36.De Regeringsvorm van Friesland, tijdens de Republiek.

[134]winsemius, 679, 684. Volgens den staat van het krijgsvolk in 1579 had men inFrieslandvoor 3000 voetknechten, 200 ruiters, 200 pionniers enz. de som van ruim 43,000 Gld. in demaandnoodig.Charterb.IV, 115. Zulk eene krijgsmagt hadden de Friezen te wederstaan en te verdrijven ter bekoming der vrijheid![135]Winsemius, 689, 697;CharterboekIV, 241.[136]Charterboek, IV 235;stellingwerff,Politycq Discours, 32.[137]Zie het uitvoerig verhaal deswege invan reyd,Nederl. Oorlogen, 61, enwinsemius, 689, 714 env., benevens de verdere ontwikkeling hiervan in de eersteAanteekeningachter het 2edeel mijnerGeschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, 407 en de daar aangehaalde schrijvers.[138]Ook om deze reden werd in die jaren de Lands Akademie teFraneker, en niet teLeeuwarden, opgerigt.[139]Winsemius, 713;schotanus, 915.[140]Winsemius, 705, 765, 833, 836;van reyd, 64, 152, 206. Bovendien werd er in vele dorpskerken eene bezetting van 30 à 40 soldaten uit het veldleger gelegd tot bescherming van het platteland. In andere kerken hielden de ingezetenen dag- en nachtwachten.[141]Winsemius, 743 env.;v. reyd, 54;Charterb.IV 301, 530.[142]Van reyd, 30, 61;winsemius, 703;Charterboek, IV 425;bosscha,Heldendaden, I 262, 267.[143]Winsemius, 752, 757;van reyd, 64;Charterb.IV 512. Bekend is het, dat de Friezen hem veelaluws heitnoemden.[144]Winsemius, 710, 747, 752, 758;schotanus,Beschrijv.140.[145]Winsemius772;van vervou,Gedenckw. Geschiedenissen, 32;van reyd, 68;van den sande, 16;van leeuwen,Kronyk, 199.[146]Van reyd, 135;van den sande, 18.[147]Winsemius, 805, 810, 814;van reyd, 176-198;van leeuwen,Kronyk, 202;bosscha,Heldendaden, I 303, 309.[148]Bij dit beleg, hetwelk beroemd is geworden in de geschiedenis, berustte het opperbevel eigenlijk bij onzen Stadhouder; „nochtans uyt beleeftheydt ende om meerder eendracht wille gunde hij Prinsmauritsdie eere mede, gelyck er steets eene sonderlinghe liefde ende eenicheydt tusschen dese twee gheweest is,” zegtvan reyd, 234.[149]Ziewinsemius, 816-822;Charterboek, IV 883;van reyd, 231-241, 253;v. d. sande, 22;bosscha,Heldendaden, I 319;wagenaar, VIII 368;wichers,Tractaat van de Reductie der Stadt Groningen, 1794, II 277. Een naauwkeurig verhaal van het geheel is vervat in deGeschiedkundige Aanteekeningen omtrent het Beleg van Groningen, uitgegeven bij gelegenheid van den gecostumeerden optogt, gehouden bij de inwijding van het Akademie-gebouw teGroningenin Sept. 1850; een werkje, hetwelk duurzaam historische waarde zal bezitten.[150]Hoogst vermoedelijk viel dit te beurt aan het vaandel vanedzart van grovestins, die voorkomt in hetStamboek, I 133, II 83 en in hetLeven en Bedrijf van Wilhelm en Maurits van Nassau, Amst. 1651, 196; terwijl hij bedoeld zal zijn met de woorden:Hy krigge de Amerant mey finzen, ingysbert’svers:Egge, Wynering in Goadsfrjuen, bl. 69. De reden, waarom aan dit feit en dezen aanzienlijken gevangene, later voor 23,000 Gld. gerantsoeneerd, immer zoo hooge waarde is gehecht, verklaart de dichterh. a. meijerin eene Aant. op zijnHeemskerk, 208 aldus: „Het gevangennemen van den Admirant van Arragon, Francisco de Mendoça en andere aanzienlijke Spanjaarden, op het slagveld van Nieuwpoort, had eene uitwisseling van krijgsgevangenen ten gevolge, waardoor vele Nederlanders van de Spaansche galeijen en uit de Spaansche kerkers werden ontslagen, en in hun vaderland terugkeerden.” Zie ookbosscha,Heldendaden, I 334, 336, 355, 391. Onder de Friesche oversten en kapiteins, die ten deele in deze en de volgende strijden het leven lieten, worden met eere vermeld:douweenfrederik van grovestins,julius van eijsinga,quiryn de blau,hans van oostheim,hans de vries,michiel haghe,willem willemsz.enz.[151]van reyd, 329;Regist. Staats-res.511;Chart.V 134, 159.[152]Wagenaar, V. H. X 408;bosscha,Heldend.I 274 env.[153]Van den sande, 20, 87;wins.902;schot.861, 891;Tegenw. Staat, IV 39, 74;foeke sjoerds,Beschrijv.II 137, 184;scheltema,Staatk. Ned.II 482;v. kampen,Gesch.I 489;Karakterk.I 491;Levens v. ber. Ned.II 1;van heusde,Diatr. in Guil. Lud. vit. etc.;baudartius,Nass. Oorl.459;Schuit- en Jagtpraatjes, II 35, 37, 87;aitzema,Saken van Staet en Oorlogh, 4o. I 3, 16;kluit,Hist. der Holl. Staatreg.III 499;Geschiedk. Beschrijv. van Leeuwarden, II 2, 49, 95, 296, 427.[154]de la pise, 893;v. d. sande, 87, 163;wins.884, 902, 909;Charterb.V 259. Zie verder over hem ook de meeste der hier vóór aangehaalde schrijvers.vondelvereerde hem met eeneLijckklacht, Poëzij, 456;g. corvinushield in 1637 teHerbornop hem eene Lijkrede.[155]ZieRegist. op de Staats-resol.512. Het eenig bekende, rijk uitgevoerde ex. der Afbeelding van deze Vorstelijke Begrafenis is thans in het bezit van mijnen geachten vriend Jhr. Mr.h. b. van sminiateBergum.[156]Chart.V 341, 355;v. d. sande, 173, 199, 212, 215 en vooral 217. Zie mede de vroeger vermelde schrijvers envan leeuwen’sAantt. opit aade Friesche Terp, 453 env.[157]Charterboek, V 259.[158]Zangen uit verscheidenen leeftijd, 1847, 110. Vele berigten omtrent deze Stadhouders heb ik medegedeeld in deGeschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, II 2, 3, 95, 296-319, 427 env. Ruime stof is er voorhanden, om hunne levens uitvoerig te behandelen.[159]Charterboek, V 458;wagenaar,Vad. Hist.XII 131.[160]Register op de Staats-resol.343, 513, 587. Vandaar (dat wij dit hier voorloopig vermelden), dat de Friesche regenten zoo vele bewijzen gaven van hunne ingenomenheid met het Stadhouderschap, zoowel op de vermaarde Groote Vergadering van 1651, als in 1654 bij het stemmen over de acte van uitsluiting in de Staten-Generaal. Tegen de heerschzuchtige bedoelingen vanHollanden andere gewesten, die het Stadhouderschap geheel schenen te willen vernietigen, protesteerden de Friesche Afgevaardigden ten sterkste, als eene schending van de Unie, als een maatregel tegen het belang des lands, en vooral als eene beleedigende ondankbaarheid jegens hetHuis van Oranje, hetwelk zoo veel goeds verrigt had voor het vaderland. Zieaitzema, fo. III 542, 815, 826;kok,Vaderl. Woordenboek, 16edl. 603 en hetRegisterb. v. 587.[161]Eene beschrijving van de, in het Stedelijk Archief nog bewaarde, afbeelding dezer plegtigheid heb ik gegeven in den tekst derTwaalf Gezigten op en in Leeuwarden, 1850, bl. 15.[162]ZieTegenw. Staat, II 70 enGeschiedk. Beschrijv.II 16.[163]Ten aanzien vanLeeuwardenzie men daarvan veelvuldige bewijzen in deGeschiedkundige Beschrijving, II 4-77.[164]Van honderden dier gebouwen heb ik in mijnFrisia Illustrata, of Teekeningen van Friesche kerken, gestichten, staten, dorpsgezigten enz. uit de vorige eeuw, afbeeldingen verzameld.[165]Van reyd, 351;de koning,Voorvad. Levenswijze, 200.[166]Willem van haren,Lof der Vrede, ’s Hage 1742, 53, 59, 61.[167]Aan het slot der Voorrede van zijneBeschrijv. end Chronijckvan 1655. Zie ookhalbertsma,Letterk. Naoogst, I 147, 150;starter’senfonteyne’sPolitycke Kuiper, 1621, 1647;baardt,Deugden Spoor, 1645,gysberten meerdere geschriften van dien tijd.[168]Wij hebben daarvan inAanteek. 21de bronnen medegedeeld voor ieder, die in de nasporing van al deze onlusten bijzonder belang mogt stellen.

[134]winsemius, 679, 684. Volgens den staat van het krijgsvolk in 1579 had men inFrieslandvoor 3000 voetknechten, 200 ruiters, 200 pionniers enz. de som van ruim 43,000 Gld. in demaandnoodig.Charterb.IV, 115. Zulk eene krijgsmagt hadden de Friezen te wederstaan en te verdrijven ter bekoming der vrijheid!

[135]Winsemius, 689, 697;CharterboekIV, 241.

[136]Charterboek, IV 235;stellingwerff,Politycq Discours, 32.

[137]Zie het uitvoerig verhaal deswege invan reyd,Nederl. Oorlogen, 61, enwinsemius, 689, 714 env., benevens de verdere ontwikkeling hiervan in de eersteAanteekeningachter het 2edeel mijnerGeschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, 407 en de daar aangehaalde schrijvers.

[138]Ook om deze reden werd in die jaren de Lands Akademie teFraneker, en niet teLeeuwarden, opgerigt.

[139]Winsemius, 713;schotanus, 915.

[140]Winsemius, 705, 765, 833, 836;van reyd, 64, 152, 206. Bovendien werd er in vele dorpskerken eene bezetting van 30 à 40 soldaten uit het veldleger gelegd tot bescherming van het platteland. In andere kerken hielden de ingezetenen dag- en nachtwachten.

[141]Winsemius, 743 env.;v. reyd, 54;Charterb.IV 301, 530.

[142]Van reyd, 30, 61;winsemius, 703;Charterboek, IV 425;bosscha,Heldendaden, I 262, 267.

[143]Winsemius, 752, 757;van reyd, 64;Charterb.IV 512. Bekend is het, dat de Friezen hem veelaluws heitnoemden.

[144]Winsemius, 710, 747, 752, 758;schotanus,Beschrijv.140.

[145]Winsemius772;van vervou,Gedenckw. Geschiedenissen, 32;van reyd, 68;van den sande, 16;van leeuwen,Kronyk, 199.

[146]Van reyd, 135;van den sande, 18.

[147]Winsemius, 805, 810, 814;van reyd, 176-198;van leeuwen,Kronyk, 202;bosscha,Heldendaden, I 303, 309.

[148]Bij dit beleg, hetwelk beroemd is geworden in de geschiedenis, berustte het opperbevel eigenlijk bij onzen Stadhouder; „nochtans uyt beleeftheydt ende om meerder eendracht wille gunde hij Prinsmauritsdie eere mede, gelyck er steets eene sonderlinghe liefde ende eenicheydt tusschen dese twee gheweest is,” zegtvan reyd, 234.

[149]Ziewinsemius, 816-822;Charterboek, IV 883;van reyd, 231-241, 253;v. d. sande, 22;bosscha,Heldendaden, I 319;wagenaar, VIII 368;wichers,Tractaat van de Reductie der Stadt Groningen, 1794, II 277. Een naauwkeurig verhaal van het geheel is vervat in deGeschiedkundige Aanteekeningen omtrent het Beleg van Groningen, uitgegeven bij gelegenheid van den gecostumeerden optogt, gehouden bij de inwijding van het Akademie-gebouw teGroningenin Sept. 1850; een werkje, hetwelk duurzaam historische waarde zal bezitten.

[150]Hoogst vermoedelijk viel dit te beurt aan het vaandel vanedzart van grovestins, die voorkomt in hetStamboek, I 133, II 83 en in hetLeven en Bedrijf van Wilhelm en Maurits van Nassau, Amst. 1651, 196; terwijl hij bedoeld zal zijn met de woorden:Hy krigge de Amerant mey finzen, ingysbert’svers:Egge, Wynering in Goadsfrjuen, bl. 69. De reden, waarom aan dit feit en dezen aanzienlijken gevangene, later voor 23,000 Gld. gerantsoeneerd, immer zoo hooge waarde is gehecht, verklaart de dichterh. a. meijerin eene Aant. op zijnHeemskerk, 208 aldus: „Het gevangennemen van den Admirant van Arragon, Francisco de Mendoça en andere aanzienlijke Spanjaarden, op het slagveld van Nieuwpoort, had eene uitwisseling van krijgsgevangenen ten gevolge, waardoor vele Nederlanders van de Spaansche galeijen en uit de Spaansche kerkers werden ontslagen, en in hun vaderland terugkeerden.” Zie ookbosscha,Heldendaden, I 334, 336, 355, 391. Onder de Friesche oversten en kapiteins, die ten deele in deze en de volgende strijden het leven lieten, worden met eere vermeld:douweenfrederik van grovestins,julius van eijsinga,quiryn de blau,hans van oostheim,hans de vries,michiel haghe,willem willemsz.enz.

[151]van reyd, 329;Regist. Staats-res.511;Chart.V 134, 159.

[152]Wagenaar, V. H. X 408;bosscha,Heldend.I 274 env.

[153]Van den sande, 20, 87;wins.902;schot.861, 891;Tegenw. Staat, IV 39, 74;foeke sjoerds,Beschrijv.II 137, 184;scheltema,Staatk. Ned.II 482;v. kampen,Gesch.I 489;Karakterk.I 491;Levens v. ber. Ned.II 1;van heusde,Diatr. in Guil. Lud. vit. etc.;baudartius,Nass. Oorl.459;Schuit- en Jagtpraatjes, II 35, 37, 87;aitzema,Saken van Staet en Oorlogh, 4o. I 3, 16;kluit,Hist. der Holl. Staatreg.III 499;Geschiedk. Beschrijv. van Leeuwarden, II 2, 49, 95, 296, 427.

[154]de la pise, 893;v. d. sande, 87, 163;wins.884, 902, 909;Charterb.V 259. Zie verder over hem ook de meeste der hier vóór aangehaalde schrijvers.vondelvereerde hem met eeneLijckklacht, Poëzij, 456;g. corvinushield in 1637 teHerbornop hem eene Lijkrede.

[155]ZieRegist. op de Staats-resol.512. Het eenig bekende, rijk uitgevoerde ex. der Afbeelding van deze Vorstelijke Begrafenis is thans in het bezit van mijnen geachten vriend Jhr. Mr.h. b. van sminiateBergum.

[156]Chart.V 341, 355;v. d. sande, 173, 199, 212, 215 en vooral 217. Zie mede de vroeger vermelde schrijvers envan leeuwen’sAantt. opit aade Friesche Terp, 453 env.

[157]Charterboek, V 259.

[158]Zangen uit verscheidenen leeftijd, 1847, 110. Vele berigten omtrent deze Stadhouders heb ik medegedeeld in deGeschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, II 2, 3, 95, 296-319, 427 env. Ruime stof is er voorhanden, om hunne levens uitvoerig te behandelen.

[159]Charterboek, V 458;wagenaar,Vad. Hist.XII 131.

[160]Register op de Staats-resol.343, 513, 587. Vandaar (dat wij dit hier voorloopig vermelden), dat de Friesche regenten zoo vele bewijzen gaven van hunne ingenomenheid met het Stadhouderschap, zoowel op de vermaarde Groote Vergadering van 1651, als in 1654 bij het stemmen over de acte van uitsluiting in de Staten-Generaal. Tegen de heerschzuchtige bedoelingen vanHollanden andere gewesten, die het Stadhouderschap geheel schenen te willen vernietigen, protesteerden de Friesche Afgevaardigden ten sterkste, als eene schending van de Unie, als een maatregel tegen het belang des lands, en vooral als eene beleedigende ondankbaarheid jegens hetHuis van Oranje, hetwelk zoo veel goeds verrigt had voor het vaderland. Zieaitzema, fo. III 542, 815, 826;kok,Vaderl. Woordenboek, 16edl. 603 en hetRegisterb. v. 587.

[161]Eene beschrijving van de, in het Stedelijk Archief nog bewaarde, afbeelding dezer plegtigheid heb ik gegeven in den tekst derTwaalf Gezigten op en in Leeuwarden, 1850, bl. 15.

[162]ZieTegenw. Staat, II 70 enGeschiedk. Beschrijv.II 16.

[163]Ten aanzien vanLeeuwardenzie men daarvan veelvuldige bewijzen in deGeschiedkundige Beschrijving, II 4-77.

[164]Van honderden dier gebouwen heb ik in mijnFrisia Illustrata, of Teekeningen van Friesche kerken, gestichten, staten, dorpsgezigten enz. uit de vorige eeuw, afbeeldingen verzameld.

[165]Van reyd, 351;de koning,Voorvad. Levenswijze, 200.

[166]Willem van haren,Lof der Vrede, ’s Hage 1742, 53, 59, 61.

[167]Aan het slot der Voorrede van zijneBeschrijv. end Chronijckvan 1655. Zie ookhalbertsma,Letterk. Naoogst, I 147, 150;starter’senfonteyne’sPolitycke Kuiper, 1621, 1647;baardt,Deugden Spoor, 1645,gysberten meerdere geschriften van dien tijd.

[168]Wij hebben daarvan inAanteek. 21de bronnen medegedeeld voor ieder, die in de nasporing van al deze onlusten bijzonder belang mogt stellen.

De Souvereiniteit of de Oppermagt des lands werd sedert 1580 inFrieslanduitgeoefend door deStaten, als gevolmagtigden, bij vrije keuze, van de bezitters van zoodanige vaste goederen, waaraan van ouds het stemregt was verknocht[169].

In Januarij van elk jaar werden door deze laatste in iedere Grietenij twee personen, waarvan de eene een Edelman en de andere een Eigenerfde of bezitter van eene stemhebbende plaats of zathe moest zijn, gestemd en als Volmagten ten Landsdage afgevaardigd; terwijl de Regeringen der Steden, uit Magistraat en Vroedschap bestaande, uit ieder dezer leden een Gecommitteerde benoemden.

Het getal leden, dat den grooten Landsdag uitmaakte, bestond alzoo uit 82, waarvan ieder kwartier in eene afzonderlijke Kamer zitting nam, hebbendeOostergoo22,Westergoo18,Zevenwouden20 en deSteden22 leden. Die zittingen werden gehouden in hetLandshuis, naast de Canselarij, teLeeuwarden. De gewone of grooteLandsdag, die niet langer dan zes weken mogt duren, werd altijd geopend op den eersten Donderdag in Februarij, welke dag den naam droeg van denPropositiedag: want, nadat dan alle Volmagten der vier kwartieren in de Kamer vanOostergoobijeengekomen waren, begaf de Stadhouder (zoo hij zich inLeeuwardenbevond) zich aan het hoofd van Gedeputeerde Staten, met groote plegtigheid, van het Collegie naar het Landshuis, in de vergadering. Deze werd dan door den Secretaris van Gedeputeerden geopend met eene aanspraak, bevattende een overzigt van de omstandigheden des tijds en van de voornaamste punten, welke aan de beraadslaging der Staten zouden worden onderworpen, waarna hij de balans van de provinciale kas overleidde. Vervolgens deed een der Leeuwarder Predikanten (die daartoe beurtelings verkozen werden en hiervoor een geschenk ontvingen van 50 Gld., gelijk genoemde Secretaris van 500 Gld.) met opene deuren een gebed, tot afsmeeking van Gods zegen over de verrigtingen van den Landsdag, welke laatste plegtigheid altijd door eene talrijke menigte werd bijgewoond.

Er was nog eenvijfdeKamer aan deze vergadering verbonden, hetMindergetalgenaamd, bestaande uit 8 personen, twee uit ieder kwartier, met den Stadhouder als Voorzitter. Ten einde de beraadslagingen van het groot getal Staten te vereenvoudigen, werden alle zaken, welke de Landsdag moest behandelen, vooraf in deze Kamer gebragt en onderzocht. Daarna gingen de twee leden van ieder kwartier, met het advies van het Mindergetal, naar hunne vergaderde Kamer, wier beslissing zij terugbragten in het Mindergetal, dat den uitslag der stemming, bij kwartieren, en daarnaar de Resolutiën der Staten opmaakte. Bij staking had de Stadhouder het voorregt der beslissing. Aan deze gewigtige vaste commissie was een Secretaris van Staat toegevoegd, tot welk hoogst belangrijk ambt steeds de bekwaamste personen werden gekozen.

Aan deze Staten was, als de hoogste Overheid van den lande, de besturende en wetgevende magt toevertrouwd, en werden de belangen der provincie op zich zelve en in betrekking tot de Generaliteit, of het verbond met de overige provinciën, door hen behartigd en al de regten der oppermagt uitgeoefend, behoudens de fondamenteele beginselen van regering (zoo als men het noemde), welke ook zij verpligt waren te eerbiedigen. Op ingekomen zaken van gewigt of die geen uitstel leden, werd er somtijds een Buitengewone Landsdag uitgeschreven, waarop echter geene andere zaken mogten behandeld worden dan die waren opgegeven door

Aan dit aanzienlijk Collegie, uit en door de Staten voor drie jaren benoemd, was de uitvoering van de Staatsbesluiten, het dagelijksch bestuur van de provincie, de zorg voor ’s lands veiligheid, het toezigt over den waterstaat en veelvuldige bijzondere bemoeijingen betrekkelijkde policie, het krijgswezen, de geldmiddelen, de godsdienst, het onderwijs enz. opgedragen. Het bestond uit 9 leden, waarvan ieder der Gooën 2 en de Steden 3 verkozen, benevens een Secretaris.—Een Advokaat en Fiscaal, belast met de verdediging der provinciale belangen, was daaraan toegevoegd. Wekelijks hield het zijne vergaderingen op het Statenhuis ofCollegie, thans het Gouvernements-gebouw, teLeeuwarden[170].

Het doorluchtig hoofd van den Staat, dat de luister der Oppermagt van de Staten bestendig vertoonde en waarnam, was deStadhouder. Dit ambt en dezen naam, eigenlijk Stedehouder (Lieutenant) of Plaatsbekleeder van een afwezigen Vorst of Heer, had men gewijzigd overgenomen van de Spaansche Regering. Want hoewel de volksregering een uitvloeisel was der verkregene vrijheid, deed de veelheid der hoofden en zinnen en nog meer het belang van het krijgswezen de behoefte gevoelen aan een luisterrijk hoofd, dat, door den Souverein bekleed met magt en met de zorg voor de algemeene belangen belast, als het ware in het midden stond tusschen dien Souverein en het Volk. Van velen nam men dusraadin, omdat één mensch niet ligt alles ziet, doch deuitvoeringwerd overgelaten aan één persoon: want in eenheid is kracht. Zelf achtten de Staten het noodzakelijk, »dat eene veelhoofdige regering getemperd werd door een schijn of schaduw van Monarchie”[171].

De Stadhouder deelde deze magt met Gedeputeerde Staten, aan wier hoofd hij als Voorzitter was geplaatst; terwijl hem tevens het oppergebied over het krijgsvolk en het beleid van den oorlog te land en te water was opgedragen, in de waardigheid vanKapitein- en Admiraal-Generaal, welke aan het Stadhouderschap was verbonden. Met betrekking tot de Generaliteit had hij zitting in den Raad van State te’s Gravenhage. Voorts kon hij zitting nemen in het Hof van Justitie en in de Rekenkamer. Hem was de jaarlijksche aanstelling van de Magistraats-personen in de steden en de beslissing van hunne geschillen opgedragen, terwijl het kwartier der steden hem mede de begeving van de omgaande Provinciale ambten had toevertrouwd[172]. Bovendien waren er, in verschillende tijden, meerdere regten en waardigheden aan dit hoog aanzienlijk ambt verbonden. In de hoofdzaak kwam het ambt des Stadhouders hierop neder: in het beschermen van de provincie tegen binnen- en buitenlandsch geweld; in het toezigt op het krijgswezen en in de zorg voor een goed en vaardig bestuur van de provinciale zaken met Gedeputeerde Staten.

Frieslandhad het geluk, dat deze betrekking sedert 1584 op eene waardige wijze werd vervuld door acht elkander opvolgende Vorsten uit het Huis van Nassau, aan wier geslacht het gansche vaderland, sedert den vrijheids-oorlog, zoo veel verpligting had, en waaruit de tegenwoordige Koninklijke familie in eene regte lijn afstamt. De deugden en bekwaamheden van hen en hunnegemalinnen, die soms, bij minderjarigheid des opvolgers, de teugels van het bewind opvatten, leven nog voort in eene eervolle nagedachtenis. Hun zetel, hetStadhouderlijk Hof, thans hetKoninklijk Paleis, teLeeuwarden, dat nog hunne afbeeldsels (gelijk de Groote Kerk hun stoffelijk overschot) bewaart, moge, even als de door hen aangelegde Prinsentuin aldaar, die herinnering duurzaam levendig houden[173].

De Hertogen vanSaksenhadden in 1499 eenProvincialen RaadteFranekeren in 1504 eenGeregtshofteLeeuwardeningesteld en de Saksische Ordonnantie uitgevaardigd, waarbij de Keizerlijke regten met behoud van sommige lands gewoonten inFrieslandingevoerd-, en bepalingen ter handhaving van het burgerlijk en regterlijk bestuur vastgesteld werden. In 1571 had dit Hof een grootsch gebouw, deCanselarij, tot zetel betrokken; doch bij de omwenteling van 1580 werd aan dat Hof alle bewind in de zaken der burgerlijke regering of het bestuur des lands onttrokken. Sedert dien tijd was alleen het beleid der civile en criminele Justitie, of de hoogste regtsmagt en uitspraak in burgerlijke geschillen en omtrent strafbare daden, aan dit Hof opgedragen. De eerste, ook wanneer men zich van de Nedergeregten bij appèl beriep op de uitspraak van het Hof, waarvangeen beroep op eenig hooger geregtshof kon geschieden. In 1602 werd door de Staten vanFrieslanddeLands Ordonnantieuitgevaardigd, welke, herzien en aangevuld in 1723, nevens het Romeinsche regt, als Hoofdwetboek het rigtsnoer bleef van eene Regtbank, die, door krachtbetoon en strikte regtvaardigheid, den meesten eerbied en het hoogste ontzag mogt verwerven. Groot was dit voorregt, datFrieslandgenoot boven andere provinciën, wier regtsmagt lang en vaak zeer willekeurig door Jonkers, Heeren, Drosten enz. op grond van oude kostumen en landregten werd uitgeoefend.

Dit Hof van Justitie dan bestond uit 12 Raadsheeren, welke de Stadhouder uit eene nominatie van ieder der vier kwartieren koos, benevens een Procureur-Generaal en Griffier, ieder met een Substituut of hulp; alsmede een Rollarius, een Ontvanger der Canselarij-geregtigheden, een Sportelmaander, zes Deurwaarders, acht Boden enz. Dagelijks hield het Hof twee zittingen in de Canselarij, waar boven het eene Bibliotheek bezat, waarin de beste werken over de regtsgeleerdheid en aanverwante vakken waren opgenomen. Het Blokhuis werd als huis van arrest voor nog niet veroordeelde gevangenen—het Landschaps Tucht- of Werkhuis, na 1661 als strafgevangenis gebezigd. Het Hof ontleende zijn aanzien voor een groot deel van de voortreffelijke geleerden uit den aanzienlijksten stand, welke gedurende drie eeuwen daarin als Raadsheeren zitting hadden[174].

bestond uit vier Rekenmeesters, uit ieder kwartier een, die gelijktijdig met Gedeputeerden op het Collegie vergaderden. Aan hen was het toezigt over ’s lands penningen, het nagaan van de rekeningen der ontvangers, de zorg voor de zaken der (in 1765 opgehevene) Munt enz. opgedragen. Dit collegie had een Secretaris, een Pensionaris, benevens eene Kamer van Financiën met een Commies-Generaal enz. In het bijzonder had zij het toezigt op

Deze en de Provinciale Ontvangers waren vier in getal, naar de wijze van invordering der belastingen; als:

HetKantoor der Floreenen, of van de opbrengst der Floreenrente uit de vaste goederen (de Landtax), benevens het middel der vijf speciën: het hoofd- en schoorsteengeld, de bezaaide landen, het horengeld en paarden.

HetKantoor der Consumptiënontving de gewone middelen of de belastingen op zout, wijn, bier, koffij, thee, zoete waren, laken, klein zegel, havenregten enz.

HetKantoor der Losse Rentenhad de ontvang en uitbetaling der geldleeningen en renten, en der opbrengst van de belastingen op het gemaal, beestiaal, turf, brandhout, brandewijn, waagregt, passagie-geld, de equivalenten der ambtenaren, de collaterale successie, de registratie op den verkoop der vaste goederen enz.

HetKantoor der Lijfrentenwas belast met het beheer over, onder dezen naam, door den lande opgenomen gelden, en ontving de reële en personeele heffingen op de huren der vastigheden en aangeteekende kapitalen.

Vroeger was er nog eenKantoor der Domeinen, of van de opbrengst vanhet Bildten der kloostergoederen, veenen en landen, der provincie toebehoorende enz. Na het verkoopen van deze vastigheden is dit kantoor in 1766 opgeheven en vereenigd met dat der consumptiën[175].

Uithoofde vanFrieslandsbetrekking tot deUnieof het verbond met de overige zes gewesten, die te zamen den Staat derZeven Vereenigde Nederlandsche Provinciënuitmaakten, waren er nog verscheidene aanzienlijke betrekkingen, welke daaruit voortvloeiden.

In deStaten-Generaalof de Algemeene Staten der Nederlanden,—die aanzienlijke vergadering van gevolmagtigde afgevaardigden uit iedere Provincie, tot waarneming en handhaving van het gemeen belang der bondgenooten, te’s Gravenhagegezeteld,—werdFrieslandvertegenwoordigd door vier Afgevaardigden, een uit ieder kwartier en somtijds nog een buitengewonen Raad uit dat der Steden. Gewone zaken werden in deze vergadering bij meerderheid van stemmen behandeld; doch tot buitengewone zaken, als: oorlogs-verklaring, werving, geldleening, verbonden met andere mogendheden enz. werd eenparigheid van stemmen en uitdrukkelijke toestemming der Staten van iedere provincie vereischt. Die gevolmagtigden hadden echter geen vrije stem, of magt om naar hun inzigt te handelen, maar moesten zich, vooral in gewigtige zaken, gedragen naar de resolutie, welkede Souvereine Staten hunner provinciën deswege hadden genomen, en telkens met dezen ruggespraak houden, wanneer er iets voorkwam, waartoe zij niet of niet genoeg gelast waren. Zeker was dit zeer voorzigtig gehandeld, doch in belangrijke en spoed vereischende zaken, veroorzaakte deze omslagtige wijze van beraadslaging zoodanige vertraging, dat daaruit dikwijls groote nadeelen en onaangenaamheden ontstonden.

Het aandeel van ieder der provinciën in het dragen van de Generaliteits-lasten was verdeeld in dezer voege. Van de 100 Gulden betaalde:

Drenthebetaalde 1 boven de 100 Gld. DatFriesland, in vergelijking van andere landprovinciën, bij deze zoogenaamdeQuotaverbazend hoog was aangeslagen, valt gereedelijk in het oog, en heeft dan ook aanleiding gegeven, dat deze, buitendien voor eigene behoeften reeds zoo zwaar belaste, provincie zich daar tegen bijna twee eeuwen lang, doch vruchteloos, verzet- en eene billijker verdeeling van de algemeene lasten betoogd en verzocht heeft[176].

In denRaad van Stateof de duurzame vergadering, welke voor de uitvoering en handhaving van de besluiten, wetten en bevelen der Algemeene Staten zorg droeg, doch later meer bepaald met de zorg voor het krijgswezen en de geldmiddelen der republiek was belast, hadFrieslandtwee van de twaalf leden, en mede twee afgevaardigden in deGeneraliteits-Rekenkamer, welke met eene Kamer van Financiën en Muntkamer aan dezen Raad verbonden was.

Het bestuur van de Lands Zeezaken of de Marine was opgedragen aan deAdmiraliteit der Vereenigde Nederlanden, in 1586 opgerigt en in 1597 voor vast geregeld. Zij bestond uit vijf Collegiën, waarvanFrieslander een bezat; terwijl deze provincie een afgevaardigde uitOostergoozond in het Collegie op de Maas teRotterdam, een uitWestergoonaar dat van het Noorder-kwartier teEnkhuizenen een uit deZevenwoudennaar dat teAmsterdamgevestigd. Bovendien werd dit gewest in deOost-zoowel als in deWest-Indische Compagniedoor een lid vertegenwoordigd.

Keeren wij nu weder terug tot de enkel Provinciale Regerings-collegiën.

vanFriesland, waartoeGroningenmede behoorde, was in 1596 gevestigd teDokkum, doch in 1645 verplaatst naar het gunstiger gelegeneHarlingen. Het bestond uit tien leden, waarvan vier uitFrieslanden zes uit de overige provinciën, met den Stadhouder aan het hoofd, en ondersteund door een Raad en Advocaat-Fiscaal, eenSecretaris, Ontvanger-Generaal, Equipagemeester, Vendumeester en verscheidene andere ambtenaren. De belangen van het Zeewezen van deze provincie, in verband met die des lands, werden verzorgd door dit aanzienlijk Collegie, hetwelk teHarlingen, behalve een Vergaderhuis, ruime Magazijnen en eene Scheepstimmerwerf bezat. De twee eersten werden in 1771 door een fellen brand in asch gelegd, waarbij ook de Secretarie met al hare archiven, benevens een groote voorraad scheepsbehoeften verloren ging. De laatste, de werf, ontving in 1781 en 1782 eene aanzienlijke vergrooting, zoodat daarop sedert verscheidene oorlogs-fregatten en andere groote schepen, van 24 tot 74 stukken gebouwd werden[177].

waren vier in getal, uit elk kwartier een, en belast met de monstering der compagniën van den Staat, het toezigt op deszelfs vestingen en versterkte plaatsen, zoo in als buitenNederland, het onderzoek van de krijgsbehoeften enz.[178]

Aan vier, uit ieder der kwartieren gekozene, aanzienlijke personen, was de zorg voor het hooger onderwijs en het bestuur van de Akademie opgedragen, overeenkomstig de Resolutiën, door de Staten deswege genomen. Sedert 1653 stond de Stadhouder als eerelid aan het hoofdvan dit collegie, dat door een Secretaris werd ondersteund. Door het verordenen van gepaste maatregelen, goede inrigtingen en eene voorzigtige keuze van personen tot Hoogleeraren, hebben deze Curatoren gedurende ruim twee eeuwen veel bijgedragen tot den bloei en roem der Akademie teFraneker, »de kweekschool van groote mannen voorNederland”[179].

Sedert 1591 was een aanzienlijk edelman alsHoutvester en Pluimgraafdoor de Staten bekleed met de regtsmagt over alle zaken, welke de Jagt, de Visscherij, het wildschieten, het rapen van eijeren enz. betroffen, voor zooverre daarbij lands plakkaten werden overtreden. In 1748 werd echter de Prins Stadhouder aangesteld totOpper-Houtvester, met magt tot aanstelling van eenLuitenant-Houtvesteren vierMeester-Knapen, die, met een Secretaris en ’s Lands Fiscaal, een Geregt uitmaakten, waaraan sedert de hoogste regtsmagt ten aanzien van dit onderwerp was opgedragen, volgens het Reglement van den jare 1750.

dezer provincie bestond uit eenGeregts-Scholtusmet tweeAssessoren, een Secretaris, een Advocaat, een Kapitein-Gewaldige met zijn Luitenant en een Gerigts-Weibel of bode en trawanten. Alle misdrijven van het krijgsvolk, zoowel civiel als crimineel, werden door deze regtbank behandeld en ook aan lijf en leven gestraft;de laatste evenwel met overroeping van de bevelhebbers der troepen in deze provincie en met voorkennis des Stadhouders, die, bij doodstraffen, ook het regt van pardon had. De regtdagen of het kamergeregt werden gehouden teLeeuwardenin de Lands Provoost of Gewaldige, achter de Galileër Kerk. Op voorstel van den Prins Stadhouder werd echter, bij Staats-resolutie van 24 Februarij 1775 dit »Provintiaal Krygsgerechte der Friessche en Nassauwsche Regimenten” opgeheven, en vervangen door een Krijgsraad met een Auditeur-Militair, op den voet der andere provinciën. De beroemde geleerde,petrus wierdsma, was de eerste, aan wien laatstgenoemd ambt, gedurende twintig jaren door hem bekleed, werd opgedragen[180].

Ieder der dertigGrietenijenvanFrieslandwerd bestuurd door eenGrietmanmet twee, drie of meerBijzittersen een Secretaris. Gedeputeerde Staten (en sedert 1748 de Stadhouder) verkozen den Grietman en deze koos de Bijzitters, beide uit een drietal personen. Voor den eersten werd eene nominatie gemaakt door de meerderheid der dorpen, welke de meeste stemmen hadden van de stemgeregtigde ingezetenen, die voor de laatsten eene nominatie zamenstelden, en verder op gelijke wijze ontvangers, predikanten en onderwijzers stemden. Aan de politieke magt, welke dit Grietenij-bestuur uitoefende, ten aanzien van het belang en de veiligheid der ingezetenen, de uitvoering van de Staatsbesluiten, de zorg voor dijken, wegen, armen enz., was echter toenmaals een juridieke magt, eene mindere of lagere Regtbank, eenNedergeregtverbonden, in vele opzigten overeenkomende met de latere Vrede- of Kantongeregten. Als zoodanig was het, behalve met de bestendige zorg omtrent de nalatenschappen, de minderjarigen, boedelscheidingen, verkoopingen enz., in het bijzonder belast met de regeling van burgerlijke regtszaken en de vervolging van policie-misdrijven. Men kon zich echter van deze uitspraken beroepen op het Hof Provinciaal, hetwelk ten aanzien van strafbare daden of het crimineele alleen de hulp ter opsporing en inlichting genoot van de Nedergeregten, die slechts geringe policie-straffen, als geldboeten, aan de kaak stellen, korte gevangenis enz. konden opleggen. Tot dit einde werd er in elke grietenij wekelijks een regtdag gehouden op de regt- of weerkamer in de hoofdplaats. Een gewigtige steun en hulp tot dat alles vond het gezag toenmaals in deDorpregters, over één groot of twee kleine dorpen, waartoe meestal de geschiktste ingezetenen, met name de onderwijzers werden gekozen, en aan wie vele kleine zorgen ter bevordering van het beheer, vrede, veiligheid en regt waren opgedragen. Tot deze geregten behoorden verder een Fiscaal, Executeur, Adsistenten enz.[181]

Minder eenparig of gelijkmatig was de regeringsvorm der elf FriescheSteden, welke in 1615, 1637, 1657 en 1786 nieuwe Reglementen van Raadsbestelling ontvingen, waarbij er soms eenige veranderingen in de namen of vormen kwamen; terwijl de verkiezing (door electeurs, uit de burgerij of de breede gemeente en de regeringsleden gekozen en bij herhaling uitgeloot) zeer zamengesteld was, om de onpartijdigheid van de keuze teverzekeren. Zoo bestond teLeeuwardende regering uit een (jaarlijks ten deele aftredende)Magistraatvan 12 en eenVroedschapvan 40 leden, welke laatste in 1637 de Gezworene Gemeente had vervangen. De Vroedschappen werden voor hun leven gekozen en daaruit de nominatie van Magistraats-leden opgemaakt. De Magistraat of het regerend ligchaam, dat de Vroedschap in belangrijke zaken tot Raad had, was zamengesteld uit: 4 Burgemeesters, 6 Schepenen en 2 Bouwmeesters of Raadslieden, met een Secretaris, 4 Pensionarissen, 4 Rentmeesters en 20 Bevelhebberen of de Hopman en Vaandrik der Schutterij uit ieder der 10 espels, waarin de stad verdeeld was, en die in sommige gevallen stem hadden in regeringszaken. In andere steden bestond de Magistraat enkel uit 6 of 8 Burgemeesters of met bijvoeging van 2 of 4 Raadslieden, en was het getal Vroedschappen geëvenredigd naar hare grootte. Bij de jaarlijksche aftreding van de Magistraatsleden werd er eene nominatie gemaakt, waaruit de Stadhouder eene keuze deed, evenwel volgens vrijwillige opdragt, eerst van 9 en daarna van alle 11 steden[182]. Behalve het burgerlijk bestuur van de steden was aan deze Magistraten of Burgemeesters ook de uitoefening van de regtsmagt der Nedergeregten opgedragen,op nagenoeg gelijke wijze als dit ten platten lande geschiedde, met geringe wijzigingen naar plaatselijke omstandigheden.

In eene provincie, welke lager ligt dan de gewone vloeden der zee, die haar voor het grootste gedeelte en aan alle zijden omringt en bestookt, was voorzeker geene zorg van meer belang dan die voor de zeedijken en sluizen. Veiligheid van personen en rustig bezit van goederen was toch geheel afhankelijk van de deugdzaamheid der middelen tot landverdediging. Met groote moeite en opofferingen hadden de vaderen die bolwerken rondom de kust opgeworpen; doch het kostbaar onderhoud ging steeds met groote bezwaren vergezeld, en tallooze watervloeden, die verschrikkelijke verwoestingen en belangrijke verliezen ten gevolge hadden, deden de Friezen eeuwen lang gevoelen, dat er krachtiger middelen van tegenstand vereischt werden, om meester te blijven van dit fel bestreden erf. Moeijelijk waren deze tot stand te brengen, zoolang ieder dorp der naast aan zee gelegene grietenijen, van ouds met het onderhoud belast, een zeker perk of deel van den algemeenen dijk had te herstellen, uit welke verpligting dikwijls hevige twisten en langdurige verschillen voortvloeiden. Eerst nadat de Kersvloed van 1717 hier op nieuw groote schade en verliezen had te weeg gebragt, kwam daarin verbetering. Want de Staten gelastten niet alleen de beschadigde werken te herstellen, maar ook alle dijken te verzwaren en te verhoogen, op een geregelden en vasten voet, en bovendien, dat in iedere zeedijks-contributie het onderhoud gemeen-gemaakt en aan de onmiddelijke zorg der dijksbesturen overgelaten zou worden. In weerwil van sterken tegenstand, werd bij Staats-resolutiën van 1718 en 1719 bepaald, datin meestal de dijkspligtige grietenijen of dorpen en steden, waar zulks niet reeds het geval was, de vastigheden voortaan werden bezwaard met een omslag, in verhouding van de hoeveelheid der roeden dijkwerk, die zij vroeger in hun afzonderlijk perk hadden onderhouden. Dat deze krachtige maatregel van gelukkig gevolg was, bleek ook daaruit, datFrieslandtot den jare 1775 van overstroomingen bevrijd bleef.

Bij die gelegenheid werden er ook nadere bepalingen, onder den naam van Dijks-instructiën, gemaakt ten behoeve van sommige contributiën. De voornaamste dezer waren: 1.KollumerlandenNieuw Kruisland, metGerkeskloosterenVisvliet; 2.Oost-Dongeradeelen der daaraan gelegen polders; 3.West-Dongeradeelen die derTernaarder-enHolwerder-polders; 4.Ferwerderadeel; 5.het Oud en Nieuw Bildten die der latere bedijkingen; 6 en 7.de Vijfdeelen, vanDijkshoektotMakkum, waartoe de grietenijenFranekeradeel,Menaldumadeel,Hennaarderadeel,BaarderadeelenBarradeelmet de stedenHarlingenenFraneker, benevens zeven noordelijke dorpen vanWonseradeel, behoorden. Deze contributie was in twee deelen gescheiden: in binnen- en buitendijks, waarvan de scheiding was de zoogenaamde Steenenman bijHarlingen; 8.Wonseradeels-Zuiderzeedijken; 9.Hemelumer-Oldephaert c. an.; 10.WijmbritseradeelmetSneekenYlst, eene uitgestrektheid dijks in de laatstvorige grietenij uitmakende; 11.Workum; 12.het Workumer-Nieuwland; 13.Hindeloopen; 14. in deZevenwouden, deZeven Grietenijen(als:Doniawarstal,Haskerland,Lemsterland,Schoterland,Gaasterland,ÆngwirdenenSchoterland, benevensOpsterland) met de stadSlooten; 15.de Lindedijkenenz.

De Dijksbesturen of geregten, hoewel niet overal gelijk, bestonden veelal uit een Dijkgraaf (ophet BildtHeemraad genaamd), uit twee of meer Dijks-Gedeputeerden en een Secretaris en Ontvanger, benevens Volmagten of Gecommitteerden uit de grietenijen of dorpen en steden, die het bestuur kozen, het oppertoezigt hadden en verantwoording van ontvangsten en uitgaven ontvingen, volgens naauwgezette bepalingen, welke omtrent dit belangrijk onderwerp door de Staten waren voorgeschreven[183].

Sedert de Hervormde leer inFriesland, tot godsdienst van Staat was aangenomen, werden de belangen der Kerk, onder toezigt van den Staat, in elke plaats waargenomen door deKerkeraden, bestaande uit Predikant, Ouderlingen en Diakenen, en doorKerkvoogden, die met het bestuur van de Kerke- en Pastorie goederen belast waren. De gemeenten, welke, in het laatst der 18eeeuw, 192 in getal waren, bediend door 208 leeraars, waren verdeeld in 6Klassen, genoemd naar de plaatsen, waar de Klassikale vergaderingen werden gehouden, als:Leeuwarden,Dokkum,Franeker,Sneek,BolswardenZevenwoudenofHeerenveen. In die vergaderingen hadden zitting al de predikanten, ieder met een ouderling, doch uit de steden twee. Aan haar was de handhaving van de Kerkelijke Wetten vanFrieslandopgedragen[184]. Ieder klasse vaardigde jaarlijks twee predikanten en twee ouderlingen af ter zamenstelling van deProvinciale Synode,die in elke Pinksterweek plegtig en in het openbaar vergaderde, bij rondgang in de genoemde plaatsen, gelijk ook teHarlingen. In deze aanzienlijke kerk vergaderingen werden de belangen der Friesche Kerk behandeld onder toezigt van twee leden van Gedeputeerde Staten, die haar als Commissarissen-Politiek bijwoonden, om het evenwigt des gezags tusschen Staat en Kerk te bewaren. Daarin hadden mede zitting Correspondenten van de andere Provinciale Synoden, naar ieder van welke ook een lid uit deze provincie werd afgevaardigd. De uitvoering van de Synodale besluiten was opgedragen aan een collegie van 12 Deputaten, hetwelk meermalen in het jaar vergaderde.

In de eerste tijden werden de traktementen der predikanten alleen uit de pastorie-goederen genoten en zoo vele dorpen bijeengevoegd of gecombineerd, als noodig was, om hun een genoegzaam onderhoud te verzekeren. Die opbrengst werd echter reeds in 1584 tot eene som van 300 Gld. aangevuld, als suppletie uit ’s lands kas of uit de opbrengst van de kloostergoederen. Van lieverlede werd die som verhoogd, totdat zij in 1699 tot 450 Gld. gebragt werd. De lage prijzen der landhuren, ten gevolge der veepest, gaven aanleiding tot het Staatsbesluit van 1744, dat de ingezetenen al hunne pastoriegoederen aan den lande konden overdragen, om genoemde som in haar geheel te kunnen ontvangen. Vervolgens werd bij Staats-resolutie van 1761 bepaald, al de pastoriegoederen der suppletie-trekkende plaatsen te verkoopen, waar tegen de Staat zich verbond, ieder der predikanten jaarlijks 500 Gld. en de Emeriti 300 Gld. uit te keeren[185].

De benoeming van de Predikanten in de steden geschiedde door den Magistraat uit een drietal, door denKerkeraad opgemaakt[186]. Ten platten lande hadden de Hervormde Stemgeregtigde eigenaars der vaste goederen het regt tot het beroepen van predikanten en het beheer van de kerke- en pastorie-goederen, als van ouds her, behouden[187].

Bij de zorg, welke de Overheid steeds aan den dag legde voor het kerkelijke en voor de belangen der Akademie, zoowel ter vorming van waardige predikanten als ter bevordering van de studie der hoogere wetenschappen in het algemeen, vooral ten behoeve van de meest vermogende standen, steekt zeer af de toenmalige verwaarloozing van het lager onderwijs. Wel waren er in nagenoeg alle Steden Latijnsche Scholen gevestigd, welke gelegenheid aanboden tot opleiding van jongelieden, ook uit den burgerstand; wel poogden de Staten in 1774 teLeeuwardeneene Fransche Kostschool op te rigten,—doch het onderwijs op de bijzondere scholen was zeer gebrekkig, en het lot der onderwijzers, bijzonder op het land, zeer beklagenswaardig. Een der meestverdienstelijke onderwijzers uit de vorige eeuw,foeke sjoerdsteOoster-Nijkerk, die zich door onderscheidene historische werken beroemd maakte, heeft in een zijner geschriften van den toestand van het schoolwezen, dat »uit hoofde van de weinige bekwame Schoolmeesters en hun armoedigen staat aan eene algemene veragting was bloot gestelt,” een tafereel opgehangen, hetwelk ons met bedroeving vervult[188]. In weerwil de Staten in 1580 reeds bepaalden, dat de geestelijke goederen ook tot onderhoud van scholen en onderwijzers zouden worden aangewend, was de bezoldiging zoo gering, dat er nog in 1768 weinige dorpen waren, waarin de onderwijzers, boven woning, tuin en een gering schoolgeld, meer dan 100 of 150 Gld. inkomen genoten. Men leidde zich dus niet toe op de verkrijging van bekwaamheden voor eene betrekking, welke geen genoegzaam onderhoud verschafte, hoe nuttig zij ook ware voor het belang en de beschaving der maatschappij.—Het voorregt dat onze eeuw door de invoering van verbeterd onderwijs boven de vorige geniet, leeren wij alzoo door deze vergelijking hoogelijk waarderen.

Zoodanig was in de hoofdzaak de regeringswijze vanFriesland, tusschen de jaren 1580 en 1795. Het geheel was eene staatsinrigting, waarmede de Friezen zelve altijd zijn ingenomen geweest, al bestonden er bestendig ook klagten over gebreken en misbruiken, welke men gaarne veranderd zag, en waarvan vele reeds in 1627, 1672 en 1748 gewijzigd zijn. Ook toen verwarde men de onvolkomenheden en dwalingen der personen, die de regering uitmaken, weleens met den vorm van Staatsbestuur. Groot was en bleef steeds de invloed van den adelen de aanzienlijke geslachten en werd de volksregering of democratie getemperd door de aristocratie en omgekeerd. Dat hieruit bestendig strijd werd geboren, was zeer natuurlijk, hoewel het zeker is, dat de invloed dier aanzienlijke personen, die wegens hunne bezittingen de meeste belastingen betaalden en het grootste belang bij eene goede regering hadden, dit gewest meer voordeelig dan schadelijk is geweest. De oppermagt, of het vermogen om te regeren, òf door zich zelven òf door anderen, bleef inFrieslandtoch, als van eeuwen her, berusten bij hetvolk, voor zoo verre het vaste goederen bezat, en daardoor deel kon hebben in de keuze van de Overheden. De Staten, door hen, althans op het land, regtstreeks gekozen, waren de vertegenwoordigers en uitvoerders dier Souvereine magt[189]. Vandaar, dat een bekwaam schrijver uit het laatst der vorige eeuw omtrent de Friesche staatsgesteldheid kon zeggen: »Te vergeefs veranderden de volken rondom hen hunne taal, hunne Zeden, hunne Wetten en Regeeringsvorm; de Friezen integendeel vertoonen nog hun oude karakter; zy behouden nog de meesten hunner wetten; zy spreeken nog hunne oude taal. Bij hen heeft alles de eeuwen verduurd, en men zou zeggen, dat zij in hunne Veenen(?) eene veilige schuilplaats of een hulpmiddel tegen Veroveraars en Onderdrukkers gevonden hebben. De Friezen hebben hunne oude Rechten bewaard, als een dierbaar onderpand, om te toonen, dat zy nooit geheel verloren zyn geweest.”[190]


Back to IndexNext