Zóó is de Fries. Wanneer gevarenDer Vrijheid zweven, om zijn kust,Dan weet zijn moed van geen bedaren,Noch zijne Leeuw van logge rust.Wee hem! die dezen Leeuw verschrikkenOf wil betemmen of verblikken,Hij schuimbekt, raast en kent geen reên![96]
Zóó is de Fries. Wanneer gevarenDer Vrijheid zweven, om zijn kust,Dan weet zijn moed van geen bedaren,Noch zijne Leeuw van logge rust.Wee hem! die dezen Leeuw verschrikkenOf wil betemmen of verblikken,Hij schuimbekt, raast en kent geen reên![96]
[66]Ziewagenaar,Vaderlandsche Historie, III 194;sjoerds,Jaarboeken, III 236;van kampen,Geschiedenis der Nederlanden, I 126;CharterboekI 138, 151.[67]Charterboek, 379;schotanus,Beschrijv. end Chron.175;worp van thabor,Kron.IV 10, 21;Tegenwoordige Staat, I 590.[68]Mr.j. van lennep,Verontschuldiging, 1850, 22. Zie ookeikelenberg,West Friesland, 24, 44, aangeh. inhofdijk,Jonker van Brederode, 1849, Aanteekening 198.[69]Uithoofde dit onderwerp in onze vaderlandsche geschiedenissen veelal verkeerd, of naar de opvatting van de Hollanders, wordt voorgesteld, heb ik deze en de volgende togten dier Graven eenigzins uitvoeriger bewerkt. Zie hierover breeder bijwagenaar,Vaderlandsche Historie, II 115, 129, 235, 240, 260, 401; III 43, 102 enz.;Tegenwoordige Staat, I 429;sjoerds,Jaarboeken, II 169 env.;bosscha,Heldendaden, I 23 enz.[70]Ofschoon Graafarnoudin de geslachtlijst der Graven vanGent, bijvan loon,Aloude Hollandsche Histori, 1734, II 236, reeds Heer over geheelFrieslandgenoemd wordt, en ook Giftbrieven in de levens der eerste Graven, bijschriverius, hiervan gewagen, zoo heeft reedsubbo emmius,Hist. Fris.lib. V, te kennen gegeven: „datter van de Hollandsche scribenten bygelapt is, dat Vriesland oock van de Bataviers af tot de Riviere den Lauwers in de selve gifte van Karel mede begreepen, ende aen den selven Diederick geschoncken is geweest: dewijl sulcks noch uyt oude Historiën of brieven van donatie kan waer ghemaeckt worden; maer ter contrarie dit landt door de bepalinge van Kinhem klaer en uytdruckelijck genoech daer uyt wordt geslooten.” Zieschriverius,Levens der Graven, ’s Hage 1667, 34.[71]Zie die zoogenaamde Giftbrieven op vele plaatsen in de Hollandsche en Friesche Charterboeken.Schotanusheeft in zijneBeschrijv. end Chron.71, vele verzameld onder een hoofdstuk:Vande verschenckingen deses Landts. Zie ookhalsema,Verh.306, en Mr.j. dirks,Bijdragen tot de Penningkunde van Friesland, in deVrije Fries, III 28, 37 enz.[72]Van halmael,de Schieringers en de Vetkoopers, 142.[73]ZieCharterb.I 124, 126, 131 env.;schotanus,tabl.13;winsemius, 179;wagenaar, III 46;sjoerds, III 142, 149, 181.[74]Winsemius, 187;schotanus, 165;wagenaar, III 225;Tegenwoordige Staat, I 443, 446. In 1318 hadden er op nieuw zulke strooptogten plaats.[75]Zie over het medegedeelde omtrent Graafwillemden goede,Charterb.149-199;schotanus, 168;winsemius, 190 env.;wagenaar, III 224;sjoerds,Jaarboeken, III 228;Teg. Staat, I 454.[76]Dr.e. halbertsmainde Lapekoer fen Gabe Scroar, 1834, 259.[77]Wagenaar, III 261. Zie verderschotanus, 180;winsemius, 202;foeke sjoerds, III 384;Tegenwoordige Staat, I 492.[78]Wagenaar, III 261. Indienwillem’sweduwe,johanna, dit wreed bedrijf niet heeft gepleegd, maar wel zijne zuster en opvolgster,margareet, gemalin vanKeizerlodewijkvan Beijeren(zoo alsschotanusenwinsemiuswillen), dan is het nog schandelijker, dewijl het dan na verloop van eenigen tijd en met koud overleg, en niet uit droefheid of in drift geschiedde.[79]Dit belangrijk stuk, enkel vermeld in hetCharterboek, I 208, is eerst in 1817 uitgegeven door Jhr.j. c. de jonge, achter zijneVerhandeling over de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten. Jhr.w. van swinderengaf de hoofdinhoud daarvan met toelichtingen in ’t Mengelwerk derLeeuwarder Courantvan 1832, No. 61. De eerste deelde de Heervan leeuwenook mede in zijne Aanteekeningen opit aade Friesche terp, 418.[80]Charterboek; I 208;Tegenwoordige Staat, I 501.[81]Charterboek, 208, 209, 210, 226, 227.[82]Charterboek, 233-255.[83]Tien dagen na den slag tusschenStavorenenWarnsin 1345 was ’s Graven lijk gevonden geworden doormarten, kommandeur der St. Jansheeren teHaarlem, die het liet begraven in het KloosterBloemkampbijBolsward, van waar het later dooralbrechtnaarValenciennesis overgebragt. Onbegraven beteekent hier: in geen vorstelijk graf bijgezet.[84]In alle tijden is het voorzeker een blijk van ongemeene regtschapenheid, wanneer regenten, overstemd en verpligt zijnde een besluit der meerderheid uit te voeren, van welks nadeelige strekking zij zich voor hun persoon overtuigd houden, die uitvoering op eene waardige wijze volbrengen, zelfs met gevaar van het leven of het uitzigt op een wissen dood.[85]Zie deze Brieven in hetVriesch Charterboek, I 260-269.[86]Dit is waarschijnlijker danidsinga’smeening van planken, tot bedekking van de kuilen, welke men den Hertog gezegd had, dat de Friezen gegraven hadden ter plaatse, waar hij zou landen.[87]Omtrent de krijgstoerustingen van dezen tweeden togt zijn er veel meer bescheiden in de Hollandsche, Friesche en andere Charterboeken bewaard dan omtrent den eersten. Blijkens deze werd er bijzondere zorg gedragen voor bouwmaterialen, doch nog meer voor den leeftogt. Omstreeks half Junij werden de personen benoemd, die de volgende ambten op de vloot zouden bekleeden, als: 2 Admiralen, 2 Bos- en Graafmeesters, 3 Timmermeesters, 2 Tentmeesters, 2 Tarwe- en Bierkoopers, 2 Ossekoopers, 2 Wijnkoopers, 2 „Malvezie, craemcruyt ende cokenkruyt besorgers,” 2 Schape-, 2 Visch- en 2 Boter- en Kaaskoopers, 4 Meester Ridderen, 5 Meester Knapen, mede belast „te coopen schottelen, azyn, eyer, mostert, turff, ende zout.” Voorts „Pentiers, Bottelgiers, Cocks en Warderobben, die sullen besorgen XII knechten meer dan sy nu hebben, die tortyssen dragen sullen voir mynen Heere, ende die vierpannen voor myns Heren tenten te vieren, te waecken ende die tenten helpen op te breken.”—„Item, sal men hebben vier groote schepen van Amsterdam, ende in elck schip vyff ovens; by elcken schepe een schip met meel, ende in den grooten schepen sal men leggen die barninge mede te backen. Binnen Medenblick sal men een deel ovens stellen, om daer brood voor ’t gemeen volck te backen, drie bruyn ende ’t vierde witt.” Doch wij zouden te uitvoerig worden, als wy meerdere bijzonderheden tot kenschetsing van dezen togt mededeelden. Van wapentuigen of vuurwapenen vindt men hierbij echter nog geen spoor vermeld.[88]Zie dit omtrentLeeuwardenin deGeschiedk. Beschrijv.I 55, 372.[89]Zie dit Verdrag in hetCharterb.281;sjoerds,Jaarb.IV 127.[90]Dit blijkt uit de stukkenCharterb.289, 290, 298.[91]Zie al die oproepingen in hetCharterb.309-314.[92]Zie deze stukken in hetCharterb.321-325, ook 298. Het kasteel, in 1398 gesticht, schijnt dus toen verwoest te zijn geweest.[93]Zie dit Verdrag in hetCharterb.327 ensjoerds,Jaarb.IV 225.[94]Stijl,Opkomst en bloei der Nederlanden, 2e dr. 59.[95]Zieworp van thabor, IV 38, 97;Charterb.399, 593.[96]O. z. van haren,de Geuzen, 15e zang.
[66]Ziewagenaar,Vaderlandsche Historie, III 194;sjoerds,Jaarboeken, III 236;van kampen,Geschiedenis der Nederlanden, I 126;CharterboekI 138, 151.
[67]Charterboek, 379;schotanus,Beschrijv. end Chron.175;worp van thabor,Kron.IV 10, 21;Tegenwoordige Staat, I 590.
[68]Mr.j. van lennep,Verontschuldiging, 1850, 22. Zie ookeikelenberg,West Friesland, 24, 44, aangeh. inhofdijk,Jonker van Brederode, 1849, Aanteekening 198.
[69]Uithoofde dit onderwerp in onze vaderlandsche geschiedenissen veelal verkeerd, of naar de opvatting van de Hollanders, wordt voorgesteld, heb ik deze en de volgende togten dier Graven eenigzins uitvoeriger bewerkt. Zie hierover breeder bijwagenaar,Vaderlandsche Historie, II 115, 129, 235, 240, 260, 401; III 43, 102 enz.;Tegenwoordige Staat, I 429;sjoerds,Jaarboeken, II 169 env.;bosscha,Heldendaden, I 23 enz.
[70]Ofschoon Graafarnoudin de geslachtlijst der Graven vanGent, bijvan loon,Aloude Hollandsche Histori, 1734, II 236, reeds Heer over geheelFrieslandgenoemd wordt, en ook Giftbrieven in de levens der eerste Graven, bijschriverius, hiervan gewagen, zoo heeft reedsubbo emmius,Hist. Fris.lib. V, te kennen gegeven: „datter van de Hollandsche scribenten bygelapt is, dat Vriesland oock van de Bataviers af tot de Riviere den Lauwers in de selve gifte van Karel mede begreepen, ende aen den selven Diederick geschoncken is geweest: dewijl sulcks noch uyt oude Historiën of brieven van donatie kan waer ghemaeckt worden; maer ter contrarie dit landt door de bepalinge van Kinhem klaer en uytdruckelijck genoech daer uyt wordt geslooten.” Zieschriverius,Levens der Graven, ’s Hage 1667, 34.
[71]Zie die zoogenaamde Giftbrieven op vele plaatsen in de Hollandsche en Friesche Charterboeken.Schotanusheeft in zijneBeschrijv. end Chron.71, vele verzameld onder een hoofdstuk:Vande verschenckingen deses Landts. Zie ookhalsema,Verh.306, en Mr.j. dirks,Bijdragen tot de Penningkunde van Friesland, in deVrije Fries, III 28, 37 enz.
[72]Van halmael,de Schieringers en de Vetkoopers, 142.
[73]ZieCharterb.I 124, 126, 131 env.;schotanus,tabl.13;winsemius, 179;wagenaar, III 46;sjoerds, III 142, 149, 181.
[74]Winsemius, 187;schotanus, 165;wagenaar, III 225;Tegenwoordige Staat, I 443, 446. In 1318 hadden er op nieuw zulke strooptogten plaats.
[75]Zie over het medegedeelde omtrent Graafwillemden goede,Charterb.149-199;schotanus, 168;winsemius, 190 env.;wagenaar, III 224;sjoerds,Jaarboeken, III 228;Teg. Staat, I 454.
[76]Dr.e. halbertsmainde Lapekoer fen Gabe Scroar, 1834, 259.
[77]Wagenaar, III 261. Zie verderschotanus, 180;winsemius, 202;foeke sjoerds, III 384;Tegenwoordige Staat, I 492.
[78]Wagenaar, III 261. Indienwillem’sweduwe,johanna, dit wreed bedrijf niet heeft gepleegd, maar wel zijne zuster en opvolgster,margareet, gemalin vanKeizerlodewijkvan Beijeren(zoo alsschotanusenwinsemiuswillen), dan is het nog schandelijker, dewijl het dan na verloop van eenigen tijd en met koud overleg, en niet uit droefheid of in drift geschiedde.
[79]Dit belangrijk stuk, enkel vermeld in hetCharterboek, I 208, is eerst in 1817 uitgegeven door Jhr.j. c. de jonge, achter zijneVerhandeling over de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten. Jhr.w. van swinderengaf de hoofdinhoud daarvan met toelichtingen in ’t Mengelwerk derLeeuwarder Courantvan 1832, No. 61. De eerste deelde de Heervan leeuwenook mede in zijne Aanteekeningen opit aade Friesche terp, 418.
[80]Charterboek; I 208;Tegenwoordige Staat, I 501.
[81]Charterboek, 208, 209, 210, 226, 227.
[82]Charterboek, 233-255.
[83]Tien dagen na den slag tusschenStavorenenWarnsin 1345 was ’s Graven lijk gevonden geworden doormarten, kommandeur der St. Jansheeren teHaarlem, die het liet begraven in het KloosterBloemkampbijBolsward, van waar het later dooralbrechtnaarValenciennesis overgebragt. Onbegraven beteekent hier: in geen vorstelijk graf bijgezet.
[84]In alle tijden is het voorzeker een blijk van ongemeene regtschapenheid, wanneer regenten, overstemd en verpligt zijnde een besluit der meerderheid uit te voeren, van welks nadeelige strekking zij zich voor hun persoon overtuigd houden, die uitvoering op eene waardige wijze volbrengen, zelfs met gevaar van het leven of het uitzigt op een wissen dood.
[85]Zie deze Brieven in hetVriesch Charterboek, I 260-269.
[86]Dit is waarschijnlijker danidsinga’smeening van planken, tot bedekking van de kuilen, welke men den Hertog gezegd had, dat de Friezen gegraven hadden ter plaatse, waar hij zou landen.
[87]Omtrent de krijgstoerustingen van dezen tweeden togt zijn er veel meer bescheiden in de Hollandsche, Friesche en andere Charterboeken bewaard dan omtrent den eersten. Blijkens deze werd er bijzondere zorg gedragen voor bouwmaterialen, doch nog meer voor den leeftogt. Omstreeks half Junij werden de personen benoemd, die de volgende ambten op de vloot zouden bekleeden, als: 2 Admiralen, 2 Bos- en Graafmeesters, 3 Timmermeesters, 2 Tentmeesters, 2 Tarwe- en Bierkoopers, 2 Ossekoopers, 2 Wijnkoopers, 2 „Malvezie, craemcruyt ende cokenkruyt besorgers,” 2 Schape-, 2 Visch- en 2 Boter- en Kaaskoopers, 4 Meester Ridderen, 5 Meester Knapen, mede belast „te coopen schottelen, azyn, eyer, mostert, turff, ende zout.” Voorts „Pentiers, Bottelgiers, Cocks en Warderobben, die sullen besorgen XII knechten meer dan sy nu hebben, die tortyssen dragen sullen voir mynen Heere, ende die vierpannen voor myns Heren tenten te vieren, te waecken ende die tenten helpen op te breken.”—„Item, sal men hebben vier groote schepen van Amsterdam, ende in elck schip vyff ovens; by elcken schepe een schip met meel, ende in den grooten schepen sal men leggen die barninge mede te backen. Binnen Medenblick sal men een deel ovens stellen, om daer brood voor ’t gemeen volck te backen, drie bruyn ende ’t vierde witt.” Doch wij zouden te uitvoerig worden, als wy meerdere bijzonderheden tot kenschetsing van dezen togt mededeelden. Van wapentuigen of vuurwapenen vindt men hierbij echter nog geen spoor vermeld.
[88]Zie dit omtrentLeeuwardenin deGeschiedk. Beschrijv.I 55, 372.
[89]Zie dit Verdrag in hetCharterb.281;sjoerds,Jaarb.IV 127.
[90]Dit blijkt uit de stukkenCharterb.289, 290, 298.
[91]Zie al die oproepingen in hetCharterb.309-314.
[92]Zie deze stukken in hetCharterb.321-325, ook 298. Het kasteel, in 1398 gesticht, schijnt dus toen verwoest te zijn geweest.
[93]Zie dit Verdrag in hetCharterb.327 ensjoerds,Jaarb.IV 225.
[94]Stijl,Opkomst en bloei der Nederlanden, 2e dr. 59.
[95]Zieworp van thabor, IV 38, 97;Charterb.399, 593.
[96]O. z. van haren,de Geuzen, 15e zang.
Het is inderdaad een opmerkelijk en raadselachtig verschijnsel in onze geschiedenis, dat hetzelfde volk, hetwelk zijne vrijheid zoo krachtig wist te verdedigen tegen vreemden, onderling zoo zwak was, dat het misbruik maakte van die vrijheid, door zich daden te veroorloven, welke zoodanig streden tegen de maatschappelijke orde, dat deze haren ondergang noodwendig moesten veroorzaken. Zoodra toch hadden de Friezen geene aanvallen van buiten meer te duchten, of zij waren op nieuw hevig onder elkander in krijg. Eensgezind jegens vreemden, wasFrieslandsterk; verdeeld en verzwakt door partijwoede, bereidde het zelf zijnen val. In algemeene trekken hebben wij hier vóór (bl. 93) over het ontstaan en den aard der partijschap tusschen de Schieringers en Vetkoopers gesproken; thans willen wij haar laatste tijdperk en de vrucht, die ze droeg, kortelijk vermelden.
Na het sluiten van den vrede met Hertogalbrechtvan Beijeren, staken de oude verdeeldheden met geweld het hoofd weder op, en de bloedige tooneelen van den burgerkrijg, tusschen de aanzienlijkste adellijke geslachten,kloosters en steden, vertoonden zich op nieuw. Dit was zoowel inFriesland, als inGroningenenOost-Frieslandhet geval, en deze gedienstige naburen hadden heimelijke redenen, om hier het vuur der tweespalt bestendig aan te blazen. Gesteund door de Keizers, die hunne volksvoorregten in de 15eeeuw tweemalen bevestigden, waren de Friezen op hunne vrijheid zoo fier, dat deze in overmoed en bandeloosheid ontaardde. Handhaving van orde en rust, en gehoorzaamheid aan de wetten des lands zijn toch de eerste pligten van den burger, zullen de algemeene vrijheid en welvaart worden bevorderd en blijven bestaan; doch waar deze worden geschonden, waar ieder zijne persoonlijke vrijheid en willekeur met geweld wil doen gelden, en waar alle middelen geoorloofd geacht worden, om zijne partij te doen zegepralen,—daar moet de staat te gronde gaan. Zoo ging het vervolgens in den loop der onrustige 15eeeuw inFriesland.
Gedurende al deze onlusten werd de band tusschen de Zeven Vrije Friesche Zeelanden ontbonden. Wel trachtten eenige leden daarvan in 1430 nog de oude betrekking te vernieuwen, door de belofte van elkander en de onderlinge voorregten te zullen beschermen; maar als zij deze bescherming verleenden, maakten sommigen daarvan dikwijls zulk een misbruik, dat het eene Zeeland over het andere begon te heerschen, en dat die hulp alzoo duur te staan kwam. Dit deed althans de stadGroningen, die in magt en gezag vooral was toegenomen, sedert de Opstalboomsche vergaderingen in 1361 derwaarts verlegd waren. Terwijl de Schieringers, die meest inWestergoowoonden, soms hulp inHollandzochten, riepen de Vetkoopers vanOostergoodaarentegen de ondersteuning vanGroningenin. Gereedelijk voldeed dit aan dat verlangen, zoo het slechts in magt of geld daarvoor vergoeding ontving. Ja, deze stad wist het metallerlei middelen zóó verre te brengen, dat zij, gebruik makende van de beroeringen, met een aantal edelen en geestelijken vanFrieslandeen verbond van bescherming aanging, waarbij haar een groot deel der oppermagt zou worden opgedragen. Dan de Keizer, wiens toestemming daartoe zij eerst listig had verkregen, zond eerst in 1485 en daarna weder in 1494 gezanten inFrieslandtot herstel van de rust. Zijn afgezantotto van langen, Domheer vanMents, verklaarde dat verbond voor nietig, en verbood den Groningers, namens den Keizer, zich hier eenig regt of gezag aan te matigen[97]. Vruchteloos wendde hij alle moeite aan om de verdeeldheden bij te leggen, en den zoo lang verloren vrede te herstellen. Op een landsdag teSneekgehouden en meest door de Schieringers bijgewoond, wist hij te bewerken, datjuw dekama, vanBaard, een wijs en vredelievend man, tot Potestaat werd verkozen. Doch de Vetkoopers weigerden dezen te erkennen, zoodat het vuur der verdeeldheid, hetwelk hij getracht had te blusschen, nog meer ontvlamde. Al deze maatregelen, om den adel tot rust en eendragt te bewegen, werden verijdeld door de verbittering dier onbuigzame gemoederen. Met felle woede en vreemde hulp vochten de partijen om de zegepraal.—Terwijl dus de Friezen blijken gaven, dat zij zich zelve niet meer konden besturen, maar dat zij hunne krachten verspilden in onderlingen strijd, zonder op wet, regt of orde acht te geven,—toen behaagde het Keizermaximiliaanhieraan een einde te maken, doorFrieslandop te dragen, of wel voor ruim 250,000 Goudgld. te verpanden, aan den moedigenalbert,Hertog van Saksen, dien hij, onder den titel vanErfpotestaat, het bestuur over dit gewest toevertrouwde[98].
Op deze wijze ging de aloude Friesche vrijheid voor een groot gedeelte verloren, en was het volk genoodzaakt een vreemden bestuurder als Heer te erkennen. Die vrijheid, eens als blijk van onafhankelijkheid en zelfstandigheid zoo hoog geschat, was eene klank, was een denkbeeldig, ja zelfs schadelijk voorregt geworden, nadat ze was verbasterd in eene vrijheid om elkander schaamteloos te plunderen en te vermoorden. Het gezag der wetten zweeg toch voor het geweld. Bij velen gold toen de regel der losbandigheid:
Mijn rechten zijn mijn wil, mijn wetboek is mijn zwaard.Zoo denkt een vrije Fries, zijn eigen Heer en Koning,Zoo wars van vleijerij als van ontzagbetooning[99].
Mijn rechten zijn mijn wil, mijn wetboek is mijn zwaard.Zoo denkt een vrije Fries, zijn eigen Heer en Koning,Zoo wars van vleijerij als van ontzagbetooning[99].
Die misbruikte vrijheid was een kanker, welke aan den Staat knaagde, eene doodelijke wonde gelijk, die tot behoud van het gansche ligchaam noodwendig moest worden uitgesneden. Door haar te verliezen, zijn nog grootere rampen, dan reeds zijn geleden, vóórgekomen. Want wij hebben ze niet kunnen vermelden al de bijzondere ellenden en gruwelen van roof, moord en brandstichting, welke gedurende zoo vele jaren in het nagenoeg regeringloozeFrieslandde inwoners nood en dood en schade berokkenden. Wij hebben gezwegen van de ingewikkelde familie-geschillen, waaruit deDonia-oorlogen detwist om Bolswardontstonden[100]. Wij hebben niet kunnen verhalen hoe dikwijls de in bloei en magt toenemende stedenLeeuwarden,Bolsward,Sneek,Franeker,Slootenen andere in hare rustelooze twisten met de woeligste edelenjelkama,camstra,juckema,groustins,jongama,harinxma,sjaerdamaen anderen belegerd, verbrand en geplunderd werden; hoe zij op hare beurt de stinzen en dorpen verwoestten van die edelen, welke elkander gedurig beoorloogden; of welk een rol de Raad vanGroningenonder dat alles gespeeld heeft.
Voorzeker waren er nog altijd vele welgezinden, die de rust poogden te herstellen, en het sluiten van die talrijke verbonden van vrede bevorderden, welke er in deze eeuw zoo dikwijls tusschen de edelen, grietenijen, steden en gooën werden gesloten, als zoo vele getuigen van de goede voornemens en de behoefte aan eendragt en rust. Doch hoe spoedig werden ze weer verbroken door het geweld, dat sterker was dan de kracht der bezegelde zoenbrieven[101]. Het krijgvoeren was heviger geworden, sedert hier omstreeks 1460 het buskruid en het gebruik van kanonnen en geweren (destijds bussen en roeren genoemd) waren ingevoerd geworden. Vreemde woeste soldaten, die de zwakkere partij soms tot hulp liet overkomen, brandden en roofden op het onveilige land, waar niemand het zijne meer rustig bezat. Openbare werken, vaarten en wegen, ja zelfs de zeedijken werden ten gevolge der verdeeldheden veelal verwaarloosd, zoodat alleen in deze 15eeeuw dertien overstroomingen de algemeene ellende verzwaarden.
De zucht om de onrustige wereld te ontvlieden bewoog vele vromen zich te begeven in de Kloosters, wier getal te gelijk met hunne bezittingen toenamen; terwijl anderen vergeving voor gepleegde misdaden zochten te bekomen, door het schenken van giften aan de geestelijkheid of tot den opbouw van forsche Kerkgebouwen, van welke er in deze eeuw, vooral in de steden, verscheidene vernieuwden vergroot werden. Hoe zouden kennis en wetenschap hebben kunnen toenemen bij een immer krijgvoerend volk, dat integendeel door ruwheid en woestheid van zeden moest ontaarden. En de heilige godsdienst der Christenen, bestemd om door geloof, liefde en hoop het leven te veredelen en den geest voor eene betere toekomst te vormen, droeg alzoo geene harer waardige vruchten voor het maatschappelijk welzijn.
Zulk een toestand van een land kon niet duurzaam zijn. Alwat kwaad is verwoest zich zelf. Alleen godsvrucht, zedelijkheid en pligtsbetrachting kunnen heilrijke en duurzame vruchten dragen tot volksgeluk. Het land had rust noodig, waarin het zich zou kunnen herstellen en zijne krachten ontwikkelen tot vooruitgang, tot voortdurenden wasdom en beschaving. Daartoe werd eene gansche verandering van den maatschappelijken toestand vereischt. Het verlies der onafhankelijkheid en het bestuur van een vreemden Vorst werd hiertoe het middel in de hand van Hem, die zelfs de dwalingen zijner kinderen dienstbaar maakt aan de bereiking van zijne vaderlijke bedoelingen tot hun heil.
Zóó dekt de Almagtige zijn wegen;Zóó is met wijsheid kracht vereend,En ’t allergrootste nut gelegenIn ’t geen de mensch verwarring meent.Maar onverwacht zal ’t licht verschijnen,Dat alle nevlen doet verdwijnenEn wijst der Godheid ware reên.Leer, stervling! leer altijd te hopen,Totdat de tijd uwe oogen open’En toon’, wáárom gij hebt geleên[102].
Zóó dekt de Almagtige zijn wegen;Zóó is met wijsheid kracht vereend,En ’t allergrootste nut gelegenIn ’t geen de mensch verwarring meent.Maar onverwacht zal ’t licht verschijnen,Dat alle nevlen doet verdwijnenEn wijst der Godheid ware reên.Leer, stervling! leer altijd te hopen,Totdat de tijd uwe oogen open’En toon’, wáárom gij hebt geleên[102].
[97]Charterboek, 754, 758, 760.[98]Zie al de schrijvers aang. op bl. 136 derGeschiedk. Beschrijv.I.[99]Van halmael,Ats Bonninga.[100]In de Narede vanhier vóórgenoemde treurspel en in deFriesche Volks-Almanakkenvan 1841 en 1845 komen omtrent beide deze onderwerpen belangrijke berigten voor, indien men deswege nader wenscht ingelicht te worden.[101]Eene menigte dezer overeenkomsten tot onderlinge bescherming bevat hetCharterboeken het Stedelijk Archief vanLeeuwarden.[102]O. z. van haren, in den aanhef vande Geuzen. Zie ookAanteekening 14.
[97]Charterboek, 754, 758, 760.
[98]Zie al de schrijvers aang. op bl. 136 derGeschiedk. Beschrijv.I.
[99]Van halmael,Ats Bonninga.
[100]In de Narede vanhier vóórgenoemde treurspel en in deFriesche Volks-Almanakkenvan 1841 en 1845 komen omtrent beide deze onderwerpen belangrijke berigten voor, indien men deswege nader wenscht ingelicht te worden.
[101]Eene menigte dezer overeenkomsten tot onderlinge bescherming bevat hetCharterboeken het Stedelijk Archief vanLeeuwarden.
[102]O. z. van haren, in den aanhef vande Geuzen. Zie ookAanteekening 14.
FRIESLAND BESTUURD NAMENS VREEMDE VORSTEN.
VAN DE AANNEMING VAN HERTOG ALBERT VAN SAKSEN, TOT ERFPOTESTAAT VAN FRIESLAND, TOT DE HERVORMING IN KERK EN STAAT.
Van het jaar 1498 tot 1580.
Versiering
Albertofalbrecht,Hertog van Saksen-Meissen, een der grootste veldheeren van zijn tijd, zonder wien een tijdlang geen krijg inDuitschland,Hongarije,ItaliëenNederlandwerd gevoerd; de man, die de regterhand des Keizers genoemd werd en wegens zijne onversaagde krijgsbedrijven alom was ontzien, had gedurende de minderjarigheid vanfilipsII, door het bedwingen van de oproerige Vlamingen en door het dempen van den opstand van het Kaas- en Broodsvolk inHolland, dezen Graaf groote diensten bewezen. Het bleek alras, datalbertniet gezind was met ledige handen te vertrekken, dewijl ook een hevige brand, welke de stadDresdenin 1491 voor een groot gedeelte verteerde, zijne middelen had uitgeput. 300,000 Rijnsche guldens was de schuldvordering, welke hij, wegens achterstallige soldij aan zijne krijgsknechten, inbragt. Des Graven vader,Keizermaximiliaan, dien het immer aan geld, doch zelden aan beraad ontbrak, wist geen beter middel om zich uit deze verlegenheid te redden, dan door den Hertog, tegen teruggave van de Hollandsche sloten, voor deze som verpand, met het Erfstadhouderschap overFrieslandte beleenen, indien hij slechts kans zag, van dat gewest meester te worden. Reeds had hij dit zes jaren lang beproefd, door onderhandelingen en het heimelijk ondersteunen van de zwakkere partij der Schieringers, toen deze eindelijk, in 1498, openlijk zijne hulp inriepen tegen de Vetkoopers, die de Groningers tot steun hadden. Zóó hoog waren toen de partijschappen gestegen, dat men tot zulk een wanhopig middel overging, en (even als driehonderd jaren later) om zijne partij te doen zegepralen, liever vrijheid en vaderland prijs gaf aan vreemden, dan zich onderling te verstaan en vrede, eendragt en rust na te jagen!
Albertzond nu spoedig zijn krijgsbevelhebber, Graafwillebrord van schaumburg, als stedehouder, met een leger van 2 à 3000 man naarFriesland. Weinig moeite kostte het dezen, de steden en grietenijen vanWestergoote bemagtigen, en zijn Vorst dáár te doen erkennen. Doch het meer VetkoopersgezindeOostergooen vooral het afgelegeneZevenwoudenmoesten met kracht van wapenen daartoe gedrongen worden. Zelfs werdLeeuwardentweemalen door hem belegerd, vóór het zich overgaf en het gezag des Hertogs erkende. Tot versterking van deze aanzienlijkste der toenmalige steden liet hij daar een groot kasteel, blokhuis of legerplaats bouwen, ter vestiging en bescherming van het opgedrongen gezag.
In Junij van het volgende jaar, 1499, kwamalbertzelf met zijn zoonhendrikinFriesland, om het bestuur des lands te regelen. Hiertoe stelde hij een ProvincialenRaad van elf edelen in, met zijn kanseliersigmundt phlugaan het hoofd. Aan dezen Raad, teFranekeropSjaerdama-huisgezeteld, was zoowel het bestuur van het land als de uitoefening van het regt opgedragen. Nadat hij in de kerk vanOldehoveteLeeuwardenmet veel luister tot Landsheer was gehuldigd, vertrok hij naarGroningen, dewijl hij ook dat gewest, hem mede door den Keizer geschonken, had te bemagtigen.
Hij had hier zijn zoonhendrikter uitoefening van het bewind achtergelaten; doch deze was jong, onbedreven en heerschzuchtig. Hij handelde voor ’t minst zeer onvoorzigtig en verkeerd, toen hij de Friezen met strengheid wilde besturen, en de uitschrijving van belastingen met scherpe bedreigingen deed gepaard gaan. Hierdoor bedierf hij de zaak zijns vaders in eens zóódanig, dat hij zich gehaat maakte bij vele Friezen, die ook toen weder hun volksaard toonden, door afkeerigheid van dwang en harde middelen, waardoor zij immer veel minder werden gewonnen als door redelijke overtuiging en zachte behandeling. Reeds in den volgenden jare, 1500, kwamen zij in verzet, weigerden de gevorderde belasting te voldoen, schoolden bijeen en bragten weldra eene groote magt onder de wapenen, waarmede zij den Hertog inFraneker(van half Mei tot half Julij) belegerden, met oogmerk, om zich spoedig van dezen nieuwen Heer te ontslaan. Hoewel het getal dier misnoegden wel op 16,000 begroot werd, was er zoo weinig orde en bestuur onder, dat zij het zwakke stadje niet eens konden bemagtigen, en zich eerlang verstrooiden, toen ALBERT zelf met eene legermagt van 5 à 6000 man tot ontzet kwam opdagen. Na over deze schending van zijn gezag wreede strafoefening gehouden te hebben, vertrok hij weder naar het beleg vanGroningen, doch overleed kort daarna teEmden(12 Sept. 1500).
Vervolgens werdFrieslandgedurende drie jaren op naam van Hertoghendriken zijnen broedergeorgvan Saksendoor den Stadhouderhugovan Leijsenachbestuurd. Niet voor Mei van den jare 1504 kwam Hertoggeorgzelf inFrieslanden alléén aan de regering. Eerst toen werd het landsbestuur met kracht aangevat, en werden er nuttige maatregelen tot stand gebragt. Als een verstandig man doorzag hij terstond de behoeften des lands, en met een krachtigen wil beraamde hij dadelijk de middelen, om daarin te voorzien, ten einde, door het invoeren van verbeteringen, orde en regel in het bestuur te brengen en het wezenlijk belang der ingezetenen te bevorderen. Zoo vaardigde hij in 1504 de bekendeOrdonnantie van Saksenuit, welke uitvoerige bepalingen ter uitoefening van het regterlijk en burgerlijk bestuur, zoowel door het Hof als in de grietenijen en dorpen en in de steden, bevatte. De uitvoering daarvan werd opgedragen aan een opperste Geregtshof, waarvoor teLeeuwardennaast het Blokhuis eene Kanselarij werd gebouwd. Ook werd er eene Munt opgerigt in deze zelfde stad, welke dáárdoor het aanzien van Hoofdstad vanFrieslandbekwam. Vervolgens voerde hij strenge bepalingen in tot herstel van de zoo deerlijk verwaarloosde zeedijken. De belangrijke aanslijking vanhet Bildt, welke zijn vader reeds in bezit had genomen, liet hij verpachten om bedijkt te worden. Bijna toegegroeide of onbevaarbare kanalen, als de Ee tusschenLeeuwardenenDokkumen andere, welke mede gedurende de onlusten zoo lang waren verwaarloosd, werden uitgediept. TusschenLeeuwardenenFraneker,SneekenBolsward, werden onder zijn bestuur breede vaarten deels gegraven, deels verbeterd, waardoor zoowel de gemeenschap te water tusschen de voornaamste steden als de afstrooming zeerwerden bevorderd. Hij drong aan op het eenparig gebruik van maten en gewigten, en, terwijl de Friezen stellig weigerden aan zijne begeerte te voldoen ter invoering van het Leenstelsel, regelde hij de belasting op de vastigheden door de invoering van de Floreenrente, welke nog eeuwen lang daarna de grondslag der heffingen bleef en zulks ten deele nog is[103].
Door de invoering van al deze en meerdere verbeteringen mogt Hertoggeorgmet regt een weldoener vanFrieslandgenoemd worden. Bovendien trof het hoogst gelukkig, dat de uitvoering daarvan werd voorbereid door- en voor een groot deel opgedragen was aan een Stadhouder, alshendrik,Graaf van Stolberg, die reeds in 1501 herwaarts kwam en van 1505 tot 1508 ’s Hertogen plaatsbekleeder was. Een man, wiens naam wij met liefde en hoogachting noemen; van wien wel geene roemruchte heldendaden bekend zijn, maar die de lofspraak zijner tijdgenooten verdiende, dat hij alles deed wat de rust des lands, de welvaart der ingezetenen en de eer van zijnen Vorst kon bevorderen. Als »een goed, regtvaardig en onpartijdig regent en als een braaf Christen, die God boven alle menschen ontzag en zijnen pligt en hetland lief had,” werd hij door de Friezen bemind en vereerd. En toen hij, die reeds in 1509 teKeulenoverleed, in de Groote Kerk teLeeuwardenmet groote plegtigheid begraven werd, was de algemeene droefheid over zijnen dood eene waardige hulde aan zijne deugden en verdiensten.
Hoe vele redenen hadden de Friezen dus niet, om het verlies van hunne onafhankelijkheid en het bestuur van een vreemden vorst te zegenen! Zij waren billijk genoeg, dit dan ook werkelijk te doen. Zij haalden adem na zoo langdurige vermoeijenissen van den krijg. Zij dankten God, zegt een tijdgenoot, onder zulk eene rustige regering te mogen leven, daar zij vergaten wat er vroeger al droevigs gebeurd was[104]. Want toen eerst werden er inFrieslandrust en maatschappelijke orde, regt en veiligheid, zoo groote voorregten eens burgers! verkregen. Landbouw en handel konden zich ongestoord ontwikkelen; godsdienst en zedelijkheid werden aangekweekt, en de welvaart der ingezetenen nam toe onder begunstiging van vrede en van een regtvaardig en zorgvol landsbestuur, dat zijne plannen tot verbetering met klem en kracht doorzette. Hoe jammer, dat die gelukkige toestand slechts weinige jaren duurde, en dat de menschelijke driften, uit verschil van meeningen en belangen ontstaan en door heillooze partijschappen gevoed, weldra op nieuw al de ellenden van den oorlog deden gevoelen.
Everwijn,Graaf van Benthem, in 1509 de opvolgende Stadhouder, was niet zoo rustig en verstandig als zijn voorganger, en mogt de genegenheid der Friezen niet verwerven. Integendeel, door het uitschrijven van drukkende schattingen, ook ten behoeve van den vruchteloozen oorlog ter bemagtiging vanGroningen, en doorandere maatregelen verbitterde hij het volk. Het griefde hen evenzeer, dat hij twee voorname edelen,gerbrand mockemaenjemme herjuwsma, van heimelijke verstandhouding met den Graaf vanOost-Frieslandbeschuldigd en overtuigd, in 1512 teLeeuwardenliet onthoofden. Het zwaard, dat door hunne halzen ging, wondde ook de harten des volks en sneed de genegenheid af, welke men den Saksischen Vorst tot dusver had toegedragen. Men haakte naar verandering, en meende daartoe hulp te zullen bekomen van den Hertog vanGelder, die ze gereedelijk beloofde, en zelfs voorgaf de Friezen behulpzaam te willen zijn in het terugbekomen hunner onafhankelijkheid. In dien drang van omstandigheden vond Hertoggeorgvan Saksenhet geraden, zich veilig terug te trekken, en zijn regt op het bewind overFrieslandin 1515 voor 100,000 Goudgld. over te dragen aankarelvan Oostenrijk, Graaf van Holland[105].
[103]Bij gebrek van een ordelijken maatstaf was de grondbelasting tot dusverre zeer onevenredig geheven. Daarom liet de Hertog over geheelFrieslandCohieren aanleggen, bevattende lijsten van al de vastigheden, met bijvoeging van de jaarlijksche huursom (destijds rente genaamd) in Goudguldens of Floreenen van 28 stuivers. Op ieder dezer Floreenen werd toen eene „Jaartax” of schatting van 3 stuivers gelegd, welke later, naar de behoeften des lands, verhoogd werd, en in de vorige eeuw reeds de hoogte van 2 dukatons (ƒ6,30) bereikte. Naar dezen maatstaf werden bovendien vele omslagen ten behoeve van het onderhoud van zeedijken en andere openbare werken geheven. ZieCharterb.II 13;schotanus,Kronyk, 497;foeke sjoerds,Beschrijving, I 881;Tegenw. Staat, IV 338;gratama,Gelukkige toestand van Friesland, Harl. 1795, 32.[104]Martena,Landboek,Chart.II 67;douwama,Geschriften, 135.[105]Zie overalberten zijne zonen meer bijzondere berigten invon langenn,Herzog Albrecht der Beherzte, Leipzig 1838, 232 env. enböttiger,Geschichte des Kurstaates und Königreiches Sachsen, Hamburg 1830, I 468-480. VerderAanteekening 15.
[103]Bij gebrek van een ordelijken maatstaf was de grondbelasting tot dusverre zeer onevenredig geheven. Daarom liet de Hertog over geheelFrieslandCohieren aanleggen, bevattende lijsten van al de vastigheden, met bijvoeging van de jaarlijksche huursom (destijds rente genaamd) in Goudguldens of Floreenen van 28 stuivers. Op ieder dezer Floreenen werd toen eene „Jaartax” of schatting van 3 stuivers gelegd, welke later, naar de behoeften des lands, verhoogd werd, en in de vorige eeuw reeds de hoogte van 2 dukatons (ƒ6,30) bereikte. Naar dezen maatstaf werden bovendien vele omslagen ten behoeve van het onderhoud van zeedijken en andere openbare werken geheven. ZieCharterb.II 13;schotanus,Kronyk, 497;foeke sjoerds,Beschrijving, I 881;Tegenw. Staat, IV 338;gratama,Gelukkige toestand van Friesland, Harl. 1795, 32.
[104]Martena,Landboek,Chart.II 67;douwama,Geschriften, 135.
[105]Zie overalberten zijne zonen meer bijzondere berigten invon langenn,Herzog Albrecht der Beherzte, Leipzig 1838, 232 env. enböttiger,Geschichte des Kurstaates und Königreiches Sachsen, Hamburg 1830, I 468-480. VerderAanteekening 15.
Te vergeefs hadden de Hertogen vanSaksenlang getracht, ook het naburigeGroningenen de Ommelanden te bemagtigen. Graafedzardvan Oost-Frieslandondersteunde daartoe de Groningers, omdat hij vreesde, dat de Saksers daarna ook de onderwerping van zijn land mogten eischen. Tevens begeerde hij zelf het gebied overGroningente bekomen, en, toen zijne krachten te kort schoten, zocht hij daartoe hulp bij den listigenkarelvan Egmond, Hertog van Gelder. Doch tegen dezen heerschzuchtigen en geslepen Vorst was hij nietopgewassen. Zij kwamen heimelijk overeen, het wankelende Saksische gezag omver te stooten, door Geldersche benden inGroningenenFrieslandte zenden, waaroveredzardhet bevel zou voeren in naam vankarel, die, des verkiezende, zijn gezag weder als leenman aan den Koning vanFrankrijkzou kunnen opdragen. Doch, zoodrakarelvan Egmondeen gedeelte der voor zijne hulp bedongene som had ontvangen, gebruikte hij juist dit, om zoowel den Saks alsedzardvan het gezag te ontzetten en zich zelven in beider plaats te vestigen. Met list gelukte het hem, den trouwelooze, de Groningers in verlegenheid te brengen, en zich door hen als Opperheer te doen huldigen. Weinig stoorde hij zich aanedzard, die over deze misleiding in woede was ontstoken, en evenmin aan den Saks, die daarover wraak nam door het bedrijven van velerlei wreedheden. Nu rigtte hij al zijne krachten naarFriesland, om ook dáár het zelfde doel te bereiken, waartoe hij aanleiding vond in het verzoek van eenige aanzienlijke Friezen, om hen te hulp te komen ter verdrijving van de Saksers.
Ten jare 1514 trok dan een groot getal Geldersche soldaten herwaarts. Met weinig moeite namen zij de steden en grietenijen van het zuidelijk gedeelte vanFrieslandvoor den Hertog vanGelderin. Dit viel hun te gemakkelijker, dewijl zij overal voorgaven de herstelling van der Friezen vrijheid en ontheffing van de hooggestegene schattingen der Saksers aan te brengen. En toen eerlang het gerucht werd verspreid, dat de SaksFrieslandverraden- en aan den Hollandschen Graaf, den erfvijand, zoowel van de Friezen als van den Hertog, verkocht had, toen bleven er in het noordelijk gedeelte van dit gewest slechts drie steden en acht grietenijen over, die zich vóórkarelvan Oostenrijken niet vóór den Gelderschen Hertog verklaarden.Sneekwerd toende zetel van het Geldersche gezag, dat daar zijn luister ten toon spreidde, en van daar talrijke benden uitzond ter bemagtiging van de overige deelen des lands.
Op nieuw begon toen het vuur van partijschap en burgeroorlog te branden. De Bourgondische partij, die den Saks had vervangen, stond nu tegen de Geldersche over. Van beide zijden werden gruwelen bedreven, om elkander te vernietigen en om meester te worden. Verslagenheid en onveiligheid heerschten alom, daar de partijen elkander met woede bestreden, vele dorpen uitplunderden, kerken en kloosters verbrandden en de ingezetenen beroofden. Behalve de Geldersche en de Bourgondische knechten, deed dit bovendien inzonderheid eene talrijke bende, deZwarte hoopgeheeten, op 5000 man begroot, die de Saks onbetaald had achtergelaten, en die dáárom zich zelve vergoeding zocht te bezorgen. Ook in andere provinciën bedreef zij schrikkelijken moedwil. Talrijke dorpen werden plat gebrand en de landzaten met onmenschelijke wreedheid behandeld. Zelfs waagden de Gelderschen het in 1516 de stadLeeuwardenmet eene groote magt aan te vallen en haar acht weken lang belegerd te houden. Zij braken echter eerlang op, toen Prinskareleen aanzienlijk leger van 4000 knechten en 300 ruiters uitHollandherwaarts zond, dat teHarlingenlandde enLeeuwarden, den zetel van zijn gezag, ontzette. Deze Bourgondische benden deden nu herhaalde uitvallen, en bestreden bestendig de Gelderschen, die hulp uitGroningenen zelfs uitFrankrijkhadden ontvangen. Jaren lang bleefFrieslandalzoo een twistappel tusschen twee magtige vorsten, van wier woeste benden de lijdelijke ingezetenen alles kwaads hadden te verduren, zonder dat zij iets konden doen, om zich van dezen last te ontslaan. Eerst met den jare 1522 verkeerde de kans. De Hertog vanGelder, hoemoedig ook, en gewoon zich met geringe middelen tegen den magtigsten te meten en voor geene gevaren terug te deinzen, liet toen eindelijk zijne aanspraken op dit gewest varen, dewijl hij inzag, zich op den duur niet te kunnen staande houden tegen den magtigen Graaf vanHolland, die intusschen ookKoning van SpanjeenKeizer van Duitschlandwas geworden, en die alskarelde vijfdespoedig door wapenfeiten schitterde en door aanzien en vermogen algemeen ontzien en geëerd was.
Bij al het plunderen en brandschatten van het platte land was ook de kerk en de buurt van het dorpKimswerdbijHarlingenin 1515 door de uitHollandovergekomene Bourgondische benden in asch gelegd. Daar woonde destijds een bemiddeld man, die zijn verlies en geleden hoon op eene geduchte wijze wilde wreken. Wegens zijne lange gestalte, sterkte en forsch voorkomen was hij onder den naam vanlangeofgroote pierbekend, hoewel hij waarschijnlijk een edelman was uit het geslachtvan heemstra[106]. Hij wordt beschreven als een rijzig zwart man, met groote oogen, breede schouders en langen baard, gruwelijk van aanzien, bijzonder als hij toornig was. Met velen uit den omtrek, die, even als hij, hunne have hadden verloren en van wraakzucht gloeiden, spande hij zaâm, en bragt weldra een legertje van omstreeks 600 man bijeen, dat eerlang, wegens koene bedrijven, den naam van deArumer Zwartehoopverkreeg. Met zulk een wakker man alspieren zijn niet minder kloeken neefgroote wierd(jelckama) aan het hoofd, maakten zij er hun eerste werk van, de Saksische benden na te zetten en uitFrieslandte verdrijven. Vervolgens bestreden zij vol moed de door den Graaf vanHollandherwaarts gezondene knechten, en verder allen, die zij meenden, dat de rust en de vrijheid des lands belaagden. Het was hun eenigste begeerte en ernstig streven, om alle vreemde vorsten en magten te doen wijken en de vroegere onafhankelijkheid des lands op nieuw te vestigen.
Gereedelijk vereenigden zij zich dus met de magt van den Hertog vanGelder, wiens vriendelijke woorden en beloften, dat hij de Friesche vrijheid in eere herstellen zou, zij zoo gaarne geloofden, omdat zij niets vuriger wenschten. Doch die Hertog vanGeldervereenigde zich ook gaarne met hen, zoowel tot versterking van zijne krachten, als omdat hij deze onverschrokken Friezen zou hebben te vreezen, indien slechts het vermoeden bij hen oprees, dat hij heimelijk niets vuriger wenschte, dan om ook Heer vanFrieslandte worden, gelijk hij reeds vanGroningenwas. Dáár had sluwheid zijner heerschzucht de hand geboden, om een mededinger als Graafedzardden voet te ligten. Hier konpierhem even gevaarlijk worden en zijne plannen verijdelen; en daarom scherpte hij zijn vernuft om nu ook dezen uit den weg te zetten, ten einde hem onschadelijk te maken, doch tevens aan zich verbonden te houden tot bereiking van zijne bedoelingen. En inderdaad, dit gelukte den geslepen Gelderschman boven verwachting.
Drie middelen had hij daartoe in zijne magt. Het eerste was: den haat, welken de Friezen, even als hij, de Hollanders toedroegen, zoowel van ouds als wegens de verwoestingen, welke de uitHollandovergezonden benden nu allerwege hadden aangerigt. Het tweede was:hunne vrees, dat zij, wier vaderen zoo vele eeuwen tegen de Hollandsche Graven met leeuwenmoed hadden gestreden, nu eindelijk door hen overheerscht zouden worden, dewijl de gehate Saks op eene, in hun oog, verraderlijke wijzeFriesland,voor geld!had verkocht aan Prinskarelvan Oostenrijk, Gelders erfvijand en nu zijn mededinger om een land, dat hij hem betwisten zou, zoolang zijne vuist het zwaard kon voeren. Het derde middel was: eene vrij aanzienlijke vloot, welke hij op de Zuiderzee had toegerust en bemand, met oogmerk, om dátHollandte tuchtigen en afbreuk te doen, waar hij kon. Jaren lang had hij dit reeds gedaan, zoowel te land als te water, met eene woede, die alom vrees en verbazing wekte. Sedert 1492 haddenkarel’sgrootvader en vader hem het regt opGelderenZutphenbetwist, hoewel hij zich daarin door kracht van wapenen wist staande te houden. Immer vonden zij in hem een onverschrokken en listig vijand te bestrijden, die zelfs Fransche hulpbenden in dienst had, en dieHollandvoor der Gelderschen invallen bestendig »in de uiterste bekommering” hield. Sinds hij in 1504 teHarderwijkeene vloot uitrustte, had hij het vooral op de rijkgeladene koopvaardijschepen der Hollanders gemunt[107]. Mogt zijn eerste scheepstogt, in laatstgenoemd jaar, voorMonnikendam, mislukken, hij stelde zich later daarvoor ruimschoots schadeloos door herhaalde strooptogten en plunderingen. Zoowel op de Zuiderzeeals op den Rijn, zoowel inOverijsselals inUtrechtstreefde de onvermoeide krijger naar buit of gezag, en waagde het zelfs in 1507 en op nieuw in 1512Amsterdamaan te vallen, de voorstad in brand te steken en 22 koopvaardijschepen in vlammen te doen opgaan[108]. Dat zulk een man, die lang de gave bezat, zich bij het volk bemind te maken; die teGroningenzich als Opperheer en inUtrechtals Beschermheer erkend zag; die zijne Staten uitbreidde en het magtigeHollandvijftigjaren lang trotseerde en groote schade berokkende,—dat zulk een manFrieslandin dien toestand niet dadelijk bemagtigd heeft, en het zelfs nimmer geheel heeft kunnen magtig worden, is altijd hoogst bevreemdend.
In zijnen toestand en voor zijn belang was het destijds weder eene gelukkige greep, dat hijpierwist over te halen, om zich met zijne manschap te begeven op de Geldersche vloot, en om, onder den grootschen titel vanAdmiraal der Zuiderzee, het opperbevel daarvan te aanvaarden. Op die wijze schikte hij deze vrijheidlievende landzaten niet enkel van de hand, ten einde hier des te beter zijne bedoelingen na te jagen; maar zij konden hem met-een dienen, om het Bourgondische huis, dat hij een erfhaat had gezworen, te vernederen, omHollandte beschadigen en om de hulp van krijgsbehoeften en levensmiddelen, welke van daar naarHarlingenwerd gezonden, tot ondersteuning vankarel’sbenden inFriesland, te onderscheppen en tot eigen voordeel aan te wenden. Deze laatste oogmerken waren genoeg, ompieren de zijnen te bewegen, den voorslag aan te nemen en zich te scheep te begeven. Niets meer te verliezen hebbende, kenden zij ook geene eervoller taak dan het vernederen van de vijanden huns vaderlands, welks vrijheid toch in eere hersteld zou worden door den Hertog vanGelder, die dit zoo dikwijls beloofd had, en wiens vleijende woorden en toezeggingen zij niet durfden wantrouwen.
En inderdaadpierkweet zich zoo stout van zijn last; hij zette de taak der Gelderschen zoo krachtig voort, en roofde met zoo vele onversaagdheid alles, wat niet tot zijne partij behoorde, dat hij in 1517 zijne vloot door al de genomene schepen tot 150 kielen, bemand met 1200 man, zag aangegroeid, en als de geesel der Zuiderzee gevreesd werd. Wij zouden te uitvoerig worden, indien wij al de bekende bijzonderheden van zijne togten en scheepsstrijden hier wilden mededeelen. Zijne daden bewezen maar al te zeer, tot welk eene hoogte wraakzucht en volkshaat kunnen stijgen, en hoe vele onmenschelijkheden krijgers zich durven veroorloven onder de leus van voor het vaderland te strijden.
Met zulk eene magt waagde hij het stoute plannen te volbrengen. Te vergeefs wapendeHollandzich tegen der Gelderschen euvelmoed door in de West-Friesche zeesteden bestendig schepen tegen hen uit te rusten. Het eerste elftal, datpierniet ver vanHoornontmoette, nam hij prijs. Eene tweede vloot, van 28 zeilen onderhieronimus snees, met betaling voor het krijgsvolk inFrieslandin zee gestoken, werd met 18 schepen door hem aangevallen, na een bloedig gevecht bemagtigd en met 400 gevangenen in triumf teWorkumopgebragt.UitEnkhuizenwerd eene vloot baarsen en 34 rijnschepen afgezonden, om hem te bestrijden, doch ook deze werden genomen en deels vernield. Verstoord over de trouweloosheid van sommige kooplieden vanMedemblik, verzamelt hij zijne magt bijde Kuinder, valt die stad aan, plundert en verbrandt haar ten deele, en keert met buit beladen terug. OokHindeloopen, dat door een hopmantengnagelmet 300 Bourgondische soldaten was bezet, viel hij heftig aan, drong er binnen, en, zonder de inwoners leed te doen, bemagtigde hij den vijand, waarvan er 170 in den strijd bleven en de overigen vlugtten of gevangen genomen werden. In 1519 geraakte hij niet ver vanHoornmet overmagtige vijanden slaags. Reeds ziet hij een zijner schepen nemen; den bevelhebber verdrinken. Nu kent zijne woede en strijdlust geene palen. Krachtig spoort hij de zijnen aan. Een hevige aanval gelukt, en elf schepen zijn in zijne magt. Vijfhonderd Hollanders laat hij over boord werpen; zeilt naarHoorn, dat ingenomen en geplunderd wordt; trektEnkhuizenna het nemen van een schip voorbij; begeeft zich weder naarMedemblik, waar hij een viertal huizen in brand laat steken, en keert daarop naarFrieslandterug. Men wil, dat hij ook andere Hollandsche plaatsen, alsAlkmaar,Beverwijkenz., zou bemagtigd hebben, en dat mede de eilandenTexel,FlielandenWieringenveel van zijn volk te lijden hadden. Alwat tusschenHollandenFrieslandvoer, hulken, karveelen en boeijers, ja ook Hamburger en andere koopvaardijschepen, nam hij prijs of stelde ze op rantsoen. Zelfs overwon hij »een carueell van oerloeghe wuyt Schotlandt, dat een Meester ende een Blockhuys op ter zee was.” De buit (dien hij onder zijn volk verdeelde) was groot, maar het ontzag, dat hij baarde, was nog grooter[109].
Dat hij de manschap der overwonnene schepen over boord wierp en liet verdrinken, is hem zeer euvel geduid. Doch zijne vijanden, die zijn vriendoffingahuismishandelden, die zijn neefgroote wierdteLeeuwardenop een schavot eerlang deden onthoofden, en die een zijner beste kapteins voor zijne oogen in zee wierpen, gaven hem daarvan het voorbeeld, en vreeselijk verbitterd volgde hij dat na. Het was ook het krijgsregt dier ruwe, immer naar wraak hijgende dagen, waarvan de geschiedenis van Neêrlands Zeewezen, ook nog veel later, menigvuldige voorbeelden heeft[110]. Doch eerlijk was zulk een dood, in vergelijking van de schand- en moordtooneelen, welke de Hollandsche benden te gelijker tijd inFriesland, in koelen bloede, aanrigtten, zoo als onder anderen teIrnsum, waar der bezetting vanDouma-huislijfsgenade beloofd was, doch die na de overgave op de wreedste wijze, tot 27 personen toe, door beulshanden werd vermoord[111].
Nadatpierin 1517 de Gelderschen tot verdediging van het belegerdeSneekondersteund- en in het laatst van 1519 den Hertog vanGelderop een togt naarEmmerikvergezeld had, zien wij hem op eens dat woelig krijgstooneel verlaten en zich als stil burger teSneeknederzetten, waar hij reeds in het volgende jaar, 1520, overleed. Hij had geen ander doel gehad dan door de vernedering van zijne vijanden de vrijheid zijns vaderlands te herstellen. Maar toen hij eindelijk de listige handelwijze van Hertogkarelbemerkte en diens bedoeling, om zelf Heer vanFrieslandte worden, doorgrondde,—toen trok hij in teleurgestelde verwachting zich terug, om den uitslag van den strijd der partijen af te wachten.Ruwe moed en wreede dapperheid moge men hem te laste leggen, zonder op de wijze van oorlogvoeren in die dagen, ook bij zijne vijanden, acht te geven; de haat der door hem zoo fel bestredene Hollanders moge invloed gehad hebben op hunne geschiedschrijvers, die hem als een onmenschelijk geweldenaar en verachtelijk zeeschuimer voorstellen,—gansch anders is het oordeel over hem van land- en tijdgenooten, die met zijn persoon, gedrag en omstandigheden bijzonder bekend waren. De kloosterbroederpeter van thabor[112]noemt hem een man: »forsch van bouw en vervaarlijk van kracht en daardoor dapper en fel op zijne vijanden, maar rond en eerlijk van inborst en redelijk van hart als een Christen: want hij had eene goede meening, om vrij en friesch te wezen en het land in goeden staat te brengen en te houden. Hij toch was liever bij zijn ploeg gebleven, dan dat hij geoorloogd had. Maar dat men hem zijn land niet met vrede had laten bebouwen, en zijn huis, dorp en kerk verbrand had, dát wilde hij wreken zoo veel hij kon en mogt.” Zijne edelmoedigheid betoonde hij ook dáárin, dat, toen zijn volk op de Zuiderzee een schip prijs genomen had, waarin zich de vrouwen en dochters bevonden van zijne vijanden, de vrienden der Saksers,hessel martenaenjuw botnia, benevens eenige burgers vanFraneker, hij de stem der wraak smoorde en hen enkel gevankelijk naarSneekliet voeren. Hoe hard hij de Hollanders ook viel, omdat zij zijn land bevochten, nogtans kon hij niet dulden, dat hun inFrieslanddoor de Gelderschen leed werd gedaan gedurende het bestand. Zoo kloekmoedig hij jegens den vijand was geweest, zoo rondborstig verweet hij de Gelderschen, dat zij de Friezen misleidden, en dat zij niet volbragten, wat ze beloofd hadden.Dáárom vreesden zij hem, die, als een onverbasterde zoon der vrijheid, de kenmerken van den echten Fries vertoonde, in zucht naar onafhankelijkheid, dapperheid en vaderlandsliefde. Daarom verdient zijn naam eene eervolle nagedachtenis, en zeggen wij gaarne den dichtervan halmaelna: