25.Frieslands voorspoed onder de regering der Stadhouders van Keizer Karel den vijfde. (1515-1555.)

Die ’t Vaderland in nood beschermt,Voor recht en vrijheid strijdt,Zich over weeûw en wees ontfermt,Geweld noch onrecht lijdt;Dien, zij hij boer, of edelman,Of burger, of soldaat,Dien prijs, wat prijzen mag en kanAls steunsel van den Staat.Dien reik m’ alom, in ieder oord,Dat knielt voor God-alleen,Den laauwer, die den held behoort,En d’ eikenkrans metéén!Held Pier, de groote Pier genoemd,—Niet, slechts om lichaamskracht,—Op wiens geboorte ons Kimswert roemt,Zij zóó door ons herdacht.Hij leed van Saksens dwinglandij,En Hollands overmoed,En vocht zich koen van beiden vrij,Ten prijs van goed en bloed.Hij zag zijn heerlijk VaderlandGefolterd, overheerd,En ’t slagzwaard blonk in ’s landmans hand.Hier blijf’ zijn naam vereerd![113].

Die ’t Vaderland in nood beschermt,Voor recht en vrijheid strijdt,Zich over weeûw en wees ontfermt,Geweld noch onrecht lijdt;Dien, zij hij boer, of edelman,Of burger, of soldaat,Dien prijs, wat prijzen mag en kanAls steunsel van den Staat.Dien reik m’ alom, in ieder oord,Dat knielt voor God-alleen,Den laauwer, die den held behoort,En d’ eikenkrans metéén!

Held Pier, de groote Pier genoemd,—Niet, slechts om lichaamskracht,—Op wiens geboorte ons Kimswert roemt,Zij zóó door ons herdacht.Hij leed van Saksens dwinglandij,En Hollands overmoed,En vocht zich koen van beiden vrij,Ten prijs van goed en bloed.Hij zag zijn heerlijk VaderlandGefolterd, overheerd,En ’t slagzwaard blonk in ’s landmans hand.Hier blijf’ zijn naam vereerd![113].

[106]Dit vermoeden vanschotanus, op de kaart vanWonseradeel, is bevestigd door de berigten in hetStamboek van den Frieschen Adel, II, Nalez. 12.[107]Ziewagenaar,Vaderlandsche Historie, IV 306, 322, 324, die ook vermeldt, datfilipsin 1504, tot bescherming van de Zuiderzee tegen de Gelderschen, teHoorn,EnkhuizenenEdameenige oorlogschepen uitrustte, en het bevel daarvan opdroeg aan een, bij onze schrijvers onbekend gebleven, zeemanpieter van leeuwarden. Gewis een vreemd verschijnsel, dat de Hollandsche Graaf destijds een Fries tot vlootvoogd op zijne schepen aanstelde.[108]Wagenaar,Vaderlandsche Historie, IV 375;dez.Amsterdam, I 210-214;van kampen,Geschied. der Nederlanden, I 215-238;bosscha,Heldendaden, I 120;nijhoff,Bijdragen, VIII 66. Ik heb dit alles inzonderheid gemeld, om te doen zien, dat al de hierna vermelde bedrijven vanpiertegenHollandniets anders waren dan eene voortzetting van hetgeenkarelvan Gelderreeds langer dan tien jaren had gedaan, zoodat niet de Friezen, maar de Gelderschen oorlog voerden tegen de Hollanders, waarin de Friezen slechts als hulpbenden deelnamen.[109]Dus spreektmartena,Landboek,Charterb.II 92, 100.[110]de jonge,Geschied. v. h. Ned. Zeewezen, I 156, 189, 328, 351.[111]Zie het roerend verhaal dier wreedheden, zoodat zelfs den beul „dat arbeit verdroet,” bijpeter van thabor,Archief, II 201;schotanus,Kron.587;jacoby,Kort en Beknopt Chron.Leeuw. 1755, 121.[112]Archief, II 259, waar meerdere bijzonderheden, die hem kenschetsen, worden gevonden.[113]Friesche Volks-Almanak, 1837, 98. VerderAanteekening 16.

[106]Dit vermoeden vanschotanus, op de kaart vanWonseradeel, is bevestigd door de berigten in hetStamboek van den Frieschen Adel, II, Nalez. 12.

[107]Ziewagenaar,Vaderlandsche Historie, IV 306, 322, 324, die ook vermeldt, datfilipsin 1504, tot bescherming van de Zuiderzee tegen de Gelderschen, teHoorn,EnkhuizenenEdameenige oorlogschepen uitrustte, en het bevel daarvan opdroeg aan een, bij onze schrijvers onbekend gebleven, zeemanpieter van leeuwarden. Gewis een vreemd verschijnsel, dat de Hollandsche Graaf destijds een Fries tot vlootvoogd op zijne schepen aanstelde.

[108]Wagenaar,Vaderlandsche Historie, IV 375;dez.Amsterdam, I 210-214;van kampen,Geschied. der Nederlanden, I 215-238;bosscha,Heldendaden, I 120;nijhoff,Bijdragen, VIII 66. Ik heb dit alles inzonderheid gemeld, om te doen zien, dat al de hierna vermelde bedrijven vanpiertegenHollandniets anders waren dan eene voortzetting van hetgeenkarelvan Gelderreeds langer dan tien jaren had gedaan, zoodat niet de Friezen, maar de Gelderschen oorlog voerden tegen de Hollanders, waarin de Friezen slechts als hulpbenden deelnamen.

[109]Dus spreektmartena,Landboek,Charterb.II 92, 100.

[110]de jonge,Geschied. v. h. Ned. Zeewezen, I 156, 189, 328, 351.

[111]Zie het roerend verhaal dier wreedheden, zoodat zelfs den beul „dat arbeit verdroet,” bijpeter van thabor,Archief, II 201;schotanus,Kron.587;jacoby,Kort en Beknopt Chron.Leeuw. 1755, 121.

[112]Archief, II 259, waar meerdere bijzonderheden, die hem kenschetsen, worden gevonden.

[113]Friesche Volks-Almanak, 1837, 98. VerderAanteekening 16.

KeizerkarelV is een der belangrijkste personen in de geschiedenis. In een gewigtig tijdvak, waarin de meeste volken vanEuropa, na langdurige verdrukking van wereldlijk en geestelijk gezag, naar meerdere vrijheid en verlichting streefden, en waarin de gevolgen der ontdekking vanAmerikaen van de uitvinding der Boekdrukkunst gunstig begonnen te werken op handel, welvaart en kennis, was hij als Keizer vanDuitschland, Koning vanSpanje,Napels,Sicilië,MexicoenPeru, Hertog vanBourgondië, Graaf vanHollandenz. een magtig gebieder over vele volken. Als een man van groote bekwaamheden, zoowel in de staatkunde als in de krijgskunst, wist hij deze landen, door zijne stadhouders of plaatsbekleeders, met wijsheid te doen besturen en met kracht tegen zijne vijanden te verdedigen. Het gelukte hem het eerst, in 1543, alle Nederlandsche gewesten (te voren door afzonderlijke Heeren bezeten) onder één Hoofd te brengen, waardoor er meer eenheid in het bestuur des lands kwam. Bij zijne afwezigheid werden de Nederlanders eerst door zijne moeimargarethavan Oostenrijk, als Gouvernante, en sedert 1530 door zijne zustermariavan Hongarijeals Landvoogdes bestuurd.

Toenkarelin 1515Heer van Frieslandwas geworden, zond hij Graafflorisvan Egmondals zijn Stadhouder herwaarts, om bezit van dit land te nemen. Doch de Gelderschen hadden zich intusschen van zulk een groot gedeelte meester gemaakt, dat alleen de stedenLeeuwarden,HarlingenenFraneker, benevens slechts acht der noordelijkste grietenijen de zijde vankarelkozenen hem huldigden. Er kwam alzoo eene groote krijgsmagt uitHollandover, zoowel om zijn gezag in deze streken te beschermen als om het in andere uit te breiden, en de Gelderschen te bestrijden en te verdrijven. Dit ging evenwel zeer moeijelijk: want de Gelderschen hadden zich zóó vast genesteld, en wisten de ingezetenen door allerlei schoone beloften zóódanig tegen het gezag van den Hollandschen Graaf in te nemen, datFrieslandgedurende de eerstvolgende jaren op nieuw al de ellenden van een binnenlandschen oorlog, van plundering, brand en moord had te verduren. Watervloeden en hongersnood verzwaarden nog de rampen, die de Friezen moesten lijden, omdat twee magtige Vorsten streden om het regt, wie hunner hen zou besturen. Dat regt moest hunne heerschzucht echter koopen voor het goed en bloed van duizenden stille burgers, die er weinig belang bij hadden, wie dit kleine hoekje lands bestuurde, zoo het slechts een gematigd bestuur ware. Gelukkig, dat de uitslag ten gunste van den verstandigsten Vorst was.

Want eerst nadat de opvolgende Stadhouderwillemvan Roggendorf(1517) in 1521 vervangen was doorgeorg schenck, Vrijheer vanToutenburg, werden er krachtiger middelen ondernomen ter verdrijving van de Gelderschen. De stadSneek, welke zoo lang hun zetel was geweest, werd in 1522 door hen verlaten;DokkumenBolswardgingen in het volgende jaar over, en in 1524 kwam geheelFrieslandonder het gezag van Keizerkarel, die nu bij traktaat zich verbond, der Friezen land, vrijheden en regten te beschermen, en als Erfheer hen te doen besturen, tegen het genot van geene hoogere belastingen, dan die vroeger onder de Saksische regering waren toegestaan[114].

Met den jare 1524 werd dus de vrede inFrieslandhersteld en het bestuur des lands op een eenparigen voet geregeld. Terwijl andere provinciën van ons vaderland, alsGroningen,Utrecht,OverijsselenGelderland, nog bijna twintig jaren lang de twistappels der strijdende partijen bleven, hadden de Friezen het geluk, toen reeds het genot te bekomen van de grootste der maatschappelijke voorregten: van vrede en veiligheid en van orde in bestuur en regtspleging, die welvaart en vooruitgang ten gevolge hadden. De gunst van den nieuwen landsheer was der getrouw geblevene stedenLeeuwarden,HarlingenenFranekeral spoedig gebleken, door het ontvangen van belangrijke giften en voorregten, die haren bloei konden bevorderen, en waardoor zij mede in staat gesteld werden hare vestingwerken te versterken. Ook andere steden werden vervolgens met zulke privilegiën begiftigd. Klemmende bepalingen werden er gemaakt tot beter onderhoud van zeedijken, sluizen en vaarten. Nieuwe wegen werden er aangelegd en bestaande verbeterd, vooral om den toegang naar de Hoofdstad gemakkelijker te maken. Eene nieuwe Munt en Leerschool werden dáár opgerigt. Nuttige verordeningen ten aanzien van zeevaart en handel bevorderden den uitvoer van boter, kaas, granen, vleesch, visch en andere voortbrengselen des lands naarBremen, de Oostzee en elders, zoodat er leven en verkeer, voorspoed en weelde ontstond, welke in alle rangen en standen van gunstigen invloed waren. Zoowel op het land als in de steden werd er een aantal aanzienlijke gebouwen, gestichten, kerken en torens gebouwd of vernieuwd, welke blijken droegen van moed, kracht en overvloed, waardoor men ook opgewekt werd kunsten en wetenschappen te beoefenen. Rustig en gelukkig waren dus de jaren, waarin de genoemde Stadhouderschenckdit gewest vervolgens bestuurde.Ook zijne opvolgers,maximiliaanvan egmond, Graaf vanBuren(1540) enjohanvan ligne, Graaf vanAremberg(1548), wisten zoowel de belangen van hunnen Heer als die der ingezetenen met ijver te bevorderen. Want in dit tijdperk van vrede en voorspoed, waarin de Nederlandsche gewesten, eindelijk onder één Heer vereenigd, één, elkander niet meer vijandig, geheel vormden, werden velerlei burgerlijke betrekkingen geregeld, de bronnen van bestaan ontwikkeld, kennis en beschaving gekweekt en onderling verkeer en vriendschappelijke toenadering bevorderd. De moed tot groote ondernemingen werd opgewekt. Zoo werden ook vele dorre hooge veengronden in het zuidoosten vanFrieslandin dezen tijd in vruchtgevende akkers herschapen, door ze af te graven, den turf te vervoeren, groote vaarten aan te leggen en de afgegravene landen te ontginnen. Deze verveeningen, reeds vroeger begonnen, doch daar eerst toen op eene groote schaal voortgezet door den Raadsheerpieter van dekamaen andere Heeren, hebben den oorsprong gegeven aan het vlekHeerenveen, de vruchtbaarheid van dat oord bevorderd, en daar leven en werkzaamheid bij groote voordeelen aangebragt.—Aldus werden de krachten en de geest der ingezetenen ontwikkeld en bereid, om in een volgend tijdperk vatbaar te zijn voor het genot van nog grootere voorregten, als burgers en als christenen.

Het midden der 16eeeuw biedt alzoo een geschikt tijdpunt aan, om een overzigt te geven van den toenmaligen toestand des lands en de zeden der inwoners. Wij zullen daarbij niet het oordeel van latere schrijvers, maar de eenvoudige beschrijving van een tijdgenoot volgen. Daar die schrijver,worp van thabor, in 1538 overleed, zal deze schets welligt op omstreeks 1530 moeten worden toegepast. Des te meer zullen wij ons moeten verwonderenover de sporen van rijkdom en levensgenot, welke hij vermeldt. Deze toch zijn zoo vele blijken hoe spoedig een klein, doch nijver volk zich weet te herstellen van de rampen, welke de verwoestingen des oorlogs zoo vele jaren lang hadden te weeg gebragt. Opmerkelijk is het tevens, dat de Friezen, ondanks den invloed van de Saksische en Bourgondische Vorsten, hunne zelfstandigheid en nationaliteit bleven handhaven. Hun volksleven en eigendommelijkheid verhief zich steeds krachtig boven allen vreemden invloed, hoezeer de uiterlijke vormen van lieverlede verzacht en de zeden iets meer beschaafd werden. Hunne zedelijke eenheid en kracht wisten ook den volksaard en de voorvaderlijke instellingen zóó vast te bewaren en te beschermen tegen alle staatkundige overheersching, dat de pogingen der Stadhouders, om hunne vrijheden in te krimpen en de magt des Keizers te vergrooten, bij hen immer schipbreuk leden.

[114]ZieCharterb.II 143, 436-478;winsemius463;schot.613.

[114]ZieCharterb.II 143, 436-478;winsemius463;schot.613.

»Friesland(schrijftworp van thabor) is een vlak land, zonder bergen, maar rijk in groot en klein vee. In dat gedeelte, hetwelk aan den noordelijken oceaan grenst, bestaat de grond uit zware klei, vruchtbaar in granen, overvloedig in gras, overdekt met weidevelden en voor de veeteelt uitnemend geschikt. Vanhier, dat die streken ontzaggelijke groote en vette ossen opleveren, die door inheemsche en vreemde kooplieden naar elders worden uitgevoerd. Bovendien levert dit gedeelte vanFrieslandovervloed van melk, boter en honig op, waarvan het vele streken vanNederlandvoorziet. Het zuidelijk gedeelte des lands heeft een meer zandigen grond, en is meer geschikt voor graanbouw dan voor veeteelt. Ookheeft het meer overvloed van hout. Op vele andere plaatsen is de grond moerassig. Aldaar worden kluiten aarde (veen) uitgestoken, die, in de zon gedroogd, het gebrek aan hout, tot haardbrand, rijkelijk vergoeden; anderen evenwel voeden het vuur met gedroogden koemest. Overigens teltFrieslandslechts weinige steden, maar daarentegen des te talrijker dorpen en buurtschappen, die, bijna door het gansche land, zoodanig aan elkander gerijd zijn, dat men de eene van de andere naauwelijks onderscheiden kan. In sommige deelen vindt men uitgestrekte en nuttige meren, die overvloed van visch opleveren. Bovendien telt dit land, door Gods voorzienige zorg, zoo velerlei land- en watergevogelte, welks eijeren en vleesch een even voortreffelijk voedsel opleveren, dat zelfs aan rijke lekkerbekken niets ontbreekt, om hunnen smaak te streelen. Want, om van eenden, ganzen en andere soorten van vogels niet te spreken, die inFrieslandontelbaar zijn, doch die men ook elders vindt, is er hier eene zóó groote hoeveelheid zwanen, dat niet slechts edelen en vermogenden, tot wier spijs zij meer bijzonder behooren, maar zelfs de geringere klassen en de boeren, daarvan tot verzadiging toe kunnen eten.Frieslandbrengt derhalve alles wat tot levensonderhoud noodig is in den ruimsten overvloed voort; wijn en olie alleen uitgezonderd.”

»Terwijl ik den lof der Friezen te vermelden en hunne zeden te schetsen wensch (dus vervolgtworp van thabor), verdient te worden opgemerkt, dat de Friezen, hoewel zij tot de Germanen gerekend worden, thans door voorkomen, taal en zeden ten sterkste van de overige Duitschevolken verschillen. Dat verschil bestond reeds bij onze vaderen, zoodat een Fries, ver van zijn vaderland verwijderd, alleen daaraan gemakkelijk kon gekend worden. De oorzaak hiervan meen ik daaruit te moeten verklaren, dat de Friezen eertijds weinig omgang met hunne naburen hadden. Doch thans zijn zij, ten gevolge van het veelvuldig onderling verkeer, naar het uitwendige, meer aan de Duitschers gelijk geworden; ofschoon de vrouwen, nog tot op den huidigen dag, in kleeding, en vooral in kapsels, aanmerkelijk van de vrouwen der naburige volken verschillen.

De Friesche landlieden overtreffen echter die van alle andere Germaansche gewesten door de beschaafdheid en ingetogenheid van hunne gesprekken en manieren; door de pracht hunner huizen, de netheid en fraaiheid van hun huisraad, de kostbaarheid en sierlijkheid hunner kleeding en hun overvloed van zilver en goud. Vandaar, dat de vrouwen op feestdagen zoodanig van goud en zilver schitteren, dat het moeijelijk zou zijn, elders in de christenwereld daarvan een dergelijk voorbeeld te vinden. Zelden ziet men alsdan eene boerenvrouw, die niet met een zuiver zilveren of vergulden gordel van groot gewigt is versierd. Hierbij voegen de rijken, naar voorvaderlijk gebruik, armbanden, en als borstsieraad gouden en zilveren haken en platen, van niet geringe waarde. En dit alles betreft nog slechts de vrouwen uit het volk. De adellijke vrouwen zijn met nog zoovele andere gouden en zilveren kleinodiën van allerlei aard opgepronkt, dat zij er meer mede beladen dan versierd schijnen, hetgeen voor de Duitschers, die somsFrieslandbezoeken, een ongewoon en vermakelijk schouwspel oplevert.

Ofschoon men gewoon is, aan de Friezen eene woeste en onmeêdoogende geaardheid toe te kennen, openbarenzij die echter, zoo men juist wil spreken, alleen ten opzigte van hunne vijanden, en geenszins van allen zonder onderscheid. Door buitengewone mildheid, wellevendheid en gastvrijheid overtreffen zij veeleer andere volken. Vreemdelingen, onbekenden en behoeftigen worden vaak vriendelijk ontvangen en rijkelijk onthaald. Ook vieren zij talrijke, ja bijna dagelijksche gastmalen, waarbij zij echter, naar de wijze der Germanen, gewoon zijn, zich meer dan betamelijk is aan de dronkenschap over te geven. Zij bezitten eene soort van horens, van wilde dieren afkomstig en van ontzettenden omvang, met goud of zilver beslagen, van welke zij zich bij hunne maaltijden bedienen. Als zij aan tafel een ander den beker toebrengen, zijn zij gewoon elkander de regterhand te drukken, waarbij de vrouwen gewoonlijk nog een kus voegen. Dit wordt in geen geval onvoegzaam geoordeeld.

Tot lof des Frieschen volks is veel door de uitstekendste mannen geschreven, waarvan ons het een en ander in handen is gekomen. Ik zal mij vergenoegen hier aan te halen watbartholomeusde Engelschmanen na hemaeneas sylvius(die, later (1458) tot Paus verheven, den naam vanpiusII heeft aangenomen) in hunne schriften getuigd hebben. »Het Friesche volk, zeggen zij, is krijgshaftig, in den wapenhandel geoefend, van forschen en krachtigen ligchaamsbouw, van een kalm en onvertsaagd gemoed. Het is een vrij volk, dat zijne eigenaardige zeden heeft, en, ongeneigd om aan vreemden te gehoorzamen, ook over anderen niet begeert te heerschen. Uit liefde tot de vrijheid aarzelt het niet, zich aan levensgevaar bloot te stellen, en het verkiest den dood boven het juk der slavernij. Daarom erkennen zij ook geen krijgsrang of waardigheden, en dulden niet, dat iemand hunner, om den wille des oorlogs, zich boven zijne medeburgers verheffe. Echter gehoorzamen zij aan regters,die zij jaarlijks uit hun midden verkiezen, en die het gemeenebest naar billijkheid besturen. Op kuischheid stellen zij hoogen prijs, en het gebrek aan eerbaarheid wordt in de vrouwen gestrengelijk gestraft. »Zij hebben in hun gewest een aantal magtige en vorstelijke kloosters gesticht, waarin eene ontelbare menigte personen van beide seksen zich, in reinheid van zeden en onderwerping aan de ordelijke kloostertucht, aan de dienst van God hebben toegewijd.” (ZieAanteekening 17.)

Deze beschrijvingen van het land en de zeden der Friezen in den toenmaligen tijd zijn voorzeker zeer gunstig. Zij dragen blijken van hooge ingenomenheid, welke zich laat verklaren uit der Friezen sterke liefde en gehechtheid aan hun land, hetwelk door de vaderen met veel zorg en strijd tegen de zee en de vijanden verdedigd was, en dat boven vele andere landen groote voorregten mogt genieten. Vandaar ook die geestkracht, moed en fierheid van karakter, waarvan zoo vele Friezen blijken gaven, en waarvan ons bij het verhaal van de latere gebeurtenissen zoo vele treffende voorbeelden zullen voorkomen: want naarmate die kenmerken van den volksaard toegepast werden op edele voorwerpen, gaven zij aanleiding tot het verrigten van schitterende daden, waar het de behartiging van de algemeene belangen gold.

Waar het de behartiging van de algemeene belangen des vaderlands gold, daar zien wij in deze eeuw vooral den talrijken, krachtigen en vermogenden Frieschen Adel werkzaam; ofschoon ook de middelstand tijdens den langdurigen vrede in aanzien en vermogen toenam, zoodat daaruit reeds eenige personen voortkwamen, die zichdoor bekwaamheden onderscheidden en tot waardigheden verheven werden[115]. Een aantal der op het land verspreid wonende edelen, die vroeger met elkander oorlog voerden, besteedde nu den tijd van rust en vrede, om zich op de wetenschappen toe te leggen en zich in staatszaken te oefenen, ten einde in de raadsvergaderingen aan de lands belangen te kunnen medewerken. Sedert de oprigting van hetHof van Frieslandvielen vele edelen bijzonder op de beoefening van de regtsgeleerdheid, ten einde zich te bekwamen, om de eervolle betrekking van Raadsheer in dat Hof te bekleeden. Bij gebrek aan leerscholen in ons eigen land, deden zij ter verkrijging van kundigheden veelal groote reizen doorDuitschland,Frankrijken zelfsItalië, waar zij de hoogescholen bezochten en veel kennis en ondervinding opdeden, zoodat sommigen na hunne terugkomst sieraden van hun vaderland werden en als staatsmannen of regtsgeleerden in hoog aanzien kwamen of tot belangrijke waardigheden geroepen werden.WittembergenPavia, doch vooralKeulen,LeuvenenRostok, worden inzonderheid genoemd als plaatsen, werwaarts de jonge lieden uitFrieslandzich ter studie begaven[116]. Opmerkelijk is het althans, dat er, omstreeks het midden der 16eeeuw, toen de geleerdheid in ons vaderland nog op een lagen trap stond, uitFrieslandzoo vele uitstekende personen zijn voortgekomen, die door bekwaamheid en eer-ambten zich binnen- en buitenlands beroemd hebben gemaakt. De voornaamste der door ons bedoelde personen willen wij hier kortelijk vermelden.

AlsRegtsgeleerdenenStaatsmannenhebben bijzonder uitgeblonken:viglius van aytta van zwichem(geb. 1507 nabijWirdum), die, wegens uitstekende bekwaamheden, door Keizerkarelen zijn zoonfilipstot hooge waardigheden verheven, vooral als Voorzitter van den geheimen Raad teBrussel, in een belangrijk tijdperk zijn vaderland groote diensten bewees, even als zijn vriendjoachim hoppers(geb. 1522 teSneek), die mogt opklimmen tot Geheimraad en Groot-Zegelbewaarder van den Koning vanSpanje, teMadrid.Agge albada, vanGoënga, was eerst Raadsheer in het Friesche Hof en daarna in het Keizerlijk Kamergerigt teSpiersen bekleedde buitenlands ook andere aanzienlijke waardigheden. In dat zelfde Kamergerigt teSpiershad ook zittingciprianus stapert, vanWommels, die door den Keurvorst vanMentstot Hoogleeraar aldaar werd aangesteld. Evenzoo werdenboëtius epo(bote ypes, vanRoordahuizum) teDouai,wybrandus van ayttateDôle,julius van beyma(geb. 1539 teDokkum) teWittemberg,regnerus sixtinus(geb. 1543 teLeeuwarden) teMarburg,joannes van dockumteKeulenensuffridus petrus(geb. 1527 teLeeuwarden) teErfurt,LeuvenenKeulen, tot Hoogleeraren in de regten verheven. Verscheidene buitenlandsche Akademiën droegen alzoo blijken van de geleerdheid der Friezen. Bovendien waren inFrieslandkempo van martena,hector van hoxwier,upco van burmania,sickeenpieter van dekama,syds tjaerda,haijo hermannus,wilco van holdingaen anderen om hunne geleerdheid en bekwaamheid destijds in hoog aanzien.

Als beoefenaren van deLetterkundeder Grieken en Romeinen waren toen en later, behalve genoemdesuffridus petrus, zeer geacht:georg rataller(geb. 1528 teLeeuwarden), die Raadsheer werd teArtois,MechelenenUtrecht, Gezant naarDenemarkenenz.;stephanus sylvius, Pastoor teLeeuwarden, teHeidelbergtot Doctor in de Godgeleerdheid bevorderd, enwillem canter(geb. 1542 teLeeuwarden), die, even alsvitus winsemiusen de vier geleerde broederspopmavanYlst, onderscheidene letterkundige en regtsgeleerde werken hebben uitgegeven.

In deWis-,Natuur-enGeneeskundige Wetenschappenvinden wij destijds mede reeds mannen van naam vermeld, als:gemma frisius(1508 geb. teDokkum) en zijn zooncornelius gemma, beide Hoogleeraren teLeuven, waar zij een aantal wiskundige geschriften in het licht gaven. Als Wis- en Bouwkundige en Schilder behaaldejan vredeman de vries(geb. 1527 teLeeuwarden) inAntwerpenen elders grooten roem.Joannes acronius(vanAkkrum) was Hoogleeraar in de Genees- en Wiskunde teBazel, in welke stad, op de grenzen vanZwitserland, ooklaurentius de friesin 1531 een geneeskundig werk in het licht gaf.Andreas mirica(geb. teLemmer) doorreisde bijna geheelEuropaen was daarna teLeeuwardenals Geneeskundige beroemd;sixtus hemmema, Doctor in de Wis- en Geneeskunde teLeuven, bestreed de Astrologen dier dagen; terwijlpetrus tiara(in 1514 geb. teWorkum), wegens zijne geleerdheid zoowel in de oude letteren als in de Wis-, Natuur- en Geneeskunde vermaard, na vele reizen Hoogleeraar werd teLeuven,Douai,LeidenenFraneker.

Ook deGeschiedenisvanFrieslandvond in het eerste gedeelte dezer eeuw ijverige beoefenaars injancko douwamavanOldeboorn, inkempo van martena, in dekloosterbroederspeterenworp van thabor, en later incornelius kempius(vanDokkum) en genoemdensuffridus petrus, in wier geschriften vele merkwaardige bijzonderheden uit sommige tijdvakken onzer geschiedenis voor het nageslacht zijn bewaard gebleven. (Aanteekening 18.)

Als wij in aanmerking nemen, hoe weinige hulpmiddelen er destijds nog maar bestonden ter bekoming van kennis en geleerdheid, dewijl het getal gedrukte boeken toen nog zoo gering was, en er, zoo ver bekend is, vóór 1570 inFrieslandgeene boekdrukkerij heeft bestaan;—en als wij bedenken, hoe gebrekkig toenmaals de wegen en de middelen van vervoer waren, zoodat het uiterst moeijelijk moet gevallen zijn, soms ook wegens het woeden van den oorlog, naar buitenlandsche hoogescholen te reizen, om kennis en wetenschap te vergâren:—dan mogen wij ons met regt verwonderen over het groot getal geleerden, welkeFrieslandomstreeks het midden der 16eeeuw heeft opgeleverd. Dat velen hunner in naburige landen wetenschappelijke betrekkingen aannamen, was zeer natuurlijk, dewijl er vóór 1576 inNoord-Nederlandnog geene hoogescholen of algemeene leerstoelen van wetenschap bestonden. Zelfs deed de regering des lands lang moeite, om hier de beoefening van de wetenschappen te onderdrukken, omdat zij ze als schadelijk beschouwde, bijzonder voor de godsdienstige ontwikkeling des volks, welke men lang en met vele moeite te keer ging, dewijl zij geenerlei verandering in de godsdienst wilde gedoogen. In weerwil van velerlei bezwaren wisten echter de krachtige volksgeest en het gezond verstand der Friezen zich zelve een weg te banen, ter vermeerdering van kennis, ter ontwikkeling van het verstand en tot beschaving van den geest, welke eerlang, hoewel na hevigen strijd, rijke vruchten zouden dragen voor godsdienst en zedelijkheid, de zuilen van iederen burgerstaat.

[115]Eene lijst der Friesche Edelen, ten jare 1505, onder de Saksische regering opgemaakt, komt voor bijwinsemius, 402 enOudh. en Gest.II 502. Het was een vrije Adel, dat is, van geen Graaf of Leenheer afhankelijk; doch ook dáárom bezat deze adel hier geene heerlijke regten boven de overige ingezetenen, zoo als elders.[116]Ziejancko douwama’sGeschriften, 508 en Inleid. 45. Hij raadt zijne vrouw, hunne zonen liever naarParijsofOrleanster studie te zenden, omdat het „aldaer niet also costumelijck is to drincken, alst in dese Nederlanden wal is!”

[115]Eene lijst der Friesche Edelen, ten jare 1505, onder de Saksische regering opgemaakt, komt voor bijwinsemius, 402 enOudh. en Gest.II 502. Het was een vrije Adel, dat is, van geen Graaf of Leenheer afhankelijk; doch ook dáárom bezat deze adel hier geene heerlijke regten boven de overige ingezetenen, zoo als elders.

[116]Ziejancko douwama’sGeschriften, 508 en Inleid. 45. Hij raadt zijne vrouw, hunne zonen liever naarParijsofOrleanster studie te zenden, omdat het „aldaer niet also costumelijck is to drincken, alst in dese Nederlanden wal is!”

Het was een merkwaardig schouwspel, hetwelk de stadBrusselden 25 October 1555 opleverde.KeizerkarelV, die bijna veertig jaren langDuitschland,Spanje,Nederlanden zijne overige Staten met roem had bestuurd, haakte naar rust, welke hij door afzondering in een Spaansch klooster meende te zullen vinden. In eene plegtige vergadering van vorsten, grooten, geestelijken en afgevaardigden van al de Nederlandsche provinciën, deed hij afstand van de regering dezer landen ten behoeve van zijn zoonfilips. Hij deed dit met eene roerende aanspraak, waarin hij terugzag op hetgeen hij gedaan, had, terwijl hij hoopte, dat de jeugdiger krachten van zijn opvolger alles zouden vermogen, wat hem de duurzame liefde der ingezetenen zou kunnen doen verwerven. Hierna beloofdefilipsonder eede, dat hij de regten der landzaten zoude handhaven, en ontving van de afgevaardigden den eed van trouw en hulde.

Bij het doen van dezen eed viel er eene bijzonderheid voor, welke weder een blijk gaf van de fierheid en volkstrots der Friezen. Volgens eene gewoonte der vorsten van het Oostenrijksche huis, vorderde de hoftoon, dat de eedgeknieldwerd afgelegd. Alle gezanten der zestien Nederlandsche provinciën volgden dit gebruik en knielden neder. Doch de acht afgevaardigden vanFrieslandzagen hierin een vernederend huldebetoon, hetwelk hun eerbied voor het heilige alleen Gode toekende. Zij weigeren te knielen, en, terwijl zij te midden der nedergebogene schare alleenstaanblijven, verontschuldigen zij zich bij monde van een hunner,gemme van burmania, door te zeggen:

Wij Friezen knielen alléén voor God.

Wij Friezen knielen alléén voor God.

Van dit rustige en fiere antwoord bekwam deze edelman sedert den bijnaam vande Stand-Fries, en is deze naam later dikwijls toegepast op ieder zijner landgenooten, die blijken geeft van fierheid, standvastigheid van karakter of van een krachtigen wil.

De Nederlanders hadden weinig reden, om over deze verandering van landsheer tevreden te zijn. De trotsche geaardheid vanfilips, die hier, gelijk inSpanje, als Koning wilde heerschen, dewijl hij deze landen als wingewesten der Spaansche kroon aanzag, en de dweepzucht, welke hem onstaatkundig deed handelen, toen hij geenerlei verandering in de oude en verbasterde kerkleer en wijze van godsdienst-oefening wilde gedoogen, namen de ingezetenen tegen zijn bestuur in. Zij baarden eerlang onrust, daarna verzet en eindelijk openbaren strijd tegen zijn gezag, dat hij met geweldige oorlogsmiddelen en door moorden en bannen wilde handhaven. Te vergeefs. Die schending van het regt des volks en van zijn pligt als vorst, deze heerschzucht en wreedheid konden de Nederlanders niet dulden. Lang verdrukt en getergd sloegen zij de handen ineen, weêrstonden geweld met geweld, en vormden een kleinen, doch naauw vereenigden staat. Zóó gaven de ondeugden en verkeerde handelingen van den Koning en zijne dienaren aanleiding, om hem gehoorzaamheid te weigeren en af te zweren. Zóó werd dit alles de oorzaak van de herstelling der vrijheid en onafhankelijkheid vanNederlandin godsdienst en burgerstaat. De voornaamste bijzonderheden van deze roemrijke overwinning willen wij nu schetsen, daar de Friezen in dezen strijd deelnamen op eene wijze, hunner aloude zucht voor vrijheid en onafhankelijkheid waardig.

De geschiedenis dervolkenstaat dáárin gelijk met de geschiedenis van iederpersoon, dat allen bestemd zijn, om uit den staat van onkunde en onbeschaafdheid op te klimmen tot kennis, bekwaamheid en volmaking. Naarmate de mensch ouder wordt, moet hij vaster gelooven, en meer naderen tot God, dien hij allengs beter moet leeren kennen en vereeren. Hij, de groote opvoeder van het menschdom, wiens wijze Voorzienigheid de lotgevallen van volken zoowel als van personen bestuurt, verschaft bovendien in elk tijdvak de middelen, om de maatschappij te doen opklimmen tot die verhevene bestemming, waarvoor de mensch is geschapen. Doch de dwaasheid van sommige magten, die hare bijzondere oogmerken meer voorstonden dan de algemeene belangen, poogde dikwijls die heilige bedoelingen te verijdelen. Waar toeneming in kennis en verlichting haar belang kon schaden, daar verduisterden zij het licht, en hielden de onderworpene volken in onkunde en domheid. Dit kon evenwel niet duurzaam zijn. Vele volken deden hun regt gelden, en vandaar een strijd, tusschen de voorstanders van duisternis en van licht, van behoud en van vooruitgang, waarvan vooral de kerkelijke geschiedenis bloedige tooneelen oplevert.

De Christelijke Godsdienst, eens in het oosten in zuiverheid verkondigd, was bestemd om alle volken der aarde door haar licht te bestralen; om door geloof en liefde alom vrede en deugd te verspreiden; om den mensch te verheffen en het leven te heiligen door de hoop op eene betere toekomst, welke hare stralen schiet tusschen de nevelen van het heden. Spoedig echter werd diegoddelijke leer door menschelijke dwalingen verbasterd. Aan de bereiking van staatkundige bedoelingen werd zij dienstbaar gemaakt. De heerschzucht vond in haar een middel om zich te verheffen. En om haar bij heidensche volken te beter ingang te doen vinden, werd hare eeredienst met prachtige versierselen en plegtigheden overladen. In deze schitterende uiterlijke vormen, in feestdagen, in de voorspraak der heiligen en in het brengen van offers aan de kerk en aan de geestelijken, meende het onkundige volk nu het wezen der godsdienst te zien.

Die Geestelijkheid was alom in getal, aanzien en vermogen verbazend toegenomen. Doch wat deed zij ter opleiding en verlichting van het volk? In plaats van door de kracht der godsdienst de maatschappelijke gebreken te bestrijden, verstand en hart te vormen en het lijden des tijds te verzachten door de kracht van het geloof aan een toekomstig leven, had zij tegen de waarheid die beide verwonderlijke wapenen ontdekt: onwetendheid en dwaling. Zij verbood der wetenschap en het vernuft verder te gaan dan het getijboek, als om den geest op te sluiten binnen de kloostermuren van de leer der Kerk. Zij kantte zich aan tegen alles, wat den voortgang der menschelijke beschaving, de ontwikkeling van het verstand kon bevorderen. Het menschelijk geweten kwam tegen haar in opstand, en vroeg: wat wilt gij?

Er was een boek, dat van het begin tot het einde van zijne hoogere afkomst getuigt; een boek, dat den geheelen schat van menschelijke kennis bevat, verhelderd en geheiligd door de geheele goddelijke wijsheid; een boek, door den eerbied der volken het Boek genoemd: de Bijbel! Dat boek hadden de Pausen verboden. Zoodanig was het door de leer der Kerk verdrongen, dat de Friezen reeds zeven eeuwen Christenen waren geweest,vóór dat welligt een hunner de Heilige Schrift had gezien, veelmin gelezen. Immers, men achtte dit verbod noodzakelijk, omdat zij een wapen kon worden tegen de Kerk, die voorgaf op haar gegrond te zijn. En in plaats van dat boek gaf hunne willekeur, welke zelfs het licht der rede trachtte uit te blusschen, aan de volken—de Inquisitie.—Onbegrijpelijke dwaling! Ongelukkige volken!

Na de uitvinding van de boekdrukkunst en de herleving van de beoefening der oude letterkunde en wetenschappen, kwam echter de Bijbel in veler handen. Nu gingen de oogen open. Men zag het in, hoe diep de kerk was vervallen, en hoe vele misbruiken er heerschten.maarten lutherhad, in 1517, inDuitschlandden moed, zich tegen den Paus en de gebreken der kerk te verzetten, om bijna al hare leerstukken te verwerpen, en om, op grond van een vrij onderzoek van de Heilige Schrift, terug te keeren tot een meer eenvoudig oorspronkelijk Christendom en minder zinnelijke eeredienst.

De mare van zulk eene gewigtige hervorming in de godsdienst werd in alle streken vanEuropaen ook hier met blijdschap vernomen en vond grooten bijval. Het staatkundig belang van Keizerkarelbragt echter mede, dat hij den Paus tot vriend hield en beschermde. Dáárom weêrstond hij, ook met kracht van wapenen, in zijne landen de verspreiding van die nieuwe leer. Bestendig werden er nu sedert 1521 inFrieslandstrenge plakkaten uitgevaardigd, waarbij de leeringen vanlutherveroordeeld-, zijne boeken verboden- en zijne aanhangers met vervolging en straf bedreigd werden[117]. Doch men bedroog zich: want de vrije ingezetenen kenden den Keizer wel het regt toe, om hun land te laten besturen, maarniet, om over hun verstand en godsdienstige gevoelens te heerschen. Sedert 1522 kwam eene Nederduitsche vertaling van den Bijbel hier in veler handen. Met verbazing bemerkte men het verschil tusschen die leer en hare verkondiging door de Geestelijken. Te vergeefs zocht men daarin den grond van vele leerstellingen en plegtigheden der Kerk. Doch het gemoed vond daarin kracht en troost bij al de rampen van den oorlog, van ziekten, van overstroomingen en hongersnood, welkeFrieslandomstreeks dien zelfden tijd had te verduren. In dezen tegenspoed had men behoefte aan godsdienst, aan meerder licht, dan de zinnelijke eeredienst der Kerk aanbood. Het leven verkreeg hooger waarde door het geloof, dat de harten doordrong, en hen God en den Heer leerde kennen en liefhebben in het uitzigt op eene betere wereld. En toen later de voorspoed blonk, vond men daarin moed en kracht, om hetgeen men als een schat van groote waarde op hoogen prijs had leeren stellen, te verdedigen en te behouden, tegen al de wreede vervolgingen der wereldlijke magt, die de Roomsche kerkleer met geweld trachtte te beschermen.

Als de eerste priesters, die de kerk verlieten, of wel door de verkondiging van de zuivere leer des evangelies pogingen deden, om de kerk te hervormen, worden met eere genoemdgellius faber de boumavanJelsumenmenno simonsvanWitmarsum. Dan, de eerste moest in 1536 en de andere later vlugten, daar de strengheid der vervolging zeer was toegenomen, nadat in het vorige jaar ook hier eene oproerige beweging der Munstersche Wederdoopers tot openbaren strijd en vervolging aanleiding gaf. Allen, die blijken gaven van de Roomsche kerk af te vallen of ongenegen te zijn, werden vervolgens beschuldigd of verdacht, met die Wederdoopers overeente stemmen; het allermeest de Doopsgezinden, die hun christelijk geloof in eenvoudigheid en stille afzondering wenschten te belijden. Sedert 1531 werd een aantal hunner vervolgd, onthoofd of verdronken, en spaarde de regering geene middelen om het gezag der Kerk te handhaven en de afvalligen te straffen.

Doch ook hier werd het bloed dier martelaren weder het zaad eener kerk, welke in aantal van leden toenam, hoe meer zij door de vervolgingen verdrukt werden. De schijnbare smaad, hun aangedaan, stortte eene heilige geestdrift voor het goede en eerbied voor hunne gelatene vroomheid in de harten van anderen, wier onverbasterd gevoel zich tegen zulke onmenschelijke handelingen verzette. Doch dit alles was nog slechts een begin. Want nog dringender werden de bedreigingen der plakkaten des Keizers, toen hij het waagde, in 1550 de Inquisitie of het geloofs-onderzoek inNederlandopenlijk in te voeren. Van toen af, en vooral na 1557, wanneerwillem lindanusals Kettermeester herwaarts werd gezonden, stonden allen, die van de Roomsche kerkleer afweken, en zelfs zij, die verdacht waren van de nieuwe leer te begunstigen, aan wreede vervolgingen bloot. En zeker zou het getal martelaren hier destijds zeer talrijk zijn geweest, als de Stadhouder, het Hof en de Besturen al de bevelen des Keizers uitgevoerd en niet gematigd hadden. De Staten des lands verzetten zich zelfs tegenlindanus, en beschermden der ingezetenen vrijheid tegen zulk eene onduldbare heerschappij over hun geloof. De algemeene geest der landzaten toonde toch te duidelijk, dat de stroom niet meer viel te stuiten. Zij bleven dus hopen, dat de Regering haar eigen belang zou inzien, om door toegevendheid en gematigdheid billijk te zijn jegens een volk, dat men door dwang en bedreiging veel meer verbitterde dan terugbragt. (ZieAanteek. 19.)

Het zij mij vergund, aan het einde van dit overzigt meer bijzonder stil te staan bij de kerkgemeenschap derDoopsgezinden, welke zich te midden dier beroeringen in deze landen vertoonde en uitbreidde. Zij verdient hier eene afzonderlijke vermelding, eensdeels, omdat zij eene plant was, vooral van den Frieschen bodem; anderdeels, omdat zij zich hier zóó spoedig en aanzienlijk uitbreidde, dat bij de Hervorming van 1580 een vierde gedeelte der bevolking vanFrieslanddezer gezindte toegedaan was[118], en, in ’t algemeen, omdat zij, door de geheel eigenaardige rigting en de gewigtige waarheden, welke zij vertegenwoordigt en handhaaft, nog eene merkwaardige plaats onder de afdeelingen der Christenheid bekleedt.

Reeds hebben wijmenno simonsgenoemd. Hij was echter niet de stichter dezer gezindte, gelijk velen ten onregte gemeend hebben, daartoe verleid door den naam vanMennonitenofMennisten, welken eene partij onder hen gaarne droeg en andersdenkenden hun over ’t algemeen gaven. Zij bestonden reeds lang vóórmenno, ja hadden inFrieslandreeds hunne martelaren vóór dat hij het punt van den doop begon te onderzoeken. Hun oorsprong is met geene zekerheid aan te wijzen; maar, in gevoelens met de Waldenzen verwant, vinden wij door geheel de middeleeuwen sporen van het aanwezen eener gemeenschap, die, welgeordend en over een groot deel vanEuropa, verspreid, als stillen in den lande hetapostolisch Christendom in beoefening zocht te brengen. Zorgvuldig onttrok zij zich aan de opmerkzaamheid der wereld en der vervolgzieke geestelijkheid; totdat zij, door de groote beweging der geesten in den hervormingstijd opgewekt, bemoedigd werd, om openlijk mede te werken tot de vernieuwing des Christendoms. Zij verliet de veilige onbekendheid. In een groot gedeelte vanEuropazag men eene menigte gelijkgezinde menschen optreden, zonder dat men wist van waar zij hunne gevoelens hadden verkregen. Door geestelijke en wereldlijke magten vervolgd, trokken velen hunner uitFrankrijk,ZwitserlandenDuitschlandnaar het noorden, ook naarFriesland, waar de regering minder streng was in de uitvoering van de plakkaten. Daar vonden zij vele gelijkgezinde Christenen, wier gemoed behoefte had aan eene betere godsdienst dan de verbasterde kerk aanbood, en die bevrediging vonden in het lezen en beleven van de Heilige Schrift. Tot dezen gingmennoover; onder dezen werkte hij.

TeWitmarsumin 1496 geboren en tot den geestelijken stand opgeleid, werd hij in 1524 Kapelaan in het niet ver vanHarlingengelegenePingjum. Na verloop van twee jaren kwam hij, door eene twijfeling aangaande het misoffer, voor het eerst tot onderzoek van den Bijbel, en daardoor allengs tot meer evangelische inzigten. Niet voor 1531 vestigde de dood vansicke snijder, als de eerste der Doopsgezinde martelaren teLeeuwardenonthoofd, zijne aandacht op den doop, en spoedig leerde hij den kinderdoop als eene instelling, niet des evangelies, maar des pausdoms kennen. Nadat hij intusschen in zijne geboorteplaats tot Pastoor was verkozen, begon hij zijne gevoelens over den aard en de eischen des Christendoms te verkondigen, en verkreeg hij grooten roem en toeloop onder het volk als evangelisch prediker.

Nu eerst kwam hij in aanraking met de Doopsgezinden, die in zijne omstreken hunne gevoelens begonnen te verspreiden en te doopen. Hunne weldadige pogingen vonden bijval, doch werden spoedig afgebroken door eene geweldige beweging. Een onrustige geest, welke doorgaans met iedere hervorming gepaard gaat, had onder hunne geloofsgenooten eene partij van Wederdoopers gevormd, welke het koningrijk Gods met geweld zocht op te rigten. InMunsterbelegerd, zond zij ook naarFrieslandhare zendelingen, die de eenvoudigen hier opruiden.mennostelde zich met alle kracht daar tegen, hield zelfs tot tweemalen met de hoofden der Munstersche partij eene zamenkomst, doch al zijne vermaningen baatten niet. De opgeruide menigte greep naar het zwaard. Op Paaschmaandag van 1535 waren er teTjumongeveer 300 vergaderd, die 200 krijgsknechten met verlies deden wijken. Door dit aanvankelijk voordeel bemoedigd, veroverden zij hetOldekloosterbijBolsward, lieten de monniken onverhinderd gaan en versterkten zich daar als in eene vesting. Hier werden ze door de krijgsmagt van den Stadhouderschenckvan Toutenburgbelegerd. Moedig streden zij, doch, eindelijk voor de overmagt bezweken, boetten de meesten, en daaronder een eigen broeder vanmenno, hunne dwaasheid met het leven. Velen sneuvelden met het zwaard in de vuist, sommigen werden teLeeuwardenonthoofd, anderen in het Hempenzermeer verdronken; doch ook velen ontkwamen, of werden om hunne eenvoudigheid losgelaten.

Deze oproerige beweging der Munsterschen was, even als later de beeldenstorm, allen welgezinden zeer leed en de zaak der hervorming tot groote schade. Bijmennoechter bragt zij eene groote verandering te weeg. Dat vergoten bloed viel hem heet op het harte, vervulde hem met diepe droefheid en deed hem tot zich zelven inkeeren.Hij toch predikte wel de evangelische leer, dochdeedniet alles wat hij predikte en geloofde. Tegen zijne overtuiging was hij nog altijd priester. Zijn geweten kon die strijdigheid niet langer dulden, daar hij behoefte had, zijn geloof uit zijne werken te toonen. Na een moeijelijken strijd van negen maanden, verkreeg hij eindelijk op zijne gebeden de noodige kracht tot verzaking en lijden. In 1536 verliet hij het pausdom en zijne pastorie met al de daaraan verbondene voordeelen, en voegde zich, in het uitzigt op armoede en verdrukking, bij de overige, rustig geblevene, doch toen strenger vervolgde Doopsgezinden. Van nu af aan predikte hij alléén het evangelie, van alle menschelijke instellingen ontdaan, tot ware boete op den smallen weg, dien hij zelf vrijwillig gekozen had. Bijna een jaar lang vertoefde hij in eene kleine woning in de nabijheid vanWitmarsum, waar hij zijne vrienden stichtte en vermaande[119]. Toen kwamen er zes of acht afgevaardigden der Doopsgezinden bij hem met het verzoek, om algemeen Leeraar of Opziener onder hen te willen zijn. Na lang aarzelen, aanvaardde hij deze bediening, en werkte hij nu in grooteren kring, te gelijk met zijn vrienddirk philips, vanLeeuwarden, en later ook metleenert bouwens, met gunstig gevolg aan de uitbreiding van het evangelisch geloof. Zóó bekwam de gemeenschap der Doopsgezinden, vooral doormenno’sgeleerdheid voorgelicht en verdedigd, door zijn ijver uitgebreid, maar bovenal door zijne gemoedelijke vroomheid bevestigd, een geregeld bestaan.

De toenemende strengheid der plakkaten, welke velen zijner volgelingen den dood kostte, noodzaakten hem eerlang zijn vaderland te verlaten.Emden, »de herberg van Gods verdrukte gemeente” genoemd, nam hem op, doch weldra van daar verdreven, trok hij naarKeulenen na verloop van twee jaren naarLubek, en bleef, ondanks vele moeiten en gevaren, dáár en op andere plaatsen inNederlanden het noordelijkDuitschland, met heiligen ijver een eenvoudig apostolisch Christendom prediken. Op eene plaatsWoesteveld, tusschenHamburgenLubek, mogt hij in de laatste jaren zijns levens eene veilige woonplaats bekomen, en door het drukken van zijne eigene godsdienstige geschriften een bestaan-, en als Oudste en Leeraar der gemeente gelegenheid vinden, om nuttig te zijn voor de belangen des evangelies. Dankbaar mogt hij zich verheugen, in verschillende landen meer dan 50 gemeenten gesticht- en velen voor het rijk zijns Heeren gewonnen te hebben. InFrieslandwaren zijne medearbeiders intusschen in zijnen geest ijverig werkzaam, en mogt alleenleenert bouwenssedert 1551 op 74 plaatsen een getal van 6500 personen, die aan hun christelijk geloof een zuiver leven wenschten te verbinden, den doop toedienen. Ook namenno’soverlijden (1561) nam deze gezindte, in weerwil der vervolgingen, hier en elders sterk toe, en zetten mede vele uitBrabandenVlaanderengevlugte Doopsgezinden zich in dit gewest neder.

Al de Protestanten hadden tijdens de hervorming dit met elkander gemeen, dat zij door onderzoek van de Heilige Schrift tot geloofsovertuiging kwamen, ijverden tegen de leer en de misbruiken der Kerk en nieuwe gemeenten stichtten. De grondslagen dier gemeenten werden gewijzigd door de omstandigheden en naar iedersopvattingvan het evangelie. Vandaar zooveel verschilbij zooveel overeenkomst van geest en bedoeling. Zoo streedluthervooral tegen dewerkheiligheidder Roomsche kerk, en kwam hij door tegenstelling:tot de regtvaardigmaking uit het geloof, zonder de werken, welke hij als kenmerkende leer aan zijne gezindte naliet. Zoo bestredenzwingliencalvijnhet verheffen van het schepsel boven den Schepper, en werd alzoo een der grondtrekken van de Hervormde kerk gerigt tot vernedering van het eerste, tot ’s menschen ellendigheid, om den laatsten te verhoogen. In beide kerkgenootschappen stond alzoo deleerop den voorgrond. Geheel anders was dit evenwel bij de Doopsgezinden. Waren de Hervormers geleerden, dieinde Kerk bleven, om haar in zich zelve te louteren, zij moesten daartoe strijd voeren tegen leerstellingen, in eene vroegere ontwikkeling des Christendoms ontstaan en op kerkvergaderingen vastgesteld;—de Doopsgezinden echterverlietendie Kerk, voerden geen strijd tegen haar en bepaalden hun onderzoek enkel en in alle eenvoudigheid tot den Bijbel. Verkreeg de leer der Hervormers een wetenschappelijken vorm en hadden zij met gezag bekleede geloofsbelijdenissen noodig;—de Doopsgezinden hadden genoeg aan het evangelie, waarin zij het oorspronkelijk Christendom vonden met zijne verheffende leer, heiligen wandel en slechts twee instellingen: doop en avondmaal. In de poging om dat Christendom te herstellen, gingen zij dus eene schrede verder dan de Hervormers, die de bestaande Kerk zochten te verbeteren, te hervormen; die wel veel daarvan verwierpen, maar ook veel behielden; die ook den doop der Roomsche kerk behielden met de kerkgebouwen en de daaraan verbondene bezittingen en inkomsten. Doch de Doopsgezinden behielden dien doop niet, en daardoor verviel mede hunne betrekking tot de oude Kerk, welke zij verlieten met opoffering van alle aanspraken opgebouwen en goederen. Bepaalden de geleerde Hervormers zich bijzonder tot deleer,—de Doopsgezinden stelden zich hetleventen hoofddoel. Den christelijken doop waardig te ondergaan en getrouw te beleven werd het middelpunt van hun gemoedelijk streven: aan de eene zijde, om de wereldsche begeerlijkheden te verzaken en aan de andere zijde, om een geestelijk leven, een vromen wandel te leiden.

Hieruit ontstonden als van zelf die kenmerkende bijzonderheden, waardoor zij zich lang van de overige protestanten hebben onderscheiden: hunneafgescheidenheid van de werelden verzaking van hare genietingen, opdat zij door haar niet besmet en in hun christelijken wandel gestoord zouden worden;—hun weigeren om hetOverheidsambtte bekleeden enWapenente dragen tot het voeren van oorlog, als in strijd met het geestelijk leven, waartoe zij zich onder dulden en lijden verbonden hadden;—hun weigeren van denEed, dien zij voor den Christen ongeoorloofd beschouwden bij hunne groote waarheidsliefde en trouw;—hunne afkeerigheid van alle wereldsche praal en weelde bij hunne zucht naar eenvoudigheid in kleeding, levenswijze en zelfs in hunne bedehuizen, Vermaningen geheeten, en godsdienst-oefeningen. Zij hadden dus geene behoefte aan bezoldigde leeraars, dewijl ze minder prijs stelden op wetenschap en welsprekendheid dan op verlichte bijbelkennis en vroomheid des gemoeds, zoodat zij in hun midden altijd genoeg broeders hadden, die hen door een eenvoudig woord uit liefde konden en wilden stichten[120]. De gemeentezuiver en heilig te bewaren en naar het evangelie op te bouwen tot godzaligheid was hun hoogste streven, en hun geloof uit de werken te toonen hun eerste pligt.—Zóó waren en bleven de Doopsgezinden, zoolang zij zich buiten de wereld hielden. Hierna zullen wij gelegenheid vinden hunne latere lotgevallen en veranderingen, door het verkeer met en in de wereld, te vermelden[121].


Back to IndexNext