VIERDE TIJDVAK.

—Waarom zijn dan toch eertijds onze Vadren,Met eerlijk bloed alleen gewapend in hunne adren,En zonder krijgsvolk, zonder geld,Niet afgemaakt door ’t Spaansch geweld?Omdat hun edle ziel, langs ’t pad der Eer gedreven,De Godsvrucht en de Trouw meer schatte dan het leven,En, door hun deugd, des Hoogsten handDeed gunstig zijn voor ’t Vaderland.Tot hen, tot dat geslacht, het oog dan opgeheven!Eene andere eeuw aanschouwd, ten voorbeelde opgegeven!De aloude Dapperheid en DeugdGeprent in ’t hart van onze jeugd!

—Waarom zijn dan toch eertijds onze Vadren,Met eerlijk bloed alleen gewapend in hunne adren,En zonder krijgsvolk, zonder geld,Niet afgemaakt door ’t Spaansch geweld?

Omdat hun edle ziel, langs ’t pad der Eer gedreven,De Godsvrucht en de Trouw meer schatte dan het leven,En, door hun deugd, des Hoogsten handDeed gunstig zijn voor ’t Vaderland.

Tot hen, tot dat geslacht, het oog dan opgeheven!Eene andere eeuw aanschouwd, ten voorbeelde opgegeven!De aloude Dapperheid en DeugdGeprent in ’t hart van onze jeugd!

[131]Over dezen zijn onlangs bijzondere berigten medegedeeld in zijne betrekking als Stadhouder vanGelderland, innijhoff’sBijdragen, VII 262. Zie overrobleshetTijdr. Overzigtder Vorsten hier achter, en in het bijzondervan meteren,Hist. der Ned.Amst. 1647, 112o;reinico fresinga, vanFraneker,Memoriën, indumbar,Analecta, Dav. 1722, III 10;Charterb.V 1062;Register op de Staats-resolutiën, 186.[132]Zie de breedere voorstelling van laatstvermelde groote gebeurtenissen, welke hier eigenlijk te beknopt zijn medegedeeld, in deGeschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, I 227 env. en de daarbij vermelde bronnen en schrijvers.[133]Tweede Lierzang, Harderwijk 1742, 14.

[131]Over dezen zijn onlangs bijzondere berigten medegedeeld in zijne betrekking als Stadhouder vanGelderland, innijhoff’sBijdragen, VII 262. Zie overrobleshetTijdr. Overzigtder Vorsten hier achter, en in het bijzondervan meteren,Hist. der Ned.Amst. 1647, 112o;reinico fresinga, vanFraneker,Memoriën, indumbar,Analecta, Dav. 1722, III 10;Charterb.V 1062;Register op de Staats-resolutiën, 186.

[132]Zie de breedere voorstelling van laatstvermelde groote gebeurtenissen, welke hier eigenlijk te beknopt zijn medegedeeld, in deGeschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, I 227 env. en de daarbij vermelde bronnen en schrijvers.

[133]Tweede Lierzang, Harderwijk 1742, 14.

FRIESLAND ONDER HET BESTUUR DER STATEN EN DER STADHOUDERS UIT HET HUIS VAN NASSAU.

VAN DE HERVORMING IN KERK EN STAAT, OF DE VESTIGING VAN DE REPUBLIEK DER VEREENIGDE NEDERLANDEN, TOT AAN DE STAATS-OMWENTELING EN DE KOMST DER FRANSCHEN.

Van het jaar 1580 tot 1795.

Versiering

De omwenteling van 1580 is een hoogst belangrijk keerpunt in de geschiedenis vanFriesland. De staatkundige en godsdienstige toestand der ingezetenen onderging daardoor toch eene verbazende verandering, welke van uitgestrekte gevolgen was voor de toekomst. Ligt kunnen we ons voorstellen, hoe groot de blijdschap was onzer vaderen over die verlossing van de knellende dwinglandij der Spanjaarden, en hoe zeer deze gepaard ging met dankbaarheid aan God voor zijne wonderbare redding en hulp ter bekoming der vrijheid van godsdienst en geweten, welke men op te hooger prijs stelde, naarmate men ze lang gezocht en ontbeerd had.

Doch die vreugde werd spoedig getemperd: want verbazend groot waren de bezwaren, welke zich spoedig opdeden, om het verkregene te behouden en te verdedigen tegen een vijand, van wiens wraaklust en bloeddorstHaarlem,Naarden,Zutphenen andere steden reeds vroeger zulke moorddadige tooneelen hadden opgeleverd. Immers,alexander farnese,Hertog van Parma, een veldheer, diealvain krijgskunde evenaarde en in staatkundig beleid en buigzaamheid verre overtrof, was met nieuwe en talrijke Spaansche benden inNederlandaangekomen.François verdugo,Heer van Schengen, die zijn aanzien enkel aan dapperheid had te danken, was als Stadhouder des Konings met tien vaandels knechten gezonden naarGroningen, ter vervanging van den afvalligenrennenberg, die de schande zijner trouwloosheid niet lang overleefde. Uit die krachtig versterkte stad werd het oostelijk gedeelte vanFrieslandbestendig bestookt; terwijl het zuidelijk gedeelte van dit gewest bloot stond aan de uitvallen der bezetting vanSteenwijk, sedert deze stad weder in handen der vijanden was gevallen. Zulk een uitval deden de Spanjaarden reeds in November 1580. Met eene verbazende snelheid trokken zij langs de zeekust, namen de schans vande Lemmerin, overrompeldenSlooten(waarbij de edeleduco martenain hunne handen viel), herwonnen het kasteel vanStavoren, overmeesterden de schans bijMakkumen roofden, onder schrikkelijken moedwil, tot aan de poorten vanHarlingen. Algemeen was de verslagenheid in den lande en groot het gebrek aan krijgsvolk, aan geld en leeftogt, tot voortzetting van een strijd, die men bijna wanhoopte te zullen kunnen volhouden. Met veel moeite gelukte het de Friesche benden in den volgenden jare, die verloren plaatsen te herwinnen[134].

Intusschen had de edele Prinswillemvan Oranje, op ernstig aanhouden der Staten vanFriesland, besloten, ook deze provincie als Gouverneur en Stadhouder in zijne bescherming te nemen. Uithoofde der afgelegenheid en veelvuldige andere zorgen, benoemde hijbernard van merode,Heer van Rummen, hier tot zijn Luitenant of Plaatsbekleeder, doch kwam in April 1581 zelf met zijne gemalin,charlotte van bourbon, inFriesland, om orde te stellen op vele zaken der regering. TeHarlingenaan wal gekomen, werd hij, algemeen als Vader des vaderlands vereerd, teLeeuwardenop eene luisterrijke wijze ingehaald. Op een buitengewonen landsdag handelde hij met de Staten over vele zaken, en schreef, bij eene uitvoerige Ordonnantie, die wijze van regering, justitie, politie en beleid van het krijgswezen voor, welke hem op dat oogenblik de beste voorkwam[135]. Te kort echter was zijn verblijf, dan dat zijn invloed duurzaam heilzame gevolgen mogt hebben: want hoog waren toen reeds de verschillen gerezen tusschen de leden der regering over de mate en de grenzen van het gezag.

Bij deStatendes lands of de Volmagten der grietenijën en steden toch berustte nu de oppermagt of de souvereiniteit. Deze hadden acht personen (twee uit ieder Goo en uit de Steden) benoemd tot hunneGedeputeerden, aan wie met den Gouverneur of Stadhouder de uitvoerende magt en het dagelijksch bestuur van zaken was toevertrouwd: »bezonderlinge om voortaen te procederen tot grondelycke Evangelische Reformatie, soo wel in den saeken van den waren Religie, als de vervallene Politye over het gantsche Lant”[136]. Doch deze magt was, te gelijk met het beleid van de justitie, vroeger uitgeoefenddoor hetHof van Friesland, dat nu nog, bij voortduring, hetzelfde gezag wilde uitoefenen, ook ten aanzien van het burgerlijk bestuur. Deze Provinciale Raden, welke zoo lang even Spaanschgezind als de Gedeputeerden Staatsgezind waren geweest, werden in hunne vorderingen ondersteund, door de afgevaardigden derSteden, die nu, bij de verandering van regeringsvorm, even als de drie Gooën, bij het stemmen op de landsdagen een afzonderlijk kwartier wilden uitmaken. Zij eischten zelfs meer: want, daar eertijds de vertegenwoordiging had bestaan uit de Prelaten of de Roomsche Geestelijkheid en de Edelen en Eigenerfden, zoowel van het platteland als uit de steden, zoo verlangden zij nu, na het vervallen van het eerste staatslid (de Geestelijkheid), dat de steden evenveel afgevaardigden ten landsdage zouden zenden als het platteland. Het Hof ondersteunde die eischen, werkte met de steden de Gedeputeerden tegen, die door de Staten beschermd werden, en zoo was er bestendige twist en verdeeldheid onder al de leden der landsregering, met eene hevigheid, welke het algemeen belang met groote schade bedreigde[137]. Zoo verspilde men tijd en krachten, welke men zoo hoog noodig had tot regeling van de algemeene belangen en het bestrijden van een vijand, die nog bestendig een gewest bedreigde, waarbij hij, voor het behoud van geheel het noordelijkNederland, zoo veel belang had. Vele staatsleden ijverden voor hunne meening uit zucht voor het algemeene welzijn, welke zich in de zelfde mate ontwikkelde, als zij zich boven de verdrukking had wetente verheffen; bij anderen was gehechtheid aan het oude in strijd met de nieuwe vormen en eischen van het oogenblik; doch er waren ook, die, uit eer- en heerschzucht, minder het algemeen dan hun eigen belang voorstonden; ja zelfs, die, wanhopende op den goeden uitslag, nog metSpanjeheulden. Zoo wilden ook de in welvaart en magt toegenomene steden gebruik maken van de gelegenheid ter bekoming van meer gezag in den Staat, en lietLeeuwardenzich vooral krachtig gelden en veel voorstaan op de eer, dat het, als de grootste en sterkste stad des lands, de eerste geweest was, die de reformatie in kerk en staat had ten uitvoer gelegd. De onderlinge verbittering steeg zelfs zóó hoog, dat de GedeputeerdenLeeuwardenverlieten en in 1584 en 1585 hunne vergaderingen en de landsdagen teFranekerhielden[138].

Zoodanig was de toestand vanFrieslandten aanzien der regering, toen de vijand in 1583 op nieuw een inval inWestergoodeed, roovende en brandende doorOostergootrok en zelfs de omstreken verontrustte vanLeeuwarden, dat nog bezig was, zijne vestingwerken te versterken en uit te breiden. Gruwelijke mishandelingen en moorden kenmerkten zijne schreden. In allerijl werden de onverhoeds overvallene en verslagene ingezetenen opgeroepen, om die benden tegen te staan en ten lande uit te drijven[139].

In deze »benaude gestaltenisse” des lands trachtte men vooral de grenzen zoo veel mogelijk te beveiligen, door het versterken van de oude en het opwerpen van nieuweSchansenop een aantal plaatsen. Van tijd tot tijd werd dit getal vermeerderd, zoodatFriesland, buiten de versterkte steden, eerlang met eene zoom van kleinevestingen was omgeven. Aan de oostzijde werden daartoeOostmahorn,MunnekezijlenKollumversterkt ende Friesche palen,ZwartedijkenBredenbergaangelegd. Tot verdediging van de zuidelijke grenzen werden de schansenBekhof,Slijkenburgende Blesseopgeworpen en die vande Lemmer, teHindeloopenen teSotterumbijMakkumsterker gemaakt. Ook binnen in het land, teOldeboorn,Joure,Rottum,TerbandenOudeschoot, werden schansen gelegd, om den vijand den doortogt te verhinderen of die plaatsen te beschermen[140].

Bij dit alles was het duidelijk gebleken, dat hetFrieslandaan een geschikt en krachtvolhoofdontbrak, hetwelk zoowel de twistende regeringsleden als den nog onverslagen vijand wist te bedwingen, en dat tevens schrander genoeg was, om partij te trekken van den gelukkigen toestand, waarin de Friezen zich, in de hoofdzaak, bevonden. De Stadhoudermerodetoch was daartoe te oud en te zwak, en had te weinig invloed, om zich te doen gelden. Er werd een jonger en moediger man vereischt, om in het krijgswezen op alle punten te voorzien, en om de fiere en onbuigzame gemoederen te leiden van die staatsleden, welke, prat op de herkrijging van de zoo lang ontbeerde vrijheid, nu geen stroobreed wilden afstaan van hun regt of van hunne bijzondere meening omtrent de bevordering van het algemeen belang. Intusschen had men zoo weinig vertrouwen op eigene krachten en scheen de toestand des lands zoo hopeloos, om zonder vreemde hulpSpanjehet hoofd te bieden, dat de Nederlanders eerst de hulp vanFrankrijkinriepen en denHertog van Anjou en Alençonals beschermer der Nederlandsche vrijheid aannamen, en daarna bij herhaling en dringend zich der Koningin vanEngelandaanboden[141].

Gelukkig dus voorFriesland, datmerodezijn ontslag verzocht en bekwam; doch nog gelukkiger, dat dePrins van Oranje, op verzoek der Friesche steden, in diens plaats stelde zijns broeders zoon, den vier-en-twintigjarigen Graafwillem lodewijkvan Nassau, die in Maart 1584 de regering aanvaardde. Reeds drie jaren te voren, toenverdugo, met 10 vendelen Walen herwaarts gekomen, zijn eersten aanval, bijKollum, opFrieslanddeed, had zijn doorluchtige oom hem, pas van de Akademie vanHeidelbergteruggekeerd, met 600 man den Friezen te hulp gezonden. Naast den Engelschen Overstejohn norrits, die den 18 Julij 1581 bijMunnekezijleen aanzienlijk voordeel op de Spaansche benden, sterk 6000 man, mogt behalen, werd hij, hoe jong ook nog, een krachtig tegenstander vanverdugo. Dezen bestreed hij bijNoordhorn, aan het hoofd der ruiterij, met zulk eene uitstekende onverschrokkenheid, dat in hem zijn roemruchte oomlodewijkscheen te herleven, daar hij, hoe ook beschoten, met het grootste gevaar, bij herhaling zich door de vijandelijke slagorde heen sloeg. OokKoevordenhielp hij op hem winnen, hoewel hij daar al dadelijk door een zesponds kogel aan het linkerbeen dermate gewond werd, dat hij aan de gevolgen van dat schot al zijn leven kreupel ging. Elf jaren later werd hij voor die zelfde vesting nogmaals gekwetst. Onvertsaagd waagde hij zich op de gevaarlijkste togten, doch bleef verder ongedeerd[142].

Hij, die zich der Friezen zaak zoo ijverig had aangetrokken, verdiende en verwierf zich ook hun vertrouwen, hetwelk hij zich bij voortduring waardig maakte. Nadat Prinswillemvan Oranjedoor een noodlottigen dood denNederlandenontvallen was, werd hij nog in het zelfde jaar 1584 door de Staten tot »absoluit Stadholder ende Gouuerneur ouer deezen Landschappe” verkozen. Hij aanvaardde die hoogst moeijelijke taak, in weerwil der menigvuldige bezwaren en gevaren, waarin het land verkeerde, doch die hij als Nassauer het hoofd wilde bieden, naar het voorbeeld van zijnen doorluchtigen voorganger. Want terwijl de vijand van buiten het land bedreigde, was van binnen de verdeeldheid onder de regeringsleden tot eene ontzettende hoogte geklommen. Met bedaarde zorg en voorzigtige maatregelen zocht hij den onderlingen vrede te bevorderen, en leverde in den volgenden jare bij de Staten eene Memorie in, bevattende zijne voorslagen van hetgeen tot bescherming en verdediging tegen den gemeenen vijand moest gedaan worden. Door een wijs en gematigd bestuur in de zaken der regering, ook met betrekking tot de twistende staatsleden, en door beleid en dapperheid jegens de vijanden, verwierf hij aller achting, zoodat hij eerlang algemeen als Vader vereerd werd[143].

De zorg voor de bevestiging van de verkregene vrijheid ging bij de Staten tevens gepaard met de zucht, om de ingevoerde Hervormde leer te beschermen en uit te breiden, en om te zorgen, dat alle steden en dorpen van goede Predikanten en Onderwijzers werden voorzien. Hiertoe waren vooral de inkomsten der plaatselijke geestelijke goederen aangewezen. Doch gebrek aan leerarenen de overtuiging van het belang der beoefening van de wetenschappen voor de verstandelijke ontwikkeling der ingezetenen bewogen de Staten, op voorstel der Friesche Geestelijkheid, de bezittingen der vervallene kloosters mede te bezigen tot oprigting van een Seminarium of Akademie, inzonderheid tot opleiding van Predikanten. De stadFranekerwerd daartoe bij voorkeur bestemd, en de voor negen jaren teLeidengestichte Hoogeschool tot voorbeeld genomen. Reeds den 29 Julij 1585 werd deze Akademie plegtig ingewijd, en alzoo de grond gelegd van dien beroemden zetel der geleerdheid, welke later voor wetenschappen en beschaving in dit gewest, ja voor geheelNederlanden een deel vanEuropa, van weldadigen invloed is geweest[144].

Inmiddels waren de bezettingen der steden en schansen, benevens het krijgswezen door de ijverige zorgen van Graafwillem lodewijkop een beteren voet gebragt, en waande men zich verzekerd tegen den magtigen vijand, dieGroningenenSteenwijknog immer bezet hield. Doch die vijand bespiedde zorgvuldig elke gelegenheid, omFrieslandafbreuk te doen of te overvallen. Hij deed dit vooral in Januarij 1586, toen de Stadhouder zich tot regeling van zaken naar’s Gravenhagebegeven had en een strenge vorst een inval scheen te begunstigen. Een deel der bezetting vanSteenwijk, sterk 3000 man en 700 ruiters, trok, onder aanvoering der Overstenvan den bergentaxis, onverhoeds doorGaasterlandnaarHindeloopenenWorkum; van daar voorbijBolswarddoorWitmarsumenTjumnaarSpannumenWinsum, overal door moorden en branden de sporen zijner wraakzuchtige woede achterlatende. Zoo verre waren zij reeds gevorderd,toen de Friesche krijgsoverstesteyn maltissenhen met ruim 1400 man tegentrok en teBoxummet hen slaags geraakte. Vóór dat hij zich in slagorde kon stellen, werd hij door de Spanjaarden overvallen. Van beide zijden werd woedend gestreden; doch de onzen, voor de overmagt bukkende, werden deels verslagen, deels naarLeeuwardenverdreven of gevangen genomen. Schrik en vrees ontzette algemeen de gemoederen, alsof de vijand zich nu weder in het hart des lands zou nestelen. Doch deze verkeerden spoedig in blijdschap en dankbaarheid »voor Godes sonderlinghe versieninge en genade,” dewijl men ’s lands behoudenis dááraan had te danken, dat het, op het zelfde uur, dat de slag gewonnen werd, begon te dooijen en te regenen, waardoor de Spaansche benden, met een haast, alsof zij vlugtten, naarSteenwijkterugtrokken[145].

Sedert deze ramp waren de Staten meer dan ooit geneigd, om, door het werven van meerder krijgsvolk, de bedoelingen des Stadhouders, ter verdrijving van den vijand, te ondersteunen. Zijn moed rees met het gevaar: want op het zelfde tijdstip, dat men, wegens de mislukte zending van den Engelschen landvoogdleicester, meer den toorn dan de hulp van Koninginelisabethhad te wachten, en terwijl de Spaansche armade, of de zoogenaamde onoverwinnelijke vloot,Nederlandmet den ondergang bedreigde, vormde Graafwillem lodewijk, in overleg met Prinsmaurits, het plan, om den oorlog niet langer verdedigender-wijze (defensif), maar voortaan aanvallender-wijze (offensif) te voeren, dewijl hij achtte, dat daarmede de helft zou gewonnen zijn[146].

De moedige poging, omGroningenaan den vijand te ontrukken, in 1587 bij herhaling ondernomen, was daarvan een eerste gevolg. Zij mislukte, doch al de schermutselingen met den vijand, al het nemen en hernemen van de talrijke verschansingen op de noordoostelijke grenzen des lands, waren voor den jeugdigen held eene leerschool en strekten tot verzwakking van den vijand. Bij dat alles was hij met zijne 2 à 3000 Friezen, zonder andere hulp, in een gedurigen en dikwijls moeitevollen strijd metverdugo’sbenden, sterk 4 à 5000 man. Eerst in 1591 woog het belang der Unie, om de Spaanschen uit deze streken te verdrijven, zwaar genoeg, dat de Generale Staten en Prinsmauritshem daartoe krachtige hulp boden. De vermeestering van de omliggende sterktenDelfzijl,Enumatil,Lettelberdenz. was het eerste werk. In 1592 werd, na veel tegenspoed en een merkwaardig beleg van vijf weken, het sterkeSteenwijkgewonnen. Dit versterkte den moed tot verdere veroveringen, welkeHollandechter afried en wilde tegenhouden, waarop de voortvarendemauritsronduit antwoordde: dat, zooHollanddeszelfs troepen terugtrok, hij, al ware het alléén met de Friezen en de ruiterij, het behaalde voordeel wilde vervolgen. Zijn voornemen zegevierde, en met ongemeene inspanning werd het doorverdugozeer versterkteKoevordenaangevallen en na een hevig beleg gewonnen. Hierbij werd echter Graafwillem lodewijkandermaal door een kogel getroffen. Na zijne herstelling veroverde hij in den volgenden jareWedde,Winschoten,Midwoldeenz., schoonverdugovan deze afwezigheid gebruik maakte, om een strooptogt in het oostelijk gedeelte vanFrieslandte doen, waarbij verscheidene dorpen verbrand en geplunderd werden[147].

Nadat men zich verder van de overige omliggende schansen verzekerd had, werd in Mei 1594 het beleg voorGroningengeslagen, en, in weerwil van den krachtigen tegenstand der bezetting, met zoo veel moed, overleg en ijver doorgezet, dat deze stad zich den 23 Julij overgaf en Prinsmauritsen Graafwillem lodewijkden volgenden dag hun plegtigen intogt in de stad hielden[148]. Hierdoor werdGroningenen met haar deOmmelandenals lid der Unie aangenomen en Graafwillem lodewijkdaarover tot Stadhouder aangesteld. Ofschoon de aftrekkende benden vanverdugovoor het laatst nog hunne woede koelden, door in deZevenwoudente plunderen en te branden, was het winnen van deze stad met de omgelegene sterkten en het verdrijven van de Spaanschen uit deze noordelijke streken voor de veiligheid en het behoud vanFrieslandeene zaak van het hoogste belang. Algemeen was dus hier, even als in het gansche vaderland, de blijdschap over deze merkwaardige belegering en roemrijke overwinning op de Spanjaarden[149].

Ook op de verdere veldtogten vanmauritsstond onze Stadhouder hem waardig ter zijde. Bij de belegering vanRijnberkwas het »willem lodewijkmet zijne Friezen, die eene halve maan voor de Rijnpoort stormenderhand innamen,” waardoor deze sleutel van den Rijn zich moest overgeven. Toenmauritsvervolgens in drie maanden tijds negen versterkte steden en vijf kasteelen veroverde, in weerwil zijn vijand Aartshertogalbert60,000 man tot zijne dienst had,—waren het weder »willem lodewijkmet zijne Friezen, die zich altijd op den voorgrond vertoonden.” En ofschoon hijmauritsin den slag bijNieuwpoortniet vergezelde, waren het dáár de door hem gevormde Friesche soldaten, welke zich eervol onderscheidden. Zeventien vaandelen of bijna 3000 Friezen waren onder den Overste-Luitenanttaco van hettingaderwaarts getrokken, en mogten, in de voorhoede, Prinsmauritseene zegepraal helpen behalen, welke een der roemvolste bedrijven is in onze geschiedenis. Nadat 150 Friesche piekeniers de Spanjaarden van de duinen hadden afgedrongen, gaf hun voorbarige, maar in dezen oogenblik weldadige kreet van: victorie! een schok tot eene algemeene voorwaartsche beweging van het Nederlandsche leger, welke van gunstig gevolg was. Dit schonk den Friezen tevens de gelegenheid, om den opperbevelhebber van het Spaansche leger, Donfrancisco de mendoza,Admirant van Arragon, gevangen te nemen, waardoor een der grootste voordeelen van den slag werd behaald[150].

Met wijs beleid wist Graafwillem lodewijkvervolgens deze gewesten te besturen, en de eindelooze en vaak hevige twisten, zoo tusschen de stadGroningenen deOmmelanden, als tusschen de Friesche staatsleden zoo veel mogelijk te bevredigen. Van de laatste mogt hij aangename blijken van dankbaarheid en vereering ontvangen. In weerwil der bezwaren, waaronder de provincie gebukt ging, vereerden zij hem in 1598 eene som van 36,000 Gld., en toen hij in 1607 eene reis naarDuitschlandwilde doen, deden zij hun verlof daartoe met een geschenk van 5000 Gld. vergezeld gaan. Bij het sluiten van het twaalfjarig bestand, in 1609, aan het hoofd der gemagtigden geplaatst, bleek vooral zijn »diepsinnich verstand” in de vereffening der strijdige belangen, en bepaalden de Friesche Staten, »tot erkentenis, belooning en vergoeding voor de groote diensten, door het Huis van Nassau aan dezen Staat bewezen,” dat zijn politiek traktement verdubbeld- en zijn militair traktement tot 36,000 Gld. ’s jaars verhoogd zou worden[151]. Hij beminde de letteren, moedigde het beoefenen van de wetenschappen aan, zorgde dat ieder tevreden kon zijnover de regering, en was, ook door gematigdheid in de toenmalige twisten over geloofszaken, voor allen een voorbeeld ter navolging: want ofschoon de zelfde partij als Prinsmauritstoegedaan, had hij toch den moed, diens sterke maatregelen af te keuren, hem tot zachtheid en gematigdheid te raden en hem te waarschuwen voor de schromelijke gevolgen, welke de gansche wereld hem alléén zou wijten. Zijne verdiensten als staatsman werden geëvenaard door die als krijgsman, en men vindt zelfs tot zijn lof verhaald, dat hij de nieuwe krijgskunde het eerst in gebruik heeft gebragt, welkemauritsvervolgens op zijn voorbeeld tot grootere volmaaktheid verhief[152]. Groot was dus de rouw in ganschFrieslanden de omgelegen gewesten, toen die edele Stadhouder in 1620 hun in 60jarigen ouderdom ontviel, nadat hij deze provincie 36 jaren lang met zoo veel wijsheid had bestuurd. Door het bezorgen van eene prachtige uitvaart of lijkstatie en het stichten van eene kostbare marmeren Graftombe in het koor der Groote Kerk teLeeuwarden, trachtten de Friesche Staten de nagedachtenis te huldigen van den voortreffelijken vorst, aan wien men zich ten hoogste verpligt gevoelde[153].

Zijn jongere broeder, Graafernst casimirvan Nassau, volgde hem op. Deze, op reizen doorDuitschland,FrankrijkenZwitserlandin letteren en kunsten geoefend, had reeds 25 jaren lang onder hem enmauritsdezen staat gediend, en mogt, vooral door zijn beleid en moed vóór den slag bijNieuwpoort, grooten lof behalen. Hij was nu tot Veldmaarschalk van der Staten leger en Luit.-Gouverneur vanGelderlandenUtrechtopgeklommen, hoewel het geluk hem doorgaans minder begunstigde dan zijn moed het verdiende. Den 3 Augustus 1620 werd hij door de Staten vanFrieslandtot Stadhouder en Kapitein-Generaal aangesteld, hoewelGroningenenDrenthePrinsmauritskozen en eerst na den dood van dezen, in 1625, hem deze waardigheid opdroegen. In alles betoonde hij zich een broeder waardig, die hem deze landen in vrede en voorspoed had achtergelaten, en hij spaarde geene zorg om hunne belangen te bevorderen. In het staatkundige genoot hij groot vertrouwen, zoodat de Algemeene Staten hem meermalen aanzienlijke gezantschappen en zendingen opdroegen. In den krijg stond hijmauritsenfrederik hendrikverder als steun en raadsman ter zijde, en werden hem belangrijke togten ter verdrijving van den vijand toevertrouwd. Even als zoo vele leden van zijn geslacht, stierf ook hij op het bed van eer, in de dienst van het vaderland ter verkrijging der onafhankelijkheid. Bij het bezigtigen vanRoermondsloopgraven, voor welke vesting hij in 1632 het beleg had geslagen, ontving hij een schot; en sneuvelde »Frieslandsuitmuntende Stadhouder, de dappere en minzameernst casimir, uitstekend geacht om zijne dapperheid en gedrag, tot groote droeffenisse van alle goede Patriotten ende mercklycke verachteringhe van de gemeene sake; hetwelcke een beclaeghelycke doodt voor de Geunieerde Landen ende den Prince was, also hy de oudste ende meest ervarendste overste was, die alle syne dinghen met een groot beleydt ende couragie,tot welstandt van de landen uytgevoert hadde”[154].

Ook hij mogt van de Staten vanFrieslandvele bewijzen van vertrouwen en vereering ontvangen, waarvan in 1627 een geschenk van 1500 en in 1630 van 50,000 Gld. getuigden; terwijl hem kort voor zijn dood de erfopvolging van zijn zoon toegezegd was en zijner weduwe een pensioen van 4,000 Gld. werd toegelegd. Bij uitstek talrijk en prachtig was de lijkstoet, welke zijn stoffelijk deel ten grave geleide[155].

Ver van het tooneel des oorlogs verwijderd en bestendig het genot van den voorspoed smakende, verkeerde deze provincie in een bloeijenden toestand, toen de jeugdigehendrik casimirI in December 1632 zijn voortreffelijken vader in de regering opvolgde. Rustig was zijne regering niet, wegens het duurzaam blaken der verschillen tusschen de staatsleden, welke zelfs aanleiding gaven tot oproerige bewegingen onder het volk. Om deze te bedwingen, zonden de Algemeene Staten bij herhaling gezanten en krijgsvolk herwaarts; doch de voorzigtige Stadhouder wist zijn invloed met veel beleid aan te wenden, om het inrukken van die troepen binnenLeeuwarden, als strijdig met de regten en de hoogheid van dit gewest, te beletten, en niet minder, om de verstoorde rust te herstellen en de twistende partijen vooreerst tebevredigen. Groote diensten heeft hij daarin dit gewest bewezen. Doch ook als krijgsman had hij zich der belangen van het vaderland gewijd, en vond Prinsfrederik hendrikin hem een dapperen steun, aan wien hij belangrijke togten toevertrouwde. In 1637 en volgende jaren behaalde hij, aan het hoofd van het zoogenaamde vliegende leger, op de frontieren van Rijn, Maas en Waal vele voordeelen op de Spanjaarden, waarbij hij zich »met sonderlinge sorghvuldicheyt en vigilantie kweet,” en om zijne goede zorg en orde, evenzeer als om zijne bescherming van de weerlooze ingezetenen tegen den vijand geprezen werd. Doch ook hij bragt zijn leven dat vaderland ten offer, als de negende der Nassausche helden, die in dezen krijg voor de goede zaak het leven lieten. Op den togt inVlaanderen, niet ver vanHulsteene schans aanvallende, waarbij de zijnen, uit »een sonderlinghe ghenegentheydt, die sij hem toedroegen, als Leeuwen vochten,” werd hij in den rug geschoten, waaraan hij den 2 Julij 1640 stierf, »tot hertelijcke droefheydt van ’t gantsche Leger, van den Prince, die grote hope op hem hadde, en oock van de vyandt, by wien hy in aensien ende grote estime waer.” Zelfs zou een vijandelijk hoofd-officier dien dag hebben gezegd: »de braveste Cavalier vanNederlandtis gebleven.” Uitbundig is de lof, welken tijdgenooten dezen jeugdigen held, die slechts 29 jaren mogt bereiken, toezwaaijen. De Friezen, die zijne godsdienstige braafheid en voortreffelijke eigenschappen hoogelijk vereerden, betreurden algemeen zijnen dood, en vergezelden vol rouw zijne plegtige uitvaart, waartoe de Staten eene som van niet minder dan 12,000 Gld. bestemden[156].

’t Was inderdaad een groot voorregt vanFriesland, dat het zijn belang aldus had verbonden aan een Vorstelijk Huis, hetwelk bij opvolging waardige leden telde, in staat, om, bij het immer voortduren van den oorlog, te voldoen aan de eischen der Staten, die aan het hoofd der uitvoerende magt een man wilden bezitten, in wien zich de hoedanigheden vereenigden van »eenen aensienlycken, gequalificeerden ende vertrouden Persone, van cloeckheyt, dapperheyt ende goede ervarentheyt in materie van State ende Crychshandel”[157]. Die zeldzaam bestendig vereenigde gaven waren het deel der leden van dezen tak uit het beroemde stamhuis vanNassau, die ook hun belang aan dat vanFrieslandhadden verbonden, en zich bij die verbindtenis even gelukkig gevoelden als de Friezen, die immer met dankbaar vaderlandsch gevoel hebben erkend, dat al hunne de Stadhouders uit dit doorluchtig geslacht, als staatsmannen en helden het vaderland tot nut en roem, en als menschen en christenen, door vereeniging van bekwaamheid met braafheid, den landzaat ten voorbeelde en der menschheid tot eere gestrekt hebben. Dit zegt veel, doch de geschiedenis zou dit in meerdere bijzonderheden kunnen vermelden, dan ons vergund is hier mede te deelen. Wie toch overtuigd is van den invloed, welke de zin, de zeden en geestrigting van regenten op een volk uitoefenen, die schat het voorregt hoog en acht dien invloed weldadig voor de zedelijke ontwikkeling van alle standen, wanneer die regenten om hunne bekwaamheden evenzeer geacht, als om hun karakter en gezindheden alom geëerd en bemind worden. En al mogen deze niet altijd, gelijk wapenfeiten, schitteren,—zij verspreiden een weldadigen gloed van liefde enverknochtheid, welke die geslachten overleeft in eene eervolle en zegenende nagedachtenis. Zóó herdenken wij, Friezen, de Stadhouders uit het Huis vanNassau, de stamvaders van het thans regerende Koninklijk geslacht. Op allen passen wij den wensch toe, dien de dichterda costaomtrentwillem lodewijkuitte:

Gedenk den vroomen held, die heel zijn zielzucht prentte,O Neêrland! in de dienst, tot uw behoud verricht!Gij, Friesland, ’t allereerst, met Groningen, met Drenthe,Zijn wakkre vaderzorg zoo duur, zoo teêr verpligt.Gedenkt hem, Nassaus huis, gy, zyn doorluchte neven,Van ouds gedragen op der Christnen heilgebed!Gy, uit zyn Frieschen stam op Neêrlands troon verheven,o Koning, op wiens keus meer dan Europa let![158]

Gedenk den vroomen held, die heel zijn zielzucht prentte,O Neêrland! in de dienst, tot uw behoud verricht!Gij, Friesland, ’t allereerst, met Groningen, met Drenthe,Zijn wakkre vaderzorg zoo duur, zoo teêr verpligt.Gedenkt hem, Nassaus huis, gy, zyn doorluchte neven,Van ouds gedragen op der Christnen heilgebed!Gy, uit zyn Frieschen stam op Neêrlands troon verheven,o Koning, op wiens keus meer dan Europa let![158]

Ook nu, in 1640, na het smartelijk verlies van Graafhendrik casimir, kon dat Huis die breuke heelen. In zijn broeder, Graafwillem frederikvan Nassau, die, van gelijken aard en inborst, eene gelijke opleiding had genoten, vond het een Stadhouder, die dadelijk de afgebrokene taak kon opvatten. Wel vielenGroningenenDrenthehem af, door zich Prinsfrederik hendrikte kiezen, doch de Friesche Staten aarzelden niet, hem den 23 Julij 1640 eenparig tot hun Stadhouder en Kapitein-Generaal aan te stellen, welke betrekkingen hem eerst tien jaren later mede door de twee genoemde naburige provinciën werden opgedragen[159]. En dat ookhij door zijn beminnelijk karakter, krijgsdeugden en staatkundige bekwaamheden zich de hoogachting en erkentenis der Staten wist te verwerven, bleek mede daaruit dat zij hem in 1650 en op nieuw in 1661 een geschenk van 50,000 Gld. vereerden, en in 1651 hunne ingenomenheid met zijn huwelijk met Prinsesalbertine agnesvan Oranje, de dochter vanfrederik hendrik, aan den dag legden, door haar, tot Kind of Dochter van Staat aangenomen, den Stadhouder tot Gemalin over te dragen en een geschenk van eene tonne gouds aan te bieden[160].

Intusschen was, met Gods hulpe, de tachtigjarige oorlog geëindigd door den Vrede, teMunsterin 1648 gesloten; een vrede, waarbij eindelijk doorSpanjede onafhankelijkheid der Nederlandsche gewesten erkend- en een perk gesteld werd aan de bloedige oorlogen en verbazende geldelijke opofferingen, welkeNederlanduit zich zelf niet had kunnen bestrijden, als de Almagtige het niet gesteund- en als het zelf geen gebruik gemaakt had van zijne gunstige ligging voor koophandel en zeevaart, door zich inOost-enWest-Indiëbuitengewonebronnen van nijverheid en voorspoed te openen. Die vrede en vrijheid, welke zoo groote opofferingen vergold en het bezit dier bronnen van welvaart bekrachtigde, had eene onbedenkelijke waarde voor het volksbestaan der Nederlanders. InFriesland, dat bij dit verbond was vertegenwoordigd doorfrans van donia, wonende opHinnema-stateteJelsum, was de vreugde over deze bevestiging van den Staat groot en algemeen. Daarom wilden ook ’s lands Staten, dat zij op eene plegtige en luisterrijke wijze werd afgekondigd. Tot dat einde werd er tegen de Stads-Waag teLeeuwardeneen rijk versierde Triumfboog opgerigt, vóór welke op den 26 Mei 1648 de afkondiging plaats had[161]. Bovendien werd er een Monument van deze gebeurtenis tegen den gevel van het Landshuis opgerigt[162].

Bij den terugblik op het behandelde gedeelte van dit tijdvak, moeten wij erkennen, uit de laatste tijden weinige bijzonderheden van het volksleven der Friezen te hebben medegedeeld. Dit is zeer natuurlijk.Frieslandgenoot sedert de overgave vanGroningenin 1594 het voorregt, om, van het tooneel des oorlogs verwijderd, zich rustig aan zijne eigene en in de onveilige oorlogstijden veel verwaarloosde belangen te kunnen toewijden. Met wakkerheid legde het volk zich op de verbetering van landbouw en veeteelt, op de uitbreiding van handel, fabrijken en handwerken toe. De steden rezen in bloei en vermogen, werden verfraaid en vergroot en met aanzienlijke gebouwen en nuttige inrigtingen verrijkt[163].Op het land verspreidde de ontwikkeling der bronnen van volksbestaan eene welvaart, welke de vergrooting der buurten van vele dorpen ten gevolge had; terwijl edelen en eigenerfden daarbij op hunne bezittingen zoo vele staten en landhuizen, ja soms kostbare kasteelen bouwden of herbouwden, dat het groote getal van derzelver namen op de kaarten der grietenijen nog onze verwondering verdient[164]. Met den Staat werd tevens de burgerlijke toestand der ingezetenen gevestigd, en eene maatschappelijke inrigting geregeld, welke zeer lang onveranderd bleef bestaan.

Die voorspoed, welke zich in alle standen verspreidde, had echter ook zijne schaduwzijde: want, zegt een geschiedschrijver dier dagen, »neffens dese verbeteringhe van het Landt, nam oock die hovaerdye ende pracht in Klederen, Huysraet, Bancquetten en alle kostelheyt ergerlijcke overhant, ’t welck al te langhe waere in ’t kleyne te verhalen”[165]. Uitsluitende zorg voor enkel stoffelijke belangen, welke alléén geld en voordeel najaagde, stond de ontwikkeling van den geest steeds in den weg; en terwijl de geleerden, vooral op ’s lands Hoogeschool teFraneker, met groote schreden vorderden op den weg der wetenschappen, hield de zedelijke, godsdienstige en letterkundige vooruitgang des volks geen gelijken tred met den stoffelijken voorspoed. Bovendien, sedert de Dordsche Synode in 1618 eenmaal had bepaald, wat de Hervormde Kerk voor christelijke waarheid te houden had, scheen men bevrediging te vinden in koude leerstellingen, die den warmen gloed van de godsdienst der liefde verdrongen hadden. Bij al den voorspoed betoonde men ook weinigbehoefte aan godsdienst, terwijl men zijne staatkundige regten met des te meer ijver deed gelden. Vandaar, dat er nog eene andere oorzaak was, die nadeelig werkte op de zedelijke zoowel als de burgerlijke belangen.

Vermits het regt tot stemming van bestuurders en staatsleden alléén gegrond was op het bezit van vaste goederen, was de zucht om meer bezittingen te verwerven, ten einde meer magt en invloed op het staatsbestuur te bekomen, evenzeer toegenomen als de zucht naar hoogheid en eere, en om zelf tot ambten en waardigheden te geraken.

Thans (dachten ze in hun hart), thans komt het er op aan,Om naar ’t voordeeligst Ambt te streven en te staan:En die naar kennis, kunst en wetenschap wil streven,Doolt verre van den weg om met vermaak te leven.Die Rijk is, is ook wijs, ook dapper, en in staat,Om Friesland nut te zijn, én door beleid én raad.Die magtig is in geld, in goedren overvloedig,Is eerlijk, schrander, braaf, verheven en grootmoedig!Dus achtte men welhaast de vaderlandsche zaak.Maar in een Vrij Gewest is ware Vreê te erkennen,Wanneer men in de jeugd de kindren doe gewennenAan ’t denkbeeld, dat de mensch niet voor zich zelve alleenGeboren is, maar ook ten nutte van ’t Gemeen;Ja, dat zulks de eerste lust en de eerste pligt moet wezen,Door geene Staatzucht, door geen Geldlust te belezen.Daar derft de Raad des lands geen krachten, geenen moed,Tot wering van het kwaad, tot staving van het goed.De zon van het Gezag doet hare vruchtbre stralenDáár van den hoogen trans, van haren hemel dalen[166].

Thans (dachten ze in hun hart), thans komt het er op aan,Om naar ’t voordeeligst Ambt te streven en te staan:En die naar kennis, kunst en wetenschap wil streven,Doolt verre van den weg om met vermaak te leven.Die Rijk is, is ook wijs, ook dapper, en in staat,Om Friesland nut te zijn, én door beleid én raad.Die magtig is in geld, in goedren overvloedig,Is eerlijk, schrander, braaf, verheven en grootmoedig!

Dus achtte men welhaast de vaderlandsche zaak.

Maar in een Vrij Gewest is ware Vreê te erkennen,Wanneer men in de jeugd de kindren doe gewennenAan ’t denkbeeld, dat de mensch niet voor zich zelve alleenGeboren is, maar ook ten nutte van ’t Gemeen;Ja, dat zulks de eerste lust en de eerste pligt moet wezen,Door geene Staatzucht, door geen Geldlust te belezen.Daar derft de Raad des lands geen krachten, geenen moed,Tot wering van het kwaad, tot staving van het goed.De zon van het Gezag doet hare vruchtbre stralenDáár van den hoogen trans, van haren hemel dalen[166].

Voorzeker was het niet vreemd, dat zulk eene rigting, welke alle lessen der godsdienst tot vrede en zachtmoedigheid versmaadde, aanleiding gaf tot oneindige kuiperijen en partijschappen, welke de rust van den Staat bestendig in gevaar stelden en de uitvoering van gewigtige verbeteringen beletten. Een tijdgenoot (de Raadsheervan den sande, 208) getuigt deswege: »van die twist, oneenicheydt ende factien is de eenighste oorsake geweest, de overgroote ende ongheregelde ampt ende regieringhsucht, waerdoor voorgaende goede wetten, Lands-ordinantien ende resolutien zijn ontbonden, veracht ende met voeten ghetreeden, waerom goede Patriotten vreesden, dat uyt dusdanige ongebondenheyt eyndelijck eene nieuwe combustie, oock wel eene totale ruyne hares Vaderlandts ontstaen mochte.” Ja,schotanusnoemt »de vervloeckte staet-sucht een oude plage,” gelijkubbo emmius»een grasseerende pest van dit Landt”; terwijl het tafereel, dat de eerste van den zedelijken toestand des volks, in het midden der 17eeeuw, ophangt[167], ons met bedroeving vervult, en weder een bewijs levert, dat de voorspoed (die proefsteen onzer zedelijke waarde), schoon een zegen des Allerhoogsten, door misbruik veelal meer verderfelijk is voor de waarachtige belangen eens volks, dan tegenspoed en lijden, welke veelal verkeerdelijk voor rampen, kastijdingen en plagen Gods worden gehouden.

Evenmin als van de vroegere partijschappen der Schieringers en Vetkoopers, zullen wij nu een uitvoerig verhaal geven van deze Staatstwisten, welke vaak met gelijke hevigheid, doch onder andere omstandigheden en ineenigzins meer beschaafde vormen gevoerd werden als die vroegere. Omtrent al de twisten vankarel roordategen Graafwillem lodewijk, de verschillen over de opbrengst vanFrieslandsaandeel (quota) in de algemeene lasten en het inwilligen van de impositiën en generale middelen, allen reeds in 1593 aangevangen, later voortgezet en tot 1640 met hevigheid gevoerd, zoodat de Algemeene Staten bij herhaling afgezanten en krijgsvolk naarFrieslandmoesten afzenden tot herstel van de rust en het innen van de schattingen,—omtrent dit alles kunnen wij hier in geene bijzonderheden treden[168]. Van meer duurzaam belang hebben wij het geacht, hierop te laten volgen een overzigt van den Regeringsvorm of het Staatsbestuur vanFrieslandin dit tijdperk, dewijl deze met die gebeurtenissen in naauw verband stond en sommige onzer tegenwoordige instellingen daarvan nog uitvloeisels zijn. Tevens kan dit strekken tot verklaring van vele punten, welke bij de behandeling van de Geschiedenis vermeld worden.


Back to IndexNext