VIJFDE HOOFDSTUK.EEN VLINDERDROOM.Er waren maar drie menschen en een hond in de boot, maar de boot was overladen. Niet dat de hond zoo groot was, noch zelfs de menschen. Het was heel en al de schuld van den dag. Het was een dag waarop men de gansche natuur voor zich zelf alleen zou willen hebben, zoo vol zonneschijn en fladderende vlinders, zoo stralend vol van warme groetenissen van den komenden zomer, zoo wonderbaar kalm en klaar. Zelfzuchtig maakt een zoo groote vreugde, men is er boordevol van en zou toch steeds nog meer willen hebben. Te schoon leek alles om het aan zoo velen te verkwisten, en toch, hoe zou één geest de grootheid er van kunnen omvatten?De witte boot dreef op een blauwglanzende zee. De reef-ringen tikten eentonig als de zeilen klapperden bij het zwaaien van den gaffel. Zorgeloos dreef de boot voort op de nauwlijks merkbare deining, regelmatig, als de ademhaling van een slapend kind. Geluid en beweging noodden tot sluimer. De schitterende zee, de groen en purperen eilanden, de zachte, zoete lucht, de volle glorie van een wonderbaren dag suste alle zinnen. Ginds, vier mijlen ver, lag het eiland en vlak bij onsstegen telkens schildpadden, als groote ballons, omhoog uit de koraaltuinen beneden. Een luchtspiegeling hief de eilandjes in de verte uit het water, onder hun purper liep de zilveren zee door tot waar zij in den blauwen hemel scheen te verdwijnen.Maar nog wonderbaarlijker was de aanblik van myriaden vlinders, die in een eindeloozen, mijlen breeden stoet over zee vlogen, in de ademlooze stilte kon men het wieken van hun feeënvleugels hooren, als een zwak, onafgebroken gegons. Zij kwamen uit de geurende wildernis van het vastland en fladderden, door welk vreemd instinkt gedreven weet ik niet, mijlen ver naar hun „gelukzalige eilanden.”Ook hun verscheidenheid was groot. Zeer talrijk was een lieflijke teere vlinder met doorschijnende en purpergevlekte vleugels. Bij deze lichtvalling leek het purper zwart en de doorschijnende vlekken staalblauw. In heele zwermen, zonder begin of einde trokken zij voorbij, de gansche hemel schitterde van hun dwarrelend mozaiek. Dan was er een groote, met machtige vlucht, groen, goud en zwart, soms vergezeld door een minder fraai getinten kameraad; verder een in koninklijk blauw, die kon vliegen met de snelheid eener zwaluw. Minder talrijk was die scharlaken en zwarte, die de fonkelende hibiscusbloem jaloersch maakt op zijn kleur. De kleine geeltjes vlogen drukklapwiekend, laag over het water, vermoeid door den langen tocht; soms zetten zij zich, wemelde vlekjes goud, neer op het witte zeil om te rusten.Er kwam geen eind aan hun vlucht, de geheele lucht was er van vervuld en men werd moede van het voortdurend kijken naar die schoone, teere, als juweelen schitterende vlinders. Zonder gids of leider vlogen zij voort in den vollen zonneschijn, de gevaren van water en wind trotseerend, in onverstoorde blijheid.Van tijd tot tijd kwam een schildpad even boven om,zoodra zij ons zeil gewaar werd, na een bobbelend gesnuif weer onder te duiken, een reeks concentrische kringen achterlatend. Traag dreven wij voort, wachtend op een briesje dat maar niet komen wilde en al maar fladderde de lange vlinderstoet ons voorbij, mijlen, mijlen breed. De negers begonnen te klagen, zij zagen er tegen op de boot huiswaarts te moeten roeien en door roepen en fluitentrachttenzij den wind te lokken. Maar hij kwam niet. De geheele namiddag verstreek, de avond begon te vallen en de vlinders wiekten nog steeds voorbij, een dun, teergetint weefsel.Toen riep plotseling een onverantwoordelijke neger, die bang was dat hij dien dag zijn avondmaal van gebraden schildpadvleesch er bij in zou schieten:„Kom op, groote wind en pak kleine boot!” En als om de uitdaging aan te nemen streek een zachte zephier over den oceaan en deed de zeilen klapperen. En zoo dreven wij langzaam de kalme baai in.DE BEDROGEN SLANG.Niet lang geleden zetten wij een bescheiden hoenderpark op. Het denkbeeld om door het fokken van kippen zoo niet een rijk, dan toch een eenigszins comfortabel bestaan te vinden, is volstrekt niet nieuw en ik zou onze pogingen dan ook niet eens vermelden als er zich niet een eigenaardige tegenslag bij had voorgedaan. Zoowel de quantiteit als de qualiteit der eieren was voor ons van belang; de eerste nu hing geheel van de kippen zelf af, doch de laatste meenden wij te kunnen beïnvloeden. Om de kippen geen verontschuldiging te geven voor een mogelijke verflauwing in hun ijver en ontaarding der eieren, kochten wij een aantal porceleinen nest-eieren van behoorlijke afmetingen, die hen steeds tot voorbeeldzouden dienen.Wij legden ze neer op voor de kippen in het oog vallende plaatsen en natuurlijk begrepen de beesten wat er van hen verwacht werd. Geen kip, die eenige achting voor zich zelf heeft, wenscht door eennest-eibeschaamd te worden. En zoo ging het ook hier, de hoenders legden steeds beter eieren, zonder veel moeite werd het steenen voorbeeld overtroffen en nu begon een onderlinge record-wedstrijd. De onderneming bloeide en de kippen kakelden trotsch en voldaan. Maar na twee of drie maanden begon de grootte der eieren weer langzaam af te nemen. De kippen maakten evenveel drukte, maar de eieren daalden beneden den door onze berekeningen vereischten omvang. Een onderzoek werd ingesteld en nu bleek dat er geen enkel nest-ei meer te vinden was. De kippen grinnikten, ik kon niet anders aannemen dan dat zij, beu van het leggen van zulke abnormale eieren, de voorbeelden hadden verstopt en een dergelijke schandalige ondankbaarheid van welopgevoede kippen, die nooit in een andermans tuin hadden hoeven pikken en nooit van het pad der deugd hadden mogen afwijken, griefde mij diep.Maar op een goeden dag werd er een nest-ei diep in het kreupelhout gevonden, en een poosje later nog een in een kreek, een kwartmijl verder, daarna nog een derde in een hollen boom. Ten aanschouwe van de verzamelde kippen werden zij plechtig weer op hun gewone plaats neergelegd en na een paar dagen trad reeds een merkbare verandering ten goede in. Het duurde evenwel niet lang of de nest-eieren waren opnieuw verdwenen en weer wisten de kippen niet meer waaraan zij zich hadden te houden.Eens, onder het voederen, werd ik opgeschrikt door een luiden kreet.„Sse-lang, sse-lang!”Ja, er was een slang. Ongeveer de helft—de achterste helft—van het dier stak uit een knoestgataan de achterzijde van een leghokje. Een stevige vuist greep haar en trachtte haar uit het gat te rukken. Vergeefs, zij scheen niet te willen loslaten, ofschoon men door den open voorkant van het hokje zien kon dat zij zich vrij benauwd voelde. Eindelijk brak zij middendoor. In de achterste helft bevond zich een dikte, een operatie bracht een nest-ei te voorschijn. Maar waarom had de slang zich zoo heftig verzet? Haar voorste helft werd naar buiten geharkt en ook deze vertoonde een ovale verdikking.... een tweede nest-ei! Klaarblijkelijk had de slang ergens een porcelein-ei verzwolgen, was toen door het knoestgat gekropen en had in het hokje het tweede te pakken gekregen. Ontsnapping was niet meer mogelijk en halveering was de eenige oplossing.Er was geen aanleiding meer de kippen van plichtverzaking te verdenken. In het vervolg zetten wij steeds vallen uit voor slangen. Zij bestaan uit een doos, waarin een porcelein-ei op een bosje gras wordt neergelegd en die van boven met draadgaas bedekt is. De slang kruipt er door heen, maar kan, wanneer zij het ei verzwolgen heeft, niet meer terug en moet wachten tot haar noodlot nadert in de gedaante van een glunderen neger met een langgesteelden schop.AVONTUUR MET EEN KROKODIL.Te spreken over de kust van Queensland zonder van een avontuur met een krokodil te gewagen zou zeker bij vele critici een schaduw werpen op de waarschijnlijkheid van al mijn andere mededeelingen. Ik acht mij dies verplicht mijn lezers te vergasten op het relaas van mijn ontmoeting met zulk een ondier.Aan de oostzijde van het eiland bevindt zich een plekje dat door de inboorlingen „Panjoo” (het mooieplekje) genoemd wordt. Een steile grashelling daalt er neer naar de zee, hiervan nog gescheiden door een strook begroeid met pandanuspalmen. In het noorden wordt het begrensd door een met een wildernis overdekten uitlooper van den bergrug, aan den voet waarvan een kreekje stroomt, dat onder den schaduw van zwaar gebladerte uitmondt in een met rotsblokken bezaaiden inham. In het zuiden vormt een rijtje lage, door den wind gebogenacacia’sde grens. De Stille Oceaan kabbelt aan den voet der geweldige rotsen, waartusschen een enkele havelooze palm (Caryota) oprijst met zijn zware bundels gele, smakelooze vruchten, die elk twee zaden als koffieboonen bevatten. Panjoo is een zeer geliefd plekje, want het kan van verschillende kanten op een gemakkelijke en aangename wijze bereikt worden, maar voor een krokodil is het wel het denkbaar ongeschiktste oord.Op een schoonen Novembermorgen togen wij, (Paddy, de meest zwijgzame en pienterste aller negers en ik zelf) hier heen. Het was vloed en wij konden betrekkelijk gemakkelijk landen. Jaren geleden was er een geweldige cederboom tusschen de rotsblokken geworpen en toen ik naar den stam keek wees Paddy mij met een schok van verrassing op een krokodil, die klaarblijkelijk lag te slapen, met zijn kop in de schaduw van een rots. Ik had een buks bij mij, meer voor de gezelligheid dan voor gebruik, want Paddy, hoe levendig en vroolijk van aard ook, zei nooit een stom woord. Zijn geheele conversatie bestond vrijwel alleen uit veelbeteekenende blikken en gebaren. Een lettergreep was voor hem een moeilijke zin, vier of vijf woorden een geheele redevoering. Evenals generaal Von Moltke was hij afkeerig van spreken, tenzij het een levenskwestie gold. De aanwezigheid van een tien voet langen krokodil van onbekende woestheid scheen nu zulk een levenskwestie voor hem te zijn. Haastig bespraken wij fluisterend ons krijgsplan. Het kaliber van mijn buks was 22, haar snelheid zeer bescheiden, dekogel van zacht lood. Tenzij ik den krokodil in het oog trof en het geluk had de kleine hersenen te raken, was er bitter weinig kans op eenig succes. Maar een zoo zeldzame trophee als een krokodillenschedel, waarvan men op het eiland nog nooit gehoord of gezien had, ons te laten ontglippen ging toch niet aan en zoo vermanden wij ons.Paddy wapende zich met zware steenen en wij naderden langzaam en voorzichtig. De krokodil bewoog zich niet. Toen, juist, terwijl ik mijn buks aanlegde, stak Paddy den platten neus in de lucht, snoof en fluisterde op droeven toon: „dood.”Een krokodil heeft altijd een eigenaardige lucht, een verbinding van visch en zeer sterken muskus, maar Paddy had iets anders geroken dan deze welbekende lucht: den stank van een cadaver. Blijkbaar was het beest reeds den vorigen dag gestorven, het vertoonde geen enkele wond, breuk of zweer. Alle tanden waren gaaf. Met stokken wrikten wij het lichaam voort tot buiten de vloedgrens. Een paar maanden later, toen de natuur het hare gedaan had om het vleesch te verwijderen, keerden wij terug om het geraamte te halen. De tanden zijn nu wijd en zijd verspreid als herinneringen aan den eersten en eenigsten krokodil dien men ooit dood heeft gevonden. Ik waag de gissing dat hij afkomstig was uit de Tully of Hull-rivier, of een of andere kreek zonder naam op het vasteland en, uit zijn koers geraakt, te Panjoo belandde om op deze ongewende plaats in een aanval van heimwee te bezwijken.
VIJFDE HOOFDSTUK.EEN VLINDERDROOM.Er waren maar drie menschen en een hond in de boot, maar de boot was overladen. Niet dat de hond zoo groot was, noch zelfs de menschen. Het was heel en al de schuld van den dag. Het was een dag waarop men de gansche natuur voor zich zelf alleen zou willen hebben, zoo vol zonneschijn en fladderende vlinders, zoo stralend vol van warme groetenissen van den komenden zomer, zoo wonderbaar kalm en klaar. Zelfzuchtig maakt een zoo groote vreugde, men is er boordevol van en zou toch steeds nog meer willen hebben. Te schoon leek alles om het aan zoo velen te verkwisten, en toch, hoe zou één geest de grootheid er van kunnen omvatten?De witte boot dreef op een blauwglanzende zee. De reef-ringen tikten eentonig als de zeilen klapperden bij het zwaaien van den gaffel. Zorgeloos dreef de boot voort op de nauwlijks merkbare deining, regelmatig, als de ademhaling van een slapend kind. Geluid en beweging noodden tot sluimer. De schitterende zee, de groen en purperen eilanden, de zachte, zoete lucht, de volle glorie van een wonderbaren dag suste alle zinnen. Ginds, vier mijlen ver, lag het eiland en vlak bij onsstegen telkens schildpadden, als groote ballons, omhoog uit de koraaltuinen beneden. Een luchtspiegeling hief de eilandjes in de verte uit het water, onder hun purper liep de zilveren zee door tot waar zij in den blauwen hemel scheen te verdwijnen.Maar nog wonderbaarlijker was de aanblik van myriaden vlinders, die in een eindeloozen, mijlen breeden stoet over zee vlogen, in de ademlooze stilte kon men het wieken van hun feeënvleugels hooren, als een zwak, onafgebroken gegons. Zij kwamen uit de geurende wildernis van het vastland en fladderden, door welk vreemd instinkt gedreven weet ik niet, mijlen ver naar hun „gelukzalige eilanden.”Ook hun verscheidenheid was groot. Zeer talrijk was een lieflijke teere vlinder met doorschijnende en purpergevlekte vleugels. Bij deze lichtvalling leek het purper zwart en de doorschijnende vlekken staalblauw. In heele zwermen, zonder begin of einde trokken zij voorbij, de gansche hemel schitterde van hun dwarrelend mozaiek. Dan was er een groote, met machtige vlucht, groen, goud en zwart, soms vergezeld door een minder fraai getinten kameraad; verder een in koninklijk blauw, die kon vliegen met de snelheid eener zwaluw. Minder talrijk was die scharlaken en zwarte, die de fonkelende hibiscusbloem jaloersch maakt op zijn kleur. De kleine geeltjes vlogen drukklapwiekend, laag over het water, vermoeid door den langen tocht; soms zetten zij zich, wemelde vlekjes goud, neer op het witte zeil om te rusten.Er kwam geen eind aan hun vlucht, de geheele lucht was er van vervuld en men werd moede van het voortdurend kijken naar die schoone, teere, als juweelen schitterende vlinders. Zonder gids of leider vlogen zij voort in den vollen zonneschijn, de gevaren van water en wind trotseerend, in onverstoorde blijheid.Van tijd tot tijd kwam een schildpad even boven om,zoodra zij ons zeil gewaar werd, na een bobbelend gesnuif weer onder te duiken, een reeks concentrische kringen achterlatend. Traag dreven wij voort, wachtend op een briesje dat maar niet komen wilde en al maar fladderde de lange vlinderstoet ons voorbij, mijlen, mijlen breed. De negers begonnen te klagen, zij zagen er tegen op de boot huiswaarts te moeten roeien en door roepen en fluitentrachttenzij den wind te lokken. Maar hij kwam niet. De geheele namiddag verstreek, de avond begon te vallen en de vlinders wiekten nog steeds voorbij, een dun, teergetint weefsel.Toen riep plotseling een onverantwoordelijke neger, die bang was dat hij dien dag zijn avondmaal van gebraden schildpadvleesch er bij in zou schieten:„Kom op, groote wind en pak kleine boot!” En als om de uitdaging aan te nemen streek een zachte zephier over den oceaan en deed de zeilen klapperen. En zoo dreven wij langzaam de kalme baai in.DE BEDROGEN SLANG.Niet lang geleden zetten wij een bescheiden hoenderpark op. Het denkbeeld om door het fokken van kippen zoo niet een rijk, dan toch een eenigszins comfortabel bestaan te vinden, is volstrekt niet nieuw en ik zou onze pogingen dan ook niet eens vermelden als er zich niet een eigenaardige tegenslag bij had voorgedaan. Zoowel de quantiteit als de qualiteit der eieren was voor ons van belang; de eerste nu hing geheel van de kippen zelf af, doch de laatste meenden wij te kunnen beïnvloeden. Om de kippen geen verontschuldiging te geven voor een mogelijke verflauwing in hun ijver en ontaarding der eieren, kochten wij een aantal porceleinen nest-eieren van behoorlijke afmetingen, die hen steeds tot voorbeeldzouden dienen.Wij legden ze neer op voor de kippen in het oog vallende plaatsen en natuurlijk begrepen de beesten wat er van hen verwacht werd. Geen kip, die eenige achting voor zich zelf heeft, wenscht door eennest-eibeschaamd te worden. En zoo ging het ook hier, de hoenders legden steeds beter eieren, zonder veel moeite werd het steenen voorbeeld overtroffen en nu begon een onderlinge record-wedstrijd. De onderneming bloeide en de kippen kakelden trotsch en voldaan. Maar na twee of drie maanden begon de grootte der eieren weer langzaam af te nemen. De kippen maakten evenveel drukte, maar de eieren daalden beneden den door onze berekeningen vereischten omvang. Een onderzoek werd ingesteld en nu bleek dat er geen enkel nest-ei meer te vinden was. De kippen grinnikten, ik kon niet anders aannemen dan dat zij, beu van het leggen van zulke abnormale eieren, de voorbeelden hadden verstopt en een dergelijke schandalige ondankbaarheid van welopgevoede kippen, die nooit in een andermans tuin hadden hoeven pikken en nooit van het pad der deugd hadden mogen afwijken, griefde mij diep.Maar op een goeden dag werd er een nest-ei diep in het kreupelhout gevonden, en een poosje later nog een in een kreek, een kwartmijl verder, daarna nog een derde in een hollen boom. Ten aanschouwe van de verzamelde kippen werden zij plechtig weer op hun gewone plaats neergelegd en na een paar dagen trad reeds een merkbare verandering ten goede in. Het duurde evenwel niet lang of de nest-eieren waren opnieuw verdwenen en weer wisten de kippen niet meer waaraan zij zich hadden te houden.Eens, onder het voederen, werd ik opgeschrikt door een luiden kreet.„Sse-lang, sse-lang!”Ja, er was een slang. Ongeveer de helft—de achterste helft—van het dier stak uit een knoestgataan de achterzijde van een leghokje. Een stevige vuist greep haar en trachtte haar uit het gat te rukken. Vergeefs, zij scheen niet te willen loslaten, ofschoon men door den open voorkant van het hokje zien kon dat zij zich vrij benauwd voelde. Eindelijk brak zij middendoor. In de achterste helft bevond zich een dikte, een operatie bracht een nest-ei te voorschijn. Maar waarom had de slang zich zoo heftig verzet? Haar voorste helft werd naar buiten geharkt en ook deze vertoonde een ovale verdikking.... een tweede nest-ei! Klaarblijkelijk had de slang ergens een porcelein-ei verzwolgen, was toen door het knoestgat gekropen en had in het hokje het tweede te pakken gekregen. Ontsnapping was niet meer mogelijk en halveering was de eenige oplossing.Er was geen aanleiding meer de kippen van plichtverzaking te verdenken. In het vervolg zetten wij steeds vallen uit voor slangen. Zij bestaan uit een doos, waarin een porcelein-ei op een bosje gras wordt neergelegd en die van boven met draadgaas bedekt is. De slang kruipt er door heen, maar kan, wanneer zij het ei verzwolgen heeft, niet meer terug en moet wachten tot haar noodlot nadert in de gedaante van een glunderen neger met een langgesteelden schop.AVONTUUR MET EEN KROKODIL.Te spreken over de kust van Queensland zonder van een avontuur met een krokodil te gewagen zou zeker bij vele critici een schaduw werpen op de waarschijnlijkheid van al mijn andere mededeelingen. Ik acht mij dies verplicht mijn lezers te vergasten op het relaas van mijn ontmoeting met zulk een ondier.Aan de oostzijde van het eiland bevindt zich een plekje dat door de inboorlingen „Panjoo” (het mooieplekje) genoemd wordt. Een steile grashelling daalt er neer naar de zee, hiervan nog gescheiden door een strook begroeid met pandanuspalmen. In het noorden wordt het begrensd door een met een wildernis overdekten uitlooper van den bergrug, aan den voet waarvan een kreekje stroomt, dat onder den schaduw van zwaar gebladerte uitmondt in een met rotsblokken bezaaiden inham. In het zuiden vormt een rijtje lage, door den wind gebogenacacia’sde grens. De Stille Oceaan kabbelt aan den voet der geweldige rotsen, waartusschen een enkele havelooze palm (Caryota) oprijst met zijn zware bundels gele, smakelooze vruchten, die elk twee zaden als koffieboonen bevatten. Panjoo is een zeer geliefd plekje, want het kan van verschillende kanten op een gemakkelijke en aangename wijze bereikt worden, maar voor een krokodil is het wel het denkbaar ongeschiktste oord.Op een schoonen Novembermorgen togen wij, (Paddy, de meest zwijgzame en pienterste aller negers en ik zelf) hier heen. Het was vloed en wij konden betrekkelijk gemakkelijk landen. Jaren geleden was er een geweldige cederboom tusschen de rotsblokken geworpen en toen ik naar den stam keek wees Paddy mij met een schok van verrassing op een krokodil, die klaarblijkelijk lag te slapen, met zijn kop in de schaduw van een rots. Ik had een buks bij mij, meer voor de gezelligheid dan voor gebruik, want Paddy, hoe levendig en vroolijk van aard ook, zei nooit een stom woord. Zijn geheele conversatie bestond vrijwel alleen uit veelbeteekenende blikken en gebaren. Een lettergreep was voor hem een moeilijke zin, vier of vijf woorden een geheele redevoering. Evenals generaal Von Moltke was hij afkeerig van spreken, tenzij het een levenskwestie gold. De aanwezigheid van een tien voet langen krokodil van onbekende woestheid scheen nu zulk een levenskwestie voor hem te zijn. Haastig bespraken wij fluisterend ons krijgsplan. Het kaliber van mijn buks was 22, haar snelheid zeer bescheiden, dekogel van zacht lood. Tenzij ik den krokodil in het oog trof en het geluk had de kleine hersenen te raken, was er bitter weinig kans op eenig succes. Maar een zoo zeldzame trophee als een krokodillenschedel, waarvan men op het eiland nog nooit gehoord of gezien had, ons te laten ontglippen ging toch niet aan en zoo vermanden wij ons.Paddy wapende zich met zware steenen en wij naderden langzaam en voorzichtig. De krokodil bewoog zich niet. Toen, juist, terwijl ik mijn buks aanlegde, stak Paddy den platten neus in de lucht, snoof en fluisterde op droeven toon: „dood.”Een krokodil heeft altijd een eigenaardige lucht, een verbinding van visch en zeer sterken muskus, maar Paddy had iets anders geroken dan deze welbekende lucht: den stank van een cadaver. Blijkbaar was het beest reeds den vorigen dag gestorven, het vertoonde geen enkele wond, breuk of zweer. Alle tanden waren gaaf. Met stokken wrikten wij het lichaam voort tot buiten de vloedgrens. Een paar maanden later, toen de natuur het hare gedaan had om het vleesch te verwijderen, keerden wij terug om het geraamte te halen. De tanden zijn nu wijd en zijd verspreid als herinneringen aan den eersten en eenigsten krokodil dien men ooit dood heeft gevonden. Ik waag de gissing dat hij afkomstig was uit de Tully of Hull-rivier, of een of andere kreek zonder naam op het vasteland en, uit zijn koers geraakt, te Panjoo belandde om op deze ongewende plaats in een aanval van heimwee te bezwijken.
VIJFDE HOOFDSTUK.EEN VLINDERDROOM.Er waren maar drie menschen en een hond in de boot, maar de boot was overladen. Niet dat de hond zoo groot was, noch zelfs de menschen. Het was heel en al de schuld van den dag. Het was een dag waarop men de gansche natuur voor zich zelf alleen zou willen hebben, zoo vol zonneschijn en fladderende vlinders, zoo stralend vol van warme groetenissen van den komenden zomer, zoo wonderbaar kalm en klaar. Zelfzuchtig maakt een zoo groote vreugde, men is er boordevol van en zou toch steeds nog meer willen hebben. Te schoon leek alles om het aan zoo velen te verkwisten, en toch, hoe zou één geest de grootheid er van kunnen omvatten?De witte boot dreef op een blauwglanzende zee. De reef-ringen tikten eentonig als de zeilen klapperden bij het zwaaien van den gaffel. Zorgeloos dreef de boot voort op de nauwlijks merkbare deining, regelmatig, als de ademhaling van een slapend kind. Geluid en beweging noodden tot sluimer. De schitterende zee, de groen en purperen eilanden, de zachte, zoete lucht, de volle glorie van een wonderbaren dag suste alle zinnen. Ginds, vier mijlen ver, lag het eiland en vlak bij onsstegen telkens schildpadden, als groote ballons, omhoog uit de koraaltuinen beneden. Een luchtspiegeling hief de eilandjes in de verte uit het water, onder hun purper liep de zilveren zee door tot waar zij in den blauwen hemel scheen te verdwijnen.Maar nog wonderbaarlijker was de aanblik van myriaden vlinders, die in een eindeloozen, mijlen breeden stoet over zee vlogen, in de ademlooze stilte kon men het wieken van hun feeënvleugels hooren, als een zwak, onafgebroken gegons. Zij kwamen uit de geurende wildernis van het vastland en fladderden, door welk vreemd instinkt gedreven weet ik niet, mijlen ver naar hun „gelukzalige eilanden.”Ook hun verscheidenheid was groot. Zeer talrijk was een lieflijke teere vlinder met doorschijnende en purpergevlekte vleugels. Bij deze lichtvalling leek het purper zwart en de doorschijnende vlekken staalblauw. In heele zwermen, zonder begin of einde trokken zij voorbij, de gansche hemel schitterde van hun dwarrelend mozaiek. Dan was er een groote, met machtige vlucht, groen, goud en zwart, soms vergezeld door een minder fraai getinten kameraad; verder een in koninklijk blauw, die kon vliegen met de snelheid eener zwaluw. Minder talrijk was die scharlaken en zwarte, die de fonkelende hibiscusbloem jaloersch maakt op zijn kleur. De kleine geeltjes vlogen drukklapwiekend, laag over het water, vermoeid door den langen tocht; soms zetten zij zich, wemelde vlekjes goud, neer op het witte zeil om te rusten.Er kwam geen eind aan hun vlucht, de geheele lucht was er van vervuld en men werd moede van het voortdurend kijken naar die schoone, teere, als juweelen schitterende vlinders. Zonder gids of leider vlogen zij voort in den vollen zonneschijn, de gevaren van water en wind trotseerend, in onverstoorde blijheid.Van tijd tot tijd kwam een schildpad even boven om,zoodra zij ons zeil gewaar werd, na een bobbelend gesnuif weer onder te duiken, een reeks concentrische kringen achterlatend. Traag dreven wij voort, wachtend op een briesje dat maar niet komen wilde en al maar fladderde de lange vlinderstoet ons voorbij, mijlen, mijlen breed. De negers begonnen te klagen, zij zagen er tegen op de boot huiswaarts te moeten roeien en door roepen en fluitentrachttenzij den wind te lokken. Maar hij kwam niet. De geheele namiddag verstreek, de avond begon te vallen en de vlinders wiekten nog steeds voorbij, een dun, teergetint weefsel.Toen riep plotseling een onverantwoordelijke neger, die bang was dat hij dien dag zijn avondmaal van gebraden schildpadvleesch er bij in zou schieten:„Kom op, groote wind en pak kleine boot!” En als om de uitdaging aan te nemen streek een zachte zephier over den oceaan en deed de zeilen klapperen. En zoo dreven wij langzaam de kalme baai in.DE BEDROGEN SLANG.Niet lang geleden zetten wij een bescheiden hoenderpark op. Het denkbeeld om door het fokken van kippen zoo niet een rijk, dan toch een eenigszins comfortabel bestaan te vinden, is volstrekt niet nieuw en ik zou onze pogingen dan ook niet eens vermelden als er zich niet een eigenaardige tegenslag bij had voorgedaan. Zoowel de quantiteit als de qualiteit der eieren was voor ons van belang; de eerste nu hing geheel van de kippen zelf af, doch de laatste meenden wij te kunnen beïnvloeden. Om de kippen geen verontschuldiging te geven voor een mogelijke verflauwing in hun ijver en ontaarding der eieren, kochten wij een aantal porceleinen nest-eieren van behoorlijke afmetingen, die hen steeds tot voorbeeldzouden dienen.Wij legden ze neer op voor de kippen in het oog vallende plaatsen en natuurlijk begrepen de beesten wat er van hen verwacht werd. Geen kip, die eenige achting voor zich zelf heeft, wenscht door eennest-eibeschaamd te worden. En zoo ging het ook hier, de hoenders legden steeds beter eieren, zonder veel moeite werd het steenen voorbeeld overtroffen en nu begon een onderlinge record-wedstrijd. De onderneming bloeide en de kippen kakelden trotsch en voldaan. Maar na twee of drie maanden begon de grootte der eieren weer langzaam af te nemen. De kippen maakten evenveel drukte, maar de eieren daalden beneden den door onze berekeningen vereischten omvang. Een onderzoek werd ingesteld en nu bleek dat er geen enkel nest-ei meer te vinden was. De kippen grinnikten, ik kon niet anders aannemen dan dat zij, beu van het leggen van zulke abnormale eieren, de voorbeelden hadden verstopt en een dergelijke schandalige ondankbaarheid van welopgevoede kippen, die nooit in een andermans tuin hadden hoeven pikken en nooit van het pad der deugd hadden mogen afwijken, griefde mij diep.Maar op een goeden dag werd er een nest-ei diep in het kreupelhout gevonden, en een poosje later nog een in een kreek, een kwartmijl verder, daarna nog een derde in een hollen boom. Ten aanschouwe van de verzamelde kippen werden zij plechtig weer op hun gewone plaats neergelegd en na een paar dagen trad reeds een merkbare verandering ten goede in. Het duurde evenwel niet lang of de nest-eieren waren opnieuw verdwenen en weer wisten de kippen niet meer waaraan zij zich hadden te houden.Eens, onder het voederen, werd ik opgeschrikt door een luiden kreet.„Sse-lang, sse-lang!”Ja, er was een slang. Ongeveer de helft—de achterste helft—van het dier stak uit een knoestgataan de achterzijde van een leghokje. Een stevige vuist greep haar en trachtte haar uit het gat te rukken. Vergeefs, zij scheen niet te willen loslaten, ofschoon men door den open voorkant van het hokje zien kon dat zij zich vrij benauwd voelde. Eindelijk brak zij middendoor. In de achterste helft bevond zich een dikte, een operatie bracht een nest-ei te voorschijn. Maar waarom had de slang zich zoo heftig verzet? Haar voorste helft werd naar buiten geharkt en ook deze vertoonde een ovale verdikking.... een tweede nest-ei! Klaarblijkelijk had de slang ergens een porcelein-ei verzwolgen, was toen door het knoestgat gekropen en had in het hokje het tweede te pakken gekregen. Ontsnapping was niet meer mogelijk en halveering was de eenige oplossing.Er was geen aanleiding meer de kippen van plichtverzaking te verdenken. In het vervolg zetten wij steeds vallen uit voor slangen. Zij bestaan uit een doos, waarin een porcelein-ei op een bosje gras wordt neergelegd en die van boven met draadgaas bedekt is. De slang kruipt er door heen, maar kan, wanneer zij het ei verzwolgen heeft, niet meer terug en moet wachten tot haar noodlot nadert in de gedaante van een glunderen neger met een langgesteelden schop.AVONTUUR MET EEN KROKODIL.Te spreken over de kust van Queensland zonder van een avontuur met een krokodil te gewagen zou zeker bij vele critici een schaduw werpen op de waarschijnlijkheid van al mijn andere mededeelingen. Ik acht mij dies verplicht mijn lezers te vergasten op het relaas van mijn ontmoeting met zulk een ondier.Aan de oostzijde van het eiland bevindt zich een plekje dat door de inboorlingen „Panjoo” (het mooieplekje) genoemd wordt. Een steile grashelling daalt er neer naar de zee, hiervan nog gescheiden door een strook begroeid met pandanuspalmen. In het noorden wordt het begrensd door een met een wildernis overdekten uitlooper van den bergrug, aan den voet waarvan een kreekje stroomt, dat onder den schaduw van zwaar gebladerte uitmondt in een met rotsblokken bezaaiden inham. In het zuiden vormt een rijtje lage, door den wind gebogenacacia’sde grens. De Stille Oceaan kabbelt aan den voet der geweldige rotsen, waartusschen een enkele havelooze palm (Caryota) oprijst met zijn zware bundels gele, smakelooze vruchten, die elk twee zaden als koffieboonen bevatten. Panjoo is een zeer geliefd plekje, want het kan van verschillende kanten op een gemakkelijke en aangename wijze bereikt worden, maar voor een krokodil is het wel het denkbaar ongeschiktste oord.Op een schoonen Novembermorgen togen wij, (Paddy, de meest zwijgzame en pienterste aller negers en ik zelf) hier heen. Het was vloed en wij konden betrekkelijk gemakkelijk landen. Jaren geleden was er een geweldige cederboom tusschen de rotsblokken geworpen en toen ik naar den stam keek wees Paddy mij met een schok van verrassing op een krokodil, die klaarblijkelijk lag te slapen, met zijn kop in de schaduw van een rots. Ik had een buks bij mij, meer voor de gezelligheid dan voor gebruik, want Paddy, hoe levendig en vroolijk van aard ook, zei nooit een stom woord. Zijn geheele conversatie bestond vrijwel alleen uit veelbeteekenende blikken en gebaren. Een lettergreep was voor hem een moeilijke zin, vier of vijf woorden een geheele redevoering. Evenals generaal Von Moltke was hij afkeerig van spreken, tenzij het een levenskwestie gold. De aanwezigheid van een tien voet langen krokodil van onbekende woestheid scheen nu zulk een levenskwestie voor hem te zijn. Haastig bespraken wij fluisterend ons krijgsplan. Het kaliber van mijn buks was 22, haar snelheid zeer bescheiden, dekogel van zacht lood. Tenzij ik den krokodil in het oog trof en het geluk had de kleine hersenen te raken, was er bitter weinig kans op eenig succes. Maar een zoo zeldzame trophee als een krokodillenschedel, waarvan men op het eiland nog nooit gehoord of gezien had, ons te laten ontglippen ging toch niet aan en zoo vermanden wij ons.Paddy wapende zich met zware steenen en wij naderden langzaam en voorzichtig. De krokodil bewoog zich niet. Toen, juist, terwijl ik mijn buks aanlegde, stak Paddy den platten neus in de lucht, snoof en fluisterde op droeven toon: „dood.”Een krokodil heeft altijd een eigenaardige lucht, een verbinding van visch en zeer sterken muskus, maar Paddy had iets anders geroken dan deze welbekende lucht: den stank van een cadaver. Blijkbaar was het beest reeds den vorigen dag gestorven, het vertoonde geen enkele wond, breuk of zweer. Alle tanden waren gaaf. Met stokken wrikten wij het lichaam voort tot buiten de vloedgrens. Een paar maanden later, toen de natuur het hare gedaan had om het vleesch te verwijderen, keerden wij terug om het geraamte te halen. De tanden zijn nu wijd en zijd verspreid als herinneringen aan den eersten en eenigsten krokodil dien men ooit dood heeft gevonden. Ik waag de gissing dat hij afkomstig was uit de Tully of Hull-rivier, of een of andere kreek zonder naam op het vasteland en, uit zijn koers geraakt, te Panjoo belandde om op deze ongewende plaats in een aanval van heimwee te bezwijken.
VIJFDE HOOFDSTUK.EEN VLINDERDROOM.Er waren maar drie menschen en een hond in de boot, maar de boot was overladen. Niet dat de hond zoo groot was, noch zelfs de menschen. Het was heel en al de schuld van den dag. Het was een dag waarop men de gansche natuur voor zich zelf alleen zou willen hebben, zoo vol zonneschijn en fladderende vlinders, zoo stralend vol van warme groetenissen van den komenden zomer, zoo wonderbaar kalm en klaar. Zelfzuchtig maakt een zoo groote vreugde, men is er boordevol van en zou toch steeds nog meer willen hebben. Te schoon leek alles om het aan zoo velen te verkwisten, en toch, hoe zou één geest de grootheid er van kunnen omvatten?De witte boot dreef op een blauwglanzende zee. De reef-ringen tikten eentonig als de zeilen klapperden bij het zwaaien van den gaffel. Zorgeloos dreef de boot voort op de nauwlijks merkbare deining, regelmatig, als de ademhaling van een slapend kind. Geluid en beweging noodden tot sluimer. De schitterende zee, de groen en purperen eilanden, de zachte, zoete lucht, de volle glorie van een wonderbaren dag suste alle zinnen. Ginds, vier mijlen ver, lag het eiland en vlak bij onsstegen telkens schildpadden, als groote ballons, omhoog uit de koraaltuinen beneden. Een luchtspiegeling hief de eilandjes in de verte uit het water, onder hun purper liep de zilveren zee door tot waar zij in den blauwen hemel scheen te verdwijnen.Maar nog wonderbaarlijker was de aanblik van myriaden vlinders, die in een eindeloozen, mijlen breeden stoet over zee vlogen, in de ademlooze stilte kon men het wieken van hun feeënvleugels hooren, als een zwak, onafgebroken gegons. Zij kwamen uit de geurende wildernis van het vastland en fladderden, door welk vreemd instinkt gedreven weet ik niet, mijlen ver naar hun „gelukzalige eilanden.”Ook hun verscheidenheid was groot. Zeer talrijk was een lieflijke teere vlinder met doorschijnende en purpergevlekte vleugels. Bij deze lichtvalling leek het purper zwart en de doorschijnende vlekken staalblauw. In heele zwermen, zonder begin of einde trokken zij voorbij, de gansche hemel schitterde van hun dwarrelend mozaiek. Dan was er een groote, met machtige vlucht, groen, goud en zwart, soms vergezeld door een minder fraai getinten kameraad; verder een in koninklijk blauw, die kon vliegen met de snelheid eener zwaluw. Minder talrijk was die scharlaken en zwarte, die de fonkelende hibiscusbloem jaloersch maakt op zijn kleur. De kleine geeltjes vlogen drukklapwiekend, laag over het water, vermoeid door den langen tocht; soms zetten zij zich, wemelde vlekjes goud, neer op het witte zeil om te rusten.Er kwam geen eind aan hun vlucht, de geheele lucht was er van vervuld en men werd moede van het voortdurend kijken naar die schoone, teere, als juweelen schitterende vlinders. Zonder gids of leider vlogen zij voort in den vollen zonneschijn, de gevaren van water en wind trotseerend, in onverstoorde blijheid.Van tijd tot tijd kwam een schildpad even boven om,zoodra zij ons zeil gewaar werd, na een bobbelend gesnuif weer onder te duiken, een reeks concentrische kringen achterlatend. Traag dreven wij voort, wachtend op een briesje dat maar niet komen wilde en al maar fladderde de lange vlinderstoet ons voorbij, mijlen, mijlen breed. De negers begonnen te klagen, zij zagen er tegen op de boot huiswaarts te moeten roeien en door roepen en fluitentrachttenzij den wind te lokken. Maar hij kwam niet. De geheele namiddag verstreek, de avond begon te vallen en de vlinders wiekten nog steeds voorbij, een dun, teergetint weefsel.Toen riep plotseling een onverantwoordelijke neger, die bang was dat hij dien dag zijn avondmaal van gebraden schildpadvleesch er bij in zou schieten:„Kom op, groote wind en pak kleine boot!” En als om de uitdaging aan te nemen streek een zachte zephier over den oceaan en deed de zeilen klapperen. En zoo dreven wij langzaam de kalme baai in.DE BEDROGEN SLANG.Niet lang geleden zetten wij een bescheiden hoenderpark op. Het denkbeeld om door het fokken van kippen zoo niet een rijk, dan toch een eenigszins comfortabel bestaan te vinden, is volstrekt niet nieuw en ik zou onze pogingen dan ook niet eens vermelden als er zich niet een eigenaardige tegenslag bij had voorgedaan. Zoowel de quantiteit als de qualiteit der eieren was voor ons van belang; de eerste nu hing geheel van de kippen zelf af, doch de laatste meenden wij te kunnen beïnvloeden. Om de kippen geen verontschuldiging te geven voor een mogelijke verflauwing in hun ijver en ontaarding der eieren, kochten wij een aantal porceleinen nest-eieren van behoorlijke afmetingen, die hen steeds tot voorbeeldzouden dienen.Wij legden ze neer op voor de kippen in het oog vallende plaatsen en natuurlijk begrepen de beesten wat er van hen verwacht werd. Geen kip, die eenige achting voor zich zelf heeft, wenscht door eennest-eibeschaamd te worden. En zoo ging het ook hier, de hoenders legden steeds beter eieren, zonder veel moeite werd het steenen voorbeeld overtroffen en nu begon een onderlinge record-wedstrijd. De onderneming bloeide en de kippen kakelden trotsch en voldaan. Maar na twee of drie maanden begon de grootte der eieren weer langzaam af te nemen. De kippen maakten evenveel drukte, maar de eieren daalden beneden den door onze berekeningen vereischten omvang. Een onderzoek werd ingesteld en nu bleek dat er geen enkel nest-ei meer te vinden was. De kippen grinnikten, ik kon niet anders aannemen dan dat zij, beu van het leggen van zulke abnormale eieren, de voorbeelden hadden verstopt en een dergelijke schandalige ondankbaarheid van welopgevoede kippen, die nooit in een andermans tuin hadden hoeven pikken en nooit van het pad der deugd hadden mogen afwijken, griefde mij diep.Maar op een goeden dag werd er een nest-ei diep in het kreupelhout gevonden, en een poosje later nog een in een kreek, een kwartmijl verder, daarna nog een derde in een hollen boom. Ten aanschouwe van de verzamelde kippen werden zij plechtig weer op hun gewone plaats neergelegd en na een paar dagen trad reeds een merkbare verandering ten goede in. Het duurde evenwel niet lang of de nest-eieren waren opnieuw verdwenen en weer wisten de kippen niet meer waaraan zij zich hadden te houden.Eens, onder het voederen, werd ik opgeschrikt door een luiden kreet.„Sse-lang, sse-lang!”Ja, er was een slang. Ongeveer de helft—de achterste helft—van het dier stak uit een knoestgataan de achterzijde van een leghokje. Een stevige vuist greep haar en trachtte haar uit het gat te rukken. Vergeefs, zij scheen niet te willen loslaten, ofschoon men door den open voorkant van het hokje zien kon dat zij zich vrij benauwd voelde. Eindelijk brak zij middendoor. In de achterste helft bevond zich een dikte, een operatie bracht een nest-ei te voorschijn. Maar waarom had de slang zich zoo heftig verzet? Haar voorste helft werd naar buiten geharkt en ook deze vertoonde een ovale verdikking.... een tweede nest-ei! Klaarblijkelijk had de slang ergens een porcelein-ei verzwolgen, was toen door het knoestgat gekropen en had in het hokje het tweede te pakken gekregen. Ontsnapping was niet meer mogelijk en halveering was de eenige oplossing.Er was geen aanleiding meer de kippen van plichtverzaking te verdenken. In het vervolg zetten wij steeds vallen uit voor slangen. Zij bestaan uit een doos, waarin een porcelein-ei op een bosje gras wordt neergelegd en die van boven met draadgaas bedekt is. De slang kruipt er door heen, maar kan, wanneer zij het ei verzwolgen heeft, niet meer terug en moet wachten tot haar noodlot nadert in de gedaante van een glunderen neger met een langgesteelden schop.AVONTUUR MET EEN KROKODIL.Te spreken over de kust van Queensland zonder van een avontuur met een krokodil te gewagen zou zeker bij vele critici een schaduw werpen op de waarschijnlijkheid van al mijn andere mededeelingen. Ik acht mij dies verplicht mijn lezers te vergasten op het relaas van mijn ontmoeting met zulk een ondier.Aan de oostzijde van het eiland bevindt zich een plekje dat door de inboorlingen „Panjoo” (het mooieplekje) genoemd wordt. Een steile grashelling daalt er neer naar de zee, hiervan nog gescheiden door een strook begroeid met pandanuspalmen. In het noorden wordt het begrensd door een met een wildernis overdekten uitlooper van den bergrug, aan den voet waarvan een kreekje stroomt, dat onder den schaduw van zwaar gebladerte uitmondt in een met rotsblokken bezaaiden inham. In het zuiden vormt een rijtje lage, door den wind gebogenacacia’sde grens. De Stille Oceaan kabbelt aan den voet der geweldige rotsen, waartusschen een enkele havelooze palm (Caryota) oprijst met zijn zware bundels gele, smakelooze vruchten, die elk twee zaden als koffieboonen bevatten. Panjoo is een zeer geliefd plekje, want het kan van verschillende kanten op een gemakkelijke en aangename wijze bereikt worden, maar voor een krokodil is het wel het denkbaar ongeschiktste oord.Op een schoonen Novembermorgen togen wij, (Paddy, de meest zwijgzame en pienterste aller negers en ik zelf) hier heen. Het was vloed en wij konden betrekkelijk gemakkelijk landen. Jaren geleden was er een geweldige cederboom tusschen de rotsblokken geworpen en toen ik naar den stam keek wees Paddy mij met een schok van verrassing op een krokodil, die klaarblijkelijk lag te slapen, met zijn kop in de schaduw van een rots. Ik had een buks bij mij, meer voor de gezelligheid dan voor gebruik, want Paddy, hoe levendig en vroolijk van aard ook, zei nooit een stom woord. Zijn geheele conversatie bestond vrijwel alleen uit veelbeteekenende blikken en gebaren. Een lettergreep was voor hem een moeilijke zin, vier of vijf woorden een geheele redevoering. Evenals generaal Von Moltke was hij afkeerig van spreken, tenzij het een levenskwestie gold. De aanwezigheid van een tien voet langen krokodil van onbekende woestheid scheen nu zulk een levenskwestie voor hem te zijn. Haastig bespraken wij fluisterend ons krijgsplan. Het kaliber van mijn buks was 22, haar snelheid zeer bescheiden, dekogel van zacht lood. Tenzij ik den krokodil in het oog trof en het geluk had de kleine hersenen te raken, was er bitter weinig kans op eenig succes. Maar een zoo zeldzame trophee als een krokodillenschedel, waarvan men op het eiland nog nooit gehoord of gezien had, ons te laten ontglippen ging toch niet aan en zoo vermanden wij ons.Paddy wapende zich met zware steenen en wij naderden langzaam en voorzichtig. De krokodil bewoog zich niet. Toen, juist, terwijl ik mijn buks aanlegde, stak Paddy den platten neus in de lucht, snoof en fluisterde op droeven toon: „dood.”Een krokodil heeft altijd een eigenaardige lucht, een verbinding van visch en zeer sterken muskus, maar Paddy had iets anders geroken dan deze welbekende lucht: den stank van een cadaver. Blijkbaar was het beest reeds den vorigen dag gestorven, het vertoonde geen enkele wond, breuk of zweer. Alle tanden waren gaaf. Met stokken wrikten wij het lichaam voort tot buiten de vloedgrens. Een paar maanden later, toen de natuur het hare gedaan had om het vleesch te verwijderen, keerden wij terug om het geraamte te halen. De tanden zijn nu wijd en zijd verspreid als herinneringen aan den eersten en eenigsten krokodil dien men ooit dood heeft gevonden. Ik waag de gissing dat hij afkomstig was uit de Tully of Hull-rivier, of een of andere kreek zonder naam op het vasteland en, uit zijn koers geraakt, te Panjoo belandde om op deze ongewende plaats in een aanval van heimwee te bezwijken.
EEN VLINDERDROOM.Er waren maar drie menschen en een hond in de boot, maar de boot was overladen. Niet dat de hond zoo groot was, noch zelfs de menschen. Het was heel en al de schuld van den dag. Het was een dag waarop men de gansche natuur voor zich zelf alleen zou willen hebben, zoo vol zonneschijn en fladderende vlinders, zoo stralend vol van warme groetenissen van den komenden zomer, zoo wonderbaar kalm en klaar. Zelfzuchtig maakt een zoo groote vreugde, men is er boordevol van en zou toch steeds nog meer willen hebben. Te schoon leek alles om het aan zoo velen te verkwisten, en toch, hoe zou één geest de grootheid er van kunnen omvatten?De witte boot dreef op een blauwglanzende zee. De reef-ringen tikten eentonig als de zeilen klapperden bij het zwaaien van den gaffel. Zorgeloos dreef de boot voort op de nauwlijks merkbare deining, regelmatig, als de ademhaling van een slapend kind. Geluid en beweging noodden tot sluimer. De schitterende zee, de groen en purperen eilanden, de zachte, zoete lucht, de volle glorie van een wonderbaren dag suste alle zinnen. Ginds, vier mijlen ver, lag het eiland en vlak bij onsstegen telkens schildpadden, als groote ballons, omhoog uit de koraaltuinen beneden. Een luchtspiegeling hief de eilandjes in de verte uit het water, onder hun purper liep de zilveren zee door tot waar zij in den blauwen hemel scheen te verdwijnen.Maar nog wonderbaarlijker was de aanblik van myriaden vlinders, die in een eindeloozen, mijlen breeden stoet over zee vlogen, in de ademlooze stilte kon men het wieken van hun feeënvleugels hooren, als een zwak, onafgebroken gegons. Zij kwamen uit de geurende wildernis van het vastland en fladderden, door welk vreemd instinkt gedreven weet ik niet, mijlen ver naar hun „gelukzalige eilanden.”Ook hun verscheidenheid was groot. Zeer talrijk was een lieflijke teere vlinder met doorschijnende en purpergevlekte vleugels. Bij deze lichtvalling leek het purper zwart en de doorschijnende vlekken staalblauw. In heele zwermen, zonder begin of einde trokken zij voorbij, de gansche hemel schitterde van hun dwarrelend mozaiek. Dan was er een groote, met machtige vlucht, groen, goud en zwart, soms vergezeld door een minder fraai getinten kameraad; verder een in koninklijk blauw, die kon vliegen met de snelheid eener zwaluw. Minder talrijk was die scharlaken en zwarte, die de fonkelende hibiscusbloem jaloersch maakt op zijn kleur. De kleine geeltjes vlogen drukklapwiekend, laag over het water, vermoeid door den langen tocht; soms zetten zij zich, wemelde vlekjes goud, neer op het witte zeil om te rusten.Er kwam geen eind aan hun vlucht, de geheele lucht was er van vervuld en men werd moede van het voortdurend kijken naar die schoone, teere, als juweelen schitterende vlinders. Zonder gids of leider vlogen zij voort in den vollen zonneschijn, de gevaren van water en wind trotseerend, in onverstoorde blijheid.Van tijd tot tijd kwam een schildpad even boven om,zoodra zij ons zeil gewaar werd, na een bobbelend gesnuif weer onder te duiken, een reeks concentrische kringen achterlatend. Traag dreven wij voort, wachtend op een briesje dat maar niet komen wilde en al maar fladderde de lange vlinderstoet ons voorbij, mijlen, mijlen breed. De negers begonnen te klagen, zij zagen er tegen op de boot huiswaarts te moeten roeien en door roepen en fluitentrachttenzij den wind te lokken. Maar hij kwam niet. De geheele namiddag verstreek, de avond begon te vallen en de vlinders wiekten nog steeds voorbij, een dun, teergetint weefsel.Toen riep plotseling een onverantwoordelijke neger, die bang was dat hij dien dag zijn avondmaal van gebraden schildpadvleesch er bij in zou schieten:„Kom op, groote wind en pak kleine boot!” En als om de uitdaging aan te nemen streek een zachte zephier over den oceaan en deed de zeilen klapperen. En zoo dreven wij langzaam de kalme baai in.
EEN VLINDERDROOM.
Er waren maar drie menschen en een hond in de boot, maar de boot was overladen. Niet dat de hond zoo groot was, noch zelfs de menschen. Het was heel en al de schuld van den dag. Het was een dag waarop men de gansche natuur voor zich zelf alleen zou willen hebben, zoo vol zonneschijn en fladderende vlinders, zoo stralend vol van warme groetenissen van den komenden zomer, zoo wonderbaar kalm en klaar. Zelfzuchtig maakt een zoo groote vreugde, men is er boordevol van en zou toch steeds nog meer willen hebben. Te schoon leek alles om het aan zoo velen te verkwisten, en toch, hoe zou één geest de grootheid er van kunnen omvatten?De witte boot dreef op een blauwglanzende zee. De reef-ringen tikten eentonig als de zeilen klapperden bij het zwaaien van den gaffel. Zorgeloos dreef de boot voort op de nauwlijks merkbare deining, regelmatig, als de ademhaling van een slapend kind. Geluid en beweging noodden tot sluimer. De schitterende zee, de groen en purperen eilanden, de zachte, zoete lucht, de volle glorie van een wonderbaren dag suste alle zinnen. Ginds, vier mijlen ver, lag het eiland en vlak bij onsstegen telkens schildpadden, als groote ballons, omhoog uit de koraaltuinen beneden. Een luchtspiegeling hief de eilandjes in de verte uit het water, onder hun purper liep de zilveren zee door tot waar zij in den blauwen hemel scheen te verdwijnen.Maar nog wonderbaarlijker was de aanblik van myriaden vlinders, die in een eindeloozen, mijlen breeden stoet over zee vlogen, in de ademlooze stilte kon men het wieken van hun feeënvleugels hooren, als een zwak, onafgebroken gegons. Zij kwamen uit de geurende wildernis van het vastland en fladderden, door welk vreemd instinkt gedreven weet ik niet, mijlen ver naar hun „gelukzalige eilanden.”Ook hun verscheidenheid was groot. Zeer talrijk was een lieflijke teere vlinder met doorschijnende en purpergevlekte vleugels. Bij deze lichtvalling leek het purper zwart en de doorschijnende vlekken staalblauw. In heele zwermen, zonder begin of einde trokken zij voorbij, de gansche hemel schitterde van hun dwarrelend mozaiek. Dan was er een groote, met machtige vlucht, groen, goud en zwart, soms vergezeld door een minder fraai getinten kameraad; verder een in koninklijk blauw, die kon vliegen met de snelheid eener zwaluw. Minder talrijk was die scharlaken en zwarte, die de fonkelende hibiscusbloem jaloersch maakt op zijn kleur. De kleine geeltjes vlogen drukklapwiekend, laag over het water, vermoeid door den langen tocht; soms zetten zij zich, wemelde vlekjes goud, neer op het witte zeil om te rusten.Er kwam geen eind aan hun vlucht, de geheele lucht was er van vervuld en men werd moede van het voortdurend kijken naar die schoone, teere, als juweelen schitterende vlinders. Zonder gids of leider vlogen zij voort in den vollen zonneschijn, de gevaren van water en wind trotseerend, in onverstoorde blijheid.Van tijd tot tijd kwam een schildpad even boven om,zoodra zij ons zeil gewaar werd, na een bobbelend gesnuif weer onder te duiken, een reeks concentrische kringen achterlatend. Traag dreven wij voort, wachtend op een briesje dat maar niet komen wilde en al maar fladderde de lange vlinderstoet ons voorbij, mijlen, mijlen breed. De negers begonnen te klagen, zij zagen er tegen op de boot huiswaarts te moeten roeien en door roepen en fluitentrachttenzij den wind te lokken. Maar hij kwam niet. De geheele namiddag verstreek, de avond begon te vallen en de vlinders wiekten nog steeds voorbij, een dun, teergetint weefsel.Toen riep plotseling een onverantwoordelijke neger, die bang was dat hij dien dag zijn avondmaal van gebraden schildpadvleesch er bij in zou schieten:„Kom op, groote wind en pak kleine boot!” En als om de uitdaging aan te nemen streek een zachte zephier over den oceaan en deed de zeilen klapperen. En zoo dreven wij langzaam de kalme baai in.
Er waren maar drie menschen en een hond in de boot, maar de boot was overladen. Niet dat de hond zoo groot was, noch zelfs de menschen. Het was heel en al de schuld van den dag. Het was een dag waarop men de gansche natuur voor zich zelf alleen zou willen hebben, zoo vol zonneschijn en fladderende vlinders, zoo stralend vol van warme groetenissen van den komenden zomer, zoo wonderbaar kalm en klaar. Zelfzuchtig maakt een zoo groote vreugde, men is er boordevol van en zou toch steeds nog meer willen hebben. Te schoon leek alles om het aan zoo velen te verkwisten, en toch, hoe zou één geest de grootheid er van kunnen omvatten?
De witte boot dreef op een blauwglanzende zee. De reef-ringen tikten eentonig als de zeilen klapperden bij het zwaaien van den gaffel. Zorgeloos dreef de boot voort op de nauwlijks merkbare deining, regelmatig, als de ademhaling van een slapend kind. Geluid en beweging noodden tot sluimer. De schitterende zee, de groen en purperen eilanden, de zachte, zoete lucht, de volle glorie van een wonderbaren dag suste alle zinnen. Ginds, vier mijlen ver, lag het eiland en vlak bij onsstegen telkens schildpadden, als groote ballons, omhoog uit de koraaltuinen beneden. Een luchtspiegeling hief de eilandjes in de verte uit het water, onder hun purper liep de zilveren zee door tot waar zij in den blauwen hemel scheen te verdwijnen.
Maar nog wonderbaarlijker was de aanblik van myriaden vlinders, die in een eindeloozen, mijlen breeden stoet over zee vlogen, in de ademlooze stilte kon men het wieken van hun feeënvleugels hooren, als een zwak, onafgebroken gegons. Zij kwamen uit de geurende wildernis van het vastland en fladderden, door welk vreemd instinkt gedreven weet ik niet, mijlen ver naar hun „gelukzalige eilanden.”
Ook hun verscheidenheid was groot. Zeer talrijk was een lieflijke teere vlinder met doorschijnende en purpergevlekte vleugels. Bij deze lichtvalling leek het purper zwart en de doorschijnende vlekken staalblauw. In heele zwermen, zonder begin of einde trokken zij voorbij, de gansche hemel schitterde van hun dwarrelend mozaiek. Dan was er een groote, met machtige vlucht, groen, goud en zwart, soms vergezeld door een minder fraai getinten kameraad; verder een in koninklijk blauw, die kon vliegen met de snelheid eener zwaluw. Minder talrijk was die scharlaken en zwarte, die de fonkelende hibiscusbloem jaloersch maakt op zijn kleur. De kleine geeltjes vlogen drukklapwiekend, laag over het water, vermoeid door den langen tocht; soms zetten zij zich, wemelde vlekjes goud, neer op het witte zeil om te rusten.
Er kwam geen eind aan hun vlucht, de geheele lucht was er van vervuld en men werd moede van het voortdurend kijken naar die schoone, teere, als juweelen schitterende vlinders. Zonder gids of leider vlogen zij voort in den vollen zonneschijn, de gevaren van water en wind trotseerend, in onverstoorde blijheid.
Van tijd tot tijd kwam een schildpad even boven om,zoodra zij ons zeil gewaar werd, na een bobbelend gesnuif weer onder te duiken, een reeks concentrische kringen achterlatend. Traag dreven wij voort, wachtend op een briesje dat maar niet komen wilde en al maar fladderde de lange vlinderstoet ons voorbij, mijlen, mijlen breed. De negers begonnen te klagen, zij zagen er tegen op de boot huiswaarts te moeten roeien en door roepen en fluitentrachttenzij den wind te lokken. Maar hij kwam niet. De geheele namiddag verstreek, de avond begon te vallen en de vlinders wiekten nog steeds voorbij, een dun, teergetint weefsel.
Toen riep plotseling een onverantwoordelijke neger, die bang was dat hij dien dag zijn avondmaal van gebraden schildpadvleesch er bij in zou schieten:„Kom op, groote wind en pak kleine boot!” En als om de uitdaging aan te nemen streek een zachte zephier over den oceaan en deed de zeilen klapperen. En zoo dreven wij langzaam de kalme baai in.
DE BEDROGEN SLANG.Niet lang geleden zetten wij een bescheiden hoenderpark op. Het denkbeeld om door het fokken van kippen zoo niet een rijk, dan toch een eenigszins comfortabel bestaan te vinden, is volstrekt niet nieuw en ik zou onze pogingen dan ook niet eens vermelden als er zich niet een eigenaardige tegenslag bij had voorgedaan. Zoowel de quantiteit als de qualiteit der eieren was voor ons van belang; de eerste nu hing geheel van de kippen zelf af, doch de laatste meenden wij te kunnen beïnvloeden. Om de kippen geen verontschuldiging te geven voor een mogelijke verflauwing in hun ijver en ontaarding der eieren, kochten wij een aantal porceleinen nest-eieren van behoorlijke afmetingen, die hen steeds tot voorbeeldzouden dienen.Wij legden ze neer op voor de kippen in het oog vallende plaatsen en natuurlijk begrepen de beesten wat er van hen verwacht werd. Geen kip, die eenige achting voor zich zelf heeft, wenscht door eennest-eibeschaamd te worden. En zoo ging het ook hier, de hoenders legden steeds beter eieren, zonder veel moeite werd het steenen voorbeeld overtroffen en nu begon een onderlinge record-wedstrijd. De onderneming bloeide en de kippen kakelden trotsch en voldaan. Maar na twee of drie maanden begon de grootte der eieren weer langzaam af te nemen. De kippen maakten evenveel drukte, maar de eieren daalden beneden den door onze berekeningen vereischten omvang. Een onderzoek werd ingesteld en nu bleek dat er geen enkel nest-ei meer te vinden was. De kippen grinnikten, ik kon niet anders aannemen dan dat zij, beu van het leggen van zulke abnormale eieren, de voorbeelden hadden verstopt en een dergelijke schandalige ondankbaarheid van welopgevoede kippen, die nooit in een andermans tuin hadden hoeven pikken en nooit van het pad der deugd hadden mogen afwijken, griefde mij diep.Maar op een goeden dag werd er een nest-ei diep in het kreupelhout gevonden, en een poosje later nog een in een kreek, een kwartmijl verder, daarna nog een derde in een hollen boom. Ten aanschouwe van de verzamelde kippen werden zij plechtig weer op hun gewone plaats neergelegd en na een paar dagen trad reeds een merkbare verandering ten goede in. Het duurde evenwel niet lang of de nest-eieren waren opnieuw verdwenen en weer wisten de kippen niet meer waaraan zij zich hadden te houden.Eens, onder het voederen, werd ik opgeschrikt door een luiden kreet.„Sse-lang, sse-lang!”Ja, er was een slang. Ongeveer de helft—de achterste helft—van het dier stak uit een knoestgataan de achterzijde van een leghokje. Een stevige vuist greep haar en trachtte haar uit het gat te rukken. Vergeefs, zij scheen niet te willen loslaten, ofschoon men door den open voorkant van het hokje zien kon dat zij zich vrij benauwd voelde. Eindelijk brak zij middendoor. In de achterste helft bevond zich een dikte, een operatie bracht een nest-ei te voorschijn. Maar waarom had de slang zich zoo heftig verzet? Haar voorste helft werd naar buiten geharkt en ook deze vertoonde een ovale verdikking.... een tweede nest-ei! Klaarblijkelijk had de slang ergens een porcelein-ei verzwolgen, was toen door het knoestgat gekropen en had in het hokje het tweede te pakken gekregen. Ontsnapping was niet meer mogelijk en halveering was de eenige oplossing.Er was geen aanleiding meer de kippen van plichtverzaking te verdenken. In het vervolg zetten wij steeds vallen uit voor slangen. Zij bestaan uit een doos, waarin een porcelein-ei op een bosje gras wordt neergelegd en die van boven met draadgaas bedekt is. De slang kruipt er door heen, maar kan, wanneer zij het ei verzwolgen heeft, niet meer terug en moet wachten tot haar noodlot nadert in de gedaante van een glunderen neger met een langgesteelden schop.
DE BEDROGEN SLANG.
Niet lang geleden zetten wij een bescheiden hoenderpark op. Het denkbeeld om door het fokken van kippen zoo niet een rijk, dan toch een eenigszins comfortabel bestaan te vinden, is volstrekt niet nieuw en ik zou onze pogingen dan ook niet eens vermelden als er zich niet een eigenaardige tegenslag bij had voorgedaan. Zoowel de quantiteit als de qualiteit der eieren was voor ons van belang; de eerste nu hing geheel van de kippen zelf af, doch de laatste meenden wij te kunnen beïnvloeden. Om de kippen geen verontschuldiging te geven voor een mogelijke verflauwing in hun ijver en ontaarding der eieren, kochten wij een aantal porceleinen nest-eieren van behoorlijke afmetingen, die hen steeds tot voorbeeldzouden dienen.Wij legden ze neer op voor de kippen in het oog vallende plaatsen en natuurlijk begrepen de beesten wat er van hen verwacht werd. Geen kip, die eenige achting voor zich zelf heeft, wenscht door eennest-eibeschaamd te worden. En zoo ging het ook hier, de hoenders legden steeds beter eieren, zonder veel moeite werd het steenen voorbeeld overtroffen en nu begon een onderlinge record-wedstrijd. De onderneming bloeide en de kippen kakelden trotsch en voldaan. Maar na twee of drie maanden begon de grootte der eieren weer langzaam af te nemen. De kippen maakten evenveel drukte, maar de eieren daalden beneden den door onze berekeningen vereischten omvang. Een onderzoek werd ingesteld en nu bleek dat er geen enkel nest-ei meer te vinden was. De kippen grinnikten, ik kon niet anders aannemen dan dat zij, beu van het leggen van zulke abnormale eieren, de voorbeelden hadden verstopt en een dergelijke schandalige ondankbaarheid van welopgevoede kippen, die nooit in een andermans tuin hadden hoeven pikken en nooit van het pad der deugd hadden mogen afwijken, griefde mij diep.Maar op een goeden dag werd er een nest-ei diep in het kreupelhout gevonden, en een poosje later nog een in een kreek, een kwartmijl verder, daarna nog een derde in een hollen boom. Ten aanschouwe van de verzamelde kippen werden zij plechtig weer op hun gewone plaats neergelegd en na een paar dagen trad reeds een merkbare verandering ten goede in. Het duurde evenwel niet lang of de nest-eieren waren opnieuw verdwenen en weer wisten de kippen niet meer waaraan zij zich hadden te houden.Eens, onder het voederen, werd ik opgeschrikt door een luiden kreet.„Sse-lang, sse-lang!”Ja, er was een slang. Ongeveer de helft—de achterste helft—van het dier stak uit een knoestgataan de achterzijde van een leghokje. Een stevige vuist greep haar en trachtte haar uit het gat te rukken. Vergeefs, zij scheen niet te willen loslaten, ofschoon men door den open voorkant van het hokje zien kon dat zij zich vrij benauwd voelde. Eindelijk brak zij middendoor. In de achterste helft bevond zich een dikte, een operatie bracht een nest-ei te voorschijn. Maar waarom had de slang zich zoo heftig verzet? Haar voorste helft werd naar buiten geharkt en ook deze vertoonde een ovale verdikking.... een tweede nest-ei! Klaarblijkelijk had de slang ergens een porcelein-ei verzwolgen, was toen door het knoestgat gekropen en had in het hokje het tweede te pakken gekregen. Ontsnapping was niet meer mogelijk en halveering was de eenige oplossing.Er was geen aanleiding meer de kippen van plichtverzaking te verdenken. In het vervolg zetten wij steeds vallen uit voor slangen. Zij bestaan uit een doos, waarin een porcelein-ei op een bosje gras wordt neergelegd en die van boven met draadgaas bedekt is. De slang kruipt er door heen, maar kan, wanneer zij het ei verzwolgen heeft, niet meer terug en moet wachten tot haar noodlot nadert in de gedaante van een glunderen neger met een langgesteelden schop.
Niet lang geleden zetten wij een bescheiden hoenderpark op. Het denkbeeld om door het fokken van kippen zoo niet een rijk, dan toch een eenigszins comfortabel bestaan te vinden, is volstrekt niet nieuw en ik zou onze pogingen dan ook niet eens vermelden als er zich niet een eigenaardige tegenslag bij had voorgedaan. Zoowel de quantiteit als de qualiteit der eieren was voor ons van belang; de eerste nu hing geheel van de kippen zelf af, doch de laatste meenden wij te kunnen beïnvloeden. Om de kippen geen verontschuldiging te geven voor een mogelijke verflauwing in hun ijver en ontaarding der eieren, kochten wij een aantal porceleinen nest-eieren van behoorlijke afmetingen, die hen steeds tot voorbeeldzouden dienen.Wij legden ze neer op voor de kippen in het oog vallende plaatsen en natuurlijk begrepen de beesten wat er van hen verwacht werd. Geen kip, die eenige achting voor zich zelf heeft, wenscht door eennest-eibeschaamd te worden. En zoo ging het ook hier, de hoenders legden steeds beter eieren, zonder veel moeite werd het steenen voorbeeld overtroffen en nu begon een onderlinge record-wedstrijd. De onderneming bloeide en de kippen kakelden trotsch en voldaan. Maar na twee of drie maanden begon de grootte der eieren weer langzaam af te nemen. De kippen maakten evenveel drukte, maar de eieren daalden beneden den door onze berekeningen vereischten omvang. Een onderzoek werd ingesteld en nu bleek dat er geen enkel nest-ei meer te vinden was. De kippen grinnikten, ik kon niet anders aannemen dan dat zij, beu van het leggen van zulke abnormale eieren, de voorbeelden hadden verstopt en een dergelijke schandalige ondankbaarheid van welopgevoede kippen, die nooit in een andermans tuin hadden hoeven pikken en nooit van het pad der deugd hadden mogen afwijken, griefde mij diep.
Maar op een goeden dag werd er een nest-ei diep in het kreupelhout gevonden, en een poosje later nog een in een kreek, een kwartmijl verder, daarna nog een derde in een hollen boom. Ten aanschouwe van de verzamelde kippen werden zij plechtig weer op hun gewone plaats neergelegd en na een paar dagen trad reeds een merkbare verandering ten goede in. Het duurde evenwel niet lang of de nest-eieren waren opnieuw verdwenen en weer wisten de kippen niet meer waaraan zij zich hadden te houden.
Eens, onder het voederen, werd ik opgeschrikt door een luiden kreet.
„Sse-lang, sse-lang!”
Ja, er was een slang. Ongeveer de helft—de achterste helft—van het dier stak uit een knoestgataan de achterzijde van een leghokje. Een stevige vuist greep haar en trachtte haar uit het gat te rukken. Vergeefs, zij scheen niet te willen loslaten, ofschoon men door den open voorkant van het hokje zien kon dat zij zich vrij benauwd voelde. Eindelijk brak zij middendoor. In de achterste helft bevond zich een dikte, een operatie bracht een nest-ei te voorschijn. Maar waarom had de slang zich zoo heftig verzet? Haar voorste helft werd naar buiten geharkt en ook deze vertoonde een ovale verdikking.... een tweede nest-ei! Klaarblijkelijk had de slang ergens een porcelein-ei verzwolgen, was toen door het knoestgat gekropen en had in het hokje het tweede te pakken gekregen. Ontsnapping was niet meer mogelijk en halveering was de eenige oplossing.
Er was geen aanleiding meer de kippen van plichtverzaking te verdenken. In het vervolg zetten wij steeds vallen uit voor slangen. Zij bestaan uit een doos, waarin een porcelein-ei op een bosje gras wordt neergelegd en die van boven met draadgaas bedekt is. De slang kruipt er door heen, maar kan, wanneer zij het ei verzwolgen heeft, niet meer terug en moet wachten tot haar noodlot nadert in de gedaante van een glunderen neger met een langgesteelden schop.
AVONTUUR MET EEN KROKODIL.Te spreken over de kust van Queensland zonder van een avontuur met een krokodil te gewagen zou zeker bij vele critici een schaduw werpen op de waarschijnlijkheid van al mijn andere mededeelingen. Ik acht mij dies verplicht mijn lezers te vergasten op het relaas van mijn ontmoeting met zulk een ondier.Aan de oostzijde van het eiland bevindt zich een plekje dat door de inboorlingen „Panjoo” (het mooieplekje) genoemd wordt. Een steile grashelling daalt er neer naar de zee, hiervan nog gescheiden door een strook begroeid met pandanuspalmen. In het noorden wordt het begrensd door een met een wildernis overdekten uitlooper van den bergrug, aan den voet waarvan een kreekje stroomt, dat onder den schaduw van zwaar gebladerte uitmondt in een met rotsblokken bezaaiden inham. In het zuiden vormt een rijtje lage, door den wind gebogenacacia’sde grens. De Stille Oceaan kabbelt aan den voet der geweldige rotsen, waartusschen een enkele havelooze palm (Caryota) oprijst met zijn zware bundels gele, smakelooze vruchten, die elk twee zaden als koffieboonen bevatten. Panjoo is een zeer geliefd plekje, want het kan van verschillende kanten op een gemakkelijke en aangename wijze bereikt worden, maar voor een krokodil is het wel het denkbaar ongeschiktste oord.Op een schoonen Novembermorgen togen wij, (Paddy, de meest zwijgzame en pienterste aller negers en ik zelf) hier heen. Het was vloed en wij konden betrekkelijk gemakkelijk landen. Jaren geleden was er een geweldige cederboom tusschen de rotsblokken geworpen en toen ik naar den stam keek wees Paddy mij met een schok van verrassing op een krokodil, die klaarblijkelijk lag te slapen, met zijn kop in de schaduw van een rots. Ik had een buks bij mij, meer voor de gezelligheid dan voor gebruik, want Paddy, hoe levendig en vroolijk van aard ook, zei nooit een stom woord. Zijn geheele conversatie bestond vrijwel alleen uit veelbeteekenende blikken en gebaren. Een lettergreep was voor hem een moeilijke zin, vier of vijf woorden een geheele redevoering. Evenals generaal Von Moltke was hij afkeerig van spreken, tenzij het een levenskwestie gold. De aanwezigheid van een tien voet langen krokodil van onbekende woestheid scheen nu zulk een levenskwestie voor hem te zijn. Haastig bespraken wij fluisterend ons krijgsplan. Het kaliber van mijn buks was 22, haar snelheid zeer bescheiden, dekogel van zacht lood. Tenzij ik den krokodil in het oog trof en het geluk had de kleine hersenen te raken, was er bitter weinig kans op eenig succes. Maar een zoo zeldzame trophee als een krokodillenschedel, waarvan men op het eiland nog nooit gehoord of gezien had, ons te laten ontglippen ging toch niet aan en zoo vermanden wij ons.Paddy wapende zich met zware steenen en wij naderden langzaam en voorzichtig. De krokodil bewoog zich niet. Toen, juist, terwijl ik mijn buks aanlegde, stak Paddy den platten neus in de lucht, snoof en fluisterde op droeven toon: „dood.”Een krokodil heeft altijd een eigenaardige lucht, een verbinding van visch en zeer sterken muskus, maar Paddy had iets anders geroken dan deze welbekende lucht: den stank van een cadaver. Blijkbaar was het beest reeds den vorigen dag gestorven, het vertoonde geen enkele wond, breuk of zweer. Alle tanden waren gaaf. Met stokken wrikten wij het lichaam voort tot buiten de vloedgrens. Een paar maanden later, toen de natuur het hare gedaan had om het vleesch te verwijderen, keerden wij terug om het geraamte te halen. De tanden zijn nu wijd en zijd verspreid als herinneringen aan den eersten en eenigsten krokodil dien men ooit dood heeft gevonden. Ik waag de gissing dat hij afkomstig was uit de Tully of Hull-rivier, of een of andere kreek zonder naam op het vasteland en, uit zijn koers geraakt, te Panjoo belandde om op deze ongewende plaats in een aanval van heimwee te bezwijken.
AVONTUUR MET EEN KROKODIL.
Te spreken over de kust van Queensland zonder van een avontuur met een krokodil te gewagen zou zeker bij vele critici een schaduw werpen op de waarschijnlijkheid van al mijn andere mededeelingen. Ik acht mij dies verplicht mijn lezers te vergasten op het relaas van mijn ontmoeting met zulk een ondier.Aan de oostzijde van het eiland bevindt zich een plekje dat door de inboorlingen „Panjoo” (het mooieplekje) genoemd wordt. Een steile grashelling daalt er neer naar de zee, hiervan nog gescheiden door een strook begroeid met pandanuspalmen. In het noorden wordt het begrensd door een met een wildernis overdekten uitlooper van den bergrug, aan den voet waarvan een kreekje stroomt, dat onder den schaduw van zwaar gebladerte uitmondt in een met rotsblokken bezaaiden inham. In het zuiden vormt een rijtje lage, door den wind gebogenacacia’sde grens. De Stille Oceaan kabbelt aan den voet der geweldige rotsen, waartusschen een enkele havelooze palm (Caryota) oprijst met zijn zware bundels gele, smakelooze vruchten, die elk twee zaden als koffieboonen bevatten. Panjoo is een zeer geliefd plekje, want het kan van verschillende kanten op een gemakkelijke en aangename wijze bereikt worden, maar voor een krokodil is het wel het denkbaar ongeschiktste oord.Op een schoonen Novembermorgen togen wij, (Paddy, de meest zwijgzame en pienterste aller negers en ik zelf) hier heen. Het was vloed en wij konden betrekkelijk gemakkelijk landen. Jaren geleden was er een geweldige cederboom tusschen de rotsblokken geworpen en toen ik naar den stam keek wees Paddy mij met een schok van verrassing op een krokodil, die klaarblijkelijk lag te slapen, met zijn kop in de schaduw van een rots. Ik had een buks bij mij, meer voor de gezelligheid dan voor gebruik, want Paddy, hoe levendig en vroolijk van aard ook, zei nooit een stom woord. Zijn geheele conversatie bestond vrijwel alleen uit veelbeteekenende blikken en gebaren. Een lettergreep was voor hem een moeilijke zin, vier of vijf woorden een geheele redevoering. Evenals generaal Von Moltke was hij afkeerig van spreken, tenzij het een levenskwestie gold. De aanwezigheid van een tien voet langen krokodil van onbekende woestheid scheen nu zulk een levenskwestie voor hem te zijn. Haastig bespraken wij fluisterend ons krijgsplan. Het kaliber van mijn buks was 22, haar snelheid zeer bescheiden, dekogel van zacht lood. Tenzij ik den krokodil in het oog trof en het geluk had de kleine hersenen te raken, was er bitter weinig kans op eenig succes. Maar een zoo zeldzame trophee als een krokodillenschedel, waarvan men op het eiland nog nooit gehoord of gezien had, ons te laten ontglippen ging toch niet aan en zoo vermanden wij ons.Paddy wapende zich met zware steenen en wij naderden langzaam en voorzichtig. De krokodil bewoog zich niet. Toen, juist, terwijl ik mijn buks aanlegde, stak Paddy den platten neus in de lucht, snoof en fluisterde op droeven toon: „dood.”Een krokodil heeft altijd een eigenaardige lucht, een verbinding van visch en zeer sterken muskus, maar Paddy had iets anders geroken dan deze welbekende lucht: den stank van een cadaver. Blijkbaar was het beest reeds den vorigen dag gestorven, het vertoonde geen enkele wond, breuk of zweer. Alle tanden waren gaaf. Met stokken wrikten wij het lichaam voort tot buiten de vloedgrens. Een paar maanden later, toen de natuur het hare gedaan had om het vleesch te verwijderen, keerden wij terug om het geraamte te halen. De tanden zijn nu wijd en zijd verspreid als herinneringen aan den eersten en eenigsten krokodil dien men ooit dood heeft gevonden. Ik waag de gissing dat hij afkomstig was uit de Tully of Hull-rivier, of een of andere kreek zonder naam op het vasteland en, uit zijn koers geraakt, te Panjoo belandde om op deze ongewende plaats in een aanval van heimwee te bezwijken.
Te spreken over de kust van Queensland zonder van een avontuur met een krokodil te gewagen zou zeker bij vele critici een schaduw werpen op de waarschijnlijkheid van al mijn andere mededeelingen. Ik acht mij dies verplicht mijn lezers te vergasten op het relaas van mijn ontmoeting met zulk een ondier.
Aan de oostzijde van het eiland bevindt zich een plekje dat door de inboorlingen „Panjoo” (het mooieplekje) genoemd wordt. Een steile grashelling daalt er neer naar de zee, hiervan nog gescheiden door een strook begroeid met pandanuspalmen. In het noorden wordt het begrensd door een met een wildernis overdekten uitlooper van den bergrug, aan den voet waarvan een kreekje stroomt, dat onder den schaduw van zwaar gebladerte uitmondt in een met rotsblokken bezaaiden inham. In het zuiden vormt een rijtje lage, door den wind gebogenacacia’sde grens. De Stille Oceaan kabbelt aan den voet der geweldige rotsen, waartusschen een enkele havelooze palm (Caryota) oprijst met zijn zware bundels gele, smakelooze vruchten, die elk twee zaden als koffieboonen bevatten. Panjoo is een zeer geliefd plekje, want het kan van verschillende kanten op een gemakkelijke en aangename wijze bereikt worden, maar voor een krokodil is het wel het denkbaar ongeschiktste oord.
Op een schoonen Novembermorgen togen wij, (Paddy, de meest zwijgzame en pienterste aller negers en ik zelf) hier heen. Het was vloed en wij konden betrekkelijk gemakkelijk landen. Jaren geleden was er een geweldige cederboom tusschen de rotsblokken geworpen en toen ik naar den stam keek wees Paddy mij met een schok van verrassing op een krokodil, die klaarblijkelijk lag te slapen, met zijn kop in de schaduw van een rots. Ik had een buks bij mij, meer voor de gezelligheid dan voor gebruik, want Paddy, hoe levendig en vroolijk van aard ook, zei nooit een stom woord. Zijn geheele conversatie bestond vrijwel alleen uit veelbeteekenende blikken en gebaren. Een lettergreep was voor hem een moeilijke zin, vier of vijf woorden een geheele redevoering. Evenals generaal Von Moltke was hij afkeerig van spreken, tenzij het een levenskwestie gold. De aanwezigheid van een tien voet langen krokodil van onbekende woestheid scheen nu zulk een levenskwestie voor hem te zijn. Haastig bespraken wij fluisterend ons krijgsplan. Het kaliber van mijn buks was 22, haar snelheid zeer bescheiden, dekogel van zacht lood. Tenzij ik den krokodil in het oog trof en het geluk had de kleine hersenen te raken, was er bitter weinig kans op eenig succes. Maar een zoo zeldzame trophee als een krokodillenschedel, waarvan men op het eiland nog nooit gehoord of gezien had, ons te laten ontglippen ging toch niet aan en zoo vermanden wij ons.
Paddy wapende zich met zware steenen en wij naderden langzaam en voorzichtig. De krokodil bewoog zich niet. Toen, juist, terwijl ik mijn buks aanlegde, stak Paddy den platten neus in de lucht, snoof en fluisterde op droeven toon: „dood.”
Een krokodil heeft altijd een eigenaardige lucht, een verbinding van visch en zeer sterken muskus, maar Paddy had iets anders geroken dan deze welbekende lucht: den stank van een cadaver. Blijkbaar was het beest reeds den vorigen dag gestorven, het vertoonde geen enkele wond, breuk of zweer. Alle tanden waren gaaf. Met stokken wrikten wij het lichaam voort tot buiten de vloedgrens. Een paar maanden later, toen de natuur het hare gedaan had om het vleesch te verwijderen, keerden wij terug om het geraamte te halen. De tanden zijn nu wijd en zijd verspreid als herinneringen aan den eersten en eenigsten krokodil dien men ooit dood heeft gevonden. Ik waag de gissing dat hij afkomstig was uit de Tully of Hull-rivier, of een of andere kreek zonder naam op het vasteland en, uit zijn koers geraakt, te Panjoo belandde om op deze ongewende plaats in een aanval van heimwee te bezwijken.