Hoofdstuk XXVIII.Ik zal op u wachten.Beatrice reed naar Paddington terug, en hoewel haar gelaat strak en bleek als marmer bleef, vloeiden er groote tranen, één voor één, langs haar wangen.Aan het station gekomen, betaalde zij den voerman van haarweinigenog overgebleven shillings—omdat zij een vreemdeling was, wilde hij niet minder dan een halve kroon aannemen. Toen, zonder acht te slaan op den verbaasden blik van den nachtportier, liep zij de wachtkamer binnen en ging zitten. Eerst haalde zij den brief te voorschijn en voegde er eenige regels met potlood bij; maar zij deed hem nog niet op de post, want zij wist dat hij dan te spoedig aan zijn adres zou komen. Toen leunde zij met het hoofd tegen den wand en viel van afgematheid in slaap—haar laatste slaap hier op aarde, vóór den langsten slaap van alle.En zoo wachtte en sliep Beatrice te Paddington, terwijl haar minnaar te Euston wachtte en waakte.Omstreeks vijf uur werd zij wakker, en al de smartelijke gedachten aan het verleden, het tegenwoordige en de toekomst bestormden haar hart. Zij liep de ledige straat op, en op een opene ruimte tusschen de huizen zag zij de zon opgaan. Het was de laatste zonsopgang, dien zij zou aanschouwen.Toen zij op het station terugkwam, was de restauratiekamer open; daar trad zij binnen, en na zich met een kop koffie en een stuk brood ververscht te hebben, nam zij haar plaatskaartje niet naar Bryngelly of naar Coed, maar naar het station aan deze zijde van Bryngelly en drie mijlen er van af. Daar zou zij minder gevaar loopen van opgemerkt te worden. De trein werd in het spoor gebracht. Juist toen zij was ingestapt, kwam er een krantenjongen geeuwend aanloopen. Beatrice kocht een nummer van denStandard, en sloeg het open bij het blad waar de hoofdartikelen in stonden. Het eerste begon: “De krachtige, kernachtige en welsprekende redevoering, door den heer Bingham, het lid voor Pilham, gehouden, zal voorzeker van evenveel uitwerking op het geheele land zijn als zij op het Lagerhuis was. Wij verwelkomen haar niet alleen om haar waarde als een bijdrage tot de polemiek over de Iersche Kwestie, maar als een afdoend bewijs van wat reeds vermoed is, dat de Unionistische partij in den heer Bingham een jong staatsman van hooge begaafdhedenbezit, wiens uitgebreide rechtsgeleerde praktijk hem niet, zooals maar al te dikwijls het geval is, in den weg staat op het geestinspanning vereischende en ruime arbeidsveld der politiek.”Evenzoo ging het voort. Beatrice legde het blad met een zegevierenden glimlach neder. Geoffrey’s roem was gevestigd. De geheele lange reis door, streelde zij haar verbeelding door zich het eene beeld voor, het andere na voor den geest te roepen van die toekomst, waaraan zij geen deel zou hebben. Maar hij zou haar toch niet vergeten; daar was zij zeker van. Haar herinnering zou hem tot het einde van zijn leven bijblijven, en soms zou hij denken hoe trotsch zij zijn zou, als zij getuige van zijn zegepralen had kunnen zijn. Ach, zij bedacht niet dat, wanneer alles verloren is wat het leven schoon kan maken, wanneer de zon voor ons ondergegaan is en het duister in onze ziel is geworden, de glans van onze kleine zegepralen slechts den verdwenen luister kan vergoeden! Geluk en tevredenheid zijn teere planten, die licht en lucht moeten hebben om te kunnen bloeien. Zij gedijen niet in donkere schaduwen, en als het hart dood is, kunnen geen zegepralen, hoe schitterend ook, tegen het onherstelbaar verlies opwegen. Het arme meisje vermoedde niet dat Geoffrey, in de jaren, die komen zouden, gaarne al zijn roem en onderscheiding gegeven zou hebben voor één maand van haar dierbare, onvergetelijke tegenwoordigheid. Zij had een te geringen dunk van zichzelve; zij dacht niet dat een man aldus op de liefde van een vrouw prijs kon stellen, en hield het voor een uitgemaakte zaak dat tegenover zijn streven, om het doel zijner eerzucht te bereiken, zulk een schat als Beatrice Geoffrey geschonken had, niets beteekende. Dit was de wagen van Jaggernaut1op zijn loopbaan, waaraan Beatrice haar leven ten offer wilde brengen, niet wetende dat daardoor al de eer en onderscheiding, die hij reeds zoo weinig telde, bitterheid en asch moest worden.Te Chester stapte Beatrice uit den trein, en deed haar brief aan Geoffrey op de post. Dat had zij niet vroeger willen doen, omdat die hem niet in handen moest komen voordat alles gedaan was. Zij wierp een blik op den brief,—het laatste teeken, dat ooit op aarde tusschen hen gewisseld kon worden. Eenmaal drukte zij den brief aan haar hart, eenmaal raakte zij hem met haar lippen aan, en toen stak zij hem onherroepelijk in de bus. Nu was er geen terugtreden meer. En terwijl zij daar nog stond, kwam de postbeambte fluitend aan, opende de bus onverschillig, en stak den inhoud in zijn linnen zak. Als hij geweten had wat daaronder was, zou hij den geheelen dag niet meer gefloten hebben.Beatrice zette haar reis voort, en tegen drie uur was zij aan het kleine station bij Bryngelly. Het was dien dag kermis te Coed, en vele boeren en boerinnen gingen daarheen en stapten hier op den trein. Te midden van die drukte werd zij niet opgemerkt. Niemand in de nabuurschap van Bryngelly wist zelfs, dat Beatrice heen en terug naar Londen was geweest.Zij liep langs de rots om, en binnen een uur was zij aan de deur van de pastorie, waaruit het haar toescheen jaren lang afwezig te zijn geweest. Zij ontsloot de deur en trad binnen. In de brievenbus vond zij een briefkaart van haar vader, meldende dat hij en Elisabeth van plan veranderd waren, en niet terug zouden zijn vóór den volgenden ochtend met den trein, die te half negen aankwam. Des te beter, dacht zij. Toen haalde zij de lakens op haar bed om, alsof het beslapen was geweest, legde in de keuken vuur aan,zetteden ketel er op, om water te koken, en gebruikte wat voedsel. Zij had al haar kracht noodig en zonder voedsel kon zij die niet ophouden.Kort daarna kwam Betty, de dienstmaagd terug, en ging aan haar werkzaamheden, onbewust dat Beatrice den geheelen nacht afwezig was geweest. Haar zusje was veel beter, antwoordde zij op Beatrice’s vragen.Na, voor zooverre zij kon, iets gegeten te hebben—het was niet veel—begaf Beatrice zich naar haar kamer, ontkleeddezich, baadde zich, en trok andere kleeren aan. Toen maakte zij haar vlechten met zorg op, juist zooals zij het haar had gedragen op dien namiddag toen zij Geoffrey voor ’t eerst had ontmoet. Een zonderling verlangen scheen haar te bezielen om er op dezen dag, nu zij het leven vaarwel zeide, op haar voordeeligst uit te zien. Na zich gekleed te hebben, nam zij den zilveren Romeinschen ring, dien Geoffrey haar gegeven had, van het snoer, waaraan zij hem om haar hals droeg, en stak hem aan den derden vinger van haar linkerhand.Toen zij dit alles gedaan had, ging Beatrice naar de keuken en bestelde het avondeten. In haar onschuldige geslepenheid, ging zij nog verder. Betty vroeg haar wat zij voor haar ontbijt wilde hebben, en zij zeide haar dat zij maar wat spek moest koken, en opletten hoe zij het sneed, omdat zij niet van dik spek hield. Na een langen, laatsten blik op de pastorie geslagen te hebben, ging zij naar de woning van de hoofdonderwijzeres, om over het schoolwerk van dien dag te spreken.Beatrice zeide haar dat zij had besloten in zekere lessen een verandering te brengen. De Woensdagsche rekenles was tot dusverre vóór de taalles geweest. Dat wilde zij juist andersom hebben, en daar gaf zij haar redenen voor op. De hoofdonderwijzeres was het met haar eens, en Beatrice gaf haar de hand en wenschte haar goeden avond. Zij had haar wel willen bedanken voor haar hulp in de school, maar met het oog op hetgeen er gebeuren zou, deed zij dat maar niet, omdat het licht vermoeden zou kunnen wekken.Arme Beatrice, dat waren de eenige leugens, waaraan zij zich ooit schuldig had gemaakt!Zij verliet de woning van de onderwijzeres, en wilde juist naar het strand gaan, om daar te zitten totdat het tijd was, toen de vader van het arme krankzinnige kind, Jane Llewellyn, haar te gemoet kwam.“O, Miss Beatrice,” zeide hij, “ik heb u overal gezocht. Wij zijn zoo in naarheid, juffrouw. Jane heeft weer een aanval vanrazernij en spreekt over de hel en zoo wat, en de dokter zegt dat zij sterft. Kunt gij komen, juffrouw, en zien of gij iets doen kunt om haar tot bedaren te brengen? De dokter zegt dat het een zaak van leven of dood is.”Beatrice glimlachte droevig; zaken van leven of dood waren in de lucht. “Ik zal komen,” zeide zij, “maar ik kan niet lang blijven.”Hoe kon zij haar laatste uur beter doorbrengen?Zij ging met den man naar zijn woning. Het arme kind, slechte in een nachthemd gekleed, was aan ’t razen, en blijkbaar in het laatste tijdperk van uitgeputheid; noch de dokter noch haar moeder kon iets meer doen om haar bedaard te houden.“Ziet gij wel,” schreeuwde zij, naar den wand wijzende, “daar staat de Duivel op mij te wachten. En o, daar gaapt de mond van de hel, waar die dominé zei dat ik heen zou gaan! O, houd mij vast, houd mij vast, houd mij vast!”Beatrice trad naar haar toe, nam haar magere handjes in de hare, en zag haar strak in de oogen.“Jane,” zeide zij, “Jane, ken je me niet meer?”“Ja, Miss Granger,” antwoordde het kind, “ikken de les, ik zal ze aanstonds opzeggen.”Beatrice nam haar in haar armen, en ging op het bed zitten. Het kind werd al kalmer en kalmer, totdat zich eensklaps een akelige verandering op haar gelaat vertoonde.“Zij sterft,” fluisterde de dokter.“Houd mij vast, houd mij vast!” zeide het kind, wier helderheid van geest op het laatste oogenblik scheen terug te komen. “O, Miss Granger, ik zal niet naar de hel gaan, zal ik wel? Ik ben bang voor de hel.”“Neen, lieve, neen; je gaat naar den hemel.”Jane lag een poos stil. Toen zag Beatrice de bleeke lippen bewegen en bracht haar oor aan den mond van het kind.“Zult ge bij mij komen?” fluisterde Jane; “ik ben bang om alleen te gaan.”En met haar groote oogen vast op het gelaat van het stervende kind gevestigd, fluisterde Beatrice terug, zoodat niemand anders het kon verstaan:“Ja, ik kom aanstonds.” Maar Jane had het verstaan en begrepen.“Beloof het mij,” zeide zij.“Ja, ik beloof het u,” antwoordde Beatrice, in hetzelfde onverstaanbaar gefluister. “Slaap, lieve; ik ben spoedig bij u.”En het kind zag op, huiverde—glimlachte—en sliep.Beatrice gaf het aan de weenende ouders terug, en ging heen. “Een engel van een meisje,” zeide de dokter bij zich zelven, terwijl hij haar nastaarde.“Ik heb nooit zoo’n vrouw gezien—zij is anders dan andere vrouwen.”Intusschen ging Beatrice naar het schuitenhuis van den ouden Eduard. Zooals zij wel verwachtte, was daar niemand, en ook niemand op het strand. De oude Eduard en zijn zoon waren, evenals ieder ander te Bryngelly, aan het theedrinken.Zij zag naar de zee uit. Er was geen sterke golving, maar de koelte stak op, en er was een langzame zwelling in het water. Voorbij de beschuttingvanRumball Point, vijf mijlen ver, zou een zware branding zijn.De vloed was hoog; hij was tot binnen acht meter van het schuitenhuis gestegen. Zij deed de deur open, sleepte haar bootje er uit, en deeddedeur weder achter zich dicht. Het vaartuigje was licht, en zij was sterk voor een vrouw. Zij trok het bootje aan den ketting van den voorsteven langs het strand voort, totdat het te water was, terwijl de brekende golven haar schoenen nat maakten. Toen stapte zij er in, en een oogenblik later roeide zij met al haar kracht in zee.Twintig minuten lang roeide zij onophoudelijk voort. Toen rustte zij even, maar hield den boeg van het bootje naar de zee, die, zonder onstuimig te zijn, al meer en meer begon te golven. Daar, op eenige mijlen afstands, wasRumball Point. Voordat de avond viel, moest zij daar voorbij zijn. Daar zou branding genoeg zijn; geen bootje als het hare zou het daar vijf minuten uithouden, en hetgetij was aan het keeren. Wat daar zonk, zou weggevoerd worden, en nooit weder op de kust van Wales terugkomen.Zij zag om naar Bryngelly en die lange, welbekende uitgestrektheid rotsen. Welk een schoon gezicht was dat in het kalme licht van een zomernamiddag! O, zou er een namiddag zijn, daar, waarheen het kind was gegaan, en waar zij volgde?—of was het daar nacht, zwarte, eeuwige nacht, onafgebroken door den droom van dierbare herinneringen?Daar was de rots, waarop zij op dien mistigen herfstdag gestaan en hetvisioenvan haar overleden moeder gezien had. Dat was voorzeker een voorteeken van haar lot geweest. Daar voorbij was de Bel Rots, waar in datzelfde uur Geoffrey en zij elkander ontmoet hadden, en daarachter was het Amphitheater, waar zij elkander hun liefde beleden hadden. Luister, wat was dat voor een geluid, dat bij tusschenpoozen flauw over de diepte klonk? Dat was de groote scheepsbel, nu en dan door den hoogen vloed in beweging gebracht, die plechtig haar doodsklok luidde.Zij roeide voort; het gelui van die doodsklok schokte haar zenuwen en gaf haar een gevoel van zwakheid. O, een jaar geleden zou het gemakkelijker voor haar geweest zijn, voordat zij had leeren beminnen, en geloof en hoop uit de diepte harer bewogen ziel had zien oprijzen. Toen had zij met de kracht van heidensch ongeloof haar einde te gemoet kunnen gaan, wetende wat zij verloor, en meenende dat haar niets anders wachtte dan de slaap. Maar nu was het anders, want in haar hart geloofde zij niet dat zij geheel vernietigd zou worden. Hoe, zou het lichaam in duizend vormen kunnen leven, wel veranderd, maar onvergankelijk en onsterfelijk, terwijl het geestelijk deel, met al zijn hoop en liefde en vrees, tot het niet zou versmelten? Dat kon niet zijn; voorzeker zou zij in een onbekend gewest hem, dien zij liefhad, weder begroeten. En als het niet zoo was, hoe zou in dat Hiernamaals het wederzien met haar moeder zijn, nu zij daar als een zelfmoordenares kwam? Zou zij zich van haar afwenden?—en dat broertje, dat zij zoo had liefgehad, zou hij haar van zich stooten? En welke veroordeelendeStem zou haar misschien tot eeuwigdurende hopeloosheid doemen?Maar, welke zonde het ook mocht zijn, zij zou die begaan om den wille van Geoffrey; ja, al moest zij er ook een eeuwige rampzaligheid voor inoogsten. Zij boog het hoofd en bad: “O, Macht, die daarboven zijt, vanwaar ik kom en waarheen ik ga, ontferm u over mij! O, Geest, als werkelijk uw naam Liefde is, weeg mijn liefde dan in uw weegschaal, en laat die de schaal der zonde lichter maken! O, God van opoffering, wees niet vertoornd over mijn daad van opoffering, en schenk mij vergiffenis, opdat ik in den tijd, die komen zal, hem, voor wien ik sterf, moge aanschouwen!”Dat was wel een eenigszins heidensch gebed, en veel te vol menschelijken hartstocht voor iemand, die op het punt was het aardsche leven vaarwel te zeggen. Maar men moet bedenken, dat het Beatrice was, die bad—Beatrice, die zich geen hemel kon voorstellen buiten de grenzen harer liefde—die nog altijd meer dacht aan haar liefde dan aan het behoud harer ziel. Misschien vond dat gebed verhooring—misschien ging het met haar, die het opzond, in deonpeilbarediepte verloren.Toen bad Beatrice niet meer. Haar tijd was kort. Zie, daar ging de zon luisterrijk onder; en daar sloeg de branding over de eenzame landtong. Zij wilde niet meer aan het eigen ik denken; het scheen haar zoo kleingeestig toe, dat smeekend aanroepen van den Ongeziene, niet voor anderen, maar voor zichzelve, hulp voor zichzelve, behoud voor zichzelve. Zij had haar gebed gedaan, en indien zij weder bad, moest het voor Geoffrey zijn, dat het hem voorspoedig mocht gaan, dat hij gelukkig mocht zijn—dat hij haar het verdriet, dat haar liefde hem berokkend had, mocht vergeven. Zij had naar de inspraak van haar hart gebeden, en daarmede was het gedaan. Het oordeel liet zij over. Nu wilde zij haar gedachten bepalen bij haar liefde, over de bitterheid van den dood zegevieren. Haar oogen fonkelden, en haar borst zwoegde: verder in zee, nog verder—voorbij de punt van die landtong zou zij de branding ontmoeten, en geen spoor zou van haar overblijven.Nu zelfs zou zij het verleden niet ongedaan willen maken. Zij was er trotsch op hem te beminnen. Voor hem en met hem leven kon zij niet, maar zij kon voor hem sterven.“Geoffrey, hoor mij—ik sterf voor u; neem mijn offer aan en vergeet mij niet.” Zoo!—zij is in de branding. Hoe plechtig komen die golven, met hun witte kruinen, één voor één loeiend opzetten!Daar heft een zware golf het bootje omhoog, maar het drijft er op als een kurk. Zie! het daglicht verdwijnt op het land in de verte, maar de luister van de laatste zonnestralen blinkt nog op de zee. Weldra zal alles gedaan zijn. Hier is de wind sterk; hij rukt haar den hoed van het hoofd, maakt de opgebonden vlecht los, en zwierend hangen haar weelderige lokken langs haar hals en rug. Snerpend als zweepslagen, slaat het schuim haar in het gelaat. Neen, die golf nog niet, daar glijdt zij ook nog overheen. Maar die dáár komt overweldigend opzetten. O, zie! Geoffrey’s ring is van haar natte hand gegleden en op den bodem van het bootje gevallen. Kan zij hem terugvinden? Zij wilde sterven met dien ring aan haar vinger—’t is haar trouwring, die haar door den dood met Geoffrey verbindt. Zij bukt! De golf slaat over haar heen.“Geoffrey! hoor mij, Geoffrey!—ik sterf—ik sterf voor u! Ik zal u wachten op den bodem der zee—waar ook in het onbekend Hiernamaals zal ik op u wachten!”De boot zinkt—is gezonken—zij is alleen met God en het onmeedoogende water. Hoor het bruisen van die ziedende golf, die haar verzwelgt!“Geoffrey, mijn geliefde—ik zal wachten—”Vaarwel Beatrice! Het licht verdween van den hemel, duisternis daalde op de woelende zee. Vaarwel, Beatrice, en al haar liefde en al haar zonde!1Een afgodsbeeld der Hindoes, dat op een jaarlijks terugkeerend feest op een wagen wordt rondgereden, onder welks raderen dweepzieke Hindoes zich, in godsdienstige opgewondenheid, laten verpletteren.Vert.Hoofdstuk XXIX.De laatste woorden eener vrouw.Op den ochtend van dien dag, waarvan hij de eerste uren aan het Euston-station had doorgebracht, kwam Geoffrey tegen elf uur aan het ontbijt. Toen hij Effie niet zag, vroeg hij Lady Honoria waar zij was, en vernam dat Anne, de Franschebonne, gezegd had dat het kind niet wel was en haar in bed had gehouden.“Ge wilt toch niet zeggen dat ge niet naar boven zijt gegaan om te zien wat haar scheelt?” vroeg Geoffrey.“Neen, nog niet,” antwoordde zijn vrouw. “Ik heb de modiste bij mij gehad, met mijn nieuwe kleed voor het bal van morgenavond bij de hertogin; ’t is keurig, maar ik geloof dat er wat te veel van dieCrêmekant aan is.”Met een uitroep van wrevel, stond Geoffrey op, en ging naar boven. Hij vond Effie in haar bed heen en weer woelen, met een, rood gezichtje, wijdgeopende oogen en gloeiende handjes.“Laat dadelijk den dokter halen,” zeide hij.De dokter kwam, onderzocht het kind, en vroeg haar of zij ook onlangs natte voeten had gehad.“Ja, twee dagen geleden. Toen heb ik in een plas op straat mijn voeten nat gemaakt,” antwoorddeEffie. “Maar Anne zei dat ze wel gauw weer droog zouden worden, als ik ze maar bij het vuur hield, omdat mijn andere laarzen niet schoon waren. O, paatje, wat heb ik een hoofdpijn!”“Ah, zoo,” zeide de dokter, en na het kind toegedekt te hebben, nam hij Geoffrey ter zijde, en zeide hem dat zij een lichten aanval van longontsteking had. Er was geen reden tot ongerustheid, maar zij moest goed verzorgd en vooral tegen tocht vatten beschut worden.Geoffrey vroeg of hij een ziekenverpleegster zou moeten aannemen.“O, neen,” antwoordde de dokter. “Dat is, geloof ik, niet noodig, in allen gevalle nu niet. Ik zal de kindermeid zeggen wat zij te doen heeft, en ongetwijfeld zal uw vrouw wel een oog op haar houden.”Dus werdAnnegeroepen, die beloofde het lieve kind als haar oogappel te verzorgen. Neen, haar schoenen waren niet nat geweest—er was alleen maar een weinig, heel weinig, modder op geweest, anders niet.“Praat er zooveel niet over, maar pas haar zorgvuldig op,” zeide Geoffrey, die Anne niet recht vertrouwde. Hij nam zich echter voor, zelf toe te zien dat er niets verzuimd werd. Toen Lady Honoria hoorde wat het kind scheelde, werd zij wrevelig.“Wat zijn kinderen toch een groote last,” zeide zij. “Dat zij daar nu zoo opeens longontsteking moet krijgen! Het zal er nog op uitloopen dat ik morgenavond niet naar het bal van de hertogin zal kunnen gaan. En zij was er zoo vriendelijk op gesteld dat ik komen zou! Bovendien heb ik dat nieuwe kleed er opzettelijk voor gekocht. Voor niets anders zou ik ooit zooveel kosten gemaakt hebben.”“Wees waar niet ongerust,” zeide Geoffrey. “Het Lagerhuis houdt morgen geen zitting; ik zal haar weloppassen. Tenzij Effie in dien tusschentijd sterft, zult ge zeker wel naar het bal kunnen gaan.”“Sterven—wat een zottepraat! De dokter zegt immers, dat het een heel lichte aanval is. Waarom zou zij sterven?”“Ik hoop dat er geen vrees voor is, Honoria. Maar zij moet goed verzorgd worden. Ik vertrouw die Anne niet. Ik zou toch wel een ziekenverpleegster willen nemen.”“Als ge dat doet, zal zij buitenshuis moeten slapen. Amelia (Lady Garsington) komt van avond hier, en ik moet haar kamenier ergens bergen; en er is in Effie’s kamer geen plaats voor nog een ledekant.”“Nu ja, dat is alles goed en wel,” hernam Geoffrey, “en het zal, hoop ik, ook niet noodig zijn, maar als Effie erger wordt, zult ge er voor moeten zorgen dat er plaats gemaakt wordt.”Doch Effie werd niet erger. Zij bleef zoo al hetzelfde. Geoffrey zat den geheelen dag tehuis, en hield zich bezig met akten te lezen; gelukkig behoefde hij niet naar het Gerechtshof te gaan. Omstreeks zes uur ging hij naar het Lagerhuis, en hoorde een vervelende bespreking aan over het aannemen van de Welsche taal in de gerechtshoven van Wales.Eensklaps gevoelde hij een allerzonderlingste beklemdheid. Een onbeschrijfelijke angst greep hem aan, zijn ziel was vervuld van akelige voorgevoelens. Hij scheen te gevoelen dat er iets verschrikkelijks gebeurde. Zijn geest was verward, maar allengs werd het hem helderder en begon hij te begrijpen, dat een groot gevaar Beatrice bedreigde. Ja, daar was hij zeker van. De kreten, die zij in haar doodstrijd slaakte, bereikten hem waar hij was, hoewel in geen vorm, dien hij kon begrijpen; nog éénmaal, en voor de laatste maal, sprak haar ziel tot de zijne.Toen scheen plotseling een koude wind hem in ’t gelaat te blazen en door zijn haar te spelen, en alles was voorbij. Zijn geest was weder zooals even te voren; weder hoorde hij den vervelenden redenaar, en zag hij de leden heengaan, om te dineeren. Wat zijn geest geschokt had, was niet meer, alles was zooals het geweest was. Dat was ook niet vreemd, want de band was verbroken. Beatrice wasdood. Zij was in het rijk van ondoorgrondelijk stilzwijgen overgegaan.Met een diepen zucht richtte Geoffrey zich op, en terwijl hij dit deed, werd hem een brief overhandigd. Het adres was van Beatrice’s hand, en met het postmerk van Chester. Een huivering overviel hem. Wat zou die brief behelzen? Hij spoedde zich er mede naar een afzonderlijke kamer en brak de enveloppe open. De brief was uit Bryngelly op den vorigen Zondag gedateerd, en nog een paar andere brieven waren er bij ingesloten.“Geliefde Geoffrey,” begon hij, “ik heb u nooit te voren aldus op het papier toegesproken, en zou het ook nu niet doen, wetende in welk gevaar zulke geschreven woorden u zouden kunnen brengen,ware het niet dat er omstandigheden kunnen voorkomen (zooals in dit geval) die er toe schijnen te rechtigen. Want als alles uit is tusschen een man en een vrouw, die voor elkander zijn wat wij geweest zijn, dan is het goed dat degene, die heengaat, duidelijk spreekt, voordat spreken onmogelijk is, opdat degene, die overblijft, niet verkeerd zal begrijpen wat gedaan is.“Geoffrey, ’t is waarschijnlijk—’t is bijna zeker—dat eer deze woorden u onder de oogen komen, ik naar het lichaam zijn zal, waar zij mij nimmer weder kunnen zien. Ik schrijf u op den rand des grafs: als gij dit leest, zal het over mij gesloten zijn.“Geoffrey, dan zal ik dood zijn.“Ik heb uw dierbaren brief (die is nu vernietigd), waarin gij den wensch te kennen geeft dat ik met u naar een ander land zal gaan, ontvangen, en er met een paar woorden op geantwoord. Ik durfde mijzelve niet vertrouwen om meer te schrijven, en ik had er ook den tijd niet toe. Hoe kondet gij denken dat ik ooit zulk een aanbod om mijnentwil zou aannemen, daar het uw loopbaan bedorven zou hebben? Maar eerst zal ik u alles mededeelen wat hier gebeurd is.” (Nu volgde een lange en nauwkeurige beschrijving van het voorgevallene, waarmede wij reeds bekend zijn: hoe Beatrice door haar zuster beschuldigd was, welke bedreigingen Owen Davies tegen hem geuit had, en welke maatregelen zij genomen had om tijd te winnen.)“Hierbij,” luidde de brief verder, “sluit ik den brief van uw vrouw aan mij in. En ik wil er de verklaring bijvoegen, dat ik geen woord tegen Lady Honoria of haar brief heb aan te voeren. Ik geloof dat zij volkomen gerechtigd was om zoo te schrijven als zij gedaan heeft, want gij zijt toch, in allen gevalle, haar echtgenoot, en door elkaar te beminnen hebben wij tegen haar gezondigd. Terecht zegt zij mij, dat het mijn plicht is alle verdere gemeenschap tusschen ons onmogelijk te maken. Er is slechts één middel om dat te doen, en dat middel neem ik te baat.“En nu heb ik genoeg over mijzelve gesproken en ik wil niet in bizonderheden treden, die u slechts verdriet zouden kunnen doen.“Ik heb tegen alle lasterlijke praatjes voorzien door den tweeden brief, dien ik hierbij heb ingesloten, ingeval er een woord ten uwen nadeele gezegd mocht worden wanneer ik niet meer ben. Gij kunt die des noods laten drukken; hij is een voldoend antwoord op allen laster. Na dien brief gelezen te hebben, zal niemand kunnen gelooven dat gij met het ongeluk, dat gebeuren zal, in eenig verband hebt gestaan. Nog één woord maar—alweer over mijzelve! Meen niet dat gij er eenige schuld aan hebt, want gij zijt vrij van alle blaam; ik heb het uit vrijen wil gedaan, omdat ik het, door de omstandigheden tot het uiterste gedreven, beter achtte dat de een uit den weg geruimd en de ander gered werd, dan dat beiden in ’t verderf gestort werden.“Herinnert gij u nog wel dat zonderling visioen, dat ik had, toen ik droomde dat ge mijn borst aanraaktet en mij licht aanweest? Zoo is het ook gebeurd, want gij hebt mij liefde geschonken—dat is licht; en nu zal ik in den dood wijsheid zoeken. En dewijl ik u niet mag bezitten en alles in alles voor u zijn, ga ik met vreugde heen. Want hier op de wereld is rust noch geluk; evenals in mijn droom, schijnt de Hoop maar al te dikwijls haar sterrengewaad te verscheuren.“Ja, met vreugde verlaat ik zulk een wereld, waar ik slechts één geluk heb gevonden—de zegening van uw liefde. Ik ben afgemat van het strijden, en nu ik u heb verloren, verlang ik naar rust. Ik weet niet of het zonde is wat ik doe; zoo ja, moge het mij dan vergeven worden. Als vergiffenis onmogelijk is, zoo zij het dan! Gij zult mij vergeven, Geoffrey, en gij zult mij altijd liefhebben, hoe slecht ik ook zijn moge; zelfs wanneer gij ten laatste komt waar iknietben, zult gij de dwalende vrouw, voor wie gij alles in alles waart, gedenken en haar liefhebben. Wij zijn niet gehuwd, Geoffrey, volgens de gebruiken der wereld, maar over twee dagen zal de Dood de priester zijn, die ons plechtig voor eeuwig verbindt. Wie kan voorspellen wat niemand met zekerheid weet? En toch geloof ik, dat er voor zoo innig verwante zielen als de onze een wederzien in zalige vereeniging moet zijn. Als dat zoois, dan is het waard er voor geleefd te hebben en gestorven te zijn; zoo niet, dan, Geoffrey, vaarwel!“Als gij den nachtwind hoort suizen, hoor er dan mijn stem in; als gij naar de sterren opziet, zie er mijn oogen in; en mijn liefde zal de lucht zijn, die gij inademt. O, wat heb ik u nog veel te zeggen, dat ik niet onder woorden kan brengen! Maar als gij ooit iets hoort of leest, dat schoon en teeder is, denk dan: ‘Dit is het, wat Beatrice mij had willen zeggen en het niet kon.’“Gij zult een groot man worden, de grootste of een der grootsten van uw tijd. Gij hebt mij reeds beloofd daarin te volharden tot het einde; ik vraag u niet het opnieuw te beloven. Vergenoeg u niet de wereld te nemen zooals zij is. Een vrouw moet dat wel; maar groote mannen hervormen de wereld. En als gij het tot grootheid gebracht hebt, Geoffrey, zult gij, dat weet ik, uw macht en invloed gebruiken, niet tot uw eigen belang, maar tot edele en grootsche doeleinden; het zal uw streven zijn de armen te helpen, de verdrukten van hun juk te bevrijden, en de eer van uw land te bevorderen. Dat alles zult gij doen uit uw eigen hart, niet omdat ik het van u verlang, maar bedenk dat uw roem mijn beste gedenkteeken zal zijn.“Vaarwel, vaarwel! O, Geoffrey, geliefde, vergeet mij niet in de lange jaren, die komen zullen. Vergeet mij niet, als anderen u vleien en uw liefde trachten te winnen, want nimmer kan iemand voor u zijn wat ik voor u geweest ben—niemand kan u ooit zoo liefhebben als uw verloren Beatrice, die u deze afscheidswoorden schrijft en u met haar laatsten ademtocht zegent.”Nu volgde er een postscriptum in potlood, van het Paddington-station op dienzelfden ochtend gedateerd.“Ik ben naar Londen gereisd om u te zien, Geoffrey. Ik kon niet sterven zonder uw gelaat nog eenmaal aanschouwd te hebben. Ik was in de galerij van het Lagerhuis, en heb uw schoone redevoering gehoord. Uw vriend heeft mij een plaats bezorgd. Later zijt gij mij strijkelings langs den pilaar bij den uitgang voorbijgegaan. Toen liep ik weg, omdat ik bespeurde dat uw vriend omzagen naar mij keek. Ik zal dezen brief kussen—hier, aan het slot—druk er daar ook een kus op—dat is onze laatste, koude omhelzing. Voordat ik een einde aan mijn leven maak, zal ik den ring, dien ge mij gegeven hebt, aan mijn vinger steken. Ik heb hem altijd op mijn hart gedragen. Toen ge mij aan den uitgang zoo dicht voorbijkwaamt dat ik uw jas aanraakte, dacht ik dat ik neergezegen zou zijn, en kon ik mij nauwelijks weerhouden u toe te roepen—maar ik vond de kracht om het niet te doen. Mijn hart breekt, en mijn oogen zijn door tranen verblind; ik kan niet meer schrijven; ik heb niets meer te zeggen. Nogmaals, vaarwel!Ave atque vale!—B.”De tweede brief was bestemd om te figureeren als een, zooals ieder jong meisje aan een heer, die een vriend van haar was, geschreven zou hebben. Hij begon: “Waarde mijnheer Bingham,” en eindigde: “Uw dienstwillige Beatrice Granger”; hij behelsde niets anders dan beuzelachtigheden, en gaf de hoop te kennen dat hij later in den zomer nog eens te Bryngelly zou komen, om samen een roeitochtje te doen.Het sprak vanzelf, dacht Beatrice, dat wanneer Geoffrey door Owen Davies of een ander beschuldigd mocht worden van iets met haar geheimzinnig uiteinde te maken te hebben, zulk een epistel, twee dagen te voren geschreven, de ongerijmdheid van zulk een denkbeeld zou bewijzen. Die arme Beatrice, zij was vol voorzorgen!De indruk, dien deze verbazende en hartverscheurende brief op Geoffrey maakte, laat zich niet beschrijven. Als Beatrice zijn gelaat had kunnen zien, nadat hij hem gelezen had, zou zij geen zelfmoord begaan hebben. In een oogenblik was het als dat van een oud man geworden. Toen de geheele waarheid hem voor den geest stond, was hij aan zulk een foltering van ontzetting, wroeging en wanhoop ter prooi, dat hij een gevoel had alsof zijn levenskrachten er onder bezwijken zouden, en hij op dit oogenblik zou sterven, wat hem het wenschelijkst geweest zou zijn. O, welk een verschrikkelijk denkbeeld dat dit geliefde meisje zich voor hem,een sterk man, den dood in de armen had geworpen! Hoe zielsfolterend was het, zich haar voor te stellen achter dien pilaar verscholen, toen hij haar strijkelings voorbijkwam, terwijl hij, driewerf vervloekte dwaas, er niets van wist voordat het te laat was; te weten dat hij haar ontmoet zou hebben, als hij, in plaats van naar Euston, naar Paddington was gegaan! Die liefde, zoo verheven in haar kracht, was dan nu voor altijd voor hem verloren—dat dierbaar gelaat zou hij nooit weer zien! O, zijn hart zou breken! Dat was niet te verduren!En die laaghartigen, die haar er toe gedreven hadden om den dood te zoeken! O, hij zou dien Owen Davies dooden—en Elisabeth ook, als zij geen vrouw was, en wat Honoria betrof, met haar had hij afgedaan. Schandaal—wat gaf hij om schandaal? Als hij zijn zin had, zou er juist schandaal zijn, want hij zou dien Owen Davies verslaan, dat ondier, dat zich niet ontzien had een vrouw angst aan te jagen om het bevredigen van zijn wellust te bevorderen—ja, hij zou hem naar het vasteland sleepen en hem daar dooden. Wraak was het eenige, wat hem overbleef!Halt! hij moest niet aan die eerste indrukken toegeven—misschien was zij niet dood—misschien was dat akelig voorgevoel, dat hem nog vóór de ontvangst van den brief bestormd had, niet anders dan een droom geweest. Kon hij telegrafeeren? Neen, het was te laat; het bureau te Bryngelly zou gesloten zijn—het was nu over achten. Maar hij kon er heen gaan. Even over negenen ging er een trein—hij kon er den volgenden ochtend te half zeven zijn. Maar Effie was ziek—welnu, voor vier-en-twintig uur zou zij wel oppassing hebben; zij was in geen gevaar, en hij moest gaan—die folterende spanning kon hij niet uithouden. O, als zij het werkelijk gedaan had!Geoffrey nam een vel papier en beproefde te schrijven. Hij kon het niet, zijn hand beefde te zeer. Met een kermenden zucht stond hij op, ging naar de ververschingkamer en dronk twee glazenbrandyachter elkaar leeg. Het geestrijk vocht had uitwerking op hem; nu kon hij schrijven. Snel krabbelde hij op een vel papier:“Ik ben wegens een zaak van gewicht uit de stad geroepen, en zal waarschijnlijk niet vóór Donderdagochtend terugkomen. Zorg dat Effie goed wordt opgepast. Als ik niet terug ben, moet gij niet naar het bal van de hertogin gaan.“Geoffrey Bingham.”Toen adresseerde hij den brief aan Lady Honoria, en liet hem door een bode bezorgen. Daarna riep hij eencabaan, en beval den voerman zoo snel als zijn paard loopen kon naar Euston te rijden.Hoofdstuk XXX.Ave atque vale.De verschrikkelijke reis—geen nachtmerrie was ooit zoo akelig—was eindelijk afgeloopen; daar was het station van Bryngelly. Geoffrey sprong den trein uit en gaf zijn kaartje af, daarbij den spoorwegbeambte, die het aannam, in het gelaat ziende. Als er een treurig voorval had plaats gehad, zou de man het geweten hebben, en er op zijn gelaat wel iets van die half verblijde uitdrukking dat er een akelig geheimzinnig nieuwtje te vertellen was, te lezen zijn geweest. Maar geen teeken was daarvan te bespeuren, en dit wekte weer een schemering van hoop in Geoffrey’s gefolterd hart.Hij verliet het station, en liep snel naar de pastorie, in een gemoedstoestand, zooals alleen zij kunnen beseffen, die de spanning van onzekerheid in de hoogste mate harer verschrikkelijkheid kennen. Maar spoedig kwam er een einde aan. Toen hij aan het hek van de pastorie was, kwam de dikke Welsche dienstmaagd Betty hem haastig te gemoet. Nu verloor Geoffrey alle hoop.De dienstmaagd herkende hem, en in haar verwarring scheen zij in ’t minst niet verwonderd te zijn hem daar op een zomerochtend, kwartier vóór zevenen, te zien. Zelfs bracht zij Geoffrey eenigszins met Beatrice in verband, want dadelijk zeide zij:“O, mijnheer, weet gij ook waar Miss Beatrice is?”“Neen,” riep hij, zich tot steun aan het hek vastgrijpende. “Waarom vraag je dat? Ik heb haar in geen weken gezien.”Nu deed Betty een lang verhaal. Mijnheer Granger en Miss Elisabeth waren van huis, en zouden eerst over twee uren terugkomen. Miss Beatrice was gisterennamiddag uitgegaan en niet thuisgekomen om thee te drinken. Daar was Betty niet ongerust over geweest, meenende dat zij ergens den avond doorbracht, en omdat zij zeer vermoeid was, had zij niet op haar gewacht, maar was om acht uur naar bed gegaan en had de deur niet op slot gedaan. Toen zij dien ochtend opstond, zag zij dat Miss Beatrice dien nacht niet thuis geslapen had, en nu ging zij haar zoeken.“Waar ging zij heen, toen zij uitging?” vroeg Geoffrey.Dat wist Betty niet, maar zij dacht dat Miss Beatrice was gaan roeien. Zij had, ten minste, haartennis-schoenen aangedaan, wat zij altijd deed als zij uit roeien ging.Nu begreep Geoffrey het maar al te wel. “Ga mee naar het schuitenhuis,” zeide hij.Zij gingen naar het strand, waar op dit uur nog niemand was, behalve eenige werklieden. Bij het schuitenhuis ontmoetten zij den ouden Eduard, die daar met een sleutel in de hand liep.“Mijn Hemel, mijnheer!” zeide hij. “Gij hier! Wat komt gij hier zoo vroeg doen?”“Is Miss Beatrice gisterenavond met haar bootje uit geweest?” vroeg Geoffrey, met een heesche stem.“Neen, mijnheer, zoover ik weet, niet. Mijn zoon heeft gisterenavond het schuitenhuis gesloten, en hij zal er wel eerst in gekeken hebben. Wat! Gij bedoelt toch niet—Wacht, we zullen het dadelijk weten. O, God! het bootje is weg!”Een akelig stilzwijgen volgde hierop. De oude Eduard brak het af.“Zij is verdronken, mijnheer,—ja, zoo is ’t,—ik heb wel gezegd dat het daar eenmaal toe komen zou! Verdronken—zij, het mooiste en liefste meisje in heel Wales! En dat alleen door dat vervloekte, wrakke ding. God helpe haar! Verdronken is zij, zeg ik—”Op die woorden barstte Betty in een luid geween uit.“Stil, meisje,” zeide Geoffrey, zijn bleek gelaat naar haar toe wendende. “Ga naar de pastorie terug, en als mijnheer Granger thuiskomt, zeg hem dan wat wij vreezen. Eduard, laat eenige mannen langs de kust tusschen hier en Coed zoeken en eenige anderen in een zeilboot. Ik zal naar de Bel-Rots loopen—gij kunt mij volgen.”Met snelle schreden liep hij langs het strand, vorschend op de zee starende. In somber stilzwijgen schreed hij voort—wanhopig trachtende tegen alle hoop in nog te hopen—deDog-Rocksvoorbij, de lange bocht van het strand om, totdat hij aan het Amphitheater kwam. De vloed was nog hoog; hij kon het vooruitstekende punt nauwelijks voorbij. Toen hij daar omheen was, bleef hij verstijfd van ontzetting staan. Want daar, met den bodem naar boven gekeerd, en door de golven heen en weer gewiegd, lag het bootje van Beatrice.Verslagen, hopeloos, waadde Geoffrey tot aan de knieën door het water, greep den boeg van het bootje, en sleepte het op het strand. Er scheen niets in te zijn; natuurlijk kon hij ook niets anders verwachten. Zij, die er in had gezeten, was gezonken en door de eb meegevoerd, terwijl het bootje met den ochtendvloed was meegedreven.Hij zette het overeind, om het water er uit te laten loopen, en uit de holte van den boeg rolde iets blinkends, door een bruin voorwerp gevolgd. Snel liet hij het bootje zakken en raapte het blinkende kleine voorwerp op. Het was zijn eigen ring—den Romeinschen ring, dien hij Beatrice had gegeven, en dien zij hem in den brief gezegd had in haar doodsuur te zullen dragen. Hij raakte den ring met zijn lippen aan en stak dien aan zijn vinger, zwerende dat hij dit aandenken van de geliefde doode in zijn levenniet zou afleggen en dat het na zijn dood met hem begraven zou worden.Ave atque vale—dat waren de woorden, die er ruw in gegraveerd stonden. Gegroet en vaarwel—haar laatste woorden aan hem! O, Beatrice! aan u ookave atque vale. Gij hadt geen gepaster boodschap kunnen zenden. Gegroet en vaarwel! Was daarin niet alles opgesomd? In den cirkel van dien kleinen ring was geheel het menschelijk leven samengevat: hier was het begin en het einde van Liefde en Haat, van Hoop en Vrees, van Vreugde en Droefheid.En wat was dat andere overblijfsel? Hij nam het op—het was haartennis-schoen, die van haar voet was gespoeld.Door aandoening overstelpt, wierp Geoffrey zich snikkend op de rots neder—die rots, waar hij met haar had gezeten, toen de Hemel voor hun oogen geopend was. Maar zulk betoon van aandoening ligt niet in den aard van een man, en gelukkig duurde die vlaag van hartstochtelijkheid niet lang. Dat had hij ook niet kunnen uithouden.Hij stond op en liep het strand weder langs. Juist kwam de oude Eduard met zijn zoon aan. Geoffrey wees naar de boot, en hield het schoentje omhoog.“Ach,” zeide de oude man, “zooals ik wel dacht! Zij is verdronken; zij ligt nu twintig mijlen ver, en de zeemeeuwen krijschen boven haar. Dat komt door dat ellendige bootje. Ik wou dat ik het maar lang geleden had stukgeslagen. Ik had wel voor niet een nieuw bootje voor haar willen maken. Dat vervloekte wrakke ding!” riep de oude man, het hoofd afwendende, om de tranen, die langs zijn verweerd gelaat vloeiden, te verbergen. “Daar, verwenschte notedop!” En hij nam een rotsblok op, en wierp het met al zijn kracht door den bodem van het bootje. “Je zult niemand meer verdrinken. Maar u heeft het geluk aangebracht, mijnheer; gij zult uw leven lang fortuin hebben. Het heeft uden schoen van een drenkelinggebracht.”“Breek het niet verder,” zeide Geoffrey. “Zij hechtte er waardeaan. Brengt het liever tusschen u beiden weg—het kan misschien noodig zijn. Ik ga naar de pastorie.”Hij liep terug. Granger en Elisabeth waren nog niet thuisgekomen, maar zij werden elk oogenblik verwacht. Hij ging naar de huiskamer. Die was vol herinneringen aan Beatrice. Daar lag een roman, dien hij haar gegeven had, en daar was het blad van den vorigen dag, dat zij uit Londen had medegebracht, deStandard, waarin zijn redevoering stond.Geoffrey hield de hand voor zijn oogen, en dacht na. Niemand anders dan hij wist dat zij zelfmoord begaan had. Als hij daar bekendheid aan gaf, zou er het een en ander van haar gezegd worden; wat van hem gezegd werd, was hem onverschillig; maar haar goede naam moest niet geschonden worden. Er zou, bij voorbeeld, gezegd kunnen worden dat het geheele verhaal waar was, en dat Beatrice gestorven was, omdat zij niet langer, aan openlijke schande blootgesteld, kon leven. Ja, hij deed beter er van te zwijgen hoe en waarom zij gestorven was. Zij was dood—niets kon haar in het leven terugroepen. Maar hoe dan moest hij zijn aanwezigheid hier verklaren? Gemakkelijk genoeg. Hij zou ronduit verklaren dat hij gekomen was, omdat Beatrice hem geschreven had, welke beschuldigingen tegen haar ingebracht waren, en waarmede hij bedreigd was—en dat hij haar dood gevonden had. En daarover had hij een woord met Owen Davies en Elisabeth te spreken.Nauwelijks had hij dit besluit genomen, of Elisabeth en haar vader kwamen binnen. Het was hun duidelijk aan te zien, dat zij nog niets gehoord hadden.Geoffrey stond op, en Elisabeth zag hem staan met fonkelende oogen en een doodsbleek gelaat. Zij deinsde van schrik terug.“Wat brengt u hier, mijnheer Bingham?” vroeg zij, met haar schelle stem.“Kunt gij dat niet vermoeden, Miss Granger?” zeide hij, op strengen toon. “Eenige dagen geleden hebt gij zekere beschuldigingen uitgebracht tegen uw zuster en mij, in tegenwoordigheid van uw vader en mijnheer Owen Davies. Die beschuldigingen zijnmij medegedeeld, en ik ben gekomen om er op te antwoorden en er voldoening voor te vragen.”Granger dribbeldezenuwachtigheen en weer, met een gezicht alsof hij wel had willen wegloopen, maar Elisabeth deed, met karakteristieken moed, de deur dicht, en trotseerde den storm.“Ja, ik heb die beschuldigingen ingebracht, mijnheer Bingham,” zeide zij, “en zij zijn waar. Maar, wacht, wij moesten liever eerst Beatrice laten roepen.”“Gij kunt haar laten roepen, maar gij zult haar niet vinden.”“Wat bedoelt gij daarmede—wat wil dat zeggen?” vroeg haar vader ongerust.“Het wil zeker zeggen, dat hij haar ergens verborgen heeft,” zeide Elisabeth, met een hoonenden glimlach.“Het wil zeggen, mijnheer Granger, dat uw dochter Beatricedoodis.”Ditmaal verloor Elisabeth haar zelfbeheersching en kon een kreet van schrik niet bedwingen, terwijl haar vader tegen den wand achteruit waggelde.“Dood! dood! Wat bedoelt gij? Hoe is zij gestorven?” vroeg hij.“Dat is God en haar alleen bekend,” antwoordde Geoffrey. “Zij is gisterenavond in haar bootje uitgegaan. Toen ik hier van ochtend aankwam, werd zij voor ’t eerst vermist. Ik heb langs het strand geloopen en haar bootje ’t onderste boven gevonden,” en hij legde den doorweekten schoen op de tafel.Nu ontstond er een diep stilzwijgen, te midden waarvan Owen Davies met woesten blik en verwarde haren de kamer binnenstormde.“Is het waar?” riep hij uit; “zeg het mij—het kan niet waar zijn dat Beatrice verdronken is. Zij kan mij niet ontnomen zijn, juist nu zij met mij zou trouwen. Zeg dat het niet waar is!”Geoffrey’s bloed kookte. Hij liep de kamer door, deed de deur op slot, en bleek van woede en met vlammende oogen greep hij Owen Davies bij de schouders als in een schroef.“Gij, vervloekte schurk—lage hond!” barstte hij los, “gij en die slechte vrouw,” en hij schudde zijn vuist tegen Elisabeth, “hebtsamengespannen om een smet op Beatrice te werpen. Gij hebt nog meer gedaan; gij hebt gedreigd mij aan te vallen, te beproeven mij in ’t verderf te storten, als zij zich niet aan u wilde overgeven. Verfoeilijke huichelaar, gij hebt haar gekweld en haar schrik aangejaagd; nu ben ik hier omuschrik aan te jagen. Gij hebt gezegd dat gij het land van uw lastertaal zoudt doen weergalmen. Maar dit zeg ik u—luistert gij naar mij?—als gij het waagt haar naam in zulk een beteekenis te noemen, of als die vrouw het waagt, zal ik alle beenderen in uw ellendig lichaam stukslaan—bij den Hemel, ik zal u dooden!” En hij stiet Davies van zich, en terwijl hij dit deed, gaf hij hem met den rug van zijn hand een slag in ’t aangezicht.De man nam geen notitie van de woorden, of van de doodelijke beleediging van den slag.“Is het waar?”schreeuwdehij uit; “is het waar, dat zij dood is?”“Ja,” zeide Geoffrey, hem volgende en zijn rijzige gestalte over hem heen buigende, want Davies was tegen den wand nedergevallen, “ja, ’t is waar—zij is dood—en voor altijd buiten uw bereik. Bid God dat gij allen niet eenmaal haar moordenaars genoemd moogt worden—schaamtelooze laaghartigen!”Owen Davies slaakte een schellen kreet en zonk als een zoutzak op den grond ineen.“Er is geen God,” kermde hij; “God had haar mij beloofd—zij zou de mijne worden—gij hebt haar gedood; gij—gij hebt haar eerst verleid, en toen hebt gij haar gedood. Ik geloof dat gij haar gedood hebt. O, ik zal nog krankzinnig worden!”“Krankzinnig of niet,” zeide Geoffrey, “zeg deze woorden nog eens, en ik trap u het leven uit uw lijf, zooals gij daar ligt. God had haar u beloofd, durft gij zeggen—dat meisje beloofd aan zoo’n hond als gij zijt! Ha, neem u in acht!”Owen Davies gaf geen antwoord. Daar, op den grond nedergehurkt, wiegde hij zich heen en weder, kermend in den waanzin van teleurgestelde begeerte.“Die man,” hernam Geoffrey, zich tot Elisabeth wendende, diehem uit een hoek van de kamer aangluurde als een wilde kat, “zegt dat er geen God is. Ik zeg dat er een God is, en dat eenmaal, vroeg of laat, Zijn wraak u zal treffen—moordenares, schrijfster van naamlooze brieven; gij, die, om uw eigen booze oogmerken, wat die ook zijn mogen, te bevorderen, u niet geschaamd hebt den naam van uw onschuldige zuster door het slijk te sleuren. Ik heb tot dusverre nooit aan een hel geloofd, maar er moet een hel zijn, Elisabeth Granger, voor dezulken als gij. Ga uws weegs; leef uw tijd uit; maar leef ieder uur in vrees en beving voor de wraak, die u eenmaal zoo zeker treffen zal als gij sterven zult.“En wat u betreft, mijnheer,” ging hij voort, den bevenden vader toesprekende, “u laak ik niet zoo sterk, omdat ik geloof dat die adder uw gemoed vergiftigd heeft. Gij hebt misschien geloofd dat het vertelsel waar was. ’t Is niet waar; het was een leugen. Beatrice, die nu dood is, kwam in haar slaap in mijn kamer, en werd er uitgedragen zooals zij er was ingekomen. En gij, haar vader, hebt dien ellendeling en uw dochter van haar verlegenheid gebruik laten maken als een hefboom om haar te dwingen tot een huwelijk, dat zij verfoeide. Ja, wel moogt gij uw gelaat bedekken. Doet allen het ergste wat gij wilt, maar bedenkt dat gij ditmaal te doen hebt met een man, die terug weet te slaan, en niet met een weerloos meisje.”“Bij den Hemel, het was mijn schuld niet, mijnheer Bingham,” bracht de oude man stamelend uit. “Ik ben er onschuldig aan. Die vrouwelijke Judas, Elisabeth, heeft haar zuster verraden, omdat zij zelve met hem wilde trouwen;” en hij wees naar de ineengezonken gedaante op den vloer. “Zij dacht dat het hem tegen Beatrice zou bevooroordeelen, en hij—hij meende dat zij aan u gehecht was, en op die gehechtheid wilde hij werken.”“Zoo,” zeide Geoffrey, “nu hebben wij het. En gij, mijnheer, stondt er bij en zaagt toe, omdat gij meendet van haar zielsangst voordeel te kunnen trekken. Nu zal ik u zeggen, wat ik voornemens was geweest verzwegen te houden. Ik beminde haar. Ja, ik beminde haar—evenals zij mij beminde. Ik verklaar dat gij te zamenhaar den dood te gemoet hebt gedreven. Haar bloed kome over uw hoofd, voor altijd en eeuwig!”“O, breng mij naar huis!” jammerde de zoutzak op den vloer—“breng mij naar huis, Elisabeth! Ik durf niet alleen gaan. Beatrice’s schim zal mij vervolgen. Mijn hoofd draait om en om. Breng mij weg, Elisabeth, en blijf bij mij. Gij zijt niet bang voor haar, gij zijt voor niets bang.”Elisabeth kwam hem te hulp, met een nijdigen blik op Geoffrey. Zij was verschrikt en totaal verslagen, maar toch kon zij nog nijdig zien. Zij nam den jammerenden zoutzak bij de hand, en trok hem de kamer uit. Zij bracht hem naar zijn kasteel en zijn rijkdom. Zes maanden later kwam zij met hem voor den dag, om met hem te trouwen, zoo half krankzinnig als hij was. Een jaar en acht maanden daarna werd hij naar zijn laatste rustplaats gebracht, en was zij de rijkste weduwe in Wales.Maar in haar borst lag de kiem van een doodelijke ziekte.Nog geen drie maanden nadat zij van hem bevrijd was, stierf Elisabeth ook, en de rijkdom ging in andere handen over.Geoffrey en Granger bleven alleen. De oude man leunde met het hoofd op de tafel en weende bitterlijk.“Heb medelijden,” zeide hij, “zeg zulke woorden niet tegen mij. Ik had haar werkelijk lief, maar tegen Elisabeth was ik niet bestand, en ik ben zoo arm. O, als gij haar ook liefhadt, heb dan medelijden! Ik maak er u geen verwijt van dat gij haar liefhadt, hoewel gij er het recht niet toe hadt. Als gij geen liefde voor haar hadt opgevat en niet gemaakt hadt dat zij die liefde beantwoordde, zou dit alles niet gebeurd zijn. Waarom zegt gij zulke verschrikkelijke dingen tegen mij, mijnheer Bingham?”“Ik had haar lief,” antwoordde Geoffrey, op zachten toon, nu zijn woede voorbij was, “omdat men een meisje zooals zij was niet kon zien zonder haar lief te hebben. Op de geheele wereld is haars gelijke niet te vinden. Maar wie ben ik, dat ik u zou laken? God vergeve ons allen! Voortaan leef ik in de hoopdat ik haar daar, waarheen zij gegaan is, moge wedervinden.”Beiden bewaarden daarop eenige oogenblikken het stilzwijgen.“Mijnheer Granger,” hernam Geoffrey, “wees nooit bekommerd over geldzaken. Gij waart haar vader; wat gij noodig hebt, en waar ik in voorzien kan, zult gij hebben. Laten wij elkaar de hand geven, en afscheidnemen om elkaar nooit weer te zien. Zooals ik gezegd heb, God vergeve ons allen!”“Dank u—dank u,” zeide de oude man, door het witte haar heen, dat over zijn oogen viel, opziende. “Het is een zonderlinge wereld, en wij zijn allen ellendige zondaars. Ik hoop dat er ergens een betere wereld is. Deze ben ik bijna moede, vooral nu Beatrice er niet meer is. Arm meisje, zij was een goede, lieve dochter! Vaarwel! Vaarwel!”Toen ging Geoffrey heen.
Hoofdstuk XXVIII.Ik zal op u wachten.Beatrice reed naar Paddington terug, en hoewel haar gelaat strak en bleek als marmer bleef, vloeiden er groote tranen, één voor één, langs haar wangen.Aan het station gekomen, betaalde zij den voerman van haarweinigenog overgebleven shillings—omdat zij een vreemdeling was, wilde hij niet minder dan een halve kroon aannemen. Toen, zonder acht te slaan op den verbaasden blik van den nachtportier, liep zij de wachtkamer binnen en ging zitten. Eerst haalde zij den brief te voorschijn en voegde er eenige regels met potlood bij; maar zij deed hem nog niet op de post, want zij wist dat hij dan te spoedig aan zijn adres zou komen. Toen leunde zij met het hoofd tegen den wand en viel van afgematheid in slaap—haar laatste slaap hier op aarde, vóór den langsten slaap van alle.En zoo wachtte en sliep Beatrice te Paddington, terwijl haar minnaar te Euston wachtte en waakte.Omstreeks vijf uur werd zij wakker, en al de smartelijke gedachten aan het verleden, het tegenwoordige en de toekomst bestormden haar hart. Zij liep de ledige straat op, en op een opene ruimte tusschen de huizen zag zij de zon opgaan. Het was de laatste zonsopgang, dien zij zou aanschouwen.Toen zij op het station terugkwam, was de restauratiekamer open; daar trad zij binnen, en na zich met een kop koffie en een stuk brood ververscht te hebben, nam zij haar plaatskaartje niet naar Bryngelly of naar Coed, maar naar het station aan deze zijde van Bryngelly en drie mijlen er van af. Daar zou zij minder gevaar loopen van opgemerkt te worden. De trein werd in het spoor gebracht. Juist toen zij was ingestapt, kwam er een krantenjongen geeuwend aanloopen. Beatrice kocht een nummer van denStandard, en sloeg het open bij het blad waar de hoofdartikelen in stonden. Het eerste begon: “De krachtige, kernachtige en welsprekende redevoering, door den heer Bingham, het lid voor Pilham, gehouden, zal voorzeker van evenveel uitwerking op het geheele land zijn als zij op het Lagerhuis was. Wij verwelkomen haar niet alleen om haar waarde als een bijdrage tot de polemiek over de Iersche Kwestie, maar als een afdoend bewijs van wat reeds vermoed is, dat de Unionistische partij in den heer Bingham een jong staatsman van hooge begaafdhedenbezit, wiens uitgebreide rechtsgeleerde praktijk hem niet, zooals maar al te dikwijls het geval is, in den weg staat op het geestinspanning vereischende en ruime arbeidsveld der politiek.”Evenzoo ging het voort. Beatrice legde het blad met een zegevierenden glimlach neder. Geoffrey’s roem was gevestigd. De geheele lange reis door, streelde zij haar verbeelding door zich het eene beeld voor, het andere na voor den geest te roepen van die toekomst, waaraan zij geen deel zou hebben. Maar hij zou haar toch niet vergeten; daar was zij zeker van. Haar herinnering zou hem tot het einde van zijn leven bijblijven, en soms zou hij denken hoe trotsch zij zijn zou, als zij getuige van zijn zegepralen had kunnen zijn. Ach, zij bedacht niet dat, wanneer alles verloren is wat het leven schoon kan maken, wanneer de zon voor ons ondergegaan is en het duister in onze ziel is geworden, de glans van onze kleine zegepralen slechts den verdwenen luister kan vergoeden! Geluk en tevredenheid zijn teere planten, die licht en lucht moeten hebben om te kunnen bloeien. Zij gedijen niet in donkere schaduwen, en als het hart dood is, kunnen geen zegepralen, hoe schitterend ook, tegen het onherstelbaar verlies opwegen. Het arme meisje vermoedde niet dat Geoffrey, in de jaren, die komen zouden, gaarne al zijn roem en onderscheiding gegeven zou hebben voor één maand van haar dierbare, onvergetelijke tegenwoordigheid. Zij had een te geringen dunk van zichzelve; zij dacht niet dat een man aldus op de liefde van een vrouw prijs kon stellen, en hield het voor een uitgemaakte zaak dat tegenover zijn streven, om het doel zijner eerzucht te bereiken, zulk een schat als Beatrice Geoffrey geschonken had, niets beteekende. Dit was de wagen van Jaggernaut1op zijn loopbaan, waaraan Beatrice haar leven ten offer wilde brengen, niet wetende dat daardoor al de eer en onderscheiding, die hij reeds zoo weinig telde, bitterheid en asch moest worden.Te Chester stapte Beatrice uit den trein, en deed haar brief aan Geoffrey op de post. Dat had zij niet vroeger willen doen, omdat die hem niet in handen moest komen voordat alles gedaan was. Zij wierp een blik op den brief,—het laatste teeken, dat ooit op aarde tusschen hen gewisseld kon worden. Eenmaal drukte zij den brief aan haar hart, eenmaal raakte zij hem met haar lippen aan, en toen stak zij hem onherroepelijk in de bus. Nu was er geen terugtreden meer. En terwijl zij daar nog stond, kwam de postbeambte fluitend aan, opende de bus onverschillig, en stak den inhoud in zijn linnen zak. Als hij geweten had wat daaronder was, zou hij den geheelen dag niet meer gefloten hebben.Beatrice zette haar reis voort, en tegen drie uur was zij aan het kleine station bij Bryngelly. Het was dien dag kermis te Coed, en vele boeren en boerinnen gingen daarheen en stapten hier op den trein. Te midden van die drukte werd zij niet opgemerkt. Niemand in de nabuurschap van Bryngelly wist zelfs, dat Beatrice heen en terug naar Londen was geweest.Zij liep langs de rots om, en binnen een uur was zij aan de deur van de pastorie, waaruit het haar toescheen jaren lang afwezig te zijn geweest. Zij ontsloot de deur en trad binnen. In de brievenbus vond zij een briefkaart van haar vader, meldende dat hij en Elisabeth van plan veranderd waren, en niet terug zouden zijn vóór den volgenden ochtend met den trein, die te half negen aankwam. Des te beter, dacht zij. Toen haalde zij de lakens op haar bed om, alsof het beslapen was geweest, legde in de keuken vuur aan,zetteden ketel er op, om water te koken, en gebruikte wat voedsel. Zij had al haar kracht noodig en zonder voedsel kon zij die niet ophouden.Kort daarna kwam Betty, de dienstmaagd terug, en ging aan haar werkzaamheden, onbewust dat Beatrice den geheelen nacht afwezig was geweest. Haar zusje was veel beter, antwoordde zij op Beatrice’s vragen.Na, voor zooverre zij kon, iets gegeten te hebben—het was niet veel—begaf Beatrice zich naar haar kamer, ontkleeddezich, baadde zich, en trok andere kleeren aan. Toen maakte zij haar vlechten met zorg op, juist zooals zij het haar had gedragen op dien namiddag toen zij Geoffrey voor ’t eerst had ontmoet. Een zonderling verlangen scheen haar te bezielen om er op dezen dag, nu zij het leven vaarwel zeide, op haar voordeeligst uit te zien. Na zich gekleed te hebben, nam zij den zilveren Romeinschen ring, dien Geoffrey haar gegeven had, van het snoer, waaraan zij hem om haar hals droeg, en stak hem aan den derden vinger van haar linkerhand.Toen zij dit alles gedaan had, ging Beatrice naar de keuken en bestelde het avondeten. In haar onschuldige geslepenheid, ging zij nog verder. Betty vroeg haar wat zij voor haar ontbijt wilde hebben, en zij zeide haar dat zij maar wat spek moest koken, en opletten hoe zij het sneed, omdat zij niet van dik spek hield. Na een langen, laatsten blik op de pastorie geslagen te hebben, ging zij naar de woning van de hoofdonderwijzeres, om over het schoolwerk van dien dag te spreken.Beatrice zeide haar dat zij had besloten in zekere lessen een verandering te brengen. De Woensdagsche rekenles was tot dusverre vóór de taalles geweest. Dat wilde zij juist andersom hebben, en daar gaf zij haar redenen voor op. De hoofdonderwijzeres was het met haar eens, en Beatrice gaf haar de hand en wenschte haar goeden avond. Zij had haar wel willen bedanken voor haar hulp in de school, maar met het oog op hetgeen er gebeuren zou, deed zij dat maar niet, omdat het licht vermoeden zou kunnen wekken.Arme Beatrice, dat waren de eenige leugens, waaraan zij zich ooit schuldig had gemaakt!Zij verliet de woning van de onderwijzeres, en wilde juist naar het strand gaan, om daar te zitten totdat het tijd was, toen de vader van het arme krankzinnige kind, Jane Llewellyn, haar te gemoet kwam.“O, Miss Beatrice,” zeide hij, “ik heb u overal gezocht. Wij zijn zoo in naarheid, juffrouw. Jane heeft weer een aanval vanrazernij en spreekt over de hel en zoo wat, en de dokter zegt dat zij sterft. Kunt gij komen, juffrouw, en zien of gij iets doen kunt om haar tot bedaren te brengen? De dokter zegt dat het een zaak van leven of dood is.”Beatrice glimlachte droevig; zaken van leven of dood waren in de lucht. “Ik zal komen,” zeide zij, “maar ik kan niet lang blijven.”Hoe kon zij haar laatste uur beter doorbrengen?Zij ging met den man naar zijn woning. Het arme kind, slechte in een nachthemd gekleed, was aan ’t razen, en blijkbaar in het laatste tijdperk van uitgeputheid; noch de dokter noch haar moeder kon iets meer doen om haar bedaard te houden.“Ziet gij wel,” schreeuwde zij, naar den wand wijzende, “daar staat de Duivel op mij te wachten. En o, daar gaapt de mond van de hel, waar die dominé zei dat ik heen zou gaan! O, houd mij vast, houd mij vast, houd mij vast!”Beatrice trad naar haar toe, nam haar magere handjes in de hare, en zag haar strak in de oogen.“Jane,” zeide zij, “Jane, ken je me niet meer?”“Ja, Miss Granger,” antwoordde het kind, “ikken de les, ik zal ze aanstonds opzeggen.”Beatrice nam haar in haar armen, en ging op het bed zitten. Het kind werd al kalmer en kalmer, totdat zich eensklaps een akelige verandering op haar gelaat vertoonde.“Zij sterft,” fluisterde de dokter.“Houd mij vast, houd mij vast!” zeide het kind, wier helderheid van geest op het laatste oogenblik scheen terug te komen. “O, Miss Granger, ik zal niet naar de hel gaan, zal ik wel? Ik ben bang voor de hel.”“Neen, lieve, neen; je gaat naar den hemel.”Jane lag een poos stil. Toen zag Beatrice de bleeke lippen bewegen en bracht haar oor aan den mond van het kind.“Zult ge bij mij komen?” fluisterde Jane; “ik ben bang om alleen te gaan.”En met haar groote oogen vast op het gelaat van het stervende kind gevestigd, fluisterde Beatrice terug, zoodat niemand anders het kon verstaan:“Ja, ik kom aanstonds.” Maar Jane had het verstaan en begrepen.“Beloof het mij,” zeide zij.“Ja, ik beloof het u,” antwoordde Beatrice, in hetzelfde onverstaanbaar gefluister. “Slaap, lieve; ik ben spoedig bij u.”En het kind zag op, huiverde—glimlachte—en sliep.Beatrice gaf het aan de weenende ouders terug, en ging heen. “Een engel van een meisje,” zeide de dokter bij zich zelven, terwijl hij haar nastaarde.“Ik heb nooit zoo’n vrouw gezien—zij is anders dan andere vrouwen.”Intusschen ging Beatrice naar het schuitenhuis van den ouden Eduard. Zooals zij wel verwachtte, was daar niemand, en ook niemand op het strand. De oude Eduard en zijn zoon waren, evenals ieder ander te Bryngelly, aan het theedrinken.Zij zag naar de zee uit. Er was geen sterke golving, maar de koelte stak op, en er was een langzame zwelling in het water. Voorbij de beschuttingvanRumball Point, vijf mijlen ver, zou een zware branding zijn.De vloed was hoog; hij was tot binnen acht meter van het schuitenhuis gestegen. Zij deed de deur open, sleepte haar bootje er uit, en deeddedeur weder achter zich dicht. Het vaartuigje was licht, en zij was sterk voor een vrouw. Zij trok het bootje aan den ketting van den voorsteven langs het strand voort, totdat het te water was, terwijl de brekende golven haar schoenen nat maakten. Toen stapte zij er in, en een oogenblik later roeide zij met al haar kracht in zee.Twintig minuten lang roeide zij onophoudelijk voort. Toen rustte zij even, maar hield den boeg van het bootje naar de zee, die, zonder onstuimig te zijn, al meer en meer begon te golven. Daar, op eenige mijlen afstands, wasRumball Point. Voordat de avond viel, moest zij daar voorbij zijn. Daar zou branding genoeg zijn; geen bootje als het hare zou het daar vijf minuten uithouden, en hetgetij was aan het keeren. Wat daar zonk, zou weggevoerd worden, en nooit weder op de kust van Wales terugkomen.Zij zag om naar Bryngelly en die lange, welbekende uitgestrektheid rotsen. Welk een schoon gezicht was dat in het kalme licht van een zomernamiddag! O, zou er een namiddag zijn, daar, waarheen het kind was gegaan, en waar zij volgde?—of was het daar nacht, zwarte, eeuwige nacht, onafgebroken door den droom van dierbare herinneringen?Daar was de rots, waarop zij op dien mistigen herfstdag gestaan en hetvisioenvan haar overleden moeder gezien had. Dat was voorzeker een voorteeken van haar lot geweest. Daar voorbij was de Bel Rots, waar in datzelfde uur Geoffrey en zij elkander ontmoet hadden, en daarachter was het Amphitheater, waar zij elkander hun liefde beleden hadden. Luister, wat was dat voor een geluid, dat bij tusschenpoozen flauw over de diepte klonk? Dat was de groote scheepsbel, nu en dan door den hoogen vloed in beweging gebracht, die plechtig haar doodsklok luidde.Zij roeide voort; het gelui van die doodsklok schokte haar zenuwen en gaf haar een gevoel van zwakheid. O, een jaar geleden zou het gemakkelijker voor haar geweest zijn, voordat zij had leeren beminnen, en geloof en hoop uit de diepte harer bewogen ziel had zien oprijzen. Toen had zij met de kracht van heidensch ongeloof haar einde te gemoet kunnen gaan, wetende wat zij verloor, en meenende dat haar niets anders wachtte dan de slaap. Maar nu was het anders, want in haar hart geloofde zij niet dat zij geheel vernietigd zou worden. Hoe, zou het lichaam in duizend vormen kunnen leven, wel veranderd, maar onvergankelijk en onsterfelijk, terwijl het geestelijk deel, met al zijn hoop en liefde en vrees, tot het niet zou versmelten? Dat kon niet zijn; voorzeker zou zij in een onbekend gewest hem, dien zij liefhad, weder begroeten. En als het niet zoo was, hoe zou in dat Hiernamaals het wederzien met haar moeder zijn, nu zij daar als een zelfmoordenares kwam? Zou zij zich van haar afwenden?—en dat broertje, dat zij zoo had liefgehad, zou hij haar van zich stooten? En welke veroordeelendeStem zou haar misschien tot eeuwigdurende hopeloosheid doemen?Maar, welke zonde het ook mocht zijn, zij zou die begaan om den wille van Geoffrey; ja, al moest zij er ook een eeuwige rampzaligheid voor inoogsten. Zij boog het hoofd en bad: “O, Macht, die daarboven zijt, vanwaar ik kom en waarheen ik ga, ontferm u over mij! O, Geest, als werkelijk uw naam Liefde is, weeg mijn liefde dan in uw weegschaal, en laat die de schaal der zonde lichter maken! O, God van opoffering, wees niet vertoornd over mijn daad van opoffering, en schenk mij vergiffenis, opdat ik in den tijd, die komen zal, hem, voor wien ik sterf, moge aanschouwen!”Dat was wel een eenigszins heidensch gebed, en veel te vol menschelijken hartstocht voor iemand, die op het punt was het aardsche leven vaarwel te zeggen. Maar men moet bedenken, dat het Beatrice was, die bad—Beatrice, die zich geen hemel kon voorstellen buiten de grenzen harer liefde—die nog altijd meer dacht aan haar liefde dan aan het behoud harer ziel. Misschien vond dat gebed verhooring—misschien ging het met haar, die het opzond, in deonpeilbarediepte verloren.Toen bad Beatrice niet meer. Haar tijd was kort. Zie, daar ging de zon luisterrijk onder; en daar sloeg de branding over de eenzame landtong. Zij wilde niet meer aan het eigen ik denken; het scheen haar zoo kleingeestig toe, dat smeekend aanroepen van den Ongeziene, niet voor anderen, maar voor zichzelve, hulp voor zichzelve, behoud voor zichzelve. Zij had haar gebed gedaan, en indien zij weder bad, moest het voor Geoffrey zijn, dat het hem voorspoedig mocht gaan, dat hij gelukkig mocht zijn—dat hij haar het verdriet, dat haar liefde hem berokkend had, mocht vergeven. Zij had naar de inspraak van haar hart gebeden, en daarmede was het gedaan. Het oordeel liet zij over. Nu wilde zij haar gedachten bepalen bij haar liefde, over de bitterheid van den dood zegevieren. Haar oogen fonkelden, en haar borst zwoegde: verder in zee, nog verder—voorbij de punt van die landtong zou zij de branding ontmoeten, en geen spoor zou van haar overblijven.Nu zelfs zou zij het verleden niet ongedaan willen maken. Zij was er trotsch op hem te beminnen. Voor hem en met hem leven kon zij niet, maar zij kon voor hem sterven.“Geoffrey, hoor mij—ik sterf voor u; neem mijn offer aan en vergeet mij niet.” Zoo!—zij is in de branding. Hoe plechtig komen die golven, met hun witte kruinen, één voor één loeiend opzetten!Daar heft een zware golf het bootje omhoog, maar het drijft er op als een kurk. Zie! het daglicht verdwijnt op het land in de verte, maar de luister van de laatste zonnestralen blinkt nog op de zee. Weldra zal alles gedaan zijn. Hier is de wind sterk; hij rukt haar den hoed van het hoofd, maakt de opgebonden vlecht los, en zwierend hangen haar weelderige lokken langs haar hals en rug. Snerpend als zweepslagen, slaat het schuim haar in het gelaat. Neen, die golf nog niet, daar glijdt zij ook nog overheen. Maar die dáár komt overweldigend opzetten. O, zie! Geoffrey’s ring is van haar natte hand gegleden en op den bodem van het bootje gevallen. Kan zij hem terugvinden? Zij wilde sterven met dien ring aan haar vinger—’t is haar trouwring, die haar door den dood met Geoffrey verbindt. Zij bukt! De golf slaat over haar heen.“Geoffrey! hoor mij, Geoffrey!—ik sterf—ik sterf voor u! Ik zal u wachten op den bodem der zee—waar ook in het onbekend Hiernamaals zal ik op u wachten!”De boot zinkt—is gezonken—zij is alleen met God en het onmeedoogende water. Hoor het bruisen van die ziedende golf, die haar verzwelgt!“Geoffrey, mijn geliefde—ik zal wachten—”Vaarwel Beatrice! Het licht verdween van den hemel, duisternis daalde op de woelende zee. Vaarwel, Beatrice, en al haar liefde en al haar zonde!1Een afgodsbeeld der Hindoes, dat op een jaarlijks terugkeerend feest op een wagen wordt rondgereden, onder welks raderen dweepzieke Hindoes zich, in godsdienstige opgewondenheid, laten verpletteren.Vert.
Beatrice reed naar Paddington terug, en hoewel haar gelaat strak en bleek als marmer bleef, vloeiden er groote tranen, één voor één, langs haar wangen.
Aan het station gekomen, betaalde zij den voerman van haarweinigenog overgebleven shillings—omdat zij een vreemdeling was, wilde hij niet minder dan een halve kroon aannemen. Toen, zonder acht te slaan op den verbaasden blik van den nachtportier, liep zij de wachtkamer binnen en ging zitten. Eerst haalde zij den brief te voorschijn en voegde er eenige regels met potlood bij; maar zij deed hem nog niet op de post, want zij wist dat hij dan te spoedig aan zijn adres zou komen. Toen leunde zij met het hoofd tegen den wand en viel van afgematheid in slaap—haar laatste slaap hier op aarde, vóór den langsten slaap van alle.
En zoo wachtte en sliep Beatrice te Paddington, terwijl haar minnaar te Euston wachtte en waakte.
Omstreeks vijf uur werd zij wakker, en al de smartelijke gedachten aan het verleden, het tegenwoordige en de toekomst bestormden haar hart. Zij liep de ledige straat op, en op een opene ruimte tusschen de huizen zag zij de zon opgaan. Het was de laatste zonsopgang, dien zij zou aanschouwen.
Toen zij op het station terugkwam, was de restauratiekamer open; daar trad zij binnen, en na zich met een kop koffie en een stuk brood ververscht te hebben, nam zij haar plaatskaartje niet naar Bryngelly of naar Coed, maar naar het station aan deze zijde van Bryngelly en drie mijlen er van af. Daar zou zij minder gevaar loopen van opgemerkt te worden. De trein werd in het spoor gebracht. Juist toen zij was ingestapt, kwam er een krantenjongen geeuwend aanloopen. Beatrice kocht een nummer van denStandard, en sloeg het open bij het blad waar de hoofdartikelen in stonden. Het eerste begon: “De krachtige, kernachtige en welsprekende redevoering, door den heer Bingham, het lid voor Pilham, gehouden, zal voorzeker van evenveel uitwerking op het geheele land zijn als zij op het Lagerhuis was. Wij verwelkomen haar niet alleen om haar waarde als een bijdrage tot de polemiek over de Iersche Kwestie, maar als een afdoend bewijs van wat reeds vermoed is, dat de Unionistische partij in den heer Bingham een jong staatsman van hooge begaafdhedenbezit, wiens uitgebreide rechtsgeleerde praktijk hem niet, zooals maar al te dikwijls het geval is, in den weg staat op het geestinspanning vereischende en ruime arbeidsveld der politiek.”
Evenzoo ging het voort. Beatrice legde het blad met een zegevierenden glimlach neder. Geoffrey’s roem was gevestigd. De geheele lange reis door, streelde zij haar verbeelding door zich het eene beeld voor, het andere na voor den geest te roepen van die toekomst, waaraan zij geen deel zou hebben. Maar hij zou haar toch niet vergeten; daar was zij zeker van. Haar herinnering zou hem tot het einde van zijn leven bijblijven, en soms zou hij denken hoe trotsch zij zijn zou, als zij getuige van zijn zegepralen had kunnen zijn. Ach, zij bedacht niet dat, wanneer alles verloren is wat het leven schoon kan maken, wanneer de zon voor ons ondergegaan is en het duister in onze ziel is geworden, de glans van onze kleine zegepralen slechts den verdwenen luister kan vergoeden! Geluk en tevredenheid zijn teere planten, die licht en lucht moeten hebben om te kunnen bloeien. Zij gedijen niet in donkere schaduwen, en als het hart dood is, kunnen geen zegepralen, hoe schitterend ook, tegen het onherstelbaar verlies opwegen. Het arme meisje vermoedde niet dat Geoffrey, in de jaren, die komen zouden, gaarne al zijn roem en onderscheiding gegeven zou hebben voor één maand van haar dierbare, onvergetelijke tegenwoordigheid. Zij had een te geringen dunk van zichzelve; zij dacht niet dat een man aldus op de liefde van een vrouw prijs kon stellen, en hield het voor een uitgemaakte zaak dat tegenover zijn streven, om het doel zijner eerzucht te bereiken, zulk een schat als Beatrice Geoffrey geschonken had, niets beteekende. Dit was de wagen van Jaggernaut1op zijn loopbaan, waaraan Beatrice haar leven ten offer wilde brengen, niet wetende dat daardoor al de eer en onderscheiding, die hij reeds zoo weinig telde, bitterheid en asch moest worden.
Te Chester stapte Beatrice uit den trein, en deed haar brief aan Geoffrey op de post. Dat had zij niet vroeger willen doen, omdat die hem niet in handen moest komen voordat alles gedaan was. Zij wierp een blik op den brief,—het laatste teeken, dat ooit op aarde tusschen hen gewisseld kon worden. Eenmaal drukte zij den brief aan haar hart, eenmaal raakte zij hem met haar lippen aan, en toen stak zij hem onherroepelijk in de bus. Nu was er geen terugtreden meer. En terwijl zij daar nog stond, kwam de postbeambte fluitend aan, opende de bus onverschillig, en stak den inhoud in zijn linnen zak. Als hij geweten had wat daaronder was, zou hij den geheelen dag niet meer gefloten hebben.
Beatrice zette haar reis voort, en tegen drie uur was zij aan het kleine station bij Bryngelly. Het was dien dag kermis te Coed, en vele boeren en boerinnen gingen daarheen en stapten hier op den trein. Te midden van die drukte werd zij niet opgemerkt. Niemand in de nabuurschap van Bryngelly wist zelfs, dat Beatrice heen en terug naar Londen was geweest.
Zij liep langs de rots om, en binnen een uur was zij aan de deur van de pastorie, waaruit het haar toescheen jaren lang afwezig te zijn geweest. Zij ontsloot de deur en trad binnen. In de brievenbus vond zij een briefkaart van haar vader, meldende dat hij en Elisabeth van plan veranderd waren, en niet terug zouden zijn vóór den volgenden ochtend met den trein, die te half negen aankwam. Des te beter, dacht zij. Toen haalde zij de lakens op haar bed om, alsof het beslapen was geweest, legde in de keuken vuur aan,zetteden ketel er op, om water te koken, en gebruikte wat voedsel. Zij had al haar kracht noodig en zonder voedsel kon zij die niet ophouden.
Kort daarna kwam Betty, de dienstmaagd terug, en ging aan haar werkzaamheden, onbewust dat Beatrice den geheelen nacht afwezig was geweest. Haar zusje was veel beter, antwoordde zij op Beatrice’s vragen.
Na, voor zooverre zij kon, iets gegeten te hebben—het was niet veel—begaf Beatrice zich naar haar kamer, ontkleeddezich, baadde zich, en trok andere kleeren aan. Toen maakte zij haar vlechten met zorg op, juist zooals zij het haar had gedragen op dien namiddag toen zij Geoffrey voor ’t eerst had ontmoet. Een zonderling verlangen scheen haar te bezielen om er op dezen dag, nu zij het leven vaarwel zeide, op haar voordeeligst uit te zien. Na zich gekleed te hebben, nam zij den zilveren Romeinschen ring, dien Geoffrey haar gegeven had, van het snoer, waaraan zij hem om haar hals droeg, en stak hem aan den derden vinger van haar linkerhand.
Toen zij dit alles gedaan had, ging Beatrice naar de keuken en bestelde het avondeten. In haar onschuldige geslepenheid, ging zij nog verder. Betty vroeg haar wat zij voor haar ontbijt wilde hebben, en zij zeide haar dat zij maar wat spek moest koken, en opletten hoe zij het sneed, omdat zij niet van dik spek hield. Na een langen, laatsten blik op de pastorie geslagen te hebben, ging zij naar de woning van de hoofdonderwijzeres, om over het schoolwerk van dien dag te spreken.
Beatrice zeide haar dat zij had besloten in zekere lessen een verandering te brengen. De Woensdagsche rekenles was tot dusverre vóór de taalles geweest. Dat wilde zij juist andersom hebben, en daar gaf zij haar redenen voor op. De hoofdonderwijzeres was het met haar eens, en Beatrice gaf haar de hand en wenschte haar goeden avond. Zij had haar wel willen bedanken voor haar hulp in de school, maar met het oog op hetgeen er gebeuren zou, deed zij dat maar niet, omdat het licht vermoeden zou kunnen wekken.
Arme Beatrice, dat waren de eenige leugens, waaraan zij zich ooit schuldig had gemaakt!
Zij verliet de woning van de onderwijzeres, en wilde juist naar het strand gaan, om daar te zitten totdat het tijd was, toen de vader van het arme krankzinnige kind, Jane Llewellyn, haar te gemoet kwam.
“O, Miss Beatrice,” zeide hij, “ik heb u overal gezocht. Wij zijn zoo in naarheid, juffrouw. Jane heeft weer een aanval vanrazernij en spreekt over de hel en zoo wat, en de dokter zegt dat zij sterft. Kunt gij komen, juffrouw, en zien of gij iets doen kunt om haar tot bedaren te brengen? De dokter zegt dat het een zaak van leven of dood is.”
Beatrice glimlachte droevig; zaken van leven of dood waren in de lucht. “Ik zal komen,” zeide zij, “maar ik kan niet lang blijven.”
Hoe kon zij haar laatste uur beter doorbrengen?
Zij ging met den man naar zijn woning. Het arme kind, slechte in een nachthemd gekleed, was aan ’t razen, en blijkbaar in het laatste tijdperk van uitgeputheid; noch de dokter noch haar moeder kon iets meer doen om haar bedaard te houden.
“Ziet gij wel,” schreeuwde zij, naar den wand wijzende, “daar staat de Duivel op mij te wachten. En o, daar gaapt de mond van de hel, waar die dominé zei dat ik heen zou gaan! O, houd mij vast, houd mij vast, houd mij vast!”
Beatrice trad naar haar toe, nam haar magere handjes in de hare, en zag haar strak in de oogen.
“Jane,” zeide zij, “Jane, ken je me niet meer?”
“Ja, Miss Granger,” antwoordde het kind, “ikken de les, ik zal ze aanstonds opzeggen.”
Beatrice nam haar in haar armen, en ging op het bed zitten. Het kind werd al kalmer en kalmer, totdat zich eensklaps een akelige verandering op haar gelaat vertoonde.
“Zij sterft,” fluisterde de dokter.
“Houd mij vast, houd mij vast!” zeide het kind, wier helderheid van geest op het laatste oogenblik scheen terug te komen. “O, Miss Granger, ik zal niet naar de hel gaan, zal ik wel? Ik ben bang voor de hel.”
“Neen, lieve, neen; je gaat naar den hemel.”
Jane lag een poos stil. Toen zag Beatrice de bleeke lippen bewegen en bracht haar oor aan den mond van het kind.
“Zult ge bij mij komen?” fluisterde Jane; “ik ben bang om alleen te gaan.”
En met haar groote oogen vast op het gelaat van het stervende kind gevestigd, fluisterde Beatrice terug, zoodat niemand anders het kon verstaan:
“Ja, ik kom aanstonds.” Maar Jane had het verstaan en begrepen.
“Beloof het mij,” zeide zij.
“Ja, ik beloof het u,” antwoordde Beatrice, in hetzelfde onverstaanbaar gefluister. “Slaap, lieve; ik ben spoedig bij u.”
En het kind zag op, huiverde—glimlachte—en sliep.
Beatrice gaf het aan de weenende ouders terug, en ging heen. “Een engel van een meisje,” zeide de dokter bij zich zelven, terwijl hij haar nastaarde.“Ik heb nooit zoo’n vrouw gezien—zij is anders dan andere vrouwen.”
Intusschen ging Beatrice naar het schuitenhuis van den ouden Eduard. Zooals zij wel verwachtte, was daar niemand, en ook niemand op het strand. De oude Eduard en zijn zoon waren, evenals ieder ander te Bryngelly, aan het theedrinken.
Zij zag naar de zee uit. Er was geen sterke golving, maar de koelte stak op, en er was een langzame zwelling in het water. Voorbij de beschuttingvanRumball Point, vijf mijlen ver, zou een zware branding zijn.
De vloed was hoog; hij was tot binnen acht meter van het schuitenhuis gestegen. Zij deed de deur open, sleepte haar bootje er uit, en deeddedeur weder achter zich dicht. Het vaartuigje was licht, en zij was sterk voor een vrouw. Zij trok het bootje aan den ketting van den voorsteven langs het strand voort, totdat het te water was, terwijl de brekende golven haar schoenen nat maakten. Toen stapte zij er in, en een oogenblik later roeide zij met al haar kracht in zee.
Twintig minuten lang roeide zij onophoudelijk voort. Toen rustte zij even, maar hield den boeg van het bootje naar de zee, die, zonder onstuimig te zijn, al meer en meer begon te golven. Daar, op eenige mijlen afstands, wasRumball Point. Voordat de avond viel, moest zij daar voorbij zijn. Daar zou branding genoeg zijn; geen bootje als het hare zou het daar vijf minuten uithouden, en hetgetij was aan het keeren. Wat daar zonk, zou weggevoerd worden, en nooit weder op de kust van Wales terugkomen.
Zij zag om naar Bryngelly en die lange, welbekende uitgestrektheid rotsen. Welk een schoon gezicht was dat in het kalme licht van een zomernamiddag! O, zou er een namiddag zijn, daar, waarheen het kind was gegaan, en waar zij volgde?—of was het daar nacht, zwarte, eeuwige nacht, onafgebroken door den droom van dierbare herinneringen?
Daar was de rots, waarop zij op dien mistigen herfstdag gestaan en hetvisioenvan haar overleden moeder gezien had. Dat was voorzeker een voorteeken van haar lot geweest. Daar voorbij was de Bel Rots, waar in datzelfde uur Geoffrey en zij elkander ontmoet hadden, en daarachter was het Amphitheater, waar zij elkander hun liefde beleden hadden. Luister, wat was dat voor een geluid, dat bij tusschenpoozen flauw over de diepte klonk? Dat was de groote scheepsbel, nu en dan door den hoogen vloed in beweging gebracht, die plechtig haar doodsklok luidde.
Zij roeide voort; het gelui van die doodsklok schokte haar zenuwen en gaf haar een gevoel van zwakheid. O, een jaar geleden zou het gemakkelijker voor haar geweest zijn, voordat zij had leeren beminnen, en geloof en hoop uit de diepte harer bewogen ziel had zien oprijzen. Toen had zij met de kracht van heidensch ongeloof haar einde te gemoet kunnen gaan, wetende wat zij verloor, en meenende dat haar niets anders wachtte dan de slaap. Maar nu was het anders, want in haar hart geloofde zij niet dat zij geheel vernietigd zou worden. Hoe, zou het lichaam in duizend vormen kunnen leven, wel veranderd, maar onvergankelijk en onsterfelijk, terwijl het geestelijk deel, met al zijn hoop en liefde en vrees, tot het niet zou versmelten? Dat kon niet zijn; voorzeker zou zij in een onbekend gewest hem, dien zij liefhad, weder begroeten. En als het niet zoo was, hoe zou in dat Hiernamaals het wederzien met haar moeder zijn, nu zij daar als een zelfmoordenares kwam? Zou zij zich van haar afwenden?—en dat broertje, dat zij zoo had liefgehad, zou hij haar van zich stooten? En welke veroordeelendeStem zou haar misschien tot eeuwigdurende hopeloosheid doemen?
Maar, welke zonde het ook mocht zijn, zij zou die begaan om den wille van Geoffrey; ja, al moest zij er ook een eeuwige rampzaligheid voor inoogsten. Zij boog het hoofd en bad: “O, Macht, die daarboven zijt, vanwaar ik kom en waarheen ik ga, ontferm u over mij! O, Geest, als werkelijk uw naam Liefde is, weeg mijn liefde dan in uw weegschaal, en laat die de schaal der zonde lichter maken! O, God van opoffering, wees niet vertoornd over mijn daad van opoffering, en schenk mij vergiffenis, opdat ik in den tijd, die komen zal, hem, voor wien ik sterf, moge aanschouwen!”
Dat was wel een eenigszins heidensch gebed, en veel te vol menschelijken hartstocht voor iemand, die op het punt was het aardsche leven vaarwel te zeggen. Maar men moet bedenken, dat het Beatrice was, die bad—Beatrice, die zich geen hemel kon voorstellen buiten de grenzen harer liefde—die nog altijd meer dacht aan haar liefde dan aan het behoud harer ziel. Misschien vond dat gebed verhooring—misschien ging het met haar, die het opzond, in deonpeilbarediepte verloren.
Toen bad Beatrice niet meer. Haar tijd was kort. Zie, daar ging de zon luisterrijk onder; en daar sloeg de branding over de eenzame landtong. Zij wilde niet meer aan het eigen ik denken; het scheen haar zoo kleingeestig toe, dat smeekend aanroepen van den Ongeziene, niet voor anderen, maar voor zichzelve, hulp voor zichzelve, behoud voor zichzelve. Zij had haar gebed gedaan, en indien zij weder bad, moest het voor Geoffrey zijn, dat het hem voorspoedig mocht gaan, dat hij gelukkig mocht zijn—dat hij haar het verdriet, dat haar liefde hem berokkend had, mocht vergeven. Zij had naar de inspraak van haar hart gebeden, en daarmede was het gedaan. Het oordeel liet zij over. Nu wilde zij haar gedachten bepalen bij haar liefde, over de bitterheid van den dood zegevieren. Haar oogen fonkelden, en haar borst zwoegde: verder in zee, nog verder—voorbij de punt van die landtong zou zij de branding ontmoeten, en geen spoor zou van haar overblijven.
Nu zelfs zou zij het verleden niet ongedaan willen maken. Zij was er trotsch op hem te beminnen. Voor hem en met hem leven kon zij niet, maar zij kon voor hem sterven.
“Geoffrey, hoor mij—ik sterf voor u; neem mijn offer aan en vergeet mij niet.” Zoo!—zij is in de branding. Hoe plechtig komen die golven, met hun witte kruinen, één voor één loeiend opzetten!
Daar heft een zware golf het bootje omhoog, maar het drijft er op als een kurk. Zie! het daglicht verdwijnt op het land in de verte, maar de luister van de laatste zonnestralen blinkt nog op de zee. Weldra zal alles gedaan zijn. Hier is de wind sterk; hij rukt haar den hoed van het hoofd, maakt de opgebonden vlecht los, en zwierend hangen haar weelderige lokken langs haar hals en rug. Snerpend als zweepslagen, slaat het schuim haar in het gelaat. Neen, die golf nog niet, daar glijdt zij ook nog overheen. Maar die dáár komt overweldigend opzetten. O, zie! Geoffrey’s ring is van haar natte hand gegleden en op den bodem van het bootje gevallen. Kan zij hem terugvinden? Zij wilde sterven met dien ring aan haar vinger—’t is haar trouwring, die haar door den dood met Geoffrey verbindt. Zij bukt! De golf slaat over haar heen.
“Geoffrey! hoor mij, Geoffrey!—ik sterf—ik sterf voor u! Ik zal u wachten op den bodem der zee—waar ook in het onbekend Hiernamaals zal ik op u wachten!”
De boot zinkt—is gezonken—zij is alleen met God en het onmeedoogende water. Hoor het bruisen van die ziedende golf, die haar verzwelgt!
“Geoffrey, mijn geliefde—ik zal wachten—”
Vaarwel Beatrice! Het licht verdween van den hemel, duisternis daalde op de woelende zee. Vaarwel, Beatrice, en al haar liefde en al haar zonde!
1Een afgodsbeeld der Hindoes, dat op een jaarlijks terugkeerend feest op een wagen wordt rondgereden, onder welks raderen dweepzieke Hindoes zich, in godsdienstige opgewondenheid, laten verpletteren.Vert.
1Een afgodsbeeld der Hindoes, dat op een jaarlijks terugkeerend feest op een wagen wordt rondgereden, onder welks raderen dweepzieke Hindoes zich, in godsdienstige opgewondenheid, laten verpletteren.Vert.
Hoofdstuk XXIX.De laatste woorden eener vrouw.Op den ochtend van dien dag, waarvan hij de eerste uren aan het Euston-station had doorgebracht, kwam Geoffrey tegen elf uur aan het ontbijt. Toen hij Effie niet zag, vroeg hij Lady Honoria waar zij was, en vernam dat Anne, de Franschebonne, gezegd had dat het kind niet wel was en haar in bed had gehouden.“Ge wilt toch niet zeggen dat ge niet naar boven zijt gegaan om te zien wat haar scheelt?” vroeg Geoffrey.“Neen, nog niet,” antwoordde zijn vrouw. “Ik heb de modiste bij mij gehad, met mijn nieuwe kleed voor het bal van morgenavond bij de hertogin; ’t is keurig, maar ik geloof dat er wat te veel van dieCrêmekant aan is.”Met een uitroep van wrevel, stond Geoffrey op, en ging naar boven. Hij vond Effie in haar bed heen en weer woelen, met een, rood gezichtje, wijdgeopende oogen en gloeiende handjes.“Laat dadelijk den dokter halen,” zeide hij.De dokter kwam, onderzocht het kind, en vroeg haar of zij ook onlangs natte voeten had gehad.“Ja, twee dagen geleden. Toen heb ik in een plas op straat mijn voeten nat gemaakt,” antwoorddeEffie. “Maar Anne zei dat ze wel gauw weer droog zouden worden, als ik ze maar bij het vuur hield, omdat mijn andere laarzen niet schoon waren. O, paatje, wat heb ik een hoofdpijn!”“Ah, zoo,” zeide de dokter, en na het kind toegedekt te hebben, nam hij Geoffrey ter zijde, en zeide hem dat zij een lichten aanval van longontsteking had. Er was geen reden tot ongerustheid, maar zij moest goed verzorgd en vooral tegen tocht vatten beschut worden.Geoffrey vroeg of hij een ziekenverpleegster zou moeten aannemen.“O, neen,” antwoordde de dokter. “Dat is, geloof ik, niet noodig, in allen gevalle nu niet. Ik zal de kindermeid zeggen wat zij te doen heeft, en ongetwijfeld zal uw vrouw wel een oog op haar houden.”Dus werdAnnegeroepen, die beloofde het lieve kind als haar oogappel te verzorgen. Neen, haar schoenen waren niet nat geweest—er was alleen maar een weinig, heel weinig, modder op geweest, anders niet.“Praat er zooveel niet over, maar pas haar zorgvuldig op,” zeide Geoffrey, die Anne niet recht vertrouwde. Hij nam zich echter voor, zelf toe te zien dat er niets verzuimd werd. Toen Lady Honoria hoorde wat het kind scheelde, werd zij wrevelig.“Wat zijn kinderen toch een groote last,” zeide zij. “Dat zij daar nu zoo opeens longontsteking moet krijgen! Het zal er nog op uitloopen dat ik morgenavond niet naar het bal van de hertogin zal kunnen gaan. En zij was er zoo vriendelijk op gesteld dat ik komen zou! Bovendien heb ik dat nieuwe kleed er opzettelijk voor gekocht. Voor niets anders zou ik ooit zooveel kosten gemaakt hebben.”“Wees waar niet ongerust,” zeide Geoffrey. “Het Lagerhuis houdt morgen geen zitting; ik zal haar weloppassen. Tenzij Effie in dien tusschentijd sterft, zult ge zeker wel naar het bal kunnen gaan.”“Sterven—wat een zottepraat! De dokter zegt immers, dat het een heel lichte aanval is. Waarom zou zij sterven?”“Ik hoop dat er geen vrees voor is, Honoria. Maar zij moet goed verzorgd worden. Ik vertrouw die Anne niet. Ik zou toch wel een ziekenverpleegster willen nemen.”“Als ge dat doet, zal zij buitenshuis moeten slapen. Amelia (Lady Garsington) komt van avond hier, en ik moet haar kamenier ergens bergen; en er is in Effie’s kamer geen plaats voor nog een ledekant.”“Nu ja, dat is alles goed en wel,” hernam Geoffrey, “en het zal, hoop ik, ook niet noodig zijn, maar als Effie erger wordt, zult ge er voor moeten zorgen dat er plaats gemaakt wordt.”Doch Effie werd niet erger. Zij bleef zoo al hetzelfde. Geoffrey zat den geheelen dag tehuis, en hield zich bezig met akten te lezen; gelukkig behoefde hij niet naar het Gerechtshof te gaan. Omstreeks zes uur ging hij naar het Lagerhuis, en hoorde een vervelende bespreking aan over het aannemen van de Welsche taal in de gerechtshoven van Wales.Eensklaps gevoelde hij een allerzonderlingste beklemdheid. Een onbeschrijfelijke angst greep hem aan, zijn ziel was vervuld van akelige voorgevoelens. Hij scheen te gevoelen dat er iets verschrikkelijks gebeurde. Zijn geest was verward, maar allengs werd het hem helderder en begon hij te begrijpen, dat een groot gevaar Beatrice bedreigde. Ja, daar was hij zeker van. De kreten, die zij in haar doodstrijd slaakte, bereikten hem waar hij was, hoewel in geen vorm, dien hij kon begrijpen; nog éénmaal, en voor de laatste maal, sprak haar ziel tot de zijne.Toen scheen plotseling een koude wind hem in ’t gelaat te blazen en door zijn haar te spelen, en alles was voorbij. Zijn geest was weder zooals even te voren; weder hoorde hij den vervelenden redenaar, en zag hij de leden heengaan, om te dineeren. Wat zijn geest geschokt had, was niet meer, alles was zooals het geweest was. Dat was ook niet vreemd, want de band was verbroken. Beatrice wasdood. Zij was in het rijk van ondoorgrondelijk stilzwijgen overgegaan.Met een diepen zucht richtte Geoffrey zich op, en terwijl hij dit deed, werd hem een brief overhandigd. Het adres was van Beatrice’s hand, en met het postmerk van Chester. Een huivering overviel hem. Wat zou die brief behelzen? Hij spoedde zich er mede naar een afzonderlijke kamer en brak de enveloppe open. De brief was uit Bryngelly op den vorigen Zondag gedateerd, en nog een paar andere brieven waren er bij ingesloten.“Geliefde Geoffrey,” begon hij, “ik heb u nooit te voren aldus op het papier toegesproken, en zou het ook nu niet doen, wetende in welk gevaar zulke geschreven woorden u zouden kunnen brengen,ware het niet dat er omstandigheden kunnen voorkomen (zooals in dit geval) die er toe schijnen te rechtigen. Want als alles uit is tusschen een man en een vrouw, die voor elkander zijn wat wij geweest zijn, dan is het goed dat degene, die heengaat, duidelijk spreekt, voordat spreken onmogelijk is, opdat degene, die overblijft, niet verkeerd zal begrijpen wat gedaan is.“Geoffrey, ’t is waarschijnlijk—’t is bijna zeker—dat eer deze woorden u onder de oogen komen, ik naar het lichaam zijn zal, waar zij mij nimmer weder kunnen zien. Ik schrijf u op den rand des grafs: als gij dit leest, zal het over mij gesloten zijn.“Geoffrey, dan zal ik dood zijn.“Ik heb uw dierbaren brief (die is nu vernietigd), waarin gij den wensch te kennen geeft dat ik met u naar een ander land zal gaan, ontvangen, en er met een paar woorden op geantwoord. Ik durfde mijzelve niet vertrouwen om meer te schrijven, en ik had er ook den tijd niet toe. Hoe kondet gij denken dat ik ooit zulk een aanbod om mijnentwil zou aannemen, daar het uw loopbaan bedorven zou hebben? Maar eerst zal ik u alles mededeelen wat hier gebeurd is.” (Nu volgde een lange en nauwkeurige beschrijving van het voorgevallene, waarmede wij reeds bekend zijn: hoe Beatrice door haar zuster beschuldigd was, welke bedreigingen Owen Davies tegen hem geuit had, en welke maatregelen zij genomen had om tijd te winnen.)“Hierbij,” luidde de brief verder, “sluit ik den brief van uw vrouw aan mij in. En ik wil er de verklaring bijvoegen, dat ik geen woord tegen Lady Honoria of haar brief heb aan te voeren. Ik geloof dat zij volkomen gerechtigd was om zoo te schrijven als zij gedaan heeft, want gij zijt toch, in allen gevalle, haar echtgenoot, en door elkaar te beminnen hebben wij tegen haar gezondigd. Terecht zegt zij mij, dat het mijn plicht is alle verdere gemeenschap tusschen ons onmogelijk te maken. Er is slechts één middel om dat te doen, en dat middel neem ik te baat.“En nu heb ik genoeg over mijzelve gesproken en ik wil niet in bizonderheden treden, die u slechts verdriet zouden kunnen doen.“Ik heb tegen alle lasterlijke praatjes voorzien door den tweeden brief, dien ik hierbij heb ingesloten, ingeval er een woord ten uwen nadeele gezegd mocht worden wanneer ik niet meer ben. Gij kunt die des noods laten drukken; hij is een voldoend antwoord op allen laster. Na dien brief gelezen te hebben, zal niemand kunnen gelooven dat gij met het ongeluk, dat gebeuren zal, in eenig verband hebt gestaan. Nog één woord maar—alweer over mijzelve! Meen niet dat gij er eenige schuld aan hebt, want gij zijt vrij van alle blaam; ik heb het uit vrijen wil gedaan, omdat ik het, door de omstandigheden tot het uiterste gedreven, beter achtte dat de een uit den weg geruimd en de ander gered werd, dan dat beiden in ’t verderf gestort werden.“Herinnert gij u nog wel dat zonderling visioen, dat ik had, toen ik droomde dat ge mijn borst aanraaktet en mij licht aanweest? Zoo is het ook gebeurd, want gij hebt mij liefde geschonken—dat is licht; en nu zal ik in den dood wijsheid zoeken. En dewijl ik u niet mag bezitten en alles in alles voor u zijn, ga ik met vreugde heen. Want hier op de wereld is rust noch geluk; evenals in mijn droom, schijnt de Hoop maar al te dikwijls haar sterrengewaad te verscheuren.“Ja, met vreugde verlaat ik zulk een wereld, waar ik slechts één geluk heb gevonden—de zegening van uw liefde. Ik ben afgemat van het strijden, en nu ik u heb verloren, verlang ik naar rust. Ik weet niet of het zonde is wat ik doe; zoo ja, moge het mij dan vergeven worden. Als vergiffenis onmogelijk is, zoo zij het dan! Gij zult mij vergeven, Geoffrey, en gij zult mij altijd liefhebben, hoe slecht ik ook zijn moge; zelfs wanneer gij ten laatste komt waar iknietben, zult gij de dwalende vrouw, voor wie gij alles in alles waart, gedenken en haar liefhebben. Wij zijn niet gehuwd, Geoffrey, volgens de gebruiken der wereld, maar over twee dagen zal de Dood de priester zijn, die ons plechtig voor eeuwig verbindt. Wie kan voorspellen wat niemand met zekerheid weet? En toch geloof ik, dat er voor zoo innig verwante zielen als de onze een wederzien in zalige vereeniging moet zijn. Als dat zoois, dan is het waard er voor geleefd te hebben en gestorven te zijn; zoo niet, dan, Geoffrey, vaarwel!“Als gij den nachtwind hoort suizen, hoor er dan mijn stem in; als gij naar de sterren opziet, zie er mijn oogen in; en mijn liefde zal de lucht zijn, die gij inademt. O, wat heb ik u nog veel te zeggen, dat ik niet onder woorden kan brengen! Maar als gij ooit iets hoort of leest, dat schoon en teeder is, denk dan: ‘Dit is het, wat Beatrice mij had willen zeggen en het niet kon.’“Gij zult een groot man worden, de grootste of een der grootsten van uw tijd. Gij hebt mij reeds beloofd daarin te volharden tot het einde; ik vraag u niet het opnieuw te beloven. Vergenoeg u niet de wereld te nemen zooals zij is. Een vrouw moet dat wel; maar groote mannen hervormen de wereld. En als gij het tot grootheid gebracht hebt, Geoffrey, zult gij, dat weet ik, uw macht en invloed gebruiken, niet tot uw eigen belang, maar tot edele en grootsche doeleinden; het zal uw streven zijn de armen te helpen, de verdrukten van hun juk te bevrijden, en de eer van uw land te bevorderen. Dat alles zult gij doen uit uw eigen hart, niet omdat ik het van u verlang, maar bedenk dat uw roem mijn beste gedenkteeken zal zijn.“Vaarwel, vaarwel! O, Geoffrey, geliefde, vergeet mij niet in de lange jaren, die komen zullen. Vergeet mij niet, als anderen u vleien en uw liefde trachten te winnen, want nimmer kan iemand voor u zijn wat ik voor u geweest ben—niemand kan u ooit zoo liefhebben als uw verloren Beatrice, die u deze afscheidswoorden schrijft en u met haar laatsten ademtocht zegent.”Nu volgde er een postscriptum in potlood, van het Paddington-station op dienzelfden ochtend gedateerd.“Ik ben naar Londen gereisd om u te zien, Geoffrey. Ik kon niet sterven zonder uw gelaat nog eenmaal aanschouwd te hebben. Ik was in de galerij van het Lagerhuis, en heb uw schoone redevoering gehoord. Uw vriend heeft mij een plaats bezorgd. Later zijt gij mij strijkelings langs den pilaar bij den uitgang voorbijgegaan. Toen liep ik weg, omdat ik bespeurde dat uw vriend omzagen naar mij keek. Ik zal dezen brief kussen—hier, aan het slot—druk er daar ook een kus op—dat is onze laatste, koude omhelzing. Voordat ik een einde aan mijn leven maak, zal ik den ring, dien ge mij gegeven hebt, aan mijn vinger steken. Ik heb hem altijd op mijn hart gedragen. Toen ge mij aan den uitgang zoo dicht voorbijkwaamt dat ik uw jas aanraakte, dacht ik dat ik neergezegen zou zijn, en kon ik mij nauwelijks weerhouden u toe te roepen—maar ik vond de kracht om het niet te doen. Mijn hart breekt, en mijn oogen zijn door tranen verblind; ik kan niet meer schrijven; ik heb niets meer te zeggen. Nogmaals, vaarwel!Ave atque vale!—B.”De tweede brief was bestemd om te figureeren als een, zooals ieder jong meisje aan een heer, die een vriend van haar was, geschreven zou hebben. Hij begon: “Waarde mijnheer Bingham,” en eindigde: “Uw dienstwillige Beatrice Granger”; hij behelsde niets anders dan beuzelachtigheden, en gaf de hoop te kennen dat hij later in den zomer nog eens te Bryngelly zou komen, om samen een roeitochtje te doen.Het sprak vanzelf, dacht Beatrice, dat wanneer Geoffrey door Owen Davies of een ander beschuldigd mocht worden van iets met haar geheimzinnig uiteinde te maken te hebben, zulk een epistel, twee dagen te voren geschreven, de ongerijmdheid van zulk een denkbeeld zou bewijzen. Die arme Beatrice, zij was vol voorzorgen!De indruk, dien deze verbazende en hartverscheurende brief op Geoffrey maakte, laat zich niet beschrijven. Als Beatrice zijn gelaat had kunnen zien, nadat hij hem gelezen had, zou zij geen zelfmoord begaan hebben. In een oogenblik was het als dat van een oud man geworden. Toen de geheele waarheid hem voor den geest stond, was hij aan zulk een foltering van ontzetting, wroeging en wanhoop ter prooi, dat hij een gevoel had alsof zijn levenskrachten er onder bezwijken zouden, en hij op dit oogenblik zou sterven, wat hem het wenschelijkst geweest zou zijn. O, welk een verschrikkelijk denkbeeld dat dit geliefde meisje zich voor hem,een sterk man, den dood in de armen had geworpen! Hoe zielsfolterend was het, zich haar voor te stellen achter dien pilaar verscholen, toen hij haar strijkelings voorbijkwam, terwijl hij, driewerf vervloekte dwaas, er niets van wist voordat het te laat was; te weten dat hij haar ontmoet zou hebben, als hij, in plaats van naar Euston, naar Paddington was gegaan! Die liefde, zoo verheven in haar kracht, was dan nu voor altijd voor hem verloren—dat dierbaar gelaat zou hij nooit weer zien! O, zijn hart zou breken! Dat was niet te verduren!En die laaghartigen, die haar er toe gedreven hadden om den dood te zoeken! O, hij zou dien Owen Davies dooden—en Elisabeth ook, als zij geen vrouw was, en wat Honoria betrof, met haar had hij afgedaan. Schandaal—wat gaf hij om schandaal? Als hij zijn zin had, zou er juist schandaal zijn, want hij zou dien Owen Davies verslaan, dat ondier, dat zich niet ontzien had een vrouw angst aan te jagen om het bevredigen van zijn wellust te bevorderen—ja, hij zou hem naar het vasteland sleepen en hem daar dooden. Wraak was het eenige, wat hem overbleef!Halt! hij moest niet aan die eerste indrukken toegeven—misschien was zij niet dood—misschien was dat akelig voorgevoel, dat hem nog vóór de ontvangst van den brief bestormd had, niet anders dan een droom geweest. Kon hij telegrafeeren? Neen, het was te laat; het bureau te Bryngelly zou gesloten zijn—het was nu over achten. Maar hij kon er heen gaan. Even over negenen ging er een trein—hij kon er den volgenden ochtend te half zeven zijn. Maar Effie was ziek—welnu, voor vier-en-twintig uur zou zij wel oppassing hebben; zij was in geen gevaar, en hij moest gaan—die folterende spanning kon hij niet uithouden. O, als zij het werkelijk gedaan had!Geoffrey nam een vel papier en beproefde te schrijven. Hij kon het niet, zijn hand beefde te zeer. Met een kermenden zucht stond hij op, ging naar de ververschingkamer en dronk twee glazenbrandyachter elkaar leeg. Het geestrijk vocht had uitwerking op hem; nu kon hij schrijven. Snel krabbelde hij op een vel papier:“Ik ben wegens een zaak van gewicht uit de stad geroepen, en zal waarschijnlijk niet vóór Donderdagochtend terugkomen. Zorg dat Effie goed wordt opgepast. Als ik niet terug ben, moet gij niet naar het bal van de hertogin gaan.“Geoffrey Bingham.”Toen adresseerde hij den brief aan Lady Honoria, en liet hem door een bode bezorgen. Daarna riep hij eencabaan, en beval den voerman zoo snel als zijn paard loopen kon naar Euston te rijden.
Op den ochtend van dien dag, waarvan hij de eerste uren aan het Euston-station had doorgebracht, kwam Geoffrey tegen elf uur aan het ontbijt. Toen hij Effie niet zag, vroeg hij Lady Honoria waar zij was, en vernam dat Anne, de Franschebonne, gezegd had dat het kind niet wel was en haar in bed had gehouden.
“Ge wilt toch niet zeggen dat ge niet naar boven zijt gegaan om te zien wat haar scheelt?” vroeg Geoffrey.
“Neen, nog niet,” antwoordde zijn vrouw. “Ik heb de modiste bij mij gehad, met mijn nieuwe kleed voor het bal van morgenavond bij de hertogin; ’t is keurig, maar ik geloof dat er wat te veel van dieCrêmekant aan is.”
Met een uitroep van wrevel, stond Geoffrey op, en ging naar boven. Hij vond Effie in haar bed heen en weer woelen, met een, rood gezichtje, wijdgeopende oogen en gloeiende handjes.
“Laat dadelijk den dokter halen,” zeide hij.
De dokter kwam, onderzocht het kind, en vroeg haar of zij ook onlangs natte voeten had gehad.
“Ja, twee dagen geleden. Toen heb ik in een plas op straat mijn voeten nat gemaakt,” antwoorddeEffie. “Maar Anne zei dat ze wel gauw weer droog zouden worden, als ik ze maar bij het vuur hield, omdat mijn andere laarzen niet schoon waren. O, paatje, wat heb ik een hoofdpijn!”
“Ah, zoo,” zeide de dokter, en na het kind toegedekt te hebben, nam hij Geoffrey ter zijde, en zeide hem dat zij een lichten aanval van longontsteking had. Er was geen reden tot ongerustheid, maar zij moest goed verzorgd en vooral tegen tocht vatten beschut worden.
Geoffrey vroeg of hij een ziekenverpleegster zou moeten aannemen.
“O, neen,” antwoordde de dokter. “Dat is, geloof ik, niet noodig, in allen gevalle nu niet. Ik zal de kindermeid zeggen wat zij te doen heeft, en ongetwijfeld zal uw vrouw wel een oog op haar houden.”
Dus werdAnnegeroepen, die beloofde het lieve kind als haar oogappel te verzorgen. Neen, haar schoenen waren niet nat geweest—er was alleen maar een weinig, heel weinig, modder op geweest, anders niet.
“Praat er zooveel niet over, maar pas haar zorgvuldig op,” zeide Geoffrey, die Anne niet recht vertrouwde. Hij nam zich echter voor, zelf toe te zien dat er niets verzuimd werd. Toen Lady Honoria hoorde wat het kind scheelde, werd zij wrevelig.
“Wat zijn kinderen toch een groote last,” zeide zij. “Dat zij daar nu zoo opeens longontsteking moet krijgen! Het zal er nog op uitloopen dat ik morgenavond niet naar het bal van de hertogin zal kunnen gaan. En zij was er zoo vriendelijk op gesteld dat ik komen zou! Bovendien heb ik dat nieuwe kleed er opzettelijk voor gekocht. Voor niets anders zou ik ooit zooveel kosten gemaakt hebben.”
“Wees waar niet ongerust,” zeide Geoffrey. “Het Lagerhuis houdt morgen geen zitting; ik zal haar weloppassen. Tenzij Effie in dien tusschentijd sterft, zult ge zeker wel naar het bal kunnen gaan.”
“Sterven—wat een zottepraat! De dokter zegt immers, dat het een heel lichte aanval is. Waarom zou zij sterven?”
“Ik hoop dat er geen vrees voor is, Honoria. Maar zij moet goed verzorgd worden. Ik vertrouw die Anne niet. Ik zou toch wel een ziekenverpleegster willen nemen.”
“Als ge dat doet, zal zij buitenshuis moeten slapen. Amelia (Lady Garsington) komt van avond hier, en ik moet haar kamenier ergens bergen; en er is in Effie’s kamer geen plaats voor nog een ledekant.”
“Nu ja, dat is alles goed en wel,” hernam Geoffrey, “en het zal, hoop ik, ook niet noodig zijn, maar als Effie erger wordt, zult ge er voor moeten zorgen dat er plaats gemaakt wordt.”
Doch Effie werd niet erger. Zij bleef zoo al hetzelfde. Geoffrey zat den geheelen dag tehuis, en hield zich bezig met akten te lezen; gelukkig behoefde hij niet naar het Gerechtshof te gaan. Omstreeks zes uur ging hij naar het Lagerhuis, en hoorde een vervelende bespreking aan over het aannemen van de Welsche taal in de gerechtshoven van Wales.
Eensklaps gevoelde hij een allerzonderlingste beklemdheid. Een onbeschrijfelijke angst greep hem aan, zijn ziel was vervuld van akelige voorgevoelens. Hij scheen te gevoelen dat er iets verschrikkelijks gebeurde. Zijn geest was verward, maar allengs werd het hem helderder en begon hij te begrijpen, dat een groot gevaar Beatrice bedreigde. Ja, daar was hij zeker van. De kreten, die zij in haar doodstrijd slaakte, bereikten hem waar hij was, hoewel in geen vorm, dien hij kon begrijpen; nog éénmaal, en voor de laatste maal, sprak haar ziel tot de zijne.
Toen scheen plotseling een koude wind hem in ’t gelaat te blazen en door zijn haar te spelen, en alles was voorbij. Zijn geest was weder zooals even te voren; weder hoorde hij den vervelenden redenaar, en zag hij de leden heengaan, om te dineeren. Wat zijn geest geschokt had, was niet meer, alles was zooals het geweest was. Dat was ook niet vreemd, want de band was verbroken. Beatrice wasdood. Zij was in het rijk van ondoorgrondelijk stilzwijgen overgegaan.
Met een diepen zucht richtte Geoffrey zich op, en terwijl hij dit deed, werd hem een brief overhandigd. Het adres was van Beatrice’s hand, en met het postmerk van Chester. Een huivering overviel hem. Wat zou die brief behelzen? Hij spoedde zich er mede naar een afzonderlijke kamer en brak de enveloppe open. De brief was uit Bryngelly op den vorigen Zondag gedateerd, en nog een paar andere brieven waren er bij ingesloten.
“Geliefde Geoffrey,” begon hij, “ik heb u nooit te voren aldus op het papier toegesproken, en zou het ook nu niet doen, wetende in welk gevaar zulke geschreven woorden u zouden kunnen brengen,ware het niet dat er omstandigheden kunnen voorkomen (zooals in dit geval) die er toe schijnen te rechtigen. Want als alles uit is tusschen een man en een vrouw, die voor elkander zijn wat wij geweest zijn, dan is het goed dat degene, die heengaat, duidelijk spreekt, voordat spreken onmogelijk is, opdat degene, die overblijft, niet verkeerd zal begrijpen wat gedaan is.
“Geoffrey, ’t is waarschijnlijk—’t is bijna zeker—dat eer deze woorden u onder de oogen komen, ik naar het lichaam zijn zal, waar zij mij nimmer weder kunnen zien. Ik schrijf u op den rand des grafs: als gij dit leest, zal het over mij gesloten zijn.
“Geoffrey, dan zal ik dood zijn.
“Ik heb uw dierbaren brief (die is nu vernietigd), waarin gij den wensch te kennen geeft dat ik met u naar een ander land zal gaan, ontvangen, en er met een paar woorden op geantwoord. Ik durfde mijzelve niet vertrouwen om meer te schrijven, en ik had er ook den tijd niet toe. Hoe kondet gij denken dat ik ooit zulk een aanbod om mijnentwil zou aannemen, daar het uw loopbaan bedorven zou hebben? Maar eerst zal ik u alles mededeelen wat hier gebeurd is.” (Nu volgde een lange en nauwkeurige beschrijving van het voorgevallene, waarmede wij reeds bekend zijn: hoe Beatrice door haar zuster beschuldigd was, welke bedreigingen Owen Davies tegen hem geuit had, en welke maatregelen zij genomen had om tijd te winnen.)
“Hierbij,” luidde de brief verder, “sluit ik den brief van uw vrouw aan mij in. En ik wil er de verklaring bijvoegen, dat ik geen woord tegen Lady Honoria of haar brief heb aan te voeren. Ik geloof dat zij volkomen gerechtigd was om zoo te schrijven als zij gedaan heeft, want gij zijt toch, in allen gevalle, haar echtgenoot, en door elkaar te beminnen hebben wij tegen haar gezondigd. Terecht zegt zij mij, dat het mijn plicht is alle verdere gemeenschap tusschen ons onmogelijk te maken. Er is slechts één middel om dat te doen, en dat middel neem ik te baat.
“En nu heb ik genoeg over mijzelve gesproken en ik wil niet in bizonderheden treden, die u slechts verdriet zouden kunnen doen.
“Ik heb tegen alle lasterlijke praatjes voorzien door den tweeden brief, dien ik hierbij heb ingesloten, ingeval er een woord ten uwen nadeele gezegd mocht worden wanneer ik niet meer ben. Gij kunt die des noods laten drukken; hij is een voldoend antwoord op allen laster. Na dien brief gelezen te hebben, zal niemand kunnen gelooven dat gij met het ongeluk, dat gebeuren zal, in eenig verband hebt gestaan. Nog één woord maar—alweer over mijzelve! Meen niet dat gij er eenige schuld aan hebt, want gij zijt vrij van alle blaam; ik heb het uit vrijen wil gedaan, omdat ik het, door de omstandigheden tot het uiterste gedreven, beter achtte dat de een uit den weg geruimd en de ander gered werd, dan dat beiden in ’t verderf gestort werden.
“Herinnert gij u nog wel dat zonderling visioen, dat ik had, toen ik droomde dat ge mijn borst aanraaktet en mij licht aanweest? Zoo is het ook gebeurd, want gij hebt mij liefde geschonken—dat is licht; en nu zal ik in den dood wijsheid zoeken. En dewijl ik u niet mag bezitten en alles in alles voor u zijn, ga ik met vreugde heen. Want hier op de wereld is rust noch geluk; evenals in mijn droom, schijnt de Hoop maar al te dikwijls haar sterrengewaad te verscheuren.
“Ja, met vreugde verlaat ik zulk een wereld, waar ik slechts één geluk heb gevonden—de zegening van uw liefde. Ik ben afgemat van het strijden, en nu ik u heb verloren, verlang ik naar rust. Ik weet niet of het zonde is wat ik doe; zoo ja, moge het mij dan vergeven worden. Als vergiffenis onmogelijk is, zoo zij het dan! Gij zult mij vergeven, Geoffrey, en gij zult mij altijd liefhebben, hoe slecht ik ook zijn moge; zelfs wanneer gij ten laatste komt waar iknietben, zult gij de dwalende vrouw, voor wie gij alles in alles waart, gedenken en haar liefhebben. Wij zijn niet gehuwd, Geoffrey, volgens de gebruiken der wereld, maar over twee dagen zal de Dood de priester zijn, die ons plechtig voor eeuwig verbindt. Wie kan voorspellen wat niemand met zekerheid weet? En toch geloof ik, dat er voor zoo innig verwante zielen als de onze een wederzien in zalige vereeniging moet zijn. Als dat zoois, dan is het waard er voor geleefd te hebben en gestorven te zijn; zoo niet, dan, Geoffrey, vaarwel!
“Als gij den nachtwind hoort suizen, hoor er dan mijn stem in; als gij naar de sterren opziet, zie er mijn oogen in; en mijn liefde zal de lucht zijn, die gij inademt. O, wat heb ik u nog veel te zeggen, dat ik niet onder woorden kan brengen! Maar als gij ooit iets hoort of leest, dat schoon en teeder is, denk dan: ‘Dit is het, wat Beatrice mij had willen zeggen en het niet kon.’
“Gij zult een groot man worden, de grootste of een der grootsten van uw tijd. Gij hebt mij reeds beloofd daarin te volharden tot het einde; ik vraag u niet het opnieuw te beloven. Vergenoeg u niet de wereld te nemen zooals zij is. Een vrouw moet dat wel; maar groote mannen hervormen de wereld. En als gij het tot grootheid gebracht hebt, Geoffrey, zult gij, dat weet ik, uw macht en invloed gebruiken, niet tot uw eigen belang, maar tot edele en grootsche doeleinden; het zal uw streven zijn de armen te helpen, de verdrukten van hun juk te bevrijden, en de eer van uw land te bevorderen. Dat alles zult gij doen uit uw eigen hart, niet omdat ik het van u verlang, maar bedenk dat uw roem mijn beste gedenkteeken zal zijn.
“Vaarwel, vaarwel! O, Geoffrey, geliefde, vergeet mij niet in de lange jaren, die komen zullen. Vergeet mij niet, als anderen u vleien en uw liefde trachten te winnen, want nimmer kan iemand voor u zijn wat ik voor u geweest ben—niemand kan u ooit zoo liefhebben als uw verloren Beatrice, die u deze afscheidswoorden schrijft en u met haar laatsten ademtocht zegent.”
Nu volgde er een postscriptum in potlood, van het Paddington-station op dienzelfden ochtend gedateerd.
“Ik ben naar Londen gereisd om u te zien, Geoffrey. Ik kon niet sterven zonder uw gelaat nog eenmaal aanschouwd te hebben. Ik was in de galerij van het Lagerhuis, en heb uw schoone redevoering gehoord. Uw vriend heeft mij een plaats bezorgd. Later zijt gij mij strijkelings langs den pilaar bij den uitgang voorbijgegaan. Toen liep ik weg, omdat ik bespeurde dat uw vriend omzagen naar mij keek. Ik zal dezen brief kussen—hier, aan het slot—druk er daar ook een kus op—dat is onze laatste, koude omhelzing. Voordat ik een einde aan mijn leven maak, zal ik den ring, dien ge mij gegeven hebt, aan mijn vinger steken. Ik heb hem altijd op mijn hart gedragen. Toen ge mij aan den uitgang zoo dicht voorbijkwaamt dat ik uw jas aanraakte, dacht ik dat ik neergezegen zou zijn, en kon ik mij nauwelijks weerhouden u toe te roepen—maar ik vond de kracht om het niet te doen. Mijn hart breekt, en mijn oogen zijn door tranen verblind; ik kan niet meer schrijven; ik heb niets meer te zeggen. Nogmaals, vaarwel!Ave atque vale!—B.”
De tweede brief was bestemd om te figureeren als een, zooals ieder jong meisje aan een heer, die een vriend van haar was, geschreven zou hebben. Hij begon: “Waarde mijnheer Bingham,” en eindigde: “Uw dienstwillige Beatrice Granger”; hij behelsde niets anders dan beuzelachtigheden, en gaf de hoop te kennen dat hij later in den zomer nog eens te Bryngelly zou komen, om samen een roeitochtje te doen.
Het sprak vanzelf, dacht Beatrice, dat wanneer Geoffrey door Owen Davies of een ander beschuldigd mocht worden van iets met haar geheimzinnig uiteinde te maken te hebben, zulk een epistel, twee dagen te voren geschreven, de ongerijmdheid van zulk een denkbeeld zou bewijzen. Die arme Beatrice, zij was vol voorzorgen!
De indruk, dien deze verbazende en hartverscheurende brief op Geoffrey maakte, laat zich niet beschrijven. Als Beatrice zijn gelaat had kunnen zien, nadat hij hem gelezen had, zou zij geen zelfmoord begaan hebben. In een oogenblik was het als dat van een oud man geworden. Toen de geheele waarheid hem voor den geest stond, was hij aan zulk een foltering van ontzetting, wroeging en wanhoop ter prooi, dat hij een gevoel had alsof zijn levenskrachten er onder bezwijken zouden, en hij op dit oogenblik zou sterven, wat hem het wenschelijkst geweest zou zijn. O, welk een verschrikkelijk denkbeeld dat dit geliefde meisje zich voor hem,een sterk man, den dood in de armen had geworpen! Hoe zielsfolterend was het, zich haar voor te stellen achter dien pilaar verscholen, toen hij haar strijkelings voorbijkwam, terwijl hij, driewerf vervloekte dwaas, er niets van wist voordat het te laat was; te weten dat hij haar ontmoet zou hebben, als hij, in plaats van naar Euston, naar Paddington was gegaan! Die liefde, zoo verheven in haar kracht, was dan nu voor altijd voor hem verloren—dat dierbaar gelaat zou hij nooit weer zien! O, zijn hart zou breken! Dat was niet te verduren!
En die laaghartigen, die haar er toe gedreven hadden om den dood te zoeken! O, hij zou dien Owen Davies dooden—en Elisabeth ook, als zij geen vrouw was, en wat Honoria betrof, met haar had hij afgedaan. Schandaal—wat gaf hij om schandaal? Als hij zijn zin had, zou er juist schandaal zijn, want hij zou dien Owen Davies verslaan, dat ondier, dat zich niet ontzien had een vrouw angst aan te jagen om het bevredigen van zijn wellust te bevorderen—ja, hij zou hem naar het vasteland sleepen en hem daar dooden. Wraak was het eenige, wat hem overbleef!
Halt! hij moest niet aan die eerste indrukken toegeven—misschien was zij niet dood—misschien was dat akelig voorgevoel, dat hem nog vóór de ontvangst van den brief bestormd had, niet anders dan een droom geweest. Kon hij telegrafeeren? Neen, het was te laat; het bureau te Bryngelly zou gesloten zijn—het was nu over achten. Maar hij kon er heen gaan. Even over negenen ging er een trein—hij kon er den volgenden ochtend te half zeven zijn. Maar Effie was ziek—welnu, voor vier-en-twintig uur zou zij wel oppassing hebben; zij was in geen gevaar, en hij moest gaan—die folterende spanning kon hij niet uithouden. O, als zij het werkelijk gedaan had!
Geoffrey nam een vel papier en beproefde te schrijven. Hij kon het niet, zijn hand beefde te zeer. Met een kermenden zucht stond hij op, ging naar de ververschingkamer en dronk twee glazenbrandyachter elkaar leeg. Het geestrijk vocht had uitwerking op hem; nu kon hij schrijven. Snel krabbelde hij op een vel papier:
“Ik ben wegens een zaak van gewicht uit de stad geroepen, en zal waarschijnlijk niet vóór Donderdagochtend terugkomen. Zorg dat Effie goed wordt opgepast. Als ik niet terug ben, moet gij niet naar het bal van de hertogin gaan.“Geoffrey Bingham.”
“Ik ben wegens een zaak van gewicht uit de stad geroepen, en zal waarschijnlijk niet vóór Donderdagochtend terugkomen. Zorg dat Effie goed wordt opgepast. Als ik niet terug ben, moet gij niet naar het bal van de hertogin gaan.
“Geoffrey Bingham.”
Toen adresseerde hij den brief aan Lady Honoria, en liet hem door een bode bezorgen. Daarna riep hij eencabaan, en beval den voerman zoo snel als zijn paard loopen kon naar Euston te rijden.
Hoofdstuk XXX.Ave atque vale.De verschrikkelijke reis—geen nachtmerrie was ooit zoo akelig—was eindelijk afgeloopen; daar was het station van Bryngelly. Geoffrey sprong den trein uit en gaf zijn kaartje af, daarbij den spoorwegbeambte, die het aannam, in het gelaat ziende. Als er een treurig voorval had plaats gehad, zou de man het geweten hebben, en er op zijn gelaat wel iets van die half verblijde uitdrukking dat er een akelig geheimzinnig nieuwtje te vertellen was, te lezen zijn geweest. Maar geen teeken was daarvan te bespeuren, en dit wekte weer een schemering van hoop in Geoffrey’s gefolterd hart.Hij verliet het station, en liep snel naar de pastorie, in een gemoedstoestand, zooals alleen zij kunnen beseffen, die de spanning van onzekerheid in de hoogste mate harer verschrikkelijkheid kennen. Maar spoedig kwam er een einde aan. Toen hij aan het hek van de pastorie was, kwam de dikke Welsche dienstmaagd Betty hem haastig te gemoet. Nu verloor Geoffrey alle hoop.De dienstmaagd herkende hem, en in haar verwarring scheen zij in ’t minst niet verwonderd te zijn hem daar op een zomerochtend, kwartier vóór zevenen, te zien. Zelfs bracht zij Geoffrey eenigszins met Beatrice in verband, want dadelijk zeide zij:“O, mijnheer, weet gij ook waar Miss Beatrice is?”“Neen,” riep hij, zich tot steun aan het hek vastgrijpende. “Waarom vraag je dat? Ik heb haar in geen weken gezien.”Nu deed Betty een lang verhaal. Mijnheer Granger en Miss Elisabeth waren van huis, en zouden eerst over twee uren terugkomen. Miss Beatrice was gisterennamiddag uitgegaan en niet thuisgekomen om thee te drinken. Daar was Betty niet ongerust over geweest, meenende dat zij ergens den avond doorbracht, en omdat zij zeer vermoeid was, had zij niet op haar gewacht, maar was om acht uur naar bed gegaan en had de deur niet op slot gedaan. Toen zij dien ochtend opstond, zag zij dat Miss Beatrice dien nacht niet thuis geslapen had, en nu ging zij haar zoeken.“Waar ging zij heen, toen zij uitging?” vroeg Geoffrey.Dat wist Betty niet, maar zij dacht dat Miss Beatrice was gaan roeien. Zij had, ten minste, haartennis-schoenen aangedaan, wat zij altijd deed als zij uit roeien ging.Nu begreep Geoffrey het maar al te wel. “Ga mee naar het schuitenhuis,” zeide hij.Zij gingen naar het strand, waar op dit uur nog niemand was, behalve eenige werklieden. Bij het schuitenhuis ontmoetten zij den ouden Eduard, die daar met een sleutel in de hand liep.“Mijn Hemel, mijnheer!” zeide hij. “Gij hier! Wat komt gij hier zoo vroeg doen?”“Is Miss Beatrice gisterenavond met haar bootje uit geweest?” vroeg Geoffrey, met een heesche stem.“Neen, mijnheer, zoover ik weet, niet. Mijn zoon heeft gisterenavond het schuitenhuis gesloten, en hij zal er wel eerst in gekeken hebben. Wat! Gij bedoelt toch niet—Wacht, we zullen het dadelijk weten. O, God! het bootje is weg!”Een akelig stilzwijgen volgde hierop. De oude Eduard brak het af.“Zij is verdronken, mijnheer,—ja, zoo is ’t,—ik heb wel gezegd dat het daar eenmaal toe komen zou! Verdronken—zij, het mooiste en liefste meisje in heel Wales! En dat alleen door dat vervloekte, wrakke ding. God helpe haar! Verdronken is zij, zeg ik—”Op die woorden barstte Betty in een luid geween uit.“Stil, meisje,” zeide Geoffrey, zijn bleek gelaat naar haar toe wendende. “Ga naar de pastorie terug, en als mijnheer Granger thuiskomt, zeg hem dan wat wij vreezen. Eduard, laat eenige mannen langs de kust tusschen hier en Coed zoeken en eenige anderen in een zeilboot. Ik zal naar de Bel-Rots loopen—gij kunt mij volgen.”Met snelle schreden liep hij langs het strand, vorschend op de zee starende. In somber stilzwijgen schreed hij voort—wanhopig trachtende tegen alle hoop in nog te hopen—deDog-Rocksvoorbij, de lange bocht van het strand om, totdat hij aan het Amphitheater kwam. De vloed was nog hoog; hij kon het vooruitstekende punt nauwelijks voorbij. Toen hij daar omheen was, bleef hij verstijfd van ontzetting staan. Want daar, met den bodem naar boven gekeerd, en door de golven heen en weer gewiegd, lag het bootje van Beatrice.Verslagen, hopeloos, waadde Geoffrey tot aan de knieën door het water, greep den boeg van het bootje, en sleepte het op het strand. Er scheen niets in te zijn; natuurlijk kon hij ook niets anders verwachten. Zij, die er in had gezeten, was gezonken en door de eb meegevoerd, terwijl het bootje met den ochtendvloed was meegedreven.Hij zette het overeind, om het water er uit te laten loopen, en uit de holte van den boeg rolde iets blinkends, door een bruin voorwerp gevolgd. Snel liet hij het bootje zakken en raapte het blinkende kleine voorwerp op. Het was zijn eigen ring—den Romeinschen ring, dien hij Beatrice had gegeven, en dien zij hem in den brief gezegd had in haar doodsuur te zullen dragen. Hij raakte den ring met zijn lippen aan en stak dien aan zijn vinger, zwerende dat hij dit aandenken van de geliefde doode in zijn levenniet zou afleggen en dat het na zijn dood met hem begraven zou worden.Ave atque vale—dat waren de woorden, die er ruw in gegraveerd stonden. Gegroet en vaarwel—haar laatste woorden aan hem! O, Beatrice! aan u ookave atque vale. Gij hadt geen gepaster boodschap kunnen zenden. Gegroet en vaarwel! Was daarin niet alles opgesomd? In den cirkel van dien kleinen ring was geheel het menschelijk leven samengevat: hier was het begin en het einde van Liefde en Haat, van Hoop en Vrees, van Vreugde en Droefheid.En wat was dat andere overblijfsel? Hij nam het op—het was haartennis-schoen, die van haar voet was gespoeld.Door aandoening overstelpt, wierp Geoffrey zich snikkend op de rots neder—die rots, waar hij met haar had gezeten, toen de Hemel voor hun oogen geopend was. Maar zulk betoon van aandoening ligt niet in den aard van een man, en gelukkig duurde die vlaag van hartstochtelijkheid niet lang. Dat had hij ook niet kunnen uithouden.Hij stond op en liep het strand weder langs. Juist kwam de oude Eduard met zijn zoon aan. Geoffrey wees naar de boot, en hield het schoentje omhoog.“Ach,” zeide de oude man, “zooals ik wel dacht! Zij is verdronken; zij ligt nu twintig mijlen ver, en de zeemeeuwen krijschen boven haar. Dat komt door dat ellendige bootje. Ik wou dat ik het maar lang geleden had stukgeslagen. Ik had wel voor niet een nieuw bootje voor haar willen maken. Dat vervloekte wrakke ding!” riep de oude man, het hoofd afwendende, om de tranen, die langs zijn verweerd gelaat vloeiden, te verbergen. “Daar, verwenschte notedop!” En hij nam een rotsblok op, en wierp het met al zijn kracht door den bodem van het bootje. “Je zult niemand meer verdrinken. Maar u heeft het geluk aangebracht, mijnheer; gij zult uw leven lang fortuin hebben. Het heeft uden schoen van een drenkelinggebracht.”“Breek het niet verder,” zeide Geoffrey. “Zij hechtte er waardeaan. Brengt het liever tusschen u beiden weg—het kan misschien noodig zijn. Ik ga naar de pastorie.”Hij liep terug. Granger en Elisabeth waren nog niet thuisgekomen, maar zij werden elk oogenblik verwacht. Hij ging naar de huiskamer. Die was vol herinneringen aan Beatrice. Daar lag een roman, dien hij haar gegeven had, en daar was het blad van den vorigen dag, dat zij uit Londen had medegebracht, deStandard, waarin zijn redevoering stond.Geoffrey hield de hand voor zijn oogen, en dacht na. Niemand anders dan hij wist dat zij zelfmoord begaan had. Als hij daar bekendheid aan gaf, zou er het een en ander van haar gezegd worden; wat van hem gezegd werd, was hem onverschillig; maar haar goede naam moest niet geschonden worden. Er zou, bij voorbeeld, gezegd kunnen worden dat het geheele verhaal waar was, en dat Beatrice gestorven was, omdat zij niet langer, aan openlijke schande blootgesteld, kon leven. Ja, hij deed beter er van te zwijgen hoe en waarom zij gestorven was. Zij was dood—niets kon haar in het leven terugroepen. Maar hoe dan moest hij zijn aanwezigheid hier verklaren? Gemakkelijk genoeg. Hij zou ronduit verklaren dat hij gekomen was, omdat Beatrice hem geschreven had, welke beschuldigingen tegen haar ingebracht waren, en waarmede hij bedreigd was—en dat hij haar dood gevonden had. En daarover had hij een woord met Owen Davies en Elisabeth te spreken.Nauwelijks had hij dit besluit genomen, of Elisabeth en haar vader kwamen binnen. Het was hun duidelijk aan te zien, dat zij nog niets gehoord hadden.Geoffrey stond op, en Elisabeth zag hem staan met fonkelende oogen en een doodsbleek gelaat. Zij deinsde van schrik terug.“Wat brengt u hier, mijnheer Bingham?” vroeg zij, met haar schelle stem.“Kunt gij dat niet vermoeden, Miss Granger?” zeide hij, op strengen toon. “Eenige dagen geleden hebt gij zekere beschuldigingen uitgebracht tegen uw zuster en mij, in tegenwoordigheid van uw vader en mijnheer Owen Davies. Die beschuldigingen zijnmij medegedeeld, en ik ben gekomen om er op te antwoorden en er voldoening voor te vragen.”Granger dribbeldezenuwachtigheen en weer, met een gezicht alsof hij wel had willen wegloopen, maar Elisabeth deed, met karakteristieken moed, de deur dicht, en trotseerde den storm.“Ja, ik heb die beschuldigingen ingebracht, mijnheer Bingham,” zeide zij, “en zij zijn waar. Maar, wacht, wij moesten liever eerst Beatrice laten roepen.”“Gij kunt haar laten roepen, maar gij zult haar niet vinden.”“Wat bedoelt gij daarmede—wat wil dat zeggen?” vroeg haar vader ongerust.“Het wil zeker zeggen, dat hij haar ergens verborgen heeft,” zeide Elisabeth, met een hoonenden glimlach.“Het wil zeggen, mijnheer Granger, dat uw dochter Beatricedoodis.”Ditmaal verloor Elisabeth haar zelfbeheersching en kon een kreet van schrik niet bedwingen, terwijl haar vader tegen den wand achteruit waggelde.“Dood! dood! Wat bedoelt gij? Hoe is zij gestorven?” vroeg hij.“Dat is God en haar alleen bekend,” antwoordde Geoffrey. “Zij is gisterenavond in haar bootje uitgegaan. Toen ik hier van ochtend aankwam, werd zij voor ’t eerst vermist. Ik heb langs het strand geloopen en haar bootje ’t onderste boven gevonden,” en hij legde den doorweekten schoen op de tafel.Nu ontstond er een diep stilzwijgen, te midden waarvan Owen Davies met woesten blik en verwarde haren de kamer binnenstormde.“Is het waar?” riep hij uit; “zeg het mij—het kan niet waar zijn dat Beatrice verdronken is. Zij kan mij niet ontnomen zijn, juist nu zij met mij zou trouwen. Zeg dat het niet waar is!”Geoffrey’s bloed kookte. Hij liep de kamer door, deed de deur op slot, en bleek van woede en met vlammende oogen greep hij Owen Davies bij de schouders als in een schroef.“Gij, vervloekte schurk—lage hond!” barstte hij los, “gij en die slechte vrouw,” en hij schudde zijn vuist tegen Elisabeth, “hebtsamengespannen om een smet op Beatrice te werpen. Gij hebt nog meer gedaan; gij hebt gedreigd mij aan te vallen, te beproeven mij in ’t verderf te storten, als zij zich niet aan u wilde overgeven. Verfoeilijke huichelaar, gij hebt haar gekweld en haar schrik aangejaagd; nu ben ik hier omuschrik aan te jagen. Gij hebt gezegd dat gij het land van uw lastertaal zoudt doen weergalmen. Maar dit zeg ik u—luistert gij naar mij?—als gij het waagt haar naam in zulk een beteekenis te noemen, of als die vrouw het waagt, zal ik alle beenderen in uw ellendig lichaam stukslaan—bij den Hemel, ik zal u dooden!” En hij stiet Davies van zich, en terwijl hij dit deed, gaf hij hem met den rug van zijn hand een slag in ’t aangezicht.De man nam geen notitie van de woorden, of van de doodelijke beleediging van den slag.“Is het waar?”schreeuwdehij uit; “is het waar, dat zij dood is?”“Ja,” zeide Geoffrey, hem volgende en zijn rijzige gestalte over hem heen buigende, want Davies was tegen den wand nedergevallen, “ja, ’t is waar—zij is dood—en voor altijd buiten uw bereik. Bid God dat gij allen niet eenmaal haar moordenaars genoemd moogt worden—schaamtelooze laaghartigen!”Owen Davies slaakte een schellen kreet en zonk als een zoutzak op den grond ineen.“Er is geen God,” kermde hij; “God had haar mij beloofd—zij zou de mijne worden—gij hebt haar gedood; gij—gij hebt haar eerst verleid, en toen hebt gij haar gedood. Ik geloof dat gij haar gedood hebt. O, ik zal nog krankzinnig worden!”“Krankzinnig of niet,” zeide Geoffrey, “zeg deze woorden nog eens, en ik trap u het leven uit uw lijf, zooals gij daar ligt. God had haar u beloofd, durft gij zeggen—dat meisje beloofd aan zoo’n hond als gij zijt! Ha, neem u in acht!”Owen Davies gaf geen antwoord. Daar, op den grond nedergehurkt, wiegde hij zich heen en weder, kermend in den waanzin van teleurgestelde begeerte.“Die man,” hernam Geoffrey, zich tot Elisabeth wendende, diehem uit een hoek van de kamer aangluurde als een wilde kat, “zegt dat er geen God is. Ik zeg dat er een God is, en dat eenmaal, vroeg of laat, Zijn wraak u zal treffen—moordenares, schrijfster van naamlooze brieven; gij, die, om uw eigen booze oogmerken, wat die ook zijn mogen, te bevorderen, u niet geschaamd hebt den naam van uw onschuldige zuster door het slijk te sleuren. Ik heb tot dusverre nooit aan een hel geloofd, maar er moet een hel zijn, Elisabeth Granger, voor dezulken als gij. Ga uws weegs; leef uw tijd uit; maar leef ieder uur in vrees en beving voor de wraak, die u eenmaal zoo zeker treffen zal als gij sterven zult.“En wat u betreft, mijnheer,” ging hij voort, den bevenden vader toesprekende, “u laak ik niet zoo sterk, omdat ik geloof dat die adder uw gemoed vergiftigd heeft. Gij hebt misschien geloofd dat het vertelsel waar was. ’t Is niet waar; het was een leugen. Beatrice, die nu dood is, kwam in haar slaap in mijn kamer, en werd er uitgedragen zooals zij er was ingekomen. En gij, haar vader, hebt dien ellendeling en uw dochter van haar verlegenheid gebruik laten maken als een hefboom om haar te dwingen tot een huwelijk, dat zij verfoeide. Ja, wel moogt gij uw gelaat bedekken. Doet allen het ergste wat gij wilt, maar bedenkt dat gij ditmaal te doen hebt met een man, die terug weet te slaan, en niet met een weerloos meisje.”“Bij den Hemel, het was mijn schuld niet, mijnheer Bingham,” bracht de oude man stamelend uit. “Ik ben er onschuldig aan. Die vrouwelijke Judas, Elisabeth, heeft haar zuster verraden, omdat zij zelve met hem wilde trouwen;” en hij wees naar de ineengezonken gedaante op den vloer. “Zij dacht dat het hem tegen Beatrice zou bevooroordeelen, en hij—hij meende dat zij aan u gehecht was, en op die gehechtheid wilde hij werken.”“Zoo,” zeide Geoffrey, “nu hebben wij het. En gij, mijnheer, stondt er bij en zaagt toe, omdat gij meendet van haar zielsangst voordeel te kunnen trekken. Nu zal ik u zeggen, wat ik voornemens was geweest verzwegen te houden. Ik beminde haar. Ja, ik beminde haar—evenals zij mij beminde. Ik verklaar dat gij te zamenhaar den dood te gemoet hebt gedreven. Haar bloed kome over uw hoofd, voor altijd en eeuwig!”“O, breng mij naar huis!” jammerde de zoutzak op den vloer—“breng mij naar huis, Elisabeth! Ik durf niet alleen gaan. Beatrice’s schim zal mij vervolgen. Mijn hoofd draait om en om. Breng mij weg, Elisabeth, en blijf bij mij. Gij zijt niet bang voor haar, gij zijt voor niets bang.”Elisabeth kwam hem te hulp, met een nijdigen blik op Geoffrey. Zij was verschrikt en totaal verslagen, maar toch kon zij nog nijdig zien. Zij nam den jammerenden zoutzak bij de hand, en trok hem de kamer uit. Zij bracht hem naar zijn kasteel en zijn rijkdom. Zes maanden later kwam zij met hem voor den dag, om met hem te trouwen, zoo half krankzinnig als hij was. Een jaar en acht maanden daarna werd hij naar zijn laatste rustplaats gebracht, en was zij de rijkste weduwe in Wales.Maar in haar borst lag de kiem van een doodelijke ziekte.Nog geen drie maanden nadat zij van hem bevrijd was, stierf Elisabeth ook, en de rijkdom ging in andere handen over.Geoffrey en Granger bleven alleen. De oude man leunde met het hoofd op de tafel en weende bitterlijk.“Heb medelijden,” zeide hij, “zeg zulke woorden niet tegen mij. Ik had haar werkelijk lief, maar tegen Elisabeth was ik niet bestand, en ik ben zoo arm. O, als gij haar ook liefhadt, heb dan medelijden! Ik maak er u geen verwijt van dat gij haar liefhadt, hoewel gij er het recht niet toe hadt. Als gij geen liefde voor haar hadt opgevat en niet gemaakt hadt dat zij die liefde beantwoordde, zou dit alles niet gebeurd zijn. Waarom zegt gij zulke verschrikkelijke dingen tegen mij, mijnheer Bingham?”“Ik had haar lief,” antwoordde Geoffrey, op zachten toon, nu zijn woede voorbij was, “omdat men een meisje zooals zij was niet kon zien zonder haar lief te hebben. Op de geheele wereld is haars gelijke niet te vinden. Maar wie ben ik, dat ik u zou laken? God vergeve ons allen! Voortaan leef ik in de hoopdat ik haar daar, waarheen zij gegaan is, moge wedervinden.”Beiden bewaarden daarop eenige oogenblikken het stilzwijgen.“Mijnheer Granger,” hernam Geoffrey, “wees nooit bekommerd over geldzaken. Gij waart haar vader; wat gij noodig hebt, en waar ik in voorzien kan, zult gij hebben. Laten wij elkaar de hand geven, en afscheidnemen om elkaar nooit weer te zien. Zooals ik gezegd heb, God vergeve ons allen!”“Dank u—dank u,” zeide de oude man, door het witte haar heen, dat over zijn oogen viel, opziende. “Het is een zonderlinge wereld, en wij zijn allen ellendige zondaars. Ik hoop dat er ergens een betere wereld is. Deze ben ik bijna moede, vooral nu Beatrice er niet meer is. Arm meisje, zij was een goede, lieve dochter! Vaarwel! Vaarwel!”Toen ging Geoffrey heen.
De verschrikkelijke reis—geen nachtmerrie was ooit zoo akelig—was eindelijk afgeloopen; daar was het station van Bryngelly. Geoffrey sprong den trein uit en gaf zijn kaartje af, daarbij den spoorwegbeambte, die het aannam, in het gelaat ziende. Als er een treurig voorval had plaats gehad, zou de man het geweten hebben, en er op zijn gelaat wel iets van die half verblijde uitdrukking dat er een akelig geheimzinnig nieuwtje te vertellen was, te lezen zijn geweest. Maar geen teeken was daarvan te bespeuren, en dit wekte weer een schemering van hoop in Geoffrey’s gefolterd hart.
Hij verliet het station, en liep snel naar de pastorie, in een gemoedstoestand, zooals alleen zij kunnen beseffen, die de spanning van onzekerheid in de hoogste mate harer verschrikkelijkheid kennen. Maar spoedig kwam er een einde aan. Toen hij aan het hek van de pastorie was, kwam de dikke Welsche dienstmaagd Betty hem haastig te gemoet. Nu verloor Geoffrey alle hoop.
De dienstmaagd herkende hem, en in haar verwarring scheen zij in ’t minst niet verwonderd te zijn hem daar op een zomerochtend, kwartier vóór zevenen, te zien. Zelfs bracht zij Geoffrey eenigszins met Beatrice in verband, want dadelijk zeide zij:
“O, mijnheer, weet gij ook waar Miss Beatrice is?”
“Neen,” riep hij, zich tot steun aan het hek vastgrijpende. “Waarom vraag je dat? Ik heb haar in geen weken gezien.”
Nu deed Betty een lang verhaal. Mijnheer Granger en Miss Elisabeth waren van huis, en zouden eerst over twee uren terugkomen. Miss Beatrice was gisterennamiddag uitgegaan en niet thuisgekomen om thee te drinken. Daar was Betty niet ongerust over geweest, meenende dat zij ergens den avond doorbracht, en omdat zij zeer vermoeid was, had zij niet op haar gewacht, maar was om acht uur naar bed gegaan en had de deur niet op slot gedaan. Toen zij dien ochtend opstond, zag zij dat Miss Beatrice dien nacht niet thuis geslapen had, en nu ging zij haar zoeken.
“Waar ging zij heen, toen zij uitging?” vroeg Geoffrey.
Dat wist Betty niet, maar zij dacht dat Miss Beatrice was gaan roeien. Zij had, ten minste, haartennis-schoenen aangedaan, wat zij altijd deed als zij uit roeien ging.
Nu begreep Geoffrey het maar al te wel. “Ga mee naar het schuitenhuis,” zeide hij.
Zij gingen naar het strand, waar op dit uur nog niemand was, behalve eenige werklieden. Bij het schuitenhuis ontmoetten zij den ouden Eduard, die daar met een sleutel in de hand liep.
“Mijn Hemel, mijnheer!” zeide hij. “Gij hier! Wat komt gij hier zoo vroeg doen?”
“Is Miss Beatrice gisterenavond met haar bootje uit geweest?” vroeg Geoffrey, met een heesche stem.
“Neen, mijnheer, zoover ik weet, niet. Mijn zoon heeft gisterenavond het schuitenhuis gesloten, en hij zal er wel eerst in gekeken hebben. Wat! Gij bedoelt toch niet—Wacht, we zullen het dadelijk weten. O, God! het bootje is weg!”
Een akelig stilzwijgen volgde hierop. De oude Eduard brak het af.
“Zij is verdronken, mijnheer,—ja, zoo is ’t,—ik heb wel gezegd dat het daar eenmaal toe komen zou! Verdronken—zij, het mooiste en liefste meisje in heel Wales! En dat alleen door dat vervloekte, wrakke ding. God helpe haar! Verdronken is zij, zeg ik—”
Op die woorden barstte Betty in een luid geween uit.
“Stil, meisje,” zeide Geoffrey, zijn bleek gelaat naar haar toe wendende. “Ga naar de pastorie terug, en als mijnheer Granger thuiskomt, zeg hem dan wat wij vreezen. Eduard, laat eenige mannen langs de kust tusschen hier en Coed zoeken en eenige anderen in een zeilboot. Ik zal naar de Bel-Rots loopen—gij kunt mij volgen.”
Met snelle schreden liep hij langs het strand, vorschend op de zee starende. In somber stilzwijgen schreed hij voort—wanhopig trachtende tegen alle hoop in nog te hopen—deDog-Rocksvoorbij, de lange bocht van het strand om, totdat hij aan het Amphitheater kwam. De vloed was nog hoog; hij kon het vooruitstekende punt nauwelijks voorbij. Toen hij daar omheen was, bleef hij verstijfd van ontzetting staan. Want daar, met den bodem naar boven gekeerd, en door de golven heen en weer gewiegd, lag het bootje van Beatrice.
Verslagen, hopeloos, waadde Geoffrey tot aan de knieën door het water, greep den boeg van het bootje, en sleepte het op het strand. Er scheen niets in te zijn; natuurlijk kon hij ook niets anders verwachten. Zij, die er in had gezeten, was gezonken en door de eb meegevoerd, terwijl het bootje met den ochtendvloed was meegedreven.
Hij zette het overeind, om het water er uit te laten loopen, en uit de holte van den boeg rolde iets blinkends, door een bruin voorwerp gevolgd. Snel liet hij het bootje zakken en raapte het blinkende kleine voorwerp op. Het was zijn eigen ring—den Romeinschen ring, dien hij Beatrice had gegeven, en dien zij hem in den brief gezegd had in haar doodsuur te zullen dragen. Hij raakte den ring met zijn lippen aan en stak dien aan zijn vinger, zwerende dat hij dit aandenken van de geliefde doode in zijn levenniet zou afleggen en dat het na zijn dood met hem begraven zou worden.
Ave atque vale—dat waren de woorden, die er ruw in gegraveerd stonden. Gegroet en vaarwel—haar laatste woorden aan hem! O, Beatrice! aan u ookave atque vale. Gij hadt geen gepaster boodschap kunnen zenden. Gegroet en vaarwel! Was daarin niet alles opgesomd? In den cirkel van dien kleinen ring was geheel het menschelijk leven samengevat: hier was het begin en het einde van Liefde en Haat, van Hoop en Vrees, van Vreugde en Droefheid.
En wat was dat andere overblijfsel? Hij nam het op—het was haartennis-schoen, die van haar voet was gespoeld.
Door aandoening overstelpt, wierp Geoffrey zich snikkend op de rots neder—die rots, waar hij met haar had gezeten, toen de Hemel voor hun oogen geopend was. Maar zulk betoon van aandoening ligt niet in den aard van een man, en gelukkig duurde die vlaag van hartstochtelijkheid niet lang. Dat had hij ook niet kunnen uithouden.
Hij stond op en liep het strand weder langs. Juist kwam de oude Eduard met zijn zoon aan. Geoffrey wees naar de boot, en hield het schoentje omhoog.
“Ach,” zeide de oude man, “zooals ik wel dacht! Zij is verdronken; zij ligt nu twintig mijlen ver, en de zeemeeuwen krijschen boven haar. Dat komt door dat ellendige bootje. Ik wou dat ik het maar lang geleden had stukgeslagen. Ik had wel voor niet een nieuw bootje voor haar willen maken. Dat vervloekte wrakke ding!” riep de oude man, het hoofd afwendende, om de tranen, die langs zijn verweerd gelaat vloeiden, te verbergen. “Daar, verwenschte notedop!” En hij nam een rotsblok op, en wierp het met al zijn kracht door den bodem van het bootje. “Je zult niemand meer verdrinken. Maar u heeft het geluk aangebracht, mijnheer; gij zult uw leven lang fortuin hebben. Het heeft uden schoen van een drenkelinggebracht.”
“Breek het niet verder,” zeide Geoffrey. “Zij hechtte er waardeaan. Brengt het liever tusschen u beiden weg—het kan misschien noodig zijn. Ik ga naar de pastorie.”
Hij liep terug. Granger en Elisabeth waren nog niet thuisgekomen, maar zij werden elk oogenblik verwacht. Hij ging naar de huiskamer. Die was vol herinneringen aan Beatrice. Daar lag een roman, dien hij haar gegeven had, en daar was het blad van den vorigen dag, dat zij uit Londen had medegebracht, deStandard, waarin zijn redevoering stond.
Geoffrey hield de hand voor zijn oogen, en dacht na. Niemand anders dan hij wist dat zij zelfmoord begaan had. Als hij daar bekendheid aan gaf, zou er het een en ander van haar gezegd worden; wat van hem gezegd werd, was hem onverschillig; maar haar goede naam moest niet geschonden worden. Er zou, bij voorbeeld, gezegd kunnen worden dat het geheele verhaal waar was, en dat Beatrice gestorven was, omdat zij niet langer, aan openlijke schande blootgesteld, kon leven. Ja, hij deed beter er van te zwijgen hoe en waarom zij gestorven was. Zij was dood—niets kon haar in het leven terugroepen. Maar hoe dan moest hij zijn aanwezigheid hier verklaren? Gemakkelijk genoeg. Hij zou ronduit verklaren dat hij gekomen was, omdat Beatrice hem geschreven had, welke beschuldigingen tegen haar ingebracht waren, en waarmede hij bedreigd was—en dat hij haar dood gevonden had. En daarover had hij een woord met Owen Davies en Elisabeth te spreken.
Nauwelijks had hij dit besluit genomen, of Elisabeth en haar vader kwamen binnen. Het was hun duidelijk aan te zien, dat zij nog niets gehoord hadden.
Geoffrey stond op, en Elisabeth zag hem staan met fonkelende oogen en een doodsbleek gelaat. Zij deinsde van schrik terug.
“Wat brengt u hier, mijnheer Bingham?” vroeg zij, met haar schelle stem.
“Kunt gij dat niet vermoeden, Miss Granger?” zeide hij, op strengen toon. “Eenige dagen geleden hebt gij zekere beschuldigingen uitgebracht tegen uw zuster en mij, in tegenwoordigheid van uw vader en mijnheer Owen Davies. Die beschuldigingen zijnmij medegedeeld, en ik ben gekomen om er op te antwoorden en er voldoening voor te vragen.”
Granger dribbeldezenuwachtigheen en weer, met een gezicht alsof hij wel had willen wegloopen, maar Elisabeth deed, met karakteristieken moed, de deur dicht, en trotseerde den storm.
“Ja, ik heb die beschuldigingen ingebracht, mijnheer Bingham,” zeide zij, “en zij zijn waar. Maar, wacht, wij moesten liever eerst Beatrice laten roepen.”
“Gij kunt haar laten roepen, maar gij zult haar niet vinden.”
“Wat bedoelt gij daarmede—wat wil dat zeggen?” vroeg haar vader ongerust.
“Het wil zeker zeggen, dat hij haar ergens verborgen heeft,” zeide Elisabeth, met een hoonenden glimlach.
“Het wil zeggen, mijnheer Granger, dat uw dochter Beatricedoodis.”
Ditmaal verloor Elisabeth haar zelfbeheersching en kon een kreet van schrik niet bedwingen, terwijl haar vader tegen den wand achteruit waggelde.
“Dood! dood! Wat bedoelt gij? Hoe is zij gestorven?” vroeg hij.
“Dat is God en haar alleen bekend,” antwoordde Geoffrey. “Zij is gisterenavond in haar bootje uitgegaan. Toen ik hier van ochtend aankwam, werd zij voor ’t eerst vermist. Ik heb langs het strand geloopen en haar bootje ’t onderste boven gevonden,” en hij legde den doorweekten schoen op de tafel.
Nu ontstond er een diep stilzwijgen, te midden waarvan Owen Davies met woesten blik en verwarde haren de kamer binnenstormde.
“Is het waar?” riep hij uit; “zeg het mij—het kan niet waar zijn dat Beatrice verdronken is. Zij kan mij niet ontnomen zijn, juist nu zij met mij zou trouwen. Zeg dat het niet waar is!”
Geoffrey’s bloed kookte. Hij liep de kamer door, deed de deur op slot, en bleek van woede en met vlammende oogen greep hij Owen Davies bij de schouders als in een schroef.
“Gij, vervloekte schurk—lage hond!” barstte hij los, “gij en die slechte vrouw,” en hij schudde zijn vuist tegen Elisabeth, “hebtsamengespannen om een smet op Beatrice te werpen. Gij hebt nog meer gedaan; gij hebt gedreigd mij aan te vallen, te beproeven mij in ’t verderf te storten, als zij zich niet aan u wilde overgeven. Verfoeilijke huichelaar, gij hebt haar gekweld en haar schrik aangejaagd; nu ben ik hier omuschrik aan te jagen. Gij hebt gezegd dat gij het land van uw lastertaal zoudt doen weergalmen. Maar dit zeg ik u—luistert gij naar mij?—als gij het waagt haar naam in zulk een beteekenis te noemen, of als die vrouw het waagt, zal ik alle beenderen in uw ellendig lichaam stukslaan—bij den Hemel, ik zal u dooden!” En hij stiet Davies van zich, en terwijl hij dit deed, gaf hij hem met den rug van zijn hand een slag in ’t aangezicht.
De man nam geen notitie van de woorden, of van de doodelijke beleediging van den slag.
“Is het waar?”schreeuwdehij uit; “is het waar, dat zij dood is?”
“Ja,” zeide Geoffrey, hem volgende en zijn rijzige gestalte over hem heen buigende, want Davies was tegen den wand nedergevallen, “ja, ’t is waar—zij is dood—en voor altijd buiten uw bereik. Bid God dat gij allen niet eenmaal haar moordenaars genoemd moogt worden—schaamtelooze laaghartigen!”
Owen Davies slaakte een schellen kreet en zonk als een zoutzak op den grond ineen.
“Er is geen God,” kermde hij; “God had haar mij beloofd—zij zou de mijne worden—gij hebt haar gedood; gij—gij hebt haar eerst verleid, en toen hebt gij haar gedood. Ik geloof dat gij haar gedood hebt. O, ik zal nog krankzinnig worden!”
“Krankzinnig of niet,” zeide Geoffrey, “zeg deze woorden nog eens, en ik trap u het leven uit uw lijf, zooals gij daar ligt. God had haar u beloofd, durft gij zeggen—dat meisje beloofd aan zoo’n hond als gij zijt! Ha, neem u in acht!”
Owen Davies gaf geen antwoord. Daar, op den grond nedergehurkt, wiegde hij zich heen en weder, kermend in den waanzin van teleurgestelde begeerte.
“Die man,” hernam Geoffrey, zich tot Elisabeth wendende, diehem uit een hoek van de kamer aangluurde als een wilde kat, “zegt dat er geen God is. Ik zeg dat er een God is, en dat eenmaal, vroeg of laat, Zijn wraak u zal treffen—moordenares, schrijfster van naamlooze brieven; gij, die, om uw eigen booze oogmerken, wat die ook zijn mogen, te bevorderen, u niet geschaamd hebt den naam van uw onschuldige zuster door het slijk te sleuren. Ik heb tot dusverre nooit aan een hel geloofd, maar er moet een hel zijn, Elisabeth Granger, voor dezulken als gij. Ga uws weegs; leef uw tijd uit; maar leef ieder uur in vrees en beving voor de wraak, die u eenmaal zoo zeker treffen zal als gij sterven zult.
“En wat u betreft, mijnheer,” ging hij voort, den bevenden vader toesprekende, “u laak ik niet zoo sterk, omdat ik geloof dat die adder uw gemoed vergiftigd heeft. Gij hebt misschien geloofd dat het vertelsel waar was. ’t Is niet waar; het was een leugen. Beatrice, die nu dood is, kwam in haar slaap in mijn kamer, en werd er uitgedragen zooals zij er was ingekomen. En gij, haar vader, hebt dien ellendeling en uw dochter van haar verlegenheid gebruik laten maken als een hefboom om haar te dwingen tot een huwelijk, dat zij verfoeide. Ja, wel moogt gij uw gelaat bedekken. Doet allen het ergste wat gij wilt, maar bedenkt dat gij ditmaal te doen hebt met een man, die terug weet te slaan, en niet met een weerloos meisje.”
“Bij den Hemel, het was mijn schuld niet, mijnheer Bingham,” bracht de oude man stamelend uit. “Ik ben er onschuldig aan. Die vrouwelijke Judas, Elisabeth, heeft haar zuster verraden, omdat zij zelve met hem wilde trouwen;” en hij wees naar de ineengezonken gedaante op den vloer. “Zij dacht dat het hem tegen Beatrice zou bevooroordeelen, en hij—hij meende dat zij aan u gehecht was, en op die gehechtheid wilde hij werken.”
“Zoo,” zeide Geoffrey, “nu hebben wij het. En gij, mijnheer, stondt er bij en zaagt toe, omdat gij meendet van haar zielsangst voordeel te kunnen trekken. Nu zal ik u zeggen, wat ik voornemens was geweest verzwegen te houden. Ik beminde haar. Ja, ik beminde haar—evenals zij mij beminde. Ik verklaar dat gij te zamenhaar den dood te gemoet hebt gedreven. Haar bloed kome over uw hoofd, voor altijd en eeuwig!”
“O, breng mij naar huis!” jammerde de zoutzak op den vloer—“breng mij naar huis, Elisabeth! Ik durf niet alleen gaan. Beatrice’s schim zal mij vervolgen. Mijn hoofd draait om en om. Breng mij weg, Elisabeth, en blijf bij mij. Gij zijt niet bang voor haar, gij zijt voor niets bang.”
Elisabeth kwam hem te hulp, met een nijdigen blik op Geoffrey. Zij was verschrikt en totaal verslagen, maar toch kon zij nog nijdig zien. Zij nam den jammerenden zoutzak bij de hand, en trok hem de kamer uit. Zij bracht hem naar zijn kasteel en zijn rijkdom. Zes maanden later kwam zij met hem voor den dag, om met hem te trouwen, zoo half krankzinnig als hij was. Een jaar en acht maanden daarna werd hij naar zijn laatste rustplaats gebracht, en was zij de rijkste weduwe in Wales.
Maar in haar borst lag de kiem van een doodelijke ziekte.Nog geen drie maanden nadat zij van hem bevrijd was, stierf Elisabeth ook, en de rijkdom ging in andere handen over.
Geoffrey en Granger bleven alleen. De oude man leunde met het hoofd op de tafel en weende bitterlijk.
“Heb medelijden,” zeide hij, “zeg zulke woorden niet tegen mij. Ik had haar werkelijk lief, maar tegen Elisabeth was ik niet bestand, en ik ben zoo arm. O, als gij haar ook liefhadt, heb dan medelijden! Ik maak er u geen verwijt van dat gij haar liefhadt, hoewel gij er het recht niet toe hadt. Als gij geen liefde voor haar hadt opgevat en niet gemaakt hadt dat zij die liefde beantwoordde, zou dit alles niet gebeurd zijn. Waarom zegt gij zulke verschrikkelijke dingen tegen mij, mijnheer Bingham?”
“Ik had haar lief,” antwoordde Geoffrey, op zachten toon, nu zijn woede voorbij was, “omdat men een meisje zooals zij was niet kon zien zonder haar lief te hebben. Op de geheele wereld is haars gelijke niet te vinden. Maar wie ben ik, dat ik u zou laken? God vergeve ons allen! Voortaan leef ik in de hoopdat ik haar daar, waarheen zij gegaan is, moge wedervinden.”
Beiden bewaarden daarop eenige oogenblikken het stilzwijgen.
“Mijnheer Granger,” hernam Geoffrey, “wees nooit bekommerd over geldzaken. Gij waart haar vader; wat gij noodig hebt, en waar ik in voorzien kan, zult gij hebben. Laten wij elkaar de hand geven, en afscheidnemen om elkaar nooit weer te zien. Zooals ik gezegd heb, God vergeve ons allen!”
“Dank u—dank u,” zeide de oude man, door het witte haar heen, dat over zijn oogen viel, opziende. “Het is een zonderlinge wereld, en wij zijn allen ellendige zondaars. Ik hoop dat er ergens een betere wereld is. Deze ben ik bijna moede, vooral nu Beatrice er niet meer is. Arm meisje, zij was een goede, lieve dochter! Vaarwel! Vaarwel!”
Toen ging Geoffrey heen.