De harmonie tusschen de verschillende deelen eener zaak wordt toch teweeg gebragt doordat (zie ons werk get. Over de werking der Natuurwetten, enz., blz. 501, en het vervolg hierop, blz. 207 en 414), elk dier deelen het gemiddelde is van de overeenkomstige deelen vanovereenkomstige zaken, omdat bij die gemiddelden accidentele en grillige afwijkingen gemist worden.Wanneer er nu bij zaken sprake kan zijn van hoogere en lagere vormen, zullen die bemiddelden evenmin naar de laatste als naar de eerste hellen. Zal bijv. een menschelijk ligchaam, wiens deelen, indirect dienende tot verhooging der geestelijke ontwikkeling van zijn bezitter, sterk en wiens deelen, meer bestemd voor dierlijke verrigtingen, weinig ontwikkeld zijn, schoon gevonden worden? Naar ons inzien neen.Zijn de talen der meest beschaafde volken de zuiverste en van de regelmatigste constructie? Eigent zich fraaije stijl het beste voor het uitdrukken van diepzinnige denkbeelden, van verhevene wetenschap? Wordt de aanschouwing van den sterrenhemel, van een tal van lichtende werelden (gedurende den spreekwoordelijk leelijken nacht), bij uitnemendheid schoon gevonden? Worden de Gothische kerken schooner gevonden dan de met de weinig verhevene godsdienst der oude Grieken zoo in harmonie zijnde tempels van het oude Hellas? Op dit alles vermeenen wij dat ontkennend geantwoord moet worden.15Dat de harmonie der deelen van tafereelen ontstaat doordat die deelen in den gemiddelden toestand verkeeren van die bij andere dergelijke tafereelen, wordt bijv. aangetoond bij die van stormen. Om het tafereel hiervan schoon te doen zijn moet toch eene bewolkte en driftige en geene heldere lucht zich boven eene onstuimige zee bevinden.Het daarstellen van schoone gewrochten is aldus eenebijzondere soort van geschiktmaken van het een voor het ander. De kleêrmaker, die een rok voor iemand pas maakt, de staatsman, de constitutie van een staat zamenstellende enPhidiastoen hij de majesteit van den Dondergod door een marmeren blok trachtte uit te drukken, zij allen doen dit; terwijl de burgerman, die den edelman nabootst en zich hierdoor belagchelijk en ongelukkig maakt, even goed aan den drang vooruitgang gehoorzaamt, alsColumbustoen deze de Spanjaarden naar Amerika leidde en dien ten gevolge Spanje van de noodige inwoners beroofde en als iemand, die het voorvaderlijk geloof verzaakt en zijn geest te gelijk met twijfel en met philosophische bespiegelingen vult.Dat er nu in elk dier tweede soort van gevallen een tijdelijk kwaad geboren wordt, ontstaat, zooals reeds op blz.68gezegd is, ten gevolge der werking der traagheid bij overgangen.Hoe, ten gevolge hiervan, vooruitgang het schoone benadeelt, bemerkt men bijv. aan de klagten geheven over het bederven van landschappen door fabrieken, over het gemis aan schoonheid der Protestantsche eerdienst, over het ondichterlijke dat er in gelegen is om bijv. per spoorweg teAthenete komen enz. Zoo echter deze stad eenmaal de bloeijende hoofdplaats van een bedrijvig volk wordt, zal een spoorwegstation er evenmin misstaan als in vele oude en thans bedrijvige steden van Europa.De neiging tot het geschikt maken van het een voor het ander kan zich veropenbaren, als teedere liefde voor bloedverwanten, die men, met opoffering van vooruitzigten, niet wil verlaten; als practisch gezond verstand, dat doelmatigheid boven theoretische volkomenheid en verhevenheid verkiest; als huisbakken bekrompenheid slechts kleine belangen trachtende te bevredigen; als lage zelfzucht slechts zoekende eigengenot in het heden te verkrijgen.De neiging tot vooruitgang kan zich daarentegen veropenbaren, als opofferende liefde voor menschheid, wetenschap en geloof; als verstandelijke bespiegeling over verhevene en duistere onderwerpen; als onpractische plannenmakerij; als dwaze naäperij van maatschappelijk hooger verheven personen.16Het is er aldus (zie blz.83) verre van af, dat aan den drang tot geschiktmaken en aan dien tot vooruitgang steeds op eene wijze toegegeven wordt in het welbegrepen en aldus ruim opgevatte heil der maatschappij zijnde.Achteruitgaan en tevens het een voor het ander ongeschikt maken, doen de menschen nimmer tegen beter weten in; en, wanneer dit door hun toedoen gebeurt, vermeenen zij dat, men, door te sterk en op verkeerde wijze vooruitgegaan te zijn, de geschiktheid van het een voor het ander geschaad heeft.Geschikt houden is in het algemeen, ofschoon niet geheel teregt, het doel der conservatieven, de vooruitgang het doel der liberalen. (Zie blz.73.)Tusschen het toegeven aan beiderlei soorten van drang moet eene behoorlijke en van de omstandigheden afhangende verdeeling gemaakt worden, bij het voorschrijven van zedelijke beginselen, zie blz.83, bij het onderwijzen, zie, blz.76, bij het voeren van strijd en het bestaan van bescherming en regeling op verschillend gebied enz.17De drang tot geschiktwording van het een voor het andere veroorzaakt bijv. dat de aan wilde volken gepredikte Christelijke godsdienst bij hen van lieverlede verbastert, dat is wel, door hooger als deze te zijn, debeelding van zulke volken wat verhoogt, maar zich te gelijk, door te dalen, op de hoogte hiervan stelt. Wel zal dan die invoering der Christelijke godsdienst bij zulke volken hunne beschaving wat verhoogen, doch die verhooging er niet alleen aan te danken zijn, dewijl er bij de rest hunner beelding (zie blz.47) eene eigen impulsie tot verhooging bestaat.18Bij de menschen wordt de aard hunner godsdienst bepaald door hun graad van intellectuele ontwikkeling, door de eigenaardigheden van hun karakter, den aard van het land dat zij bewonen, hunne omgeving, benevens door accidentele omstandigheden.Van elk dezer laatste kan de invloed niet blijvende zijn, doch daar er gedurig nieuwe accidentele omstandigheden, van invloed op der menschen godsdienstbegrippen, ontstaan, zoo zal er hierbij op den duur een zeker van aard veranderend deel het gevolg van het toeval zijn.Het in zulke deelen bevatte zal echter, even als de op blz.22gemelde door het toeval ontstaande afwijkingen bij de organisatie der dieren, gemiddeld ten nadeele werken, en aldus het geheel der godsdienstige begrippen van elk mensch, noch voor dezen, met betrekking tot zijne beelding gemiddeld geschikter maken, noch gemiddeld nader tot de kennis van hetgeen werkelijk op buitenzinnelijk gebied bestaat, brengen.De invloed der omgeving baart zekere ofschoon vaak geringe gelijkenis tusschen de godsdienstige begrippen van met elkander verkeerende menschen, en op blz.9hebben wij aangetoond hoe deze zich in groepen splitsen, waarvan elk gezegd wordt tot zekere secte te behooren. De grootte dezer wordt, even als die der rijken, door de geographische gesteldheid der landen, het verkeer en denaard der menschen, den aard der godsdiensten benevens door accidentele oorzaken (zooals bijv. accidentele grootere of kleinere gelijkvormigheid in opinie) bepaald. In het algemeen nemen zij, even als de rijken, in grootte toe naarmate de beschaving zulks doet.Overigens brengen veranderingen bij dien invloed der omgeving der volwassen menschen, bij de godsdienstige begrippen dezer accidentele afwijkingen naar alle kanten van de godsdienstige begrippen, welke zij, zonder het bestaan dier invloeden, zouden bezitten. Deze zijn te vergelijken met die op onze daden ten gevolge der raadgevingen der menschen, waarmede wij achtervolgens te doen krijgen.Die onderscheidene oorzaken, de accidentele uitgezonderd, bepalen de religieuze begrippen der menschen geheel onafhankelijk van de leering en daden der stichters der godsdiensten. Zoo belijden bijv. voornamelijk de Germaansche volken de Protestantsche godsdienst, wegens de hoogte waartoe hunne beelding op het einde der middeleeuwen gestegen was, benevens wegens hunnen grooteren ernst en minder zinnelijk karakter dan de Latijnsche en Slavische volken. Het deel hunner godsdienstige begrippen niet het gevolg hiervan, maar van hetgeen er buitendien van de leer der hervormers overgeleverd is, kan als iets toevallig beschouwd worden en moet van lieverlede verdwijnen.Men bedenke toch dat, wanneer zoo iets door eene constante oorzaak wordt voortgebragt, niet enkele, maar zeer vele menschen in dien geest werkzaam zijn, zoodat, bij gemis dier enkele voorgangers, de menigte het werk verrigt, voor zooveel die arbeid levert hetgeen die constante oorzaken tot gevolg kunnen hebben.Die arbeid der achtervolgende generatien is grooter dan men denkt en zou bijv., al hadden de stichters van het Christendom nimmer bestaan, de meer verheven begrippenbetreffende de betrekking van God tot de menschen, de pligten en roeping dezer enz., waardoor het Nieuwe Testament zich van het Oude Testament en van het Neoplatonisme enz. onderscheid en hooger dan deze staat, stellig voortgebragt hebben, omdat de aard en toename in geestontwikkeling der bewoners van het Romeinsche rijk tijdens het verval der Romeinsche staatsgodsdienst hiertoe leidde, maar dat die menigte tot de bijzonderheden der Christelijke dogmas, bij onstentenis der vinders dezer, zou gekomen zijn, is daarentegen zeer onwaarschijnlijk.19Die bijzonderheden zijn aldus gewrochten van het toeval, zooals alles wat in iemands geest opkomt, gelijkslachtig is met hetgeen tot vergrooting der kennis van het menschdom kan strekken, en later niet opkomt in den geest van eene menigte andere menschen te zamen genomen, zoo al deze in dezelfde omstandigheden als hij gaan verkeeren.De geniën, welke, door een toevalligen loop der omstandigheden, in de zending, welke zij zich opgelegd hebben, zeer goed slagen, (voorzeker de minderheid hunner) vervullen dan ook de noodzakelijke behoeften der menschheid iets eerder, maar op eene meer gebrekkige wijze, dan dit bij hun gemis later gebeurd, en het lot dier nakomelingschap hangt alzoo niet af van het broze bestaan dier enkele. Van daar ook dat zij, welke ditanders begrijpen, zulke geniën als door God speciaal bestemd en bewaard achten voor zulke zendingen, een begrip onvereenigbaar met de eenvoudigheid der Natuurwetten en aldus van supranaturalistischen aard.De bij de menschen bestaande godsdienstige begrippen,bepaald wordende deels door accidentele oorzaken, deels door dier menschen aanleg, karakter en woonplaats, aldus door dergelijke oorzaken als die der beschaving, zoo dienen die godsdienstige begrippen bij de volken van grooteren aanleg gedurende denzelfden tijd meer dan bij die van minder aanleg in ontwikkeling en verhevenheid gestegen te zijn, er op aarde te gelijk religieuse begrippen op allerlei graden van ontwikkeling te bestaan, en in het verleden ook het geval geweest zijn, maar, naarmate men in dit verleden verder achterwaarts gaat, de hoogst ontwikkelde der religieuse begrippen, gedurende elk tijdstip omhelsd, gemiddeld in verhevenheid lager te staan.Dit is dan ook het geval, want bijv. zijn bij de Europeanen gedurende de laatste achttien eeuwen de religieuse begrippen in verhevenheid veel meer gestegen dan bij de Hottentotten en zelfs dan bij de Bedouinen, ofschoon deze gedurende dien tijd van het heidendom tot den Islam geklommen zijn. Voorts bestaan thans op aarde de geheel op wijsgeerigen grondslag berustende godsdienst-begrippen bezittende vrije Duitsche gemeenten, wilde stammen, wier godsdienst het plengen van menschenbloed voorschrijft, en volken met godsdiensten op allerlei trappen tusschen die beide ingelegen.Gaat men in het verledene achterwaarts, zoo ontwaart men een paar eeuwen geleden als hoogste godsdienstbegrippen die van het orthodoxe protestantisme, vier eeuwen geleden, die van het catholicisme, negentien eeuwen geleden, die van het mozaïsme en van het wordende neoplatonicisme.Toen het gansche menschdom op den laagsten trapvan beschaving stond, was het verdeeld in eene menigte in geestelijken aanleg verschillende kleine stammen. Bij uitzondering zijn er van die stammen uitgestorven, doch meestal hebben zich, naarmate, bij verhooging hunner beelding, er meer geest van zamenwerking tusschen de menschen ontstond, zich eerst tot kleine en later tot grootere, volken gegroepeerd. Elk dier volken vormde niet altijd een staat of eene politieke eenheid, maar deszelfs leden waren door taal, zeden, wetten, godsdienst, benevens door veelvuldiger onder elkander dan met leden van andere volken gesloten huwelijken, met elkander verwant, en splitste zich somtijds, zooals bij het vormen van kolonien, in verschillende van lieverlede zich van elkander vervreemende deelen. Het bovenstaande, kan nu (zie blz.33)voorgesteld worden door eene menigte stamboomen, sneller groeijende naarmate de aanleg der stammen of volken grooter was (somtijds zal deze, zoo als bij vermenging van hoogere met lagere rassen, den gemiddelden van die van beide geworden zijn) en dan zamengroeijende en dan zich in verschillende takken splitsende.20De bovenste einden dier takken en stammen zullen dan de thans bestaande volken (wel te onderscheiden van staten) en de distantie dier verschillende uiteinden tot den bodem, de graden van beschaving dier volken aanduiden. Zoo nu van elk dezer de leden dezelfde godsdienstige begrippen aankleefden, zouden die takken en stammen tevens den groei dezer begrippen voorstellen. Het Britsche rijk en deszelfs koloniën zou bijv. bevatten catholieke Ieren, angelicaansche Engelschen, presbyteriaansche Schotten, mozaïsche Israëlieten, mohamedaansche Maleijers, brahmmaansche Hindoes, boedhisthische Singalezen, zonvereerende Parsen enz.Het bezit van dezelfde godsdienst door verschillende dier volken zou dan niet als eene zamensmelting van derzelver stamboomen moeten beschouwd, maar meer met het bezitten van dezelfde wetten moeten vergeleken worden en de bekeering van een volk tot eene andere godsdienst, onder behoud van sporen der vorige, met het enten van buiten aangebragte wetten op oude vergelijkbaar zijn en aldus niet als eene verandering van stamboom aangemerkt moeten worden.Die onderscheidene religieuse begrippen van volken zullen nu, even als de diersoorten, onder den invloed zijn van een drang tot geschiktwording, een drang tot vooruitgang en de werking van het toeval.Het geschikt worden der organisatie der dieren voor hunne levensomstandigheden, benevens het geschikt worden der verschillende deelen dier organisatie voor elkander, wordt bij die religieuse begrippen der volken vervangen door het harmonisch worden derzelve met de beschaving en aard dier volken en met het goed bij elkander passen der verschillende deelen dier begrippen, zoodat zij te zamen een harmonisch geheel vormen. Die geschiktheid of betrekkelijke volmaaktheid der godsdienstige begrippen neemt aldus volstrekt niet toe met derzelver wetenschappelijke waarheid van voorstelling van hetgeen in tijd en ruimte op buitenzinnelijk gebied bestaat. Bij onbeschaafde volken moeten zij bijv. eenvoudig en zinnelijk zijn om voor hen geschikt te zijn en dit maakt bijv. dat men niet in elke omstandigheid welke ook dwalingen moet bestrijden. Hierdoor zou meer dan wenschelijk is den vooruitgang ten koste der geschiktheid begunstigd worden.Even als bij de organisatie der dieren, bestaat er ook bij die begrippen een drang tot vooruitgang waardoor zij echter in het algemeen niet te hoog voor den graad van beschaving der volken worden, omdat hierbij ook eendergelijken eigen drang tot vooruitgang bestaat, waardoor zij dan trager en dan sneller dan die begrippen zal klimmen en die godsdienstbegrippen aldus dan voor en dan achter zich zal laten. Daar echter in het eerste geval die begrippen de beschaving voor- en deze die begrippen achterwaarts tracht te trekken en omgekeerd in het tweede geval, kan beider ongelijke snelheid van vooruitgang door geene constante oorzaak in stand gehouden worden. Bij vooruitgang dier begrippen zullen echter derzelver verschillende deelen dit nimmer even sterk doen en van daar dat, naarmate zij sneller vooruitgaan, de harmonie en consequentie bij het geheel verbroken wordt. Die verandering moet dan noodwendig twist over en twijfel aan de verschillende deelen der begrippen benevens splitsing van derzelver aanhangers in verschillende rigtingen doen ontstaan. In een woord er ontstaat dan bij hen iets gebrekkigs, dat met gemis aan opsluiting en rigting van met den looppas gaande soldaten vergelijkbaar is, maar dat bij trageren voortgang dier begrippen van lieverlede moet verminderen, daar de drang tot geschiktwording van het een voor het ander, die begrippen evenzoo op gelijke hoogte tracht te stellen en voor elkander passende maakt, als het bevel tot opsluiting die soldaten bij elkander brengt.Ook zijn die begrippen, even als de organisatie der dieren, aan de werking van accidentele oorzaken onderhevig en, terwijl bij de ligchamen der dieren die toevallige bijzonderheden, zoo als bijv. de bogchels der kameelen, door geslachtsvoortplanting van generatie tot generatie overgaan, geschiedt dit bij de toevallige bijzonderheden dier begrippen, door het onderwijs der jeugd.Hierboven hebben wij reeds gezegd, hoe bij zeker geheel van godsdienstige begrippen de onderscheidene deelen, even als bij de organisatie dier diersoorten, op ongelijke hoogte kunnen staan, doch ook kunnen deelender organisatie van diersoorten, zonder hooger of lager dan de rest te staan, buitengemeen ontwikkeld, vervormd of gereduceerd zijn. Somtijds maakt zoo iets zulke diersoorten geschikter voor hunne levensomstandigheden, doch somtijds is het deels eene toevallige en aldus door den drang tot geschiktwording voor die levensomstandigheden van lieverlede weggenomen wordende wanstaltigheid. Evenzoo bij de godsdienstige begrippen. Zoo vindt men bijv. bij die van het oude Israel het bestaan van een volksgod zeer sterk en dat der zielsonsterfelijkheid zeer zwak uitgedrukt.In zekere mate kan dit geschikt zijn geweest voor een volk, waarbij het individu zoo sterk in het volksbestaan opging als bij de oude Israelieten, doch deels was het ook eene door het toeval ontstane wanstaltigheid, die, wel is waar, door het geloof aan eene regtvaardige vergelding der daden en geschikte rolsverdeeling gedurende dit aardsche leven, wel min of meer bedekt bleef, doch bij de latere Israelieten desniettemin van lieverlede verminderd werd. Evenzoo kan men zeggen dat het fatalisme wel min of meer eigenaardig is bij een volk van een passief en het begrip van een volstrekte wilsvrijheid bij dat van een actief karakter, doch beide stellingen zijn niettemin accidentele afwijkingen van het juiste.De stelling, dat, wat men ook denkt of doet, eene zaak zal uitvallen zoo als dit vastgesteld is, leidt tot moedeloosheid, die, dat men eene zaak goed of slecht kan doen uitvallen, naarmate men zus of zoo verkiest te denken, tot overmoed.21De aanhangers der absolute wilsvrijheid stellen eigenlijk dat de loop der verschijnselen oneindig zamengesteld is, zoodat zij met geene mogelijkheid te ontwarren en te voorzien is; de fatalisten daarentegen, dat de loop dier verschijnselen eenvoudiger is dan inwaarheid. Zij maken van de menschen alsware inerte blokken wier aaneenschakeling van denkbeelden van geen invloed is op hetgeen bij hun ligchaam door anderen waargenomen wordt plaats te hebben.Evenals de dieren zoo handelen, dat zij van de gebreken hunner organisatie zoo min mogelijk hinder hebben, zoo verzaken de aanhangers van dergelijke eenzijdige begrippen deze grootendeels in het practische leven.Dit is zelfs het geval bij hetgeen wel eens door de godsdienst als maatschappelijken plicht voorgesteld is. De christenleeraars vermanen bijv. niet hunne gemeenteleden aan om zich te laten vertrappen, of om te zorgen dat ieder hunner even rijk blijft. Voor de toeneming der ontwikkeling van het menschdom is het toch noodig, dat men tracht door arbeid in vermogen toe te nemen en dat men voor zelfverdediging zorg draagt. Er bestaan dan trouwens ook maar weinig christenen welke dit niet aldus opvatten en de slagtoffers worden van de naauwgezette opvatting hunner godsdienstleer.De anatomisten hebben bevonden dat de hoofddeelen der ligchamen der dieren volgens een grondtype, bij de hoofddeelen van al de andere diersoorten terug gevonden wordende, gevormd zijn. In dergelijke gevallen verkeeren bijv. het hoofd, het hart, het zenuwstelsel, de ledematen enz. Naarmate de organisatie der diersoorten lager is, bevinden die deelen zich in een meer rudimentairen toestand en buitendien verschillen die volgens denzelfden grondtype gevormde deelen ook als derzelver organisatie ongeveer even hoog is, zooals bijv. de voorpooten van honden en de vleugels van vleermuizen.Iets hiermede overeenkomende ontwaart men bij de verschillende godsdienstbegrippen der volken. Bij elk dezer kunnen toch die begrippen in drie deelen verdeeld worden, namelijk: 1º. die over God met of zonder ondergoden en hooger dan den mensch zijnde wezens, 2º. dieover de zielsonsterfelijkheid, 3º. die over het werelddoel.Elk dezer deelen vindt men bij de godsdienstbegrippen van alle volken in meer rudimentairen toestand, naarmate die begrippen bij eene lagere geestontwikkeling passen en buitendien met elkander verschillende, wanneer zij, over het geheel genomen, op gelijke hoogte staan. Zoo staat bijv. het christelijke godsbegrip hooger dan dat der Israelieten van voor 3000 jaren, doch of het hooger staat dan het werkelijke der thans bestaande Israelieten is de vraag. In sommige opzigten misschien wel, doch in andere opzigten zal welligt het Israelitiesche godsbegrip, wegens deszelfs strenger monotheïstisch karakter en het stellen dat God niet onder menschelijke gedaante kan afgebeeld worden, het in verhevenheid winnen.In zooverre zij door het karakter, den graad van beschaving en den aard der woonplaats der volkeren bepaald worden, zullen zulke verschillen bij die godsdienst begrippen door eene constante oorzaak in stand gehouden worden, doch voor de rest zijn zij accidenteel en zullen zij, door de op blz.20gemelde constante oorzaak van geschiktwording van lieverlede weggenomen worden.Naarmate de geestontwikkeling der menschen grooter is, worden die godsdienstbegrippen gemiddeld niet slechts meer verheven, maar moeten zij, naar ons inzien, ook meer bevatten van hetgeen op buitenzinnelijk gebied werkelijk bestaat, zonder evenwel, wegens de beperking welke de aard hunner woonplaats aan de vergrooting der geestontwikkeling der aardsche menschen stelt, die waarheid op dit gebied ooit geheel en zuiver te kunnen bevatten.Zelfs bij de minst ontwikkelde menschen overtreft de bewuste aanschouwing der dingen ver die der dieren. Zij zien niet slechts dat de lucht schijnbaar een gewelf vormt, dat zon en maan daarop groote lichtende plekken en de sterren kleinere plekken vormen, dat het licht vande zon komt, dat de aardbodem, bergen en dalen niet in achtgenomen, plat voorkomt, dat zon en maan het uitspansel doorloopen van horizon tot horizon, maar zien dit met bewustheid, dat is zij merken het op en prenten het in hun geest. Hoe is het nu mogelijk dat zulke door hunne zintuigen bedrogen menschen niet stellen dat de aarde plat is, dat zon en maan bewegen, dat de sterren zijn lichtende punten, vastgehecht aan het uitspansel enz.? Kunnen zij reeds dadelijk opmerken, dat de voorwerpen bij den horizon duiken, dat, naarmate voorwerpen hooger gelegen zijn, zij, wanneer men zich verplaatst, meer mede gaan, zoodat de hemelligchamen, dit in de hoogste mate doende, uiterst ver moeten liggen, neen zoo naauwkeurig kunnen zij eerst later opmerken.Kunnen zulke menschen denken, wij zijn onbekwaam om door opmerking en redenering over den aard der hemelligchamen iets vast te stellen, wij schorten ons oordeel op? Neen zoo iets kan slechts gedaan worden, wanneer de ondervinding aangetoond heeft, dat vroeger gedane waarnemingen en daarop gebouwde begrippen onjuist zijn. De naauwkeurigheid der opmerkingen en die der daarop gebouwde redeneringen en stellingen staat tot bewuste aanschouwing der dingen in dezelfde verhouding als de organisatie der diersoorten tot de omstandigheden waarin deze verkeeren. Hoe sneller deze verhoogd zijn, hoe meer zie blz.31die organisatie te wenschen zal overlaten en eveneens, hoe sneller de bewuste aanschouwing der dingen zich uitbreidt, hoe meer dwaling der menschen begrippen zullen bevatten. De veranderlijkheid is aldus, wegens de werking der traagheid, bij gebrek aan tijd, evenzeer de moeder der dwaling als die der betrekkelijke onvolmaaktheid.Zoo aldus de bewuste aanschouwing van menschen bijna steeds op eene zelfde zeer beperkte hoogte bleef, zou eindelijk dit effect der traagheid bijna vernietigdmoeten worden en de menschen bijv. wel van den aard en den loop der hemelligchamen zeer weinig afweten, maar daaromtrent bijna geene dwalingen aankleven. Hunne dan door geene noemenswaardige overmaat van bewuste aanschouwing alsware omhoog getrokken en alzoo bijna niet meer toenemende sterrekundige kennis zou tot die onzer hedendaagsche astronomen bijv. staan als de organisatie van een laagstaand, maar vroeger zeer traag in ontwikkeling gestegen dier, bijv. een oester, tot die van een veel hooger staand, maar sneller in ontwikkeling toegenomen dier, bijv. een paard. Even als nu, wegens die snellere ontwikkeling, de organisatie van dit dier betrekkelijk onvolmaakter is dan die van den oester, zoo zou de astronomische kennis van bovengemelde bijna niet in geestontwikkeling stijgende menschen minder dwaling dan die der hedendaagsche sterrekundigen moeten bevatten22.Dit zal daarentegen het geval niet zijn met de kinderlijke astronomische begrippen der werkelijk bestaande of bestaan hebbende zeer onbeschaafde volken, omdat de bewuste aanschouwing der dingen bij hen niet in elk geval trager toeneemt dan bij de beschaafde volken.In het naauwste verband met de bewuste aanschouwing staat de verbeelding. Deze rigt in der menschengeest gebouwen op, en het verstand komt later deze verbeteren, wijzigen en zelfs gedeeltelijk afbreken23. Hoegrooter de verbeeldingskracht eener natie is, hoe sterker derzelver bewuste aanschouwing der dingen in uitgebreidheid zal toenemen, hoe meer dwalingen zulk eene natie zal aanhangen, maar ook hoe sneller die toename der bewuste aanschouwing de wetenschappelijke kennis zal verhoogen24. Gebrek aan verbeeldingskracht is bijv. de oorzaak dat de wetenschappelijke kennis der Chinezen zoo langzaam stijgt en tevens dat deze zoo arm aanmythenen zoo weinig bijgeloovig zijn.Omgekeerd zal gebrek aan oordeel en kritiserend verstand maken, dat de wetenschappelijke kennis moeijelijker voortgaat, en dit de toename in uitgebreidheid der bewuste aanschouwing vertragen. Waar dit nu het geval is, zal de vooruitgang, zoo in bewuste aanschouwing als in kennis, even als in het vorige geval, traag zijn, maar, in plaats dat de laatste weinig bij de eerste ten achteren zal zijn, zoo als in het eerste geval, zal zij zulks veel zijn. Zulke volken paren een bijna stationnairen intellectuelen toestand aan rijkdom van mythen; terwijl daarentegen volken van scherp verstand en tevens van veel verbeeldingskracht, (zooals bijv. de oude Grieken) snel voorwaarts gaan in kennis en tevens rijk aan mythen zijn.Was de bewering der Atheïsten, dat alle begrippen omtrent de zielsonsterfelijkheid, het werelddoel en den oneindigen onveranderlijken geest, buiten der menschen en dieren geesten bestaande, geheel het werk der verbeelding en valsch waren, juist zoo zou der menschen verstanddeze niet gebaat hebben om, bouwende op de ervaring op zielkundig en ander gebied, het werk hunner verbeelding te achtervolgen en alsware te verbeteren. De middelste der drie bovengemelde gevallen zou alsdan in zeer geprononceerde mate bestaan en aldus die begrippen als werk der verbeelding slechts een lagen trap van ontwikkeling hebben kunnen bereiken, even als bijv. de organisatie van dieren, zoo deze zich hoegenaamd niet naar hoogere levensomstandigheden kunnen schikken.Welk een verschil neemt men daarentegen waar tusschen de godsdienstige begrippen der fetischdienaars en der menschen van het steenen tijdperk en die van sommige wijsgeeren en in den jongsten tijd ook van vrijzinnige godsdienstleeraars.Uit het voorgaande volgt, dat, naarmate de godsdienstige begrippen in verhevenheid klimmen, zij niet altijd minder dwaling zullen bevatten. Wanneer de bewuste aanschouwing het sterkste toeneemt, zullen die dwalingen gemiddeld op een maximum zijn, en, zoowel in het verledene als in de toekomst, verminderen, even als bijv. bij zeer kleine kinderen het vallen voor en na zekeren leeftijd zulks doet, en wij vermeenen dat de protestanten dit keerpunt reeds achter zich hebben.Bleef de geestontwikkeling van een volk steeds op dezelfde hoogte en bestonden er (zie blz.68) geene storende en verandering aanbrengende accidentele oorzaken, zoo zouden eindelijk zijne godsdienstige begrippen, door de volledige achterhaling van het werk der verbeelding door dat van het kritiserende verstand, niet alleen van (zie blz.104) door het toeval, maar ook van door constante oorzaken, zooals zinnelijkheid, bekrompenheid enz. ontstaande dwalingen gezuiverd worden. In plaats van met dwalingen vermengde en op eene gebrekkige wijze uitgewerkte waarheden te bevatten, zouden zij slechts uit zuivere waarheden bestaan, maar deze, evenals, zie blz.115, de astronomische begrippen van zulk een volk zeer rudimentair kunnen zijn25.Bij het voorgaande moeten bij de dwalingen, door de verbeelding bij bewuste aanschouwing der dingen voortgebragt, gevoegd worden, die geboren door onzuivere redeneringen, waarmede men meent den aard der dingen op eene wetenschappelijke wijze te verklaren. Vandaar dat het maximum der dwalingen, dan niet alleen, uit wat men mythen kan noemen, bestaande, eigenlijk eenigzins later zal bestaan dan tijdens dat de bewuste aanschouwing op het sterkste toeneemt, en dat eindelijk ook de uitbreiding van het veld van bespiegeling minder nieuwe dwalingen ten gevolge zal hebben, dan er oude door de kritiek weggenomen worden26.Onder die dwalingen, door constante oorzaken bij de godsdienstbegrippen teweeggebragt, behoort de speciale en directe goddelijke veropenbaring. Deze dwaling zal in kracht afnemen, naarmate de voorstellingen van den aard en de werking van het Opperwezen minder gebrekkig worden. Integendeel doet de met de beschaving toenemende behoefte aan godsdienst haar in kracht toenemen. Beneden zeker standpunt van ontwikkeling der godsdienstbegrippen schijnt het laatste en na dien het eerste de overhand te hebben. Hunne bewuste aanschouwing van hetgeen in de natuur voorvalt buiten de ten gevolge hunner eigen denking ontstaande handelingen en arbeid, moest de op lagen trap van geestontwikkeling staande menschen leiden om zulke voorvallen, even als hunne eigen handelingen, te stellen, het gevolg te zijn van denking, maar van denking van magtige,onsterfelijke ofschoon menschelijke denkvormen bezittende wezens zie blz.4.Dat die Goden der wilden ons zoo weinig zedelijk voorkomen spruit hieruit voort, dat bij volken, waarbij den maatschappelijken band zeer zwak is, wat wij onregt, willekeur en wreedheid noemen, veel minder schaadt dan bij ons. De vergrooting der geestontwikkeling der individuen kan bij wilden slechts door lagere soorten van strijd geschieden en het is klaar dat zulke wilden niet hunne goden kunnenmodellerennaar de behoeften van maatschappelijke toestanden ver boven de hunne verheven.Tot het begrip van een eenigen God kunnen door eigen ontwikkeling wilden zich niet verheffen, deels omdat zij de verschillende natuurverschijnsels niet genoegzaam met elkander in verband weten te brengen, om zich een eenigen regelaar er van te denken, deels omdat zij geen eenige wijze van denking slechts Gode waardig weten te keuren. Zoodra dit laatste plaats heeft vervalt het polijtheisme, omdat het ongerijmd is om zich verscheidene wezens alle precies op dezelfde wijze denkende en handelende en aldus als volmaakt identiek voor te stellen.Wegens die losheid der maatschappelijke banden en de slechts vijandelijke gevoelens welke wilden van verschillende stammen voor elkander koesteren, kunnen menschenoffers niet als voor hen schandelijke en zeer schadelijke gebruiken gerekend worden. Evenals toch de zijne jongen zorgvuldig opvoedende arend, andere dieren die hij magtig kan worden, rooft en moordt, zonder zijne zedelijke verpligtingen te kort te doen, evenzoo kan de wilde deze vrij wel vervullen, terwijl hij steeds vijandig optreedt tegen andere stammen en zelfs tegen andere huisgezinnen. Op hoogeren trap van beschaving en aldus van gevoel en deelneming voor de menschen in het algemeen staan bijv. gewis deprotestantscheKaapscheboeren en niettemin achten deze zich jegens de Kaffers aan bijna niets gebonden en ontzeggen zij zelfs deze den naam van mensch.Ofschoon nu de wilde, wegens de bovengemelde rede, andere waarden dan wij aan de zedelijke daden toekent, wenscht hij echter eene vergelding dier dadenbepaalddoor de hem er aan toegekende waarde, dat is hij wenscht dat er billijkheid heersche. De menschen komen hem daartoe onvermogend voor, de goden moeten te hulp komen en wel, wegens zijne beperkt inzigt in den tijd, binnen korten tijd, of wel zij laten het onregt met het oog op een voor de menschen verborgen doel, toe.In tweederlei opzigten werkt aldus zijn godsbegrip gunstig voor hem, primo als drijfveer tot het goede, zooals hij dit, met het oog op de eischen van zijn lagen maatschappelijke toestand, opvat, en secundo als een drang tot het hoogere, omdat hij zich zijne goden, ofschoon, wegens zijne beperkte opvatting, naar zijn model geschoeid, als hooger geestelijk ontwikkelde wezens voorstelt.In zulk een godsbegrip bestaat er, naar ons inzien, een grond van waarheid. De billijkheid heerscht, maar niet gedurende een beperkt, maar slechts gedurende grootst eindig aantal jaren, (zie ons werk get: Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 131.)Hij die het goede betracht verheft zijne zedelijke ontwikkeling en maakt zich geschikter voor hoogere levens toestanden, terwijl hij, die zich aan het kwaad overgeeft, naar lagere toestanden neigt. Het onregt bestaat, deels wegens de betrekkelijke snelle verhooging der eischen van den maatschappelijken toestand, deels wegens de werking van accidentele oorzaken en beide oorzaken strekken, zie blz.67, ter verheffing van de geestelijke ontwikkeling der menschen, ofschoon, zooals op blz.68gezegd is, slechts, in zooverre zulke onregt teweegbrengendeaccidentele omstandigheden vereenigt met andere accidentele omstandigheden beschouwd worden, zij voor zulk een doel als die geestelijke verheffing kunnen geacht worden bestemd te zijn. Desniettemin is hij, die de werking der Natuurwetten op geestelijk gebied niet nagegaan heeft, geregtigd om te zeggen, dat het bestaan van het onregt zamenhangt met een voor hem verborgen doel. Dat het opzien naar en het zich wenden tot een hooger wezen geestopheffende is, zal wel nietontkendworden, maar bekrompen zijn de begrippen, dat zulk een wezen qualitatief niet van wijze menschen verschilt, dezelfde denkvormen als deze bezit, dat zijne werking op de menschen gelijkt op die van deze op elkander en dat men zich met hem in gemeenschap kan stellen zoo als de menschen dit onderling doen. Naar ons inzien is de gemeenschap van ons menschen met het oneindige oerwezen wel in het duister verborgen, maar veropenbaart zij zich echter hierdoor, dat de beschouwing van de stoffelijke en geestelijke wereld onzen in het bezit van zekeren aanleg zijnde geest vraagstukken ter oplossing voorstelt en ons aldus alsware vragender wijze doet leeren en ten gevolge hiervan in geestontwikkeling doet toenemen. Geheel de beschaving en wetenschap van ons geslacht en de toeneming in geestontwikkeling der menschen gedurende hun leven is hiervan het gevolg. Op blz.56hebben wij aangetoond, dat de verhooging der geestelijke ontwikkeling der wezens door geestinspannenden strijd geschiedt. Nu zijn hulp en bescherming zaken voorkomende bij strijd met collectieve handeling met onderlinge zamenwerking der menschen gepaard gaande en waarvan dus slechts tusschen de medestrijders onderling sprake kan zijn. Ja zelfs bij de aldus strijdende maatschappij, wordt, in het belang der toeneming van hare geestelijke ontwikkeling, bescherming en hulpbetoon beperkt. Dit zoeken van hulp en bescherming bij volksgoden, bij sommige der goden en, bijhoogeren trap van beschaving, bij het eenige Opperwezen is een gevolg van het op blz.117gemelde vooruitloopen der werking der verbeelding. Hoe sterker de maatschappelijke banden worden, hoe sterker bij den mensch het denkbeeld van hulpbetoon, wordt, doch hij blijft ten achteren om, door middel van beredeneerde beschouwing en doorgronding der dingen, te bepalen bij wie hij hulp bij arbeid en strijd mag ondervinden om haar vruchtbaar voor zijne geestelijke ontwikkeling te doen zijn zie blz.5527.Tot een noemenswaardig begrip der onsterfelijkheid der ziel is de mensch eerst op een hoogeren trap van geestelijke ontwikkeling en aldus later gekomen dan tot een godsbegrip. Eerstgemeld begrip is toch niet in zulk direct verband met zijn heden als dit laatste en de onbeschaafde mensch houdt zich zeer weinig met de toekomst op. Buitendien was het gemakkelijker om zon, maan enz. bezield te achten, dan te stellen dat van den mensch iets anders dan een bewegingloos lijk kan overschieten.Bij de wilden, die wijsheid bij verzwakte en oude en daarentegen minder geestontwikkeling bij krachtige ligchamen bezittende menschen vermeenen te vinden, onder anderen bij onze voorouders de Germanen, verkregen de dapperste en krijgshaftigste, dat is in zeker opzigt de (zie blz.65) meest geestelijk ontwikkelde onder hen eene eereplaats in den Walhalla.Reeds dit rudimentaire begrip der onsterfelijkheid der ziel is een bewijs hoe vroeg de mensch tot het bewustzijn komt, dat wij in dit aardsche leven wel in zekeren zin ons ligchaam verslijten, zoodat dit na volbragte taak geene reden van bestaan meer heeft, maar dat wij in geestelijk opzigt, door werken, strijden en leeren, ietsvoor ons eigen ik bekomen, zoodat dit niet behouden blijvende, dit leven grootendeels zijn doel zou missen.De onbeschaafde mensch is echter te beperkt van opvatting om zich een leven hier namaals voor te stellen, waarin men niet ligchamen bezit op de aardsche gelijkende en met dezelfde zintuigen als deze begiftigd, waarin niet perpetueel de menschelijke denkvormen en de menschelijke geestelijke natuur, al zij het in verhevener vorm, behouden blijven en dat elders dan boven de wolken, of in de diepte der aarde gesleten wordt.Trouwens het bestaan van een onnoemelijk aantal werelden buiten onze aarde, waarvan de meeste tot woonplaatsen kunnen dienen van ver boven ons verheven wezens, is betrekkelijk kort geleden ontdekt en de meest gevorderde godsdiensten hebben zich nog niet op de hoogte der astronomie kunnen stellen. Evenmin hebben zij zich kunnen verheffen tot het bij sommige wijsgeeren wortelgeschoten hebbende begrip van eene reeks van toekomstige levens, waarin de gewonnen schat (namelijk de geestontwikkeling) niet alleen voor roesten bewaard of behouden, maar ook door arbeid en strijd vergroot moet worden; van eene reeks van levens, waarin van lieverlede de denkvormen van het wezen veranderen en meer gelijkslachtig met die van het oerwezen worden, totdat na een grootst eindigen tijd en grootst eindige vergrooting der geestontwikkeling, er eene volmaakte oplossing in dit oerwezen plaats grijpt.Slechts bij het Boeddhisme wordt die eindelijke oplossing op eene twijfelachtige en gebrekkige wijze, (omdat zij plotseling geacht wordt te kunnen geschieden) aangenomen.Bij de godsdienst der Brachmanen vindt men het zinrijke denkbeeld, dat hij, die zijne zedelijke ontwikkeling vermindert, zich voor lagere levensvormen geschikt maakt en deze deelachtig wordt, en aldus een verband tusschenmenschen en dieren, alsmede het begrip van preexistentie (zie later). In sommige opzigten zijn aldus die godsdiensten de christelijke vooruitgestreefd, evenals dieren, over het geheel eene lagere organisatie dan andere bezittende, in sommige opzigten hooger dan deze staan.De mensch hecht aan het leven, zelfs dan wanneer zijn door ouderdom uitgeput ligchaam zijn naderend einde verkondigt en desniettemin voldoet het leven hem niet, terwijl noch het een noch het ander zou moeten plaats hebben, zoo het, in plaats van eene leerschool, die men op allerlei leeftijden en door allerlei toevallen kan verlaten, een goed voltooiden loopbaan, waarvan al de vruchten achterbleven, vormde.Hoe minder dit laatste, naar aanleiding van het op blz.83gemelde, het geval is, naarmate bij de maatschappij de geestontwikkeling en dus ook de beschaving grooter is, hoe meer behoefte men dan aan duurzaamheid heeft, hoe meer men dan om de toekomst denkt en hiervoor leeft, in hoe scherper tegenstelling dan met die behoefte de broosheid van het leven van het ligchaam wordt en hoe inniger het bewustzijn, dat met dit ligchaam onze geestelijke ontwikkeling niet kan ten ondergaan, moet zijn. Zoo toch bij hoogere beschaving de kunst meer hulpmiddelen verschaft om het ligchaam te behoeden, is men dan ook meer verpligt om in den strijd des levens, in het streven naar hooger, op de onmetelijke vlakte der zee, in de ingewanden der aarde, bij werktuigen, bij het minste ongeval verwoesting veroorzakende, het bestaan van dit ligchaam te wagen, terwijl van den dan gedurende zijn leven meer leerende mensch de grootere geestinspanning zie bl.72en84ook vernielender op zijn ligchaam werkt. Ook met betrekking tot het werelddoel vormt de onbeschaafde mensch zich bekrompen, maar kiemen van waarheid bevattende begrippen. Zoo bijv. acht hij dieren en planten voor hem geschapen. Dit nu is (zie bl.18) niet juist,maar, wegens de uitwerking der oorzaak de mensch geschikt trachtende te maken voor de levensomstandigheden waarin hij verkeert, en de wijzigingen die hij ook, tengevolge dier oorzaak, bij sommige dier en plantensoorten heeft teweeggebragt bestaat er wel een zeker verband tusschen zijne behoeften en den aard der dieren en planten.Ook het nederdalen van Goden op deze aarde om het menschdom in moeijelijke omstandigheden te helpen is een bekrompen denkbeeld, doch dat de waarheid bevat, dat in zulke omstandigheden er werkelijk redding komt, maar van de menschheid zelve die, geprikkeld door het ongeluk, onder inspanning en vergrooting harer geestontwikkeling de vereischte hulpmiddelen vindt en in toepassing brengt. Ook behoort tot de begrippen over het werelddoel die, dat eene opvolging van generatien elk een leven leidende, zoo rijk aan ramp en teleurstelling als het menschelijke leven, niet steeds heeft plaats gehad, noch immer zal voortduren, maar gevolgd is op een zeer gelukkigen primitieven toestand en, na de totale nederlaag van het genie van het kwaad, eindelijk zal opgevolgd worden door een niet minder gelukkigen eindtoestand.Bij dit begrip heeft men dan het oog gehad op een volk, dat eindelijk de anderen zal overheerschen, dan op eene godsdienst, die eindelijk het gansche menschdom onder hare banier zal brengen, dan op de menschheid, die eindelijk het godsrijk zal binnentreden28.Laat ons thans zien in hoeverre die begrippen waarheid bevatten.Op bl.64en67hebben wij aangegeven dat de veranderlijkheid, de voorwaarde van allen vooruitgang, wegensde werking der traagheid, de bron is van alle kwaad, dwaling en onvolmaaktheid, terwijl die zelfde traagheid de voorwaarde is van alle bestendigheid. Is er nu in de wereld voor een grootst eindigen tijd eene uiterst kleine verandering ontstaan, zoo kan eerst toen er op het kwaad in eene noemenswaardige mate ontstaan en aldus het rijk vanAhrimangeboren zijn. Zoolang echter die veranderingen zeer luttel waren, moest dit kwaad zulks ook zijn, omdat, even als een zeer traag groeijend kind gemiddeld steeds weinig uit zijne kleederen zal gegroeid zijn, de trage verandering van het eene, waarna zich het andere moet schikken, dit laatste veroorlooft om weinig achterna te komen. Toen echter die verandering sneller plaats had moesten onvolmaaktheid en kwaad grooter en aldusAhrimanmagtiger worden, doch tegelijk, naar aanleiding van het op bl.13gezegde, de organische Natuur in ontwikkeling sneller dan vroeger toenemen. Stelt men echter dat, wanneer deze ontwikkeling eene zeer groote hoogte zal bereikt hebben, de veranderingen weder trager gaan geschieden, zoo zal alsdan het kwaad weder afnemen, om bijna niet meer te bestaan wanneer na een uiterst langen tijd die verandering weder uiterst luttel geworden is.Na eene eeuwigheid moet danOrmuzdweder alleen heerschen, doch er dit verschil met den toestand in het eeuwig verleden aanwezig bestaan, dat toen die ontwikkeling nul en nu oneindig groot is. Op deze aarde is echter zoo iets onmogelijk, wegens de gedurige verandering van in geestontwikkeling toenemende individuen, zie bl.82. Dit systema vindt men bij hetParsismeop eene wel is waar gebrekkige en kinderlijke wijze ontwikkeld, doch het doet dit in zoo verre staan boven het christendom, dat met eeuwige straffen in de hel dreigt, niettegenstaande de oorzaak, het eene voor het andere geschikt trachtende te maken, bij een constanten toestand der hel, onmogelijk de verdoemdengedurende eene eeuwigheid onvoldaan kan laten.Een slecht mensch is iemand sterk ten achteren zijnde betrekkelijk de zedelijke eischen van zijn bestaan, (zoodat slechtheid niet de tegenstelling van deugdzaamheid in het algemeen, maar slechts van die met offers gepaard gaande, is). Deze eischen trekken hem opwaarts en, ofschoon zoo iemand gedrongen wordt naar wijzen van bestaan waarbij die eischen lager zijn, zoo gaan gemiddeld toch die lagere eischen ook opwaarts. Zoo zal b.v. een verspilziek beschaafd man wel matroos of soldaat kunnen worden, betrekkingen waarin men met weinig zorg voor de toekomst kan volstaan, doch ook de matrozen en soldaten moeten, naarmate de beschaving klimt, aan hoogere maatschappelijke eischen voldoen. Stijgen nu deze eischen zeer weinig, zoo moet klaarblijkelijk een slecht mensch minder betrekkelijk die eischen ten achteren geraken en aldus betrekkelijk minder slecht worden, en, wanneer die eischen gedurende uiterst langen tijd bijna niet vooruitgegaan zijn, niet meer noemenswaardig slecht zijn. Hiertegen zal men aanvoeren dat zijne finale trap van oneindige ontwikkeling dan kleiner moet zijn dan bijv. die van een steeds braaf mensch, doch een ieder, in de hoogere wiskunde ervaren, weet dat oneindige grootheden zelfs oneindig veel met elkander kunnen verschillen, en dat eene kromme lijn steeds minder en minder boven de abcissen as kan stijgen en niettemin bij oneindig groote abcissen er oneindig hoog boven verheven kan zijn.Naarmate de beschaving stijgt, hechten de menschen meer aan hunne godsdienstbegrippen, doch begrijpen zij tevens beter dat die begrippen hen niet direct op goddelijke wijze geopenbaard zijn. Heeft nu, gedurende de toeneming in ontwikkeling dier begrippen, eerst het eerste en later het tweede de overhand, zoo zal bij zekere graad van ontwikkeling dier begrippen, (evenwel nog al veeluiteen loopende, naarmate van den aard dezer) het toekennen van goddelijk gezag aan de godsdienstbegrippen op een maximum van sterkte zijn.Bij elk volk vindt men individuen, zoo wegens opvoeding als wegens ouderdom, op zeer verschillende trappen van geestontwikkeling staande. Ofschoon nu hierin de lage klassen en de kinderen bij beschaafde volken op gelijke hoogte als de volwassenen onder de hooge standen bij minder beschaafde volken kunnen gerekend worden te staan, is dit niet het geval voor elk deel dier geestontwikkeling. Bij sommige deelen hiervan zullen die hooge standen bij minder beschaafde volken, omdat zij de andere standen moeten overheerschen, hooger dan bij ons de lage standen en bij andere deelen dier geestontwikkeling, omdat zij het onderrigt van meer beschaafde menschen dan zij missen, lager dan deze staan. Men kan echter niet zeggen dat hierdoor, zoo bij de hooge standen der minder beschaafde als bij de lage standen der meer beschaafde volken, het harmonische verband tusschen de deelen hunner geestontwikkeling verbroken is. Zij verkeeren toch in verschillende omstandigheden, even als bijv. de groote gras en kruidenetende en de kleine vleeschetende zoogdieren, die insgelijks niet quantitatief maar wel qualitatief met elkander in geestontwikkeling verschillen. Zie blz.38.Desniettemin moet bijv. de volksklasse lagere en meer kinderlijke godsdienstige begrippen dan de meer beschaafde klasse bezitten, zonder dat zij daarom bij gene meer dan bij deze, met die, zooals op blz.104gezegd is, door het toeval ontstane begrippen vermengd zijn. De geschiedenis leert dan ook dat bij sommige volken hiervoor welligt (in tegenoverstelling van bij ons) zelfs in te sterke mate gezorgd werd, doch men moet niet hieruit besluiten dat het oningewijd blijven der volksklassen in de mysteriën der godsdienst niet voornamelijk tot oorzaakhad de onvatbaarheid dier volksklassen om die mysteriën te begrijpen.Wanneer menschen betrekkelijk anderen in kennis van iets toenemen, oefenen zij te weinig gezag uit en willen zij anderen te veel van hunne verkregen kennis mededeelen, en, wanneer hunne superioriteit vermindert, heeft het omgekeerde plaats.Bij het harmonisch zijn der verschillende takken van het weten, gelooft men met betrekking tot het godsdienstige aan hetgeen men, krachtens de ervaring (die op zielkundig gebied er onder begrijpende) krachtens op die ervaring gebouwde redeneringen en krachten historische gronden en inspiratie, zeker vermeent te weten. Wanneer echter de harmonie tusschen de verschillends takken van het weten verbroken is, ontdekt men bij het licht der verst gevorderde wetenschap, dat de juistheid der minder gevorderde geen onderzoek meer kan verdragen, en wordt niettemin het geloof aan die juistheid als iets noodzakelijk voor den mensch beschouwd, zoo wordt er een anderen grondslag dan eene vermeende indirect op ervaring gegronde overtuiging aan gegeven. Dit gebrek aan harmonie tusschen de verschillende takken van wetenschap, wegens derzelver ongelijken vooruitgang zie blz.133, benadeelt denphylosophischen geest, leidende om die verschillende wetenschappen in verband met elkander te beschouwen en maakt thans dat velen in hun geest eene scheiding maken tusschen wetenschap en godsdienstig geloof en dezelfde scheiding bij het onderwijs der jeugd verlangen.De primaire verbetering van zulk een vicieusen toestand, kan slechts geschieden door het achterhalen, of althans door het meer nabij achtervolgen der meest gevorderde takken van weten door de minder gevorderde, doch als secundaire verbetering is het welligt het beste, zoo men teregt het onderwijs der jeugd de wereld enlevensbeschouwing niet verbannen wil, er zeer bescheiden mede te zijn en de zaak zoo te middelen, dat de gematigden, namelijk het gros, wanneer zij die levens en wereldbeschouwing der school niet te veel op den keper beschouwen, er mede kunnen instemmen. Van de uiterste partijen, namelijk desterkste, maar in scheve rigting geavanceerde, die der materialistische pantheisten en de achterlijkste, die der stijf orthodoxen, moeten de godsdienstige overtuigingen dan maar ongeëerbiedigd blijven. Trouwens zij, welke tot de uiterste politieke partijen behooren, moeten bij gemeenschappelijke handeling van een gemengd publiek zich evenzeer gekwetst gevoelen. Dit gebrek is (zie bl.73) het gevolg der sterkte der toeneming der maatschappelijke ontwikkeling en zal even goed verminderen als deze toeneming geringer wordt, als dat een troep soldaten bij vertraagden gang beter opgesloten zal raken.Zoolang de voorste verwisseld wordende manschappen van den troep sneller loopen dan het gros, zullen zij meer verspreid en verder van dit gros verwijderd zijn dan de achterste manschappen, doch het omgekeerde plaats hebben, wanneer zij naderhand trager dan deze loopen. Evenzoo zullen, zoolang van de beschaafde klasse, zij die geavanceerde begrippen koesteren, sneller vooruitgaan dan het gros dier klasse zij slechts, enkelen zijn betrekkelijk ver van dit gros verwijderd (zooals bijv. de wijsgeeren) doch kunnen zij eenmaal hier op aarde weinig verder voorwaarts gaan, het gros bij hen komen en de achterblijvende uit enkele verspreide personen bestaan. Het voorwaarts gaan bij nevenst. fig. vananaardgerekend wordende te geschieden, zoo zal de digtheid van groepering bij de gelijktijdig bestaande trappen van vooruitgang in het eerste geval door de ordinaten der krommeabden inhet laatste geval door de ordinaten der krommeacdaangegeven worden. Onderdrukking der uiting van denkbeelden, van die van het gros verschillende, ter bevordering van eenheid en aldus ter daarstelling van geschiktheid in zekeren zin, zal (behoudens de vertraging van den vooruitgang door het onderdrukken van den intellectuelen strijd) in het eerste geval bij gemiddeld al de individuen van bovengemelde beschaafde klasse tot trageren en in het tweede (zooals bijv. bij het opdringen van het christendom aan verschillende heidensche stammen doorKarel den Grooten) tot snelleren vooruitgang leiden.Het gros kleeft de het meeste prestige bezittende denkbeelden aan. Dit prestige van iets is gemiddeld het gevolg van deszelfs voortreffelijkheid met betrekking tot de behoeften der menschen gedurende zeker tijdvak, doch, wegens de werking der traagheid, is het op het grootste wanneer die voortreffelijkheid reeds aan het verminderen is. Het belemmert aldus den vooruitgang, maar bevorderd de geschiktheid, daar het wel eenigzins verouderde, maar niettemin nog veel goeds bezittende zaken sterker in de maatschappij doet wortelen en deze als ware, zie blz.72op een beteren weg trager voorwaarts doet schrijden.Even als dwang gaat het prestige den intellectuelen strijd tegen en maakt, door dien dwang aan zich dienstbaar te doen worden, dat deze gemiddeld meer de uiting der geavanceerde dan die der verachterde denkbeelden onderdrukt. Zelfs in het geval dat (zie bl.83) de maatschappij bij de achtervolgende generatien niet meer in beschaving toeneemt, zal bij de individuen er verschil in opinie bestaan en den hierdoor verwekten intellectuelen strijd den vooruitgang dier individuen gedurende hun leven bevorderen. Deze zal daarentegen, ten bate der geschiktheid, door geen leed teweeg brengende dwang tegen gegaan worden, want alle soort van dwang scheptevenmin geschiktere levensomstandigheden voor de individuen, als (zie bl.56) alle soort van strijd ten beste van hun vooruitgang strekt.Bestaat er eene oorzaak, waardoor in een staat eene meerderheid en eene minderheid tegenstrijdige belangen hebben, zoo zal, wanneer elk hunner toegeeft in omgekeerde reden van derzelver sterkte, de drang van beide zijden even sterk zijn, er als ware een evenwigtstoestand ontstaan en de oorzaak, het een voor het ander geschikt makende, zoowel de grieven der minderheid als die der meerderheid van lieverlede doen verdwijnen. Veranderingen van omstandigheden, waardoor er nieuwen strijd tusschen de belangen ontstaat en de trage werking dier oorzaak van geschiktmaking zijn hierbij de oorzaken van grieven en tweespalt.De oorzaak, waardoor gemiddeld de godsdienstbegrippen der volken eenigzins ten achteren zijn betrekkelijk hunne andere wetenschappelijke kennis, ontstaat doordat het verstand moeijelijk in het gebied van het buitenzinnelijke kan dringen, en de godsdienstbegrippen voor een grooter deel op buitenzinnelijke zaken betrekking hebben dan bijv. de begrippen over de scheikunde, geologie enz.Dit is echter het gevolg der toeneming onzer geestelijke ontwikkeling en is vergelijkbaar met de afstanden tusschen de op bl.131gemelde soldaten ontstaande, zoo sommige hunner op moeijelijker paden dan de andere loopen. Hoe harder zulk een troep dan gemiddeld loopt, hoe verder die soldaten uiteen zullen geraken, niettegenstaande het bevel tot opsluiting, dat te vergelijken is met de neiging der verschillende takken van weten om zich op dezelfde hoogte te stellen en aldus voor elkander geschikt te worden.Zoo echter de voorste manschappen van lieverlede langzamer gaan loopen, zullen de achterblijvende hensteeds meer naderen en eindelijk, wanneer alles stilstaan, de troep volmaakt opgesloten zijn. Evenzoo zou dit met der menschen verschillende takken van weten moeten gaan bij wezens slechts voor eene eindige ontwikkeling vatbaar. Hunne meest gevorderde tak van weten zou zich eindelijk niet verder ontwikkelen en de andere van lieverlede zich op eene zelfde lijn er mede stellen, omdat, waar de vooruitgang opgehouden is, de disharmonie eindelijk ook verdwijnen moet.Zoo echter het pad voor de achterblijvende manschappen voorbij zekere plaats van den weg wat gemakkelijker wordt, ofschoon nog steeds moeijelijker blijvende dan voor de voorste manschappen, zal hunne distantie verminderen en dit eveneens het geval kunnen zijn met der geesten verschillende takken van weten gedurende toekomstige wijze van bestaan.De practische hulpmiddelen der wetenschap zijn bij de eischen van het in ontwikkeling toenemende maatschappelijke leven gemiddeld ten achteren. Toen bijv.Columbusnaar de West-Indië toog, liet zijne kennis van het aardmagnetismus hem in den steek, de mijnwerkers zouden wel wat meer van den geologischen toestand der aardkorst en de schippers van de meteorologie wenschen te weten. Trouwens de vooruitgang van het practische deel der wetenschappen ontstaat gemiddeld ten gevolge der behoefte hieraan en slechts bij uitzondering zullen practische hulpmiddelen der wetenschap te verheven voor de maatschappelijke behoefte zijn, want het tijdelijk verzuimen van kortelings verkregen hulpmiddelen der wetenschap, wegens de ongewoonte hieraan, mag niet als het werkelijk er voor te laag zijn dier behoeften aangemerkt worden. Zulke verkregen hulpmiddelen komen overeen met die te laat voor de maatschappelijke behoeften ingevoerde instellingen, waaraan men zich moet gewennen, zoodat in een opzigt men hierbijeene zaak reeds vroeger noodig zou gehad hebben en in een ander opzigt nog niet op hare hoogte gekomen is.Eigen vooruitgang bij de practische hulpmiddelen der wetenschap noopt de eischen van het maatschappelijke leven, voor zoo verre zij met die hulpmiddelen in verband staan, hooger te worden. Zoo bijv. heeft de uitvinding van het kompas gemaakt dat men wat eerder verre zeereizen is gaan ondernemen, en zal bijv. de vergrooting der vleugels van vogels deze hooger doen vliegen. Dit maakt echter slechts dat hetgeen men, om aan de eischen van iets te voldoen noodig heeft, hierbij minder ten achteren blijft, terwijl beide evensnel en wat sneller, dan bij het gemis van den eigen vooruitgang, van het eerstgemelde, voorwaarts gaan. Dit bijv. voorstellende door eene schuit, zoo zal die eigen voortgang vergelijkbaar zijn met roeijen, waardoor die schuit, bij wat snelleren gang dan anders, minder ver achter het jaagpaard zal liggen, zoo het hiermede verbonden is door eene elastieke treklijn. Dit jaagpaard komt dan in de plaats van dit iets aan wiens eischen behoort voldaan te worden en de zamentrekkende werking bij de elastieke treklijn met den drang tot geschiktwording van het een voor het ander.In dezelfde verhouding als zulke hulpmiddelen, betrekkelijk de eischen van het een of ander bedrijf, staan de godsdiensten betrekkelijk de eischen van het geestelijke leven van den mensch. Deze vorderen verklaringen betreffende het werelddoel, de bestemming van den mensch en het Opperwezen, verklaringen bij elke hoogte dier eischen met betrekking tot deze in geene voldoende mate te geven.Nu kan het wel zijn dat, evenmin als een schipper inziet, dat bijv. de bemesting der akkers niet aan de eischen van den landbouw voldoet, menschen van geringe geestontwikkeling met betrekking tot de maatschappijwaarin zij verkeeren, dit onvoldoende der godsdienstbegrippen dier maatschappij niet bemerken. Dit echter bewijst slechts dat zij een oppervlakkigen blik in het leven slaan, of wel met sterke veroordeelen behebt zijn, en van hen is dan ook geene bevordering van den vooruitgang dier begrippen te verwachten.Zoo eenmaal de eischen der beschaving niet meer toenemen moeten de hulpmiddelen der wetenschap op de hoogte der behoefte er aan komen, doch ook dan zullen zij er slechts gebrekkig aan voldoen. Veel komt het toch aan op de aanwending dier hulpmiddelen, en deze zal door de, wegens hun kortstondig en veranderlijk leven, slechts gebrekkig iets leerende menschen nimmer volmaakt goed geschieden.Welke hulpmiddelen men bijv. verzint om schipbreuken bij de zeevaart te beletten, de niet volkomene ervarenheid der bemanningen zal maken, dat er steeds op zee ongelukken zullen plaats hebben.De groote verschillen bij en den accidentelen aard der omstandigheden, waarin er behoefte aan het aanwenden van zulke hulpmiddelen bestaat, verhindert ook het steeds voldoen hiervan. Dit gaat ook door voor menschen, zoodat, om deze in zekeren werkkring beter te doen voldoen, men hen in zoo min mogelijk variërende omstandigheden moet plaatsen, iets dat bijv. gedaan wordt bij de verdeeling van den arbeid. Ten bate der geschiktheid wordt door die verdeeling den vooruitgang der individuen geschaad, want hoe nadeelig hiervoor is het veroordeelen van menschen tot steeds denzelfden arbeid is gemakkelijk na te gaan.Hoe hooger de graad van beschaving is, hoe meer, naar aanleiding van het op bl.83gemelde, het individu in kennis in den algemeensten zin en dus ook in die van ambachten ten achteren zal staan betrekkelijk de gansche Maatschappij en zulk een toenemende euvel zal slechtsdoor versterking der werkverdeeling kunnen getemperd worden.Die verdeeling van den arbeid is, naarmate de staten grooter werden, ook bij de legers en regeringen meer ingevoerd. Zij baart verschil in rangen, autoriteit en discipline en strekt ter verhooging der maatschappelijke beschaving, voor zooverre deze door de zamenwerking der individuen bevorderd wordt, doch belemmert daarentegen die verhooging, voor zooverre deze de vrucht der vrije en veelzijdige werking der individuen is. Vandaar dat bij toeneming der beschaving wel de willekeur vermindert, maar, noch de vrijheid, noch de gelijkheid der individuen grooter worden.Leeren veronderstelt iets nieuws doen op eene gebrekkige wijze, terwijl men op de beste wijze iets zal doen en aldus op het meeste practisch nuttig zijn, wanneer men iets, waarmede men bekend is, verrigt. Vandaar dat de menschen het meeste practisch nuttig zouden zijn, zoo zij steeds op deze aarde voortleefden en niet door leeren in geestontwikkeling toenamen, zoodat zij zonder vermoeijende inspanning werkzaam en, voor de eischen van hun bestaan en de omstandigheden waarin zij verkeerden, volmaakt geschikt waren.Op bl.134hebben wij gezegd, dat der menschen kennis niet op de hoogte is der behoeften der maatschappij en toch zullen de menschen meer kennis moeten trachten te bekomen dan die, waarvan zij in de praktijk voordeel kunnen trekken. Dit nu is het geval, omdat de wetenschap, zoo lang zij in ontwikkeling toeneemt, bij elken graad hiervan slechts gedeeltelijk voor practische toepassing vatbaar is, en alzoo hiertusschen en de ontwikkeling der wetenschap dezelfde verhouding en wederkeerige neiging tot gelijkwording bestaat als op bl.64voor den geest en het ligchaam is aangegeven.
De harmonie tusschen de verschillende deelen eener zaak wordt toch teweeg gebragt doordat (zie ons werk get. Over de werking der Natuurwetten, enz., blz. 501, en het vervolg hierop, blz. 207 en 414), elk dier deelen het gemiddelde is van de overeenkomstige deelen vanovereenkomstige zaken, omdat bij die gemiddelden accidentele en grillige afwijkingen gemist worden.Wanneer er nu bij zaken sprake kan zijn van hoogere en lagere vormen, zullen die bemiddelden evenmin naar de laatste als naar de eerste hellen. Zal bijv. een menschelijk ligchaam, wiens deelen, indirect dienende tot verhooging der geestelijke ontwikkeling van zijn bezitter, sterk en wiens deelen, meer bestemd voor dierlijke verrigtingen, weinig ontwikkeld zijn, schoon gevonden worden? Naar ons inzien neen.Zijn de talen der meest beschaafde volken de zuiverste en van de regelmatigste constructie? Eigent zich fraaije stijl het beste voor het uitdrukken van diepzinnige denkbeelden, van verhevene wetenschap? Wordt de aanschouwing van den sterrenhemel, van een tal van lichtende werelden (gedurende den spreekwoordelijk leelijken nacht), bij uitnemendheid schoon gevonden? Worden de Gothische kerken schooner gevonden dan de met de weinig verhevene godsdienst der oude Grieken zoo in harmonie zijnde tempels van het oude Hellas? Op dit alles vermeenen wij dat ontkennend geantwoord moet worden.15Dat de harmonie der deelen van tafereelen ontstaat doordat die deelen in den gemiddelden toestand verkeeren van die bij andere dergelijke tafereelen, wordt bijv. aangetoond bij die van stormen. Om het tafereel hiervan schoon te doen zijn moet toch eene bewolkte en driftige en geene heldere lucht zich boven eene onstuimige zee bevinden.Het daarstellen van schoone gewrochten is aldus eenebijzondere soort van geschiktmaken van het een voor het ander. De kleêrmaker, die een rok voor iemand pas maakt, de staatsman, de constitutie van een staat zamenstellende enPhidiastoen hij de majesteit van den Dondergod door een marmeren blok trachtte uit te drukken, zij allen doen dit; terwijl de burgerman, die den edelman nabootst en zich hierdoor belagchelijk en ongelukkig maakt, even goed aan den drang vooruitgang gehoorzaamt, alsColumbustoen deze de Spanjaarden naar Amerika leidde en dien ten gevolge Spanje van de noodige inwoners beroofde en als iemand, die het voorvaderlijk geloof verzaakt en zijn geest te gelijk met twijfel en met philosophische bespiegelingen vult.Dat er nu in elk dier tweede soort van gevallen een tijdelijk kwaad geboren wordt, ontstaat, zooals reeds op blz.68gezegd is, ten gevolge der werking der traagheid bij overgangen.Hoe, ten gevolge hiervan, vooruitgang het schoone benadeelt, bemerkt men bijv. aan de klagten geheven over het bederven van landschappen door fabrieken, over het gemis aan schoonheid der Protestantsche eerdienst, over het ondichterlijke dat er in gelegen is om bijv. per spoorweg teAthenete komen enz. Zoo echter deze stad eenmaal de bloeijende hoofdplaats van een bedrijvig volk wordt, zal een spoorwegstation er evenmin misstaan als in vele oude en thans bedrijvige steden van Europa.De neiging tot het geschikt maken van het een voor het ander kan zich veropenbaren, als teedere liefde voor bloedverwanten, die men, met opoffering van vooruitzigten, niet wil verlaten; als practisch gezond verstand, dat doelmatigheid boven theoretische volkomenheid en verhevenheid verkiest; als huisbakken bekrompenheid slechts kleine belangen trachtende te bevredigen; als lage zelfzucht slechts zoekende eigengenot in het heden te verkrijgen.De neiging tot vooruitgang kan zich daarentegen veropenbaren, als opofferende liefde voor menschheid, wetenschap en geloof; als verstandelijke bespiegeling over verhevene en duistere onderwerpen; als onpractische plannenmakerij; als dwaze naäperij van maatschappelijk hooger verheven personen.16Het is er aldus (zie blz.83) verre van af, dat aan den drang tot geschiktmaken en aan dien tot vooruitgang steeds op eene wijze toegegeven wordt in het welbegrepen en aldus ruim opgevatte heil der maatschappij zijnde.Achteruitgaan en tevens het een voor het ander ongeschikt maken, doen de menschen nimmer tegen beter weten in; en, wanneer dit door hun toedoen gebeurt, vermeenen zij dat, men, door te sterk en op verkeerde wijze vooruitgegaan te zijn, de geschiktheid van het een voor het ander geschaad heeft.Geschikt houden is in het algemeen, ofschoon niet geheel teregt, het doel der conservatieven, de vooruitgang het doel der liberalen. (Zie blz.73.)Tusschen het toegeven aan beiderlei soorten van drang moet eene behoorlijke en van de omstandigheden afhangende verdeeling gemaakt worden, bij het voorschrijven van zedelijke beginselen, zie blz.83, bij het onderwijzen, zie, blz.76, bij het voeren van strijd en het bestaan van bescherming en regeling op verschillend gebied enz.17De drang tot geschiktwording van het een voor het andere veroorzaakt bijv. dat de aan wilde volken gepredikte Christelijke godsdienst bij hen van lieverlede verbastert, dat is wel, door hooger als deze te zijn, debeelding van zulke volken wat verhoogt, maar zich te gelijk, door te dalen, op de hoogte hiervan stelt. Wel zal dan die invoering der Christelijke godsdienst bij zulke volken hunne beschaving wat verhoogen, doch die verhooging er niet alleen aan te danken zijn, dewijl er bij de rest hunner beelding (zie blz.47) eene eigen impulsie tot verhooging bestaat.18Bij de menschen wordt de aard hunner godsdienst bepaald door hun graad van intellectuele ontwikkeling, door de eigenaardigheden van hun karakter, den aard van het land dat zij bewonen, hunne omgeving, benevens door accidentele omstandigheden.Van elk dezer laatste kan de invloed niet blijvende zijn, doch daar er gedurig nieuwe accidentele omstandigheden, van invloed op der menschen godsdienstbegrippen, ontstaan, zoo zal er hierbij op den duur een zeker van aard veranderend deel het gevolg van het toeval zijn.Het in zulke deelen bevatte zal echter, even als de op blz.22gemelde door het toeval ontstaande afwijkingen bij de organisatie der dieren, gemiddeld ten nadeele werken, en aldus het geheel der godsdienstige begrippen van elk mensch, noch voor dezen, met betrekking tot zijne beelding gemiddeld geschikter maken, noch gemiddeld nader tot de kennis van hetgeen werkelijk op buitenzinnelijk gebied bestaat, brengen.De invloed der omgeving baart zekere ofschoon vaak geringe gelijkenis tusschen de godsdienstige begrippen van met elkander verkeerende menschen, en op blz.9hebben wij aangetoond hoe deze zich in groepen splitsen, waarvan elk gezegd wordt tot zekere secte te behooren. De grootte dezer wordt, even als die der rijken, door de geographische gesteldheid der landen, het verkeer en denaard der menschen, den aard der godsdiensten benevens door accidentele oorzaken (zooals bijv. accidentele grootere of kleinere gelijkvormigheid in opinie) bepaald. In het algemeen nemen zij, even als de rijken, in grootte toe naarmate de beschaving zulks doet.Overigens brengen veranderingen bij dien invloed der omgeving der volwassen menschen, bij de godsdienstige begrippen dezer accidentele afwijkingen naar alle kanten van de godsdienstige begrippen, welke zij, zonder het bestaan dier invloeden, zouden bezitten. Deze zijn te vergelijken met die op onze daden ten gevolge der raadgevingen der menschen, waarmede wij achtervolgens te doen krijgen.Die onderscheidene oorzaken, de accidentele uitgezonderd, bepalen de religieuze begrippen der menschen geheel onafhankelijk van de leering en daden der stichters der godsdiensten. Zoo belijden bijv. voornamelijk de Germaansche volken de Protestantsche godsdienst, wegens de hoogte waartoe hunne beelding op het einde der middeleeuwen gestegen was, benevens wegens hunnen grooteren ernst en minder zinnelijk karakter dan de Latijnsche en Slavische volken. Het deel hunner godsdienstige begrippen niet het gevolg hiervan, maar van hetgeen er buitendien van de leer der hervormers overgeleverd is, kan als iets toevallig beschouwd worden en moet van lieverlede verdwijnen.Men bedenke toch dat, wanneer zoo iets door eene constante oorzaak wordt voortgebragt, niet enkele, maar zeer vele menschen in dien geest werkzaam zijn, zoodat, bij gemis dier enkele voorgangers, de menigte het werk verrigt, voor zooveel die arbeid levert hetgeen die constante oorzaken tot gevolg kunnen hebben.Die arbeid der achtervolgende generatien is grooter dan men denkt en zou bijv., al hadden de stichters van het Christendom nimmer bestaan, de meer verheven begrippenbetreffende de betrekking van God tot de menschen, de pligten en roeping dezer enz., waardoor het Nieuwe Testament zich van het Oude Testament en van het Neoplatonisme enz. onderscheid en hooger dan deze staat, stellig voortgebragt hebben, omdat de aard en toename in geestontwikkeling der bewoners van het Romeinsche rijk tijdens het verval der Romeinsche staatsgodsdienst hiertoe leidde, maar dat die menigte tot de bijzonderheden der Christelijke dogmas, bij onstentenis der vinders dezer, zou gekomen zijn, is daarentegen zeer onwaarschijnlijk.19Die bijzonderheden zijn aldus gewrochten van het toeval, zooals alles wat in iemands geest opkomt, gelijkslachtig is met hetgeen tot vergrooting der kennis van het menschdom kan strekken, en later niet opkomt in den geest van eene menigte andere menschen te zamen genomen, zoo al deze in dezelfde omstandigheden als hij gaan verkeeren.De geniën, welke, door een toevalligen loop der omstandigheden, in de zending, welke zij zich opgelegd hebben, zeer goed slagen, (voorzeker de minderheid hunner) vervullen dan ook de noodzakelijke behoeften der menschheid iets eerder, maar op eene meer gebrekkige wijze, dan dit bij hun gemis later gebeurd, en het lot dier nakomelingschap hangt alzoo niet af van het broze bestaan dier enkele. Van daar ook dat zij, welke ditanders begrijpen, zulke geniën als door God speciaal bestemd en bewaard achten voor zulke zendingen, een begrip onvereenigbaar met de eenvoudigheid der Natuurwetten en aldus van supranaturalistischen aard.De bij de menschen bestaande godsdienstige begrippen,bepaald wordende deels door accidentele oorzaken, deels door dier menschen aanleg, karakter en woonplaats, aldus door dergelijke oorzaken als die der beschaving, zoo dienen die godsdienstige begrippen bij de volken van grooteren aanleg gedurende denzelfden tijd meer dan bij die van minder aanleg in ontwikkeling en verhevenheid gestegen te zijn, er op aarde te gelijk religieuse begrippen op allerlei graden van ontwikkeling te bestaan, en in het verleden ook het geval geweest zijn, maar, naarmate men in dit verleden verder achterwaarts gaat, de hoogst ontwikkelde der religieuse begrippen, gedurende elk tijdstip omhelsd, gemiddeld in verhevenheid lager te staan.Dit is dan ook het geval, want bijv. zijn bij de Europeanen gedurende de laatste achttien eeuwen de religieuse begrippen in verhevenheid veel meer gestegen dan bij de Hottentotten en zelfs dan bij de Bedouinen, ofschoon deze gedurende dien tijd van het heidendom tot den Islam geklommen zijn. Voorts bestaan thans op aarde de geheel op wijsgeerigen grondslag berustende godsdienst-begrippen bezittende vrije Duitsche gemeenten, wilde stammen, wier godsdienst het plengen van menschenbloed voorschrijft, en volken met godsdiensten op allerlei trappen tusschen die beide ingelegen.Gaat men in het verledene achterwaarts, zoo ontwaart men een paar eeuwen geleden als hoogste godsdienstbegrippen die van het orthodoxe protestantisme, vier eeuwen geleden, die van het catholicisme, negentien eeuwen geleden, die van het mozaïsme en van het wordende neoplatonicisme.Toen het gansche menschdom op den laagsten trapvan beschaving stond, was het verdeeld in eene menigte in geestelijken aanleg verschillende kleine stammen. Bij uitzondering zijn er van die stammen uitgestorven, doch meestal hebben zich, naarmate, bij verhooging hunner beelding, er meer geest van zamenwerking tusschen de menschen ontstond, zich eerst tot kleine en later tot grootere, volken gegroepeerd. Elk dier volken vormde niet altijd een staat of eene politieke eenheid, maar deszelfs leden waren door taal, zeden, wetten, godsdienst, benevens door veelvuldiger onder elkander dan met leden van andere volken gesloten huwelijken, met elkander verwant, en splitste zich somtijds, zooals bij het vormen van kolonien, in verschillende van lieverlede zich van elkander vervreemende deelen. Het bovenstaande, kan nu (zie blz.33)voorgesteld worden door eene menigte stamboomen, sneller groeijende naarmate de aanleg der stammen of volken grooter was (somtijds zal deze, zoo als bij vermenging van hoogere met lagere rassen, den gemiddelden van die van beide geworden zijn) en dan zamengroeijende en dan zich in verschillende takken splitsende.20De bovenste einden dier takken en stammen zullen dan de thans bestaande volken (wel te onderscheiden van staten) en de distantie dier verschillende uiteinden tot den bodem, de graden van beschaving dier volken aanduiden. Zoo nu van elk dezer de leden dezelfde godsdienstige begrippen aankleefden, zouden die takken en stammen tevens den groei dezer begrippen voorstellen. Het Britsche rijk en deszelfs koloniën zou bijv. bevatten catholieke Ieren, angelicaansche Engelschen, presbyteriaansche Schotten, mozaïsche Israëlieten, mohamedaansche Maleijers, brahmmaansche Hindoes, boedhisthische Singalezen, zonvereerende Parsen enz.Het bezit van dezelfde godsdienst door verschillende dier volken zou dan niet als eene zamensmelting van derzelver stamboomen moeten beschouwd, maar meer met het bezitten van dezelfde wetten moeten vergeleken worden en de bekeering van een volk tot eene andere godsdienst, onder behoud van sporen der vorige, met het enten van buiten aangebragte wetten op oude vergelijkbaar zijn en aldus niet als eene verandering van stamboom aangemerkt moeten worden.Die onderscheidene religieuse begrippen van volken zullen nu, even als de diersoorten, onder den invloed zijn van een drang tot geschiktwording, een drang tot vooruitgang en de werking van het toeval.Het geschikt worden der organisatie der dieren voor hunne levensomstandigheden, benevens het geschikt worden der verschillende deelen dier organisatie voor elkander, wordt bij die religieuse begrippen der volken vervangen door het harmonisch worden derzelve met de beschaving en aard dier volken en met het goed bij elkander passen der verschillende deelen dier begrippen, zoodat zij te zamen een harmonisch geheel vormen. Die geschiktheid of betrekkelijke volmaaktheid der godsdienstige begrippen neemt aldus volstrekt niet toe met derzelver wetenschappelijke waarheid van voorstelling van hetgeen in tijd en ruimte op buitenzinnelijk gebied bestaat. Bij onbeschaafde volken moeten zij bijv. eenvoudig en zinnelijk zijn om voor hen geschikt te zijn en dit maakt bijv. dat men niet in elke omstandigheid welke ook dwalingen moet bestrijden. Hierdoor zou meer dan wenschelijk is den vooruitgang ten koste der geschiktheid begunstigd worden.Even als bij de organisatie der dieren, bestaat er ook bij die begrippen een drang tot vooruitgang waardoor zij echter in het algemeen niet te hoog voor den graad van beschaving der volken worden, omdat hierbij ook eendergelijken eigen drang tot vooruitgang bestaat, waardoor zij dan trager en dan sneller dan die begrippen zal klimmen en die godsdienstbegrippen aldus dan voor en dan achter zich zal laten. Daar echter in het eerste geval die begrippen de beschaving voor- en deze die begrippen achterwaarts tracht te trekken en omgekeerd in het tweede geval, kan beider ongelijke snelheid van vooruitgang door geene constante oorzaak in stand gehouden worden. Bij vooruitgang dier begrippen zullen echter derzelver verschillende deelen dit nimmer even sterk doen en van daar dat, naarmate zij sneller vooruitgaan, de harmonie en consequentie bij het geheel verbroken wordt. Die verandering moet dan noodwendig twist over en twijfel aan de verschillende deelen der begrippen benevens splitsing van derzelver aanhangers in verschillende rigtingen doen ontstaan. In een woord er ontstaat dan bij hen iets gebrekkigs, dat met gemis aan opsluiting en rigting van met den looppas gaande soldaten vergelijkbaar is, maar dat bij trageren voortgang dier begrippen van lieverlede moet verminderen, daar de drang tot geschiktwording van het een voor het ander, die begrippen evenzoo op gelijke hoogte tracht te stellen en voor elkander passende maakt, als het bevel tot opsluiting die soldaten bij elkander brengt.Ook zijn die begrippen, even als de organisatie der dieren, aan de werking van accidentele oorzaken onderhevig en, terwijl bij de ligchamen der dieren die toevallige bijzonderheden, zoo als bijv. de bogchels der kameelen, door geslachtsvoortplanting van generatie tot generatie overgaan, geschiedt dit bij de toevallige bijzonderheden dier begrippen, door het onderwijs der jeugd.Hierboven hebben wij reeds gezegd, hoe bij zeker geheel van godsdienstige begrippen de onderscheidene deelen, even als bij de organisatie dier diersoorten, op ongelijke hoogte kunnen staan, doch ook kunnen deelender organisatie van diersoorten, zonder hooger of lager dan de rest te staan, buitengemeen ontwikkeld, vervormd of gereduceerd zijn. Somtijds maakt zoo iets zulke diersoorten geschikter voor hunne levensomstandigheden, doch somtijds is het deels eene toevallige en aldus door den drang tot geschiktwording voor die levensomstandigheden van lieverlede weggenomen wordende wanstaltigheid. Evenzoo bij de godsdienstige begrippen. Zoo vindt men bijv. bij die van het oude Israel het bestaan van een volksgod zeer sterk en dat der zielsonsterfelijkheid zeer zwak uitgedrukt.In zekere mate kan dit geschikt zijn geweest voor een volk, waarbij het individu zoo sterk in het volksbestaan opging als bij de oude Israelieten, doch deels was het ook eene door het toeval ontstane wanstaltigheid, die, wel is waar, door het geloof aan eene regtvaardige vergelding der daden en geschikte rolsverdeeling gedurende dit aardsche leven, wel min of meer bedekt bleef, doch bij de latere Israelieten desniettemin van lieverlede verminderd werd. Evenzoo kan men zeggen dat het fatalisme wel min of meer eigenaardig is bij een volk van een passief en het begrip van een volstrekte wilsvrijheid bij dat van een actief karakter, doch beide stellingen zijn niettemin accidentele afwijkingen van het juiste.De stelling, dat, wat men ook denkt of doet, eene zaak zal uitvallen zoo als dit vastgesteld is, leidt tot moedeloosheid, die, dat men eene zaak goed of slecht kan doen uitvallen, naarmate men zus of zoo verkiest te denken, tot overmoed.21De aanhangers der absolute wilsvrijheid stellen eigenlijk dat de loop der verschijnselen oneindig zamengesteld is, zoodat zij met geene mogelijkheid te ontwarren en te voorzien is; de fatalisten daarentegen, dat de loop dier verschijnselen eenvoudiger is dan inwaarheid. Zij maken van de menschen alsware inerte blokken wier aaneenschakeling van denkbeelden van geen invloed is op hetgeen bij hun ligchaam door anderen waargenomen wordt plaats te hebben.Evenals de dieren zoo handelen, dat zij van de gebreken hunner organisatie zoo min mogelijk hinder hebben, zoo verzaken de aanhangers van dergelijke eenzijdige begrippen deze grootendeels in het practische leven.Dit is zelfs het geval bij hetgeen wel eens door de godsdienst als maatschappelijken plicht voorgesteld is. De christenleeraars vermanen bijv. niet hunne gemeenteleden aan om zich te laten vertrappen, of om te zorgen dat ieder hunner even rijk blijft. Voor de toeneming der ontwikkeling van het menschdom is het toch noodig, dat men tracht door arbeid in vermogen toe te nemen en dat men voor zelfverdediging zorg draagt. Er bestaan dan trouwens ook maar weinig christenen welke dit niet aldus opvatten en de slagtoffers worden van de naauwgezette opvatting hunner godsdienstleer.De anatomisten hebben bevonden dat de hoofddeelen der ligchamen der dieren volgens een grondtype, bij de hoofddeelen van al de andere diersoorten terug gevonden wordende, gevormd zijn. In dergelijke gevallen verkeeren bijv. het hoofd, het hart, het zenuwstelsel, de ledematen enz. Naarmate de organisatie der diersoorten lager is, bevinden die deelen zich in een meer rudimentairen toestand en buitendien verschillen die volgens denzelfden grondtype gevormde deelen ook als derzelver organisatie ongeveer even hoog is, zooals bijv. de voorpooten van honden en de vleugels van vleermuizen.Iets hiermede overeenkomende ontwaart men bij de verschillende godsdienstbegrippen der volken. Bij elk dezer kunnen toch die begrippen in drie deelen verdeeld worden, namelijk: 1º. die over God met of zonder ondergoden en hooger dan den mensch zijnde wezens, 2º. dieover de zielsonsterfelijkheid, 3º. die over het werelddoel.Elk dezer deelen vindt men bij de godsdienstbegrippen van alle volken in meer rudimentairen toestand, naarmate die begrippen bij eene lagere geestontwikkeling passen en buitendien met elkander verschillende, wanneer zij, over het geheel genomen, op gelijke hoogte staan. Zoo staat bijv. het christelijke godsbegrip hooger dan dat der Israelieten van voor 3000 jaren, doch of het hooger staat dan het werkelijke der thans bestaande Israelieten is de vraag. In sommige opzigten misschien wel, doch in andere opzigten zal welligt het Israelitiesche godsbegrip, wegens deszelfs strenger monotheïstisch karakter en het stellen dat God niet onder menschelijke gedaante kan afgebeeld worden, het in verhevenheid winnen.In zooverre zij door het karakter, den graad van beschaving en den aard der woonplaats der volkeren bepaald worden, zullen zulke verschillen bij die godsdienst begrippen door eene constante oorzaak in stand gehouden worden, doch voor de rest zijn zij accidenteel en zullen zij, door de op blz.20gemelde constante oorzaak van geschiktwording van lieverlede weggenomen worden.Naarmate de geestontwikkeling der menschen grooter is, worden die godsdienstbegrippen gemiddeld niet slechts meer verheven, maar moeten zij, naar ons inzien, ook meer bevatten van hetgeen op buitenzinnelijk gebied werkelijk bestaat, zonder evenwel, wegens de beperking welke de aard hunner woonplaats aan de vergrooting der geestontwikkeling der aardsche menschen stelt, die waarheid op dit gebied ooit geheel en zuiver te kunnen bevatten.Zelfs bij de minst ontwikkelde menschen overtreft de bewuste aanschouwing der dingen ver die der dieren. Zij zien niet slechts dat de lucht schijnbaar een gewelf vormt, dat zon en maan daarop groote lichtende plekken en de sterren kleinere plekken vormen, dat het licht vande zon komt, dat de aardbodem, bergen en dalen niet in achtgenomen, plat voorkomt, dat zon en maan het uitspansel doorloopen van horizon tot horizon, maar zien dit met bewustheid, dat is zij merken het op en prenten het in hun geest. Hoe is het nu mogelijk dat zulke door hunne zintuigen bedrogen menschen niet stellen dat de aarde plat is, dat zon en maan bewegen, dat de sterren zijn lichtende punten, vastgehecht aan het uitspansel enz.? Kunnen zij reeds dadelijk opmerken, dat de voorwerpen bij den horizon duiken, dat, naarmate voorwerpen hooger gelegen zijn, zij, wanneer men zich verplaatst, meer mede gaan, zoodat de hemelligchamen, dit in de hoogste mate doende, uiterst ver moeten liggen, neen zoo naauwkeurig kunnen zij eerst later opmerken.Kunnen zulke menschen denken, wij zijn onbekwaam om door opmerking en redenering over den aard der hemelligchamen iets vast te stellen, wij schorten ons oordeel op? Neen zoo iets kan slechts gedaan worden, wanneer de ondervinding aangetoond heeft, dat vroeger gedane waarnemingen en daarop gebouwde begrippen onjuist zijn. De naauwkeurigheid der opmerkingen en die der daarop gebouwde redeneringen en stellingen staat tot bewuste aanschouwing der dingen in dezelfde verhouding als de organisatie der diersoorten tot de omstandigheden waarin deze verkeeren. Hoe sneller deze verhoogd zijn, hoe meer zie blz.31die organisatie te wenschen zal overlaten en eveneens, hoe sneller de bewuste aanschouwing der dingen zich uitbreidt, hoe meer dwaling der menschen begrippen zullen bevatten. De veranderlijkheid is aldus, wegens de werking der traagheid, bij gebrek aan tijd, evenzeer de moeder der dwaling als die der betrekkelijke onvolmaaktheid.Zoo aldus de bewuste aanschouwing van menschen bijna steeds op eene zelfde zeer beperkte hoogte bleef, zou eindelijk dit effect der traagheid bijna vernietigdmoeten worden en de menschen bijv. wel van den aard en den loop der hemelligchamen zeer weinig afweten, maar daaromtrent bijna geene dwalingen aankleven. Hunne dan door geene noemenswaardige overmaat van bewuste aanschouwing alsware omhoog getrokken en alzoo bijna niet meer toenemende sterrekundige kennis zou tot die onzer hedendaagsche astronomen bijv. staan als de organisatie van een laagstaand, maar vroeger zeer traag in ontwikkeling gestegen dier, bijv. een oester, tot die van een veel hooger staand, maar sneller in ontwikkeling toegenomen dier, bijv. een paard. Even als nu, wegens die snellere ontwikkeling, de organisatie van dit dier betrekkelijk onvolmaakter is dan die van den oester, zoo zou de astronomische kennis van bovengemelde bijna niet in geestontwikkeling stijgende menschen minder dwaling dan die der hedendaagsche sterrekundigen moeten bevatten22.Dit zal daarentegen het geval niet zijn met de kinderlijke astronomische begrippen der werkelijk bestaande of bestaan hebbende zeer onbeschaafde volken, omdat de bewuste aanschouwing der dingen bij hen niet in elk geval trager toeneemt dan bij de beschaafde volken.In het naauwste verband met de bewuste aanschouwing staat de verbeelding. Deze rigt in der menschengeest gebouwen op, en het verstand komt later deze verbeteren, wijzigen en zelfs gedeeltelijk afbreken23. Hoegrooter de verbeeldingskracht eener natie is, hoe sterker derzelver bewuste aanschouwing der dingen in uitgebreidheid zal toenemen, hoe meer dwalingen zulk eene natie zal aanhangen, maar ook hoe sneller die toename der bewuste aanschouwing de wetenschappelijke kennis zal verhoogen24. Gebrek aan verbeeldingskracht is bijv. de oorzaak dat de wetenschappelijke kennis der Chinezen zoo langzaam stijgt en tevens dat deze zoo arm aanmythenen zoo weinig bijgeloovig zijn.Omgekeerd zal gebrek aan oordeel en kritiserend verstand maken, dat de wetenschappelijke kennis moeijelijker voortgaat, en dit de toename in uitgebreidheid der bewuste aanschouwing vertragen. Waar dit nu het geval is, zal de vooruitgang, zoo in bewuste aanschouwing als in kennis, even als in het vorige geval, traag zijn, maar, in plaats dat de laatste weinig bij de eerste ten achteren zal zijn, zoo als in het eerste geval, zal zij zulks veel zijn. Zulke volken paren een bijna stationnairen intellectuelen toestand aan rijkdom van mythen; terwijl daarentegen volken van scherp verstand en tevens van veel verbeeldingskracht, (zooals bijv. de oude Grieken) snel voorwaarts gaan in kennis en tevens rijk aan mythen zijn.Was de bewering der Atheïsten, dat alle begrippen omtrent de zielsonsterfelijkheid, het werelddoel en den oneindigen onveranderlijken geest, buiten der menschen en dieren geesten bestaande, geheel het werk der verbeelding en valsch waren, juist zoo zou der menschen verstanddeze niet gebaat hebben om, bouwende op de ervaring op zielkundig en ander gebied, het werk hunner verbeelding te achtervolgen en alsware te verbeteren. De middelste der drie bovengemelde gevallen zou alsdan in zeer geprononceerde mate bestaan en aldus die begrippen als werk der verbeelding slechts een lagen trap van ontwikkeling hebben kunnen bereiken, even als bijv. de organisatie van dieren, zoo deze zich hoegenaamd niet naar hoogere levensomstandigheden kunnen schikken.Welk een verschil neemt men daarentegen waar tusschen de godsdienstige begrippen der fetischdienaars en der menschen van het steenen tijdperk en die van sommige wijsgeeren en in den jongsten tijd ook van vrijzinnige godsdienstleeraars.Uit het voorgaande volgt, dat, naarmate de godsdienstige begrippen in verhevenheid klimmen, zij niet altijd minder dwaling zullen bevatten. Wanneer de bewuste aanschouwing het sterkste toeneemt, zullen die dwalingen gemiddeld op een maximum zijn, en, zoowel in het verledene als in de toekomst, verminderen, even als bijv. bij zeer kleine kinderen het vallen voor en na zekeren leeftijd zulks doet, en wij vermeenen dat de protestanten dit keerpunt reeds achter zich hebben.Bleef de geestontwikkeling van een volk steeds op dezelfde hoogte en bestonden er (zie blz.68) geene storende en verandering aanbrengende accidentele oorzaken, zoo zouden eindelijk zijne godsdienstige begrippen, door de volledige achterhaling van het werk der verbeelding door dat van het kritiserende verstand, niet alleen van (zie blz.104) door het toeval, maar ook van door constante oorzaken, zooals zinnelijkheid, bekrompenheid enz. ontstaande dwalingen gezuiverd worden. In plaats van met dwalingen vermengde en op eene gebrekkige wijze uitgewerkte waarheden te bevatten, zouden zij slechts uit zuivere waarheden bestaan, maar deze, evenals, zie blz.115, de astronomische begrippen van zulk een volk zeer rudimentair kunnen zijn25.Bij het voorgaande moeten bij de dwalingen, door de verbeelding bij bewuste aanschouwing der dingen voortgebragt, gevoegd worden, die geboren door onzuivere redeneringen, waarmede men meent den aard der dingen op eene wetenschappelijke wijze te verklaren. Vandaar dat het maximum der dwalingen, dan niet alleen, uit wat men mythen kan noemen, bestaande, eigenlijk eenigzins later zal bestaan dan tijdens dat de bewuste aanschouwing op het sterkste toeneemt, en dat eindelijk ook de uitbreiding van het veld van bespiegeling minder nieuwe dwalingen ten gevolge zal hebben, dan er oude door de kritiek weggenomen worden26.Onder die dwalingen, door constante oorzaken bij de godsdienstbegrippen teweeggebragt, behoort de speciale en directe goddelijke veropenbaring. Deze dwaling zal in kracht afnemen, naarmate de voorstellingen van den aard en de werking van het Opperwezen minder gebrekkig worden. Integendeel doet de met de beschaving toenemende behoefte aan godsdienst haar in kracht toenemen. Beneden zeker standpunt van ontwikkeling der godsdienstbegrippen schijnt het laatste en na dien het eerste de overhand te hebben. Hunne bewuste aanschouwing van hetgeen in de natuur voorvalt buiten de ten gevolge hunner eigen denking ontstaande handelingen en arbeid, moest de op lagen trap van geestontwikkeling staande menschen leiden om zulke voorvallen, even als hunne eigen handelingen, te stellen, het gevolg te zijn van denking, maar van denking van magtige,onsterfelijke ofschoon menschelijke denkvormen bezittende wezens zie blz.4.Dat die Goden der wilden ons zoo weinig zedelijk voorkomen spruit hieruit voort, dat bij volken, waarbij den maatschappelijken band zeer zwak is, wat wij onregt, willekeur en wreedheid noemen, veel minder schaadt dan bij ons. De vergrooting der geestontwikkeling der individuen kan bij wilden slechts door lagere soorten van strijd geschieden en het is klaar dat zulke wilden niet hunne goden kunnenmodellerennaar de behoeften van maatschappelijke toestanden ver boven de hunne verheven.Tot het begrip van een eenigen God kunnen door eigen ontwikkeling wilden zich niet verheffen, deels omdat zij de verschillende natuurverschijnsels niet genoegzaam met elkander in verband weten te brengen, om zich een eenigen regelaar er van te denken, deels omdat zij geen eenige wijze van denking slechts Gode waardig weten te keuren. Zoodra dit laatste plaats heeft vervalt het polijtheisme, omdat het ongerijmd is om zich verscheidene wezens alle precies op dezelfde wijze denkende en handelende en aldus als volmaakt identiek voor te stellen.Wegens die losheid der maatschappelijke banden en de slechts vijandelijke gevoelens welke wilden van verschillende stammen voor elkander koesteren, kunnen menschenoffers niet als voor hen schandelijke en zeer schadelijke gebruiken gerekend worden. Evenals toch de zijne jongen zorgvuldig opvoedende arend, andere dieren die hij magtig kan worden, rooft en moordt, zonder zijne zedelijke verpligtingen te kort te doen, evenzoo kan de wilde deze vrij wel vervullen, terwijl hij steeds vijandig optreedt tegen andere stammen en zelfs tegen andere huisgezinnen. Op hoogeren trap van beschaving en aldus van gevoel en deelneming voor de menschen in het algemeen staan bijv. gewis deprotestantscheKaapscheboeren en niettemin achten deze zich jegens de Kaffers aan bijna niets gebonden en ontzeggen zij zelfs deze den naam van mensch.Ofschoon nu de wilde, wegens de bovengemelde rede, andere waarden dan wij aan de zedelijke daden toekent, wenscht hij echter eene vergelding dier dadenbepaalddoor de hem er aan toegekende waarde, dat is hij wenscht dat er billijkheid heersche. De menschen komen hem daartoe onvermogend voor, de goden moeten te hulp komen en wel, wegens zijne beperkt inzigt in den tijd, binnen korten tijd, of wel zij laten het onregt met het oog op een voor de menschen verborgen doel, toe.In tweederlei opzigten werkt aldus zijn godsbegrip gunstig voor hem, primo als drijfveer tot het goede, zooals hij dit, met het oog op de eischen van zijn lagen maatschappelijke toestand, opvat, en secundo als een drang tot het hoogere, omdat hij zich zijne goden, ofschoon, wegens zijne beperkte opvatting, naar zijn model geschoeid, als hooger geestelijk ontwikkelde wezens voorstelt.In zulk een godsbegrip bestaat er, naar ons inzien, een grond van waarheid. De billijkheid heerscht, maar niet gedurende een beperkt, maar slechts gedurende grootst eindig aantal jaren, (zie ons werk get: Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 131.)Hij die het goede betracht verheft zijne zedelijke ontwikkeling en maakt zich geschikter voor hoogere levens toestanden, terwijl hij, die zich aan het kwaad overgeeft, naar lagere toestanden neigt. Het onregt bestaat, deels wegens de betrekkelijke snelle verhooging der eischen van den maatschappelijken toestand, deels wegens de werking van accidentele oorzaken en beide oorzaken strekken, zie blz.67, ter verheffing van de geestelijke ontwikkeling der menschen, ofschoon, zooals op blz.68gezegd is, slechts, in zooverre zulke onregt teweegbrengendeaccidentele omstandigheden vereenigt met andere accidentele omstandigheden beschouwd worden, zij voor zulk een doel als die geestelijke verheffing kunnen geacht worden bestemd te zijn. Desniettemin is hij, die de werking der Natuurwetten op geestelijk gebied niet nagegaan heeft, geregtigd om te zeggen, dat het bestaan van het onregt zamenhangt met een voor hem verborgen doel. Dat het opzien naar en het zich wenden tot een hooger wezen geestopheffende is, zal wel nietontkendworden, maar bekrompen zijn de begrippen, dat zulk een wezen qualitatief niet van wijze menschen verschilt, dezelfde denkvormen als deze bezit, dat zijne werking op de menschen gelijkt op die van deze op elkander en dat men zich met hem in gemeenschap kan stellen zoo als de menschen dit onderling doen. Naar ons inzien is de gemeenschap van ons menschen met het oneindige oerwezen wel in het duister verborgen, maar veropenbaart zij zich echter hierdoor, dat de beschouwing van de stoffelijke en geestelijke wereld onzen in het bezit van zekeren aanleg zijnde geest vraagstukken ter oplossing voorstelt en ons aldus alsware vragender wijze doet leeren en ten gevolge hiervan in geestontwikkeling doet toenemen. Geheel de beschaving en wetenschap van ons geslacht en de toeneming in geestontwikkeling der menschen gedurende hun leven is hiervan het gevolg. Op blz.56hebben wij aangetoond, dat de verhooging der geestelijke ontwikkeling der wezens door geestinspannenden strijd geschiedt. Nu zijn hulp en bescherming zaken voorkomende bij strijd met collectieve handeling met onderlinge zamenwerking der menschen gepaard gaande en waarvan dus slechts tusschen de medestrijders onderling sprake kan zijn. Ja zelfs bij de aldus strijdende maatschappij, wordt, in het belang der toeneming van hare geestelijke ontwikkeling, bescherming en hulpbetoon beperkt. Dit zoeken van hulp en bescherming bij volksgoden, bij sommige der goden en, bijhoogeren trap van beschaving, bij het eenige Opperwezen is een gevolg van het op blz.117gemelde vooruitloopen der werking der verbeelding. Hoe sterker de maatschappelijke banden worden, hoe sterker bij den mensch het denkbeeld van hulpbetoon, wordt, doch hij blijft ten achteren om, door middel van beredeneerde beschouwing en doorgronding der dingen, te bepalen bij wie hij hulp bij arbeid en strijd mag ondervinden om haar vruchtbaar voor zijne geestelijke ontwikkeling te doen zijn zie blz.5527.Tot een noemenswaardig begrip der onsterfelijkheid der ziel is de mensch eerst op een hoogeren trap van geestelijke ontwikkeling en aldus later gekomen dan tot een godsbegrip. Eerstgemeld begrip is toch niet in zulk direct verband met zijn heden als dit laatste en de onbeschaafde mensch houdt zich zeer weinig met de toekomst op. Buitendien was het gemakkelijker om zon, maan enz. bezield te achten, dan te stellen dat van den mensch iets anders dan een bewegingloos lijk kan overschieten.Bij de wilden, die wijsheid bij verzwakte en oude en daarentegen minder geestontwikkeling bij krachtige ligchamen bezittende menschen vermeenen te vinden, onder anderen bij onze voorouders de Germanen, verkregen de dapperste en krijgshaftigste, dat is in zeker opzigt de (zie blz.65) meest geestelijk ontwikkelde onder hen eene eereplaats in den Walhalla.Reeds dit rudimentaire begrip der onsterfelijkheid der ziel is een bewijs hoe vroeg de mensch tot het bewustzijn komt, dat wij in dit aardsche leven wel in zekeren zin ons ligchaam verslijten, zoodat dit na volbragte taak geene reden van bestaan meer heeft, maar dat wij in geestelijk opzigt, door werken, strijden en leeren, ietsvoor ons eigen ik bekomen, zoodat dit niet behouden blijvende, dit leven grootendeels zijn doel zou missen.De onbeschaafde mensch is echter te beperkt van opvatting om zich een leven hier namaals voor te stellen, waarin men niet ligchamen bezit op de aardsche gelijkende en met dezelfde zintuigen als deze begiftigd, waarin niet perpetueel de menschelijke denkvormen en de menschelijke geestelijke natuur, al zij het in verhevener vorm, behouden blijven en dat elders dan boven de wolken, of in de diepte der aarde gesleten wordt.Trouwens het bestaan van een onnoemelijk aantal werelden buiten onze aarde, waarvan de meeste tot woonplaatsen kunnen dienen van ver boven ons verheven wezens, is betrekkelijk kort geleden ontdekt en de meest gevorderde godsdiensten hebben zich nog niet op de hoogte der astronomie kunnen stellen. Evenmin hebben zij zich kunnen verheffen tot het bij sommige wijsgeeren wortelgeschoten hebbende begrip van eene reeks van toekomstige levens, waarin de gewonnen schat (namelijk de geestontwikkeling) niet alleen voor roesten bewaard of behouden, maar ook door arbeid en strijd vergroot moet worden; van eene reeks van levens, waarin van lieverlede de denkvormen van het wezen veranderen en meer gelijkslachtig met die van het oerwezen worden, totdat na een grootst eindigen tijd en grootst eindige vergrooting der geestontwikkeling, er eene volmaakte oplossing in dit oerwezen plaats grijpt.Slechts bij het Boeddhisme wordt die eindelijke oplossing op eene twijfelachtige en gebrekkige wijze, (omdat zij plotseling geacht wordt te kunnen geschieden) aangenomen.Bij de godsdienst der Brachmanen vindt men het zinrijke denkbeeld, dat hij, die zijne zedelijke ontwikkeling vermindert, zich voor lagere levensvormen geschikt maakt en deze deelachtig wordt, en aldus een verband tusschenmenschen en dieren, alsmede het begrip van preexistentie (zie later). In sommige opzigten zijn aldus die godsdiensten de christelijke vooruitgestreefd, evenals dieren, over het geheel eene lagere organisatie dan andere bezittende, in sommige opzigten hooger dan deze staan.De mensch hecht aan het leven, zelfs dan wanneer zijn door ouderdom uitgeput ligchaam zijn naderend einde verkondigt en desniettemin voldoet het leven hem niet, terwijl noch het een noch het ander zou moeten plaats hebben, zoo het, in plaats van eene leerschool, die men op allerlei leeftijden en door allerlei toevallen kan verlaten, een goed voltooiden loopbaan, waarvan al de vruchten achterbleven, vormde.Hoe minder dit laatste, naar aanleiding van het op blz.83gemelde, het geval is, naarmate bij de maatschappij de geestontwikkeling en dus ook de beschaving grooter is, hoe meer behoefte men dan aan duurzaamheid heeft, hoe meer men dan om de toekomst denkt en hiervoor leeft, in hoe scherper tegenstelling dan met die behoefte de broosheid van het leven van het ligchaam wordt en hoe inniger het bewustzijn, dat met dit ligchaam onze geestelijke ontwikkeling niet kan ten ondergaan, moet zijn. Zoo toch bij hoogere beschaving de kunst meer hulpmiddelen verschaft om het ligchaam te behoeden, is men dan ook meer verpligt om in den strijd des levens, in het streven naar hooger, op de onmetelijke vlakte der zee, in de ingewanden der aarde, bij werktuigen, bij het minste ongeval verwoesting veroorzakende, het bestaan van dit ligchaam te wagen, terwijl van den dan gedurende zijn leven meer leerende mensch de grootere geestinspanning zie bl.72en84ook vernielender op zijn ligchaam werkt. Ook met betrekking tot het werelddoel vormt de onbeschaafde mensch zich bekrompen, maar kiemen van waarheid bevattende begrippen. Zoo bijv. acht hij dieren en planten voor hem geschapen. Dit nu is (zie bl.18) niet juist,maar, wegens de uitwerking der oorzaak de mensch geschikt trachtende te maken voor de levensomstandigheden waarin hij verkeert, en de wijzigingen die hij ook, tengevolge dier oorzaak, bij sommige dier en plantensoorten heeft teweeggebragt bestaat er wel een zeker verband tusschen zijne behoeften en den aard der dieren en planten.Ook het nederdalen van Goden op deze aarde om het menschdom in moeijelijke omstandigheden te helpen is een bekrompen denkbeeld, doch dat de waarheid bevat, dat in zulke omstandigheden er werkelijk redding komt, maar van de menschheid zelve die, geprikkeld door het ongeluk, onder inspanning en vergrooting harer geestontwikkeling de vereischte hulpmiddelen vindt en in toepassing brengt. Ook behoort tot de begrippen over het werelddoel die, dat eene opvolging van generatien elk een leven leidende, zoo rijk aan ramp en teleurstelling als het menschelijke leven, niet steeds heeft plaats gehad, noch immer zal voortduren, maar gevolgd is op een zeer gelukkigen primitieven toestand en, na de totale nederlaag van het genie van het kwaad, eindelijk zal opgevolgd worden door een niet minder gelukkigen eindtoestand.Bij dit begrip heeft men dan het oog gehad op een volk, dat eindelijk de anderen zal overheerschen, dan op eene godsdienst, die eindelijk het gansche menschdom onder hare banier zal brengen, dan op de menschheid, die eindelijk het godsrijk zal binnentreden28.Laat ons thans zien in hoeverre die begrippen waarheid bevatten.Op bl.64en67hebben wij aangegeven dat de veranderlijkheid, de voorwaarde van allen vooruitgang, wegensde werking der traagheid, de bron is van alle kwaad, dwaling en onvolmaaktheid, terwijl die zelfde traagheid de voorwaarde is van alle bestendigheid. Is er nu in de wereld voor een grootst eindigen tijd eene uiterst kleine verandering ontstaan, zoo kan eerst toen er op het kwaad in eene noemenswaardige mate ontstaan en aldus het rijk vanAhrimangeboren zijn. Zoolang echter die veranderingen zeer luttel waren, moest dit kwaad zulks ook zijn, omdat, even als een zeer traag groeijend kind gemiddeld steeds weinig uit zijne kleederen zal gegroeid zijn, de trage verandering van het eene, waarna zich het andere moet schikken, dit laatste veroorlooft om weinig achterna te komen. Toen echter die verandering sneller plaats had moesten onvolmaaktheid en kwaad grooter en aldusAhrimanmagtiger worden, doch tegelijk, naar aanleiding van het op bl.13gezegde, de organische Natuur in ontwikkeling sneller dan vroeger toenemen. Stelt men echter dat, wanneer deze ontwikkeling eene zeer groote hoogte zal bereikt hebben, de veranderingen weder trager gaan geschieden, zoo zal alsdan het kwaad weder afnemen, om bijna niet meer te bestaan wanneer na een uiterst langen tijd die verandering weder uiterst luttel geworden is.Na eene eeuwigheid moet danOrmuzdweder alleen heerschen, doch er dit verschil met den toestand in het eeuwig verleden aanwezig bestaan, dat toen die ontwikkeling nul en nu oneindig groot is. Op deze aarde is echter zoo iets onmogelijk, wegens de gedurige verandering van in geestontwikkeling toenemende individuen, zie bl.82. Dit systema vindt men bij hetParsismeop eene wel is waar gebrekkige en kinderlijke wijze ontwikkeld, doch het doet dit in zoo verre staan boven het christendom, dat met eeuwige straffen in de hel dreigt, niettegenstaande de oorzaak, het eene voor het andere geschikt trachtende te maken, bij een constanten toestand der hel, onmogelijk de verdoemdengedurende eene eeuwigheid onvoldaan kan laten.Een slecht mensch is iemand sterk ten achteren zijnde betrekkelijk de zedelijke eischen van zijn bestaan, (zoodat slechtheid niet de tegenstelling van deugdzaamheid in het algemeen, maar slechts van die met offers gepaard gaande, is). Deze eischen trekken hem opwaarts en, ofschoon zoo iemand gedrongen wordt naar wijzen van bestaan waarbij die eischen lager zijn, zoo gaan gemiddeld toch die lagere eischen ook opwaarts. Zoo zal b.v. een verspilziek beschaafd man wel matroos of soldaat kunnen worden, betrekkingen waarin men met weinig zorg voor de toekomst kan volstaan, doch ook de matrozen en soldaten moeten, naarmate de beschaving klimt, aan hoogere maatschappelijke eischen voldoen. Stijgen nu deze eischen zeer weinig, zoo moet klaarblijkelijk een slecht mensch minder betrekkelijk die eischen ten achteren geraken en aldus betrekkelijk minder slecht worden, en, wanneer die eischen gedurende uiterst langen tijd bijna niet vooruitgegaan zijn, niet meer noemenswaardig slecht zijn. Hiertegen zal men aanvoeren dat zijne finale trap van oneindige ontwikkeling dan kleiner moet zijn dan bijv. die van een steeds braaf mensch, doch een ieder, in de hoogere wiskunde ervaren, weet dat oneindige grootheden zelfs oneindig veel met elkander kunnen verschillen, en dat eene kromme lijn steeds minder en minder boven de abcissen as kan stijgen en niettemin bij oneindig groote abcissen er oneindig hoog boven verheven kan zijn.Naarmate de beschaving stijgt, hechten de menschen meer aan hunne godsdienstbegrippen, doch begrijpen zij tevens beter dat die begrippen hen niet direct op goddelijke wijze geopenbaard zijn. Heeft nu, gedurende de toeneming in ontwikkeling dier begrippen, eerst het eerste en later het tweede de overhand, zoo zal bij zekere graad van ontwikkeling dier begrippen, (evenwel nog al veeluiteen loopende, naarmate van den aard dezer) het toekennen van goddelijk gezag aan de godsdienstbegrippen op een maximum van sterkte zijn.Bij elk volk vindt men individuen, zoo wegens opvoeding als wegens ouderdom, op zeer verschillende trappen van geestontwikkeling staande. Ofschoon nu hierin de lage klassen en de kinderen bij beschaafde volken op gelijke hoogte als de volwassenen onder de hooge standen bij minder beschaafde volken kunnen gerekend worden te staan, is dit niet het geval voor elk deel dier geestontwikkeling. Bij sommige deelen hiervan zullen die hooge standen bij minder beschaafde volken, omdat zij de andere standen moeten overheerschen, hooger dan bij ons de lage standen en bij andere deelen dier geestontwikkeling, omdat zij het onderrigt van meer beschaafde menschen dan zij missen, lager dan deze staan. Men kan echter niet zeggen dat hierdoor, zoo bij de hooge standen der minder beschaafde als bij de lage standen der meer beschaafde volken, het harmonische verband tusschen de deelen hunner geestontwikkeling verbroken is. Zij verkeeren toch in verschillende omstandigheden, even als bijv. de groote gras en kruidenetende en de kleine vleeschetende zoogdieren, die insgelijks niet quantitatief maar wel qualitatief met elkander in geestontwikkeling verschillen. Zie blz.38.Desniettemin moet bijv. de volksklasse lagere en meer kinderlijke godsdienstige begrippen dan de meer beschaafde klasse bezitten, zonder dat zij daarom bij gene meer dan bij deze, met die, zooals op blz.104gezegd is, door het toeval ontstane begrippen vermengd zijn. De geschiedenis leert dan ook dat bij sommige volken hiervoor welligt (in tegenoverstelling van bij ons) zelfs in te sterke mate gezorgd werd, doch men moet niet hieruit besluiten dat het oningewijd blijven der volksklassen in de mysteriën der godsdienst niet voornamelijk tot oorzaakhad de onvatbaarheid dier volksklassen om die mysteriën te begrijpen.Wanneer menschen betrekkelijk anderen in kennis van iets toenemen, oefenen zij te weinig gezag uit en willen zij anderen te veel van hunne verkregen kennis mededeelen, en, wanneer hunne superioriteit vermindert, heeft het omgekeerde plaats.Bij het harmonisch zijn der verschillende takken van het weten, gelooft men met betrekking tot het godsdienstige aan hetgeen men, krachtens de ervaring (die op zielkundig gebied er onder begrijpende) krachtens op die ervaring gebouwde redeneringen en krachten historische gronden en inspiratie, zeker vermeent te weten. Wanneer echter de harmonie tusschen de verschillends takken van het weten verbroken is, ontdekt men bij het licht der verst gevorderde wetenschap, dat de juistheid der minder gevorderde geen onderzoek meer kan verdragen, en wordt niettemin het geloof aan die juistheid als iets noodzakelijk voor den mensch beschouwd, zoo wordt er een anderen grondslag dan eene vermeende indirect op ervaring gegronde overtuiging aan gegeven. Dit gebrek aan harmonie tusschen de verschillende takken van wetenschap, wegens derzelver ongelijken vooruitgang zie blz.133, benadeelt denphylosophischen geest, leidende om die verschillende wetenschappen in verband met elkander te beschouwen en maakt thans dat velen in hun geest eene scheiding maken tusschen wetenschap en godsdienstig geloof en dezelfde scheiding bij het onderwijs der jeugd verlangen.De primaire verbetering van zulk een vicieusen toestand, kan slechts geschieden door het achterhalen, of althans door het meer nabij achtervolgen der meest gevorderde takken van weten door de minder gevorderde, doch als secundaire verbetering is het welligt het beste, zoo men teregt het onderwijs der jeugd de wereld enlevensbeschouwing niet verbannen wil, er zeer bescheiden mede te zijn en de zaak zoo te middelen, dat de gematigden, namelijk het gros, wanneer zij die levens en wereldbeschouwing der school niet te veel op den keper beschouwen, er mede kunnen instemmen. Van de uiterste partijen, namelijk desterkste, maar in scheve rigting geavanceerde, die der materialistische pantheisten en de achterlijkste, die der stijf orthodoxen, moeten de godsdienstige overtuigingen dan maar ongeëerbiedigd blijven. Trouwens zij, welke tot de uiterste politieke partijen behooren, moeten bij gemeenschappelijke handeling van een gemengd publiek zich evenzeer gekwetst gevoelen. Dit gebrek is (zie bl.73) het gevolg der sterkte der toeneming der maatschappelijke ontwikkeling en zal even goed verminderen als deze toeneming geringer wordt, als dat een troep soldaten bij vertraagden gang beter opgesloten zal raken.Zoolang de voorste verwisseld wordende manschappen van den troep sneller loopen dan het gros, zullen zij meer verspreid en verder van dit gros verwijderd zijn dan de achterste manschappen, doch het omgekeerde plaats hebben, wanneer zij naderhand trager dan deze loopen. Evenzoo zullen, zoolang van de beschaafde klasse, zij die geavanceerde begrippen koesteren, sneller vooruitgaan dan het gros dier klasse zij slechts, enkelen zijn betrekkelijk ver van dit gros verwijderd (zooals bijv. de wijsgeeren) doch kunnen zij eenmaal hier op aarde weinig verder voorwaarts gaan, het gros bij hen komen en de achterblijvende uit enkele verspreide personen bestaan. Het voorwaarts gaan bij nevenst. fig. vananaardgerekend wordende te geschieden, zoo zal de digtheid van groepering bij de gelijktijdig bestaande trappen van vooruitgang in het eerste geval door de ordinaten der krommeabden inhet laatste geval door de ordinaten der krommeacdaangegeven worden. Onderdrukking der uiting van denkbeelden, van die van het gros verschillende, ter bevordering van eenheid en aldus ter daarstelling van geschiktheid in zekeren zin, zal (behoudens de vertraging van den vooruitgang door het onderdrukken van den intellectuelen strijd) in het eerste geval bij gemiddeld al de individuen van bovengemelde beschaafde klasse tot trageren en in het tweede (zooals bijv. bij het opdringen van het christendom aan verschillende heidensche stammen doorKarel den Grooten) tot snelleren vooruitgang leiden.Het gros kleeft de het meeste prestige bezittende denkbeelden aan. Dit prestige van iets is gemiddeld het gevolg van deszelfs voortreffelijkheid met betrekking tot de behoeften der menschen gedurende zeker tijdvak, doch, wegens de werking der traagheid, is het op het grootste wanneer die voortreffelijkheid reeds aan het verminderen is. Het belemmert aldus den vooruitgang, maar bevorderd de geschiktheid, daar het wel eenigzins verouderde, maar niettemin nog veel goeds bezittende zaken sterker in de maatschappij doet wortelen en deze als ware, zie blz.72op een beteren weg trager voorwaarts doet schrijden.Even als dwang gaat het prestige den intellectuelen strijd tegen en maakt, door dien dwang aan zich dienstbaar te doen worden, dat deze gemiddeld meer de uiting der geavanceerde dan die der verachterde denkbeelden onderdrukt. Zelfs in het geval dat (zie bl.83) de maatschappij bij de achtervolgende generatien niet meer in beschaving toeneemt, zal bij de individuen er verschil in opinie bestaan en den hierdoor verwekten intellectuelen strijd den vooruitgang dier individuen gedurende hun leven bevorderen. Deze zal daarentegen, ten bate der geschiktheid, door geen leed teweeg brengende dwang tegen gegaan worden, want alle soort van dwang scheptevenmin geschiktere levensomstandigheden voor de individuen, als (zie bl.56) alle soort van strijd ten beste van hun vooruitgang strekt.Bestaat er eene oorzaak, waardoor in een staat eene meerderheid en eene minderheid tegenstrijdige belangen hebben, zoo zal, wanneer elk hunner toegeeft in omgekeerde reden van derzelver sterkte, de drang van beide zijden even sterk zijn, er als ware een evenwigtstoestand ontstaan en de oorzaak, het een voor het ander geschikt makende, zoowel de grieven der minderheid als die der meerderheid van lieverlede doen verdwijnen. Veranderingen van omstandigheden, waardoor er nieuwen strijd tusschen de belangen ontstaat en de trage werking dier oorzaak van geschiktmaking zijn hierbij de oorzaken van grieven en tweespalt.De oorzaak, waardoor gemiddeld de godsdienstbegrippen der volken eenigzins ten achteren zijn betrekkelijk hunne andere wetenschappelijke kennis, ontstaat doordat het verstand moeijelijk in het gebied van het buitenzinnelijke kan dringen, en de godsdienstbegrippen voor een grooter deel op buitenzinnelijke zaken betrekking hebben dan bijv. de begrippen over de scheikunde, geologie enz.Dit is echter het gevolg der toeneming onzer geestelijke ontwikkeling en is vergelijkbaar met de afstanden tusschen de op bl.131gemelde soldaten ontstaande, zoo sommige hunner op moeijelijker paden dan de andere loopen. Hoe harder zulk een troep dan gemiddeld loopt, hoe verder die soldaten uiteen zullen geraken, niettegenstaande het bevel tot opsluiting, dat te vergelijken is met de neiging der verschillende takken van weten om zich op dezelfde hoogte te stellen en aldus voor elkander geschikt te worden.Zoo echter de voorste manschappen van lieverlede langzamer gaan loopen, zullen de achterblijvende hensteeds meer naderen en eindelijk, wanneer alles stilstaan, de troep volmaakt opgesloten zijn. Evenzoo zou dit met der menschen verschillende takken van weten moeten gaan bij wezens slechts voor eene eindige ontwikkeling vatbaar. Hunne meest gevorderde tak van weten zou zich eindelijk niet verder ontwikkelen en de andere van lieverlede zich op eene zelfde lijn er mede stellen, omdat, waar de vooruitgang opgehouden is, de disharmonie eindelijk ook verdwijnen moet.Zoo echter het pad voor de achterblijvende manschappen voorbij zekere plaats van den weg wat gemakkelijker wordt, ofschoon nog steeds moeijelijker blijvende dan voor de voorste manschappen, zal hunne distantie verminderen en dit eveneens het geval kunnen zijn met der geesten verschillende takken van weten gedurende toekomstige wijze van bestaan.De practische hulpmiddelen der wetenschap zijn bij de eischen van het in ontwikkeling toenemende maatschappelijke leven gemiddeld ten achteren. Toen bijv.Columbusnaar de West-Indië toog, liet zijne kennis van het aardmagnetismus hem in den steek, de mijnwerkers zouden wel wat meer van den geologischen toestand der aardkorst en de schippers van de meteorologie wenschen te weten. Trouwens de vooruitgang van het practische deel der wetenschappen ontstaat gemiddeld ten gevolge der behoefte hieraan en slechts bij uitzondering zullen practische hulpmiddelen der wetenschap te verheven voor de maatschappelijke behoefte zijn, want het tijdelijk verzuimen van kortelings verkregen hulpmiddelen der wetenschap, wegens de ongewoonte hieraan, mag niet als het werkelijk er voor te laag zijn dier behoeften aangemerkt worden. Zulke verkregen hulpmiddelen komen overeen met die te laat voor de maatschappelijke behoeften ingevoerde instellingen, waaraan men zich moet gewennen, zoodat in een opzigt men hierbijeene zaak reeds vroeger noodig zou gehad hebben en in een ander opzigt nog niet op hare hoogte gekomen is.Eigen vooruitgang bij de practische hulpmiddelen der wetenschap noopt de eischen van het maatschappelijke leven, voor zoo verre zij met die hulpmiddelen in verband staan, hooger te worden. Zoo bijv. heeft de uitvinding van het kompas gemaakt dat men wat eerder verre zeereizen is gaan ondernemen, en zal bijv. de vergrooting der vleugels van vogels deze hooger doen vliegen. Dit maakt echter slechts dat hetgeen men, om aan de eischen van iets te voldoen noodig heeft, hierbij minder ten achteren blijft, terwijl beide evensnel en wat sneller, dan bij het gemis van den eigen vooruitgang, van het eerstgemelde, voorwaarts gaan. Dit bijv. voorstellende door eene schuit, zoo zal die eigen voortgang vergelijkbaar zijn met roeijen, waardoor die schuit, bij wat snelleren gang dan anders, minder ver achter het jaagpaard zal liggen, zoo het hiermede verbonden is door eene elastieke treklijn. Dit jaagpaard komt dan in de plaats van dit iets aan wiens eischen behoort voldaan te worden en de zamentrekkende werking bij de elastieke treklijn met den drang tot geschiktwording van het een voor het ander.In dezelfde verhouding als zulke hulpmiddelen, betrekkelijk de eischen van het een of ander bedrijf, staan de godsdiensten betrekkelijk de eischen van het geestelijke leven van den mensch. Deze vorderen verklaringen betreffende het werelddoel, de bestemming van den mensch en het Opperwezen, verklaringen bij elke hoogte dier eischen met betrekking tot deze in geene voldoende mate te geven.Nu kan het wel zijn dat, evenmin als een schipper inziet, dat bijv. de bemesting der akkers niet aan de eischen van den landbouw voldoet, menschen van geringe geestontwikkeling met betrekking tot de maatschappijwaarin zij verkeeren, dit onvoldoende der godsdienstbegrippen dier maatschappij niet bemerken. Dit echter bewijst slechts dat zij een oppervlakkigen blik in het leven slaan, of wel met sterke veroordeelen behebt zijn, en van hen is dan ook geene bevordering van den vooruitgang dier begrippen te verwachten.Zoo eenmaal de eischen der beschaving niet meer toenemen moeten de hulpmiddelen der wetenschap op de hoogte der behoefte er aan komen, doch ook dan zullen zij er slechts gebrekkig aan voldoen. Veel komt het toch aan op de aanwending dier hulpmiddelen, en deze zal door de, wegens hun kortstondig en veranderlijk leven, slechts gebrekkig iets leerende menschen nimmer volmaakt goed geschieden.Welke hulpmiddelen men bijv. verzint om schipbreuken bij de zeevaart te beletten, de niet volkomene ervarenheid der bemanningen zal maken, dat er steeds op zee ongelukken zullen plaats hebben.De groote verschillen bij en den accidentelen aard der omstandigheden, waarin er behoefte aan het aanwenden van zulke hulpmiddelen bestaat, verhindert ook het steeds voldoen hiervan. Dit gaat ook door voor menschen, zoodat, om deze in zekeren werkkring beter te doen voldoen, men hen in zoo min mogelijk variërende omstandigheden moet plaatsen, iets dat bijv. gedaan wordt bij de verdeeling van den arbeid. Ten bate der geschiktheid wordt door die verdeeling den vooruitgang der individuen geschaad, want hoe nadeelig hiervoor is het veroordeelen van menschen tot steeds denzelfden arbeid is gemakkelijk na te gaan.Hoe hooger de graad van beschaving is, hoe meer, naar aanleiding van het op bl.83gemelde, het individu in kennis in den algemeensten zin en dus ook in die van ambachten ten achteren zal staan betrekkelijk de gansche Maatschappij en zulk een toenemende euvel zal slechtsdoor versterking der werkverdeeling kunnen getemperd worden.Die verdeeling van den arbeid is, naarmate de staten grooter werden, ook bij de legers en regeringen meer ingevoerd. Zij baart verschil in rangen, autoriteit en discipline en strekt ter verhooging der maatschappelijke beschaving, voor zooverre deze door de zamenwerking der individuen bevorderd wordt, doch belemmert daarentegen die verhooging, voor zooverre deze de vrucht der vrije en veelzijdige werking der individuen is. Vandaar dat bij toeneming der beschaving wel de willekeur vermindert, maar, noch de vrijheid, noch de gelijkheid der individuen grooter worden.Leeren veronderstelt iets nieuws doen op eene gebrekkige wijze, terwijl men op de beste wijze iets zal doen en aldus op het meeste practisch nuttig zijn, wanneer men iets, waarmede men bekend is, verrigt. Vandaar dat de menschen het meeste practisch nuttig zouden zijn, zoo zij steeds op deze aarde voortleefden en niet door leeren in geestontwikkeling toenamen, zoodat zij zonder vermoeijende inspanning werkzaam en, voor de eischen van hun bestaan en de omstandigheden waarin zij verkeerden, volmaakt geschikt waren.Op bl.134hebben wij gezegd, dat der menschen kennis niet op de hoogte is der behoeften der maatschappij en toch zullen de menschen meer kennis moeten trachten te bekomen dan die, waarvan zij in de praktijk voordeel kunnen trekken. Dit nu is het geval, omdat de wetenschap, zoo lang zij in ontwikkeling toeneemt, bij elken graad hiervan slechts gedeeltelijk voor practische toepassing vatbaar is, en alzoo hiertusschen en de ontwikkeling der wetenschap dezelfde verhouding en wederkeerige neiging tot gelijkwording bestaat als op bl.64voor den geest en het ligchaam is aangegeven.
De harmonie tusschen de verschillende deelen eener zaak wordt toch teweeg gebragt doordat (zie ons werk get. Over de werking der Natuurwetten, enz., blz. 501, en het vervolg hierop, blz. 207 en 414), elk dier deelen het gemiddelde is van de overeenkomstige deelen vanovereenkomstige zaken, omdat bij die gemiddelden accidentele en grillige afwijkingen gemist worden.
Wanneer er nu bij zaken sprake kan zijn van hoogere en lagere vormen, zullen die bemiddelden evenmin naar de laatste als naar de eerste hellen. Zal bijv. een menschelijk ligchaam, wiens deelen, indirect dienende tot verhooging der geestelijke ontwikkeling van zijn bezitter, sterk en wiens deelen, meer bestemd voor dierlijke verrigtingen, weinig ontwikkeld zijn, schoon gevonden worden? Naar ons inzien neen.
Zijn de talen der meest beschaafde volken de zuiverste en van de regelmatigste constructie? Eigent zich fraaije stijl het beste voor het uitdrukken van diepzinnige denkbeelden, van verhevene wetenschap? Wordt de aanschouwing van den sterrenhemel, van een tal van lichtende werelden (gedurende den spreekwoordelijk leelijken nacht), bij uitnemendheid schoon gevonden? Worden de Gothische kerken schooner gevonden dan de met de weinig verhevene godsdienst der oude Grieken zoo in harmonie zijnde tempels van het oude Hellas? Op dit alles vermeenen wij dat ontkennend geantwoord moet worden.15
Dat de harmonie der deelen van tafereelen ontstaat doordat die deelen in den gemiddelden toestand verkeeren van die bij andere dergelijke tafereelen, wordt bijv. aangetoond bij die van stormen. Om het tafereel hiervan schoon te doen zijn moet toch eene bewolkte en driftige en geene heldere lucht zich boven eene onstuimige zee bevinden.
Het daarstellen van schoone gewrochten is aldus eenebijzondere soort van geschiktmaken van het een voor het ander. De kleêrmaker, die een rok voor iemand pas maakt, de staatsman, de constitutie van een staat zamenstellende enPhidiastoen hij de majesteit van den Dondergod door een marmeren blok trachtte uit te drukken, zij allen doen dit; terwijl de burgerman, die den edelman nabootst en zich hierdoor belagchelijk en ongelukkig maakt, even goed aan den drang vooruitgang gehoorzaamt, alsColumbustoen deze de Spanjaarden naar Amerika leidde en dien ten gevolge Spanje van de noodige inwoners beroofde en als iemand, die het voorvaderlijk geloof verzaakt en zijn geest te gelijk met twijfel en met philosophische bespiegelingen vult.
Dat er nu in elk dier tweede soort van gevallen een tijdelijk kwaad geboren wordt, ontstaat, zooals reeds op blz.68gezegd is, ten gevolge der werking der traagheid bij overgangen.
Hoe, ten gevolge hiervan, vooruitgang het schoone benadeelt, bemerkt men bijv. aan de klagten geheven over het bederven van landschappen door fabrieken, over het gemis aan schoonheid der Protestantsche eerdienst, over het ondichterlijke dat er in gelegen is om bijv. per spoorweg teAthenete komen enz. Zoo echter deze stad eenmaal de bloeijende hoofdplaats van een bedrijvig volk wordt, zal een spoorwegstation er evenmin misstaan als in vele oude en thans bedrijvige steden van Europa.
De neiging tot het geschikt maken van het een voor het ander kan zich veropenbaren, als teedere liefde voor bloedverwanten, die men, met opoffering van vooruitzigten, niet wil verlaten; als practisch gezond verstand, dat doelmatigheid boven theoretische volkomenheid en verhevenheid verkiest; als huisbakken bekrompenheid slechts kleine belangen trachtende te bevredigen; als lage zelfzucht slechts zoekende eigengenot in het heden te verkrijgen.
De neiging tot vooruitgang kan zich daarentegen veropenbaren, als opofferende liefde voor menschheid, wetenschap en geloof; als verstandelijke bespiegeling over verhevene en duistere onderwerpen; als onpractische plannenmakerij; als dwaze naäperij van maatschappelijk hooger verheven personen.16
Het is er aldus (zie blz.83) verre van af, dat aan den drang tot geschiktmaken en aan dien tot vooruitgang steeds op eene wijze toegegeven wordt in het welbegrepen en aldus ruim opgevatte heil der maatschappij zijnde.
Achteruitgaan en tevens het een voor het ander ongeschikt maken, doen de menschen nimmer tegen beter weten in; en, wanneer dit door hun toedoen gebeurt, vermeenen zij dat, men, door te sterk en op verkeerde wijze vooruitgegaan te zijn, de geschiktheid van het een voor het ander geschaad heeft.
Geschikt houden is in het algemeen, ofschoon niet geheel teregt, het doel der conservatieven, de vooruitgang het doel der liberalen. (Zie blz.73.)
Tusschen het toegeven aan beiderlei soorten van drang moet eene behoorlijke en van de omstandigheden afhangende verdeeling gemaakt worden, bij het voorschrijven van zedelijke beginselen, zie blz.83, bij het onderwijzen, zie, blz.76, bij het voeren van strijd en het bestaan van bescherming en regeling op verschillend gebied enz.17
De drang tot geschiktwording van het een voor het andere veroorzaakt bijv. dat de aan wilde volken gepredikte Christelijke godsdienst bij hen van lieverlede verbastert, dat is wel, door hooger als deze te zijn, debeelding van zulke volken wat verhoogt, maar zich te gelijk, door te dalen, op de hoogte hiervan stelt. Wel zal dan die invoering der Christelijke godsdienst bij zulke volken hunne beschaving wat verhoogen, doch die verhooging er niet alleen aan te danken zijn, dewijl er bij de rest hunner beelding (zie blz.47) eene eigen impulsie tot verhooging bestaat.18
Bij de menschen wordt de aard hunner godsdienst bepaald door hun graad van intellectuele ontwikkeling, door de eigenaardigheden van hun karakter, den aard van het land dat zij bewonen, hunne omgeving, benevens door accidentele omstandigheden.
Van elk dezer laatste kan de invloed niet blijvende zijn, doch daar er gedurig nieuwe accidentele omstandigheden, van invloed op der menschen godsdienstbegrippen, ontstaan, zoo zal er hierbij op den duur een zeker van aard veranderend deel het gevolg van het toeval zijn.
Het in zulke deelen bevatte zal echter, even als de op blz.22gemelde door het toeval ontstaande afwijkingen bij de organisatie der dieren, gemiddeld ten nadeele werken, en aldus het geheel der godsdienstige begrippen van elk mensch, noch voor dezen, met betrekking tot zijne beelding gemiddeld geschikter maken, noch gemiddeld nader tot de kennis van hetgeen werkelijk op buitenzinnelijk gebied bestaat, brengen.
De invloed der omgeving baart zekere ofschoon vaak geringe gelijkenis tusschen de godsdienstige begrippen van met elkander verkeerende menschen, en op blz.9hebben wij aangetoond hoe deze zich in groepen splitsen, waarvan elk gezegd wordt tot zekere secte te behooren. De grootte dezer wordt, even als die der rijken, door de geographische gesteldheid der landen, het verkeer en denaard der menschen, den aard der godsdiensten benevens door accidentele oorzaken (zooals bijv. accidentele grootere of kleinere gelijkvormigheid in opinie) bepaald. In het algemeen nemen zij, even als de rijken, in grootte toe naarmate de beschaving zulks doet.
Overigens brengen veranderingen bij dien invloed der omgeving der volwassen menschen, bij de godsdienstige begrippen dezer accidentele afwijkingen naar alle kanten van de godsdienstige begrippen, welke zij, zonder het bestaan dier invloeden, zouden bezitten. Deze zijn te vergelijken met die op onze daden ten gevolge der raadgevingen der menschen, waarmede wij achtervolgens te doen krijgen.
Die onderscheidene oorzaken, de accidentele uitgezonderd, bepalen de religieuze begrippen der menschen geheel onafhankelijk van de leering en daden der stichters der godsdiensten. Zoo belijden bijv. voornamelijk de Germaansche volken de Protestantsche godsdienst, wegens de hoogte waartoe hunne beelding op het einde der middeleeuwen gestegen was, benevens wegens hunnen grooteren ernst en minder zinnelijk karakter dan de Latijnsche en Slavische volken. Het deel hunner godsdienstige begrippen niet het gevolg hiervan, maar van hetgeen er buitendien van de leer der hervormers overgeleverd is, kan als iets toevallig beschouwd worden en moet van lieverlede verdwijnen.
Men bedenke toch dat, wanneer zoo iets door eene constante oorzaak wordt voortgebragt, niet enkele, maar zeer vele menschen in dien geest werkzaam zijn, zoodat, bij gemis dier enkele voorgangers, de menigte het werk verrigt, voor zooveel die arbeid levert hetgeen die constante oorzaken tot gevolg kunnen hebben.
Die arbeid der achtervolgende generatien is grooter dan men denkt en zou bijv., al hadden de stichters van het Christendom nimmer bestaan, de meer verheven begrippenbetreffende de betrekking van God tot de menschen, de pligten en roeping dezer enz., waardoor het Nieuwe Testament zich van het Oude Testament en van het Neoplatonisme enz. onderscheid en hooger dan deze staat, stellig voortgebragt hebben, omdat de aard en toename in geestontwikkeling der bewoners van het Romeinsche rijk tijdens het verval der Romeinsche staatsgodsdienst hiertoe leidde, maar dat die menigte tot de bijzonderheden der Christelijke dogmas, bij onstentenis der vinders dezer, zou gekomen zijn, is daarentegen zeer onwaarschijnlijk.19
Die bijzonderheden zijn aldus gewrochten van het toeval, zooals alles wat in iemands geest opkomt, gelijkslachtig is met hetgeen tot vergrooting der kennis van het menschdom kan strekken, en later niet opkomt in den geest van eene menigte andere menschen te zamen genomen, zoo al deze in dezelfde omstandigheden als hij gaan verkeeren.
De geniën, welke, door een toevalligen loop der omstandigheden, in de zending, welke zij zich opgelegd hebben, zeer goed slagen, (voorzeker de minderheid hunner) vervullen dan ook de noodzakelijke behoeften der menschheid iets eerder, maar op eene meer gebrekkige wijze, dan dit bij hun gemis later gebeurd, en het lot dier nakomelingschap hangt alzoo niet af van het broze bestaan dier enkele. Van daar ook dat zij, welke ditanders begrijpen, zulke geniën als door God speciaal bestemd en bewaard achten voor zulke zendingen, een begrip onvereenigbaar met de eenvoudigheid der Natuurwetten en aldus van supranaturalistischen aard.
De bij de menschen bestaande godsdienstige begrippen,bepaald wordende deels door accidentele oorzaken, deels door dier menschen aanleg, karakter en woonplaats, aldus door dergelijke oorzaken als die der beschaving, zoo dienen die godsdienstige begrippen bij de volken van grooteren aanleg gedurende denzelfden tijd meer dan bij die van minder aanleg in ontwikkeling en verhevenheid gestegen te zijn, er op aarde te gelijk religieuse begrippen op allerlei graden van ontwikkeling te bestaan, en in het verleden ook het geval geweest zijn, maar, naarmate men in dit verleden verder achterwaarts gaat, de hoogst ontwikkelde der religieuse begrippen, gedurende elk tijdstip omhelsd, gemiddeld in verhevenheid lager te staan.
Dit is dan ook het geval, want bijv. zijn bij de Europeanen gedurende de laatste achttien eeuwen de religieuse begrippen in verhevenheid veel meer gestegen dan bij de Hottentotten en zelfs dan bij de Bedouinen, ofschoon deze gedurende dien tijd van het heidendom tot den Islam geklommen zijn. Voorts bestaan thans op aarde de geheel op wijsgeerigen grondslag berustende godsdienst-begrippen bezittende vrije Duitsche gemeenten, wilde stammen, wier godsdienst het plengen van menschenbloed voorschrijft, en volken met godsdiensten op allerlei trappen tusschen die beide ingelegen.
Gaat men in het verledene achterwaarts, zoo ontwaart men een paar eeuwen geleden als hoogste godsdienstbegrippen die van het orthodoxe protestantisme, vier eeuwen geleden, die van het catholicisme, negentien eeuwen geleden, die van het mozaïsme en van het wordende neoplatonicisme.
Toen het gansche menschdom op den laagsten trapvan beschaving stond, was het verdeeld in eene menigte in geestelijken aanleg verschillende kleine stammen. Bij uitzondering zijn er van die stammen uitgestorven, doch meestal hebben zich, naarmate, bij verhooging hunner beelding, er meer geest van zamenwerking tusschen de menschen ontstond, zich eerst tot kleine en later tot grootere, volken gegroepeerd. Elk dier volken vormde niet altijd een staat of eene politieke eenheid, maar deszelfs leden waren door taal, zeden, wetten, godsdienst, benevens door veelvuldiger onder elkander dan met leden van andere volken gesloten huwelijken, met elkander verwant, en splitste zich somtijds, zooals bij het vormen van kolonien, in verschillende van lieverlede zich van elkander vervreemende deelen. Het bovenstaande, kan nu (zie blz.33)voorgesteld worden door eene menigte stamboomen, sneller groeijende naarmate de aanleg der stammen of volken grooter was (somtijds zal deze, zoo als bij vermenging van hoogere met lagere rassen, den gemiddelden van die van beide geworden zijn) en dan zamengroeijende en dan zich in verschillende takken splitsende.20De bovenste einden dier takken en stammen zullen dan de thans bestaande volken (wel te onderscheiden van staten) en de distantie dier verschillende uiteinden tot den bodem, de graden van beschaving dier volken aanduiden. Zoo nu van elk dezer de leden dezelfde godsdienstige begrippen aankleefden, zouden die takken en stammen tevens den groei dezer begrippen voorstellen. Het Britsche rijk en deszelfs koloniën zou bijv. bevatten catholieke Ieren, angelicaansche Engelschen, presbyteriaansche Schotten, mozaïsche Israëlieten, mohamedaansche Maleijers, brahmmaansche Hindoes, boedhisthische Singalezen, zonvereerende Parsen enz.
Het bezit van dezelfde godsdienst door verschillende dier volken zou dan niet als eene zamensmelting van derzelver stamboomen moeten beschouwd, maar meer met het bezitten van dezelfde wetten moeten vergeleken worden en de bekeering van een volk tot eene andere godsdienst, onder behoud van sporen der vorige, met het enten van buiten aangebragte wetten op oude vergelijkbaar zijn en aldus niet als eene verandering van stamboom aangemerkt moeten worden.
Die onderscheidene religieuse begrippen van volken zullen nu, even als de diersoorten, onder den invloed zijn van een drang tot geschiktwording, een drang tot vooruitgang en de werking van het toeval.
Het geschikt worden der organisatie der dieren voor hunne levensomstandigheden, benevens het geschikt worden der verschillende deelen dier organisatie voor elkander, wordt bij die religieuse begrippen der volken vervangen door het harmonisch worden derzelve met de beschaving en aard dier volken en met het goed bij elkander passen der verschillende deelen dier begrippen, zoodat zij te zamen een harmonisch geheel vormen. Die geschiktheid of betrekkelijke volmaaktheid der godsdienstige begrippen neemt aldus volstrekt niet toe met derzelver wetenschappelijke waarheid van voorstelling van hetgeen in tijd en ruimte op buitenzinnelijk gebied bestaat. Bij onbeschaafde volken moeten zij bijv. eenvoudig en zinnelijk zijn om voor hen geschikt te zijn en dit maakt bijv. dat men niet in elke omstandigheid welke ook dwalingen moet bestrijden. Hierdoor zou meer dan wenschelijk is den vooruitgang ten koste der geschiktheid begunstigd worden.
Even als bij de organisatie der dieren, bestaat er ook bij die begrippen een drang tot vooruitgang waardoor zij echter in het algemeen niet te hoog voor den graad van beschaving der volken worden, omdat hierbij ook eendergelijken eigen drang tot vooruitgang bestaat, waardoor zij dan trager en dan sneller dan die begrippen zal klimmen en die godsdienstbegrippen aldus dan voor en dan achter zich zal laten. Daar echter in het eerste geval die begrippen de beschaving voor- en deze die begrippen achterwaarts tracht te trekken en omgekeerd in het tweede geval, kan beider ongelijke snelheid van vooruitgang door geene constante oorzaak in stand gehouden worden. Bij vooruitgang dier begrippen zullen echter derzelver verschillende deelen dit nimmer even sterk doen en van daar dat, naarmate zij sneller vooruitgaan, de harmonie en consequentie bij het geheel verbroken wordt. Die verandering moet dan noodwendig twist over en twijfel aan de verschillende deelen der begrippen benevens splitsing van derzelver aanhangers in verschillende rigtingen doen ontstaan. In een woord er ontstaat dan bij hen iets gebrekkigs, dat met gemis aan opsluiting en rigting van met den looppas gaande soldaten vergelijkbaar is, maar dat bij trageren voortgang dier begrippen van lieverlede moet verminderen, daar de drang tot geschiktwording van het een voor het ander, die begrippen evenzoo op gelijke hoogte tracht te stellen en voor elkander passende maakt, als het bevel tot opsluiting die soldaten bij elkander brengt.
Ook zijn die begrippen, even als de organisatie der dieren, aan de werking van accidentele oorzaken onderhevig en, terwijl bij de ligchamen der dieren die toevallige bijzonderheden, zoo als bijv. de bogchels der kameelen, door geslachtsvoortplanting van generatie tot generatie overgaan, geschiedt dit bij de toevallige bijzonderheden dier begrippen, door het onderwijs der jeugd.
Hierboven hebben wij reeds gezegd, hoe bij zeker geheel van godsdienstige begrippen de onderscheidene deelen, even als bij de organisatie dier diersoorten, op ongelijke hoogte kunnen staan, doch ook kunnen deelender organisatie van diersoorten, zonder hooger of lager dan de rest te staan, buitengemeen ontwikkeld, vervormd of gereduceerd zijn. Somtijds maakt zoo iets zulke diersoorten geschikter voor hunne levensomstandigheden, doch somtijds is het deels eene toevallige en aldus door den drang tot geschiktwording voor die levensomstandigheden van lieverlede weggenomen wordende wanstaltigheid. Evenzoo bij de godsdienstige begrippen. Zoo vindt men bijv. bij die van het oude Israel het bestaan van een volksgod zeer sterk en dat der zielsonsterfelijkheid zeer zwak uitgedrukt.In zekere mate kan dit geschikt zijn geweest voor een volk, waarbij het individu zoo sterk in het volksbestaan opging als bij de oude Israelieten, doch deels was het ook eene door het toeval ontstane wanstaltigheid, die, wel is waar, door het geloof aan eene regtvaardige vergelding der daden en geschikte rolsverdeeling gedurende dit aardsche leven, wel min of meer bedekt bleef, doch bij de latere Israelieten desniettemin van lieverlede verminderd werd. Evenzoo kan men zeggen dat het fatalisme wel min of meer eigenaardig is bij een volk van een passief en het begrip van een volstrekte wilsvrijheid bij dat van een actief karakter, doch beide stellingen zijn niettemin accidentele afwijkingen van het juiste.
De stelling, dat, wat men ook denkt of doet, eene zaak zal uitvallen zoo als dit vastgesteld is, leidt tot moedeloosheid, die, dat men eene zaak goed of slecht kan doen uitvallen, naarmate men zus of zoo verkiest te denken, tot overmoed.21De aanhangers der absolute wilsvrijheid stellen eigenlijk dat de loop der verschijnselen oneindig zamengesteld is, zoodat zij met geene mogelijkheid te ontwarren en te voorzien is; de fatalisten daarentegen, dat de loop dier verschijnselen eenvoudiger is dan inwaarheid. Zij maken van de menschen alsware inerte blokken wier aaneenschakeling van denkbeelden van geen invloed is op hetgeen bij hun ligchaam door anderen waargenomen wordt plaats te hebben.
Evenals de dieren zoo handelen, dat zij van de gebreken hunner organisatie zoo min mogelijk hinder hebben, zoo verzaken de aanhangers van dergelijke eenzijdige begrippen deze grootendeels in het practische leven.
Dit is zelfs het geval bij hetgeen wel eens door de godsdienst als maatschappelijken plicht voorgesteld is. De christenleeraars vermanen bijv. niet hunne gemeenteleden aan om zich te laten vertrappen, of om te zorgen dat ieder hunner even rijk blijft. Voor de toeneming der ontwikkeling van het menschdom is het toch noodig, dat men tracht door arbeid in vermogen toe te nemen en dat men voor zelfverdediging zorg draagt. Er bestaan dan trouwens ook maar weinig christenen welke dit niet aldus opvatten en de slagtoffers worden van de naauwgezette opvatting hunner godsdienstleer.
De anatomisten hebben bevonden dat de hoofddeelen der ligchamen der dieren volgens een grondtype, bij de hoofddeelen van al de andere diersoorten terug gevonden wordende, gevormd zijn. In dergelijke gevallen verkeeren bijv. het hoofd, het hart, het zenuwstelsel, de ledematen enz. Naarmate de organisatie der diersoorten lager is, bevinden die deelen zich in een meer rudimentairen toestand en buitendien verschillen die volgens denzelfden grondtype gevormde deelen ook als derzelver organisatie ongeveer even hoog is, zooals bijv. de voorpooten van honden en de vleugels van vleermuizen.
Iets hiermede overeenkomende ontwaart men bij de verschillende godsdienstbegrippen der volken. Bij elk dezer kunnen toch die begrippen in drie deelen verdeeld worden, namelijk: 1º. die over God met of zonder ondergoden en hooger dan den mensch zijnde wezens, 2º. dieover de zielsonsterfelijkheid, 3º. die over het werelddoel.
Elk dezer deelen vindt men bij de godsdienstbegrippen van alle volken in meer rudimentairen toestand, naarmate die begrippen bij eene lagere geestontwikkeling passen en buitendien met elkander verschillende, wanneer zij, over het geheel genomen, op gelijke hoogte staan. Zoo staat bijv. het christelijke godsbegrip hooger dan dat der Israelieten van voor 3000 jaren, doch of het hooger staat dan het werkelijke der thans bestaande Israelieten is de vraag. In sommige opzigten misschien wel, doch in andere opzigten zal welligt het Israelitiesche godsbegrip, wegens deszelfs strenger monotheïstisch karakter en het stellen dat God niet onder menschelijke gedaante kan afgebeeld worden, het in verhevenheid winnen.
In zooverre zij door het karakter, den graad van beschaving en den aard der woonplaats der volkeren bepaald worden, zullen zulke verschillen bij die godsdienst begrippen door eene constante oorzaak in stand gehouden worden, doch voor de rest zijn zij accidenteel en zullen zij, door de op blz.20gemelde constante oorzaak van geschiktwording van lieverlede weggenomen worden.
Naarmate de geestontwikkeling der menschen grooter is, worden die godsdienstbegrippen gemiddeld niet slechts meer verheven, maar moeten zij, naar ons inzien, ook meer bevatten van hetgeen op buitenzinnelijk gebied werkelijk bestaat, zonder evenwel, wegens de beperking welke de aard hunner woonplaats aan de vergrooting der geestontwikkeling der aardsche menschen stelt, die waarheid op dit gebied ooit geheel en zuiver te kunnen bevatten.
Zelfs bij de minst ontwikkelde menschen overtreft de bewuste aanschouwing der dingen ver die der dieren. Zij zien niet slechts dat de lucht schijnbaar een gewelf vormt, dat zon en maan daarop groote lichtende plekken en de sterren kleinere plekken vormen, dat het licht vande zon komt, dat de aardbodem, bergen en dalen niet in achtgenomen, plat voorkomt, dat zon en maan het uitspansel doorloopen van horizon tot horizon, maar zien dit met bewustheid, dat is zij merken het op en prenten het in hun geest. Hoe is het nu mogelijk dat zulke door hunne zintuigen bedrogen menschen niet stellen dat de aarde plat is, dat zon en maan bewegen, dat de sterren zijn lichtende punten, vastgehecht aan het uitspansel enz.? Kunnen zij reeds dadelijk opmerken, dat de voorwerpen bij den horizon duiken, dat, naarmate voorwerpen hooger gelegen zijn, zij, wanneer men zich verplaatst, meer mede gaan, zoodat de hemelligchamen, dit in de hoogste mate doende, uiterst ver moeten liggen, neen zoo naauwkeurig kunnen zij eerst later opmerken.
Kunnen zulke menschen denken, wij zijn onbekwaam om door opmerking en redenering over den aard der hemelligchamen iets vast te stellen, wij schorten ons oordeel op? Neen zoo iets kan slechts gedaan worden, wanneer de ondervinding aangetoond heeft, dat vroeger gedane waarnemingen en daarop gebouwde begrippen onjuist zijn. De naauwkeurigheid der opmerkingen en die der daarop gebouwde redeneringen en stellingen staat tot bewuste aanschouwing der dingen in dezelfde verhouding als de organisatie der diersoorten tot de omstandigheden waarin deze verkeeren. Hoe sneller deze verhoogd zijn, hoe meer zie blz.31die organisatie te wenschen zal overlaten en eveneens, hoe sneller de bewuste aanschouwing der dingen zich uitbreidt, hoe meer dwaling der menschen begrippen zullen bevatten. De veranderlijkheid is aldus, wegens de werking der traagheid, bij gebrek aan tijd, evenzeer de moeder der dwaling als die der betrekkelijke onvolmaaktheid.
Zoo aldus de bewuste aanschouwing van menschen bijna steeds op eene zelfde zeer beperkte hoogte bleef, zou eindelijk dit effect der traagheid bijna vernietigdmoeten worden en de menschen bijv. wel van den aard en den loop der hemelligchamen zeer weinig afweten, maar daaromtrent bijna geene dwalingen aankleven. Hunne dan door geene noemenswaardige overmaat van bewuste aanschouwing alsware omhoog getrokken en alzoo bijna niet meer toenemende sterrekundige kennis zou tot die onzer hedendaagsche astronomen bijv. staan als de organisatie van een laagstaand, maar vroeger zeer traag in ontwikkeling gestegen dier, bijv. een oester, tot die van een veel hooger staand, maar sneller in ontwikkeling toegenomen dier, bijv. een paard. Even als nu, wegens die snellere ontwikkeling, de organisatie van dit dier betrekkelijk onvolmaakter is dan die van den oester, zoo zou de astronomische kennis van bovengemelde bijna niet in geestontwikkeling stijgende menschen minder dwaling dan die der hedendaagsche sterrekundigen moeten bevatten22.
Dit zal daarentegen het geval niet zijn met de kinderlijke astronomische begrippen der werkelijk bestaande of bestaan hebbende zeer onbeschaafde volken, omdat de bewuste aanschouwing der dingen bij hen niet in elk geval trager toeneemt dan bij de beschaafde volken.
In het naauwste verband met de bewuste aanschouwing staat de verbeelding. Deze rigt in der menschengeest gebouwen op, en het verstand komt later deze verbeteren, wijzigen en zelfs gedeeltelijk afbreken23. Hoegrooter de verbeeldingskracht eener natie is, hoe sterker derzelver bewuste aanschouwing der dingen in uitgebreidheid zal toenemen, hoe meer dwalingen zulk eene natie zal aanhangen, maar ook hoe sneller die toename der bewuste aanschouwing de wetenschappelijke kennis zal verhoogen24. Gebrek aan verbeeldingskracht is bijv. de oorzaak dat de wetenschappelijke kennis der Chinezen zoo langzaam stijgt en tevens dat deze zoo arm aanmythenen zoo weinig bijgeloovig zijn.
Omgekeerd zal gebrek aan oordeel en kritiserend verstand maken, dat de wetenschappelijke kennis moeijelijker voortgaat, en dit de toename in uitgebreidheid der bewuste aanschouwing vertragen. Waar dit nu het geval is, zal de vooruitgang, zoo in bewuste aanschouwing als in kennis, even als in het vorige geval, traag zijn, maar, in plaats dat de laatste weinig bij de eerste ten achteren zal zijn, zoo als in het eerste geval, zal zij zulks veel zijn. Zulke volken paren een bijna stationnairen intellectuelen toestand aan rijkdom van mythen; terwijl daarentegen volken van scherp verstand en tevens van veel verbeeldingskracht, (zooals bijv. de oude Grieken) snel voorwaarts gaan in kennis en tevens rijk aan mythen zijn.
Was de bewering der Atheïsten, dat alle begrippen omtrent de zielsonsterfelijkheid, het werelddoel en den oneindigen onveranderlijken geest, buiten der menschen en dieren geesten bestaande, geheel het werk der verbeelding en valsch waren, juist zoo zou der menschen verstanddeze niet gebaat hebben om, bouwende op de ervaring op zielkundig en ander gebied, het werk hunner verbeelding te achtervolgen en alsware te verbeteren. De middelste der drie bovengemelde gevallen zou alsdan in zeer geprononceerde mate bestaan en aldus die begrippen als werk der verbeelding slechts een lagen trap van ontwikkeling hebben kunnen bereiken, even als bijv. de organisatie van dieren, zoo deze zich hoegenaamd niet naar hoogere levensomstandigheden kunnen schikken.
Welk een verschil neemt men daarentegen waar tusschen de godsdienstige begrippen der fetischdienaars en der menschen van het steenen tijdperk en die van sommige wijsgeeren en in den jongsten tijd ook van vrijzinnige godsdienstleeraars.
Uit het voorgaande volgt, dat, naarmate de godsdienstige begrippen in verhevenheid klimmen, zij niet altijd minder dwaling zullen bevatten. Wanneer de bewuste aanschouwing het sterkste toeneemt, zullen die dwalingen gemiddeld op een maximum zijn, en, zoowel in het verledene als in de toekomst, verminderen, even als bijv. bij zeer kleine kinderen het vallen voor en na zekeren leeftijd zulks doet, en wij vermeenen dat de protestanten dit keerpunt reeds achter zich hebben.
Bleef de geestontwikkeling van een volk steeds op dezelfde hoogte en bestonden er (zie blz.68) geene storende en verandering aanbrengende accidentele oorzaken, zoo zouden eindelijk zijne godsdienstige begrippen, door de volledige achterhaling van het werk der verbeelding door dat van het kritiserende verstand, niet alleen van (zie blz.104) door het toeval, maar ook van door constante oorzaken, zooals zinnelijkheid, bekrompenheid enz. ontstaande dwalingen gezuiverd worden. In plaats van met dwalingen vermengde en op eene gebrekkige wijze uitgewerkte waarheden te bevatten, zouden zij slechts uit zuivere waarheden bestaan, maar deze, evenals, zie blz.115, de astronomische begrippen van zulk een volk zeer rudimentair kunnen zijn25.
Bij het voorgaande moeten bij de dwalingen, door de verbeelding bij bewuste aanschouwing der dingen voortgebragt, gevoegd worden, die geboren door onzuivere redeneringen, waarmede men meent den aard der dingen op eene wetenschappelijke wijze te verklaren. Vandaar dat het maximum der dwalingen, dan niet alleen, uit wat men mythen kan noemen, bestaande, eigenlijk eenigzins later zal bestaan dan tijdens dat de bewuste aanschouwing op het sterkste toeneemt, en dat eindelijk ook de uitbreiding van het veld van bespiegeling minder nieuwe dwalingen ten gevolge zal hebben, dan er oude door de kritiek weggenomen worden26.
Onder die dwalingen, door constante oorzaken bij de godsdienstbegrippen teweeggebragt, behoort de speciale en directe goddelijke veropenbaring. Deze dwaling zal in kracht afnemen, naarmate de voorstellingen van den aard en de werking van het Opperwezen minder gebrekkig worden. Integendeel doet de met de beschaving toenemende behoefte aan godsdienst haar in kracht toenemen. Beneden zeker standpunt van ontwikkeling der godsdienstbegrippen schijnt het laatste en na dien het eerste de overhand te hebben. Hunne bewuste aanschouwing van hetgeen in de natuur voorvalt buiten de ten gevolge hunner eigen denking ontstaande handelingen en arbeid, moest de op lagen trap van geestontwikkeling staande menschen leiden om zulke voorvallen, even als hunne eigen handelingen, te stellen, het gevolg te zijn van denking, maar van denking van magtige,onsterfelijke ofschoon menschelijke denkvormen bezittende wezens zie blz.4.
Dat die Goden der wilden ons zoo weinig zedelijk voorkomen spruit hieruit voort, dat bij volken, waarbij den maatschappelijken band zeer zwak is, wat wij onregt, willekeur en wreedheid noemen, veel minder schaadt dan bij ons. De vergrooting der geestontwikkeling der individuen kan bij wilden slechts door lagere soorten van strijd geschieden en het is klaar dat zulke wilden niet hunne goden kunnenmodellerennaar de behoeften van maatschappelijke toestanden ver boven de hunne verheven.
Tot het begrip van een eenigen God kunnen door eigen ontwikkeling wilden zich niet verheffen, deels omdat zij de verschillende natuurverschijnsels niet genoegzaam met elkander in verband weten te brengen, om zich een eenigen regelaar er van te denken, deels omdat zij geen eenige wijze van denking slechts Gode waardig weten te keuren. Zoodra dit laatste plaats heeft vervalt het polijtheisme, omdat het ongerijmd is om zich verscheidene wezens alle precies op dezelfde wijze denkende en handelende en aldus als volmaakt identiek voor te stellen.
Wegens die losheid der maatschappelijke banden en de slechts vijandelijke gevoelens welke wilden van verschillende stammen voor elkander koesteren, kunnen menschenoffers niet als voor hen schandelijke en zeer schadelijke gebruiken gerekend worden. Evenals toch de zijne jongen zorgvuldig opvoedende arend, andere dieren die hij magtig kan worden, rooft en moordt, zonder zijne zedelijke verpligtingen te kort te doen, evenzoo kan de wilde deze vrij wel vervullen, terwijl hij steeds vijandig optreedt tegen andere stammen en zelfs tegen andere huisgezinnen. Op hoogeren trap van beschaving en aldus van gevoel en deelneming voor de menschen in het algemeen staan bijv. gewis deprotestantscheKaapscheboeren en niettemin achten deze zich jegens de Kaffers aan bijna niets gebonden en ontzeggen zij zelfs deze den naam van mensch.
Ofschoon nu de wilde, wegens de bovengemelde rede, andere waarden dan wij aan de zedelijke daden toekent, wenscht hij echter eene vergelding dier dadenbepaalddoor de hem er aan toegekende waarde, dat is hij wenscht dat er billijkheid heersche. De menschen komen hem daartoe onvermogend voor, de goden moeten te hulp komen en wel, wegens zijne beperkt inzigt in den tijd, binnen korten tijd, of wel zij laten het onregt met het oog op een voor de menschen verborgen doel, toe.
In tweederlei opzigten werkt aldus zijn godsbegrip gunstig voor hem, primo als drijfveer tot het goede, zooals hij dit, met het oog op de eischen van zijn lagen maatschappelijke toestand, opvat, en secundo als een drang tot het hoogere, omdat hij zich zijne goden, ofschoon, wegens zijne beperkte opvatting, naar zijn model geschoeid, als hooger geestelijk ontwikkelde wezens voorstelt.
In zulk een godsbegrip bestaat er, naar ons inzien, een grond van waarheid. De billijkheid heerscht, maar niet gedurende een beperkt, maar slechts gedurende grootst eindig aantal jaren, (zie ons werk get: Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 131.)
Hij die het goede betracht verheft zijne zedelijke ontwikkeling en maakt zich geschikter voor hoogere levens toestanden, terwijl hij, die zich aan het kwaad overgeeft, naar lagere toestanden neigt. Het onregt bestaat, deels wegens de betrekkelijke snelle verhooging der eischen van den maatschappelijken toestand, deels wegens de werking van accidentele oorzaken en beide oorzaken strekken, zie blz.67, ter verheffing van de geestelijke ontwikkeling der menschen, ofschoon, zooals op blz.68gezegd is, slechts, in zooverre zulke onregt teweegbrengendeaccidentele omstandigheden vereenigt met andere accidentele omstandigheden beschouwd worden, zij voor zulk een doel als die geestelijke verheffing kunnen geacht worden bestemd te zijn. Desniettemin is hij, die de werking der Natuurwetten op geestelijk gebied niet nagegaan heeft, geregtigd om te zeggen, dat het bestaan van het onregt zamenhangt met een voor hem verborgen doel. Dat het opzien naar en het zich wenden tot een hooger wezen geestopheffende is, zal wel nietontkendworden, maar bekrompen zijn de begrippen, dat zulk een wezen qualitatief niet van wijze menschen verschilt, dezelfde denkvormen als deze bezit, dat zijne werking op de menschen gelijkt op die van deze op elkander en dat men zich met hem in gemeenschap kan stellen zoo als de menschen dit onderling doen. Naar ons inzien is de gemeenschap van ons menschen met het oneindige oerwezen wel in het duister verborgen, maar veropenbaart zij zich echter hierdoor, dat de beschouwing van de stoffelijke en geestelijke wereld onzen in het bezit van zekeren aanleg zijnde geest vraagstukken ter oplossing voorstelt en ons aldus alsware vragender wijze doet leeren en ten gevolge hiervan in geestontwikkeling doet toenemen. Geheel de beschaving en wetenschap van ons geslacht en de toeneming in geestontwikkeling der menschen gedurende hun leven is hiervan het gevolg. Op blz.56hebben wij aangetoond, dat de verhooging der geestelijke ontwikkeling der wezens door geestinspannenden strijd geschiedt. Nu zijn hulp en bescherming zaken voorkomende bij strijd met collectieve handeling met onderlinge zamenwerking der menschen gepaard gaande en waarvan dus slechts tusschen de medestrijders onderling sprake kan zijn. Ja zelfs bij de aldus strijdende maatschappij, wordt, in het belang der toeneming van hare geestelijke ontwikkeling, bescherming en hulpbetoon beperkt. Dit zoeken van hulp en bescherming bij volksgoden, bij sommige der goden en, bijhoogeren trap van beschaving, bij het eenige Opperwezen is een gevolg van het op blz.117gemelde vooruitloopen der werking der verbeelding. Hoe sterker de maatschappelijke banden worden, hoe sterker bij den mensch het denkbeeld van hulpbetoon, wordt, doch hij blijft ten achteren om, door middel van beredeneerde beschouwing en doorgronding der dingen, te bepalen bij wie hij hulp bij arbeid en strijd mag ondervinden om haar vruchtbaar voor zijne geestelijke ontwikkeling te doen zijn zie blz.5527.
Tot een noemenswaardig begrip der onsterfelijkheid der ziel is de mensch eerst op een hoogeren trap van geestelijke ontwikkeling en aldus later gekomen dan tot een godsbegrip. Eerstgemeld begrip is toch niet in zulk direct verband met zijn heden als dit laatste en de onbeschaafde mensch houdt zich zeer weinig met de toekomst op. Buitendien was het gemakkelijker om zon, maan enz. bezield te achten, dan te stellen dat van den mensch iets anders dan een bewegingloos lijk kan overschieten.
Bij de wilden, die wijsheid bij verzwakte en oude en daarentegen minder geestontwikkeling bij krachtige ligchamen bezittende menschen vermeenen te vinden, onder anderen bij onze voorouders de Germanen, verkregen de dapperste en krijgshaftigste, dat is in zeker opzigt de (zie blz.65) meest geestelijk ontwikkelde onder hen eene eereplaats in den Walhalla.
Reeds dit rudimentaire begrip der onsterfelijkheid der ziel is een bewijs hoe vroeg de mensch tot het bewustzijn komt, dat wij in dit aardsche leven wel in zekeren zin ons ligchaam verslijten, zoodat dit na volbragte taak geene reden van bestaan meer heeft, maar dat wij in geestelijk opzigt, door werken, strijden en leeren, ietsvoor ons eigen ik bekomen, zoodat dit niet behouden blijvende, dit leven grootendeels zijn doel zou missen.
De onbeschaafde mensch is echter te beperkt van opvatting om zich een leven hier namaals voor te stellen, waarin men niet ligchamen bezit op de aardsche gelijkende en met dezelfde zintuigen als deze begiftigd, waarin niet perpetueel de menschelijke denkvormen en de menschelijke geestelijke natuur, al zij het in verhevener vorm, behouden blijven en dat elders dan boven de wolken, of in de diepte der aarde gesleten wordt.
Trouwens het bestaan van een onnoemelijk aantal werelden buiten onze aarde, waarvan de meeste tot woonplaatsen kunnen dienen van ver boven ons verheven wezens, is betrekkelijk kort geleden ontdekt en de meest gevorderde godsdiensten hebben zich nog niet op de hoogte der astronomie kunnen stellen. Evenmin hebben zij zich kunnen verheffen tot het bij sommige wijsgeeren wortelgeschoten hebbende begrip van eene reeks van toekomstige levens, waarin de gewonnen schat (namelijk de geestontwikkeling) niet alleen voor roesten bewaard of behouden, maar ook door arbeid en strijd vergroot moet worden; van eene reeks van levens, waarin van lieverlede de denkvormen van het wezen veranderen en meer gelijkslachtig met die van het oerwezen worden, totdat na een grootst eindigen tijd en grootst eindige vergrooting der geestontwikkeling, er eene volmaakte oplossing in dit oerwezen plaats grijpt.
Slechts bij het Boeddhisme wordt die eindelijke oplossing op eene twijfelachtige en gebrekkige wijze, (omdat zij plotseling geacht wordt te kunnen geschieden) aangenomen.
Bij de godsdienst der Brachmanen vindt men het zinrijke denkbeeld, dat hij, die zijne zedelijke ontwikkeling vermindert, zich voor lagere levensvormen geschikt maakt en deze deelachtig wordt, en aldus een verband tusschenmenschen en dieren, alsmede het begrip van preexistentie (zie later). In sommige opzigten zijn aldus die godsdiensten de christelijke vooruitgestreefd, evenals dieren, over het geheel eene lagere organisatie dan andere bezittende, in sommige opzigten hooger dan deze staan.
De mensch hecht aan het leven, zelfs dan wanneer zijn door ouderdom uitgeput ligchaam zijn naderend einde verkondigt en desniettemin voldoet het leven hem niet, terwijl noch het een noch het ander zou moeten plaats hebben, zoo het, in plaats van eene leerschool, die men op allerlei leeftijden en door allerlei toevallen kan verlaten, een goed voltooiden loopbaan, waarvan al de vruchten achterbleven, vormde.
Hoe minder dit laatste, naar aanleiding van het op blz.83gemelde, het geval is, naarmate bij de maatschappij de geestontwikkeling en dus ook de beschaving grooter is, hoe meer behoefte men dan aan duurzaamheid heeft, hoe meer men dan om de toekomst denkt en hiervoor leeft, in hoe scherper tegenstelling dan met die behoefte de broosheid van het leven van het ligchaam wordt en hoe inniger het bewustzijn, dat met dit ligchaam onze geestelijke ontwikkeling niet kan ten ondergaan, moet zijn. Zoo toch bij hoogere beschaving de kunst meer hulpmiddelen verschaft om het ligchaam te behoeden, is men dan ook meer verpligt om in den strijd des levens, in het streven naar hooger, op de onmetelijke vlakte der zee, in de ingewanden der aarde, bij werktuigen, bij het minste ongeval verwoesting veroorzakende, het bestaan van dit ligchaam te wagen, terwijl van den dan gedurende zijn leven meer leerende mensch de grootere geestinspanning zie bl.72en84ook vernielender op zijn ligchaam werkt. Ook met betrekking tot het werelddoel vormt de onbeschaafde mensch zich bekrompen, maar kiemen van waarheid bevattende begrippen. Zoo bijv. acht hij dieren en planten voor hem geschapen. Dit nu is (zie bl.18) niet juist,maar, wegens de uitwerking der oorzaak de mensch geschikt trachtende te maken voor de levensomstandigheden waarin hij verkeert, en de wijzigingen die hij ook, tengevolge dier oorzaak, bij sommige dier en plantensoorten heeft teweeggebragt bestaat er wel een zeker verband tusschen zijne behoeften en den aard der dieren en planten.
Ook het nederdalen van Goden op deze aarde om het menschdom in moeijelijke omstandigheden te helpen is een bekrompen denkbeeld, doch dat de waarheid bevat, dat in zulke omstandigheden er werkelijk redding komt, maar van de menschheid zelve die, geprikkeld door het ongeluk, onder inspanning en vergrooting harer geestontwikkeling de vereischte hulpmiddelen vindt en in toepassing brengt. Ook behoort tot de begrippen over het werelddoel die, dat eene opvolging van generatien elk een leven leidende, zoo rijk aan ramp en teleurstelling als het menschelijke leven, niet steeds heeft plaats gehad, noch immer zal voortduren, maar gevolgd is op een zeer gelukkigen primitieven toestand en, na de totale nederlaag van het genie van het kwaad, eindelijk zal opgevolgd worden door een niet minder gelukkigen eindtoestand.
Bij dit begrip heeft men dan het oog gehad op een volk, dat eindelijk de anderen zal overheerschen, dan op eene godsdienst, die eindelijk het gansche menschdom onder hare banier zal brengen, dan op de menschheid, die eindelijk het godsrijk zal binnentreden28.
Laat ons thans zien in hoeverre die begrippen waarheid bevatten.
Op bl.64en67hebben wij aangegeven dat de veranderlijkheid, de voorwaarde van allen vooruitgang, wegensde werking der traagheid, de bron is van alle kwaad, dwaling en onvolmaaktheid, terwijl die zelfde traagheid de voorwaarde is van alle bestendigheid. Is er nu in de wereld voor een grootst eindigen tijd eene uiterst kleine verandering ontstaan, zoo kan eerst toen er op het kwaad in eene noemenswaardige mate ontstaan en aldus het rijk vanAhrimangeboren zijn. Zoolang echter die veranderingen zeer luttel waren, moest dit kwaad zulks ook zijn, omdat, even als een zeer traag groeijend kind gemiddeld steeds weinig uit zijne kleederen zal gegroeid zijn, de trage verandering van het eene, waarna zich het andere moet schikken, dit laatste veroorlooft om weinig achterna te komen. Toen echter die verandering sneller plaats had moesten onvolmaaktheid en kwaad grooter en aldusAhrimanmagtiger worden, doch tegelijk, naar aanleiding van het op bl.13gezegde, de organische Natuur in ontwikkeling sneller dan vroeger toenemen. Stelt men echter dat, wanneer deze ontwikkeling eene zeer groote hoogte zal bereikt hebben, de veranderingen weder trager gaan geschieden, zoo zal alsdan het kwaad weder afnemen, om bijna niet meer te bestaan wanneer na een uiterst langen tijd die verandering weder uiterst luttel geworden is.
Na eene eeuwigheid moet danOrmuzdweder alleen heerschen, doch er dit verschil met den toestand in het eeuwig verleden aanwezig bestaan, dat toen die ontwikkeling nul en nu oneindig groot is. Op deze aarde is echter zoo iets onmogelijk, wegens de gedurige verandering van in geestontwikkeling toenemende individuen, zie bl.82. Dit systema vindt men bij hetParsismeop eene wel is waar gebrekkige en kinderlijke wijze ontwikkeld, doch het doet dit in zoo verre staan boven het christendom, dat met eeuwige straffen in de hel dreigt, niettegenstaande de oorzaak, het eene voor het andere geschikt trachtende te maken, bij een constanten toestand der hel, onmogelijk de verdoemdengedurende eene eeuwigheid onvoldaan kan laten.
Een slecht mensch is iemand sterk ten achteren zijnde betrekkelijk de zedelijke eischen van zijn bestaan, (zoodat slechtheid niet de tegenstelling van deugdzaamheid in het algemeen, maar slechts van die met offers gepaard gaande, is). Deze eischen trekken hem opwaarts en, ofschoon zoo iemand gedrongen wordt naar wijzen van bestaan waarbij die eischen lager zijn, zoo gaan gemiddeld toch die lagere eischen ook opwaarts. Zoo zal b.v. een verspilziek beschaafd man wel matroos of soldaat kunnen worden, betrekkingen waarin men met weinig zorg voor de toekomst kan volstaan, doch ook de matrozen en soldaten moeten, naarmate de beschaving klimt, aan hoogere maatschappelijke eischen voldoen. Stijgen nu deze eischen zeer weinig, zoo moet klaarblijkelijk een slecht mensch minder betrekkelijk die eischen ten achteren geraken en aldus betrekkelijk minder slecht worden, en, wanneer die eischen gedurende uiterst langen tijd bijna niet vooruitgegaan zijn, niet meer noemenswaardig slecht zijn. Hiertegen zal men aanvoeren dat zijne finale trap van oneindige ontwikkeling dan kleiner moet zijn dan bijv. die van een steeds braaf mensch, doch een ieder, in de hoogere wiskunde ervaren, weet dat oneindige grootheden zelfs oneindig veel met elkander kunnen verschillen, en dat eene kromme lijn steeds minder en minder boven de abcissen as kan stijgen en niettemin bij oneindig groote abcissen er oneindig hoog boven verheven kan zijn.
Naarmate de beschaving stijgt, hechten de menschen meer aan hunne godsdienstbegrippen, doch begrijpen zij tevens beter dat die begrippen hen niet direct op goddelijke wijze geopenbaard zijn. Heeft nu, gedurende de toeneming in ontwikkeling dier begrippen, eerst het eerste en later het tweede de overhand, zoo zal bij zekere graad van ontwikkeling dier begrippen, (evenwel nog al veeluiteen loopende, naarmate van den aard dezer) het toekennen van goddelijk gezag aan de godsdienstbegrippen op een maximum van sterkte zijn.
Bij elk volk vindt men individuen, zoo wegens opvoeding als wegens ouderdom, op zeer verschillende trappen van geestontwikkeling staande. Ofschoon nu hierin de lage klassen en de kinderen bij beschaafde volken op gelijke hoogte als de volwassenen onder de hooge standen bij minder beschaafde volken kunnen gerekend worden te staan, is dit niet het geval voor elk deel dier geestontwikkeling. Bij sommige deelen hiervan zullen die hooge standen bij minder beschaafde volken, omdat zij de andere standen moeten overheerschen, hooger dan bij ons de lage standen en bij andere deelen dier geestontwikkeling, omdat zij het onderrigt van meer beschaafde menschen dan zij missen, lager dan deze staan. Men kan echter niet zeggen dat hierdoor, zoo bij de hooge standen der minder beschaafde als bij de lage standen der meer beschaafde volken, het harmonische verband tusschen de deelen hunner geestontwikkeling verbroken is. Zij verkeeren toch in verschillende omstandigheden, even als bijv. de groote gras en kruidenetende en de kleine vleeschetende zoogdieren, die insgelijks niet quantitatief maar wel qualitatief met elkander in geestontwikkeling verschillen. Zie blz.38.
Desniettemin moet bijv. de volksklasse lagere en meer kinderlijke godsdienstige begrippen dan de meer beschaafde klasse bezitten, zonder dat zij daarom bij gene meer dan bij deze, met die, zooals op blz.104gezegd is, door het toeval ontstane begrippen vermengd zijn. De geschiedenis leert dan ook dat bij sommige volken hiervoor welligt (in tegenoverstelling van bij ons) zelfs in te sterke mate gezorgd werd, doch men moet niet hieruit besluiten dat het oningewijd blijven der volksklassen in de mysteriën der godsdienst niet voornamelijk tot oorzaakhad de onvatbaarheid dier volksklassen om die mysteriën te begrijpen.
Wanneer menschen betrekkelijk anderen in kennis van iets toenemen, oefenen zij te weinig gezag uit en willen zij anderen te veel van hunne verkregen kennis mededeelen, en, wanneer hunne superioriteit vermindert, heeft het omgekeerde plaats.
Bij het harmonisch zijn der verschillende takken van het weten, gelooft men met betrekking tot het godsdienstige aan hetgeen men, krachtens de ervaring (die op zielkundig gebied er onder begrijpende) krachtens op die ervaring gebouwde redeneringen en krachten historische gronden en inspiratie, zeker vermeent te weten. Wanneer echter de harmonie tusschen de verschillends takken van het weten verbroken is, ontdekt men bij het licht der verst gevorderde wetenschap, dat de juistheid der minder gevorderde geen onderzoek meer kan verdragen, en wordt niettemin het geloof aan die juistheid als iets noodzakelijk voor den mensch beschouwd, zoo wordt er een anderen grondslag dan eene vermeende indirect op ervaring gegronde overtuiging aan gegeven. Dit gebrek aan harmonie tusschen de verschillende takken van wetenschap, wegens derzelver ongelijken vooruitgang zie blz.133, benadeelt denphylosophischen geest, leidende om die verschillende wetenschappen in verband met elkander te beschouwen en maakt thans dat velen in hun geest eene scheiding maken tusschen wetenschap en godsdienstig geloof en dezelfde scheiding bij het onderwijs der jeugd verlangen.
De primaire verbetering van zulk een vicieusen toestand, kan slechts geschieden door het achterhalen, of althans door het meer nabij achtervolgen der meest gevorderde takken van weten door de minder gevorderde, doch als secundaire verbetering is het welligt het beste, zoo men teregt het onderwijs der jeugd de wereld enlevensbeschouwing niet verbannen wil, er zeer bescheiden mede te zijn en de zaak zoo te middelen, dat de gematigden, namelijk het gros, wanneer zij die levens en wereldbeschouwing der school niet te veel op den keper beschouwen, er mede kunnen instemmen. Van de uiterste partijen, namelijk desterkste, maar in scheve rigting geavanceerde, die der materialistische pantheisten en de achterlijkste, die der stijf orthodoxen, moeten de godsdienstige overtuigingen dan maar ongeëerbiedigd blijven. Trouwens zij, welke tot de uiterste politieke partijen behooren, moeten bij gemeenschappelijke handeling van een gemengd publiek zich evenzeer gekwetst gevoelen. Dit gebrek is (zie bl.73) het gevolg der sterkte der toeneming der maatschappelijke ontwikkeling en zal even goed verminderen als deze toeneming geringer wordt, als dat een troep soldaten bij vertraagden gang beter opgesloten zal raken.
Zoolang de voorste verwisseld wordende manschappen van den troep sneller loopen dan het gros, zullen zij meer verspreid en verder van dit gros verwijderd zijn dan de achterste manschappen, doch het omgekeerde plaats hebben, wanneer zij naderhand trager dan deze loopen. Evenzoo zullen, zoolang van de beschaafde klasse, zij die geavanceerde begrippen koesteren, sneller vooruitgaan dan het gros dier klasse zij slechts, enkelen zijn betrekkelijk ver van dit gros verwijderd (zooals bijv. de wijsgeeren) doch kunnen zij eenmaal hier op aarde weinig verder voorwaarts gaan, het gros bij hen komen en de achterblijvende uit enkele verspreide personen bestaan. Het voorwaarts gaan bij nevenst. fig. vananaardgerekend wordende te geschieden, zoo zal de digtheid van groepering bij de gelijktijdig bestaande trappen van vooruitgang in het eerste geval door de ordinaten der krommeabden inhet laatste geval door de ordinaten der krommeacdaangegeven worden. Onderdrukking der uiting van denkbeelden, van die van het gros verschillende, ter bevordering van eenheid en aldus ter daarstelling van geschiktheid in zekeren zin, zal (behoudens de vertraging van den vooruitgang door het onderdrukken van den intellectuelen strijd) in het eerste geval bij gemiddeld al de individuen van bovengemelde beschaafde klasse tot trageren en in het tweede (zooals bijv. bij het opdringen van het christendom aan verschillende heidensche stammen doorKarel den Grooten) tot snelleren vooruitgang leiden.
Het gros kleeft de het meeste prestige bezittende denkbeelden aan. Dit prestige van iets is gemiddeld het gevolg van deszelfs voortreffelijkheid met betrekking tot de behoeften der menschen gedurende zeker tijdvak, doch, wegens de werking der traagheid, is het op het grootste wanneer die voortreffelijkheid reeds aan het verminderen is. Het belemmert aldus den vooruitgang, maar bevorderd de geschiktheid, daar het wel eenigzins verouderde, maar niettemin nog veel goeds bezittende zaken sterker in de maatschappij doet wortelen en deze als ware, zie blz.72op een beteren weg trager voorwaarts doet schrijden.
Even als dwang gaat het prestige den intellectuelen strijd tegen en maakt, door dien dwang aan zich dienstbaar te doen worden, dat deze gemiddeld meer de uiting der geavanceerde dan die der verachterde denkbeelden onderdrukt. Zelfs in het geval dat (zie bl.83) de maatschappij bij de achtervolgende generatien niet meer in beschaving toeneemt, zal bij de individuen er verschil in opinie bestaan en den hierdoor verwekten intellectuelen strijd den vooruitgang dier individuen gedurende hun leven bevorderen. Deze zal daarentegen, ten bate der geschiktheid, door geen leed teweeg brengende dwang tegen gegaan worden, want alle soort van dwang scheptevenmin geschiktere levensomstandigheden voor de individuen, als (zie bl.56) alle soort van strijd ten beste van hun vooruitgang strekt.
Bestaat er eene oorzaak, waardoor in een staat eene meerderheid en eene minderheid tegenstrijdige belangen hebben, zoo zal, wanneer elk hunner toegeeft in omgekeerde reden van derzelver sterkte, de drang van beide zijden even sterk zijn, er als ware een evenwigtstoestand ontstaan en de oorzaak, het een voor het ander geschikt makende, zoowel de grieven der minderheid als die der meerderheid van lieverlede doen verdwijnen. Veranderingen van omstandigheden, waardoor er nieuwen strijd tusschen de belangen ontstaat en de trage werking dier oorzaak van geschiktmaking zijn hierbij de oorzaken van grieven en tweespalt.
De oorzaak, waardoor gemiddeld de godsdienstbegrippen der volken eenigzins ten achteren zijn betrekkelijk hunne andere wetenschappelijke kennis, ontstaat doordat het verstand moeijelijk in het gebied van het buitenzinnelijke kan dringen, en de godsdienstbegrippen voor een grooter deel op buitenzinnelijke zaken betrekking hebben dan bijv. de begrippen over de scheikunde, geologie enz.
Dit is echter het gevolg der toeneming onzer geestelijke ontwikkeling en is vergelijkbaar met de afstanden tusschen de op bl.131gemelde soldaten ontstaande, zoo sommige hunner op moeijelijker paden dan de andere loopen. Hoe harder zulk een troep dan gemiddeld loopt, hoe verder die soldaten uiteen zullen geraken, niettegenstaande het bevel tot opsluiting, dat te vergelijken is met de neiging der verschillende takken van weten om zich op dezelfde hoogte te stellen en aldus voor elkander geschikt te worden.
Zoo echter de voorste manschappen van lieverlede langzamer gaan loopen, zullen de achterblijvende hensteeds meer naderen en eindelijk, wanneer alles stilstaan, de troep volmaakt opgesloten zijn. Evenzoo zou dit met der menschen verschillende takken van weten moeten gaan bij wezens slechts voor eene eindige ontwikkeling vatbaar. Hunne meest gevorderde tak van weten zou zich eindelijk niet verder ontwikkelen en de andere van lieverlede zich op eene zelfde lijn er mede stellen, omdat, waar de vooruitgang opgehouden is, de disharmonie eindelijk ook verdwijnen moet.
Zoo echter het pad voor de achterblijvende manschappen voorbij zekere plaats van den weg wat gemakkelijker wordt, ofschoon nog steeds moeijelijker blijvende dan voor de voorste manschappen, zal hunne distantie verminderen en dit eveneens het geval kunnen zijn met der geesten verschillende takken van weten gedurende toekomstige wijze van bestaan.
De practische hulpmiddelen der wetenschap zijn bij de eischen van het in ontwikkeling toenemende maatschappelijke leven gemiddeld ten achteren. Toen bijv.Columbusnaar de West-Indië toog, liet zijne kennis van het aardmagnetismus hem in den steek, de mijnwerkers zouden wel wat meer van den geologischen toestand der aardkorst en de schippers van de meteorologie wenschen te weten. Trouwens de vooruitgang van het practische deel der wetenschappen ontstaat gemiddeld ten gevolge der behoefte hieraan en slechts bij uitzondering zullen practische hulpmiddelen der wetenschap te verheven voor de maatschappelijke behoefte zijn, want het tijdelijk verzuimen van kortelings verkregen hulpmiddelen der wetenschap, wegens de ongewoonte hieraan, mag niet als het werkelijk er voor te laag zijn dier behoeften aangemerkt worden. Zulke verkregen hulpmiddelen komen overeen met die te laat voor de maatschappelijke behoeften ingevoerde instellingen, waaraan men zich moet gewennen, zoodat in een opzigt men hierbijeene zaak reeds vroeger noodig zou gehad hebben en in een ander opzigt nog niet op hare hoogte gekomen is.
Eigen vooruitgang bij de practische hulpmiddelen der wetenschap noopt de eischen van het maatschappelijke leven, voor zoo verre zij met die hulpmiddelen in verband staan, hooger te worden. Zoo bijv. heeft de uitvinding van het kompas gemaakt dat men wat eerder verre zeereizen is gaan ondernemen, en zal bijv. de vergrooting der vleugels van vogels deze hooger doen vliegen. Dit maakt echter slechts dat hetgeen men, om aan de eischen van iets te voldoen noodig heeft, hierbij minder ten achteren blijft, terwijl beide evensnel en wat sneller, dan bij het gemis van den eigen vooruitgang, van het eerstgemelde, voorwaarts gaan. Dit bijv. voorstellende door eene schuit, zoo zal die eigen voortgang vergelijkbaar zijn met roeijen, waardoor die schuit, bij wat snelleren gang dan anders, minder ver achter het jaagpaard zal liggen, zoo het hiermede verbonden is door eene elastieke treklijn. Dit jaagpaard komt dan in de plaats van dit iets aan wiens eischen behoort voldaan te worden en de zamentrekkende werking bij de elastieke treklijn met den drang tot geschiktwording van het een voor het ander.
In dezelfde verhouding als zulke hulpmiddelen, betrekkelijk de eischen van het een of ander bedrijf, staan de godsdiensten betrekkelijk de eischen van het geestelijke leven van den mensch. Deze vorderen verklaringen betreffende het werelddoel, de bestemming van den mensch en het Opperwezen, verklaringen bij elke hoogte dier eischen met betrekking tot deze in geene voldoende mate te geven.
Nu kan het wel zijn dat, evenmin als een schipper inziet, dat bijv. de bemesting der akkers niet aan de eischen van den landbouw voldoet, menschen van geringe geestontwikkeling met betrekking tot de maatschappijwaarin zij verkeeren, dit onvoldoende der godsdienstbegrippen dier maatschappij niet bemerken. Dit echter bewijst slechts dat zij een oppervlakkigen blik in het leven slaan, of wel met sterke veroordeelen behebt zijn, en van hen is dan ook geene bevordering van den vooruitgang dier begrippen te verwachten.
Zoo eenmaal de eischen der beschaving niet meer toenemen moeten de hulpmiddelen der wetenschap op de hoogte der behoefte er aan komen, doch ook dan zullen zij er slechts gebrekkig aan voldoen. Veel komt het toch aan op de aanwending dier hulpmiddelen, en deze zal door de, wegens hun kortstondig en veranderlijk leven, slechts gebrekkig iets leerende menschen nimmer volmaakt goed geschieden.
Welke hulpmiddelen men bijv. verzint om schipbreuken bij de zeevaart te beletten, de niet volkomene ervarenheid der bemanningen zal maken, dat er steeds op zee ongelukken zullen plaats hebben.
De groote verschillen bij en den accidentelen aard der omstandigheden, waarin er behoefte aan het aanwenden van zulke hulpmiddelen bestaat, verhindert ook het steeds voldoen hiervan. Dit gaat ook door voor menschen, zoodat, om deze in zekeren werkkring beter te doen voldoen, men hen in zoo min mogelijk variërende omstandigheden moet plaatsen, iets dat bijv. gedaan wordt bij de verdeeling van den arbeid. Ten bate der geschiktheid wordt door die verdeeling den vooruitgang der individuen geschaad, want hoe nadeelig hiervoor is het veroordeelen van menschen tot steeds denzelfden arbeid is gemakkelijk na te gaan.
Hoe hooger de graad van beschaving is, hoe meer, naar aanleiding van het op bl.83gemelde, het individu in kennis in den algemeensten zin en dus ook in die van ambachten ten achteren zal staan betrekkelijk de gansche Maatschappij en zulk een toenemende euvel zal slechtsdoor versterking der werkverdeeling kunnen getemperd worden.
Die verdeeling van den arbeid is, naarmate de staten grooter werden, ook bij de legers en regeringen meer ingevoerd. Zij baart verschil in rangen, autoriteit en discipline en strekt ter verhooging der maatschappelijke beschaving, voor zooverre deze door de zamenwerking der individuen bevorderd wordt, doch belemmert daarentegen die verhooging, voor zooverre deze de vrucht der vrije en veelzijdige werking der individuen is. Vandaar dat bij toeneming der beschaving wel de willekeur vermindert, maar, noch de vrijheid, noch de gelijkheid der individuen grooter worden.
Leeren veronderstelt iets nieuws doen op eene gebrekkige wijze, terwijl men op de beste wijze iets zal doen en aldus op het meeste practisch nuttig zijn, wanneer men iets, waarmede men bekend is, verrigt. Vandaar dat de menschen het meeste practisch nuttig zouden zijn, zoo zij steeds op deze aarde voortleefden en niet door leeren in geestontwikkeling toenamen, zoodat zij zonder vermoeijende inspanning werkzaam en, voor de eischen van hun bestaan en de omstandigheden waarin zij verkeerden, volmaakt geschikt waren.
Op bl.134hebben wij gezegd, dat der menschen kennis niet op de hoogte is der behoeften der maatschappij en toch zullen de menschen meer kennis moeten trachten te bekomen dan die, waarvan zij in de praktijk voordeel kunnen trekken. Dit nu is het geval, omdat de wetenschap, zoo lang zij in ontwikkeling toeneemt, bij elken graad hiervan slechts gedeeltelijk voor practische toepassing vatbaar is, en alzoo hiertusschen en de ontwikkeling der wetenschap dezelfde verhouding en wederkeerige neiging tot gelijkwording bestaat als op bl.64voor den geest en het ligchaam is aangegeven.