ZESDE HOOFDSTUK.

ZESDE HOOFDSTUK.EEN VEROVERAAR.Inconsequent en vol grillen en tegenstrijdigheden als de Natuur soms schijnt te zijn, kunnen alleen zij die haar met liefdevolle aandacht bestudeeren, erkennen hoe oprecht en eenvoudig zij in werkelijkheid is. Zij is eerlijk in al haar bedoelingen en, hoe veranderlijk en opzichtig soms in haar verschijning, toch nooit wuft of lichtzinnig. Een ranke palm die door het dichte loof heenschiet en een overdaad van vuurroode, opvallende zaden luchtig doet wuiven, moge het oervoorbeeld van een kokette zijn, maar koketterie die zoozeer de aandacht trekt, waarschuwt voor zich zelf en is onschadelijk. Er is geen gekunsteldheid in de natuur, al haar kleuren, hoe gewaagd ook dikwijls, zijn echt, zuiver, volmaakt. Maar de ware natuurliefhebber weet dat zij ook in haar minder en minst opvallende uitingen even rijk en wonderdadig is als wanneer zij geheele vastelanden met bloemen siert of al de wouden van een land met een gelen mantel overspreidt. Leelijk is zij nooit, want zelfs nog in haar schijnbaar afstootende gedaanten glimlacht zij, althans voor hen die dien glimlach zoeken.Nemen wij een mangrove-moeras als een dier afstootendegedaanten der natuur en wij zullen ook in dien schijnbaren warboel, in modder, slijk en stank nog tal van bewijzen vinden van blijmoedigheid, vriendelijkheid, ordelievendheid en systematische bedoeling.Aan de mondingen en oevers van alle rivieren en kreken van Noord-Queensland en ook op de meer beschutte kusten, groeit de mangrove (Rhizaphora). De manier waarop de mangrove zich verspreidt is zeer eigenaardig. Terwijl het zaad, een spoelvormige wortel van één tot vier voet lang, nog aan de peervormige vrucht hangt begint het reeds te kiemen. Een scherpe punt aan den top bevat de eerste bladeren, gereed ter ontplooiïng, terwijl uit het tegenovergestelde, zwaardere einde de wortels ontspringen. Het gewicht van de spoel is zoodanig verdeeld dat zij, wanneer zij in het water valt, rechtstandig drijft.Men heeft wel gemeend dat de „levend barende” mangrove de eenige vertegenwoordigster is van een ver geleden tijdperk, toen de aarde nog in wolken van warmen, vochtigen mist gehuld was en alle planten levendbarend waren. Doch er zijn nog meer planten die dezelfde eigenaardigheid vertoonen, o. a. een hier eveneens voorkomende varen (Asplenium bulbiferum), die in moederlijke zorg haar kroost bij zich houdt tot het sterk genoeg is zichzelf te ontwikkelen. Als het loof afsterft en ter aarde buigt, draagt ieder blad reeds den last van een nieuwe, krachtige generatie.In Februari en Maart nu vallen geheele legers van zulke levende mangrove-wortels in de rivieren. Mijlenver van de kust kan men ze, een speelbal van wind en golven, tegenkomen. Myriaden gaan te gronde, maar duizenden blijven leven om tenslotte een rustplaats te vinden en als pioniers nieuw land voor het plantaardig leven te veroveren. Want de mangrove zegt niet alleen tot den oceaan: „Tot hiertoe en niet verder”, maar neemt voortdurend nieuwe brokken van zijn gebied inbezit. Zoodra de spoel in ondiep water komt, boort zich het spitse uiteinde in de modder; de ranke, maar taaie wortels loopen straalsgewijs uit en de bladeren aan het andere einde ontplooien zich. Na een paar maanden schiet ook de stam boogvormige wortels, die zich met sterke, vingervormige haken in de modder vastgrijpen. Deze wortels vertakken zich op hun beurt en zoo gaat het door tot dat de boom ten laatste gedragen wordt door een ingewikkeld wortelsysteem, dat, wijl de zee er tusschen door spoelt, een veel beter steun vormt dan een enkele, nog zoo dikke en zware stam zou doen. Sommige wortels maken uitloopers die tot boomen worden,even grootals de moederboom. De zware, overhangende takken zenden luchtwortels naar omlaag, die zich eveneens in de modder vasthechten en hen steunen. Enkele zaden vallen onder den boom en groeien er tot zelfstandige boomen op. En zoo is eindelijk de oorspronkelijke stam niet meer te herkennen tusschen het labyrinth van zijn eigen wortels en die van zijn uitloopers en zaailingen. En tusschen al deze dooreengestrengelde wortels, zet zich zeewier, drijfhout, bladeren en zand af, de bodem van de zee wordt verhoogd, een nieuw terrein is haar ontnomen.Maar de zege wordt niet door één plant alleen behaald. Evenals er in het leger verschillende takken van dienst zijn, zoo hebben ook in den eeuwigen strijd tusschen land en zee verschillende planten elk hun eigen taak. Zelfs in een mangrove-moeras komen nog andere planten voor naast de verschillende soorten van eigenlijke mangroven. In de eerste plaats de z.g. rivier-mangrove (Aegiceras majus), die zich echter volstrekt niet tot de rivieren beperkt. Haar taak is het de vunze uitwasemingen van de modder te verzoeten en met haar overvloed van witte, geurende bloesems de bijen en vlinders aan te lokken. DeHeritiera littoralis(Indisch: Samandura) met zijn groote ovale, glimmende en aan den achterkantzilveren bladeren en zijn bootvormige vruchten staat, met de riviermangrove, het verst van de zee af. Niet om de achterhoede te dekken, maar om de plaats geschikter te maken voor de komst van planten, die zoete en zuivere lucht behoeven. Een ander bewoner van het nieuw veroverde gebied is de „melk-mangrove” of gewone blindboom (Excaecaria agallocha), die een melkachtig sap afscheidt dat uiterst vluchtig is en door de Indiërs tijgermelk genoemd wordt. Het veroorzaakt een scherp, brandend gevoel in de keel, oogontsteking, en hoofdpijn, terwijl een enkele druppel in het oog, naar men gelooft, blindheid te weeg brengt. Door de negers van Queensland en Nieuw-Zuid-Wales wordt het als geneesmiddel tegen zweren aangewend. Ook wordt er een zeer goede caoutchouc van bereid.Het is een langzaam maar wonderbaarlijk proces, deze verovering op den oceaan, die tot een wijziging van de oppervlakte der aarde leidt. In een mangrove-woud kan men den groei van het land waarnemen, kan men het langzaam, maar onweerstaanbaar zien voortkruipen, met een snelheid, die nauwkeurig zou kunnen worden berekend. Maar de pionier, de mangrove, ondergaat, zoodra zij haar taak vervuld heeft, het lot van alle pionieren. Heerschzuchtige boomen met overschaduwende toppen, die aanvankelijk aarzelend de gastvrijheid der mangroven aanvaardden, groeien op, belemmeren en verstikken hen, dringen hen steeds weer terug naar de zee om opnieuw veld te winnen voor de wildernis in de achterhoede.Men meene ook niet dat een mangrove-woud onproduktief is. Verschillende visschen huizen tusschen de wortels en eetbare krabben graven kuilen in de modder. Een dezer met één, onmogelijk groote schaar, de roepkrab (Engelsch: viool- of soldatenkrab;Gelasimus vocans) maakt onder het loopen een uitdagend kletterend geluid. Oesters hechten zich aan de wortels en tal van schelpdieren vindt men er bijeen, waarvan sommige op debladeren en de schors der mangrove schijnen te grazen. De arglistige cobra heeft, behalve de beide brooze schelpjes die den kop beschutten, geenerlei kalkbedekking, maar bekleedt haar tunnels toch met het gladde, wit-porceleinen materiaal waaruit schelpen bestaan. Hoe deze teere, half-doorschijnende worm door het hardste hout, zelfs tegen den draad in, heenboort en daarbij nooit de gangen van zijn buurman raakt ofschoon de geheele stam doorzeefd is, lijkt een raadsel.De opmerkelijkste en wonderlijkste bewoners zijn echter de grootoogige slijkspringers (Engelsch: wandel- en klimvisch;Periophthalmus koelreuterienP. australis), die met behulp van hun buik- en borstvinnen tegen de wortels der mangroven opklauteren, over de modder springen en met de vlugheid van een konijn in hun holen wippen. Zij houden er van in nattige schuilhoeken, onder steenen en in holle stammen te vertoeven. Onderzoekend en waakzaam lijken zij op miniatuur-robben, zooals zij, in een heele rij, op een half ondergedompelden wortel zitten en u aanstaren, gereed om bij de minste beweging weg te schieten. Hun oogen—schitterende edelsteenen—zijn zoo geplaatst dat zij een geheelen cirkel beheerschen, zoodat niets hen ontgaat. Men moet zich niet voorstellen dat de slijkspringer ook in de takken klimt: ongeveer een voet boven de oppervlakte van het water is wel de hoogste grens die hij bereikt.En ten slotte wordt het gewoonlijk als ongezond beschouwde, troostelooze moeras, nog bezocht door tal van blijde en lieflijke vogels. Verscheidene honing-zuigers, de kleine blauwe tortelduif, de witte muskaat- en andere duiven, de kleine roerdomp, de ijsvogel, de blauwe reiger, de ibis, en nog veel meer komen er. En zoo is een mangrove-woud niet alleen het tooneel van een der krachtigste en meest besliste natuurprocessen, maar voor hen die goed toezien, tevens een museum van wonderlijke en belangwekkende wezens.EEN GROOTMOORDENAAR.Hoe krachtig de vleugelslag van de witte muskaatduif ook is, toch vinden velen een ellendigen dood, tengevolge van een bijzondere eigenaardigheid van een der boomen in de wildernis. Lang en slank, met mooie glimmende bladeren, ziet de boom er volstrekt niet gevaarlijk uit, en toch is het geen overdrijving wanneer men hem moorddadig noemt. Doornen noch vergif vormen zijn verdelgingsmiddelen, maar niettemin is zijn methode doeltreffend en meedoogenloos en eischt ieder seizoen duizenden slachtoffers.De zaadhulsen van de „Ahm-moo”, zooals de negers hem noemen (Pisonia brunoniana), scheiden een buitengewoon kleverige stof af, die op vogellijm gelijkt en dezelfde noodlottige eigenschap bezit. Wee den vogel, die in zijn vlucht onvoorzichtiglijk langs een der vele vallen strijkt die overal in den boom hangen. Het zaad blijft aan zijn veeren kleven, de vleugels worden aan de zijden vastgeplakt, de hulpelooze vogel valt op den grond, in zijn worsteling komt hij met nog meer zaden in aanraking, bladeren en twijgen blijven aan hem hangen, en tenslotte is hij als een mummie opgerold in een dichte massa plantaardigen afval. Kleine vogels, zoowel als duiven, verder spinnen en allerlei andere insecten als vliegen, bijen, vlinders, worden buitgemaakt en evenzoo zaden van andere boomen.Insekten-etende planten zijn in Australië vrij algemeen, maar de „Ahm-moo” schijnt zijn slachtoffers nergens toe te gebruiken, ofschoon hij er buitengewoon veel maakt.Op sommige eilanden, waar de boom talrijk is, ondergaan ieder seizoen massa’s duiven dit droevig lot. Het rijp worden der zaden valt juist samen met het uitkomen der jongen en vele moeten dan hun onervarenheid duur boeten. De natuurlijke lijm wordt voortgebracht als deduimlange zaden nog groen zijn, maar zij blijft lang goed, zelfs nog nadat de geheele tros verwelkt en afgevallen is. Zelfs honden ondervinden nog veel hinder van de zaden. Wanneer een hond ze met zijn bek van zijn pooten of zijden tracht te verwijderen en zijn snuit met de lijm besmeerd raakt, wordt hij angstig, rolt over den grond om zich verder te bevrijden, maar wikkelt zich daardoor juist nog meer in.Wat is de bedoeling en rechtvaardiging van deze inrichting? Waarom worden argelooze insekten, aangelokt door den zoeten geur der lijm, zoo listig gevangen? Hebben de zaden dierlijke stof noodig om in te kunnen kiemen? In dit geval zou de boom indirekt vleeschetend zijn. Wordt de lijm afgescheiden om de zaden een wijde verspreiding te verzekeren? Maar zij is daartoe evengoed een belemmering, want honderden zaden blijven bij het vallen in de takken van den boom zelf of van de struiken er onder hangen. Zeker zal wel een gedeelte dat den grond bereikt door toedoen van dien eeuwigen krabber, het loophoen, worden verplaatst. Maar zelfs een vogel van naar verhouding zoo groote kracht kan eerder zelf door de zaden worden vastgehouden. Heeft de lijm tot taak te verhoeden dat de vogels de zaden opeten, zoo wordt het doel volkomen bereikt. Een andere eenigszins bevredigende reden waarom deze boom zooveel onschuldig leven moet vermoorden, kan ik niet vinden.SLUIPMOORDENAARS.De bijzondere soort vijgenboom, die de steilten van Dunk-eiland helpt versieren (Ficus cunninghamii), begint zijn leven als een woekerplant. Een dunne, ranke loot, teer en bevend, leunt tegen den voet van een of anderengrooten boom en klampt zich er aan vast. Een onschuldig, zwak, hulpeloos plantje, dat alleen niet zou kunnen bestaan. Maar al spoedig verschijnt een tweede loot, even rank en teer, bij den wortel, andere volgen en tenslotte is de stam van den gastheer met een netwerk van naakte, grauwgroene stengels overdekt. Waar de loten elkaar raken groeien zij samen en steeds steviger en knellerder wordt hun omarming die den stam verstikt, terwijl de eerste scheuten reeds tot hoog in de takken zijn opgeklommen, hun bladeren uitspreiden en aan alle kanten de levenssappen van den boom uitzuigen. En ten laatste bloeit de vijgenboom rond en op den dooden of stervenden vriend, die hem in zijn eerste jeugd tot steun was.Deze plantaardige sluipmoordenaar brengt onmetelijke hoeveelheden kleinepurperenvijgen voort, die een geliefkoosd voedsel zijn van vele vogels. Zoo overvloedig en zoo gewaardeerd zijn de vruchten, dat hun funktie in de harmonie der natuur voor de hand ligt. Dikwijls wetten vogels hun snavel, na het eten van een vijg, aan den stam van een naburigen boom, waarbij een zaadje er aan blijft zitten. Ontkiemt het, dan zendt het wortels naar omlaag om den grond te zoeken en tegelijk uitloopers naar omhoog tusschen de takken.Een verrukkelijke vrucht wordt door een verwante vijgensoort (Validinervis) voortgebracht, die eveneens parasitische neigingen, schoon minder wreede, vertoont. De vrucht, die van groen overgaat inoranje, met donkerroode en purpere vlekken en die ongeveer de grootte heeft van een middelmatige druif, kondigt haar rijpheid aan door de uitscheiding van een druppel kristalhelderen nektar, die gedeeltelijk vast wordt. Hangend aan de gepolijste vrucht, is deze geurende schitterende druppel, teeken van rijke volkomenheid, een aantrekking voor allerlei vogels. Het is een likeur dat geen kan weerstaan en dat, te oordeelen naar hun luidruchtigheid,een buitengewoon vervroolijkenden invloed op hen schijnt te hebben. Vogels, die gewoonlijk stom zijn, beginnen te zingen en de rumoerigen, zooals de verschillende honingzuigers bijvoorbeeld, verliezen alle macht over hun tong en roepen en fluiten als in extase.

ZESDE HOOFDSTUK.EEN VEROVERAAR.Inconsequent en vol grillen en tegenstrijdigheden als de Natuur soms schijnt te zijn, kunnen alleen zij die haar met liefdevolle aandacht bestudeeren, erkennen hoe oprecht en eenvoudig zij in werkelijkheid is. Zij is eerlijk in al haar bedoelingen en, hoe veranderlijk en opzichtig soms in haar verschijning, toch nooit wuft of lichtzinnig. Een ranke palm die door het dichte loof heenschiet en een overdaad van vuurroode, opvallende zaden luchtig doet wuiven, moge het oervoorbeeld van een kokette zijn, maar koketterie die zoozeer de aandacht trekt, waarschuwt voor zich zelf en is onschadelijk. Er is geen gekunsteldheid in de natuur, al haar kleuren, hoe gewaagd ook dikwijls, zijn echt, zuiver, volmaakt. Maar de ware natuurliefhebber weet dat zij ook in haar minder en minst opvallende uitingen even rijk en wonderdadig is als wanneer zij geheele vastelanden met bloemen siert of al de wouden van een land met een gelen mantel overspreidt. Leelijk is zij nooit, want zelfs nog in haar schijnbaar afstootende gedaanten glimlacht zij, althans voor hen die dien glimlach zoeken.Nemen wij een mangrove-moeras als een dier afstootendegedaanten der natuur en wij zullen ook in dien schijnbaren warboel, in modder, slijk en stank nog tal van bewijzen vinden van blijmoedigheid, vriendelijkheid, ordelievendheid en systematische bedoeling.Aan de mondingen en oevers van alle rivieren en kreken van Noord-Queensland en ook op de meer beschutte kusten, groeit de mangrove (Rhizaphora). De manier waarop de mangrove zich verspreidt is zeer eigenaardig. Terwijl het zaad, een spoelvormige wortel van één tot vier voet lang, nog aan de peervormige vrucht hangt begint het reeds te kiemen. Een scherpe punt aan den top bevat de eerste bladeren, gereed ter ontplooiïng, terwijl uit het tegenovergestelde, zwaardere einde de wortels ontspringen. Het gewicht van de spoel is zoodanig verdeeld dat zij, wanneer zij in het water valt, rechtstandig drijft.Men heeft wel gemeend dat de „levend barende” mangrove de eenige vertegenwoordigster is van een ver geleden tijdperk, toen de aarde nog in wolken van warmen, vochtigen mist gehuld was en alle planten levendbarend waren. Doch er zijn nog meer planten die dezelfde eigenaardigheid vertoonen, o. a. een hier eveneens voorkomende varen (Asplenium bulbiferum), die in moederlijke zorg haar kroost bij zich houdt tot het sterk genoeg is zichzelf te ontwikkelen. Als het loof afsterft en ter aarde buigt, draagt ieder blad reeds den last van een nieuwe, krachtige generatie.In Februari en Maart nu vallen geheele legers van zulke levende mangrove-wortels in de rivieren. Mijlenver van de kust kan men ze, een speelbal van wind en golven, tegenkomen. Myriaden gaan te gronde, maar duizenden blijven leven om tenslotte een rustplaats te vinden en als pioniers nieuw land voor het plantaardig leven te veroveren. Want de mangrove zegt niet alleen tot den oceaan: „Tot hiertoe en niet verder”, maar neemt voortdurend nieuwe brokken van zijn gebied inbezit. Zoodra de spoel in ondiep water komt, boort zich het spitse uiteinde in de modder; de ranke, maar taaie wortels loopen straalsgewijs uit en de bladeren aan het andere einde ontplooien zich. Na een paar maanden schiet ook de stam boogvormige wortels, die zich met sterke, vingervormige haken in de modder vastgrijpen. Deze wortels vertakken zich op hun beurt en zoo gaat het door tot dat de boom ten laatste gedragen wordt door een ingewikkeld wortelsysteem, dat, wijl de zee er tusschen door spoelt, een veel beter steun vormt dan een enkele, nog zoo dikke en zware stam zou doen. Sommige wortels maken uitloopers die tot boomen worden,even grootals de moederboom. De zware, overhangende takken zenden luchtwortels naar omlaag, die zich eveneens in de modder vasthechten en hen steunen. Enkele zaden vallen onder den boom en groeien er tot zelfstandige boomen op. En zoo is eindelijk de oorspronkelijke stam niet meer te herkennen tusschen het labyrinth van zijn eigen wortels en die van zijn uitloopers en zaailingen. En tusschen al deze dooreengestrengelde wortels, zet zich zeewier, drijfhout, bladeren en zand af, de bodem van de zee wordt verhoogd, een nieuw terrein is haar ontnomen.Maar de zege wordt niet door één plant alleen behaald. Evenals er in het leger verschillende takken van dienst zijn, zoo hebben ook in den eeuwigen strijd tusschen land en zee verschillende planten elk hun eigen taak. Zelfs in een mangrove-moeras komen nog andere planten voor naast de verschillende soorten van eigenlijke mangroven. In de eerste plaats de z.g. rivier-mangrove (Aegiceras majus), die zich echter volstrekt niet tot de rivieren beperkt. Haar taak is het de vunze uitwasemingen van de modder te verzoeten en met haar overvloed van witte, geurende bloesems de bijen en vlinders aan te lokken. DeHeritiera littoralis(Indisch: Samandura) met zijn groote ovale, glimmende en aan den achterkantzilveren bladeren en zijn bootvormige vruchten staat, met de riviermangrove, het verst van de zee af. Niet om de achterhoede te dekken, maar om de plaats geschikter te maken voor de komst van planten, die zoete en zuivere lucht behoeven. Een ander bewoner van het nieuw veroverde gebied is de „melk-mangrove” of gewone blindboom (Excaecaria agallocha), die een melkachtig sap afscheidt dat uiterst vluchtig is en door de Indiërs tijgermelk genoemd wordt. Het veroorzaakt een scherp, brandend gevoel in de keel, oogontsteking, en hoofdpijn, terwijl een enkele druppel in het oog, naar men gelooft, blindheid te weeg brengt. Door de negers van Queensland en Nieuw-Zuid-Wales wordt het als geneesmiddel tegen zweren aangewend. Ook wordt er een zeer goede caoutchouc van bereid.Het is een langzaam maar wonderbaarlijk proces, deze verovering op den oceaan, die tot een wijziging van de oppervlakte der aarde leidt. In een mangrove-woud kan men den groei van het land waarnemen, kan men het langzaam, maar onweerstaanbaar zien voortkruipen, met een snelheid, die nauwkeurig zou kunnen worden berekend. Maar de pionier, de mangrove, ondergaat, zoodra zij haar taak vervuld heeft, het lot van alle pionieren. Heerschzuchtige boomen met overschaduwende toppen, die aanvankelijk aarzelend de gastvrijheid der mangroven aanvaardden, groeien op, belemmeren en verstikken hen, dringen hen steeds weer terug naar de zee om opnieuw veld te winnen voor de wildernis in de achterhoede.Men meene ook niet dat een mangrove-woud onproduktief is. Verschillende visschen huizen tusschen de wortels en eetbare krabben graven kuilen in de modder. Een dezer met één, onmogelijk groote schaar, de roepkrab (Engelsch: viool- of soldatenkrab;Gelasimus vocans) maakt onder het loopen een uitdagend kletterend geluid. Oesters hechten zich aan de wortels en tal van schelpdieren vindt men er bijeen, waarvan sommige op debladeren en de schors der mangrove schijnen te grazen. De arglistige cobra heeft, behalve de beide brooze schelpjes die den kop beschutten, geenerlei kalkbedekking, maar bekleedt haar tunnels toch met het gladde, wit-porceleinen materiaal waaruit schelpen bestaan. Hoe deze teere, half-doorschijnende worm door het hardste hout, zelfs tegen den draad in, heenboort en daarbij nooit de gangen van zijn buurman raakt ofschoon de geheele stam doorzeefd is, lijkt een raadsel.De opmerkelijkste en wonderlijkste bewoners zijn echter de grootoogige slijkspringers (Engelsch: wandel- en klimvisch;Periophthalmus koelreuterienP. australis), die met behulp van hun buik- en borstvinnen tegen de wortels der mangroven opklauteren, over de modder springen en met de vlugheid van een konijn in hun holen wippen. Zij houden er van in nattige schuilhoeken, onder steenen en in holle stammen te vertoeven. Onderzoekend en waakzaam lijken zij op miniatuur-robben, zooals zij, in een heele rij, op een half ondergedompelden wortel zitten en u aanstaren, gereed om bij de minste beweging weg te schieten. Hun oogen—schitterende edelsteenen—zijn zoo geplaatst dat zij een geheelen cirkel beheerschen, zoodat niets hen ontgaat. Men moet zich niet voorstellen dat de slijkspringer ook in de takken klimt: ongeveer een voet boven de oppervlakte van het water is wel de hoogste grens die hij bereikt.En ten slotte wordt het gewoonlijk als ongezond beschouwde, troostelooze moeras, nog bezocht door tal van blijde en lieflijke vogels. Verscheidene honing-zuigers, de kleine blauwe tortelduif, de witte muskaat- en andere duiven, de kleine roerdomp, de ijsvogel, de blauwe reiger, de ibis, en nog veel meer komen er. En zoo is een mangrove-woud niet alleen het tooneel van een der krachtigste en meest besliste natuurprocessen, maar voor hen die goed toezien, tevens een museum van wonderlijke en belangwekkende wezens.EEN GROOTMOORDENAAR.Hoe krachtig de vleugelslag van de witte muskaatduif ook is, toch vinden velen een ellendigen dood, tengevolge van een bijzondere eigenaardigheid van een der boomen in de wildernis. Lang en slank, met mooie glimmende bladeren, ziet de boom er volstrekt niet gevaarlijk uit, en toch is het geen overdrijving wanneer men hem moorddadig noemt. Doornen noch vergif vormen zijn verdelgingsmiddelen, maar niettemin is zijn methode doeltreffend en meedoogenloos en eischt ieder seizoen duizenden slachtoffers.De zaadhulsen van de „Ahm-moo”, zooals de negers hem noemen (Pisonia brunoniana), scheiden een buitengewoon kleverige stof af, die op vogellijm gelijkt en dezelfde noodlottige eigenschap bezit. Wee den vogel, die in zijn vlucht onvoorzichtiglijk langs een der vele vallen strijkt die overal in den boom hangen. Het zaad blijft aan zijn veeren kleven, de vleugels worden aan de zijden vastgeplakt, de hulpelooze vogel valt op den grond, in zijn worsteling komt hij met nog meer zaden in aanraking, bladeren en twijgen blijven aan hem hangen, en tenslotte is hij als een mummie opgerold in een dichte massa plantaardigen afval. Kleine vogels, zoowel als duiven, verder spinnen en allerlei andere insecten als vliegen, bijen, vlinders, worden buitgemaakt en evenzoo zaden van andere boomen.Insekten-etende planten zijn in Australië vrij algemeen, maar de „Ahm-moo” schijnt zijn slachtoffers nergens toe te gebruiken, ofschoon hij er buitengewoon veel maakt.Op sommige eilanden, waar de boom talrijk is, ondergaan ieder seizoen massa’s duiven dit droevig lot. Het rijp worden der zaden valt juist samen met het uitkomen der jongen en vele moeten dan hun onervarenheid duur boeten. De natuurlijke lijm wordt voortgebracht als deduimlange zaden nog groen zijn, maar zij blijft lang goed, zelfs nog nadat de geheele tros verwelkt en afgevallen is. Zelfs honden ondervinden nog veel hinder van de zaden. Wanneer een hond ze met zijn bek van zijn pooten of zijden tracht te verwijderen en zijn snuit met de lijm besmeerd raakt, wordt hij angstig, rolt over den grond om zich verder te bevrijden, maar wikkelt zich daardoor juist nog meer in.Wat is de bedoeling en rechtvaardiging van deze inrichting? Waarom worden argelooze insekten, aangelokt door den zoeten geur der lijm, zoo listig gevangen? Hebben de zaden dierlijke stof noodig om in te kunnen kiemen? In dit geval zou de boom indirekt vleeschetend zijn. Wordt de lijm afgescheiden om de zaden een wijde verspreiding te verzekeren? Maar zij is daartoe evengoed een belemmering, want honderden zaden blijven bij het vallen in de takken van den boom zelf of van de struiken er onder hangen. Zeker zal wel een gedeelte dat den grond bereikt door toedoen van dien eeuwigen krabber, het loophoen, worden verplaatst. Maar zelfs een vogel van naar verhouding zoo groote kracht kan eerder zelf door de zaden worden vastgehouden. Heeft de lijm tot taak te verhoeden dat de vogels de zaden opeten, zoo wordt het doel volkomen bereikt. Een andere eenigszins bevredigende reden waarom deze boom zooveel onschuldig leven moet vermoorden, kan ik niet vinden.SLUIPMOORDENAARS.De bijzondere soort vijgenboom, die de steilten van Dunk-eiland helpt versieren (Ficus cunninghamii), begint zijn leven als een woekerplant. Een dunne, ranke loot, teer en bevend, leunt tegen den voet van een of anderengrooten boom en klampt zich er aan vast. Een onschuldig, zwak, hulpeloos plantje, dat alleen niet zou kunnen bestaan. Maar al spoedig verschijnt een tweede loot, even rank en teer, bij den wortel, andere volgen en tenslotte is de stam van den gastheer met een netwerk van naakte, grauwgroene stengels overdekt. Waar de loten elkaar raken groeien zij samen en steeds steviger en knellerder wordt hun omarming die den stam verstikt, terwijl de eerste scheuten reeds tot hoog in de takken zijn opgeklommen, hun bladeren uitspreiden en aan alle kanten de levenssappen van den boom uitzuigen. En ten laatste bloeit de vijgenboom rond en op den dooden of stervenden vriend, die hem in zijn eerste jeugd tot steun was.Deze plantaardige sluipmoordenaar brengt onmetelijke hoeveelheden kleinepurperenvijgen voort, die een geliefkoosd voedsel zijn van vele vogels. Zoo overvloedig en zoo gewaardeerd zijn de vruchten, dat hun funktie in de harmonie der natuur voor de hand ligt. Dikwijls wetten vogels hun snavel, na het eten van een vijg, aan den stam van een naburigen boom, waarbij een zaadje er aan blijft zitten. Ontkiemt het, dan zendt het wortels naar omlaag om den grond te zoeken en tegelijk uitloopers naar omhoog tusschen de takken.Een verrukkelijke vrucht wordt door een verwante vijgensoort (Validinervis) voortgebracht, die eveneens parasitische neigingen, schoon minder wreede, vertoont. De vrucht, die van groen overgaat inoranje, met donkerroode en purpere vlekken en die ongeveer de grootte heeft van een middelmatige druif, kondigt haar rijpheid aan door de uitscheiding van een druppel kristalhelderen nektar, die gedeeltelijk vast wordt. Hangend aan de gepolijste vrucht, is deze geurende schitterende druppel, teeken van rijke volkomenheid, een aantrekking voor allerlei vogels. Het is een likeur dat geen kan weerstaan en dat, te oordeelen naar hun luidruchtigheid,een buitengewoon vervroolijkenden invloed op hen schijnt te hebben. Vogels, die gewoonlijk stom zijn, beginnen te zingen en de rumoerigen, zooals de verschillende honingzuigers bijvoorbeeld, verliezen alle macht over hun tong en roepen en fluiten als in extase.

ZESDE HOOFDSTUK.EEN VEROVERAAR.Inconsequent en vol grillen en tegenstrijdigheden als de Natuur soms schijnt te zijn, kunnen alleen zij die haar met liefdevolle aandacht bestudeeren, erkennen hoe oprecht en eenvoudig zij in werkelijkheid is. Zij is eerlijk in al haar bedoelingen en, hoe veranderlijk en opzichtig soms in haar verschijning, toch nooit wuft of lichtzinnig. Een ranke palm die door het dichte loof heenschiet en een overdaad van vuurroode, opvallende zaden luchtig doet wuiven, moge het oervoorbeeld van een kokette zijn, maar koketterie die zoozeer de aandacht trekt, waarschuwt voor zich zelf en is onschadelijk. Er is geen gekunsteldheid in de natuur, al haar kleuren, hoe gewaagd ook dikwijls, zijn echt, zuiver, volmaakt. Maar de ware natuurliefhebber weet dat zij ook in haar minder en minst opvallende uitingen even rijk en wonderdadig is als wanneer zij geheele vastelanden met bloemen siert of al de wouden van een land met een gelen mantel overspreidt. Leelijk is zij nooit, want zelfs nog in haar schijnbaar afstootende gedaanten glimlacht zij, althans voor hen die dien glimlach zoeken.Nemen wij een mangrove-moeras als een dier afstootendegedaanten der natuur en wij zullen ook in dien schijnbaren warboel, in modder, slijk en stank nog tal van bewijzen vinden van blijmoedigheid, vriendelijkheid, ordelievendheid en systematische bedoeling.Aan de mondingen en oevers van alle rivieren en kreken van Noord-Queensland en ook op de meer beschutte kusten, groeit de mangrove (Rhizaphora). De manier waarop de mangrove zich verspreidt is zeer eigenaardig. Terwijl het zaad, een spoelvormige wortel van één tot vier voet lang, nog aan de peervormige vrucht hangt begint het reeds te kiemen. Een scherpe punt aan den top bevat de eerste bladeren, gereed ter ontplooiïng, terwijl uit het tegenovergestelde, zwaardere einde de wortels ontspringen. Het gewicht van de spoel is zoodanig verdeeld dat zij, wanneer zij in het water valt, rechtstandig drijft.Men heeft wel gemeend dat de „levend barende” mangrove de eenige vertegenwoordigster is van een ver geleden tijdperk, toen de aarde nog in wolken van warmen, vochtigen mist gehuld was en alle planten levendbarend waren. Doch er zijn nog meer planten die dezelfde eigenaardigheid vertoonen, o. a. een hier eveneens voorkomende varen (Asplenium bulbiferum), die in moederlijke zorg haar kroost bij zich houdt tot het sterk genoeg is zichzelf te ontwikkelen. Als het loof afsterft en ter aarde buigt, draagt ieder blad reeds den last van een nieuwe, krachtige generatie.In Februari en Maart nu vallen geheele legers van zulke levende mangrove-wortels in de rivieren. Mijlenver van de kust kan men ze, een speelbal van wind en golven, tegenkomen. Myriaden gaan te gronde, maar duizenden blijven leven om tenslotte een rustplaats te vinden en als pioniers nieuw land voor het plantaardig leven te veroveren. Want de mangrove zegt niet alleen tot den oceaan: „Tot hiertoe en niet verder”, maar neemt voortdurend nieuwe brokken van zijn gebied inbezit. Zoodra de spoel in ondiep water komt, boort zich het spitse uiteinde in de modder; de ranke, maar taaie wortels loopen straalsgewijs uit en de bladeren aan het andere einde ontplooien zich. Na een paar maanden schiet ook de stam boogvormige wortels, die zich met sterke, vingervormige haken in de modder vastgrijpen. Deze wortels vertakken zich op hun beurt en zoo gaat het door tot dat de boom ten laatste gedragen wordt door een ingewikkeld wortelsysteem, dat, wijl de zee er tusschen door spoelt, een veel beter steun vormt dan een enkele, nog zoo dikke en zware stam zou doen. Sommige wortels maken uitloopers die tot boomen worden,even grootals de moederboom. De zware, overhangende takken zenden luchtwortels naar omlaag, die zich eveneens in de modder vasthechten en hen steunen. Enkele zaden vallen onder den boom en groeien er tot zelfstandige boomen op. En zoo is eindelijk de oorspronkelijke stam niet meer te herkennen tusschen het labyrinth van zijn eigen wortels en die van zijn uitloopers en zaailingen. En tusschen al deze dooreengestrengelde wortels, zet zich zeewier, drijfhout, bladeren en zand af, de bodem van de zee wordt verhoogd, een nieuw terrein is haar ontnomen.Maar de zege wordt niet door één plant alleen behaald. Evenals er in het leger verschillende takken van dienst zijn, zoo hebben ook in den eeuwigen strijd tusschen land en zee verschillende planten elk hun eigen taak. Zelfs in een mangrove-moeras komen nog andere planten voor naast de verschillende soorten van eigenlijke mangroven. In de eerste plaats de z.g. rivier-mangrove (Aegiceras majus), die zich echter volstrekt niet tot de rivieren beperkt. Haar taak is het de vunze uitwasemingen van de modder te verzoeten en met haar overvloed van witte, geurende bloesems de bijen en vlinders aan te lokken. DeHeritiera littoralis(Indisch: Samandura) met zijn groote ovale, glimmende en aan den achterkantzilveren bladeren en zijn bootvormige vruchten staat, met de riviermangrove, het verst van de zee af. Niet om de achterhoede te dekken, maar om de plaats geschikter te maken voor de komst van planten, die zoete en zuivere lucht behoeven. Een ander bewoner van het nieuw veroverde gebied is de „melk-mangrove” of gewone blindboom (Excaecaria agallocha), die een melkachtig sap afscheidt dat uiterst vluchtig is en door de Indiërs tijgermelk genoemd wordt. Het veroorzaakt een scherp, brandend gevoel in de keel, oogontsteking, en hoofdpijn, terwijl een enkele druppel in het oog, naar men gelooft, blindheid te weeg brengt. Door de negers van Queensland en Nieuw-Zuid-Wales wordt het als geneesmiddel tegen zweren aangewend. Ook wordt er een zeer goede caoutchouc van bereid.Het is een langzaam maar wonderbaarlijk proces, deze verovering op den oceaan, die tot een wijziging van de oppervlakte der aarde leidt. In een mangrove-woud kan men den groei van het land waarnemen, kan men het langzaam, maar onweerstaanbaar zien voortkruipen, met een snelheid, die nauwkeurig zou kunnen worden berekend. Maar de pionier, de mangrove, ondergaat, zoodra zij haar taak vervuld heeft, het lot van alle pionieren. Heerschzuchtige boomen met overschaduwende toppen, die aanvankelijk aarzelend de gastvrijheid der mangroven aanvaardden, groeien op, belemmeren en verstikken hen, dringen hen steeds weer terug naar de zee om opnieuw veld te winnen voor de wildernis in de achterhoede.Men meene ook niet dat een mangrove-woud onproduktief is. Verschillende visschen huizen tusschen de wortels en eetbare krabben graven kuilen in de modder. Een dezer met één, onmogelijk groote schaar, de roepkrab (Engelsch: viool- of soldatenkrab;Gelasimus vocans) maakt onder het loopen een uitdagend kletterend geluid. Oesters hechten zich aan de wortels en tal van schelpdieren vindt men er bijeen, waarvan sommige op debladeren en de schors der mangrove schijnen te grazen. De arglistige cobra heeft, behalve de beide brooze schelpjes die den kop beschutten, geenerlei kalkbedekking, maar bekleedt haar tunnels toch met het gladde, wit-porceleinen materiaal waaruit schelpen bestaan. Hoe deze teere, half-doorschijnende worm door het hardste hout, zelfs tegen den draad in, heenboort en daarbij nooit de gangen van zijn buurman raakt ofschoon de geheele stam doorzeefd is, lijkt een raadsel.De opmerkelijkste en wonderlijkste bewoners zijn echter de grootoogige slijkspringers (Engelsch: wandel- en klimvisch;Periophthalmus koelreuterienP. australis), die met behulp van hun buik- en borstvinnen tegen de wortels der mangroven opklauteren, over de modder springen en met de vlugheid van een konijn in hun holen wippen. Zij houden er van in nattige schuilhoeken, onder steenen en in holle stammen te vertoeven. Onderzoekend en waakzaam lijken zij op miniatuur-robben, zooals zij, in een heele rij, op een half ondergedompelden wortel zitten en u aanstaren, gereed om bij de minste beweging weg te schieten. Hun oogen—schitterende edelsteenen—zijn zoo geplaatst dat zij een geheelen cirkel beheerschen, zoodat niets hen ontgaat. Men moet zich niet voorstellen dat de slijkspringer ook in de takken klimt: ongeveer een voet boven de oppervlakte van het water is wel de hoogste grens die hij bereikt.En ten slotte wordt het gewoonlijk als ongezond beschouwde, troostelooze moeras, nog bezocht door tal van blijde en lieflijke vogels. Verscheidene honing-zuigers, de kleine blauwe tortelduif, de witte muskaat- en andere duiven, de kleine roerdomp, de ijsvogel, de blauwe reiger, de ibis, en nog veel meer komen er. En zoo is een mangrove-woud niet alleen het tooneel van een der krachtigste en meest besliste natuurprocessen, maar voor hen die goed toezien, tevens een museum van wonderlijke en belangwekkende wezens.EEN GROOTMOORDENAAR.Hoe krachtig de vleugelslag van de witte muskaatduif ook is, toch vinden velen een ellendigen dood, tengevolge van een bijzondere eigenaardigheid van een der boomen in de wildernis. Lang en slank, met mooie glimmende bladeren, ziet de boom er volstrekt niet gevaarlijk uit, en toch is het geen overdrijving wanneer men hem moorddadig noemt. Doornen noch vergif vormen zijn verdelgingsmiddelen, maar niettemin is zijn methode doeltreffend en meedoogenloos en eischt ieder seizoen duizenden slachtoffers.De zaadhulsen van de „Ahm-moo”, zooals de negers hem noemen (Pisonia brunoniana), scheiden een buitengewoon kleverige stof af, die op vogellijm gelijkt en dezelfde noodlottige eigenschap bezit. Wee den vogel, die in zijn vlucht onvoorzichtiglijk langs een der vele vallen strijkt die overal in den boom hangen. Het zaad blijft aan zijn veeren kleven, de vleugels worden aan de zijden vastgeplakt, de hulpelooze vogel valt op den grond, in zijn worsteling komt hij met nog meer zaden in aanraking, bladeren en twijgen blijven aan hem hangen, en tenslotte is hij als een mummie opgerold in een dichte massa plantaardigen afval. Kleine vogels, zoowel als duiven, verder spinnen en allerlei andere insecten als vliegen, bijen, vlinders, worden buitgemaakt en evenzoo zaden van andere boomen.Insekten-etende planten zijn in Australië vrij algemeen, maar de „Ahm-moo” schijnt zijn slachtoffers nergens toe te gebruiken, ofschoon hij er buitengewoon veel maakt.Op sommige eilanden, waar de boom talrijk is, ondergaan ieder seizoen massa’s duiven dit droevig lot. Het rijp worden der zaden valt juist samen met het uitkomen der jongen en vele moeten dan hun onervarenheid duur boeten. De natuurlijke lijm wordt voortgebracht als deduimlange zaden nog groen zijn, maar zij blijft lang goed, zelfs nog nadat de geheele tros verwelkt en afgevallen is. Zelfs honden ondervinden nog veel hinder van de zaden. Wanneer een hond ze met zijn bek van zijn pooten of zijden tracht te verwijderen en zijn snuit met de lijm besmeerd raakt, wordt hij angstig, rolt over den grond om zich verder te bevrijden, maar wikkelt zich daardoor juist nog meer in.Wat is de bedoeling en rechtvaardiging van deze inrichting? Waarom worden argelooze insekten, aangelokt door den zoeten geur der lijm, zoo listig gevangen? Hebben de zaden dierlijke stof noodig om in te kunnen kiemen? In dit geval zou de boom indirekt vleeschetend zijn. Wordt de lijm afgescheiden om de zaden een wijde verspreiding te verzekeren? Maar zij is daartoe evengoed een belemmering, want honderden zaden blijven bij het vallen in de takken van den boom zelf of van de struiken er onder hangen. Zeker zal wel een gedeelte dat den grond bereikt door toedoen van dien eeuwigen krabber, het loophoen, worden verplaatst. Maar zelfs een vogel van naar verhouding zoo groote kracht kan eerder zelf door de zaden worden vastgehouden. Heeft de lijm tot taak te verhoeden dat de vogels de zaden opeten, zoo wordt het doel volkomen bereikt. Een andere eenigszins bevredigende reden waarom deze boom zooveel onschuldig leven moet vermoorden, kan ik niet vinden.SLUIPMOORDENAARS.De bijzondere soort vijgenboom, die de steilten van Dunk-eiland helpt versieren (Ficus cunninghamii), begint zijn leven als een woekerplant. Een dunne, ranke loot, teer en bevend, leunt tegen den voet van een of anderengrooten boom en klampt zich er aan vast. Een onschuldig, zwak, hulpeloos plantje, dat alleen niet zou kunnen bestaan. Maar al spoedig verschijnt een tweede loot, even rank en teer, bij den wortel, andere volgen en tenslotte is de stam van den gastheer met een netwerk van naakte, grauwgroene stengels overdekt. Waar de loten elkaar raken groeien zij samen en steeds steviger en knellerder wordt hun omarming die den stam verstikt, terwijl de eerste scheuten reeds tot hoog in de takken zijn opgeklommen, hun bladeren uitspreiden en aan alle kanten de levenssappen van den boom uitzuigen. En ten laatste bloeit de vijgenboom rond en op den dooden of stervenden vriend, die hem in zijn eerste jeugd tot steun was.Deze plantaardige sluipmoordenaar brengt onmetelijke hoeveelheden kleinepurperenvijgen voort, die een geliefkoosd voedsel zijn van vele vogels. Zoo overvloedig en zoo gewaardeerd zijn de vruchten, dat hun funktie in de harmonie der natuur voor de hand ligt. Dikwijls wetten vogels hun snavel, na het eten van een vijg, aan den stam van een naburigen boom, waarbij een zaadje er aan blijft zitten. Ontkiemt het, dan zendt het wortels naar omlaag om den grond te zoeken en tegelijk uitloopers naar omhoog tusschen de takken.Een verrukkelijke vrucht wordt door een verwante vijgensoort (Validinervis) voortgebracht, die eveneens parasitische neigingen, schoon minder wreede, vertoont. De vrucht, die van groen overgaat inoranje, met donkerroode en purpere vlekken en die ongeveer de grootte heeft van een middelmatige druif, kondigt haar rijpheid aan door de uitscheiding van een druppel kristalhelderen nektar, die gedeeltelijk vast wordt. Hangend aan de gepolijste vrucht, is deze geurende schitterende druppel, teeken van rijke volkomenheid, een aantrekking voor allerlei vogels. Het is een likeur dat geen kan weerstaan en dat, te oordeelen naar hun luidruchtigheid,een buitengewoon vervroolijkenden invloed op hen schijnt te hebben. Vogels, die gewoonlijk stom zijn, beginnen te zingen en de rumoerigen, zooals de verschillende honingzuigers bijvoorbeeld, verliezen alle macht over hun tong en roepen en fluiten als in extase.

ZESDE HOOFDSTUK.EEN VEROVERAAR.Inconsequent en vol grillen en tegenstrijdigheden als de Natuur soms schijnt te zijn, kunnen alleen zij die haar met liefdevolle aandacht bestudeeren, erkennen hoe oprecht en eenvoudig zij in werkelijkheid is. Zij is eerlijk in al haar bedoelingen en, hoe veranderlijk en opzichtig soms in haar verschijning, toch nooit wuft of lichtzinnig. Een ranke palm die door het dichte loof heenschiet en een overdaad van vuurroode, opvallende zaden luchtig doet wuiven, moge het oervoorbeeld van een kokette zijn, maar koketterie die zoozeer de aandacht trekt, waarschuwt voor zich zelf en is onschadelijk. Er is geen gekunsteldheid in de natuur, al haar kleuren, hoe gewaagd ook dikwijls, zijn echt, zuiver, volmaakt. Maar de ware natuurliefhebber weet dat zij ook in haar minder en minst opvallende uitingen even rijk en wonderdadig is als wanneer zij geheele vastelanden met bloemen siert of al de wouden van een land met een gelen mantel overspreidt. Leelijk is zij nooit, want zelfs nog in haar schijnbaar afstootende gedaanten glimlacht zij, althans voor hen die dien glimlach zoeken.Nemen wij een mangrove-moeras als een dier afstootendegedaanten der natuur en wij zullen ook in dien schijnbaren warboel, in modder, slijk en stank nog tal van bewijzen vinden van blijmoedigheid, vriendelijkheid, ordelievendheid en systematische bedoeling.Aan de mondingen en oevers van alle rivieren en kreken van Noord-Queensland en ook op de meer beschutte kusten, groeit de mangrove (Rhizaphora). De manier waarop de mangrove zich verspreidt is zeer eigenaardig. Terwijl het zaad, een spoelvormige wortel van één tot vier voet lang, nog aan de peervormige vrucht hangt begint het reeds te kiemen. Een scherpe punt aan den top bevat de eerste bladeren, gereed ter ontplooiïng, terwijl uit het tegenovergestelde, zwaardere einde de wortels ontspringen. Het gewicht van de spoel is zoodanig verdeeld dat zij, wanneer zij in het water valt, rechtstandig drijft.Men heeft wel gemeend dat de „levend barende” mangrove de eenige vertegenwoordigster is van een ver geleden tijdperk, toen de aarde nog in wolken van warmen, vochtigen mist gehuld was en alle planten levendbarend waren. Doch er zijn nog meer planten die dezelfde eigenaardigheid vertoonen, o. a. een hier eveneens voorkomende varen (Asplenium bulbiferum), die in moederlijke zorg haar kroost bij zich houdt tot het sterk genoeg is zichzelf te ontwikkelen. Als het loof afsterft en ter aarde buigt, draagt ieder blad reeds den last van een nieuwe, krachtige generatie.In Februari en Maart nu vallen geheele legers van zulke levende mangrove-wortels in de rivieren. Mijlenver van de kust kan men ze, een speelbal van wind en golven, tegenkomen. Myriaden gaan te gronde, maar duizenden blijven leven om tenslotte een rustplaats te vinden en als pioniers nieuw land voor het plantaardig leven te veroveren. Want de mangrove zegt niet alleen tot den oceaan: „Tot hiertoe en niet verder”, maar neemt voortdurend nieuwe brokken van zijn gebied inbezit. Zoodra de spoel in ondiep water komt, boort zich het spitse uiteinde in de modder; de ranke, maar taaie wortels loopen straalsgewijs uit en de bladeren aan het andere einde ontplooien zich. Na een paar maanden schiet ook de stam boogvormige wortels, die zich met sterke, vingervormige haken in de modder vastgrijpen. Deze wortels vertakken zich op hun beurt en zoo gaat het door tot dat de boom ten laatste gedragen wordt door een ingewikkeld wortelsysteem, dat, wijl de zee er tusschen door spoelt, een veel beter steun vormt dan een enkele, nog zoo dikke en zware stam zou doen. Sommige wortels maken uitloopers die tot boomen worden,even grootals de moederboom. De zware, overhangende takken zenden luchtwortels naar omlaag, die zich eveneens in de modder vasthechten en hen steunen. Enkele zaden vallen onder den boom en groeien er tot zelfstandige boomen op. En zoo is eindelijk de oorspronkelijke stam niet meer te herkennen tusschen het labyrinth van zijn eigen wortels en die van zijn uitloopers en zaailingen. En tusschen al deze dooreengestrengelde wortels, zet zich zeewier, drijfhout, bladeren en zand af, de bodem van de zee wordt verhoogd, een nieuw terrein is haar ontnomen.Maar de zege wordt niet door één plant alleen behaald. Evenals er in het leger verschillende takken van dienst zijn, zoo hebben ook in den eeuwigen strijd tusschen land en zee verschillende planten elk hun eigen taak. Zelfs in een mangrove-moeras komen nog andere planten voor naast de verschillende soorten van eigenlijke mangroven. In de eerste plaats de z.g. rivier-mangrove (Aegiceras majus), die zich echter volstrekt niet tot de rivieren beperkt. Haar taak is het de vunze uitwasemingen van de modder te verzoeten en met haar overvloed van witte, geurende bloesems de bijen en vlinders aan te lokken. DeHeritiera littoralis(Indisch: Samandura) met zijn groote ovale, glimmende en aan den achterkantzilveren bladeren en zijn bootvormige vruchten staat, met de riviermangrove, het verst van de zee af. Niet om de achterhoede te dekken, maar om de plaats geschikter te maken voor de komst van planten, die zoete en zuivere lucht behoeven. Een ander bewoner van het nieuw veroverde gebied is de „melk-mangrove” of gewone blindboom (Excaecaria agallocha), die een melkachtig sap afscheidt dat uiterst vluchtig is en door de Indiërs tijgermelk genoemd wordt. Het veroorzaakt een scherp, brandend gevoel in de keel, oogontsteking, en hoofdpijn, terwijl een enkele druppel in het oog, naar men gelooft, blindheid te weeg brengt. Door de negers van Queensland en Nieuw-Zuid-Wales wordt het als geneesmiddel tegen zweren aangewend. Ook wordt er een zeer goede caoutchouc van bereid.Het is een langzaam maar wonderbaarlijk proces, deze verovering op den oceaan, die tot een wijziging van de oppervlakte der aarde leidt. In een mangrove-woud kan men den groei van het land waarnemen, kan men het langzaam, maar onweerstaanbaar zien voortkruipen, met een snelheid, die nauwkeurig zou kunnen worden berekend. Maar de pionier, de mangrove, ondergaat, zoodra zij haar taak vervuld heeft, het lot van alle pionieren. Heerschzuchtige boomen met overschaduwende toppen, die aanvankelijk aarzelend de gastvrijheid der mangroven aanvaardden, groeien op, belemmeren en verstikken hen, dringen hen steeds weer terug naar de zee om opnieuw veld te winnen voor de wildernis in de achterhoede.Men meene ook niet dat een mangrove-woud onproduktief is. Verschillende visschen huizen tusschen de wortels en eetbare krabben graven kuilen in de modder. Een dezer met één, onmogelijk groote schaar, de roepkrab (Engelsch: viool- of soldatenkrab;Gelasimus vocans) maakt onder het loopen een uitdagend kletterend geluid. Oesters hechten zich aan de wortels en tal van schelpdieren vindt men er bijeen, waarvan sommige op debladeren en de schors der mangrove schijnen te grazen. De arglistige cobra heeft, behalve de beide brooze schelpjes die den kop beschutten, geenerlei kalkbedekking, maar bekleedt haar tunnels toch met het gladde, wit-porceleinen materiaal waaruit schelpen bestaan. Hoe deze teere, half-doorschijnende worm door het hardste hout, zelfs tegen den draad in, heenboort en daarbij nooit de gangen van zijn buurman raakt ofschoon de geheele stam doorzeefd is, lijkt een raadsel.De opmerkelijkste en wonderlijkste bewoners zijn echter de grootoogige slijkspringers (Engelsch: wandel- en klimvisch;Periophthalmus koelreuterienP. australis), die met behulp van hun buik- en borstvinnen tegen de wortels der mangroven opklauteren, over de modder springen en met de vlugheid van een konijn in hun holen wippen. Zij houden er van in nattige schuilhoeken, onder steenen en in holle stammen te vertoeven. Onderzoekend en waakzaam lijken zij op miniatuur-robben, zooals zij, in een heele rij, op een half ondergedompelden wortel zitten en u aanstaren, gereed om bij de minste beweging weg te schieten. Hun oogen—schitterende edelsteenen—zijn zoo geplaatst dat zij een geheelen cirkel beheerschen, zoodat niets hen ontgaat. Men moet zich niet voorstellen dat de slijkspringer ook in de takken klimt: ongeveer een voet boven de oppervlakte van het water is wel de hoogste grens die hij bereikt.En ten slotte wordt het gewoonlijk als ongezond beschouwde, troostelooze moeras, nog bezocht door tal van blijde en lieflijke vogels. Verscheidene honing-zuigers, de kleine blauwe tortelduif, de witte muskaat- en andere duiven, de kleine roerdomp, de ijsvogel, de blauwe reiger, de ibis, en nog veel meer komen er. En zoo is een mangrove-woud niet alleen het tooneel van een der krachtigste en meest besliste natuurprocessen, maar voor hen die goed toezien, tevens een museum van wonderlijke en belangwekkende wezens.EEN GROOTMOORDENAAR.Hoe krachtig de vleugelslag van de witte muskaatduif ook is, toch vinden velen een ellendigen dood, tengevolge van een bijzondere eigenaardigheid van een der boomen in de wildernis. Lang en slank, met mooie glimmende bladeren, ziet de boom er volstrekt niet gevaarlijk uit, en toch is het geen overdrijving wanneer men hem moorddadig noemt. Doornen noch vergif vormen zijn verdelgingsmiddelen, maar niettemin is zijn methode doeltreffend en meedoogenloos en eischt ieder seizoen duizenden slachtoffers.De zaadhulsen van de „Ahm-moo”, zooals de negers hem noemen (Pisonia brunoniana), scheiden een buitengewoon kleverige stof af, die op vogellijm gelijkt en dezelfde noodlottige eigenschap bezit. Wee den vogel, die in zijn vlucht onvoorzichtiglijk langs een der vele vallen strijkt die overal in den boom hangen. Het zaad blijft aan zijn veeren kleven, de vleugels worden aan de zijden vastgeplakt, de hulpelooze vogel valt op den grond, in zijn worsteling komt hij met nog meer zaden in aanraking, bladeren en twijgen blijven aan hem hangen, en tenslotte is hij als een mummie opgerold in een dichte massa plantaardigen afval. Kleine vogels, zoowel als duiven, verder spinnen en allerlei andere insecten als vliegen, bijen, vlinders, worden buitgemaakt en evenzoo zaden van andere boomen.Insekten-etende planten zijn in Australië vrij algemeen, maar de „Ahm-moo” schijnt zijn slachtoffers nergens toe te gebruiken, ofschoon hij er buitengewoon veel maakt.Op sommige eilanden, waar de boom talrijk is, ondergaan ieder seizoen massa’s duiven dit droevig lot. Het rijp worden der zaden valt juist samen met het uitkomen der jongen en vele moeten dan hun onervarenheid duur boeten. De natuurlijke lijm wordt voortgebracht als deduimlange zaden nog groen zijn, maar zij blijft lang goed, zelfs nog nadat de geheele tros verwelkt en afgevallen is. Zelfs honden ondervinden nog veel hinder van de zaden. Wanneer een hond ze met zijn bek van zijn pooten of zijden tracht te verwijderen en zijn snuit met de lijm besmeerd raakt, wordt hij angstig, rolt over den grond om zich verder te bevrijden, maar wikkelt zich daardoor juist nog meer in.Wat is de bedoeling en rechtvaardiging van deze inrichting? Waarom worden argelooze insekten, aangelokt door den zoeten geur der lijm, zoo listig gevangen? Hebben de zaden dierlijke stof noodig om in te kunnen kiemen? In dit geval zou de boom indirekt vleeschetend zijn. Wordt de lijm afgescheiden om de zaden een wijde verspreiding te verzekeren? Maar zij is daartoe evengoed een belemmering, want honderden zaden blijven bij het vallen in de takken van den boom zelf of van de struiken er onder hangen. Zeker zal wel een gedeelte dat den grond bereikt door toedoen van dien eeuwigen krabber, het loophoen, worden verplaatst. Maar zelfs een vogel van naar verhouding zoo groote kracht kan eerder zelf door de zaden worden vastgehouden. Heeft de lijm tot taak te verhoeden dat de vogels de zaden opeten, zoo wordt het doel volkomen bereikt. Een andere eenigszins bevredigende reden waarom deze boom zooveel onschuldig leven moet vermoorden, kan ik niet vinden.SLUIPMOORDENAARS.De bijzondere soort vijgenboom, die de steilten van Dunk-eiland helpt versieren (Ficus cunninghamii), begint zijn leven als een woekerplant. Een dunne, ranke loot, teer en bevend, leunt tegen den voet van een of anderengrooten boom en klampt zich er aan vast. Een onschuldig, zwak, hulpeloos plantje, dat alleen niet zou kunnen bestaan. Maar al spoedig verschijnt een tweede loot, even rank en teer, bij den wortel, andere volgen en tenslotte is de stam van den gastheer met een netwerk van naakte, grauwgroene stengels overdekt. Waar de loten elkaar raken groeien zij samen en steeds steviger en knellerder wordt hun omarming die den stam verstikt, terwijl de eerste scheuten reeds tot hoog in de takken zijn opgeklommen, hun bladeren uitspreiden en aan alle kanten de levenssappen van den boom uitzuigen. En ten laatste bloeit de vijgenboom rond en op den dooden of stervenden vriend, die hem in zijn eerste jeugd tot steun was.Deze plantaardige sluipmoordenaar brengt onmetelijke hoeveelheden kleinepurperenvijgen voort, die een geliefkoosd voedsel zijn van vele vogels. Zoo overvloedig en zoo gewaardeerd zijn de vruchten, dat hun funktie in de harmonie der natuur voor de hand ligt. Dikwijls wetten vogels hun snavel, na het eten van een vijg, aan den stam van een naburigen boom, waarbij een zaadje er aan blijft zitten. Ontkiemt het, dan zendt het wortels naar omlaag om den grond te zoeken en tegelijk uitloopers naar omhoog tusschen de takken.Een verrukkelijke vrucht wordt door een verwante vijgensoort (Validinervis) voortgebracht, die eveneens parasitische neigingen, schoon minder wreede, vertoont. De vrucht, die van groen overgaat inoranje, met donkerroode en purpere vlekken en die ongeveer de grootte heeft van een middelmatige druif, kondigt haar rijpheid aan door de uitscheiding van een druppel kristalhelderen nektar, die gedeeltelijk vast wordt. Hangend aan de gepolijste vrucht, is deze geurende schitterende druppel, teeken van rijke volkomenheid, een aantrekking voor allerlei vogels. Het is een likeur dat geen kan weerstaan en dat, te oordeelen naar hun luidruchtigheid,een buitengewoon vervroolijkenden invloed op hen schijnt te hebben. Vogels, die gewoonlijk stom zijn, beginnen te zingen en de rumoerigen, zooals de verschillende honingzuigers bijvoorbeeld, verliezen alle macht over hun tong en roepen en fluiten als in extase.

EEN VEROVERAAR.Inconsequent en vol grillen en tegenstrijdigheden als de Natuur soms schijnt te zijn, kunnen alleen zij die haar met liefdevolle aandacht bestudeeren, erkennen hoe oprecht en eenvoudig zij in werkelijkheid is. Zij is eerlijk in al haar bedoelingen en, hoe veranderlijk en opzichtig soms in haar verschijning, toch nooit wuft of lichtzinnig. Een ranke palm die door het dichte loof heenschiet en een overdaad van vuurroode, opvallende zaden luchtig doet wuiven, moge het oervoorbeeld van een kokette zijn, maar koketterie die zoozeer de aandacht trekt, waarschuwt voor zich zelf en is onschadelijk. Er is geen gekunsteldheid in de natuur, al haar kleuren, hoe gewaagd ook dikwijls, zijn echt, zuiver, volmaakt. Maar de ware natuurliefhebber weet dat zij ook in haar minder en minst opvallende uitingen even rijk en wonderdadig is als wanneer zij geheele vastelanden met bloemen siert of al de wouden van een land met een gelen mantel overspreidt. Leelijk is zij nooit, want zelfs nog in haar schijnbaar afstootende gedaanten glimlacht zij, althans voor hen die dien glimlach zoeken.Nemen wij een mangrove-moeras als een dier afstootendegedaanten der natuur en wij zullen ook in dien schijnbaren warboel, in modder, slijk en stank nog tal van bewijzen vinden van blijmoedigheid, vriendelijkheid, ordelievendheid en systematische bedoeling.Aan de mondingen en oevers van alle rivieren en kreken van Noord-Queensland en ook op de meer beschutte kusten, groeit de mangrove (Rhizaphora). De manier waarop de mangrove zich verspreidt is zeer eigenaardig. Terwijl het zaad, een spoelvormige wortel van één tot vier voet lang, nog aan de peervormige vrucht hangt begint het reeds te kiemen. Een scherpe punt aan den top bevat de eerste bladeren, gereed ter ontplooiïng, terwijl uit het tegenovergestelde, zwaardere einde de wortels ontspringen. Het gewicht van de spoel is zoodanig verdeeld dat zij, wanneer zij in het water valt, rechtstandig drijft.Men heeft wel gemeend dat de „levend barende” mangrove de eenige vertegenwoordigster is van een ver geleden tijdperk, toen de aarde nog in wolken van warmen, vochtigen mist gehuld was en alle planten levendbarend waren. Doch er zijn nog meer planten die dezelfde eigenaardigheid vertoonen, o. a. een hier eveneens voorkomende varen (Asplenium bulbiferum), die in moederlijke zorg haar kroost bij zich houdt tot het sterk genoeg is zichzelf te ontwikkelen. Als het loof afsterft en ter aarde buigt, draagt ieder blad reeds den last van een nieuwe, krachtige generatie.In Februari en Maart nu vallen geheele legers van zulke levende mangrove-wortels in de rivieren. Mijlenver van de kust kan men ze, een speelbal van wind en golven, tegenkomen. Myriaden gaan te gronde, maar duizenden blijven leven om tenslotte een rustplaats te vinden en als pioniers nieuw land voor het plantaardig leven te veroveren. Want de mangrove zegt niet alleen tot den oceaan: „Tot hiertoe en niet verder”, maar neemt voortdurend nieuwe brokken van zijn gebied inbezit. Zoodra de spoel in ondiep water komt, boort zich het spitse uiteinde in de modder; de ranke, maar taaie wortels loopen straalsgewijs uit en de bladeren aan het andere einde ontplooien zich. Na een paar maanden schiet ook de stam boogvormige wortels, die zich met sterke, vingervormige haken in de modder vastgrijpen. Deze wortels vertakken zich op hun beurt en zoo gaat het door tot dat de boom ten laatste gedragen wordt door een ingewikkeld wortelsysteem, dat, wijl de zee er tusschen door spoelt, een veel beter steun vormt dan een enkele, nog zoo dikke en zware stam zou doen. Sommige wortels maken uitloopers die tot boomen worden,even grootals de moederboom. De zware, overhangende takken zenden luchtwortels naar omlaag, die zich eveneens in de modder vasthechten en hen steunen. Enkele zaden vallen onder den boom en groeien er tot zelfstandige boomen op. En zoo is eindelijk de oorspronkelijke stam niet meer te herkennen tusschen het labyrinth van zijn eigen wortels en die van zijn uitloopers en zaailingen. En tusschen al deze dooreengestrengelde wortels, zet zich zeewier, drijfhout, bladeren en zand af, de bodem van de zee wordt verhoogd, een nieuw terrein is haar ontnomen.Maar de zege wordt niet door één plant alleen behaald. Evenals er in het leger verschillende takken van dienst zijn, zoo hebben ook in den eeuwigen strijd tusschen land en zee verschillende planten elk hun eigen taak. Zelfs in een mangrove-moeras komen nog andere planten voor naast de verschillende soorten van eigenlijke mangroven. In de eerste plaats de z.g. rivier-mangrove (Aegiceras majus), die zich echter volstrekt niet tot de rivieren beperkt. Haar taak is het de vunze uitwasemingen van de modder te verzoeten en met haar overvloed van witte, geurende bloesems de bijen en vlinders aan te lokken. DeHeritiera littoralis(Indisch: Samandura) met zijn groote ovale, glimmende en aan den achterkantzilveren bladeren en zijn bootvormige vruchten staat, met de riviermangrove, het verst van de zee af. Niet om de achterhoede te dekken, maar om de plaats geschikter te maken voor de komst van planten, die zoete en zuivere lucht behoeven. Een ander bewoner van het nieuw veroverde gebied is de „melk-mangrove” of gewone blindboom (Excaecaria agallocha), die een melkachtig sap afscheidt dat uiterst vluchtig is en door de Indiërs tijgermelk genoemd wordt. Het veroorzaakt een scherp, brandend gevoel in de keel, oogontsteking, en hoofdpijn, terwijl een enkele druppel in het oog, naar men gelooft, blindheid te weeg brengt. Door de negers van Queensland en Nieuw-Zuid-Wales wordt het als geneesmiddel tegen zweren aangewend. Ook wordt er een zeer goede caoutchouc van bereid.Het is een langzaam maar wonderbaarlijk proces, deze verovering op den oceaan, die tot een wijziging van de oppervlakte der aarde leidt. In een mangrove-woud kan men den groei van het land waarnemen, kan men het langzaam, maar onweerstaanbaar zien voortkruipen, met een snelheid, die nauwkeurig zou kunnen worden berekend. Maar de pionier, de mangrove, ondergaat, zoodra zij haar taak vervuld heeft, het lot van alle pionieren. Heerschzuchtige boomen met overschaduwende toppen, die aanvankelijk aarzelend de gastvrijheid der mangroven aanvaardden, groeien op, belemmeren en verstikken hen, dringen hen steeds weer terug naar de zee om opnieuw veld te winnen voor de wildernis in de achterhoede.Men meene ook niet dat een mangrove-woud onproduktief is. Verschillende visschen huizen tusschen de wortels en eetbare krabben graven kuilen in de modder. Een dezer met één, onmogelijk groote schaar, de roepkrab (Engelsch: viool- of soldatenkrab;Gelasimus vocans) maakt onder het loopen een uitdagend kletterend geluid. Oesters hechten zich aan de wortels en tal van schelpdieren vindt men er bijeen, waarvan sommige op debladeren en de schors der mangrove schijnen te grazen. De arglistige cobra heeft, behalve de beide brooze schelpjes die den kop beschutten, geenerlei kalkbedekking, maar bekleedt haar tunnels toch met het gladde, wit-porceleinen materiaal waaruit schelpen bestaan. Hoe deze teere, half-doorschijnende worm door het hardste hout, zelfs tegen den draad in, heenboort en daarbij nooit de gangen van zijn buurman raakt ofschoon de geheele stam doorzeefd is, lijkt een raadsel.De opmerkelijkste en wonderlijkste bewoners zijn echter de grootoogige slijkspringers (Engelsch: wandel- en klimvisch;Periophthalmus koelreuterienP. australis), die met behulp van hun buik- en borstvinnen tegen de wortels der mangroven opklauteren, over de modder springen en met de vlugheid van een konijn in hun holen wippen. Zij houden er van in nattige schuilhoeken, onder steenen en in holle stammen te vertoeven. Onderzoekend en waakzaam lijken zij op miniatuur-robben, zooals zij, in een heele rij, op een half ondergedompelden wortel zitten en u aanstaren, gereed om bij de minste beweging weg te schieten. Hun oogen—schitterende edelsteenen—zijn zoo geplaatst dat zij een geheelen cirkel beheerschen, zoodat niets hen ontgaat. Men moet zich niet voorstellen dat de slijkspringer ook in de takken klimt: ongeveer een voet boven de oppervlakte van het water is wel de hoogste grens die hij bereikt.En ten slotte wordt het gewoonlijk als ongezond beschouwde, troostelooze moeras, nog bezocht door tal van blijde en lieflijke vogels. Verscheidene honing-zuigers, de kleine blauwe tortelduif, de witte muskaat- en andere duiven, de kleine roerdomp, de ijsvogel, de blauwe reiger, de ibis, en nog veel meer komen er. En zoo is een mangrove-woud niet alleen het tooneel van een der krachtigste en meest besliste natuurprocessen, maar voor hen die goed toezien, tevens een museum van wonderlijke en belangwekkende wezens.

EEN VEROVERAAR.

Inconsequent en vol grillen en tegenstrijdigheden als de Natuur soms schijnt te zijn, kunnen alleen zij die haar met liefdevolle aandacht bestudeeren, erkennen hoe oprecht en eenvoudig zij in werkelijkheid is. Zij is eerlijk in al haar bedoelingen en, hoe veranderlijk en opzichtig soms in haar verschijning, toch nooit wuft of lichtzinnig. Een ranke palm die door het dichte loof heenschiet en een overdaad van vuurroode, opvallende zaden luchtig doet wuiven, moge het oervoorbeeld van een kokette zijn, maar koketterie die zoozeer de aandacht trekt, waarschuwt voor zich zelf en is onschadelijk. Er is geen gekunsteldheid in de natuur, al haar kleuren, hoe gewaagd ook dikwijls, zijn echt, zuiver, volmaakt. Maar de ware natuurliefhebber weet dat zij ook in haar minder en minst opvallende uitingen even rijk en wonderdadig is als wanneer zij geheele vastelanden met bloemen siert of al de wouden van een land met een gelen mantel overspreidt. Leelijk is zij nooit, want zelfs nog in haar schijnbaar afstootende gedaanten glimlacht zij, althans voor hen die dien glimlach zoeken.Nemen wij een mangrove-moeras als een dier afstootendegedaanten der natuur en wij zullen ook in dien schijnbaren warboel, in modder, slijk en stank nog tal van bewijzen vinden van blijmoedigheid, vriendelijkheid, ordelievendheid en systematische bedoeling.Aan de mondingen en oevers van alle rivieren en kreken van Noord-Queensland en ook op de meer beschutte kusten, groeit de mangrove (Rhizaphora). De manier waarop de mangrove zich verspreidt is zeer eigenaardig. Terwijl het zaad, een spoelvormige wortel van één tot vier voet lang, nog aan de peervormige vrucht hangt begint het reeds te kiemen. Een scherpe punt aan den top bevat de eerste bladeren, gereed ter ontplooiïng, terwijl uit het tegenovergestelde, zwaardere einde de wortels ontspringen. Het gewicht van de spoel is zoodanig verdeeld dat zij, wanneer zij in het water valt, rechtstandig drijft.Men heeft wel gemeend dat de „levend barende” mangrove de eenige vertegenwoordigster is van een ver geleden tijdperk, toen de aarde nog in wolken van warmen, vochtigen mist gehuld was en alle planten levendbarend waren. Doch er zijn nog meer planten die dezelfde eigenaardigheid vertoonen, o. a. een hier eveneens voorkomende varen (Asplenium bulbiferum), die in moederlijke zorg haar kroost bij zich houdt tot het sterk genoeg is zichzelf te ontwikkelen. Als het loof afsterft en ter aarde buigt, draagt ieder blad reeds den last van een nieuwe, krachtige generatie.In Februari en Maart nu vallen geheele legers van zulke levende mangrove-wortels in de rivieren. Mijlenver van de kust kan men ze, een speelbal van wind en golven, tegenkomen. Myriaden gaan te gronde, maar duizenden blijven leven om tenslotte een rustplaats te vinden en als pioniers nieuw land voor het plantaardig leven te veroveren. Want de mangrove zegt niet alleen tot den oceaan: „Tot hiertoe en niet verder”, maar neemt voortdurend nieuwe brokken van zijn gebied inbezit. Zoodra de spoel in ondiep water komt, boort zich het spitse uiteinde in de modder; de ranke, maar taaie wortels loopen straalsgewijs uit en de bladeren aan het andere einde ontplooien zich. Na een paar maanden schiet ook de stam boogvormige wortels, die zich met sterke, vingervormige haken in de modder vastgrijpen. Deze wortels vertakken zich op hun beurt en zoo gaat het door tot dat de boom ten laatste gedragen wordt door een ingewikkeld wortelsysteem, dat, wijl de zee er tusschen door spoelt, een veel beter steun vormt dan een enkele, nog zoo dikke en zware stam zou doen. Sommige wortels maken uitloopers die tot boomen worden,even grootals de moederboom. De zware, overhangende takken zenden luchtwortels naar omlaag, die zich eveneens in de modder vasthechten en hen steunen. Enkele zaden vallen onder den boom en groeien er tot zelfstandige boomen op. En zoo is eindelijk de oorspronkelijke stam niet meer te herkennen tusschen het labyrinth van zijn eigen wortels en die van zijn uitloopers en zaailingen. En tusschen al deze dooreengestrengelde wortels, zet zich zeewier, drijfhout, bladeren en zand af, de bodem van de zee wordt verhoogd, een nieuw terrein is haar ontnomen.Maar de zege wordt niet door één plant alleen behaald. Evenals er in het leger verschillende takken van dienst zijn, zoo hebben ook in den eeuwigen strijd tusschen land en zee verschillende planten elk hun eigen taak. Zelfs in een mangrove-moeras komen nog andere planten voor naast de verschillende soorten van eigenlijke mangroven. In de eerste plaats de z.g. rivier-mangrove (Aegiceras majus), die zich echter volstrekt niet tot de rivieren beperkt. Haar taak is het de vunze uitwasemingen van de modder te verzoeten en met haar overvloed van witte, geurende bloesems de bijen en vlinders aan te lokken. DeHeritiera littoralis(Indisch: Samandura) met zijn groote ovale, glimmende en aan den achterkantzilveren bladeren en zijn bootvormige vruchten staat, met de riviermangrove, het verst van de zee af. Niet om de achterhoede te dekken, maar om de plaats geschikter te maken voor de komst van planten, die zoete en zuivere lucht behoeven. Een ander bewoner van het nieuw veroverde gebied is de „melk-mangrove” of gewone blindboom (Excaecaria agallocha), die een melkachtig sap afscheidt dat uiterst vluchtig is en door de Indiërs tijgermelk genoemd wordt. Het veroorzaakt een scherp, brandend gevoel in de keel, oogontsteking, en hoofdpijn, terwijl een enkele druppel in het oog, naar men gelooft, blindheid te weeg brengt. Door de negers van Queensland en Nieuw-Zuid-Wales wordt het als geneesmiddel tegen zweren aangewend. Ook wordt er een zeer goede caoutchouc van bereid.Het is een langzaam maar wonderbaarlijk proces, deze verovering op den oceaan, die tot een wijziging van de oppervlakte der aarde leidt. In een mangrove-woud kan men den groei van het land waarnemen, kan men het langzaam, maar onweerstaanbaar zien voortkruipen, met een snelheid, die nauwkeurig zou kunnen worden berekend. Maar de pionier, de mangrove, ondergaat, zoodra zij haar taak vervuld heeft, het lot van alle pionieren. Heerschzuchtige boomen met overschaduwende toppen, die aanvankelijk aarzelend de gastvrijheid der mangroven aanvaardden, groeien op, belemmeren en verstikken hen, dringen hen steeds weer terug naar de zee om opnieuw veld te winnen voor de wildernis in de achterhoede.Men meene ook niet dat een mangrove-woud onproduktief is. Verschillende visschen huizen tusschen de wortels en eetbare krabben graven kuilen in de modder. Een dezer met één, onmogelijk groote schaar, de roepkrab (Engelsch: viool- of soldatenkrab;Gelasimus vocans) maakt onder het loopen een uitdagend kletterend geluid. Oesters hechten zich aan de wortels en tal van schelpdieren vindt men er bijeen, waarvan sommige op debladeren en de schors der mangrove schijnen te grazen. De arglistige cobra heeft, behalve de beide brooze schelpjes die den kop beschutten, geenerlei kalkbedekking, maar bekleedt haar tunnels toch met het gladde, wit-porceleinen materiaal waaruit schelpen bestaan. Hoe deze teere, half-doorschijnende worm door het hardste hout, zelfs tegen den draad in, heenboort en daarbij nooit de gangen van zijn buurman raakt ofschoon de geheele stam doorzeefd is, lijkt een raadsel.De opmerkelijkste en wonderlijkste bewoners zijn echter de grootoogige slijkspringers (Engelsch: wandel- en klimvisch;Periophthalmus koelreuterienP. australis), die met behulp van hun buik- en borstvinnen tegen de wortels der mangroven opklauteren, over de modder springen en met de vlugheid van een konijn in hun holen wippen. Zij houden er van in nattige schuilhoeken, onder steenen en in holle stammen te vertoeven. Onderzoekend en waakzaam lijken zij op miniatuur-robben, zooals zij, in een heele rij, op een half ondergedompelden wortel zitten en u aanstaren, gereed om bij de minste beweging weg te schieten. Hun oogen—schitterende edelsteenen—zijn zoo geplaatst dat zij een geheelen cirkel beheerschen, zoodat niets hen ontgaat. Men moet zich niet voorstellen dat de slijkspringer ook in de takken klimt: ongeveer een voet boven de oppervlakte van het water is wel de hoogste grens die hij bereikt.En ten slotte wordt het gewoonlijk als ongezond beschouwde, troostelooze moeras, nog bezocht door tal van blijde en lieflijke vogels. Verscheidene honing-zuigers, de kleine blauwe tortelduif, de witte muskaat- en andere duiven, de kleine roerdomp, de ijsvogel, de blauwe reiger, de ibis, en nog veel meer komen er. En zoo is een mangrove-woud niet alleen het tooneel van een der krachtigste en meest besliste natuurprocessen, maar voor hen die goed toezien, tevens een museum van wonderlijke en belangwekkende wezens.

Inconsequent en vol grillen en tegenstrijdigheden als de Natuur soms schijnt te zijn, kunnen alleen zij die haar met liefdevolle aandacht bestudeeren, erkennen hoe oprecht en eenvoudig zij in werkelijkheid is. Zij is eerlijk in al haar bedoelingen en, hoe veranderlijk en opzichtig soms in haar verschijning, toch nooit wuft of lichtzinnig. Een ranke palm die door het dichte loof heenschiet en een overdaad van vuurroode, opvallende zaden luchtig doet wuiven, moge het oervoorbeeld van een kokette zijn, maar koketterie die zoozeer de aandacht trekt, waarschuwt voor zich zelf en is onschadelijk. Er is geen gekunsteldheid in de natuur, al haar kleuren, hoe gewaagd ook dikwijls, zijn echt, zuiver, volmaakt. Maar de ware natuurliefhebber weet dat zij ook in haar minder en minst opvallende uitingen even rijk en wonderdadig is als wanneer zij geheele vastelanden met bloemen siert of al de wouden van een land met een gelen mantel overspreidt. Leelijk is zij nooit, want zelfs nog in haar schijnbaar afstootende gedaanten glimlacht zij, althans voor hen die dien glimlach zoeken.

Nemen wij een mangrove-moeras als een dier afstootendegedaanten der natuur en wij zullen ook in dien schijnbaren warboel, in modder, slijk en stank nog tal van bewijzen vinden van blijmoedigheid, vriendelijkheid, ordelievendheid en systematische bedoeling.

Aan de mondingen en oevers van alle rivieren en kreken van Noord-Queensland en ook op de meer beschutte kusten, groeit de mangrove (Rhizaphora). De manier waarop de mangrove zich verspreidt is zeer eigenaardig. Terwijl het zaad, een spoelvormige wortel van één tot vier voet lang, nog aan de peervormige vrucht hangt begint het reeds te kiemen. Een scherpe punt aan den top bevat de eerste bladeren, gereed ter ontplooiïng, terwijl uit het tegenovergestelde, zwaardere einde de wortels ontspringen. Het gewicht van de spoel is zoodanig verdeeld dat zij, wanneer zij in het water valt, rechtstandig drijft.

Men heeft wel gemeend dat de „levend barende” mangrove de eenige vertegenwoordigster is van een ver geleden tijdperk, toen de aarde nog in wolken van warmen, vochtigen mist gehuld was en alle planten levendbarend waren. Doch er zijn nog meer planten die dezelfde eigenaardigheid vertoonen, o. a. een hier eveneens voorkomende varen (Asplenium bulbiferum), die in moederlijke zorg haar kroost bij zich houdt tot het sterk genoeg is zichzelf te ontwikkelen. Als het loof afsterft en ter aarde buigt, draagt ieder blad reeds den last van een nieuwe, krachtige generatie.

In Februari en Maart nu vallen geheele legers van zulke levende mangrove-wortels in de rivieren. Mijlenver van de kust kan men ze, een speelbal van wind en golven, tegenkomen. Myriaden gaan te gronde, maar duizenden blijven leven om tenslotte een rustplaats te vinden en als pioniers nieuw land voor het plantaardig leven te veroveren. Want de mangrove zegt niet alleen tot den oceaan: „Tot hiertoe en niet verder”, maar neemt voortdurend nieuwe brokken van zijn gebied inbezit. Zoodra de spoel in ondiep water komt, boort zich het spitse uiteinde in de modder; de ranke, maar taaie wortels loopen straalsgewijs uit en de bladeren aan het andere einde ontplooien zich. Na een paar maanden schiet ook de stam boogvormige wortels, die zich met sterke, vingervormige haken in de modder vastgrijpen. Deze wortels vertakken zich op hun beurt en zoo gaat het door tot dat de boom ten laatste gedragen wordt door een ingewikkeld wortelsysteem, dat, wijl de zee er tusschen door spoelt, een veel beter steun vormt dan een enkele, nog zoo dikke en zware stam zou doen. Sommige wortels maken uitloopers die tot boomen worden,even grootals de moederboom. De zware, overhangende takken zenden luchtwortels naar omlaag, die zich eveneens in de modder vasthechten en hen steunen. Enkele zaden vallen onder den boom en groeien er tot zelfstandige boomen op. En zoo is eindelijk de oorspronkelijke stam niet meer te herkennen tusschen het labyrinth van zijn eigen wortels en die van zijn uitloopers en zaailingen. En tusschen al deze dooreengestrengelde wortels, zet zich zeewier, drijfhout, bladeren en zand af, de bodem van de zee wordt verhoogd, een nieuw terrein is haar ontnomen.

Maar de zege wordt niet door één plant alleen behaald. Evenals er in het leger verschillende takken van dienst zijn, zoo hebben ook in den eeuwigen strijd tusschen land en zee verschillende planten elk hun eigen taak. Zelfs in een mangrove-moeras komen nog andere planten voor naast de verschillende soorten van eigenlijke mangroven. In de eerste plaats de z.g. rivier-mangrove (Aegiceras majus), die zich echter volstrekt niet tot de rivieren beperkt. Haar taak is het de vunze uitwasemingen van de modder te verzoeten en met haar overvloed van witte, geurende bloesems de bijen en vlinders aan te lokken. DeHeritiera littoralis(Indisch: Samandura) met zijn groote ovale, glimmende en aan den achterkantzilveren bladeren en zijn bootvormige vruchten staat, met de riviermangrove, het verst van de zee af. Niet om de achterhoede te dekken, maar om de plaats geschikter te maken voor de komst van planten, die zoete en zuivere lucht behoeven. Een ander bewoner van het nieuw veroverde gebied is de „melk-mangrove” of gewone blindboom (Excaecaria agallocha), die een melkachtig sap afscheidt dat uiterst vluchtig is en door de Indiërs tijgermelk genoemd wordt. Het veroorzaakt een scherp, brandend gevoel in de keel, oogontsteking, en hoofdpijn, terwijl een enkele druppel in het oog, naar men gelooft, blindheid te weeg brengt. Door de negers van Queensland en Nieuw-Zuid-Wales wordt het als geneesmiddel tegen zweren aangewend. Ook wordt er een zeer goede caoutchouc van bereid.

Het is een langzaam maar wonderbaarlijk proces, deze verovering op den oceaan, die tot een wijziging van de oppervlakte der aarde leidt. In een mangrove-woud kan men den groei van het land waarnemen, kan men het langzaam, maar onweerstaanbaar zien voortkruipen, met een snelheid, die nauwkeurig zou kunnen worden berekend. Maar de pionier, de mangrove, ondergaat, zoodra zij haar taak vervuld heeft, het lot van alle pionieren. Heerschzuchtige boomen met overschaduwende toppen, die aanvankelijk aarzelend de gastvrijheid der mangroven aanvaardden, groeien op, belemmeren en verstikken hen, dringen hen steeds weer terug naar de zee om opnieuw veld te winnen voor de wildernis in de achterhoede.

Men meene ook niet dat een mangrove-woud onproduktief is. Verschillende visschen huizen tusschen de wortels en eetbare krabben graven kuilen in de modder. Een dezer met één, onmogelijk groote schaar, de roepkrab (Engelsch: viool- of soldatenkrab;Gelasimus vocans) maakt onder het loopen een uitdagend kletterend geluid. Oesters hechten zich aan de wortels en tal van schelpdieren vindt men er bijeen, waarvan sommige op debladeren en de schors der mangrove schijnen te grazen. De arglistige cobra heeft, behalve de beide brooze schelpjes die den kop beschutten, geenerlei kalkbedekking, maar bekleedt haar tunnels toch met het gladde, wit-porceleinen materiaal waaruit schelpen bestaan. Hoe deze teere, half-doorschijnende worm door het hardste hout, zelfs tegen den draad in, heenboort en daarbij nooit de gangen van zijn buurman raakt ofschoon de geheele stam doorzeefd is, lijkt een raadsel.

De opmerkelijkste en wonderlijkste bewoners zijn echter de grootoogige slijkspringers (Engelsch: wandel- en klimvisch;Periophthalmus koelreuterienP. australis), die met behulp van hun buik- en borstvinnen tegen de wortels der mangroven opklauteren, over de modder springen en met de vlugheid van een konijn in hun holen wippen. Zij houden er van in nattige schuilhoeken, onder steenen en in holle stammen te vertoeven. Onderzoekend en waakzaam lijken zij op miniatuur-robben, zooals zij, in een heele rij, op een half ondergedompelden wortel zitten en u aanstaren, gereed om bij de minste beweging weg te schieten. Hun oogen—schitterende edelsteenen—zijn zoo geplaatst dat zij een geheelen cirkel beheerschen, zoodat niets hen ontgaat. Men moet zich niet voorstellen dat de slijkspringer ook in de takken klimt: ongeveer een voet boven de oppervlakte van het water is wel de hoogste grens die hij bereikt.

En ten slotte wordt het gewoonlijk als ongezond beschouwde, troostelooze moeras, nog bezocht door tal van blijde en lieflijke vogels. Verscheidene honing-zuigers, de kleine blauwe tortelduif, de witte muskaat- en andere duiven, de kleine roerdomp, de ijsvogel, de blauwe reiger, de ibis, en nog veel meer komen er. En zoo is een mangrove-woud niet alleen het tooneel van een der krachtigste en meest besliste natuurprocessen, maar voor hen die goed toezien, tevens een museum van wonderlijke en belangwekkende wezens.

EEN GROOTMOORDENAAR.Hoe krachtig de vleugelslag van de witte muskaatduif ook is, toch vinden velen een ellendigen dood, tengevolge van een bijzondere eigenaardigheid van een der boomen in de wildernis. Lang en slank, met mooie glimmende bladeren, ziet de boom er volstrekt niet gevaarlijk uit, en toch is het geen overdrijving wanneer men hem moorddadig noemt. Doornen noch vergif vormen zijn verdelgingsmiddelen, maar niettemin is zijn methode doeltreffend en meedoogenloos en eischt ieder seizoen duizenden slachtoffers.De zaadhulsen van de „Ahm-moo”, zooals de negers hem noemen (Pisonia brunoniana), scheiden een buitengewoon kleverige stof af, die op vogellijm gelijkt en dezelfde noodlottige eigenschap bezit. Wee den vogel, die in zijn vlucht onvoorzichtiglijk langs een der vele vallen strijkt die overal in den boom hangen. Het zaad blijft aan zijn veeren kleven, de vleugels worden aan de zijden vastgeplakt, de hulpelooze vogel valt op den grond, in zijn worsteling komt hij met nog meer zaden in aanraking, bladeren en twijgen blijven aan hem hangen, en tenslotte is hij als een mummie opgerold in een dichte massa plantaardigen afval. Kleine vogels, zoowel als duiven, verder spinnen en allerlei andere insecten als vliegen, bijen, vlinders, worden buitgemaakt en evenzoo zaden van andere boomen.Insekten-etende planten zijn in Australië vrij algemeen, maar de „Ahm-moo” schijnt zijn slachtoffers nergens toe te gebruiken, ofschoon hij er buitengewoon veel maakt.Op sommige eilanden, waar de boom talrijk is, ondergaan ieder seizoen massa’s duiven dit droevig lot. Het rijp worden der zaden valt juist samen met het uitkomen der jongen en vele moeten dan hun onervarenheid duur boeten. De natuurlijke lijm wordt voortgebracht als deduimlange zaden nog groen zijn, maar zij blijft lang goed, zelfs nog nadat de geheele tros verwelkt en afgevallen is. Zelfs honden ondervinden nog veel hinder van de zaden. Wanneer een hond ze met zijn bek van zijn pooten of zijden tracht te verwijderen en zijn snuit met de lijm besmeerd raakt, wordt hij angstig, rolt over den grond om zich verder te bevrijden, maar wikkelt zich daardoor juist nog meer in.Wat is de bedoeling en rechtvaardiging van deze inrichting? Waarom worden argelooze insekten, aangelokt door den zoeten geur der lijm, zoo listig gevangen? Hebben de zaden dierlijke stof noodig om in te kunnen kiemen? In dit geval zou de boom indirekt vleeschetend zijn. Wordt de lijm afgescheiden om de zaden een wijde verspreiding te verzekeren? Maar zij is daartoe evengoed een belemmering, want honderden zaden blijven bij het vallen in de takken van den boom zelf of van de struiken er onder hangen. Zeker zal wel een gedeelte dat den grond bereikt door toedoen van dien eeuwigen krabber, het loophoen, worden verplaatst. Maar zelfs een vogel van naar verhouding zoo groote kracht kan eerder zelf door de zaden worden vastgehouden. Heeft de lijm tot taak te verhoeden dat de vogels de zaden opeten, zoo wordt het doel volkomen bereikt. Een andere eenigszins bevredigende reden waarom deze boom zooveel onschuldig leven moet vermoorden, kan ik niet vinden.

EEN GROOTMOORDENAAR.

Hoe krachtig de vleugelslag van de witte muskaatduif ook is, toch vinden velen een ellendigen dood, tengevolge van een bijzondere eigenaardigheid van een der boomen in de wildernis. Lang en slank, met mooie glimmende bladeren, ziet de boom er volstrekt niet gevaarlijk uit, en toch is het geen overdrijving wanneer men hem moorddadig noemt. Doornen noch vergif vormen zijn verdelgingsmiddelen, maar niettemin is zijn methode doeltreffend en meedoogenloos en eischt ieder seizoen duizenden slachtoffers.De zaadhulsen van de „Ahm-moo”, zooals de negers hem noemen (Pisonia brunoniana), scheiden een buitengewoon kleverige stof af, die op vogellijm gelijkt en dezelfde noodlottige eigenschap bezit. Wee den vogel, die in zijn vlucht onvoorzichtiglijk langs een der vele vallen strijkt die overal in den boom hangen. Het zaad blijft aan zijn veeren kleven, de vleugels worden aan de zijden vastgeplakt, de hulpelooze vogel valt op den grond, in zijn worsteling komt hij met nog meer zaden in aanraking, bladeren en twijgen blijven aan hem hangen, en tenslotte is hij als een mummie opgerold in een dichte massa plantaardigen afval. Kleine vogels, zoowel als duiven, verder spinnen en allerlei andere insecten als vliegen, bijen, vlinders, worden buitgemaakt en evenzoo zaden van andere boomen.Insekten-etende planten zijn in Australië vrij algemeen, maar de „Ahm-moo” schijnt zijn slachtoffers nergens toe te gebruiken, ofschoon hij er buitengewoon veel maakt.Op sommige eilanden, waar de boom talrijk is, ondergaan ieder seizoen massa’s duiven dit droevig lot. Het rijp worden der zaden valt juist samen met het uitkomen der jongen en vele moeten dan hun onervarenheid duur boeten. De natuurlijke lijm wordt voortgebracht als deduimlange zaden nog groen zijn, maar zij blijft lang goed, zelfs nog nadat de geheele tros verwelkt en afgevallen is. Zelfs honden ondervinden nog veel hinder van de zaden. Wanneer een hond ze met zijn bek van zijn pooten of zijden tracht te verwijderen en zijn snuit met de lijm besmeerd raakt, wordt hij angstig, rolt over den grond om zich verder te bevrijden, maar wikkelt zich daardoor juist nog meer in.Wat is de bedoeling en rechtvaardiging van deze inrichting? Waarom worden argelooze insekten, aangelokt door den zoeten geur der lijm, zoo listig gevangen? Hebben de zaden dierlijke stof noodig om in te kunnen kiemen? In dit geval zou de boom indirekt vleeschetend zijn. Wordt de lijm afgescheiden om de zaden een wijde verspreiding te verzekeren? Maar zij is daartoe evengoed een belemmering, want honderden zaden blijven bij het vallen in de takken van den boom zelf of van de struiken er onder hangen. Zeker zal wel een gedeelte dat den grond bereikt door toedoen van dien eeuwigen krabber, het loophoen, worden verplaatst. Maar zelfs een vogel van naar verhouding zoo groote kracht kan eerder zelf door de zaden worden vastgehouden. Heeft de lijm tot taak te verhoeden dat de vogels de zaden opeten, zoo wordt het doel volkomen bereikt. Een andere eenigszins bevredigende reden waarom deze boom zooveel onschuldig leven moet vermoorden, kan ik niet vinden.

Hoe krachtig de vleugelslag van de witte muskaatduif ook is, toch vinden velen een ellendigen dood, tengevolge van een bijzondere eigenaardigheid van een der boomen in de wildernis. Lang en slank, met mooie glimmende bladeren, ziet de boom er volstrekt niet gevaarlijk uit, en toch is het geen overdrijving wanneer men hem moorddadig noemt. Doornen noch vergif vormen zijn verdelgingsmiddelen, maar niettemin is zijn methode doeltreffend en meedoogenloos en eischt ieder seizoen duizenden slachtoffers.

De zaadhulsen van de „Ahm-moo”, zooals de negers hem noemen (Pisonia brunoniana), scheiden een buitengewoon kleverige stof af, die op vogellijm gelijkt en dezelfde noodlottige eigenschap bezit. Wee den vogel, die in zijn vlucht onvoorzichtiglijk langs een der vele vallen strijkt die overal in den boom hangen. Het zaad blijft aan zijn veeren kleven, de vleugels worden aan de zijden vastgeplakt, de hulpelooze vogel valt op den grond, in zijn worsteling komt hij met nog meer zaden in aanraking, bladeren en twijgen blijven aan hem hangen, en tenslotte is hij als een mummie opgerold in een dichte massa plantaardigen afval. Kleine vogels, zoowel als duiven, verder spinnen en allerlei andere insecten als vliegen, bijen, vlinders, worden buitgemaakt en evenzoo zaden van andere boomen.

Insekten-etende planten zijn in Australië vrij algemeen, maar de „Ahm-moo” schijnt zijn slachtoffers nergens toe te gebruiken, ofschoon hij er buitengewoon veel maakt.

Op sommige eilanden, waar de boom talrijk is, ondergaan ieder seizoen massa’s duiven dit droevig lot. Het rijp worden der zaden valt juist samen met het uitkomen der jongen en vele moeten dan hun onervarenheid duur boeten. De natuurlijke lijm wordt voortgebracht als deduimlange zaden nog groen zijn, maar zij blijft lang goed, zelfs nog nadat de geheele tros verwelkt en afgevallen is. Zelfs honden ondervinden nog veel hinder van de zaden. Wanneer een hond ze met zijn bek van zijn pooten of zijden tracht te verwijderen en zijn snuit met de lijm besmeerd raakt, wordt hij angstig, rolt over den grond om zich verder te bevrijden, maar wikkelt zich daardoor juist nog meer in.

Wat is de bedoeling en rechtvaardiging van deze inrichting? Waarom worden argelooze insekten, aangelokt door den zoeten geur der lijm, zoo listig gevangen? Hebben de zaden dierlijke stof noodig om in te kunnen kiemen? In dit geval zou de boom indirekt vleeschetend zijn. Wordt de lijm afgescheiden om de zaden een wijde verspreiding te verzekeren? Maar zij is daartoe evengoed een belemmering, want honderden zaden blijven bij het vallen in de takken van den boom zelf of van de struiken er onder hangen. Zeker zal wel een gedeelte dat den grond bereikt door toedoen van dien eeuwigen krabber, het loophoen, worden verplaatst. Maar zelfs een vogel van naar verhouding zoo groote kracht kan eerder zelf door de zaden worden vastgehouden. Heeft de lijm tot taak te verhoeden dat de vogels de zaden opeten, zoo wordt het doel volkomen bereikt. Een andere eenigszins bevredigende reden waarom deze boom zooveel onschuldig leven moet vermoorden, kan ik niet vinden.

SLUIPMOORDENAARS.De bijzondere soort vijgenboom, die de steilten van Dunk-eiland helpt versieren (Ficus cunninghamii), begint zijn leven als een woekerplant. Een dunne, ranke loot, teer en bevend, leunt tegen den voet van een of anderengrooten boom en klampt zich er aan vast. Een onschuldig, zwak, hulpeloos plantje, dat alleen niet zou kunnen bestaan. Maar al spoedig verschijnt een tweede loot, even rank en teer, bij den wortel, andere volgen en tenslotte is de stam van den gastheer met een netwerk van naakte, grauwgroene stengels overdekt. Waar de loten elkaar raken groeien zij samen en steeds steviger en knellerder wordt hun omarming die den stam verstikt, terwijl de eerste scheuten reeds tot hoog in de takken zijn opgeklommen, hun bladeren uitspreiden en aan alle kanten de levenssappen van den boom uitzuigen. En ten laatste bloeit de vijgenboom rond en op den dooden of stervenden vriend, die hem in zijn eerste jeugd tot steun was.Deze plantaardige sluipmoordenaar brengt onmetelijke hoeveelheden kleinepurperenvijgen voort, die een geliefkoosd voedsel zijn van vele vogels. Zoo overvloedig en zoo gewaardeerd zijn de vruchten, dat hun funktie in de harmonie der natuur voor de hand ligt. Dikwijls wetten vogels hun snavel, na het eten van een vijg, aan den stam van een naburigen boom, waarbij een zaadje er aan blijft zitten. Ontkiemt het, dan zendt het wortels naar omlaag om den grond te zoeken en tegelijk uitloopers naar omhoog tusschen de takken.Een verrukkelijke vrucht wordt door een verwante vijgensoort (Validinervis) voortgebracht, die eveneens parasitische neigingen, schoon minder wreede, vertoont. De vrucht, die van groen overgaat inoranje, met donkerroode en purpere vlekken en die ongeveer de grootte heeft van een middelmatige druif, kondigt haar rijpheid aan door de uitscheiding van een druppel kristalhelderen nektar, die gedeeltelijk vast wordt. Hangend aan de gepolijste vrucht, is deze geurende schitterende druppel, teeken van rijke volkomenheid, een aantrekking voor allerlei vogels. Het is een likeur dat geen kan weerstaan en dat, te oordeelen naar hun luidruchtigheid,een buitengewoon vervroolijkenden invloed op hen schijnt te hebben. Vogels, die gewoonlijk stom zijn, beginnen te zingen en de rumoerigen, zooals de verschillende honingzuigers bijvoorbeeld, verliezen alle macht over hun tong en roepen en fluiten als in extase.

SLUIPMOORDENAARS.

De bijzondere soort vijgenboom, die de steilten van Dunk-eiland helpt versieren (Ficus cunninghamii), begint zijn leven als een woekerplant. Een dunne, ranke loot, teer en bevend, leunt tegen den voet van een of anderengrooten boom en klampt zich er aan vast. Een onschuldig, zwak, hulpeloos plantje, dat alleen niet zou kunnen bestaan. Maar al spoedig verschijnt een tweede loot, even rank en teer, bij den wortel, andere volgen en tenslotte is de stam van den gastheer met een netwerk van naakte, grauwgroene stengels overdekt. Waar de loten elkaar raken groeien zij samen en steeds steviger en knellerder wordt hun omarming die den stam verstikt, terwijl de eerste scheuten reeds tot hoog in de takken zijn opgeklommen, hun bladeren uitspreiden en aan alle kanten de levenssappen van den boom uitzuigen. En ten laatste bloeit de vijgenboom rond en op den dooden of stervenden vriend, die hem in zijn eerste jeugd tot steun was.Deze plantaardige sluipmoordenaar brengt onmetelijke hoeveelheden kleinepurperenvijgen voort, die een geliefkoosd voedsel zijn van vele vogels. Zoo overvloedig en zoo gewaardeerd zijn de vruchten, dat hun funktie in de harmonie der natuur voor de hand ligt. Dikwijls wetten vogels hun snavel, na het eten van een vijg, aan den stam van een naburigen boom, waarbij een zaadje er aan blijft zitten. Ontkiemt het, dan zendt het wortels naar omlaag om den grond te zoeken en tegelijk uitloopers naar omhoog tusschen de takken.Een verrukkelijke vrucht wordt door een verwante vijgensoort (Validinervis) voortgebracht, die eveneens parasitische neigingen, schoon minder wreede, vertoont. De vrucht, die van groen overgaat inoranje, met donkerroode en purpere vlekken en die ongeveer de grootte heeft van een middelmatige druif, kondigt haar rijpheid aan door de uitscheiding van een druppel kristalhelderen nektar, die gedeeltelijk vast wordt. Hangend aan de gepolijste vrucht, is deze geurende schitterende druppel, teeken van rijke volkomenheid, een aantrekking voor allerlei vogels. Het is een likeur dat geen kan weerstaan en dat, te oordeelen naar hun luidruchtigheid,een buitengewoon vervroolijkenden invloed op hen schijnt te hebben. Vogels, die gewoonlijk stom zijn, beginnen te zingen en de rumoerigen, zooals de verschillende honingzuigers bijvoorbeeld, verliezen alle macht over hun tong en roepen en fluiten als in extase.

De bijzondere soort vijgenboom, die de steilten van Dunk-eiland helpt versieren (Ficus cunninghamii), begint zijn leven als een woekerplant. Een dunne, ranke loot, teer en bevend, leunt tegen den voet van een of anderengrooten boom en klampt zich er aan vast. Een onschuldig, zwak, hulpeloos plantje, dat alleen niet zou kunnen bestaan. Maar al spoedig verschijnt een tweede loot, even rank en teer, bij den wortel, andere volgen en tenslotte is de stam van den gastheer met een netwerk van naakte, grauwgroene stengels overdekt. Waar de loten elkaar raken groeien zij samen en steeds steviger en knellerder wordt hun omarming die den stam verstikt, terwijl de eerste scheuten reeds tot hoog in de takken zijn opgeklommen, hun bladeren uitspreiden en aan alle kanten de levenssappen van den boom uitzuigen. En ten laatste bloeit de vijgenboom rond en op den dooden of stervenden vriend, die hem in zijn eerste jeugd tot steun was.

Deze plantaardige sluipmoordenaar brengt onmetelijke hoeveelheden kleinepurperenvijgen voort, die een geliefkoosd voedsel zijn van vele vogels. Zoo overvloedig en zoo gewaardeerd zijn de vruchten, dat hun funktie in de harmonie der natuur voor de hand ligt. Dikwijls wetten vogels hun snavel, na het eten van een vijg, aan den stam van een naburigen boom, waarbij een zaadje er aan blijft zitten. Ontkiemt het, dan zendt het wortels naar omlaag om den grond te zoeken en tegelijk uitloopers naar omhoog tusschen de takken.

Een verrukkelijke vrucht wordt door een verwante vijgensoort (Validinervis) voortgebracht, die eveneens parasitische neigingen, schoon minder wreede, vertoont. De vrucht, die van groen overgaat inoranje, met donkerroode en purpere vlekken en die ongeveer de grootte heeft van een middelmatige druif, kondigt haar rijpheid aan door de uitscheiding van een druppel kristalhelderen nektar, die gedeeltelijk vast wordt. Hangend aan de gepolijste vrucht, is deze geurende schitterende druppel, teeken van rijke volkomenheid, een aantrekking voor allerlei vogels. Het is een likeur dat geen kan weerstaan en dat, te oordeelen naar hun luidruchtigheid,een buitengewoon vervroolijkenden invloed op hen schijnt te hebben. Vogels, die gewoonlijk stom zijn, beginnen te zingen en de rumoerigen, zooals de verschillende honingzuigers bijvoorbeeld, verliezen alle macht over hun tong en roepen en fluiten als in extase.


Back to IndexNext