20.Der Friezen verdediging van hunne Vrijheid tegen de aanvallen van de Bisschoppen van Utrecht en de Graven van Holland.

Een onverjaarde twist, wiens oorsprong is verloren,Maar wiens gedachtnis schor den landzaat klinkt in de ooren,Scheurde in twee deelen eens den Adel, meldt de faam,En schonk aan ieder deel zijn hatelijken naam;Vetkoopers doopte hij, die Oostergo verheerden,En Schieringers, die meest in Westergo regeerden.Die namen zwemen niet voor de almacht van den tijd,Maar zijn de leuzen nog, alom, in elken strijd,Die straks een tweeden baart ter teling van een ander.Zoo drijven op ons strand de golven ook elkander,En elke, daar ze een spoor heurs aanzijns achterlaat,Versterkt aldus de macht van die te volgen staat.Verblinden![64]

Een onverjaarde twist, wiens oorsprong is verloren,Maar wiens gedachtnis schor den landzaat klinkt in de ooren,Scheurde in twee deelen eens den Adel, meldt de faam,En schonk aan ieder deel zijn hatelijken naam;Vetkoopers doopte hij, die Oostergo verheerden,En Schieringers, die meest in Westergo regeerden.Die namen zwemen niet voor de almacht van den tijd,Maar zijn de leuzen nog, alom, in elken strijd,Die straks een tweeden baart ter teling van een ander.Zoo drijven op ons strand de golven ook elkander,En elke, daar ze een spoor heurs aanzijns achterlaat,Versterkt aldus de macht van die te volgen staat.Verblinden![64]

Ja,VetkoopersenSchieringerswaren de namen en leuzen der partijen, die, even als gelijktijdig deHeeckerensenBronckhorsteninGelderlanden deHoekschenenKabeljaauwscheninHolland, hier de rust der burgers en den vrede des lands verstoorden door een nutteloozen strijd—niet tegen een buitenlandschen vijand, maar tegen zich zelve,—niet om eene eerlijke zaak, maar om gelijk te hebben, om zich te wreken over vermeende beleedigingen en nederlagen, en om, met vernedering van de eene, de zegepraal der andere partij te bevechten. Die namen schijnen aan te duiden, dat de strijd tot oorsprong had: verzet van het gemeene volk of de armen (nog wel hetgraauwgenoemd, welk woord metschierverwant is en aan de grijze kleur der kleeding schijnt ontleend te zijn) tegen de rijken, die hetvetteder aarde genoten. ’t Was echter niet ééne enkele oorzaak, die de onrust baarde: onderscheidene oorzaken en aanleidingen vloeiden zamen. Vele brandstoffen ontvlamden na het ophouden van de kruistogten. De daardoor opgewekte riddergeest en zucht om uit te blinken had tóen een doel gehad—het Heilige land. Doch bij gemis daarvan, werden de strijdkrachten van den adel nu onderling tegen elkander gerigt en verspild. Hevige twisten ontstonden er, nu over den voorrang in het offeren op de altaren der parochie-kerken, dan over de aanmatiging van gezag en heerschappij, welke de adel en de aanzienlijken zich veroorloofden ook over de minderen, waarvan velen zich intusschen tot een krachtvollen middelstand hadden verheven. De burgerijen der toenemende steden verzetten zich tegen die magt, en matigden zich regten aan ten nadeele van het platteland, welks bewoners dáárom de steden vaak zoo vijandig waren, dat zij alles deden om haar te vernederen en te benadeelen. Het geweld was de grondslag van het regtgeworden. Doch welke ook de oorzaak ware, spoedig ging deze verloren of werd zij gewijzigd in den algemeenen burgerkrijg, waarin zich veel persoonlijke vijandschap en familie-twisten mengden, in welke iedereen partij moest kiezen.

Er was toen geen besturend opperhoofd of Vorst inFriesland, aan wiens bevelen alle ingezeten moesten gehoorzamen. Ieder hunner had, volgens de wetten, gelijke regten. Maar juist daarom kon geene vrije Fries dulden, dat een ander zich boven hem in vermogen en aanzien verhief. Vanhier, dat de adel, die overal sterke kasteelen of stinzen stichtte en zich van het gezag meester trachtte te maken, in den haat viel der burgers en onderling strijd voerde. Zoo vestigen zich als Hoofdlingen in de voornaamste steden de geslachten:cammingha,uniaenauckamateLeeuwarden,jongamateBolsward,sjaerdamateFraneker,heemstraenriemersmateDokkum,gerbrandaengratingateHarlingen,harinxmateSneekenSlootenenz. Twistgierige edelen, die onder het volk hun aanhang hadden, belegerden elkander nu op hunne sloten of verwoestten elkanders bezittingen. Dan verzetten de burgers zich tegen het gezag van den adel, of de landbewoners zich tegen de aanmatigingen der steden, die op hare beurt de edelen bestookten of de dorpelingen uitplunderden. Met aangeworven hoopen bestreed men elkander, en kon men al zijn doel niet bereiken, dan vertrok men naar een ander, den omtrek in puin of in vlammen achterlatende. Men behoefde slechts kerken en kloosters rijkelijk te begiftigen, om kwijtschelding voor bedreven, ja aanmoediging en een eervollen naam te verwerven bij geestelijken en kloosterlingen, die vaak zelve oorlog tegen elkander voerden. Dikwijls trok die geestelijkheid partij; en, in plaats vandoor de kracht des evangelies, dat zachtmoedigheid, vergevingsgezindheid en liefde predikt, vrede te stichten, blies zij het vuur der tweedragt aan. Overal en tot alle standen drong de verdeeldheid door. Verschrikkelijk was, tusschen de jaren 1300 en 1500, soms de onrust, de haat, de vervolging en de onveiligheid van leven en bezittingen. Het regt, dat weinigen meer eerbiedigden, was van kracht beroofd, om al deze misdrijven te straffen: want geweld, willekeur en het regt van den sterkste gold overal. Roof, moord en brandstichting heerschten op vele plaatsen. Persoonlijke vrijheid, rust en welvaart, die groote voorregten van een burger, waren geweken. En wanneer bij dat alles soms ook de pest in deze oorden woedde, of watervloeden nood en dood verspreidden en hongersnood ten gevolge hadden—dan stegen jammer en ellende ten top, en werden die plagen gehouden voor straffen des hemels, wegens de boosheid van het ongelukkige volk. (ZieAanteek. 12.)

Intusschen waren er somtijds ook tijdperken van rust en verademing voorFriesland, even als er steden en grietenijen waren, die zich buiten den twist hielden en lang vrede genoten. Na hevige schokken, sloegen vaak de verbitterde vijanden, vermoeid van krijg, ook de bloedige handen ineen, om voor een tijdlang de vervolgingen te staken. Vooral geschiedde dit, wanneer een gevaar hen van buiten bedreigde, en de volksvrijheid door veroveraars belaagd werd[65]. En hoe dikwijlswas dit niet het geval! Ook daarvan willen wij een tafereel ophangen, vermits het altijd een belangwekkend schouwspel oplevert, een mensch met den tegenspoed en een volk om de vrijheid te zien kampen.

[63]Van halmael,Ats Bonninga, Treurspel, Leeuw. 1830, 2. Ten aanzien mijner behandeling in het algemeen, doch van dit onderwerp in het bijzonder, meen ik niet onopgemerkt te moeten laten, dat, daar ik de Friesche Geschiedenis in Hoofdtrekken tracht voor te stellen, ik zeker velen lezers en nog minder der wetenschap dienst zou doen, wanneer ik hierin alle of zelfs de voornaamste feiten en gebeurtenissen opnam, welke onze kronyken in bijzonderheden vermelden. Bij mijne meer algemeene beschouwingen mag men die kronyken, ter kennismaking met de bijzondere voorvallen, blijven lezen, waartoe ik, behalvescharlensis,winsemiusenschotanus, voor algemeen gebruik bijzonder aanbeveel:It aade Friesche Terp of Kronyk der Geschiedenissen van de Vrije Friesen; met Bijvoegsels en Aanteekeningen vanj. van leeuwen, Leeuwarden 1834, 480 bladz., thans voor slechts ƒ1,30 algemeen te bekomen.[64]Van halmael,Ats Bonninga, 4. Zie verderscharlensis, 33;winsemius, 183;schotanus, 164;sjoerds,Jaarboeken, III 129 enz.[65]„Waer omme den Friesen schaedelicker was vrede, dan aenvechtinge van vreemde heeren: want zij in tyde des vredes meer bloedt storten onder malcanderen, dan als sy eendrachtelick die wtlandtsche vianden teghen stonden,” zegtworp van thabor,Kronyk, IV 5.

[63]Van halmael,Ats Bonninga, Treurspel, Leeuw. 1830, 2. Ten aanzien mijner behandeling in het algemeen, doch van dit onderwerp in het bijzonder, meen ik niet onopgemerkt te moeten laten, dat, daar ik de Friesche Geschiedenis in Hoofdtrekken tracht voor te stellen, ik zeker velen lezers en nog minder der wetenschap dienst zou doen, wanneer ik hierin alle of zelfs de voornaamste feiten en gebeurtenissen opnam, welke onze kronyken in bijzonderheden vermelden. Bij mijne meer algemeene beschouwingen mag men die kronyken, ter kennismaking met de bijzondere voorvallen, blijven lezen, waartoe ik, behalvescharlensis,winsemiusenschotanus, voor algemeen gebruik bijzonder aanbeveel:It aade Friesche Terp of Kronyk der Geschiedenissen van de Vrije Friesen; met Bijvoegsels en Aanteekeningen vanj. van leeuwen, Leeuwarden 1834, 480 bladz., thans voor slechts ƒ1,30 algemeen te bekomen.

[64]Van halmael,Ats Bonninga, 4. Zie verderscharlensis, 33;winsemius, 183;schotanus, 164;sjoerds,Jaarboeken, III 129 enz.

[65]„Waer omme den Friesen schaedelicker was vrede, dan aenvechtinge van vreemde heeren: want zij in tyde des vredes meer bloedt storten onder malcanderen, dan als sy eendrachtelick die wtlandtsche vianden teghen stonden,” zegtworp van thabor,Kronyk, IV 5.

In het weleer door de Friezen ingenomene, doch later door de Franken weder veroverde westelijk gedeelte van het oude Friesche rijk (bezuiden de Kinhem of Reker inNoord-Holland) hadden de Duitsche keizers een groot deel lands als leengoed opgedragen of geschonken aan den Bisschop vanUtrechten de Graven vanHollandenZeeland. De eersten, die het geestelijk gezag over het bijna geheelFrieslanduitoefenden, trachtten ook hunne wereldlijke of staatkundige magt uit te breiden, en slaagden er in, om, met keizerlijke giftbrieven en geweld, van lieverlede een gedeelte van het vierde en vijfde der Friesche Zeelanden (de stadGroningenmetDrentheen het noorden vanOverijssel) van het vrijheidsverbond af te trekken en onder hun wereldlijk gebied te brengen. Dit geschiedde echter niet zonder hevigen strijd. Zelfs leed de BisschopottoII in 1226 daarbij eene zóó geduchte nederlaag, dat hij de krijgszuchtige poging, om zijn gebied te vergrooten, zelf met den dood moest boeten. Zijne opvolgers trachtten hun gebied ook in deStellingwervente vestigen, doch hadden zeer veel moeite zich daar staande te houden. Te vergeefs liet Bisschopguyvan Henegouwener daarom in 1309 eene sterkte bouwen—eer deze voltooid was, wierpen de Friezen haar af, vervolgden hunne onderdrukkers totVollenhove, dat zij plunderden, en waar zij zelfs het Bisschoppelijkeslot belegerden. Zij beschoten het van een houten stormgevaarte met steenen en pijlen zoodanig, dat de overgaaf nabij was, toen de Bisschop, met hulp van den Hollandschen Graaf en vele zijner edelen, over de Zuiderzee eene groote heirmagt overzond, die het slot ontzette en de Friezen met groot verlies deed wijken. Het voornemen, om hen in hun eigen land te vervolgen en te straffen, werd echter niet volbragt, maar verhinderd door hevige stormen en regens, zoodat het leger terug trok, en den Bisschop niets anders overbleef dan de Stellingwervers in den ban te doen, en eerlang een verdrag met hen te sluiten (1313)[66].—Ook later deden de Bisschoppen herhaalde vergeefsche pogingen, om deze streken tot onderwerping te brengen. Doch geen hunner vatte de zaak zoo ernstig ter hand alsfrederik van blankenheim, in 1413. Met eene aanzienlijke krijgsmagt trok hij naar de Stellingwerven, verbranddePeperga,Blesdijken andere dorpen en huizen, zonder zijn oogmerk te bereiken. In het zelfde jaar zond hij zijn Maarschalkadolf van swietenmet volk naarLemsterland, waar deze door rooven en branden het gezag des Bisschops zocht te vestigen, doch spoedig eene geduchte wraak moest ondervinden, daar de bijeengetrokken Friezen hem aantastten en hem met bijna al zijn volk doodsloegen. Vanhier, dat de Bisschop zich haastte met hen een vredeverdrag te sluiten, en deze Woudlieden verder ongemoeid liet[67].

DeHollandsche Gravenhadden van de slappe regering van Keizerkarelden kaleen zijne opvolgers gebruik gemaakt, om hun gezag uit te breiden, en omde voor hun persoon ontvangene groote Leenen stilzwijgend op hunne zonen en opvolgers te doen overgaan. Deze erfelijke overgang van de groote Leenen was eene zaak van veel gewigt. Nu magtige heerschers geworden zijnde, was hun gebied hen spoedig te klein; weldra zagen zij rond naar middelen om dat uit te breiden. Geene poging daartoe scheen gunstiger te zullen slagen dan een aanval op de ten noorden van hun Graafschap wonende West-Friezen; en eerlang was het besluit genomen, hen aan te vallen en te veroveren, opdat hun land van het Friesche verbond afgetrokken- en het Graafschap toegevoegd mogt worden.

Dit ging echter niet zoo gemakkelijk als zij zich voorgesteld hadden: want verbazend was de dapperheid van dezen kleinen volksstam in dat lage en toen nog zoo waterrijkeNoord-Hollandtegenover de in den krijg geharde Hollandsche benden. Al mogten ze vreezen, eens voor de overmagt te zullen moeten bezwijken,—toch wilden ze hunne vrijheid beschermen of duur verkoopen, vóór zij een Heer aannamen en zich bukten onder het juk der leenregering. Hun vrije toestand, nog een overblijfsel van het Germaansch beginsel, dat bij hen was bewaard gebleven, was een doorn in het oog dier Graven; en nadat hunne veroveringszucht den eersten aanval gewaagd had, zonder gunstigen uitslag, verklaarden zij als oproerigen en wederspannigen

Die Friezen, tuk op krijg en achter hun moerassenGeen leenplicht kennend en weerbarstig aan den dwang.[68]

Die Friezen, tuk op krijg en achter hun moerassenGeen leenplicht kennend en weerbarstig aan den dwang.[68]

In een land, allerwege met meren en stroomen doorsneden, waren zij niet te genaken dan in zeer droogezomers, of wanneer een strenge winter de wateren en wegen tot een vasten vloer had gemaakt. Boden zij gelegenheid tot een hoofdtreffen, dan was hun aanval hevig en onweêrstaanbaar. Dit ondervond reeds in 1004 Graafarnoudin den bloedigen slag bij het dorpWinkel, waar hij met de bloem van den Hollandschen adel het leven liet. Bij een lateren aanval, in 1169, werd GraafflorisIII met eene menigte zijner edelen geheel-en-al door hen verslagen. Vruchteloos werden Hollands krachten gedurig aan hunne bestrijding verspild. GraafwillemII meende eindelijk in het opwerpen van versterkte sloten het middel tot hunne onderwerping te hebben gevonden; doch ook dit werd door den hardnekkigen tegenstand der Friezen bijna onuitvoerlijk: want niet dan met de uiterste inspanning konden deze kasteelen tot stand gebragt- en tegen hunne woedende aanvallen verdedigd worden. En toen die zelfde GraafwillemII, op het punt omKeizer van Duitschlandte worden, hen in persoon wilde bestrijden en daartoe den winter koos, om overal te kunnen doordringen, moest ook hij, bijHoogwouddoor het ijs zakkende en door zijne vijanden overvallen, zijne vermetelheid met den dood boeten (1256).

Zoo duurde de strijd immer voort. De Hollanders waren door buitenlandsch wapenbedrijf meer geoefend in den krijg; de Friezen hadden alleen hunne eigene dapperheid en listen daar tegenover te stellen. Huurbenden begonnen het leger der Hollanders te vermeerderen; de gedurige inbreuken van de zee en verwijding der stroomen verminderden gelijktijdig het erf en het vermogen der West-Friezen met de gelegenheid, om hulp van hunne oostelijke stamgenooten te bekomen. In weerwil dezer toegenomene bezwaren, ondervond GraafflorisV, brandende van verlangen, om den dood zijns vaders te wreken, hoe moeijelijk het was, dit fiere volk van zijne vrijheid te berooven.Eerst na vier veldtogten en het bouwen van vier sterke kasteelen, en nadat een ontzettende watervloed het land geteisterd- en het volk weerloos gemaakt had, zoodat het niet moeijelijk viel met platboomde vaartuigen dorp voor dorp te bemagtigen, knakte hij der Friezen krachten (1288). Na zijn dood hadden zij nog eenmaal kracht genoeg den dwang te weêrstaan en drie der vier sloten te vernielen; doch dit was hunne laatste worsteling. Want Graafjanvan Avennesbragt met vreemde hulp een aanzienlijk heir bijeen, waarmede hij hen te land en ter zee aanviel en overmeesterde (1297). Hem gelukte het eindelijk door geweld een einde te maken aan hunne betrekking tot de overige Friesche Zeelanden, enWest-Friesland, tusschen de Kinhem en het Flie, aan de Hollandsche Grafelijkheid toe te voegen. Ruim drie eeuwen lang (van 993 tot 1297) duurde alzoo een strijd, die de overwonnenen tot grooter roem verstrekte dan de overwinnaars[69].

Doch ook tot het bezit vanFrieslandtusschen het Flie en de Lauwers strekte de begeerte der Hollandsche Graven zich uit, en dit lag nu aan de beurt, om met geweld van wapenen veroverd te worden, als het zich niet vrijwillig mogt onderwerpen. Deze Graven wendden voor, regt of aanspraak te hebben ook op dit land, opgrond van Giftbrieven der Duitsche Keizers[70]. Doch die hoofden des rijks hadden vergeten of schenen onbekend te zijn met der Friezen volksregten en hunne oorspronkelijke betrekking tot het rijk, ten gevolge waarvan hun land geen leengoed- en dus voor geene verschenking of opdragt vatbaar was. En evenwel schonken zijOostergoo,WestergooofStavorennu aan de Bisschoppen vanUtrecht, dan aan de Graven vanHollandof aan die vanGelderen later weder aan den Markgraaf vanBrunswijken anderen, hetzij als eene belooning voor genoten diensten, hetzij tot kwijting van schuld of wel om andere redenen[71]. De Friezen lieten hun regt daartegen somtijds wel gelden, doch bekreunden zich meesttijds daarover weinig of niet, en erkenden evenmin de geldigheid dier giftbrieven als zij gezind waren eenigen vreemden Landsheer, die zich aan hen wildeopdringen, te ontvangen; te meer, omdat zeldzaam iemand van die begunstigde personen zijne aanspraken deed of kon doen gelden, zoodat zij daarvan geringe of geene gevolgen ondervonden.

Ons Friesland was een maagd, die, schoon wat stug van aard,In veler Vorsten hart een gloed van lusten baart;De lust wekt list, en, om de maagd tot vrouw te maken,Ontzag zich geen van hen haar d’ ouderen te ontschaken[72].

Ons Friesland was een maagd, die, schoon wat stug van aard,In veler Vorsten hart een gloed van lusten baart;De lust wekt list, en, om de maagd tot vrouw te maken,Ontzag zich geen van hen haar d’ ouderen te ontschaken[72].

Nog vóór het eindigen van den strijd tegen de West-Friezen verlangde GraafflorisV ookFrieslandte bemagtigen. In 1288 schijnt hij daartoe eene vergeefsche poging gedaan te hebben; doch in 1292 gelukte het hem, om, met eene vloot over de Zuiderzee gekomen, zijn gezag alléén te vestigen in de koopstadStavoren, welke zich daartoe zonder tegenstand gemakkelijk liet overhalen, omdat zij voor haren handel daarbij meer kon winnen dan verliezen. Want op den zelfden dag, den 1 April 1292, dat zij den Graaf huldigde, verkreeg zij van hem voorregten en vrijheden, die voor haar van belang waren. Het is niet bekend, dat de Graaf verder pogingen deed, om ook het overig gedeelte vanFrieslandte bemagtigen[73].

OfschoonStavorenin 1299 GraafjanII op gelijke wijze huldigde en de bevestiging harer privilegiën van hem verkreeg, schijnt zij die Hollandsche regering spoedig moede geweest- en haar afgevallen te zijn. Immers, naauwelijks was GraafwillemIII, die eerlang den bijnaam van de goede verwierf, in 1305 aan de regering gekomen, of hij ondernam met 1500 man een togt naarFriesland, en landde inGaasterland, met oogmerk omStavorenvan de landzijde te bemagtigen. Doch de Friezen boden, onder hunnen Potestaathessel martena, hem zoo dapperentegenstand, dat hij met de zijnen zich spoedig weder aan boord begaf en aftrok. Uithoofde er zich bij zijne benden West-Friezen bevonden, die vroeger door hunne stamgenooten tegen de overheersching der Hollandsche Graven geholpen waren, zoo namen de Friezen dezen aanval zeer euvel op. Daarom deden velen hunner een togt naarNoord-Holland, en bragten de ingezetenen vanEnkhuizenen omstreken met rooven en branden groote schade toe. Uit wraak zonden deze omgekochte brandstichters inFriesland, die eenige stinzen der edelen, welke bij dien togt tegenwoordig waren geweest, in koolen leidden. Uit weêrwraak stak men van hier nogmaals naarEnkhuizenover, verbrandde wel vijf-en-twintig huizen dier stad en keerde met buit beladen terug, welk verlies de Enkhuizers weêr betaald zetten, door in 1310 het St. Odulphus-klooster teStavorenbij nacht uit te plunderen en in brand te steken[74].—Met zulk een barbaarschen haat en wraak vervolgden christen-landgenooten elkander in die dagen! En tot welk doel?

Graafwillemhad de overtuiging bekomen, dat het aanwenden van geweld het regte middel niet was om de Friezen te winnen. Hij nam dus zachtere middelen, eene behendige staatkunde te baat, om zijn doel te bereiken. In 1310 sloeg hij eene verzoening metStavorenvoor, welke werd aangenomen; terwijl de roem zijner zachtmoedigheid en regtvaardigheid zelfsWestergoobewoog, hem, bij een verdrag, nabijAlkmaargesloten, tot Heer aan te nemen; welligt, omdat het in de hooggerezen binnenlandsche twisten te vaak zijne zwakheid gevoeldetegenover het magtigerOostergoo, dat zich tegen de aanneming van den Graaf bestendig bleef verzetten. Deze zag intusschen zijn gezag bevestigd door den Roomsch Koninglodewijk, die zelfsOostergooenWestergoobeide beval hem als Heer te erkennen (1314). In weerwil hij der Friezen verschillen metHarderwijkenKampenzeer in hun belang regelde, en door vriendelijkheid en billijkheid ieder zocht te believen, verzetten die vanStavorenin 1328 zich weder tegen zijn gezag, door het verjagen van zijne Schouten en het afbreken van hunne huizen. Hiertegen wapende de Graaf zich wel met eene vloot en leger, nam de Friesche schepen op de Zuiderzee en liet strooptogten doen inGaasterland, doch ondervond tevens eene hevige wraak daarover van de Friezen, die zijne schepen moedig aanvielen en de vrijheid namen inWest-Frieslandwederkeerig te plunderen.

Hoewel aan dit geschil, door bemiddeling der Geestelijkheid, een einde werd gemaakt door een zoen, welke teHaarlemdoor den Graaf metStavorenenWestergoowerd gemaakt, schijnt hij inFrieslandweinig gezag te hebben uitgeoefend. Nooit is hij althans doorOostergooerkend geworden, en welligt ook nooit in persoon inFrieslandgeweest om regten uit te oefenen. Een jaar na zijn overlijden, dat in 1337 voorviel, erkendeStavorenzijn zoon en opvolger GraafwillemIV wel als Heer, en bevestigde deze de voorregten dier stad, welke hij twee jaren later vermeerderde; dochWestergoovolgde dit voorbeeld evenmin alsOostergoo[75].

Deze versmading van zijn vermeend gezag en eenige gewelddadigheden teStavorenvoorgevallen, waarbij dezoon van een grafelijk ambtenaar het leven verloor, en welligt ook andere redenen, bewogen den trotschen en onbesuisden GraafwillemIV ten jare 1345 krachtige maatregelen aan te wenden, om ganschFrieslandaan zich te onderwerpen. Hij bragt eene groote vloot bijeen, waarop hij een leger overvoerde, dat (zeker overdreven) op 85,000 man werd geschat. Hiermede stak hij over de Zuiderzee en landde in de nabijheid vanStavoren. Een krachtige nationale tegenstand werd hem geboden: want hoe min talrijk de nu als één man vereenigde en slecht gewapende Friezen ook waren, hun moed was een muur. Hunne liefde voor de vrijheid telde de overmagt niet der vijanden, maar klom met het gevaar, daar ze geene geweldige aanranding van hun land konden dulden. De grievende vernedering, welke de Graaf kort te voren het door hem belegerde en zich vrijwillig overgevendeUtrechthad aangedaan, spelde hen, wat zij van zijn wraaklust hadden te vreezen, als zij te kort schoten en hij mogt zegepralen. Zij trokken hem vurig te gemoet, en, zoo ooit, was het toen, dat het volgendeStrijdliedin hunnen mond voegde:

Wierne de alde Friesen fry,Friesce soannen binne wy.De alde moed is net forroen:O, wy stjerre foar ues groun!Stoarm in wetter haww’ wy hôanOer ues ljeawe Friesce lôan;’t Folk, dat foar nin weagen swicht,Fait it oarlochsswird eak licht.Jane wy den eak nin keapFoar ien wylde stropers heap!Frydom, koft troch eigen moed,Is ues meer as goed in bloed.’t Gleaune scerpe krigersswirdLoeke wy foar hoes in hird,In wy binne eang of bang,As foar frjemde keunings twang.Broes’ nou ’t alde Friesce bloed!Kom wer, frye Friesce moed!Frydom, frydom is ues noftAs de foegels yn de loft.De alde Friesen wierne fry,Foar de frydom fjochte wy;In ien echte frye FriesHet fen frjemde twang ien grys[76].

Wierne de alde Friesen fry,Friesce soannen binne wy.De alde moed is net forroen:O, wy stjerre foar ues groun!

Stoarm in wetter haww’ wy hôanOer ues ljeawe Friesce lôan;’t Folk, dat foar nin weagen swicht,Fait it oarlochsswird eak licht.

Jane wy den eak nin keapFoar ien wylde stropers heap!Frydom, koft troch eigen moed,Is ues meer as goed in bloed.

’t Gleaune scerpe krigersswirdLoeke wy foar hoes in hird,In wy binne eang of bang,As foar frjemde keunings twang.

Broes’ nou ’t alde Friesce bloed!Kom wer, frye Friesce moed!Frydom, frydom is ues noftAs de foegels yn de loft.

De alde Friesen wierne fry,Foar de frydom fjochte wy;In ien echte frye FriesHet fen frjemde twang ien grys[76].

De vloot, door ruw herfstweder verstrooid, landde niet gelijktijdig, zoodat de Graaf geene gelegenheid had, zijn leger in behoorlijke orde te scharen. Dit werd ook vóórgekomen door de Friezen, die zoo dapper op de Hollandsche benden aanvielen, dat zij eerst een gedeelte, doorjanvan Henegouwenaangevoerd, versloegen, en daarna het andere gedeelte, met den Graaf aan het hoofd, zóó lang en zóó onversaagd, van den opgang der zon tot den laten avond, bestreden, dat het leger geheel verslagen en verstrooid werd, en dat de Graaf zelf in het heetst van het gevecht sneuvelde met zeer vele edelen uit de voornaamste geslachten vanHolland,ZeelandenHenegouwen, wier getal op 240, gelijk het gansche getal gesneuvelden van den vijand op 18,000(?) man begroot werd.

»Holland en Zeeland smolt in rouw op de tyding deezer nederlaage,” zegt een Hollandsch geschiedschrijver[77]. Wie billijkt niet die smart? en niet minder die »der jonge Graavin over de dood haars Egtgenoots?” Maar wie ontroert het niet, daarbij van eene vrouw te moeten lezen: »dat zij daarover zoo gebeten was op de Friezen, dat zij niet alleen hunne goederen inHollandallen verbeurd verklaarde, maar dat zij ook het kloosterMariënhofop het eilandMarken, door de Hallumer AbtdijMariëngaardemet Friesche Monniken bevolkt, aan hare wraakzucht opofferde, door eene bende krijgsvolk derwaarts te zenden, die, buiten oorlog en in koelen bloede, ’t gebouw in brand stak en de ongelukkige monniken in de Zuiderzee smeet”[78].

Men is gewoon laag te vallen op de ruwheid der Friezen in hunne oorlogen; maar van zulk een gruwel heeft de Friesche geschiedenis geen voorbeeld. Rampzalig de eeuw en het land, waarin zelfs eene Vorstin zich zóó kon verlagen, en zich straffeloos vergrijpen aan het leven en de bezittingen van weerloozen! Wie onzer zou die tijden terugwenschen?

Maar nog geen wraak genoeg. GraafwillemV trachtte den dood zijns voorgangers te wreken door de Friezen—niet met eerlijke wapenen in openbaren strijd, maar te straffen, door het uitgeven van last- of kaperbrieven aan bijzondere personen, om op hen te panden, of hen te lande en te water, aan lijf en goed, allerwege te beschadigen en te berooven (1347). Van zulk een laag middel hadden de Friezen voor hunnen handel en bezittingen de grootste nadeelen te vreezen. Gaarne sloten zij dus in den volgenden jare een vredeverdrag of bestand voor twintig jaren, niet enkel met den Graaf, maar ook met de Ridderschap, Steden en Ingezetenen vanHolland,ZeelandenWest-Friesland;—een verdrag, waarbij de voorwaarden geheel in het belang vanOostergooenWestergoogesteld waren, en waarbij de Graaf zelfs beloofde, dat zijne onderzaten de grenzen vanFrieslandniet zouden overschrijden, dan in geval van nood en om koophandel te drijven, waartoe zij zich echter enkel tot de drie marktplaatsenHarich,KornwerdenHolwerdmoesten bepalen[79]. Later gaf de Graaf ook den Friezenvolle vrijheid, om inNoord-Hollandhandel te drijven en de markt teHaarlemte bezoeken[80].

Zoo scheen dan eindelijk het tijdperk te zullen aanbreken van rust en vrede tusschen de ingezetenen van zoo nà bij elkander gelegene landen, die beide zoo veel belang hadden bij eene goede verstandhouding en bij het rustig genot van de wederzijdsche regten en bezittingen. OfschoonStavorenkort daarna afviel (1352) en den Graaf als Heer aannam, uit baatzucht welligt, ten einde van hem voor haren handel vrijdom van tollen en gelijke voorregten te bekomen, als waarmede de Hollandsche koopsteden begunstigd waren;—ofschoon KeizerkarelIVOostergooenWestergoobeval, den Graaf insgelijks als Heer te erkennen (1362)[81],—werd het bestand telkens verlengd, en bleven de Friezen eene halve eeuw lang van deze zijde ongestoord, hoewel zij gelijktijdig onderling in partijschappen hevig verdeeld waren[82]. Herhaaldelijk gaf echter de opvolgende Graaf vanHolland, Hertogalbrechtvan Beijeren, blijken, dat hij zijne aanspraken op het bezit vanFrieslandgeenszins liet varen. Doch hij waagde het niet, deze met eene krijgsmagt te doen gelden, dewijl hij in zijn eigen land moeite genoeg had, zich staande te houden bij de hooggestegen beroerten der Hoekschen en Kabeljaauwschen en bij huiselijke twisten, ten gevolge waarvan zijn oudste zoon, Graafwillemvan Oostervant, naarFrankrijkgevlugt was. Dáár werd deze echter aan’s Konings tafel smadelijk verweten, dat hem die plaats der eere niet toekwam, vermits het wapen van zijn geslacht was geschonden of verloren door de nederlaag van zijn oudoom GraafwillemIV, die in ’s vijands land verslagen en nog onbegraven was, zonder dat iemand van zijn geslacht dien dood had gewroken[83].

Als een kloek ridder was hem die smaad onduldbaar. Die smet wilde hij afwisschen. De eerste stap daartoe was, zich met zijn vader te verzoenen en dezen te bewegen, omFriesland, het kostte wat het wilde, te veroveren. Dit gelukte hem, en naauwelijks was het voornemen van Hertogalbrecht, om de Friezen te bestrijden, bekend geworden, of er openbaarde zich eene zóó algemeene geestdrift tot deelneming, dat het scheen alsof er een kruistogt gepredikt ware. Vele aanzienlijke graven en ridders kwamen ook uit andere landen over, om deel te nemen aan een strijd, welke gelegenheid tot schitterende wapenfeiten scheen aan te bieden. Meer dan een jaar lang werden er in allerlei oorden, in en buiten des Graven gebied, manschappen aangenomen en schepen, door verbod om buiten ’s land te varen, geprest tot den togt naarFriesland. Eene verbazende magt werd er alzoo ontwikkeld, waarvan het toenmaals eerst opkomende zeewezen van ons land nog geen voorbeeld had gegeven, en welke zelfs ook later geene weêrgade vond. Want (hoe onwaarschijnlijk ook) op 180,000 man werd het leger begroot, dat uit Hollanders, Zeeuwen, Vlamingen en Henegouwers,ja zelfs uit Fransche, Engelsche en Duitsche hulpbenden bestond, welke werden overgevoerd op eene vloot, wier sterkte men op 3000 groote schepen en 400 kleinere vaartuigen schatte.—En zulk eene vloot en leger achtte men noodig, om een land, zóó klein van omvang, doch zóó geducht door den heldenmoed en de vrijheidsliefde zijner bewoners, te veroveren! Een vervaarlijk onweder trok alzoo te zamen, datFrieslandmet eene onvermijdelijke overweldiging bedreigde.

Hoe zouden de Friezen tegen zulk eene overmagt bestand zijn geweest? Terwijl de vijand, door geene onderhandelingen te bewegen, om van zijn voornemen af te zien, alle hulp van naburen bekomen- en hen alle wegen tot verkrijging van ondersteuning afgesneden had, konden zij uit hun eigen land niet meer dan 30,000 weerbare mannen bijeenbrengen. Om met deze, ongeoefend en slecht gewapend als ze waren, zulk een leger te wederstaan, scheen gevaarlijk, zoo niet roekeloos. Daarom gaf de door hen op een landsdag verkozen Potestaatjuw juwingaofjongamavanBolsward, die als krijgsman op buitenlandsche togten vele proeven van dapperheid gegeven- en rijke ervaring verworven had, hun den verstandigen raad, om den vijand geen slag te leveren in het open veld, maar zich in de steden en dorpen te verschansen, ten einde het leger af te matten, en door gebrek aan leeftogt tot terugkeer te noodzaken. Doch met onstuimige strijdzucht verachtten zij dien raad, omdat het ontwijken van een slag den schijn zou geven alsof zij lafhartig een vijand ontweken, dien zij, even als hunne vaderen vijftig jaren vroeger, nog durfden staan. Afkeerig van allen dwang en met fierheid elke poging tot hunne overheersching verfoeijende, trokken zij, onder de kreet: »Wij sterven liever als vrije Friezen dan ons aan een vreemden heer te onderwerpen!” denvijand tegen, ten einde »vrij en friesch, met lijf en goed, de vrijheid te beschermen, en alle vreemde landsheeren eendragtelijk tegen te staan.”

Hertogalbrechtvan Beijeren, die in het opperbevel door drie zijner zonen ondersteund werd, had zijne legermagt teEnkhuizenverzameld, stak de Zuiderzee over en landde aan den zeedijk tusschende Lemmerende Kuinder. Nadat de Friezen vruchteloos getracht hadden de landing te verhinderen, werd er, op den 29 Augustus 1396, op een daaraan gelegen groot veld, hetOostzingerlandofOosterzee-ingerlandgeheeten, bijSchoterzijl, slag geleverd. Verschrikkelijk was de woede van dit gevecht. Met heldenmoed voor hunne vrijheid strijdende, verrigtten de Friezen wonderen van dapperheid. Eenige uren lang bleef de zege twijfelachtig; maar, toen zij eindelijk door nieuwe benden aan alle zijden ingesloten waren, sloegen zij verwoed en verward op den vijand in, en moesten voor het welgewapende en overmagtige leger bukken. Een groot getal Friezen was gesneuveld en daaronder ook hun edele Potestaat, die, schoon men zijn raad niet wilde opvolgen, zich toch aan het hoofd des legers had gesteld, om allen door zijn voorbeeld aan te sporen[84].

Nog had het volk kracht genoeg, drie dagen later een tweede gevecht te wagen, hetwelk echter, even als latere herhaalde schermutselingen, niet gelukkiger uitviel, hoewel ook daarbij vele vijanden omkwamen. De Hollandsche benden trokken nu het land in, om de vrucht hunnerzegepraal te genieten, door overal te plunderen en te branden. Vijf weken lang duurde dit woeden. Onstuimig herfstweder en gebrek aan leeftogt en betaling noodzaaktenalbrechthet overschot van zijn leger nog vóór den winter terug te voeren naarEnkhuizen, waar het ontbonden werd. InStavoren, waar hij een sterk kasteel zou hebben laten bouwen, en op andere plaatsen had hij eenige bezetting achtergelaten, doch deze werd weldra door de Friezen verdreven; en toen de Hertog, in Februarij 1397, om die benden te hulp te komen, drie Hollandsche Edelen aan het hoofd van eene legermagt herwaarts zond, en deze teHindeloopenmeenden te landen, werden ze door de Friezen zoo krachtig ontvangen, dat zij met groot verlies naar hunne schepen en naarHollandterugkeerden. Zoo waren al de voordeelen der behaalde overwinning verloren gegaan. Doch de overwinnaar was laag genoeg, om nu zijn wrok te koelen, door het uitgeven van een aantal magt- of pandbrieven aan vele personen, om zijne vijanden, de Friezen, te water en te land te beoorlogen, te beschadigen en afbreuk te doen. Zelfs stelde hij zijne twee Admiralen aan het hoofd dezer kaperschepen[85].

De verpletterende ramp, welkeFrieslandbedreigd en als ten ondergang bestemd had, was alzoo gelukkig te boven gekomen, en had de vrijheid uit den strijd het hoofd weder opgebeurd. ’t Was echter, alsof het Hertogalbrechtkrenkte, dat hij van zijne overwinning zoo slecht gebruik had gemaakt, en dat de vijand, dien hij wel overmeesterd, doch niet bedwongen had, zijne ontzettende opofferingen door de verdrijving van zijne benden met vernedering en bespotting vergold. Nogmaalswilde hij dat weerbarstigeFrieslandveroveren, bedwingen en aan zijn gebied onderwerpen. Met nieuwen ijver hervatte hij de oorlogs-toebereidselen. In Mei 1398 beval hij al zijne leenmannen en ridders, zelfs die uitlandig waren, om hem, tegen het laatst der maand Junij, met een bepaald getal gewapende mannen ter hulp te komen tot den nieuwen togt naarFriesland. Evenzoo de steden vanHolland, enZeeland, waarvan enkelDordrechtmoest leveren: 600 gewapende mannen, 20 timmerlieden, 10 smeden, 10 metselaars en 25 schutters, benevens een aantal horden. Deze laatste waren bestemd om den overtogt langs moerassen en slechte wegen gemakkelijk te maken[86]; terwijl de getallen dier handwerkslieden blijken geven, dat de Hertog zijn gezag hier nu wilde vestigen door het bouwen van kasteelen, gelijk vroeger inNoord-Hollandwas geschied, waartoe hij eene groote hoeveelheid »calck, yser ende hout dede copen totter timmeragie in ons reysen, die wy, off God wil(!), doen sullen op onse vyanden die Oistvriesen.” Bovendien moesten de elf voornaamste Hollandsche steden 444 schepen (behalve de groote) leveren, en verzocht hij de stadZierikzee, om hem 25 groote geproviandeerde schepen te leenen en daarmede de hulpbenden, welke hij inEngelandhad aangeworven, te halen en naarVlissingente brengen. Van elders leende hij nog 300 schepen, ontbood hulp uitZeeland,Utrecht,Zalland, het land vanAltenaenz.; terwijl de Heer vanHensberghem met 200 bemande galeijen en 4000 Gld., gelijkHaarlemmet 4 schepen en 5000 oude Schilden, bijstand deed. Zelfs verzocht hij ondersteuning van den Koning vanFrankrijken andere vreemde Vorsten, en besloten deZeeuwen hem 8000 man te leveren, behalve de manschappen, welke reeds van hunne Steden waren gevorderd. Eindelijk waren de menigvuldige toebereidselen tot den Frieschen oorlog gereed, en het groote leger met de talrijke vloot teEnkhuizenverzameld, alsof het de verovering van het Heilige land zou gelden[87].

Op een der eerste dagen van Julij 1398 stak deze krijgsmagt, onder bevel van Graafwillemvan Oostervant, over de Zuiderzee, en landde tusschende LemmerenTakozijl. Zij vond vooreerst geen tegenstand, gelijk vroeger: want de Friezen waren nu geheel anders gezinddan toen. Sedert dien tijd hadden de partijschappen het hoofd zóó verwoed opgestoken, dat het in den vorigen jare 1397 bijDronrijptot een veldslag was gekomen, waarin de Vetkoopers de nederlaag hadden geleden. Uit zucht naar wraak en om zich te herstellen, helden deze nu naar de zijde vanHollandover en boden geen tegenstand, ook op hoop van door den Graaf in aanzienlijke betrekkingen gesteld te zullen worden. De Schieringers vreesden de gevolgen van dezen aanval minder; terwijl de ondervinding ook had geleerd, dat het vruchteloos was, zoo vele vreemde benden in het open veld te bestrijden. Naar den vroegeren raad van den Potestaatjuwinga, hield men zich nu meer in de steden op en trachtte deze te versterken[88]. Het leger trok alzoo onverhinderd doorGaasterland, doch vond niet ver vanHindeloopenvele Friezen verzameld, die eene poging wilden doen omStavorente beschermen. Zij werden echter na een hevig gevecht verdreven, en nu trok men naarStavoren, waarin zich eene groote menigte volks had verzameld. Langer dan drie weken werd deze stad vruchteloos belegerd, en zij gaf zich niet over, vóór de aanzienlijkste edelen vanOostergooenWestergoometwillemvan Oostervantin het leger een verdrag hadden gesloten, waarbij ze zijnen vader wel tot Heer aannamen, en hem toestonden sloten en burgten in het land te bouwen en overheden aan te stellen; doch waarbij ze tevens uitdrukkelijk bedongen, dat de Friezen hunne goederen vrij zouden blijven bezitten, dat zij tot geene heervaart buiten ’s lands zouden verpligt zijn, dat hun veiligheid van personen en goederen verzekerd werd, dat ze hun eigen Friesch regt zouden behouden enz.[89]

Eerlang werd nu Hertogalbrechtvan Beijerendoor geheelFrieslandals Heer gehuldigd, bij uitvoerige zoen- en huldebrieven. Op verscheidene plaatsen liet hij kasteelen bouwen tot bedwang van het land; naar Hollandsche wijze stelde hij hier Schouten, Baljuwen en Schepenen aan, begiftigde vele aanzienlijke edelen met goederen, en deed hij ook daardoor werkelijk pogingen, om hier het Leenstelsel in te voeren. Hierin en in meerdere bepalingen van zijnen zoenbrief week hij af van het eerste verdrag van aanneming, en ziet daar al dadelijk den grond gelegd van een tegenstand en verzet van het volk, welke zich reeds in het begin des volgenden jaars openbaarden[90]. Die schending van het verdrag was den vrijheidminnenden Friezen even onduldbaar als al de blijken van overheersching; en inderdaad werden eerlang alle kasteelen door het volk gesloopt, de ambtenaren verjaagd en de bezettingen, behalve uitStavoren, verdreven. Te vergeefs zond de Hertog nieuwe benden uit de Hollandsche steden naarStavoren, dat door de Friezen krachtig, doch zonder vrucht, werd aangevallen. Te vergeefs trachtte hij bij een naderen zoenbrief door gunstiger bepalingen, omtrent het vrij en onbezwaard bezit der eigendommen, de schattingen en regten, de bezwaren der Friezen weg te nemen. Reeds was het gansche land tegen het Hollandsche gezag ingenomen en gewapend. Voor de derdemaal schreef hij in Julij 1400 eene algemeene heirvaart tegen de Friezen uit, en werden al zijne ridderen en leenmannen, steden en dorpen inHollandenZeeland, ja zelfs inUtrecht, aangeschreven, hem ten spoedigste met 550 galeijen en een bepaald getal manschappen te hulp te komen.Dordrechtwas daarbij weder gesteld op 600 gewapende mannen en 40 arbeiders,»of Smeden, Tymmerluden, Maetselairs ende andere luden met breecbilen, hantbomen, ghetouwen ende ander gherieschap, om te woesten ende te vellen alle Sloten, Stenhuzen ende Vestenissen, dye onze meynedighe luden van Oistvrieslant jeghens ons houden.” De overige steden en plaatsen moesten hulp leveren naar evenredigheid[91].

Ook deze togt liep weder vruchteloos af, daar het leger, onder aanvoering van Graafwillemvan OostervantteStavorengeland, wel de zeekust langs trok, met de Friezen schermutselingen hield enDokkuminnam; doch te magteloos was, het Hollandsche gezag hier te herstellen, waarom het eerlang terugtrok, nadat al de pogingen, om ’s Graven gezag ook inGroningente vestigen, mede verijdeld waren.

In weerwil van zoo herhaalde teleurstellingen en aanzienlijke opofferingen, was de oude Hertog den strijd nog niet moede. In Junij des volgenden jaars 1401 schreef hij inHollandenZeelandeene dubbele en driedubbele heirvaart uit, om hem te hulp te komen met gewapende mannen en sterke gravers met schup en spade en piek of boog, ten einde daarmede een togt te doen naarStavoren, om de twee kasteelen te voltooijen, welke hij begonnen was, daar tot versterking van deze stad te doen bouwen[92]. Doch dit was ook zijne laatste poging ter bedwinging van een land, dat getoond had, zich niet te willen onderwerpen. De uitputting zijner geldmiddelen en de mindere gewilligheid der Hollandsche edelen en steden, om zijner veroveringszucht langer ten dienste te staan, deden hem zelfs naar vrede verlangen. Den 1 October 1401 werd die teBolswardvoor zes jaren gesloten, bij een verdrag, waarbij de Friezen tusschen den Wezer ende Lemmervoor zich gunstige bepalingen van vrijheid en rust bedongen, en den Hertog alleen het gebied overStavorenlieten behouden[93].

De gevolgen van deze herhaalde togten en ongemeene kracht-inspanning waren voor Hertogalbrechtzeer bedroevend: want die verbazende krijgstoerustingen en de daarop gevolgde Arkelsche oorlog hadden hem zoo zeer verarmd en met schulden bezwaard, dat, bij zijn dood in 1404, zijn boedel door zijne weduwe met den voet werd gestooten. De Friezen herstelden zich vervolgens van hunne nederlaag, door het verjagen van de vijandelijke bezetting, maar het verlies van den Overwinnaar was onherstelbaar, dewijl hij overal, waar hem het gebieden voegde, verpligt was te gehoorzamen[94]. Zijne veroveringszucht gedijdde hem alzoo evenzeer tot schade en schande, als den Friezen tot eere, dewijl zij daardoor gelegenheid hadden, nieuwe blijken te geven van heldenmoed ter handhaving van vrijheid en regt, bij de bestrijding van overmagtige legers, die hun volksbestaan met den ondergang bedreigden. (ZieAanteekening 13.)

Al de latere Graven vanHollandin de 15eeeuw hebben echter bestendig hunne vermeende aanspraak opFrieslanddoen gelden, door bijna jaarlijks het geslotene vrede-verdrag te vernieuwen. Niet minder deden zij dit door het aanwenden van rustelooze pogingen, bij wijze van onderhandeling, om zich door de Friezen als Heer of Graaf erkend te zien, hoewel deze, wanneer de drang hun te sterk voorkwam, zich telkens tijdig genoegverzekerden van nieuwe keizerlijke bullen, waarbij hun regt, om zich zelve te regeren en buiten het rijk, dat hun bescherming verleende, geenen heer onderdanig te zijn, werd bevestigd[95]. Geen dier Graven deed echter zijne aanspraken meer met geweld of magt van wapenen gelden. Dit was hun afgeleerd. Het lot hunner voorzaten bleef hen deswege eene heilzame waarschuwing. Onnatuurlijk was echter die klove tusschen zoo nabij elkander gelegen gewesten. Zeker zou eene gewenschte toenadering eerder hebben plaats gehad, indien de Hollanders niet immer getoond hadden, den meester te willen spelen over de Friezen, die echter niet gezind waren het hoofd zoo spoedig in den schoot te leggen, maar die stonden, waar zij meenden te moeten staan, zonder lafheid of vrees voor een heerschzuchtigen nabuur, wiens aanvallen zij zoo dikwijls gedrongen waren, op eene bloedige wijze betaald te zetten. Veel moest er nog gebeuren, geheel andere tijden en omstandigheden moesten er komen, vóór die verwijdering kon ophouden, om vervangen te worden door eene toenadering, vereeniging en zamenwerking, welke beider belangen en het heil des geheelen vaderlands in één staatkundigen band zou omvatten en bevorderen. Terwijl wij het dus bij deze togten betreuren, dat zoo vele Vorsten uit veroveringszucht zoo veel bloed hunner nijvere ingezetenen hebben verspild, heeft de geschiedenis der Friezen ons weder een luisterrijk voorbeeld gegeven, hoe zelfs geringe volken, door liefde tot de vrijheid bezield en aangedreven, met onverschrokken moed magtige overheerschers kunnen wederstaan, en hoe zij met de gebrekkigste hulpmiddelen uitkomsten te weeg brengen, welke de bewondering van tijdgenoot en nageslacht verdienen.


Back to IndexNext