Der menschen handelingen kunnen slechts dan geheel werkingen der wet van geschiktmaking zijn, wanneer zij de directe gevolgen zijn van ongeschikte toestanden van zaken, en dit nu is niet het geval, wanneer die handelingen de gevolgen van redeneringen zijn. Zoo bijv. iemand, met losbollen verkeerende, er ook een wordt, geschiedt dit door de besmettelijke, zie blz.255, afwijkingen wegnemende werking van zijne omgeving en niet door redenering, evenmin zoo iemand met de oogen knipt, wanneer hierop te sterk licht valt.Wanneer de menschen op eene beredeneerde wijze ongeschiktheden (bijv. ziekten) trachten te doen verdwijnen, zijn de daarvoor door hen aangewende middelen steeds de zeer indirecte gevolgen dier ongeschiktheden. Was dit anders, wees bijv. maagpijn op eene instinctieve en directe wijze de daartegen aan te wenden middelen aan, zoo zouden deze zeker doelmatig zijn, want het zich aldus genezende wezen zou zich daarvoor niet boven de zintuigelijke ervaring behoeven te verheffen, en geene andere verandering in het ligchaam dan het wegnemen der kwaal zou plaats hebben. Bij de behandeling van zieken door artsen geschiedt dit nu ook wel zoo in zekere mate, doch buitendien worden er, deels door dwalingen, veranderingen bij de ligchamen der patienten te weeg gebragt. Die behandeling bestaat aldus uit de vereenigde werking der wet van geschiktmaking en van die der veranderlijkheid.In andere gevallen is hetgeen de menschen tengevolgevan redenering doen in betrekkelijk sterkere mate ofschoon niet geheel de werking der wet van geschiktmaking. Het kleeden bijv. verkeert in dit geval, want de gewaarwordingen van onze ligchamen duiden ons aan, dat wij bijv. geen lappen laken onder onze voeten moeten bevestigen en geen rok van zoolleer maken, terwijl ook de vorm der kleederen door die van onze ligchamen in zekere mate direct aangegeven wordt.Bij al ons redeneren hebben wij steeds ten doel bij iets geschiktheid voort te brengen, al zij het dat er door zie blz.256, te gelijk ongeschiktheid bij andere zaken ontstaat, zoodat dit redeneren evenmin alleen eene werking der wet der veranderlijkheid als, wegens de reden van blz.260, eene der wet der geschiktmaking is. Omdat het echter deels eene werking van eerstgemelde wet is, zal het slechts in eene veranderlijke wereld, dat is in zulk eene waarin er een drang tot vooruitgang kan bestaan, kunnen plaats hebben. Het verkeer in eene veranderlijke wereld is echter niet voldoende om vooruitgang bij de wezens voort te brengen, hiervoor moet bij deze een drang er toe bestaan, even als zie blz.263, voor de toeneming der intellectuele ontwikkeling bij wezens in het bezit van zekeren aanleg.Een wezen kan een lager en gebrekkiger georganiseerd ligchaam dan zijns gelijken bezitten en hierdoor zie blz.90, aan eene grootere terugtrekkende werking dan dezen blootgesteld zijn. Het kan zich echter ook eene grootere geestinspanning dan de andere wezens geven, ten einde in dit gebrek te voorzien, en die grootere geestinspanning de vergrooting zijner geestelijke ontwikkeling bevorderen. Wanneer dit wezen aan die bevordering groote behoefte gevoeld, zal het in dit laatste geval verkeeren, en dit vergelijkbaar zijn met het op blz.240, gemelde geval, waarin een volk door kunstmiddelen moet voorzien in hetgeen de natuur elders zelve geeft.Het is naar ons inzien het duistere besef van die onbepaalde vergrooting der geestontwikkeling der menschen, dat doet zeggen dat hun leven onschatbaar is, niettegenstaande de waarde van het aardsche leven van enkele menschen negatief is, en van de meeste hunner niet boven die eener matige geldsom gaat.De statistiek leert toch hoe, door het verzuimen van zekere veiligheidsmaatregelen, er gemiddeld jaarlijks een zeker aantal menschen omkomen, en toch kan men die maatregelen niet invoeren wanneer zij te veel geld kosten. Bij al zijn werken en drijven stelt de mensch zijn ligchaam aan meer of minder gevaren bloot. Productie van welken aard ook kost aldus bloed, zelfs wanneer die productie dient tot het verschaffen van middelen ter beveiliging van der menschen leven. Het bewerkte hout en ijzer dat bijv. op de schepen hiervoor dient, kost aan een aantal houthakkers en mijnwerkers het leven. Men zou aldus moeten oplossen het vraagstuk “van welken aard de productie moet zijn om een minimum van menschenlevens te kosten,” een vraagstuk dat, wegens de gedurige variatien der omstandigheden, slechts zeer in het ruwe op te lossen is, en waarbij men de productie door te groote voorzigtigheid niet moet verminderen, omdat hierdoor, ten bate der geschiktheid met betrekking tot de veiligheid, de van de productie afhangende beschaving te veel benadeeld zou worden.8Terwijl bij met den onveranderlijken oergeest volmaaktzamengesmoltenwezens, wat geschikt is in het eene opzigt ook geschikt moet zijn in een ander opzigt, wat voorden een geschikt is, ook voor den ander geschikt moet zijn, en wat gewenscht is voor het heden ook in de toekomst gewenscht moet zijn, is dit bij veranderlijke wezensgeenszinshet geval. Deze kunnen dan ook slechts trachten de bij hen bestaande totale ongeschiktheid, waaronder zoowel die voor toekomstige hoogere toestanden, als die voor het heden, zoowel die met betrekking tot hunne zamenwerking met anderen, als die met betrekking tot hun eigen, tot een minimum te maken, iets dat zij, zoo zij aan de eischen van hun maatschappelijken toestand voldeden, gemiddeld zouden trachten te doen, doch welke pogingen door allerlei veranderingen van toestand te weeg brengende accidentele oorzaken aanhoudend tegengewerkt zouden worden. Van zulk een minimum van ongeschiktheid in allerlei opzigten, dus ook voor de toekomst, verwijdert men zich echter wanneer men de geschiktheid voor het een geheel opoffert ten bate van die voor het ander. Die eerste soort van ongeschiktheid wordt alsdan meer vermindert dan de tweede vergroot, omdat, naarmate er geschiktheid bij iets meer vermindert, de verdere vermindering er van bezwaarlijker wordt, omdat zij zich alsware dan bepaalt tot hetgeen waarbij zij moeijelijker uitteroeijen is.Dit kan vergeleken worden met de uitwerking der geregtelijke straffen. Deze gaan in zekere mate de misdaden tegen, maar straft men zelfs de ligtste diefstallen met den marteldood, zoo zouden er nog in voor de dieven zeer aanlokkende gevallen er nu en dan diefstallen gepleegd worden, en de maatschappij minder winnen door de vermindering der diefstallen, dan verliezen door de pijnlijke uitwerking dier verschrikkelijke straffen.Wij menschen trachten wel in zekere mate de ongeschiktheid bij ons genoegen in het heden, die bij ons toekomstig bestaan, die bij andere menschen en die bij het toekomstige bestaan van andere menschen weg tenemen, doch doen dit niet bij elk dier soorten van ongeschiktheid in zulk eene verhouding als behoort, om bij allen te zamen de ongeschiktheid tot een minimum te maken, en wel, omdat de toestand daaromtrent niet alleen bij de in beschaving gestegene menschheid veranderd is, maar tevens bij elk individu gedurende zijn leven verandert. Bij de dieren toch lijdt de geschiktheid voor de toekomst en die van andere individuen veel minder dan bij ons menschen door de verwaarlozing er van ten bate der geschiktheid van het individu in het heden, en daar, sedert dat wij maatschappelijke pligten te vervullen hebben, onze verheffing boven den staat der dieren niet sedert zeer langen tijd uiterst langzaam heeft plaats gegrepen, handelen wij, tengevolge der werking der traagheid en van de in de Noot van blz.139gemelde terugtrekkende werking, met betrekking tot het te keer gaan der ongeschiktheid bij elk dier zaken, te veel als dieren, dat is wij voldoen niet aan de eischen van ons maatschappelijk bestaan. Desniettemin verzuimen wij niet geheel om bij elk dier zaken de ongeschiktheid tegen te gaan, en zelfs niet bij ons en anderen toekomstig buiten aardsch bestaan. Dit wordt bewezen, doordat der menschen ideaal hooger reikt dan om de hen bewuste kwalen der menschheid weg te nemen, en om deze in den geschiktsten toestand met betrekking tot het aardsche leven in de tot den thans bestaanden stand van beschaving gestegene maatschappij te stellen. Om dit laatste in voldoende mate te doen, hiervoor zijn de menschen, wegens bovengemelde oorzaak, te zinnelijk, te egoïstisch en te zorgeloos, kunnen zij gedurende hun kortstondig aardsch bestaan te weinig de behoeften hunner medemenschen leeren kennen, en mangelt het hen aldus zoowel aan intellectuele als aan morele ontwikkeling, doch dit neemt niet weg, dat de (zie blz.78), zoo onharmonische mensch somtijds zorgt om geschiktheid te vergrooten voor iets hooger dan het genoegender aardsche maatschappij in het heden, en dat hij hiervoor dit genoegen vermindert, en zich zelf lijden oplegt. Dit is bijv. het geval zoo iemand zooalsBeijling, om zijn gegeven woord niet te breken, niet slechts zijn eigen leven opoffert, maar tevens zijne vrienden in droefheid dompelt. Dit is het geval zoo iemand, overstelpt door rampen of behebt met ongeneeselijke en smartelijke kwalen, zich liever in de harde maar leerrijke school van den tegenspoed laat, dan zich van den last van het leven te bevrijden, en vooral is dit het geval bij uitingen van het godsdienstig gevoel, en maakt dat zij, die zich offers opleggen om anderen in het heden genoegen te doen, ons niet voorkomen aan de roeping van den mensch ten volle te voldoen. Dergelijke daden maken het de menschheid evenmin in het heden genoegelijker als de bekende raad vanAristidesin het belang vanAthenewas, en toch kan het doel hierbij niet slechts zijn om goede voorbeelden te geven, daar dit geheel van de middelen der publiciteit afhangt, en buitendien verzinsels daar even goed als werkelijk bedreven daden voor kunnen dienen.Die vergrooting der zedelijke ontwikkeling kan somtijds geschieden door het bedrijven van daden, de maatschappij geen voordeel verschaffende, zooals bijv. bij het bedwingen van de neiging voor genot in het heden door het nakomen van een verbod van iets dat werkelijk schadeloos is. De waarde van zulk eene daad, met betrekking tot den bedrijver er van, zal dan echter verminderen, zoo deze geen ijver genoeg betoont om de doelmatigheid er van te onderzoeken.De nakomelingschap heeft aanNapoleon Ide terdoodbrenging van den hertog vanEnghien, benevens zijn trouweloosheid jegens het Spaansche hof meer euvel geduid, dan al de door hem geprovoceerde oorlogen. Dit nu kan slechts geschied zijn, omdat die nakomelingschap het voorbeeld van moord en trouwbreukvoor latere heerschers verderfelijker achtte dan dat van oorlog voeren, niettegenstaande, wanneer die oorlogen stroomen bloed doen vloeijen en duizende huisgezinnen in rouw dompelen, zij ontegenzeggelijk het genoegen der maatschappij meer schaden, dan enkele moorden zulks doen. Deze strekken echter tot zedelijke verlaging, de oorlogen daarentegen in verscheidene opzigten tot geestelijke verhooging der strijders en van de navolgers dezer.Zoo wij ons buitendien geen hooger ideaal voorstelden dan het genoegen der maatschappij in het heden, zou bij het niet voldoen aan de eischen van dit ideaal, dit omlaag getrokken worden, dat is de beschaving zou afnemen, en dit genoegen der maatschappij meer op het dierlijke gaan gelijken. Zoo, wegens de in de Noot blz.139gemelde terugtrekkende werking, als wegens den zeer geringen graad der geestontwikkeling der menschen tijdens derzelver geboorte, zouden deze, wanneer zij volwassen zijn, wegens het kleiner zijn van het hunne geestontwikkeling optrekkenden ideaal, op een lageren trap van geestontwikkeling komen, en aldus de graad van ontwikkeling van het genoegen der maatschappij steeds teruggaan9. Het is hiermede gelegen als met de grootte van wandelingen, zoo deze, hoe klein ook, inspanning vorderen, en zij noch voor de gezondheid, noch voor het genoegen gedaan worden. Al heeft iemand door dwang de gewoonte verkregen om eene wandeling van zekere grootte te maken, die grootte zal van lieverlede verminderen, nadat die dwang opgeheven is. Is aldus ons ideaal het publieke genoegen bij de thans bestaande beschaving der maatschappij, zoo hangt het in de lucht, en zal de noodzakelijkheid dier beschaving voor ons deze evenmin voor teruggang beveiligen, als de gewoonte aanhet doen van eene groote wandeling, deze zal behoeden voor verkleining, zoo geene andere oorzaak dit tegen gaat. Slechts zal die verkleining alsdan trager zijn. Wel is waar bezitten wij zie blz.28een drang tot vooruitgang, en misschien leidt deze de dieren, om zich(zie blz.152)eene inspanning te geven grooter dan hun aangenaam is, maar bij ons menschen, die bewustheid hebben van de toekomst en van hoogere trappen van bestaan, is deze instinctive drang hiervoor niet voldoende, wij behooren hiertoe hetzij door anderen gedwongen te worden, of wel een door onze zucht tot gemak niet omlaag trekbaar doel voor oogen te houden. Is dit doel bij de menschheid geheel aardsch, zoo moet het, wil de trap van beschaving niet verminderen, minstens zijn om dezen trap te verhoogen. Is echter de trap van beschaving op aarde zoo hoog geklommen als de in de Noot van blz.139gemelde terugtrekkende werking benevens de traagheid der op een zeer laag standpunt van geestelijke ontwikkeling geboren wordende menschen gedoogt, welk ideaal moeten deze zich dan ter bereiking voorstellen, om op dit maximum van op deze aarde mogelijke beschaving te blijven?10Een aardsch ideaal kan dit klaarblijkelijk niet zijn, en ook voor ons, die dit maximum niet bereikt hebben, kan die optrekkendewerking niet geheel gevonden worden, zoo men de oogen slechts op de aarde gevestigd houdt. Wij achten ons te weinig in de menschheid op te gaan, (iets dat wel van zamenwerking met medemenschen onderscheiden moet worden) en ons gevoel van zelfstandigheid is te sterk, om ons ideaal vast te knoopen aan het lot der aan allerlei wisselvalligheden overgeleverde nakomelingschap. Wij bezitten eene meer of minder gebrekkige voorstelling, dat voor een deel ons ideaal zoodanig moet zijn, dat het op heffende werkt, hoe hoog ook men binnen de palen der eindigheid gestegen zij, en aldus slechts bij den oneindigen onveranderlijken en aldus volmaakten Oergeest kan bestaan.De idealen van zelfs leden van onbeschaafde maatschappijen bevatten dan ook bestanddeelen in sommige opzigten ongelijkslachtig zijnde met, ofschoon niet minder verheven dan hetgeen tot het genoegen strekt der wisselende leden van beschaafde maatschappijen.Reeds de onbeschaafde mensch begeeft zich met zijne verbeelding en ook eenigzins met zijne rede op buitenzinnelijk gebied, en vervalt alsdan in dwalingen. Dit is een noodwendig gevolg van het ver vooruitloopen der controlerende zintuigelijke aanschouwing tengevolge der natuurwet van de veranderlijkheid, doch even noodwendig is het dat die dwalingen verkeerde opvattingen zijn van iets dat werkelijk bestaat. De natuurwet der geschiktmaking verbiedt toch dat wij menschen een vermogen behouden om bespiegelingen te maken over het niet, evenals zij niet zou gedogen dat de vogels vleugels behielden, zoo er geene lucht bestond om er in te vliegen. Hetzelfde kan gezegd worden van de zucht der menschen om zich in eene hoogere en naauwere betrekking met het buitenzinnelijke en verhevene op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door denking te stellen. Die zucht is de oorzaak der zoogenaamde inspiratie, die der veronderstelde persoonlijke tegenwoordigheid van Godop gewijde plaatsen, die der gewaande lichamelijke vereenzelviging met hem. De menschen hebben, onder de vereenigde werking der wet van geschiktmaking en die der veranderlijkheid, die zucht naar het hooge op eene voor hunne bekrompenheid van begrip geschikte wijze trachten te bevredigen, en zijn hierdoor tot dwaalbegrippen tot bijgeloovigheden vervallen, doch het bestaan dier zucht bij hen bewijst dat deze eenmaal bij elk hunner op eene objectief ware wijze bevredigd zal worden.Het is aldus niet de zucht naar het hoogere op buitenzinnelijk gebied, of het godsdienstig gevoel in het algemeen, waardoor de toeneming der menschelijke kennis vertraagd wordt, maar het is de zinnelijke bevrediging dier zucht die zulks doet. Vandaar, dat, voorbij het standpunt van beschaving waarop de mensen en wijsgeerig beginnen te worden, zie blz.118, er eene botsing ontstaat tusschen de verlichten der natien, namelijk de wijsgeeren en de voorgangers van het gros dier natiën in de zinnelijke bevrediging van het godsdienstig gevoel, en dat de eerste op de laatste eene opheffende werking uitoefenen. Die disharmonie, moge in het eene tijdvak sterker, in het andere zwakker zijn, overal zal zij bestaan waar, tengevolge der werking der wet van geschiktmaking, zinnelijke wezens zich door zinnelijke voorstellingen trachten te bevredigen, en te gelijk, tengevolge der werking der wet der veranderlijkheid, door middel hunner rede zich tot het abstracte verheffen. Het wegens welk motief ook niet dringen in het abstracte maakt niet alleen dat de menschen bijgeloovig, maar tevens dat zij ongeloovig zijn. Op het eene oogenblik vormt de mensch verheven bespiegelingen, en zweeft hij boven de wolken in de wereld van het abstracte, op het andere oogenblik trekt zijne zinnelijkheid hem naar den bodem terug, en laat in zijn boezem een grond van wantrouwen voor zijne naar hij meent voor de rede onwederlegbare bespiegelingen.Is het aldus te verwonderen, dat zij die gezeten zijn in het vaartuig hunner kerk, wiens deelen zij de planken der behoudenis wanen te zijn, omdat zij er tusschen op min of meer zinnelijke wijze het edelste hunner gevoelens voldoen, dit vaartuig niet durven te verlaten en te wandelen op de baren van het abstracte, uit vrees van te zinken naar de diepte van het ongeloof? Uit vrees van mismaakte dwergen te worden, blijven zij liever kinderen.De werking der traagheid moet de wezens beletten eensklaps van natuur te veranderen en hunne persoonlijke eigenaardigheden te verliezen, zoodat zij niet op de wijze zooals Bouddha gesteld beeft, maar zelfs, slechts na eene verzwakking van hun karakter van bijzonderheid en veranderlijkheid gedurende de grootst eindige tijden, in het onveranderlijke oerwezen, door met dit qualitatief identiek te worden, opgenomen kunnen worden. De wet der geschiktmaking, welke dit tracht te doen, zal zwakker werken, naarmate er aan die volmaakte eenzelvigheid minder ontbreekt, zoodat er evenmin een eindigen tijd zal bestaan, waarin die werking alle te kort komingen aan die eenzelvigheid opgeheven zal hebben, alsdat er eene eindige abcis zal bestaan, waarbij bij eene kromme alle verwijdering van den assymptoot dezer verdwenen is. Dat de drang tot verandering van zaken, naarmate zij den toestand, waarin die drang hen wil brengen, meer genaderd zijn, kleiner wordt, is een gevolg der werking der wet der traagheid, die zulk een drang slechts veroorlooft binnen een eindigen tijd in grootte te veranderen, en aldus ook te verdwijnen. Er zullen aldus zeer korte, maar toch nog eindig groote tijden bestaan, dat die drang uiterst gering zijnde, voor het voortbrengen eener nadering der eene zaak tot de andere, die vroeger binnen korten tijd geschiedde, uiterst langen tijd noodig zal hebben. Bij bovengemelde kromme is de grootte der hoeken, welke de tangenten met de as derabcissen maken, met de grootte van dien drang te vergelijken. Is de vergelijking dier kromme nu zoodanig, dat die hoeken wel naar nul streven, maar niet negatief kunnen worden, en beneden zekere grootte alle soorten van grootte bezitten, zoo moet zulk eene kromme een assymptoot paralel met de as der abcissen bezitten. Evenmin als een veranderlijk wezen binnen een eindigen tijd hetkarakter der onveranderlijkheid kan verkrijgen, kan het, een zelfstandig iets zijnde, binnen zulk een tijd volmaakt vernietigd worden. Ware eene vernietiging er van mogelijk zoo zou hierbij juist het omgekeerde als bij de op blz.184gemelde aangroeijing van zulk een wezen van af nul tot een eindig bedrag gedurende eene eeuwigheid moeten plaats hebben. Een wezen, in dit laatste geval verkeerende, moet eene eeuwigheid nadat het eene eindigen grootte bereikt heeft, oneindig groot zijn, en de stelling der preëxistentie tot noodwendig gevolg hebben, dat de geestontwikkeling der wezens de palen der eindigheid moet overschreden hebben, wanneer zij met den Oergeest volmaakt zamensmelten. De wet van geschiktmaking werkt, door de wezens een onveranderlijken aard te willen geven, de vergrooting dier wezens tegen. De wet der veranderlijkheid werkt op eene tegenovergestelde wijze, en moet gedurende het laatste oneindig lange tijdvak, dat de eindige wezens, voor met den Oergeest zamen te smelten, in grootte toenemen, in werking betrekkelijk de wet van geschiktmaking verzwakken.Bij eene eindige betrekking tusschen de werkingen dier beide wetten in het voordeel der eerstgemelde, voor zooverre deze zie blz.284geene terugtrekkende werking uitoefent, zullen, bij den aanvang reeds bestaande wezens gedurende een eindigen tijd eene eindige betrekkelijke, vergrooting ondergaan. Alsdan zal echter die betrekkelijke vergrooting dier wezens gedurende eene eeuwigheid, van af een eindig getal tot nul afnemende zulks tetraag doen om binnen die eeuwigheid slechts eene eindige absolute vergrooting voort te brengen. Hiervoor zou die verhouding, op het oogenblik van den aanvang dier eeuwigheid, oneindig groot moeten zijn en bij een wezen in grootte nul bestaan. Die grootte is vergelijkbaar met die der ordinaat nul bij den top van assymptoten bezittende kromme lijnen. Van dergelijke krommen moeten de met bovengemelde betrekkelijke vergrooting vergelijkbare tangenten der hoeken der raaklijnen van oneindig tot op nul afnemen.De op blz.276gemelde zucht tot opheffing van den geest naar den onveranderlijken oneindigen Oergeest, vereischt dat diens onveranderlijke denkbeelden een invloed hoe indirect ook op onze veranderlijke denkbeelden uitoefenen, want anders zou het zijn, of dit onveranderlijke wezen voor ons geen objectief bestaan had, en aldus, zooals op blz.275gezegd is, die zucht bij de menschen niet kunnen bestaan. Die onveranderlijke denkbeelden van den Oergeest kunnen echter niet direct op de onze van invloed zijn, omdat deze dan ook een directen invloed op die onveranderlijke denkbeelden zonden uitoefenen, en hen niet volmaakt onveranderlijk zouden kunnen laten. Die invloed moet aldus geschieden door eene grootst eindige reeks van zie blz.175, veranderlijke denkbeelden van den Oergeest, en wel zoo dat de leden dier reeks naar de zijde waar deze zich aan de onveranderlijke denkbeelden hecht, meer en meer hun karakter van veranderlijkheid verliezen en in uitgebreidheid toenemen11.Die uitgebreidheid bij die onveranderlijke denkbeelden oneindig zijnde, zoo kan hun invloed op onze denkbeeldenvergeleken worden met dien van een oneindig grooten hemelbol op een eindig grooten bol, waarvan hij oneindig ver verwijderd, en aldus, zie blz.165, door eene oneindige massa van aantrekkingstrillingen bezittenden ether gescheiden is. De invloed dier reeks van denkbeelden van den Oergeest op onze denkbeelden moet echter niet beschouwd worden als inspiratie, maar zie blz.122als de oorzaak waardoor wij ons door middel der rede en verbeelding boven zintuigelijke indrukken verheffen. De veranderlijke denkbeelden van den Oergeest, bepaalt door de atomistische bewegingen der aarde, oefenen, door tusschenkomst van dergelijke veranderlijke denkbeelden, bepaalt door atomistische bewegingen der deelen van ons ligchaam, geestelijke invloeden uit op door de zintuigelijk onwaarneembare atomistische bewegingen bepaalde denking van onzen geest12. Gedroeg deze zich hier tegenover geheel passief, zoo zou hij een aardsch product zijn, en werkelijk tracht die invloed hem daartoe door eene werking der wet van geschiktmaking te verlagen. Onze geest gedraagt zich echter ook actief, ofschoon niet steeds even sterk, het minste in den slaap, in staat van dronkenschap, van waanzin, enz., wanneer hij zich weinig inspant; het meeste bij het denken over abstracte onderwerpen, over het algemeene en bij het in den niet latenten toestand. houden van denkbeelden, zoo dit sterke inspanning vereischt. Voor het bezit dier activiteit heeft echter onze geest noodig primo om eene menigte van verscheiden en veranderlijke indrukken te ontvangen, zonder welke hij niet werkdadig kan zijn, zie blz.93, en secundo om invloed te kunnen uitoefenen op voorwerpen, die zich alsdan tegenover hem passief gedragen. Zoo gedragen zich de beenen passief, wanneer wij tengevolge van onzenwil (eene soort van denking) gaan, en zouden zij zich slechts actief gedragen, zoo zij ons konden dwingen om te loopen13. Onze geest zou slechts aan de op blz.94gemelde werking, trachtende hem een aardsch product te doen worden, blootgesteld zijnde, dit werkelijk naar ons inzien worden, zoo de werking der wet der veranderlijkheid hem niet binnen de wereldsche verscheidenheid en veranderlijkheid door de op blz.279gemelde reeks aan eene opheffende werking blootstelde, en daardoor tevens maakte dat die eerste werking haar doel niet kan bereiken, en aldus verlagende op den geest blijft werken.Men kan zich voorts voorstellen wezens zich niet verheffende boven de zintuigelijke indrukken, die zij op een hemelbol verkrijgen, en die, in zeker opzigt qualitatief niet van elkander verschillende, dit quantitatief wel doen. Zoo zouden bijv. op deze aarde waterdieren, zich niet boven hunne zintuigelijke indrukken verheffende, niet slechts minder hoog in geestontwikkeling staan dan de werkelijk bestaande waterdieren, maar tevens als imaginaire landdieren, welke zich ook niet boven hunne zintuigelijke indrukken verheffen.Om te beseffen hoe de aardsche zintuigelijke aanschouwing, door beneden de denking der aardbewoners te blijven, de vergrooting der geestontwikkeling dier wezens belemmert, en, zoo onze planeet (zie blz.154) nietzelve in eene phase van vooruitgang was, hij de nakomelingschap slechts tot een zeker maximum zou veroorloven te gaan, neme men in acht, dat al der menschen wetenschappelijke kennis bestaat uit zintuigelijke waarnemingen, wiskunde en logica. Van het eerste is natuurlijk het maximum op deze aarde beperkt, en met de wiskunde en logica is dit, door eene indirecte uitwerking van dit te laag staan der zintuiglijke aanschouwing met betrekking tot onze denking, insgelijks het geval.Zoowel bij de logica als bij de wiskunde wordt den aard en grootte van het onbekende, uit het bekende afgeleid, zoodat, waar zie blz.174de rijkdom en volkomenheid der aanschouwing de geesten ten volle verzadigen, wiskunde en logica overbodig zijn. Zoowel bij de logische als bij de wiskundige redenering (wier juistheid eigenlijk onafhankelijk is van de objectieve waarheid van de stellingen waarvan men uitgaat) gebruikt men beelden en voorstellingen aan de zintuigelijke aanschouwing ontleend. De beperktheid hiervan moet nu de vlugt van onze voorstellingen beperken door hierop eene terugtrekkende werking uit te oefenen, en hierdoor aan de intellectuele ontwikkeling der aardbewoners met betrekking tot de wiskunde en logica grenzen stellen, zelfs al waren die bewoners in het bezit eener aardsche onsterfelijkheid en aldus van een onbepaald langen tijd om te leeren, zonder dat hun geest een aardsch product was, twee zaken die,zie blz.224, naar ons inzien, onvereenigbaar zijn.Men zij voorts indachtig dat de werktuigen, zooals telescopen, microscopen, passers, barometers enz. waardoor onze aardsche zintuigelijke aanschouwing uitgebreider geworden is, niet zouden bestaan, zoo het vooruitloopen er hiervan door onze denking er zie blz.178niet opheffende opgewerkt had, doch die uitbreiding is begrensd.Bij de theorie snelt men door middel van wiskundigeen logische redeneringen de zintuigelijke aanschouwing meer vooruit, dan bij de praktijk. Meer dan hierbij komt men bij de theorie tot resultaten van een meer algemeenen aard.Bij haar staat meer dan bij de praktijk vooruitgang en minder dan bij deze geschiktheid op den voorgrond.Wanneer een ligchaam valt, bestaat er een verschijnsel, namelijk de aantrekking waaraan dit ligchaam is blootgesteld, dat opwekt een ander aldus in grootte toenemend verschijnsel, namelijk de nadering van dit ligchaam tot andere ligchamen. Wederkeerige versterking tusschen die aantrekking en die sterkte van nadering heeft er hierbij (evenals in zeker opzigt zie blz.12tusschen den aanleg en de toeneming der geestelijke ontwikkeling) slechts zeer weinig plaats, omdat, in tegenstelling van bij onderlinge nadering van twee hemelligchamen, de aantrekking bij aardsche ligchamen gedurende den val van deze zeerweinigvergroot. Die nadering van dit ligchaam tot andere, een gevolg der aantrekking, brengt voort elastieke botsing, dat is een overgang dier aantrekking in afstooting, en aldus eene vernietiging en omkeering van deszelfs oorzaak voort. Op het oogenblik dat die afstooting begint, zal de nadering op een maximum zijn; terwijl, op het oogenblik dat de afstooting op een maximum is, de nadering nul geworden zal zijn. Deze wordt daarna negatief, dat is zij gaat over in verwijdering, die op het grootste wordt op het oogenblik dat de afstooting weder in aantrekking overgaat. Afneming hierbij dier heen en teruggaande snelheden door wrijving of onveerkrachtige botsing, is eene werking der wet van geschiktmaking, omdat er dan zie blz.251snelheden in warmtetrillingen overgaan. Bestaat die verwijdering bij hemelligchamen, zoo zal er na de botsing tusschen de sterkte der verwijdering en de aantrekking eene wederkeerige verzwakking bestaan.Zoo die hemelligchamen, in plaats van tegen elkander te botsen, zeer langwerpige ellipsen om een gemeenschappelijk brandpunt beschrijven, zullen de naderingen op eene andere wijze de hen voortbrengende aantrekkingen vernietigen. Zij keeren in dit geval de rigting waarin de aantrekking geschiedt om, zoodat alsdan de aantrekkingen niet negatief worden, door in afstootingen over te gaan, maar door in tegenovergestelde rigting te geschieden. In dien laatsten zin zijn die aantrekkingen bij de perihelia op het sterkste negatief, en aldaar is de sterkte der nadering nul geworden, om later negatief te worden, dat is in verwijdering over te gaan. Bij de aphelia zijn bij dit geval de positieve aantrekkingen gering wegens bovengemelde wederkeerige verzwakking tijdens de verwijdering der beide ligchamen. Bij het eerste voorbeeld is daarentegen de aantrekking der aarde minus de afstooting der beide ligchamen op het grootste, wanneer het botsende ligchaam weder begint terugtevallen, en aldus de sterkte der nadering er bij nul is.Wanneer de werking der wet der veranderlijkheid zoodanig is, dat het gevolg deszelfs voortbrengend verschijnsel tracht te vernietigen en negatief te maken, is die werking in denzelfden geest als de werking der wet van geschiktmaking terwijl, wanneer het gevolg deszelfs voortbrengend verschijnsel tracht te versterken, de werking der wet der veranderlijkheid in tegengestelden geest als die der wet van geschiktmaking is. In het eerste geval bestaat er echter dit verschil tusschen de werking der wet der veranderlijkheid en die der wet van geschiktmaking, dat de werking dier laatste wet alsware een nevenverschijnsel te weeg brengt, in sterkte toe en afnemende met het verschijnsel waarop die werkingvernietigendewerkt, zooals bijv. de met wrijving gepaard gaande snelheden; terwijl daarentegen bij de werking der wet der veranderlijkheid, zooals in het eerste geval, het vernietigdwordende verschijnsel door zijne grootte het vernietigende opwekt. Deze laatste werking, gepaard met die der wet van geschiktmaking, waardoor, bijv. zooals op blz.259aangegeven is, de gewijzigde werking van blz.257ontstaat, zou op maatschappelijk gebied steeds iets heilzaams wrochten, zoo de maatschappij in geen staat van vooruitgang verkeerde, en zal aldus iets heilzaam teweeg brengen in de gevallen waarmede de vooruitgang niet te maken heeft, zooals bijv. het vernietigen van afwijkingen ten eene of andere zijde van een welgemaakt ligchaam. In zulke gevallen is toch de gemiddelde toestand den besten, de vernietiging van afwijkingen hiervan wenschelijk en het ontstaan van zulke afwijkingen door de wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking tusschen oorzaak en gevolg plaats heeft, schadelijk. Bij zaken in staat van vooruitgang is daarentegen, wegens de werking der traagheid zie blz.52, die gemiddelde toestand niet den besten, het ontstaan van afwijkingen er van naar boven is aldus wenschelijk en de vernietiging dier afwijkingen schadelijk. Zoo aldus die werking der wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking tusschen oorzaak en gevolg ontstaat alsdan dergelijke afwijkingen te weeg brengt, zal de werking er van heilzaam en de tegengestelde werking der wet der veranderlijkheid schadelijk zijn, daar in het eerste geval men iets goeds met betrekking tot wat ook, tracht te vergrooten en in het laatste dit goede tracht te vernietigen. Zoo is het bijv. goed dat de belooningen, zij die zich goed gedragen, tot nog beter aansporen. De begrenzing van dergelijke afwijkingen, tengevolge der op blz.261gemelde werking der wet der geschiktmaking, is dan echter en wel meer, naarmate zij digter bij zekere grootte is, iets heilzaams. Zoo is het bijv. goed om door belooningen de vlijt van leerlingen op te wekken, edoch de toeneming dier vlijt moet gematigd worden, omdat zij anders degezondheid dier leerlingen zou schaden, en evenzeer moet de vergrooting der belooningen gematigd worden, omdat deze anders onregtvaardig zouden worden.Het ontstaan van alsware beneden of achterwaartsche afwijkingen van achterlijke gemiddelde toestanden door de werking der wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking plaats heeft, is daarentegen schadelijk omdat alsdan iets kwaads vergroot wordt; terwijl de omgekeerde werking dier wet, waardoor dergelijke afwijkingen naar achteren tegengegaan worden, heilzaam is.Schadelijk is het bijv. wanneer men slechte menschen zoo bejegent en plaagt, dat zij uit wrok nog slechter worden, goed, wanneer men dit zoo doet, dat hunne zedelijkheid digter bij die van het gros der menschen komt.Deze de afwijkingen uitputtende werking der wet der veranderlijkheid gepaard met de werking der wet van geschiktmaking, tracht de verschillende bestanddeelen van zaken met elkander in harmonisch verband en op dezelfde hoogte van ontwikkeling te brengen. Zijn nu bij die zaken, door dat zij in een staat van vooruitgang zijn zooals op blz.78gezegd is, die bestanddeelen op zeer ongelijke hoogte, zoo zullen die beide zoo even gemelde werkingen, door de trachten de hoogst staande bestanddeelen dier zaken te verlagen, ofschoon niet met betrekking tot de geschiktheid er van zie blz.255, iets schadelijk, te weeg brengen, en daarentegen, door de laagst staande bestanddeelen er van omhoog te trekken, iets goeds wrochten. Omgekeerd zal de werking der wet der veranderlijkheid, waarbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken, iets, ofschoon ook weder niet met betrekking tot de geschiktheid, heilzaams voortbrengen, wanneer zij zaken onharmonisch maakt door enkele bestanddeelen er van te verhoogen, en daarentegen schadelijk werken, wanneer zij eene disharmonie te weeg brengt door andere bestanddeelen dier zaak te verlagen. Ditlaatste was bijv. het geval bij het ontstaan van den aflaathandel in het begin der zestiende eeuw. De vernietiging er van door de hervormers was aldus eene werking der wet der veranderlijkheid, wanneer hierdoor afwijkingen uitgeput worden en te gelijk ook eene werking der wet der geschiktmaking. Toen zij echter eene nieuwe godsdienst verhevener dan de toen bestaande stichtten, waren de handelingen der hervormers werkingen der wet der veranderlijkheid, waarbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken, begrensd door de op blz.261gemelde werking der wet der geschiktmaking. Hunne handelingen strekten toen toch volstrekt niet meer om de verschillende bestanddeelen der toen bestaande godsdienst meer harmonisch met elkander en met de zinnelijkheid der menschen te maken. Ware dit het geval geweest, zoo zouden de hervormers de hoogste bestanddeelen der catholijke godsdienst zie blz.255hebben moeten verlagen. Niet de drang tot geschiktmaking, maar die tot vooruitgang was de drijfveer dier hervormers. Eveneens was dit het geval bijGalileus, toen deze als vertegenwoordiger der wel op waarnemingen gebaseerde, maar desniettemin abstracte wetenschap verscheen voor de vierschaar der vertegenwoordigers der zinnelijkheid, der zie blz.178niet controlerende getuigenis der zintuigen. Hierbij toch past de stelling, dat de aarde om de zon wentelt, zoo weinig, dat niemand, tenzij hij beter ingelicht is, haar geloof zal willen schenken.Ook op staatkundig gebied bestaat er, wegens den vooruitgang der maatschappij, disharmonie bij verschillende zaken. Ingezetenen van rijken wenschen zich bijv. te vereenigen met ingezetenen van andere rijken, met wie zij zich verwant gevoelen, en willen tevens zeer locale belangen overheerschende maken. De werking der wet der geschiktmaking en de in denzelfden geest zijnde werking der wet der veranderlijkheid zullen klaarblijkelijktrachten eerstgemelde zucht te verzwakken en te gelijk te geven eene ruimere opvatting van locale belangen. Bij eene verdeeling der menschheid in staten, enkel tengevolge van die beide werkingen, zou aldus die zucht der inwoners van staten om staatkundig zamen te smelten met hen verwante inwoners van andere staten onbevredigd moeten blijven, en zie blz.256later verdwijnen.Wegens den vooruitgang der menschheid zullen de staten door zamenvoeging gemiddeld steeds grooter worden, doch dit wegens de werking der traagheid gemiddeld zie noot blz.78wat te laat geschieden, en de staatkundige indeeling aldus zoo zijn, dat zoo even gemelde zucht tot zamensmelting, minder bevredigd wordt dan het particularisme.De werking der wet van geschiktmaking en de in denzelfden geest zijnde werking der wet der veranderlijkheid, zouden bij eene niet vooruitgaande maatschappij de staatkundige indeeling der menschheid zoo goed mogelijk trachten te maken, en wel volgens nationaliteiten, waarbij de particuliere en locale belangen weinig uiteenloopen, want zulk een toestand zou dan evenzeer den gemiddelden politieken toestand zijn, als de welgemaakte toestand van het ligchaam den gemiddelden van allerlei mismaakte toestanden, zie blz.102. Oorlogen zouden het ontstaan van zulk een gemiddelden politieken toestand kunnen bevorderen, door tot beide zoo even gemelde werkingen te behooren, of kunnen tegengaan, door werkingen te zijn der wet der veranderlijkheid, die in strijd zijn met die der wet van geschiktmaking. Meer zullen zij echter in eerst dan in laatstgemelden geest werken, omdat gemiddeld de morele kracht alsmede de ondersteuning van andere staten zijn voor den oorlogvoerenden staat, die eene geschikte staatkundige verdeeling wenscht. De werking van den oorlog kan men vergelijken met die van hettrekken van ballen uit eene bus, witte en zwarte ballen bevattende, met zekere voorliefde voor de witte. Het kan dan echter zijn, dat die bus zoo weinig witte en zooveel zwarte ballen bevat, dat, niettegenstaande die voorliefde voor de witte ballen, er meer zwarte dan witte ballen getrokken worden, en evenzoo zou de staatkundige indeeling zoo nabij de beste kunnen zijn, dat, niettegenstaande de gemiddeld grootere kans voor zege der partij, die de staatkundige indeeling nog beter tracht te doen worden, de oorlogen deze eerder trachten te verslimmeren dan nog beter te doen worden.De gemiddelde toestanden, op zich zelve beschouwd, geschikte toestanden, en somtijds afwijkingen van gemiddelde toestanden van meer algemeenen aard, kunnen veranderen, en zullen dit, bij het bestaan van blijvende afwijkingen naar de eene zijde er van, doen zoodat men dan alsware een anderen gemiddelden toestand zonder afwijking zal verkrijgen. Zoo kan de verzwakking van een staat iets worden, waarnaar deszelfs bevolking zich voegt, en die deze niet meer als eene door groote inspanning te vernietigen afwijking beschouwd.De werking der wet der geschiktmaking tracht namelijk te gelijk afwijkingen te vernietigen, en den gemiddelden toestand alsware naar de zijde dier afwijkingen te verschuiven. De werkelijke afwijkingen zijn aldus steeds van tijdelijken aard, en, wanneer de werking der wet der veranderlijkheid wederkeerige versterking tusschen een verschijnsel en deszelfs gevolg te weeg brengt, zal niet alleen zie blz.261de werking der wet van geschiktmaking de vergrooting van zulk een verschijnsel en van deszelfs gevolg eens doen ophouden, maar, zoo de gemiddelden toestand zich niet verplaatst, door de op blz.258gemelde werking der wet der veranderlijkheid, die door wederkeerige versterking voortgebragte afwijking later weder vernietigd worden. Zoo zal bijv. magtsvergrooting, voortgebragt doorwederkeerige versterking van succes en aanmoediging, later door verslapping en overmoed weder vernietigd en zelfs negatief kunnen gemaakt worden, beide echter slechts zoo die grootere magt, door geschiktmaking er voor, geene werkelijke behoefte wordt. De wederkeerige versterking bestaat, alsdan tusschen het voortbrengend verschijnsel en eenig ander, doch zij kan ook bestaan, tusschen het voortgebragte verschijnsel, dat het eerstgemelde tracht te vernietigen en zelfs omgekeerd te doen worden, en eenig ander verschijnsel14. Hoe zwakker de werking der wet van geschiktmaking is, in hoe meer tijd zij aldus het beoogde doel bereikt, hoe minder ongeschiktheid in andere opzigten er bij andere zaken er door teweeg gebragt zal worden. Vandaar dat men een goed doel kan bereiken zonder slechte middelen er toe te bezigen, zoo men slechts geduld heeft, en een op minder vaste gronden steunende geschikten toestand, binnen korten tijd ontstaande niet verkiest boven een op vastere gronden steunende geschikten toestand meer in de toekomst.Stelt men het verbod om aan anderen te doen, hetgeen zij wenschen dat hun niet gedaan wordt, niet in strijd met het werkelijke belang der individuen, zoo kan in elken staat het belang der deelen in overeenstemming met dat van het totaal dier deelen zijn. Dit zal insgelijks het geval bij het statenstelsel kunnen zijn, want het is hiervoor wenschelijk, dat er geene onderdrukte nationaliteiten bestaan, en dit zal niet in strijd zijn met de belangen vanelk dier staten, omdat de meerderheid der inwoners van elk dezer toch een afkeer moet hebben van het denkbeeld dat zijne nationaliteit onderdrukt wordt.Hierbij, zooals steeds op maatschappelijk gebied, moet echter in acht genomen worden, dat het verkeerd is bestaande afwijkingen van den toestand, die het beste voor het algemeen welzijn is, plotseling te willen vernietigen, omdat door den tijd zij, bij wie die afwijkingen bestaan, zich in zekere mate er naar zullen geschikt hebben. Dit is bijv. het geval bij zoogenaamde door den tijd verkregen en met het algemeen belang in strijd zijnde regten, zooals bijv. die van het houden van slaven, te hoog geestelijk ontwikkeld met betrekking tot hunne meesters om zie blz.47eene heerschappij, als die over slaven uitgeoefent, niet nadeelig te doen worden. Zulke regten behoeven evenmin plotseling, althans zonder schadevergoeding (eene soort van geschiktmaking voor den bezitter dier regten) afgeschaft, als onbepaald bestendigd te worden.Wanneer een voortbrengend verschijnsel of oorzaak eene afwijking is van een gemiddelde, dat zich niet tracht te verplaatsen, zal het voortgebragte of gevolg, verschijnsel die oorzaak trachten uit te putten, en deze daarentegen versterken, wanneer dit gemiddelde zich wel tracht te verplaatsen. Zoo zal bijv. succes in den krijg, tengevolge van tijdelijke grootere eenheid, deze trachten te verminderen, of wel te vergrooten, al naar gelang die grootere eenheid elders niet aangetroffen wordt, of wel eene toenadering is tot die welke elders bestaat, of die men noodig voor zich acht. In het eerste geval schijnt die grootere eenheid iets, dat na de zege overbodig geworden is, en in het tweede iets waarvan de heilzame vruchten met betrekking tot de toekomst gebleken zijn. Inspanning brengt verhooging in positie te weeg, en deze zal, wegens den drang tot vooruitgang, gemiddeld die inspanning niet trachten te vernietigen, ofschoon de opblz.261gemelde werking der wet van geschiktmaking, de vergrooting dier inspanning tengevolge van wederkeerige versterking, weldra zal doen ophouden. Dat voorts die vergrooting in positie geschiedt onder strijd (zie. blz.55)in den algemeensten zin genomen, ontstaat doordat magten zooals individuen, staten enz. in contact komen met andere niet met hen in alle deelen zamenwerkende magten of zaken, hetgeen een gevolg is der verscheidenheid, die zie blz.237eene voorwaarde is van den vooruitgang.De werking van elken hartstogt is die van een der beide op blz.284gemelde werkingen der wet der veranderlijkheid, in het eene geval zooals op blz.259en in het andere, zooals op blz.261gezegd is, gepaard met de werking der wet van geschiktmaking. Lijden wekt bijv. medegevoel op, dat dit lijden tracht te vernietigen. De sterkte van dit medegevoel klimt en daalt nu niet, wegens de werking der traagheid, te gelijk met die van dit lijden, en vooral niet zoo de bekendheid hier van snel toeneemt, en evenmin is dit medegevoel op een maximum wanneer dit lijden ophoudt met te bestaan. Met betrekking hiertoe verkeert het in een overeenkomstig geval als doelmatige straf met betrekking tot slecht gedrag, en als met oordeel toegeven met betrekking tot gegronde grieven. Is het daarentegen iemands geluk dat medegevoel opwekt zooheeft ertusschen beiden, even als tusschen eischen en toegeving met zwakheid, wederkeerige versterking plaats. De werking der wet van geschiktmaking tracht echter dan de toeneming van beiden tegen te gaan, daar zij iemands positie, en te gelijk de gevoelens die men hem toedraagt, tot zekere gemiddelden tracht te brengen.Met betrekking tot derzelver oorzaken staan de werkingen der hartstogten zie blz.267in dezelfde verhouding als de daden gedaan tengevolge van redeneringen. Trouwens bij hartstogtelijke handeling worden er redeneringen vaneenvoudigen en oppervlakkigen aard gemaakt, die, zooals bij woede en vrees, in der menschen geest overheerschende worden. Het zijn de hartstogten die de menschen doen handelen, de goede op eene niet, de slechte op eene wel te lage wijze voor de eischen van der menschen zedelijk leven en onderlinge zamenwerking, en het verkeerde van zich blindelings aan goede hartstogten over te geven, bestaat juist in het alsdan niet maken van genoegzaam diepzinnige redeneringen. Of de intellectuele ontwikkeling is dan in gebreke met betrekking tot de morele ontwikkeling, of men weet haar dan niet genoegzaam te doen gelden.Dit in gebreke zijn der intellectuele ontwikkeling, of het niet gebruik er van kan in het algemeen leiden om zich van het goede en insgelijks van het kwade te onthouden, en aldus de neiging tot het eene en tot het andere verminderen. Naar aanleiding van hetgeen op blz.217gezegd is, zal, omdat kennis noodig is om begrip en waardering van het goede te geven, en niet alleen evenals bij het kwaad strekt, om het op eene meer doelmatige wijze te doen, ontbering er van gemiddeld meer tot kwaad dan tot goed strekken, en aldus, naar aanleiding van blz.152, de neiging tot het goede meer verminderen dan die tot het kwaad15. Men bedenke hierbij dat de werking der wet van geschiktmaking de verschillende soorten van kennis (althans zie blz.67)die van even hooge soort, met elkander in harmonisch verbandtracht te brengen, zoodat vermindering der wijsgeerige kennis ook die der andere kennis tengevolge heeft. Iemand, die zich nu steeds er op toelegt om met overleg kwaad te plegen, moet noodwendig de wijsgeerige kennis, die betrekking heeft op de maatschappelijke behoeften en vooruitgang, verwaarloozen en dit, wegens de zooeven gemelde reden, daling van andere takken van kennis ten gevolge hebben.Zoo de geestelijke aanleg der individuen der verschillende diersoorten en menschenrassen bij de geboorte dier individuen slechts bepaald werd door den aard van hunne ligchamen, zou het onverklaarbaar blijven hoe zulke groote verschillen in den dezen geestelijken aanleg bepalenden aard der ligchamen ontstaan zijn, of liever in stand gehouden worden, want bestond er geene constante oorzaak voor dit laatste,zoozouden die verschillen, slechts door de werking der traagheid in stand gehouden, van lieverlede verminderd zijn, en slechts accidentele omstandigheden (anders gezegd het toeval) die den geestelijken aanleg bepalenden aard der ligchamen wat doen variëren. De verschillen in levensomstandigheden kunnen althans bij de menschenrassen die constante oorzaak niet zijn, omdat de verschillen in hoogte der levensomstandigheden bij de menschen kunstmatig zijn, en niet door de aarde aangeboden worden. De verschillen in den bovengemelden aard der dierlijke en menschelijke ligchamen, moeten in overeenstemming met de stelling van blz.92, dat die ligchamen aan eene opwaarts drijvende werking buiten hen blootgesteld zijn, naar ons inzien, ook in stand gehouden worden door eene oorzaak buiten hen, namelijk zie blz.196door de verschillen in aanleg der geesten op de aarde met levende ligchamen in contact willende komen. De geslachtsvoortplanting en het verkeer zullen voorts klaarblijkelijk strekken om bovengemelden aard dier ligchamen bij dezelfde soorten of dezelfde volken gelijkaan elkander te doen worden. Dit zelfde verschil in aanleg der geesten houdt, naar ons inzien, bij een zelfde volk het verschil in stand, voor zooverre dit niet door het toeval ontstaat, in stand. Wel heeft de maatschappij zich naar die verschillen in beschaving geschikt, doch die verschillen kunnen naar ons inzien geene noodzakelijke behoefte zijn van welke maatschappij ook, bijv. niet van eene wier leden in geestelijken aanleg tijdens hunne geboorte alle gelijk zijn, en niet, tengevolge der werking van het toeval, ongelijk in beelding en rijkdom worden. Verschil in magt zou in zulk eene maatschappij enkel door verschil in ancieniteit bepaald worden.De werking der wet der veranderlijkheid, waarbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken, veroorzaakt vaak eene overdrevene schatting van zekere hartstogten, zooals vreugde, smart, bewondering, verachting, opwekkende gebeurtenissen. Tusschen de opvatting dezer laatste in den geest dier hartstogten en deze bestaat er dan eene wederkeerige versterking, door de werking der wet van geschiktmaking, waardoor de hartstogt en de overdrevene voorstelling gematigd worden, begrensd. De aanschouwing der werkelijke gevolgen van zulk eene gebeurtenis wekt dan echter het denkbeeld op, dat men zich aan overdrijving heeft schuldig gemaakt, en dit denkbeeld nu is, wegens de werking der traagheid, niet verdwenen, wanneer, tengevolge er van, die overdrijving niet meer bestaat. Vandaar dat deze naar aanleiding van hetgeen op blz.258gezegd is, negatief zal worden, en er aldus, met betrekking tot de juiste schatting, verflaauwende schommelingen zullen ontstaan. Was dit niet het geval, zoo zou men, na het vernemen dat eene heugelijke tijding valsch is, direct weder in dezelfde gemoedsstemming als voor het ontvangen dier tijding moeten komen, want op het oogenblik dat de ongegronde vreugde verdwenen zou zijn, zou zulks ook zijn het denkbeeld datmen zich ten onregte verheugd heeft. Dit is echter in werkelijkheid het geval niet, en vandaar, dat men daar na gedurende zekeren tijd treurig wordt.Hierbij komt echter nog dat de wet van geschiktmaking de menschen ras gewoon maakt aan het denkbeeld van voorspoed, en aldus, zooals op blz.289gezegd is, althans met betrekking tot de bestaande afwijking, in gevoel van vreugde bestaande, het gemiddelde verzet, zoo dat hierdoor, wanneer devalschheidder goede tijding ruchtbaar wordt, de vreugde reeds veel vermindert zal zijn.Een zelfde verschijnsel kan te gelijk bestaan bij verschillende groepen van verschijnsels, elk, wegens de vereenigde werking der zamenstellende verschijnsels, opwekkende een gevolg onderscheiden van de gevolgen dier andere groepen. Zoo kan bijv. eene slechte daad, vereenigd werkende met de vriendschappelijke stemming der beoordeelaars dier daad, jegens derzelver bedrijver tot gevolg medelijden hebben; terwijl diezelfde daad, vereenigd werkende met de vijandelijke stemming van andere beoordeelaars, jegens derzelver bedrijver verachting en haat tengevolge heeft.Het gretig eten van gewijde kuikens kan, vereenigd werkende met de bijgeloovige gevoelens van een leger, aanmoediging hiervan tot gevolg hebben; terwijl, vereenigd werkende met de functie van de keel dier kuikens, dit gretig eten dezer de vulling van derzelver magen tot gevolg heeft. In elk dier gevallen zal elk gevolg zie blz.71, gelijkslachtig zijn met een of meer der verschijnsels door wier vereenigde werking het opgewekt wordt. Zoo is bijv. aanmoediging gelijkslachtig met bijgeloovige stemming, en vulling van magen met eten. Evenzoo is uitdrooging der lucht gelijkslachtig met derzelver oorzaak, namelijk de met storm vergezeld gaande betrekkelijk sterke luchtrijzing, terwijl het reven van zeilen gelijkslachtig is met het besturen van vaartuigen, datvereenigd werkende met storm, dit reven tengevolge heeft16. Gelijkslachtig zijn oorzaken en gevolg, wanneer deze op gene kunnen terugwerken en hen, zooals op blz.284gezegd is, kunnen uitputten en omkeeren, of versterken, en ongelijkslachtig zijn oorzaken en gevolgen, wanneer dit niet mogelijk is. Zoo zal bijv. de aan- of ontmoediging van een leger kunnen terugwerken op deszelfs bijgeloovige stemming, maar niet op het eten van gewijde kuikens, terwijl de met dit eten gelijkslachtige vulling der magen dier kuikens dit daarentegen wel kan doen.Evenzoo zal de uitdrooging der lucht de luchtrijzing en aldus ook de horizontale toeschieting der lucht of den wind verzwakken, terwijl het reven van zeilen op de sterkte van den wind niet, maar op het besturen van zeilvaartuigen wel terugwerken kan.Hoe komt het nu dat, zooals bij deze voorbeelden, geheel ongelijkslachtige verschijnsels vereenigd werkende gevolgen kunnen opwekken, die aldus onmogelijk met elk van derzelver oorzaken gelijkslachtig kunnen zijn? Naar ons inzien, doordat hier op aarde niet alles in harmonisch verband is, doordat, zooals op blz.195gezegd is, de gewassen en de ligchamen der dieren hooger dan de onbewerktuigde natuur, en de geesten der menschen hooger dan de door derzelver ligchamen bepaalde denking, en zie blz.91en 280 nog hooger dan de door de onbewerktuigde aardsche natuur bepaalde denking staan. Zoo is het rijp worden van vruchten, een gevolg der vereenigde werking der organische zamenstelling dier vruchten en der warmte, met deze laatst geheel ongelijkslachtig. Het met die warmte gelijkslachtige gevolg is daarentegen de grootere uitstraling en de minderevatbaarheid voor warmteopslurping der verhitte voorwerpen. Wegens de op de verhitting terugwerkende eigenschap van dit gevolg, moet het in de warmteleer beschouwd worden, hetgeen aldaar daarentegen weinig meer met het rijpen van vruchten, als met het bezoeken van zomer-theaters behoeft te geschieden.Hoe grooter de disharmonie is tusschen met elkander in verband gebragte zaken, hoe ongelijkslachtiger de gevolgen en sommige van derzelver oorzaken kunnen worden. Dit is bijv. in sterke mate het geval, zoo het eten van gewijde kuikens, of zie blz.145en 171 juister gezegd, de hierdoor bepaald wordende denking, in verband komt met de menschelijke denking over geheel andere zaken. Die disharmonie is nu enkel het gevolg hiervan, dat de verbeelding opwekkende bewuste aanschouwing sterk vooruitloopt de op blz.178gemelde aanschouwing, waardoor de menschen met den waren aard der zaken bekend worden, en zoo nu die disharmonie werkelijk maakt dat gevolgen geheel ongelijkslachtig met sommige van derzelver oorzaken worden, zoo is het klaar, dat de door de wijsbegeerte zie blz.117niet ingelichte menschen het mogelijk kunnen achten, dat gevolgen er mede gelijkslachtige oorzaken geheel kunnen missen, of met andere woorden dat er wonderen bestaan. Kon bijv. het gezigt van een klein stuk beschreven papier de eenigste oorzaak zijn, dat iemands bloed sneller gaat loopen, en dat zijne spijsvertering belemmerd wordt, zoo zou dit verschijnsel van denzelfden aard zijn alsdat iemands woorden een dooden kunnen opwekken. Wat maakt echter het eerste verschijnsel mogelijk en het tweede onmogelijk? Het bestaan van eene oorzaak gelijkslachtig met dephysiologischewerkingen binnen het ligchaam, en vereenigde werkende met de inzage van het kleine stuk beschreven papier, het gemis van eene oorzaak gelijkslachtig met de organische en chemische werkingen bij lijken en vereenigdwerkende met de woorden van den zoogenaamden doodenopwekker.Niet slechts moet eene der oorzaken van elk verschijnsel hier qualitatief op gelijken, ook dient zij dit quantitatief te doen. Zoo bijv. een voorwerp breekt tengevolge van een zachten tik, zoo dient te gelijk hiermede, de broosheid van dit voorwerp de oorzaak van dat breken te zijn, omdat dit een veel sterker verschijnsel dan dien ligten tik is. Broosheid bestaat voorts ook op maatschappelijk gebied, bijv. bij legers wier nederlaag het gevolg kan zijn van een verkeerd kommando. Op dit gebied bestaat de vastheid in ongevoeligheid voor storende oorzaken, en de taaiheid in de sterkte der werking der wet van geschiktmaking waardoor de storingen verdwijnen Die eene oorzaak, wier sterkte die van het gevolg evenaart, kan somtijds voor oppervlakkige of oningewijde menschen onbekend blijven, en somtijds vereenigd werken met andere bekende belangrijke oorzaken, waardoor het bekende gevolg van deze zeer belangrijk gewijzigd kan worden.Hetgeen op blz.176gezegd is, dat elk verschijnsel bevat zekere bijzonderheden bijv. het bijzondere van eenige daad van een persoon, voorts te gelijk iets meer algemeen, zooals bijv. de uiting van het karakter van dien persoon, in alle dergelijke daden die hij verrigt bevat, voorts nog iets meer algemeen, bijv. de algemeene uiting van den menschelijken aard enz., kan alsware naar beide zijden voortgezet worden, zoodat men naar de eene zijde steeds korter durende eigenaardigheden der verschijnsels ontmoet, terwijl naar de andere zijde, men steeds meer algemeene en langer aanhoudende eigenaardigheden er van te beschouwen heeft, totdat men eindelijk, zie blz.171, bij het algemeenste, wat op het gebied van denking en beweging bestaat, zou teregt komen. Bij alles wat gebeurd kan men aldus stellen te bestaan bijzonderhedenuiterst kort durende, gedurende dien tijd slechts in grootte, maar niet in aard veranderende, en die, voorafgegaan en gevolgd door andere dergelijke bijzonderheden, elk bezitten eene oorzaak die hen voortbrengt en een gevolg dat hen vernietigt, tengevolge der op blz.257gemelde werking der wet der veranderlijkheid gepaard met eene zoodanige werking der wet der geschiktmaking, dat de op blz.259gemelde schommelingen niet noemenswaardig ontstaan.17Zoo toch dit gevolg die bijzonderheid niet zeer snel na zijn ontstaan vernietigde, maar onveranderd liet of versterkte, zou deze in aard gedurende langeren tijd onveranderd blijvende, en eerst door een ander en trager ontstaand gevolg vernietigd wordende, iets meer algemeen zijn. Dit meer algemeene is nu geen verschijnsel naast een ander meer bijzonder verschijnsel bestaande, maar slechts eene minder veranderlijke eigenaardigheid van hetzelfde verschijnsel, dat te gelijk meer veranderlijke eigenaardigheden bezit. Men kan bijv. niet zeggen dat loopen een verschijnsel is, en dan in deze dan in gene rigting loopen er een ander is, niettegenstaande men van het loopen in elke rigting, hoe kort men dit ook moge doen, de oorzaken en de gevolgen kan nagaan, en deze verschillen van de oorzaken en de gevolgen van het loopen in het algemeen. Dit bijv. kan het gevolg zijn van gemoedsaandoening door ligchaamsbeweging versterkt wordende, zoodat hierbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken, totdat een ander gevolg dier ligchaamsbeweging namelijk de vermoeijenis hier vernietigendeopwerkt. Die gedurende zekere tijd heftiger wordende ligchaamsbewegingen veranderen echter gedurig van vorm, en, wanneer elk dier verschillende soorten van vorm, op een maximum van intensiteit zijn, zullen de er door opgewekte gevolgen nog in intensiteit toenemen, en, wanneer het aantal dier gevolgen in eenig geval meer dan een bedraagt, slechts het met die soort van eigenaardigheid gelijkslachtige gevolg die eigenaardigheid kunnen vernietigen. Ligchaamsbewegingen kunnen bijv. wegens derzelver aard twee gevolgen opwekken een vanphysiologischenen een van geestelijken aard, en nu wel het eerste gevolg van het tweede kunnen afhangen, maar het niettemin alleen in staat zijn om den bijzonderen vorm van zulk eene beweging uit te putten, en als oorzaak werkende een anderen vorm van beweging op te wekken. De denking van een lam mensch is bijv. even onvermogend om den vorm zijner ligchaamsbewegingen te wijzigen, als het waarnemen van een zoogenaamd slecht teeken voor het ondernemen eener zaak, om een niet bijgeloovig mensch van zulk eene onderneming te doen afzien. Het verlies van zekere soort van bijzondere eigenaardigheden bij eenig verschijnsel komt op hetzelfde neder als het er steeds bij bestaan van het gemiddelde dier bijzondere eigenaardigheden. Van eenig voorwerp kan het bijv. eene veranderlijke bijzonderheid zijn, dat het in kleur varieert, zonder dat het gemiddeld de eene kleur van den regenboog meer dan eene der andere vertoont. Het gemiddelde dier kleuren zal grijs zijn, en klaarblijkelijk een voorwerp,dat die bijzondere eigenaardigheid van dan zus en dan zoo gekleurd te zijn verliest, zich steeds grijs moeten vertoonen. Op blz.255hebben wij gezegd, dat de werking der wet van geschiktmaking afwijkingen van gemiddelden tracht te vernietigen, en op blz.256dat zij het veranderlijke van toestanden tracht te doen verdwijnen. Waar nu komt dit laatste op neder:Op het vernietigen van veranderlijke bijzondere eigenaardigheden bij zaken, zoodat hierbij slechts meer algemeene en te gelijk minder veranderlijke eigenaardigheden overschieten. Zulke gemiddelden, afwijkingen zijnde van andere meer algemeene en nog minder veranderlijke gemiddelden, zoo zal de werking der wet van geschiktmaking ook deze afwijkingen trachten te vernietigen, hetgeen hierop neder komt, dat zij meer algemeene eigenaardigheden van verschijnsels tracht weg te nemen, om deze slechts nog algemeener en nog minder veranderlijke eigenaardigheden over te laten enz. totdat, bij het niet bestaan der werkingen der wet der veranderlijkheid, zooals op blz.257gezegd is, eerstgemelde werking eindelijk zou leiden tot het slechts laten bij de verschijnsels van het absoluut onveranderlijke en algemeenste bij de veropenbaring der zelfstandigheid door denking en door beweging. Die werking der wet van geschiktmaking tracht bijv. zie blz.255de menschen op een gemiddelden trap van zedelijkheid te brengen, en aldus zoodanig te doen worden, dat er van hunne moraliteit niets bijzonders te zeggen valt, en dat, ofschoon te veel aan te lage hartstogten toegevende en beneden de eischen van hun leven blijvende, zij niettemin noch gierig, noch mild, noch hoogmoedig, noch nederig, noch geduldig, noch ongeduldig, noch vlijtig, noch lui kunnen genaamd worden, en aldus bijzondere eigenaardigheden verliezen.
Der menschen handelingen kunnen slechts dan geheel werkingen der wet van geschiktmaking zijn, wanneer zij de directe gevolgen zijn van ongeschikte toestanden van zaken, en dit nu is niet het geval, wanneer die handelingen de gevolgen van redeneringen zijn. Zoo bijv. iemand, met losbollen verkeerende, er ook een wordt, geschiedt dit door de besmettelijke, zie blz.255, afwijkingen wegnemende werking van zijne omgeving en niet door redenering, evenmin zoo iemand met de oogen knipt, wanneer hierop te sterk licht valt.Wanneer de menschen op eene beredeneerde wijze ongeschiktheden (bijv. ziekten) trachten te doen verdwijnen, zijn de daarvoor door hen aangewende middelen steeds de zeer indirecte gevolgen dier ongeschiktheden. Was dit anders, wees bijv. maagpijn op eene instinctieve en directe wijze de daartegen aan te wenden middelen aan, zoo zouden deze zeker doelmatig zijn, want het zich aldus genezende wezen zou zich daarvoor niet boven de zintuigelijke ervaring behoeven te verheffen, en geene andere verandering in het ligchaam dan het wegnemen der kwaal zou plaats hebben. Bij de behandeling van zieken door artsen geschiedt dit nu ook wel zoo in zekere mate, doch buitendien worden er, deels door dwalingen, veranderingen bij de ligchamen der patienten te weeg gebragt. Die behandeling bestaat aldus uit de vereenigde werking der wet van geschiktmaking en van die der veranderlijkheid.In andere gevallen is hetgeen de menschen tengevolgevan redenering doen in betrekkelijk sterkere mate ofschoon niet geheel de werking der wet van geschiktmaking. Het kleeden bijv. verkeert in dit geval, want de gewaarwordingen van onze ligchamen duiden ons aan, dat wij bijv. geen lappen laken onder onze voeten moeten bevestigen en geen rok van zoolleer maken, terwijl ook de vorm der kleederen door die van onze ligchamen in zekere mate direct aangegeven wordt.Bij al ons redeneren hebben wij steeds ten doel bij iets geschiktheid voort te brengen, al zij het dat er door zie blz.256, te gelijk ongeschiktheid bij andere zaken ontstaat, zoodat dit redeneren evenmin alleen eene werking der wet der veranderlijkheid als, wegens de reden van blz.260, eene der wet der geschiktmaking is. Omdat het echter deels eene werking van eerstgemelde wet is, zal het slechts in eene veranderlijke wereld, dat is in zulk eene waarin er een drang tot vooruitgang kan bestaan, kunnen plaats hebben. Het verkeer in eene veranderlijke wereld is echter niet voldoende om vooruitgang bij de wezens voort te brengen, hiervoor moet bij deze een drang er toe bestaan, even als zie blz.263, voor de toeneming der intellectuele ontwikkeling bij wezens in het bezit van zekeren aanleg.Een wezen kan een lager en gebrekkiger georganiseerd ligchaam dan zijns gelijken bezitten en hierdoor zie blz.90, aan eene grootere terugtrekkende werking dan dezen blootgesteld zijn. Het kan zich echter ook eene grootere geestinspanning dan de andere wezens geven, ten einde in dit gebrek te voorzien, en die grootere geestinspanning de vergrooting zijner geestelijke ontwikkeling bevorderen. Wanneer dit wezen aan die bevordering groote behoefte gevoeld, zal het in dit laatste geval verkeeren, en dit vergelijkbaar zijn met het op blz.240, gemelde geval, waarin een volk door kunstmiddelen moet voorzien in hetgeen de natuur elders zelve geeft.Het is naar ons inzien het duistere besef van die onbepaalde vergrooting der geestontwikkeling der menschen, dat doet zeggen dat hun leven onschatbaar is, niettegenstaande de waarde van het aardsche leven van enkele menschen negatief is, en van de meeste hunner niet boven die eener matige geldsom gaat.De statistiek leert toch hoe, door het verzuimen van zekere veiligheidsmaatregelen, er gemiddeld jaarlijks een zeker aantal menschen omkomen, en toch kan men die maatregelen niet invoeren wanneer zij te veel geld kosten. Bij al zijn werken en drijven stelt de mensch zijn ligchaam aan meer of minder gevaren bloot. Productie van welken aard ook kost aldus bloed, zelfs wanneer die productie dient tot het verschaffen van middelen ter beveiliging van der menschen leven. Het bewerkte hout en ijzer dat bijv. op de schepen hiervoor dient, kost aan een aantal houthakkers en mijnwerkers het leven. Men zou aldus moeten oplossen het vraagstuk “van welken aard de productie moet zijn om een minimum van menschenlevens te kosten,” een vraagstuk dat, wegens de gedurige variatien der omstandigheden, slechts zeer in het ruwe op te lossen is, en waarbij men de productie door te groote voorzigtigheid niet moet verminderen, omdat hierdoor, ten bate der geschiktheid met betrekking tot de veiligheid, de van de productie afhangende beschaving te veel benadeeld zou worden.8Terwijl bij met den onveranderlijken oergeest volmaaktzamengesmoltenwezens, wat geschikt is in het eene opzigt ook geschikt moet zijn in een ander opzigt, wat voorden een geschikt is, ook voor den ander geschikt moet zijn, en wat gewenscht is voor het heden ook in de toekomst gewenscht moet zijn, is dit bij veranderlijke wezensgeenszinshet geval. Deze kunnen dan ook slechts trachten de bij hen bestaande totale ongeschiktheid, waaronder zoowel die voor toekomstige hoogere toestanden, als die voor het heden, zoowel die met betrekking tot hunne zamenwerking met anderen, als die met betrekking tot hun eigen, tot een minimum te maken, iets dat zij, zoo zij aan de eischen van hun maatschappelijken toestand voldeden, gemiddeld zouden trachten te doen, doch welke pogingen door allerlei veranderingen van toestand te weeg brengende accidentele oorzaken aanhoudend tegengewerkt zouden worden. Van zulk een minimum van ongeschiktheid in allerlei opzigten, dus ook voor de toekomst, verwijdert men zich echter wanneer men de geschiktheid voor het een geheel opoffert ten bate van die voor het ander. Die eerste soort van ongeschiktheid wordt alsdan meer vermindert dan de tweede vergroot, omdat, naarmate er geschiktheid bij iets meer vermindert, de verdere vermindering er van bezwaarlijker wordt, omdat zij zich alsware dan bepaalt tot hetgeen waarbij zij moeijelijker uitteroeijen is.Dit kan vergeleken worden met de uitwerking der geregtelijke straffen. Deze gaan in zekere mate de misdaden tegen, maar straft men zelfs de ligtste diefstallen met den marteldood, zoo zouden er nog in voor de dieven zeer aanlokkende gevallen er nu en dan diefstallen gepleegd worden, en de maatschappij minder winnen door de vermindering der diefstallen, dan verliezen door de pijnlijke uitwerking dier verschrikkelijke straffen.Wij menschen trachten wel in zekere mate de ongeschiktheid bij ons genoegen in het heden, die bij ons toekomstig bestaan, die bij andere menschen en die bij het toekomstige bestaan van andere menschen weg tenemen, doch doen dit niet bij elk dier soorten van ongeschiktheid in zulk eene verhouding als behoort, om bij allen te zamen de ongeschiktheid tot een minimum te maken, en wel, omdat de toestand daaromtrent niet alleen bij de in beschaving gestegene menschheid veranderd is, maar tevens bij elk individu gedurende zijn leven verandert. Bij de dieren toch lijdt de geschiktheid voor de toekomst en die van andere individuen veel minder dan bij ons menschen door de verwaarlozing er van ten bate der geschiktheid van het individu in het heden, en daar, sedert dat wij maatschappelijke pligten te vervullen hebben, onze verheffing boven den staat der dieren niet sedert zeer langen tijd uiterst langzaam heeft plaats gegrepen, handelen wij, tengevolge der werking der traagheid en van de in de Noot van blz.139gemelde terugtrekkende werking, met betrekking tot het te keer gaan der ongeschiktheid bij elk dier zaken, te veel als dieren, dat is wij voldoen niet aan de eischen van ons maatschappelijk bestaan. Desniettemin verzuimen wij niet geheel om bij elk dier zaken de ongeschiktheid tegen te gaan, en zelfs niet bij ons en anderen toekomstig buiten aardsch bestaan. Dit wordt bewezen, doordat der menschen ideaal hooger reikt dan om de hen bewuste kwalen der menschheid weg te nemen, en om deze in den geschiktsten toestand met betrekking tot het aardsche leven in de tot den thans bestaanden stand van beschaving gestegene maatschappij te stellen. Om dit laatste in voldoende mate te doen, hiervoor zijn de menschen, wegens bovengemelde oorzaak, te zinnelijk, te egoïstisch en te zorgeloos, kunnen zij gedurende hun kortstondig aardsch bestaan te weinig de behoeften hunner medemenschen leeren kennen, en mangelt het hen aldus zoowel aan intellectuele als aan morele ontwikkeling, doch dit neemt niet weg, dat de (zie blz.78), zoo onharmonische mensch somtijds zorgt om geschiktheid te vergrooten voor iets hooger dan het genoegender aardsche maatschappij in het heden, en dat hij hiervoor dit genoegen vermindert, en zich zelf lijden oplegt. Dit is bijv. het geval zoo iemand zooalsBeijling, om zijn gegeven woord niet te breken, niet slechts zijn eigen leven opoffert, maar tevens zijne vrienden in droefheid dompelt. Dit is het geval zoo iemand, overstelpt door rampen of behebt met ongeneeselijke en smartelijke kwalen, zich liever in de harde maar leerrijke school van den tegenspoed laat, dan zich van den last van het leven te bevrijden, en vooral is dit het geval bij uitingen van het godsdienstig gevoel, en maakt dat zij, die zich offers opleggen om anderen in het heden genoegen te doen, ons niet voorkomen aan de roeping van den mensch ten volle te voldoen. Dergelijke daden maken het de menschheid evenmin in het heden genoegelijker als de bekende raad vanAristidesin het belang vanAthenewas, en toch kan het doel hierbij niet slechts zijn om goede voorbeelden te geven, daar dit geheel van de middelen der publiciteit afhangt, en buitendien verzinsels daar even goed als werkelijk bedreven daden voor kunnen dienen.Die vergrooting der zedelijke ontwikkeling kan somtijds geschieden door het bedrijven van daden, de maatschappij geen voordeel verschaffende, zooals bijv. bij het bedwingen van de neiging voor genot in het heden door het nakomen van een verbod van iets dat werkelijk schadeloos is. De waarde van zulk eene daad, met betrekking tot den bedrijver er van, zal dan echter verminderen, zoo deze geen ijver genoeg betoont om de doelmatigheid er van te onderzoeken.De nakomelingschap heeft aanNapoleon Ide terdoodbrenging van den hertog vanEnghien, benevens zijn trouweloosheid jegens het Spaansche hof meer euvel geduid, dan al de door hem geprovoceerde oorlogen. Dit nu kan slechts geschied zijn, omdat die nakomelingschap het voorbeeld van moord en trouwbreukvoor latere heerschers verderfelijker achtte dan dat van oorlog voeren, niettegenstaande, wanneer die oorlogen stroomen bloed doen vloeijen en duizende huisgezinnen in rouw dompelen, zij ontegenzeggelijk het genoegen der maatschappij meer schaden, dan enkele moorden zulks doen. Deze strekken echter tot zedelijke verlaging, de oorlogen daarentegen in verscheidene opzigten tot geestelijke verhooging der strijders en van de navolgers dezer.Zoo wij ons buitendien geen hooger ideaal voorstelden dan het genoegen der maatschappij in het heden, zou bij het niet voldoen aan de eischen van dit ideaal, dit omlaag getrokken worden, dat is de beschaving zou afnemen, en dit genoegen der maatschappij meer op het dierlijke gaan gelijken. Zoo, wegens de in de Noot blz.139gemelde terugtrekkende werking, als wegens den zeer geringen graad der geestontwikkeling der menschen tijdens derzelver geboorte, zouden deze, wanneer zij volwassen zijn, wegens het kleiner zijn van het hunne geestontwikkeling optrekkenden ideaal, op een lageren trap van geestontwikkeling komen, en aldus de graad van ontwikkeling van het genoegen der maatschappij steeds teruggaan9. Het is hiermede gelegen als met de grootte van wandelingen, zoo deze, hoe klein ook, inspanning vorderen, en zij noch voor de gezondheid, noch voor het genoegen gedaan worden. Al heeft iemand door dwang de gewoonte verkregen om eene wandeling van zekere grootte te maken, die grootte zal van lieverlede verminderen, nadat die dwang opgeheven is. Is aldus ons ideaal het publieke genoegen bij de thans bestaande beschaving der maatschappij, zoo hangt het in de lucht, en zal de noodzakelijkheid dier beschaving voor ons deze evenmin voor teruggang beveiligen, als de gewoonte aanhet doen van eene groote wandeling, deze zal behoeden voor verkleining, zoo geene andere oorzaak dit tegen gaat. Slechts zal die verkleining alsdan trager zijn. Wel is waar bezitten wij zie blz.28een drang tot vooruitgang, en misschien leidt deze de dieren, om zich(zie blz.152)eene inspanning te geven grooter dan hun aangenaam is, maar bij ons menschen, die bewustheid hebben van de toekomst en van hoogere trappen van bestaan, is deze instinctive drang hiervoor niet voldoende, wij behooren hiertoe hetzij door anderen gedwongen te worden, of wel een door onze zucht tot gemak niet omlaag trekbaar doel voor oogen te houden. Is dit doel bij de menschheid geheel aardsch, zoo moet het, wil de trap van beschaving niet verminderen, minstens zijn om dezen trap te verhoogen. Is echter de trap van beschaving op aarde zoo hoog geklommen als de in de Noot van blz.139gemelde terugtrekkende werking benevens de traagheid der op een zeer laag standpunt van geestelijke ontwikkeling geboren wordende menschen gedoogt, welk ideaal moeten deze zich dan ter bereiking voorstellen, om op dit maximum van op deze aarde mogelijke beschaving te blijven?10Een aardsch ideaal kan dit klaarblijkelijk niet zijn, en ook voor ons, die dit maximum niet bereikt hebben, kan die optrekkendewerking niet geheel gevonden worden, zoo men de oogen slechts op de aarde gevestigd houdt. Wij achten ons te weinig in de menschheid op te gaan, (iets dat wel van zamenwerking met medemenschen onderscheiden moet worden) en ons gevoel van zelfstandigheid is te sterk, om ons ideaal vast te knoopen aan het lot der aan allerlei wisselvalligheden overgeleverde nakomelingschap. Wij bezitten eene meer of minder gebrekkige voorstelling, dat voor een deel ons ideaal zoodanig moet zijn, dat het op heffende werkt, hoe hoog ook men binnen de palen der eindigheid gestegen zij, en aldus slechts bij den oneindigen onveranderlijken en aldus volmaakten Oergeest kan bestaan.De idealen van zelfs leden van onbeschaafde maatschappijen bevatten dan ook bestanddeelen in sommige opzigten ongelijkslachtig zijnde met, ofschoon niet minder verheven dan hetgeen tot het genoegen strekt der wisselende leden van beschaafde maatschappijen.Reeds de onbeschaafde mensch begeeft zich met zijne verbeelding en ook eenigzins met zijne rede op buitenzinnelijk gebied, en vervalt alsdan in dwalingen. Dit is een noodwendig gevolg van het ver vooruitloopen der controlerende zintuigelijke aanschouwing tengevolge der natuurwet van de veranderlijkheid, doch even noodwendig is het dat die dwalingen verkeerde opvattingen zijn van iets dat werkelijk bestaat. De natuurwet der geschiktmaking verbiedt toch dat wij menschen een vermogen behouden om bespiegelingen te maken over het niet, evenals zij niet zou gedogen dat de vogels vleugels behielden, zoo er geene lucht bestond om er in te vliegen. Hetzelfde kan gezegd worden van de zucht der menschen om zich in eene hoogere en naauwere betrekking met het buitenzinnelijke en verhevene op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door denking te stellen. Die zucht is de oorzaak der zoogenaamde inspiratie, die der veronderstelde persoonlijke tegenwoordigheid van Godop gewijde plaatsen, die der gewaande lichamelijke vereenzelviging met hem. De menschen hebben, onder de vereenigde werking der wet van geschiktmaking en die der veranderlijkheid, die zucht naar het hooge op eene voor hunne bekrompenheid van begrip geschikte wijze trachten te bevredigen, en zijn hierdoor tot dwaalbegrippen tot bijgeloovigheden vervallen, doch het bestaan dier zucht bij hen bewijst dat deze eenmaal bij elk hunner op eene objectief ware wijze bevredigd zal worden.Het is aldus niet de zucht naar het hoogere op buitenzinnelijk gebied, of het godsdienstig gevoel in het algemeen, waardoor de toeneming der menschelijke kennis vertraagd wordt, maar het is de zinnelijke bevrediging dier zucht die zulks doet. Vandaar, dat, voorbij het standpunt van beschaving waarop de mensen en wijsgeerig beginnen te worden, zie blz.118, er eene botsing ontstaat tusschen de verlichten der natien, namelijk de wijsgeeren en de voorgangers van het gros dier natiën in de zinnelijke bevrediging van het godsdienstig gevoel, en dat de eerste op de laatste eene opheffende werking uitoefenen. Die disharmonie, moge in het eene tijdvak sterker, in het andere zwakker zijn, overal zal zij bestaan waar, tengevolge der werking der wet van geschiktmaking, zinnelijke wezens zich door zinnelijke voorstellingen trachten te bevredigen, en te gelijk, tengevolge der werking der wet der veranderlijkheid, door middel hunner rede zich tot het abstracte verheffen. Het wegens welk motief ook niet dringen in het abstracte maakt niet alleen dat de menschen bijgeloovig, maar tevens dat zij ongeloovig zijn. Op het eene oogenblik vormt de mensch verheven bespiegelingen, en zweeft hij boven de wolken in de wereld van het abstracte, op het andere oogenblik trekt zijne zinnelijkheid hem naar den bodem terug, en laat in zijn boezem een grond van wantrouwen voor zijne naar hij meent voor de rede onwederlegbare bespiegelingen.Is het aldus te verwonderen, dat zij die gezeten zijn in het vaartuig hunner kerk, wiens deelen zij de planken der behoudenis wanen te zijn, omdat zij er tusschen op min of meer zinnelijke wijze het edelste hunner gevoelens voldoen, dit vaartuig niet durven te verlaten en te wandelen op de baren van het abstracte, uit vrees van te zinken naar de diepte van het ongeloof? Uit vrees van mismaakte dwergen te worden, blijven zij liever kinderen.De werking der traagheid moet de wezens beletten eensklaps van natuur te veranderen en hunne persoonlijke eigenaardigheden te verliezen, zoodat zij niet op de wijze zooals Bouddha gesteld beeft, maar zelfs, slechts na eene verzwakking van hun karakter van bijzonderheid en veranderlijkheid gedurende de grootst eindige tijden, in het onveranderlijke oerwezen, door met dit qualitatief identiek te worden, opgenomen kunnen worden. De wet der geschiktmaking, welke dit tracht te doen, zal zwakker werken, naarmate er aan die volmaakte eenzelvigheid minder ontbreekt, zoodat er evenmin een eindigen tijd zal bestaan, waarin die werking alle te kort komingen aan die eenzelvigheid opgeheven zal hebben, alsdat er eene eindige abcis zal bestaan, waarbij bij eene kromme alle verwijdering van den assymptoot dezer verdwenen is. Dat de drang tot verandering van zaken, naarmate zij den toestand, waarin die drang hen wil brengen, meer genaderd zijn, kleiner wordt, is een gevolg der werking der wet der traagheid, die zulk een drang slechts veroorlooft binnen een eindigen tijd in grootte te veranderen, en aldus ook te verdwijnen. Er zullen aldus zeer korte, maar toch nog eindig groote tijden bestaan, dat die drang uiterst gering zijnde, voor het voortbrengen eener nadering der eene zaak tot de andere, die vroeger binnen korten tijd geschiedde, uiterst langen tijd noodig zal hebben. Bij bovengemelde kromme is de grootte der hoeken, welke de tangenten met de as derabcissen maken, met de grootte van dien drang te vergelijken. Is de vergelijking dier kromme nu zoodanig, dat die hoeken wel naar nul streven, maar niet negatief kunnen worden, en beneden zekere grootte alle soorten van grootte bezitten, zoo moet zulk eene kromme een assymptoot paralel met de as der abcissen bezitten. Evenmin als een veranderlijk wezen binnen een eindigen tijd hetkarakter der onveranderlijkheid kan verkrijgen, kan het, een zelfstandig iets zijnde, binnen zulk een tijd volmaakt vernietigd worden. Ware eene vernietiging er van mogelijk zoo zou hierbij juist het omgekeerde als bij de op blz.184gemelde aangroeijing van zulk een wezen van af nul tot een eindig bedrag gedurende eene eeuwigheid moeten plaats hebben. Een wezen, in dit laatste geval verkeerende, moet eene eeuwigheid nadat het eene eindigen grootte bereikt heeft, oneindig groot zijn, en de stelling der preëxistentie tot noodwendig gevolg hebben, dat de geestontwikkeling der wezens de palen der eindigheid moet overschreden hebben, wanneer zij met den Oergeest volmaakt zamensmelten. De wet van geschiktmaking werkt, door de wezens een onveranderlijken aard te willen geven, de vergrooting dier wezens tegen. De wet der veranderlijkheid werkt op eene tegenovergestelde wijze, en moet gedurende het laatste oneindig lange tijdvak, dat de eindige wezens, voor met den Oergeest zamen te smelten, in grootte toenemen, in werking betrekkelijk de wet van geschiktmaking verzwakken.Bij eene eindige betrekking tusschen de werkingen dier beide wetten in het voordeel der eerstgemelde, voor zooverre deze zie blz.284geene terugtrekkende werking uitoefent, zullen, bij den aanvang reeds bestaande wezens gedurende een eindigen tijd eene eindige betrekkelijke, vergrooting ondergaan. Alsdan zal echter die betrekkelijke vergrooting dier wezens gedurende eene eeuwigheid, van af een eindig getal tot nul afnemende zulks tetraag doen om binnen die eeuwigheid slechts eene eindige absolute vergrooting voort te brengen. Hiervoor zou die verhouding, op het oogenblik van den aanvang dier eeuwigheid, oneindig groot moeten zijn en bij een wezen in grootte nul bestaan. Die grootte is vergelijkbaar met die der ordinaat nul bij den top van assymptoten bezittende kromme lijnen. Van dergelijke krommen moeten de met bovengemelde betrekkelijke vergrooting vergelijkbare tangenten der hoeken der raaklijnen van oneindig tot op nul afnemen.De op blz.276gemelde zucht tot opheffing van den geest naar den onveranderlijken oneindigen Oergeest, vereischt dat diens onveranderlijke denkbeelden een invloed hoe indirect ook op onze veranderlijke denkbeelden uitoefenen, want anders zou het zijn, of dit onveranderlijke wezen voor ons geen objectief bestaan had, en aldus, zooals op blz.275gezegd is, die zucht bij de menschen niet kunnen bestaan. Die onveranderlijke denkbeelden van den Oergeest kunnen echter niet direct op de onze van invloed zijn, omdat deze dan ook een directen invloed op die onveranderlijke denkbeelden zonden uitoefenen, en hen niet volmaakt onveranderlijk zouden kunnen laten. Die invloed moet aldus geschieden door eene grootst eindige reeks van zie blz.175, veranderlijke denkbeelden van den Oergeest, en wel zoo dat de leden dier reeks naar de zijde waar deze zich aan de onveranderlijke denkbeelden hecht, meer en meer hun karakter van veranderlijkheid verliezen en in uitgebreidheid toenemen11.Die uitgebreidheid bij die onveranderlijke denkbeelden oneindig zijnde, zoo kan hun invloed op onze denkbeeldenvergeleken worden met dien van een oneindig grooten hemelbol op een eindig grooten bol, waarvan hij oneindig ver verwijderd, en aldus, zie blz.165, door eene oneindige massa van aantrekkingstrillingen bezittenden ether gescheiden is. De invloed dier reeks van denkbeelden van den Oergeest op onze denkbeelden moet echter niet beschouwd worden als inspiratie, maar zie blz.122als de oorzaak waardoor wij ons door middel der rede en verbeelding boven zintuigelijke indrukken verheffen. De veranderlijke denkbeelden van den Oergeest, bepaalt door de atomistische bewegingen der aarde, oefenen, door tusschenkomst van dergelijke veranderlijke denkbeelden, bepaalt door atomistische bewegingen der deelen van ons ligchaam, geestelijke invloeden uit op door de zintuigelijk onwaarneembare atomistische bewegingen bepaalde denking van onzen geest12. Gedroeg deze zich hier tegenover geheel passief, zoo zou hij een aardsch product zijn, en werkelijk tracht die invloed hem daartoe door eene werking der wet van geschiktmaking te verlagen. Onze geest gedraagt zich echter ook actief, ofschoon niet steeds even sterk, het minste in den slaap, in staat van dronkenschap, van waanzin, enz., wanneer hij zich weinig inspant; het meeste bij het denken over abstracte onderwerpen, over het algemeene en bij het in den niet latenten toestand. houden van denkbeelden, zoo dit sterke inspanning vereischt. Voor het bezit dier activiteit heeft echter onze geest noodig primo om eene menigte van verscheiden en veranderlijke indrukken te ontvangen, zonder welke hij niet werkdadig kan zijn, zie blz.93, en secundo om invloed te kunnen uitoefenen op voorwerpen, die zich alsdan tegenover hem passief gedragen. Zoo gedragen zich de beenen passief, wanneer wij tengevolge van onzenwil (eene soort van denking) gaan, en zouden zij zich slechts actief gedragen, zoo zij ons konden dwingen om te loopen13. Onze geest zou slechts aan de op blz.94gemelde werking, trachtende hem een aardsch product te doen worden, blootgesteld zijnde, dit werkelijk naar ons inzien worden, zoo de werking der wet der veranderlijkheid hem niet binnen de wereldsche verscheidenheid en veranderlijkheid door de op blz.279gemelde reeks aan eene opheffende werking blootstelde, en daardoor tevens maakte dat die eerste werking haar doel niet kan bereiken, en aldus verlagende op den geest blijft werken.Men kan zich voorts voorstellen wezens zich niet verheffende boven de zintuigelijke indrukken, die zij op een hemelbol verkrijgen, en die, in zeker opzigt qualitatief niet van elkander verschillende, dit quantitatief wel doen. Zoo zouden bijv. op deze aarde waterdieren, zich niet boven hunne zintuigelijke indrukken verheffende, niet slechts minder hoog in geestontwikkeling staan dan de werkelijk bestaande waterdieren, maar tevens als imaginaire landdieren, welke zich ook niet boven hunne zintuigelijke indrukken verheffen.Om te beseffen hoe de aardsche zintuigelijke aanschouwing, door beneden de denking der aardbewoners te blijven, de vergrooting der geestontwikkeling dier wezens belemmert, en, zoo onze planeet (zie blz.154) nietzelve in eene phase van vooruitgang was, hij de nakomelingschap slechts tot een zeker maximum zou veroorloven te gaan, neme men in acht, dat al der menschen wetenschappelijke kennis bestaat uit zintuigelijke waarnemingen, wiskunde en logica. Van het eerste is natuurlijk het maximum op deze aarde beperkt, en met de wiskunde en logica is dit, door eene indirecte uitwerking van dit te laag staan der zintuiglijke aanschouwing met betrekking tot onze denking, insgelijks het geval.Zoowel bij de logica als bij de wiskunde wordt den aard en grootte van het onbekende, uit het bekende afgeleid, zoodat, waar zie blz.174de rijkdom en volkomenheid der aanschouwing de geesten ten volle verzadigen, wiskunde en logica overbodig zijn. Zoowel bij de logische als bij de wiskundige redenering (wier juistheid eigenlijk onafhankelijk is van de objectieve waarheid van de stellingen waarvan men uitgaat) gebruikt men beelden en voorstellingen aan de zintuigelijke aanschouwing ontleend. De beperktheid hiervan moet nu de vlugt van onze voorstellingen beperken door hierop eene terugtrekkende werking uit te oefenen, en hierdoor aan de intellectuele ontwikkeling der aardbewoners met betrekking tot de wiskunde en logica grenzen stellen, zelfs al waren die bewoners in het bezit eener aardsche onsterfelijkheid en aldus van een onbepaald langen tijd om te leeren, zonder dat hun geest een aardsch product was, twee zaken die,zie blz.224, naar ons inzien, onvereenigbaar zijn.Men zij voorts indachtig dat de werktuigen, zooals telescopen, microscopen, passers, barometers enz. waardoor onze aardsche zintuigelijke aanschouwing uitgebreider geworden is, niet zouden bestaan, zoo het vooruitloopen er hiervan door onze denking er zie blz.178niet opheffende opgewerkt had, doch die uitbreiding is begrensd.Bij de theorie snelt men door middel van wiskundigeen logische redeneringen de zintuigelijke aanschouwing meer vooruit, dan bij de praktijk. Meer dan hierbij komt men bij de theorie tot resultaten van een meer algemeenen aard.Bij haar staat meer dan bij de praktijk vooruitgang en minder dan bij deze geschiktheid op den voorgrond.Wanneer een ligchaam valt, bestaat er een verschijnsel, namelijk de aantrekking waaraan dit ligchaam is blootgesteld, dat opwekt een ander aldus in grootte toenemend verschijnsel, namelijk de nadering van dit ligchaam tot andere ligchamen. Wederkeerige versterking tusschen die aantrekking en die sterkte van nadering heeft er hierbij (evenals in zeker opzigt zie blz.12tusschen den aanleg en de toeneming der geestelijke ontwikkeling) slechts zeer weinig plaats, omdat, in tegenstelling van bij onderlinge nadering van twee hemelligchamen, de aantrekking bij aardsche ligchamen gedurende den val van deze zeerweinigvergroot. Die nadering van dit ligchaam tot andere, een gevolg der aantrekking, brengt voort elastieke botsing, dat is een overgang dier aantrekking in afstooting, en aldus eene vernietiging en omkeering van deszelfs oorzaak voort. Op het oogenblik dat die afstooting begint, zal de nadering op een maximum zijn; terwijl, op het oogenblik dat de afstooting op een maximum is, de nadering nul geworden zal zijn. Deze wordt daarna negatief, dat is zij gaat over in verwijdering, die op het grootste wordt op het oogenblik dat de afstooting weder in aantrekking overgaat. Afneming hierbij dier heen en teruggaande snelheden door wrijving of onveerkrachtige botsing, is eene werking der wet van geschiktmaking, omdat er dan zie blz.251snelheden in warmtetrillingen overgaan. Bestaat die verwijdering bij hemelligchamen, zoo zal er na de botsing tusschen de sterkte der verwijdering en de aantrekking eene wederkeerige verzwakking bestaan.Zoo die hemelligchamen, in plaats van tegen elkander te botsen, zeer langwerpige ellipsen om een gemeenschappelijk brandpunt beschrijven, zullen de naderingen op eene andere wijze de hen voortbrengende aantrekkingen vernietigen. Zij keeren in dit geval de rigting waarin de aantrekking geschiedt om, zoodat alsdan de aantrekkingen niet negatief worden, door in afstootingen over te gaan, maar door in tegenovergestelde rigting te geschieden. In dien laatsten zin zijn die aantrekkingen bij de perihelia op het sterkste negatief, en aldaar is de sterkte der nadering nul geworden, om later negatief te worden, dat is in verwijdering over te gaan. Bij de aphelia zijn bij dit geval de positieve aantrekkingen gering wegens bovengemelde wederkeerige verzwakking tijdens de verwijdering der beide ligchamen. Bij het eerste voorbeeld is daarentegen de aantrekking der aarde minus de afstooting der beide ligchamen op het grootste, wanneer het botsende ligchaam weder begint terugtevallen, en aldus de sterkte der nadering er bij nul is.Wanneer de werking der wet der veranderlijkheid zoodanig is, dat het gevolg deszelfs voortbrengend verschijnsel tracht te vernietigen en negatief te maken, is die werking in denzelfden geest als de werking der wet van geschiktmaking terwijl, wanneer het gevolg deszelfs voortbrengend verschijnsel tracht te versterken, de werking der wet der veranderlijkheid in tegengestelden geest als die der wet van geschiktmaking is. In het eerste geval bestaat er echter dit verschil tusschen de werking der wet der veranderlijkheid en die der wet van geschiktmaking, dat de werking dier laatste wet alsware een nevenverschijnsel te weeg brengt, in sterkte toe en afnemende met het verschijnsel waarop die werkingvernietigendewerkt, zooals bijv. de met wrijving gepaard gaande snelheden; terwijl daarentegen bij de werking der wet der veranderlijkheid, zooals in het eerste geval, het vernietigdwordende verschijnsel door zijne grootte het vernietigende opwekt. Deze laatste werking, gepaard met die der wet van geschiktmaking, waardoor, bijv. zooals op blz.259aangegeven is, de gewijzigde werking van blz.257ontstaat, zou op maatschappelijk gebied steeds iets heilzaams wrochten, zoo de maatschappij in geen staat van vooruitgang verkeerde, en zal aldus iets heilzaam teweeg brengen in de gevallen waarmede de vooruitgang niet te maken heeft, zooals bijv. het vernietigen van afwijkingen ten eene of andere zijde van een welgemaakt ligchaam. In zulke gevallen is toch de gemiddelde toestand den besten, de vernietiging van afwijkingen hiervan wenschelijk en het ontstaan van zulke afwijkingen door de wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking tusschen oorzaak en gevolg plaats heeft, schadelijk. Bij zaken in staat van vooruitgang is daarentegen, wegens de werking der traagheid zie blz.52, die gemiddelde toestand niet den besten, het ontstaan van afwijkingen er van naar boven is aldus wenschelijk en de vernietiging dier afwijkingen schadelijk. Zoo aldus die werking der wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking tusschen oorzaak en gevolg ontstaat alsdan dergelijke afwijkingen te weeg brengt, zal de werking er van heilzaam en de tegengestelde werking der wet der veranderlijkheid schadelijk zijn, daar in het eerste geval men iets goeds met betrekking tot wat ook, tracht te vergrooten en in het laatste dit goede tracht te vernietigen. Zoo is het bijv. goed dat de belooningen, zij die zich goed gedragen, tot nog beter aansporen. De begrenzing van dergelijke afwijkingen, tengevolge der op blz.261gemelde werking der wet der geschiktmaking, is dan echter en wel meer, naarmate zij digter bij zekere grootte is, iets heilzaams. Zoo is het bijv. goed om door belooningen de vlijt van leerlingen op te wekken, edoch de toeneming dier vlijt moet gematigd worden, omdat zij anders degezondheid dier leerlingen zou schaden, en evenzeer moet de vergrooting der belooningen gematigd worden, omdat deze anders onregtvaardig zouden worden.Het ontstaan van alsware beneden of achterwaartsche afwijkingen van achterlijke gemiddelde toestanden door de werking der wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking plaats heeft, is daarentegen schadelijk omdat alsdan iets kwaads vergroot wordt; terwijl de omgekeerde werking dier wet, waardoor dergelijke afwijkingen naar achteren tegengegaan worden, heilzaam is.Schadelijk is het bijv. wanneer men slechte menschen zoo bejegent en plaagt, dat zij uit wrok nog slechter worden, goed, wanneer men dit zoo doet, dat hunne zedelijkheid digter bij die van het gros der menschen komt.Deze de afwijkingen uitputtende werking der wet der veranderlijkheid gepaard met de werking der wet van geschiktmaking, tracht de verschillende bestanddeelen van zaken met elkander in harmonisch verband en op dezelfde hoogte van ontwikkeling te brengen. Zijn nu bij die zaken, door dat zij in een staat van vooruitgang zijn zooals op blz.78gezegd is, die bestanddeelen op zeer ongelijke hoogte, zoo zullen die beide zoo even gemelde werkingen, door de trachten de hoogst staande bestanddeelen dier zaken te verlagen, ofschoon niet met betrekking tot de geschiktheid er van zie blz.255, iets schadelijk, te weeg brengen, en daarentegen, door de laagst staande bestanddeelen er van omhoog te trekken, iets goeds wrochten. Omgekeerd zal de werking der wet der veranderlijkheid, waarbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken, iets, ofschoon ook weder niet met betrekking tot de geschiktheid, heilzaams voortbrengen, wanneer zij zaken onharmonisch maakt door enkele bestanddeelen er van te verhoogen, en daarentegen schadelijk werken, wanneer zij eene disharmonie te weeg brengt door andere bestanddeelen dier zaak te verlagen. Ditlaatste was bijv. het geval bij het ontstaan van den aflaathandel in het begin der zestiende eeuw. De vernietiging er van door de hervormers was aldus eene werking der wet der veranderlijkheid, wanneer hierdoor afwijkingen uitgeput worden en te gelijk ook eene werking der wet der geschiktmaking. Toen zij echter eene nieuwe godsdienst verhevener dan de toen bestaande stichtten, waren de handelingen der hervormers werkingen der wet der veranderlijkheid, waarbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken, begrensd door de op blz.261gemelde werking der wet der geschiktmaking. Hunne handelingen strekten toen toch volstrekt niet meer om de verschillende bestanddeelen der toen bestaande godsdienst meer harmonisch met elkander en met de zinnelijkheid der menschen te maken. Ware dit het geval geweest, zoo zouden de hervormers de hoogste bestanddeelen der catholijke godsdienst zie blz.255hebben moeten verlagen. Niet de drang tot geschiktmaking, maar die tot vooruitgang was de drijfveer dier hervormers. Eveneens was dit het geval bijGalileus, toen deze als vertegenwoordiger der wel op waarnemingen gebaseerde, maar desniettemin abstracte wetenschap verscheen voor de vierschaar der vertegenwoordigers der zinnelijkheid, der zie blz.178niet controlerende getuigenis der zintuigen. Hierbij toch past de stelling, dat de aarde om de zon wentelt, zoo weinig, dat niemand, tenzij hij beter ingelicht is, haar geloof zal willen schenken.Ook op staatkundig gebied bestaat er, wegens den vooruitgang der maatschappij, disharmonie bij verschillende zaken. Ingezetenen van rijken wenschen zich bijv. te vereenigen met ingezetenen van andere rijken, met wie zij zich verwant gevoelen, en willen tevens zeer locale belangen overheerschende maken. De werking der wet der geschiktmaking en de in denzelfden geest zijnde werking der wet der veranderlijkheid zullen klaarblijkelijktrachten eerstgemelde zucht te verzwakken en te gelijk te geven eene ruimere opvatting van locale belangen. Bij eene verdeeling der menschheid in staten, enkel tengevolge van die beide werkingen, zou aldus die zucht der inwoners van staten om staatkundig zamen te smelten met hen verwante inwoners van andere staten onbevredigd moeten blijven, en zie blz.256later verdwijnen.Wegens den vooruitgang der menschheid zullen de staten door zamenvoeging gemiddeld steeds grooter worden, doch dit wegens de werking der traagheid gemiddeld zie noot blz.78wat te laat geschieden, en de staatkundige indeeling aldus zoo zijn, dat zoo even gemelde zucht tot zamensmelting, minder bevredigd wordt dan het particularisme.De werking der wet van geschiktmaking en de in denzelfden geest zijnde werking der wet der veranderlijkheid, zouden bij eene niet vooruitgaande maatschappij de staatkundige indeeling der menschheid zoo goed mogelijk trachten te maken, en wel volgens nationaliteiten, waarbij de particuliere en locale belangen weinig uiteenloopen, want zulk een toestand zou dan evenzeer den gemiddelden politieken toestand zijn, als de welgemaakte toestand van het ligchaam den gemiddelden van allerlei mismaakte toestanden, zie blz.102. Oorlogen zouden het ontstaan van zulk een gemiddelden politieken toestand kunnen bevorderen, door tot beide zoo even gemelde werkingen te behooren, of kunnen tegengaan, door werkingen te zijn der wet der veranderlijkheid, die in strijd zijn met die der wet van geschiktmaking. Meer zullen zij echter in eerst dan in laatstgemelden geest werken, omdat gemiddeld de morele kracht alsmede de ondersteuning van andere staten zijn voor den oorlogvoerenden staat, die eene geschikte staatkundige verdeeling wenscht. De werking van den oorlog kan men vergelijken met die van hettrekken van ballen uit eene bus, witte en zwarte ballen bevattende, met zekere voorliefde voor de witte. Het kan dan echter zijn, dat die bus zoo weinig witte en zooveel zwarte ballen bevat, dat, niettegenstaande die voorliefde voor de witte ballen, er meer zwarte dan witte ballen getrokken worden, en evenzoo zou de staatkundige indeeling zoo nabij de beste kunnen zijn, dat, niettegenstaande de gemiddeld grootere kans voor zege der partij, die de staatkundige indeeling nog beter tracht te doen worden, de oorlogen deze eerder trachten te verslimmeren dan nog beter te doen worden.De gemiddelde toestanden, op zich zelve beschouwd, geschikte toestanden, en somtijds afwijkingen van gemiddelde toestanden van meer algemeenen aard, kunnen veranderen, en zullen dit, bij het bestaan van blijvende afwijkingen naar de eene zijde er van, doen zoodat men dan alsware een anderen gemiddelden toestand zonder afwijking zal verkrijgen. Zoo kan de verzwakking van een staat iets worden, waarnaar deszelfs bevolking zich voegt, en die deze niet meer als eene door groote inspanning te vernietigen afwijking beschouwd.De werking der wet der geschiktmaking tracht namelijk te gelijk afwijkingen te vernietigen, en den gemiddelden toestand alsware naar de zijde dier afwijkingen te verschuiven. De werkelijke afwijkingen zijn aldus steeds van tijdelijken aard, en, wanneer de werking der wet der veranderlijkheid wederkeerige versterking tusschen een verschijnsel en deszelfs gevolg te weeg brengt, zal niet alleen zie blz.261de werking der wet van geschiktmaking de vergrooting van zulk een verschijnsel en van deszelfs gevolg eens doen ophouden, maar, zoo de gemiddelden toestand zich niet verplaatst, door de op blz.258gemelde werking der wet der veranderlijkheid, die door wederkeerige versterking voortgebragte afwijking later weder vernietigd worden. Zoo zal bijv. magtsvergrooting, voortgebragt doorwederkeerige versterking van succes en aanmoediging, later door verslapping en overmoed weder vernietigd en zelfs negatief kunnen gemaakt worden, beide echter slechts zoo die grootere magt, door geschiktmaking er voor, geene werkelijke behoefte wordt. De wederkeerige versterking bestaat, alsdan tusschen het voortbrengend verschijnsel en eenig ander, doch zij kan ook bestaan, tusschen het voortgebragte verschijnsel, dat het eerstgemelde tracht te vernietigen en zelfs omgekeerd te doen worden, en eenig ander verschijnsel14. Hoe zwakker de werking der wet van geschiktmaking is, in hoe meer tijd zij aldus het beoogde doel bereikt, hoe minder ongeschiktheid in andere opzigten er bij andere zaken er door teweeg gebragt zal worden. Vandaar dat men een goed doel kan bereiken zonder slechte middelen er toe te bezigen, zoo men slechts geduld heeft, en een op minder vaste gronden steunende geschikten toestand, binnen korten tijd ontstaande niet verkiest boven een op vastere gronden steunende geschikten toestand meer in de toekomst.Stelt men het verbod om aan anderen te doen, hetgeen zij wenschen dat hun niet gedaan wordt, niet in strijd met het werkelijke belang der individuen, zoo kan in elken staat het belang der deelen in overeenstemming met dat van het totaal dier deelen zijn. Dit zal insgelijks het geval bij het statenstelsel kunnen zijn, want het is hiervoor wenschelijk, dat er geene onderdrukte nationaliteiten bestaan, en dit zal niet in strijd zijn met de belangen vanelk dier staten, omdat de meerderheid der inwoners van elk dezer toch een afkeer moet hebben van het denkbeeld dat zijne nationaliteit onderdrukt wordt.Hierbij, zooals steeds op maatschappelijk gebied, moet echter in acht genomen worden, dat het verkeerd is bestaande afwijkingen van den toestand, die het beste voor het algemeen welzijn is, plotseling te willen vernietigen, omdat door den tijd zij, bij wie die afwijkingen bestaan, zich in zekere mate er naar zullen geschikt hebben. Dit is bijv. het geval bij zoogenaamde door den tijd verkregen en met het algemeen belang in strijd zijnde regten, zooals bijv. die van het houden van slaven, te hoog geestelijk ontwikkeld met betrekking tot hunne meesters om zie blz.47eene heerschappij, als die over slaven uitgeoefent, niet nadeelig te doen worden. Zulke regten behoeven evenmin plotseling, althans zonder schadevergoeding (eene soort van geschiktmaking voor den bezitter dier regten) afgeschaft, als onbepaald bestendigd te worden.Wanneer een voortbrengend verschijnsel of oorzaak eene afwijking is van een gemiddelde, dat zich niet tracht te verplaatsen, zal het voortgebragte of gevolg, verschijnsel die oorzaak trachten uit te putten, en deze daarentegen versterken, wanneer dit gemiddelde zich wel tracht te verplaatsen. Zoo zal bijv. succes in den krijg, tengevolge van tijdelijke grootere eenheid, deze trachten te verminderen, of wel te vergrooten, al naar gelang die grootere eenheid elders niet aangetroffen wordt, of wel eene toenadering is tot die welke elders bestaat, of die men noodig voor zich acht. In het eerste geval schijnt die grootere eenheid iets, dat na de zege overbodig geworden is, en in het tweede iets waarvan de heilzame vruchten met betrekking tot de toekomst gebleken zijn. Inspanning brengt verhooging in positie te weeg, en deze zal, wegens den drang tot vooruitgang, gemiddeld die inspanning niet trachten te vernietigen, ofschoon de opblz.261gemelde werking der wet van geschiktmaking, de vergrooting dier inspanning tengevolge van wederkeerige versterking, weldra zal doen ophouden. Dat voorts die vergrooting in positie geschiedt onder strijd (zie. blz.55)in den algemeensten zin genomen, ontstaat doordat magten zooals individuen, staten enz. in contact komen met andere niet met hen in alle deelen zamenwerkende magten of zaken, hetgeen een gevolg is der verscheidenheid, die zie blz.237eene voorwaarde is van den vooruitgang.De werking van elken hartstogt is die van een der beide op blz.284gemelde werkingen der wet der veranderlijkheid, in het eene geval zooals op blz.259en in het andere, zooals op blz.261gezegd is, gepaard met de werking der wet van geschiktmaking. Lijden wekt bijv. medegevoel op, dat dit lijden tracht te vernietigen. De sterkte van dit medegevoel klimt en daalt nu niet, wegens de werking der traagheid, te gelijk met die van dit lijden, en vooral niet zoo de bekendheid hier van snel toeneemt, en evenmin is dit medegevoel op een maximum wanneer dit lijden ophoudt met te bestaan. Met betrekking hiertoe verkeert het in een overeenkomstig geval als doelmatige straf met betrekking tot slecht gedrag, en als met oordeel toegeven met betrekking tot gegronde grieven. Is het daarentegen iemands geluk dat medegevoel opwekt zooheeft ertusschen beiden, even als tusschen eischen en toegeving met zwakheid, wederkeerige versterking plaats. De werking der wet van geschiktmaking tracht echter dan de toeneming van beiden tegen te gaan, daar zij iemands positie, en te gelijk de gevoelens die men hem toedraagt, tot zekere gemiddelden tracht te brengen.Met betrekking tot derzelver oorzaken staan de werkingen der hartstogten zie blz.267in dezelfde verhouding als de daden gedaan tengevolge van redeneringen. Trouwens bij hartstogtelijke handeling worden er redeneringen vaneenvoudigen en oppervlakkigen aard gemaakt, die, zooals bij woede en vrees, in der menschen geest overheerschende worden. Het zijn de hartstogten die de menschen doen handelen, de goede op eene niet, de slechte op eene wel te lage wijze voor de eischen van der menschen zedelijk leven en onderlinge zamenwerking, en het verkeerde van zich blindelings aan goede hartstogten over te geven, bestaat juist in het alsdan niet maken van genoegzaam diepzinnige redeneringen. Of de intellectuele ontwikkeling is dan in gebreke met betrekking tot de morele ontwikkeling, of men weet haar dan niet genoegzaam te doen gelden.Dit in gebreke zijn der intellectuele ontwikkeling, of het niet gebruik er van kan in het algemeen leiden om zich van het goede en insgelijks van het kwade te onthouden, en aldus de neiging tot het eene en tot het andere verminderen. Naar aanleiding van hetgeen op blz.217gezegd is, zal, omdat kennis noodig is om begrip en waardering van het goede te geven, en niet alleen evenals bij het kwaad strekt, om het op eene meer doelmatige wijze te doen, ontbering er van gemiddeld meer tot kwaad dan tot goed strekken, en aldus, naar aanleiding van blz.152, de neiging tot het goede meer verminderen dan die tot het kwaad15. Men bedenke hierbij dat de werking der wet van geschiktmaking de verschillende soorten van kennis (althans zie blz.67)die van even hooge soort, met elkander in harmonisch verbandtracht te brengen, zoodat vermindering der wijsgeerige kennis ook die der andere kennis tengevolge heeft. Iemand, die zich nu steeds er op toelegt om met overleg kwaad te plegen, moet noodwendig de wijsgeerige kennis, die betrekking heeft op de maatschappelijke behoeften en vooruitgang, verwaarloozen en dit, wegens de zooeven gemelde reden, daling van andere takken van kennis ten gevolge hebben.Zoo de geestelijke aanleg der individuen der verschillende diersoorten en menschenrassen bij de geboorte dier individuen slechts bepaald werd door den aard van hunne ligchamen, zou het onverklaarbaar blijven hoe zulke groote verschillen in den dezen geestelijken aanleg bepalenden aard der ligchamen ontstaan zijn, of liever in stand gehouden worden, want bestond er geene constante oorzaak voor dit laatste,zoozouden die verschillen, slechts door de werking der traagheid in stand gehouden, van lieverlede verminderd zijn, en slechts accidentele omstandigheden (anders gezegd het toeval) die den geestelijken aanleg bepalenden aard der ligchamen wat doen variëren. De verschillen in levensomstandigheden kunnen althans bij de menschenrassen die constante oorzaak niet zijn, omdat de verschillen in hoogte der levensomstandigheden bij de menschen kunstmatig zijn, en niet door de aarde aangeboden worden. De verschillen in den bovengemelden aard der dierlijke en menschelijke ligchamen, moeten in overeenstemming met de stelling van blz.92, dat die ligchamen aan eene opwaarts drijvende werking buiten hen blootgesteld zijn, naar ons inzien, ook in stand gehouden worden door eene oorzaak buiten hen, namelijk zie blz.196door de verschillen in aanleg der geesten op de aarde met levende ligchamen in contact willende komen. De geslachtsvoortplanting en het verkeer zullen voorts klaarblijkelijk strekken om bovengemelden aard dier ligchamen bij dezelfde soorten of dezelfde volken gelijkaan elkander te doen worden. Dit zelfde verschil in aanleg der geesten houdt, naar ons inzien, bij een zelfde volk het verschil in stand, voor zooverre dit niet door het toeval ontstaat, in stand. Wel heeft de maatschappij zich naar die verschillen in beschaving geschikt, doch die verschillen kunnen naar ons inzien geene noodzakelijke behoefte zijn van welke maatschappij ook, bijv. niet van eene wier leden in geestelijken aanleg tijdens hunne geboorte alle gelijk zijn, en niet, tengevolge der werking van het toeval, ongelijk in beelding en rijkdom worden. Verschil in magt zou in zulk eene maatschappij enkel door verschil in ancieniteit bepaald worden.De werking der wet der veranderlijkheid, waarbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken, veroorzaakt vaak eene overdrevene schatting van zekere hartstogten, zooals vreugde, smart, bewondering, verachting, opwekkende gebeurtenissen. Tusschen de opvatting dezer laatste in den geest dier hartstogten en deze bestaat er dan eene wederkeerige versterking, door de werking der wet van geschiktmaking, waardoor de hartstogt en de overdrevene voorstelling gematigd worden, begrensd. De aanschouwing der werkelijke gevolgen van zulk eene gebeurtenis wekt dan echter het denkbeeld op, dat men zich aan overdrijving heeft schuldig gemaakt, en dit denkbeeld nu is, wegens de werking der traagheid, niet verdwenen, wanneer, tengevolge er van, die overdrijving niet meer bestaat. Vandaar dat deze naar aanleiding van hetgeen op blz.258gezegd is, negatief zal worden, en er aldus, met betrekking tot de juiste schatting, verflaauwende schommelingen zullen ontstaan. Was dit niet het geval, zoo zou men, na het vernemen dat eene heugelijke tijding valsch is, direct weder in dezelfde gemoedsstemming als voor het ontvangen dier tijding moeten komen, want op het oogenblik dat de ongegronde vreugde verdwenen zou zijn, zou zulks ook zijn het denkbeeld datmen zich ten onregte verheugd heeft. Dit is echter in werkelijkheid het geval niet, en vandaar, dat men daar na gedurende zekeren tijd treurig wordt.Hierbij komt echter nog dat de wet van geschiktmaking de menschen ras gewoon maakt aan het denkbeeld van voorspoed, en aldus, zooals op blz.289gezegd is, althans met betrekking tot de bestaande afwijking, in gevoel van vreugde bestaande, het gemiddelde verzet, zoo dat hierdoor, wanneer devalschheidder goede tijding ruchtbaar wordt, de vreugde reeds veel vermindert zal zijn.Een zelfde verschijnsel kan te gelijk bestaan bij verschillende groepen van verschijnsels, elk, wegens de vereenigde werking der zamenstellende verschijnsels, opwekkende een gevolg onderscheiden van de gevolgen dier andere groepen. Zoo kan bijv. eene slechte daad, vereenigd werkende met de vriendschappelijke stemming der beoordeelaars dier daad, jegens derzelver bedrijver tot gevolg medelijden hebben; terwijl diezelfde daad, vereenigd werkende met de vijandelijke stemming van andere beoordeelaars, jegens derzelver bedrijver verachting en haat tengevolge heeft.Het gretig eten van gewijde kuikens kan, vereenigd werkende met de bijgeloovige gevoelens van een leger, aanmoediging hiervan tot gevolg hebben; terwijl, vereenigd werkende met de functie van de keel dier kuikens, dit gretig eten dezer de vulling van derzelver magen tot gevolg heeft. In elk dier gevallen zal elk gevolg zie blz.71, gelijkslachtig zijn met een of meer der verschijnsels door wier vereenigde werking het opgewekt wordt. Zoo is bijv. aanmoediging gelijkslachtig met bijgeloovige stemming, en vulling van magen met eten. Evenzoo is uitdrooging der lucht gelijkslachtig met derzelver oorzaak, namelijk de met storm vergezeld gaande betrekkelijk sterke luchtrijzing, terwijl het reven van zeilen gelijkslachtig is met het besturen van vaartuigen, datvereenigd werkende met storm, dit reven tengevolge heeft16. Gelijkslachtig zijn oorzaken en gevolg, wanneer deze op gene kunnen terugwerken en hen, zooals op blz.284gezegd is, kunnen uitputten en omkeeren, of versterken, en ongelijkslachtig zijn oorzaken en gevolgen, wanneer dit niet mogelijk is. Zoo zal bijv. de aan- of ontmoediging van een leger kunnen terugwerken op deszelfs bijgeloovige stemming, maar niet op het eten van gewijde kuikens, terwijl de met dit eten gelijkslachtige vulling der magen dier kuikens dit daarentegen wel kan doen.Evenzoo zal de uitdrooging der lucht de luchtrijzing en aldus ook de horizontale toeschieting der lucht of den wind verzwakken, terwijl het reven van zeilen op de sterkte van den wind niet, maar op het besturen van zeilvaartuigen wel terugwerken kan.Hoe komt het nu dat, zooals bij deze voorbeelden, geheel ongelijkslachtige verschijnsels vereenigd werkende gevolgen kunnen opwekken, die aldus onmogelijk met elk van derzelver oorzaken gelijkslachtig kunnen zijn? Naar ons inzien, doordat hier op aarde niet alles in harmonisch verband is, doordat, zooals op blz.195gezegd is, de gewassen en de ligchamen der dieren hooger dan de onbewerktuigde natuur, en de geesten der menschen hooger dan de door derzelver ligchamen bepaalde denking, en zie blz.91en 280 nog hooger dan de door de onbewerktuigde aardsche natuur bepaalde denking staan. Zoo is het rijp worden van vruchten, een gevolg der vereenigde werking der organische zamenstelling dier vruchten en der warmte, met deze laatst geheel ongelijkslachtig. Het met die warmte gelijkslachtige gevolg is daarentegen de grootere uitstraling en de minderevatbaarheid voor warmteopslurping der verhitte voorwerpen. Wegens de op de verhitting terugwerkende eigenschap van dit gevolg, moet het in de warmteleer beschouwd worden, hetgeen aldaar daarentegen weinig meer met het rijpen van vruchten, als met het bezoeken van zomer-theaters behoeft te geschieden.Hoe grooter de disharmonie is tusschen met elkander in verband gebragte zaken, hoe ongelijkslachtiger de gevolgen en sommige van derzelver oorzaken kunnen worden. Dit is bijv. in sterke mate het geval, zoo het eten van gewijde kuikens, of zie blz.145en 171 juister gezegd, de hierdoor bepaald wordende denking, in verband komt met de menschelijke denking over geheel andere zaken. Die disharmonie is nu enkel het gevolg hiervan, dat de verbeelding opwekkende bewuste aanschouwing sterk vooruitloopt de op blz.178gemelde aanschouwing, waardoor de menschen met den waren aard der zaken bekend worden, en zoo nu die disharmonie werkelijk maakt dat gevolgen geheel ongelijkslachtig met sommige van derzelver oorzaken worden, zoo is het klaar, dat de door de wijsbegeerte zie blz.117niet ingelichte menschen het mogelijk kunnen achten, dat gevolgen er mede gelijkslachtige oorzaken geheel kunnen missen, of met andere woorden dat er wonderen bestaan. Kon bijv. het gezigt van een klein stuk beschreven papier de eenigste oorzaak zijn, dat iemands bloed sneller gaat loopen, en dat zijne spijsvertering belemmerd wordt, zoo zou dit verschijnsel van denzelfden aard zijn alsdat iemands woorden een dooden kunnen opwekken. Wat maakt echter het eerste verschijnsel mogelijk en het tweede onmogelijk? Het bestaan van eene oorzaak gelijkslachtig met dephysiologischewerkingen binnen het ligchaam, en vereenigde werkende met de inzage van het kleine stuk beschreven papier, het gemis van eene oorzaak gelijkslachtig met de organische en chemische werkingen bij lijken en vereenigdwerkende met de woorden van den zoogenaamden doodenopwekker.Niet slechts moet eene der oorzaken van elk verschijnsel hier qualitatief op gelijken, ook dient zij dit quantitatief te doen. Zoo bijv. een voorwerp breekt tengevolge van een zachten tik, zoo dient te gelijk hiermede, de broosheid van dit voorwerp de oorzaak van dat breken te zijn, omdat dit een veel sterker verschijnsel dan dien ligten tik is. Broosheid bestaat voorts ook op maatschappelijk gebied, bijv. bij legers wier nederlaag het gevolg kan zijn van een verkeerd kommando. Op dit gebied bestaat de vastheid in ongevoeligheid voor storende oorzaken, en de taaiheid in de sterkte der werking der wet van geschiktmaking waardoor de storingen verdwijnen Die eene oorzaak, wier sterkte die van het gevolg evenaart, kan somtijds voor oppervlakkige of oningewijde menschen onbekend blijven, en somtijds vereenigd werken met andere bekende belangrijke oorzaken, waardoor het bekende gevolg van deze zeer belangrijk gewijzigd kan worden.Hetgeen op blz.176gezegd is, dat elk verschijnsel bevat zekere bijzonderheden bijv. het bijzondere van eenige daad van een persoon, voorts te gelijk iets meer algemeen, zooals bijv. de uiting van het karakter van dien persoon, in alle dergelijke daden die hij verrigt bevat, voorts nog iets meer algemeen, bijv. de algemeene uiting van den menschelijken aard enz., kan alsware naar beide zijden voortgezet worden, zoodat men naar de eene zijde steeds korter durende eigenaardigheden der verschijnsels ontmoet, terwijl naar de andere zijde, men steeds meer algemeene en langer aanhoudende eigenaardigheden er van te beschouwen heeft, totdat men eindelijk, zie blz.171, bij het algemeenste, wat op het gebied van denking en beweging bestaat, zou teregt komen. Bij alles wat gebeurd kan men aldus stellen te bestaan bijzonderhedenuiterst kort durende, gedurende dien tijd slechts in grootte, maar niet in aard veranderende, en die, voorafgegaan en gevolgd door andere dergelijke bijzonderheden, elk bezitten eene oorzaak die hen voortbrengt en een gevolg dat hen vernietigt, tengevolge der op blz.257gemelde werking der wet der veranderlijkheid gepaard met eene zoodanige werking der wet der geschiktmaking, dat de op blz.259gemelde schommelingen niet noemenswaardig ontstaan.17Zoo toch dit gevolg die bijzonderheid niet zeer snel na zijn ontstaan vernietigde, maar onveranderd liet of versterkte, zou deze in aard gedurende langeren tijd onveranderd blijvende, en eerst door een ander en trager ontstaand gevolg vernietigd wordende, iets meer algemeen zijn. Dit meer algemeene is nu geen verschijnsel naast een ander meer bijzonder verschijnsel bestaande, maar slechts eene minder veranderlijke eigenaardigheid van hetzelfde verschijnsel, dat te gelijk meer veranderlijke eigenaardigheden bezit. Men kan bijv. niet zeggen dat loopen een verschijnsel is, en dan in deze dan in gene rigting loopen er een ander is, niettegenstaande men van het loopen in elke rigting, hoe kort men dit ook moge doen, de oorzaken en de gevolgen kan nagaan, en deze verschillen van de oorzaken en de gevolgen van het loopen in het algemeen. Dit bijv. kan het gevolg zijn van gemoedsaandoening door ligchaamsbeweging versterkt wordende, zoodat hierbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken, totdat een ander gevolg dier ligchaamsbeweging namelijk de vermoeijenis hier vernietigendeopwerkt. Die gedurende zekere tijd heftiger wordende ligchaamsbewegingen veranderen echter gedurig van vorm, en, wanneer elk dier verschillende soorten van vorm, op een maximum van intensiteit zijn, zullen de er door opgewekte gevolgen nog in intensiteit toenemen, en, wanneer het aantal dier gevolgen in eenig geval meer dan een bedraagt, slechts het met die soort van eigenaardigheid gelijkslachtige gevolg die eigenaardigheid kunnen vernietigen. Ligchaamsbewegingen kunnen bijv. wegens derzelver aard twee gevolgen opwekken een vanphysiologischenen een van geestelijken aard, en nu wel het eerste gevolg van het tweede kunnen afhangen, maar het niettemin alleen in staat zijn om den bijzonderen vorm van zulk eene beweging uit te putten, en als oorzaak werkende een anderen vorm van beweging op te wekken. De denking van een lam mensch is bijv. even onvermogend om den vorm zijner ligchaamsbewegingen te wijzigen, als het waarnemen van een zoogenaamd slecht teeken voor het ondernemen eener zaak, om een niet bijgeloovig mensch van zulk eene onderneming te doen afzien. Het verlies van zekere soort van bijzondere eigenaardigheden bij eenig verschijnsel komt op hetzelfde neder als het er steeds bij bestaan van het gemiddelde dier bijzondere eigenaardigheden. Van eenig voorwerp kan het bijv. eene veranderlijke bijzonderheid zijn, dat het in kleur varieert, zonder dat het gemiddeld de eene kleur van den regenboog meer dan eene der andere vertoont. Het gemiddelde dier kleuren zal grijs zijn, en klaarblijkelijk een voorwerp,dat die bijzondere eigenaardigheid van dan zus en dan zoo gekleurd te zijn verliest, zich steeds grijs moeten vertoonen. Op blz.255hebben wij gezegd, dat de werking der wet van geschiktmaking afwijkingen van gemiddelden tracht te vernietigen, en op blz.256dat zij het veranderlijke van toestanden tracht te doen verdwijnen. Waar nu komt dit laatste op neder:Op het vernietigen van veranderlijke bijzondere eigenaardigheden bij zaken, zoodat hierbij slechts meer algemeene en te gelijk minder veranderlijke eigenaardigheden overschieten. Zulke gemiddelden, afwijkingen zijnde van andere meer algemeene en nog minder veranderlijke gemiddelden, zoo zal de werking der wet van geschiktmaking ook deze afwijkingen trachten te vernietigen, hetgeen hierop neder komt, dat zij meer algemeene eigenaardigheden van verschijnsels tracht weg te nemen, om deze slechts nog algemeener en nog minder veranderlijke eigenaardigheden over te laten enz. totdat, bij het niet bestaan der werkingen der wet der veranderlijkheid, zooals op blz.257gezegd is, eerstgemelde werking eindelijk zou leiden tot het slechts laten bij de verschijnsels van het absoluut onveranderlijke en algemeenste bij de veropenbaring der zelfstandigheid door denking en door beweging. Die werking der wet van geschiktmaking tracht bijv. zie blz.255de menschen op een gemiddelden trap van zedelijkheid te brengen, en aldus zoodanig te doen worden, dat er van hunne moraliteit niets bijzonders te zeggen valt, en dat, ofschoon te veel aan te lage hartstogten toegevende en beneden de eischen van hun leven blijvende, zij niettemin noch gierig, noch mild, noch hoogmoedig, noch nederig, noch geduldig, noch ongeduldig, noch vlijtig, noch lui kunnen genaamd worden, en aldus bijzondere eigenaardigheden verliezen.
Der menschen handelingen kunnen slechts dan geheel werkingen der wet van geschiktmaking zijn, wanneer zij de directe gevolgen zijn van ongeschikte toestanden van zaken, en dit nu is niet het geval, wanneer die handelingen de gevolgen van redeneringen zijn. Zoo bijv. iemand, met losbollen verkeerende, er ook een wordt, geschiedt dit door de besmettelijke, zie blz.255, afwijkingen wegnemende werking van zijne omgeving en niet door redenering, evenmin zoo iemand met de oogen knipt, wanneer hierop te sterk licht valt.
Wanneer de menschen op eene beredeneerde wijze ongeschiktheden (bijv. ziekten) trachten te doen verdwijnen, zijn de daarvoor door hen aangewende middelen steeds de zeer indirecte gevolgen dier ongeschiktheden. Was dit anders, wees bijv. maagpijn op eene instinctieve en directe wijze de daartegen aan te wenden middelen aan, zoo zouden deze zeker doelmatig zijn, want het zich aldus genezende wezen zou zich daarvoor niet boven de zintuigelijke ervaring behoeven te verheffen, en geene andere verandering in het ligchaam dan het wegnemen der kwaal zou plaats hebben. Bij de behandeling van zieken door artsen geschiedt dit nu ook wel zoo in zekere mate, doch buitendien worden er, deels door dwalingen, veranderingen bij de ligchamen der patienten te weeg gebragt. Die behandeling bestaat aldus uit de vereenigde werking der wet van geschiktmaking en van die der veranderlijkheid.
In andere gevallen is hetgeen de menschen tengevolgevan redenering doen in betrekkelijk sterkere mate ofschoon niet geheel de werking der wet van geschiktmaking. Het kleeden bijv. verkeert in dit geval, want de gewaarwordingen van onze ligchamen duiden ons aan, dat wij bijv. geen lappen laken onder onze voeten moeten bevestigen en geen rok van zoolleer maken, terwijl ook de vorm der kleederen door die van onze ligchamen in zekere mate direct aangegeven wordt.
Bij al ons redeneren hebben wij steeds ten doel bij iets geschiktheid voort te brengen, al zij het dat er door zie blz.256, te gelijk ongeschiktheid bij andere zaken ontstaat, zoodat dit redeneren evenmin alleen eene werking der wet der veranderlijkheid als, wegens de reden van blz.260, eene der wet der geschiktmaking is. Omdat het echter deels eene werking van eerstgemelde wet is, zal het slechts in eene veranderlijke wereld, dat is in zulk eene waarin er een drang tot vooruitgang kan bestaan, kunnen plaats hebben. Het verkeer in eene veranderlijke wereld is echter niet voldoende om vooruitgang bij de wezens voort te brengen, hiervoor moet bij deze een drang er toe bestaan, even als zie blz.263, voor de toeneming der intellectuele ontwikkeling bij wezens in het bezit van zekeren aanleg.
Een wezen kan een lager en gebrekkiger georganiseerd ligchaam dan zijns gelijken bezitten en hierdoor zie blz.90, aan eene grootere terugtrekkende werking dan dezen blootgesteld zijn. Het kan zich echter ook eene grootere geestinspanning dan de andere wezens geven, ten einde in dit gebrek te voorzien, en die grootere geestinspanning de vergrooting zijner geestelijke ontwikkeling bevorderen. Wanneer dit wezen aan die bevordering groote behoefte gevoeld, zal het in dit laatste geval verkeeren, en dit vergelijkbaar zijn met het op blz.240, gemelde geval, waarin een volk door kunstmiddelen moet voorzien in hetgeen de natuur elders zelve geeft.
Het is naar ons inzien het duistere besef van die onbepaalde vergrooting der geestontwikkeling der menschen, dat doet zeggen dat hun leven onschatbaar is, niettegenstaande de waarde van het aardsche leven van enkele menschen negatief is, en van de meeste hunner niet boven die eener matige geldsom gaat.
De statistiek leert toch hoe, door het verzuimen van zekere veiligheidsmaatregelen, er gemiddeld jaarlijks een zeker aantal menschen omkomen, en toch kan men die maatregelen niet invoeren wanneer zij te veel geld kosten. Bij al zijn werken en drijven stelt de mensch zijn ligchaam aan meer of minder gevaren bloot. Productie van welken aard ook kost aldus bloed, zelfs wanneer die productie dient tot het verschaffen van middelen ter beveiliging van der menschen leven. Het bewerkte hout en ijzer dat bijv. op de schepen hiervoor dient, kost aan een aantal houthakkers en mijnwerkers het leven. Men zou aldus moeten oplossen het vraagstuk “van welken aard de productie moet zijn om een minimum van menschenlevens te kosten,” een vraagstuk dat, wegens de gedurige variatien der omstandigheden, slechts zeer in het ruwe op te lossen is, en waarbij men de productie door te groote voorzigtigheid niet moet verminderen, omdat hierdoor, ten bate der geschiktheid met betrekking tot de veiligheid, de van de productie afhangende beschaving te veel benadeeld zou worden.8
Terwijl bij met den onveranderlijken oergeest volmaaktzamengesmoltenwezens, wat geschikt is in het eene opzigt ook geschikt moet zijn in een ander opzigt, wat voorden een geschikt is, ook voor den ander geschikt moet zijn, en wat gewenscht is voor het heden ook in de toekomst gewenscht moet zijn, is dit bij veranderlijke wezensgeenszinshet geval. Deze kunnen dan ook slechts trachten de bij hen bestaande totale ongeschiktheid, waaronder zoowel die voor toekomstige hoogere toestanden, als die voor het heden, zoowel die met betrekking tot hunne zamenwerking met anderen, als die met betrekking tot hun eigen, tot een minimum te maken, iets dat zij, zoo zij aan de eischen van hun maatschappelijken toestand voldeden, gemiddeld zouden trachten te doen, doch welke pogingen door allerlei veranderingen van toestand te weeg brengende accidentele oorzaken aanhoudend tegengewerkt zouden worden. Van zulk een minimum van ongeschiktheid in allerlei opzigten, dus ook voor de toekomst, verwijdert men zich echter wanneer men de geschiktheid voor het een geheel opoffert ten bate van die voor het ander. Die eerste soort van ongeschiktheid wordt alsdan meer vermindert dan de tweede vergroot, omdat, naarmate er geschiktheid bij iets meer vermindert, de verdere vermindering er van bezwaarlijker wordt, omdat zij zich alsware dan bepaalt tot hetgeen waarbij zij moeijelijker uitteroeijen is.
Dit kan vergeleken worden met de uitwerking der geregtelijke straffen. Deze gaan in zekere mate de misdaden tegen, maar straft men zelfs de ligtste diefstallen met den marteldood, zoo zouden er nog in voor de dieven zeer aanlokkende gevallen er nu en dan diefstallen gepleegd worden, en de maatschappij minder winnen door de vermindering der diefstallen, dan verliezen door de pijnlijke uitwerking dier verschrikkelijke straffen.
Wij menschen trachten wel in zekere mate de ongeschiktheid bij ons genoegen in het heden, die bij ons toekomstig bestaan, die bij andere menschen en die bij het toekomstige bestaan van andere menschen weg tenemen, doch doen dit niet bij elk dier soorten van ongeschiktheid in zulk eene verhouding als behoort, om bij allen te zamen de ongeschiktheid tot een minimum te maken, en wel, omdat de toestand daaromtrent niet alleen bij de in beschaving gestegene menschheid veranderd is, maar tevens bij elk individu gedurende zijn leven verandert. Bij de dieren toch lijdt de geschiktheid voor de toekomst en die van andere individuen veel minder dan bij ons menschen door de verwaarlozing er van ten bate der geschiktheid van het individu in het heden, en daar, sedert dat wij maatschappelijke pligten te vervullen hebben, onze verheffing boven den staat der dieren niet sedert zeer langen tijd uiterst langzaam heeft plaats gegrepen, handelen wij, tengevolge der werking der traagheid en van de in de Noot van blz.139gemelde terugtrekkende werking, met betrekking tot het te keer gaan der ongeschiktheid bij elk dier zaken, te veel als dieren, dat is wij voldoen niet aan de eischen van ons maatschappelijk bestaan. Desniettemin verzuimen wij niet geheel om bij elk dier zaken de ongeschiktheid tegen te gaan, en zelfs niet bij ons en anderen toekomstig buiten aardsch bestaan. Dit wordt bewezen, doordat der menschen ideaal hooger reikt dan om de hen bewuste kwalen der menschheid weg te nemen, en om deze in den geschiktsten toestand met betrekking tot het aardsche leven in de tot den thans bestaanden stand van beschaving gestegene maatschappij te stellen. Om dit laatste in voldoende mate te doen, hiervoor zijn de menschen, wegens bovengemelde oorzaak, te zinnelijk, te egoïstisch en te zorgeloos, kunnen zij gedurende hun kortstondig aardsch bestaan te weinig de behoeften hunner medemenschen leeren kennen, en mangelt het hen aldus zoowel aan intellectuele als aan morele ontwikkeling, doch dit neemt niet weg, dat de (zie blz.78), zoo onharmonische mensch somtijds zorgt om geschiktheid te vergrooten voor iets hooger dan het genoegender aardsche maatschappij in het heden, en dat hij hiervoor dit genoegen vermindert, en zich zelf lijden oplegt. Dit is bijv. het geval zoo iemand zooalsBeijling, om zijn gegeven woord niet te breken, niet slechts zijn eigen leven opoffert, maar tevens zijne vrienden in droefheid dompelt. Dit is het geval zoo iemand, overstelpt door rampen of behebt met ongeneeselijke en smartelijke kwalen, zich liever in de harde maar leerrijke school van den tegenspoed laat, dan zich van den last van het leven te bevrijden, en vooral is dit het geval bij uitingen van het godsdienstig gevoel, en maakt dat zij, die zich offers opleggen om anderen in het heden genoegen te doen, ons niet voorkomen aan de roeping van den mensch ten volle te voldoen. Dergelijke daden maken het de menschheid evenmin in het heden genoegelijker als de bekende raad vanAristidesin het belang vanAthenewas, en toch kan het doel hierbij niet slechts zijn om goede voorbeelden te geven, daar dit geheel van de middelen der publiciteit afhangt, en buitendien verzinsels daar even goed als werkelijk bedreven daden voor kunnen dienen.
Die vergrooting der zedelijke ontwikkeling kan somtijds geschieden door het bedrijven van daden, de maatschappij geen voordeel verschaffende, zooals bijv. bij het bedwingen van de neiging voor genot in het heden door het nakomen van een verbod van iets dat werkelijk schadeloos is. De waarde van zulk eene daad, met betrekking tot den bedrijver er van, zal dan echter verminderen, zoo deze geen ijver genoeg betoont om de doelmatigheid er van te onderzoeken.
De nakomelingschap heeft aanNapoleon Ide terdoodbrenging van den hertog vanEnghien, benevens zijn trouweloosheid jegens het Spaansche hof meer euvel geduid, dan al de door hem geprovoceerde oorlogen. Dit nu kan slechts geschied zijn, omdat die nakomelingschap het voorbeeld van moord en trouwbreukvoor latere heerschers verderfelijker achtte dan dat van oorlog voeren, niettegenstaande, wanneer die oorlogen stroomen bloed doen vloeijen en duizende huisgezinnen in rouw dompelen, zij ontegenzeggelijk het genoegen der maatschappij meer schaden, dan enkele moorden zulks doen. Deze strekken echter tot zedelijke verlaging, de oorlogen daarentegen in verscheidene opzigten tot geestelijke verhooging der strijders en van de navolgers dezer.
Zoo wij ons buitendien geen hooger ideaal voorstelden dan het genoegen der maatschappij in het heden, zou bij het niet voldoen aan de eischen van dit ideaal, dit omlaag getrokken worden, dat is de beschaving zou afnemen, en dit genoegen der maatschappij meer op het dierlijke gaan gelijken. Zoo, wegens de in de Noot blz.139gemelde terugtrekkende werking, als wegens den zeer geringen graad der geestontwikkeling der menschen tijdens derzelver geboorte, zouden deze, wanneer zij volwassen zijn, wegens het kleiner zijn van het hunne geestontwikkeling optrekkenden ideaal, op een lageren trap van geestontwikkeling komen, en aldus de graad van ontwikkeling van het genoegen der maatschappij steeds teruggaan9. Het is hiermede gelegen als met de grootte van wandelingen, zoo deze, hoe klein ook, inspanning vorderen, en zij noch voor de gezondheid, noch voor het genoegen gedaan worden. Al heeft iemand door dwang de gewoonte verkregen om eene wandeling van zekere grootte te maken, die grootte zal van lieverlede verminderen, nadat die dwang opgeheven is. Is aldus ons ideaal het publieke genoegen bij de thans bestaande beschaving der maatschappij, zoo hangt het in de lucht, en zal de noodzakelijkheid dier beschaving voor ons deze evenmin voor teruggang beveiligen, als de gewoonte aanhet doen van eene groote wandeling, deze zal behoeden voor verkleining, zoo geene andere oorzaak dit tegen gaat. Slechts zal die verkleining alsdan trager zijn. Wel is waar bezitten wij zie blz.28een drang tot vooruitgang, en misschien leidt deze de dieren, om zich(zie blz.152)eene inspanning te geven grooter dan hun aangenaam is, maar bij ons menschen, die bewustheid hebben van de toekomst en van hoogere trappen van bestaan, is deze instinctive drang hiervoor niet voldoende, wij behooren hiertoe hetzij door anderen gedwongen te worden, of wel een door onze zucht tot gemak niet omlaag trekbaar doel voor oogen te houden. Is dit doel bij de menschheid geheel aardsch, zoo moet het, wil de trap van beschaving niet verminderen, minstens zijn om dezen trap te verhoogen. Is echter de trap van beschaving op aarde zoo hoog geklommen als de in de Noot van blz.139gemelde terugtrekkende werking benevens de traagheid der op een zeer laag standpunt van geestelijke ontwikkeling geboren wordende menschen gedoogt, welk ideaal moeten deze zich dan ter bereiking voorstellen, om op dit maximum van op deze aarde mogelijke beschaving te blijven?10Een aardsch ideaal kan dit klaarblijkelijk niet zijn, en ook voor ons, die dit maximum niet bereikt hebben, kan die optrekkendewerking niet geheel gevonden worden, zoo men de oogen slechts op de aarde gevestigd houdt. Wij achten ons te weinig in de menschheid op te gaan, (iets dat wel van zamenwerking met medemenschen onderscheiden moet worden) en ons gevoel van zelfstandigheid is te sterk, om ons ideaal vast te knoopen aan het lot der aan allerlei wisselvalligheden overgeleverde nakomelingschap. Wij bezitten eene meer of minder gebrekkige voorstelling, dat voor een deel ons ideaal zoodanig moet zijn, dat het op heffende werkt, hoe hoog ook men binnen de palen der eindigheid gestegen zij, en aldus slechts bij den oneindigen onveranderlijken en aldus volmaakten Oergeest kan bestaan.
De idealen van zelfs leden van onbeschaafde maatschappijen bevatten dan ook bestanddeelen in sommige opzigten ongelijkslachtig zijnde met, ofschoon niet minder verheven dan hetgeen tot het genoegen strekt der wisselende leden van beschaafde maatschappijen.
Reeds de onbeschaafde mensch begeeft zich met zijne verbeelding en ook eenigzins met zijne rede op buitenzinnelijk gebied, en vervalt alsdan in dwalingen. Dit is een noodwendig gevolg van het ver vooruitloopen der controlerende zintuigelijke aanschouwing tengevolge der natuurwet van de veranderlijkheid, doch even noodwendig is het dat die dwalingen verkeerde opvattingen zijn van iets dat werkelijk bestaat. De natuurwet der geschiktmaking verbiedt toch dat wij menschen een vermogen behouden om bespiegelingen te maken over het niet, evenals zij niet zou gedogen dat de vogels vleugels behielden, zoo er geene lucht bestond om er in te vliegen. Hetzelfde kan gezegd worden van de zucht der menschen om zich in eene hoogere en naauwere betrekking met het buitenzinnelijke en verhevene op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door denking te stellen. Die zucht is de oorzaak der zoogenaamde inspiratie, die der veronderstelde persoonlijke tegenwoordigheid van Godop gewijde plaatsen, die der gewaande lichamelijke vereenzelviging met hem. De menschen hebben, onder de vereenigde werking der wet van geschiktmaking en die der veranderlijkheid, die zucht naar het hooge op eene voor hunne bekrompenheid van begrip geschikte wijze trachten te bevredigen, en zijn hierdoor tot dwaalbegrippen tot bijgeloovigheden vervallen, doch het bestaan dier zucht bij hen bewijst dat deze eenmaal bij elk hunner op eene objectief ware wijze bevredigd zal worden.
Het is aldus niet de zucht naar het hoogere op buitenzinnelijk gebied, of het godsdienstig gevoel in het algemeen, waardoor de toeneming der menschelijke kennis vertraagd wordt, maar het is de zinnelijke bevrediging dier zucht die zulks doet. Vandaar, dat, voorbij het standpunt van beschaving waarop de mensen en wijsgeerig beginnen te worden, zie blz.118, er eene botsing ontstaat tusschen de verlichten der natien, namelijk de wijsgeeren en de voorgangers van het gros dier natiën in de zinnelijke bevrediging van het godsdienstig gevoel, en dat de eerste op de laatste eene opheffende werking uitoefenen. Die disharmonie, moge in het eene tijdvak sterker, in het andere zwakker zijn, overal zal zij bestaan waar, tengevolge der werking der wet van geschiktmaking, zinnelijke wezens zich door zinnelijke voorstellingen trachten te bevredigen, en te gelijk, tengevolge der werking der wet der veranderlijkheid, door middel hunner rede zich tot het abstracte verheffen. Het wegens welk motief ook niet dringen in het abstracte maakt niet alleen dat de menschen bijgeloovig, maar tevens dat zij ongeloovig zijn. Op het eene oogenblik vormt de mensch verheven bespiegelingen, en zweeft hij boven de wolken in de wereld van het abstracte, op het andere oogenblik trekt zijne zinnelijkheid hem naar den bodem terug, en laat in zijn boezem een grond van wantrouwen voor zijne naar hij meent voor de rede onwederlegbare bespiegelingen.
Is het aldus te verwonderen, dat zij die gezeten zijn in het vaartuig hunner kerk, wiens deelen zij de planken der behoudenis wanen te zijn, omdat zij er tusschen op min of meer zinnelijke wijze het edelste hunner gevoelens voldoen, dit vaartuig niet durven te verlaten en te wandelen op de baren van het abstracte, uit vrees van te zinken naar de diepte van het ongeloof? Uit vrees van mismaakte dwergen te worden, blijven zij liever kinderen.
De werking der traagheid moet de wezens beletten eensklaps van natuur te veranderen en hunne persoonlijke eigenaardigheden te verliezen, zoodat zij niet op de wijze zooals Bouddha gesteld beeft, maar zelfs, slechts na eene verzwakking van hun karakter van bijzonderheid en veranderlijkheid gedurende de grootst eindige tijden, in het onveranderlijke oerwezen, door met dit qualitatief identiek te worden, opgenomen kunnen worden. De wet der geschiktmaking, welke dit tracht te doen, zal zwakker werken, naarmate er aan die volmaakte eenzelvigheid minder ontbreekt, zoodat er evenmin een eindigen tijd zal bestaan, waarin die werking alle te kort komingen aan die eenzelvigheid opgeheven zal hebben, alsdat er eene eindige abcis zal bestaan, waarbij bij eene kromme alle verwijdering van den assymptoot dezer verdwenen is. Dat de drang tot verandering van zaken, naarmate zij den toestand, waarin die drang hen wil brengen, meer genaderd zijn, kleiner wordt, is een gevolg der werking der wet der traagheid, die zulk een drang slechts veroorlooft binnen een eindigen tijd in grootte te veranderen, en aldus ook te verdwijnen. Er zullen aldus zeer korte, maar toch nog eindig groote tijden bestaan, dat die drang uiterst gering zijnde, voor het voortbrengen eener nadering der eene zaak tot de andere, die vroeger binnen korten tijd geschiedde, uiterst langen tijd noodig zal hebben. Bij bovengemelde kromme is de grootte der hoeken, welke de tangenten met de as derabcissen maken, met de grootte van dien drang te vergelijken. Is de vergelijking dier kromme nu zoodanig, dat die hoeken wel naar nul streven, maar niet negatief kunnen worden, en beneden zekere grootte alle soorten van grootte bezitten, zoo moet zulk eene kromme een assymptoot paralel met de as der abcissen bezitten. Evenmin als een veranderlijk wezen binnen een eindigen tijd hetkarakter der onveranderlijkheid kan verkrijgen, kan het, een zelfstandig iets zijnde, binnen zulk een tijd volmaakt vernietigd worden. Ware eene vernietiging er van mogelijk zoo zou hierbij juist het omgekeerde als bij de op blz.184gemelde aangroeijing van zulk een wezen van af nul tot een eindig bedrag gedurende eene eeuwigheid moeten plaats hebben. Een wezen, in dit laatste geval verkeerende, moet eene eeuwigheid nadat het eene eindigen grootte bereikt heeft, oneindig groot zijn, en de stelling der preëxistentie tot noodwendig gevolg hebben, dat de geestontwikkeling der wezens de palen der eindigheid moet overschreden hebben, wanneer zij met den Oergeest volmaakt zamensmelten. De wet van geschiktmaking werkt, door de wezens een onveranderlijken aard te willen geven, de vergrooting dier wezens tegen. De wet der veranderlijkheid werkt op eene tegenovergestelde wijze, en moet gedurende het laatste oneindig lange tijdvak, dat de eindige wezens, voor met den Oergeest zamen te smelten, in grootte toenemen, in werking betrekkelijk de wet van geschiktmaking verzwakken.
Bij eene eindige betrekking tusschen de werkingen dier beide wetten in het voordeel der eerstgemelde, voor zooverre deze zie blz.284geene terugtrekkende werking uitoefent, zullen, bij den aanvang reeds bestaande wezens gedurende een eindigen tijd eene eindige betrekkelijke, vergrooting ondergaan. Alsdan zal echter die betrekkelijke vergrooting dier wezens gedurende eene eeuwigheid, van af een eindig getal tot nul afnemende zulks tetraag doen om binnen die eeuwigheid slechts eene eindige absolute vergrooting voort te brengen. Hiervoor zou die verhouding, op het oogenblik van den aanvang dier eeuwigheid, oneindig groot moeten zijn en bij een wezen in grootte nul bestaan. Die grootte is vergelijkbaar met die der ordinaat nul bij den top van assymptoten bezittende kromme lijnen. Van dergelijke krommen moeten de met bovengemelde betrekkelijke vergrooting vergelijkbare tangenten der hoeken der raaklijnen van oneindig tot op nul afnemen.
De op blz.276gemelde zucht tot opheffing van den geest naar den onveranderlijken oneindigen Oergeest, vereischt dat diens onveranderlijke denkbeelden een invloed hoe indirect ook op onze veranderlijke denkbeelden uitoefenen, want anders zou het zijn, of dit onveranderlijke wezen voor ons geen objectief bestaan had, en aldus, zooals op blz.275gezegd is, die zucht bij de menschen niet kunnen bestaan. Die onveranderlijke denkbeelden van den Oergeest kunnen echter niet direct op de onze van invloed zijn, omdat deze dan ook een directen invloed op die onveranderlijke denkbeelden zonden uitoefenen, en hen niet volmaakt onveranderlijk zouden kunnen laten. Die invloed moet aldus geschieden door eene grootst eindige reeks van zie blz.175, veranderlijke denkbeelden van den Oergeest, en wel zoo dat de leden dier reeks naar de zijde waar deze zich aan de onveranderlijke denkbeelden hecht, meer en meer hun karakter van veranderlijkheid verliezen en in uitgebreidheid toenemen11.
Die uitgebreidheid bij die onveranderlijke denkbeelden oneindig zijnde, zoo kan hun invloed op onze denkbeeldenvergeleken worden met dien van een oneindig grooten hemelbol op een eindig grooten bol, waarvan hij oneindig ver verwijderd, en aldus, zie blz.165, door eene oneindige massa van aantrekkingstrillingen bezittenden ether gescheiden is. De invloed dier reeks van denkbeelden van den Oergeest op onze denkbeelden moet echter niet beschouwd worden als inspiratie, maar zie blz.122als de oorzaak waardoor wij ons door middel der rede en verbeelding boven zintuigelijke indrukken verheffen. De veranderlijke denkbeelden van den Oergeest, bepaalt door de atomistische bewegingen der aarde, oefenen, door tusschenkomst van dergelijke veranderlijke denkbeelden, bepaalt door atomistische bewegingen der deelen van ons ligchaam, geestelijke invloeden uit op door de zintuigelijk onwaarneembare atomistische bewegingen bepaalde denking van onzen geest12. Gedroeg deze zich hier tegenover geheel passief, zoo zou hij een aardsch product zijn, en werkelijk tracht die invloed hem daartoe door eene werking der wet van geschiktmaking te verlagen. Onze geest gedraagt zich echter ook actief, ofschoon niet steeds even sterk, het minste in den slaap, in staat van dronkenschap, van waanzin, enz., wanneer hij zich weinig inspant; het meeste bij het denken over abstracte onderwerpen, over het algemeene en bij het in den niet latenten toestand. houden van denkbeelden, zoo dit sterke inspanning vereischt. Voor het bezit dier activiteit heeft echter onze geest noodig primo om eene menigte van verscheiden en veranderlijke indrukken te ontvangen, zonder welke hij niet werkdadig kan zijn, zie blz.93, en secundo om invloed te kunnen uitoefenen op voorwerpen, die zich alsdan tegenover hem passief gedragen. Zoo gedragen zich de beenen passief, wanneer wij tengevolge van onzenwil (eene soort van denking) gaan, en zouden zij zich slechts actief gedragen, zoo zij ons konden dwingen om te loopen13. Onze geest zou slechts aan de op blz.94gemelde werking, trachtende hem een aardsch product te doen worden, blootgesteld zijnde, dit werkelijk naar ons inzien worden, zoo de werking der wet der veranderlijkheid hem niet binnen de wereldsche verscheidenheid en veranderlijkheid door de op blz.279gemelde reeks aan eene opheffende werking blootstelde, en daardoor tevens maakte dat die eerste werking haar doel niet kan bereiken, en aldus verlagende op den geest blijft werken.
Men kan zich voorts voorstellen wezens zich niet verheffende boven de zintuigelijke indrukken, die zij op een hemelbol verkrijgen, en die, in zeker opzigt qualitatief niet van elkander verschillende, dit quantitatief wel doen. Zoo zouden bijv. op deze aarde waterdieren, zich niet boven hunne zintuigelijke indrukken verheffende, niet slechts minder hoog in geestontwikkeling staan dan de werkelijk bestaande waterdieren, maar tevens als imaginaire landdieren, welke zich ook niet boven hunne zintuigelijke indrukken verheffen.
Om te beseffen hoe de aardsche zintuigelijke aanschouwing, door beneden de denking der aardbewoners te blijven, de vergrooting der geestontwikkeling dier wezens belemmert, en, zoo onze planeet (zie blz.154) nietzelve in eene phase van vooruitgang was, hij de nakomelingschap slechts tot een zeker maximum zou veroorloven te gaan, neme men in acht, dat al der menschen wetenschappelijke kennis bestaat uit zintuigelijke waarnemingen, wiskunde en logica. Van het eerste is natuurlijk het maximum op deze aarde beperkt, en met de wiskunde en logica is dit, door eene indirecte uitwerking van dit te laag staan der zintuiglijke aanschouwing met betrekking tot onze denking, insgelijks het geval.
Zoowel bij de logica als bij de wiskunde wordt den aard en grootte van het onbekende, uit het bekende afgeleid, zoodat, waar zie blz.174de rijkdom en volkomenheid der aanschouwing de geesten ten volle verzadigen, wiskunde en logica overbodig zijn. Zoowel bij de logische als bij de wiskundige redenering (wier juistheid eigenlijk onafhankelijk is van de objectieve waarheid van de stellingen waarvan men uitgaat) gebruikt men beelden en voorstellingen aan de zintuigelijke aanschouwing ontleend. De beperktheid hiervan moet nu de vlugt van onze voorstellingen beperken door hierop eene terugtrekkende werking uit te oefenen, en hierdoor aan de intellectuele ontwikkeling der aardbewoners met betrekking tot de wiskunde en logica grenzen stellen, zelfs al waren die bewoners in het bezit eener aardsche onsterfelijkheid en aldus van een onbepaald langen tijd om te leeren, zonder dat hun geest een aardsch product was, twee zaken die,zie blz.224, naar ons inzien, onvereenigbaar zijn.
Men zij voorts indachtig dat de werktuigen, zooals telescopen, microscopen, passers, barometers enz. waardoor onze aardsche zintuigelijke aanschouwing uitgebreider geworden is, niet zouden bestaan, zoo het vooruitloopen er hiervan door onze denking er zie blz.178niet opheffende opgewerkt had, doch die uitbreiding is begrensd.
Bij de theorie snelt men door middel van wiskundigeen logische redeneringen de zintuigelijke aanschouwing meer vooruit, dan bij de praktijk. Meer dan hierbij komt men bij de theorie tot resultaten van een meer algemeenen aard.Bij haar staat meer dan bij de praktijk vooruitgang en minder dan bij deze geschiktheid op den voorgrond.
Wanneer een ligchaam valt, bestaat er een verschijnsel, namelijk de aantrekking waaraan dit ligchaam is blootgesteld, dat opwekt een ander aldus in grootte toenemend verschijnsel, namelijk de nadering van dit ligchaam tot andere ligchamen. Wederkeerige versterking tusschen die aantrekking en die sterkte van nadering heeft er hierbij (evenals in zeker opzigt zie blz.12tusschen den aanleg en de toeneming der geestelijke ontwikkeling) slechts zeer weinig plaats, omdat, in tegenstelling van bij onderlinge nadering van twee hemelligchamen, de aantrekking bij aardsche ligchamen gedurende den val van deze zeerweinigvergroot. Die nadering van dit ligchaam tot andere, een gevolg der aantrekking, brengt voort elastieke botsing, dat is een overgang dier aantrekking in afstooting, en aldus eene vernietiging en omkeering van deszelfs oorzaak voort. Op het oogenblik dat die afstooting begint, zal de nadering op een maximum zijn; terwijl, op het oogenblik dat de afstooting op een maximum is, de nadering nul geworden zal zijn. Deze wordt daarna negatief, dat is zij gaat over in verwijdering, die op het grootste wordt op het oogenblik dat de afstooting weder in aantrekking overgaat. Afneming hierbij dier heen en teruggaande snelheden door wrijving of onveerkrachtige botsing, is eene werking der wet van geschiktmaking, omdat er dan zie blz.251snelheden in warmtetrillingen overgaan. Bestaat die verwijdering bij hemelligchamen, zoo zal er na de botsing tusschen de sterkte der verwijdering en de aantrekking eene wederkeerige verzwakking bestaan.
Zoo die hemelligchamen, in plaats van tegen elkander te botsen, zeer langwerpige ellipsen om een gemeenschappelijk brandpunt beschrijven, zullen de naderingen op eene andere wijze de hen voortbrengende aantrekkingen vernietigen. Zij keeren in dit geval de rigting waarin de aantrekking geschiedt om, zoodat alsdan de aantrekkingen niet negatief worden, door in afstootingen over te gaan, maar door in tegenovergestelde rigting te geschieden. In dien laatsten zin zijn die aantrekkingen bij de perihelia op het sterkste negatief, en aldaar is de sterkte der nadering nul geworden, om later negatief te worden, dat is in verwijdering over te gaan. Bij de aphelia zijn bij dit geval de positieve aantrekkingen gering wegens bovengemelde wederkeerige verzwakking tijdens de verwijdering der beide ligchamen. Bij het eerste voorbeeld is daarentegen de aantrekking der aarde minus de afstooting der beide ligchamen op het grootste, wanneer het botsende ligchaam weder begint terugtevallen, en aldus de sterkte der nadering er bij nul is.
Wanneer de werking der wet der veranderlijkheid zoodanig is, dat het gevolg deszelfs voortbrengend verschijnsel tracht te vernietigen en negatief te maken, is die werking in denzelfden geest als de werking der wet van geschiktmaking terwijl, wanneer het gevolg deszelfs voortbrengend verschijnsel tracht te versterken, de werking der wet der veranderlijkheid in tegengestelden geest als die der wet van geschiktmaking is. In het eerste geval bestaat er echter dit verschil tusschen de werking der wet der veranderlijkheid en die der wet van geschiktmaking, dat de werking dier laatste wet alsware een nevenverschijnsel te weeg brengt, in sterkte toe en afnemende met het verschijnsel waarop die werkingvernietigendewerkt, zooals bijv. de met wrijving gepaard gaande snelheden; terwijl daarentegen bij de werking der wet der veranderlijkheid, zooals in het eerste geval, het vernietigdwordende verschijnsel door zijne grootte het vernietigende opwekt. Deze laatste werking, gepaard met die der wet van geschiktmaking, waardoor, bijv. zooals op blz.259aangegeven is, de gewijzigde werking van blz.257ontstaat, zou op maatschappelijk gebied steeds iets heilzaams wrochten, zoo de maatschappij in geen staat van vooruitgang verkeerde, en zal aldus iets heilzaam teweeg brengen in de gevallen waarmede de vooruitgang niet te maken heeft, zooals bijv. het vernietigen van afwijkingen ten eene of andere zijde van een welgemaakt ligchaam. In zulke gevallen is toch de gemiddelde toestand den besten, de vernietiging van afwijkingen hiervan wenschelijk en het ontstaan van zulke afwijkingen door de wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking tusschen oorzaak en gevolg plaats heeft, schadelijk. Bij zaken in staat van vooruitgang is daarentegen, wegens de werking der traagheid zie blz.52, die gemiddelde toestand niet den besten, het ontstaan van afwijkingen er van naar boven is aldus wenschelijk en de vernietiging dier afwijkingen schadelijk. Zoo aldus die werking der wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking tusschen oorzaak en gevolg ontstaat alsdan dergelijke afwijkingen te weeg brengt, zal de werking er van heilzaam en de tegengestelde werking der wet der veranderlijkheid schadelijk zijn, daar in het eerste geval men iets goeds met betrekking tot wat ook, tracht te vergrooten en in het laatste dit goede tracht te vernietigen. Zoo is het bijv. goed dat de belooningen, zij die zich goed gedragen, tot nog beter aansporen. De begrenzing van dergelijke afwijkingen, tengevolge der op blz.261gemelde werking der wet der geschiktmaking, is dan echter en wel meer, naarmate zij digter bij zekere grootte is, iets heilzaams. Zoo is het bijv. goed om door belooningen de vlijt van leerlingen op te wekken, edoch de toeneming dier vlijt moet gematigd worden, omdat zij anders degezondheid dier leerlingen zou schaden, en evenzeer moet de vergrooting der belooningen gematigd worden, omdat deze anders onregtvaardig zouden worden.
Het ontstaan van alsware beneden of achterwaartsche afwijkingen van achterlijke gemiddelde toestanden door de werking der wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking plaats heeft, is daarentegen schadelijk omdat alsdan iets kwaads vergroot wordt; terwijl de omgekeerde werking dier wet, waardoor dergelijke afwijkingen naar achteren tegengegaan worden, heilzaam is.Schadelijk is het bijv. wanneer men slechte menschen zoo bejegent en plaagt, dat zij uit wrok nog slechter worden, goed, wanneer men dit zoo doet, dat hunne zedelijkheid digter bij die van het gros der menschen komt.
Deze de afwijkingen uitputtende werking der wet der veranderlijkheid gepaard met de werking der wet van geschiktmaking, tracht de verschillende bestanddeelen van zaken met elkander in harmonisch verband en op dezelfde hoogte van ontwikkeling te brengen. Zijn nu bij die zaken, door dat zij in een staat van vooruitgang zijn zooals op blz.78gezegd is, die bestanddeelen op zeer ongelijke hoogte, zoo zullen die beide zoo even gemelde werkingen, door de trachten de hoogst staande bestanddeelen dier zaken te verlagen, ofschoon niet met betrekking tot de geschiktheid er van zie blz.255, iets schadelijk, te weeg brengen, en daarentegen, door de laagst staande bestanddeelen er van omhoog te trekken, iets goeds wrochten. Omgekeerd zal de werking der wet der veranderlijkheid, waarbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken, iets, ofschoon ook weder niet met betrekking tot de geschiktheid, heilzaams voortbrengen, wanneer zij zaken onharmonisch maakt door enkele bestanddeelen er van te verhoogen, en daarentegen schadelijk werken, wanneer zij eene disharmonie te weeg brengt door andere bestanddeelen dier zaak te verlagen. Ditlaatste was bijv. het geval bij het ontstaan van den aflaathandel in het begin der zestiende eeuw. De vernietiging er van door de hervormers was aldus eene werking der wet der veranderlijkheid, wanneer hierdoor afwijkingen uitgeput worden en te gelijk ook eene werking der wet der geschiktmaking. Toen zij echter eene nieuwe godsdienst verhevener dan de toen bestaande stichtten, waren de handelingen der hervormers werkingen der wet der veranderlijkheid, waarbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken, begrensd door de op blz.261gemelde werking der wet der geschiktmaking. Hunne handelingen strekten toen toch volstrekt niet meer om de verschillende bestanddeelen der toen bestaande godsdienst meer harmonisch met elkander en met de zinnelijkheid der menschen te maken. Ware dit het geval geweest, zoo zouden de hervormers de hoogste bestanddeelen der catholijke godsdienst zie blz.255hebben moeten verlagen. Niet de drang tot geschiktmaking, maar die tot vooruitgang was de drijfveer dier hervormers. Eveneens was dit het geval bijGalileus, toen deze als vertegenwoordiger der wel op waarnemingen gebaseerde, maar desniettemin abstracte wetenschap verscheen voor de vierschaar der vertegenwoordigers der zinnelijkheid, der zie blz.178niet controlerende getuigenis der zintuigen. Hierbij toch past de stelling, dat de aarde om de zon wentelt, zoo weinig, dat niemand, tenzij hij beter ingelicht is, haar geloof zal willen schenken.
Ook op staatkundig gebied bestaat er, wegens den vooruitgang der maatschappij, disharmonie bij verschillende zaken. Ingezetenen van rijken wenschen zich bijv. te vereenigen met ingezetenen van andere rijken, met wie zij zich verwant gevoelen, en willen tevens zeer locale belangen overheerschende maken. De werking der wet der geschiktmaking en de in denzelfden geest zijnde werking der wet der veranderlijkheid zullen klaarblijkelijktrachten eerstgemelde zucht te verzwakken en te gelijk te geven eene ruimere opvatting van locale belangen. Bij eene verdeeling der menschheid in staten, enkel tengevolge van die beide werkingen, zou aldus die zucht der inwoners van staten om staatkundig zamen te smelten met hen verwante inwoners van andere staten onbevredigd moeten blijven, en zie blz.256later verdwijnen.
Wegens den vooruitgang der menschheid zullen de staten door zamenvoeging gemiddeld steeds grooter worden, doch dit wegens de werking der traagheid gemiddeld zie noot blz.78wat te laat geschieden, en de staatkundige indeeling aldus zoo zijn, dat zoo even gemelde zucht tot zamensmelting, minder bevredigd wordt dan het particularisme.
De werking der wet van geschiktmaking en de in denzelfden geest zijnde werking der wet der veranderlijkheid, zouden bij eene niet vooruitgaande maatschappij de staatkundige indeeling der menschheid zoo goed mogelijk trachten te maken, en wel volgens nationaliteiten, waarbij de particuliere en locale belangen weinig uiteenloopen, want zulk een toestand zou dan evenzeer den gemiddelden politieken toestand zijn, als de welgemaakte toestand van het ligchaam den gemiddelden van allerlei mismaakte toestanden, zie blz.102. Oorlogen zouden het ontstaan van zulk een gemiddelden politieken toestand kunnen bevorderen, door tot beide zoo even gemelde werkingen te behooren, of kunnen tegengaan, door werkingen te zijn der wet der veranderlijkheid, die in strijd zijn met die der wet van geschiktmaking. Meer zullen zij echter in eerst dan in laatstgemelden geest werken, omdat gemiddeld de morele kracht alsmede de ondersteuning van andere staten zijn voor den oorlogvoerenden staat, die eene geschikte staatkundige verdeeling wenscht. De werking van den oorlog kan men vergelijken met die van hettrekken van ballen uit eene bus, witte en zwarte ballen bevattende, met zekere voorliefde voor de witte. Het kan dan echter zijn, dat die bus zoo weinig witte en zooveel zwarte ballen bevat, dat, niettegenstaande die voorliefde voor de witte ballen, er meer zwarte dan witte ballen getrokken worden, en evenzoo zou de staatkundige indeeling zoo nabij de beste kunnen zijn, dat, niettegenstaande de gemiddeld grootere kans voor zege der partij, die de staatkundige indeeling nog beter tracht te doen worden, de oorlogen deze eerder trachten te verslimmeren dan nog beter te doen worden.
De gemiddelde toestanden, op zich zelve beschouwd, geschikte toestanden, en somtijds afwijkingen van gemiddelde toestanden van meer algemeenen aard, kunnen veranderen, en zullen dit, bij het bestaan van blijvende afwijkingen naar de eene zijde er van, doen zoodat men dan alsware een anderen gemiddelden toestand zonder afwijking zal verkrijgen. Zoo kan de verzwakking van een staat iets worden, waarnaar deszelfs bevolking zich voegt, en die deze niet meer als eene door groote inspanning te vernietigen afwijking beschouwd.
De werking der wet der geschiktmaking tracht namelijk te gelijk afwijkingen te vernietigen, en den gemiddelden toestand alsware naar de zijde dier afwijkingen te verschuiven. De werkelijke afwijkingen zijn aldus steeds van tijdelijken aard, en, wanneer de werking der wet der veranderlijkheid wederkeerige versterking tusschen een verschijnsel en deszelfs gevolg te weeg brengt, zal niet alleen zie blz.261de werking der wet van geschiktmaking de vergrooting van zulk een verschijnsel en van deszelfs gevolg eens doen ophouden, maar, zoo de gemiddelden toestand zich niet verplaatst, door de op blz.258gemelde werking der wet der veranderlijkheid, die door wederkeerige versterking voortgebragte afwijking later weder vernietigd worden. Zoo zal bijv. magtsvergrooting, voortgebragt doorwederkeerige versterking van succes en aanmoediging, later door verslapping en overmoed weder vernietigd en zelfs negatief kunnen gemaakt worden, beide echter slechts zoo die grootere magt, door geschiktmaking er voor, geene werkelijke behoefte wordt. De wederkeerige versterking bestaat, alsdan tusschen het voortbrengend verschijnsel en eenig ander, doch zij kan ook bestaan, tusschen het voortgebragte verschijnsel, dat het eerstgemelde tracht te vernietigen en zelfs omgekeerd te doen worden, en eenig ander verschijnsel14. Hoe zwakker de werking der wet van geschiktmaking is, in hoe meer tijd zij aldus het beoogde doel bereikt, hoe minder ongeschiktheid in andere opzigten er bij andere zaken er door teweeg gebragt zal worden. Vandaar dat men een goed doel kan bereiken zonder slechte middelen er toe te bezigen, zoo men slechts geduld heeft, en een op minder vaste gronden steunende geschikten toestand, binnen korten tijd ontstaande niet verkiest boven een op vastere gronden steunende geschikten toestand meer in de toekomst.
Stelt men het verbod om aan anderen te doen, hetgeen zij wenschen dat hun niet gedaan wordt, niet in strijd met het werkelijke belang der individuen, zoo kan in elken staat het belang der deelen in overeenstemming met dat van het totaal dier deelen zijn. Dit zal insgelijks het geval bij het statenstelsel kunnen zijn, want het is hiervoor wenschelijk, dat er geene onderdrukte nationaliteiten bestaan, en dit zal niet in strijd zijn met de belangen vanelk dier staten, omdat de meerderheid der inwoners van elk dezer toch een afkeer moet hebben van het denkbeeld dat zijne nationaliteit onderdrukt wordt.
Hierbij, zooals steeds op maatschappelijk gebied, moet echter in acht genomen worden, dat het verkeerd is bestaande afwijkingen van den toestand, die het beste voor het algemeen welzijn is, plotseling te willen vernietigen, omdat door den tijd zij, bij wie die afwijkingen bestaan, zich in zekere mate er naar zullen geschikt hebben. Dit is bijv. het geval bij zoogenaamde door den tijd verkregen en met het algemeen belang in strijd zijnde regten, zooals bijv. die van het houden van slaven, te hoog geestelijk ontwikkeld met betrekking tot hunne meesters om zie blz.47eene heerschappij, als die over slaven uitgeoefent, niet nadeelig te doen worden. Zulke regten behoeven evenmin plotseling, althans zonder schadevergoeding (eene soort van geschiktmaking voor den bezitter dier regten) afgeschaft, als onbepaald bestendigd te worden.
Wanneer een voortbrengend verschijnsel of oorzaak eene afwijking is van een gemiddelde, dat zich niet tracht te verplaatsen, zal het voortgebragte of gevolg, verschijnsel die oorzaak trachten uit te putten, en deze daarentegen versterken, wanneer dit gemiddelde zich wel tracht te verplaatsen. Zoo zal bijv. succes in den krijg, tengevolge van tijdelijke grootere eenheid, deze trachten te verminderen, of wel te vergrooten, al naar gelang die grootere eenheid elders niet aangetroffen wordt, of wel eene toenadering is tot die welke elders bestaat, of die men noodig voor zich acht. In het eerste geval schijnt die grootere eenheid iets, dat na de zege overbodig geworden is, en in het tweede iets waarvan de heilzame vruchten met betrekking tot de toekomst gebleken zijn. Inspanning brengt verhooging in positie te weeg, en deze zal, wegens den drang tot vooruitgang, gemiddeld die inspanning niet trachten te vernietigen, ofschoon de opblz.261gemelde werking der wet van geschiktmaking, de vergrooting dier inspanning tengevolge van wederkeerige versterking, weldra zal doen ophouden. Dat voorts die vergrooting in positie geschiedt onder strijd (zie. blz.55)in den algemeensten zin genomen, ontstaat doordat magten zooals individuen, staten enz. in contact komen met andere niet met hen in alle deelen zamenwerkende magten of zaken, hetgeen een gevolg is der verscheidenheid, die zie blz.237eene voorwaarde is van den vooruitgang.
De werking van elken hartstogt is die van een der beide op blz.284gemelde werkingen der wet der veranderlijkheid, in het eene geval zooals op blz.259en in het andere, zooals op blz.261gezegd is, gepaard met de werking der wet van geschiktmaking. Lijden wekt bijv. medegevoel op, dat dit lijden tracht te vernietigen. De sterkte van dit medegevoel klimt en daalt nu niet, wegens de werking der traagheid, te gelijk met die van dit lijden, en vooral niet zoo de bekendheid hier van snel toeneemt, en evenmin is dit medegevoel op een maximum wanneer dit lijden ophoudt met te bestaan. Met betrekking hiertoe verkeert het in een overeenkomstig geval als doelmatige straf met betrekking tot slecht gedrag, en als met oordeel toegeven met betrekking tot gegronde grieven. Is het daarentegen iemands geluk dat medegevoel opwekt zooheeft ertusschen beiden, even als tusschen eischen en toegeving met zwakheid, wederkeerige versterking plaats. De werking der wet van geschiktmaking tracht echter dan de toeneming van beiden tegen te gaan, daar zij iemands positie, en te gelijk de gevoelens die men hem toedraagt, tot zekere gemiddelden tracht te brengen.
Met betrekking tot derzelver oorzaken staan de werkingen der hartstogten zie blz.267in dezelfde verhouding als de daden gedaan tengevolge van redeneringen. Trouwens bij hartstogtelijke handeling worden er redeneringen vaneenvoudigen en oppervlakkigen aard gemaakt, die, zooals bij woede en vrees, in der menschen geest overheerschende worden. Het zijn de hartstogten die de menschen doen handelen, de goede op eene niet, de slechte op eene wel te lage wijze voor de eischen van der menschen zedelijk leven en onderlinge zamenwerking, en het verkeerde van zich blindelings aan goede hartstogten over te geven, bestaat juist in het alsdan niet maken van genoegzaam diepzinnige redeneringen. Of de intellectuele ontwikkeling is dan in gebreke met betrekking tot de morele ontwikkeling, of men weet haar dan niet genoegzaam te doen gelden.
Dit in gebreke zijn der intellectuele ontwikkeling, of het niet gebruik er van kan in het algemeen leiden om zich van het goede en insgelijks van het kwade te onthouden, en aldus de neiging tot het eene en tot het andere verminderen. Naar aanleiding van hetgeen op blz.217gezegd is, zal, omdat kennis noodig is om begrip en waardering van het goede te geven, en niet alleen evenals bij het kwaad strekt, om het op eene meer doelmatige wijze te doen, ontbering er van gemiddeld meer tot kwaad dan tot goed strekken, en aldus, naar aanleiding van blz.152, de neiging tot het goede meer verminderen dan die tot het kwaad15. Men bedenke hierbij dat de werking der wet van geschiktmaking de verschillende soorten van kennis (althans zie blz.67)die van even hooge soort, met elkander in harmonisch verbandtracht te brengen, zoodat vermindering der wijsgeerige kennis ook die der andere kennis tengevolge heeft. Iemand, die zich nu steeds er op toelegt om met overleg kwaad te plegen, moet noodwendig de wijsgeerige kennis, die betrekking heeft op de maatschappelijke behoeften en vooruitgang, verwaarloozen en dit, wegens de zooeven gemelde reden, daling van andere takken van kennis ten gevolge hebben.
Zoo de geestelijke aanleg der individuen der verschillende diersoorten en menschenrassen bij de geboorte dier individuen slechts bepaald werd door den aard van hunne ligchamen, zou het onverklaarbaar blijven hoe zulke groote verschillen in den dezen geestelijken aanleg bepalenden aard der ligchamen ontstaan zijn, of liever in stand gehouden worden, want bestond er geene constante oorzaak voor dit laatste,zoozouden die verschillen, slechts door de werking der traagheid in stand gehouden, van lieverlede verminderd zijn, en slechts accidentele omstandigheden (anders gezegd het toeval) die den geestelijken aanleg bepalenden aard der ligchamen wat doen variëren. De verschillen in levensomstandigheden kunnen althans bij de menschenrassen die constante oorzaak niet zijn, omdat de verschillen in hoogte der levensomstandigheden bij de menschen kunstmatig zijn, en niet door de aarde aangeboden worden. De verschillen in den bovengemelden aard der dierlijke en menschelijke ligchamen, moeten in overeenstemming met de stelling van blz.92, dat die ligchamen aan eene opwaarts drijvende werking buiten hen blootgesteld zijn, naar ons inzien, ook in stand gehouden worden door eene oorzaak buiten hen, namelijk zie blz.196door de verschillen in aanleg der geesten op de aarde met levende ligchamen in contact willende komen. De geslachtsvoortplanting en het verkeer zullen voorts klaarblijkelijk strekken om bovengemelden aard dier ligchamen bij dezelfde soorten of dezelfde volken gelijkaan elkander te doen worden. Dit zelfde verschil in aanleg der geesten houdt, naar ons inzien, bij een zelfde volk het verschil in stand, voor zooverre dit niet door het toeval ontstaat, in stand. Wel heeft de maatschappij zich naar die verschillen in beschaving geschikt, doch die verschillen kunnen naar ons inzien geene noodzakelijke behoefte zijn van welke maatschappij ook, bijv. niet van eene wier leden in geestelijken aanleg tijdens hunne geboorte alle gelijk zijn, en niet, tengevolge der werking van het toeval, ongelijk in beelding en rijkdom worden. Verschil in magt zou in zulk eene maatschappij enkel door verschil in ancieniteit bepaald worden.
De werking der wet der veranderlijkheid, waarbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken, veroorzaakt vaak eene overdrevene schatting van zekere hartstogten, zooals vreugde, smart, bewondering, verachting, opwekkende gebeurtenissen. Tusschen de opvatting dezer laatste in den geest dier hartstogten en deze bestaat er dan eene wederkeerige versterking, door de werking der wet van geschiktmaking, waardoor de hartstogt en de overdrevene voorstelling gematigd worden, begrensd. De aanschouwing der werkelijke gevolgen van zulk eene gebeurtenis wekt dan echter het denkbeeld op, dat men zich aan overdrijving heeft schuldig gemaakt, en dit denkbeeld nu is, wegens de werking der traagheid, niet verdwenen, wanneer, tengevolge er van, die overdrijving niet meer bestaat. Vandaar dat deze naar aanleiding van hetgeen op blz.258gezegd is, negatief zal worden, en er aldus, met betrekking tot de juiste schatting, verflaauwende schommelingen zullen ontstaan. Was dit niet het geval, zoo zou men, na het vernemen dat eene heugelijke tijding valsch is, direct weder in dezelfde gemoedsstemming als voor het ontvangen dier tijding moeten komen, want op het oogenblik dat de ongegronde vreugde verdwenen zou zijn, zou zulks ook zijn het denkbeeld datmen zich ten onregte verheugd heeft. Dit is echter in werkelijkheid het geval niet, en vandaar, dat men daar na gedurende zekeren tijd treurig wordt.
Hierbij komt echter nog dat de wet van geschiktmaking de menschen ras gewoon maakt aan het denkbeeld van voorspoed, en aldus, zooals op blz.289gezegd is, althans met betrekking tot de bestaande afwijking, in gevoel van vreugde bestaande, het gemiddelde verzet, zoo dat hierdoor, wanneer devalschheidder goede tijding ruchtbaar wordt, de vreugde reeds veel vermindert zal zijn.
Een zelfde verschijnsel kan te gelijk bestaan bij verschillende groepen van verschijnsels, elk, wegens de vereenigde werking der zamenstellende verschijnsels, opwekkende een gevolg onderscheiden van de gevolgen dier andere groepen. Zoo kan bijv. eene slechte daad, vereenigd werkende met de vriendschappelijke stemming der beoordeelaars dier daad, jegens derzelver bedrijver tot gevolg medelijden hebben; terwijl diezelfde daad, vereenigd werkende met de vijandelijke stemming van andere beoordeelaars, jegens derzelver bedrijver verachting en haat tengevolge heeft.
Het gretig eten van gewijde kuikens kan, vereenigd werkende met de bijgeloovige gevoelens van een leger, aanmoediging hiervan tot gevolg hebben; terwijl, vereenigd werkende met de functie van de keel dier kuikens, dit gretig eten dezer de vulling van derzelver magen tot gevolg heeft. In elk dier gevallen zal elk gevolg zie blz.71, gelijkslachtig zijn met een of meer der verschijnsels door wier vereenigde werking het opgewekt wordt. Zoo is bijv. aanmoediging gelijkslachtig met bijgeloovige stemming, en vulling van magen met eten. Evenzoo is uitdrooging der lucht gelijkslachtig met derzelver oorzaak, namelijk de met storm vergezeld gaande betrekkelijk sterke luchtrijzing, terwijl het reven van zeilen gelijkslachtig is met het besturen van vaartuigen, datvereenigd werkende met storm, dit reven tengevolge heeft16. Gelijkslachtig zijn oorzaken en gevolg, wanneer deze op gene kunnen terugwerken en hen, zooals op blz.284gezegd is, kunnen uitputten en omkeeren, of versterken, en ongelijkslachtig zijn oorzaken en gevolgen, wanneer dit niet mogelijk is. Zoo zal bijv. de aan- of ontmoediging van een leger kunnen terugwerken op deszelfs bijgeloovige stemming, maar niet op het eten van gewijde kuikens, terwijl de met dit eten gelijkslachtige vulling der magen dier kuikens dit daarentegen wel kan doen.
Evenzoo zal de uitdrooging der lucht de luchtrijzing en aldus ook de horizontale toeschieting der lucht of den wind verzwakken, terwijl het reven van zeilen op de sterkte van den wind niet, maar op het besturen van zeilvaartuigen wel terugwerken kan.
Hoe komt het nu dat, zooals bij deze voorbeelden, geheel ongelijkslachtige verschijnsels vereenigd werkende gevolgen kunnen opwekken, die aldus onmogelijk met elk van derzelver oorzaken gelijkslachtig kunnen zijn? Naar ons inzien, doordat hier op aarde niet alles in harmonisch verband is, doordat, zooals op blz.195gezegd is, de gewassen en de ligchamen der dieren hooger dan de onbewerktuigde natuur, en de geesten der menschen hooger dan de door derzelver ligchamen bepaalde denking, en zie blz.91en 280 nog hooger dan de door de onbewerktuigde aardsche natuur bepaalde denking staan. Zoo is het rijp worden van vruchten, een gevolg der vereenigde werking der organische zamenstelling dier vruchten en der warmte, met deze laatst geheel ongelijkslachtig. Het met die warmte gelijkslachtige gevolg is daarentegen de grootere uitstraling en de minderevatbaarheid voor warmteopslurping der verhitte voorwerpen. Wegens de op de verhitting terugwerkende eigenschap van dit gevolg, moet het in de warmteleer beschouwd worden, hetgeen aldaar daarentegen weinig meer met het rijpen van vruchten, als met het bezoeken van zomer-theaters behoeft te geschieden.
Hoe grooter de disharmonie is tusschen met elkander in verband gebragte zaken, hoe ongelijkslachtiger de gevolgen en sommige van derzelver oorzaken kunnen worden. Dit is bijv. in sterke mate het geval, zoo het eten van gewijde kuikens, of zie blz.145en 171 juister gezegd, de hierdoor bepaald wordende denking, in verband komt met de menschelijke denking over geheel andere zaken. Die disharmonie is nu enkel het gevolg hiervan, dat de verbeelding opwekkende bewuste aanschouwing sterk vooruitloopt de op blz.178gemelde aanschouwing, waardoor de menschen met den waren aard der zaken bekend worden, en zoo nu die disharmonie werkelijk maakt dat gevolgen geheel ongelijkslachtig met sommige van derzelver oorzaken worden, zoo is het klaar, dat de door de wijsbegeerte zie blz.117niet ingelichte menschen het mogelijk kunnen achten, dat gevolgen er mede gelijkslachtige oorzaken geheel kunnen missen, of met andere woorden dat er wonderen bestaan. Kon bijv. het gezigt van een klein stuk beschreven papier de eenigste oorzaak zijn, dat iemands bloed sneller gaat loopen, en dat zijne spijsvertering belemmerd wordt, zoo zou dit verschijnsel van denzelfden aard zijn alsdat iemands woorden een dooden kunnen opwekken. Wat maakt echter het eerste verschijnsel mogelijk en het tweede onmogelijk? Het bestaan van eene oorzaak gelijkslachtig met dephysiologischewerkingen binnen het ligchaam, en vereenigde werkende met de inzage van het kleine stuk beschreven papier, het gemis van eene oorzaak gelijkslachtig met de organische en chemische werkingen bij lijken en vereenigdwerkende met de woorden van den zoogenaamden doodenopwekker.
Niet slechts moet eene der oorzaken van elk verschijnsel hier qualitatief op gelijken, ook dient zij dit quantitatief te doen. Zoo bijv. een voorwerp breekt tengevolge van een zachten tik, zoo dient te gelijk hiermede, de broosheid van dit voorwerp de oorzaak van dat breken te zijn, omdat dit een veel sterker verschijnsel dan dien ligten tik is. Broosheid bestaat voorts ook op maatschappelijk gebied, bijv. bij legers wier nederlaag het gevolg kan zijn van een verkeerd kommando. Op dit gebied bestaat de vastheid in ongevoeligheid voor storende oorzaken, en de taaiheid in de sterkte der werking der wet van geschiktmaking waardoor de storingen verdwijnen Die eene oorzaak, wier sterkte die van het gevolg evenaart, kan somtijds voor oppervlakkige of oningewijde menschen onbekend blijven, en somtijds vereenigd werken met andere bekende belangrijke oorzaken, waardoor het bekende gevolg van deze zeer belangrijk gewijzigd kan worden.
Hetgeen op blz.176gezegd is, dat elk verschijnsel bevat zekere bijzonderheden bijv. het bijzondere van eenige daad van een persoon, voorts te gelijk iets meer algemeen, zooals bijv. de uiting van het karakter van dien persoon, in alle dergelijke daden die hij verrigt bevat, voorts nog iets meer algemeen, bijv. de algemeene uiting van den menschelijken aard enz., kan alsware naar beide zijden voortgezet worden, zoodat men naar de eene zijde steeds korter durende eigenaardigheden der verschijnsels ontmoet, terwijl naar de andere zijde, men steeds meer algemeene en langer aanhoudende eigenaardigheden er van te beschouwen heeft, totdat men eindelijk, zie blz.171, bij het algemeenste, wat op het gebied van denking en beweging bestaat, zou teregt komen. Bij alles wat gebeurd kan men aldus stellen te bestaan bijzonderhedenuiterst kort durende, gedurende dien tijd slechts in grootte, maar niet in aard veranderende, en die, voorafgegaan en gevolgd door andere dergelijke bijzonderheden, elk bezitten eene oorzaak die hen voortbrengt en een gevolg dat hen vernietigt, tengevolge der op blz.257gemelde werking der wet der veranderlijkheid gepaard met eene zoodanige werking der wet der geschiktmaking, dat de op blz.259gemelde schommelingen niet noemenswaardig ontstaan.17
Zoo toch dit gevolg die bijzonderheid niet zeer snel na zijn ontstaan vernietigde, maar onveranderd liet of versterkte, zou deze in aard gedurende langeren tijd onveranderd blijvende, en eerst door een ander en trager ontstaand gevolg vernietigd wordende, iets meer algemeen zijn. Dit meer algemeene is nu geen verschijnsel naast een ander meer bijzonder verschijnsel bestaande, maar slechts eene minder veranderlijke eigenaardigheid van hetzelfde verschijnsel, dat te gelijk meer veranderlijke eigenaardigheden bezit. Men kan bijv. niet zeggen dat loopen een verschijnsel is, en dan in deze dan in gene rigting loopen er een ander is, niettegenstaande men van het loopen in elke rigting, hoe kort men dit ook moge doen, de oorzaken en de gevolgen kan nagaan, en deze verschillen van de oorzaken en de gevolgen van het loopen in het algemeen. Dit bijv. kan het gevolg zijn van gemoedsaandoening door ligchaamsbeweging versterkt wordende, zoodat hierbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken, totdat een ander gevolg dier ligchaamsbeweging namelijk de vermoeijenis hier vernietigendeopwerkt. Die gedurende zekere tijd heftiger wordende ligchaamsbewegingen veranderen echter gedurig van vorm, en, wanneer elk dier verschillende soorten van vorm, op een maximum van intensiteit zijn, zullen de er door opgewekte gevolgen nog in intensiteit toenemen, en, wanneer het aantal dier gevolgen in eenig geval meer dan een bedraagt, slechts het met die soort van eigenaardigheid gelijkslachtige gevolg die eigenaardigheid kunnen vernietigen. Ligchaamsbewegingen kunnen bijv. wegens derzelver aard twee gevolgen opwekken een vanphysiologischenen een van geestelijken aard, en nu wel het eerste gevolg van het tweede kunnen afhangen, maar het niettemin alleen in staat zijn om den bijzonderen vorm van zulk eene beweging uit te putten, en als oorzaak werkende een anderen vorm van beweging op te wekken. De denking van een lam mensch is bijv. even onvermogend om den vorm zijner ligchaamsbewegingen te wijzigen, als het waarnemen van een zoogenaamd slecht teeken voor het ondernemen eener zaak, om een niet bijgeloovig mensch van zulk eene onderneming te doen afzien. Het verlies van zekere soort van bijzondere eigenaardigheden bij eenig verschijnsel komt op hetzelfde neder als het er steeds bij bestaan van het gemiddelde dier bijzondere eigenaardigheden. Van eenig voorwerp kan het bijv. eene veranderlijke bijzonderheid zijn, dat het in kleur varieert, zonder dat het gemiddeld de eene kleur van den regenboog meer dan eene der andere vertoont. Het gemiddelde dier kleuren zal grijs zijn, en klaarblijkelijk een voorwerp,dat die bijzondere eigenaardigheid van dan zus en dan zoo gekleurd te zijn verliest, zich steeds grijs moeten vertoonen. Op blz.255hebben wij gezegd, dat de werking der wet van geschiktmaking afwijkingen van gemiddelden tracht te vernietigen, en op blz.256dat zij het veranderlijke van toestanden tracht te doen verdwijnen. Waar nu komt dit laatste op neder:Op het vernietigen van veranderlijke bijzondere eigenaardigheden bij zaken, zoodat hierbij slechts meer algemeene en te gelijk minder veranderlijke eigenaardigheden overschieten. Zulke gemiddelden, afwijkingen zijnde van andere meer algemeene en nog minder veranderlijke gemiddelden, zoo zal de werking der wet van geschiktmaking ook deze afwijkingen trachten te vernietigen, hetgeen hierop neder komt, dat zij meer algemeene eigenaardigheden van verschijnsels tracht weg te nemen, om deze slechts nog algemeener en nog minder veranderlijke eigenaardigheden over te laten enz. totdat, bij het niet bestaan der werkingen der wet der veranderlijkheid, zooals op blz.257gezegd is, eerstgemelde werking eindelijk zou leiden tot het slechts laten bij de verschijnsels van het absoluut onveranderlijke en algemeenste bij de veropenbaring der zelfstandigheid door denking en door beweging. Die werking der wet van geschiktmaking tracht bijv. zie blz.255de menschen op een gemiddelden trap van zedelijkheid te brengen, en aldus zoodanig te doen worden, dat er van hunne moraliteit niets bijzonders te zeggen valt, en dat, ofschoon te veel aan te lage hartstogten toegevende en beneden de eischen van hun leven blijvende, zij niettemin noch gierig, noch mild, noch hoogmoedig, noch nederig, noch geduldig, noch ongeduldig, noch vlijtig, noch lui kunnen genaamd worden, en aldus bijzondere eigenaardigheden verliezen.