[169]Zie over dit onderwerp de belangrijkeVerhandeling over het Stemrecht, doorp. wierdsma, Leeuw. 1792, en de Dissert.de Jure Suffragandi, vane. de wendt van sytzama, Utr. 1841.[170]Uitvoeriger berigten nopens deze Staats-collegiën vindt men infoeke sjoerds,Beschrijv. II 88;van burmania,de Jure Comitiorum, Fran. 1751, enTegenw. Staat, IV 1. De Dissert. van Mr.s. w. h. a. van beijma thoe kingma,Hist. Ord. Fris.Leiden 1835, behoort tot een vroeger tijdperk, van 1515-1581.[171]Zij betoogden dit in 1651 in een stuk bijaitzema, fo. III 542.[172]Hiervan zijn de zoogenaamdeLandsdag-penningenafkomstig, die, aan de eene zijde het borstbeeld des Stadhouders en aan de andere zijde het wapen des Stadhouders, omgeven van die der elf steden, vertoonende, namens den Vorst aan hare Volmagten ten landsdage werden uitgereikt.Van loon,Historiepenn.IV 169, heeft die bestemming alzoo verkeerd opgegeven.[173]Zie de geschiedenis van dit en de andere Vorstelijke Gebouwen teLeeuwardenin deGeschiedk. Beschrijv.II 295 env. en eene Volglijst dezer Stadhouders in de tweede Tijdrekenk. Lijst hier achter. Ik herhaal hier den wensch, dat de Levens dezer Vorsten eenmaal naauwkeurig mogen worden opgemaakt, vooral uit die groote verzameling stukken, uitmakende het Archief dier Stadhouders, welke ik in 1837 heb opgespoord in het Rijks-Archief en Huis-Archief des Konings, volgens mijn berigt inde Vrije Fries, II 18.[174]Jhr.e. m. van burmaniagaf in 1742 eeneNaamrolvan deze Raden van het Hof met korte levensschetsen in ’t licht. Een vervolg daarop, bevattende de namen der Rentmeesters van de Domeinen, Procureurs-Generaals, Griffiers, Substituten en eerste Deurwaarders, verscheen in 1748. De Saksische Ordonnantie komt voor in hetCharterb.II 35 en de Lands Ordonn. ald. IV 1138, V I, 99. Zie over de Canselarij en genoemde gevangenissen deGeschiedk. Beschrijv.I 112, 260; II 319, 333 env. Voortsfoeke sjoerds,Beschrijv.II 291;Tegenw. Staat, IV 139. De Dissertatie van Mr.j. m. van beijma, Leiden 1835, bevat de geschiedenis van het Hof van zijn oorsprong tot het einde der 16eeeuw.[175]Een uitvoerig overzigt van al de menigvuldige en zware belastingen, welke in de vorige eeuw inFrieslandgeheven werden, vindt men in denTegenw. Staat, IV 337. Zie daarover ook het belangrijke boekje van Mr.d.Over de belastingen der Republiek, Amst. 1837, bl. 127, 167.[176]Zie opm.bij dezevoetnoot.Zie deswege Prof.n. ypey,Verhandeling over de Quotae, Harl. 1784, en vooral de krachtigeDeductieder Friesche Staten van 1786, in groot en breed 4ogedrukt, waarin tevens de ware toestand van ’s lands financiën is bloot gelegd. Prof.ypeyberekende, dat de Quota vanFriesland, in verhouding tot de overige provinciën, moest zijn: 9 Gld. 12 St. 2 Penn. Eerst in de laatste jaren der republiek, omstreeks 1792, vond dit gehoor, en werd de Quota dezer provincie op ruim 9 Gld. gesteld.[177]ZieCharterboek, V 330, 477, 485, 493, 521, 558, enTegenw. Staat, III 13, waar eene uitvoerige beschrijving van dit Collegie voorkomt.[178]Zie omtrent deze en verdere opgenoemde betrekkingen de Staatsbesluiten in het belangrijk Alph.Register der Resolutiën van de Staaten van Friesl.1570-1780, vanj. a. de chalmot, Kampen 1784.[179]Invriemoet,Athenæ Frisiacæ, Leov. 1758, komt eene Lijst voor van deze Curatoren, voorafgaande die der Hoogleeraren, met levensschetsen van ieder. Over deze Hoogeschool zal in hetvervolgnader worden gesproken.[180]Omtrent de laatste onderwerpen zie menfoeke sjoerds,Beschrijv.II 342 en de Staats-resolutiën;de wal,Oratio de claris Frisiæ Jureconsultis, Leov. 1825, 415.[181]Zie over de Grietenij-besturen de hier vóór aangehaalde werken, benevensc. l. â beijma,Tractatus de Grietmannis, Fran. 1780;h. b. van sminia,Nieuwe Naamlijst van Grietmannen, Leeuw. 1837;de Grietmannen in Friesland, aldaar 1848.[182]Dat hiervan misbruik werd gemaakt en dat vooral PrinswillemV zijne vrienden alsPremieraan het hoofd der Magistraten stelde, heeft in het laatste tijdperk der republiek veel stof tot misnoegen gegeven. Zie daarover in ’t bijzonder (allart)de Vrijheid, 4edr. Amst. 1783, bl. 241, env. Ook dáárom trokken sommige steden in 1782 deze vrijwillige opdragt in, en vernieuwden zij vervolgens zelve hare Magistraat. Vele Raadsbestellingen der steden zijn opgenomen in de drie laatste deelen van denTegenw. Staat; in het 4edl. daarvan is eene uitvoerige beschrijving van de geheele Regering. Zie ookfoeke sjoerds,Beschrijv.II 378.[183]Met opgave van al de bijzonderheden is dit onderwerp uitvoerig behandeld in het vierde deel van denTeg. Staat, bl. 273. Zie ookfoeke sjoerds, I 265, II 452;Regist. der Staats-res.opDijken, enz.[184]HetCompendium der Kerkelijke Wettenis eerst uitgegeven door Do.g. nauta, Amst. 1757, en in 1771 verbeterd en vermeerderd herdrukt te Leeuwarden. In 1806 is daarop gevolgd eenWetboek en Kerken-orde voor Vriesland, door de Synode van 1804 vastgesteld.[185]Zie die Res. en Lijst dier Vastigheden in de daarvan uitgegeveneBilletten van Verkoping, Leeuw. 1762 en 1763, 4o. 2 dln.[186]Omstreeks het midden der vorige eeuw zijn er door de Predikantenlaurman,columbaendreas,greydanus,reinalda,grevensteinenengelsma,Naamlijsten van de Hervormde Predikanten, welke sedert de reformatie in de zes klassen vanFrieslandhet evangelie hebben verkondigd, uitgegeven, meest voorzien met aanteekeningen, waarvan sommige van veel historisch belang zijn.[187]Zie over den aard en de geschiedenis van dit regt de beide werkjes van den Heer Mr.w. w. buma,het regt der Hervormde Floreenpligtigen op de verkiezing van Predikanten en op het Beheer van Kerkegoederen, Leeuw. 1849, ende Onbevoegdheid der Alg. Herv. Synode tot het regelen van het Beheer der Plaatselijke Kerkegoederen, Leeuw. 1851, gelijk ook de werkjes van den Eerw. Heerj. h. reddingius gz.over dit onderwerp. Vele, overigens weinig bekende bijzonderheden zijn daarin opgenomen.[188]Zie zijneAlgemene Beschrijvinge van Friesland, II 542.[189]Nog heden ten dage zijn de bijeenroepingen van de Floreenpligtigen in de dorpskerken, welke wij in de dagbladen lezen, een overblijfsel van de magt en het regt der ingezetenen op de regeling van hunne gemeentelijke belangen. ZieAanteekening 22.[190]Grondwettige Herstelling van het Nederl. Staatswezen, Amst. 1784, I 81. Het derde deel, waarin de Staatsvorm vanFrieslandin het bijzonder zou behandeld worden, is echter niet verschenen.
[169]Zie over dit onderwerp de belangrijkeVerhandeling over het Stemrecht, doorp. wierdsma, Leeuw. 1792, en de Dissert.de Jure Suffragandi, vane. de wendt van sytzama, Utr. 1841.
[170]Uitvoeriger berigten nopens deze Staats-collegiën vindt men infoeke sjoerds,Beschrijv. II 88;van burmania,de Jure Comitiorum, Fran. 1751, enTegenw. Staat, IV 1. De Dissert. van Mr.s. w. h. a. van beijma thoe kingma,Hist. Ord. Fris.Leiden 1835, behoort tot een vroeger tijdperk, van 1515-1581.
[171]Zij betoogden dit in 1651 in een stuk bijaitzema, fo. III 542.
[172]Hiervan zijn de zoogenaamdeLandsdag-penningenafkomstig, die, aan de eene zijde het borstbeeld des Stadhouders en aan de andere zijde het wapen des Stadhouders, omgeven van die der elf steden, vertoonende, namens den Vorst aan hare Volmagten ten landsdage werden uitgereikt.Van loon,Historiepenn.IV 169, heeft die bestemming alzoo verkeerd opgegeven.
[173]Zie de geschiedenis van dit en de andere Vorstelijke Gebouwen teLeeuwardenin deGeschiedk. Beschrijv.II 295 env. en eene Volglijst dezer Stadhouders in de tweede Tijdrekenk. Lijst hier achter. Ik herhaal hier den wensch, dat de Levens dezer Vorsten eenmaal naauwkeurig mogen worden opgemaakt, vooral uit die groote verzameling stukken, uitmakende het Archief dier Stadhouders, welke ik in 1837 heb opgespoord in het Rijks-Archief en Huis-Archief des Konings, volgens mijn berigt inde Vrije Fries, II 18.
[174]Jhr.e. m. van burmaniagaf in 1742 eeneNaamrolvan deze Raden van het Hof met korte levensschetsen in ’t licht. Een vervolg daarop, bevattende de namen der Rentmeesters van de Domeinen, Procureurs-Generaals, Griffiers, Substituten en eerste Deurwaarders, verscheen in 1748. De Saksische Ordonnantie komt voor in hetCharterb.II 35 en de Lands Ordonn. ald. IV 1138, V I, 99. Zie over de Canselarij en genoemde gevangenissen deGeschiedk. Beschrijv.I 112, 260; II 319, 333 env. Voortsfoeke sjoerds,Beschrijv.II 291;Tegenw. Staat, IV 139. De Dissertatie van Mr.j. m. van beijma, Leiden 1835, bevat de geschiedenis van het Hof van zijn oorsprong tot het einde der 16eeeuw.
[175]Een uitvoerig overzigt van al de menigvuldige en zware belastingen, welke in de vorige eeuw inFrieslandgeheven werden, vindt men in denTegenw. Staat, IV 337. Zie daarover ook het belangrijke boekje van Mr.d.Over de belastingen der Republiek, Amst. 1837, bl. 127, 167.
[176]Zie opm.bij dezevoetnoot.Zie deswege Prof.n. ypey,Verhandeling over de Quotae, Harl. 1784, en vooral de krachtigeDeductieder Friesche Staten van 1786, in groot en breed 4ogedrukt, waarin tevens de ware toestand van ’s lands financiën is bloot gelegd. Prof.ypeyberekende, dat de Quota vanFriesland, in verhouding tot de overige provinciën, moest zijn: 9 Gld. 12 St. 2 Penn. Eerst in de laatste jaren der republiek, omstreeks 1792, vond dit gehoor, en werd de Quota dezer provincie op ruim 9 Gld. gesteld.
[177]ZieCharterboek, V 330, 477, 485, 493, 521, 558, enTegenw. Staat, III 13, waar eene uitvoerige beschrijving van dit Collegie voorkomt.
[178]Zie omtrent deze en verdere opgenoemde betrekkingen de Staatsbesluiten in het belangrijk Alph.Register der Resolutiën van de Staaten van Friesl.1570-1780, vanj. a. de chalmot, Kampen 1784.
[179]Invriemoet,Athenæ Frisiacæ, Leov. 1758, komt eene Lijst voor van deze Curatoren, voorafgaande die der Hoogleeraren, met levensschetsen van ieder. Over deze Hoogeschool zal in hetvervolgnader worden gesproken.
[180]Omtrent de laatste onderwerpen zie menfoeke sjoerds,Beschrijv.II 342 en de Staats-resolutiën;de wal,Oratio de claris Frisiæ Jureconsultis, Leov. 1825, 415.
[181]Zie over de Grietenij-besturen de hier vóór aangehaalde werken, benevensc. l. â beijma,Tractatus de Grietmannis, Fran. 1780;h. b. van sminia,Nieuwe Naamlijst van Grietmannen, Leeuw. 1837;de Grietmannen in Friesland, aldaar 1848.
[182]Dat hiervan misbruik werd gemaakt en dat vooral PrinswillemV zijne vrienden alsPremieraan het hoofd der Magistraten stelde, heeft in het laatste tijdperk der republiek veel stof tot misnoegen gegeven. Zie daarover in ’t bijzonder (allart)de Vrijheid, 4edr. Amst. 1783, bl. 241, env. Ook dáárom trokken sommige steden in 1782 deze vrijwillige opdragt in, en vernieuwden zij vervolgens zelve hare Magistraat. Vele Raadsbestellingen der steden zijn opgenomen in de drie laatste deelen van denTegenw. Staat; in het 4edl. daarvan is eene uitvoerige beschrijving van de geheele Regering. Zie ookfoeke sjoerds,Beschrijv.II 378.
[183]Met opgave van al de bijzonderheden is dit onderwerp uitvoerig behandeld in het vierde deel van denTeg. Staat, bl. 273. Zie ookfoeke sjoerds, I 265, II 452;Regist. der Staats-res.opDijken, enz.
[184]HetCompendium der Kerkelijke Wettenis eerst uitgegeven door Do.g. nauta, Amst. 1757, en in 1771 verbeterd en vermeerderd herdrukt te Leeuwarden. In 1806 is daarop gevolgd eenWetboek en Kerken-orde voor Vriesland, door de Synode van 1804 vastgesteld.
[185]Zie die Res. en Lijst dier Vastigheden in de daarvan uitgegeveneBilletten van Verkoping, Leeuw. 1762 en 1763, 4o. 2 dln.
[186]Omstreeks het midden der vorige eeuw zijn er door de Predikantenlaurman,columbaendreas,greydanus,reinalda,grevensteinenengelsma,Naamlijsten van de Hervormde Predikanten, welke sedert de reformatie in de zes klassen vanFrieslandhet evangelie hebben verkondigd, uitgegeven, meest voorzien met aanteekeningen, waarvan sommige van veel historisch belang zijn.
[187]Zie over den aard en de geschiedenis van dit regt de beide werkjes van den Heer Mr.w. w. buma,het regt der Hervormde Floreenpligtigen op de verkiezing van Predikanten en op het Beheer van Kerkegoederen, Leeuw. 1849, ende Onbevoegdheid der Alg. Herv. Synode tot het regelen van het Beheer der Plaatselijke Kerkegoederen, Leeuw. 1851, gelijk ook de werkjes van den Eerw. Heerj. h. reddingius gz.over dit onderwerp. Vele, overigens weinig bekende bijzonderheden zijn daarin opgenomen.
[188]Zie zijneAlgemene Beschrijvinge van Friesland, II 542.
[189]Nog heden ten dage zijn de bijeenroepingen van de Floreenpligtigen in de dorpskerken, welke wij in de dagbladen lezen, een overblijfsel van de magt en het regt der ingezetenen op de regeling van hunne gemeentelijke belangen. ZieAanteekening 22.
[190]Grondwettige Herstelling van het Nederl. Staatswezen, Amst. 1784, I 81. Het derde deel, waarin de Staatsvorm vanFrieslandin het bijzonder zou behandeld worden, is echter niet verschenen.
De vrede vanMunsterhad in den staatkundigen toestand vanNederlandeene groote verandering te weeg gebragt. Nog grooter werd deze, toen kort daarna de jeugdige Stadhouder PrinswillemII overleed (1650). DaarGroningenenDrenthenu den Frieschen Stadhouder, Graafwillem frederik, mede tot den hunnen aannamen, zoo stonden deze drie noordelijke gewesten vervolgens tegen al de overige stadhouderlooze provinciën over, en gaven de uiteenloopende belangen en inzigten dikwijls aanleiding tot hevige botsingen.Frieslanden zijn Stadhouder hadden nu alle kracht en beleid noodig, om zich te doen gelden tegen het overmagtige en overmoedigeHolland, dat, sterk door zijne ligging, welvaart en rijke hulpbronnen, nu het de landprovinciën minder noodig had als bolwerken tegenSpanje, zijn belang en staatkunde voortaan alléén wilde doen zegevieren, en zijn wil als eene wet trachtte te doen gelden. DátHollandijverde vooral vóór de Souvereiniteit der provinciën, vóór de vermindering van de land- en de vermeerdering van de zeemagt, doch tegen het Stadhouderschap. Ten aanzien van dit laatste vond het steeds een krachtigen bestrijder inFriesland.
Dit bleek reeds op de Groote Vergadering, welke in Januarij 1651 te’s Hagewas bijeengeroepen tot regeling van de drie gewigtige punten: het bondgenootschap, de godsdienst en het krijgswezen (unie,religieenmilitie). Ruim 300 afgevaardigden uit de verschillende gewesten kwamen daar bijeen.Frieslandzond er zestien van zijne bekwaamste staatkundigen met den Lands Secretaris,en had de eer, als voorzittende provincie, de vergadering door Dr.pibo van doma, Ontvanger en Dijkgraaf van Kollumerland, met eene rede te doen openen, waarna de beroemde Raadpensionarisjacob catsde voorstellen mededeelde enHollandsgezindheden ontvouwde[191]. Wel zegevierde de staatkunde dier provincie, al ontweek zij ook het punt van het Stadhouderschap; doch toen zij in 1654 in haren afkeer tegen de onvoorzigtige handelingen van PrinswillemII zoo ver ging, dat zij, bij eeneacte van seclusie, diens eenigen zoon van de hoop op eenig bewind wilde uitsluiten, toen verzetten de Staten vanFrieslandzich krachtig daartegen. In hevige bewoordingen betoonden zij zich verontwaardigd »over de ongehoorde ondanckbaerheyt tegens het loffelyck huys van Orangien, waer van de voorouderen soo treflich van den Staet deser vereenigde Nederlanden hebben gemeriteert, met haer goet ende bloet beschermt, ende soo notable victorien bevochten, waer door wy van die gedreigde ende bynae onvermydelycke slavernie syn gepræserveert, ende met Godes zegen tot soo een glorieuse Staet gebracht, als daer in wy ons tegenwoordichlyck bevinden”[192].
De afgevaardigden vanHolland, stelden alle moeite in het werk, omFrieslanddit protest te doen intrekken; zij leverden eene ernstige wederlegging daarvan in, waartegen de ijverige Friesche afgevaardigden,hautboisenvan wyckel, niets schuldig bleven, zoodat men hoe langer hoe meer op elkander verbitterd geraakte. Krachtigdeden de Friezen het regt van het Vorstelijk huis gelden tegen het onregtvaardig gedrag vanHolland, dat steeds de andere provinciën trachtte te overvleugelen. Zij drongen er mede op aan, dat hun Stadhouder tot Veldmaarschalk benoemd wierde, toen deze waardigheid door den dood van den Heervan brederodewas opengevallen (1655). Te vergeefs: want die Stadhouder was door het aanvoeren van het leger des Prinsen tegenAmsterdamook bijHollandin ongenade gevallen.—Zóó ijverden de verbroederde gewesten tegen elkander en verzwakten de goede verstandhouding, welke duurzaam van zoo hoog belang was, dewijl het vaderland gelijktijdig van buiten bestookt werd door een vijand, die niet enkel Hollands hartader, handel en scheepvaart, maar ook de eer en de onafhankelijkheid des geheelen lands bedreigde.
Hevige burgertwisten inEngelandhadden in 1649 ten gevolge, dat KoningkarelI, de schoonvader van PrinswillemII, onthoofd- en dit rijk tot een gemeenebest verklaard werd onder het Protectorschap vanolivier cromwell. Deze betoonde zich al spoedig vijandig tegenNederland, dat den verdreven koningszoonkarelII had opgenomen, en welks bloeijende scheepvaart en handel den nijd hadden opgewekt der Engelschen, die, eene aanzienlijke zeemagt bezittende, het meesterschap over de zee voor zich alléén begeerden. Hoe gevaarlijk het ook was, zich met die zeemagt te meten—voor ons land was een oorlog onvermijdelijk; vooral, nadatcromwellonzen handel een gevoeligen slag had toegebragt door deacte van navigatie(Oct. 1651), waarbij aan vreemden werd verboden, hunne waren binnenEngelandte voeren, ten zij met Engelsche schepen. Vanhier, datde Generale Staten, die in dit jaar onze zwakke vloot van 40 schepen reeds met 36 versterkt hadden, in het volgende jaar bevolen, dat de zeesteden nog 50 en de admiraliteiten nog 100 schepen zouden uitrusten. Van de eerste, of de directieschepen, zouHolland38,Zeeland9 enFrieslandmetGroningen3 leveren; van de laatste, of de landsschepen, moesten de admiraliteiten van deMaas, vanZeelanden hetNoorder-kwartier(Noord-Holland) ieder 161⁄2,FrieslandmetGroningen171⁄2enAmsterdamde overige 33 schepen bekostigen[193].
Bij eene nieuwe regeling van het Nederlandsche Zeewezen hadFriesland, in vereeniging metGroningen, in 1596 een eigenCollegie ter Admiraliteitverkregen, hetwelk teDokkumwas gevestigd. Dan de minder gunstige ligging van deze stad tot aanbouw, toerusting en het uitbrengen van oorlogsschepen gaven reeds in 1603 aanleiding tot een voorstel, om dezen zetel van het Collegie te verplaatsen. Ook later, toen het verviel en vrij werkeloos bleef, drong men daarop aan, totdat eindelijk in 1642 (toen het niet meer dan 4 schepen bezat, waarvan het grootste slechts 16 stukken voerde), het besluit genomen en in 1645 volbragt werd, om het Collegie ter Admiraliteit te verplaatsen naarHarlingen, welke stad verpligt werd, den zetel en de gevangen- en pakhuizen van het Collegie te bekostigen[194]. Van de gunstige ligging, ruime havens en veel beschikbaren grond tot werven in deze zeestad, welke gedurende de laatste halve eeuw zoo zeer in bloei was toegenomen, verwachttemen voor de belangen van het provinciale zeewezen gunstige gevolgen. Voor de uitbreiding en bescherming van de scheepvaart en handel vanHarlingenzelf scheen deze verplaatsing van zulk aanzienlijk ligchaam mede van groot belang te zijn. En toch bleef het Stedelijk Bestuur nalatig in het voldoen aan gezegde verpligting, waartoe het nog in 1653 moest aangespoord worden[195]. Het Collegie was alzoo dáár nog niet volkomen gevestigd, toen de eerste Engelsche oorlog uitbrak, en het zich op eens verpligt zag tot zulk een belangrijken aanbouw en uitrusting van oorlogsschepen. Hierop geheel niet voorbereid of ingerigt, voldeed het tragelijk aan deze, door den dreigenden nood gevorderde verpligting, waarom de Friesche Staten, die in 1652 consent gaven tot het aanwenden van 2 tonnen gouds en in het volgende jaar van 2 millioen gulden ten behoeve van het zeewezen, hun ongenoegen te kennen gaven over de nalatigheid en de verkeerde handelingen van het Collegie. De Friesche Admiraliteit kon dan ook in 1653 tot de 154 schepen, waaruit onze zeemagt toen bestond, niet meer dan 10 bodems van 137 stukken, bemand met 500 matrozen, toebrengen[196]. Bij herhaling deden de Staten hun misnoegen blijken over het slecht bestuur van het Collegie, dat in 1656 tot verantwoording werd geroepen wegens de gelden, voorgeschoten tot het bouwen van 60 schepen van oorlog. Sedert dien tijd schijnen de zaken gunstiger te zijn gegaan, en werd het alleen in 1659 212,000Gld. toegestaan tot aanbouw en uitrusting van schepen, opdatFrieslandhet zijne mogt toebrengen tot de middelen ter verdediging des vaderlands.
Bij dezen, in den aanvang zoo gebrekkigen, toestand der schepen, die tevens te min geschut en te weinig bekwaam volk hadden, moest het beleid en de moed der vroeger gevormde zeelieden veel vergoeden. Was het een geluk voor den staat, dat de later zoo beroemdemichiel adriaansz. de ruyterzich in 1652 eindelijk liet bewegen, in ’s lands dienst te treden en, als Vice-kommandeur op eene vloot van 30 schepen, 60 koopvaardijschepen te geleiden en te beschermen tegen de Engelschen,—op dien eersten togt blonk, als het eerste dappere bedrijf, de heldhaftigheid van een Friesch Kapitein uit. Deze wasdouwe aukes, bevelvoerende op een der twee grootste Oost-Indievaarders, die nu ten oorlog waren toegerust, deStruisvogelofVogelstruisgeheeten, gewapend met 40 stukken en 200 man, terwijl het schip vande ruyterzelven slechts 28 stukken en 134 koppen voerde. Op den middag van den 26 Aug. 1652 was het gevecht tegen den Vice-admiraalgeorge ayscue, die 40 schepen onder zich had, bijPlymouthpas begonnen, toen bovengenoemd schip vooruit snelde en zich alleen te digt onder de Engelschen begaf, die dadelijk met drie of vier groote schepen den Struisvogel meenden te vernielen, door hem van alle zijden fel aan te tasten. De matrozen, ziende dat geen der Hollandsche schepen opkwam om hen te ontzetten, wilden niet vechten, maar het schip overgeven, waartoe ze hun Kapitein poogden te dwingen. Doch met het gevaar steeg den moed van dezen, die het uiterste wilde wagen. Met een sabel in de eene en een lont in de andere hand, »trad hij onder de Maets, dreygende hun alle, in geval sij nu niet vromelijck vochten, in de Lucht te doen springen, luidkeelsroepende: Schept moed, mijn kinders, schept moed. Ik zal u den weg wijzen, en als wij de vijanden niet langer konnen wederstaan, dan zal ik u alle van de gevangenisse bevrijden, door middel van de lont, dien ik in de hand hebbe.” Die taal maakte een gewenschten indruk en herstelde den verflaauwden moed der zijnen: ieder vloog naar zijne plaats en post. »En den valjantendouwe, die een Stuck op den Overloop hadde staen, waermede hy Seyn dede van los te branden, vierde met 24 Stucken in den Engelsman, die hy vry dicht had laten komen, soodat die met Volck en al wat daer op was dadelijck is gesoncken. Stracks kreeg hy het tweede Engels Schip op zij, een Bengel met 50 Stukken;douwetrefte die als de eerste met syn tweede Laeg Geschuts, soodat die oock stracks te gronde ging: op dese twee Schepen waren by de 900 Zielen, waer af niet eenen (dat men weet) levendig gebergt is. Den derden Engelsman, onder zyn scheut komende, kreegh ook soo veel, dat hy krengde;” waarna onze dappere Kapitein, na een verlies van 30 man, den weg open vond, om uit den drang te geraken en zich bij ’s lands vloot te voegen[197]. In den avond namen de Engelschen, die 1300 dooden hadden, de vlugt, ende ruyter, verwonderd over den uitslag vandezen strijd tegen zoo groote overmagt, betuigde: »Als de almagtige God kloekmoedigheid wil geven, dan verkrijgt men de overwinning”[198].
Nadatjohan de wittin 1653 Raadpensionaris vanHollandwas geworden, deed hij moeite dezen oorlog te doen eindigen, hetgeen eerst in 1654 gelukte. Bij voortduring werd er echter eene uitbreiding onzer zeemagt vereischt, om het gezag van den Staat als zeemogendheid te vestigen. Hierin slaagde men boven verwachting, en mogten onze voortreffelijke zeevoogdende ruyter,corn. tromp,de with,van wassenaaren anderen grooten roem behalen bij de bescherming van onzen handel in de Oostzee en de verdediging vanDenemarkentegenZweden(1655, 1659), door het straffen van de zeeroovers in de Middellandsche zee (1656, 1661), door het beteugelen van de Kaapvaart der Franschen (1656), in den oorlog metPortugal(1657), en bij de bescherming van onzen handel, scheepvaart en buitenlandsche bezittingen.karelII, die inHollandzoo vele blijken van gastvrijheid en hulde had ontvangen, was echter naauwelijks op den Engelschen troon hersteld, of deze trouwlooze Vorst deedNederland, welks bloeijende handel ook zijn nijd en wrevel had opgewekt, den oorlog aan (1665), nadat de vijandelijkheden reeds vroeger op eene verraderlijke wijze waren begonnen door het wegnemen van eenige onzer schepen en bezittingen. De verontwaardiging over zulk eene handelwijze spande de veerkracht onzer landgenooten, om alles aan te wenden, wat tot wederstand en vernedering van zulk een vijand kon strekken. De Staten vanFrieslandwaren thansmeer dan ooit gezind, het hunne tot versterking der vloot bij te dragen. »Nu ontwikkelde ook de Vriesche Admiraliteit eene tot dusverre ongekende magt. Met geenen minderen ijver dan hare gezusters bezield, wist zij thans niet alleen het getal harer schepen aanmerkelijk te vermeerderen, maar dezelve ook zoodanig te doen uitrusten, dat zij onder de schoonste, best gewapende en uitmuntendst bemande van ’s Lands vloot gerekend werden[199]; waardoor de Vriesche zeelieden in de gelegenheid gesteld werden, om onder bijzondere opperhoofden deel te nemen aan de groote zeeslagen van dit tijdperk, hunnen van oudsher verkregen roem mannelijk te handhaven en zelfs te vermeerderen. Met den aanvang van dezen oorlog verdubbelde die Admiraliteit hare werkzaamheden, en nam het getal van hare groote schepen zoo aanmerkelijk toe, dat zij in staat was, een aanzienlijk en voortreffelijk smaldeel te leveren, hetwelk met die der overige collegien niet slechts kon vergeleken worden, maar die van sommige overtrof. Nu meenden de Staten vanVriesland, daartoe aangespoord door hetgeen omtrent de verheffing van zoo vele hoofdbevelhebbers inHollandenZeelandgebeurd was, het noodig en nuttig te wezen, en geregtigd te zijn, om over hunne scheepsmagt ook eenen Luitenant- en Vice-Admiraal en eenen Schout-bij-nacht aan te stellen; tot welke waardigheden zij, in Lentemaand 1665, verhieven de Kapiteinenauke stellingwerf,rudolf coendersenhendrik bruynsvelt”[200].
Deze, aan het hoofd geplaatst van het 5eeskader, dat uit 14 Friesche en Groninger oorlogsschepen bestond, vereenigden zich met ’s lands vloot, welke door de zorg der Admiraliteiten en vande witttot eene ongemeene sterkte was opgevoerd, vermits zij een getal uitmaakte van 103 schepen van oorlog, 7 jagten, 11 branders en 12 galjoten, gewapend met 4869 stukken geschuts en voorzien met ruim 21,000 matrozen en soldaten. Deze magtige vloot, welke men bestand achtte, om zich met de Engelsche zeemagt te meten, stak den 23 Mei 1665 onder het opperbevel van den Luitenant-Admiraaljacob van wassenaar obdamin zee. Doch tegen alle verwachting was de uitslag hoogst ongunstig. Ofschoon vele vlootvoogden wonderen van dapperheid bedreven, liet de, voor deze taak niet volkomen berekende, opperbevelhebber de gunstigste gelegenheid om op de Engelschen voordeel te behalen, voorbijgaan, zoodat, toen hij zelf met zijn schip in de lucht vloog,—de wakkere Admiraalkortenaergevallen en ook onze Admiraalstellingwerffgesneuveld en diens schip, de Zevenwouden, door de Engelschen genomen was, de gansche vloot met groot verlies aftrok en veel verminderd en zwaar beschadigd in de vaderlandsche havens terugkeerde. Vele kapiteins werden wegens pligtverzuim strengelijk gestraft, doch ook andere, die zich dapper hadden gedragen, geprezen en bevorderd. Onder deze laatste wastjerk hiddes de vriesvanSexbierum, die, als Kapitein van het schip: de Steden, zich op dezen togt door ongemeene manhaftigheid en schrander doorzigt onderscheiden hebbende[201], dadelijk instellingwerff’splaats totLuitenant-Admiraal van Frieslandwerd aangesteld.Met weergalooze kracht-inspanning werd de ontredderde vloot hersteld, en reeds in Augustus des zelfden jaars weder naar zee gezonden, en nu wel onder het opperbevel van den algemeen geachten Luit.-Admiraalde ruyter, die, pas uitAmerikain het vaderland teruggekeerd, onzende vrieshet bevel over een der vier smaldeelen van de vloot toevertrouwde. Hoe krachtig en moedig de onzen nu ook waren, zij vonden dit jaar geene gelegenheid, om met de Engelschen slaags te geraken. Men bleef zich dus versterken, in de hoop van in den volgenden jare den vijand op eene geduchte wijze te vernederen. Hiertoe werden krachtige toebereidselen gemaakt, en stonden de Friesche Staten dit jaar eene som van ruim 900,000 Gld. der Admiraliteit ten behoeve der zeemagt toe, en schroomde men niet, daartoe buitengewone heffingen en geldleeningen te doen[202].
Werkelijk stakde ruyterden 5 Junij 1666 met eene verbazende vloot in zee, waarvan het tweede smaldeel, groot 28 schepen, geplaatst werd onder het bevel vantjerk hiddes, die nu het schipGroot Frisiavoerde. Hevig was de hierop gevolgde vierdaagsche zeestrijd, waarin laatstgenoemde zeeheld, nadatevertsengesneuveld was, veelvuldige blijken gaf van ongemeene dapperheid, door bij herhaling moedig op den vijand in te breken, zoodat zelfs vreemden hem den lof gaven, dat hij »een der beste en kloekmoedigste Opperhoofden was, dien een groot deel der overwinning toekwam”[203]. Medeonderscheidde zich zijn Schout-bij-nachthendrik brunsveldt, van wien gemeld wordt, dat hij »sich wonder mannelyk queet: want van twee Vyandts Scheepen ter wederzyde aan boord geklampt zijnde, sulcx dat hij in het midden was leggende, soo heeft hy, in plaats van sich (gelyk de Engelsche Admiraalgeorge ascueghedaen heeft) op te geven en om quartier te roepen, syn Volk tot dapperheydt aangemoedight, en gheordineert, dat se ter weder-zyden souden overspringen en Enteren, gelyk ook aanstonts soo gheseght soo gedaen wierdt, nemende de valjantebrunsveldt, eer hy eenige assistentie konde bekomen, beyde zyn Bespringers wegh, en maakte hun beyde tot syn ghevangens.” Niet genoeg bezet en daarna bevrijd, werden deze schepen van 40 en 58 stukken echter door Kapiteinpaauwten tweeden male vermeesterd[204].
Groot was de vreugde in het vaderland over de schitterende overwinning, welke op dezen togt werd behaald. Men wilde echter het behaalde voordeel vervolgen en den vijand door vernedering tot vrede dwingen. Met den meesten ijver werd de vloot van de bekomene schade hersteld, zoodat reeds in Julij weder eene zeemagt het vaderland verliet, welke uit niet minder dan 118 zeilen, voorzien met ruim 22,000 man, bestond. Op den 4 Augustus 1666 ving de strijd weder aan, doch onder mingunstige omstandigheden voor de onzen. Het Zeeuwsch en Friesch smaldeel, onder de Luit.-Admiralenjan evertsenentjerk hiddes de vries, had de voorhoede, viel het Engelsch eskader der witte vlag kloekmoedig aan en leed daarbij geweldig, doch verdedigde zich gedurende eenige uren mannelijk. Weldra echter werden beide Admiralen, gelijk ook de Vice-Admiraalcoenders, in het heetste van het gevecht, doodelijk gewond. »Hierdoor van hunne voornaamste Hoofden verstoken, verliezen de anderzins dappere Zeeuwen en Vriezen hunne gewone kloekmoedigheid.” Terwijl nu de voorhoede wijkt, verflaauwt de moed der overige schepelingen van dit eskader, en valt de vijand met des te meer geweld op den middeltogt vande ruyteraan, die, eindelijk, strijdende wijkt en vervolgens den terugtogt aanneemt, zoodat hij met geringe verliezen de vloot in het verslagene vaderland terugbragt. In het volgende jaar 1667 wischte hij echter door zijn stouten togt naarChattamde smet dezer nederlaag uit, en werden de Engelschen gedwongen tot vrede, die nog in dat jaar teBredawerd gesloten[205].
VoorFrieslandvooral was het sneuvelen van den voortreffelijkentjerk hiddes de vrieseen groot en onherstelbaar verlies. De Zeeuwsche Admiraliteit getuigde van hem[206], »dat hij begaafd was met vele uitmuntende hoedanigheden, om zijne betrekking van Luitenant-Admiraal waardiglijk te bekleeden, en dat hij in de uitvoering daarvan menigvuldige bewijzen gegeven heeft, niet alleen van soldaat- en zeemanschap, maar ook van goede orde en conduite, mitsgaders van prompteexpeditie.”De ruyterschatte hem zóó hoog, dat hij niemand waardiger achtte hem in het opperbevel op te volgen dande vries, van wiens kunde en trouw hij volkomen overtuigd was. Algemeen werd hij »als een der kundigste en dapperste Zeehelden van dit tijdperk” geroemd. Ook ’s lands Staten gaven blijken van hunne erkentenis bij zijnen dood, door het bezorgen van eene plegtige uitvaart bij zijne begrafenis teHarlingen, en door den zoon, na zijn sneuvelen geboren en tevens moederloos geworden, in hunne bescherming te nemen[207].
Tot opvolger vande vrieswerd niet de vroeger zoo loffelijk vermeldedouwe aukesgekozen, maar een edelman,hans willemBaronvan aylva, die toen Kolonel was bij het krijgsvolk te land; een man, die wel in 1667 den togt naarChattammede maakte, doch een land- en geen zee-officier was, waarom hij in 1672, toen hij tevens tot Luitenant-Generaal der landmagt was bevorderd, zich niet bij de vloot voegde, maar, beter op zijne plaats, tot bescherming vanFrieslandaan land bleef[208].
Tot dien laatstgenoemden zeetogt leverdeFrieslandslechts een fregat en een advisjacht, en in 1673 voegden zich slechts drie Friesche oorlogsschepen, benevens een brander en twee kleine vaartuigen, bij ’s lands vloot. Ook werd er inaylva’splaats geen nieuwe Luit.-Admiraal aangesteld. De groote inspanning, om zich tegen den vijand te land te verdedigen, geldgebrek, verschillen metGroningenen tusschen de Staatsleden, en bewegingen onder het volk, gevoegd bij toenemende onverschilligheidomtrentFrieslandsbelang bij eene zoo talrijke vloot—ziedaar zoo vele redenen, »waardoor de Vriesche zeemagt, welke in den voorgaanden oorlog zulk eene luisterrijke plaats in de vloot bekleed had, van hare kortstondige grootheid verviel”[209].
In weerwil de bloei der Friesche Admiraliteit zoo zeer was gedaald, bleven de Friesche zeelieden op de vloot, met de Zeeuwen onderbanckersvereenigd, bij herhaling blijken van dapperheid betoonen, door den vijand de meest mogelijke afbreuk toe te brengen. Ook waren er bij die vroegere togten mannen gevormd, die eerst later in de gelegenheid kwamen zich door roemrijke daden te onderscheiden. Onder deze verdient eene eerste plaats de uitmuntende Kapiteinjacob binckesofbenckes, vanKoudum, die, nadat hij de Algerijnsche zeeroovers had helpen tuchtigen, tweemalen als kommandeur met een smaldeel naar deWest-Indiengezonden werd, waar hij vele kloeke daden bedreef, in 1673 metevertseninVirginiëgrooten buit op de Engelschen behaalde,New-Yorkof wel geheelNieuw-Nederlandop de Britten veroverde, en eindelijk »het eilandTabagotot het schouwtooneel maakte eener dapperheid, die eerst de Franschen met schande deed wijken en daarna op den hem toevertrouwden post een roemrijken dood stierf”[210].
Terwijl het vaderland aldus vanbuitenbedreigd werd door een geduchten vijand, die het tot eene tijdelijke overspanning van krachten dwong, welke het op den duur niet kon volhouden, was het vanbinnenverre van rustig en voorspoedig gebleven. De republikeinsche geest der ingezetenen, die scherp acht gaf op de handelingen der regering, meende destijds niet zoo spoedig gebreken of misbruiken in het Staatsbestuur te ontwaren, of men school bijeen, gaf blijken van ernstig misnoegen, en deed de pogingen tot verbetering dikwijls vergezeld gaan van onrustige bewegingen, oploopen en soms wel van gewelddadigheden. Hierdoor werden de beste bedoelingen vaak bezoedeld of verijdeld, en de driften opgewekt der lagere volksklassen, van wier ruwe en ongebonden zeden in dit tijdvak wij vele voorbeelden zouden kunnen bijbrengen, welke geenszins tot eere strekken van dien goeden ouden tijd, dien wij waarlijk niet behoeven terug te wenschen[211].
Zoo werden de stedenLeeuwardenenFranekerin 1657 grootelijks verontrust door burgergeschillen en klagten over de regeringsleden, die hevige verbittering hadden opgewekt, wegens het schenden van de reglementen en de vrijheden der ingezetenen, tegen wier belang eenige weinige staat- en baatzuchtige personen zich van het gezag hadden meester gemaakt. Met veel moeite en door het verleenen van nieuwe Reglementen van Raadsbestelling werden die onlusten door den Stadhouder en de Staten bevredigd[212]. Een ander misbruik dier dagen was het verkoopen van de lands ambten en betrekkingen, zoo burgerlijke als militaire, welke de regenten en bijzonder de Gedeputeerde Staten, die ze beurtelings begaven, in weerwil van vroegere verbodsbepalingen, niet altijd aan de waardigste personen, maar veelal aan hen, die de hoogste som daarvoor aanboden, opdroegen. Het misnoegen hierover, in 1662 op nieuw ontstaan, gaf zelfs aanleiding, dat het Hof twee regenten daarover proces aandeed, waarom de Staten, na lange onderhandelingen, daartegen strenge verbodsbepalingen uitvaardigden,en eene boete van 100 gouden Rijders op de overtreding daarvan vaststelden[213].
Bij al deze bewegingen was het herhaaldelijk gebleken, welk eene vredelievende gezindheid en wijze gematigdheid den Stadhouder, Prinswillem frederikvan Nassau, bezielde. Groot was dus het verlies, toen deze brave Vorst den Friezen in 1664 door den dood ontviel. Een droevig ongeluk was daarvan de oorzaak, en wel het losbranden van zijn eigen pistool, dat eerst weigerde af te gaan en daarna, toen hij naar de oorzaak daarvan wilde zien, hem met een kogel, onder de kin in en nevens het oog uit, dermate trof, dat hij, na het schrijven van brieven aan de Staten en den Prins van Oranje en het maken van schikkingen omtrent zijn huis, zeven dagen later op eene den Christen waardige wijze stierf. De Staten, die hem in 1659 de erfopvolging zijns zoons hadden verzekerd, overtuigd van zijne »loffelycke, meriten, treffelycke daden en singuliere groote diensten in de krygs-expeditien, selfs met gevaer van Lyf en Leven, voor het Vaderlandt gedaen,” huldigden zijne nagedachtenis mede door eene prachtige uitvaart bij zijne begrafenis op den 15 December, waartoe zij de onkosten met eene som van 16,000 Gld bestreden[214]. Bovendien benoemden zij dadelijk zijnen minderjarigen zoon tot hunnen Stadhouder en Kapitein-Generaal, om dezewaardigheden op zijn 20ejaar te aanvaarden, hoewel hij nu reeds in het genot gesteld werd van het traktement. Zijne opvoeding droegen zij zijner moeder en voogdes, de voortreffelijke Prinsesalbertine agnes, op, en deze kweet zich daarvan op eene zoo loffelijke wijze, dat de jonge Vorst eerlang blijken gaf, de hem bij voorraad opgedragene betrekkingen en zijne aanzienlijke afkomst allezins waardig te zijn[215].
Deze ramp werd nu verder gevolgd door eene rij van tegenspoeden, die het vaderland in het uiterste gevaar bragten, die den landzaat groote schade berokkenden, en die de regering en het volk tot eene krachtige inspanning en aanwending van alle vermogens opwekten. Een geweldige storm en springvloed veroorzaakten in December 1665 talrijke dijkbreuken en eenen watervloed, zoo alsFrieslandsedert 1570 niet had ondervonden[216]. Eene schrikkelijke pestziekte woedde, vooral in de steden, en rukte duizenden weg (1665, 1666)[217]. De oorlog metEngeland(waarvan wij reeds hier vóór gewaagden) dreigde heviger dan ooit, en noopte tot verbazende uitrustingen, wervingen en geldheffingen, onder bestendige wisseling van nederlagen en zegepralen. Doch niet enkel ter zee, ook te land werdNederlandgelijktijdig aangevallen en wel aan zijne minst versterkte oostzijde. De oorlogszuchtigechristof bernhard van galen, Bisschop vanMunster, achtte zich door onzen Staat beleedigd,viel de oostelijke grensplaatsen aan en veroverde deDijlerschans, waaruit hij echter door onzen Stadhouderwillem frederikwerd verdreven (Mei 1664). Uit wrok hierover bemagtigde hij een gedeelte vanGelderlandenOverijssel, en, na het winnen der schans vanRooveen, stond hij weldra met 8,000 man aan de onbeschermde grenzen vanFriesland(1665). Groot en algemeen was daarover hier de ontsteltenis en vrees, zoodat vele bewoners van het land met hunne goederen van waarde naar de steden vlugtten. Gelukkig kwam de Veldmaarschalkjoan mauritsvan Nassauweldra over zee herwaarts, stelde zich aan het hoofd der krijgsmagt, en wederstond den vijand, die doorDrentheinGroningerlandwas getrokken, met zóó gunstig gevolg, dat hij eerlang over de grenzen terugtrok, waarna in April 1666 de vrede met den Bisschop werd gesloten[218].
Doch die vrede was kwalijk gemeend geweest, en, had hij eerst geheuld metEngelandtot vernedering van onzen Staat, wier grootheid en aanzien den nijd van alle naburen scheen opgewekt te hebben,—geene drie jaren verliepen er, of die zelfde Bisschop vond daartoe een bondgenoot in den hooghartigen en oorlogszuchtigenlodewijkXIV, Koning vanFrankrijk, die het evenzeer te doen was om deSpaansche Nederlanden(België), welke hij in 1667 aan het hoofd van een leger van 47,000 man binnentrok. Wel scheen het drievoudig verbond tusschenNederland,EngelandenZweden, gelijk ook de vrede vanAken(1668)aan den voortgang der Fransche wapenen een perk te stellen, en vleide men zich in ons land, dat de rust nu spoedig hersteld zou worden en dat men de zoo lang reeds verwaarloosde landmagt niet behoefde te versterken,—men bedroog zich zeer. Hoe gelukkig de staatkunde vande wittook vele gevaren wist af te wenden, het grootste gevaar had hij niet voorzien, gelijk ook niemand vooraf wilde of konde gelooven, dat de Franschen »oyt couragie souden hebben, om tegens soo machtige Bontgenoten in ’t velt te durven komen.” De uitslag was echter geheel anders.
De gekwetste eigenliefde en de roemzucht des jeugdigen Konings, die zoo vele grieven jegensNederlandmeende te hebben; de krijgshaftigheid zijns volks; het aanzienlijk leger en de schatten, waarover hij te beschikken had, en de oorlogszucht zijner bekwame veldoversten—en daar tegenover onze zwakke landmagt en vervallene vestingen bij de afgunst der vijandiggezinde naburen—dit alles begunstigde zijn toeleg, omNederland, het kostte wat het wilde, te veroveren. Daartoe wistlodewijkeerst het drievoudig verbond te ontbinden,EngelandenZwedenaan Frankrijks belang te onderwerpen, en zich van de hulp te verzekeren van den Keurvorst vanKeulen, van de Bisschoppen vanMunsterenOsnabrugen van den Hertog vanBrunswijk-Lunenburg. Deze vereenigde magten hadden den ondergang besloten vanNederland, dat alzoo van alle uitzigt op hulp van buiten was verstoken. Hoe kon de uitslag van dien strijd twijfelachtig zijn? Hoe was het den Nederlanders mogelijk, ook bij de moedigste kracht-inspanning, zoo vele vijanden met hoop op gunstigen uitslag te wederstaan? Hoe gering die hoop ook ware en hoe zeker de ondergang des lands ook scheen—onze vaderen vertsaagden niet, wapenden zich moedig en vertrouwdenden uitslag aan God, dien zij in dezen hoogen nood vurig om hulp en verlossing smeekten.
NadatFrankrijkenEngelandop den 7 April 1672 aanNederlandden oorlog hadden verklaard, troklodewijkXIV in persoon aan het hoofd van een leger van ongeveer 140,000 man met ongemeene snelheid herwaarts, met oogmerk omHollandin eens binnen te dringen en de republiek in den hartader te treffen. Boven alle uitdrukking prachtig en ontzagverwekkend was dat leger, door veldoversten alscondé,turenneende chamillyaangevoerd. Wel hadden de Staten-Generaal, na hevige twisten, eindelijk den twee-en-twintigjarigen PrinswillemIII het opperbevel over het krijgsvolk opgedragen en de zoo lang uitgestelde wervingen bevolen; doch vóór hij met een veldleger van 17,000 man naar de oostelijke grenzen kon trekken, stroomden de Munstersche en Keulsche troepenOverijsselbinnen, waren de steden en vestingen aan den Rijn veroverd en stondlodewijkop onze grenzen om den Rijn over te trekken. Bij dezen overtogt, waartoe men op den 12 Junij eene doorwaadbare plaats had gekozen bij het Tolhuis, niet ver vanLobithen de Kleefsche grenzen, had echter een merkwaardig voorval plaats, dat ik hier wil verhalen, ook omdat het de eer van der Friezen naam verhoogde te midden van de smadelijke vernedering des vaderlands.
Nadat de bevelhebber van ons verdedigings-leger in deBetuwe,de montbas, zijne stellingen aan den Rijn op eene verdachte wijze had verlaten, werd de Veldmaarschalkwirtzdoor denPrins van Oranjenaar den post bij het Tolhuis gezonden. Hij had onder zijn bevel de vier regimenten ruiterij vankingma,haersolte,la lecqenjoseph, en ontmoette hier het regiment voetvolk vanaylva.de montbashad dit laatste doen aftrekkennaarNijmegen. De bevelhebber dezer vesting, overtuigd van het belang van den post bij het Tolhuis, zond deze Friezen echter terug, en, nadat ze op nieuw naarNijmegenwaren gezonden, wederom naar het Tolhuis, waar zij afgemat[219]aankwamen op het oogenblik, dat de overtogt der Franschen was begonnen. De ruiterij vanwirtztrachtte dit te verhinderen, door hevig op de Franschen te vuren. Vruchteloos deed hij op den door het water trekkenden vijand een aanval, doch door het vijandelijk kanonvuur bestookt, trok hij terug en nam met al zijne kavalerie de vlugt. Het regiment vanaylva, datwirtzkrachtig had ondersteund, was nu aan zich zelf overgelaten, en zag het nuttelooze van verderen tegenstand in, nu de talrijke vijand eenmaal den oever had bereikt. Zij willen echter niet vlugten, maar besluiten de wapenen neder te leggen, zich aan den vijand over te geven en van hem lijfsbehoud te vragen.Condéstaat hun dit verlangen onvoorwaardelijk toe. Daar staan zij nu geschaard met hun afgelegd geweer aan hunne voeten, in het volle vertrouwen, dat zij, na zich vruchteloos van hunnen pligt te hebben gekweten, niets van den vijand hebben te vreezen. Doch, wat zien zij? Daar vliegt de Hertogde longueville, wien nog geene gelegenheid tot eenig wapenfeit was gegeven, gevolgd door een stoet van Edelen, ijlings aan op hen, die daar rustig staan. Zij zien den dollen hoop op zich toerijden en denken aan verraad. Zelfs zien zij een hunner officieren (waarschijnlijk afgezonden om tevernemen, of men zich aan ’t woord des Generaals houden mag) doorde longuevillemet eene pistool treffen, en nu is hun besluit genomen, hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen. Immers, het is op voorwaarde van lijfsbehoud, dat zij de wapenen nederlegden? Nu zij bedreigd worden, hebben zij het regt die weder op te vatten.
In de uiterste verwarring schieten zij op den toesnellenden brooddronken hoop in, en ontstaat er een moorddadig gevecht. Maar voor de laatsten, die bij den tot dusver gunstig geslaagden togt altijd lachten, is nu de ure des geweens gekomen. Hoe vermoeid en verontwaardigd de Friezen ook waren, zij treffen zeker.De longueville, de aanvoerder, de volle neef vancondé, stort terneder. Aan zijne zijde valtguitri, Grootmeester der koninklijke garderobe; de Gravendu plessis,de theobon, de Heerenboury,d’aubusson,de la force,de la salle—allen vinden hier hunnen dood. Vele Prinsen, Hertogen, Graven en aanzienlijke Edelen ontvangen wonden, waarvan bijna niemand hunner later geheel herstelde.
Condé, het hoofd der gansche armée, dat vreeselijk schieten hoorende, vliegt toe en gebiedt stilte; maar te vergeefs tracht hij dit bloedbad te stuiten. Een onzer officieren,ossenbroekofhasebroek, trekt de pistool, mikt opcondé, die wel het schot ontwijkt, maar te gelijker tijd zijn arm, verbrijzeld, aan zijne zijde voelt nederzinken. De wond, die hij voelt, het verlies van zijn neef en het onverwachte van dezen aanval maken hem woedend; en, in plaats van nu nog een einde te maken aan dit gevecht, gebiedt hij thans de aansnellende troepen met alle magt op de onzen los te rukken. Nu wordt de strijd hernieuwd. »De Fransche Cavallerye barsten met een groote verwoetheyt los, en vallen met sulken furie als desperate menschen op dese Vriesenaan, die vigoureuse Resistentie bieden.” Doch wat baatte dezen hun heldenmoed, tegen zulk eene aanzienlijke overmagt? Zij bezwijken weldra, terwijl de meesten hun leven duur verkoopen.Lodewijkziet het verschrikkelijke lot der zijnen, en, stampvoetende van spijt en ongeduld, verwenscht hij het oogenblik, waarin hij eene onderneming begon, die hem, pas op den vijandelijken bodem getreden, nu reeds meer edellieden en aanvoerders kostte dan menige veldslag.
Van het schoone regimentvan aylvableef ten laatste, na langdurige worsteling, niet meer dan een klein hoopje over. De namen van eenige hunner aanvoerders zijn ons opgeteekend. Het waren de twee Kapiteinsandries van velsenenduco van hemmema; vijf Luitenants:douwe van eppema,hajo twingbergen,barent hekman,bavius rommedaenjoh. bechius; drie Vaandrigs:frederik van ockinga,tarquinius beintemaenjan duden, met nog 4 Sergeanten en 105 Soldaten. Zij werden allen naarEmmerikgevoerd, waar zij zich langer dan twee maanden met water en brood moesten behelpen. De gesneuvelde helden rusten hier op een thans vergeten akker. Indien zulke mannen door den verraderlijkende montbasniet tot viermalen heen en weder gedreven en niet afgemat en te laat aangekomen waren, om den overtogt te verhinderen—gewis zij zouden alsleonidasmet zijne dapperen dezen toegang tot hun vaderland ligt met zoo veel eer verdedigd hebben als die Spartanen. Zij zouden misschien den Franschen Koning teruggeworpen hebben. Dan zeker prijkte aan den Rijn eene eernaald op hun graf; nu rusten ze ongekend en vergeten.
Maar deze dappere Friezen verdienen niet vergeten te worden: want deze gebeurtenis, als heldenfeit reeds belangrijk op zich zelve, had buitendien twee gevolgen, welke, op dát oogenblik, voor het vaderland van grootgewigt waren. Hun moedig gedrag maakte een diepen indruk op de overmoedige Fransche grooten, die den togt ter verovering vanNederlandals een speeltogtje beschouwden, en werkelijk, zoolang het leger in aantogt was, weinig tegenstand ontmoetten en geringe verliezen leden; doch die hier, bij den eersten tred op onzen bodem, al dadelijk met de eersten van den adel in rouw werden gedompeld. Het tweede voordeel, hierdoor te weeg gebragt, bestond dáárin, datcondéhier de eenige wond ontving, welke hij in al zijne veldtogten heeft bekomen, waardoor hij langer dan twee maanden teEmmerikaan zijne legerstede geboeid en buiten gevecht bleef, waardoor zijn plan mislukte, om met 20,000 ruiters, ieder met een soldaat achter zich op het paard, regelregt opAmsterdamaan te rukken, en deze stad, van waar alle verdedigings-middelen toen naar elders waren verzonden, te overrompelen, om in eens zeker te zijn van den val der gansche republiek[220]. Dat zulk een plan verijdeld werd door dit schot, en dat de Voorzienigheid door dezen tegenspoed des vijands een eerste blijk gaf van hulp en bescherming,—ook dit gaf den vaderen moed in hun benarden toestand en kracht om dien vijand te wederstaan, bij groot gewin van tijd, om zich in staat van tegenweer te stellen. Dáárom blijve dit weinig bekende feit in geheugenis. Dáárom blijven wij deze vaderlandsche helden vereeren! (Zie verderAanteekening 24.)
Bij het voortrukken van de Franschen had PrinswillemIIIOverijsselverlaten en zich naarHollandbegeven, ten einde de oostelijke grenzen dier provincie te bezetten en te verdedigen tegen den vijand. Hij had te gelijk den Luitenant-Generaalhans willemBaronvan aylvamet zijne overige benden naarFrieslandgezonden, ten einde zich geheel te wijden aan de bescherming van dit gewest. Doch naauwelijks was deze teLeeuwardenaangekomen, of hem volgde het berigt, dat alle Overijsselsche steden zich schandelijk hadden overgegeven, en dat de Munstersche en Keulsche benden zich doorDrenthenaarKoevordenenGroningenhadden gewend en op de grenzen stonden vanFriesland. Algemeene verslagenheid maakte zich van aller gemoederen meester; de steden waren onbevestigd en van alles onvoorzien, de troepen moedeloos; het geheele land was vol verwarring en vrees. Men noemde de regering radeloos, het volk redeloos, het land reddeloos.—In plaats van vertrouwen op- was er hevige verbittering tegen het landsbestuur, dat, door het verwaarloozen van de landmagt en van de verdedigings-werken, den vijand zoo zeer ruim baan had gegeven; terwijl het voetstoots overgaan van zoo vele steden en sterkten het vermoeden van gepleegd verraad opwekte. Vele ingezetenen van het platte land vlugtten naar de steden, waar alles in verwarring verkeerde: want elk was verlegen en verwachtte ieder oogenblik den vijand.
In dezen hoogen nood verzochten Gedeputeerde Staten de Raden van den Hove, om hen met raad en daad bij te staan, waarop beide aanzienlijke collegiën in den nacht van den 13een 14eJunij 1672 in stilte bijeenkwamen, om over den gevaarlijken toestand der provincie te raadplegen. Hier gold het de keus tusschen deze twee uitersten: of men zich gemeenschappelijk en met alle krachten tegen den vijand zou verdedigen, dan of men door eeneprovinciale capitulatie, op gunstige voorwaarden, zich uit deze onheilen zoude redden. Die keus was voor Friezen niet lang twijfelachtig. Met ter zijde stelling van alle bezwaren, nam men »een animeuse en cordate resolutie, om tot behout van Religie en Vryheyt, voor haardsteden en altaren met gesamentlijke hand het uyterste te wagen, en goet en bloet tot den laatsten effort te spendeeren”[221]. Men zond dadelijk afgevaardigden uit, om inHollandenGroningenhulp te erlangen, welke echter door niemand werd verleend. Men was dus geheel aan eigene krachten overgelaten. De onmiddellijk bijeengeroepen Staten, die reeds vroeger vast- en bededagen uitgeschreven en eene geldleening van eenige tonnen gouds geopend hadden, benoemden nu eene commissie, die met het nemen van maatregelen tot verdediging dezer provincie werd belast. Zij kon echter over geene grootere magt beschikken, dan over 22 compagniën voetvolk en 15 à 16 compagniën ruiterij, waarmede het gansche gewest op alle punten bezet en de aanvallen des vijands afgewend moesten worden. Hoe geringe magt bij zoo moeijelijke taak! Spoedig riep men dus de vroeger uitgeschrevene ligting van 3,000 man burgers in de wapenen. De Bevelhebbers vanLeeuwarden, die in den nacht dadelijk met den Magistraat, Vroedschap en Predikanten maatregelen hadden beraamd, boden zich aan, om met de geheele burgerij uit te trekken; doch bij voorraad werd dit getal bepaald op 250 man, die in 3 compagniën, benevens eene compagnie vrijwilligers, reeds den volgenden dag »met ongemeene couragie en vreugde uyt marcheerden naarHeerenveen.” Zulk een voorbeeld der Hoofdstad verdreef alle verslagenheid: want door »dit manmoedig Exempel der StedeLeeuwardenraakten alle andere Steden inVrieslandte gelijk met de Huysluyden ten platten lande, om mede in de wapenen te komen, dapper gaande. Geheele Grietenyen boden sich gewillig aan.” Allen voegden zich bij het krijgsvolk vanaylva, ten einde »een Legertjen te formeeren, om daar mede den Vyand te verwachten, en te betoonen, dat sy noch van ’t rechte bloet der oude en beroemde Vriesen waren, die in stantvastigheyt alle Natiën overtroffen”[222]. Dit leger werd dooraylvamet veel voorzigtigheid gebruikt en op de grenzen bestendig in beweging gehouden, zoodat zelfs geen officier kennis droeg van de sterkte dezer magt, welke den vijand groot ontzag inboezemde.
In allerijl werden nu ook de Buiten-fortificatiën der provincie, of de schansenMunnekezijl,Friesche palen,Zwartedijk,Bredenberg,BekhofofBekaf, bij deSchoterbrugenz. hersteld en met krijgsbehoeften en manschap voorzien. Aan de drie hoofdwegen werden er nieuwe verschansingen opgeworpen, als bij deBlessebrug, aan de Wetering tegenover deOudeschouw, teGorredijken twee aan den Zwarteweg op een uur afstands vanLeeuwarden, welke laatste de namen ontvingen vanAlbertine AgnesenHendrik Casimir[223]. Een dergelijk retranchement werd ook aangelegd teHeerenveen, waar de Generaalaylva, die met genoemde commissie alles bestuurde, een hoofdkwartier vestigde. Een ander hoofdkwartier legde hij teBergum, van waar hij zijne voorposten uitzette aan den hoofdweg op de Suameerder heide, waar deze zich verschansingen opwierpen. Met veel grond had men toch van de talrijke belegeraarsvanGroningeneen uitval in deze provincie te wachten, daar de Bisschop besloten had, eerstGroningente bemagtigen en intusschenFrieslandmet 3 à 4,000 man bestendig in alarm te houden. Werkelijk had zulk een uitval reeds den 26 Julij plaats. Na in het Wester-kwartier vanGroningenhunne plunder- en roofzucht betoond te hebben, trokken 13 standaarden bisschoppelijke ruiters overDuurswoudenaarDragten, aan welks zuidzijde zich eene brandwacht bevond, die, op het zien van de groote magt des vijands, naar de voorposten op de heide terugtrok. Deze, alzoo van het naderend gevaar verwittigd, gorden zich aan, trekken den vijand kloekmoedig tegen, waarna de vooruitrukkende ruiters, nabijNijega, spoedig met de Bisschoppelijken slaags geraken. Deze, veinzende terug te trekken, lokken de Friezen in eene hinderlaag, waar een aantal soldaten in het koren verborgen ligt. Doch nu ondersteunt het Friesche voetvolk de ruiterij met zooveel dapperheid, dat zij, na een hevig gevecht, de benden des Bisschops met een verlies van 150 man terugdrijven, waarbij zij slechts 25 man verloren[224].
De gunstige uitslag van deze eerste aanraking met den vijand versterkte den moed der ingezetenen en van het gansche verdedigings-leger in geene geringe mate. Bovendien waren de Friezen onbekrompen genoeg, om, hoezeer zij aan zich zelve waren overgelaten, in den hoogsten nood het fel benardeGroningennog bijstand te bieden met 230 soldaten, 20,000 pond buskruid en 2,000 Gld. geld, alsmede met een konvooi ruiterij,waarmede de Generaalaylvazelf die stad den 14 Augustus bezocht[225]. Men vreesde toen echter, dat de vijand ook aan de zuidzijde, van uitSteenwijk, een aanval opFrieslandzou wagen. En inderdaad had deze plaats. Nadat de Munsterschen eenige ruiterij naarHeerenveenhadden gezonden tot verkenning, en deze door de onzen waren gevangen genomen, vielen zij in den nacht van den 18 en 19 Augustus op de schans van dit hoofdkwartier met groote hevigheid aan. Moedig teruggeslagen, herhalen zij nog twee malen den storm, doch worden door onze dappere verdedigers op nieuw wederstaan, zoodat zij met schade den terugtogt moesten aannemen[226].
Na den vijand alzoo tweewerf tegenstand geboden en teruggeslagen te hebben, had men zelfs den moed, hem in het veroverdeOverijsselaan te vallen en verliezen toe te brengen. Ofschoon eene poging vanaylva, om met 1200 mande Kuinderte veroveren, door het spoedig naderen van ontzet uitKampenenZwollemislukte, liet men zich daardoor niet afschrikken. Ook om ontzag in te boezemen, wilde men een stouten aanslag wagen. Hiertoe werd in de maand Augustus het kleine, doch met zes bolwerken versterkteBlokzylgekozen. Na geheime onderhandelingen met ingezetenen dier plaats, die reeds den Bevelhebber geweigerd hadden, zich door een eed aan den Bisschop vanMunsterte verbinden, waarom hij grootere bezetting had ingenomen, werden den 23 Augustus 450 van de moedigste Friesche soldaten en schutters, onder geleide vandirk van baerdt, GrietmanvanWest-Stellingwerfen Lid van Gedeputeerden, en onder het bevel van den Kapiteinalbert christoffel van hania, over de Zuiderzee derwaarts gevoerd. TeBlankenham, op een uur afstands vanBlokzijl, treden zij aan land, en weldra trekt de Munstersche bevelhebber hen met 300 man en twee veldstukken te gemoet. De Friezen vallen hem aan, en, na een hevig gevecht, gelukt het hun, hem met zoo veel overhaasting terug te slaan naar de schans, dat hij naauwelijks den tijd heeft de poort te sluiten voor zijne vervolgers, die mede pogen binnen te dringen. De gewapende burgers weigeren niet alleen den bevelhebber, om met hem de aanvallers te weêrstaan, maar ze dwingen hem zelfs de sterkte over te geven. Zij besluiten alles tot hunne bevrijding te wagen, jagen de Munsterschen van de wallen en kappen de Kuinderpoort open, terwijl intusschen de moedige Friezen de schans hevig aanvallen en door gracht en poort binnendringen. De vijand vlugt ter Zuiderpoort uit, maar laat, fel vervolgd en beschoten, nog menige doode achter, en daaronder ook den Kommandant, die, toen hij zich met de vlugt dacht te redden, door een Fries wordt doorschoten.
»Alsoo is de FortresseBlokzijldoor de wonderlijke bestieringe des Almogenden Gods, en de overgroote couragie der Vriesche Officieren ende Soldaten, als mede door de voorsichtige hulpe en bystand van de Burgeren, op den 23. Augusti, anno 1672. gewonnen, en in haar oude Vryheyt gestelt.Vollenhovenis ook daar op van de Vyanden verlaten.” De vroeger tweemalen te vergeefs aangevallene sterkeKuinder-schanswerd daardoor mede gedrongen, zich aan de Friezen over te geven.
Wij hebben dit merkwaardige wapenfeit in het bijzonder vermeld, omdat, nog vóór de verlossing vanGroningen, »het kleineBlokzijlzich de eer verwierf, vanhet eerst van alle Nederlandsche steden, het juk der vreemdeoverheersching, door eigene dapperheid en de hulp der Friezen, te hebben afgeworpen”[227]. De moed, om den vijand met goed gevolg te wederstaan en deze provincie verder te beveiligen, werd hierdoor zeer verlevendigd, en nog meer door de bevrijding vanGroningen. Zelfs wil men, dat dit feit en de magt, welkeaylvaverder ontwikkelde, mede hebben bijgedragen, om den vijand het beleg vanGroningen(28 Aug.) te doen opbreken.
Toen deze voordeelen werden behaald, had er echter inFrieslandeene algemeene volkswapening plaats gehad, en was er eene belangrijke gebeurtenis voorgevallen, welke groote gevolgen had. Wij willen den loop dier omstandigheden, uit veelvuldige stukken van dien tijd, zoo kort mogelijk verhalen.
Reeds hebben wij te kennen gegeven, dat de oorzaak van ’s lands ongeval door vele burgers werd geweten aan de Regenten. De handelingen van velen hunner hadden het misnoegen der gemeente zoodanig opgewekt, dat zij het vertrouwen verloren hadden, en bedreigd werden met de blijken eener verbittering, welke reeds den 21 Junij het onstuimig gemeen van en omtrentSneekhet huis van den Grietman vanWymbritseradeelteYsbrechtumdeed plunderen. Niet genoeg, dat overmagtige vijanden dit gewest van buiten met ondergang bedreigden—nog grootere ramp scheen den lande te gelijker tijd van binnen beschoren te zijn, door het misnoegendes volks tegen het gezag en door de verdeeldheid van de Staatsleden onderling, welke eerlang tot eene ontzettende hoogte stegen.
Naauwelijks was op den 6 Julij teLeeuwardenhet berigt ontvangen, dat ook de sterke, ja bijna onwinbaar geachte, vestingKoevordenzich zonder tegenstand aan den Bisschop had overgegeven, of de ontsteltenis en wrevel der burgers bedreigde de algemeene rust. Men school bijeen en maakte elkander het hoofd warm door het opsommen van allerlei grieven en bezwaren zoowel tegen de stads- als landsregering. Op aansporing van eenige predikanten en van den Hervormden Kerkeraad kwamen ruim 60 burgers op den Stads Schutters-Doelen bijeen, die een Voorzitter en Schrijver benoemden en eenige punten ten papiere bragten, welke zij oordeelden, dat tot herstel van de vervallene zaken noodwendig in acht genomen moesten worden. Zij vaardigden daarmede eenigen hunner af naar Prinsesalbertine, de Staten en den Magistraat, en verwierven eenig gehoor, zoodat het besluit werd genomen, om in den uitersten nood de gansche provincie onder water te zetten. Ook de Prinses diende bij de Staten eene memorie in, bevattende voorslagen tot beveiliging van het bedreigde vaderland[228]. Intusschen groeide het getal misnoegden, dat op den Doelen vergaderde, tot 2 à 300 personen aan, die zeven punten aan de Stedelijke Regering voorstelden tot afwering van het klimmende gevaar. Deze stelde de gemeente gerust door zoo veel mogelijk in te willigen, met bepaling, dat ook de andere Steden daarover moesten verstaan worden, weshalve afgevaardigden daarvan op den 11 Julij teLeeuwardenwerden bijeengeroepen. Elf punten stelden deze vast, welke door Gecommitteerdenaan de Staten werden overgebragt. Gelijktijdig vergaderden ook de Predikanten der Klassis vanLeeuwarden, die op den 12 Julij alle Predikanten vanFrieslandin de hoofdstad ontboden, om zich de zaken des lands aan te trekken, en om, in overeenstemming met de stedelijke besturen, voorstellen tot verbetering en redding te doen. Een getal van niet minder dan 150 leeraren verscheen er, en begaf zich in statigen optogt naar het Landshuis, waar zij, bij monde van den moedigen, later zoo beroemden,balthasar bekker, destijds Predikant teFraneker, aan de Staten te kennen gaven, »hoe groot de misbruiken waren, in Kerk en Staat ingeslopen; dat het verval van den Staat voornamelijk was veroorzaakt door het goddeloos ambtverkoopen, waardoor de gemeente bijna werd uitgeput en de rijkdommen gebragt onder eenige weinige personen, die aan het roer der regering zaten, zoodat er Grietmannen waren, die drie of vier van de aanzienlijkste ambten bedienden; dat men alzoo de betrekkingen niet gaf aan de bekwaamsten, maar aan hen, die daarvoor het meeste geld boden, ja zelfs aan kinderen, die den lande geen dienst konden doen; dat kunsten en wetenschappen niet werden gevoed, maar uitgebluscht, en dat men alzoo aan middelen van reformatie diende te denken tot afwering van den nakenden ondergang van den Staat, en bijzonder tot aanstelling van een generaal hoofd” enz. Verder leverden zij eene uitvoerige Deductie in, over wier inhoud zij ook des anderen daags, van ’s morgens tot ’s avonds, met de Staten beraadslaagden[229].