31.De Hervorming een tijdlang ingevoerd, maar weder onderdrukt. (1566.)

[117]Charterb.II 107, 415;wins.458;schot.621 env.[118]Wij zouden geneigd zijn dit bijna ongeloofelijk berigt te wantrouwen, indien het niet was medegedeeld door een tijdgenoot, den geachten geschiedschrijvereverhard van reyd, die, toen hij in 1602 stierf, Raad en Geheimschrijver was van den eersten Frieschen Stadhouder, Graafwillem lodewijk van nassau. Zie zijneHistorie der Nederlantscher Oorlogen, Leeuwarden 1650, 70.[119]Menne Siemmens oud preechuisnoemtschotanusdit huis op zijne kaart vanWonseradeel. Bekend is het, dat dit bedehuis der daar nog bestaande gemeente in 1828 hersteld- en met een schoon afbeeldsel vanmenno, doorvan der kooigeschilderd, versierd is; terwijl gelijktijdig eene fraai gegraveerde afbeelding van dit Menno Simons-Kerkje is uitgegeven.[120]Nog bestaat er in Friesland zulk eene gemeente derOude FriezenteBalkinGaasterland, waarin nagenoeg al het bovenvermelde nog naauwkeurig wordt in acht genomen, en wier leden (waaronder geene armen zijn) in de algemeene achting deelen, wegens hun opregt en ongeveinsd geloof, deelnemende liefde en reine zeden. Eene beschrijving van deze gemeente komt voor achterblaupot ten cate,Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland, Leeuwarden 1839, 370, naar welk belangrijk werk wij, ook ten aanzien van dit gansche onderwerp, verder verwijzen. Ook opAmelandbestaat nog eene dergelijke gemeente.[121]Zie dit alles breeder voorgesteld in het uitmuntend geschrift:Onderzoek naar het kenmerkend beginsel der Doopsgezinden, doord. s. gorter, Sneek 1850, 12 env. hetwelk ik hoofdzakelijk gevolgd ben met nadere toelichting van den Schrijver, dien ik daarvoor bij deze mijnen dank toebreng.

[117]Charterb.II 107, 415;wins.458;schot.621 env.

[118]Wij zouden geneigd zijn dit bijna ongeloofelijk berigt te wantrouwen, indien het niet was medegedeeld door een tijdgenoot, den geachten geschiedschrijvereverhard van reyd, die, toen hij in 1602 stierf, Raad en Geheimschrijver was van den eersten Frieschen Stadhouder, Graafwillem lodewijk van nassau. Zie zijneHistorie der Nederlantscher Oorlogen, Leeuwarden 1650, 70.

[119]Menne Siemmens oud preechuisnoemtschotanusdit huis op zijne kaart vanWonseradeel. Bekend is het, dat dit bedehuis der daar nog bestaande gemeente in 1828 hersteld- en met een schoon afbeeldsel vanmenno, doorvan der kooigeschilderd, versierd is; terwijl gelijktijdig eene fraai gegraveerde afbeelding van dit Menno Simons-Kerkje is uitgegeven.

[120]Nog bestaat er in Friesland zulk eene gemeente derOude FriezenteBalkinGaasterland, waarin nagenoeg al het bovenvermelde nog naauwkeurig wordt in acht genomen, en wier leden (waaronder geene armen zijn) in de algemeene achting deelen, wegens hun opregt en ongeveinsd geloof, deelnemende liefde en reine zeden. Eene beschrijving van deze gemeente komt voor achterblaupot ten cate,Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland, Leeuwarden 1839, 370, naar welk belangrijk werk wij, ook ten aanzien van dit gansche onderwerp, verder verwijzen. Ook opAmelandbestaat nog eene dergelijke gemeente.

[121]Zie dit alles breeder voorgesteld in het uitmuntend geschrift:Onderzoek naar het kenmerkend beginsel der Doopsgezinden, doord. s. gorter, Sneek 1850, 12 env. hetwelk ik hoofdzakelijk gevolgd ben met nadere toelichting van den Schrijver, dien ik daarvoor bij deze mijnen dank toebreng.

Veertig jarenlang hadden de Friezen bewijzen gegeven, dat zij eene verandering of hervorming van de oude en in zoo vele opzigten verbasterde kerkleer verlangden. Zij deden dit op grond der Heilige Schrift, die geene missen, boetedoeningen, biechten of aflaten, maar geloof, liefde en hoop, blijkbaar in een heilig leven, vorderde. Noch de Paus, noch de Keizer, noch de Koning wilde echter van eenige verandering in leer of godsdienst-oefening iets weten. Integendeel, sedertfilipsvan SpanjeHeer dezer gewesten was geworden, wilde zijne blinde dweepzucht, dat allen, die hun christelijk geloof niet meer naar de voorschriften der Roomschekerk beleden, nog strenger dan vroeger vervolgd, gepijnigd en op den brandstapel gebragt zouden worden. Alles werd gedaan om het geestelijk en wereldlijk gezag der Kerk staande te houden.

Daartoe diende ook in 1559 de oprigting van vier Aarts-Bisdommen en 13 nieuwe Bisdommen inNederland. De stadLeeuwardenwerd daarbij tot het hoofd eens Bisdoms en eener provincie verheven, waarop later de aanwijzing van het regtsgebied, het gezag en de inkomsten des Bisschops volgde. Maar tegen de invoering van deze opgedrongene weldaad des Konings verzetten de Staten en zelfs ook de Geestelijkheid vanFrieslandzich zóó krachtig, dat de benoemde Bisschop niet overkwam, maar hem een ander Bisdom aangewezen werd.

Die tegenstand had dus gebaat, en gaf moed tot meerder verzet tegen de eischen vanSpanje. De meerderheid der ingezetenen toch, waaronder de adel en de aanzienlijksten des lands, gaven blijken, de zaak der hervorming toegedaan te zijn. Zoodra het gerucht der algemeene Beeldenstorm (den 14 Augustus 1566 inWest-Vlaanderenbegonnen) zich doorNederlandverspreidde, beraamde de Regering vanLeeuwardenmiddelen, om, zonder woest geweld, doch met bedaarde zorg, hier het zelfde doel—de afschaffing van de Roomsche en de invoering van de Hervormde eeredienst—te bereiken. Bij afwezigheid van den Stadhouder werd de beveiliging der Stads poorten aan de burgers opgedragen, en den 6 September 1566 in eene groote vergadering van de Regering en de Bevelhebbers der schutterij, op voorstel van den wakkeren Burgemeestertjerk walles, besloten, om nu openlijk en met daden te toonen, wat men reeds zoo lang heimelijk gewenscht had. Eendragtig werd goedgevonden, het voorbeeld van vele Nederlandsche steden te volgen;—niet, om de kerken met baldadigewoestheid te schenden, en beelden en sieraden aan de woede van het volk prijs te geven; maar door bedaarde standvastigheid en voorzigtig overleg het voorgestelde doel te bereiken: om de oude eeredienst af te schaffen en daarvoor dadelijk de Hervormde »preke” in de plaats te stellen. Nog dien zelfden avond ontvingen de Geestelijkheid en de Gilden bevel, om hunne eigendommen en sieraden onmiddelijk uit de drie parochie-kerken weg te nemen. Gedurende den nacht hield vervolgens een aantal burgers en werklieden zich bezig, om de kerken van de beelden, schilderijen en altaren te ontledigen, en deze gebouwen in te rigten naar de behoeften van de eeredienst der Hervormden. Reeds den volgenden dag, waarop verboden werd eenig godshuis of klooster te schenden, werden de predikanten door de Stads regering en de schutters in de kerk vanOldehovegebragt, en werd daar de eerste leerrede naar de wijze der Hervormden gehouden, gelijk vervolgens dagelijks ook in de andere kerken geschiedde. De uitoefening van de Roomsche eeredienst werd verboden. Vele priesters traden uit eigene beweging tot de Hervorming toe[122].

Met loffelijken ijver en stoutmoedigheid had de regering alzoo de groote zaak der reformatie doorgezet. Met bedaardheid en kalme bezinning werd hier door de overheid het zelfde doel bereikt, hetwelk elders met zooveel woestheid en godsdiensthaat op eene onwaardige wijze werd verkregen. Het is waar, in tijden van opgewonden geestdrift is het volk niet altijd binnen de palen der redelijkheid te houden, vooral na zoo lang geleden en zich ingehouden te hebben. Slechts korten tijd genoot men echter de vrucht van deze moedigepoging. Want spoedig kwamen er bevelen van den Stadhouder en de Landvoogdes, om de oude kerkdienst te herstellen en de Hervormde predikanten te doen vertrekken. Mannelijk weigerde de eendragtige Regering en burgerij te gehoorzamen, entwintig wekenlang hielden zij vol, om, in weerwil van scherpe bedreigingen, hun geloof naar hunne overtuiging te belijden. OokSneekenFranekervolgden dit goede voorbeeld.

Doch de tijd was nog niet rijp voor eene volkomene overwinning. Nog hooger moest de nood stijgen, maar ook nog krachtiger tegenstand ontwikkelen, ten einde eene grootere zegepraal en meer algemeene en duurzame bereiking van het goede doel te bevorderen. Op een bijzonder bevel des Konings kwam de Stadhouderarembergin Januarij 1567 met eene aanzienlijke krijgsmagt teLeeuwarden, en eischte het verdrijven van de leeraren en de herstelling van de kerken. De Regering, tegen de overmagt van het geweld niet bestand, deed wel ernstige pogingen, om zijne toestemming te verwerven tot het voortdurend bestaan van de Hervormde godsdienst-oefeningen, doch te vergeefs: zij moest bukken en gehoorzamen. Uit vrees voor de volvoering van de bedreigde straffen, ontweken vele edelen en burgers nu een vaderland, dat zoo schandelijk verdrukt werd. Een zeventigtal vroegere priesters volgde hen, meest naar het herbergzameOost-Friesland, waar de hervorming reeds vroeg was gevestigd, en waar men, onder bescherming der regering, lang veilig was voor de vervolgingen. De kerken werden ten behoeve der Roomsche eeredienst op den ouden voet hersteld. Hoe gematigdarembergzijn last ook uitvoerde, zonder dat er bloedstorting plaats had, verwekte deze onderwerping groote smart en wrok jegens den Koning, tegen wien men zich eerst nu begon te verzetten en den tachtigjarigen strijd een aanvang deed nemen.

[122]Zie dit alles uitvoeriger verhaald op bl. 218 derGeschiedk. Beschrijving van LeeuwardenI en bij de daar aangehaalde schrijvers.

[122]Zie dit alles uitvoeriger verhaald op bl. 218 derGeschiedk. Beschrijving van LeeuwardenI en bij de daar aangehaalde schrijvers.

De bovenvermelde mislukte poging, ter bekoming van godsdienst-vrijheid naar de behoeften des volks, was voorafgegaan door eene belangrijke gebeurtenis, welke vervolgens van grooten invloed was;—eene gebeurtenis, zóó merkwaardig, dat zij in de rij onzer vaderlandsche herinneringen en roemdagen eene eervolle plaats bekleedt.

De talrijke en meestal zeer vermogende Nederlandsche Adel trok zich de belangen der ingezetenen aan. Hij zag het, hoe alom de geest des volks zich tegen de willekeurige handelingen des Konings omtrent den veranderden vorm van godsdienst-oefening aankantte, zoodat algemeene tegenstand, zoo geen opstand, eerlang onvermijdelijk scheen. De Edelen voedden dus de hoop, dat de poging van een aanzienlijk ligchaam des lands den Koning tot zachtere maatregelen zou bewegen, opdat daardoor de rust hersteld wierde. Want nog was men toen vreemd van het denkbeeld, omSpanjetegenstand te bieden, den Koning af te zweren en dit land tot een onafhankelijken Staat te verheffen. Eerst later werd men daartoe gedrongen. Toen wilde men nog het bestaande gezag handhaven en beschermen, met getrouwheid aan den Koning en zijne gezagvoerders. Twintig Edelen, teBrusselbijeengekomen, ontwierpen in 1565 een Verbond, aan hetwelk spoedig nog 400 edelen uit alle Nederlandsche provinciën toetraden, met het doel, om ’s lands vrijheid te verdedigen en de inquisitie te keer te gaan. Tot dat einde boden zij den 5 April 1566 der Landvoogdes, op eene plegtige wijze, een smeekschrift aan, waarbij zij haar eerbiedig en ernstig verzochten, den Koning tot verzachting van de plakkaten tegen de godsdienst en tot opheffing van de geloofs-vervolging te bewegen, dewijl deze blijkbaar dienden, om onrust en oproer te verwekkenen ellende over het land te brengen. Wel beloofde de Landvoogdes aan dit verzoek te zullen voldoen en moderatie of matiging van de uitvoering der plakkaten te zullen verzoeken; doch de wijze, waarop dit geschiedde, en de voortduring van de vervolgingen, welke aan die zoogenaamdemoderatieden bijnaam vanmoorderatiegaf, overtuigden de edelen, hoe halsstarrig de Koning weigerde aan de billijke wenschen zijner onderzaten te voldoen. Zelfs werd hunne ernstige en welgemeende poging om ’s Konings eigen belang te bevorderen in dier voege opgevat, als ware het eene beleedigende aanmatiging; ja bij het aanbieden van hun verzoek werden zij door den Raadsheervan barlaymont, een der voornaamste raadsmannen der Landvoogdes, schimpender wijze eene troep bedelaars ofgeuzengenoemd, welken schimpnaam zij echter tot een eernaam en onderscheidingsleus aannamen. Vandaar, dat, na de mislukking van hunne edele vaderlandsche poging, welke zij miskend zagen, de meeste dezer adellijke personen eerlang openlijk de hoofden werden van den strijd voor vrijheid en regt, tegen den Koning en zijn misbruikt gezag (1568).

Lang hadden de Friezen gezwegen en het slaafsche juk der overheersching gedragen. Welkom was hun dus de gelegenheid, om blijken te geven van hunne zucht, om het belang des vaderlands krachtig te bevorderen. Toen drie afgevaardigden dier Edelen teLeeuwardenkwamen, om den Frieschen Adel tot deelneming op te wekken, vonden zij, onder bescherming der Staten, hier zóó veel bijval, dat 108 Edelen, waaronder vele leden der regeringen van de steden en grietenijen, het Verbond teekenden en zich bereid verklaarden, de willekeur des Konings te helpen tegenstaan. Een getal, hetwelk, in vergelijking der 420 leden van het verbond uit al de 17Nederlandsche provinciën te zamen, zeker zeer aanzienlijk was, en blijk gaf, welk eene vrijheidszucht en moed de Friezen bezielde. Vruchteloos waren echter hunne eerste pogingen ter bekoming van verzachtende maatregelen. Evenzeer mislukte de poging, om vrijheid van godsdienst te bekomen: want nadat de hervorming teLeeuwardenweder onderdrukt was, drong de Stadhouderarembergbij de Staten aan, dat zij het Verbond der edelen zouden ontbinden, en dat deze zelfs den Koning om vergiffenis moesten smeken, dewijl zij anders het ergste hadden te vreezen. Doch de Staten waren evenzeer als de edelen voor geene bedreigingen meer vervaard. Dit blijkt uit het fiere en krachtige antwoord, hetwelk zij den Stadhouder deden toekomen in deze, voor die dagen, hoogst opmerkelijke woorden: »dat zij, voor zich en de bondgenooten, alles goedkeurden, wat gedaan of gezegd was, en dat zij, noch uit gunstbejag, noch uit vrees, van hunne regten afstand zouden doen, maar liever een opmerkelijk voorbeeld van standvastigheid in het handhaven van ’s lands vrijheden wilden geven, al moesten zij het ook met den dood bekoopen.”

Zulk eene taal van de vertegenwoordigers des volks tegen den uitvoerder der bevelen eens dwingelands getuigde van een verheven moed en heldengeest, welke de aanzienlijksten des lands en velen dier verbondene edelen doordrong. Want al moest ook een aantal hunner met vele geestelijken en burgers in 1567, na het terugkeeren vanarembergen de komst van den wreeden Hertog vanalva, vlugten, om de vervolgingen te ontgaan,—met den volgenden jare 1568 zien wij hen den strijd aanvangen tegen het misbruikte oppergezag en roemrijke daden verrigten. Toen toonden zij weder der Friezen oude moed en trouw, en hunne voorvaderlijke zucht voor vrijheid en onafhankelijkheid. Toen dachten zij vol moed en hoop:

Geen bloed kan glorierijker vloeijen,Dan ’t geen het Vaderland bevrijd.

Geen bloed kan glorierijker vloeijen,Dan ’t geen het Vaderland bevrijd.

En hiervoor hadden ze alles over, in de heilige overtuiging:

Want, waar de Vrijheid is verloren,Is ’t Vaderland een ijdle naam[123].

Want, waar de Vrijheid is verloren,Is ’t Vaderland een ijdle naam[123].

Al de personen te noemen, die deelnamen in dezen strijd, die goed en bloed waagden, om de vrijheid des vaderlands te herstellen, is hier niet mogelijk. Maar wij mogen de namen niet verzwijgen van hén, die door ijver en bekwaamheid de goede zaak het meest bevorderden, of die in de gelegenheid waren door grootsche bedrijven uit te munten.wybrand van aylva, Olderman vanSneek, enhessel van aysma, Raadsheer in het Hof, wisten, in vereeniging metjuliusensyds van botniaengemmaenupco van burmania, door raad en daad met onwrikbare trouw de verdrukking tegen te staan. Aanjan bonga,jelle eelsmaenwybe van grovestinsgelukte het, zoowel te land als ter zee, den vijand afbreuk te doen.homme van hettingaverkocht zijne eigene bezittingen, om krijgsvolk aan te nemen, waarmede hij de Spaanschen bestreed, waarna hijden Brielhielp innemen, en van zijne vrijheidsliefde even groote bewijzen gaf als zijn broeder,tiete, die, toen hij uitFrieslandmoest wijken, in 1575 met 200 zijner landgenooten bijWormerinNoord-Hollandruim 1300 Spanjaarden en Duitschers bestreed en overwon. Even als zij, trachttenharingenhartman van harinxma, aan het hoofd van vele ingezetenen vanWymbritseradeel, in 1572 de Friesche steden voor Prinswillemvan Oranjete verzekeren. Reeds hadden zijSlooteningenomen, toen zij in gevecht geraakten met de talrijker oude benden vanrobles, waarbijhartmande regterarm aan stukken werd geschoten, hoewel hij moeds genoeg had, om, zonder eenig blijk van pijn te geven, het vaandel met de linkerhand aan te vatten en de zijnen kloekmoedig tot den strijd te blijven aanvoeren[124]. Vier broeders uit het geslachtvan eysingamuntten door liefde voor vrijheid en godsdienst uit, en getroostten zich daarvoor groote opofferingen en ballingschap.sjoerd van beymaenhartman galamastelden zich door kloeke bedrijven aan eene vervolging bloot, welke hen, op de Zuiderzee met hulp van verraad gevangen genomen, teBrusselop een schavot het leven deed verliezen.haring van glins,wilco van holdinga,douwe van hottingaen zoo vele anderen trotseerden moedig velerlei gevaren en worden als bevorderaars der vrijheid met eere genoemd.

Doch niemand dezer overtrof in grootmoedigheid en bekwaamheid hun aller hoofd en sieraad, den edelenduco martena, die, zonder vrees voor gevaar, de regten des volks bleef handhaven; die, als staatsman en held, in raadzaal en strijd, zoowel te land als ter zee, te midden der hevigste vervolging, met raad en daad zijn vaderland diende, en al zijne bezittingen, ja zelfs die van twee zijner broederen, door hem geërfd, voor de zaak der vrijheid opofferde. Als lid van Gedeputeerde Staten handhaafde hij het uitsluitend regt der inboorlingen tot de regering, stuitte de geweldigemaatregelen vanalva, en poogde door voorspraak de gevangene bondgenooten te doen loslaten. Hoe hoog de nood ook klom, hij bezweek niet, maar werd voorFriesland, wat Prinswillemvan Oranjevoor het fel bestredeneHollanden andere provinciën was: de kracht, de steun, de hulp van den onderalvazoo diep gezonken staat. Die Prins werd zijn vriend en beschermer, welke hem, toen hij eindelijkFrieslandmoest verlaten, als Admiraal het opperbevel over eene vloot op de Zuiderzee toevertrouwde. Blakende van liefde voor het land en de goede zaak, evenaarden zijn beleid en dapperheid de trouw en voorzigtigheid, waarmede hij ook later, in zijn vaderland teruggekeerd, den jeugdigen staat hielp opbouwen, zoodat aan zijne daden en deugden de verlossing des vaderlands voor een groot deel werd toegeschreven. (Aant. 20.)

Nooit mogen wij Friezen onze verpligting aan den edelenmartenaen zijne medeverbondene edelen vergeten! Met eere mogen de namen van deze helden der vrijheid steeds genoemd worden: want onbegrijpelijk veel hebben zij doorgestaan, verrigt en opgeofferd, toen de willekeur der Spaansche overheersching zich de wreedste vervolging van personen en huisgezinnen, de verbeurt-verklaring van goederen en allerlei kwellingen veroorloofde: omdat, zij de vrijheid verlangden, om den zelfden God en Heer op eene andere wijze te vereeren dan de Koning vanSpanjewilde toestaan. Doch gelukkig, dat, na het doorstaan van al die rampen, eindelijk de overwinning volgde, welke ook de Friezen weder deed deelen in het voorregt van het bezit der vrijheid en onafhankelijkheid, welke men op hoogeren prijs had leeren schatten, naarmate de verkrijging moeite en opofferingen had gekost. Vooraf echter moest er nog veel geleden en gestreden worden.

[123]onno zwier van haren,de Geuzen. Zie daaroverAant. 20.[124]Dit verhaalt zelfs de Spaanschgezinde Raadsheercarolus,de rebus Casparis â Robles in Frisia gestis, Leov. 1731, 56. „Hoe zou iets van dien aard (zegtvan kampen,Vaderl. Karakterkunde, I 345) de wereld doorklinken, wanneer het door een’Spartaanwas verrigt! Doch zulke daden hadden bij ons plaats, zonder, gelijk teSparta, door de opoffering van alle menschelijk gevoel, beschaving en handelverkeering met andere volken te worden gekocht.”

[123]onno zwier van haren,de Geuzen. Zie daaroverAant. 20.

[124]Dit verhaalt zelfs de Spaanschgezinde Raadsheercarolus,de rebus Casparis â Robles in Frisia gestis, Leov. 1731, 56. „Hoe zou iets van dien aard (zegtvan kampen,Vaderl. Karakterkunde, I 345) de wereld doorklinken, wanneer het door een’Spartaanwas verrigt! Doch zulke daden hadden bij ons plaats, zonder, gelijk teSparta, door de opoffering van alle menschelijk gevoel, beschaving en handelverkeering met andere volken te worden gekocht.”

Te midden der verschrikkingen van den oorlog trofFrieslandbovendien eene ramp, welke groote nood en schade veroorzaakte. Zij had evenwel heilzame gevolgen voor de toekomst, en het is dáárom, dat wij ons verpligt achten, hierbij in het bijzonder stil te staan.

Een hevige storm en daarop gevolgde watervloed, zoo ontzettend als ooit eenige deze landen trof, teisterde, op den 1 November 1570, alle aan de Noordzee gelegene landstreken. Met geweld op de Friesche dijken inbrekende, rees het water 10 à 12 voeten hoog op de landen, zoodat bijna het gansche gewest eene woeste zee gelijk scheen. Duizenden menschen verloren het leven: alléén inOost-enWest-Dongeradeelkwamen er 2600 personen om. Een schat van vee, granen en andere levensmiddelen werd met een aantal gebouwen eene prooi van den vloed, die de zeedijken zoodanig had vernield, dat zij op sommige plaatsen geheel weggeslagen waren. Het land stond dus open voor de zee, die dan ook in de eerstvolgende jaren bij de minste verheffing van wind en vloed op nieuw de velden overstroomde. Dit alles, gevoegd bij verarming, duurte, hongersnood en oorlog, voerde de ellende der ingezetenen ten top, en schenen de krachten te falen, om die verliezen te boven te komen, en inzonderheid, om de zeedijken te herstellen, ten einde dit land duurzaam voor dergelijke rampen te beveiligen[125].

Geen gedeelte had meer geleden dan de Vijfdeelendijk, vanDijkshoeklangsHarlingennaarMakkum, en welmede om deze reden, dat het onderhoud daarvan sedert lang het meest verwaarloosd was geworden, ten gevolge van langdurige en hevige geschillen, voornamelijk tusschen de ingezetenen, die buiten en binnen den Slagtedijk woonden over het aandeel, dat ieder hunner in het onderhoud zou hoeden. De eersten, de aan zee gelegene Grietenijën, verlangden daartoe meerdere hulp van de laatsten, ja zelfs ondersteuning ook van andere deelen vanFriesland, voor welke de zeedijken van even groot belang waren. Reeds in 1533 hadden de Stadhouder en het Hof in dit geschil eene beslissing gegeven, door bij Arbitrament te bepalen, door wie en op welke wijze de zeedijken zouden worden onderhouden[126]. In weerwil daarvan bleek het echter, dat de Binnendijksters niet waren te bewegen, om den Buitendijksters de meerder verlangde hulp te verleenen, en zoo bleef eene algemeene herstelling onuitgevoerd en het land steeds in groot gevaar verkeeren.

De herstelling of wel bijna geheele vernieuwing van dezen dijk was echter nu een dringend vereischte. De Buitendijksters, die de kosten daarvan op 300,000 Gld. begroot hadden, klaagden hunnen nood aan den Koning. Namens dezen bepaalde de Landvoogdalvain Augustus 1571, dat, tot vinding van die som, 40,000 Gld. zou worden omgeslagen over die deelen van dit gewest, welke weinig of geene dijken hadden te onderhouden, en dat de overige kosten door de Buiten- en Binnendijksters gelijkelijk zouden worden gedragen. Daar de laatste hierover vooraf niet waren gehoord, namen zij in deze beslissing geen genoegen, terwijl ookOostergoozich tegen dien omslag verzette.alvavond dus goed, den 27 October en 8 November 1571 deze uitspraak te schorsen, en, naeen nader onderzoek, de beslissing op te dragen aan den Stadhouder,Graaf van Megen, met eenige Raden vanOverijssel. Dan deze, reeds kort daarna, den 7 Januarij 1572, overlijdende, werd den 15 Maart dit onderzoek en die beslissing opgedragen aancaspar de robles,Heer van Billy, aan het hoofd eener commissie van Raadsheeren en Dijkgraven uit andere provinciën.

Robleswas destijds Kolonel van een regiment Waalsche knechten teGroningen. Portugees van geboorte, aan het Hof vankarelV opgevoed, vereerd met het vertrouwen der Landvoogdes, die hem zelfs naarMadridzond, om verzachting van de plakkaten te bewerken, was hij in 1569 teGroningengekomen, en had hij zoowel blijken gegeven van gestrengheid en ijver voor de zaak des konings, als van menschlievendheid ter redding en verzorging van allen, die door den Allerheiligenvloed ongelukkig waren geworden. Zoo men wil, bragt hij zelfs teBrusselte weeg, dat de soldij zijner krijgsknechten van daar werd overgemaakt, en datFrieslandenGroningeneen jaar lang van schatting ontheven werden, omdat hunne krachten naauwelijks toereikende waren om de geledene schade aan hunne zeeweringen te herstellen. Veler achting viel hem daardoor ten deel, bij al de strenge maatregelen, welke hij op bevel vanalvamoest nemen, om het Spaansche gezag te schragen. Kort na zijne overkomst inFriesland(in April 1572) zag hij zich als Luitenant des nieuwen Stadhoudersgillis van barlaymont,Heer van Hierges, benoemd, en in het laatst des volgenden jaars (1573) in diens plaats tot Stadhouder en Kapitein-Generaal aangesteld. Hierdoor kwam hij nog beter in de gelegenheid, om zich van zijnen belangrijken last te kwijten[127].

Nadat hij zich naarHarlingenbegeven en zich overtuigd had van den deerlijken toestand der meest weggeslagen dijken, was zijn besluit genomen, om krachtdadige middelen tot herstel aan te wenden, om allen tegenstand moedig het hoofd te bieden, en de onwilligen zelfs met geweld tot de uitvoering te dwingen. Na lang oponthoud, mede ten gevolge zijner geweldige maatregelen om ’s konings gezag te handhaven tegen de pogingen der edelen, omFrieslandonder het gezag van Prinswillemte brengen, was de zaak zoo veel vooruitgegaan, dat in December 1572 de Binnen- en Buitendijksters beide al hunne geschillen en processen opdroegen aanroblesen eene andere commissie van Raadsheeren, belovende zich aan de uitspraak van deze arbiters te zullen onderwerpen. Hierop werd de goedkeuring vanalvaontvangen en die uitspraak den 7 Augustus 1573 gegeven. Daarbij werd, met afwijking van het arbitrament van 1533, vastgesteld, dat de zeedijk vanhet BildttotMakkumvoor de helft, tot omstreeksHarlingen, door de Binnendijksters, en voor de wederhelft door de Buitendijksters zou worden gemaakt en onderhouden. Deze uitspraak werd in naam des Konings den 4 September dooralvagoedgekeurd, en daarna afgekondigd, om spoedig ten uitvoer gelegd te worden[128]. In het volgende voorjaar trok men met ijver aan het werk, nadatroblesen zijne Raden den 25 Maart 1574 bij eene uitvoerige ordonnantie had bepaald hoedanig het werk ingerigt, verdeeld en bestuurd zou worden. De dijk van vijf uren gaans lengte moest eene hoogte bekomen van 12 voet, met een beloop van 5 roede aan de zeezijde en 3 roede aan de landzijde, en eene kruin van 6 voet breedte. Het geheele werk werd verdeeld inelf perceelen. Aan ieder perceel werkte 300 man, welke onder het opzigt stonden van een kapitein, een schrijver of opzigter en 12 rotmeesters. De werkuren waren gesteld van ’s morgens 5 tot ’s avonds 6 uur; de drie schofturen daar tusschen werden door het uitsteken van een vaandel uit den toren vanHarlingenaangewezen. Een half uur bezuiden die stad werd een geheel nieuwe inlegger gemaakt, welke nog deKornels-dijkgenoemd wordt. Ter bevordering van orde en gezag onder zoo groote menigte werklieden, waren daarbij strenge bepalingen gemaakt. Zelfs wil men, dat er eene galg op den dijk geplaatst was.robleszelf hield naauwlettend toezigt en allen in bedwang door de vrees voor zijn ongenoegen en de bedreigde straffen.

Schoon het werk voorspoedig voortging, kon het echter dat jaar niet worden voltooid. Na het nemen van de noodige voorzorgen tegen den winter, werd het in het volgende voorjaar hervat en in den zomer van 1575 geheel volbragt, waarna er nog een aantal hoofden, kisten en kribben van paalwerk werden aangebragt tot bescherming van den dijk en het breken van den golfslag. In den volgenden jare werd ter gedachtenis dezer zoo wél volbragte onderneming en ter eere van den wakkeren Stadhouder, als grenspaal tusschen de beide perken van onderhoud, op den dijk nabijHarlingeneen gedenkteeken opgerigt, waarvan de vier opschriften den tijd der stichting en de namen der stichters vermeldden[129].

Daar gelijktijdig ook de noordelijke zeeweringen dezer provincie werden hersteld, zoodat er in 1574 enkel aan die vanWest-Dongeradeelvan 12 tot 1500 man werkten; daar er ook omtrent de zuidelijke zeedijken schikkingen tot verbeterd onderhoud werden gemaakt, en vermits de naam van hetCaspar-Robles-diepnog aanwijst, dat dit kanaal, tusschen het Bergumermeer en de Lauwers, ter bevordering eener betere gemeenschap metGroningen, door hem mede is tot stand gebragt,—zoo zien wij in dit alles met genoegen de blijken van hetgeen de standvastigheid en welberaden moed vanroblesbinnen zoo weinige jaren inFrieslandtot duurzaam heil des lands mogt tot stand brengen. In het zelfde jaar, dat het gedenkteeken werd opgerigt, verkeerde echter de kans, werd hij door zijn krijgsvolk gevangen genomen, teLeeuwardenop het Blokhuis een tijdlang in bewaring gehouden, waarna hij in 1585 voorAntwerpenomkwam. Zijn naam en gedachtenis zijn echter bij elken Fries in gezegend aandenken gebleven, en gaarne zeggen wij den dichter na[130]:

Daar staan zij, de reuzen, aan ’t bogtige strand,En houden de zee in den toom en aan band,Bespotten, trotseren haar woede.Slechts weinigen houden, bij dag en bij nacht,Bij hen, bij die redders, die dwingers, de wacht;Wij slapen gerust op hun hoede.Die reuzen van dijken, wie heeft ze gesticht?Wie heeft ze in geledren en reijen gerigt,Zoo als zij onsFrieslandomgeven;Een vijand, een dienaar des wreedsten tirans;Maar eere zij hem, en de naam dezes mansBlijv’ hier, in ons harte, steeds leven.

Daar staan zij, de reuzen, aan ’t bogtige strand,En houden de zee in den toom en aan band,Bespotten, trotseren haar woede.Slechts weinigen houden, bij dag en bij nacht,Bij hen, bij die redders, die dwingers, de wacht;Wij slapen gerust op hun hoede.

Die reuzen van dijken, wie heeft ze gesticht?Wie heeft ze in geledren en reijen gerigt,Zoo als zij onsFrieslandomgeven;Een vijand, een dienaar des wreedsten tirans;Maar eere zij hem, en de naam dezes mansBlijv’ hier, in ons harte, steeds leven.

[125]Zie het officieele verhaal in hetCharterb.III 847, 865;winsemius, 550;outhofs,Watervloeden, Embden 1720, 508, 535;van leeuwen,Watervloed, Inl. XXXV.[126]Zie deze stukken in hetCharterboek, II 627, 628 env.[127]Zie al de stukken in hetCharterb.III, 869, 876, 884, 891, 894, 902 env.;carolus, 235;kok,Vaderl. Woordenb.24edl. 309.[128]Charterb.III 909, 919, 931, 940, 946, 948, 958, 966, 979.[129]Zie deze opschriften en eene afbeelding van dezenTerminusof zoogenaamdenSteenenmanbijwinsemius, 588 en op de Friesche kaarten vanschenkenhalma;foeke sjoerds,Beschrijv.I 112,Tegenw. Staat, III 594, IV 309;kok,Vad. Woordenb.24edl. 314. Dit gedenkteeken, in de vorige eeuw verloren geraakt, is in 1776 op kosten van den Dijkgraaf,karel georgGravevan wassenaer twickel, in vorigen vorm hersteld. Later zijn de beide oude koppen teruggevonden, en door Jhr.i. æbinga van humaldabewaard op een gemetseld voetstuk in den tuin vanBurmaniahuisteLeeuwarden. De steen met het latijnsche hoofdopschrift der westzijde is in Mei 1851 teruggevonden, onder in een muur gemetseld, bij gelegenheid der vergrooting van de buitenhaven vanHarlingen.[130]van halmael,Lied. Ziebladz. 57hier vóór.

[125]Zie het officieele verhaal in hetCharterb.III 847, 865;winsemius, 550;outhofs,Watervloeden, Embden 1720, 508, 535;van leeuwen,Watervloed, Inl. XXXV.

[126]Zie deze stukken in hetCharterboek, II 627, 628 env.

[127]Zie al de stukken in hetCharterb.III, 869, 876, 884, 891, 894, 902 env.;carolus, 235;kok,Vaderl. Woordenb.24edl. 309.

[128]Charterb.III 909, 919, 931, 940, 946, 948, 958, 966, 979.

[129]Zie deze opschriften en eene afbeelding van dezenTerminusof zoogenaamdenSteenenmanbijwinsemius, 588 en op de Friesche kaarten vanschenkenhalma;foeke sjoerds,Beschrijv.I 112,Tegenw. Staat, III 594, IV 309;kok,Vad. Woordenb.24edl. 314. Dit gedenkteeken, in de vorige eeuw verloren geraakt, is in 1776 op kosten van den Dijkgraaf,karel georgGravevan wassenaer twickel, in vorigen vorm hersteld. Later zijn de beide oude koppen teruggevonden, en door Jhr.i. æbinga van humaldabewaard op een gemetseld voetstuk in den tuin vanBurmaniahuisteLeeuwarden. De steen met het latijnsche hoofdopschrift der westzijde is in Mei 1851 teruggevonden, onder in een muur gemetseld, bij gelegenheid der vergrooting van de buitenhaven vanHarlingen.

[130]van halmael,Lied. Ziebladz. 57hier vóór.

Onder afwisseling van voor- en tegenspoed, hadden de Friezen nog een hevigen strijd door te staan, vóór ze van hun verzet tegenSpanjeeenige gewenschte vrucht zagen. In plaats van de verlangde verzachting van de maatregelen tegen de verandering in de godsdienst, zond de Koning den Hertog vanalvain 1567 naarNederland, om het volk met geweld tot het oude kerkgezag terug te brengen. Daartoe strekte ook de benoeming vancunerus petritot Bisschop vanLeeuwarden, die den 1 Februarij 1570 zijne plegtige intrede deed, de kerk vanOldehovetot Bisschoppelijke kerk wijdde, en hier en door de gansche provincie het pausdom en kerkelijk gezag in vollen luister verhief. Deze dwangmiddelen waren de Friezen zeer tegen de borst, en toen in dat zelfde jaar 1570 de hier vóór gemelde verschrikkelijke watervloed alom nood en dood verspreidde, de welvaart kwijnde, de vrees voor ’s konings wraak toenam en de toekomst niets dan ellende spelde, beheerschte inFrieslandeene diepe verslagenheid aller gemoederen.

Want nadat in 1568 de strijd was begonnen en de Stadhouderarembergin den eersten slag tegenlodewijkvan Nassau, bijHeiligerleeinGroningerland, was gesneuveld, werd deze laatste daarna dooralvabijJemmingen, nabij de Eems, geheel verslagen. Een aantalder voornaamste Friezen verkeerde in ballingschap. Veler bezittingen werden verbeurd verklaard. Van niemand had men hulp te wachten. Er scheen dus weinig hoop te zijn op het welslagen van den strijd. Doch onze vaderen verflaauwden niet, en vertrouwden op de hulp van God, dien zij in stilte vereerden en om redding smeekten. Zijn zegen toch kon niet rusten op de wreede dwangmiddelen der Spaanschen, die de heiligste regten des volks en de voorschriften van godsdienst en menschlijkheid schonden, ja met voeten traden. Eindelijk kwam er dan ook van de zijde der zee eenige uitkomst opdagen. Reeds lang haddenjan bonga, Grietman vanWest-Dongeradeelen anderen met een aantal schepen invallen op de Friesche kust gedaan, om enkele plaatsen op de Spanjaarden te veroveren, toen het gerucht der inneming vanden Briel(1 April 1572) aller hoop versterkte, dat de dag der verlossing spoedig zou aanbreken. Nadat onderscheidene steden vanHollandPrinswillemvan Oranjewaren toegevallen, deed deze ook pogingen, om de voornaamste Friesche steden te winnen, en op zijne zijde te brengen.duco martenaen andere edelen spanden daartoe kloekmoedig hunne krachten in, en werkelijk gelukte het hun,Slooten,Sneek,Bolsward,FranekerenDokkumte bemagtigen. De Prins haastte zich daarom, Graafjoostvan Schouwenburgals zijn Stadhouder herwaarts te zenden; doch deze keus was niet gelukkig, en weldra bleek het, dat al deze pogingen nog ontijdig-, en als de vreugde over dezen voorspoed van korten duur waren. Want sedertaremberg’sdood was het Stadhouderschap over dit gewest opgedragen aankarel van brimeu,Graaf van Megen[131], en daarna aangillis van barlaymont,Heer van Hierges, diete gelijk ook over de andere noordelijke provinciën waren gesteld. Gedurende hunne afwezigheid werd het gezag hier waargenomen doorsegher,Heer van Groesbeeckencaspar de robles, als hunne plaatsvervangers, te gelijk met het teLeeuwardengevestigdeHof van Friesland, dat sterk Spaanschgezind was. Nog vóór laatstgenoemde werkelijk Stadhouder werd, gelukte het hem, al de reeds ingenomene plaatsen te herwinnen en andere te versterken, zoodat de bondgenooten op nieuw eene teleurstelling moesten ondervinden in de herstelling van het Spaansche gezag.

Eerlang echter neigde dat gezag ten ondergang: want met den jare 1576 verkeerde de kans, ten gevolge van een zamenloop van verscheidene omstandigheden. Toen het misnoegen der ingezetenen ten top was gestegen, en dePrins van Oranjezelfs de zaken des lands als wanhopig voorstelde, stierfalva’sopvolger, Donlouis de requesens, sloegen de Spaansche soldaten aan het muiten, werd de Stadhouderroblesdoor zijn eigen krijgsvolk teGroningengevangen genomen, en verbonden verscheidene provinciën zich tot een verdrag, om gezamenlijk de staatkundige en godsdienstige vrijheid te verdedigen, de Spaansche benden te verdrijven en de vervolgingen te doen ophouden.

Dit verdrag, de Bevrediging ofPacificatie van Gentgenaamd, had groote gevolgen. De eendragtige wil der landzaten versterkte de magt en den moed, omSpanjete weêrstaan. Al de vroeger gevlugte ballingen kwamen terug. De uitoefening van de Hervormde godsdienstwerd niet meer gestraft of gehinderd. De Raad van State, te’s Gravenhagegevestigd, zette de goede zaak door, en zondgeorg van lalaing, laterGraaf van Rennenberggenaamd, als Stadhouder naarFriesland. De Bisschop vanLeeuwardenwerd door hem gevangen genomen en verwijderd. Na deUnie van Brussel(1577) werd in 1578 door den Landvoogd, Aartshertogmatthias, de zoogenaamde Godsdienst- ofReligions-vredeafgekondigd, waarbij vrijheid van godsdienst voor Hervormden en Roomschen beide werd toegestaan, zoodat de eersten hier op vele plaatsen kerken bekwamen en openlijke godsdienst-oefeningen hielden.

Doch dit alles was niet genoeg; men wilde meer. Men had zoo lang en zoo veel van de heerschzucht der Spanjaarden en Geestelijken geleden, dat men, toen het meerendeel der ingezetenen blijken gaf der hervorming toegedaan te zijn, verlangde van de Spaanschen en Roomschen geheel ontslagen te worden. Onmogelijk was dit, zoo lang de blokhuizen of kasteelen der stedenLeeuwarden,HarlingenenStavorennog met Spaansche benden bezet bleven, dewijl, bij het minste blijk van opstand, het geschut dezer sterkten die steden groote schade kon aanbrengen. Dezemoestendus veroverd worden, en hiertoe kreeg men meer moed na het sluiten derUnie van Utrecht(1579), waarbij ookFrieslandzich met de overige zes noordelijke provinciën had verbonden, omSpanjete wederstaan, de godsdienstvrijheid te beschermen en onderling een vereenigden Staat uit te maken.

De burgerij vanLeeuwarden, aangevoerd door den wakkeren tachtigjarigen Burgemeesteradje lammerts, durfde het bestaan, op bevel van Gedeputeerde Staten, het Blokhuis harer stad aan te tasten en kloekmoedig te veroveren, waarna, door het slechten van de wallenen het dempen van de grachten aan de stadzijde, deze sterkte ontmanteld werd. Deze heugelijke gebeurtenis, welke voorviel op den 1 Februarij 1580, bragt den Friezen verlossing aan uit de wreede tirannij vanSpanjeen van het pausdom, en was dus zeer rijk in gewigtige gevolgen. Dadelijk haalde men teLeeuwardende monniken en verdere geestelijke personen uit de kloosters, en geleidde hen, onder vreugde-bedrijf, met trompetten en trommelen de stad uit. De kasteelen vanHarlingenenStavorengingen insgelijks over. Men was nu de Spanjaarden meester, en had weldra aan denPrins van Oranjede gunstige beschikking te danken, om 100,000 Gld. uit ’s Konings domeinen te heffen, vooral tot versterking van de stedenLeeuwarden,Harlingen,SneekenSlooten, ten einde tegen de aanvallen des vijands bestand te zijn. Bloedige tooneelen, welke omwentelingen doorgaans vergezellen, had men echter niet te betreuren, daar alles vrij bezadigd toeging. De vreugde was grooter dan de wraaklust[132].

Reeds den 31 Maart 1580 namen de Staten vanFriesland, een besluit, waarbij de Roomsche eeredienst afgeschaft en verboden werd, en waarbij bepaald werd, dat de renten van de Geestelijke goederen der kerken voortaan moesten aangewend worden ten behoeve der Hervormde eeredienst, tot onderhoud van predikanten, onderwijzers, armen en weldadige instellingen. Vele priesters en kloosterlingen gingen uit eigene beweging tot de Hervormde kerk over. De gebouwen der vijftig inFrieslandbestaande kloosters werden meest alle verkochten gesloopt. Een nieuw leven bezielde de vrije burgers van den nieuwen Staat, die nu, van den band der dwingelandij ontslagen, God naar hun licht en overtuiging mogten vereeren, vol van dankbaarheid voor zoo zegenrijke verlossing.

Wel had men nog vele jaren te strijden tegen de Spaansche benden, daar het naburigeGroningennog gedurende veertien jaren den Koning onderworpen bleef,—moedig sloeg men echter de handen in-een tot opbouw van een vrijen burgerstaat, die alleen het welzijn der ingezetenen bedoelde. Vroeger dan eenige der andere provinciën, genootFrieslanddus dit voorregt; terwijl het zijne groote verpligting erkende aan den edelen Prinswillemvan Oranje, door ook hem tot Stadhouder aan te stellen, en ook hem blijken van vereering te geven, toen hij in het volgende jaar 1581 zelf naarFrieslandoverkwam tot regeling van vele zaken des bestuurs. Daardoor vond men zich mede gesterkt, tot het nemen van het gewigtige besluit, om den Koning vanSpanjevervallen te verklaren van zijn regt op deze landen. Deze afzwering van den Koning had in Julij 1581 op eene plegtige wijze plaats, en werd het gezag en het bestuur des lands toevertrouwd aan deStatenvan iedere provincie en van hare afgevaardigden: deAlgemeene Staten van Nederland, als de wettige overheden der vrije landzaten.

Na veel lijden en strijden werd aldus de onafhankelijkheid des lands hersteld, hoewel deze niet erkend werd door den Koning, die tot 1648, en alzoo nog bijna 70 jaren lang, moeite deed, om dit land te herwinnen. Deze omwenteling in den Staat en die hervorming van de Kerk, met zoo veel moeite verkregen, vestigde hier een vrijen protestantschen Staat, wier instellingenvan gunstigen invloed waren op de belangen der ingezetenen, zoodat zij daardoor eene groote schrede voorwaarts deden op den weg der volmaking, zoowel ten aanzien van hunne burgerlijke betrekkingen als van hunne zedelijke, verstandelijke en godsdienstige beschaving. Dáárom dankten de vaderen God voor zijne hulp en bescherming; dáárom is deze verandering, als een keerpunt in de geschiedenis van ons vaderland, van zoo uitstekend gewigt, en dáárom vereeren wij deze belangrijke gebeurtenis als eene der voornaamste middelen tot verheffing van ons geslacht, ter vorming van goede burgers en vrome Christenen. Maar, als dankbare nakomelingen, vereeren wij tevens der vaderen moed en edele vrijheidszucht, en stemmen wij tot hun lof gaarne in met het antwoord van onzen dichterwillem van haren[133]op de vraag:


Back to IndexNext