Hoofdafdeeling II. Gelede Dieren.Fig. 112. Reuzenduizendpoot; nat. gr.Fig. 112. Reuzenduizendpoot; nat. gr.Fig. 113. Eene sluipwesp: 1 = volwassen insekt, nat. gr.; 2 = larve; 3 = pop.Fig. 113. Eene sluipwesp: 1 = volwassen insekt, nat. gr.; 2 = larve; 3 = pop.Het lichaam der Gelede dieren is tweezijdig symmetrisch, en bestaat uit een bij de verschillende soorten zeer ongelijk aantal achter elkaar gelegen leden (fig. 112). Wel zijn deze leden oorspronkelijk alle aan elkaar gelijk; maar gedurende de ontwikkeling van het dier treden de onderscheiden leden in dienst van verschillende verrichtingen, en zoo ontstaat er soms een zeer groot onderscheid. (Vergel. bijv. de infig. 113, 1 afgebeelde sluipwesp met den vorm, dien dit dier in zijn eerste jeugd heeft: 2). Dikwijls vergroeien verschillende leden met elkander, en dan vertoont het lichaam eene indeeling in enkele lichaamsafdeelingen (insekten); of zelfs alle leden versmelten tot één geheel (mijten). In ’t laatstbedoelde geval kan men nog slechts aan de gelede pooten zien, dat men met een Geleed dier te doen heeft. Wel behooren ook tot dewormen(3e Hoofdafdeeling van het Dierenrijk) dieren, welke uit leden bestaan(bijv. de regenworm); maar deze wormen hebben òf geene òf slechts kleine, ongelede pootjes; nooit gelede pooten, zooals de Gelede dieren bezitten. Slechts in hunne eerste jeugd kunnen de insekten pootloos zijn (fig. 113, 2) of ongelede lichaamsaanhangselen hebben (de achterste pooten van eene rups:fig. 114).—De kop der Gelede dieren bezit verschillende op elkaar volgende paren kaken, die zich van links naar rechts en van rechts naar links, heen en weer, bewegen.—De lichaamsbekleeding bestaat bij de volwassen Gelede dieren uit eene huid met harde pantserstukken; slechts bij de eerste ontwikkelingstoestanden (“larven”) is de huid van verschillende soorten meer zacht.—De Gelede dieren hebben geen inwendig skelet; de spieren zijn aan de uitwendige huid bevestigd.—De centrale deelen van het zenuwstelsel (bl.19) liggen bij de Gelede dieren bijkans alle aan de buikzijde. In den kop ligt de “hersenknoop”, dit is eene knoopvormige, boven den slokdarm gelegen zenuwmassa, van waaruit zenuwen naar de oogen en de sprieten zich begeven. Verder vindt men aan de buikzijdedes diers de zoogenoemde “buikzenuwstreng”, die beneden het darmkanaal zich uitstrekt en uit verschillende zenuwknoopen (fig. 115,z) bestaat, welke door zenuwdraden aan elkander verbonden zijn. Er is geene afzonderlijke lichaamsholte voor de centrale deelen van het zenuwstelsel. De ademhalingsorganen zijn bij eenige Gelede dieren (Schaaldieren, zooals kreeften en krabben)kieuwen; de Insekten en Duizendpooten ademen doorluchtbuizenoftracheeën(zie beneden), en ook de Spinachtigen bezitten meer of minder gewijzigde luchtbuizen.—In hoofdzaken is de bouw van het luchtbuizenstelsel het volgende: aan iederen kant van het lichaam bevindt zich eene reeksluchtgaten(fig. 115,lb), door welke de lucht in de luchtbuizen wordt binnengevoerd. Deze laatsten vertakken zich herhaaldelijk, zoodatzij ten slotte zich in zeer fijne huisjes splitsen, welke de verschillende organen omspinnen. De lucht wordt aldus naar alle deelen des lichaams heengevoerd. Infig. 114zijn de luchtgaten van eene rups, infig. 113, 2 die van eene sluipwesplarve duidelijk zichtbaar.Fig. 114. De rups van een’ doodshoofdvlinder. (½ nat. gr.)Fig. 114. De rups van een’ doodshoofdvlinder. (½ nat. gr.)Fig. 115. Schets van eene doorsnede dwars door ’t lichaam van een insekt.Fig. 115. Schets van eene doorsnede dwars door ’t lichaam van een insekt.lb= luchtgaten, waarin de luchtbuizen uitmonden;h= hart;d= darm;z= zenuwknoopen.Tot de Gelede dieren behooren vier klassen: die derInsekten,Duizendpooten,SpinachtigenenSchaaldieren.Klasse I. Insekten of gekorven dieren.Ademhaling door luchtbuizen (zie boven).—De leden zijn tot drie lichaamsafdeelingen vereenigd:kop,borststukenachterlijf(fig. 116). Aan den kop, die de oogen, de voelhorens of sprieten en de kaken draagt, laten zich de verschillende leden, die hem samenstellen, niet meer onderscheiden. Het borststuk bestaat uit drie leden (fig. 116, B1, B2, B3), van welke het eerste (’t voorborststuk) een paar pooten, en het tweede (’t middenborststuk) zoowel als het derde (’t achterborststuk) een paar pooten en een paar vleugels draagt. Het achterlijf bestaat niet bij alle insekten uit een gelijk getal leden; er zijn aan dit lichaamsdeel geene pooten bevestigd.—De bovenvermelde drie lichaamsafdeelingen verrichten verschillende functiën: de kop dient vooral voor de gewaarwording en de spijsopneming, het borststuk voor de beweging; het achterlijf bevat hoofdzakelijk de organen voor voeding en voortplanting.Fig. 116. Meikever, uit elkander genomen.Fig. 116. Meikever, uit elkander genomen.A = kop; hieraan: s = spriet; o = oog; l = bovenlip; p = taster v. d. onderkaak.—B1= voorborststuk; B2= middenborststuk; B3= achterborststuk. Aan de pooten: d = dij; s = scheen; v = voet. Aan B2: s = schildje; E = dekschild. In de vleugels worden de aders door getallen aangeduid;aena1zijn gewrichten in deze aders.—C = achterlijf; hieraan: s1-s6= de stigma’s of ademhalingsopeningen.Bijkans alle insekten hebben in den volwassen toestand aan iederen kant des kops een “samengesteld” oog, d. i. een oog, ’t welk uit een groot aantal (tot 10.000) kleine oogjes is samengesteld. Bovendien vindt men bij verschillende insekten nog enkele “enkelvoudige” oogen boven op den kop.—De sprieten bestaan uit leden; overigens zijn zij bij de onderscheiden insekten zeer ongelijk; zij dienen voor het tastgevoel.—De monddeelen bestaan uit drie paar kaken, van welke het eerste paar (debovenkaken, fig. 117,Bov.k.) en het tweede paar (deonderkaken,O.k.) zich vrij naar elkaar toe en van elkaar af kunnen bewegen, terwijlde kaken van het derde paar aan elkaar tot een stuk vergroeid zijn, ’t welk de “onderlip” (O.l)] heet. Eene voortzetting van de huidbekleeding des kops (de “bovenlip”,Bl.) steekt meer of min als een afdak over de drie bovengenoemde paren kaken uit. Bij de insekten, welke vaste spijs opnemen en deze verscheuren of fijn kauwen, zijn de kaken kort en scherp; men noemt ze “bijtende monddeelen”. Bij die, welke vloeibare spijs (bloed, plantensappen) opnemen, zijn zij zeer in de lengte gegroeid en tot likken, zuigen of steken ingericht (verlengde monddeelen).Depootender insekten (fig. 118) bestaan uit onderscheiden deelen, die grootendeels genoemdzijn naar de deelen van een’ zoogdierpoot; toch is natuurlijk de overeenkomst tusschen de ledematen van insekten en zoogdieren niet dan geheel oppervlakkig. Men onderscheidt dan aan een’ insektenpoot de volgende deelen: 1º. het gewoonlijk zeer korteheuplid, 2º. den insgelijks zeer kortendijring, 3º. de langwerpigedij, 4º. de aan haar uiteinde met bewegelijke stekeltjes bezettescheen, 5º. den uit 3 tot 5 leedjes bestaandenvoet. Het laatste lid van den voet is vanklauwen, soms vanzuignapjesvoorzien.—Devleugels(fig. 116) zijn eigenlijk huiduitbreidingen, welke uit twee lagen bestaan. Tusschen de bovenste en de onderste huidplaat van den vleugel bevinden zich luchtbuizen. In den eersten tijd, dat het insekt vleugels heeft (in den poptoestand), zijn dezeinééngeplooid; maar door het inpersen van lucht in de luchtbuizen der vleugels zetten zich, bij het pas uit de pop gekomen insekt, de luchtbuizen en daarmee de vleugels uit, en dat wel in korten tijd. Daarna zet zich zeer spoedig eene vaste zelfstandigheid om de grootsten der luchtbuizen af; op deze wijze worden de laatsten tot “aderen” of “nerven”, welke den vleugels stevigheid verleenen. Bijde kevers zijn de voorvleugels geheel en al hard en meer tot bescherming van de achtervleugels en van het teere achterlijf, dan tot vliegen geschikt. Bij vele insekten is één paar vleugels in den rusttoestand samengevouwen; dit kan met de voorvleugels (bijv. bij de wespen) of met de achtervleugels (bijv. met de kevers en sprinkhanen) ’t geval zijn.Fig. 117.Fig. 117.Boven: Kop van den spinnenden waterkever, van de rugzijde gezien. Beneden: id. van beneden gezien. In beide figuren is:o= oog;sp= spriet;Bl= bovenlip;Bov.k= bovenkaak;O.k= onderkaak;t′= taster van deze;O.l= onderlip;t= taster van deze.Het achterlijf draagt slechts bij de rupsen en bij enkele andere insekten in den nog onvolwassen toestand bewegingswerktuigen, welke echter niet geleed zijn; zij zijn dus ongelede “achterlijfspooten”, in tegenstelling met de gelede “borstpooten” (fig. 114). Bij de volwassen insekten vindt men soms draadvormige (veenmol) of tangvormige (oorworm) aanhangselen aan het laatste lid van ’t achterlijf; ook draagt het achterlijf eenelegboorbij zulke insekten, welke hunne eieren in een bepaald voorwerp (den grond, hout, bladeren, andere dieren) leggen.—Fig. 118.Fig. 118.Poot van een’ loopkever;h= heup;dr= dijring;d= dij;s= scheen;v= voet, uit vijf leden bestaande.De meeste insekten hebben een zeer sterk voortplantingsvermogen. Enkele soorten (vleeschvlieg, schapenluisvlieg) brengen levende jongen ter wereld, maar verreweg de meesten leggen eieren. Uit deze eieren komen in enkele gevallen dieren te voorschijn, die reeds volkomen op hunne ouders gelijken (luizen); verreweg de meeste insekten echter ontwikkelen zich metgedaanteverwisselingofmetamorphose; d. i. zij treden reeds in hunnen allereersten ontwikkelingstoestand zelfstandig op en zorgen dan reeds zelven voor hun voedsel. Daardoor behoeft het ei niet (zooals bij de vogels en kruipende dieren) groote hoeveelheden voedende stoffen te bevatten; de eieren kunnen dus veel kleiner zijn, en er kunnen tegelijk meer van worden voortgebracht. De gedaanteverwisseling maakt dus dat de voortplanting sterker kan zijn dan anders mogelijk zou wezen. Het meerendeel der insekten, zwakke diersoorten als zij zijn en zeer gevoelig voor minder gunstige uitwendige invloeden, moet zich dan ook wel sterk voortplanten; deden zij dit niet, dan zouden zij spoedig uitsterven.Maar de sterke vermeerdering is dan ook weer, als de uitwendige omstandigheden eens bij uitzonderingnietongunstig zijn, oorzaak van dat verschijnen in massa’s, ’t welk bij vele insekten voorkomt (rupsen, sprinkhanen), en dat bij plantenetende soorten maar al te vaak groote schade aan onze gewassen berokkent.Fig. 119.Fig. 119.Het groote koolwitje: rups; pop; mannelijke vlinder zittend; vrouwelijke vlinder vliegend. (Nat. gr.)Men onderscheidt twee soorten van gedaanteverwisseling: devolkomeneen deonvolkomene. Volkomen noemt men haar als het insekt eenen poptoestand doorleeft, d. i. eenen toestand, waarin het geen voedsel opneemt en zich gewoonlijk weinig beweegt;—onvolkomen noemt men de metamorphose, wanneer zoodanige poptoestand niet wordt doorleefd, en het insekt dus alleen bij de verschillende vervellingen langzamerhand eenigszins van gedaante verandert.—Het woord “vervelling” dien ik hier nog nader teverklaren. De huidbekleeding der Gelede dieren bestaat uit harde stukken, die zich niet kunnen uitzetten. Aan het einde van eene bepaalde levensperiode worden de harde lagen der huid afgestroopt, en het insekt komt voor den dag met eene teere huid, die voor uitzetting vatbaar is en dus aan den groei geen hindernis in den weg legt. Langzamerhand wordt ook deze nieuwe huid weer harder.Fig. 120.Fig. 120.Gedaanteverwisseling van de zijderups:a= rups;b= cocon;c= de daarin verscholen pop;d= vlinder, eieren leggende. (Nat. gr.)Bij de insekten met onvolkomen gedaanteverwisseling verandert de vorm van het insekt bij iedere vervelling eenigszins, en wordt hij telkens meer aan dien van het volwassen insekt gelijk; bij de voorlaatste vervelling komen kleine “vleugelstompjes”, of liever “vleugelscheeden” (fig. 133, in het water, links) te voorschijn, binnen welke de vleugels zelve in samengeplooiden toestand zich vormen. Ook de legboor van de vrouwelijke insekten komt eerst bij de vóórlaatste vervelling als volledig ontwikkeld orgaan te voorschijn. Reeds in de eerste levensperiode gelijkt het insekt, dat eene onvolledige gedaanteverwisseling doorleeft, betrekkelijk veel op het volwassen dier; veel meer dan bij die insekten ’t geval is, welke eene volkomen gedaanteverwisseling doorloopen. (Ziefig. 122).De tijd, welken een insekt met volkomen gedaanteverwisseling in den poptoestand doorbrengt, duurt op verre na niet altijd even lang.Van het groote koolwitje (fig. 119) komen alle jaren twee opvolgende geslachten (generatiën) voor; de eerste generatie doorleeft den winter in den poptoestand, van de andere vindt men de poppen in den zomer. Terwijl nu het insekt der wintergeneratie ongeveer een half jaar in den poptoestand doorbrengt, duurt deze toestand bij de zomergeneratie nog geen maand. Hooge temperatuur bespoedigt de ontwikkeling.Fig. 121.Fig. 121.De meikever;een mannetje uit den grond kruipend; een vrouwelijke kever, vliegend; larve (engerling) en pop. (Nat. gr.)Ofschoon een insekt in den poptoestand geene spijs opneemt, ademt het toch en verbruikt het aldus voortdurend stof, echter slechts eene geringe hoeveelheid, daar het dier zich slechts weinig beweegt (zie bl.26). Vanwaar krijgt nu de pop haar voedsel, om dit verlies aan stof te dekken? In den larvetoestand neemt het insekt veel meer voedsel op dan het voor zijnen groei noodig heeft. Uit dit overschot vormen zich de reservestoffen, die in het zoogenoemde “vetlichaam” der larve worden afgezet. Gedurende den poptoestand worden deze reservestoffen gebruikt om de ademhaling te onderhouden. Daarom weegt eene pop onmiddellijk nadat zij uit de rups is ontstaan, meer dan eene pop, die binnenkort in vlinder zal veranderen.Fig. 122.Fig. 122.De sabelsprinkhaan:aenb= jonge exemplaren;c= volwassen wijfje, eieren leggende. (Iets vergr.)De larven en poppen zijn bij de onderscheiden insektensoorten zeer verschillend van vorm. Men onderscheidt de larven in:rupsen, warelarvenenmaden. De maden (fig. 123,b,c) zijn pootloos en hebben geen’ duidelijk zichtbaren, met eene harde huid bekleeden kop. Deware larvenhebben wèl een’ harden kop, die van de overige deelen van den romp duidelijk te onderscheiden is; sommige larven hebben borstpooten (fig. 121), andere niet (fig. 128). Achterlijfspooten echter bezitten zij niet, hoogstens aan ’t uiteinde van ’t achterlijf een paar ongelede lichaamsaanhangselen. Derupsen(fig. 114, 120,a) hebben een’ duidelijk zichtbaren, harden kop, 3 paar gelede borstpooten en een verschillendaantal ongelede achterlijfspooten. Men onderscheidtware rupsen, die later in vlinders veranderen, enbastaardrupsen, die de jeugdtoestand van bladwespen zijn. De laatsten (fig. 124) hebben een’ kogelronden kop en bezitten 6–8 paar achterlijfspooten; bij de eersten (fig. 119, 120,a) is de kop plat en bedraagt het aantal achterlijfspooten 2–5. De gang der rupsen staat in nauw verband met het aantal achterlijfspooten. Is dit aantal vrij groot en zijn dus verreweg de meeste lichaamsleden van pooten voorzien, dan blijft het geheele lichaam gedurende de beweging tamelijk wèl gestrekt. Bevinden zich echter alleen aan het achtereinde des lichaams achterlijfspooten, dan is het gansche middenlichaam pootloos en de voortbeweging geschiedt dan door dit pootlooze lichaamsdeel sterk te krommen. Dit is ’t geval bij de zoogenoemde “spanrupsen”, die slechts 2 paar achterlijfspooten bezitten (fig. 144, c).Fig. 123.Fig. 123.De paardenmaaghorzel:a= ei, aan een haar vastgehecht (zeer sterk vergr.);b= jeugdige made (sterk vergr.);c= volwassen made (2 maal nat. gr.);d= pop (2 maal nat. gr.);e= vlieg (de streep geeft de nat. gr. aan).Depoppenzijn òf door eene huid omgeven, die den omtrek der afzonderlijke lichaamsdeelen slechts onduidelijk doet doorschemeren (fig. 119,120,c); òf zij hebben eene huidbekleeding, die ieder lichaamsdeel (ook de vleugels, pooten, sprieten, monddeelen en oogen) afzonderlijk omgeeft (fig. 121). De eersten noemt menbedekte, de laatstenonbedektepoppen.—Vele poppen zijnnaakt(fig. 119,121);andere zijn omgeven door eenecocon(fig. 120,b) of door delarvehuid(fig. 123,d). ’t Laatste is het geval met de poppen van vele vliegen: als de made verpopt, blijft de huid van deze in samengeschrompelden toestand om de pop heen zitten. Eene cocon bestaat uit spinsel, ’t welk als eene vloeistof in de spinklieren der larve zich vormt, door eene opening in de onderlip naar buiten treedt, vervolgens in draden wordt getrokken en vast wordt. Vele rupsen gebruiken haar spinvermogen niet slechts om eene cocon te maken, maar ook om nesten te vervaardigen of om eenen draad te spinnen, waaraan zij zich laten zakken.Fig. 124.Fig. 124.De bessenbastaardrups: 1 = de rupsen in hare eigenaardige houdingen (nat. gr.); 2 = de rups (vergr.); 3 = cocon (iets vergr.); 4 = bladwesp (vergr.).Men onderscheidt de klasse der Insekten in de volgende orden: 1. Kevers of Schildvleugeligen, 2. Rechtvleugeligen, 3. Gaas- of Netvleugeligen, 4. Vliesvleugeligen, 5. Vlinders of Schubvleugeligen, 6. Halfvleugeligen, 7. Blaaspooten, 8. Vliegen en Muggen of Tweevleugeligen, 9. Vlooien, 10. Luizen, 11. Spring- en Franjestaarten.Orde Schildvleugeligen of Kevers.Fig. 125. De groote loopkever. (nat. gr.)Fig. 125. De groote loopkever. (nat. gr.)Bijtende monddeelen (bl.131). Een groot voorborststuk, dat met het middenborststuk zeer bewegelijk verbonden is. De voorvleugels vervormd tot harde “dekschilden”, die in den rusttoestand alleen den kop, het voorborststuk, een klein driehoekig stukje van het middenborstuk (het “schildje”) en soms het uiteinde van ’t achterlijf onbedekt laten. De achtervleugels, die tot vliegen dienen, zijn in den rusttoestand onder de dekschilden samengevouwen.—Gedaanteverwisseling volkomen. Larven met harden kop, met of zonder borstpooten. Poppen onbedekt.Van de talrijke familiën noem ik de volgende.Loopkevers(fig. 125): slank met lange, dunne pooten, draadvormige sprieten, krachtige kaken.Zij loopen snel, vliegen meestal slecht of in ’t geheel niet. Larven langwerpig. Volwassen kevers en larven houden zich op en in den grond op, en leven, met zeldzame uitzonderingen, van andere insekten. Over ’t geheel nuttig.—Kortschildkevers: langwerpig, smal. Korte dekschilden, die het geheele achterlijf onbedekt laten. De larven gelijken veel op die der loopkevers. Volwassen kevers en larven voeden zich met levende insekten of met rottende organische zelfstandigheden.—Knotssprietigenhebben sprieten, welker laatste leden dikker zijn dan de eerste leden. Hiertoe behooren o. a. deaaskeversendoodgravers,die èn als volwassen dier èn als larve van doode dieren leven; de doodgravers begraven de krengen in den grond, alvorens er hunne eieren in te leggen. Enkele soorten van aaskevers worden èn als kever èn als larve wel eens schadelijk op bietenakkers. Tot de knotssprietigen behooren verder: dekoolzaadglanskever, hetframbozenkevertje, hetbietenkevertje.—Fig. 126. De meikever; (nat. gr.).Fig. 126. De meikever; (nat. gr.).Bladsprietigen(fig. 126) zijn plompe kevers. Van hunne sprieten zijn de laatste 3–7 leden plat, bladvormig verbreed; zij vormen te zamen een knotsje. De larven (“engerlingen”,fig. 121) zijn dik, krom gebogen; zij hebben borstpooten; zij leven in den grond, in vermolmd hout of in mest.—Hiertoe behooren o. a. demeikeveren hetrozenkevertje; ook demestkeversen hetvliegend hert.—Fig. 127. Kniptor, op den rug liggend; (2 maal nat. gr.).Fig. 127. Kniptor, op den rug liggend; (2 maal nat. gr.).Kniptorrenzijn langwerpig, overal ongeveer even breed, met een zeer lang voorborststuk. De sprieten bestaan uit leden, die ongeveer driehoekig zijn (“zaagvormige sprieten”). Op den rug liggende, springen zij hoog op. Dit doen zij als volgt (fig. 127). Eerst buigt het dier zich zoodanig, dat kop en voorborststuk naar boven-, midden- en achterborststuk en achterlijf naar beneden gebogen zijn. Daarna licht het de neergebogen einden van ’t lichaam weer op, waarbij de aanvankelijk omhoog gebogen verbindingsplaats tusschen voor- en middenborststuk met kracht op den grond komt, zoodat de tor door hare eigen veerkracht hoog opspringt. De buikzijde van het voorborststuk heeft aan het achtereinde een uitsteeksel, dat juist past in eene groeve, die in ’t middenborststuk aanwezig is. Ligt de tor op den rug en buigt zij het midden van haar lichaam naar boven, dan drijft zij dat uitsteeksel uit de groeve; buigt zij het midden van het lichaam weer naar beneden, dan komt het uitsteeksel weer in de groeve terug.—Delarven der kniptorren (“ritnaalden”, “koperwormen”) zijn dun, langwerpig, hard van huid, geelbruin van kleur, met korte borstpooten en een paar ongelede uitsteeksels aan ’t laatste lid van het achterlijf.—Van sommige kniptorsoorten leeft de ritnaald van humus; andere ritnaalden echter zijn zeer schadelijk aan graan en vele andere kultuurgewassen.—Fig. 128.Fig. 128.De eikelsnuittor, hare larve, en kop van den kever van ter zijde. (Alles zeer vergr.; onder de afb. der larve is deze in omtrek in nat. gr. afgebeeld; naast den kever geeft eene streep de nat. gr. aan).Snuittorren(fig. 128) hebben een snuitvormig verlengstuk aan den kop, aan welks uiteinde de kaken staan. Met deze snuit boren zij gaten in stengels, takken, bloemen, vruchten en andere plantendeelen, soms om voedende stoffen daaruit op te nemen, soms om een gat te maken, waarin zij een ei leggen. De sprieten zijn bij vele soorten knievormig gebogen (fig. 128) en aan den snuit ingeplant. De snuittorren vliegen zelden, nooit anders dan in den paartijd. Er zijn echter soorten, die niet kunnen vliegen, daar de dekschilden met elkaar vergroeid zijn. Larven (fig. 128) pootloos, eenigszins gebogen.—Vele schadelijke soorten, als:erwtenkever,boonenkever,bladrandkever,appelbloesemkever,dennensnuittorren,graanklander.—Fig. 129. Moedergang en larvengangen van den iepenspintkever. a = boorgat. (Nat. gr.)Fig. 129. Moedergang en larvengangen van den iepenspintkever.a= boorgat. (Nat. gr.)Schorskeverszijn nauw aan de snuittorren verwant; de kop is vrij dik en eenigszins verlengd, zonder dat deze verlenging veel dunner is dan de kop zelf. De sprieten eindigen in een knopje.—De larven gelijken veel op die der snuitkevers.—De moederkever boort een gat door de schors en bast des booms tot aan het spint en graaft van dáár uit een of meer gangen (“moedergangen”), aan weerskanten waarvan zij hare eieren legt. De larven graven “larvengangen”, welke voor ’t meerendeel loodrecht op de moedergangstaan, en die steeds wijder worden, naarmate de larve groeit. Aan ’t einde van den gang verpopt de larve; en later boort zich de jonge kever door bast en schors heen naar buiten. Door het graven van kevers en larven wordt de verbinding tusschen bast en houtverbroken, bast en teeltweefsel grootendeels vernield. Verscheiden soorten zijn voor de houtteelt zeer schadelijk:dennenscheerder,iepenspintkever, enz.—Fig. 130. De Coloradokever.Fig. 130. De Coloradokever.Op de bladeren van eene aardappelplant ziet men eihoopjes, eene larve en twee volwassen kevers. (Alles nat. gr.)Fig. 131.Fig. 131.Gedaanteverwisseling van het zevenmaal gestippelde lievenheersbeestje:a= larve;b= pop, van terzijde gezien;c= pop, van de buikzijde gezien;d= kever, (bendnat. gr.;aencvergr.)Boktorrenhebben zeer lange sprieten, die zij veelal naar achteren gebogen dragen, als een bok zijne horens. De pootlooze larven leven in ’t hout. Sommige soorten (o. a. depopulierboktor) zijn schadelijk.—Goudhaantjesofbladkevers(fig. 130) zijn gedrongen van vorm, aan de rugzijde bol. De larven leven voor ’t meerendeel buiten op de bladeren van dezelfde gewassen, waarvan ook de kevers vreten; enkele soorten leven inwendig in plantendeelen; zij hebben drie paar pooten. Vele goudhaantjes hebben schitterende metaalkleuren. Tot deze familie behooren o. a.lelietorretje,aspergekevertje,elzenhaantje,Coloradokever,schildpadtorren, ook de springendeaardvlooien.—Fig. 132. De veenmol, loopend en vliegend; ook eene larve. (Nat. gr.)Fig. 132. De veenmol, loopend en vliegend; ook eene larve. (Nat. gr.)Lievenheersbeestjes(fig. 131) zijn half bolvormig. De larven gelijken veel op die der goudhaantjes, maar hebben langere pooten. Zij eten, evenals de volwassen kevers, bladluizen.Orde Rechtvleugeligen.Monddeelen bijtend. Voorvleugels leerachtig; achtervleugels vliezig, in den rusttoestand onder de voorvleugels waaiervormig inééngeplooid (fig. 132). Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl.134).—Men onderscheidtloopendeenspringenderechtvleugeligen.Tot deloopenderechtvleugeligen behoorenoorwormenenkakkerlakken(o. a. de gewone keukenkakkerlak of bakkerstor);—tot despringenderechtvleugeligen: develdsprinkhanen(zonder sabelvormige legboor), desabelsprinkhanen(met eene sabelvormige legboor bij de wijfjes), dekrekels(rolrond of plat van lichaam, terwijl de twee vorige familiën meer hoog dan breed van lichaam zijn). Tot de veldsprinkhanen behooren de meesten der kleine sprinkhaantjes, welke op weilanden zoo algemeen zijn, maar ook de beruchte treksprinkhanen;—tot de krekels o. a. de huiskrekel (kriek, iem) en de zoo schadelijke veenmol (fig. 132).Orde Gaas- of Netvleugeligen.Monddeelen bijtend. Voor- en achtervleugels veel op elkaar gelijkend, met een sterk vertakt net van nerven (fig. 133). Gedaanteverwisseling onvolkomen of volkomen (bl.134).Eeneonvolledige gedaanteverwisselinghebben: de in warmere streken levendetermieten; dehaftenenglazenmakers, welker larven in ’t water leven(fig. 133). De volwassen glazenmakers dooden insekten, waaronder vele schadelijke;—de termieten zijn door hunne vernielzucht zeer bekend.Fig. 133. Een glazenmaker.Fig. 133. Een glazenmaker.In het water zwemmen twee glazenmakerslarven, die met hare lange onderlip een ander insekt aangrijpen. Rechts zit tegen den rietstengel eene larve, die reeds vleugelstompjes bezit, en die dus spoedig in een’ volwassen glazenmaker zal veranderen. Daartoe barst de larvehuid aan de rugzijde open; de glazenmaker kruipt er uit, en het leege huidje blijft aan den rietstengel zitten (zie den linkerkant van de figuur). Alles nat. gr.Eenevolledige gedaanteverwisselingdoorloopen: degaasvliegen, deschorpioenvliegen, dekokerjuffers. De gaasvliegen bezitten in den toestand van larve een paar zeer groote, doorboorde kaken, waarmee zij een ander insekt (meestal eene bladluis) aangrijpen, terwijl zij de lichaamssappen door de openingen in de kaken heen opslurpen. (Nuttig.) Tot de familie der gaasvliegen behoort ook de mierenleeuw (fig. 134), die als larve in een trechtervormig kuiltje in’t zand leeft, en verschillende insekten uitzuigt, welke in dit kuiltje vallen (vooral mieren).—De schorpioenvliegen dooden in de vluchtvele insekten.—De kokerjuffers leven als larven in ’t water, en wel in kokertjes, die zij uit plantendeelen, stukjes steen of schelpen samenstellen.Fig. 134. De mierenleeuw.Fig. 134. De mierenleeuw.A= volwassen insekt;B= larve (eigenlijke mierenleeuw):C= pop;C′= cocon, waaruit het volwassen dier te voorschijn is gekomen. (Alles nat. gr.)Orde Vliesvleugeligen.Bovenlip en bovenkaken niet verlengd (bl.131), de laatsten tot bijten ingericht. Onderkaken en onderlip in de lengte gegroeid, bij sommige soorten een’ soort van snuit vormend, geschikt om honig uit de bloesems te zuigen (fig. 135). Zijn deze laatstbedoelde monddeelen minder sterk verlengd, dan kunnen zij in ieder geval dienen voor ’t oplikken van lichaamssappen uit aangebeten dieren (mieren) of uit plantendeelen (wespen). De bovenkaken dienen om te bijten: ’t zij om houtdeelen stuk te maken, die voor ’t bouwen der nesten worden gebruikt (wespen), ’t zij om eene opening te maken in dieren of plantendeelen, waaruit zij daarna vocht oplikken (mieren, wespen), ’t zij om bloemdeelen door te bijten, om aldus bij de honigbakjes te komen (brombijen).—Vleugels alle vier vliezig, met weinig of zeer weinig nerven.—Gedaanteverwisseling volkomen (bl.134). Larven bij vele familiën madevormig, bij de bladwespen rupsvormig (bastaardrupsen).Fig. 135. Kop van de werkbij.Fig. 135. Kop van de werkbij.o= samengesteld oog;o′= enkelvoudig oogje:sp= sprietbl= bovenlip;bk= bovenkaak;ok= onderkaak;tg= tong (benedeneinde van de in de lengte gegroeide onderlip);ol-t= onderlipstaster. (Zeer vergroot.)Het wijfje bezit eene legboor, die van zeer verschillenden bouw kan zijn, en die bij onderscheiden soorten (graafwespen) niet slechtsvoor het eierleggen maar ook voor verdediging dient; bij andere soorten dient zij slechts voor ’t laatsbedoelde werk, en vindt het eierleggen plaats door de anale opening (bijen, wespen). De tot steekorgaan vervormde legboor wordt “angel” genoemd.—De bij andere insekten in ’t achterlijf aanwezige klieren, welke eene kleverige zelfstandigheid afscheiden, die tot vasthechting der eieren aan bladeren, enz. dient, zijn bij de angeldragende vliesvleugeligen tot giftklieren vervormd.Vele vliesvleugeligen (alle graaf-, sluip-, gal-, bladwespen, ook vele soorten van bijen en wespen) leven alleen; anderen (alle mieren, vele bijen en wespen) vormenstaten, welke soms uit duizenden individu’s bestaan. In deze staten grijpt altijd eene verdeeling van den arbeid plaats in zoover, dat men naast de mannelijke en vrouwelijkevoortplantingsdieren, die uitsluitend voor de voortplanting dienen, steeds onvruchtbarewerkdierenofarbeidstersvindt: vrouwelijke individu’s met voortplantingsorganen, die niet tot volkomen ontwikkeling zijn geraakt. Deze arbeidsters bouwen de woningen, kweeken de larven op en verdedigen den staat tegen den aanval van vreemde dieren; zij zijn dan ook in veel grooter aantal in elken staat aanwezig dan de voortplantingsindividu’s.—Familie der bijen.Zeer verlengde ondertong kaken en onderlip, waarmee honig uit de bloemen wordt gezogen. Lichaam plomper en meer behaard dan dat van de wespen. De pootlooze larven worden met stuifmeel of met een mengsel van stuifmeel en honig gevoed. Voor ’t vasthouden van het in de bloesems verzamelde stuifmeel dienen o. a. bij honigbijen en hommels de zeer verbreede scheenen der achterpooten en heteerste, bijzonder groote, lid van den voet dezer ledematen; vele andere bijen dragen aan den onderkant van het achterlijf stuifmeel mee.—De in staten levende bijen maken hare nesten van was (dat aan de buikzijde van de werkbijen inschilferszich afscheidt), van zandkorrels, hout of deelen van bladeren.Bij de bestuiving van vele gewassen spelen de bijen eene gewichtige rol. Zie hierover het deeltje over Plantkunde.De honigbij zal elders uitvoeriger worden behandeld.—Familie der wespen.Monddeelen als bij de bijen. Ook angeldragend. Slank, weinig of niet behaard. Voorvleugels in den rusttoestand overlangs opgevouwen.Fig. 136. Paardenwesp. (Nat. gr.)Fig. 136. Paardenwesp. (Nat. gr.)De in staten levende wespen maken hare nesten uit eene soort van papier, hetwelk zij bereiden door hout- of bastdeelen fijn te kauwen. De werkwespen zoowel als de mannetjes sterven tegen den winter; alleen de bevruchte koninginnen overwinteren, en wel onder mos, in holle boomen en op andere verscholen plaatsen. In ’t voorjaar begint iedere koningin met den bouw van een nest; tevens legt zij eieren en voedt zij de larven. Eerst later in ’t jaar wordt zij bij den nestbouw en bij het voederen der larven bijgestaan door de intusschen uitgekomen werkwespen. (Bij de bijen overwinteren ook de arbeidsters, en sterven tegen den winter alleen de mannetjes).Fig. 137.Fig. 137.Links: twee exemplaren van den rood en zwart gekleurden rupsendooder, het eene bezig eene rups te begraven. Rechts: een zwart en gele snuittordooder. (Alles nat. gr.)Vele wespen maken hare nesten in den grond; de landbouwerloopt kans, dat hij zulke nesten bij ’t ploegen vernielt en dat hijen zijn paard dan door honderden wespen worden aangevallen. Vele wespensteken tegelijk kunnen doodelijk werken. (Middelen: afkoelende stoffen als geschaafde wortels of appels, koolbladeren;—inwrijven met salmiak;—een compres met loodazijn).—Familie graafwespen.Sommige soorten lijken zeer veel op gewone wespen; maar zij hebben de voorvleugels niet overlangs samengevouwen. De graafwespen vormen geene staten. Het wijfje graaft een gat in den grond, waarin zij een ei legt. Daarbij begraaft zij een insekt, ’t welk tot voeding dient voor de te voorschijn komende larve. Opdat het te begraven insekt geen weerstand biede, maar ook niet in rotting overga, brengt de graafwesp het vooraf in een’ toestand, waarin het geene willekeurige bewegingen kan uitvoeren. Tot dit doel steken de meeste soorten het gevangen insekt met den angel in ’t lichaam en verwonden daarbij de zenuwknoopen (zie bl.129); daardoor wordt het wel niet gedood, maar toch zoo goed als onbewegelijk.—Sommige graafwespen begraven rupsen (derupsendooder), anderen snuittorren (desnuittordooder), weer anderen vliegen (devliegendooder). Dat aldus vele soorten nuttig zijn, behoeft geen nader betoog (fig. 137).—Familie mieren.Zeer groote bovenkaken; onderkaken en onderlip niet snuitvormig verlengd. Arbeidsters ongevleugeld; de mannetjes en vruchtbare wijfjes hebben vleugels. Achterlijf met het borststuk verbonden door een steeltje. Alle vrouwelijke mieren, ook de arbeidsters, hebben giftklieren; sommige soorten hebben een’ angel en steken op de wijze der bijen en wespen. Andere soorten echter missen den angel (bijv. de roode boschmier); deze bijten den vijand met de bovenkaken eene opening in de huid, krommen vervolgens het achterlijf en spuiten het vergift in de wonde.Alle soorten van mieren vormen staten. Gedurende ’t grootste gedeelte des jaars vindt men in een mierennest slechts arbeidsters, larven en poppen; de voortplantingsdieren verschijnen in den zomer, en zijn vóór de intrede van het koude jaargetijde weer verdwenen. Op een’ zonnigen dag vliegen zij in grooten getale uit. De bevruchte wijfjes laten zich op den bodem vallen en verliezen de vleugels, ’t zij dat zij ze zich zelven uittrekken of dat zij haarworden uitgetrokken door de arbeidsters, welke hen naar haar nest meenemen, waar het eierleggen begint. De poppen van vele soorten zijn in eene cocon besloten; deze ingesponnen poppen worden dikwijls onder den naam van “miereneieren” als vogelvoer gebruikt.—De mierennesten bestaan uit dennenaalden of kleine takjes (roode boschmier), of zij worden in het inwendige van boomstammen (houtmieren) of in den grond (weidemier) aangelegd.Door het omwoelen van den bodem worden sommige soorten schadelijk; andere soorten echter doen nut door het dooden van rupsen en andere schadelijke insekten. De mieren houden veel van allerlei zoete stoffen; vooral likken zij gaarne het zoete vocht op, dat de bladluizen uit hare aarsopening afscheiden. Zij strijken de bladluizen met hare sprieten over het achterlijf om de afzondering van dit vocht te bevorderen. Het gebeurt zelfs dat de mieren ze naar plantendeelen overbrengen, waar ze het best gedijen en dat zij ze, telkens wanneer deze plantendeelen uitgezogen zijn en beginnen te verslappen, weer naar andere plantendeelen transporteeren. Soms houden zij de bladluizen in onderaardsche nesten, waar deze aan plan ten wortels zuigen.—Fig. 138.Fig. 138.De sluipwespMicrogaster glomeratus;A= eene koolrups, waaruit de larven te voorschijn komen;B= hoopje cocons; een paar larven hebben zich nog niet ingesponnen;C= volwassen wesp. (A en B iets, C veel vergroot.)Familie sluipwespen.De sluipwespen leggen hare eieren in larven of poppen van insekten; hare larven leven daar van het reservevoedsel, ’t welk deze in haar lichaam hebben opgehoopt (zie bl.136);eerst wanneer zij bijkans volwassen zijn en op ’t punt van te verpoppen, verlaten zij het insekt, waarin zij huisden,—of wel zij verpoppen binnen dit insekt en komen later als volwassen sluipwesp naar buiten. In ieder geval veroorzaken zij den dood van het door hen bewoonde insekt.—Van sommige soorten leeft ééne larve, van anderen verscheiden larven in ééne insektenlarve of ééne pop. Fig. 138, A geeft eene afbeelding van eene koolrups, waaruit eene menigte sluipwesplarven naar buiten kruipen, die buiten de rups zich in eene geelachtige cocon inspinnen. De sluipwesp, welke daaruit later te voorschijn komt, is in C afgebeeld.—Eene sluipwespsoort kan slechts dàn zich sterk vermeerderen, wanneer het insekt, waarin zij woekert, in groot getal aanwezig is. Sluipwespen kunnen er dus niet veel toe bijdragen, eene insektenplaag te voorkomen, maar wèl om haar te doen ophouden.—Familie bladwespen.Lichaamsbouw gedrongen; het nooit zeer lange achterlijf begint niet, als bij de tot dusver behandelde vliesvleugeligen, met een smal gedeelte: het “dunne middeltje” der wespen ontbreekt. De legboor, die als zij niet wordt gebruikt, in het achterlijf is ingetrokken, heeft den vorm van eene zaag; zij dient om a. h. w. putjes in bladeren of andere plantendeelen te zagen, in welke de eieren worden gelegd. De larven zijn “bastaardrupsen” (zie bl.138); deze dieren, die als gewone rupsen bladeren eten, buigen in rust gaarne haar lichaamC-vormiginéén; sommigen heffen, als zij worden verontrust, plotseling haar achterlijf omhoog en buigen het over den kop heen naar voren.—Als de bastaardrupsen volwassen zijn, spinnen zij zich, ’t zij aan de planten, waarop zij leefden, ’t zij in den grond, eene ovale cocon.—Voorbeelden: knollenbladwesp, bessenbladwesp (fig. 124), dennenbladwesp.Orde Vlinders of Schubvleugeligen.Fig. 139.Fig. 139.’t Lichaam van een’ vlinder, van terzijde gezien,f= kop;a= (gekamde) spriet;h= oog;g= roltong, aan weerszijden waarvan men de omhoog stekende onderliptastershziet;k= borststuk:pqrs= poot;n= achterlijf.Monddeelen zuigend. Terwijl de verdere kaken zeer klein zijn gebleven, zijn de twee onderkaken zeer in de lengte gegroeid en vormen deze met elkaar eene spiraalvormig inéénrolbare buis, die “roltong” wordt genoemd (fig. 139,g), en waarmee honig uit de bloesemswordt opgenomen (fig. 140). De vleugels zijn alle vier vliezig en met eigenaardige schubbetjes (fig. 141), bezet, die oorzaak zijn van de soms zeer sprekende, soms meer doffe kleuren.—Gedaanteverwisseling volkomen (bl.134). De larven zijn rupsen (zie bl.137), de poppen zijn bedekt (bl.138).—Familie dagvlinders(fig. 119). Lichaam slank en dun. Vleugels breed, in den rusttoestand omhoog geslagen, zoodat hunne rugvlakten tegen elkaar komen. Sprieten aan hun uiteinde knotsvormig verdikt.—De rupsen van de meeste soorten zijn weinig behaard; enkele met harde dorentjes bekleed.—Poppen naakt, hoekig.—Voorbeelden: Koolwitjes (fig. 119), koninginnepage, dagpauwoog.—Fig. 140. Een avondvlinder, met uitgestoken roltong. (Nat. gr.)Fig. 140. Een avondvlinder, met uitgestoken roltong. (Nat. gr.)Fig. 141. Schubbekleeding van een’ vlindervleugel. (Veel vergr.)Fig. 141. Schubbekleeding van een’ vlindervleugel. (Veel vergr.)Familie pijlstaartvlindersofavondvlinders(fig. 140). Lichaamforsch maar niet plomp. Vleugels lang en smal.—Rupsen onbehaard, doorgaans een horen op het laatste lid van ’t achterlijf “pijlstaartrupsen”,fig. 114).—Verpopping in den grond; geene cocon. Voorbeelden: dennenpijlstaart, doodshoofduil.—Fig. 142. De ringelrups.Fig. 142. De ringelrups.Links boven: mannetje; rechts boven: wijfje;beneden: eieren, rups en pop in cocon. (Alles nat. gr.)Familie spinners(fig. 142, 120). Plomp, zeer behaard. Sprieten bij de mannetjes van kamvormige aanhangselen voorzien; bij de wijfjes ontbreken deze aanhangselen of zij zijn klein. Hoewel de vleugels bij de meeste soorten vrij groot zijn, vliegen alleen de mannetjes flink. De wijfjes verwijderen zich doorgaans niet ver van de plaats, waar zij uit de pop zijn gekomen. Zij leggen dus de eieren dicht bij elkaar: veelal in hoopen tegen boomstammen aan of in reten van de schors, de ringelrupsvlinder in een’ ring rondom een twijgje (fig. 142).—De rupsen, die bij vele soorten behaard zijn, leven dus in den aanvang in elkaars nabijheid; dikwijls spinnen zij een nest,waarin zij òf altijd (processierups) òf gedurende het eerste gedeelte van haar leven (ringelrups, bastaardsatijnvlinder) blijven.—De rupsen van de meeste soorten spinnen eene cocon, waarbinnen zij verpoppen (zijderups, ringelrups, bastaardsatijnvlinder); anderen spinnen slechts een weefsel van draden, tusschen welke de pop duidelijk zichtbaar is (nonvlinder, plakker). Voor hout- en ooftboomteelt zijn vele soorten schadelijk, voor den akkerbouw geen enkele soort.—Fig. 143. Gedaanteverwisseling van eene aardrups. (Nat. gr.)Fig. 143. Gedaanteverwisseling van eene aardrups. (Nat. gr.)Familie uilen(fig. 143). Een stevig, maar slank, glad behaard lichaam. Vleugels flink ontwikkeld, vooral de voorvleugels niet bijzonder breed. De uilen vliegen snel, dikwijls over dag, hoewel zij slechts bij nacht hare eieren leggen; verreweg de meeste soorten doen dit aan kruidachtige gewassen, en zij leggen meestal ieder eitje afzonderlijk.—Rupsen gewoonlijk onbehaard. Poppen doorgaans in den grond; geene cocon.—Vele soorten zijn voor den akkerbouw en den tuinbouw schadelijk (kooluil, grasrups, aardrups, gammarups), slechts enkele nadeelig voor de houtteelt (gestreepte dennenrups).—Familie spanrupsvlinders(fig. 144). Vlinders slank en dun van lijf, met groote, breede vleugels. Veelal traag. Van enkele soorten hebben de wijfjes geene (fig. 144,b) of slechts zeer kleine, voor ’t vliegen onbruikbare vleugels. Gelijken op dagvlinders; maar nooit knotsvormige sprieten.—De rupsen zijn “spanrupsen” (zie bl.138). Tot deze familie behooren de bessenspanrups en de voor de ooftboomteelt zoo schadelijke wintervlinders (fig. 144).—Fig. 144.Fig. 144.De groote wintervlinder: a = mannetje; b = wijfje; c = rups. (Nat. gr.)Fig. 145. De “worm” in de pruimen. (Nat. gr.)Fig. 145. De “worm” in de pruimen. (Nat. gr.)Familie bladrollers(fig. 145). Kleine vlindertjes met goed ontwikkelde vleugels. De rupsen leven in inééngerolde bladeren (van dáár de naam!), in ’t inwendige van vruchten (de rups in de “wormstekige”appelen en die in de “wormstekige” pruimen) of van twijgen (dennenlotrups).—Fig. 146.Fig. 146.a,b= twee soorten van kleermotten;d= de rups vanb;c= dezelfde, besloten in haren uit wolhaartjes vervaardigden zak. (Alles vergroot.)Familie motten(fig. 146). Zeer kleine vlindertjes met zeer smalle vleugeltjes, door een’ franjezoom omgeven. Sommige soorten voeden zich met bladeren (“spinselmotten” in appelboomen en meidorens); anderen leven van gezolderd graan (korenmot); weer anderen van haren (kleer- en tapijtmotten) en andere doode zelfstandigheden.Orde Halfvleugeligen.Fig. 147.Fig.147.Monddeelen van eene wants:b.l.= bovenlip;b.k.= bovenkaken;o.k.= onderkaken;o.l.= onderlip. (Zeer vergroot.)De monddeelen zijn tot steken en zuigen ingericht; zij vormen alles te zamen een’ zuigsnuit. Deze (fig. 147) bestaat uit een’ geleden koker (onderlip), waarbinnen twee paar stekels gelegen zijn (de bovenkaken en de onderkaken), die aan hun uiteinde van tandjes zijn voorzien, met behulp van welke een gaatje in een plantendeel of in de huid van een insekt wordt gemaakt. Ook de bovenlip is in de lengte gegroeid.—Bij vele soorten van halfvleugeligen (land- en waterwantsen) zijn de voorvleugels voor een gedeelte leerachtig en taai, terwijl de buitenrand ervan evenals de achtervleugels vliezig is (fig. 148). Bij andere soorten (gevleugelde bladluizen,fig. 149) zijn voor- en achtervleugels beiden vliezig en van weinig nerven voorzien. Sommige soorten (weegluis, ongevleugelde bladluizen) hebben in ’t geheel geene vleugels.—Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl.134).Tot de halfvleugeligen behooren o. a. deweegluis, deframbozenwants(die op kersen, aalbessen, frambozen leeft en aan deze vruchtenharen afschuwelijken reuk meedeelt), verschillende soorten vanwaterwantsen(als de waterschorpioen, het bootsmannetje en de waterloopers); eindelijk debladluizenen deschildluizen.—Fig. 148. Voor- en achtervleugel van de frambozenwants. (Iets vergr.)Fig. 148. Voor- en achtervleugel van de frambozenwants. (Iets vergr.)Debladluizen(fig. 149) hebben lange sprieten, dunne pooten en een’ langen, dunnen zuigsnuit. Bij de zelfde soort vindt men gevleugelde en ongevleugelde exemplaren. In den herfst zijn er mannelijke en vrouwelijke dieren; de laatsten leggen vóór den winter de eieren, welke bestemd zijn om te overwinteren. De bladluizen, die in ’t volgende voorjaar uit deze eieren te voorschijn komen, zijn allen wijfjes, die echter zonder voorafgaande bevruchting jongen ter wereld brengen, welke reeds dadelijk na de geboorte de kiemen van eene nieuwe generatie in zich bevatten. Het aantal jongen, door één wijfje ter wereld gebracht, en het aantal in één jaar elkander opvolgende geslachten is bij verschillende soorten zeer ongelijk. Er zijn soorten, bij welke een wijfje 80 tot 100 jongen voortbrengt, terwijl per jaar 9 tot 12 of meer generatiën elkaar opvolgen. In den herfst zijn er weer mannetjes en eierleggende wijfjes.—Daar de bladluizen gedurende haar gansche leven plantensappen zuigen, kunnen zij door haar buitengewoon sterk voortplantingsvermogen zeer schadelijk worden. Terwijl zij uit stengels en bladeren de sappen opzuigen, welke deze anders zelven voor den groei en de bloem- en vruchtvorming zouden hebben gebruikt, brengen zij hare jongen voort, die in deonmiddellijkenabijheid der moeder den zuigsnuit in het zelfde plantendeel inboren, en spoedig zelven beginnen zich voort te planten. Op deze wijze ontstaan bladluiskoloniën, die dikwijls uit honderdenstuks bestaan. Een op deze wijze aangetast plantendeel schrompelt inéén; maar nu zouden ook de daarop zittende bladluizen sterven; vóór ’t echter zoover is gekomen, zijn verscheiden exemplaren verhuisd. De derde generatie nl. bestaat gewoonlijk niet alleen uit ongevleugelde bladluizen, maar ten deele ook uit exemplaren, die na eenige vervellingen te hebben doorloopen, vleugels hebben gekregen; deze vliegen weg, zetten zich op eene andere plant neer en worden daar de stammoeders van nieuwe koloniën. Ook latere generatiën bestaan deels uit gevleugelde, deels uit ongevleugelde exemplaren.—Zoowel doordat de bladluizen vele vijanden hebben (spreeuwen, musschen, grasmusschen, enz., lievenheersbeestjes en hunne larven, gaasvlieglarven, zweegvlieglarven), als doordat zij door wind en regen soms in massa’s gedood worden, komen zij slechts nu en dan, bepaaldelijk in droge zomers, in zóó groote scharen voor, dat zij de door haar bewoonde gewassen zoodanig beschadigen, dat de oogst er erg onder lijdt. Niet slechts door saponttrekking schaden zij den planten; ook doordat zij uit de aarsopening eene suikerhoudende, klevende vloeistof (“honigdauw”) van zich geven, welke, als zij in kleine druppels op bladeren neervalt, een gedeelte van de huidmondjes der bladeren sluit en aldus de werkzaamheid van deze vermindert. Ook hechten zich op de met honigdauw bedekte plantendeelen gemakkelijk sporen van zwammen vast, welke door de lucht werden voortbewogen; zoo kan de honigdauw de voorlooper zijn van “roetdauw”, “het zwart” en van andere door zwammen veroorzaakte plantenziekten.—Fig. 149. Eene gevleugelde en eene ongevleugelde erwtenbladluis. (Zeer vergr.)Fig. 149. Eene gevleugelde en eene ongevleugelde erwtenbladluis. (Zeer vergr.)Deschildluizenzijn alleen in hare eerste jeugd in het bezit vanpootjes, en dus in staat zich te verplaatsen. Weldra zuigen de larfjes zich met haren snuit aan een’ twijg, een’ tak of een’ stam, bij uitzondering ook wel aan een blad of eene vrucht, vast. Dan ondergaan zij eene vervelling, waarbij zij hare pooten verliezen; ook wordt doorgaans haar lichaam aan den rugkant met een schild bedekt, dat bij sommige soorten als eene vervorming van de huid moet worden beschouwd, bij de meeste soorten echter uit eene waslaag bestaat, welke de huid afzondert. Het mannetje ontwikkelt zich onder zoo’n schild tot een van pooten en meestal ook van één paar vleugels voorzien diertje, dat zich in den volwassen staat over grootere of kleinere afstanden voortbeweegt. Het wijfje blijft haar geheele leven lang pootloos en onder het schild verscholen; als het gestorven is, blijft het schild de eieren bedekken, waardoor deze tegen winterkoude en regen beschut zijn. De mannetjes zijn veel kleiner dan de wijfjes. Voor den eigenlijken landbouw hebben de schildluizen geen beteekenis, maar op houtachtige gewassen en struiken (ooftboomen, wijnstok) vindt men vele schadelijke soorten.Orde Blaaspooten.Fig. 150. De graanblaaspoot. (Zeer sterk vergr.)Fig. 150. De graanblaaspoot. (Zeer sterk vergr.)Zeer kleine insekten met een’ eigenaardigen kaaktoestel, waarmee zij de opperhuid van bladeren en bloemdeelen verwonden en deze deelen tevens uitzuigen.—De vier smalle vleugels hebben lange franje aan de randen; de voorvleugels zijn harder dan de achtervleugels. De uiteinden der pootjes dragen geene klauwen, maar blaasjes, die als zuignappen dienst doen.—Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl.134).—In sommige jaren vermeerdert zich de eene of andere soort zeer sterk; dan vliegen zij—vooral op zeer warme dagen—in grooten getale in zwermen rond.—Verschillende soorten zijn er bekend, die aan graanbloesems, aan jonge boonenplanten, aan vlasplanten, enz. schadelijk zijn.Orde Tweevleugeligen.Monddeelen in de lengte gegroeid, òf alleen tot zuigen (kamervlieg, vleeschvlieg, horzels, parasietvliegen) òf tot steken en zuigen (steekmuggen, dazen) ingericht.—Alleen de voorvleugels zijn ontwikkeld, de achtervleugels zijn gewoonlijk door een paar kleine, kolfvormige lichaampjes vervangen (fig. 151).—Gedaanteverwisseling volkomen (bl.134). Larven altijd pootloos; de meesten hebben geen’ duidelijk zichtbaren kop (maden); maar de kopdragende larven van de insekten dezer orde hebben bijtende monddeelen. Deze laatsten veranderen in bedekte poppen (bl.138); de koplooze maden verpoppen binnen hare eigen larvenhuid.Fig. 151.Fig. 151.De langpootmug: Boven rechts de vrouwelijke, boven links de mannelijke vlieg. Daaronder made (“emelt”) en pop. (Alles nat. gr.)Familie der muggen(fig. 151). Lange, dunne sprieten; lange, dunne pooten; lichaam slank en dun. Van sommige soorten (steekmuggen,krieuwelmugjes) steken de wijfjes mensch en vee; de mannetjes zuigen geen bloed maar slechts dauw of andere druppeltjes vocht, welke zich op planten bevinden. Van andere soorten steken nochde wijfjes noch de mannetjes (galmuggen,langpootmuggen). Van de zoo lastige steek- en krieuwelmuggen leven de larven in stilstaand water; vandaar dat zij in vochtige jaren en in laaggelegen, slecht afwaterende streken ’t meest voorkomen.—Van de langpootmuggen leven de grauwe larven (“emelten” of “grauwe wormen”) òf in halfvergane organische stoffen òf op bouw- en weiland, van de wortels van grassen en granen. De soorten, welke ’t laatste doen, zijn schadelijk (fig. 151.)—Galmuggen zijn klein, de meeste soorten slechts 1 à 3 mM. lang; de vleugels zijn vrij breed, behaard, de pooten en sprieten lang; de laatsten bestaan uit een zeer groot aantal leedjes, die op hun midden behaard zijn. Het wijfje heeft eene legboor, waarmee zij hare eitjes in plantendeelen legt. Doorgaans ontstaat op de plaats, waar het eitje gelegd is, eene opzwelling van het plantendeel: soms een ware gal (beukengalmug), soms eene zeer kleine opzwelling, gepaard met abnormalen groei der aangrenzende deelen. Tot de schadelijke galmuggen behooren o. a. de gele tarwegalmug, de Hessische mug, de erwten- en de koolzaadgalmug.—Fig. 152.Fig. 152.Links: goudoogdaas; daaronder de larve van de runderdaas, die aan den rechterkant is afgebeeld. (Nat. gr.)Defamilie der dazenofbremsenbestaat uit groote of middelmatig groote vliegen met een stevig gebouwd lichaam, een’ flink gebouwden kop, een plat achterlijf en stevige pooten. De wijfjes zuigen bloed en worden door hare steken lastig voor mensch en dier. De larven leven in den grond en zijn onschadelijk.—Paardendaas, runderdaas, regendaas, goudoogdaas.—Defamilie der roofvliegenzijn meer slank en dun dan de dazen,met welke zij overigens den stevigen bouw en de flinke pooten gemeen hebben. Zij dooden vele insekten, die zij uitzuigen; den mensch en de huisdieren laten zij met rust.—Familie zweefvliegen.Stevig gebouwd, vrij breed. Meerendeels levendig gekleurd, met zwarte en gele banden op het achterlijf. Zij houden zich soms een’ tijd lang op eene bepaalde plaats in de lucht staande of zwevende, waarbij zij de vleugels zeer snel op en neer slaan. De larven van enkele soorten leven in bollen van planten (uienzweefvlieg, narcisvlieg); die van andere soorten in vuil water (“gootmaden”); de meesten echter leven op bladeren te midden van bladluizen, die zij uitzuigen.—Ware vliegenhebben een’ zuigsnuit, niet geschikt om te steken. In hoofdzaken komen zij met dezwarte kamervliegin bouw overeen. Behalve deze laatste, welker made in mest leeft, behooren tot deze familie: deblauwe bromvliegen devleeschvlieg, welker maden in gekookt of rauw vleesch leven,—deschapenvlieg, die als made in de huid en in de daaronder gelegen deelen van ’t schaap parasiteert,—debloemvliegen, welker maden òf in mest òf in planten leven (bijv. koolvlieg, uienvlieg, bietenvlieg),—degroenoogen, die als made in grasachtige gewassen parasiteeren (halmvlieg, fritvlieg),—deparasietvliegen, welker maden zich in levende rupsen ontwikkelen, en die in de huishouding der natuur dezelfde rol spelen als de sluipwespen (zie bl.153),—dehorzels(fig. 123), die als made in de maag of den darm (paardenhorzel), in de neusholte (schapenhorzel) of onder de huid (runderhorzel) van verschillende dieren parasiteeren.—Luisvliegen.Lichaam plat; huid leerachtig, taai. Kromgebogen voorpooten, geschikt voor ’t klauteren in de haren van de dieren, waarop zij parasitisch leven en welker bloed zij zuigen. Sommige soorten (paardenluisvlieg) hebben twee vleugels; andere zijn ongevleugeld en lijken dan zeer veel op luizen (de zoogenaamde “schapenluis” of “schapenteek”, die eigenlijkschapenluisvliegmoet worden genoemd, daar er bovendien eene ware schapenluis en eene ware schapenteek bestaan). Niet slechts komt bij de luisvliegen de made reeds binnen het moederlichaam uit het ei te voorschijn (dit isook bij enkele andere insekten ’t geval, o. a. bij de schapenhorzel en bij de grauwe vleeschvlieg!); maar de enkele made, die tot ontwikkeling komt, wordt volwassen geboren en verpoptonmiddellijkna hare geboorte. Terwijl de meeste insekten slechts éénmaal zich voortplanten en daarna sterven, herhaalt zich de voortplanting bij de luisvliegen. Telkens verlaat zoo’n insekt, om eene made ter wereld te brengen, het dier, waarop het leeft; de made wordt dan in eene reet tusschen planken, in een gaatje in den grond of op eene andere beschutte plaats geboren.Orde Vlooien.Fig. 153.Fig. 153.Gewone vloo: 1 = volwassen insekt, 2 = larve, 3 = pop. (Zeer vergr.)Ongevleugeld. In de lengte gegroeide monddeelen, geschikt om te steken en bloed te zuigen. Geen vleugels. Springpooten. Eene volkomen gedaanteverwisseling (bl.134): larve met een’ duidelijken kop, maar pootloos; pop onbedekt. De larve van de gewonemenschenvlooleeft in de reten van den vloer of op eene andere verscholen plaats. De vlooien zijn tijdelijke parasieten.Orde Luizen.Lichaam plat, ongevleugeld. Monddeelen op een snuitvormig aanhangsel gezeten; de monddeelen zelve echter zijn zuigend (ware luizen, die bloed zuigen) of bijtend (vacht-ofhaarluizen, die stukjes haar ofhuidschilferseten). De luizen hebben kleine enkelvoudige oogjes of zijn geheel blind. Voorpooten gekromd, geschikt om ermee door haren te klauteren. Geene gedaanteverwisseling.Orde Spring- en Franjestaarten.Kleine, ongevleugelde, met schubbetjes of haartjes bedekte insekten, met bijtende monddeelen. Geene gedaanteverwisseling. Aan het uiteinde van ’t achterlijf òf draadvormige aanhangselen (franjestaarten) òf een gaffelvormig verdeelde staart, die langs de buikzijde van het lichaam naar voren wordt gestoken en voor ’t springen gebruikt wordt (springstaarten).—Tot de franjestaarten behoort o. a. desuikergast; tot de springstaarten behooren de geslachtenPodura,Smynthurus, enz.Klasse II. Duizendpootachtigen.Deze ademen door luchtbuizen (bl.129). Het lichaam bestaat uit een’ kop en een groot aantal aan elkaar gelijke leden, die allen ledematen bezitten (fig. 112op bl.127). Één paar sprieten.—Men onderscheidt: 1º. deeigenlijke duizendpooten, die aan elk lichaamslid één paar pooten hebben, en die in ’t bezit zijn van monddeelen, welke voor roof geschikt zijn, 2º. demillioenpootenmet twee paar pooten aan ieder lichaamslid, en monddeelen, die geschikt zijn voor ’t eten van humusachtige zelfstandigheden en van plantendeelen. Tot de millioenpooten behooren de zoogenaamde “oprollers”, die zich gaarne spiraalvormig inéénrollen. Sommige soorten van oprollers eten kiemende zaden (bietenzaad, erwten) of saprijke plantendeelen (aardappelen, knollen, wortelen).Klasse III. Spinachtigen.Fig. 154. Kruisspin. (Iets vergr.)Fig. 154. Kruisspin. (Iets vergr.)De spinachtigen ademen—voorzoover zij behalve de huid nog afzonderlijke ademhalingsorganen hebben—door tracheeën of door zoogenoemde “longzakken”, die slechts eene wijziging van tracheeënzijn. Het lichaam bestaat hoogstens (zooals bij de ware spinnen) uit twee lichaamsafdeelingen, welke ieder voor zich ongeleed zijn:kopborststukenachterlijf(fig. 154). Terwijl het laatste lichaamsdeel geene ledematen heeft, bezit het eerste als aanhangselen de vergift uitstortende monddeelen, alsmede 4 paar pooten.Er zijn echter ook spinachtigen (de mijten,fig. 155), bij welke ook ’t kopborststuk en ’t achterlijf nog weer tot één ongeleed lichaam vereenigd zijn, zoodat het dier nog slechts door de gelede pooten als een Geleed dier te herkennen is (zie bl.127).Tot de spinachtigen behooren o. a. de volgende orden:ware spinnen,schorpioenen,langpootspinnenofhooiwagens,mijten.Fig. 155. De gewone teek, in niet volgezogen toestand. (Vergroot.)Fig. 155. De gewone teek, in niet volgezogen toestand. (Vergroot.)Deware spinnenzijn, voorzoover zij òf rustig in hare web zittende òf de prooi achtervolgende, schadelijke of lastige insekten vangen, eenigszins nuttig.Tot demijtenbehooren o. a. dekaasmijt, die op harde soorten van kaas bij duizenden kan voorkomen, en de kaas in een poeder verandert,—demeelmijt, die zich sterk vermeerdert in meel, dat op eene warme, vochtige plaats bewaard wordt,—deschurftmijten, waarvan verschillende soorten bij onderscheiden dieren en ook bij den mensch eene huidziekte kunnen veroorzaken,—deteken, die gewoonlijk op den grond leven, maar soms tegen struiken en kruidachtige planten opklimmen, om van deze op honden, schapen, runderen, enz., ook wel op den mensch, over te gaan, waaraan zij zich vast hechten, en dien zij bloed afzuigen.Klasse IV. Schaaldieren.De schaaldieren ademen door kieuwen; de meesten leven dan ook in het water, en de landschaaldieren (sommige pissebedden) houden zich steeds op eenigszins vochtige plaatsen op. Huid hard en dik, met kalkafzetting. Twee paar sprieten.—Voorbeelden: kreeften, krabben, pissebedden.
Hoofdafdeeling II. Gelede Dieren.Fig. 112. Reuzenduizendpoot; nat. gr.Fig. 112. Reuzenduizendpoot; nat. gr.Fig. 113. Eene sluipwesp: 1 = volwassen insekt, nat. gr.; 2 = larve; 3 = pop.Fig. 113. Eene sluipwesp: 1 = volwassen insekt, nat. gr.; 2 = larve; 3 = pop.Het lichaam der Gelede dieren is tweezijdig symmetrisch, en bestaat uit een bij de verschillende soorten zeer ongelijk aantal achter elkaar gelegen leden (fig. 112). Wel zijn deze leden oorspronkelijk alle aan elkaar gelijk; maar gedurende de ontwikkeling van het dier treden de onderscheiden leden in dienst van verschillende verrichtingen, en zoo ontstaat er soms een zeer groot onderscheid. (Vergel. bijv. de infig. 113, 1 afgebeelde sluipwesp met den vorm, dien dit dier in zijn eerste jeugd heeft: 2). Dikwijls vergroeien verschillende leden met elkander, en dan vertoont het lichaam eene indeeling in enkele lichaamsafdeelingen (insekten); of zelfs alle leden versmelten tot één geheel (mijten). In ’t laatstbedoelde geval kan men nog slechts aan de gelede pooten zien, dat men met een Geleed dier te doen heeft. Wel behooren ook tot dewormen(3e Hoofdafdeeling van het Dierenrijk) dieren, welke uit leden bestaan(bijv. de regenworm); maar deze wormen hebben òf geene òf slechts kleine, ongelede pootjes; nooit gelede pooten, zooals de Gelede dieren bezitten. Slechts in hunne eerste jeugd kunnen de insekten pootloos zijn (fig. 113, 2) of ongelede lichaamsaanhangselen hebben (de achterste pooten van eene rups:fig. 114).—De kop der Gelede dieren bezit verschillende op elkaar volgende paren kaken, die zich van links naar rechts en van rechts naar links, heen en weer, bewegen.—De lichaamsbekleeding bestaat bij de volwassen Gelede dieren uit eene huid met harde pantserstukken; slechts bij de eerste ontwikkelingstoestanden (“larven”) is de huid van verschillende soorten meer zacht.—De Gelede dieren hebben geen inwendig skelet; de spieren zijn aan de uitwendige huid bevestigd.—De centrale deelen van het zenuwstelsel (bl.19) liggen bij de Gelede dieren bijkans alle aan de buikzijde. In den kop ligt de “hersenknoop”, dit is eene knoopvormige, boven den slokdarm gelegen zenuwmassa, van waaruit zenuwen naar de oogen en de sprieten zich begeven. Verder vindt men aan de buikzijdedes diers de zoogenoemde “buikzenuwstreng”, die beneden het darmkanaal zich uitstrekt en uit verschillende zenuwknoopen (fig. 115,z) bestaat, welke door zenuwdraden aan elkander verbonden zijn. Er is geene afzonderlijke lichaamsholte voor de centrale deelen van het zenuwstelsel. De ademhalingsorganen zijn bij eenige Gelede dieren (Schaaldieren, zooals kreeften en krabben)kieuwen; de Insekten en Duizendpooten ademen doorluchtbuizenoftracheeën(zie beneden), en ook de Spinachtigen bezitten meer of minder gewijzigde luchtbuizen.—In hoofdzaken is de bouw van het luchtbuizenstelsel het volgende: aan iederen kant van het lichaam bevindt zich eene reeksluchtgaten(fig. 115,lb), door welke de lucht in de luchtbuizen wordt binnengevoerd. Deze laatsten vertakken zich herhaaldelijk, zoodatzij ten slotte zich in zeer fijne huisjes splitsen, welke de verschillende organen omspinnen. De lucht wordt aldus naar alle deelen des lichaams heengevoerd. Infig. 114zijn de luchtgaten van eene rups, infig. 113, 2 die van eene sluipwesplarve duidelijk zichtbaar.Fig. 114. De rups van een’ doodshoofdvlinder. (½ nat. gr.)Fig. 114. De rups van een’ doodshoofdvlinder. (½ nat. gr.)Fig. 115. Schets van eene doorsnede dwars door ’t lichaam van een insekt.Fig. 115. Schets van eene doorsnede dwars door ’t lichaam van een insekt.lb= luchtgaten, waarin de luchtbuizen uitmonden;h= hart;d= darm;z= zenuwknoopen.Tot de Gelede dieren behooren vier klassen: die derInsekten,Duizendpooten,SpinachtigenenSchaaldieren.Klasse I. Insekten of gekorven dieren.Ademhaling door luchtbuizen (zie boven).—De leden zijn tot drie lichaamsafdeelingen vereenigd:kop,borststukenachterlijf(fig. 116). Aan den kop, die de oogen, de voelhorens of sprieten en de kaken draagt, laten zich de verschillende leden, die hem samenstellen, niet meer onderscheiden. Het borststuk bestaat uit drie leden (fig. 116, B1, B2, B3), van welke het eerste (’t voorborststuk) een paar pooten, en het tweede (’t middenborststuk) zoowel als het derde (’t achterborststuk) een paar pooten en een paar vleugels draagt. Het achterlijf bestaat niet bij alle insekten uit een gelijk getal leden; er zijn aan dit lichaamsdeel geene pooten bevestigd.—De bovenvermelde drie lichaamsafdeelingen verrichten verschillende functiën: de kop dient vooral voor de gewaarwording en de spijsopneming, het borststuk voor de beweging; het achterlijf bevat hoofdzakelijk de organen voor voeding en voortplanting.Fig. 116. Meikever, uit elkander genomen.Fig. 116. Meikever, uit elkander genomen.A = kop; hieraan: s = spriet; o = oog; l = bovenlip; p = taster v. d. onderkaak.—B1= voorborststuk; B2= middenborststuk; B3= achterborststuk. Aan de pooten: d = dij; s = scheen; v = voet. Aan B2: s = schildje; E = dekschild. In de vleugels worden de aders door getallen aangeduid;aena1zijn gewrichten in deze aders.—C = achterlijf; hieraan: s1-s6= de stigma’s of ademhalingsopeningen.Bijkans alle insekten hebben in den volwassen toestand aan iederen kant des kops een “samengesteld” oog, d. i. een oog, ’t welk uit een groot aantal (tot 10.000) kleine oogjes is samengesteld. Bovendien vindt men bij verschillende insekten nog enkele “enkelvoudige” oogen boven op den kop.—De sprieten bestaan uit leden; overigens zijn zij bij de onderscheiden insekten zeer ongelijk; zij dienen voor het tastgevoel.—De monddeelen bestaan uit drie paar kaken, van welke het eerste paar (debovenkaken, fig. 117,Bov.k.) en het tweede paar (deonderkaken,O.k.) zich vrij naar elkaar toe en van elkaar af kunnen bewegen, terwijlde kaken van het derde paar aan elkaar tot een stuk vergroeid zijn, ’t welk de “onderlip” (O.l)] heet. Eene voortzetting van de huidbekleeding des kops (de “bovenlip”,Bl.) steekt meer of min als een afdak over de drie bovengenoemde paren kaken uit. Bij de insekten, welke vaste spijs opnemen en deze verscheuren of fijn kauwen, zijn de kaken kort en scherp; men noemt ze “bijtende monddeelen”. Bij die, welke vloeibare spijs (bloed, plantensappen) opnemen, zijn zij zeer in de lengte gegroeid en tot likken, zuigen of steken ingericht (verlengde monddeelen).Depootender insekten (fig. 118) bestaan uit onderscheiden deelen, die grootendeels genoemdzijn naar de deelen van een’ zoogdierpoot; toch is natuurlijk de overeenkomst tusschen de ledematen van insekten en zoogdieren niet dan geheel oppervlakkig. Men onderscheidt dan aan een’ insektenpoot de volgende deelen: 1º. het gewoonlijk zeer korteheuplid, 2º. den insgelijks zeer kortendijring, 3º. de langwerpigedij, 4º. de aan haar uiteinde met bewegelijke stekeltjes bezettescheen, 5º. den uit 3 tot 5 leedjes bestaandenvoet. Het laatste lid van den voet is vanklauwen, soms vanzuignapjesvoorzien.—Devleugels(fig. 116) zijn eigenlijk huiduitbreidingen, welke uit twee lagen bestaan. Tusschen de bovenste en de onderste huidplaat van den vleugel bevinden zich luchtbuizen. In den eersten tijd, dat het insekt vleugels heeft (in den poptoestand), zijn dezeinééngeplooid; maar door het inpersen van lucht in de luchtbuizen der vleugels zetten zich, bij het pas uit de pop gekomen insekt, de luchtbuizen en daarmee de vleugels uit, en dat wel in korten tijd. Daarna zet zich zeer spoedig eene vaste zelfstandigheid om de grootsten der luchtbuizen af; op deze wijze worden de laatsten tot “aderen” of “nerven”, welke den vleugels stevigheid verleenen. Bijde kevers zijn de voorvleugels geheel en al hard en meer tot bescherming van de achtervleugels en van het teere achterlijf, dan tot vliegen geschikt. Bij vele insekten is één paar vleugels in den rusttoestand samengevouwen; dit kan met de voorvleugels (bijv. bij de wespen) of met de achtervleugels (bijv. met de kevers en sprinkhanen) ’t geval zijn.Fig. 117.Fig. 117.Boven: Kop van den spinnenden waterkever, van de rugzijde gezien. Beneden: id. van beneden gezien. In beide figuren is:o= oog;sp= spriet;Bl= bovenlip;Bov.k= bovenkaak;O.k= onderkaak;t′= taster van deze;O.l= onderlip;t= taster van deze.Het achterlijf draagt slechts bij de rupsen en bij enkele andere insekten in den nog onvolwassen toestand bewegingswerktuigen, welke echter niet geleed zijn; zij zijn dus ongelede “achterlijfspooten”, in tegenstelling met de gelede “borstpooten” (fig. 114). Bij de volwassen insekten vindt men soms draadvormige (veenmol) of tangvormige (oorworm) aanhangselen aan het laatste lid van ’t achterlijf; ook draagt het achterlijf eenelegboorbij zulke insekten, welke hunne eieren in een bepaald voorwerp (den grond, hout, bladeren, andere dieren) leggen.—Fig. 118.Fig. 118.Poot van een’ loopkever;h= heup;dr= dijring;d= dij;s= scheen;v= voet, uit vijf leden bestaande.De meeste insekten hebben een zeer sterk voortplantingsvermogen. Enkele soorten (vleeschvlieg, schapenluisvlieg) brengen levende jongen ter wereld, maar verreweg de meesten leggen eieren. Uit deze eieren komen in enkele gevallen dieren te voorschijn, die reeds volkomen op hunne ouders gelijken (luizen); verreweg de meeste insekten echter ontwikkelen zich metgedaanteverwisselingofmetamorphose; d. i. zij treden reeds in hunnen allereersten ontwikkelingstoestand zelfstandig op en zorgen dan reeds zelven voor hun voedsel. Daardoor behoeft het ei niet (zooals bij de vogels en kruipende dieren) groote hoeveelheden voedende stoffen te bevatten; de eieren kunnen dus veel kleiner zijn, en er kunnen tegelijk meer van worden voortgebracht. De gedaanteverwisseling maakt dus dat de voortplanting sterker kan zijn dan anders mogelijk zou wezen. Het meerendeel der insekten, zwakke diersoorten als zij zijn en zeer gevoelig voor minder gunstige uitwendige invloeden, moet zich dan ook wel sterk voortplanten; deden zij dit niet, dan zouden zij spoedig uitsterven.Maar de sterke vermeerdering is dan ook weer, als de uitwendige omstandigheden eens bij uitzonderingnietongunstig zijn, oorzaak van dat verschijnen in massa’s, ’t welk bij vele insekten voorkomt (rupsen, sprinkhanen), en dat bij plantenetende soorten maar al te vaak groote schade aan onze gewassen berokkent.Fig. 119.Fig. 119.Het groote koolwitje: rups; pop; mannelijke vlinder zittend; vrouwelijke vlinder vliegend. (Nat. gr.)Men onderscheidt twee soorten van gedaanteverwisseling: devolkomeneen deonvolkomene. Volkomen noemt men haar als het insekt eenen poptoestand doorleeft, d. i. eenen toestand, waarin het geen voedsel opneemt en zich gewoonlijk weinig beweegt;—onvolkomen noemt men de metamorphose, wanneer zoodanige poptoestand niet wordt doorleefd, en het insekt dus alleen bij de verschillende vervellingen langzamerhand eenigszins van gedaante verandert.—Het woord “vervelling” dien ik hier nog nader teverklaren. De huidbekleeding der Gelede dieren bestaat uit harde stukken, die zich niet kunnen uitzetten. Aan het einde van eene bepaalde levensperiode worden de harde lagen der huid afgestroopt, en het insekt komt voor den dag met eene teere huid, die voor uitzetting vatbaar is en dus aan den groei geen hindernis in den weg legt. Langzamerhand wordt ook deze nieuwe huid weer harder.Fig. 120.Fig. 120.Gedaanteverwisseling van de zijderups:a= rups;b= cocon;c= de daarin verscholen pop;d= vlinder, eieren leggende. (Nat. gr.)Bij de insekten met onvolkomen gedaanteverwisseling verandert de vorm van het insekt bij iedere vervelling eenigszins, en wordt hij telkens meer aan dien van het volwassen insekt gelijk; bij de voorlaatste vervelling komen kleine “vleugelstompjes”, of liever “vleugelscheeden” (fig. 133, in het water, links) te voorschijn, binnen welke de vleugels zelve in samengeplooiden toestand zich vormen. Ook de legboor van de vrouwelijke insekten komt eerst bij de vóórlaatste vervelling als volledig ontwikkeld orgaan te voorschijn. Reeds in de eerste levensperiode gelijkt het insekt, dat eene onvolledige gedaanteverwisseling doorleeft, betrekkelijk veel op het volwassen dier; veel meer dan bij die insekten ’t geval is, welke eene volkomen gedaanteverwisseling doorloopen. (Ziefig. 122).De tijd, welken een insekt met volkomen gedaanteverwisseling in den poptoestand doorbrengt, duurt op verre na niet altijd even lang.Van het groote koolwitje (fig. 119) komen alle jaren twee opvolgende geslachten (generatiën) voor; de eerste generatie doorleeft den winter in den poptoestand, van de andere vindt men de poppen in den zomer. Terwijl nu het insekt der wintergeneratie ongeveer een half jaar in den poptoestand doorbrengt, duurt deze toestand bij de zomergeneratie nog geen maand. Hooge temperatuur bespoedigt de ontwikkeling.Fig. 121.Fig. 121.De meikever;een mannetje uit den grond kruipend; een vrouwelijke kever, vliegend; larve (engerling) en pop. (Nat. gr.)Ofschoon een insekt in den poptoestand geene spijs opneemt, ademt het toch en verbruikt het aldus voortdurend stof, echter slechts eene geringe hoeveelheid, daar het dier zich slechts weinig beweegt (zie bl.26). Vanwaar krijgt nu de pop haar voedsel, om dit verlies aan stof te dekken? In den larvetoestand neemt het insekt veel meer voedsel op dan het voor zijnen groei noodig heeft. Uit dit overschot vormen zich de reservestoffen, die in het zoogenoemde “vetlichaam” der larve worden afgezet. Gedurende den poptoestand worden deze reservestoffen gebruikt om de ademhaling te onderhouden. Daarom weegt eene pop onmiddellijk nadat zij uit de rups is ontstaan, meer dan eene pop, die binnenkort in vlinder zal veranderen.Fig. 122.Fig. 122.De sabelsprinkhaan:aenb= jonge exemplaren;c= volwassen wijfje, eieren leggende. (Iets vergr.)De larven en poppen zijn bij de onderscheiden insektensoorten zeer verschillend van vorm. Men onderscheidt de larven in:rupsen, warelarvenenmaden. De maden (fig. 123,b,c) zijn pootloos en hebben geen’ duidelijk zichtbaren, met eene harde huid bekleeden kop. Deware larvenhebben wèl een’ harden kop, die van de overige deelen van den romp duidelijk te onderscheiden is; sommige larven hebben borstpooten (fig. 121), andere niet (fig. 128). Achterlijfspooten echter bezitten zij niet, hoogstens aan ’t uiteinde van ’t achterlijf een paar ongelede lichaamsaanhangselen. Derupsen(fig. 114, 120,a) hebben een’ duidelijk zichtbaren, harden kop, 3 paar gelede borstpooten en een verschillendaantal ongelede achterlijfspooten. Men onderscheidtware rupsen, die later in vlinders veranderen, enbastaardrupsen, die de jeugdtoestand van bladwespen zijn. De laatsten (fig. 124) hebben een’ kogelronden kop en bezitten 6–8 paar achterlijfspooten; bij de eersten (fig. 119, 120,a) is de kop plat en bedraagt het aantal achterlijfspooten 2–5. De gang der rupsen staat in nauw verband met het aantal achterlijfspooten. Is dit aantal vrij groot en zijn dus verreweg de meeste lichaamsleden van pooten voorzien, dan blijft het geheele lichaam gedurende de beweging tamelijk wèl gestrekt. Bevinden zich echter alleen aan het achtereinde des lichaams achterlijfspooten, dan is het gansche middenlichaam pootloos en de voortbeweging geschiedt dan door dit pootlooze lichaamsdeel sterk te krommen. Dit is ’t geval bij de zoogenoemde “spanrupsen”, die slechts 2 paar achterlijfspooten bezitten (fig. 144, c).Fig. 123.Fig. 123.De paardenmaaghorzel:a= ei, aan een haar vastgehecht (zeer sterk vergr.);b= jeugdige made (sterk vergr.);c= volwassen made (2 maal nat. gr.);d= pop (2 maal nat. gr.);e= vlieg (de streep geeft de nat. gr. aan).Depoppenzijn òf door eene huid omgeven, die den omtrek der afzonderlijke lichaamsdeelen slechts onduidelijk doet doorschemeren (fig. 119,120,c); òf zij hebben eene huidbekleeding, die ieder lichaamsdeel (ook de vleugels, pooten, sprieten, monddeelen en oogen) afzonderlijk omgeeft (fig. 121). De eersten noemt menbedekte, de laatstenonbedektepoppen.—Vele poppen zijnnaakt(fig. 119,121);andere zijn omgeven door eenecocon(fig. 120,b) of door delarvehuid(fig. 123,d). ’t Laatste is het geval met de poppen van vele vliegen: als de made verpopt, blijft de huid van deze in samengeschrompelden toestand om de pop heen zitten. Eene cocon bestaat uit spinsel, ’t welk als eene vloeistof in de spinklieren der larve zich vormt, door eene opening in de onderlip naar buiten treedt, vervolgens in draden wordt getrokken en vast wordt. Vele rupsen gebruiken haar spinvermogen niet slechts om eene cocon te maken, maar ook om nesten te vervaardigen of om eenen draad te spinnen, waaraan zij zich laten zakken.Fig. 124.Fig. 124.De bessenbastaardrups: 1 = de rupsen in hare eigenaardige houdingen (nat. gr.); 2 = de rups (vergr.); 3 = cocon (iets vergr.); 4 = bladwesp (vergr.).Men onderscheidt de klasse der Insekten in de volgende orden: 1. Kevers of Schildvleugeligen, 2. Rechtvleugeligen, 3. Gaas- of Netvleugeligen, 4. Vliesvleugeligen, 5. Vlinders of Schubvleugeligen, 6. Halfvleugeligen, 7. Blaaspooten, 8. Vliegen en Muggen of Tweevleugeligen, 9. Vlooien, 10. Luizen, 11. Spring- en Franjestaarten.Orde Schildvleugeligen of Kevers.Fig. 125. De groote loopkever. (nat. gr.)Fig. 125. De groote loopkever. (nat. gr.)Bijtende monddeelen (bl.131). Een groot voorborststuk, dat met het middenborststuk zeer bewegelijk verbonden is. De voorvleugels vervormd tot harde “dekschilden”, die in den rusttoestand alleen den kop, het voorborststuk, een klein driehoekig stukje van het middenborstuk (het “schildje”) en soms het uiteinde van ’t achterlijf onbedekt laten. De achtervleugels, die tot vliegen dienen, zijn in den rusttoestand onder de dekschilden samengevouwen.—Gedaanteverwisseling volkomen. Larven met harden kop, met of zonder borstpooten. Poppen onbedekt.Van de talrijke familiën noem ik de volgende.Loopkevers(fig. 125): slank met lange, dunne pooten, draadvormige sprieten, krachtige kaken.Zij loopen snel, vliegen meestal slecht of in ’t geheel niet. Larven langwerpig. Volwassen kevers en larven houden zich op en in den grond op, en leven, met zeldzame uitzonderingen, van andere insekten. Over ’t geheel nuttig.—Kortschildkevers: langwerpig, smal. Korte dekschilden, die het geheele achterlijf onbedekt laten. De larven gelijken veel op die der loopkevers. Volwassen kevers en larven voeden zich met levende insekten of met rottende organische zelfstandigheden.—Knotssprietigenhebben sprieten, welker laatste leden dikker zijn dan de eerste leden. Hiertoe behooren o. a. deaaskeversendoodgravers,die èn als volwassen dier èn als larve van doode dieren leven; de doodgravers begraven de krengen in den grond, alvorens er hunne eieren in te leggen. Enkele soorten van aaskevers worden èn als kever èn als larve wel eens schadelijk op bietenakkers. Tot de knotssprietigen behooren verder: dekoolzaadglanskever, hetframbozenkevertje, hetbietenkevertje.—Fig. 126. De meikever; (nat. gr.).Fig. 126. De meikever; (nat. gr.).Bladsprietigen(fig. 126) zijn plompe kevers. Van hunne sprieten zijn de laatste 3–7 leden plat, bladvormig verbreed; zij vormen te zamen een knotsje. De larven (“engerlingen”,fig. 121) zijn dik, krom gebogen; zij hebben borstpooten; zij leven in den grond, in vermolmd hout of in mest.—Hiertoe behooren o. a. demeikeveren hetrozenkevertje; ook demestkeversen hetvliegend hert.—Fig. 127. Kniptor, op den rug liggend; (2 maal nat. gr.).Fig. 127. Kniptor, op den rug liggend; (2 maal nat. gr.).Kniptorrenzijn langwerpig, overal ongeveer even breed, met een zeer lang voorborststuk. De sprieten bestaan uit leden, die ongeveer driehoekig zijn (“zaagvormige sprieten”). Op den rug liggende, springen zij hoog op. Dit doen zij als volgt (fig. 127). Eerst buigt het dier zich zoodanig, dat kop en voorborststuk naar boven-, midden- en achterborststuk en achterlijf naar beneden gebogen zijn. Daarna licht het de neergebogen einden van ’t lichaam weer op, waarbij de aanvankelijk omhoog gebogen verbindingsplaats tusschen voor- en middenborststuk met kracht op den grond komt, zoodat de tor door hare eigen veerkracht hoog opspringt. De buikzijde van het voorborststuk heeft aan het achtereinde een uitsteeksel, dat juist past in eene groeve, die in ’t middenborststuk aanwezig is. Ligt de tor op den rug en buigt zij het midden van haar lichaam naar boven, dan drijft zij dat uitsteeksel uit de groeve; buigt zij het midden van het lichaam weer naar beneden, dan komt het uitsteeksel weer in de groeve terug.—Delarven der kniptorren (“ritnaalden”, “koperwormen”) zijn dun, langwerpig, hard van huid, geelbruin van kleur, met korte borstpooten en een paar ongelede uitsteeksels aan ’t laatste lid van het achterlijf.—Van sommige kniptorsoorten leeft de ritnaald van humus; andere ritnaalden echter zijn zeer schadelijk aan graan en vele andere kultuurgewassen.—Fig. 128.Fig. 128.De eikelsnuittor, hare larve, en kop van den kever van ter zijde. (Alles zeer vergr.; onder de afb. der larve is deze in omtrek in nat. gr. afgebeeld; naast den kever geeft eene streep de nat. gr. aan).Snuittorren(fig. 128) hebben een snuitvormig verlengstuk aan den kop, aan welks uiteinde de kaken staan. Met deze snuit boren zij gaten in stengels, takken, bloemen, vruchten en andere plantendeelen, soms om voedende stoffen daaruit op te nemen, soms om een gat te maken, waarin zij een ei leggen. De sprieten zijn bij vele soorten knievormig gebogen (fig. 128) en aan den snuit ingeplant. De snuittorren vliegen zelden, nooit anders dan in den paartijd. Er zijn echter soorten, die niet kunnen vliegen, daar de dekschilden met elkaar vergroeid zijn. Larven (fig. 128) pootloos, eenigszins gebogen.—Vele schadelijke soorten, als:erwtenkever,boonenkever,bladrandkever,appelbloesemkever,dennensnuittorren,graanklander.—Fig. 129. Moedergang en larvengangen van den iepenspintkever. a = boorgat. (Nat. gr.)Fig. 129. Moedergang en larvengangen van den iepenspintkever.a= boorgat. (Nat. gr.)Schorskeverszijn nauw aan de snuittorren verwant; de kop is vrij dik en eenigszins verlengd, zonder dat deze verlenging veel dunner is dan de kop zelf. De sprieten eindigen in een knopje.—De larven gelijken veel op die der snuitkevers.—De moederkever boort een gat door de schors en bast des booms tot aan het spint en graaft van dáár uit een of meer gangen (“moedergangen”), aan weerskanten waarvan zij hare eieren legt. De larven graven “larvengangen”, welke voor ’t meerendeel loodrecht op de moedergangstaan, en die steeds wijder worden, naarmate de larve groeit. Aan ’t einde van den gang verpopt de larve; en later boort zich de jonge kever door bast en schors heen naar buiten. Door het graven van kevers en larven wordt de verbinding tusschen bast en houtverbroken, bast en teeltweefsel grootendeels vernield. Verscheiden soorten zijn voor de houtteelt zeer schadelijk:dennenscheerder,iepenspintkever, enz.—Fig. 130. De Coloradokever.Fig. 130. De Coloradokever.Op de bladeren van eene aardappelplant ziet men eihoopjes, eene larve en twee volwassen kevers. (Alles nat. gr.)Fig. 131.Fig. 131.Gedaanteverwisseling van het zevenmaal gestippelde lievenheersbeestje:a= larve;b= pop, van terzijde gezien;c= pop, van de buikzijde gezien;d= kever, (bendnat. gr.;aencvergr.)Boktorrenhebben zeer lange sprieten, die zij veelal naar achteren gebogen dragen, als een bok zijne horens. De pootlooze larven leven in ’t hout. Sommige soorten (o. a. depopulierboktor) zijn schadelijk.—Goudhaantjesofbladkevers(fig. 130) zijn gedrongen van vorm, aan de rugzijde bol. De larven leven voor ’t meerendeel buiten op de bladeren van dezelfde gewassen, waarvan ook de kevers vreten; enkele soorten leven inwendig in plantendeelen; zij hebben drie paar pooten. Vele goudhaantjes hebben schitterende metaalkleuren. Tot deze familie behooren o. a.lelietorretje,aspergekevertje,elzenhaantje,Coloradokever,schildpadtorren, ook de springendeaardvlooien.—Fig. 132. De veenmol, loopend en vliegend; ook eene larve. (Nat. gr.)Fig. 132. De veenmol, loopend en vliegend; ook eene larve. (Nat. gr.)Lievenheersbeestjes(fig. 131) zijn half bolvormig. De larven gelijken veel op die der goudhaantjes, maar hebben langere pooten. Zij eten, evenals de volwassen kevers, bladluizen.Orde Rechtvleugeligen.Monddeelen bijtend. Voorvleugels leerachtig; achtervleugels vliezig, in den rusttoestand onder de voorvleugels waaiervormig inééngeplooid (fig. 132). Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl.134).—Men onderscheidtloopendeenspringenderechtvleugeligen.Tot deloopenderechtvleugeligen behoorenoorwormenenkakkerlakken(o. a. de gewone keukenkakkerlak of bakkerstor);—tot despringenderechtvleugeligen: develdsprinkhanen(zonder sabelvormige legboor), desabelsprinkhanen(met eene sabelvormige legboor bij de wijfjes), dekrekels(rolrond of plat van lichaam, terwijl de twee vorige familiën meer hoog dan breed van lichaam zijn). Tot de veldsprinkhanen behooren de meesten der kleine sprinkhaantjes, welke op weilanden zoo algemeen zijn, maar ook de beruchte treksprinkhanen;—tot de krekels o. a. de huiskrekel (kriek, iem) en de zoo schadelijke veenmol (fig. 132).Orde Gaas- of Netvleugeligen.Monddeelen bijtend. Voor- en achtervleugels veel op elkaar gelijkend, met een sterk vertakt net van nerven (fig. 133). Gedaanteverwisseling onvolkomen of volkomen (bl.134).Eeneonvolledige gedaanteverwisselinghebben: de in warmere streken levendetermieten; dehaftenenglazenmakers, welker larven in ’t water leven(fig. 133). De volwassen glazenmakers dooden insekten, waaronder vele schadelijke;—de termieten zijn door hunne vernielzucht zeer bekend.Fig. 133. Een glazenmaker.Fig. 133. Een glazenmaker.In het water zwemmen twee glazenmakerslarven, die met hare lange onderlip een ander insekt aangrijpen. Rechts zit tegen den rietstengel eene larve, die reeds vleugelstompjes bezit, en die dus spoedig in een’ volwassen glazenmaker zal veranderen. Daartoe barst de larvehuid aan de rugzijde open; de glazenmaker kruipt er uit, en het leege huidje blijft aan den rietstengel zitten (zie den linkerkant van de figuur). Alles nat. gr.Eenevolledige gedaanteverwisselingdoorloopen: degaasvliegen, deschorpioenvliegen, dekokerjuffers. De gaasvliegen bezitten in den toestand van larve een paar zeer groote, doorboorde kaken, waarmee zij een ander insekt (meestal eene bladluis) aangrijpen, terwijl zij de lichaamssappen door de openingen in de kaken heen opslurpen. (Nuttig.) Tot de familie der gaasvliegen behoort ook de mierenleeuw (fig. 134), die als larve in een trechtervormig kuiltje in’t zand leeft, en verschillende insekten uitzuigt, welke in dit kuiltje vallen (vooral mieren).—De schorpioenvliegen dooden in de vluchtvele insekten.—De kokerjuffers leven als larven in ’t water, en wel in kokertjes, die zij uit plantendeelen, stukjes steen of schelpen samenstellen.Fig. 134. De mierenleeuw.Fig. 134. De mierenleeuw.A= volwassen insekt;B= larve (eigenlijke mierenleeuw):C= pop;C′= cocon, waaruit het volwassen dier te voorschijn is gekomen. (Alles nat. gr.)Orde Vliesvleugeligen.Bovenlip en bovenkaken niet verlengd (bl.131), de laatsten tot bijten ingericht. Onderkaken en onderlip in de lengte gegroeid, bij sommige soorten een’ soort van snuit vormend, geschikt om honig uit de bloesems te zuigen (fig. 135). Zijn deze laatstbedoelde monddeelen minder sterk verlengd, dan kunnen zij in ieder geval dienen voor ’t oplikken van lichaamssappen uit aangebeten dieren (mieren) of uit plantendeelen (wespen). De bovenkaken dienen om te bijten: ’t zij om houtdeelen stuk te maken, die voor ’t bouwen der nesten worden gebruikt (wespen), ’t zij om eene opening te maken in dieren of plantendeelen, waaruit zij daarna vocht oplikken (mieren, wespen), ’t zij om bloemdeelen door te bijten, om aldus bij de honigbakjes te komen (brombijen).—Vleugels alle vier vliezig, met weinig of zeer weinig nerven.—Gedaanteverwisseling volkomen (bl.134). Larven bij vele familiën madevormig, bij de bladwespen rupsvormig (bastaardrupsen).Fig. 135. Kop van de werkbij.Fig. 135. Kop van de werkbij.o= samengesteld oog;o′= enkelvoudig oogje:sp= sprietbl= bovenlip;bk= bovenkaak;ok= onderkaak;tg= tong (benedeneinde van de in de lengte gegroeide onderlip);ol-t= onderlipstaster. (Zeer vergroot.)Het wijfje bezit eene legboor, die van zeer verschillenden bouw kan zijn, en die bij onderscheiden soorten (graafwespen) niet slechtsvoor het eierleggen maar ook voor verdediging dient; bij andere soorten dient zij slechts voor ’t laatsbedoelde werk, en vindt het eierleggen plaats door de anale opening (bijen, wespen). De tot steekorgaan vervormde legboor wordt “angel” genoemd.—De bij andere insekten in ’t achterlijf aanwezige klieren, welke eene kleverige zelfstandigheid afscheiden, die tot vasthechting der eieren aan bladeren, enz. dient, zijn bij de angeldragende vliesvleugeligen tot giftklieren vervormd.Vele vliesvleugeligen (alle graaf-, sluip-, gal-, bladwespen, ook vele soorten van bijen en wespen) leven alleen; anderen (alle mieren, vele bijen en wespen) vormenstaten, welke soms uit duizenden individu’s bestaan. In deze staten grijpt altijd eene verdeeling van den arbeid plaats in zoover, dat men naast de mannelijke en vrouwelijkevoortplantingsdieren, die uitsluitend voor de voortplanting dienen, steeds onvruchtbarewerkdierenofarbeidstersvindt: vrouwelijke individu’s met voortplantingsorganen, die niet tot volkomen ontwikkeling zijn geraakt. Deze arbeidsters bouwen de woningen, kweeken de larven op en verdedigen den staat tegen den aanval van vreemde dieren; zij zijn dan ook in veel grooter aantal in elken staat aanwezig dan de voortplantingsindividu’s.—Familie der bijen.Zeer verlengde ondertong kaken en onderlip, waarmee honig uit de bloemen wordt gezogen. Lichaam plomper en meer behaard dan dat van de wespen. De pootlooze larven worden met stuifmeel of met een mengsel van stuifmeel en honig gevoed. Voor ’t vasthouden van het in de bloesems verzamelde stuifmeel dienen o. a. bij honigbijen en hommels de zeer verbreede scheenen der achterpooten en heteerste, bijzonder groote, lid van den voet dezer ledematen; vele andere bijen dragen aan den onderkant van het achterlijf stuifmeel mee.—De in staten levende bijen maken hare nesten van was (dat aan de buikzijde van de werkbijen inschilferszich afscheidt), van zandkorrels, hout of deelen van bladeren.Bij de bestuiving van vele gewassen spelen de bijen eene gewichtige rol. Zie hierover het deeltje over Plantkunde.De honigbij zal elders uitvoeriger worden behandeld.—Familie der wespen.Monddeelen als bij de bijen. Ook angeldragend. Slank, weinig of niet behaard. Voorvleugels in den rusttoestand overlangs opgevouwen.Fig. 136. Paardenwesp. (Nat. gr.)Fig. 136. Paardenwesp. (Nat. gr.)De in staten levende wespen maken hare nesten uit eene soort van papier, hetwelk zij bereiden door hout- of bastdeelen fijn te kauwen. De werkwespen zoowel als de mannetjes sterven tegen den winter; alleen de bevruchte koninginnen overwinteren, en wel onder mos, in holle boomen en op andere verscholen plaatsen. In ’t voorjaar begint iedere koningin met den bouw van een nest; tevens legt zij eieren en voedt zij de larven. Eerst later in ’t jaar wordt zij bij den nestbouw en bij het voederen der larven bijgestaan door de intusschen uitgekomen werkwespen. (Bij de bijen overwinteren ook de arbeidsters, en sterven tegen den winter alleen de mannetjes).Fig. 137.Fig. 137.Links: twee exemplaren van den rood en zwart gekleurden rupsendooder, het eene bezig eene rups te begraven. Rechts: een zwart en gele snuittordooder. (Alles nat. gr.)Vele wespen maken hare nesten in den grond; de landbouwerloopt kans, dat hij zulke nesten bij ’t ploegen vernielt en dat hijen zijn paard dan door honderden wespen worden aangevallen. Vele wespensteken tegelijk kunnen doodelijk werken. (Middelen: afkoelende stoffen als geschaafde wortels of appels, koolbladeren;—inwrijven met salmiak;—een compres met loodazijn).—Familie graafwespen.Sommige soorten lijken zeer veel op gewone wespen; maar zij hebben de voorvleugels niet overlangs samengevouwen. De graafwespen vormen geene staten. Het wijfje graaft een gat in den grond, waarin zij een ei legt. Daarbij begraaft zij een insekt, ’t welk tot voeding dient voor de te voorschijn komende larve. Opdat het te begraven insekt geen weerstand biede, maar ook niet in rotting overga, brengt de graafwesp het vooraf in een’ toestand, waarin het geene willekeurige bewegingen kan uitvoeren. Tot dit doel steken de meeste soorten het gevangen insekt met den angel in ’t lichaam en verwonden daarbij de zenuwknoopen (zie bl.129); daardoor wordt het wel niet gedood, maar toch zoo goed als onbewegelijk.—Sommige graafwespen begraven rupsen (derupsendooder), anderen snuittorren (desnuittordooder), weer anderen vliegen (devliegendooder). Dat aldus vele soorten nuttig zijn, behoeft geen nader betoog (fig. 137).—Familie mieren.Zeer groote bovenkaken; onderkaken en onderlip niet snuitvormig verlengd. Arbeidsters ongevleugeld; de mannetjes en vruchtbare wijfjes hebben vleugels. Achterlijf met het borststuk verbonden door een steeltje. Alle vrouwelijke mieren, ook de arbeidsters, hebben giftklieren; sommige soorten hebben een’ angel en steken op de wijze der bijen en wespen. Andere soorten echter missen den angel (bijv. de roode boschmier); deze bijten den vijand met de bovenkaken eene opening in de huid, krommen vervolgens het achterlijf en spuiten het vergift in de wonde.Alle soorten van mieren vormen staten. Gedurende ’t grootste gedeelte des jaars vindt men in een mierennest slechts arbeidsters, larven en poppen; de voortplantingsdieren verschijnen in den zomer, en zijn vóór de intrede van het koude jaargetijde weer verdwenen. Op een’ zonnigen dag vliegen zij in grooten getale uit. De bevruchte wijfjes laten zich op den bodem vallen en verliezen de vleugels, ’t zij dat zij ze zich zelven uittrekken of dat zij haarworden uitgetrokken door de arbeidsters, welke hen naar haar nest meenemen, waar het eierleggen begint. De poppen van vele soorten zijn in eene cocon besloten; deze ingesponnen poppen worden dikwijls onder den naam van “miereneieren” als vogelvoer gebruikt.—De mierennesten bestaan uit dennenaalden of kleine takjes (roode boschmier), of zij worden in het inwendige van boomstammen (houtmieren) of in den grond (weidemier) aangelegd.Door het omwoelen van den bodem worden sommige soorten schadelijk; andere soorten echter doen nut door het dooden van rupsen en andere schadelijke insekten. De mieren houden veel van allerlei zoete stoffen; vooral likken zij gaarne het zoete vocht op, dat de bladluizen uit hare aarsopening afscheiden. Zij strijken de bladluizen met hare sprieten over het achterlijf om de afzondering van dit vocht te bevorderen. Het gebeurt zelfs dat de mieren ze naar plantendeelen overbrengen, waar ze het best gedijen en dat zij ze, telkens wanneer deze plantendeelen uitgezogen zijn en beginnen te verslappen, weer naar andere plantendeelen transporteeren. Soms houden zij de bladluizen in onderaardsche nesten, waar deze aan plan ten wortels zuigen.—Fig. 138.Fig. 138.De sluipwespMicrogaster glomeratus;A= eene koolrups, waaruit de larven te voorschijn komen;B= hoopje cocons; een paar larven hebben zich nog niet ingesponnen;C= volwassen wesp. (A en B iets, C veel vergroot.)Familie sluipwespen.De sluipwespen leggen hare eieren in larven of poppen van insekten; hare larven leven daar van het reservevoedsel, ’t welk deze in haar lichaam hebben opgehoopt (zie bl.136);eerst wanneer zij bijkans volwassen zijn en op ’t punt van te verpoppen, verlaten zij het insekt, waarin zij huisden,—of wel zij verpoppen binnen dit insekt en komen later als volwassen sluipwesp naar buiten. In ieder geval veroorzaken zij den dood van het door hen bewoonde insekt.—Van sommige soorten leeft ééne larve, van anderen verscheiden larven in ééne insektenlarve of ééne pop. Fig. 138, A geeft eene afbeelding van eene koolrups, waaruit eene menigte sluipwesplarven naar buiten kruipen, die buiten de rups zich in eene geelachtige cocon inspinnen. De sluipwesp, welke daaruit later te voorschijn komt, is in C afgebeeld.—Eene sluipwespsoort kan slechts dàn zich sterk vermeerderen, wanneer het insekt, waarin zij woekert, in groot getal aanwezig is. Sluipwespen kunnen er dus niet veel toe bijdragen, eene insektenplaag te voorkomen, maar wèl om haar te doen ophouden.—Familie bladwespen.Lichaamsbouw gedrongen; het nooit zeer lange achterlijf begint niet, als bij de tot dusver behandelde vliesvleugeligen, met een smal gedeelte: het “dunne middeltje” der wespen ontbreekt. De legboor, die als zij niet wordt gebruikt, in het achterlijf is ingetrokken, heeft den vorm van eene zaag; zij dient om a. h. w. putjes in bladeren of andere plantendeelen te zagen, in welke de eieren worden gelegd. De larven zijn “bastaardrupsen” (zie bl.138); deze dieren, die als gewone rupsen bladeren eten, buigen in rust gaarne haar lichaamC-vormiginéén; sommigen heffen, als zij worden verontrust, plotseling haar achterlijf omhoog en buigen het over den kop heen naar voren.—Als de bastaardrupsen volwassen zijn, spinnen zij zich, ’t zij aan de planten, waarop zij leefden, ’t zij in den grond, eene ovale cocon.—Voorbeelden: knollenbladwesp, bessenbladwesp (fig. 124), dennenbladwesp.Orde Vlinders of Schubvleugeligen.Fig. 139.Fig. 139.’t Lichaam van een’ vlinder, van terzijde gezien,f= kop;a= (gekamde) spriet;h= oog;g= roltong, aan weerszijden waarvan men de omhoog stekende onderliptastershziet;k= borststuk:pqrs= poot;n= achterlijf.Monddeelen zuigend. Terwijl de verdere kaken zeer klein zijn gebleven, zijn de twee onderkaken zeer in de lengte gegroeid en vormen deze met elkaar eene spiraalvormig inéénrolbare buis, die “roltong” wordt genoemd (fig. 139,g), en waarmee honig uit de bloesemswordt opgenomen (fig. 140). De vleugels zijn alle vier vliezig en met eigenaardige schubbetjes (fig. 141), bezet, die oorzaak zijn van de soms zeer sprekende, soms meer doffe kleuren.—Gedaanteverwisseling volkomen (bl.134). De larven zijn rupsen (zie bl.137), de poppen zijn bedekt (bl.138).—Familie dagvlinders(fig. 119). Lichaam slank en dun. Vleugels breed, in den rusttoestand omhoog geslagen, zoodat hunne rugvlakten tegen elkaar komen. Sprieten aan hun uiteinde knotsvormig verdikt.—De rupsen van de meeste soorten zijn weinig behaard; enkele met harde dorentjes bekleed.—Poppen naakt, hoekig.—Voorbeelden: Koolwitjes (fig. 119), koninginnepage, dagpauwoog.—Fig. 140. Een avondvlinder, met uitgestoken roltong. (Nat. gr.)Fig. 140. Een avondvlinder, met uitgestoken roltong. (Nat. gr.)Fig. 141. Schubbekleeding van een’ vlindervleugel. (Veel vergr.)Fig. 141. Schubbekleeding van een’ vlindervleugel. (Veel vergr.)Familie pijlstaartvlindersofavondvlinders(fig. 140). Lichaamforsch maar niet plomp. Vleugels lang en smal.—Rupsen onbehaard, doorgaans een horen op het laatste lid van ’t achterlijf “pijlstaartrupsen”,fig. 114).—Verpopping in den grond; geene cocon. Voorbeelden: dennenpijlstaart, doodshoofduil.—Fig. 142. De ringelrups.Fig. 142. De ringelrups.Links boven: mannetje; rechts boven: wijfje;beneden: eieren, rups en pop in cocon. (Alles nat. gr.)Familie spinners(fig. 142, 120). Plomp, zeer behaard. Sprieten bij de mannetjes van kamvormige aanhangselen voorzien; bij de wijfjes ontbreken deze aanhangselen of zij zijn klein. Hoewel de vleugels bij de meeste soorten vrij groot zijn, vliegen alleen de mannetjes flink. De wijfjes verwijderen zich doorgaans niet ver van de plaats, waar zij uit de pop zijn gekomen. Zij leggen dus de eieren dicht bij elkaar: veelal in hoopen tegen boomstammen aan of in reten van de schors, de ringelrupsvlinder in een’ ring rondom een twijgje (fig. 142).—De rupsen, die bij vele soorten behaard zijn, leven dus in den aanvang in elkaars nabijheid; dikwijls spinnen zij een nest,waarin zij òf altijd (processierups) òf gedurende het eerste gedeelte van haar leven (ringelrups, bastaardsatijnvlinder) blijven.—De rupsen van de meeste soorten spinnen eene cocon, waarbinnen zij verpoppen (zijderups, ringelrups, bastaardsatijnvlinder); anderen spinnen slechts een weefsel van draden, tusschen welke de pop duidelijk zichtbaar is (nonvlinder, plakker). Voor hout- en ooftboomteelt zijn vele soorten schadelijk, voor den akkerbouw geen enkele soort.—Fig. 143. Gedaanteverwisseling van eene aardrups. (Nat. gr.)Fig. 143. Gedaanteverwisseling van eene aardrups. (Nat. gr.)Familie uilen(fig. 143). Een stevig, maar slank, glad behaard lichaam. Vleugels flink ontwikkeld, vooral de voorvleugels niet bijzonder breed. De uilen vliegen snel, dikwijls over dag, hoewel zij slechts bij nacht hare eieren leggen; verreweg de meeste soorten doen dit aan kruidachtige gewassen, en zij leggen meestal ieder eitje afzonderlijk.—Rupsen gewoonlijk onbehaard. Poppen doorgaans in den grond; geene cocon.—Vele soorten zijn voor den akkerbouw en den tuinbouw schadelijk (kooluil, grasrups, aardrups, gammarups), slechts enkele nadeelig voor de houtteelt (gestreepte dennenrups).—Familie spanrupsvlinders(fig. 144). Vlinders slank en dun van lijf, met groote, breede vleugels. Veelal traag. Van enkele soorten hebben de wijfjes geene (fig. 144,b) of slechts zeer kleine, voor ’t vliegen onbruikbare vleugels. Gelijken op dagvlinders; maar nooit knotsvormige sprieten.—De rupsen zijn “spanrupsen” (zie bl.138). Tot deze familie behooren de bessenspanrups en de voor de ooftboomteelt zoo schadelijke wintervlinders (fig. 144).—Fig. 144.Fig. 144.De groote wintervlinder: a = mannetje; b = wijfje; c = rups. (Nat. gr.)Fig. 145. De “worm” in de pruimen. (Nat. gr.)Fig. 145. De “worm” in de pruimen. (Nat. gr.)Familie bladrollers(fig. 145). Kleine vlindertjes met goed ontwikkelde vleugels. De rupsen leven in inééngerolde bladeren (van dáár de naam!), in ’t inwendige van vruchten (de rups in de “wormstekige”appelen en die in de “wormstekige” pruimen) of van twijgen (dennenlotrups).—Fig. 146.Fig. 146.a,b= twee soorten van kleermotten;d= de rups vanb;c= dezelfde, besloten in haren uit wolhaartjes vervaardigden zak. (Alles vergroot.)Familie motten(fig. 146). Zeer kleine vlindertjes met zeer smalle vleugeltjes, door een’ franjezoom omgeven. Sommige soorten voeden zich met bladeren (“spinselmotten” in appelboomen en meidorens); anderen leven van gezolderd graan (korenmot); weer anderen van haren (kleer- en tapijtmotten) en andere doode zelfstandigheden.Orde Halfvleugeligen.Fig. 147.Fig.147.Monddeelen van eene wants:b.l.= bovenlip;b.k.= bovenkaken;o.k.= onderkaken;o.l.= onderlip. (Zeer vergroot.)De monddeelen zijn tot steken en zuigen ingericht; zij vormen alles te zamen een’ zuigsnuit. Deze (fig. 147) bestaat uit een’ geleden koker (onderlip), waarbinnen twee paar stekels gelegen zijn (de bovenkaken en de onderkaken), die aan hun uiteinde van tandjes zijn voorzien, met behulp van welke een gaatje in een plantendeel of in de huid van een insekt wordt gemaakt. Ook de bovenlip is in de lengte gegroeid.—Bij vele soorten van halfvleugeligen (land- en waterwantsen) zijn de voorvleugels voor een gedeelte leerachtig en taai, terwijl de buitenrand ervan evenals de achtervleugels vliezig is (fig. 148). Bij andere soorten (gevleugelde bladluizen,fig. 149) zijn voor- en achtervleugels beiden vliezig en van weinig nerven voorzien. Sommige soorten (weegluis, ongevleugelde bladluizen) hebben in ’t geheel geene vleugels.—Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl.134).Tot de halfvleugeligen behooren o. a. deweegluis, deframbozenwants(die op kersen, aalbessen, frambozen leeft en aan deze vruchtenharen afschuwelijken reuk meedeelt), verschillende soorten vanwaterwantsen(als de waterschorpioen, het bootsmannetje en de waterloopers); eindelijk debladluizenen deschildluizen.—Fig. 148. Voor- en achtervleugel van de frambozenwants. (Iets vergr.)Fig. 148. Voor- en achtervleugel van de frambozenwants. (Iets vergr.)Debladluizen(fig. 149) hebben lange sprieten, dunne pooten en een’ langen, dunnen zuigsnuit. Bij de zelfde soort vindt men gevleugelde en ongevleugelde exemplaren. In den herfst zijn er mannelijke en vrouwelijke dieren; de laatsten leggen vóór den winter de eieren, welke bestemd zijn om te overwinteren. De bladluizen, die in ’t volgende voorjaar uit deze eieren te voorschijn komen, zijn allen wijfjes, die echter zonder voorafgaande bevruchting jongen ter wereld brengen, welke reeds dadelijk na de geboorte de kiemen van eene nieuwe generatie in zich bevatten. Het aantal jongen, door één wijfje ter wereld gebracht, en het aantal in één jaar elkander opvolgende geslachten is bij verschillende soorten zeer ongelijk. Er zijn soorten, bij welke een wijfje 80 tot 100 jongen voortbrengt, terwijl per jaar 9 tot 12 of meer generatiën elkaar opvolgen. In den herfst zijn er weer mannetjes en eierleggende wijfjes.—Daar de bladluizen gedurende haar gansche leven plantensappen zuigen, kunnen zij door haar buitengewoon sterk voortplantingsvermogen zeer schadelijk worden. Terwijl zij uit stengels en bladeren de sappen opzuigen, welke deze anders zelven voor den groei en de bloem- en vruchtvorming zouden hebben gebruikt, brengen zij hare jongen voort, die in deonmiddellijkenabijheid der moeder den zuigsnuit in het zelfde plantendeel inboren, en spoedig zelven beginnen zich voort te planten. Op deze wijze ontstaan bladluiskoloniën, die dikwijls uit honderdenstuks bestaan. Een op deze wijze aangetast plantendeel schrompelt inéén; maar nu zouden ook de daarop zittende bladluizen sterven; vóór ’t echter zoover is gekomen, zijn verscheiden exemplaren verhuisd. De derde generatie nl. bestaat gewoonlijk niet alleen uit ongevleugelde bladluizen, maar ten deele ook uit exemplaren, die na eenige vervellingen te hebben doorloopen, vleugels hebben gekregen; deze vliegen weg, zetten zich op eene andere plant neer en worden daar de stammoeders van nieuwe koloniën. Ook latere generatiën bestaan deels uit gevleugelde, deels uit ongevleugelde exemplaren.—Zoowel doordat de bladluizen vele vijanden hebben (spreeuwen, musschen, grasmusschen, enz., lievenheersbeestjes en hunne larven, gaasvlieglarven, zweegvlieglarven), als doordat zij door wind en regen soms in massa’s gedood worden, komen zij slechts nu en dan, bepaaldelijk in droge zomers, in zóó groote scharen voor, dat zij de door haar bewoonde gewassen zoodanig beschadigen, dat de oogst er erg onder lijdt. Niet slechts door saponttrekking schaden zij den planten; ook doordat zij uit de aarsopening eene suikerhoudende, klevende vloeistof (“honigdauw”) van zich geven, welke, als zij in kleine druppels op bladeren neervalt, een gedeelte van de huidmondjes der bladeren sluit en aldus de werkzaamheid van deze vermindert. Ook hechten zich op de met honigdauw bedekte plantendeelen gemakkelijk sporen van zwammen vast, welke door de lucht werden voortbewogen; zoo kan de honigdauw de voorlooper zijn van “roetdauw”, “het zwart” en van andere door zwammen veroorzaakte plantenziekten.—Fig. 149. Eene gevleugelde en eene ongevleugelde erwtenbladluis. (Zeer vergr.)Fig. 149. Eene gevleugelde en eene ongevleugelde erwtenbladluis. (Zeer vergr.)Deschildluizenzijn alleen in hare eerste jeugd in het bezit vanpootjes, en dus in staat zich te verplaatsen. Weldra zuigen de larfjes zich met haren snuit aan een’ twijg, een’ tak of een’ stam, bij uitzondering ook wel aan een blad of eene vrucht, vast. Dan ondergaan zij eene vervelling, waarbij zij hare pooten verliezen; ook wordt doorgaans haar lichaam aan den rugkant met een schild bedekt, dat bij sommige soorten als eene vervorming van de huid moet worden beschouwd, bij de meeste soorten echter uit eene waslaag bestaat, welke de huid afzondert. Het mannetje ontwikkelt zich onder zoo’n schild tot een van pooten en meestal ook van één paar vleugels voorzien diertje, dat zich in den volwassen staat over grootere of kleinere afstanden voortbeweegt. Het wijfje blijft haar geheele leven lang pootloos en onder het schild verscholen; als het gestorven is, blijft het schild de eieren bedekken, waardoor deze tegen winterkoude en regen beschut zijn. De mannetjes zijn veel kleiner dan de wijfjes. Voor den eigenlijken landbouw hebben de schildluizen geen beteekenis, maar op houtachtige gewassen en struiken (ooftboomen, wijnstok) vindt men vele schadelijke soorten.Orde Blaaspooten.Fig. 150. De graanblaaspoot. (Zeer sterk vergr.)Fig. 150. De graanblaaspoot. (Zeer sterk vergr.)Zeer kleine insekten met een’ eigenaardigen kaaktoestel, waarmee zij de opperhuid van bladeren en bloemdeelen verwonden en deze deelen tevens uitzuigen.—De vier smalle vleugels hebben lange franje aan de randen; de voorvleugels zijn harder dan de achtervleugels. De uiteinden der pootjes dragen geene klauwen, maar blaasjes, die als zuignappen dienst doen.—Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl.134).—In sommige jaren vermeerdert zich de eene of andere soort zeer sterk; dan vliegen zij—vooral op zeer warme dagen—in grooten getale in zwermen rond.—Verschillende soorten zijn er bekend, die aan graanbloesems, aan jonge boonenplanten, aan vlasplanten, enz. schadelijk zijn.Orde Tweevleugeligen.Monddeelen in de lengte gegroeid, òf alleen tot zuigen (kamervlieg, vleeschvlieg, horzels, parasietvliegen) òf tot steken en zuigen (steekmuggen, dazen) ingericht.—Alleen de voorvleugels zijn ontwikkeld, de achtervleugels zijn gewoonlijk door een paar kleine, kolfvormige lichaampjes vervangen (fig. 151).—Gedaanteverwisseling volkomen (bl.134). Larven altijd pootloos; de meesten hebben geen’ duidelijk zichtbaren kop (maden); maar de kopdragende larven van de insekten dezer orde hebben bijtende monddeelen. Deze laatsten veranderen in bedekte poppen (bl.138); de koplooze maden verpoppen binnen hare eigen larvenhuid.Fig. 151.Fig. 151.De langpootmug: Boven rechts de vrouwelijke, boven links de mannelijke vlieg. Daaronder made (“emelt”) en pop. (Alles nat. gr.)Familie der muggen(fig. 151). Lange, dunne sprieten; lange, dunne pooten; lichaam slank en dun. Van sommige soorten (steekmuggen,krieuwelmugjes) steken de wijfjes mensch en vee; de mannetjes zuigen geen bloed maar slechts dauw of andere druppeltjes vocht, welke zich op planten bevinden. Van andere soorten steken nochde wijfjes noch de mannetjes (galmuggen,langpootmuggen). Van de zoo lastige steek- en krieuwelmuggen leven de larven in stilstaand water; vandaar dat zij in vochtige jaren en in laaggelegen, slecht afwaterende streken ’t meest voorkomen.—Van de langpootmuggen leven de grauwe larven (“emelten” of “grauwe wormen”) òf in halfvergane organische stoffen òf op bouw- en weiland, van de wortels van grassen en granen. De soorten, welke ’t laatste doen, zijn schadelijk (fig. 151.)—Galmuggen zijn klein, de meeste soorten slechts 1 à 3 mM. lang; de vleugels zijn vrij breed, behaard, de pooten en sprieten lang; de laatsten bestaan uit een zeer groot aantal leedjes, die op hun midden behaard zijn. Het wijfje heeft eene legboor, waarmee zij hare eitjes in plantendeelen legt. Doorgaans ontstaat op de plaats, waar het eitje gelegd is, eene opzwelling van het plantendeel: soms een ware gal (beukengalmug), soms eene zeer kleine opzwelling, gepaard met abnormalen groei der aangrenzende deelen. Tot de schadelijke galmuggen behooren o. a. de gele tarwegalmug, de Hessische mug, de erwten- en de koolzaadgalmug.—Fig. 152.Fig. 152.Links: goudoogdaas; daaronder de larve van de runderdaas, die aan den rechterkant is afgebeeld. (Nat. gr.)Defamilie der dazenofbremsenbestaat uit groote of middelmatig groote vliegen met een stevig gebouwd lichaam, een’ flink gebouwden kop, een plat achterlijf en stevige pooten. De wijfjes zuigen bloed en worden door hare steken lastig voor mensch en dier. De larven leven in den grond en zijn onschadelijk.—Paardendaas, runderdaas, regendaas, goudoogdaas.—Defamilie der roofvliegenzijn meer slank en dun dan de dazen,met welke zij overigens den stevigen bouw en de flinke pooten gemeen hebben. Zij dooden vele insekten, die zij uitzuigen; den mensch en de huisdieren laten zij met rust.—Familie zweefvliegen.Stevig gebouwd, vrij breed. Meerendeels levendig gekleurd, met zwarte en gele banden op het achterlijf. Zij houden zich soms een’ tijd lang op eene bepaalde plaats in de lucht staande of zwevende, waarbij zij de vleugels zeer snel op en neer slaan. De larven van enkele soorten leven in bollen van planten (uienzweefvlieg, narcisvlieg); die van andere soorten in vuil water (“gootmaden”); de meesten echter leven op bladeren te midden van bladluizen, die zij uitzuigen.—Ware vliegenhebben een’ zuigsnuit, niet geschikt om te steken. In hoofdzaken komen zij met dezwarte kamervliegin bouw overeen. Behalve deze laatste, welker made in mest leeft, behooren tot deze familie: deblauwe bromvliegen devleeschvlieg, welker maden in gekookt of rauw vleesch leven,—deschapenvlieg, die als made in de huid en in de daaronder gelegen deelen van ’t schaap parasiteert,—debloemvliegen, welker maden òf in mest òf in planten leven (bijv. koolvlieg, uienvlieg, bietenvlieg),—degroenoogen, die als made in grasachtige gewassen parasiteeren (halmvlieg, fritvlieg),—deparasietvliegen, welker maden zich in levende rupsen ontwikkelen, en die in de huishouding der natuur dezelfde rol spelen als de sluipwespen (zie bl.153),—dehorzels(fig. 123), die als made in de maag of den darm (paardenhorzel), in de neusholte (schapenhorzel) of onder de huid (runderhorzel) van verschillende dieren parasiteeren.—Luisvliegen.Lichaam plat; huid leerachtig, taai. Kromgebogen voorpooten, geschikt voor ’t klauteren in de haren van de dieren, waarop zij parasitisch leven en welker bloed zij zuigen. Sommige soorten (paardenluisvlieg) hebben twee vleugels; andere zijn ongevleugeld en lijken dan zeer veel op luizen (de zoogenaamde “schapenluis” of “schapenteek”, die eigenlijkschapenluisvliegmoet worden genoemd, daar er bovendien eene ware schapenluis en eene ware schapenteek bestaan). Niet slechts komt bij de luisvliegen de made reeds binnen het moederlichaam uit het ei te voorschijn (dit isook bij enkele andere insekten ’t geval, o. a. bij de schapenhorzel en bij de grauwe vleeschvlieg!); maar de enkele made, die tot ontwikkeling komt, wordt volwassen geboren en verpoptonmiddellijkna hare geboorte. Terwijl de meeste insekten slechts éénmaal zich voortplanten en daarna sterven, herhaalt zich de voortplanting bij de luisvliegen. Telkens verlaat zoo’n insekt, om eene made ter wereld te brengen, het dier, waarop het leeft; de made wordt dan in eene reet tusschen planken, in een gaatje in den grond of op eene andere beschutte plaats geboren.Orde Vlooien.Fig. 153.Fig. 153.Gewone vloo: 1 = volwassen insekt, 2 = larve, 3 = pop. (Zeer vergr.)Ongevleugeld. In de lengte gegroeide monddeelen, geschikt om te steken en bloed te zuigen. Geen vleugels. Springpooten. Eene volkomen gedaanteverwisseling (bl.134): larve met een’ duidelijken kop, maar pootloos; pop onbedekt. De larve van de gewonemenschenvlooleeft in de reten van den vloer of op eene andere verscholen plaats. De vlooien zijn tijdelijke parasieten.Orde Luizen.Lichaam plat, ongevleugeld. Monddeelen op een snuitvormig aanhangsel gezeten; de monddeelen zelve echter zijn zuigend (ware luizen, die bloed zuigen) of bijtend (vacht-ofhaarluizen, die stukjes haar ofhuidschilferseten). De luizen hebben kleine enkelvoudige oogjes of zijn geheel blind. Voorpooten gekromd, geschikt om ermee door haren te klauteren. Geene gedaanteverwisseling.Orde Spring- en Franjestaarten.Kleine, ongevleugelde, met schubbetjes of haartjes bedekte insekten, met bijtende monddeelen. Geene gedaanteverwisseling. Aan het uiteinde van ’t achterlijf òf draadvormige aanhangselen (franjestaarten) òf een gaffelvormig verdeelde staart, die langs de buikzijde van het lichaam naar voren wordt gestoken en voor ’t springen gebruikt wordt (springstaarten).—Tot de franjestaarten behoort o. a. desuikergast; tot de springstaarten behooren de geslachtenPodura,Smynthurus, enz.Klasse II. Duizendpootachtigen.Deze ademen door luchtbuizen (bl.129). Het lichaam bestaat uit een’ kop en een groot aantal aan elkaar gelijke leden, die allen ledematen bezitten (fig. 112op bl.127). Één paar sprieten.—Men onderscheidt: 1º. deeigenlijke duizendpooten, die aan elk lichaamslid één paar pooten hebben, en die in ’t bezit zijn van monddeelen, welke voor roof geschikt zijn, 2º. demillioenpootenmet twee paar pooten aan ieder lichaamslid, en monddeelen, die geschikt zijn voor ’t eten van humusachtige zelfstandigheden en van plantendeelen. Tot de millioenpooten behooren de zoogenaamde “oprollers”, die zich gaarne spiraalvormig inéénrollen. Sommige soorten van oprollers eten kiemende zaden (bietenzaad, erwten) of saprijke plantendeelen (aardappelen, knollen, wortelen).Klasse III. Spinachtigen.Fig. 154. Kruisspin. (Iets vergr.)Fig. 154. Kruisspin. (Iets vergr.)De spinachtigen ademen—voorzoover zij behalve de huid nog afzonderlijke ademhalingsorganen hebben—door tracheeën of door zoogenoemde “longzakken”, die slechts eene wijziging van tracheeënzijn. Het lichaam bestaat hoogstens (zooals bij de ware spinnen) uit twee lichaamsafdeelingen, welke ieder voor zich ongeleed zijn:kopborststukenachterlijf(fig. 154). Terwijl het laatste lichaamsdeel geene ledematen heeft, bezit het eerste als aanhangselen de vergift uitstortende monddeelen, alsmede 4 paar pooten.Er zijn echter ook spinachtigen (de mijten,fig. 155), bij welke ook ’t kopborststuk en ’t achterlijf nog weer tot één ongeleed lichaam vereenigd zijn, zoodat het dier nog slechts door de gelede pooten als een Geleed dier te herkennen is (zie bl.127).Tot de spinachtigen behooren o. a. de volgende orden:ware spinnen,schorpioenen,langpootspinnenofhooiwagens,mijten.Fig. 155. De gewone teek, in niet volgezogen toestand. (Vergroot.)Fig. 155. De gewone teek, in niet volgezogen toestand. (Vergroot.)Deware spinnenzijn, voorzoover zij òf rustig in hare web zittende òf de prooi achtervolgende, schadelijke of lastige insekten vangen, eenigszins nuttig.Tot demijtenbehooren o. a. dekaasmijt, die op harde soorten van kaas bij duizenden kan voorkomen, en de kaas in een poeder verandert,—demeelmijt, die zich sterk vermeerdert in meel, dat op eene warme, vochtige plaats bewaard wordt,—deschurftmijten, waarvan verschillende soorten bij onderscheiden dieren en ook bij den mensch eene huidziekte kunnen veroorzaken,—deteken, die gewoonlijk op den grond leven, maar soms tegen struiken en kruidachtige planten opklimmen, om van deze op honden, schapen, runderen, enz., ook wel op den mensch, over te gaan, waaraan zij zich vast hechten, en dien zij bloed afzuigen.Klasse IV. Schaaldieren.De schaaldieren ademen door kieuwen; de meesten leven dan ook in het water, en de landschaaldieren (sommige pissebedden) houden zich steeds op eenigszins vochtige plaatsen op. Huid hard en dik, met kalkafzetting. Twee paar sprieten.—Voorbeelden: kreeften, krabben, pissebedden.
Hoofdafdeeling II. Gelede Dieren.Fig. 112. Reuzenduizendpoot; nat. gr.Fig. 112. Reuzenduizendpoot; nat. gr.Fig. 113. Eene sluipwesp: 1 = volwassen insekt, nat. gr.; 2 = larve; 3 = pop.Fig. 113. Eene sluipwesp: 1 = volwassen insekt, nat. gr.; 2 = larve; 3 = pop.Het lichaam der Gelede dieren is tweezijdig symmetrisch, en bestaat uit een bij de verschillende soorten zeer ongelijk aantal achter elkaar gelegen leden (fig. 112). Wel zijn deze leden oorspronkelijk alle aan elkaar gelijk; maar gedurende de ontwikkeling van het dier treden de onderscheiden leden in dienst van verschillende verrichtingen, en zoo ontstaat er soms een zeer groot onderscheid. (Vergel. bijv. de infig. 113, 1 afgebeelde sluipwesp met den vorm, dien dit dier in zijn eerste jeugd heeft: 2). Dikwijls vergroeien verschillende leden met elkander, en dan vertoont het lichaam eene indeeling in enkele lichaamsafdeelingen (insekten); of zelfs alle leden versmelten tot één geheel (mijten). In ’t laatstbedoelde geval kan men nog slechts aan de gelede pooten zien, dat men met een Geleed dier te doen heeft. Wel behooren ook tot dewormen(3e Hoofdafdeeling van het Dierenrijk) dieren, welke uit leden bestaan(bijv. de regenworm); maar deze wormen hebben òf geene òf slechts kleine, ongelede pootjes; nooit gelede pooten, zooals de Gelede dieren bezitten. Slechts in hunne eerste jeugd kunnen de insekten pootloos zijn (fig. 113, 2) of ongelede lichaamsaanhangselen hebben (de achterste pooten van eene rups:fig. 114).—De kop der Gelede dieren bezit verschillende op elkaar volgende paren kaken, die zich van links naar rechts en van rechts naar links, heen en weer, bewegen.—De lichaamsbekleeding bestaat bij de volwassen Gelede dieren uit eene huid met harde pantserstukken; slechts bij de eerste ontwikkelingstoestanden (“larven”) is de huid van verschillende soorten meer zacht.—De Gelede dieren hebben geen inwendig skelet; de spieren zijn aan de uitwendige huid bevestigd.—De centrale deelen van het zenuwstelsel (bl.19) liggen bij de Gelede dieren bijkans alle aan de buikzijde. In den kop ligt de “hersenknoop”, dit is eene knoopvormige, boven den slokdarm gelegen zenuwmassa, van waaruit zenuwen naar de oogen en de sprieten zich begeven. Verder vindt men aan de buikzijdedes diers de zoogenoemde “buikzenuwstreng”, die beneden het darmkanaal zich uitstrekt en uit verschillende zenuwknoopen (fig. 115,z) bestaat, welke door zenuwdraden aan elkander verbonden zijn. Er is geene afzonderlijke lichaamsholte voor de centrale deelen van het zenuwstelsel. De ademhalingsorganen zijn bij eenige Gelede dieren (Schaaldieren, zooals kreeften en krabben)kieuwen; de Insekten en Duizendpooten ademen doorluchtbuizenoftracheeën(zie beneden), en ook de Spinachtigen bezitten meer of minder gewijzigde luchtbuizen.—In hoofdzaken is de bouw van het luchtbuizenstelsel het volgende: aan iederen kant van het lichaam bevindt zich eene reeksluchtgaten(fig. 115,lb), door welke de lucht in de luchtbuizen wordt binnengevoerd. Deze laatsten vertakken zich herhaaldelijk, zoodatzij ten slotte zich in zeer fijne huisjes splitsen, welke de verschillende organen omspinnen. De lucht wordt aldus naar alle deelen des lichaams heengevoerd. Infig. 114zijn de luchtgaten van eene rups, infig. 113, 2 die van eene sluipwesplarve duidelijk zichtbaar.Fig. 114. De rups van een’ doodshoofdvlinder. (½ nat. gr.)Fig. 114. De rups van een’ doodshoofdvlinder. (½ nat. gr.)Fig. 115. Schets van eene doorsnede dwars door ’t lichaam van een insekt.Fig. 115. Schets van eene doorsnede dwars door ’t lichaam van een insekt.lb= luchtgaten, waarin de luchtbuizen uitmonden;h= hart;d= darm;z= zenuwknoopen.Tot de Gelede dieren behooren vier klassen: die derInsekten,Duizendpooten,SpinachtigenenSchaaldieren.Klasse I. Insekten of gekorven dieren.Ademhaling door luchtbuizen (zie boven).—De leden zijn tot drie lichaamsafdeelingen vereenigd:kop,borststukenachterlijf(fig. 116). Aan den kop, die de oogen, de voelhorens of sprieten en de kaken draagt, laten zich de verschillende leden, die hem samenstellen, niet meer onderscheiden. Het borststuk bestaat uit drie leden (fig. 116, B1, B2, B3), van welke het eerste (’t voorborststuk) een paar pooten, en het tweede (’t middenborststuk) zoowel als het derde (’t achterborststuk) een paar pooten en een paar vleugels draagt. Het achterlijf bestaat niet bij alle insekten uit een gelijk getal leden; er zijn aan dit lichaamsdeel geene pooten bevestigd.—De bovenvermelde drie lichaamsafdeelingen verrichten verschillende functiën: de kop dient vooral voor de gewaarwording en de spijsopneming, het borststuk voor de beweging; het achterlijf bevat hoofdzakelijk de organen voor voeding en voortplanting.Fig. 116. Meikever, uit elkander genomen.Fig. 116. Meikever, uit elkander genomen.A = kop; hieraan: s = spriet; o = oog; l = bovenlip; p = taster v. d. onderkaak.—B1= voorborststuk; B2= middenborststuk; B3= achterborststuk. Aan de pooten: d = dij; s = scheen; v = voet. Aan B2: s = schildje; E = dekschild. In de vleugels worden de aders door getallen aangeduid;aena1zijn gewrichten in deze aders.—C = achterlijf; hieraan: s1-s6= de stigma’s of ademhalingsopeningen.Bijkans alle insekten hebben in den volwassen toestand aan iederen kant des kops een “samengesteld” oog, d. i. een oog, ’t welk uit een groot aantal (tot 10.000) kleine oogjes is samengesteld. Bovendien vindt men bij verschillende insekten nog enkele “enkelvoudige” oogen boven op den kop.—De sprieten bestaan uit leden; overigens zijn zij bij de onderscheiden insekten zeer ongelijk; zij dienen voor het tastgevoel.—De monddeelen bestaan uit drie paar kaken, van welke het eerste paar (debovenkaken, fig. 117,Bov.k.) en het tweede paar (deonderkaken,O.k.) zich vrij naar elkaar toe en van elkaar af kunnen bewegen, terwijlde kaken van het derde paar aan elkaar tot een stuk vergroeid zijn, ’t welk de “onderlip” (O.l)] heet. Eene voortzetting van de huidbekleeding des kops (de “bovenlip”,Bl.) steekt meer of min als een afdak over de drie bovengenoemde paren kaken uit. Bij de insekten, welke vaste spijs opnemen en deze verscheuren of fijn kauwen, zijn de kaken kort en scherp; men noemt ze “bijtende monddeelen”. Bij die, welke vloeibare spijs (bloed, plantensappen) opnemen, zijn zij zeer in de lengte gegroeid en tot likken, zuigen of steken ingericht (verlengde monddeelen).Depootender insekten (fig. 118) bestaan uit onderscheiden deelen, die grootendeels genoemdzijn naar de deelen van een’ zoogdierpoot; toch is natuurlijk de overeenkomst tusschen de ledematen van insekten en zoogdieren niet dan geheel oppervlakkig. Men onderscheidt dan aan een’ insektenpoot de volgende deelen: 1º. het gewoonlijk zeer korteheuplid, 2º. den insgelijks zeer kortendijring, 3º. de langwerpigedij, 4º. de aan haar uiteinde met bewegelijke stekeltjes bezettescheen, 5º. den uit 3 tot 5 leedjes bestaandenvoet. Het laatste lid van den voet is vanklauwen, soms vanzuignapjesvoorzien.—Devleugels(fig. 116) zijn eigenlijk huiduitbreidingen, welke uit twee lagen bestaan. Tusschen de bovenste en de onderste huidplaat van den vleugel bevinden zich luchtbuizen. In den eersten tijd, dat het insekt vleugels heeft (in den poptoestand), zijn dezeinééngeplooid; maar door het inpersen van lucht in de luchtbuizen der vleugels zetten zich, bij het pas uit de pop gekomen insekt, de luchtbuizen en daarmee de vleugels uit, en dat wel in korten tijd. Daarna zet zich zeer spoedig eene vaste zelfstandigheid om de grootsten der luchtbuizen af; op deze wijze worden de laatsten tot “aderen” of “nerven”, welke den vleugels stevigheid verleenen. Bijde kevers zijn de voorvleugels geheel en al hard en meer tot bescherming van de achtervleugels en van het teere achterlijf, dan tot vliegen geschikt. Bij vele insekten is één paar vleugels in den rusttoestand samengevouwen; dit kan met de voorvleugels (bijv. bij de wespen) of met de achtervleugels (bijv. met de kevers en sprinkhanen) ’t geval zijn.Fig. 117.Fig. 117.Boven: Kop van den spinnenden waterkever, van de rugzijde gezien. Beneden: id. van beneden gezien. In beide figuren is:o= oog;sp= spriet;Bl= bovenlip;Bov.k= bovenkaak;O.k= onderkaak;t′= taster van deze;O.l= onderlip;t= taster van deze.Het achterlijf draagt slechts bij de rupsen en bij enkele andere insekten in den nog onvolwassen toestand bewegingswerktuigen, welke echter niet geleed zijn; zij zijn dus ongelede “achterlijfspooten”, in tegenstelling met de gelede “borstpooten” (fig. 114). Bij de volwassen insekten vindt men soms draadvormige (veenmol) of tangvormige (oorworm) aanhangselen aan het laatste lid van ’t achterlijf; ook draagt het achterlijf eenelegboorbij zulke insekten, welke hunne eieren in een bepaald voorwerp (den grond, hout, bladeren, andere dieren) leggen.—Fig. 118.Fig. 118.Poot van een’ loopkever;h= heup;dr= dijring;d= dij;s= scheen;v= voet, uit vijf leden bestaande.De meeste insekten hebben een zeer sterk voortplantingsvermogen. Enkele soorten (vleeschvlieg, schapenluisvlieg) brengen levende jongen ter wereld, maar verreweg de meesten leggen eieren. Uit deze eieren komen in enkele gevallen dieren te voorschijn, die reeds volkomen op hunne ouders gelijken (luizen); verreweg de meeste insekten echter ontwikkelen zich metgedaanteverwisselingofmetamorphose; d. i. zij treden reeds in hunnen allereersten ontwikkelingstoestand zelfstandig op en zorgen dan reeds zelven voor hun voedsel. Daardoor behoeft het ei niet (zooals bij de vogels en kruipende dieren) groote hoeveelheden voedende stoffen te bevatten; de eieren kunnen dus veel kleiner zijn, en er kunnen tegelijk meer van worden voortgebracht. De gedaanteverwisseling maakt dus dat de voortplanting sterker kan zijn dan anders mogelijk zou wezen. Het meerendeel der insekten, zwakke diersoorten als zij zijn en zeer gevoelig voor minder gunstige uitwendige invloeden, moet zich dan ook wel sterk voortplanten; deden zij dit niet, dan zouden zij spoedig uitsterven.Maar de sterke vermeerdering is dan ook weer, als de uitwendige omstandigheden eens bij uitzonderingnietongunstig zijn, oorzaak van dat verschijnen in massa’s, ’t welk bij vele insekten voorkomt (rupsen, sprinkhanen), en dat bij plantenetende soorten maar al te vaak groote schade aan onze gewassen berokkent.Fig. 119.Fig. 119.Het groote koolwitje: rups; pop; mannelijke vlinder zittend; vrouwelijke vlinder vliegend. (Nat. gr.)Men onderscheidt twee soorten van gedaanteverwisseling: devolkomeneen deonvolkomene. Volkomen noemt men haar als het insekt eenen poptoestand doorleeft, d. i. eenen toestand, waarin het geen voedsel opneemt en zich gewoonlijk weinig beweegt;—onvolkomen noemt men de metamorphose, wanneer zoodanige poptoestand niet wordt doorleefd, en het insekt dus alleen bij de verschillende vervellingen langzamerhand eenigszins van gedaante verandert.—Het woord “vervelling” dien ik hier nog nader teverklaren. De huidbekleeding der Gelede dieren bestaat uit harde stukken, die zich niet kunnen uitzetten. Aan het einde van eene bepaalde levensperiode worden de harde lagen der huid afgestroopt, en het insekt komt voor den dag met eene teere huid, die voor uitzetting vatbaar is en dus aan den groei geen hindernis in den weg legt. Langzamerhand wordt ook deze nieuwe huid weer harder.Fig. 120.Fig. 120.Gedaanteverwisseling van de zijderups:a= rups;b= cocon;c= de daarin verscholen pop;d= vlinder, eieren leggende. (Nat. gr.)Bij de insekten met onvolkomen gedaanteverwisseling verandert de vorm van het insekt bij iedere vervelling eenigszins, en wordt hij telkens meer aan dien van het volwassen insekt gelijk; bij de voorlaatste vervelling komen kleine “vleugelstompjes”, of liever “vleugelscheeden” (fig. 133, in het water, links) te voorschijn, binnen welke de vleugels zelve in samengeplooiden toestand zich vormen. Ook de legboor van de vrouwelijke insekten komt eerst bij de vóórlaatste vervelling als volledig ontwikkeld orgaan te voorschijn. Reeds in de eerste levensperiode gelijkt het insekt, dat eene onvolledige gedaanteverwisseling doorleeft, betrekkelijk veel op het volwassen dier; veel meer dan bij die insekten ’t geval is, welke eene volkomen gedaanteverwisseling doorloopen. (Ziefig. 122).De tijd, welken een insekt met volkomen gedaanteverwisseling in den poptoestand doorbrengt, duurt op verre na niet altijd even lang.Van het groote koolwitje (fig. 119) komen alle jaren twee opvolgende geslachten (generatiën) voor; de eerste generatie doorleeft den winter in den poptoestand, van de andere vindt men de poppen in den zomer. Terwijl nu het insekt der wintergeneratie ongeveer een half jaar in den poptoestand doorbrengt, duurt deze toestand bij de zomergeneratie nog geen maand. Hooge temperatuur bespoedigt de ontwikkeling.Fig. 121.Fig. 121.De meikever;een mannetje uit den grond kruipend; een vrouwelijke kever, vliegend; larve (engerling) en pop. (Nat. gr.)Ofschoon een insekt in den poptoestand geene spijs opneemt, ademt het toch en verbruikt het aldus voortdurend stof, echter slechts eene geringe hoeveelheid, daar het dier zich slechts weinig beweegt (zie bl.26). Vanwaar krijgt nu de pop haar voedsel, om dit verlies aan stof te dekken? In den larvetoestand neemt het insekt veel meer voedsel op dan het voor zijnen groei noodig heeft. Uit dit overschot vormen zich de reservestoffen, die in het zoogenoemde “vetlichaam” der larve worden afgezet. Gedurende den poptoestand worden deze reservestoffen gebruikt om de ademhaling te onderhouden. Daarom weegt eene pop onmiddellijk nadat zij uit de rups is ontstaan, meer dan eene pop, die binnenkort in vlinder zal veranderen.Fig. 122.Fig. 122.De sabelsprinkhaan:aenb= jonge exemplaren;c= volwassen wijfje, eieren leggende. (Iets vergr.)De larven en poppen zijn bij de onderscheiden insektensoorten zeer verschillend van vorm. Men onderscheidt de larven in:rupsen, warelarvenenmaden. De maden (fig. 123,b,c) zijn pootloos en hebben geen’ duidelijk zichtbaren, met eene harde huid bekleeden kop. Deware larvenhebben wèl een’ harden kop, die van de overige deelen van den romp duidelijk te onderscheiden is; sommige larven hebben borstpooten (fig. 121), andere niet (fig. 128). Achterlijfspooten echter bezitten zij niet, hoogstens aan ’t uiteinde van ’t achterlijf een paar ongelede lichaamsaanhangselen. Derupsen(fig. 114, 120,a) hebben een’ duidelijk zichtbaren, harden kop, 3 paar gelede borstpooten en een verschillendaantal ongelede achterlijfspooten. Men onderscheidtware rupsen, die later in vlinders veranderen, enbastaardrupsen, die de jeugdtoestand van bladwespen zijn. De laatsten (fig. 124) hebben een’ kogelronden kop en bezitten 6–8 paar achterlijfspooten; bij de eersten (fig. 119, 120,a) is de kop plat en bedraagt het aantal achterlijfspooten 2–5. De gang der rupsen staat in nauw verband met het aantal achterlijfspooten. Is dit aantal vrij groot en zijn dus verreweg de meeste lichaamsleden van pooten voorzien, dan blijft het geheele lichaam gedurende de beweging tamelijk wèl gestrekt. Bevinden zich echter alleen aan het achtereinde des lichaams achterlijfspooten, dan is het gansche middenlichaam pootloos en de voortbeweging geschiedt dan door dit pootlooze lichaamsdeel sterk te krommen. Dit is ’t geval bij de zoogenoemde “spanrupsen”, die slechts 2 paar achterlijfspooten bezitten (fig. 144, c).Fig. 123.Fig. 123.De paardenmaaghorzel:a= ei, aan een haar vastgehecht (zeer sterk vergr.);b= jeugdige made (sterk vergr.);c= volwassen made (2 maal nat. gr.);d= pop (2 maal nat. gr.);e= vlieg (de streep geeft de nat. gr. aan).Depoppenzijn òf door eene huid omgeven, die den omtrek der afzonderlijke lichaamsdeelen slechts onduidelijk doet doorschemeren (fig. 119,120,c); òf zij hebben eene huidbekleeding, die ieder lichaamsdeel (ook de vleugels, pooten, sprieten, monddeelen en oogen) afzonderlijk omgeeft (fig. 121). De eersten noemt menbedekte, de laatstenonbedektepoppen.—Vele poppen zijnnaakt(fig. 119,121);andere zijn omgeven door eenecocon(fig. 120,b) of door delarvehuid(fig. 123,d). ’t Laatste is het geval met de poppen van vele vliegen: als de made verpopt, blijft de huid van deze in samengeschrompelden toestand om de pop heen zitten. Eene cocon bestaat uit spinsel, ’t welk als eene vloeistof in de spinklieren der larve zich vormt, door eene opening in de onderlip naar buiten treedt, vervolgens in draden wordt getrokken en vast wordt. Vele rupsen gebruiken haar spinvermogen niet slechts om eene cocon te maken, maar ook om nesten te vervaardigen of om eenen draad te spinnen, waaraan zij zich laten zakken.Fig. 124.Fig. 124.De bessenbastaardrups: 1 = de rupsen in hare eigenaardige houdingen (nat. gr.); 2 = de rups (vergr.); 3 = cocon (iets vergr.); 4 = bladwesp (vergr.).Men onderscheidt de klasse der Insekten in de volgende orden: 1. Kevers of Schildvleugeligen, 2. Rechtvleugeligen, 3. Gaas- of Netvleugeligen, 4. Vliesvleugeligen, 5. Vlinders of Schubvleugeligen, 6. Halfvleugeligen, 7. Blaaspooten, 8. Vliegen en Muggen of Tweevleugeligen, 9. Vlooien, 10. Luizen, 11. Spring- en Franjestaarten.Orde Schildvleugeligen of Kevers.Fig. 125. De groote loopkever. (nat. gr.)Fig. 125. De groote loopkever. (nat. gr.)Bijtende monddeelen (bl.131). Een groot voorborststuk, dat met het middenborststuk zeer bewegelijk verbonden is. De voorvleugels vervormd tot harde “dekschilden”, die in den rusttoestand alleen den kop, het voorborststuk, een klein driehoekig stukje van het middenborstuk (het “schildje”) en soms het uiteinde van ’t achterlijf onbedekt laten. De achtervleugels, die tot vliegen dienen, zijn in den rusttoestand onder de dekschilden samengevouwen.—Gedaanteverwisseling volkomen. Larven met harden kop, met of zonder borstpooten. Poppen onbedekt.Van de talrijke familiën noem ik de volgende.Loopkevers(fig. 125): slank met lange, dunne pooten, draadvormige sprieten, krachtige kaken.Zij loopen snel, vliegen meestal slecht of in ’t geheel niet. Larven langwerpig. Volwassen kevers en larven houden zich op en in den grond op, en leven, met zeldzame uitzonderingen, van andere insekten. Over ’t geheel nuttig.—Kortschildkevers: langwerpig, smal. Korte dekschilden, die het geheele achterlijf onbedekt laten. De larven gelijken veel op die der loopkevers. Volwassen kevers en larven voeden zich met levende insekten of met rottende organische zelfstandigheden.—Knotssprietigenhebben sprieten, welker laatste leden dikker zijn dan de eerste leden. Hiertoe behooren o. a. deaaskeversendoodgravers,die èn als volwassen dier èn als larve van doode dieren leven; de doodgravers begraven de krengen in den grond, alvorens er hunne eieren in te leggen. Enkele soorten van aaskevers worden èn als kever èn als larve wel eens schadelijk op bietenakkers. Tot de knotssprietigen behooren verder: dekoolzaadglanskever, hetframbozenkevertje, hetbietenkevertje.—Fig. 126. De meikever; (nat. gr.).Fig. 126. De meikever; (nat. gr.).Bladsprietigen(fig. 126) zijn plompe kevers. Van hunne sprieten zijn de laatste 3–7 leden plat, bladvormig verbreed; zij vormen te zamen een knotsje. De larven (“engerlingen”,fig. 121) zijn dik, krom gebogen; zij hebben borstpooten; zij leven in den grond, in vermolmd hout of in mest.—Hiertoe behooren o. a. demeikeveren hetrozenkevertje; ook demestkeversen hetvliegend hert.—Fig. 127. Kniptor, op den rug liggend; (2 maal nat. gr.).Fig. 127. Kniptor, op den rug liggend; (2 maal nat. gr.).Kniptorrenzijn langwerpig, overal ongeveer even breed, met een zeer lang voorborststuk. De sprieten bestaan uit leden, die ongeveer driehoekig zijn (“zaagvormige sprieten”). Op den rug liggende, springen zij hoog op. Dit doen zij als volgt (fig. 127). Eerst buigt het dier zich zoodanig, dat kop en voorborststuk naar boven-, midden- en achterborststuk en achterlijf naar beneden gebogen zijn. Daarna licht het de neergebogen einden van ’t lichaam weer op, waarbij de aanvankelijk omhoog gebogen verbindingsplaats tusschen voor- en middenborststuk met kracht op den grond komt, zoodat de tor door hare eigen veerkracht hoog opspringt. De buikzijde van het voorborststuk heeft aan het achtereinde een uitsteeksel, dat juist past in eene groeve, die in ’t middenborststuk aanwezig is. Ligt de tor op den rug en buigt zij het midden van haar lichaam naar boven, dan drijft zij dat uitsteeksel uit de groeve; buigt zij het midden van het lichaam weer naar beneden, dan komt het uitsteeksel weer in de groeve terug.—Delarven der kniptorren (“ritnaalden”, “koperwormen”) zijn dun, langwerpig, hard van huid, geelbruin van kleur, met korte borstpooten en een paar ongelede uitsteeksels aan ’t laatste lid van het achterlijf.—Van sommige kniptorsoorten leeft de ritnaald van humus; andere ritnaalden echter zijn zeer schadelijk aan graan en vele andere kultuurgewassen.—Fig. 128.Fig. 128.De eikelsnuittor, hare larve, en kop van den kever van ter zijde. (Alles zeer vergr.; onder de afb. der larve is deze in omtrek in nat. gr. afgebeeld; naast den kever geeft eene streep de nat. gr. aan).Snuittorren(fig. 128) hebben een snuitvormig verlengstuk aan den kop, aan welks uiteinde de kaken staan. Met deze snuit boren zij gaten in stengels, takken, bloemen, vruchten en andere plantendeelen, soms om voedende stoffen daaruit op te nemen, soms om een gat te maken, waarin zij een ei leggen. De sprieten zijn bij vele soorten knievormig gebogen (fig. 128) en aan den snuit ingeplant. De snuittorren vliegen zelden, nooit anders dan in den paartijd. Er zijn echter soorten, die niet kunnen vliegen, daar de dekschilden met elkaar vergroeid zijn. Larven (fig. 128) pootloos, eenigszins gebogen.—Vele schadelijke soorten, als:erwtenkever,boonenkever,bladrandkever,appelbloesemkever,dennensnuittorren,graanklander.—Fig. 129. Moedergang en larvengangen van den iepenspintkever. a = boorgat. (Nat. gr.)Fig. 129. Moedergang en larvengangen van den iepenspintkever.a= boorgat. (Nat. gr.)Schorskeverszijn nauw aan de snuittorren verwant; de kop is vrij dik en eenigszins verlengd, zonder dat deze verlenging veel dunner is dan de kop zelf. De sprieten eindigen in een knopje.—De larven gelijken veel op die der snuitkevers.—De moederkever boort een gat door de schors en bast des booms tot aan het spint en graaft van dáár uit een of meer gangen (“moedergangen”), aan weerskanten waarvan zij hare eieren legt. De larven graven “larvengangen”, welke voor ’t meerendeel loodrecht op de moedergangstaan, en die steeds wijder worden, naarmate de larve groeit. Aan ’t einde van den gang verpopt de larve; en later boort zich de jonge kever door bast en schors heen naar buiten. Door het graven van kevers en larven wordt de verbinding tusschen bast en houtverbroken, bast en teeltweefsel grootendeels vernield. Verscheiden soorten zijn voor de houtteelt zeer schadelijk:dennenscheerder,iepenspintkever, enz.—Fig. 130. De Coloradokever.Fig. 130. De Coloradokever.Op de bladeren van eene aardappelplant ziet men eihoopjes, eene larve en twee volwassen kevers. (Alles nat. gr.)Fig. 131.Fig. 131.Gedaanteverwisseling van het zevenmaal gestippelde lievenheersbeestje:a= larve;b= pop, van terzijde gezien;c= pop, van de buikzijde gezien;d= kever, (bendnat. gr.;aencvergr.)Boktorrenhebben zeer lange sprieten, die zij veelal naar achteren gebogen dragen, als een bok zijne horens. De pootlooze larven leven in ’t hout. Sommige soorten (o. a. depopulierboktor) zijn schadelijk.—Goudhaantjesofbladkevers(fig. 130) zijn gedrongen van vorm, aan de rugzijde bol. De larven leven voor ’t meerendeel buiten op de bladeren van dezelfde gewassen, waarvan ook de kevers vreten; enkele soorten leven inwendig in plantendeelen; zij hebben drie paar pooten. Vele goudhaantjes hebben schitterende metaalkleuren. Tot deze familie behooren o. a.lelietorretje,aspergekevertje,elzenhaantje,Coloradokever,schildpadtorren, ook de springendeaardvlooien.—Fig. 132. De veenmol, loopend en vliegend; ook eene larve. (Nat. gr.)Fig. 132. De veenmol, loopend en vliegend; ook eene larve. (Nat. gr.)Lievenheersbeestjes(fig. 131) zijn half bolvormig. De larven gelijken veel op die der goudhaantjes, maar hebben langere pooten. Zij eten, evenals de volwassen kevers, bladluizen.Orde Rechtvleugeligen.Monddeelen bijtend. Voorvleugels leerachtig; achtervleugels vliezig, in den rusttoestand onder de voorvleugels waaiervormig inééngeplooid (fig. 132). Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl.134).—Men onderscheidtloopendeenspringenderechtvleugeligen.Tot deloopenderechtvleugeligen behoorenoorwormenenkakkerlakken(o. a. de gewone keukenkakkerlak of bakkerstor);—tot despringenderechtvleugeligen: develdsprinkhanen(zonder sabelvormige legboor), desabelsprinkhanen(met eene sabelvormige legboor bij de wijfjes), dekrekels(rolrond of plat van lichaam, terwijl de twee vorige familiën meer hoog dan breed van lichaam zijn). Tot de veldsprinkhanen behooren de meesten der kleine sprinkhaantjes, welke op weilanden zoo algemeen zijn, maar ook de beruchte treksprinkhanen;—tot de krekels o. a. de huiskrekel (kriek, iem) en de zoo schadelijke veenmol (fig. 132).Orde Gaas- of Netvleugeligen.Monddeelen bijtend. Voor- en achtervleugels veel op elkaar gelijkend, met een sterk vertakt net van nerven (fig. 133). Gedaanteverwisseling onvolkomen of volkomen (bl.134).Eeneonvolledige gedaanteverwisselinghebben: de in warmere streken levendetermieten; dehaftenenglazenmakers, welker larven in ’t water leven(fig. 133). De volwassen glazenmakers dooden insekten, waaronder vele schadelijke;—de termieten zijn door hunne vernielzucht zeer bekend.Fig. 133. Een glazenmaker.Fig. 133. Een glazenmaker.In het water zwemmen twee glazenmakerslarven, die met hare lange onderlip een ander insekt aangrijpen. Rechts zit tegen den rietstengel eene larve, die reeds vleugelstompjes bezit, en die dus spoedig in een’ volwassen glazenmaker zal veranderen. Daartoe barst de larvehuid aan de rugzijde open; de glazenmaker kruipt er uit, en het leege huidje blijft aan den rietstengel zitten (zie den linkerkant van de figuur). Alles nat. gr.Eenevolledige gedaanteverwisselingdoorloopen: degaasvliegen, deschorpioenvliegen, dekokerjuffers. De gaasvliegen bezitten in den toestand van larve een paar zeer groote, doorboorde kaken, waarmee zij een ander insekt (meestal eene bladluis) aangrijpen, terwijl zij de lichaamssappen door de openingen in de kaken heen opslurpen. (Nuttig.) Tot de familie der gaasvliegen behoort ook de mierenleeuw (fig. 134), die als larve in een trechtervormig kuiltje in’t zand leeft, en verschillende insekten uitzuigt, welke in dit kuiltje vallen (vooral mieren).—De schorpioenvliegen dooden in de vluchtvele insekten.—De kokerjuffers leven als larven in ’t water, en wel in kokertjes, die zij uit plantendeelen, stukjes steen of schelpen samenstellen.Fig. 134. De mierenleeuw.Fig. 134. De mierenleeuw.A= volwassen insekt;B= larve (eigenlijke mierenleeuw):C= pop;C′= cocon, waaruit het volwassen dier te voorschijn is gekomen. (Alles nat. gr.)Orde Vliesvleugeligen.Bovenlip en bovenkaken niet verlengd (bl.131), de laatsten tot bijten ingericht. Onderkaken en onderlip in de lengte gegroeid, bij sommige soorten een’ soort van snuit vormend, geschikt om honig uit de bloesems te zuigen (fig. 135). Zijn deze laatstbedoelde monddeelen minder sterk verlengd, dan kunnen zij in ieder geval dienen voor ’t oplikken van lichaamssappen uit aangebeten dieren (mieren) of uit plantendeelen (wespen). De bovenkaken dienen om te bijten: ’t zij om houtdeelen stuk te maken, die voor ’t bouwen der nesten worden gebruikt (wespen), ’t zij om eene opening te maken in dieren of plantendeelen, waaruit zij daarna vocht oplikken (mieren, wespen), ’t zij om bloemdeelen door te bijten, om aldus bij de honigbakjes te komen (brombijen).—Vleugels alle vier vliezig, met weinig of zeer weinig nerven.—Gedaanteverwisseling volkomen (bl.134). Larven bij vele familiën madevormig, bij de bladwespen rupsvormig (bastaardrupsen).Fig. 135. Kop van de werkbij.Fig. 135. Kop van de werkbij.o= samengesteld oog;o′= enkelvoudig oogje:sp= sprietbl= bovenlip;bk= bovenkaak;ok= onderkaak;tg= tong (benedeneinde van de in de lengte gegroeide onderlip);ol-t= onderlipstaster. (Zeer vergroot.)Het wijfje bezit eene legboor, die van zeer verschillenden bouw kan zijn, en die bij onderscheiden soorten (graafwespen) niet slechtsvoor het eierleggen maar ook voor verdediging dient; bij andere soorten dient zij slechts voor ’t laatsbedoelde werk, en vindt het eierleggen plaats door de anale opening (bijen, wespen). De tot steekorgaan vervormde legboor wordt “angel” genoemd.—De bij andere insekten in ’t achterlijf aanwezige klieren, welke eene kleverige zelfstandigheid afscheiden, die tot vasthechting der eieren aan bladeren, enz. dient, zijn bij de angeldragende vliesvleugeligen tot giftklieren vervormd.Vele vliesvleugeligen (alle graaf-, sluip-, gal-, bladwespen, ook vele soorten van bijen en wespen) leven alleen; anderen (alle mieren, vele bijen en wespen) vormenstaten, welke soms uit duizenden individu’s bestaan. In deze staten grijpt altijd eene verdeeling van den arbeid plaats in zoover, dat men naast de mannelijke en vrouwelijkevoortplantingsdieren, die uitsluitend voor de voortplanting dienen, steeds onvruchtbarewerkdierenofarbeidstersvindt: vrouwelijke individu’s met voortplantingsorganen, die niet tot volkomen ontwikkeling zijn geraakt. Deze arbeidsters bouwen de woningen, kweeken de larven op en verdedigen den staat tegen den aanval van vreemde dieren; zij zijn dan ook in veel grooter aantal in elken staat aanwezig dan de voortplantingsindividu’s.—Familie der bijen.Zeer verlengde ondertong kaken en onderlip, waarmee honig uit de bloemen wordt gezogen. Lichaam plomper en meer behaard dan dat van de wespen. De pootlooze larven worden met stuifmeel of met een mengsel van stuifmeel en honig gevoed. Voor ’t vasthouden van het in de bloesems verzamelde stuifmeel dienen o. a. bij honigbijen en hommels de zeer verbreede scheenen der achterpooten en heteerste, bijzonder groote, lid van den voet dezer ledematen; vele andere bijen dragen aan den onderkant van het achterlijf stuifmeel mee.—De in staten levende bijen maken hare nesten van was (dat aan de buikzijde van de werkbijen inschilferszich afscheidt), van zandkorrels, hout of deelen van bladeren.Bij de bestuiving van vele gewassen spelen de bijen eene gewichtige rol. Zie hierover het deeltje over Plantkunde.De honigbij zal elders uitvoeriger worden behandeld.—Familie der wespen.Monddeelen als bij de bijen. Ook angeldragend. Slank, weinig of niet behaard. Voorvleugels in den rusttoestand overlangs opgevouwen.Fig. 136. Paardenwesp. (Nat. gr.)Fig. 136. Paardenwesp. (Nat. gr.)De in staten levende wespen maken hare nesten uit eene soort van papier, hetwelk zij bereiden door hout- of bastdeelen fijn te kauwen. De werkwespen zoowel als de mannetjes sterven tegen den winter; alleen de bevruchte koninginnen overwinteren, en wel onder mos, in holle boomen en op andere verscholen plaatsen. In ’t voorjaar begint iedere koningin met den bouw van een nest; tevens legt zij eieren en voedt zij de larven. Eerst later in ’t jaar wordt zij bij den nestbouw en bij het voederen der larven bijgestaan door de intusschen uitgekomen werkwespen. (Bij de bijen overwinteren ook de arbeidsters, en sterven tegen den winter alleen de mannetjes).Fig. 137.Fig. 137.Links: twee exemplaren van den rood en zwart gekleurden rupsendooder, het eene bezig eene rups te begraven. Rechts: een zwart en gele snuittordooder. (Alles nat. gr.)Vele wespen maken hare nesten in den grond; de landbouwerloopt kans, dat hij zulke nesten bij ’t ploegen vernielt en dat hijen zijn paard dan door honderden wespen worden aangevallen. Vele wespensteken tegelijk kunnen doodelijk werken. (Middelen: afkoelende stoffen als geschaafde wortels of appels, koolbladeren;—inwrijven met salmiak;—een compres met loodazijn).—Familie graafwespen.Sommige soorten lijken zeer veel op gewone wespen; maar zij hebben de voorvleugels niet overlangs samengevouwen. De graafwespen vormen geene staten. Het wijfje graaft een gat in den grond, waarin zij een ei legt. Daarbij begraaft zij een insekt, ’t welk tot voeding dient voor de te voorschijn komende larve. Opdat het te begraven insekt geen weerstand biede, maar ook niet in rotting overga, brengt de graafwesp het vooraf in een’ toestand, waarin het geene willekeurige bewegingen kan uitvoeren. Tot dit doel steken de meeste soorten het gevangen insekt met den angel in ’t lichaam en verwonden daarbij de zenuwknoopen (zie bl.129); daardoor wordt het wel niet gedood, maar toch zoo goed als onbewegelijk.—Sommige graafwespen begraven rupsen (derupsendooder), anderen snuittorren (desnuittordooder), weer anderen vliegen (devliegendooder). Dat aldus vele soorten nuttig zijn, behoeft geen nader betoog (fig. 137).—Familie mieren.Zeer groote bovenkaken; onderkaken en onderlip niet snuitvormig verlengd. Arbeidsters ongevleugeld; de mannetjes en vruchtbare wijfjes hebben vleugels. Achterlijf met het borststuk verbonden door een steeltje. Alle vrouwelijke mieren, ook de arbeidsters, hebben giftklieren; sommige soorten hebben een’ angel en steken op de wijze der bijen en wespen. Andere soorten echter missen den angel (bijv. de roode boschmier); deze bijten den vijand met de bovenkaken eene opening in de huid, krommen vervolgens het achterlijf en spuiten het vergift in de wonde.Alle soorten van mieren vormen staten. Gedurende ’t grootste gedeelte des jaars vindt men in een mierennest slechts arbeidsters, larven en poppen; de voortplantingsdieren verschijnen in den zomer, en zijn vóór de intrede van het koude jaargetijde weer verdwenen. Op een’ zonnigen dag vliegen zij in grooten getale uit. De bevruchte wijfjes laten zich op den bodem vallen en verliezen de vleugels, ’t zij dat zij ze zich zelven uittrekken of dat zij haarworden uitgetrokken door de arbeidsters, welke hen naar haar nest meenemen, waar het eierleggen begint. De poppen van vele soorten zijn in eene cocon besloten; deze ingesponnen poppen worden dikwijls onder den naam van “miereneieren” als vogelvoer gebruikt.—De mierennesten bestaan uit dennenaalden of kleine takjes (roode boschmier), of zij worden in het inwendige van boomstammen (houtmieren) of in den grond (weidemier) aangelegd.Door het omwoelen van den bodem worden sommige soorten schadelijk; andere soorten echter doen nut door het dooden van rupsen en andere schadelijke insekten. De mieren houden veel van allerlei zoete stoffen; vooral likken zij gaarne het zoete vocht op, dat de bladluizen uit hare aarsopening afscheiden. Zij strijken de bladluizen met hare sprieten over het achterlijf om de afzondering van dit vocht te bevorderen. Het gebeurt zelfs dat de mieren ze naar plantendeelen overbrengen, waar ze het best gedijen en dat zij ze, telkens wanneer deze plantendeelen uitgezogen zijn en beginnen te verslappen, weer naar andere plantendeelen transporteeren. Soms houden zij de bladluizen in onderaardsche nesten, waar deze aan plan ten wortels zuigen.—Fig. 138.Fig. 138.De sluipwespMicrogaster glomeratus;A= eene koolrups, waaruit de larven te voorschijn komen;B= hoopje cocons; een paar larven hebben zich nog niet ingesponnen;C= volwassen wesp. (A en B iets, C veel vergroot.)Familie sluipwespen.De sluipwespen leggen hare eieren in larven of poppen van insekten; hare larven leven daar van het reservevoedsel, ’t welk deze in haar lichaam hebben opgehoopt (zie bl.136);eerst wanneer zij bijkans volwassen zijn en op ’t punt van te verpoppen, verlaten zij het insekt, waarin zij huisden,—of wel zij verpoppen binnen dit insekt en komen later als volwassen sluipwesp naar buiten. In ieder geval veroorzaken zij den dood van het door hen bewoonde insekt.—Van sommige soorten leeft ééne larve, van anderen verscheiden larven in ééne insektenlarve of ééne pop. Fig. 138, A geeft eene afbeelding van eene koolrups, waaruit eene menigte sluipwesplarven naar buiten kruipen, die buiten de rups zich in eene geelachtige cocon inspinnen. De sluipwesp, welke daaruit later te voorschijn komt, is in C afgebeeld.—Eene sluipwespsoort kan slechts dàn zich sterk vermeerderen, wanneer het insekt, waarin zij woekert, in groot getal aanwezig is. Sluipwespen kunnen er dus niet veel toe bijdragen, eene insektenplaag te voorkomen, maar wèl om haar te doen ophouden.—Familie bladwespen.Lichaamsbouw gedrongen; het nooit zeer lange achterlijf begint niet, als bij de tot dusver behandelde vliesvleugeligen, met een smal gedeelte: het “dunne middeltje” der wespen ontbreekt. De legboor, die als zij niet wordt gebruikt, in het achterlijf is ingetrokken, heeft den vorm van eene zaag; zij dient om a. h. w. putjes in bladeren of andere plantendeelen te zagen, in welke de eieren worden gelegd. De larven zijn “bastaardrupsen” (zie bl.138); deze dieren, die als gewone rupsen bladeren eten, buigen in rust gaarne haar lichaamC-vormiginéén; sommigen heffen, als zij worden verontrust, plotseling haar achterlijf omhoog en buigen het over den kop heen naar voren.—Als de bastaardrupsen volwassen zijn, spinnen zij zich, ’t zij aan de planten, waarop zij leefden, ’t zij in den grond, eene ovale cocon.—Voorbeelden: knollenbladwesp, bessenbladwesp (fig. 124), dennenbladwesp.Orde Vlinders of Schubvleugeligen.Fig. 139.Fig. 139.’t Lichaam van een’ vlinder, van terzijde gezien,f= kop;a= (gekamde) spriet;h= oog;g= roltong, aan weerszijden waarvan men de omhoog stekende onderliptastershziet;k= borststuk:pqrs= poot;n= achterlijf.Monddeelen zuigend. Terwijl de verdere kaken zeer klein zijn gebleven, zijn de twee onderkaken zeer in de lengte gegroeid en vormen deze met elkaar eene spiraalvormig inéénrolbare buis, die “roltong” wordt genoemd (fig. 139,g), en waarmee honig uit de bloesemswordt opgenomen (fig. 140). De vleugels zijn alle vier vliezig en met eigenaardige schubbetjes (fig. 141), bezet, die oorzaak zijn van de soms zeer sprekende, soms meer doffe kleuren.—Gedaanteverwisseling volkomen (bl.134). De larven zijn rupsen (zie bl.137), de poppen zijn bedekt (bl.138).—Familie dagvlinders(fig. 119). Lichaam slank en dun. Vleugels breed, in den rusttoestand omhoog geslagen, zoodat hunne rugvlakten tegen elkaar komen. Sprieten aan hun uiteinde knotsvormig verdikt.—De rupsen van de meeste soorten zijn weinig behaard; enkele met harde dorentjes bekleed.—Poppen naakt, hoekig.—Voorbeelden: Koolwitjes (fig. 119), koninginnepage, dagpauwoog.—Fig. 140. Een avondvlinder, met uitgestoken roltong. (Nat. gr.)Fig. 140. Een avondvlinder, met uitgestoken roltong. (Nat. gr.)Fig. 141. Schubbekleeding van een’ vlindervleugel. (Veel vergr.)Fig. 141. Schubbekleeding van een’ vlindervleugel. (Veel vergr.)Familie pijlstaartvlindersofavondvlinders(fig. 140). Lichaamforsch maar niet plomp. Vleugels lang en smal.—Rupsen onbehaard, doorgaans een horen op het laatste lid van ’t achterlijf “pijlstaartrupsen”,fig. 114).—Verpopping in den grond; geene cocon. Voorbeelden: dennenpijlstaart, doodshoofduil.—Fig. 142. De ringelrups.Fig. 142. De ringelrups.Links boven: mannetje; rechts boven: wijfje;beneden: eieren, rups en pop in cocon. (Alles nat. gr.)Familie spinners(fig. 142, 120). Plomp, zeer behaard. Sprieten bij de mannetjes van kamvormige aanhangselen voorzien; bij de wijfjes ontbreken deze aanhangselen of zij zijn klein. Hoewel de vleugels bij de meeste soorten vrij groot zijn, vliegen alleen de mannetjes flink. De wijfjes verwijderen zich doorgaans niet ver van de plaats, waar zij uit de pop zijn gekomen. Zij leggen dus de eieren dicht bij elkaar: veelal in hoopen tegen boomstammen aan of in reten van de schors, de ringelrupsvlinder in een’ ring rondom een twijgje (fig. 142).—De rupsen, die bij vele soorten behaard zijn, leven dus in den aanvang in elkaars nabijheid; dikwijls spinnen zij een nest,waarin zij òf altijd (processierups) òf gedurende het eerste gedeelte van haar leven (ringelrups, bastaardsatijnvlinder) blijven.—De rupsen van de meeste soorten spinnen eene cocon, waarbinnen zij verpoppen (zijderups, ringelrups, bastaardsatijnvlinder); anderen spinnen slechts een weefsel van draden, tusschen welke de pop duidelijk zichtbaar is (nonvlinder, plakker). Voor hout- en ooftboomteelt zijn vele soorten schadelijk, voor den akkerbouw geen enkele soort.—Fig. 143. Gedaanteverwisseling van eene aardrups. (Nat. gr.)Fig. 143. Gedaanteverwisseling van eene aardrups. (Nat. gr.)Familie uilen(fig. 143). Een stevig, maar slank, glad behaard lichaam. Vleugels flink ontwikkeld, vooral de voorvleugels niet bijzonder breed. De uilen vliegen snel, dikwijls over dag, hoewel zij slechts bij nacht hare eieren leggen; verreweg de meeste soorten doen dit aan kruidachtige gewassen, en zij leggen meestal ieder eitje afzonderlijk.—Rupsen gewoonlijk onbehaard. Poppen doorgaans in den grond; geene cocon.—Vele soorten zijn voor den akkerbouw en den tuinbouw schadelijk (kooluil, grasrups, aardrups, gammarups), slechts enkele nadeelig voor de houtteelt (gestreepte dennenrups).—Familie spanrupsvlinders(fig. 144). Vlinders slank en dun van lijf, met groote, breede vleugels. Veelal traag. Van enkele soorten hebben de wijfjes geene (fig. 144,b) of slechts zeer kleine, voor ’t vliegen onbruikbare vleugels. Gelijken op dagvlinders; maar nooit knotsvormige sprieten.—De rupsen zijn “spanrupsen” (zie bl.138). Tot deze familie behooren de bessenspanrups en de voor de ooftboomteelt zoo schadelijke wintervlinders (fig. 144).—Fig. 144.Fig. 144.De groote wintervlinder: a = mannetje; b = wijfje; c = rups. (Nat. gr.)Fig. 145. De “worm” in de pruimen. (Nat. gr.)Fig. 145. De “worm” in de pruimen. (Nat. gr.)Familie bladrollers(fig. 145). Kleine vlindertjes met goed ontwikkelde vleugels. De rupsen leven in inééngerolde bladeren (van dáár de naam!), in ’t inwendige van vruchten (de rups in de “wormstekige”appelen en die in de “wormstekige” pruimen) of van twijgen (dennenlotrups).—Fig. 146.Fig. 146.a,b= twee soorten van kleermotten;d= de rups vanb;c= dezelfde, besloten in haren uit wolhaartjes vervaardigden zak. (Alles vergroot.)Familie motten(fig. 146). Zeer kleine vlindertjes met zeer smalle vleugeltjes, door een’ franjezoom omgeven. Sommige soorten voeden zich met bladeren (“spinselmotten” in appelboomen en meidorens); anderen leven van gezolderd graan (korenmot); weer anderen van haren (kleer- en tapijtmotten) en andere doode zelfstandigheden.Orde Halfvleugeligen.Fig. 147.Fig.147.Monddeelen van eene wants:b.l.= bovenlip;b.k.= bovenkaken;o.k.= onderkaken;o.l.= onderlip. (Zeer vergroot.)De monddeelen zijn tot steken en zuigen ingericht; zij vormen alles te zamen een’ zuigsnuit. Deze (fig. 147) bestaat uit een’ geleden koker (onderlip), waarbinnen twee paar stekels gelegen zijn (de bovenkaken en de onderkaken), die aan hun uiteinde van tandjes zijn voorzien, met behulp van welke een gaatje in een plantendeel of in de huid van een insekt wordt gemaakt. Ook de bovenlip is in de lengte gegroeid.—Bij vele soorten van halfvleugeligen (land- en waterwantsen) zijn de voorvleugels voor een gedeelte leerachtig en taai, terwijl de buitenrand ervan evenals de achtervleugels vliezig is (fig. 148). Bij andere soorten (gevleugelde bladluizen,fig. 149) zijn voor- en achtervleugels beiden vliezig en van weinig nerven voorzien. Sommige soorten (weegluis, ongevleugelde bladluizen) hebben in ’t geheel geene vleugels.—Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl.134).Tot de halfvleugeligen behooren o. a. deweegluis, deframbozenwants(die op kersen, aalbessen, frambozen leeft en aan deze vruchtenharen afschuwelijken reuk meedeelt), verschillende soorten vanwaterwantsen(als de waterschorpioen, het bootsmannetje en de waterloopers); eindelijk debladluizenen deschildluizen.—Fig. 148. Voor- en achtervleugel van de frambozenwants. (Iets vergr.)Fig. 148. Voor- en achtervleugel van de frambozenwants. (Iets vergr.)Debladluizen(fig. 149) hebben lange sprieten, dunne pooten en een’ langen, dunnen zuigsnuit. Bij de zelfde soort vindt men gevleugelde en ongevleugelde exemplaren. In den herfst zijn er mannelijke en vrouwelijke dieren; de laatsten leggen vóór den winter de eieren, welke bestemd zijn om te overwinteren. De bladluizen, die in ’t volgende voorjaar uit deze eieren te voorschijn komen, zijn allen wijfjes, die echter zonder voorafgaande bevruchting jongen ter wereld brengen, welke reeds dadelijk na de geboorte de kiemen van eene nieuwe generatie in zich bevatten. Het aantal jongen, door één wijfje ter wereld gebracht, en het aantal in één jaar elkander opvolgende geslachten is bij verschillende soorten zeer ongelijk. Er zijn soorten, bij welke een wijfje 80 tot 100 jongen voortbrengt, terwijl per jaar 9 tot 12 of meer generatiën elkaar opvolgen. In den herfst zijn er weer mannetjes en eierleggende wijfjes.—Daar de bladluizen gedurende haar gansche leven plantensappen zuigen, kunnen zij door haar buitengewoon sterk voortplantingsvermogen zeer schadelijk worden. Terwijl zij uit stengels en bladeren de sappen opzuigen, welke deze anders zelven voor den groei en de bloem- en vruchtvorming zouden hebben gebruikt, brengen zij hare jongen voort, die in deonmiddellijkenabijheid der moeder den zuigsnuit in het zelfde plantendeel inboren, en spoedig zelven beginnen zich voort te planten. Op deze wijze ontstaan bladluiskoloniën, die dikwijls uit honderdenstuks bestaan. Een op deze wijze aangetast plantendeel schrompelt inéén; maar nu zouden ook de daarop zittende bladluizen sterven; vóór ’t echter zoover is gekomen, zijn verscheiden exemplaren verhuisd. De derde generatie nl. bestaat gewoonlijk niet alleen uit ongevleugelde bladluizen, maar ten deele ook uit exemplaren, die na eenige vervellingen te hebben doorloopen, vleugels hebben gekregen; deze vliegen weg, zetten zich op eene andere plant neer en worden daar de stammoeders van nieuwe koloniën. Ook latere generatiën bestaan deels uit gevleugelde, deels uit ongevleugelde exemplaren.—Zoowel doordat de bladluizen vele vijanden hebben (spreeuwen, musschen, grasmusschen, enz., lievenheersbeestjes en hunne larven, gaasvlieglarven, zweegvlieglarven), als doordat zij door wind en regen soms in massa’s gedood worden, komen zij slechts nu en dan, bepaaldelijk in droge zomers, in zóó groote scharen voor, dat zij de door haar bewoonde gewassen zoodanig beschadigen, dat de oogst er erg onder lijdt. Niet slechts door saponttrekking schaden zij den planten; ook doordat zij uit de aarsopening eene suikerhoudende, klevende vloeistof (“honigdauw”) van zich geven, welke, als zij in kleine druppels op bladeren neervalt, een gedeelte van de huidmondjes der bladeren sluit en aldus de werkzaamheid van deze vermindert. Ook hechten zich op de met honigdauw bedekte plantendeelen gemakkelijk sporen van zwammen vast, welke door de lucht werden voortbewogen; zoo kan de honigdauw de voorlooper zijn van “roetdauw”, “het zwart” en van andere door zwammen veroorzaakte plantenziekten.—Fig. 149. Eene gevleugelde en eene ongevleugelde erwtenbladluis. (Zeer vergr.)Fig. 149. Eene gevleugelde en eene ongevleugelde erwtenbladluis. (Zeer vergr.)Deschildluizenzijn alleen in hare eerste jeugd in het bezit vanpootjes, en dus in staat zich te verplaatsen. Weldra zuigen de larfjes zich met haren snuit aan een’ twijg, een’ tak of een’ stam, bij uitzondering ook wel aan een blad of eene vrucht, vast. Dan ondergaan zij eene vervelling, waarbij zij hare pooten verliezen; ook wordt doorgaans haar lichaam aan den rugkant met een schild bedekt, dat bij sommige soorten als eene vervorming van de huid moet worden beschouwd, bij de meeste soorten echter uit eene waslaag bestaat, welke de huid afzondert. Het mannetje ontwikkelt zich onder zoo’n schild tot een van pooten en meestal ook van één paar vleugels voorzien diertje, dat zich in den volwassen staat over grootere of kleinere afstanden voortbeweegt. Het wijfje blijft haar geheele leven lang pootloos en onder het schild verscholen; als het gestorven is, blijft het schild de eieren bedekken, waardoor deze tegen winterkoude en regen beschut zijn. De mannetjes zijn veel kleiner dan de wijfjes. Voor den eigenlijken landbouw hebben de schildluizen geen beteekenis, maar op houtachtige gewassen en struiken (ooftboomen, wijnstok) vindt men vele schadelijke soorten.Orde Blaaspooten.Fig. 150. De graanblaaspoot. (Zeer sterk vergr.)Fig. 150. De graanblaaspoot. (Zeer sterk vergr.)Zeer kleine insekten met een’ eigenaardigen kaaktoestel, waarmee zij de opperhuid van bladeren en bloemdeelen verwonden en deze deelen tevens uitzuigen.—De vier smalle vleugels hebben lange franje aan de randen; de voorvleugels zijn harder dan de achtervleugels. De uiteinden der pootjes dragen geene klauwen, maar blaasjes, die als zuignappen dienst doen.—Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl.134).—In sommige jaren vermeerdert zich de eene of andere soort zeer sterk; dan vliegen zij—vooral op zeer warme dagen—in grooten getale in zwermen rond.—Verschillende soorten zijn er bekend, die aan graanbloesems, aan jonge boonenplanten, aan vlasplanten, enz. schadelijk zijn.Orde Tweevleugeligen.Monddeelen in de lengte gegroeid, òf alleen tot zuigen (kamervlieg, vleeschvlieg, horzels, parasietvliegen) òf tot steken en zuigen (steekmuggen, dazen) ingericht.—Alleen de voorvleugels zijn ontwikkeld, de achtervleugels zijn gewoonlijk door een paar kleine, kolfvormige lichaampjes vervangen (fig. 151).—Gedaanteverwisseling volkomen (bl.134). Larven altijd pootloos; de meesten hebben geen’ duidelijk zichtbaren kop (maden); maar de kopdragende larven van de insekten dezer orde hebben bijtende monddeelen. Deze laatsten veranderen in bedekte poppen (bl.138); de koplooze maden verpoppen binnen hare eigen larvenhuid.Fig. 151.Fig. 151.De langpootmug: Boven rechts de vrouwelijke, boven links de mannelijke vlieg. Daaronder made (“emelt”) en pop. (Alles nat. gr.)Familie der muggen(fig. 151). Lange, dunne sprieten; lange, dunne pooten; lichaam slank en dun. Van sommige soorten (steekmuggen,krieuwelmugjes) steken de wijfjes mensch en vee; de mannetjes zuigen geen bloed maar slechts dauw of andere druppeltjes vocht, welke zich op planten bevinden. Van andere soorten steken nochde wijfjes noch de mannetjes (galmuggen,langpootmuggen). Van de zoo lastige steek- en krieuwelmuggen leven de larven in stilstaand water; vandaar dat zij in vochtige jaren en in laaggelegen, slecht afwaterende streken ’t meest voorkomen.—Van de langpootmuggen leven de grauwe larven (“emelten” of “grauwe wormen”) òf in halfvergane organische stoffen òf op bouw- en weiland, van de wortels van grassen en granen. De soorten, welke ’t laatste doen, zijn schadelijk (fig. 151.)—Galmuggen zijn klein, de meeste soorten slechts 1 à 3 mM. lang; de vleugels zijn vrij breed, behaard, de pooten en sprieten lang; de laatsten bestaan uit een zeer groot aantal leedjes, die op hun midden behaard zijn. Het wijfje heeft eene legboor, waarmee zij hare eitjes in plantendeelen legt. Doorgaans ontstaat op de plaats, waar het eitje gelegd is, eene opzwelling van het plantendeel: soms een ware gal (beukengalmug), soms eene zeer kleine opzwelling, gepaard met abnormalen groei der aangrenzende deelen. Tot de schadelijke galmuggen behooren o. a. de gele tarwegalmug, de Hessische mug, de erwten- en de koolzaadgalmug.—Fig. 152.Fig. 152.Links: goudoogdaas; daaronder de larve van de runderdaas, die aan den rechterkant is afgebeeld. (Nat. gr.)Defamilie der dazenofbremsenbestaat uit groote of middelmatig groote vliegen met een stevig gebouwd lichaam, een’ flink gebouwden kop, een plat achterlijf en stevige pooten. De wijfjes zuigen bloed en worden door hare steken lastig voor mensch en dier. De larven leven in den grond en zijn onschadelijk.—Paardendaas, runderdaas, regendaas, goudoogdaas.—Defamilie der roofvliegenzijn meer slank en dun dan de dazen,met welke zij overigens den stevigen bouw en de flinke pooten gemeen hebben. Zij dooden vele insekten, die zij uitzuigen; den mensch en de huisdieren laten zij met rust.—Familie zweefvliegen.Stevig gebouwd, vrij breed. Meerendeels levendig gekleurd, met zwarte en gele banden op het achterlijf. Zij houden zich soms een’ tijd lang op eene bepaalde plaats in de lucht staande of zwevende, waarbij zij de vleugels zeer snel op en neer slaan. De larven van enkele soorten leven in bollen van planten (uienzweefvlieg, narcisvlieg); die van andere soorten in vuil water (“gootmaden”); de meesten echter leven op bladeren te midden van bladluizen, die zij uitzuigen.—Ware vliegenhebben een’ zuigsnuit, niet geschikt om te steken. In hoofdzaken komen zij met dezwarte kamervliegin bouw overeen. Behalve deze laatste, welker made in mest leeft, behooren tot deze familie: deblauwe bromvliegen devleeschvlieg, welker maden in gekookt of rauw vleesch leven,—deschapenvlieg, die als made in de huid en in de daaronder gelegen deelen van ’t schaap parasiteert,—debloemvliegen, welker maden òf in mest òf in planten leven (bijv. koolvlieg, uienvlieg, bietenvlieg),—degroenoogen, die als made in grasachtige gewassen parasiteeren (halmvlieg, fritvlieg),—deparasietvliegen, welker maden zich in levende rupsen ontwikkelen, en die in de huishouding der natuur dezelfde rol spelen als de sluipwespen (zie bl.153),—dehorzels(fig. 123), die als made in de maag of den darm (paardenhorzel), in de neusholte (schapenhorzel) of onder de huid (runderhorzel) van verschillende dieren parasiteeren.—Luisvliegen.Lichaam plat; huid leerachtig, taai. Kromgebogen voorpooten, geschikt voor ’t klauteren in de haren van de dieren, waarop zij parasitisch leven en welker bloed zij zuigen. Sommige soorten (paardenluisvlieg) hebben twee vleugels; andere zijn ongevleugeld en lijken dan zeer veel op luizen (de zoogenaamde “schapenluis” of “schapenteek”, die eigenlijkschapenluisvliegmoet worden genoemd, daar er bovendien eene ware schapenluis en eene ware schapenteek bestaan). Niet slechts komt bij de luisvliegen de made reeds binnen het moederlichaam uit het ei te voorschijn (dit isook bij enkele andere insekten ’t geval, o. a. bij de schapenhorzel en bij de grauwe vleeschvlieg!); maar de enkele made, die tot ontwikkeling komt, wordt volwassen geboren en verpoptonmiddellijkna hare geboorte. Terwijl de meeste insekten slechts éénmaal zich voortplanten en daarna sterven, herhaalt zich de voortplanting bij de luisvliegen. Telkens verlaat zoo’n insekt, om eene made ter wereld te brengen, het dier, waarop het leeft; de made wordt dan in eene reet tusschen planken, in een gaatje in den grond of op eene andere beschutte plaats geboren.Orde Vlooien.Fig. 153.Fig. 153.Gewone vloo: 1 = volwassen insekt, 2 = larve, 3 = pop. (Zeer vergr.)Ongevleugeld. In de lengte gegroeide monddeelen, geschikt om te steken en bloed te zuigen. Geen vleugels. Springpooten. Eene volkomen gedaanteverwisseling (bl.134): larve met een’ duidelijken kop, maar pootloos; pop onbedekt. De larve van de gewonemenschenvlooleeft in de reten van den vloer of op eene andere verscholen plaats. De vlooien zijn tijdelijke parasieten.Orde Luizen.Lichaam plat, ongevleugeld. Monddeelen op een snuitvormig aanhangsel gezeten; de monddeelen zelve echter zijn zuigend (ware luizen, die bloed zuigen) of bijtend (vacht-ofhaarluizen, die stukjes haar ofhuidschilferseten). De luizen hebben kleine enkelvoudige oogjes of zijn geheel blind. Voorpooten gekromd, geschikt om ermee door haren te klauteren. Geene gedaanteverwisseling.Orde Spring- en Franjestaarten.Kleine, ongevleugelde, met schubbetjes of haartjes bedekte insekten, met bijtende monddeelen. Geene gedaanteverwisseling. Aan het uiteinde van ’t achterlijf òf draadvormige aanhangselen (franjestaarten) òf een gaffelvormig verdeelde staart, die langs de buikzijde van het lichaam naar voren wordt gestoken en voor ’t springen gebruikt wordt (springstaarten).—Tot de franjestaarten behoort o. a. desuikergast; tot de springstaarten behooren de geslachtenPodura,Smynthurus, enz.Klasse II. Duizendpootachtigen.Deze ademen door luchtbuizen (bl.129). Het lichaam bestaat uit een’ kop en een groot aantal aan elkaar gelijke leden, die allen ledematen bezitten (fig. 112op bl.127). Één paar sprieten.—Men onderscheidt: 1º. deeigenlijke duizendpooten, die aan elk lichaamslid één paar pooten hebben, en die in ’t bezit zijn van monddeelen, welke voor roof geschikt zijn, 2º. demillioenpootenmet twee paar pooten aan ieder lichaamslid, en monddeelen, die geschikt zijn voor ’t eten van humusachtige zelfstandigheden en van plantendeelen. Tot de millioenpooten behooren de zoogenaamde “oprollers”, die zich gaarne spiraalvormig inéénrollen. Sommige soorten van oprollers eten kiemende zaden (bietenzaad, erwten) of saprijke plantendeelen (aardappelen, knollen, wortelen).Klasse III. Spinachtigen.Fig. 154. Kruisspin. (Iets vergr.)Fig. 154. Kruisspin. (Iets vergr.)De spinachtigen ademen—voorzoover zij behalve de huid nog afzonderlijke ademhalingsorganen hebben—door tracheeën of door zoogenoemde “longzakken”, die slechts eene wijziging van tracheeënzijn. Het lichaam bestaat hoogstens (zooals bij de ware spinnen) uit twee lichaamsafdeelingen, welke ieder voor zich ongeleed zijn:kopborststukenachterlijf(fig. 154). Terwijl het laatste lichaamsdeel geene ledematen heeft, bezit het eerste als aanhangselen de vergift uitstortende monddeelen, alsmede 4 paar pooten.Er zijn echter ook spinachtigen (de mijten,fig. 155), bij welke ook ’t kopborststuk en ’t achterlijf nog weer tot één ongeleed lichaam vereenigd zijn, zoodat het dier nog slechts door de gelede pooten als een Geleed dier te herkennen is (zie bl.127).Tot de spinachtigen behooren o. a. de volgende orden:ware spinnen,schorpioenen,langpootspinnenofhooiwagens,mijten.Fig. 155. De gewone teek, in niet volgezogen toestand. (Vergroot.)Fig. 155. De gewone teek, in niet volgezogen toestand. (Vergroot.)Deware spinnenzijn, voorzoover zij òf rustig in hare web zittende òf de prooi achtervolgende, schadelijke of lastige insekten vangen, eenigszins nuttig.Tot demijtenbehooren o. a. dekaasmijt, die op harde soorten van kaas bij duizenden kan voorkomen, en de kaas in een poeder verandert,—demeelmijt, die zich sterk vermeerdert in meel, dat op eene warme, vochtige plaats bewaard wordt,—deschurftmijten, waarvan verschillende soorten bij onderscheiden dieren en ook bij den mensch eene huidziekte kunnen veroorzaken,—deteken, die gewoonlijk op den grond leven, maar soms tegen struiken en kruidachtige planten opklimmen, om van deze op honden, schapen, runderen, enz., ook wel op den mensch, over te gaan, waaraan zij zich vast hechten, en dien zij bloed afzuigen.Klasse IV. Schaaldieren.De schaaldieren ademen door kieuwen; de meesten leven dan ook in het water, en de landschaaldieren (sommige pissebedden) houden zich steeds op eenigszins vochtige plaatsen op. Huid hard en dik, met kalkafzetting. Twee paar sprieten.—Voorbeelden: kreeften, krabben, pissebedden.
Fig. 112. Reuzenduizendpoot; nat. gr.Fig. 112. Reuzenduizendpoot; nat. gr.
Fig. 112. Reuzenduizendpoot; nat. gr.
Fig. 113. Eene sluipwesp: 1 = volwassen insekt, nat. gr.; 2 = larve; 3 = pop.Fig. 113. Eene sluipwesp: 1 = volwassen insekt, nat. gr.; 2 = larve; 3 = pop.
Fig. 113. Eene sluipwesp: 1 = volwassen insekt, nat. gr.; 2 = larve; 3 = pop.
Het lichaam der Gelede dieren is tweezijdig symmetrisch, en bestaat uit een bij de verschillende soorten zeer ongelijk aantal achter elkaar gelegen leden (fig. 112). Wel zijn deze leden oorspronkelijk alle aan elkaar gelijk; maar gedurende de ontwikkeling van het dier treden de onderscheiden leden in dienst van verschillende verrichtingen, en zoo ontstaat er soms een zeer groot onderscheid. (Vergel. bijv. de infig. 113, 1 afgebeelde sluipwesp met den vorm, dien dit dier in zijn eerste jeugd heeft: 2). Dikwijls vergroeien verschillende leden met elkander, en dan vertoont het lichaam eene indeeling in enkele lichaamsafdeelingen (insekten); of zelfs alle leden versmelten tot één geheel (mijten). In ’t laatstbedoelde geval kan men nog slechts aan de gelede pooten zien, dat men met een Geleed dier te doen heeft. Wel behooren ook tot dewormen(3e Hoofdafdeeling van het Dierenrijk) dieren, welke uit leden bestaan(bijv. de regenworm); maar deze wormen hebben òf geene òf slechts kleine, ongelede pootjes; nooit gelede pooten, zooals de Gelede dieren bezitten. Slechts in hunne eerste jeugd kunnen de insekten pootloos zijn (fig. 113, 2) of ongelede lichaamsaanhangselen hebben (de achterste pooten van eene rups:fig. 114).—De kop der Gelede dieren bezit verschillende op elkaar volgende paren kaken, die zich van links naar rechts en van rechts naar links, heen en weer, bewegen.—De lichaamsbekleeding bestaat bij de volwassen Gelede dieren uit eene huid met harde pantserstukken; slechts bij de eerste ontwikkelingstoestanden (“larven”) is de huid van verschillende soorten meer zacht.—De Gelede dieren hebben geen inwendig skelet; de spieren zijn aan de uitwendige huid bevestigd.—De centrale deelen van het zenuwstelsel (bl.19) liggen bij de Gelede dieren bijkans alle aan de buikzijde. In den kop ligt de “hersenknoop”, dit is eene knoopvormige, boven den slokdarm gelegen zenuwmassa, van waaruit zenuwen naar de oogen en de sprieten zich begeven. Verder vindt men aan de buikzijdedes diers de zoogenoemde “buikzenuwstreng”, die beneden het darmkanaal zich uitstrekt en uit verschillende zenuwknoopen (fig. 115,z) bestaat, welke door zenuwdraden aan elkander verbonden zijn. Er is geene afzonderlijke lichaamsholte voor de centrale deelen van het zenuwstelsel. De ademhalingsorganen zijn bij eenige Gelede dieren (Schaaldieren, zooals kreeften en krabben)kieuwen; de Insekten en Duizendpooten ademen doorluchtbuizenoftracheeën(zie beneden), en ook de Spinachtigen bezitten meer of minder gewijzigde luchtbuizen.—In hoofdzaken is de bouw van het luchtbuizenstelsel het volgende: aan iederen kant van het lichaam bevindt zich eene reeksluchtgaten(fig. 115,lb), door welke de lucht in de luchtbuizen wordt binnengevoerd. Deze laatsten vertakken zich herhaaldelijk, zoodatzij ten slotte zich in zeer fijne huisjes splitsen, welke de verschillende organen omspinnen. De lucht wordt aldus naar alle deelen des lichaams heengevoerd. Infig. 114zijn de luchtgaten van eene rups, infig. 113, 2 die van eene sluipwesplarve duidelijk zichtbaar.
Fig. 114. De rups van een’ doodshoofdvlinder. (½ nat. gr.)Fig. 114. De rups van een’ doodshoofdvlinder. (½ nat. gr.)
Fig. 114. De rups van een’ doodshoofdvlinder. (½ nat. gr.)
Fig. 115. Schets van eene doorsnede dwars door ’t lichaam van een insekt.Fig. 115. Schets van eene doorsnede dwars door ’t lichaam van een insekt.lb= luchtgaten, waarin de luchtbuizen uitmonden;h= hart;d= darm;z= zenuwknoopen.
Fig. 115. Schets van eene doorsnede dwars door ’t lichaam van een insekt.
lb= luchtgaten, waarin de luchtbuizen uitmonden;h= hart;d= darm;z= zenuwknoopen.
Tot de Gelede dieren behooren vier klassen: die derInsekten,Duizendpooten,SpinachtigenenSchaaldieren.
Klasse I. Insekten of gekorven dieren.Ademhaling door luchtbuizen (zie boven).—De leden zijn tot drie lichaamsafdeelingen vereenigd:kop,borststukenachterlijf(fig. 116). Aan den kop, die de oogen, de voelhorens of sprieten en de kaken draagt, laten zich de verschillende leden, die hem samenstellen, niet meer onderscheiden. Het borststuk bestaat uit drie leden (fig. 116, B1, B2, B3), van welke het eerste (’t voorborststuk) een paar pooten, en het tweede (’t middenborststuk) zoowel als het derde (’t achterborststuk) een paar pooten en een paar vleugels draagt. Het achterlijf bestaat niet bij alle insekten uit een gelijk getal leden; er zijn aan dit lichaamsdeel geene pooten bevestigd.—De bovenvermelde drie lichaamsafdeelingen verrichten verschillende functiën: de kop dient vooral voor de gewaarwording en de spijsopneming, het borststuk voor de beweging; het achterlijf bevat hoofdzakelijk de organen voor voeding en voortplanting.Fig. 116. Meikever, uit elkander genomen.Fig. 116. Meikever, uit elkander genomen.A = kop; hieraan: s = spriet; o = oog; l = bovenlip; p = taster v. d. onderkaak.—B1= voorborststuk; B2= middenborststuk; B3= achterborststuk. Aan de pooten: d = dij; s = scheen; v = voet. Aan B2: s = schildje; E = dekschild. In de vleugels worden de aders door getallen aangeduid;aena1zijn gewrichten in deze aders.—C = achterlijf; hieraan: s1-s6= de stigma’s of ademhalingsopeningen.Bijkans alle insekten hebben in den volwassen toestand aan iederen kant des kops een “samengesteld” oog, d. i. een oog, ’t welk uit een groot aantal (tot 10.000) kleine oogjes is samengesteld. Bovendien vindt men bij verschillende insekten nog enkele “enkelvoudige” oogen boven op den kop.—De sprieten bestaan uit leden; overigens zijn zij bij de onderscheiden insekten zeer ongelijk; zij dienen voor het tastgevoel.—De monddeelen bestaan uit drie paar kaken, van welke het eerste paar (debovenkaken, fig. 117,Bov.k.) en het tweede paar (deonderkaken,O.k.) zich vrij naar elkaar toe en van elkaar af kunnen bewegen, terwijlde kaken van het derde paar aan elkaar tot een stuk vergroeid zijn, ’t welk de “onderlip” (O.l)] heet. Eene voortzetting van de huidbekleeding des kops (de “bovenlip”,Bl.) steekt meer of min als een afdak over de drie bovengenoemde paren kaken uit. Bij de insekten, welke vaste spijs opnemen en deze verscheuren of fijn kauwen, zijn de kaken kort en scherp; men noemt ze “bijtende monddeelen”. Bij die, welke vloeibare spijs (bloed, plantensappen) opnemen, zijn zij zeer in de lengte gegroeid en tot likken, zuigen of steken ingericht (verlengde monddeelen).Depootender insekten (fig. 118) bestaan uit onderscheiden deelen, die grootendeels genoemdzijn naar de deelen van een’ zoogdierpoot; toch is natuurlijk de overeenkomst tusschen de ledematen van insekten en zoogdieren niet dan geheel oppervlakkig. Men onderscheidt dan aan een’ insektenpoot de volgende deelen: 1º. het gewoonlijk zeer korteheuplid, 2º. den insgelijks zeer kortendijring, 3º. de langwerpigedij, 4º. de aan haar uiteinde met bewegelijke stekeltjes bezettescheen, 5º. den uit 3 tot 5 leedjes bestaandenvoet. Het laatste lid van den voet is vanklauwen, soms vanzuignapjesvoorzien.—Devleugels(fig. 116) zijn eigenlijk huiduitbreidingen, welke uit twee lagen bestaan. Tusschen de bovenste en de onderste huidplaat van den vleugel bevinden zich luchtbuizen. In den eersten tijd, dat het insekt vleugels heeft (in den poptoestand), zijn dezeinééngeplooid; maar door het inpersen van lucht in de luchtbuizen der vleugels zetten zich, bij het pas uit de pop gekomen insekt, de luchtbuizen en daarmee de vleugels uit, en dat wel in korten tijd. Daarna zet zich zeer spoedig eene vaste zelfstandigheid om de grootsten der luchtbuizen af; op deze wijze worden de laatsten tot “aderen” of “nerven”, welke den vleugels stevigheid verleenen. Bijde kevers zijn de voorvleugels geheel en al hard en meer tot bescherming van de achtervleugels en van het teere achterlijf, dan tot vliegen geschikt. Bij vele insekten is één paar vleugels in den rusttoestand samengevouwen; dit kan met de voorvleugels (bijv. bij de wespen) of met de achtervleugels (bijv. met de kevers en sprinkhanen) ’t geval zijn.Fig. 117.Fig. 117.Boven: Kop van den spinnenden waterkever, van de rugzijde gezien. Beneden: id. van beneden gezien. In beide figuren is:o= oog;sp= spriet;Bl= bovenlip;Bov.k= bovenkaak;O.k= onderkaak;t′= taster van deze;O.l= onderlip;t= taster van deze.Het achterlijf draagt slechts bij de rupsen en bij enkele andere insekten in den nog onvolwassen toestand bewegingswerktuigen, welke echter niet geleed zijn; zij zijn dus ongelede “achterlijfspooten”, in tegenstelling met de gelede “borstpooten” (fig. 114). Bij de volwassen insekten vindt men soms draadvormige (veenmol) of tangvormige (oorworm) aanhangselen aan het laatste lid van ’t achterlijf; ook draagt het achterlijf eenelegboorbij zulke insekten, welke hunne eieren in een bepaald voorwerp (den grond, hout, bladeren, andere dieren) leggen.—Fig. 118.Fig. 118.Poot van een’ loopkever;h= heup;dr= dijring;d= dij;s= scheen;v= voet, uit vijf leden bestaande.De meeste insekten hebben een zeer sterk voortplantingsvermogen. Enkele soorten (vleeschvlieg, schapenluisvlieg) brengen levende jongen ter wereld, maar verreweg de meesten leggen eieren. Uit deze eieren komen in enkele gevallen dieren te voorschijn, die reeds volkomen op hunne ouders gelijken (luizen); verreweg de meeste insekten echter ontwikkelen zich metgedaanteverwisselingofmetamorphose; d. i. zij treden reeds in hunnen allereersten ontwikkelingstoestand zelfstandig op en zorgen dan reeds zelven voor hun voedsel. Daardoor behoeft het ei niet (zooals bij de vogels en kruipende dieren) groote hoeveelheden voedende stoffen te bevatten; de eieren kunnen dus veel kleiner zijn, en er kunnen tegelijk meer van worden voortgebracht. De gedaanteverwisseling maakt dus dat de voortplanting sterker kan zijn dan anders mogelijk zou wezen. Het meerendeel der insekten, zwakke diersoorten als zij zijn en zeer gevoelig voor minder gunstige uitwendige invloeden, moet zich dan ook wel sterk voortplanten; deden zij dit niet, dan zouden zij spoedig uitsterven.Maar de sterke vermeerdering is dan ook weer, als de uitwendige omstandigheden eens bij uitzonderingnietongunstig zijn, oorzaak van dat verschijnen in massa’s, ’t welk bij vele insekten voorkomt (rupsen, sprinkhanen), en dat bij plantenetende soorten maar al te vaak groote schade aan onze gewassen berokkent.Fig. 119.Fig. 119.Het groote koolwitje: rups; pop; mannelijke vlinder zittend; vrouwelijke vlinder vliegend. (Nat. gr.)Men onderscheidt twee soorten van gedaanteverwisseling: devolkomeneen deonvolkomene. Volkomen noemt men haar als het insekt eenen poptoestand doorleeft, d. i. eenen toestand, waarin het geen voedsel opneemt en zich gewoonlijk weinig beweegt;—onvolkomen noemt men de metamorphose, wanneer zoodanige poptoestand niet wordt doorleefd, en het insekt dus alleen bij de verschillende vervellingen langzamerhand eenigszins van gedaante verandert.—Het woord “vervelling” dien ik hier nog nader teverklaren. De huidbekleeding der Gelede dieren bestaat uit harde stukken, die zich niet kunnen uitzetten. Aan het einde van eene bepaalde levensperiode worden de harde lagen der huid afgestroopt, en het insekt komt voor den dag met eene teere huid, die voor uitzetting vatbaar is en dus aan den groei geen hindernis in den weg legt. Langzamerhand wordt ook deze nieuwe huid weer harder.Fig. 120.Fig. 120.Gedaanteverwisseling van de zijderups:a= rups;b= cocon;c= de daarin verscholen pop;d= vlinder, eieren leggende. (Nat. gr.)Bij de insekten met onvolkomen gedaanteverwisseling verandert de vorm van het insekt bij iedere vervelling eenigszins, en wordt hij telkens meer aan dien van het volwassen insekt gelijk; bij de voorlaatste vervelling komen kleine “vleugelstompjes”, of liever “vleugelscheeden” (fig. 133, in het water, links) te voorschijn, binnen welke de vleugels zelve in samengeplooiden toestand zich vormen. Ook de legboor van de vrouwelijke insekten komt eerst bij de vóórlaatste vervelling als volledig ontwikkeld orgaan te voorschijn. Reeds in de eerste levensperiode gelijkt het insekt, dat eene onvolledige gedaanteverwisseling doorleeft, betrekkelijk veel op het volwassen dier; veel meer dan bij die insekten ’t geval is, welke eene volkomen gedaanteverwisseling doorloopen. (Ziefig. 122).De tijd, welken een insekt met volkomen gedaanteverwisseling in den poptoestand doorbrengt, duurt op verre na niet altijd even lang.Van het groote koolwitje (fig. 119) komen alle jaren twee opvolgende geslachten (generatiën) voor; de eerste generatie doorleeft den winter in den poptoestand, van de andere vindt men de poppen in den zomer. Terwijl nu het insekt der wintergeneratie ongeveer een half jaar in den poptoestand doorbrengt, duurt deze toestand bij de zomergeneratie nog geen maand. Hooge temperatuur bespoedigt de ontwikkeling.Fig. 121.Fig. 121.De meikever;een mannetje uit den grond kruipend; een vrouwelijke kever, vliegend; larve (engerling) en pop. (Nat. gr.)Ofschoon een insekt in den poptoestand geene spijs opneemt, ademt het toch en verbruikt het aldus voortdurend stof, echter slechts eene geringe hoeveelheid, daar het dier zich slechts weinig beweegt (zie bl.26). Vanwaar krijgt nu de pop haar voedsel, om dit verlies aan stof te dekken? In den larvetoestand neemt het insekt veel meer voedsel op dan het voor zijnen groei noodig heeft. Uit dit overschot vormen zich de reservestoffen, die in het zoogenoemde “vetlichaam” der larve worden afgezet. Gedurende den poptoestand worden deze reservestoffen gebruikt om de ademhaling te onderhouden. Daarom weegt eene pop onmiddellijk nadat zij uit de rups is ontstaan, meer dan eene pop, die binnenkort in vlinder zal veranderen.Fig. 122.Fig. 122.De sabelsprinkhaan:aenb= jonge exemplaren;c= volwassen wijfje, eieren leggende. (Iets vergr.)De larven en poppen zijn bij de onderscheiden insektensoorten zeer verschillend van vorm. Men onderscheidt de larven in:rupsen, warelarvenenmaden. De maden (fig. 123,b,c) zijn pootloos en hebben geen’ duidelijk zichtbaren, met eene harde huid bekleeden kop. Deware larvenhebben wèl een’ harden kop, die van de overige deelen van den romp duidelijk te onderscheiden is; sommige larven hebben borstpooten (fig. 121), andere niet (fig. 128). Achterlijfspooten echter bezitten zij niet, hoogstens aan ’t uiteinde van ’t achterlijf een paar ongelede lichaamsaanhangselen. Derupsen(fig. 114, 120,a) hebben een’ duidelijk zichtbaren, harden kop, 3 paar gelede borstpooten en een verschillendaantal ongelede achterlijfspooten. Men onderscheidtware rupsen, die later in vlinders veranderen, enbastaardrupsen, die de jeugdtoestand van bladwespen zijn. De laatsten (fig. 124) hebben een’ kogelronden kop en bezitten 6–8 paar achterlijfspooten; bij de eersten (fig. 119, 120,a) is de kop plat en bedraagt het aantal achterlijfspooten 2–5. De gang der rupsen staat in nauw verband met het aantal achterlijfspooten. Is dit aantal vrij groot en zijn dus verreweg de meeste lichaamsleden van pooten voorzien, dan blijft het geheele lichaam gedurende de beweging tamelijk wèl gestrekt. Bevinden zich echter alleen aan het achtereinde des lichaams achterlijfspooten, dan is het gansche middenlichaam pootloos en de voortbeweging geschiedt dan door dit pootlooze lichaamsdeel sterk te krommen. Dit is ’t geval bij de zoogenoemde “spanrupsen”, die slechts 2 paar achterlijfspooten bezitten (fig. 144, c).Fig. 123.Fig. 123.De paardenmaaghorzel:a= ei, aan een haar vastgehecht (zeer sterk vergr.);b= jeugdige made (sterk vergr.);c= volwassen made (2 maal nat. gr.);d= pop (2 maal nat. gr.);e= vlieg (de streep geeft de nat. gr. aan).Depoppenzijn òf door eene huid omgeven, die den omtrek der afzonderlijke lichaamsdeelen slechts onduidelijk doet doorschemeren (fig. 119,120,c); òf zij hebben eene huidbekleeding, die ieder lichaamsdeel (ook de vleugels, pooten, sprieten, monddeelen en oogen) afzonderlijk omgeeft (fig. 121). De eersten noemt menbedekte, de laatstenonbedektepoppen.—Vele poppen zijnnaakt(fig. 119,121);andere zijn omgeven door eenecocon(fig. 120,b) of door delarvehuid(fig. 123,d). ’t Laatste is het geval met de poppen van vele vliegen: als de made verpopt, blijft de huid van deze in samengeschrompelden toestand om de pop heen zitten. Eene cocon bestaat uit spinsel, ’t welk als eene vloeistof in de spinklieren der larve zich vormt, door eene opening in de onderlip naar buiten treedt, vervolgens in draden wordt getrokken en vast wordt. Vele rupsen gebruiken haar spinvermogen niet slechts om eene cocon te maken, maar ook om nesten te vervaardigen of om eenen draad te spinnen, waaraan zij zich laten zakken.Fig. 124.Fig. 124.De bessenbastaardrups: 1 = de rupsen in hare eigenaardige houdingen (nat. gr.); 2 = de rups (vergr.); 3 = cocon (iets vergr.); 4 = bladwesp (vergr.).Men onderscheidt de klasse der Insekten in de volgende orden: 1. Kevers of Schildvleugeligen, 2. Rechtvleugeligen, 3. Gaas- of Netvleugeligen, 4. Vliesvleugeligen, 5. Vlinders of Schubvleugeligen, 6. Halfvleugeligen, 7. Blaaspooten, 8. Vliegen en Muggen of Tweevleugeligen, 9. Vlooien, 10. Luizen, 11. Spring- en Franjestaarten.Orde Schildvleugeligen of Kevers.Fig. 125. De groote loopkever. (nat. gr.)Fig. 125. De groote loopkever. (nat. gr.)Bijtende monddeelen (bl.131). Een groot voorborststuk, dat met het middenborststuk zeer bewegelijk verbonden is. De voorvleugels vervormd tot harde “dekschilden”, die in den rusttoestand alleen den kop, het voorborststuk, een klein driehoekig stukje van het middenborstuk (het “schildje”) en soms het uiteinde van ’t achterlijf onbedekt laten. De achtervleugels, die tot vliegen dienen, zijn in den rusttoestand onder de dekschilden samengevouwen.—Gedaanteverwisseling volkomen. Larven met harden kop, met of zonder borstpooten. Poppen onbedekt.Van de talrijke familiën noem ik de volgende.Loopkevers(fig. 125): slank met lange, dunne pooten, draadvormige sprieten, krachtige kaken.Zij loopen snel, vliegen meestal slecht of in ’t geheel niet. Larven langwerpig. Volwassen kevers en larven houden zich op en in den grond op, en leven, met zeldzame uitzonderingen, van andere insekten. Over ’t geheel nuttig.—Kortschildkevers: langwerpig, smal. Korte dekschilden, die het geheele achterlijf onbedekt laten. De larven gelijken veel op die der loopkevers. Volwassen kevers en larven voeden zich met levende insekten of met rottende organische zelfstandigheden.—Knotssprietigenhebben sprieten, welker laatste leden dikker zijn dan de eerste leden. Hiertoe behooren o. a. deaaskeversendoodgravers,die èn als volwassen dier èn als larve van doode dieren leven; de doodgravers begraven de krengen in den grond, alvorens er hunne eieren in te leggen. Enkele soorten van aaskevers worden èn als kever èn als larve wel eens schadelijk op bietenakkers. Tot de knotssprietigen behooren verder: dekoolzaadglanskever, hetframbozenkevertje, hetbietenkevertje.—Fig. 126. De meikever; (nat. gr.).Fig. 126. De meikever; (nat. gr.).Bladsprietigen(fig. 126) zijn plompe kevers. Van hunne sprieten zijn de laatste 3–7 leden plat, bladvormig verbreed; zij vormen te zamen een knotsje. De larven (“engerlingen”,fig. 121) zijn dik, krom gebogen; zij hebben borstpooten; zij leven in den grond, in vermolmd hout of in mest.—Hiertoe behooren o. a. demeikeveren hetrozenkevertje; ook demestkeversen hetvliegend hert.—Fig. 127. Kniptor, op den rug liggend; (2 maal nat. gr.).Fig. 127. Kniptor, op den rug liggend; (2 maal nat. gr.).Kniptorrenzijn langwerpig, overal ongeveer even breed, met een zeer lang voorborststuk. De sprieten bestaan uit leden, die ongeveer driehoekig zijn (“zaagvormige sprieten”). Op den rug liggende, springen zij hoog op. Dit doen zij als volgt (fig. 127). Eerst buigt het dier zich zoodanig, dat kop en voorborststuk naar boven-, midden- en achterborststuk en achterlijf naar beneden gebogen zijn. Daarna licht het de neergebogen einden van ’t lichaam weer op, waarbij de aanvankelijk omhoog gebogen verbindingsplaats tusschen voor- en middenborststuk met kracht op den grond komt, zoodat de tor door hare eigen veerkracht hoog opspringt. De buikzijde van het voorborststuk heeft aan het achtereinde een uitsteeksel, dat juist past in eene groeve, die in ’t middenborststuk aanwezig is. Ligt de tor op den rug en buigt zij het midden van haar lichaam naar boven, dan drijft zij dat uitsteeksel uit de groeve; buigt zij het midden van het lichaam weer naar beneden, dan komt het uitsteeksel weer in de groeve terug.—Delarven der kniptorren (“ritnaalden”, “koperwormen”) zijn dun, langwerpig, hard van huid, geelbruin van kleur, met korte borstpooten en een paar ongelede uitsteeksels aan ’t laatste lid van het achterlijf.—Van sommige kniptorsoorten leeft de ritnaald van humus; andere ritnaalden echter zijn zeer schadelijk aan graan en vele andere kultuurgewassen.—Fig. 128.Fig. 128.De eikelsnuittor, hare larve, en kop van den kever van ter zijde. (Alles zeer vergr.; onder de afb. der larve is deze in omtrek in nat. gr. afgebeeld; naast den kever geeft eene streep de nat. gr. aan).Snuittorren(fig. 128) hebben een snuitvormig verlengstuk aan den kop, aan welks uiteinde de kaken staan. Met deze snuit boren zij gaten in stengels, takken, bloemen, vruchten en andere plantendeelen, soms om voedende stoffen daaruit op te nemen, soms om een gat te maken, waarin zij een ei leggen. De sprieten zijn bij vele soorten knievormig gebogen (fig. 128) en aan den snuit ingeplant. De snuittorren vliegen zelden, nooit anders dan in den paartijd. Er zijn echter soorten, die niet kunnen vliegen, daar de dekschilden met elkaar vergroeid zijn. Larven (fig. 128) pootloos, eenigszins gebogen.—Vele schadelijke soorten, als:erwtenkever,boonenkever,bladrandkever,appelbloesemkever,dennensnuittorren,graanklander.—Fig. 129. Moedergang en larvengangen van den iepenspintkever. a = boorgat. (Nat. gr.)Fig. 129. Moedergang en larvengangen van den iepenspintkever.a= boorgat. (Nat. gr.)Schorskeverszijn nauw aan de snuittorren verwant; de kop is vrij dik en eenigszins verlengd, zonder dat deze verlenging veel dunner is dan de kop zelf. De sprieten eindigen in een knopje.—De larven gelijken veel op die der snuitkevers.—De moederkever boort een gat door de schors en bast des booms tot aan het spint en graaft van dáár uit een of meer gangen (“moedergangen”), aan weerskanten waarvan zij hare eieren legt. De larven graven “larvengangen”, welke voor ’t meerendeel loodrecht op de moedergangstaan, en die steeds wijder worden, naarmate de larve groeit. Aan ’t einde van den gang verpopt de larve; en later boort zich de jonge kever door bast en schors heen naar buiten. Door het graven van kevers en larven wordt de verbinding tusschen bast en houtverbroken, bast en teeltweefsel grootendeels vernield. Verscheiden soorten zijn voor de houtteelt zeer schadelijk:dennenscheerder,iepenspintkever, enz.—Fig. 130. De Coloradokever.Fig. 130. De Coloradokever.Op de bladeren van eene aardappelplant ziet men eihoopjes, eene larve en twee volwassen kevers. (Alles nat. gr.)Fig. 131.Fig. 131.Gedaanteverwisseling van het zevenmaal gestippelde lievenheersbeestje:a= larve;b= pop, van terzijde gezien;c= pop, van de buikzijde gezien;d= kever, (bendnat. gr.;aencvergr.)Boktorrenhebben zeer lange sprieten, die zij veelal naar achteren gebogen dragen, als een bok zijne horens. De pootlooze larven leven in ’t hout. Sommige soorten (o. a. depopulierboktor) zijn schadelijk.—Goudhaantjesofbladkevers(fig. 130) zijn gedrongen van vorm, aan de rugzijde bol. De larven leven voor ’t meerendeel buiten op de bladeren van dezelfde gewassen, waarvan ook de kevers vreten; enkele soorten leven inwendig in plantendeelen; zij hebben drie paar pooten. Vele goudhaantjes hebben schitterende metaalkleuren. Tot deze familie behooren o. a.lelietorretje,aspergekevertje,elzenhaantje,Coloradokever,schildpadtorren, ook de springendeaardvlooien.—Fig. 132. De veenmol, loopend en vliegend; ook eene larve. (Nat. gr.)Fig. 132. De veenmol, loopend en vliegend; ook eene larve. (Nat. gr.)Lievenheersbeestjes(fig. 131) zijn half bolvormig. De larven gelijken veel op die der goudhaantjes, maar hebben langere pooten. Zij eten, evenals de volwassen kevers, bladluizen.Orde Rechtvleugeligen.Monddeelen bijtend. Voorvleugels leerachtig; achtervleugels vliezig, in den rusttoestand onder de voorvleugels waaiervormig inééngeplooid (fig. 132). Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl.134).—Men onderscheidtloopendeenspringenderechtvleugeligen.Tot deloopenderechtvleugeligen behoorenoorwormenenkakkerlakken(o. a. de gewone keukenkakkerlak of bakkerstor);—tot despringenderechtvleugeligen: develdsprinkhanen(zonder sabelvormige legboor), desabelsprinkhanen(met eene sabelvormige legboor bij de wijfjes), dekrekels(rolrond of plat van lichaam, terwijl de twee vorige familiën meer hoog dan breed van lichaam zijn). Tot de veldsprinkhanen behooren de meesten der kleine sprinkhaantjes, welke op weilanden zoo algemeen zijn, maar ook de beruchte treksprinkhanen;—tot de krekels o. a. de huiskrekel (kriek, iem) en de zoo schadelijke veenmol (fig. 132).Orde Gaas- of Netvleugeligen.Monddeelen bijtend. Voor- en achtervleugels veel op elkaar gelijkend, met een sterk vertakt net van nerven (fig. 133). Gedaanteverwisseling onvolkomen of volkomen (bl.134).Eeneonvolledige gedaanteverwisselinghebben: de in warmere streken levendetermieten; dehaftenenglazenmakers, welker larven in ’t water leven(fig. 133). De volwassen glazenmakers dooden insekten, waaronder vele schadelijke;—de termieten zijn door hunne vernielzucht zeer bekend.Fig. 133. Een glazenmaker.Fig. 133. Een glazenmaker.In het water zwemmen twee glazenmakerslarven, die met hare lange onderlip een ander insekt aangrijpen. Rechts zit tegen den rietstengel eene larve, die reeds vleugelstompjes bezit, en die dus spoedig in een’ volwassen glazenmaker zal veranderen. Daartoe barst de larvehuid aan de rugzijde open; de glazenmaker kruipt er uit, en het leege huidje blijft aan den rietstengel zitten (zie den linkerkant van de figuur). Alles nat. gr.Eenevolledige gedaanteverwisselingdoorloopen: degaasvliegen, deschorpioenvliegen, dekokerjuffers. De gaasvliegen bezitten in den toestand van larve een paar zeer groote, doorboorde kaken, waarmee zij een ander insekt (meestal eene bladluis) aangrijpen, terwijl zij de lichaamssappen door de openingen in de kaken heen opslurpen. (Nuttig.) Tot de familie der gaasvliegen behoort ook de mierenleeuw (fig. 134), die als larve in een trechtervormig kuiltje in’t zand leeft, en verschillende insekten uitzuigt, welke in dit kuiltje vallen (vooral mieren).—De schorpioenvliegen dooden in de vluchtvele insekten.—De kokerjuffers leven als larven in ’t water, en wel in kokertjes, die zij uit plantendeelen, stukjes steen of schelpen samenstellen.Fig. 134. De mierenleeuw.Fig. 134. De mierenleeuw.A= volwassen insekt;B= larve (eigenlijke mierenleeuw):C= pop;C′= cocon, waaruit het volwassen dier te voorschijn is gekomen. (Alles nat. gr.)Orde Vliesvleugeligen.Bovenlip en bovenkaken niet verlengd (bl.131), de laatsten tot bijten ingericht. Onderkaken en onderlip in de lengte gegroeid, bij sommige soorten een’ soort van snuit vormend, geschikt om honig uit de bloesems te zuigen (fig. 135). Zijn deze laatstbedoelde monddeelen minder sterk verlengd, dan kunnen zij in ieder geval dienen voor ’t oplikken van lichaamssappen uit aangebeten dieren (mieren) of uit plantendeelen (wespen). De bovenkaken dienen om te bijten: ’t zij om houtdeelen stuk te maken, die voor ’t bouwen der nesten worden gebruikt (wespen), ’t zij om eene opening te maken in dieren of plantendeelen, waaruit zij daarna vocht oplikken (mieren, wespen), ’t zij om bloemdeelen door te bijten, om aldus bij de honigbakjes te komen (brombijen).—Vleugels alle vier vliezig, met weinig of zeer weinig nerven.—Gedaanteverwisseling volkomen (bl.134). Larven bij vele familiën madevormig, bij de bladwespen rupsvormig (bastaardrupsen).Fig. 135. Kop van de werkbij.Fig. 135. Kop van de werkbij.o= samengesteld oog;o′= enkelvoudig oogje:sp= sprietbl= bovenlip;bk= bovenkaak;ok= onderkaak;tg= tong (benedeneinde van de in de lengte gegroeide onderlip);ol-t= onderlipstaster. (Zeer vergroot.)Het wijfje bezit eene legboor, die van zeer verschillenden bouw kan zijn, en die bij onderscheiden soorten (graafwespen) niet slechtsvoor het eierleggen maar ook voor verdediging dient; bij andere soorten dient zij slechts voor ’t laatsbedoelde werk, en vindt het eierleggen plaats door de anale opening (bijen, wespen). De tot steekorgaan vervormde legboor wordt “angel” genoemd.—De bij andere insekten in ’t achterlijf aanwezige klieren, welke eene kleverige zelfstandigheid afscheiden, die tot vasthechting der eieren aan bladeren, enz. dient, zijn bij de angeldragende vliesvleugeligen tot giftklieren vervormd.Vele vliesvleugeligen (alle graaf-, sluip-, gal-, bladwespen, ook vele soorten van bijen en wespen) leven alleen; anderen (alle mieren, vele bijen en wespen) vormenstaten, welke soms uit duizenden individu’s bestaan. In deze staten grijpt altijd eene verdeeling van den arbeid plaats in zoover, dat men naast de mannelijke en vrouwelijkevoortplantingsdieren, die uitsluitend voor de voortplanting dienen, steeds onvruchtbarewerkdierenofarbeidstersvindt: vrouwelijke individu’s met voortplantingsorganen, die niet tot volkomen ontwikkeling zijn geraakt. Deze arbeidsters bouwen de woningen, kweeken de larven op en verdedigen den staat tegen den aanval van vreemde dieren; zij zijn dan ook in veel grooter aantal in elken staat aanwezig dan de voortplantingsindividu’s.—Familie der bijen.Zeer verlengde ondertong kaken en onderlip, waarmee honig uit de bloemen wordt gezogen. Lichaam plomper en meer behaard dan dat van de wespen. De pootlooze larven worden met stuifmeel of met een mengsel van stuifmeel en honig gevoed. Voor ’t vasthouden van het in de bloesems verzamelde stuifmeel dienen o. a. bij honigbijen en hommels de zeer verbreede scheenen der achterpooten en heteerste, bijzonder groote, lid van den voet dezer ledematen; vele andere bijen dragen aan den onderkant van het achterlijf stuifmeel mee.—De in staten levende bijen maken hare nesten van was (dat aan de buikzijde van de werkbijen inschilferszich afscheidt), van zandkorrels, hout of deelen van bladeren.Bij de bestuiving van vele gewassen spelen de bijen eene gewichtige rol. Zie hierover het deeltje over Plantkunde.De honigbij zal elders uitvoeriger worden behandeld.—Familie der wespen.Monddeelen als bij de bijen. Ook angeldragend. Slank, weinig of niet behaard. Voorvleugels in den rusttoestand overlangs opgevouwen.Fig. 136. Paardenwesp. (Nat. gr.)Fig. 136. Paardenwesp. (Nat. gr.)De in staten levende wespen maken hare nesten uit eene soort van papier, hetwelk zij bereiden door hout- of bastdeelen fijn te kauwen. De werkwespen zoowel als de mannetjes sterven tegen den winter; alleen de bevruchte koninginnen overwinteren, en wel onder mos, in holle boomen en op andere verscholen plaatsen. In ’t voorjaar begint iedere koningin met den bouw van een nest; tevens legt zij eieren en voedt zij de larven. Eerst later in ’t jaar wordt zij bij den nestbouw en bij het voederen der larven bijgestaan door de intusschen uitgekomen werkwespen. (Bij de bijen overwinteren ook de arbeidsters, en sterven tegen den winter alleen de mannetjes).Fig. 137.Fig. 137.Links: twee exemplaren van den rood en zwart gekleurden rupsendooder, het eene bezig eene rups te begraven. Rechts: een zwart en gele snuittordooder. (Alles nat. gr.)Vele wespen maken hare nesten in den grond; de landbouwerloopt kans, dat hij zulke nesten bij ’t ploegen vernielt en dat hijen zijn paard dan door honderden wespen worden aangevallen. Vele wespensteken tegelijk kunnen doodelijk werken. (Middelen: afkoelende stoffen als geschaafde wortels of appels, koolbladeren;—inwrijven met salmiak;—een compres met loodazijn).—Familie graafwespen.Sommige soorten lijken zeer veel op gewone wespen; maar zij hebben de voorvleugels niet overlangs samengevouwen. De graafwespen vormen geene staten. Het wijfje graaft een gat in den grond, waarin zij een ei legt. Daarbij begraaft zij een insekt, ’t welk tot voeding dient voor de te voorschijn komende larve. Opdat het te begraven insekt geen weerstand biede, maar ook niet in rotting overga, brengt de graafwesp het vooraf in een’ toestand, waarin het geene willekeurige bewegingen kan uitvoeren. Tot dit doel steken de meeste soorten het gevangen insekt met den angel in ’t lichaam en verwonden daarbij de zenuwknoopen (zie bl.129); daardoor wordt het wel niet gedood, maar toch zoo goed als onbewegelijk.—Sommige graafwespen begraven rupsen (derupsendooder), anderen snuittorren (desnuittordooder), weer anderen vliegen (devliegendooder). Dat aldus vele soorten nuttig zijn, behoeft geen nader betoog (fig. 137).—Familie mieren.Zeer groote bovenkaken; onderkaken en onderlip niet snuitvormig verlengd. Arbeidsters ongevleugeld; de mannetjes en vruchtbare wijfjes hebben vleugels. Achterlijf met het borststuk verbonden door een steeltje. Alle vrouwelijke mieren, ook de arbeidsters, hebben giftklieren; sommige soorten hebben een’ angel en steken op de wijze der bijen en wespen. Andere soorten echter missen den angel (bijv. de roode boschmier); deze bijten den vijand met de bovenkaken eene opening in de huid, krommen vervolgens het achterlijf en spuiten het vergift in de wonde.Alle soorten van mieren vormen staten. Gedurende ’t grootste gedeelte des jaars vindt men in een mierennest slechts arbeidsters, larven en poppen; de voortplantingsdieren verschijnen in den zomer, en zijn vóór de intrede van het koude jaargetijde weer verdwenen. Op een’ zonnigen dag vliegen zij in grooten getale uit. De bevruchte wijfjes laten zich op den bodem vallen en verliezen de vleugels, ’t zij dat zij ze zich zelven uittrekken of dat zij haarworden uitgetrokken door de arbeidsters, welke hen naar haar nest meenemen, waar het eierleggen begint. De poppen van vele soorten zijn in eene cocon besloten; deze ingesponnen poppen worden dikwijls onder den naam van “miereneieren” als vogelvoer gebruikt.—De mierennesten bestaan uit dennenaalden of kleine takjes (roode boschmier), of zij worden in het inwendige van boomstammen (houtmieren) of in den grond (weidemier) aangelegd.Door het omwoelen van den bodem worden sommige soorten schadelijk; andere soorten echter doen nut door het dooden van rupsen en andere schadelijke insekten. De mieren houden veel van allerlei zoete stoffen; vooral likken zij gaarne het zoete vocht op, dat de bladluizen uit hare aarsopening afscheiden. Zij strijken de bladluizen met hare sprieten over het achterlijf om de afzondering van dit vocht te bevorderen. Het gebeurt zelfs dat de mieren ze naar plantendeelen overbrengen, waar ze het best gedijen en dat zij ze, telkens wanneer deze plantendeelen uitgezogen zijn en beginnen te verslappen, weer naar andere plantendeelen transporteeren. Soms houden zij de bladluizen in onderaardsche nesten, waar deze aan plan ten wortels zuigen.—Fig. 138.Fig. 138.De sluipwespMicrogaster glomeratus;A= eene koolrups, waaruit de larven te voorschijn komen;B= hoopje cocons; een paar larven hebben zich nog niet ingesponnen;C= volwassen wesp. (A en B iets, C veel vergroot.)Familie sluipwespen.De sluipwespen leggen hare eieren in larven of poppen van insekten; hare larven leven daar van het reservevoedsel, ’t welk deze in haar lichaam hebben opgehoopt (zie bl.136);eerst wanneer zij bijkans volwassen zijn en op ’t punt van te verpoppen, verlaten zij het insekt, waarin zij huisden,—of wel zij verpoppen binnen dit insekt en komen later als volwassen sluipwesp naar buiten. In ieder geval veroorzaken zij den dood van het door hen bewoonde insekt.—Van sommige soorten leeft ééne larve, van anderen verscheiden larven in ééne insektenlarve of ééne pop. Fig. 138, A geeft eene afbeelding van eene koolrups, waaruit eene menigte sluipwesplarven naar buiten kruipen, die buiten de rups zich in eene geelachtige cocon inspinnen. De sluipwesp, welke daaruit later te voorschijn komt, is in C afgebeeld.—Eene sluipwespsoort kan slechts dàn zich sterk vermeerderen, wanneer het insekt, waarin zij woekert, in groot getal aanwezig is. Sluipwespen kunnen er dus niet veel toe bijdragen, eene insektenplaag te voorkomen, maar wèl om haar te doen ophouden.—Familie bladwespen.Lichaamsbouw gedrongen; het nooit zeer lange achterlijf begint niet, als bij de tot dusver behandelde vliesvleugeligen, met een smal gedeelte: het “dunne middeltje” der wespen ontbreekt. De legboor, die als zij niet wordt gebruikt, in het achterlijf is ingetrokken, heeft den vorm van eene zaag; zij dient om a. h. w. putjes in bladeren of andere plantendeelen te zagen, in welke de eieren worden gelegd. De larven zijn “bastaardrupsen” (zie bl.138); deze dieren, die als gewone rupsen bladeren eten, buigen in rust gaarne haar lichaamC-vormiginéén; sommigen heffen, als zij worden verontrust, plotseling haar achterlijf omhoog en buigen het over den kop heen naar voren.—Als de bastaardrupsen volwassen zijn, spinnen zij zich, ’t zij aan de planten, waarop zij leefden, ’t zij in den grond, eene ovale cocon.—Voorbeelden: knollenbladwesp, bessenbladwesp (fig. 124), dennenbladwesp.Orde Vlinders of Schubvleugeligen.Fig. 139.Fig. 139.’t Lichaam van een’ vlinder, van terzijde gezien,f= kop;a= (gekamde) spriet;h= oog;g= roltong, aan weerszijden waarvan men de omhoog stekende onderliptastershziet;k= borststuk:pqrs= poot;n= achterlijf.Monddeelen zuigend. Terwijl de verdere kaken zeer klein zijn gebleven, zijn de twee onderkaken zeer in de lengte gegroeid en vormen deze met elkaar eene spiraalvormig inéénrolbare buis, die “roltong” wordt genoemd (fig. 139,g), en waarmee honig uit de bloesemswordt opgenomen (fig. 140). De vleugels zijn alle vier vliezig en met eigenaardige schubbetjes (fig. 141), bezet, die oorzaak zijn van de soms zeer sprekende, soms meer doffe kleuren.—Gedaanteverwisseling volkomen (bl.134). De larven zijn rupsen (zie bl.137), de poppen zijn bedekt (bl.138).—Familie dagvlinders(fig. 119). Lichaam slank en dun. Vleugels breed, in den rusttoestand omhoog geslagen, zoodat hunne rugvlakten tegen elkaar komen. Sprieten aan hun uiteinde knotsvormig verdikt.—De rupsen van de meeste soorten zijn weinig behaard; enkele met harde dorentjes bekleed.—Poppen naakt, hoekig.—Voorbeelden: Koolwitjes (fig. 119), koninginnepage, dagpauwoog.—Fig. 140. Een avondvlinder, met uitgestoken roltong. (Nat. gr.)Fig. 140. Een avondvlinder, met uitgestoken roltong. (Nat. gr.)Fig. 141. Schubbekleeding van een’ vlindervleugel. (Veel vergr.)Fig. 141. Schubbekleeding van een’ vlindervleugel. (Veel vergr.)Familie pijlstaartvlindersofavondvlinders(fig. 140). Lichaamforsch maar niet plomp. Vleugels lang en smal.—Rupsen onbehaard, doorgaans een horen op het laatste lid van ’t achterlijf “pijlstaartrupsen”,fig. 114).—Verpopping in den grond; geene cocon. Voorbeelden: dennenpijlstaart, doodshoofduil.—Fig. 142. De ringelrups.Fig. 142. De ringelrups.Links boven: mannetje; rechts boven: wijfje;beneden: eieren, rups en pop in cocon. (Alles nat. gr.)Familie spinners(fig. 142, 120). Plomp, zeer behaard. Sprieten bij de mannetjes van kamvormige aanhangselen voorzien; bij de wijfjes ontbreken deze aanhangselen of zij zijn klein. Hoewel de vleugels bij de meeste soorten vrij groot zijn, vliegen alleen de mannetjes flink. De wijfjes verwijderen zich doorgaans niet ver van de plaats, waar zij uit de pop zijn gekomen. Zij leggen dus de eieren dicht bij elkaar: veelal in hoopen tegen boomstammen aan of in reten van de schors, de ringelrupsvlinder in een’ ring rondom een twijgje (fig. 142).—De rupsen, die bij vele soorten behaard zijn, leven dus in den aanvang in elkaars nabijheid; dikwijls spinnen zij een nest,waarin zij òf altijd (processierups) òf gedurende het eerste gedeelte van haar leven (ringelrups, bastaardsatijnvlinder) blijven.—De rupsen van de meeste soorten spinnen eene cocon, waarbinnen zij verpoppen (zijderups, ringelrups, bastaardsatijnvlinder); anderen spinnen slechts een weefsel van draden, tusschen welke de pop duidelijk zichtbaar is (nonvlinder, plakker). Voor hout- en ooftboomteelt zijn vele soorten schadelijk, voor den akkerbouw geen enkele soort.—Fig. 143. Gedaanteverwisseling van eene aardrups. (Nat. gr.)Fig. 143. Gedaanteverwisseling van eene aardrups. (Nat. gr.)Familie uilen(fig. 143). Een stevig, maar slank, glad behaard lichaam. Vleugels flink ontwikkeld, vooral de voorvleugels niet bijzonder breed. De uilen vliegen snel, dikwijls over dag, hoewel zij slechts bij nacht hare eieren leggen; verreweg de meeste soorten doen dit aan kruidachtige gewassen, en zij leggen meestal ieder eitje afzonderlijk.—Rupsen gewoonlijk onbehaard. Poppen doorgaans in den grond; geene cocon.—Vele soorten zijn voor den akkerbouw en den tuinbouw schadelijk (kooluil, grasrups, aardrups, gammarups), slechts enkele nadeelig voor de houtteelt (gestreepte dennenrups).—Familie spanrupsvlinders(fig. 144). Vlinders slank en dun van lijf, met groote, breede vleugels. Veelal traag. Van enkele soorten hebben de wijfjes geene (fig. 144,b) of slechts zeer kleine, voor ’t vliegen onbruikbare vleugels. Gelijken op dagvlinders; maar nooit knotsvormige sprieten.—De rupsen zijn “spanrupsen” (zie bl.138). Tot deze familie behooren de bessenspanrups en de voor de ooftboomteelt zoo schadelijke wintervlinders (fig. 144).—Fig. 144.Fig. 144.De groote wintervlinder: a = mannetje; b = wijfje; c = rups. (Nat. gr.)Fig. 145. De “worm” in de pruimen. (Nat. gr.)Fig. 145. De “worm” in de pruimen. (Nat. gr.)Familie bladrollers(fig. 145). Kleine vlindertjes met goed ontwikkelde vleugels. De rupsen leven in inééngerolde bladeren (van dáár de naam!), in ’t inwendige van vruchten (de rups in de “wormstekige”appelen en die in de “wormstekige” pruimen) of van twijgen (dennenlotrups).—Fig. 146.Fig. 146.a,b= twee soorten van kleermotten;d= de rups vanb;c= dezelfde, besloten in haren uit wolhaartjes vervaardigden zak. (Alles vergroot.)Familie motten(fig. 146). Zeer kleine vlindertjes met zeer smalle vleugeltjes, door een’ franjezoom omgeven. Sommige soorten voeden zich met bladeren (“spinselmotten” in appelboomen en meidorens); anderen leven van gezolderd graan (korenmot); weer anderen van haren (kleer- en tapijtmotten) en andere doode zelfstandigheden.Orde Halfvleugeligen.Fig. 147.Fig.147.Monddeelen van eene wants:b.l.= bovenlip;b.k.= bovenkaken;o.k.= onderkaken;o.l.= onderlip. (Zeer vergroot.)De monddeelen zijn tot steken en zuigen ingericht; zij vormen alles te zamen een’ zuigsnuit. Deze (fig. 147) bestaat uit een’ geleden koker (onderlip), waarbinnen twee paar stekels gelegen zijn (de bovenkaken en de onderkaken), die aan hun uiteinde van tandjes zijn voorzien, met behulp van welke een gaatje in een plantendeel of in de huid van een insekt wordt gemaakt. Ook de bovenlip is in de lengte gegroeid.—Bij vele soorten van halfvleugeligen (land- en waterwantsen) zijn de voorvleugels voor een gedeelte leerachtig en taai, terwijl de buitenrand ervan evenals de achtervleugels vliezig is (fig. 148). Bij andere soorten (gevleugelde bladluizen,fig. 149) zijn voor- en achtervleugels beiden vliezig en van weinig nerven voorzien. Sommige soorten (weegluis, ongevleugelde bladluizen) hebben in ’t geheel geene vleugels.—Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl.134).Tot de halfvleugeligen behooren o. a. deweegluis, deframbozenwants(die op kersen, aalbessen, frambozen leeft en aan deze vruchtenharen afschuwelijken reuk meedeelt), verschillende soorten vanwaterwantsen(als de waterschorpioen, het bootsmannetje en de waterloopers); eindelijk debladluizenen deschildluizen.—Fig. 148. Voor- en achtervleugel van de frambozenwants. (Iets vergr.)Fig. 148. Voor- en achtervleugel van de frambozenwants. (Iets vergr.)Debladluizen(fig. 149) hebben lange sprieten, dunne pooten en een’ langen, dunnen zuigsnuit. Bij de zelfde soort vindt men gevleugelde en ongevleugelde exemplaren. In den herfst zijn er mannelijke en vrouwelijke dieren; de laatsten leggen vóór den winter de eieren, welke bestemd zijn om te overwinteren. De bladluizen, die in ’t volgende voorjaar uit deze eieren te voorschijn komen, zijn allen wijfjes, die echter zonder voorafgaande bevruchting jongen ter wereld brengen, welke reeds dadelijk na de geboorte de kiemen van eene nieuwe generatie in zich bevatten. Het aantal jongen, door één wijfje ter wereld gebracht, en het aantal in één jaar elkander opvolgende geslachten is bij verschillende soorten zeer ongelijk. Er zijn soorten, bij welke een wijfje 80 tot 100 jongen voortbrengt, terwijl per jaar 9 tot 12 of meer generatiën elkaar opvolgen. In den herfst zijn er weer mannetjes en eierleggende wijfjes.—Daar de bladluizen gedurende haar gansche leven plantensappen zuigen, kunnen zij door haar buitengewoon sterk voortplantingsvermogen zeer schadelijk worden. Terwijl zij uit stengels en bladeren de sappen opzuigen, welke deze anders zelven voor den groei en de bloem- en vruchtvorming zouden hebben gebruikt, brengen zij hare jongen voort, die in deonmiddellijkenabijheid der moeder den zuigsnuit in het zelfde plantendeel inboren, en spoedig zelven beginnen zich voort te planten. Op deze wijze ontstaan bladluiskoloniën, die dikwijls uit honderdenstuks bestaan. Een op deze wijze aangetast plantendeel schrompelt inéén; maar nu zouden ook de daarop zittende bladluizen sterven; vóór ’t echter zoover is gekomen, zijn verscheiden exemplaren verhuisd. De derde generatie nl. bestaat gewoonlijk niet alleen uit ongevleugelde bladluizen, maar ten deele ook uit exemplaren, die na eenige vervellingen te hebben doorloopen, vleugels hebben gekregen; deze vliegen weg, zetten zich op eene andere plant neer en worden daar de stammoeders van nieuwe koloniën. Ook latere generatiën bestaan deels uit gevleugelde, deels uit ongevleugelde exemplaren.—Zoowel doordat de bladluizen vele vijanden hebben (spreeuwen, musschen, grasmusschen, enz., lievenheersbeestjes en hunne larven, gaasvlieglarven, zweegvlieglarven), als doordat zij door wind en regen soms in massa’s gedood worden, komen zij slechts nu en dan, bepaaldelijk in droge zomers, in zóó groote scharen voor, dat zij de door haar bewoonde gewassen zoodanig beschadigen, dat de oogst er erg onder lijdt. Niet slechts door saponttrekking schaden zij den planten; ook doordat zij uit de aarsopening eene suikerhoudende, klevende vloeistof (“honigdauw”) van zich geven, welke, als zij in kleine druppels op bladeren neervalt, een gedeelte van de huidmondjes der bladeren sluit en aldus de werkzaamheid van deze vermindert. Ook hechten zich op de met honigdauw bedekte plantendeelen gemakkelijk sporen van zwammen vast, welke door de lucht werden voortbewogen; zoo kan de honigdauw de voorlooper zijn van “roetdauw”, “het zwart” en van andere door zwammen veroorzaakte plantenziekten.—Fig. 149. Eene gevleugelde en eene ongevleugelde erwtenbladluis. (Zeer vergr.)Fig. 149. Eene gevleugelde en eene ongevleugelde erwtenbladluis. (Zeer vergr.)Deschildluizenzijn alleen in hare eerste jeugd in het bezit vanpootjes, en dus in staat zich te verplaatsen. Weldra zuigen de larfjes zich met haren snuit aan een’ twijg, een’ tak of een’ stam, bij uitzondering ook wel aan een blad of eene vrucht, vast. Dan ondergaan zij eene vervelling, waarbij zij hare pooten verliezen; ook wordt doorgaans haar lichaam aan den rugkant met een schild bedekt, dat bij sommige soorten als eene vervorming van de huid moet worden beschouwd, bij de meeste soorten echter uit eene waslaag bestaat, welke de huid afzondert. Het mannetje ontwikkelt zich onder zoo’n schild tot een van pooten en meestal ook van één paar vleugels voorzien diertje, dat zich in den volwassen staat over grootere of kleinere afstanden voortbeweegt. Het wijfje blijft haar geheele leven lang pootloos en onder het schild verscholen; als het gestorven is, blijft het schild de eieren bedekken, waardoor deze tegen winterkoude en regen beschut zijn. De mannetjes zijn veel kleiner dan de wijfjes. Voor den eigenlijken landbouw hebben de schildluizen geen beteekenis, maar op houtachtige gewassen en struiken (ooftboomen, wijnstok) vindt men vele schadelijke soorten.Orde Blaaspooten.Fig. 150. De graanblaaspoot. (Zeer sterk vergr.)Fig. 150. De graanblaaspoot. (Zeer sterk vergr.)Zeer kleine insekten met een’ eigenaardigen kaaktoestel, waarmee zij de opperhuid van bladeren en bloemdeelen verwonden en deze deelen tevens uitzuigen.—De vier smalle vleugels hebben lange franje aan de randen; de voorvleugels zijn harder dan de achtervleugels. De uiteinden der pootjes dragen geene klauwen, maar blaasjes, die als zuignappen dienst doen.—Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl.134).—In sommige jaren vermeerdert zich de eene of andere soort zeer sterk; dan vliegen zij—vooral op zeer warme dagen—in grooten getale in zwermen rond.—Verschillende soorten zijn er bekend, die aan graanbloesems, aan jonge boonenplanten, aan vlasplanten, enz. schadelijk zijn.Orde Tweevleugeligen.Monddeelen in de lengte gegroeid, òf alleen tot zuigen (kamervlieg, vleeschvlieg, horzels, parasietvliegen) òf tot steken en zuigen (steekmuggen, dazen) ingericht.—Alleen de voorvleugels zijn ontwikkeld, de achtervleugels zijn gewoonlijk door een paar kleine, kolfvormige lichaampjes vervangen (fig. 151).—Gedaanteverwisseling volkomen (bl.134). Larven altijd pootloos; de meesten hebben geen’ duidelijk zichtbaren kop (maden); maar de kopdragende larven van de insekten dezer orde hebben bijtende monddeelen. Deze laatsten veranderen in bedekte poppen (bl.138); de koplooze maden verpoppen binnen hare eigen larvenhuid.Fig. 151.Fig. 151.De langpootmug: Boven rechts de vrouwelijke, boven links de mannelijke vlieg. Daaronder made (“emelt”) en pop. (Alles nat. gr.)Familie der muggen(fig. 151). Lange, dunne sprieten; lange, dunne pooten; lichaam slank en dun. Van sommige soorten (steekmuggen,krieuwelmugjes) steken de wijfjes mensch en vee; de mannetjes zuigen geen bloed maar slechts dauw of andere druppeltjes vocht, welke zich op planten bevinden. Van andere soorten steken nochde wijfjes noch de mannetjes (galmuggen,langpootmuggen). Van de zoo lastige steek- en krieuwelmuggen leven de larven in stilstaand water; vandaar dat zij in vochtige jaren en in laaggelegen, slecht afwaterende streken ’t meest voorkomen.—Van de langpootmuggen leven de grauwe larven (“emelten” of “grauwe wormen”) òf in halfvergane organische stoffen òf op bouw- en weiland, van de wortels van grassen en granen. De soorten, welke ’t laatste doen, zijn schadelijk (fig. 151.)—Galmuggen zijn klein, de meeste soorten slechts 1 à 3 mM. lang; de vleugels zijn vrij breed, behaard, de pooten en sprieten lang; de laatsten bestaan uit een zeer groot aantal leedjes, die op hun midden behaard zijn. Het wijfje heeft eene legboor, waarmee zij hare eitjes in plantendeelen legt. Doorgaans ontstaat op de plaats, waar het eitje gelegd is, eene opzwelling van het plantendeel: soms een ware gal (beukengalmug), soms eene zeer kleine opzwelling, gepaard met abnormalen groei der aangrenzende deelen. Tot de schadelijke galmuggen behooren o. a. de gele tarwegalmug, de Hessische mug, de erwten- en de koolzaadgalmug.—Fig. 152.Fig. 152.Links: goudoogdaas; daaronder de larve van de runderdaas, die aan den rechterkant is afgebeeld. (Nat. gr.)Defamilie der dazenofbremsenbestaat uit groote of middelmatig groote vliegen met een stevig gebouwd lichaam, een’ flink gebouwden kop, een plat achterlijf en stevige pooten. De wijfjes zuigen bloed en worden door hare steken lastig voor mensch en dier. De larven leven in den grond en zijn onschadelijk.—Paardendaas, runderdaas, regendaas, goudoogdaas.—Defamilie der roofvliegenzijn meer slank en dun dan de dazen,met welke zij overigens den stevigen bouw en de flinke pooten gemeen hebben. Zij dooden vele insekten, die zij uitzuigen; den mensch en de huisdieren laten zij met rust.—Familie zweefvliegen.Stevig gebouwd, vrij breed. Meerendeels levendig gekleurd, met zwarte en gele banden op het achterlijf. Zij houden zich soms een’ tijd lang op eene bepaalde plaats in de lucht staande of zwevende, waarbij zij de vleugels zeer snel op en neer slaan. De larven van enkele soorten leven in bollen van planten (uienzweefvlieg, narcisvlieg); die van andere soorten in vuil water (“gootmaden”); de meesten echter leven op bladeren te midden van bladluizen, die zij uitzuigen.—Ware vliegenhebben een’ zuigsnuit, niet geschikt om te steken. In hoofdzaken komen zij met dezwarte kamervliegin bouw overeen. Behalve deze laatste, welker made in mest leeft, behooren tot deze familie: deblauwe bromvliegen devleeschvlieg, welker maden in gekookt of rauw vleesch leven,—deschapenvlieg, die als made in de huid en in de daaronder gelegen deelen van ’t schaap parasiteert,—debloemvliegen, welker maden òf in mest òf in planten leven (bijv. koolvlieg, uienvlieg, bietenvlieg),—degroenoogen, die als made in grasachtige gewassen parasiteeren (halmvlieg, fritvlieg),—deparasietvliegen, welker maden zich in levende rupsen ontwikkelen, en die in de huishouding der natuur dezelfde rol spelen als de sluipwespen (zie bl.153),—dehorzels(fig. 123), die als made in de maag of den darm (paardenhorzel), in de neusholte (schapenhorzel) of onder de huid (runderhorzel) van verschillende dieren parasiteeren.—Luisvliegen.Lichaam plat; huid leerachtig, taai. Kromgebogen voorpooten, geschikt voor ’t klauteren in de haren van de dieren, waarop zij parasitisch leven en welker bloed zij zuigen. Sommige soorten (paardenluisvlieg) hebben twee vleugels; andere zijn ongevleugeld en lijken dan zeer veel op luizen (de zoogenaamde “schapenluis” of “schapenteek”, die eigenlijkschapenluisvliegmoet worden genoemd, daar er bovendien eene ware schapenluis en eene ware schapenteek bestaan). Niet slechts komt bij de luisvliegen de made reeds binnen het moederlichaam uit het ei te voorschijn (dit isook bij enkele andere insekten ’t geval, o. a. bij de schapenhorzel en bij de grauwe vleeschvlieg!); maar de enkele made, die tot ontwikkeling komt, wordt volwassen geboren en verpoptonmiddellijkna hare geboorte. Terwijl de meeste insekten slechts éénmaal zich voortplanten en daarna sterven, herhaalt zich de voortplanting bij de luisvliegen. Telkens verlaat zoo’n insekt, om eene made ter wereld te brengen, het dier, waarop het leeft; de made wordt dan in eene reet tusschen planken, in een gaatje in den grond of op eene andere beschutte plaats geboren.Orde Vlooien.Fig. 153.Fig. 153.Gewone vloo: 1 = volwassen insekt, 2 = larve, 3 = pop. (Zeer vergr.)Ongevleugeld. In de lengte gegroeide monddeelen, geschikt om te steken en bloed te zuigen. Geen vleugels. Springpooten. Eene volkomen gedaanteverwisseling (bl.134): larve met een’ duidelijken kop, maar pootloos; pop onbedekt. De larve van de gewonemenschenvlooleeft in de reten van den vloer of op eene andere verscholen plaats. De vlooien zijn tijdelijke parasieten.Orde Luizen.Lichaam plat, ongevleugeld. Monddeelen op een snuitvormig aanhangsel gezeten; de monddeelen zelve echter zijn zuigend (ware luizen, die bloed zuigen) of bijtend (vacht-ofhaarluizen, die stukjes haar ofhuidschilferseten). De luizen hebben kleine enkelvoudige oogjes of zijn geheel blind. Voorpooten gekromd, geschikt om ermee door haren te klauteren. Geene gedaanteverwisseling.Orde Spring- en Franjestaarten.Kleine, ongevleugelde, met schubbetjes of haartjes bedekte insekten, met bijtende monddeelen. Geene gedaanteverwisseling. Aan het uiteinde van ’t achterlijf òf draadvormige aanhangselen (franjestaarten) òf een gaffelvormig verdeelde staart, die langs de buikzijde van het lichaam naar voren wordt gestoken en voor ’t springen gebruikt wordt (springstaarten).—Tot de franjestaarten behoort o. a. desuikergast; tot de springstaarten behooren de geslachtenPodura,Smynthurus, enz.
Ademhaling door luchtbuizen (zie boven).—De leden zijn tot drie lichaamsafdeelingen vereenigd:kop,borststukenachterlijf(fig. 116). Aan den kop, die de oogen, de voelhorens of sprieten en de kaken draagt, laten zich de verschillende leden, die hem samenstellen, niet meer onderscheiden. Het borststuk bestaat uit drie leden (fig. 116, B1, B2, B3), van welke het eerste (’t voorborststuk) een paar pooten, en het tweede (’t middenborststuk) zoowel als het derde (’t achterborststuk) een paar pooten en een paar vleugels draagt. Het achterlijf bestaat niet bij alle insekten uit een gelijk getal leden; er zijn aan dit lichaamsdeel geene pooten bevestigd.—De bovenvermelde drie lichaamsafdeelingen verrichten verschillende functiën: de kop dient vooral voor de gewaarwording en de spijsopneming, het borststuk voor de beweging; het achterlijf bevat hoofdzakelijk de organen voor voeding en voortplanting.
Fig. 116. Meikever, uit elkander genomen.Fig. 116. Meikever, uit elkander genomen.A = kop; hieraan: s = spriet; o = oog; l = bovenlip; p = taster v. d. onderkaak.—B1= voorborststuk; B2= middenborststuk; B3= achterborststuk. Aan de pooten: d = dij; s = scheen; v = voet. Aan B2: s = schildje; E = dekschild. In de vleugels worden de aders door getallen aangeduid;aena1zijn gewrichten in deze aders.—C = achterlijf; hieraan: s1-s6= de stigma’s of ademhalingsopeningen.
Fig. 116. Meikever, uit elkander genomen.
A = kop; hieraan: s = spriet; o = oog; l = bovenlip; p = taster v. d. onderkaak.—B1= voorborststuk; B2= middenborststuk; B3= achterborststuk. Aan de pooten: d = dij; s = scheen; v = voet. Aan B2: s = schildje; E = dekschild. In de vleugels worden de aders door getallen aangeduid;aena1zijn gewrichten in deze aders.—C = achterlijf; hieraan: s1-s6= de stigma’s of ademhalingsopeningen.
Bijkans alle insekten hebben in den volwassen toestand aan iederen kant des kops een “samengesteld” oog, d. i. een oog, ’t welk uit een groot aantal (tot 10.000) kleine oogjes is samengesteld. Bovendien vindt men bij verschillende insekten nog enkele “enkelvoudige” oogen boven op den kop.—De sprieten bestaan uit leden; overigens zijn zij bij de onderscheiden insekten zeer ongelijk; zij dienen voor het tastgevoel.—De monddeelen bestaan uit drie paar kaken, van welke het eerste paar (debovenkaken, fig. 117,Bov.k.) en het tweede paar (deonderkaken,O.k.) zich vrij naar elkaar toe en van elkaar af kunnen bewegen, terwijlde kaken van het derde paar aan elkaar tot een stuk vergroeid zijn, ’t welk de “onderlip” (O.l)] heet. Eene voortzetting van de huidbekleeding des kops (de “bovenlip”,Bl.) steekt meer of min als een afdak over de drie bovengenoemde paren kaken uit. Bij de insekten, welke vaste spijs opnemen en deze verscheuren of fijn kauwen, zijn de kaken kort en scherp; men noemt ze “bijtende monddeelen”. Bij die, welke vloeibare spijs (bloed, plantensappen) opnemen, zijn zij zeer in de lengte gegroeid en tot likken, zuigen of steken ingericht (verlengde monddeelen).
Depootender insekten (fig. 118) bestaan uit onderscheiden deelen, die grootendeels genoemdzijn naar de deelen van een’ zoogdierpoot; toch is natuurlijk de overeenkomst tusschen de ledematen van insekten en zoogdieren niet dan geheel oppervlakkig. Men onderscheidt dan aan een’ insektenpoot de volgende deelen: 1º. het gewoonlijk zeer korteheuplid, 2º. den insgelijks zeer kortendijring, 3º. de langwerpigedij, 4º. de aan haar uiteinde met bewegelijke stekeltjes bezettescheen, 5º. den uit 3 tot 5 leedjes bestaandenvoet. Het laatste lid van den voet is vanklauwen, soms vanzuignapjesvoorzien.—Devleugels(fig. 116) zijn eigenlijk huiduitbreidingen, welke uit twee lagen bestaan. Tusschen de bovenste en de onderste huidplaat van den vleugel bevinden zich luchtbuizen. In den eersten tijd, dat het insekt vleugels heeft (in den poptoestand), zijn dezeinééngeplooid; maar door het inpersen van lucht in de luchtbuizen der vleugels zetten zich, bij het pas uit de pop gekomen insekt, de luchtbuizen en daarmee de vleugels uit, en dat wel in korten tijd. Daarna zet zich zeer spoedig eene vaste zelfstandigheid om de grootsten der luchtbuizen af; op deze wijze worden de laatsten tot “aderen” of “nerven”, welke den vleugels stevigheid verleenen. Bijde kevers zijn de voorvleugels geheel en al hard en meer tot bescherming van de achtervleugels en van het teere achterlijf, dan tot vliegen geschikt. Bij vele insekten is één paar vleugels in den rusttoestand samengevouwen; dit kan met de voorvleugels (bijv. bij de wespen) of met de achtervleugels (bijv. met de kevers en sprinkhanen) ’t geval zijn.
Fig. 117.Fig. 117.Boven: Kop van den spinnenden waterkever, van de rugzijde gezien. Beneden: id. van beneden gezien. In beide figuren is:o= oog;sp= spriet;Bl= bovenlip;Bov.k= bovenkaak;O.k= onderkaak;t′= taster van deze;O.l= onderlip;t= taster van deze.
Fig. 117.
Boven: Kop van den spinnenden waterkever, van de rugzijde gezien. Beneden: id. van beneden gezien. In beide figuren is:o= oog;sp= spriet;Bl= bovenlip;Bov.k= bovenkaak;O.k= onderkaak;t′= taster van deze;O.l= onderlip;t= taster van deze.
Het achterlijf draagt slechts bij de rupsen en bij enkele andere insekten in den nog onvolwassen toestand bewegingswerktuigen, welke echter niet geleed zijn; zij zijn dus ongelede “achterlijfspooten”, in tegenstelling met de gelede “borstpooten” (fig. 114). Bij de volwassen insekten vindt men soms draadvormige (veenmol) of tangvormige (oorworm) aanhangselen aan het laatste lid van ’t achterlijf; ook draagt het achterlijf eenelegboorbij zulke insekten, welke hunne eieren in een bepaald voorwerp (den grond, hout, bladeren, andere dieren) leggen.—
Fig. 118.Fig. 118.Poot van een’ loopkever;h= heup;dr= dijring;d= dij;s= scheen;v= voet, uit vijf leden bestaande.
Fig. 118.
Poot van een’ loopkever;h= heup;dr= dijring;d= dij;s= scheen;v= voet, uit vijf leden bestaande.
De meeste insekten hebben een zeer sterk voortplantingsvermogen. Enkele soorten (vleeschvlieg, schapenluisvlieg) brengen levende jongen ter wereld, maar verreweg de meesten leggen eieren. Uit deze eieren komen in enkele gevallen dieren te voorschijn, die reeds volkomen op hunne ouders gelijken (luizen); verreweg de meeste insekten echter ontwikkelen zich metgedaanteverwisselingofmetamorphose; d. i. zij treden reeds in hunnen allereersten ontwikkelingstoestand zelfstandig op en zorgen dan reeds zelven voor hun voedsel. Daardoor behoeft het ei niet (zooals bij de vogels en kruipende dieren) groote hoeveelheden voedende stoffen te bevatten; de eieren kunnen dus veel kleiner zijn, en er kunnen tegelijk meer van worden voortgebracht. De gedaanteverwisseling maakt dus dat de voortplanting sterker kan zijn dan anders mogelijk zou wezen. Het meerendeel der insekten, zwakke diersoorten als zij zijn en zeer gevoelig voor minder gunstige uitwendige invloeden, moet zich dan ook wel sterk voortplanten; deden zij dit niet, dan zouden zij spoedig uitsterven.Maar de sterke vermeerdering is dan ook weer, als de uitwendige omstandigheden eens bij uitzonderingnietongunstig zijn, oorzaak van dat verschijnen in massa’s, ’t welk bij vele insekten voorkomt (rupsen, sprinkhanen), en dat bij plantenetende soorten maar al te vaak groote schade aan onze gewassen berokkent.
Fig. 119.Fig. 119.Het groote koolwitje: rups; pop; mannelijke vlinder zittend; vrouwelijke vlinder vliegend. (Nat. gr.)
Fig. 119.
Het groote koolwitje: rups; pop; mannelijke vlinder zittend; vrouwelijke vlinder vliegend. (Nat. gr.)
Men onderscheidt twee soorten van gedaanteverwisseling: devolkomeneen deonvolkomene. Volkomen noemt men haar als het insekt eenen poptoestand doorleeft, d. i. eenen toestand, waarin het geen voedsel opneemt en zich gewoonlijk weinig beweegt;—onvolkomen noemt men de metamorphose, wanneer zoodanige poptoestand niet wordt doorleefd, en het insekt dus alleen bij de verschillende vervellingen langzamerhand eenigszins van gedaante verandert.—Het woord “vervelling” dien ik hier nog nader teverklaren. De huidbekleeding der Gelede dieren bestaat uit harde stukken, die zich niet kunnen uitzetten. Aan het einde van eene bepaalde levensperiode worden de harde lagen der huid afgestroopt, en het insekt komt voor den dag met eene teere huid, die voor uitzetting vatbaar is en dus aan den groei geen hindernis in den weg legt. Langzamerhand wordt ook deze nieuwe huid weer harder.
Fig. 120.Fig. 120.Gedaanteverwisseling van de zijderups:a= rups;b= cocon;c= de daarin verscholen pop;d= vlinder, eieren leggende. (Nat. gr.)
Fig. 120.
Gedaanteverwisseling van de zijderups:a= rups;b= cocon;c= de daarin verscholen pop;d= vlinder, eieren leggende. (Nat. gr.)
Bij de insekten met onvolkomen gedaanteverwisseling verandert de vorm van het insekt bij iedere vervelling eenigszins, en wordt hij telkens meer aan dien van het volwassen insekt gelijk; bij de voorlaatste vervelling komen kleine “vleugelstompjes”, of liever “vleugelscheeden” (fig. 133, in het water, links) te voorschijn, binnen welke de vleugels zelve in samengeplooiden toestand zich vormen. Ook de legboor van de vrouwelijke insekten komt eerst bij de vóórlaatste vervelling als volledig ontwikkeld orgaan te voorschijn. Reeds in de eerste levensperiode gelijkt het insekt, dat eene onvolledige gedaanteverwisseling doorleeft, betrekkelijk veel op het volwassen dier; veel meer dan bij die insekten ’t geval is, welke eene volkomen gedaanteverwisseling doorloopen. (Ziefig. 122).
De tijd, welken een insekt met volkomen gedaanteverwisseling in den poptoestand doorbrengt, duurt op verre na niet altijd even lang.Van het groote koolwitje (fig. 119) komen alle jaren twee opvolgende geslachten (generatiën) voor; de eerste generatie doorleeft den winter in den poptoestand, van de andere vindt men de poppen in den zomer. Terwijl nu het insekt der wintergeneratie ongeveer een half jaar in den poptoestand doorbrengt, duurt deze toestand bij de zomergeneratie nog geen maand. Hooge temperatuur bespoedigt de ontwikkeling.
Fig. 121.Fig. 121.De meikever;een mannetje uit den grond kruipend; een vrouwelijke kever, vliegend; larve (engerling) en pop. (Nat. gr.)
Fig. 121.
De meikever;een mannetje uit den grond kruipend; een vrouwelijke kever, vliegend; larve (engerling) en pop. (Nat. gr.)
Ofschoon een insekt in den poptoestand geene spijs opneemt, ademt het toch en verbruikt het aldus voortdurend stof, echter slechts eene geringe hoeveelheid, daar het dier zich slechts weinig beweegt (zie bl.26). Vanwaar krijgt nu de pop haar voedsel, om dit verlies aan stof te dekken? In den larvetoestand neemt het insekt veel meer voedsel op dan het voor zijnen groei noodig heeft. Uit dit overschot vormen zich de reservestoffen, die in het zoogenoemde “vetlichaam” der larve worden afgezet. Gedurende den poptoestand worden deze reservestoffen gebruikt om de ademhaling te onderhouden. Daarom weegt eene pop onmiddellijk nadat zij uit de rups is ontstaan, meer dan eene pop, die binnenkort in vlinder zal veranderen.
Fig. 122.Fig. 122.De sabelsprinkhaan:aenb= jonge exemplaren;c= volwassen wijfje, eieren leggende. (Iets vergr.)
Fig. 122.
De sabelsprinkhaan:aenb= jonge exemplaren;c= volwassen wijfje, eieren leggende. (Iets vergr.)
De larven en poppen zijn bij de onderscheiden insektensoorten zeer verschillend van vorm. Men onderscheidt de larven in:rupsen, warelarvenenmaden. De maden (fig. 123,b,c) zijn pootloos en hebben geen’ duidelijk zichtbaren, met eene harde huid bekleeden kop. Deware larvenhebben wèl een’ harden kop, die van de overige deelen van den romp duidelijk te onderscheiden is; sommige larven hebben borstpooten (fig. 121), andere niet (fig. 128). Achterlijfspooten echter bezitten zij niet, hoogstens aan ’t uiteinde van ’t achterlijf een paar ongelede lichaamsaanhangselen. Derupsen(fig. 114, 120,a) hebben een’ duidelijk zichtbaren, harden kop, 3 paar gelede borstpooten en een verschillendaantal ongelede achterlijfspooten. Men onderscheidtware rupsen, die later in vlinders veranderen, enbastaardrupsen, die de jeugdtoestand van bladwespen zijn. De laatsten (fig. 124) hebben een’ kogelronden kop en bezitten 6–8 paar achterlijfspooten; bij de eersten (fig. 119, 120,a) is de kop plat en bedraagt het aantal achterlijfspooten 2–5. De gang der rupsen staat in nauw verband met het aantal achterlijfspooten. Is dit aantal vrij groot en zijn dus verreweg de meeste lichaamsleden van pooten voorzien, dan blijft het geheele lichaam gedurende de beweging tamelijk wèl gestrekt. Bevinden zich echter alleen aan het achtereinde des lichaams achterlijfspooten, dan is het gansche middenlichaam pootloos en de voortbeweging geschiedt dan door dit pootlooze lichaamsdeel sterk te krommen. Dit is ’t geval bij de zoogenoemde “spanrupsen”, die slechts 2 paar achterlijfspooten bezitten (fig. 144, c).
Fig. 123.Fig. 123.De paardenmaaghorzel:a= ei, aan een haar vastgehecht (zeer sterk vergr.);b= jeugdige made (sterk vergr.);c= volwassen made (2 maal nat. gr.);d= pop (2 maal nat. gr.);e= vlieg (de streep geeft de nat. gr. aan).
Fig. 123.
De paardenmaaghorzel:a= ei, aan een haar vastgehecht (zeer sterk vergr.);b= jeugdige made (sterk vergr.);c= volwassen made (2 maal nat. gr.);d= pop (2 maal nat. gr.);e= vlieg (de streep geeft de nat. gr. aan).
Depoppenzijn òf door eene huid omgeven, die den omtrek der afzonderlijke lichaamsdeelen slechts onduidelijk doet doorschemeren (fig. 119,120,c); òf zij hebben eene huidbekleeding, die ieder lichaamsdeel (ook de vleugels, pooten, sprieten, monddeelen en oogen) afzonderlijk omgeeft (fig. 121). De eersten noemt menbedekte, de laatstenonbedektepoppen.—Vele poppen zijnnaakt(fig. 119,121);andere zijn omgeven door eenecocon(fig. 120,b) of door delarvehuid(fig. 123,d). ’t Laatste is het geval met de poppen van vele vliegen: als de made verpopt, blijft de huid van deze in samengeschrompelden toestand om de pop heen zitten. Eene cocon bestaat uit spinsel, ’t welk als eene vloeistof in de spinklieren der larve zich vormt, door eene opening in de onderlip naar buiten treedt, vervolgens in draden wordt getrokken en vast wordt. Vele rupsen gebruiken haar spinvermogen niet slechts om eene cocon te maken, maar ook om nesten te vervaardigen of om eenen draad te spinnen, waaraan zij zich laten zakken.
Fig. 124.Fig. 124.De bessenbastaardrups: 1 = de rupsen in hare eigenaardige houdingen (nat. gr.); 2 = de rups (vergr.); 3 = cocon (iets vergr.); 4 = bladwesp (vergr.).
Fig. 124.
De bessenbastaardrups: 1 = de rupsen in hare eigenaardige houdingen (nat. gr.); 2 = de rups (vergr.); 3 = cocon (iets vergr.); 4 = bladwesp (vergr.).
Men onderscheidt de klasse der Insekten in de volgende orden: 1. Kevers of Schildvleugeligen, 2. Rechtvleugeligen, 3. Gaas- of Netvleugeligen, 4. Vliesvleugeligen, 5. Vlinders of Schubvleugeligen, 6. Halfvleugeligen, 7. Blaaspooten, 8. Vliegen en Muggen of Tweevleugeligen, 9. Vlooien, 10. Luizen, 11. Spring- en Franjestaarten.
Orde Schildvleugeligen of Kevers.Fig. 125. De groote loopkever. (nat. gr.)Fig. 125. De groote loopkever. (nat. gr.)Bijtende monddeelen (bl.131). Een groot voorborststuk, dat met het middenborststuk zeer bewegelijk verbonden is. De voorvleugels vervormd tot harde “dekschilden”, die in den rusttoestand alleen den kop, het voorborststuk, een klein driehoekig stukje van het middenborstuk (het “schildje”) en soms het uiteinde van ’t achterlijf onbedekt laten. De achtervleugels, die tot vliegen dienen, zijn in den rusttoestand onder de dekschilden samengevouwen.—Gedaanteverwisseling volkomen. Larven met harden kop, met of zonder borstpooten. Poppen onbedekt.Van de talrijke familiën noem ik de volgende.Loopkevers(fig. 125): slank met lange, dunne pooten, draadvormige sprieten, krachtige kaken.Zij loopen snel, vliegen meestal slecht of in ’t geheel niet. Larven langwerpig. Volwassen kevers en larven houden zich op en in den grond op, en leven, met zeldzame uitzonderingen, van andere insekten. Over ’t geheel nuttig.—Kortschildkevers: langwerpig, smal. Korte dekschilden, die het geheele achterlijf onbedekt laten. De larven gelijken veel op die der loopkevers. Volwassen kevers en larven voeden zich met levende insekten of met rottende organische zelfstandigheden.—Knotssprietigenhebben sprieten, welker laatste leden dikker zijn dan de eerste leden. Hiertoe behooren o. a. deaaskeversendoodgravers,die èn als volwassen dier èn als larve van doode dieren leven; de doodgravers begraven de krengen in den grond, alvorens er hunne eieren in te leggen. Enkele soorten van aaskevers worden èn als kever èn als larve wel eens schadelijk op bietenakkers. Tot de knotssprietigen behooren verder: dekoolzaadglanskever, hetframbozenkevertje, hetbietenkevertje.—Fig. 126. De meikever; (nat. gr.).Fig. 126. De meikever; (nat. gr.).Bladsprietigen(fig. 126) zijn plompe kevers. Van hunne sprieten zijn de laatste 3–7 leden plat, bladvormig verbreed; zij vormen te zamen een knotsje. De larven (“engerlingen”,fig. 121) zijn dik, krom gebogen; zij hebben borstpooten; zij leven in den grond, in vermolmd hout of in mest.—Hiertoe behooren o. a. demeikeveren hetrozenkevertje; ook demestkeversen hetvliegend hert.—Fig. 127. Kniptor, op den rug liggend; (2 maal nat. gr.).Fig. 127. Kniptor, op den rug liggend; (2 maal nat. gr.).Kniptorrenzijn langwerpig, overal ongeveer even breed, met een zeer lang voorborststuk. De sprieten bestaan uit leden, die ongeveer driehoekig zijn (“zaagvormige sprieten”). Op den rug liggende, springen zij hoog op. Dit doen zij als volgt (fig. 127). Eerst buigt het dier zich zoodanig, dat kop en voorborststuk naar boven-, midden- en achterborststuk en achterlijf naar beneden gebogen zijn. Daarna licht het de neergebogen einden van ’t lichaam weer op, waarbij de aanvankelijk omhoog gebogen verbindingsplaats tusschen voor- en middenborststuk met kracht op den grond komt, zoodat de tor door hare eigen veerkracht hoog opspringt. De buikzijde van het voorborststuk heeft aan het achtereinde een uitsteeksel, dat juist past in eene groeve, die in ’t middenborststuk aanwezig is. Ligt de tor op den rug en buigt zij het midden van haar lichaam naar boven, dan drijft zij dat uitsteeksel uit de groeve; buigt zij het midden van het lichaam weer naar beneden, dan komt het uitsteeksel weer in de groeve terug.—Delarven der kniptorren (“ritnaalden”, “koperwormen”) zijn dun, langwerpig, hard van huid, geelbruin van kleur, met korte borstpooten en een paar ongelede uitsteeksels aan ’t laatste lid van het achterlijf.—Van sommige kniptorsoorten leeft de ritnaald van humus; andere ritnaalden echter zijn zeer schadelijk aan graan en vele andere kultuurgewassen.—Fig. 128.Fig. 128.De eikelsnuittor, hare larve, en kop van den kever van ter zijde. (Alles zeer vergr.; onder de afb. der larve is deze in omtrek in nat. gr. afgebeeld; naast den kever geeft eene streep de nat. gr. aan).Snuittorren(fig. 128) hebben een snuitvormig verlengstuk aan den kop, aan welks uiteinde de kaken staan. Met deze snuit boren zij gaten in stengels, takken, bloemen, vruchten en andere plantendeelen, soms om voedende stoffen daaruit op te nemen, soms om een gat te maken, waarin zij een ei leggen. De sprieten zijn bij vele soorten knievormig gebogen (fig. 128) en aan den snuit ingeplant. De snuittorren vliegen zelden, nooit anders dan in den paartijd. Er zijn echter soorten, die niet kunnen vliegen, daar de dekschilden met elkaar vergroeid zijn. Larven (fig. 128) pootloos, eenigszins gebogen.—Vele schadelijke soorten, als:erwtenkever,boonenkever,bladrandkever,appelbloesemkever,dennensnuittorren,graanklander.—Fig. 129. Moedergang en larvengangen van den iepenspintkever. a = boorgat. (Nat. gr.)Fig. 129. Moedergang en larvengangen van den iepenspintkever.a= boorgat. (Nat. gr.)Schorskeverszijn nauw aan de snuittorren verwant; de kop is vrij dik en eenigszins verlengd, zonder dat deze verlenging veel dunner is dan de kop zelf. De sprieten eindigen in een knopje.—De larven gelijken veel op die der snuitkevers.—De moederkever boort een gat door de schors en bast des booms tot aan het spint en graaft van dáár uit een of meer gangen (“moedergangen”), aan weerskanten waarvan zij hare eieren legt. De larven graven “larvengangen”, welke voor ’t meerendeel loodrecht op de moedergangstaan, en die steeds wijder worden, naarmate de larve groeit. Aan ’t einde van den gang verpopt de larve; en later boort zich de jonge kever door bast en schors heen naar buiten. Door het graven van kevers en larven wordt de verbinding tusschen bast en houtverbroken, bast en teeltweefsel grootendeels vernield. Verscheiden soorten zijn voor de houtteelt zeer schadelijk:dennenscheerder,iepenspintkever, enz.—Fig. 130. De Coloradokever.Fig. 130. De Coloradokever.Op de bladeren van eene aardappelplant ziet men eihoopjes, eene larve en twee volwassen kevers. (Alles nat. gr.)Fig. 131.Fig. 131.Gedaanteverwisseling van het zevenmaal gestippelde lievenheersbeestje:a= larve;b= pop, van terzijde gezien;c= pop, van de buikzijde gezien;d= kever, (bendnat. gr.;aencvergr.)Boktorrenhebben zeer lange sprieten, die zij veelal naar achteren gebogen dragen, als een bok zijne horens. De pootlooze larven leven in ’t hout. Sommige soorten (o. a. depopulierboktor) zijn schadelijk.—Goudhaantjesofbladkevers(fig. 130) zijn gedrongen van vorm, aan de rugzijde bol. De larven leven voor ’t meerendeel buiten op de bladeren van dezelfde gewassen, waarvan ook de kevers vreten; enkele soorten leven inwendig in plantendeelen; zij hebben drie paar pooten. Vele goudhaantjes hebben schitterende metaalkleuren. Tot deze familie behooren o. a.lelietorretje,aspergekevertje,elzenhaantje,Coloradokever,schildpadtorren, ook de springendeaardvlooien.—Fig. 132. De veenmol, loopend en vliegend; ook eene larve. (Nat. gr.)Fig. 132. De veenmol, loopend en vliegend; ook eene larve. (Nat. gr.)Lievenheersbeestjes(fig. 131) zijn half bolvormig. De larven gelijken veel op die der goudhaantjes, maar hebben langere pooten. Zij eten, evenals de volwassen kevers, bladluizen.
Fig. 125. De groote loopkever. (nat. gr.)Fig. 125. De groote loopkever. (nat. gr.)
Fig. 125. De groote loopkever. (nat. gr.)
Bijtende monddeelen (bl.131). Een groot voorborststuk, dat met het middenborststuk zeer bewegelijk verbonden is. De voorvleugels vervormd tot harde “dekschilden”, die in den rusttoestand alleen den kop, het voorborststuk, een klein driehoekig stukje van het middenborstuk (het “schildje”) en soms het uiteinde van ’t achterlijf onbedekt laten. De achtervleugels, die tot vliegen dienen, zijn in den rusttoestand onder de dekschilden samengevouwen.—Gedaanteverwisseling volkomen. Larven met harden kop, met of zonder borstpooten. Poppen onbedekt.
Van de talrijke familiën noem ik de volgende.
Loopkevers(fig. 125): slank met lange, dunne pooten, draadvormige sprieten, krachtige kaken.
Zij loopen snel, vliegen meestal slecht of in ’t geheel niet. Larven langwerpig. Volwassen kevers en larven houden zich op en in den grond op, en leven, met zeldzame uitzonderingen, van andere insekten. Over ’t geheel nuttig.—
Kortschildkevers: langwerpig, smal. Korte dekschilden, die het geheele achterlijf onbedekt laten. De larven gelijken veel op die der loopkevers. Volwassen kevers en larven voeden zich met levende insekten of met rottende organische zelfstandigheden.—
Knotssprietigenhebben sprieten, welker laatste leden dikker zijn dan de eerste leden. Hiertoe behooren o. a. deaaskeversendoodgravers,die èn als volwassen dier èn als larve van doode dieren leven; de doodgravers begraven de krengen in den grond, alvorens er hunne eieren in te leggen. Enkele soorten van aaskevers worden èn als kever èn als larve wel eens schadelijk op bietenakkers. Tot de knotssprietigen behooren verder: dekoolzaadglanskever, hetframbozenkevertje, hetbietenkevertje.—
Fig. 126. De meikever; (nat. gr.).Fig. 126. De meikever; (nat. gr.).
Fig. 126. De meikever; (nat. gr.).
Bladsprietigen(fig. 126) zijn plompe kevers. Van hunne sprieten zijn de laatste 3–7 leden plat, bladvormig verbreed; zij vormen te zamen een knotsje. De larven (“engerlingen”,fig. 121) zijn dik, krom gebogen; zij hebben borstpooten; zij leven in den grond, in vermolmd hout of in mest.—Hiertoe behooren o. a. demeikeveren hetrozenkevertje; ook demestkeversen hetvliegend hert.—
Fig. 127. Kniptor, op den rug liggend; (2 maal nat. gr.).Fig. 127. Kniptor, op den rug liggend; (2 maal nat. gr.).
Fig. 127. Kniptor, op den rug liggend; (2 maal nat. gr.).
Kniptorrenzijn langwerpig, overal ongeveer even breed, met een zeer lang voorborststuk. De sprieten bestaan uit leden, die ongeveer driehoekig zijn (“zaagvormige sprieten”). Op den rug liggende, springen zij hoog op. Dit doen zij als volgt (fig. 127). Eerst buigt het dier zich zoodanig, dat kop en voorborststuk naar boven-, midden- en achterborststuk en achterlijf naar beneden gebogen zijn. Daarna licht het de neergebogen einden van ’t lichaam weer op, waarbij de aanvankelijk omhoog gebogen verbindingsplaats tusschen voor- en middenborststuk met kracht op den grond komt, zoodat de tor door hare eigen veerkracht hoog opspringt. De buikzijde van het voorborststuk heeft aan het achtereinde een uitsteeksel, dat juist past in eene groeve, die in ’t middenborststuk aanwezig is. Ligt de tor op den rug en buigt zij het midden van haar lichaam naar boven, dan drijft zij dat uitsteeksel uit de groeve; buigt zij het midden van het lichaam weer naar beneden, dan komt het uitsteeksel weer in de groeve terug.—Delarven der kniptorren (“ritnaalden”, “koperwormen”) zijn dun, langwerpig, hard van huid, geelbruin van kleur, met korte borstpooten en een paar ongelede uitsteeksels aan ’t laatste lid van het achterlijf.—Van sommige kniptorsoorten leeft de ritnaald van humus; andere ritnaalden echter zijn zeer schadelijk aan graan en vele andere kultuurgewassen.—
Fig. 128.Fig. 128.De eikelsnuittor, hare larve, en kop van den kever van ter zijde. (Alles zeer vergr.; onder de afb. der larve is deze in omtrek in nat. gr. afgebeeld; naast den kever geeft eene streep de nat. gr. aan).
Fig. 128.
De eikelsnuittor, hare larve, en kop van den kever van ter zijde. (Alles zeer vergr.; onder de afb. der larve is deze in omtrek in nat. gr. afgebeeld; naast den kever geeft eene streep de nat. gr. aan).
Snuittorren(fig. 128) hebben een snuitvormig verlengstuk aan den kop, aan welks uiteinde de kaken staan. Met deze snuit boren zij gaten in stengels, takken, bloemen, vruchten en andere plantendeelen, soms om voedende stoffen daaruit op te nemen, soms om een gat te maken, waarin zij een ei leggen. De sprieten zijn bij vele soorten knievormig gebogen (fig. 128) en aan den snuit ingeplant. De snuittorren vliegen zelden, nooit anders dan in den paartijd. Er zijn echter soorten, die niet kunnen vliegen, daar de dekschilden met elkaar vergroeid zijn. Larven (fig. 128) pootloos, eenigszins gebogen.—Vele schadelijke soorten, als:erwtenkever,boonenkever,bladrandkever,appelbloesemkever,dennensnuittorren,graanklander.—
Fig. 129. Moedergang en larvengangen van den iepenspintkever. a = boorgat. (Nat. gr.)Fig. 129. Moedergang en larvengangen van den iepenspintkever.a= boorgat. (Nat. gr.)
Fig. 129. Moedergang en larvengangen van den iepenspintkever.a= boorgat. (Nat. gr.)
Schorskeverszijn nauw aan de snuittorren verwant; de kop is vrij dik en eenigszins verlengd, zonder dat deze verlenging veel dunner is dan de kop zelf. De sprieten eindigen in een knopje.—De larven gelijken veel op die der snuitkevers.—De moederkever boort een gat door de schors en bast des booms tot aan het spint en graaft van dáár uit een of meer gangen (“moedergangen”), aan weerskanten waarvan zij hare eieren legt. De larven graven “larvengangen”, welke voor ’t meerendeel loodrecht op de moedergangstaan, en die steeds wijder worden, naarmate de larve groeit. Aan ’t einde van den gang verpopt de larve; en later boort zich de jonge kever door bast en schors heen naar buiten. Door het graven van kevers en larven wordt de verbinding tusschen bast en houtverbroken, bast en teeltweefsel grootendeels vernield. Verscheiden soorten zijn voor de houtteelt zeer schadelijk:dennenscheerder,iepenspintkever, enz.—
Fig. 130. De Coloradokever.Fig. 130. De Coloradokever.Op de bladeren van eene aardappelplant ziet men eihoopjes, eene larve en twee volwassen kevers. (Alles nat. gr.)
Fig. 130. De Coloradokever.
Op de bladeren van eene aardappelplant ziet men eihoopjes, eene larve en twee volwassen kevers. (Alles nat. gr.)
Fig. 131.Fig. 131.Gedaanteverwisseling van het zevenmaal gestippelde lievenheersbeestje:a= larve;b= pop, van terzijde gezien;c= pop, van de buikzijde gezien;d= kever, (bendnat. gr.;aencvergr.)
Fig. 131.
Gedaanteverwisseling van het zevenmaal gestippelde lievenheersbeestje:a= larve;b= pop, van terzijde gezien;c= pop, van de buikzijde gezien;d= kever, (bendnat. gr.;aencvergr.)
Boktorrenhebben zeer lange sprieten, die zij veelal naar achteren gebogen dragen, als een bok zijne horens. De pootlooze larven leven in ’t hout. Sommige soorten (o. a. depopulierboktor) zijn schadelijk.—
Goudhaantjesofbladkevers(fig. 130) zijn gedrongen van vorm, aan de rugzijde bol. De larven leven voor ’t meerendeel buiten op de bladeren van dezelfde gewassen, waarvan ook de kevers vreten; enkele soorten leven inwendig in plantendeelen; zij hebben drie paar pooten. Vele goudhaantjes hebben schitterende metaalkleuren. Tot deze familie behooren o. a.lelietorretje,aspergekevertje,elzenhaantje,Coloradokever,schildpadtorren, ook de springendeaardvlooien.—
Fig. 132. De veenmol, loopend en vliegend; ook eene larve. (Nat. gr.)Fig. 132. De veenmol, loopend en vliegend; ook eene larve. (Nat. gr.)
Fig. 132. De veenmol, loopend en vliegend; ook eene larve. (Nat. gr.)
Lievenheersbeestjes(fig. 131) zijn half bolvormig. De larven gelijken veel op die der goudhaantjes, maar hebben langere pooten. Zij eten, evenals de volwassen kevers, bladluizen.
Orde Rechtvleugeligen.Monddeelen bijtend. Voorvleugels leerachtig; achtervleugels vliezig, in den rusttoestand onder de voorvleugels waaiervormig inééngeplooid (fig. 132). Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl.134).—Men onderscheidtloopendeenspringenderechtvleugeligen.Tot deloopenderechtvleugeligen behoorenoorwormenenkakkerlakken(o. a. de gewone keukenkakkerlak of bakkerstor);—tot despringenderechtvleugeligen: develdsprinkhanen(zonder sabelvormige legboor), desabelsprinkhanen(met eene sabelvormige legboor bij de wijfjes), dekrekels(rolrond of plat van lichaam, terwijl de twee vorige familiën meer hoog dan breed van lichaam zijn). Tot de veldsprinkhanen behooren de meesten der kleine sprinkhaantjes, welke op weilanden zoo algemeen zijn, maar ook de beruchte treksprinkhanen;—tot de krekels o. a. de huiskrekel (kriek, iem) en de zoo schadelijke veenmol (fig. 132).
Monddeelen bijtend. Voorvleugels leerachtig; achtervleugels vliezig, in den rusttoestand onder de voorvleugels waaiervormig inééngeplooid (fig. 132). Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl.134).—Men onderscheidtloopendeenspringenderechtvleugeligen.
Tot deloopenderechtvleugeligen behoorenoorwormenenkakkerlakken(o. a. de gewone keukenkakkerlak of bakkerstor);—tot despringenderechtvleugeligen: develdsprinkhanen(zonder sabelvormige legboor), desabelsprinkhanen(met eene sabelvormige legboor bij de wijfjes), dekrekels(rolrond of plat van lichaam, terwijl de twee vorige familiën meer hoog dan breed van lichaam zijn). Tot de veldsprinkhanen behooren de meesten der kleine sprinkhaantjes, welke op weilanden zoo algemeen zijn, maar ook de beruchte treksprinkhanen;—tot de krekels o. a. de huiskrekel (kriek, iem) en de zoo schadelijke veenmol (fig. 132).
Orde Gaas- of Netvleugeligen.Monddeelen bijtend. Voor- en achtervleugels veel op elkaar gelijkend, met een sterk vertakt net van nerven (fig. 133). Gedaanteverwisseling onvolkomen of volkomen (bl.134).Eeneonvolledige gedaanteverwisselinghebben: de in warmere streken levendetermieten; dehaftenenglazenmakers, welker larven in ’t water leven(fig. 133). De volwassen glazenmakers dooden insekten, waaronder vele schadelijke;—de termieten zijn door hunne vernielzucht zeer bekend.Fig. 133. Een glazenmaker.Fig. 133. Een glazenmaker.In het water zwemmen twee glazenmakerslarven, die met hare lange onderlip een ander insekt aangrijpen. Rechts zit tegen den rietstengel eene larve, die reeds vleugelstompjes bezit, en die dus spoedig in een’ volwassen glazenmaker zal veranderen. Daartoe barst de larvehuid aan de rugzijde open; de glazenmaker kruipt er uit, en het leege huidje blijft aan den rietstengel zitten (zie den linkerkant van de figuur). Alles nat. gr.Eenevolledige gedaanteverwisselingdoorloopen: degaasvliegen, deschorpioenvliegen, dekokerjuffers. De gaasvliegen bezitten in den toestand van larve een paar zeer groote, doorboorde kaken, waarmee zij een ander insekt (meestal eene bladluis) aangrijpen, terwijl zij de lichaamssappen door de openingen in de kaken heen opslurpen. (Nuttig.) Tot de familie der gaasvliegen behoort ook de mierenleeuw (fig. 134), die als larve in een trechtervormig kuiltje in’t zand leeft, en verschillende insekten uitzuigt, welke in dit kuiltje vallen (vooral mieren).—De schorpioenvliegen dooden in de vluchtvele insekten.—De kokerjuffers leven als larven in ’t water, en wel in kokertjes, die zij uit plantendeelen, stukjes steen of schelpen samenstellen.Fig. 134. De mierenleeuw.Fig. 134. De mierenleeuw.A= volwassen insekt;B= larve (eigenlijke mierenleeuw):C= pop;C′= cocon, waaruit het volwassen dier te voorschijn is gekomen. (Alles nat. gr.)
Monddeelen bijtend. Voor- en achtervleugels veel op elkaar gelijkend, met een sterk vertakt net van nerven (fig. 133). Gedaanteverwisseling onvolkomen of volkomen (bl.134).
Eeneonvolledige gedaanteverwisselinghebben: de in warmere streken levendetermieten; dehaftenenglazenmakers, welker larven in ’t water leven(fig. 133). De volwassen glazenmakers dooden insekten, waaronder vele schadelijke;—de termieten zijn door hunne vernielzucht zeer bekend.
Fig. 133. Een glazenmaker.Fig. 133. Een glazenmaker.In het water zwemmen twee glazenmakerslarven, die met hare lange onderlip een ander insekt aangrijpen. Rechts zit tegen den rietstengel eene larve, die reeds vleugelstompjes bezit, en die dus spoedig in een’ volwassen glazenmaker zal veranderen. Daartoe barst de larvehuid aan de rugzijde open; de glazenmaker kruipt er uit, en het leege huidje blijft aan den rietstengel zitten (zie den linkerkant van de figuur). Alles nat. gr.
Fig. 133. Een glazenmaker.
In het water zwemmen twee glazenmakerslarven, die met hare lange onderlip een ander insekt aangrijpen. Rechts zit tegen den rietstengel eene larve, die reeds vleugelstompjes bezit, en die dus spoedig in een’ volwassen glazenmaker zal veranderen. Daartoe barst de larvehuid aan de rugzijde open; de glazenmaker kruipt er uit, en het leege huidje blijft aan den rietstengel zitten (zie den linkerkant van de figuur). Alles nat. gr.
Eenevolledige gedaanteverwisselingdoorloopen: degaasvliegen, deschorpioenvliegen, dekokerjuffers. De gaasvliegen bezitten in den toestand van larve een paar zeer groote, doorboorde kaken, waarmee zij een ander insekt (meestal eene bladluis) aangrijpen, terwijl zij de lichaamssappen door de openingen in de kaken heen opslurpen. (Nuttig.) Tot de familie der gaasvliegen behoort ook de mierenleeuw (fig. 134), die als larve in een trechtervormig kuiltje in’t zand leeft, en verschillende insekten uitzuigt, welke in dit kuiltje vallen (vooral mieren).—De schorpioenvliegen dooden in de vluchtvele insekten.—De kokerjuffers leven als larven in ’t water, en wel in kokertjes, die zij uit plantendeelen, stukjes steen of schelpen samenstellen.
Fig. 134. De mierenleeuw.Fig. 134. De mierenleeuw.A= volwassen insekt;B= larve (eigenlijke mierenleeuw):C= pop;C′= cocon, waaruit het volwassen dier te voorschijn is gekomen. (Alles nat. gr.)
Fig. 134. De mierenleeuw.
A= volwassen insekt;B= larve (eigenlijke mierenleeuw):C= pop;C′= cocon, waaruit het volwassen dier te voorschijn is gekomen. (Alles nat. gr.)
Orde Vliesvleugeligen.Bovenlip en bovenkaken niet verlengd (bl.131), de laatsten tot bijten ingericht. Onderkaken en onderlip in de lengte gegroeid, bij sommige soorten een’ soort van snuit vormend, geschikt om honig uit de bloesems te zuigen (fig. 135). Zijn deze laatstbedoelde monddeelen minder sterk verlengd, dan kunnen zij in ieder geval dienen voor ’t oplikken van lichaamssappen uit aangebeten dieren (mieren) of uit plantendeelen (wespen). De bovenkaken dienen om te bijten: ’t zij om houtdeelen stuk te maken, die voor ’t bouwen der nesten worden gebruikt (wespen), ’t zij om eene opening te maken in dieren of plantendeelen, waaruit zij daarna vocht oplikken (mieren, wespen), ’t zij om bloemdeelen door te bijten, om aldus bij de honigbakjes te komen (brombijen).—Vleugels alle vier vliezig, met weinig of zeer weinig nerven.—Gedaanteverwisseling volkomen (bl.134). Larven bij vele familiën madevormig, bij de bladwespen rupsvormig (bastaardrupsen).Fig. 135. Kop van de werkbij.Fig. 135. Kop van de werkbij.o= samengesteld oog;o′= enkelvoudig oogje:sp= sprietbl= bovenlip;bk= bovenkaak;ok= onderkaak;tg= tong (benedeneinde van de in de lengte gegroeide onderlip);ol-t= onderlipstaster. (Zeer vergroot.)Het wijfje bezit eene legboor, die van zeer verschillenden bouw kan zijn, en die bij onderscheiden soorten (graafwespen) niet slechtsvoor het eierleggen maar ook voor verdediging dient; bij andere soorten dient zij slechts voor ’t laatsbedoelde werk, en vindt het eierleggen plaats door de anale opening (bijen, wespen). De tot steekorgaan vervormde legboor wordt “angel” genoemd.—De bij andere insekten in ’t achterlijf aanwezige klieren, welke eene kleverige zelfstandigheid afscheiden, die tot vasthechting der eieren aan bladeren, enz. dient, zijn bij de angeldragende vliesvleugeligen tot giftklieren vervormd.Vele vliesvleugeligen (alle graaf-, sluip-, gal-, bladwespen, ook vele soorten van bijen en wespen) leven alleen; anderen (alle mieren, vele bijen en wespen) vormenstaten, welke soms uit duizenden individu’s bestaan. In deze staten grijpt altijd eene verdeeling van den arbeid plaats in zoover, dat men naast de mannelijke en vrouwelijkevoortplantingsdieren, die uitsluitend voor de voortplanting dienen, steeds onvruchtbarewerkdierenofarbeidstersvindt: vrouwelijke individu’s met voortplantingsorganen, die niet tot volkomen ontwikkeling zijn geraakt. Deze arbeidsters bouwen de woningen, kweeken de larven op en verdedigen den staat tegen den aanval van vreemde dieren; zij zijn dan ook in veel grooter aantal in elken staat aanwezig dan de voortplantingsindividu’s.—Familie der bijen.Zeer verlengde ondertong kaken en onderlip, waarmee honig uit de bloemen wordt gezogen. Lichaam plomper en meer behaard dan dat van de wespen. De pootlooze larven worden met stuifmeel of met een mengsel van stuifmeel en honig gevoed. Voor ’t vasthouden van het in de bloesems verzamelde stuifmeel dienen o. a. bij honigbijen en hommels de zeer verbreede scheenen der achterpooten en heteerste, bijzonder groote, lid van den voet dezer ledematen; vele andere bijen dragen aan den onderkant van het achterlijf stuifmeel mee.—De in staten levende bijen maken hare nesten van was (dat aan de buikzijde van de werkbijen inschilferszich afscheidt), van zandkorrels, hout of deelen van bladeren.Bij de bestuiving van vele gewassen spelen de bijen eene gewichtige rol. Zie hierover het deeltje over Plantkunde.De honigbij zal elders uitvoeriger worden behandeld.—Familie der wespen.Monddeelen als bij de bijen. Ook angeldragend. Slank, weinig of niet behaard. Voorvleugels in den rusttoestand overlangs opgevouwen.Fig. 136. Paardenwesp. (Nat. gr.)Fig. 136. Paardenwesp. (Nat. gr.)De in staten levende wespen maken hare nesten uit eene soort van papier, hetwelk zij bereiden door hout- of bastdeelen fijn te kauwen. De werkwespen zoowel als de mannetjes sterven tegen den winter; alleen de bevruchte koninginnen overwinteren, en wel onder mos, in holle boomen en op andere verscholen plaatsen. In ’t voorjaar begint iedere koningin met den bouw van een nest; tevens legt zij eieren en voedt zij de larven. Eerst later in ’t jaar wordt zij bij den nestbouw en bij het voederen der larven bijgestaan door de intusschen uitgekomen werkwespen. (Bij de bijen overwinteren ook de arbeidsters, en sterven tegen den winter alleen de mannetjes).Fig. 137.Fig. 137.Links: twee exemplaren van den rood en zwart gekleurden rupsendooder, het eene bezig eene rups te begraven. Rechts: een zwart en gele snuittordooder. (Alles nat. gr.)Vele wespen maken hare nesten in den grond; de landbouwerloopt kans, dat hij zulke nesten bij ’t ploegen vernielt en dat hijen zijn paard dan door honderden wespen worden aangevallen. Vele wespensteken tegelijk kunnen doodelijk werken. (Middelen: afkoelende stoffen als geschaafde wortels of appels, koolbladeren;—inwrijven met salmiak;—een compres met loodazijn).—Familie graafwespen.Sommige soorten lijken zeer veel op gewone wespen; maar zij hebben de voorvleugels niet overlangs samengevouwen. De graafwespen vormen geene staten. Het wijfje graaft een gat in den grond, waarin zij een ei legt. Daarbij begraaft zij een insekt, ’t welk tot voeding dient voor de te voorschijn komende larve. Opdat het te begraven insekt geen weerstand biede, maar ook niet in rotting overga, brengt de graafwesp het vooraf in een’ toestand, waarin het geene willekeurige bewegingen kan uitvoeren. Tot dit doel steken de meeste soorten het gevangen insekt met den angel in ’t lichaam en verwonden daarbij de zenuwknoopen (zie bl.129); daardoor wordt het wel niet gedood, maar toch zoo goed als onbewegelijk.—Sommige graafwespen begraven rupsen (derupsendooder), anderen snuittorren (desnuittordooder), weer anderen vliegen (devliegendooder). Dat aldus vele soorten nuttig zijn, behoeft geen nader betoog (fig. 137).—Familie mieren.Zeer groote bovenkaken; onderkaken en onderlip niet snuitvormig verlengd. Arbeidsters ongevleugeld; de mannetjes en vruchtbare wijfjes hebben vleugels. Achterlijf met het borststuk verbonden door een steeltje. Alle vrouwelijke mieren, ook de arbeidsters, hebben giftklieren; sommige soorten hebben een’ angel en steken op de wijze der bijen en wespen. Andere soorten echter missen den angel (bijv. de roode boschmier); deze bijten den vijand met de bovenkaken eene opening in de huid, krommen vervolgens het achterlijf en spuiten het vergift in de wonde.Alle soorten van mieren vormen staten. Gedurende ’t grootste gedeelte des jaars vindt men in een mierennest slechts arbeidsters, larven en poppen; de voortplantingsdieren verschijnen in den zomer, en zijn vóór de intrede van het koude jaargetijde weer verdwenen. Op een’ zonnigen dag vliegen zij in grooten getale uit. De bevruchte wijfjes laten zich op den bodem vallen en verliezen de vleugels, ’t zij dat zij ze zich zelven uittrekken of dat zij haarworden uitgetrokken door de arbeidsters, welke hen naar haar nest meenemen, waar het eierleggen begint. De poppen van vele soorten zijn in eene cocon besloten; deze ingesponnen poppen worden dikwijls onder den naam van “miereneieren” als vogelvoer gebruikt.—De mierennesten bestaan uit dennenaalden of kleine takjes (roode boschmier), of zij worden in het inwendige van boomstammen (houtmieren) of in den grond (weidemier) aangelegd.Door het omwoelen van den bodem worden sommige soorten schadelijk; andere soorten echter doen nut door het dooden van rupsen en andere schadelijke insekten. De mieren houden veel van allerlei zoete stoffen; vooral likken zij gaarne het zoete vocht op, dat de bladluizen uit hare aarsopening afscheiden. Zij strijken de bladluizen met hare sprieten over het achterlijf om de afzondering van dit vocht te bevorderen. Het gebeurt zelfs dat de mieren ze naar plantendeelen overbrengen, waar ze het best gedijen en dat zij ze, telkens wanneer deze plantendeelen uitgezogen zijn en beginnen te verslappen, weer naar andere plantendeelen transporteeren. Soms houden zij de bladluizen in onderaardsche nesten, waar deze aan plan ten wortels zuigen.—Fig. 138.Fig. 138.De sluipwespMicrogaster glomeratus;A= eene koolrups, waaruit de larven te voorschijn komen;B= hoopje cocons; een paar larven hebben zich nog niet ingesponnen;C= volwassen wesp. (A en B iets, C veel vergroot.)Familie sluipwespen.De sluipwespen leggen hare eieren in larven of poppen van insekten; hare larven leven daar van het reservevoedsel, ’t welk deze in haar lichaam hebben opgehoopt (zie bl.136);eerst wanneer zij bijkans volwassen zijn en op ’t punt van te verpoppen, verlaten zij het insekt, waarin zij huisden,—of wel zij verpoppen binnen dit insekt en komen later als volwassen sluipwesp naar buiten. In ieder geval veroorzaken zij den dood van het door hen bewoonde insekt.—Van sommige soorten leeft ééne larve, van anderen verscheiden larven in ééne insektenlarve of ééne pop. Fig. 138, A geeft eene afbeelding van eene koolrups, waaruit eene menigte sluipwesplarven naar buiten kruipen, die buiten de rups zich in eene geelachtige cocon inspinnen. De sluipwesp, welke daaruit later te voorschijn komt, is in C afgebeeld.—Eene sluipwespsoort kan slechts dàn zich sterk vermeerderen, wanneer het insekt, waarin zij woekert, in groot getal aanwezig is. Sluipwespen kunnen er dus niet veel toe bijdragen, eene insektenplaag te voorkomen, maar wèl om haar te doen ophouden.—Familie bladwespen.Lichaamsbouw gedrongen; het nooit zeer lange achterlijf begint niet, als bij de tot dusver behandelde vliesvleugeligen, met een smal gedeelte: het “dunne middeltje” der wespen ontbreekt. De legboor, die als zij niet wordt gebruikt, in het achterlijf is ingetrokken, heeft den vorm van eene zaag; zij dient om a. h. w. putjes in bladeren of andere plantendeelen te zagen, in welke de eieren worden gelegd. De larven zijn “bastaardrupsen” (zie bl.138); deze dieren, die als gewone rupsen bladeren eten, buigen in rust gaarne haar lichaamC-vormiginéén; sommigen heffen, als zij worden verontrust, plotseling haar achterlijf omhoog en buigen het over den kop heen naar voren.—Als de bastaardrupsen volwassen zijn, spinnen zij zich, ’t zij aan de planten, waarop zij leefden, ’t zij in den grond, eene ovale cocon.—Voorbeelden: knollenbladwesp, bessenbladwesp (fig. 124), dennenbladwesp.
Bovenlip en bovenkaken niet verlengd (bl.131), de laatsten tot bijten ingericht. Onderkaken en onderlip in de lengte gegroeid, bij sommige soorten een’ soort van snuit vormend, geschikt om honig uit de bloesems te zuigen (fig. 135). Zijn deze laatstbedoelde monddeelen minder sterk verlengd, dan kunnen zij in ieder geval dienen voor ’t oplikken van lichaamssappen uit aangebeten dieren (mieren) of uit plantendeelen (wespen). De bovenkaken dienen om te bijten: ’t zij om houtdeelen stuk te maken, die voor ’t bouwen der nesten worden gebruikt (wespen), ’t zij om eene opening te maken in dieren of plantendeelen, waaruit zij daarna vocht oplikken (mieren, wespen), ’t zij om bloemdeelen door te bijten, om aldus bij de honigbakjes te komen (brombijen).—Vleugels alle vier vliezig, met weinig of zeer weinig nerven.—Gedaanteverwisseling volkomen (bl.134). Larven bij vele familiën madevormig, bij de bladwespen rupsvormig (bastaardrupsen).
Fig. 135. Kop van de werkbij.Fig. 135. Kop van de werkbij.o= samengesteld oog;o′= enkelvoudig oogje:sp= sprietbl= bovenlip;bk= bovenkaak;ok= onderkaak;tg= tong (benedeneinde van de in de lengte gegroeide onderlip);ol-t= onderlipstaster. (Zeer vergroot.)
Fig. 135. Kop van de werkbij.
o= samengesteld oog;o′= enkelvoudig oogje:sp= sprietbl= bovenlip;bk= bovenkaak;ok= onderkaak;tg= tong (benedeneinde van de in de lengte gegroeide onderlip);ol-t= onderlipstaster. (Zeer vergroot.)
Het wijfje bezit eene legboor, die van zeer verschillenden bouw kan zijn, en die bij onderscheiden soorten (graafwespen) niet slechtsvoor het eierleggen maar ook voor verdediging dient; bij andere soorten dient zij slechts voor ’t laatsbedoelde werk, en vindt het eierleggen plaats door de anale opening (bijen, wespen). De tot steekorgaan vervormde legboor wordt “angel” genoemd.—De bij andere insekten in ’t achterlijf aanwezige klieren, welke eene kleverige zelfstandigheid afscheiden, die tot vasthechting der eieren aan bladeren, enz. dient, zijn bij de angeldragende vliesvleugeligen tot giftklieren vervormd.
Vele vliesvleugeligen (alle graaf-, sluip-, gal-, bladwespen, ook vele soorten van bijen en wespen) leven alleen; anderen (alle mieren, vele bijen en wespen) vormenstaten, welke soms uit duizenden individu’s bestaan. In deze staten grijpt altijd eene verdeeling van den arbeid plaats in zoover, dat men naast de mannelijke en vrouwelijkevoortplantingsdieren, die uitsluitend voor de voortplanting dienen, steeds onvruchtbarewerkdierenofarbeidstersvindt: vrouwelijke individu’s met voortplantingsorganen, die niet tot volkomen ontwikkeling zijn geraakt. Deze arbeidsters bouwen de woningen, kweeken de larven op en verdedigen den staat tegen den aanval van vreemde dieren; zij zijn dan ook in veel grooter aantal in elken staat aanwezig dan de voortplantingsindividu’s.—
Familie der bijen.Zeer verlengde ondertong kaken en onderlip, waarmee honig uit de bloemen wordt gezogen. Lichaam plomper en meer behaard dan dat van de wespen. De pootlooze larven worden met stuifmeel of met een mengsel van stuifmeel en honig gevoed. Voor ’t vasthouden van het in de bloesems verzamelde stuifmeel dienen o. a. bij honigbijen en hommels de zeer verbreede scheenen der achterpooten en heteerste, bijzonder groote, lid van den voet dezer ledematen; vele andere bijen dragen aan den onderkant van het achterlijf stuifmeel mee.—De in staten levende bijen maken hare nesten van was (dat aan de buikzijde van de werkbijen inschilferszich afscheidt), van zandkorrels, hout of deelen van bladeren.
Bij de bestuiving van vele gewassen spelen de bijen eene gewichtige rol. Zie hierover het deeltje over Plantkunde.
De honigbij zal elders uitvoeriger worden behandeld.—
Familie der wespen.Monddeelen als bij de bijen. Ook angeldragend. Slank, weinig of niet behaard. Voorvleugels in den rusttoestand overlangs opgevouwen.
Fig. 136. Paardenwesp. (Nat. gr.)Fig. 136. Paardenwesp. (Nat. gr.)
Fig. 136. Paardenwesp. (Nat. gr.)
De in staten levende wespen maken hare nesten uit eene soort van papier, hetwelk zij bereiden door hout- of bastdeelen fijn te kauwen. De werkwespen zoowel als de mannetjes sterven tegen den winter; alleen de bevruchte koninginnen overwinteren, en wel onder mos, in holle boomen en op andere verscholen plaatsen. In ’t voorjaar begint iedere koningin met den bouw van een nest; tevens legt zij eieren en voedt zij de larven. Eerst later in ’t jaar wordt zij bij den nestbouw en bij het voederen der larven bijgestaan door de intusschen uitgekomen werkwespen. (Bij de bijen overwinteren ook de arbeidsters, en sterven tegen den winter alleen de mannetjes).
Fig. 137.Fig. 137.Links: twee exemplaren van den rood en zwart gekleurden rupsendooder, het eene bezig eene rups te begraven. Rechts: een zwart en gele snuittordooder. (Alles nat. gr.)
Fig. 137.
Links: twee exemplaren van den rood en zwart gekleurden rupsendooder, het eene bezig eene rups te begraven. Rechts: een zwart en gele snuittordooder. (Alles nat. gr.)
Vele wespen maken hare nesten in den grond; de landbouwerloopt kans, dat hij zulke nesten bij ’t ploegen vernielt en dat hijen zijn paard dan door honderden wespen worden aangevallen. Vele wespensteken tegelijk kunnen doodelijk werken. (Middelen: afkoelende stoffen als geschaafde wortels of appels, koolbladeren;—inwrijven met salmiak;—een compres met loodazijn).—
Familie graafwespen.Sommige soorten lijken zeer veel op gewone wespen; maar zij hebben de voorvleugels niet overlangs samengevouwen. De graafwespen vormen geene staten. Het wijfje graaft een gat in den grond, waarin zij een ei legt. Daarbij begraaft zij een insekt, ’t welk tot voeding dient voor de te voorschijn komende larve. Opdat het te begraven insekt geen weerstand biede, maar ook niet in rotting overga, brengt de graafwesp het vooraf in een’ toestand, waarin het geene willekeurige bewegingen kan uitvoeren. Tot dit doel steken de meeste soorten het gevangen insekt met den angel in ’t lichaam en verwonden daarbij de zenuwknoopen (zie bl.129); daardoor wordt het wel niet gedood, maar toch zoo goed als onbewegelijk.—Sommige graafwespen begraven rupsen (derupsendooder), anderen snuittorren (desnuittordooder), weer anderen vliegen (devliegendooder). Dat aldus vele soorten nuttig zijn, behoeft geen nader betoog (fig. 137).—
Familie mieren.Zeer groote bovenkaken; onderkaken en onderlip niet snuitvormig verlengd. Arbeidsters ongevleugeld; de mannetjes en vruchtbare wijfjes hebben vleugels. Achterlijf met het borststuk verbonden door een steeltje. Alle vrouwelijke mieren, ook de arbeidsters, hebben giftklieren; sommige soorten hebben een’ angel en steken op de wijze der bijen en wespen. Andere soorten echter missen den angel (bijv. de roode boschmier); deze bijten den vijand met de bovenkaken eene opening in de huid, krommen vervolgens het achterlijf en spuiten het vergift in de wonde.
Alle soorten van mieren vormen staten. Gedurende ’t grootste gedeelte des jaars vindt men in een mierennest slechts arbeidsters, larven en poppen; de voortplantingsdieren verschijnen in den zomer, en zijn vóór de intrede van het koude jaargetijde weer verdwenen. Op een’ zonnigen dag vliegen zij in grooten getale uit. De bevruchte wijfjes laten zich op den bodem vallen en verliezen de vleugels, ’t zij dat zij ze zich zelven uittrekken of dat zij haarworden uitgetrokken door de arbeidsters, welke hen naar haar nest meenemen, waar het eierleggen begint. De poppen van vele soorten zijn in eene cocon besloten; deze ingesponnen poppen worden dikwijls onder den naam van “miereneieren” als vogelvoer gebruikt.—De mierennesten bestaan uit dennenaalden of kleine takjes (roode boschmier), of zij worden in het inwendige van boomstammen (houtmieren) of in den grond (weidemier) aangelegd.
Door het omwoelen van den bodem worden sommige soorten schadelijk; andere soorten echter doen nut door het dooden van rupsen en andere schadelijke insekten. De mieren houden veel van allerlei zoete stoffen; vooral likken zij gaarne het zoete vocht op, dat de bladluizen uit hare aarsopening afscheiden. Zij strijken de bladluizen met hare sprieten over het achterlijf om de afzondering van dit vocht te bevorderen. Het gebeurt zelfs dat de mieren ze naar plantendeelen overbrengen, waar ze het best gedijen en dat zij ze, telkens wanneer deze plantendeelen uitgezogen zijn en beginnen te verslappen, weer naar andere plantendeelen transporteeren. Soms houden zij de bladluizen in onderaardsche nesten, waar deze aan plan ten wortels zuigen.—
Fig. 138.Fig. 138.De sluipwespMicrogaster glomeratus;A= eene koolrups, waaruit de larven te voorschijn komen;B= hoopje cocons; een paar larven hebben zich nog niet ingesponnen;C= volwassen wesp. (A en B iets, C veel vergroot.)
Fig. 138.
De sluipwespMicrogaster glomeratus;A= eene koolrups, waaruit de larven te voorschijn komen;B= hoopje cocons; een paar larven hebben zich nog niet ingesponnen;C= volwassen wesp. (A en B iets, C veel vergroot.)
Familie sluipwespen.De sluipwespen leggen hare eieren in larven of poppen van insekten; hare larven leven daar van het reservevoedsel, ’t welk deze in haar lichaam hebben opgehoopt (zie bl.136);eerst wanneer zij bijkans volwassen zijn en op ’t punt van te verpoppen, verlaten zij het insekt, waarin zij huisden,—of wel zij verpoppen binnen dit insekt en komen later als volwassen sluipwesp naar buiten. In ieder geval veroorzaken zij den dood van het door hen bewoonde insekt.—Van sommige soorten leeft ééne larve, van anderen verscheiden larven in ééne insektenlarve of ééne pop. Fig. 138, A geeft eene afbeelding van eene koolrups, waaruit eene menigte sluipwesplarven naar buiten kruipen, die buiten de rups zich in eene geelachtige cocon inspinnen. De sluipwesp, welke daaruit later te voorschijn komt, is in C afgebeeld.—Eene sluipwespsoort kan slechts dàn zich sterk vermeerderen, wanneer het insekt, waarin zij woekert, in groot getal aanwezig is. Sluipwespen kunnen er dus niet veel toe bijdragen, eene insektenplaag te voorkomen, maar wèl om haar te doen ophouden.—
Familie bladwespen.Lichaamsbouw gedrongen; het nooit zeer lange achterlijf begint niet, als bij de tot dusver behandelde vliesvleugeligen, met een smal gedeelte: het “dunne middeltje” der wespen ontbreekt. De legboor, die als zij niet wordt gebruikt, in het achterlijf is ingetrokken, heeft den vorm van eene zaag; zij dient om a. h. w. putjes in bladeren of andere plantendeelen te zagen, in welke de eieren worden gelegd. De larven zijn “bastaardrupsen” (zie bl.138); deze dieren, die als gewone rupsen bladeren eten, buigen in rust gaarne haar lichaamC-vormiginéén; sommigen heffen, als zij worden verontrust, plotseling haar achterlijf omhoog en buigen het over den kop heen naar voren.—Als de bastaardrupsen volwassen zijn, spinnen zij zich, ’t zij aan de planten, waarop zij leefden, ’t zij in den grond, eene ovale cocon.—Voorbeelden: knollenbladwesp, bessenbladwesp (fig. 124), dennenbladwesp.
Orde Vlinders of Schubvleugeligen.Fig. 139.Fig. 139.’t Lichaam van een’ vlinder, van terzijde gezien,f= kop;a= (gekamde) spriet;h= oog;g= roltong, aan weerszijden waarvan men de omhoog stekende onderliptastershziet;k= borststuk:pqrs= poot;n= achterlijf.Monddeelen zuigend. Terwijl de verdere kaken zeer klein zijn gebleven, zijn de twee onderkaken zeer in de lengte gegroeid en vormen deze met elkaar eene spiraalvormig inéénrolbare buis, die “roltong” wordt genoemd (fig. 139,g), en waarmee honig uit de bloesemswordt opgenomen (fig. 140). De vleugels zijn alle vier vliezig en met eigenaardige schubbetjes (fig. 141), bezet, die oorzaak zijn van de soms zeer sprekende, soms meer doffe kleuren.—Gedaanteverwisseling volkomen (bl.134). De larven zijn rupsen (zie bl.137), de poppen zijn bedekt (bl.138).—Familie dagvlinders(fig. 119). Lichaam slank en dun. Vleugels breed, in den rusttoestand omhoog geslagen, zoodat hunne rugvlakten tegen elkaar komen. Sprieten aan hun uiteinde knotsvormig verdikt.—De rupsen van de meeste soorten zijn weinig behaard; enkele met harde dorentjes bekleed.—Poppen naakt, hoekig.—Voorbeelden: Koolwitjes (fig. 119), koninginnepage, dagpauwoog.—Fig. 140. Een avondvlinder, met uitgestoken roltong. (Nat. gr.)Fig. 140. Een avondvlinder, met uitgestoken roltong. (Nat. gr.)Fig. 141. Schubbekleeding van een’ vlindervleugel. (Veel vergr.)Fig. 141. Schubbekleeding van een’ vlindervleugel. (Veel vergr.)Familie pijlstaartvlindersofavondvlinders(fig. 140). Lichaamforsch maar niet plomp. Vleugels lang en smal.—Rupsen onbehaard, doorgaans een horen op het laatste lid van ’t achterlijf “pijlstaartrupsen”,fig. 114).—Verpopping in den grond; geene cocon. Voorbeelden: dennenpijlstaart, doodshoofduil.—Fig. 142. De ringelrups.Fig. 142. De ringelrups.Links boven: mannetje; rechts boven: wijfje;beneden: eieren, rups en pop in cocon. (Alles nat. gr.)Familie spinners(fig. 142, 120). Plomp, zeer behaard. Sprieten bij de mannetjes van kamvormige aanhangselen voorzien; bij de wijfjes ontbreken deze aanhangselen of zij zijn klein. Hoewel de vleugels bij de meeste soorten vrij groot zijn, vliegen alleen de mannetjes flink. De wijfjes verwijderen zich doorgaans niet ver van de plaats, waar zij uit de pop zijn gekomen. Zij leggen dus de eieren dicht bij elkaar: veelal in hoopen tegen boomstammen aan of in reten van de schors, de ringelrupsvlinder in een’ ring rondom een twijgje (fig. 142).—De rupsen, die bij vele soorten behaard zijn, leven dus in den aanvang in elkaars nabijheid; dikwijls spinnen zij een nest,waarin zij òf altijd (processierups) òf gedurende het eerste gedeelte van haar leven (ringelrups, bastaardsatijnvlinder) blijven.—De rupsen van de meeste soorten spinnen eene cocon, waarbinnen zij verpoppen (zijderups, ringelrups, bastaardsatijnvlinder); anderen spinnen slechts een weefsel van draden, tusschen welke de pop duidelijk zichtbaar is (nonvlinder, plakker). Voor hout- en ooftboomteelt zijn vele soorten schadelijk, voor den akkerbouw geen enkele soort.—Fig. 143. Gedaanteverwisseling van eene aardrups. (Nat. gr.)Fig. 143. Gedaanteverwisseling van eene aardrups. (Nat. gr.)Familie uilen(fig. 143). Een stevig, maar slank, glad behaard lichaam. Vleugels flink ontwikkeld, vooral de voorvleugels niet bijzonder breed. De uilen vliegen snel, dikwijls over dag, hoewel zij slechts bij nacht hare eieren leggen; verreweg de meeste soorten doen dit aan kruidachtige gewassen, en zij leggen meestal ieder eitje afzonderlijk.—Rupsen gewoonlijk onbehaard. Poppen doorgaans in den grond; geene cocon.—Vele soorten zijn voor den akkerbouw en den tuinbouw schadelijk (kooluil, grasrups, aardrups, gammarups), slechts enkele nadeelig voor de houtteelt (gestreepte dennenrups).—Familie spanrupsvlinders(fig. 144). Vlinders slank en dun van lijf, met groote, breede vleugels. Veelal traag. Van enkele soorten hebben de wijfjes geene (fig. 144,b) of slechts zeer kleine, voor ’t vliegen onbruikbare vleugels. Gelijken op dagvlinders; maar nooit knotsvormige sprieten.—De rupsen zijn “spanrupsen” (zie bl.138). Tot deze familie behooren de bessenspanrups en de voor de ooftboomteelt zoo schadelijke wintervlinders (fig. 144).—Fig. 144.Fig. 144.De groote wintervlinder: a = mannetje; b = wijfje; c = rups. (Nat. gr.)Fig. 145. De “worm” in de pruimen. (Nat. gr.)Fig. 145. De “worm” in de pruimen. (Nat. gr.)Familie bladrollers(fig. 145). Kleine vlindertjes met goed ontwikkelde vleugels. De rupsen leven in inééngerolde bladeren (van dáár de naam!), in ’t inwendige van vruchten (de rups in de “wormstekige”appelen en die in de “wormstekige” pruimen) of van twijgen (dennenlotrups).—Fig. 146.Fig. 146.a,b= twee soorten van kleermotten;d= de rups vanb;c= dezelfde, besloten in haren uit wolhaartjes vervaardigden zak. (Alles vergroot.)Familie motten(fig. 146). Zeer kleine vlindertjes met zeer smalle vleugeltjes, door een’ franjezoom omgeven. Sommige soorten voeden zich met bladeren (“spinselmotten” in appelboomen en meidorens); anderen leven van gezolderd graan (korenmot); weer anderen van haren (kleer- en tapijtmotten) en andere doode zelfstandigheden.
Fig. 139.Fig. 139.’t Lichaam van een’ vlinder, van terzijde gezien,f= kop;a= (gekamde) spriet;h= oog;g= roltong, aan weerszijden waarvan men de omhoog stekende onderliptastershziet;k= borststuk:pqrs= poot;n= achterlijf.
Fig. 139.
’t Lichaam van een’ vlinder, van terzijde gezien,f= kop;a= (gekamde) spriet;h= oog;g= roltong, aan weerszijden waarvan men de omhoog stekende onderliptastershziet;k= borststuk:pqrs= poot;n= achterlijf.
Monddeelen zuigend. Terwijl de verdere kaken zeer klein zijn gebleven, zijn de twee onderkaken zeer in de lengte gegroeid en vormen deze met elkaar eene spiraalvormig inéénrolbare buis, die “roltong” wordt genoemd (fig. 139,g), en waarmee honig uit de bloesemswordt opgenomen (fig. 140). De vleugels zijn alle vier vliezig en met eigenaardige schubbetjes (fig. 141), bezet, die oorzaak zijn van de soms zeer sprekende, soms meer doffe kleuren.—Gedaanteverwisseling volkomen (bl.134). De larven zijn rupsen (zie bl.137), de poppen zijn bedekt (bl.138).—
Familie dagvlinders(fig. 119). Lichaam slank en dun. Vleugels breed, in den rusttoestand omhoog geslagen, zoodat hunne rugvlakten tegen elkaar komen. Sprieten aan hun uiteinde knotsvormig verdikt.—De rupsen van de meeste soorten zijn weinig behaard; enkele met harde dorentjes bekleed.—Poppen naakt, hoekig.—Voorbeelden: Koolwitjes (fig. 119), koninginnepage, dagpauwoog.—
Fig. 140. Een avondvlinder, met uitgestoken roltong. (Nat. gr.)Fig. 140. Een avondvlinder, met uitgestoken roltong. (Nat. gr.)
Fig. 140. Een avondvlinder, met uitgestoken roltong. (Nat. gr.)
Fig. 141. Schubbekleeding van een’ vlindervleugel. (Veel vergr.)Fig. 141. Schubbekleeding van een’ vlindervleugel. (Veel vergr.)
Fig. 141. Schubbekleeding van een’ vlindervleugel. (Veel vergr.)
Familie pijlstaartvlindersofavondvlinders(fig. 140). Lichaamforsch maar niet plomp. Vleugels lang en smal.—Rupsen onbehaard, doorgaans een horen op het laatste lid van ’t achterlijf “pijlstaartrupsen”,fig. 114).—Verpopping in den grond; geene cocon. Voorbeelden: dennenpijlstaart, doodshoofduil.—
Fig. 142. De ringelrups.Fig. 142. De ringelrups.Links boven: mannetje; rechts boven: wijfje;beneden: eieren, rups en pop in cocon. (Alles nat. gr.)
Fig. 142. De ringelrups.
Links boven: mannetje; rechts boven: wijfje;beneden: eieren, rups en pop in cocon. (Alles nat. gr.)
Familie spinners(fig. 142, 120). Plomp, zeer behaard. Sprieten bij de mannetjes van kamvormige aanhangselen voorzien; bij de wijfjes ontbreken deze aanhangselen of zij zijn klein. Hoewel de vleugels bij de meeste soorten vrij groot zijn, vliegen alleen de mannetjes flink. De wijfjes verwijderen zich doorgaans niet ver van de plaats, waar zij uit de pop zijn gekomen. Zij leggen dus de eieren dicht bij elkaar: veelal in hoopen tegen boomstammen aan of in reten van de schors, de ringelrupsvlinder in een’ ring rondom een twijgje (fig. 142).—De rupsen, die bij vele soorten behaard zijn, leven dus in den aanvang in elkaars nabijheid; dikwijls spinnen zij een nest,waarin zij òf altijd (processierups) òf gedurende het eerste gedeelte van haar leven (ringelrups, bastaardsatijnvlinder) blijven.—De rupsen van de meeste soorten spinnen eene cocon, waarbinnen zij verpoppen (zijderups, ringelrups, bastaardsatijnvlinder); anderen spinnen slechts een weefsel van draden, tusschen welke de pop duidelijk zichtbaar is (nonvlinder, plakker). Voor hout- en ooftboomteelt zijn vele soorten schadelijk, voor den akkerbouw geen enkele soort.—
Fig. 143. Gedaanteverwisseling van eene aardrups. (Nat. gr.)Fig. 143. Gedaanteverwisseling van eene aardrups. (Nat. gr.)
Fig. 143. Gedaanteverwisseling van eene aardrups. (Nat. gr.)
Familie uilen(fig. 143). Een stevig, maar slank, glad behaard lichaam. Vleugels flink ontwikkeld, vooral de voorvleugels niet bijzonder breed. De uilen vliegen snel, dikwijls over dag, hoewel zij slechts bij nacht hare eieren leggen; verreweg de meeste soorten doen dit aan kruidachtige gewassen, en zij leggen meestal ieder eitje afzonderlijk.—Rupsen gewoonlijk onbehaard. Poppen doorgaans in den grond; geene cocon.—Vele soorten zijn voor den akkerbouw en den tuinbouw schadelijk (kooluil, grasrups, aardrups, gammarups), slechts enkele nadeelig voor de houtteelt (gestreepte dennenrups).—
Familie spanrupsvlinders(fig. 144). Vlinders slank en dun van lijf, met groote, breede vleugels. Veelal traag. Van enkele soorten hebben de wijfjes geene (fig. 144,b) of slechts zeer kleine, voor ’t vliegen onbruikbare vleugels. Gelijken op dagvlinders; maar nooit knotsvormige sprieten.—De rupsen zijn “spanrupsen” (zie bl.138). Tot deze familie behooren de bessenspanrups en de voor de ooftboomteelt zoo schadelijke wintervlinders (fig. 144).—
Fig. 144.Fig. 144.De groote wintervlinder: a = mannetje; b = wijfje; c = rups. (Nat. gr.)
Fig. 144.
De groote wintervlinder: a = mannetje; b = wijfje; c = rups. (Nat. gr.)
Fig. 145. De “worm” in de pruimen. (Nat. gr.)Fig. 145. De “worm” in de pruimen. (Nat. gr.)
Fig. 145. De “worm” in de pruimen. (Nat. gr.)
Familie bladrollers(fig. 145). Kleine vlindertjes met goed ontwikkelde vleugels. De rupsen leven in inééngerolde bladeren (van dáár de naam!), in ’t inwendige van vruchten (de rups in de “wormstekige”appelen en die in de “wormstekige” pruimen) of van twijgen (dennenlotrups).—
Fig. 146.Fig. 146.a,b= twee soorten van kleermotten;d= de rups vanb;c= dezelfde, besloten in haren uit wolhaartjes vervaardigden zak. (Alles vergroot.)
Fig. 146.
a,b= twee soorten van kleermotten;d= de rups vanb;c= dezelfde, besloten in haren uit wolhaartjes vervaardigden zak. (Alles vergroot.)
Familie motten(fig. 146). Zeer kleine vlindertjes met zeer smalle vleugeltjes, door een’ franjezoom omgeven. Sommige soorten voeden zich met bladeren (“spinselmotten” in appelboomen en meidorens); anderen leven van gezolderd graan (korenmot); weer anderen van haren (kleer- en tapijtmotten) en andere doode zelfstandigheden.
Orde Halfvleugeligen.Fig. 147.Fig.147.Monddeelen van eene wants:b.l.= bovenlip;b.k.= bovenkaken;o.k.= onderkaken;o.l.= onderlip. (Zeer vergroot.)De monddeelen zijn tot steken en zuigen ingericht; zij vormen alles te zamen een’ zuigsnuit. Deze (fig. 147) bestaat uit een’ geleden koker (onderlip), waarbinnen twee paar stekels gelegen zijn (de bovenkaken en de onderkaken), die aan hun uiteinde van tandjes zijn voorzien, met behulp van welke een gaatje in een plantendeel of in de huid van een insekt wordt gemaakt. Ook de bovenlip is in de lengte gegroeid.—Bij vele soorten van halfvleugeligen (land- en waterwantsen) zijn de voorvleugels voor een gedeelte leerachtig en taai, terwijl de buitenrand ervan evenals de achtervleugels vliezig is (fig. 148). Bij andere soorten (gevleugelde bladluizen,fig. 149) zijn voor- en achtervleugels beiden vliezig en van weinig nerven voorzien. Sommige soorten (weegluis, ongevleugelde bladluizen) hebben in ’t geheel geene vleugels.—Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl.134).Tot de halfvleugeligen behooren o. a. deweegluis, deframbozenwants(die op kersen, aalbessen, frambozen leeft en aan deze vruchtenharen afschuwelijken reuk meedeelt), verschillende soorten vanwaterwantsen(als de waterschorpioen, het bootsmannetje en de waterloopers); eindelijk debladluizenen deschildluizen.—Fig. 148. Voor- en achtervleugel van de frambozenwants. (Iets vergr.)Fig. 148. Voor- en achtervleugel van de frambozenwants. (Iets vergr.)Debladluizen(fig. 149) hebben lange sprieten, dunne pooten en een’ langen, dunnen zuigsnuit. Bij de zelfde soort vindt men gevleugelde en ongevleugelde exemplaren. In den herfst zijn er mannelijke en vrouwelijke dieren; de laatsten leggen vóór den winter de eieren, welke bestemd zijn om te overwinteren. De bladluizen, die in ’t volgende voorjaar uit deze eieren te voorschijn komen, zijn allen wijfjes, die echter zonder voorafgaande bevruchting jongen ter wereld brengen, welke reeds dadelijk na de geboorte de kiemen van eene nieuwe generatie in zich bevatten. Het aantal jongen, door één wijfje ter wereld gebracht, en het aantal in één jaar elkander opvolgende geslachten is bij verschillende soorten zeer ongelijk. Er zijn soorten, bij welke een wijfje 80 tot 100 jongen voortbrengt, terwijl per jaar 9 tot 12 of meer generatiën elkaar opvolgen. In den herfst zijn er weer mannetjes en eierleggende wijfjes.—Daar de bladluizen gedurende haar gansche leven plantensappen zuigen, kunnen zij door haar buitengewoon sterk voortplantingsvermogen zeer schadelijk worden. Terwijl zij uit stengels en bladeren de sappen opzuigen, welke deze anders zelven voor den groei en de bloem- en vruchtvorming zouden hebben gebruikt, brengen zij hare jongen voort, die in deonmiddellijkenabijheid der moeder den zuigsnuit in het zelfde plantendeel inboren, en spoedig zelven beginnen zich voort te planten. Op deze wijze ontstaan bladluiskoloniën, die dikwijls uit honderdenstuks bestaan. Een op deze wijze aangetast plantendeel schrompelt inéén; maar nu zouden ook de daarop zittende bladluizen sterven; vóór ’t echter zoover is gekomen, zijn verscheiden exemplaren verhuisd. De derde generatie nl. bestaat gewoonlijk niet alleen uit ongevleugelde bladluizen, maar ten deele ook uit exemplaren, die na eenige vervellingen te hebben doorloopen, vleugels hebben gekregen; deze vliegen weg, zetten zich op eene andere plant neer en worden daar de stammoeders van nieuwe koloniën. Ook latere generatiën bestaan deels uit gevleugelde, deels uit ongevleugelde exemplaren.—Zoowel doordat de bladluizen vele vijanden hebben (spreeuwen, musschen, grasmusschen, enz., lievenheersbeestjes en hunne larven, gaasvlieglarven, zweegvlieglarven), als doordat zij door wind en regen soms in massa’s gedood worden, komen zij slechts nu en dan, bepaaldelijk in droge zomers, in zóó groote scharen voor, dat zij de door haar bewoonde gewassen zoodanig beschadigen, dat de oogst er erg onder lijdt. Niet slechts door saponttrekking schaden zij den planten; ook doordat zij uit de aarsopening eene suikerhoudende, klevende vloeistof (“honigdauw”) van zich geven, welke, als zij in kleine druppels op bladeren neervalt, een gedeelte van de huidmondjes der bladeren sluit en aldus de werkzaamheid van deze vermindert. Ook hechten zich op de met honigdauw bedekte plantendeelen gemakkelijk sporen van zwammen vast, welke door de lucht werden voortbewogen; zoo kan de honigdauw de voorlooper zijn van “roetdauw”, “het zwart” en van andere door zwammen veroorzaakte plantenziekten.—Fig. 149. Eene gevleugelde en eene ongevleugelde erwtenbladluis. (Zeer vergr.)Fig. 149. Eene gevleugelde en eene ongevleugelde erwtenbladluis. (Zeer vergr.)Deschildluizenzijn alleen in hare eerste jeugd in het bezit vanpootjes, en dus in staat zich te verplaatsen. Weldra zuigen de larfjes zich met haren snuit aan een’ twijg, een’ tak of een’ stam, bij uitzondering ook wel aan een blad of eene vrucht, vast. Dan ondergaan zij eene vervelling, waarbij zij hare pooten verliezen; ook wordt doorgaans haar lichaam aan den rugkant met een schild bedekt, dat bij sommige soorten als eene vervorming van de huid moet worden beschouwd, bij de meeste soorten echter uit eene waslaag bestaat, welke de huid afzondert. Het mannetje ontwikkelt zich onder zoo’n schild tot een van pooten en meestal ook van één paar vleugels voorzien diertje, dat zich in den volwassen staat over grootere of kleinere afstanden voortbeweegt. Het wijfje blijft haar geheele leven lang pootloos en onder het schild verscholen; als het gestorven is, blijft het schild de eieren bedekken, waardoor deze tegen winterkoude en regen beschut zijn. De mannetjes zijn veel kleiner dan de wijfjes. Voor den eigenlijken landbouw hebben de schildluizen geen beteekenis, maar op houtachtige gewassen en struiken (ooftboomen, wijnstok) vindt men vele schadelijke soorten.
Fig. 147.Fig.147.Monddeelen van eene wants:b.l.= bovenlip;b.k.= bovenkaken;o.k.= onderkaken;o.l.= onderlip. (Zeer vergroot.)
Fig.147.
Monddeelen van eene wants:b.l.= bovenlip;b.k.= bovenkaken;o.k.= onderkaken;o.l.= onderlip. (Zeer vergroot.)
De monddeelen zijn tot steken en zuigen ingericht; zij vormen alles te zamen een’ zuigsnuit. Deze (fig. 147) bestaat uit een’ geleden koker (onderlip), waarbinnen twee paar stekels gelegen zijn (de bovenkaken en de onderkaken), die aan hun uiteinde van tandjes zijn voorzien, met behulp van welke een gaatje in een plantendeel of in de huid van een insekt wordt gemaakt. Ook de bovenlip is in de lengte gegroeid.—Bij vele soorten van halfvleugeligen (land- en waterwantsen) zijn de voorvleugels voor een gedeelte leerachtig en taai, terwijl de buitenrand ervan evenals de achtervleugels vliezig is (fig. 148). Bij andere soorten (gevleugelde bladluizen,fig. 149) zijn voor- en achtervleugels beiden vliezig en van weinig nerven voorzien. Sommige soorten (weegluis, ongevleugelde bladluizen) hebben in ’t geheel geene vleugels.—Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl.134).
Tot de halfvleugeligen behooren o. a. deweegluis, deframbozenwants(die op kersen, aalbessen, frambozen leeft en aan deze vruchtenharen afschuwelijken reuk meedeelt), verschillende soorten vanwaterwantsen(als de waterschorpioen, het bootsmannetje en de waterloopers); eindelijk debladluizenen deschildluizen.—
Fig. 148. Voor- en achtervleugel van de frambozenwants. (Iets vergr.)Fig. 148. Voor- en achtervleugel van de frambozenwants. (Iets vergr.)
Fig. 148. Voor- en achtervleugel van de frambozenwants. (Iets vergr.)
Debladluizen(fig. 149) hebben lange sprieten, dunne pooten en een’ langen, dunnen zuigsnuit. Bij de zelfde soort vindt men gevleugelde en ongevleugelde exemplaren. In den herfst zijn er mannelijke en vrouwelijke dieren; de laatsten leggen vóór den winter de eieren, welke bestemd zijn om te overwinteren. De bladluizen, die in ’t volgende voorjaar uit deze eieren te voorschijn komen, zijn allen wijfjes, die echter zonder voorafgaande bevruchting jongen ter wereld brengen, welke reeds dadelijk na de geboorte de kiemen van eene nieuwe generatie in zich bevatten. Het aantal jongen, door één wijfje ter wereld gebracht, en het aantal in één jaar elkander opvolgende geslachten is bij verschillende soorten zeer ongelijk. Er zijn soorten, bij welke een wijfje 80 tot 100 jongen voortbrengt, terwijl per jaar 9 tot 12 of meer generatiën elkaar opvolgen. In den herfst zijn er weer mannetjes en eierleggende wijfjes.—Daar de bladluizen gedurende haar gansche leven plantensappen zuigen, kunnen zij door haar buitengewoon sterk voortplantingsvermogen zeer schadelijk worden. Terwijl zij uit stengels en bladeren de sappen opzuigen, welke deze anders zelven voor den groei en de bloem- en vruchtvorming zouden hebben gebruikt, brengen zij hare jongen voort, die in deonmiddellijkenabijheid der moeder den zuigsnuit in het zelfde plantendeel inboren, en spoedig zelven beginnen zich voort te planten. Op deze wijze ontstaan bladluiskoloniën, die dikwijls uit honderdenstuks bestaan. Een op deze wijze aangetast plantendeel schrompelt inéén; maar nu zouden ook de daarop zittende bladluizen sterven; vóór ’t echter zoover is gekomen, zijn verscheiden exemplaren verhuisd. De derde generatie nl. bestaat gewoonlijk niet alleen uit ongevleugelde bladluizen, maar ten deele ook uit exemplaren, die na eenige vervellingen te hebben doorloopen, vleugels hebben gekregen; deze vliegen weg, zetten zich op eene andere plant neer en worden daar de stammoeders van nieuwe koloniën. Ook latere generatiën bestaan deels uit gevleugelde, deels uit ongevleugelde exemplaren.—Zoowel doordat de bladluizen vele vijanden hebben (spreeuwen, musschen, grasmusschen, enz., lievenheersbeestjes en hunne larven, gaasvlieglarven, zweegvlieglarven), als doordat zij door wind en regen soms in massa’s gedood worden, komen zij slechts nu en dan, bepaaldelijk in droge zomers, in zóó groote scharen voor, dat zij de door haar bewoonde gewassen zoodanig beschadigen, dat de oogst er erg onder lijdt. Niet slechts door saponttrekking schaden zij den planten; ook doordat zij uit de aarsopening eene suikerhoudende, klevende vloeistof (“honigdauw”) van zich geven, welke, als zij in kleine druppels op bladeren neervalt, een gedeelte van de huidmondjes der bladeren sluit en aldus de werkzaamheid van deze vermindert. Ook hechten zich op de met honigdauw bedekte plantendeelen gemakkelijk sporen van zwammen vast, welke door de lucht werden voortbewogen; zoo kan de honigdauw de voorlooper zijn van “roetdauw”, “het zwart” en van andere door zwammen veroorzaakte plantenziekten.—
Fig. 149. Eene gevleugelde en eene ongevleugelde erwtenbladluis. (Zeer vergr.)Fig. 149. Eene gevleugelde en eene ongevleugelde erwtenbladluis. (Zeer vergr.)
Fig. 149. Eene gevleugelde en eene ongevleugelde erwtenbladluis. (Zeer vergr.)
Deschildluizenzijn alleen in hare eerste jeugd in het bezit vanpootjes, en dus in staat zich te verplaatsen. Weldra zuigen de larfjes zich met haren snuit aan een’ twijg, een’ tak of een’ stam, bij uitzondering ook wel aan een blad of eene vrucht, vast. Dan ondergaan zij eene vervelling, waarbij zij hare pooten verliezen; ook wordt doorgaans haar lichaam aan den rugkant met een schild bedekt, dat bij sommige soorten als eene vervorming van de huid moet worden beschouwd, bij de meeste soorten echter uit eene waslaag bestaat, welke de huid afzondert. Het mannetje ontwikkelt zich onder zoo’n schild tot een van pooten en meestal ook van één paar vleugels voorzien diertje, dat zich in den volwassen staat over grootere of kleinere afstanden voortbeweegt. Het wijfje blijft haar geheele leven lang pootloos en onder het schild verscholen; als het gestorven is, blijft het schild de eieren bedekken, waardoor deze tegen winterkoude en regen beschut zijn. De mannetjes zijn veel kleiner dan de wijfjes. Voor den eigenlijken landbouw hebben de schildluizen geen beteekenis, maar op houtachtige gewassen en struiken (ooftboomen, wijnstok) vindt men vele schadelijke soorten.
Orde Blaaspooten.Fig. 150. De graanblaaspoot. (Zeer sterk vergr.)Fig. 150. De graanblaaspoot. (Zeer sterk vergr.)Zeer kleine insekten met een’ eigenaardigen kaaktoestel, waarmee zij de opperhuid van bladeren en bloemdeelen verwonden en deze deelen tevens uitzuigen.—De vier smalle vleugels hebben lange franje aan de randen; de voorvleugels zijn harder dan de achtervleugels. De uiteinden der pootjes dragen geene klauwen, maar blaasjes, die als zuignappen dienst doen.—Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl.134).—In sommige jaren vermeerdert zich de eene of andere soort zeer sterk; dan vliegen zij—vooral op zeer warme dagen—in grooten getale in zwermen rond.—Verschillende soorten zijn er bekend, die aan graanbloesems, aan jonge boonenplanten, aan vlasplanten, enz. schadelijk zijn.
Fig. 150. De graanblaaspoot. (Zeer sterk vergr.)Fig. 150. De graanblaaspoot. (Zeer sterk vergr.)
Fig. 150. De graanblaaspoot. (Zeer sterk vergr.)
Zeer kleine insekten met een’ eigenaardigen kaaktoestel, waarmee zij de opperhuid van bladeren en bloemdeelen verwonden en deze deelen tevens uitzuigen.—De vier smalle vleugels hebben lange franje aan de randen; de voorvleugels zijn harder dan de achtervleugels. De uiteinden der pootjes dragen geene klauwen, maar blaasjes, die als zuignappen dienst doen.—Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl.134).—In sommige jaren vermeerdert zich de eene of andere soort zeer sterk; dan vliegen zij—vooral op zeer warme dagen—in grooten getale in zwermen rond.—Verschillende soorten zijn er bekend, die aan graanbloesems, aan jonge boonenplanten, aan vlasplanten, enz. schadelijk zijn.
Orde Tweevleugeligen.Monddeelen in de lengte gegroeid, òf alleen tot zuigen (kamervlieg, vleeschvlieg, horzels, parasietvliegen) òf tot steken en zuigen (steekmuggen, dazen) ingericht.—Alleen de voorvleugels zijn ontwikkeld, de achtervleugels zijn gewoonlijk door een paar kleine, kolfvormige lichaampjes vervangen (fig. 151).—Gedaanteverwisseling volkomen (bl.134). Larven altijd pootloos; de meesten hebben geen’ duidelijk zichtbaren kop (maden); maar de kopdragende larven van de insekten dezer orde hebben bijtende monddeelen. Deze laatsten veranderen in bedekte poppen (bl.138); de koplooze maden verpoppen binnen hare eigen larvenhuid.Fig. 151.Fig. 151.De langpootmug: Boven rechts de vrouwelijke, boven links de mannelijke vlieg. Daaronder made (“emelt”) en pop. (Alles nat. gr.)Familie der muggen(fig. 151). Lange, dunne sprieten; lange, dunne pooten; lichaam slank en dun. Van sommige soorten (steekmuggen,krieuwelmugjes) steken de wijfjes mensch en vee; de mannetjes zuigen geen bloed maar slechts dauw of andere druppeltjes vocht, welke zich op planten bevinden. Van andere soorten steken nochde wijfjes noch de mannetjes (galmuggen,langpootmuggen). Van de zoo lastige steek- en krieuwelmuggen leven de larven in stilstaand water; vandaar dat zij in vochtige jaren en in laaggelegen, slecht afwaterende streken ’t meest voorkomen.—Van de langpootmuggen leven de grauwe larven (“emelten” of “grauwe wormen”) òf in halfvergane organische stoffen òf op bouw- en weiland, van de wortels van grassen en granen. De soorten, welke ’t laatste doen, zijn schadelijk (fig. 151.)—Galmuggen zijn klein, de meeste soorten slechts 1 à 3 mM. lang; de vleugels zijn vrij breed, behaard, de pooten en sprieten lang; de laatsten bestaan uit een zeer groot aantal leedjes, die op hun midden behaard zijn. Het wijfje heeft eene legboor, waarmee zij hare eitjes in plantendeelen legt. Doorgaans ontstaat op de plaats, waar het eitje gelegd is, eene opzwelling van het plantendeel: soms een ware gal (beukengalmug), soms eene zeer kleine opzwelling, gepaard met abnormalen groei der aangrenzende deelen. Tot de schadelijke galmuggen behooren o. a. de gele tarwegalmug, de Hessische mug, de erwten- en de koolzaadgalmug.—Fig. 152.Fig. 152.Links: goudoogdaas; daaronder de larve van de runderdaas, die aan den rechterkant is afgebeeld. (Nat. gr.)Defamilie der dazenofbremsenbestaat uit groote of middelmatig groote vliegen met een stevig gebouwd lichaam, een’ flink gebouwden kop, een plat achterlijf en stevige pooten. De wijfjes zuigen bloed en worden door hare steken lastig voor mensch en dier. De larven leven in den grond en zijn onschadelijk.—Paardendaas, runderdaas, regendaas, goudoogdaas.—Defamilie der roofvliegenzijn meer slank en dun dan de dazen,met welke zij overigens den stevigen bouw en de flinke pooten gemeen hebben. Zij dooden vele insekten, die zij uitzuigen; den mensch en de huisdieren laten zij met rust.—Familie zweefvliegen.Stevig gebouwd, vrij breed. Meerendeels levendig gekleurd, met zwarte en gele banden op het achterlijf. Zij houden zich soms een’ tijd lang op eene bepaalde plaats in de lucht staande of zwevende, waarbij zij de vleugels zeer snel op en neer slaan. De larven van enkele soorten leven in bollen van planten (uienzweefvlieg, narcisvlieg); die van andere soorten in vuil water (“gootmaden”); de meesten echter leven op bladeren te midden van bladluizen, die zij uitzuigen.—Ware vliegenhebben een’ zuigsnuit, niet geschikt om te steken. In hoofdzaken komen zij met dezwarte kamervliegin bouw overeen. Behalve deze laatste, welker made in mest leeft, behooren tot deze familie: deblauwe bromvliegen devleeschvlieg, welker maden in gekookt of rauw vleesch leven,—deschapenvlieg, die als made in de huid en in de daaronder gelegen deelen van ’t schaap parasiteert,—debloemvliegen, welker maden òf in mest òf in planten leven (bijv. koolvlieg, uienvlieg, bietenvlieg),—degroenoogen, die als made in grasachtige gewassen parasiteeren (halmvlieg, fritvlieg),—deparasietvliegen, welker maden zich in levende rupsen ontwikkelen, en die in de huishouding der natuur dezelfde rol spelen als de sluipwespen (zie bl.153),—dehorzels(fig. 123), die als made in de maag of den darm (paardenhorzel), in de neusholte (schapenhorzel) of onder de huid (runderhorzel) van verschillende dieren parasiteeren.—Luisvliegen.Lichaam plat; huid leerachtig, taai. Kromgebogen voorpooten, geschikt voor ’t klauteren in de haren van de dieren, waarop zij parasitisch leven en welker bloed zij zuigen. Sommige soorten (paardenluisvlieg) hebben twee vleugels; andere zijn ongevleugeld en lijken dan zeer veel op luizen (de zoogenaamde “schapenluis” of “schapenteek”, die eigenlijkschapenluisvliegmoet worden genoemd, daar er bovendien eene ware schapenluis en eene ware schapenteek bestaan). Niet slechts komt bij de luisvliegen de made reeds binnen het moederlichaam uit het ei te voorschijn (dit isook bij enkele andere insekten ’t geval, o. a. bij de schapenhorzel en bij de grauwe vleeschvlieg!); maar de enkele made, die tot ontwikkeling komt, wordt volwassen geboren en verpoptonmiddellijkna hare geboorte. Terwijl de meeste insekten slechts éénmaal zich voortplanten en daarna sterven, herhaalt zich de voortplanting bij de luisvliegen. Telkens verlaat zoo’n insekt, om eene made ter wereld te brengen, het dier, waarop het leeft; de made wordt dan in eene reet tusschen planken, in een gaatje in den grond of op eene andere beschutte plaats geboren.
Monddeelen in de lengte gegroeid, òf alleen tot zuigen (kamervlieg, vleeschvlieg, horzels, parasietvliegen) òf tot steken en zuigen (steekmuggen, dazen) ingericht.—Alleen de voorvleugels zijn ontwikkeld, de achtervleugels zijn gewoonlijk door een paar kleine, kolfvormige lichaampjes vervangen (fig. 151).—Gedaanteverwisseling volkomen (bl.134). Larven altijd pootloos; de meesten hebben geen’ duidelijk zichtbaren kop (maden); maar de kopdragende larven van de insekten dezer orde hebben bijtende monddeelen. Deze laatsten veranderen in bedekte poppen (bl.138); de koplooze maden verpoppen binnen hare eigen larvenhuid.
Fig. 151.Fig. 151.De langpootmug: Boven rechts de vrouwelijke, boven links de mannelijke vlieg. Daaronder made (“emelt”) en pop. (Alles nat. gr.)
Fig. 151.
De langpootmug: Boven rechts de vrouwelijke, boven links de mannelijke vlieg. Daaronder made (“emelt”) en pop. (Alles nat. gr.)
Familie der muggen(fig. 151). Lange, dunne sprieten; lange, dunne pooten; lichaam slank en dun. Van sommige soorten (steekmuggen,krieuwelmugjes) steken de wijfjes mensch en vee; de mannetjes zuigen geen bloed maar slechts dauw of andere druppeltjes vocht, welke zich op planten bevinden. Van andere soorten steken nochde wijfjes noch de mannetjes (galmuggen,langpootmuggen). Van de zoo lastige steek- en krieuwelmuggen leven de larven in stilstaand water; vandaar dat zij in vochtige jaren en in laaggelegen, slecht afwaterende streken ’t meest voorkomen.—Van de langpootmuggen leven de grauwe larven (“emelten” of “grauwe wormen”) òf in halfvergane organische stoffen òf op bouw- en weiland, van de wortels van grassen en granen. De soorten, welke ’t laatste doen, zijn schadelijk (fig. 151.)—Galmuggen zijn klein, de meeste soorten slechts 1 à 3 mM. lang; de vleugels zijn vrij breed, behaard, de pooten en sprieten lang; de laatsten bestaan uit een zeer groot aantal leedjes, die op hun midden behaard zijn. Het wijfje heeft eene legboor, waarmee zij hare eitjes in plantendeelen legt. Doorgaans ontstaat op de plaats, waar het eitje gelegd is, eene opzwelling van het plantendeel: soms een ware gal (beukengalmug), soms eene zeer kleine opzwelling, gepaard met abnormalen groei der aangrenzende deelen. Tot de schadelijke galmuggen behooren o. a. de gele tarwegalmug, de Hessische mug, de erwten- en de koolzaadgalmug.—
Fig. 152.Fig. 152.Links: goudoogdaas; daaronder de larve van de runderdaas, die aan den rechterkant is afgebeeld. (Nat. gr.)
Fig. 152.
Links: goudoogdaas; daaronder de larve van de runderdaas, die aan den rechterkant is afgebeeld. (Nat. gr.)
Defamilie der dazenofbremsenbestaat uit groote of middelmatig groote vliegen met een stevig gebouwd lichaam, een’ flink gebouwden kop, een plat achterlijf en stevige pooten. De wijfjes zuigen bloed en worden door hare steken lastig voor mensch en dier. De larven leven in den grond en zijn onschadelijk.—Paardendaas, runderdaas, regendaas, goudoogdaas.—
Defamilie der roofvliegenzijn meer slank en dun dan de dazen,met welke zij overigens den stevigen bouw en de flinke pooten gemeen hebben. Zij dooden vele insekten, die zij uitzuigen; den mensch en de huisdieren laten zij met rust.—
Familie zweefvliegen.Stevig gebouwd, vrij breed. Meerendeels levendig gekleurd, met zwarte en gele banden op het achterlijf. Zij houden zich soms een’ tijd lang op eene bepaalde plaats in de lucht staande of zwevende, waarbij zij de vleugels zeer snel op en neer slaan. De larven van enkele soorten leven in bollen van planten (uienzweefvlieg, narcisvlieg); die van andere soorten in vuil water (“gootmaden”); de meesten echter leven op bladeren te midden van bladluizen, die zij uitzuigen.—
Ware vliegenhebben een’ zuigsnuit, niet geschikt om te steken. In hoofdzaken komen zij met dezwarte kamervliegin bouw overeen. Behalve deze laatste, welker made in mest leeft, behooren tot deze familie: deblauwe bromvliegen devleeschvlieg, welker maden in gekookt of rauw vleesch leven,—deschapenvlieg, die als made in de huid en in de daaronder gelegen deelen van ’t schaap parasiteert,—debloemvliegen, welker maden òf in mest òf in planten leven (bijv. koolvlieg, uienvlieg, bietenvlieg),—degroenoogen, die als made in grasachtige gewassen parasiteeren (halmvlieg, fritvlieg),—deparasietvliegen, welker maden zich in levende rupsen ontwikkelen, en die in de huishouding der natuur dezelfde rol spelen als de sluipwespen (zie bl.153),—dehorzels(fig. 123), die als made in de maag of den darm (paardenhorzel), in de neusholte (schapenhorzel) of onder de huid (runderhorzel) van verschillende dieren parasiteeren.—
Luisvliegen.Lichaam plat; huid leerachtig, taai. Kromgebogen voorpooten, geschikt voor ’t klauteren in de haren van de dieren, waarop zij parasitisch leven en welker bloed zij zuigen. Sommige soorten (paardenluisvlieg) hebben twee vleugels; andere zijn ongevleugeld en lijken dan zeer veel op luizen (de zoogenaamde “schapenluis” of “schapenteek”, die eigenlijkschapenluisvliegmoet worden genoemd, daar er bovendien eene ware schapenluis en eene ware schapenteek bestaan). Niet slechts komt bij de luisvliegen de made reeds binnen het moederlichaam uit het ei te voorschijn (dit isook bij enkele andere insekten ’t geval, o. a. bij de schapenhorzel en bij de grauwe vleeschvlieg!); maar de enkele made, die tot ontwikkeling komt, wordt volwassen geboren en verpoptonmiddellijkna hare geboorte. Terwijl de meeste insekten slechts éénmaal zich voortplanten en daarna sterven, herhaalt zich de voortplanting bij de luisvliegen. Telkens verlaat zoo’n insekt, om eene made ter wereld te brengen, het dier, waarop het leeft; de made wordt dan in eene reet tusschen planken, in een gaatje in den grond of op eene andere beschutte plaats geboren.
Orde Vlooien.Fig. 153.Fig. 153.Gewone vloo: 1 = volwassen insekt, 2 = larve, 3 = pop. (Zeer vergr.)Ongevleugeld. In de lengte gegroeide monddeelen, geschikt om te steken en bloed te zuigen. Geen vleugels. Springpooten. Eene volkomen gedaanteverwisseling (bl.134): larve met een’ duidelijken kop, maar pootloos; pop onbedekt. De larve van de gewonemenschenvlooleeft in de reten van den vloer of op eene andere verscholen plaats. De vlooien zijn tijdelijke parasieten.
Fig. 153.Fig. 153.Gewone vloo: 1 = volwassen insekt, 2 = larve, 3 = pop. (Zeer vergr.)
Fig. 153.
Gewone vloo: 1 = volwassen insekt, 2 = larve, 3 = pop. (Zeer vergr.)
Ongevleugeld. In de lengte gegroeide monddeelen, geschikt om te steken en bloed te zuigen. Geen vleugels. Springpooten. Eene volkomen gedaanteverwisseling (bl.134): larve met een’ duidelijken kop, maar pootloos; pop onbedekt. De larve van de gewonemenschenvlooleeft in de reten van den vloer of op eene andere verscholen plaats. De vlooien zijn tijdelijke parasieten.
Orde Luizen.Lichaam plat, ongevleugeld. Monddeelen op een snuitvormig aanhangsel gezeten; de monddeelen zelve echter zijn zuigend (ware luizen, die bloed zuigen) of bijtend (vacht-ofhaarluizen, die stukjes haar ofhuidschilferseten). De luizen hebben kleine enkelvoudige oogjes of zijn geheel blind. Voorpooten gekromd, geschikt om ermee door haren te klauteren. Geene gedaanteverwisseling.
Lichaam plat, ongevleugeld. Monddeelen op een snuitvormig aanhangsel gezeten; de monddeelen zelve echter zijn zuigend (ware luizen, die bloed zuigen) of bijtend (vacht-ofhaarluizen, die stukjes haar ofhuidschilferseten). De luizen hebben kleine enkelvoudige oogjes of zijn geheel blind. Voorpooten gekromd, geschikt om ermee door haren te klauteren. Geene gedaanteverwisseling.
Orde Spring- en Franjestaarten.Kleine, ongevleugelde, met schubbetjes of haartjes bedekte insekten, met bijtende monddeelen. Geene gedaanteverwisseling. Aan het uiteinde van ’t achterlijf òf draadvormige aanhangselen (franjestaarten) òf een gaffelvormig verdeelde staart, die langs de buikzijde van het lichaam naar voren wordt gestoken en voor ’t springen gebruikt wordt (springstaarten).—Tot de franjestaarten behoort o. a. desuikergast; tot de springstaarten behooren de geslachtenPodura,Smynthurus, enz.
Kleine, ongevleugelde, met schubbetjes of haartjes bedekte insekten, met bijtende monddeelen. Geene gedaanteverwisseling. Aan het uiteinde van ’t achterlijf òf draadvormige aanhangselen (franjestaarten) òf een gaffelvormig verdeelde staart, die langs de buikzijde van het lichaam naar voren wordt gestoken en voor ’t springen gebruikt wordt (springstaarten).—Tot de franjestaarten behoort o. a. desuikergast; tot de springstaarten behooren de geslachtenPodura,Smynthurus, enz.
Klasse II. Duizendpootachtigen.Deze ademen door luchtbuizen (bl.129). Het lichaam bestaat uit een’ kop en een groot aantal aan elkaar gelijke leden, die allen ledematen bezitten (fig. 112op bl.127). Één paar sprieten.—Men onderscheidt: 1º. deeigenlijke duizendpooten, die aan elk lichaamslid één paar pooten hebben, en die in ’t bezit zijn van monddeelen, welke voor roof geschikt zijn, 2º. demillioenpootenmet twee paar pooten aan ieder lichaamslid, en monddeelen, die geschikt zijn voor ’t eten van humusachtige zelfstandigheden en van plantendeelen. Tot de millioenpooten behooren de zoogenaamde “oprollers”, die zich gaarne spiraalvormig inéénrollen. Sommige soorten van oprollers eten kiemende zaden (bietenzaad, erwten) of saprijke plantendeelen (aardappelen, knollen, wortelen).
Deze ademen door luchtbuizen (bl.129). Het lichaam bestaat uit een’ kop en een groot aantal aan elkaar gelijke leden, die allen ledematen bezitten (fig. 112op bl.127). Één paar sprieten.—Men onderscheidt: 1º. deeigenlijke duizendpooten, die aan elk lichaamslid één paar pooten hebben, en die in ’t bezit zijn van monddeelen, welke voor roof geschikt zijn, 2º. demillioenpootenmet twee paar pooten aan ieder lichaamslid, en monddeelen, die geschikt zijn voor ’t eten van humusachtige zelfstandigheden en van plantendeelen. Tot de millioenpooten behooren de zoogenaamde “oprollers”, die zich gaarne spiraalvormig inéénrollen. Sommige soorten van oprollers eten kiemende zaden (bietenzaad, erwten) of saprijke plantendeelen (aardappelen, knollen, wortelen).
Klasse III. Spinachtigen.Fig. 154. Kruisspin. (Iets vergr.)Fig. 154. Kruisspin. (Iets vergr.)De spinachtigen ademen—voorzoover zij behalve de huid nog afzonderlijke ademhalingsorganen hebben—door tracheeën of door zoogenoemde “longzakken”, die slechts eene wijziging van tracheeënzijn. Het lichaam bestaat hoogstens (zooals bij de ware spinnen) uit twee lichaamsafdeelingen, welke ieder voor zich ongeleed zijn:kopborststukenachterlijf(fig. 154). Terwijl het laatste lichaamsdeel geene ledematen heeft, bezit het eerste als aanhangselen de vergift uitstortende monddeelen, alsmede 4 paar pooten.Er zijn echter ook spinachtigen (de mijten,fig. 155), bij welke ook ’t kopborststuk en ’t achterlijf nog weer tot één ongeleed lichaam vereenigd zijn, zoodat het dier nog slechts door de gelede pooten als een Geleed dier te herkennen is (zie bl.127).Tot de spinachtigen behooren o. a. de volgende orden:ware spinnen,schorpioenen,langpootspinnenofhooiwagens,mijten.Fig. 155. De gewone teek, in niet volgezogen toestand. (Vergroot.)Fig. 155. De gewone teek, in niet volgezogen toestand. (Vergroot.)Deware spinnenzijn, voorzoover zij òf rustig in hare web zittende òf de prooi achtervolgende, schadelijke of lastige insekten vangen, eenigszins nuttig.Tot demijtenbehooren o. a. dekaasmijt, die op harde soorten van kaas bij duizenden kan voorkomen, en de kaas in een poeder verandert,—demeelmijt, die zich sterk vermeerdert in meel, dat op eene warme, vochtige plaats bewaard wordt,—deschurftmijten, waarvan verschillende soorten bij onderscheiden dieren en ook bij den mensch eene huidziekte kunnen veroorzaken,—deteken, die gewoonlijk op den grond leven, maar soms tegen struiken en kruidachtige planten opklimmen, om van deze op honden, schapen, runderen, enz., ook wel op den mensch, over te gaan, waaraan zij zich vast hechten, en dien zij bloed afzuigen.
Fig. 154. Kruisspin. (Iets vergr.)Fig. 154. Kruisspin. (Iets vergr.)
Fig. 154. Kruisspin. (Iets vergr.)
De spinachtigen ademen—voorzoover zij behalve de huid nog afzonderlijke ademhalingsorganen hebben—door tracheeën of door zoogenoemde “longzakken”, die slechts eene wijziging van tracheeënzijn. Het lichaam bestaat hoogstens (zooals bij de ware spinnen) uit twee lichaamsafdeelingen, welke ieder voor zich ongeleed zijn:kopborststukenachterlijf(fig. 154). Terwijl het laatste lichaamsdeel geene ledematen heeft, bezit het eerste als aanhangselen de vergift uitstortende monddeelen, alsmede 4 paar pooten.
Er zijn echter ook spinachtigen (de mijten,fig. 155), bij welke ook ’t kopborststuk en ’t achterlijf nog weer tot één ongeleed lichaam vereenigd zijn, zoodat het dier nog slechts door de gelede pooten als een Geleed dier te herkennen is (zie bl.127).
Tot de spinachtigen behooren o. a. de volgende orden:ware spinnen,schorpioenen,langpootspinnenofhooiwagens,mijten.
Fig. 155. De gewone teek, in niet volgezogen toestand. (Vergroot.)Fig. 155. De gewone teek, in niet volgezogen toestand. (Vergroot.)
Fig. 155. De gewone teek, in niet volgezogen toestand. (Vergroot.)
Deware spinnenzijn, voorzoover zij òf rustig in hare web zittende òf de prooi achtervolgende, schadelijke of lastige insekten vangen, eenigszins nuttig.
Tot demijtenbehooren o. a. dekaasmijt, die op harde soorten van kaas bij duizenden kan voorkomen, en de kaas in een poeder verandert,—demeelmijt, die zich sterk vermeerdert in meel, dat op eene warme, vochtige plaats bewaard wordt,—deschurftmijten, waarvan verschillende soorten bij onderscheiden dieren en ook bij den mensch eene huidziekte kunnen veroorzaken,—deteken, die gewoonlijk op den grond leven, maar soms tegen struiken en kruidachtige planten opklimmen, om van deze op honden, schapen, runderen, enz., ook wel op den mensch, over te gaan, waaraan zij zich vast hechten, en dien zij bloed afzuigen.
Klasse IV. Schaaldieren.De schaaldieren ademen door kieuwen; de meesten leven dan ook in het water, en de landschaaldieren (sommige pissebedden) houden zich steeds op eenigszins vochtige plaatsen op. Huid hard en dik, met kalkafzetting. Twee paar sprieten.—Voorbeelden: kreeften, krabben, pissebedden.
De schaaldieren ademen door kieuwen; de meesten leven dan ook in het water, en de landschaaldieren (sommige pissebedden) houden zich steeds op eenigszins vochtige plaatsen op. Huid hard en dik, met kalkafzetting. Twee paar sprieten.—Voorbeelden: kreeften, krabben, pissebedden.