady Honoria, en zelfs Elisabeth mochten alles gedaan hebben, waarmede zij dreigden: de eerste zeker, de beideanderenmisschien; en toch had het kunnen zijn dat Geoffrey er ongedeerd afkwam. Mogelijk waren er uitwegen, waarvan zij niets wist. Maar van alle kanten in het nauw gebracht, scheen het ergste Beatrice een noodzakelijk gevolg toe. Haar eigen geweten trad ook beschuldigend tegen haar op. Die bizondere aantijging was een leugen, maar het was geen leugen, dat zij Geoffrey beminde, en dat scheen haar toe op hetzelfde neer te komen. In zulke zaken maakte zij geen fijn onderscheid; en zoo stelde zij zichzelve in staat van beschuldiging. Zij besefte niet het door de geheele beschaafde wereld erkende, groote verschil tusschen denken en doen, tusschen de neiging en het schuldig bedrijf. Beatrice beschouwde dit punt meer in den geest van den Bijbel, waarin uitdrukkelijk verklaard wordt, dat dit een onderscheid maken zonder verschil is.Indien zij naar Geoffrey toe was gegaan en hem de geheele geschiedenis verteld had, zou hij waarschijnlijk allesgetrotseerdhebben en er mogelijk zegevierend afgekomen zijn. Maar met die terughouding, waartoe alleen vrouwen in staat zijn, deed zij dat niet, en wilde zij het niet doen. Zij wilde hem niet met den last van haar leed bezwaren, dat wilde zij alléén verduren—niet bedenkende dat zij daardoor een veel zwaarderen last op hem laadde, dien hij zijn leven lang zou moeten dragen.Hoe liefelijk viel de avond, hoe schitterend wierp de ondergaande zon haar laatste stralen op de zee, en hoe helder was het water! Zie, daar sprong een visch voorbij haar roeispaan, en daar kwam de eerste ster aan het uitspansel te voorschijn! Was Geoffrey maar bij haar om het genot van dat schouwspel met haar te deelen! Geoffrey? zij had hem verloren; zij was nu alleen op de wereld—alleen met de zee en de sterren. Welnu, die waren beter dande menschen—beter dan allen, behalve één. Er was een hoogere gemeenschap der zielen, en dat vertroostte haar. Want hoewel haar geweten haar verweet dat zij tegen de tijdelijke en menschelijke wet gezondigd had, gevoelde zij geen berouw; haar hart zeide haar dat de liefde, die zij geschonken had, onsterfelijk, en dus boven tijd en menschen verheven was. In allen gevalle beminde zij Geoffrey, en daar was zij trotsch op en verheugde zij zich over. De omstandigheden waren ongelukkig, maar zij had de wereld en de maatschappelijke instellingen evenmin gemaakt als zichzelve, en dat kon zij niet helpen. Het feit bleef, goed of kwaad—zij beminde hem!Hoe helder was het water. Wat was dat voor een droom harer opgewonden verbeelding van op den bodem der zee te zitten en op hem te wachten totdat hij eindelijk kwam? Op den bodem der zee zitten—waarom wekte dat zulke zonderlinge denkbeelden in haar geest? Welnu, waarom niet? Het zou daar aangenaam zijn, in allen gevalle beter dan op aarde. Waarom moest zij langer een leven dragen, dat haar te zwaar werd? Zie, zij had slechts over den kant van het bootje te glijden en zich in die geopende armen te storten, en binnen weinige oogenblikken zou het met haar gedaan zijn!Hier zou het antwoord op haar vragen en twijfelingen zijn, hetzelfde antwoord, dat op alle menschelijk verdriet, alle aardsche hoop en vrees en strijden gegeven wordt. Eén oogenblik, en alles zou verloren of gevonden zijn. Zou het dan zooveel te beteekenen hebben haar leven voor Geoffrey op te offeren?—zij had het immers bijna gedaan toen zij hem nog maar een uur kende, en zou zij het dan nu niet doen, nu hij alles in alles voor haar was? Als zij stierf—heimelijk, plotseling stierf—zou Geoffrey voorzeker gered zijn; men zou hem niet lastig vallen; er zou niemand zijn, over wie men hem lastig zoukunnenvallen: Owen Davies zou dan niet met haar kunnen trouwen, Geoffrey zou zich voor haar niet in ’t ongeluk kunnen storten, Elisabeth zou haar niet meer kunnen vervolgen. Het zou goed zijn dit voor Geoffrey te doen, en hijzou haar altijd blijven beminnen, en achter dat zwarte gordijn was misschien iets beters.Men zeide dat het zonde was. Ja, het zou misschien zonde zijn dit voor zichzelf alleen te doen. Maar als het voor een ander was? Zou het zonde zijn voor Geoffrey te sterven, zich voor Geoffrey’s welzijn op te offeren?O, er zou niet veel verdienstelijks in zijn. Wat was haar leven voor haar? Het zou beter, veel beter zijn dan met Owen Davies te trouwen, dan hun liefde te ontheiligen, en te maken dat Geoffrey haar moest verachten. En hoe anders kon zij het dreigend leed van hem afweren dan door haar dood of door een huwelijk, dat in haar oogen veel verschrikkelijker was dan de dood?Maar nu kon zij het nog niet doen. Zij kon niet sterven voordat zij nog eenmaal zijn gelaat aanschouwd had, al zag hij ook het hare niet. Neen, dezen avond zou zij die snelle oplossing niet zoeken. Zij had nog woorden te zeggen—of woorden te schrijven. Reeds drongen zij zich aan haar geest op!Maar als zich geen beter plan opdeed, zou zij het doen, daar was zij zeker van. Het was een zonde—welnu, dan zondigde zij voor Geoffrey. Hij zou daarom niet slechter van haar denken. En zij had hoop, ja, Geoffrey had haar leeren hopen. Als er een hel was, dan was het hier op aarde. En toch niet geheel en al een hel, want zij had er haar liefde gevonden!Het werd donker, zij kon het ruischen van de golven op het strand van Bryngelly hooren. Daar gekomen, zag zij den ouden Eduard staan, die haar bootje op het droge haalde.“Alweer in dat ding uit, Miss Beatrice, en dat zoo alleen,” bromde de oude man, het hoofd schuddende, terwijl hij het bootje verachtelijk een schop gaf, “en nog wel in donker. Gij moest een man hebben, die op u paste, dat moest gij. Gij zult niet rusten voordat gij verdronken zijt.”“Neen, Eduard,” antwoorde zij, met een lachje, “dat geloof ik ook niet. Ge weet wel, voor de boozen is geen vrede boven de zee. Nu, weesmaar niet boos. In dit weer, en op de baai, zit ik in het bootje zoo veilig als in de kerk.”“O, ja, bij kalm weer en in de baai gaat het wel,” hernam hij, “maar gesteld dat ge voorbijRumball Pointafdreeft en de branding op u kreegt—wel dan zoudt ge binnen vijf minuten verdronken zijn. ’t Isongepermitteerd, juffrouw, dat zegik.”Beatrice lachte weder en ging heen.“’t Is me een rare!” zeide de oude man, zijn hoofd krabbende, terwijl hij haar nazag. “Van al het vrouwvolk, dat ik ooit gekend heb, is zij de wonderlijkste. Het lijkt wel alsof zij verdrinkenwil. De drommel hale me als ik niet wel lust had een gat in den bodem van dat vervloekte bootje te boren en het ding naar den kelder te laten gaan.”Beatrice kwam een weinig vóór het avondeten thuis. Het eerste, wat zij deed, was Betty, de dienstmaagd, te roepen, en met haar hulp haar bed en toebehooren naar de logeerkamer te laten brengen. Met Elisabeth wilde zij niets meer te doen hebben. Zij hadden bij elkander geslapen sedert zij kinderen waren, maar nu was dat uit. Toen kwam zij binnen, en onder het avondeten zat zij als een steenen beeld, zonder een woord te spreken. Haar vader en Elisabeth voerden een gedwongen gesprek, maar zij spraken niet tegen haar, en zij sprak niet tegen hen. Elisabeth vroeg haar niet eens waar zij geweest was, en nam van haar verandering van kamer geen notitie.Beatrice vernam echter dat haar vader Maandag met den eersten trein naar Herefordshire zou gaan, om een vergadering van predikanten bij te wonen, die belegd was om de kwestie van de tienden te bespreken. Dinsdagavond met den laatsten trein, omstreeks middernacht, zou hij terugkomen. Beatrice bemerkte dat Elisabeth hem zou vergezellen. Blijkbaar wilde zij gedurende die week van wapenstilstand haar zuster zoo weinig mogelijk zien—mogelijk was zij een weinig bevreesd voor haar. Het kon zijn dat zelfs Elisabeth een geweten had.Dus zou zij van Maandagochtend tot Dinsdagnacht alleen gelaten worden. In veertig uur kan men veel doen.Na het avondeten stond Beatrice op, zonder een woord te zeggen, en zij waren blijde dat zij heenging. Zij maakte hen bevreesd, met haar strak gezicht en haar groote oogen. Maar geen van beiden sprak er over. Zij hadden samengezworen om het stilzwijgen te bewaren.Beatrice deed haar deur op slot en zat in gepeins verzonken. Als de gedachte aan zelfmoord eenmaal opgekomen is, wortelt zij zich met verbazende snelheid vast. Beatrice overzag en beredeneerde den geheelen toestand; zij tuurde op den zedelijken gezichtseinder, om een middel tot uitredding te zien, maar zij kon geen ander vinden, dat Geoffrey zou redden, dan dit. Ja, zij zou het doen, zooals menige andere ongelukkige gedaan had, echter niet uit lafhartigheid, want als het haar alleen betroffen had, zou zij alles getrotseerd, tot het uiterste gestreden hebben—maar omdat het een einde zou maken aan de gevaren, die Geoffrey bedreigden. Natuurlijk moest er geen schandaal bij zijn; het moest nooit bekend worden dat zij den dood had gezocht; anders zou zij zelve haar doel verijdeld hebben en de zaak weer opgerakeld worden. Maar zulk een mogelijkheid wist zij wel te vermijden; in haar uitersten nood werd Beatrice zoo slim als een vos. Er zou een lijkschouwing gehouden kunnen worden, waarbij lastige vragen gedaan konden worden. Maar zij wist ook wel dat er geen lijkschouwing gehouden kan worden, of er moet iets zijn, waarop zij gehouden wordt, en dat iets zou er niet zijn.En zoo, in de stilte van den avond en in de eenzaamheid van haar kamer, wijdde Beatrice zich tot een offer op het altaar harer onmetelijke liefde. Zij zou den doodstrijd trotseeren in den eersten bloei van haar jeugdige kracht en schoonheid; de wereld in de lente haars levens verlaten, en alleen die donkerheid, met haar verschrikkingen voor het zondige menschdom, ingaan. Alleen!—O, hand in hand met hem zou het gemakkelijk geweest zijn, maar dat mocht niet zijn. De deur der uiterste duisternis zou achter daar dichtgeslagen worden, en wie kon zeggen of die deur eenmaal,als Geoffrey haar volgde, voor hem geopend zou worden, en of hij welooit het pad dat zij betreden had, zou vinden? Maar het moest, het zou geschieden. Beatrice stond van haar stoel op met schitterende oogen en versnelde ademhaling, en zwoer voor God dat zij het doen zou, op Zijn vergiffenis en barmhartigheid hopende of—op eeuwigen slaap.Ja, maar eerst moest zij nog een blik slaan op Geoffrey’s geliefd gelaat—en dan vaarwel!Beklaag haar, dat arme dwalende meisje, dat van haar eigen wil een Voorzienigheid maakt en zich den dood in de armen werpt! Beklaag haar, maar laak haar niet al te zeer, of gij moet ook Judith, Jephta’s dochter, en Charlotte Corday laken, en al de roemrijke vrouwen, die van tijd tot tijd op deze wereld vol hebzucht en eigenbaat zijn opgestaan en zichzelven opgeofferd hebben op het altaar van haar liefde, haar godsdienst, haar eer of haar vaderland.Het was besloten. Laat haar nu rusten terwijl zij kan, in afwachting van wat er zal komen. Met een zucht over alles, dat was, en alles wat had kunnen zijn, legde Beatrice zich te bed, en sliep weldra zoo rustig als een kind.
Beatrice ging naar haar kamer, maar de atmosfeer daar scheen haar te verstikken. Haar hoofd duizelde, zij moest naar buiten, in de lucht, ver van haar kwelgeesten. Zij had Geoffrey’s brief nog niet beantwoord, en die moest met deze post nog beantwoord worden, want Zondags was er geen. Het was half vijf—te vijf uur ging de post: als zij schrijven wilde, moest zij het dadelijk doen, maar hier kon zij het niet. Bovendien moest zij tijd tot nadenken hebben. Ha, zij had er iets op gevonden; zij zou in haar bootje over de baai naar het stadje Coed roeien en daar haar brief schrijven. De post ging niet vóór half zes uit Coed. Zij zette haar hoed op, trok haar jacquet aan, nam een postzegel, een vel papier en een enveloppe mee, en sloop stil het huis uit naar Eduard’s schuitenhuis, waar het bootje lag. De oude Eduard was daar zelf niet, maar zijn zoon was er, een knaap van veertien jaar, en met zijn hulp was Beatrice spoedig in zee gestoken en roeide zuidwaarts om de kust van het eiland, waarop het kasteel stond, naar de baai.
Onder het roeien klaarde haar geest op, en was zij in staat over haar toestand na te denken. Die was erg genoeg. Zij zag geen licht, rondom was het duisternis. Maar zij had, ten minste, een week voor zich, en wat zou zij intusschen aan Geoffrey schrijven?
Terwijl zij nadacht, bestormde haar een zware verzoeking, en voor de eerste maal was haar besluit aan ’t wankelen gebracht. Waarom zou zij Geoffrey’s aanbod niet aannemen en met hem, meegaan—ver van al die ellende? Zij zou er gaarne haar leven voor geven om één jaar aan zijn zijde door te brengen. Zij had het maar te zeggen, en hij zou haar tot zich nemen, en over een maand zouden zij te zamen in een vreemd land zijn, en de wereld zou niets meer voor hen zijn, zooals hij gezegd had. Ongetwijfeld zou Lady Honoria wel echtscheiding verkrijgen, en dan konden zij trouwen. Er kon zelfs een tijd komen, dat dit alles een, vergeten nacht van storm en vrees zou schijnen, wanneer zij, door de kinderen hunner liefde omringd, vreedzaam en gelukkig in den avond huns levens al meer en meer die grens naderden, die de helft van haar verschrikking zou verloren hebben, omdat zij die hand in hand zouden overschrijden.
O, dat zou goed voor haar zijn; maar zou het voor hem ook goed zijn? Als de eerste maanden van hartstocht voorbij waren, zou hij dan niet beginnen te denken aan alles wat hij voor de liefde eener vrouw weggeworpen had? Zou de smaad en schande, die hem tot in de verste hoeken der aarde volgde, zijn liefde niet doen slijten, totdat hij eindelijk, zooals Lady Honoria gezegd had, haar leerde vloeken en haten? En als dat niet zoo was—als hij haar, door alles heen, bleef liefhebben, wat van hem wel te verwachten was—konzijhet dan zijn, die zijn loopbaan voor hem bedorven had? O, beter zou het geweest zijn als zij hem had laten verdrinken, toen in dien stormachtigen nacht het noodlot hen bij elkander had gebracht.
Neen, neen; eens en voor al, dat zou zijnietdoen. Hoe folterend haar toestand, hoe zwaar haar last ook was, hij zou daar niet onder te lijden hebben, als het in haar macht was hem daarvoorte vrijwaren. Zij zou hem niet eens mededeelen wat er gebeurd was—in allen gevalle, nu niet. Dat zou hem maar bedroeven; hij zou misschien een of anderen wanhopigen stap doen; dat was bijna zeker. Haar antwoord moest zeer kort zijn.
Zij was nu dicht bij Coed, en het water was zoo kalm als een vijver. Zóó kalm was het, dat zij het vel papier en de enveloppe uit haar zak haalde, die op de bank van het bootje legde, en met potlood de woorden schreef, die wij reeds gelezen hebben:
“Neen, lieve Geoffrey. Er is niets aan te veranderen B.”
Na dit geschreven te hebben, roeide zij naar de kust. Een visscher, die daar stond, zag haar bootje, en haalde het op het strand. Zij liet het aan zijn zorg over, liep het stille stadje in, deed haar briefje op de post, en kocht wat wol. Dat was een voorwendsel om daar geweest te zijn, in geval haar iets gevraagd werd. Daarna ging zij naar haar bootje terug. De visscher stond er bij. Zij bood hem eensixpencevoor zijn moeite aan, maar dien wilde hij niet aannemen.
“Neen, juffrouw,” zeide hij, “dank u vriendelijk—maar we krijgen hier niet dikwijls zoo’n lief gezichtje te zien. Dat is wel eensixpencewaard. Maar, juffrouw, als ik zoo vrij mag wezen het te zeggen, ’t is niet veilig voor u in dat bootje te kruisen, ten minste, niet zoo alleen.”
Beatrice dankte hem en bloosde een weinig. Onwillekeurig kwam het bij haar op, dat zij wel met een meer dan gewone schoonheid bedeeld moest zijn, als die op een ruwen varensgast zulk een indruk maakte. Dat was het waarom een man verliefd op een meisje wordt—schoonheid; en daarom alleen beminde en begeerde Owen Davies haar.
Zou het misschien met Geoffrey hetzelfde zijn?—neen, dat geloofde zij niet. Hij beminde haar om meer dan haar uiterlijke schoonheid. Maar als zij niet schoon was geweest, misschien zou hij dan niet begonnen zijn haar te beminnen, dus was zij haar schoonheid van oogen, van haar en gestalte dankbaar.
Kon dwaze verblinding verder gaan? In de donkerste ure vanhaar wanhopigen toestand, waarvan het einde niet was te zien, ter prooi aan gewetensknaging, en bedreigd door schande, die als een donderwolk boven haar hoofd hing, kon dat meisje zich nog dankbaar gevoelen dat zij die liefde, die de bron van al haar verdriet was, gewonnen had. Of was haar dwaasheid vermomde diepe wijsheid?—is er iets goddelijks in een gevoel, dat aldus het zwaarste trotseert en er over kan zegevieren?
Zij was nu weder op zee, en de avond viel op het water, zacht als een droom. De brief was op de post gedaan. Zou het de laatste zijn? vroeg zij zichzelve af. Het scheen haar toe alsof zij geen brieven meer schrijven moest. En wat te doen? Met Owen Davies trouwen wilde zij niet—dat nooit. Zoo schandelijk kon zij haar gevoel geen geweld aandoen. Als zij dat deed, zou zij zich de laagste der laaggezonkenen geacht hebben. En nog minder zou zij het willen doen, omdat haar hart haar zeide hoe grievend het voor Geoffrey moest zijn, al zeide hij geen woord. Voorzeker zou hij haar er om verachten. Neen, dat denkbeeld werd verworpen—totaal verworpen.
Wat bleef haar dan over? Met Geoffrey vluchten wilde zij niet, omdat het zijn ongeluk zou zijn. Zij wilde niet met Owen trouwen, en als zij het niet deed, zou Geoffrey in ’t verderf gestort worden. Zij wist wel dat haar onschuld moeilijk te bewijzen zou zijn; immers haar eigen vader geloofde er niet aan, en haar zuster zou haar voor de wereld openlijk beschuldigen. Wat moest zij dan doen? Zou zij zich in een verre, half beschaafde streek, of in Londen, verbergen? Dat was onmogelijk; zij had geen geld, en geen middelen om aan geld te komen. Bovendien zou men haar wel opsporen; zoowel Owen Davies als Geoffrey zouden haar beiden tot in de uiterste hoeken der aarde opsporen. En zou de eerstgenoemde niet denken dat Geoffrey haar ingeblazen had heen te gaan, en terstond zijn bedreigingen ten uitvoer brengen? Zeker zou hij dat. Van dien kant was er geen hoop. Zij moest een ander plan bedenken, of haar minnaar zou er het slachtoffer van zijn.
Zoo redeneerde Beatrice, niet aan zichzelve maar aan Geoffreydenkende, die meer dan alles op de wereld voor haar was, meer, duizendmaal meer dan haar eigen veiligheid of welzijn. Misschien overdreef zij. Owen Davies, Lady Honoria, en zelfs Elisabeth mochten alles gedaan hebben, waarmede zij dreigden: de eerste zeker, de beideanderenmisschien; en toch had het kunnen zijn dat Geoffrey er ongedeerd afkwam. Mogelijk waren er uitwegen, waarvan zij niets wist. Maar van alle kanten in het nauw gebracht, scheen het ergste Beatrice een noodzakelijk gevolg toe. Haar eigen geweten trad ook beschuldigend tegen haar op. Die bizondere aantijging was een leugen, maar het was geen leugen, dat zij Geoffrey beminde, en dat scheen haar toe op hetzelfde neer te komen. In zulke zaken maakte zij geen fijn onderscheid; en zoo stelde zij zichzelve in staat van beschuldiging. Zij besefte niet het door de geheele beschaafde wereld erkende, groote verschil tusschen denken en doen, tusschen de neiging en het schuldig bedrijf. Beatrice beschouwde dit punt meer in den geest van den Bijbel, waarin uitdrukkelijk verklaard wordt, dat dit een onderscheid maken zonder verschil is.
Indien zij naar Geoffrey toe was gegaan en hem de geheele geschiedenis verteld had, zou hij waarschijnlijk allesgetrotseerdhebben en er mogelijk zegevierend afgekomen zijn. Maar met die terughouding, waartoe alleen vrouwen in staat zijn, deed zij dat niet, en wilde zij het niet doen. Zij wilde hem niet met den last van haar leed bezwaren, dat wilde zij alléén verduren—niet bedenkende dat zij daardoor een veel zwaarderen last op hem laadde, dien hij zijn leven lang zou moeten dragen.
Hoe liefelijk viel de avond, hoe schitterend wierp de ondergaande zon haar laatste stralen op de zee, en hoe helder was het water! Zie, daar sprong een visch voorbij haar roeispaan, en daar kwam de eerste ster aan het uitspansel te voorschijn! Was Geoffrey maar bij haar om het genot van dat schouwspel met haar te deelen! Geoffrey? zij had hem verloren; zij was nu alleen op de wereld—alleen met de zee en de sterren. Welnu, die waren beter dande menschen—beter dan allen, behalve één. Er was een hoogere gemeenschap der zielen, en dat vertroostte haar. Want hoewel haar geweten haar verweet dat zij tegen de tijdelijke en menschelijke wet gezondigd had, gevoelde zij geen berouw; haar hart zeide haar dat de liefde, die zij geschonken had, onsterfelijk, en dus boven tijd en menschen verheven was. In allen gevalle beminde zij Geoffrey, en daar was zij trotsch op en verheugde zij zich over. De omstandigheden waren ongelukkig, maar zij had de wereld en de maatschappelijke instellingen evenmin gemaakt als zichzelve, en dat kon zij niet helpen. Het feit bleef, goed of kwaad—zij beminde hem!
Hoe helder was het water. Wat was dat voor een droom harer opgewonden verbeelding van op den bodem der zee te zitten en op hem te wachten totdat hij eindelijk kwam? Op den bodem der zee zitten—waarom wekte dat zulke zonderlinge denkbeelden in haar geest? Welnu, waarom niet? Het zou daar aangenaam zijn, in allen gevalle beter dan op aarde. Waarom moest zij langer een leven dragen, dat haar te zwaar werd? Zie, zij had slechts over den kant van het bootje te glijden en zich in die geopende armen te storten, en binnen weinige oogenblikken zou het met haar gedaan zijn!
Hier zou het antwoord op haar vragen en twijfelingen zijn, hetzelfde antwoord, dat op alle menschelijk verdriet, alle aardsche hoop en vrees en strijden gegeven wordt. Eén oogenblik, en alles zou verloren of gevonden zijn. Zou het dan zooveel te beteekenen hebben haar leven voor Geoffrey op te offeren?—zij had het immers bijna gedaan toen zij hem nog maar een uur kende, en zou zij het dan nu niet doen, nu hij alles in alles voor haar was? Als zij stierf—heimelijk, plotseling stierf—zou Geoffrey voorzeker gered zijn; men zou hem niet lastig vallen; er zou niemand zijn, over wie men hem lastig zoukunnenvallen: Owen Davies zou dan niet met haar kunnen trouwen, Geoffrey zou zich voor haar niet in ’t ongeluk kunnen storten, Elisabeth zou haar niet meer kunnen vervolgen. Het zou goed zijn dit voor Geoffrey te doen, en hijzou haar altijd blijven beminnen, en achter dat zwarte gordijn was misschien iets beters.
Men zeide dat het zonde was. Ja, het zou misschien zonde zijn dit voor zichzelf alleen te doen. Maar als het voor een ander was? Zou het zonde zijn voor Geoffrey te sterven, zich voor Geoffrey’s welzijn op te offeren?
O, er zou niet veel verdienstelijks in zijn. Wat was haar leven voor haar? Het zou beter, veel beter zijn dan met Owen Davies te trouwen, dan hun liefde te ontheiligen, en te maken dat Geoffrey haar moest verachten. En hoe anders kon zij het dreigend leed van hem afweren dan door haar dood of door een huwelijk, dat in haar oogen veel verschrikkelijker was dan de dood?
Maar nu kon zij het nog niet doen. Zij kon niet sterven voordat zij nog eenmaal zijn gelaat aanschouwd had, al zag hij ook het hare niet. Neen, dezen avond zou zij die snelle oplossing niet zoeken. Zij had nog woorden te zeggen—of woorden te schrijven. Reeds drongen zij zich aan haar geest op!
Maar als zich geen beter plan opdeed, zou zij het doen, daar was zij zeker van. Het was een zonde—welnu, dan zondigde zij voor Geoffrey. Hij zou daarom niet slechter van haar denken. En zij had hoop, ja, Geoffrey had haar leeren hopen. Als er een hel was, dan was het hier op aarde. En toch niet geheel en al een hel, want zij had er haar liefde gevonden!
Het werd donker, zij kon het ruischen van de golven op het strand van Bryngelly hooren. Daar gekomen, zag zij den ouden Eduard staan, die haar bootje op het droge haalde.
“Alweer in dat ding uit, Miss Beatrice, en dat zoo alleen,” bromde de oude man, het hoofd schuddende, terwijl hij het bootje verachtelijk een schop gaf, “en nog wel in donker. Gij moest een man hebben, die op u paste, dat moest gij. Gij zult niet rusten voordat gij verdronken zijt.”
“Neen, Eduard,” antwoorde zij, met een lachje, “dat geloof ik ook niet. Ge weet wel, voor de boozen is geen vrede boven de zee. Nu, weesmaar niet boos. In dit weer, en op de baai, zit ik in het bootje zoo veilig als in de kerk.”
“O, ja, bij kalm weer en in de baai gaat het wel,” hernam hij, “maar gesteld dat ge voorbijRumball Pointafdreeft en de branding op u kreegt—wel dan zoudt ge binnen vijf minuten verdronken zijn. ’t Isongepermitteerd, juffrouw, dat zegik.”
Beatrice lachte weder en ging heen.
“’t Is me een rare!” zeide de oude man, zijn hoofd krabbende, terwijl hij haar nazag. “Van al het vrouwvolk, dat ik ooit gekend heb, is zij de wonderlijkste. Het lijkt wel alsof zij verdrinkenwil. De drommel hale me als ik niet wel lust had een gat in den bodem van dat vervloekte bootje te boren en het ding naar den kelder te laten gaan.”
Beatrice kwam een weinig vóór het avondeten thuis. Het eerste, wat zij deed, was Betty, de dienstmaagd, te roepen, en met haar hulp haar bed en toebehooren naar de logeerkamer te laten brengen. Met Elisabeth wilde zij niets meer te doen hebben. Zij hadden bij elkander geslapen sedert zij kinderen waren, maar nu was dat uit. Toen kwam zij binnen, en onder het avondeten zat zij als een steenen beeld, zonder een woord te spreken. Haar vader en Elisabeth voerden een gedwongen gesprek, maar zij spraken niet tegen haar, en zij sprak niet tegen hen. Elisabeth vroeg haar niet eens waar zij geweest was, en nam van haar verandering van kamer geen notitie.
Beatrice vernam echter dat haar vader Maandag met den eersten trein naar Herefordshire zou gaan, om een vergadering van predikanten bij te wonen, die belegd was om de kwestie van de tienden te bespreken. Dinsdagavond met den laatsten trein, omstreeks middernacht, zou hij terugkomen. Beatrice bemerkte dat Elisabeth hem zou vergezellen. Blijkbaar wilde zij gedurende die week van wapenstilstand haar zuster zoo weinig mogelijk zien—mogelijk was zij een weinig bevreesd voor haar. Het kon zijn dat zelfs Elisabeth een geweten had.
Dus zou zij van Maandagochtend tot Dinsdagnacht alleen gelaten worden. In veertig uur kan men veel doen.
Na het avondeten stond Beatrice op, zonder een woord te zeggen, en zij waren blijde dat zij heenging. Zij maakte hen bevreesd, met haar strak gezicht en haar groote oogen. Maar geen van beiden sprak er over. Zij hadden samengezworen om het stilzwijgen te bewaren.
Beatrice deed haar deur op slot en zat in gepeins verzonken. Als de gedachte aan zelfmoord eenmaal opgekomen is, wortelt zij zich met verbazende snelheid vast. Beatrice overzag en beredeneerde den geheelen toestand; zij tuurde op den zedelijken gezichtseinder, om een middel tot uitredding te zien, maar zij kon geen ander vinden, dat Geoffrey zou redden, dan dit. Ja, zij zou het doen, zooals menige andere ongelukkige gedaan had, echter niet uit lafhartigheid, want als het haar alleen betroffen had, zou zij alles getrotseerd, tot het uiterste gestreden hebben—maar omdat het een einde zou maken aan de gevaren, die Geoffrey bedreigden. Natuurlijk moest er geen schandaal bij zijn; het moest nooit bekend worden dat zij den dood had gezocht; anders zou zij zelve haar doel verijdeld hebben en de zaak weer opgerakeld worden. Maar zulk een mogelijkheid wist zij wel te vermijden; in haar uitersten nood werd Beatrice zoo slim als een vos. Er zou een lijkschouwing gehouden kunnen worden, waarbij lastige vragen gedaan konden worden. Maar zij wist ook wel dat er geen lijkschouwing gehouden kan worden, of er moet iets zijn, waarop zij gehouden wordt, en dat iets zou er niet zijn.
En zoo, in de stilte van den avond en in de eenzaamheid van haar kamer, wijdde Beatrice zich tot een offer op het altaar harer onmetelijke liefde. Zij zou den doodstrijd trotseeren in den eersten bloei van haar jeugdige kracht en schoonheid; de wereld in de lente haars levens verlaten, en alleen die donkerheid, met haar verschrikkingen voor het zondige menschdom, ingaan. Alleen!—O, hand in hand met hem zou het gemakkelijk geweest zijn, maar dat mocht niet zijn. De deur der uiterste duisternis zou achter daar dichtgeslagen worden, en wie kon zeggen of die deur eenmaal,als Geoffrey haar volgde, voor hem geopend zou worden, en of hij welooit het pad dat zij betreden had, zou vinden? Maar het moest, het zou geschieden. Beatrice stond van haar stoel op met schitterende oogen en versnelde ademhaling, en zwoer voor God dat zij het doen zou, op Zijn vergiffenis en barmhartigheid hopende of—op eeuwigen slaap.
Ja, maar eerst moest zij nog een blik slaan op Geoffrey’s geliefd gelaat—en dan vaarwel!
Beklaag haar, dat arme dwalende meisje, dat van haar eigen wil een Voorzienigheid maakt en zich den dood in de armen werpt! Beklaag haar, maar laak haar niet al te zeer, of gij moet ook Judith, Jephta’s dochter, en Charlotte Corday laken, en al de roemrijke vrouwen, die van tijd tot tijd op deze wereld vol hebzucht en eigenbaat zijn opgestaan en zichzelven opgeofferd hebben op het altaar van haar liefde, haar godsdienst, haar eer of haar vaderland.
Het was besloten. Laat haar nu rusten terwijl zij kan, in afwachting van wat er zal komen. Met een zucht over alles, dat was, en alles wat had kunnen zijn, legde Beatrice zich te bed, en sliep weldra zoo rustig als een kind.
Hoofdstuk XXVII.Het Lagerhuis.De volgende dag was Zondag. Beatrice ging niet naar de kerk. Eén reden daarvoor was dat zij bevreesd was er Owen Davies te ontmoeten. Maar zij nam haar Zondagsklasse als gewoonlijk waar, en nog lang naderhand herinnerden de kinderen zich hoe vriendelijken geduldig zij dien dag jegens hen geweest was, en hoe mooi zij hun de geschiedenis van dat Joodsche meisje verteld had, dat haar leven opofferde opdat haar vader zijn gelofte getrouw zou zijn.Bijna al het overige van den dag en den avond besteedde zij om te schrijven, wat wij later zullen lezen; alleen des namiddags ging zij een poos in haar bootje roeien. Nog iets anders deed zij ook; zij ging naar de hoofdonderwijzeres, en zeide haar dat zij mogelijk Dinsdag (Maandag was het toevallig een vacantiedag) niet in het dorp zou zijn. Als iemand naar de reden van haar afwezigheid mocht vragen, verzocht zij de hoofdonderwijzeres of deze zoo vriendelijk zou willen zijn te zeggen dat zij een afspraak had gemaakt, en om die te houden een ochtend vrijaf had genomen. De hoofdonderwijzeres bewilligde daarin, zonder eenige achterdocht, zeggende dat alsBeatricegeen ochtend vrijaf zou mogen nemen, zij niet zou weten wie.Den volgenden ochtend ontbeten zij zeer vroeg, omdat Granger en Elisabeth met den eersten trein zouden vertrekken. Beatrice zat er stilzwijgend bij; haar kalme oogen staarden strak, en de anderen gevoelden hun hart door een onverklaarbare vrees bekneld, terwijl zij naar haar ondoorgrondelijk gelaat zagen. Wat was dat meisje voornemens te doen? Dat was de vraag, die zij zichzelven deden, hoewel elkander niet. Dat zij iets in den zin had, daar waren zij zeker van, want een vast besluit stond op elken trek van haar strak gelaat te lezen.Eensklaps, terwijl zij zat te peinzen, en den schijn aannam van te eten, schoot haar een denkbeeld voor den geest als een pijl, die haar hart doorboorde. Dit was de laatste maal dat zij ooit te zamen aan tafel zouden zitten, de laatste maal dat zij het gelaat van haar vader en haar zuster ooit zou aanschouwen. Wat haar zuster betrof, daar kon zij zich wel overheen zetten—want er zijn dingen, die zelfs een vrouw als Beatrice niet vergeven kan—maar haar vader had zij lief, met al zijn gebreken; zelfs zijn geldgierigheid en zelfzuchtigheid waren haar door de gewoonte van er zich over te verbazen lief geworden. Bovendienwas hij haar vader; hij was de oorsprong van het leven, dat zij ging wegwerpen. En zij zou hem nimmer wederzien. Wel weifelde zij daarom niet in haar besluit, dat nu zoo vast stond als Bryngelly Castle op zijn rots, maar dat denkbeeld deed haar toch de tranen in de oogen schieten.Juist was het ontbijt afgeloopen, en Elisabeth liep de kamer uit, om haar hoed te halen.“Vader,” zeide Beatrice, “eer gij heengaat, zou ik u gaarne hooren zeggen dat gij niet gelooft dat het onwaar is wat ik u gezegd heb—van die geschiedenis.”“Hm, hm!” antwoordde de oude man zenuwachtig, “ik dacht dat wij overeengekomen waren vooreerst daar niet over te spreken.”“Ja, maar ik zou het u toch gaarne hooren zeggen. Het grieft mij zoo dat gij zoudt denken dat ik u voorgelogen heb, want nooit in mijn leven heb ik u opzettelijk iets gezegd, dat niet waar was,” en zij klemde haar handen om zijn arm, en sloeg de oogen naar zijn gelaat op.Hij zag haar twijfelachtig aan. Was het mogelijk dat zij dan toch de waarheid sprak? Neen; het was niet mogelijk.“Dat kan ik niet, Beatrice,” antwoordde hij—“niet dat ik je er te zeer om laak dat ge u zoekt te verdedigen; een rat, die in een hoek gejaagd is, stelt zich te weer.”“Mogen die woorden u nimmer berouwen,” zeide zij; “en nu vaarwel,” en zij kuste hem op het voorhoofd.Op dat oogenblik trad Elisabeth binnen, zeggende dat het tijd was om heen te gaan, en hij beantwoordde den kus niet.“Vaarwel, Elisabeth,” zeide Beatrice, haar de hand toestekende. Maar Elisabeth deed alsof zij dit niet zag, en een oogenblik later waren zij weg. Zij volgde hen tot aan het hek; en zag hen na, totdat zij op den weg uit haar gezicht verdwenen. Toen keerde zij terug, haar hart tot berstens toe vol; maar zij stortte geen enkelen traan.Zoo had Beatrice haar vader en haar zuster een laatst vaarwel gezegd.“Elisabeth,” zeide Granger, toen zij het station naderden, “ik ben ongerust over Beatrice. Er was zoo’n vreemde uitdrukking in haar oogen, het—kortom, het maakt mij beangst. Ik had wel lust Hereford er aan te geven, en terug te gaan,” en hij bleef aarzelend op den weg stilstaan.“Zooals ge wilt,” zeide Elisabeth, met een smadelijken glimlach,“maar ik zou meenen dat Beatrice groot genoeg is om op zichzelve te passen.”“Bij den God, die ons geschapen heeft,” riep de oude man woedend uit, met zijn stok op den grond stampende, “zij moge slecht zijn, maar zij is niet zoo slecht als jij, die haar verraden hebt. Als Beatrice een Magdalena is, ben jij een vrouwelijke Judas, en ik geloof dat je haar haat en wel zou willen dat zij dood was.”Elisabeth gaf hierop geen antwoord. Zij waren nu aan het station, want haar vader was weer voortgeloopen, en er waren menschen om hen heen. Maar zij wierp hem een blik toe, en nooit vergat hij dien blik. Het was genoeg om zijn tong te verstijven, en hij roerde dit punt niet weder aan.Toen zij vertrokken waren, ging Beatrice toebereidselen maken. Haar voornemen was naar Londen te reizen, om, zoo mogelijk, in het Lagerhuis Geoffrey voor ’t laatst te zien, en dan terug te keeren. Zij zette haar hoed op, en trok haar beste kleed aan; dit was zeer eenvoudig en van grijs laken, maar het stond haar zeer goed, en in de borst stak zij den brief, dien zij den vorigen dag geschreven had. Een kleine reistasch, met een paar boterhammen en een schuier en kam er in, benevens een mantel, maakte haar geheele bagage uit.De trein, die te Bryngelly niet stilhield, vertrok te tien uur van Coed, en naar Coed was het anderhalf uur gaans. Het was tijd om heen te gaan. Zij zou, natuurlijk, dien nacht afwezig zijn, en wat voor reden zij Betty, de dienstmaagd, voor haar afwezigheid zou opgeven, wist zij niet. Maar het toeval kwam haar te hulp. Terwijl zij er over nadacht, kwam Betty zelve weenend binnen. Zijhad zooeven vernomen dat haar zusje, dat met haar moeder in een dorp op zes mijlen afstands woonde, door een wagen aangereden en zwaar bezeerd was; en zij vroeg of zij voor dien nacht naar huis mocht gaan. Den volgenden dag zou zij terugkomen.Beatrice stemde in haar verzoek toe, en Betty ging dadelijk heen. Zoodra zij weg was, sloot Beatrice het huis, stak den sleutel in haar zak, en ging op haar wandeltocht van vijf mijlen uit. Niemand zag haar het huis verlaten, en zij liep langs een pad achter het dorp om, zoodat niemand haar ook op den weg zag. Onopgemerkt aan het Coed-station gekomen, even vóór het vertrekuur van den trein, deed zij haar voile neer, en nam een plaatskaartje derde klasse naar Londen. Dit moest zij wel doen, want haar geldvoorraad was zeer gering;alles bijelkaarhad zij maar zes-en-dertig shillings, waarvoor de reis naar Londen heen en terug haar acht-en-twintig shillings en vierpencezou kosten.Een oogenblik later was zij een leegen waggon ingestapt, en de trein stoomde heen.Dien avond omstreeks acht uur kwam zij aan het Paddington-station. In de restauratiekamer deed zij haar middagmaal met een kop thee en een boterham, waarna zij verder op haar tocht uitging.Beatrice was nooit in Londen geweest, en zoodra zij het station verlaten had, bracht de rumoerige drukte van de groote stad haar in verlegenheid. Haar plan was te voet naar het Parlementsgebouw in Westminster te gaan. Daar meende zij zeker te zijn van Geoffrey te zien, omdat zij een dagblad gekocht had, waarin zij gelezen had dat hij een van de sprekers in een groot debat over de Iersche kwestie zou zijn, dat dien nacht gesloten zou worden. Een vriendelijke kruier had haar gezegd dat zij Praed Street maar moest volgen totdat zij aan Edgware Road kwam, dan doorloopen naar den Marmeren Boog, en maar weer vragen. Beatrice volgde het eerste gedeelte van die aanwijzing tot Edgware Road. Maar daar stond zij verlegen en aarzelde.Op dit oogenblik kwam er een ruwe vent naar haar toe en zeide iets. Een meisje als Beatrice kon onmogelijk door de straten vanLonden loopen zonder aan het gevaar van zulke ongewenschteaandachtblootgesteld te zijn. Zij wendde zich van hem af, en terwijl zij dit deed, hoorde zij hem tegen een ander een onkiesch gezegde over haar schoonheid uiten. Dicht bij de plaats waar zij zich bevond, stonden tweecabs. Zij ging naar de eerste toe, en vroeg den voerman voor hoeveel hij haar naar het Lagerhuis wilde rijden.“Twee shillings, juffrouw,” was het antwoord.Beatrice schudde het hoofd, en wilde heengaan. Zij durfde zooveel geld niet aancabsbesteden, want zij moest naar Bryngelly terug.“Ik zal er u brengen voor anderhalven shilling, juffrouw,” riep de voerman van de anderecab. Dit aanbod wilde zij juist aannemen, toen de eerste inviel:“Wou je mij mijn vrachtje afsnoepen? Hoor eens, juffer, ik ben galant voor dames, en ik zal er u voor één shilling brengen.”Zij glimlachte en stapte decabin. Nu dwarrelde het haar voor de oogen in de drukke, met gas verlichte straten, en binnen een kwartier hield decabvoor den ingang van het Lagerhuis stil. Beatrice betaalde dencab-voerman zijn shilling, bedankte hem, en trad binnen, maar stond weer verlegen te midden van witte beelden, marmeren vloeren, hooge gewelfde zolderingen en gedrang van menschen. Een op post staande politiedienaar vroeg haar waarvoor zij hier kwam. Beatrice antwoordde dat zij de zitting van het Lagerhuis wilde bijwonen.“Dien kant op, juffrouw—dien kant op,” zeide de politiedienaar, op een stroeven toon. Zij volgde zijn aanwijzing, en kwam eindelijk in een portaal onder een menigte lieden van allerlei soort—kale politieke aanhangers, Iersche priesters, mannen van de pers, enz. Aan de eene zijde van het portaal stondenpolitiedienaarsen boden, die gestadig kaartjes aannamen. Onmerkbaar werd zij door den stroom naar dien kant medegesleept.“De damesgalerij, juffrouw?” vroeg een stem; “uw toegang-kaartje als ’t u belieft, maar ik geloof dat er wel geen plaats meer zal zijn.”Dit was een nieuwe verlegenheid. Beatrice had geen toegang-kaartje. Zij had niet gedacht dat het noodig was.“Ik heb geen toegangkaartje,” zeide zij. “Ik wist niet dat ik er een hebben moest. Kan ik niet zonder binnenkomen?”“Zeer zekerniet,” antwoordde de stem, terwijl de eigenaar van die stem, die waarschijnlijk dynamiet vermoedde, haar met een koelen ambtelijken blik in oogenschouw nam. “Uit den weg als ’t u belieft.”Beatrice’s oogen schoten vol tranen, terwijl zij zich in bitterheid des harten omkeerde. Zoo was al haar moeite dan te vergeefs, en moest zij zich dit laatste zwijgend afscheidnemen ontzeggen. Welnu, wat kwam bij zooveel treurigs een weinig meer er op aan? Zij keerde zich om, en wilde heengaan, maar niet onopgemerkt. Een nog vrij jong Parlementslid, die in Beatrice’s nabijheid met een zijner kiezers had gesproken, had haar afwijzing gezien. Getroffen door haar schoonheid en haar droefheid, deed hij wat hij behoorde te doen; hij nam, namelijk, zijn hoed af, en vroeg of hij, als lid van het Lagerhuis, haar van dienst kon zijn. Beatrice luisterde, en legde hem uit dat zij bizonder gaarne toegang tot de Damesgalerij had willen hebben.“Dan kan ik u, geloof ik, helpen,” zeide hij. “Toevallig heeft een dame, voor wie ik een kaartje had, mij getelegrafeerd dat zij niet kan komen. Wilt ge mij maar volgen? Mag ik u verzoeken mij uw naam op te geven?”“Mevrouw Everston,” antwoordde Beatrice, den eersten naam, die haar inviel, nemende. Het Parlementslid zag een weinig teleurgesteld. Hij had, zonder eigenlijk te weten waarom, gehoopt dat die schoone vrouw nog vrij was. Haar huwelijk was zeker niet gelukkig, anders zou zij er niet zoo treurig uitzien.Toen kwamen er nog meer trappen en gangen en formaliteiten, totdat Beatrice zich in een soort van vogelkooi bevond, tot stikkens toe vol met allerlei soort van dames.“Ik vrees—ik vrees dat er geen plaats meer is,” zeide haar nieuwe vriend, met ongerustheid de menigte overziende.Maar op dit oogenblik was een dikke dame, die vooraan zat, en bijna flauw viel van de hitte, genoodzaakt de galerij te verlaten,en eer zij recht wist waar zij was, was Beatrice naar haar plaats geleid. Haar vriend had voor haar gebogen en was verdwenen, en zij zat zoo goed als alleen, want zij lette niet op degenen, die om haar heen zaten, hoewel sommigen haar scherp opnamen, benieuwd wie dat schoone meisje toch wel wezen mocht.Zij liet haar blik door de volle zaal gaan, en zag een chaos van hoeden, halsboorden en beenen, en hoorde een rumoer van geluiden: de scherpe stem van een spreker, die spoedig driftig werd, de toejuichingen van de Regeeringsbanken, de interpellaties van de Oppositie—ja, zelfs geschreeuw en gejouw, en geluiden, die wel iets van hanengekraai hadden. Als zij er aan gedacht had, zou Beatrice geen hoogen dunk verkregen hebben van de waardigheid eener vergadering, waar zoovelen van haar leden hun fatsoenlijkheid met hun overjassen en stokken aan de deur schenen gelaten te hebben; maar zij dacht er eenvoudig niet aan. Wel zag zij vorschend de zaal rond, maar het was om slechts één gelaat te zien—Ha! daar was het.En nu mocht het Lagerhuis in den bodemloozen afgrond verzinken, en het Hoogerhuis, en alles wat er van de Britsche Constitutie overbleef meenemen, en zij zou het niet gemist hebben. Want zelfs in haar beste gemoedsstemming was Beatrice—wat zij met de meesten van haar sekse gemeen had, dat zij met alle dankbaarheid gezegd—geen vurig politicus.Daar zat Geoffrey, met zijn armen over elkander geslagen. Daar was hij, om wien te zien zij van zoo ver gekomen was, en voor wien zij morgen haar leven ten offer zou brengen. Wat zag hij treurig—hij scheen afgetrokken te zijn. Zij wist dat hij aanhaardacht; dat kon zij gevoelen, evenals zij het vroeger gevoeld had. Onafgewend hield zij haar oogen gevestigd op dat geliefd gelaat, waarvan zij afscheid nam; zij zag niets anders, zij hoorde niets van het gegons, als van een bijenzwerm, om haar heen en onder haar.Nu kwam de heer, die zoo vriendelijk voor haar geweest was, naast Geoffrey zitten en begon met hem te fluisteren, en terwijl hijdat deed, zag hij een paar malen naar het traliewerk, waarachter zij zat. Zij vermoedde dat hij haar vertelde van de dame, die zoo onverklaarbaar verlangend was om de debatten te hooren, en hoe schoon zij was. Maar Geoffrey scheen daar niet veel belang in te stellen, en Beatrice was genoeg vrouw om dit op te merken en zich er over te verheugen. Het denkbeeld dat Geoffrey er belang in stelde van geheimzinnige schoone dames te hooren, zou haar niet aangenaam geweest zijn.Eindelijk stond er een spreker op—uit het gemompel om haar heen begreep zij dat het een der leiders van de Oppositie was—en begon een krachtige en bittere redevoering. Zij merkte op dat Geoffrey met aandacht begon te luisteren.“Zie,” zeide een der dames in haar nabijheid, “mijnheer Bingham maaktaanteekeningen. Aanstonds gaat hij spreken—hij spreekt uitmuntend, zooals gij weet. Men zegt dat hij, op Gladstone en Lord Randolph na, de beste in het Lagerhuis is.”“Lady Honoria schijnt er niet te zijn,” zeide een andere dame. “Ik zie haar niet.”“Neen,” hernam de eerste, “zij is een lieve vrouw, en zoo schoon!—juist de vrouw voor een man van aanzien—maar ik geloof niet dat zij veel belang stelt in politiek. Wat zijn haar diners uitgelezen!”Hier werd het gemompeld gesprek door een storm van toejuichingen gestoord.Deze spreker sprak ongeveer drie kwartier, en toen stond Geoffrey eindelijk op. Een paar andere leden stonden tegelijk met hem op, maar lieten hem aan ’t woord.Hij begon langzaam—wat al te bedaard, naar het Beatrice, die het hart op de tong had, toescheen—maar toen hij ongeveer vijf minuten gesproken had, geraakte hij in vuur. En nu begon een van de merkwaardigste redevoeringen, die ooit in dat Parlement gehouden zijn. Geoffrey had vroeger goed gesproken, en zou later weer goed spreken, maar nooit had hij zoo goed gesproken als ditmaal. Bijna anderhalf uur hield hij het Lagerhuisgeboeid, en zelfs de interpellaties en teekenen van afkeuring der Oppositie hielden tegen het einde van zijn redevoering op. Zijn gelaat schitterde van het vuur der welsprekendheid. Hij ontleedde de door de Oppositie aangevoerde feiten één voor één, en toonde met overtuigende logica aan dat het geen feiten waren; te midden van een toornig gesis vergruisde hij al haar bewijsgronden en wederlegde haar beweegredenen. Toen sloeg hij een anderen toon aan, en richtte het woord niet meer bepaald tot de Oppositie, maar tot het Lagerhuis in ’t algemeen, en tot het geheele land, in dien echt vaderlandsgezinden geest en met die kracht en gloed van taal, waardoor zijn toenemende beroemdheid zoowel in het Parlement als in de kiezersvereenigingen bevestigd werd.Beatrice deed de oogen dicht, en luisterde naar die volle, heldere en indrukwekkende stem, die al krachtiger en krachtiger scheen te worden, totdat de geheele zaal er van vervuld was en elke bestrijding tot zwijgen was gebracht.Met een kernachtig slot hield Geoffrey op, en nam zijn plaats weder in. Hij had anderhalf uur gesproken, en toch scheen het Beatrice toe dat er slechts eenige minuten verloopen waren sedert hij was opgestaan. Nu barstte er een storm van toejuichingen los, te midden waarvan een leider der Oppositie opstond, om, juist niet in de beste luim, te antwoorden, want Geoffrey’s redevoering had hem gevoelig geraakt.Hij begon met den geachten spreker een compliment te maken over zijn gehouden redevoering, “zoo welsprekend als hij er in geen jaren een gehoord had, hoewel, ongelukkig, van een verkeerd standpunt uitgaande.” Daarna laakte hij de Regeering dat zij een man, die zooveel knapper was dan de meesten harer “bevoorrechten,” niet reeds een hoogen post had gegeven, en verwekte gelach door satiriek te zeggen dat, als het hem ooit ten deel viel op de voorste bank van de Thesaurie te zitten, hij voorzeker den geachten spreker een bod zou doen. Na deze niet kwaad gemeende scherts, ging hij over tot de beschouwing van het punt in behandeling, en Beatrice lette niet verder op hem, maar zag Geoffrey wederin denzelfden schijnbaren staat van koele onverschilligheid zitten, waaruit de noodzakelijkheid van te spreken hem gewekt had.Nu kwam de heer, die haar een plaats had bezorgd, bij haar en sprak haar toe. Al spoedig begon hij over Geoffrey’s redevoering te spreken, zeggende dat het een van de schitterendste, zoo niet de schitterendste, van de zittingen was.“Mijnheer Bingham zal het dus zeker wel tot hoog aanzien brengen?” zeide Beatrice.“Tot hoog aanzien? Dat zou ik meenen!” antwoordde hij. “Bij de eerste gelegenheid zal hij wel een Regeeringspost krijgen; hij is te knap om hem voorbij te zien. Weinig mannen zijn zoo spoedig op den voorgrond gekomen als mijnheer Bingham. Wij noemen hem de komeet, en als hij zijn kansen niet vergooit, door iets dwaas te doen, is er geen reden waarom hij niet binnen weinig jaren Procureur-Generaal zou zijn.”“Waarom zou hij iets dwaas doen?” vroeg zij.“Och, om geen bepaalde reden, zoover ik weet; alleen, zooals gij zeker wel opgemerkt zult hebben, doen mannen van zijn soort soms belachelijke dingen, en brengen zich in opspraak door met de een of andere vrouw weg te loopen of zoo iets, waardoor zij hun loopbaan bederven. Niet dat dit van mijnheer Bingham te vreezen is, want hij heeft een allerliefste vrouw, en men zegt dat hij veel hulp van haar heeft. Maar daar gaat de bel van de afdeeling. Adieu, mevrouw Everston, aanstonds kom ik weer bij u, om u hieruit te brengen.”“Adieu, mijnheer,” antwoordde Beatrice, “en in geval ge mij niet meer mocht vinden, wensch ik u iets te zeggen—u te danken voor uw vriendschappelijkheid dat ge mij hier gebracht hebt. Ge hebt mij een grooten dienst gedaan, een zeer grooten dienst, waarvoor ik u ten hoogste dankbaar ben.”“Dat is geen dank waard,” antwoordde hij. “Dat is een genoegen voor mij geweest. Als ge mij wildet vergunnen,” voegde hij er met eenige verlegenheid bij, “u eens te komen bezoeken, zou het genoegen des te grooter zijn. Ik zal mijnheer Bingham meebrengen, alsgij gaarne kennis met hem wilt maken—ten minste, als ik kan.”Beatrice schudde het hoofd. “Dat kan niet,” antwoordde zij, droevig glimlachend. “Ik ga morgen op een lange reis, en ik kom hier niet terug. Vaarwel.”Het volgend oogenblik was hij weg. In geen jaren had een vrouw zulk een levendige belangstelling in hem gewekt als deze schoone onbekende. Wie kon zij zijn? en waarom was zij er zoo bizonder op gesteld de debatten te hooren? Daar school een geheim achter, en dat wilde hij, zoo mogelijk, oplossen.Inmiddels nam de afdeeling plaats, en onder gejuich van de Ministerieele partij en geschreeuw van de Oppositie werd de zegepraal der Regeering aangekondigd. Toen kwamen de gewone formaliteiten, en de vergadering begon uiteen te gaan. Beatrice zag de voorzitter van het Lagerhuis en verscheidene Regeeringsleden naar Geoffrey toe komen, hem de hand geven en hem gelukwenschen. Nu keerde zij zich om, na een langen blik op hem geworpen te hebben, en ging heen, in het oogenblik zijner zegepraal, die hem zoo onverschillig scheen te laten, maar die Beatrice in haar hart trotscher maakte dan alsof zij tot keizerin over de geheele wereld verklaard was.O, het was iets zulk een man te beminnen, een man, die geboren was om zich boven zijn medemenschen te verheffen—en het was goed voor hem te sterven! Mocht zij haar jammerlijk bestaan een hinderpaal laten zijn op zulk een loopbaan als de zijne zou zijn? Nooit, nooit! Om haar zou er geen publiek “schandaal” zijn.Zij sloeg haar voile neder en vroeg den weg naar den uitgang van de vergaderzaal. Weldra was zij er buiten. In een der portalen en in de schaduw van de pilaren, zag zij de leden van het Lagerhuis haar voorbijgaan. Velen hunner spraken te zamen, en een paar malen ving zij Geoffrey’s naam op, gepaard met zulke woorden als “een uitstekende redevoering,” en dergelijke uitdrukkingen van bewondering.“Voortloopen, voortloopen,” zeide een politiedienaar. Beatrice lichtte haar voile op, wendde zich om en zag hem aan, waarna hij,iets mompelende, zelf voortliep en haar met rust liet. Nu zag zij Geoffrey en den heer, die zoo vriendelijk jegens haar geweest was, te zamen loopen. Zij kwamen door een zijdeur, en hij ging haar strijkelings voorbij, maar zag haar niet. Zij drong dichter tegen den pilaar aan, en verschool zich in de schaduw. Binnen zes voet van haar af, stond Geoffrey stil, en stak een sigaar op. Het licht van den lucifer scheen op zijn gelaat. Wat zag hij er afgemat uit! Een vurig verlangen om vooruit te treden en hem aan te spreken bestormde haar, maar zij bedwong zich met geweld.Haar vriend sprak met hem, en over haar.“Een allerliefste vrouw,” zeide hij, “met een paar grijze oogen, zoo schoon, zoo vol glans, als ik ooit gezien heb! Maar zij is verdwenen als een droom. Ik kan haar nergens vinden. ’t Is een zeer geheimzinnig geval.”“Ge wordt verliefd, Tom,” antwoordde Geoffrey afgetrokken, terwijl hij den lucifer wegwierp en voortliep. “Doe dat niet; ’t is ongelukkig genoeg het te zijn,” en hij zuchtte.Hij ging heen. O, Hemel! nimmer zou zij hem wederzien! Een koude huivering overviel Beatrice; haar bloed scheen te stollen. Zij beefde zóó hevig, dat zij zich nauwelijks staande kon houden. Voorovergebogen zag zij hem na, met zulk een bedroefde uitdrukking, dat zelfs de politiedienaar, die berouw had over zijn inschikkelijkheid, en terugkwam om haar weg te jagen, verbaasd stond. De beide mannen waren ongeveer vijf-en-twintig passen ver, toen iets Beatrice’s vriend bewoog even om te zien. Zijn blik viel op het bleek, treurig gelaat, dat nu in het volle licht van de gaslamp stond.Beatrice zag hem omzien, en begreep haar gevaar. “O, vaarwel, Geoffrey!” ontboezemde zij, voor een oogenblik door de geheimzinnige werking der tusschen hen bestaande zielsverwantschap zijn hart tot zich trekkende. Maar terstond beseffende wat zij gedaan had, sloeg zij haar voile weer neder en ging snel heen. De heer, die “Tom” heette—zijn naam was zij niet te weten gekomen—tuurde in de richting waar hij haar ontdekt had, en op datzelfdeoogenblik wankelde Geoffrey alsof hij door een schot getroffen was, verbleekte en bleef stilstaan.“Daar is die dame weer,” zeide zijn metgezel; “wij moeten haar vlak voorbijgegaan zijn. Zij zag naar ons; ik heb haar gelaat in het gaslicht gezien—en ik kan er mij niet in vergissen.”Geoffrey greep hem bij den arm. “Waar is zij?” vroeg hij; “en hoe zag zij er uit?”“Zooeven stond zij daar,” antwoordde hij, naar den pilaar wijzende, “maar nu heb ik haar uit het oog verloren—ik geloof dat zij den kant van het station op is gegaan, maar dat kan ik niet zien. Wacht, is zij dat?” en hij wees den kant van de Abdij op, naar een rijzige gestalte.Zij liepen snel, om haar in te halen, maar de uitkomst was niet voldoende, en haastig keerden zij van het voorwerp hunner opmerkzaamheid terug.Intusschen was Beatrice aan deWestminster Bridgegekomen. Daar stond eencab: zij stapte er in, en beval den voerman haar naar Paddington te rijden.Voordat de twee heeren teruggekeerd waren, was zij weg. “Zij is weer verdwenen,” zeide Tom, en nu gaf hij Geoffrey een beschrijving van haar. Op haar kleeding had hij ongelukkig weinig gelet. Het kon, naar zijn beschrijving, Beatrice’s kleeding zijn, of niet. Het kwam Geoffrey bijna onbegrijpelijk voor dat zij vermomd door Londen zou loopen, onder den naam van mevrouw Everston. En toch—en toch—hij had er op kunnen zweren—maar het was dwaasheid.Eensklaps wenschte hij zijn vriend goeden nacht en nam eencab. “Het wordt hoe langer hoe geheimzinniger,” zeide de verbaasde Tom, terwijl hij hem zag wegrijden. “Het zou mij wel honderd pond waard zijn, om te weten te komen wat dat alles beteekent.”Maar hij kwam er nooit iets van te weten, hoewel hij de wanhopige uitdrukking van Beatrice’s oogen bij dien laatsten afscheidsblik, nog menigmaal in zijn slaap zag.Geoffrey dacht over de zaak na. Het geval, hoe ongerijmd ook, was toch mogelijk. Behalve dat enkele regeltje, tot antwoord op zijn brief, had hij niets van Beatrice vernomen; en eigenlijk verwachtte hij iets van haar te zullen hooren, alvorens verder een stap te doen. Maar gesteld zelfs dat zij in Londen was, waar moest hij haar dan zoeken? Het viel hem in dat er een trein van Euston naar Wales, ’s ochtends te vier uur vertrok. Het was zeer goed mogelijk dat zij in stad was en met dien treinterugkeerde. Hij beval den voerman hem naar het Euston-station te rijden, en daar aangekomen, ondervroeg hij een slaperigen kruier, maar zonder voldoenden uitslag.Toen zocht hij op het station; daar was geen spoor van Beatrice te zien. Hij deed nog meer; zoo vermoeid als hij was, wachtte hij anderhalf uur totdat het tijd was voor den trein om te vertrekken. Er waren maar drie passagiers, en geen van drieën geleek in ’t allerminst op Beatrice.“’t Is al zeer vreemd,” zeide Geoffrey bij zichzelven, terwijl hij terugliep. “Ik had er op kunnen zweren dat ik eenoogenblikhaar aanwezigheid gevoelde. Het moet verbeelding geweest zijn. Dat komt er van, als men aan geheime invloeden gelooft. Men heeft er maar last van!”Was hij maar naar Paddington gegaan!
De volgende dag was Zondag. Beatrice ging niet naar de kerk. Eén reden daarvoor was dat zij bevreesd was er Owen Davies te ontmoeten. Maar zij nam haar Zondagsklasse als gewoonlijk waar, en nog lang naderhand herinnerden de kinderen zich hoe vriendelijken geduldig zij dien dag jegens hen geweest was, en hoe mooi zij hun de geschiedenis van dat Joodsche meisje verteld had, dat haar leven opofferde opdat haar vader zijn gelofte getrouw zou zijn.
Bijna al het overige van den dag en den avond besteedde zij om te schrijven, wat wij later zullen lezen; alleen des namiddags ging zij een poos in haar bootje roeien. Nog iets anders deed zij ook; zij ging naar de hoofdonderwijzeres, en zeide haar dat zij mogelijk Dinsdag (Maandag was het toevallig een vacantiedag) niet in het dorp zou zijn. Als iemand naar de reden van haar afwezigheid mocht vragen, verzocht zij de hoofdonderwijzeres of deze zoo vriendelijk zou willen zijn te zeggen dat zij een afspraak had gemaakt, en om die te houden een ochtend vrijaf had genomen. De hoofdonderwijzeres bewilligde daarin, zonder eenige achterdocht, zeggende dat alsBeatricegeen ochtend vrijaf zou mogen nemen, zij niet zou weten wie.
Den volgenden ochtend ontbeten zij zeer vroeg, omdat Granger en Elisabeth met den eersten trein zouden vertrekken. Beatrice zat er stilzwijgend bij; haar kalme oogen staarden strak, en de anderen gevoelden hun hart door een onverklaarbare vrees bekneld, terwijl zij naar haar ondoorgrondelijk gelaat zagen. Wat was dat meisje voornemens te doen? Dat was de vraag, die zij zichzelven deden, hoewel elkander niet. Dat zij iets in den zin had, daar waren zij zeker van, want een vast besluit stond op elken trek van haar strak gelaat te lezen.
Eensklaps, terwijl zij zat te peinzen, en den schijn aannam van te eten, schoot haar een denkbeeld voor den geest als een pijl, die haar hart doorboorde. Dit was de laatste maal dat zij ooit te zamen aan tafel zouden zitten, de laatste maal dat zij het gelaat van haar vader en haar zuster ooit zou aanschouwen. Wat haar zuster betrof, daar kon zij zich wel overheen zetten—want er zijn dingen, die zelfs een vrouw als Beatrice niet vergeven kan—maar haar vader had zij lief, met al zijn gebreken; zelfs zijn geldgierigheid en zelfzuchtigheid waren haar door de gewoonte van er zich over te verbazen lief geworden. Bovendienwas hij haar vader; hij was de oorsprong van het leven, dat zij ging wegwerpen. En zij zou hem nimmer wederzien. Wel weifelde zij daarom niet in haar besluit, dat nu zoo vast stond als Bryngelly Castle op zijn rots, maar dat denkbeeld deed haar toch de tranen in de oogen schieten.
Juist was het ontbijt afgeloopen, en Elisabeth liep de kamer uit, om haar hoed te halen.
“Vader,” zeide Beatrice, “eer gij heengaat, zou ik u gaarne hooren zeggen dat gij niet gelooft dat het onwaar is wat ik u gezegd heb—van die geschiedenis.”
“Hm, hm!” antwoordde de oude man zenuwachtig, “ik dacht dat wij overeengekomen waren vooreerst daar niet over te spreken.”
“Ja, maar ik zou het u toch gaarne hooren zeggen. Het grieft mij zoo dat gij zoudt denken dat ik u voorgelogen heb, want nooit in mijn leven heb ik u opzettelijk iets gezegd, dat niet waar was,” en zij klemde haar handen om zijn arm, en sloeg de oogen naar zijn gelaat op.
Hij zag haar twijfelachtig aan. Was het mogelijk dat zij dan toch de waarheid sprak? Neen; het was niet mogelijk.
“Dat kan ik niet, Beatrice,” antwoordde hij—“niet dat ik je er te zeer om laak dat ge u zoekt te verdedigen; een rat, die in een hoek gejaagd is, stelt zich te weer.”
“Mogen die woorden u nimmer berouwen,” zeide zij; “en nu vaarwel,” en zij kuste hem op het voorhoofd.
Op dat oogenblik trad Elisabeth binnen, zeggende dat het tijd was om heen te gaan, en hij beantwoordde den kus niet.
“Vaarwel, Elisabeth,” zeide Beatrice, haar de hand toestekende. Maar Elisabeth deed alsof zij dit niet zag, en een oogenblik later waren zij weg. Zij volgde hen tot aan het hek; en zag hen na, totdat zij op den weg uit haar gezicht verdwenen. Toen keerde zij terug, haar hart tot berstens toe vol; maar zij stortte geen enkelen traan.
Zoo had Beatrice haar vader en haar zuster een laatst vaarwel gezegd.
“Elisabeth,” zeide Granger, toen zij het station naderden, “ik ben ongerust over Beatrice. Er was zoo’n vreemde uitdrukking in haar oogen, het—kortom, het maakt mij beangst. Ik had wel lust Hereford er aan te geven, en terug te gaan,” en hij bleef aarzelend op den weg stilstaan.
“Zooals ge wilt,” zeide Elisabeth, met een smadelijken glimlach,“maar ik zou meenen dat Beatrice groot genoeg is om op zichzelve te passen.”
“Bij den God, die ons geschapen heeft,” riep de oude man woedend uit, met zijn stok op den grond stampende, “zij moge slecht zijn, maar zij is niet zoo slecht als jij, die haar verraden hebt. Als Beatrice een Magdalena is, ben jij een vrouwelijke Judas, en ik geloof dat je haar haat en wel zou willen dat zij dood was.”
Elisabeth gaf hierop geen antwoord. Zij waren nu aan het station, want haar vader was weer voortgeloopen, en er waren menschen om hen heen. Maar zij wierp hem een blik toe, en nooit vergat hij dien blik. Het was genoeg om zijn tong te verstijven, en hij roerde dit punt niet weder aan.
Toen zij vertrokken waren, ging Beatrice toebereidselen maken. Haar voornemen was naar Londen te reizen, om, zoo mogelijk, in het Lagerhuis Geoffrey voor ’t laatst te zien, en dan terug te keeren. Zij zette haar hoed op, en trok haar beste kleed aan; dit was zeer eenvoudig en van grijs laken, maar het stond haar zeer goed, en in de borst stak zij den brief, dien zij den vorigen dag geschreven had. Een kleine reistasch, met een paar boterhammen en een schuier en kam er in, benevens een mantel, maakte haar geheele bagage uit.
De trein, die te Bryngelly niet stilhield, vertrok te tien uur van Coed, en naar Coed was het anderhalf uur gaans. Het was tijd om heen te gaan. Zij zou, natuurlijk, dien nacht afwezig zijn, en wat voor reden zij Betty, de dienstmaagd, voor haar afwezigheid zou opgeven, wist zij niet. Maar het toeval kwam haar te hulp. Terwijl zij er over nadacht, kwam Betty zelve weenend binnen. Zijhad zooeven vernomen dat haar zusje, dat met haar moeder in een dorp op zes mijlen afstands woonde, door een wagen aangereden en zwaar bezeerd was; en zij vroeg of zij voor dien nacht naar huis mocht gaan. Den volgenden dag zou zij terugkomen.
Beatrice stemde in haar verzoek toe, en Betty ging dadelijk heen. Zoodra zij weg was, sloot Beatrice het huis, stak den sleutel in haar zak, en ging op haar wandeltocht van vijf mijlen uit. Niemand zag haar het huis verlaten, en zij liep langs een pad achter het dorp om, zoodat niemand haar ook op den weg zag. Onopgemerkt aan het Coed-station gekomen, even vóór het vertrekuur van den trein, deed zij haar voile neer, en nam een plaatskaartje derde klasse naar Londen. Dit moest zij wel doen, want haar geldvoorraad was zeer gering;alles bijelkaarhad zij maar zes-en-dertig shillings, waarvoor de reis naar Londen heen en terug haar acht-en-twintig shillings en vierpencezou kosten.
Een oogenblik later was zij een leegen waggon ingestapt, en de trein stoomde heen.
Dien avond omstreeks acht uur kwam zij aan het Paddington-station. In de restauratiekamer deed zij haar middagmaal met een kop thee en een boterham, waarna zij verder op haar tocht uitging.
Beatrice was nooit in Londen geweest, en zoodra zij het station verlaten had, bracht de rumoerige drukte van de groote stad haar in verlegenheid. Haar plan was te voet naar het Parlementsgebouw in Westminster te gaan. Daar meende zij zeker te zijn van Geoffrey te zien, omdat zij een dagblad gekocht had, waarin zij gelezen had dat hij een van de sprekers in een groot debat over de Iersche kwestie zou zijn, dat dien nacht gesloten zou worden. Een vriendelijke kruier had haar gezegd dat zij Praed Street maar moest volgen totdat zij aan Edgware Road kwam, dan doorloopen naar den Marmeren Boog, en maar weer vragen. Beatrice volgde het eerste gedeelte van die aanwijzing tot Edgware Road. Maar daar stond zij verlegen en aarzelde.
Op dit oogenblik kwam er een ruwe vent naar haar toe en zeide iets. Een meisje als Beatrice kon onmogelijk door de straten vanLonden loopen zonder aan het gevaar van zulke ongewenschteaandachtblootgesteld te zijn. Zij wendde zich van hem af, en terwijl zij dit deed, hoorde zij hem tegen een ander een onkiesch gezegde over haar schoonheid uiten. Dicht bij de plaats waar zij zich bevond, stonden tweecabs. Zij ging naar de eerste toe, en vroeg den voerman voor hoeveel hij haar naar het Lagerhuis wilde rijden.
“Twee shillings, juffrouw,” was het antwoord.
Beatrice schudde het hoofd, en wilde heengaan. Zij durfde zooveel geld niet aancabsbesteden, want zij moest naar Bryngelly terug.
“Ik zal er u brengen voor anderhalven shilling, juffrouw,” riep de voerman van de anderecab. Dit aanbod wilde zij juist aannemen, toen de eerste inviel:
“Wou je mij mijn vrachtje afsnoepen? Hoor eens, juffer, ik ben galant voor dames, en ik zal er u voor één shilling brengen.”
Zij glimlachte en stapte decabin. Nu dwarrelde het haar voor de oogen in de drukke, met gas verlichte straten, en binnen een kwartier hield decabvoor den ingang van het Lagerhuis stil. Beatrice betaalde dencab-voerman zijn shilling, bedankte hem, en trad binnen, maar stond weer verlegen te midden van witte beelden, marmeren vloeren, hooge gewelfde zolderingen en gedrang van menschen. Een op post staande politiedienaar vroeg haar waarvoor zij hier kwam. Beatrice antwoordde dat zij de zitting van het Lagerhuis wilde bijwonen.
“Dien kant op, juffrouw—dien kant op,” zeide de politiedienaar, op een stroeven toon. Zij volgde zijn aanwijzing, en kwam eindelijk in een portaal onder een menigte lieden van allerlei soort—kale politieke aanhangers, Iersche priesters, mannen van de pers, enz. Aan de eene zijde van het portaal stondenpolitiedienaarsen boden, die gestadig kaartjes aannamen. Onmerkbaar werd zij door den stroom naar dien kant medegesleept.
“De damesgalerij, juffrouw?” vroeg een stem; “uw toegang-kaartje als ’t u belieft, maar ik geloof dat er wel geen plaats meer zal zijn.”
Dit was een nieuwe verlegenheid. Beatrice had geen toegang-kaartje. Zij had niet gedacht dat het noodig was.
“Ik heb geen toegangkaartje,” zeide zij. “Ik wist niet dat ik er een hebben moest. Kan ik niet zonder binnenkomen?”
“Zeer zekerniet,” antwoordde de stem, terwijl de eigenaar van die stem, die waarschijnlijk dynamiet vermoedde, haar met een koelen ambtelijken blik in oogenschouw nam. “Uit den weg als ’t u belieft.”
Beatrice’s oogen schoten vol tranen, terwijl zij zich in bitterheid des harten omkeerde. Zoo was al haar moeite dan te vergeefs, en moest zij zich dit laatste zwijgend afscheidnemen ontzeggen. Welnu, wat kwam bij zooveel treurigs een weinig meer er op aan? Zij keerde zich om, en wilde heengaan, maar niet onopgemerkt. Een nog vrij jong Parlementslid, die in Beatrice’s nabijheid met een zijner kiezers had gesproken, had haar afwijzing gezien. Getroffen door haar schoonheid en haar droefheid, deed hij wat hij behoorde te doen; hij nam, namelijk, zijn hoed af, en vroeg of hij, als lid van het Lagerhuis, haar van dienst kon zijn. Beatrice luisterde, en legde hem uit dat zij bizonder gaarne toegang tot de Damesgalerij had willen hebben.
“Dan kan ik u, geloof ik, helpen,” zeide hij. “Toevallig heeft een dame, voor wie ik een kaartje had, mij getelegrafeerd dat zij niet kan komen. Wilt ge mij maar volgen? Mag ik u verzoeken mij uw naam op te geven?”
“Mevrouw Everston,” antwoordde Beatrice, den eersten naam, die haar inviel, nemende. Het Parlementslid zag een weinig teleurgesteld. Hij had, zonder eigenlijk te weten waarom, gehoopt dat die schoone vrouw nog vrij was. Haar huwelijk was zeker niet gelukkig, anders zou zij er niet zoo treurig uitzien.
Toen kwamen er nog meer trappen en gangen en formaliteiten, totdat Beatrice zich in een soort van vogelkooi bevond, tot stikkens toe vol met allerlei soort van dames.
“Ik vrees—ik vrees dat er geen plaats meer is,” zeide haar nieuwe vriend, met ongerustheid de menigte overziende.
Maar op dit oogenblik was een dikke dame, die vooraan zat, en bijna flauw viel van de hitte, genoodzaakt de galerij te verlaten,en eer zij recht wist waar zij was, was Beatrice naar haar plaats geleid. Haar vriend had voor haar gebogen en was verdwenen, en zij zat zoo goed als alleen, want zij lette niet op degenen, die om haar heen zaten, hoewel sommigen haar scherp opnamen, benieuwd wie dat schoone meisje toch wel wezen mocht.
Zij liet haar blik door de volle zaal gaan, en zag een chaos van hoeden, halsboorden en beenen, en hoorde een rumoer van geluiden: de scherpe stem van een spreker, die spoedig driftig werd, de toejuichingen van de Regeeringsbanken, de interpellaties van de Oppositie—ja, zelfs geschreeuw en gejouw, en geluiden, die wel iets van hanengekraai hadden. Als zij er aan gedacht had, zou Beatrice geen hoogen dunk verkregen hebben van de waardigheid eener vergadering, waar zoovelen van haar leden hun fatsoenlijkheid met hun overjassen en stokken aan de deur schenen gelaten te hebben; maar zij dacht er eenvoudig niet aan. Wel zag zij vorschend de zaal rond, maar het was om slechts één gelaat te zien—Ha! daar was het.
En nu mocht het Lagerhuis in den bodemloozen afgrond verzinken, en het Hoogerhuis, en alles wat er van de Britsche Constitutie overbleef meenemen, en zij zou het niet gemist hebben. Want zelfs in haar beste gemoedsstemming was Beatrice—wat zij met de meesten van haar sekse gemeen had, dat zij met alle dankbaarheid gezegd—geen vurig politicus.
Daar zat Geoffrey, met zijn armen over elkander geslagen. Daar was hij, om wien te zien zij van zoo ver gekomen was, en voor wien zij morgen haar leven ten offer zou brengen. Wat zag hij treurig—hij scheen afgetrokken te zijn. Zij wist dat hij aanhaardacht; dat kon zij gevoelen, evenals zij het vroeger gevoeld had. Onafgewend hield zij haar oogen gevestigd op dat geliefd gelaat, waarvan zij afscheid nam; zij zag niets anders, zij hoorde niets van het gegons, als van een bijenzwerm, om haar heen en onder haar.
Nu kwam de heer, die zoo vriendelijk voor haar geweest was, naast Geoffrey zitten en begon met hem te fluisteren, en terwijl hijdat deed, zag hij een paar malen naar het traliewerk, waarachter zij zat. Zij vermoedde dat hij haar vertelde van de dame, die zoo onverklaarbaar verlangend was om de debatten te hooren, en hoe schoon zij was. Maar Geoffrey scheen daar niet veel belang in te stellen, en Beatrice was genoeg vrouw om dit op te merken en zich er over te verheugen. Het denkbeeld dat Geoffrey er belang in stelde van geheimzinnige schoone dames te hooren, zou haar niet aangenaam geweest zijn.
Eindelijk stond er een spreker op—uit het gemompel om haar heen begreep zij dat het een der leiders van de Oppositie was—en begon een krachtige en bittere redevoering. Zij merkte op dat Geoffrey met aandacht begon te luisteren.
“Zie,” zeide een der dames in haar nabijheid, “mijnheer Bingham maaktaanteekeningen. Aanstonds gaat hij spreken—hij spreekt uitmuntend, zooals gij weet. Men zegt dat hij, op Gladstone en Lord Randolph na, de beste in het Lagerhuis is.”
“Lady Honoria schijnt er niet te zijn,” zeide een andere dame. “Ik zie haar niet.”
“Neen,” hernam de eerste, “zij is een lieve vrouw, en zoo schoon!—juist de vrouw voor een man van aanzien—maar ik geloof niet dat zij veel belang stelt in politiek. Wat zijn haar diners uitgelezen!”
Hier werd het gemompeld gesprek door een storm van toejuichingen gestoord.
Deze spreker sprak ongeveer drie kwartier, en toen stond Geoffrey eindelijk op. Een paar andere leden stonden tegelijk met hem op, maar lieten hem aan ’t woord.
Hij begon langzaam—wat al te bedaard, naar het Beatrice, die het hart op de tong had, toescheen—maar toen hij ongeveer vijf minuten gesproken had, geraakte hij in vuur. En nu begon een van de merkwaardigste redevoeringen, die ooit in dat Parlement gehouden zijn. Geoffrey had vroeger goed gesproken, en zou later weer goed spreken, maar nooit had hij zoo goed gesproken als ditmaal. Bijna anderhalf uur hield hij het Lagerhuisgeboeid, en zelfs de interpellaties en teekenen van afkeuring der Oppositie hielden tegen het einde van zijn redevoering op. Zijn gelaat schitterde van het vuur der welsprekendheid. Hij ontleedde de door de Oppositie aangevoerde feiten één voor één, en toonde met overtuigende logica aan dat het geen feiten waren; te midden van een toornig gesis vergruisde hij al haar bewijsgronden en wederlegde haar beweegredenen. Toen sloeg hij een anderen toon aan, en richtte het woord niet meer bepaald tot de Oppositie, maar tot het Lagerhuis in ’t algemeen, en tot het geheele land, in dien echt vaderlandsgezinden geest en met die kracht en gloed van taal, waardoor zijn toenemende beroemdheid zoowel in het Parlement als in de kiezersvereenigingen bevestigd werd.
Beatrice deed de oogen dicht, en luisterde naar die volle, heldere en indrukwekkende stem, die al krachtiger en krachtiger scheen te worden, totdat de geheele zaal er van vervuld was en elke bestrijding tot zwijgen was gebracht.
Met een kernachtig slot hield Geoffrey op, en nam zijn plaats weder in. Hij had anderhalf uur gesproken, en toch scheen het Beatrice toe dat er slechts eenige minuten verloopen waren sedert hij was opgestaan. Nu barstte er een storm van toejuichingen los, te midden waarvan een leider der Oppositie opstond, om, juist niet in de beste luim, te antwoorden, want Geoffrey’s redevoering had hem gevoelig geraakt.
Hij begon met den geachten spreker een compliment te maken over zijn gehouden redevoering, “zoo welsprekend als hij er in geen jaren een gehoord had, hoewel, ongelukkig, van een verkeerd standpunt uitgaande.” Daarna laakte hij de Regeering dat zij een man, die zooveel knapper was dan de meesten harer “bevoorrechten,” niet reeds een hoogen post had gegeven, en verwekte gelach door satiriek te zeggen dat, als het hem ooit ten deel viel op de voorste bank van de Thesaurie te zitten, hij voorzeker den geachten spreker een bod zou doen. Na deze niet kwaad gemeende scherts, ging hij over tot de beschouwing van het punt in behandeling, en Beatrice lette niet verder op hem, maar zag Geoffrey wederin denzelfden schijnbaren staat van koele onverschilligheid zitten, waaruit de noodzakelijkheid van te spreken hem gewekt had.
Nu kwam de heer, die haar een plaats had bezorgd, bij haar en sprak haar toe. Al spoedig begon hij over Geoffrey’s redevoering te spreken, zeggende dat het een van de schitterendste, zoo niet de schitterendste, van de zittingen was.
“Mijnheer Bingham zal het dus zeker wel tot hoog aanzien brengen?” zeide Beatrice.
“Tot hoog aanzien? Dat zou ik meenen!” antwoordde hij. “Bij de eerste gelegenheid zal hij wel een Regeeringspost krijgen; hij is te knap om hem voorbij te zien. Weinig mannen zijn zoo spoedig op den voorgrond gekomen als mijnheer Bingham. Wij noemen hem de komeet, en als hij zijn kansen niet vergooit, door iets dwaas te doen, is er geen reden waarom hij niet binnen weinig jaren Procureur-Generaal zou zijn.”
“Waarom zou hij iets dwaas doen?” vroeg zij.
“Och, om geen bepaalde reden, zoover ik weet; alleen, zooals gij zeker wel opgemerkt zult hebben, doen mannen van zijn soort soms belachelijke dingen, en brengen zich in opspraak door met de een of andere vrouw weg te loopen of zoo iets, waardoor zij hun loopbaan bederven. Niet dat dit van mijnheer Bingham te vreezen is, want hij heeft een allerliefste vrouw, en men zegt dat hij veel hulp van haar heeft. Maar daar gaat de bel van de afdeeling. Adieu, mevrouw Everston, aanstonds kom ik weer bij u, om u hieruit te brengen.”
“Adieu, mijnheer,” antwoordde Beatrice, “en in geval ge mij niet meer mocht vinden, wensch ik u iets te zeggen—u te danken voor uw vriendschappelijkheid dat ge mij hier gebracht hebt. Ge hebt mij een grooten dienst gedaan, een zeer grooten dienst, waarvoor ik u ten hoogste dankbaar ben.”
“Dat is geen dank waard,” antwoordde hij. “Dat is een genoegen voor mij geweest. Als ge mij wildet vergunnen,” voegde hij er met eenige verlegenheid bij, “u eens te komen bezoeken, zou het genoegen des te grooter zijn. Ik zal mijnheer Bingham meebrengen, alsgij gaarne kennis met hem wilt maken—ten minste, als ik kan.”
Beatrice schudde het hoofd. “Dat kan niet,” antwoordde zij, droevig glimlachend. “Ik ga morgen op een lange reis, en ik kom hier niet terug. Vaarwel.”
Het volgend oogenblik was hij weg. In geen jaren had een vrouw zulk een levendige belangstelling in hem gewekt als deze schoone onbekende. Wie kon zij zijn? en waarom was zij er zoo bizonder op gesteld de debatten te hooren? Daar school een geheim achter, en dat wilde hij, zoo mogelijk, oplossen.
Inmiddels nam de afdeeling plaats, en onder gejuich van de Ministerieele partij en geschreeuw van de Oppositie werd de zegepraal der Regeering aangekondigd. Toen kwamen de gewone formaliteiten, en de vergadering begon uiteen te gaan. Beatrice zag de voorzitter van het Lagerhuis en verscheidene Regeeringsleden naar Geoffrey toe komen, hem de hand geven en hem gelukwenschen. Nu keerde zij zich om, na een langen blik op hem geworpen te hebben, en ging heen, in het oogenblik zijner zegepraal, die hem zoo onverschillig scheen te laten, maar die Beatrice in haar hart trotscher maakte dan alsof zij tot keizerin over de geheele wereld verklaard was.
O, het was iets zulk een man te beminnen, een man, die geboren was om zich boven zijn medemenschen te verheffen—en het was goed voor hem te sterven! Mocht zij haar jammerlijk bestaan een hinderpaal laten zijn op zulk een loopbaan als de zijne zou zijn? Nooit, nooit! Om haar zou er geen publiek “schandaal” zijn.
Zij sloeg haar voile neder en vroeg den weg naar den uitgang van de vergaderzaal. Weldra was zij er buiten. In een der portalen en in de schaduw van de pilaren, zag zij de leden van het Lagerhuis haar voorbijgaan. Velen hunner spraken te zamen, en een paar malen ving zij Geoffrey’s naam op, gepaard met zulke woorden als “een uitstekende redevoering,” en dergelijke uitdrukkingen van bewondering.
“Voortloopen, voortloopen,” zeide een politiedienaar. Beatrice lichtte haar voile op, wendde zich om en zag hem aan, waarna hij,iets mompelende, zelf voortliep en haar met rust liet. Nu zag zij Geoffrey en den heer, die zoo vriendelijk jegens haar geweest was, te zamen loopen. Zij kwamen door een zijdeur, en hij ging haar strijkelings voorbij, maar zag haar niet. Zij drong dichter tegen den pilaar aan, en verschool zich in de schaduw. Binnen zes voet van haar af, stond Geoffrey stil, en stak een sigaar op. Het licht van den lucifer scheen op zijn gelaat. Wat zag hij er afgemat uit! Een vurig verlangen om vooruit te treden en hem aan te spreken bestormde haar, maar zij bedwong zich met geweld.
Haar vriend sprak met hem, en over haar.
“Een allerliefste vrouw,” zeide hij, “met een paar grijze oogen, zoo schoon, zoo vol glans, als ik ooit gezien heb! Maar zij is verdwenen als een droom. Ik kan haar nergens vinden. ’t Is een zeer geheimzinnig geval.”
“Ge wordt verliefd, Tom,” antwoordde Geoffrey afgetrokken, terwijl hij den lucifer wegwierp en voortliep. “Doe dat niet; ’t is ongelukkig genoeg het te zijn,” en hij zuchtte.
Hij ging heen. O, Hemel! nimmer zou zij hem wederzien! Een koude huivering overviel Beatrice; haar bloed scheen te stollen. Zij beefde zóó hevig, dat zij zich nauwelijks staande kon houden. Voorovergebogen zag zij hem na, met zulk een bedroefde uitdrukking, dat zelfs de politiedienaar, die berouw had over zijn inschikkelijkheid, en terugkwam om haar weg te jagen, verbaasd stond. De beide mannen waren ongeveer vijf-en-twintig passen ver, toen iets Beatrice’s vriend bewoog even om te zien. Zijn blik viel op het bleek, treurig gelaat, dat nu in het volle licht van de gaslamp stond.
Beatrice zag hem omzien, en begreep haar gevaar. “O, vaarwel, Geoffrey!” ontboezemde zij, voor een oogenblik door de geheimzinnige werking der tusschen hen bestaande zielsverwantschap zijn hart tot zich trekkende. Maar terstond beseffende wat zij gedaan had, sloeg zij haar voile weer neder en ging snel heen. De heer, die “Tom” heette—zijn naam was zij niet te weten gekomen—tuurde in de richting waar hij haar ontdekt had, en op datzelfdeoogenblik wankelde Geoffrey alsof hij door een schot getroffen was, verbleekte en bleef stilstaan.
“Daar is die dame weer,” zeide zijn metgezel; “wij moeten haar vlak voorbijgegaan zijn. Zij zag naar ons; ik heb haar gelaat in het gaslicht gezien—en ik kan er mij niet in vergissen.”
Geoffrey greep hem bij den arm. “Waar is zij?” vroeg hij; “en hoe zag zij er uit?”
“Zooeven stond zij daar,” antwoordde hij, naar den pilaar wijzende, “maar nu heb ik haar uit het oog verloren—ik geloof dat zij den kant van het station op is gegaan, maar dat kan ik niet zien. Wacht, is zij dat?” en hij wees den kant van de Abdij op, naar een rijzige gestalte.
Zij liepen snel, om haar in te halen, maar de uitkomst was niet voldoende, en haastig keerden zij van het voorwerp hunner opmerkzaamheid terug.
Intusschen was Beatrice aan deWestminster Bridgegekomen. Daar stond eencab: zij stapte er in, en beval den voerman haar naar Paddington te rijden.
Voordat de twee heeren teruggekeerd waren, was zij weg. “Zij is weer verdwenen,” zeide Tom, en nu gaf hij Geoffrey een beschrijving van haar. Op haar kleeding had hij ongelukkig weinig gelet. Het kon, naar zijn beschrijving, Beatrice’s kleeding zijn, of niet. Het kwam Geoffrey bijna onbegrijpelijk voor dat zij vermomd door Londen zou loopen, onder den naam van mevrouw Everston. En toch—en toch—hij had er op kunnen zweren—maar het was dwaasheid.
Eensklaps wenschte hij zijn vriend goeden nacht en nam eencab. “Het wordt hoe langer hoe geheimzinniger,” zeide de verbaasde Tom, terwijl hij hem zag wegrijden. “Het zou mij wel honderd pond waard zijn, om te weten te komen wat dat alles beteekent.”
Maar hij kwam er nooit iets van te weten, hoewel hij de wanhopige uitdrukking van Beatrice’s oogen bij dien laatsten afscheidsblik, nog menigmaal in zijn slaap zag.
Geoffrey dacht over de zaak na. Het geval, hoe ongerijmd ook, was toch mogelijk. Behalve dat enkele regeltje, tot antwoord op zijn brief, had hij niets van Beatrice vernomen; en eigenlijk verwachtte hij iets van haar te zullen hooren, alvorens verder een stap te doen. Maar gesteld zelfs dat zij in Londen was, waar moest hij haar dan zoeken? Het viel hem in dat er een trein van Euston naar Wales, ’s ochtends te vier uur vertrok. Het was zeer goed mogelijk dat zij in stad was en met dien treinterugkeerde. Hij beval den voerman hem naar het Euston-station te rijden, en daar aangekomen, ondervroeg hij een slaperigen kruier, maar zonder voldoenden uitslag.
Toen zocht hij op het station; daar was geen spoor van Beatrice te zien. Hij deed nog meer; zoo vermoeid als hij was, wachtte hij anderhalf uur totdat het tijd was voor den trein om te vertrekken. Er waren maar drie passagiers, en geen van drieën geleek in ’t allerminst op Beatrice.
“’t Is al zeer vreemd,” zeide Geoffrey bij zichzelven, terwijl hij terugliep. “Ik had er op kunnen zweren dat ik eenoogenblikhaar aanwezigheid gevoelde. Het moet verbeelding geweest zijn. Dat komt er van, als men aan geheime invloeden gelooft. Men heeft er maar last van!”
Was hij maar naar Paddington gegaan!