Chapter 13

Het behaagde den Staten aan den laatst geuiten wensch, ook door de Vergadering op den Doelen voorgesteld, dadelijk te voldoen, en op den 13 Julij Zijne Vorstelijke Doorluchtigheid Prinshendrik casimirvan Nassaute ontheffen van het afwachten zijns ouderdoms van twintig jaren, en »te stellen in de dadelycke functie ende poscessie van het Stadthouderschap ende Capiteinschap Generaal dezer Provincie” enz.[230]De jeugdige Vorst, die naauwelijks den ouderdom van 15 en een half jaar bereikt had, doch reeds den 8 Junij te vergeefs aan de Staten verzocht had, om in zijn rang als Kolonel tegen de Franschen te velde te mogen trekken, werd daarop dadelijk van het Hof gehaald, legde den eed af en werd nog dien zelfden dag in het Collegie van Gedeputeerde Staten en in het Hof Provinciaal ingeleid, en met gelukwenschen begroet, in de hoop, dat men van deze bevordering »alles goeds voor den dienst ende welstandt van den Lande onder Godes genadigen zeegen mogt verwachten.”

Deze gebeurtenis gaf algemeen genoegen, en had vooreerst dit gelukkig gevolg, dat de overige nog onverhoorde klagten der ingezetenen zoo lang tot zwijgen gebragt werden, dat de middelen tot landverdediging met gepaste zorg konden worden aangewend. Want reeds op den volgenden dag werd, op aandrang der Steden, het ligten van den derden man bevolen en dadelijk uitgevoerd. Op eens werden er alzoo nog 3000 man in de wapenen geroepen, om voor eene maand tot versterking van het leger of van de schansen te strekken en daarna afgelost te worden. Den 22 Julij trokken vier compagniën burgersvanLeeuwardenuit; twee compagniën (mede ieder van ruim 100 man) volgden later; den 20 Augustus werden allen door op nieuw uitgelote burgers vervangen, die zich naar deOudeschouwen tusschenGarijpenTietjerkbegaven. Eerst thans werden ook de wallen der hoofdstad, die reeds in den vorigen jare in staat van beleg was gesteld, en tot wier versterking de Staten reeds in Mei 24,000 Gld. hadden toegezegd, met kracht van arbeid verhoogd en verbeterd[231]. Nu was er ontzag voor de regering en ijver in de uitvoering; de verslagenheid en vrees, welke de krachten weder hadden verlamd, maakten plaats voor moed en inspanning, en in het overige der maanden Julij en Augustus betoonde het volk zich rustig van binnen en krachtig naar buiten. De jeugdige Stadhouder, in staatszaken door zijne verstandige moeder gesteund en in krijgszaken onderwezen en voorgelicht door een man alsaylva, mogt een zeer gunstigen invloed uitoefenen; en met welk een gelukkig gevolg de door vreemde benden overal omringde Friezen den vijand nu wederstand boden, ja zelfs aanvielen en verdreven—daarvan hebben wij hier vóór reeds uitstekende bewijzen medegedeeld.Aylvabevond zich met het hoofdleger meest teHeerenveen, en zag zijne magt door de genomene maatregelen zoodanig versterkt, dat deze, tegen het einde van Augustus, op omstreeks 8,000 man aan troepen, behalve nog 5,000 gewapende landlieden werd geschat. Hij, die met den bijnaam van »de ontzaggelijke Generaal” was vereerd, nam alle mogelijke maatregelen, omFrieslandvoor een inval des vijands te vrijwaren: sluizen werden opengezet, polders en bedijkte landen geïnundeerd, en veldverschansingenopgeworpen, die de zoogenaamdeFriesche linieuitmaakten. Deze linie begon van deKuinderaan de Zuiderzee, volgde de Linde tot deBlessebrug, ging van daar noordwaarts naar de Tjonger en de verschansteSchoterbrug, wendde zich vervolgens overHeerenveenenTerbandsterschansnaarGorredijk, en van daar over de schansenBredenberg,ZwartedijkenFriesche palennaar de grenzen. Echter is »Frieslandin 1672 minder behouden gebleven door zijne onderwaterzettingen en linie van verschansingen, welke nooit ernstig is aangevallen, als wel door de bekwaamheid vanaylvaen door de geestkracht der bevolking, die, vaardig de wapenen opvattende, spoedig eene magt uitmaakte, welke den vijand ontzag inboezemde en van elken aanval opFrieslanddeed afzien”[232]. Hoe algemeen de nood en hoe dreigend het gevaar in den beginne ook ware—Frieslandbleef, God lof! vrij en ongedeerd, en metZeelandde eenige provincie des vaderlands, waar de overmagtige vijanden, die den ondergang vanNederlandbesloten hadden, geene veroveringen behaalden.

Doch naar gelang het gevaar van buiten verminderde, vermeerderde de onrust van binnen. Daar moest nog een hevige strijd gestreden worden, vóór de vijanden van de regten en vrijheden des volks van het misbruikte gezag ontzet en door meer vrijzinnige mannen vervangen waren. Gelijk de smetstoffen in den dampkring zich allengs ophoopen, totdat ze eindelijk in een vervaarlijk onweder losbarsten, zich zelve verwoesten en een gezuiverden luchtstroom aanvoeren,—zoo leert ook de geschiedenis der volken, dat de meeste staatkundige en kerkelijke instellingen,in den loop der tijden zoodanig ontaarden, dat er soms eene geruchtmakende omwenteling noodig is, om het verbroken evenwigt te herstellen, en om verbeteringen in te voeren, welke vroeger, uit gehechtheid aan het oude, niet konden tot stand komen. Zóó was het geweest voor de reformatie—die hevige ontbranding en algeheele omkeering van zaken!—zóó was het gebleven in de naauwelijks gevestigde republiek. Toen er ten jare 1626 verontrustende volksbewegingen waren ontstaan, en een aantal ingezetenen »Doleancen over de Abusen, in den Staet van Regieringhe in-gesloopen,” inleverde, waren de Staten verpligt geweest, ter bevrediging van de misnoegde burgers »reformatie, resolutie ende approbatie” van al die 35 punten toe te staan. Doch aan de uitvoering daarvan werd kwalijk de hand gehouden. Vanhier zoo vele latere klagten, vooral tegen het verkoopen van de ambten, dat wel in 1662 verboden werd, maar toch bleef voortduren. Vanhier, dat de Staten bij het opkomen van het onweder in 1672, zoo het schijnt uit eigene beweging, den 2 Maart eene commissie benoemden, »om met elkanderen te concerteeren over de beste middelen en expedienten tot een generaele reforme ende verbeeteringe, so in ’t stuk van Militie, of Politie ende Finantien dienende”[233]. Die commissie bleef echter werkeloos, en schenen de regenten er belang bij te hebben, in de bestaande orde of wanorde geene veranderingen te brengen. De Staten hadden daardoor evenwel eene schuldbekentenis gedaan en de noodzakelijkheid van eene reformatie erkend. Dit bleef bij het volk niet onopgemerkt. Het kon echter geene krachtdadige middelen tot herstel verwachten van die zelfde regenten, die bij zoo velen het vertrouwen hadden verloren. Van lieverledewerd dus de strijd voorbereid tusschen de aanhangers van het behoud en van vooruitgang, die, toen de wenschen des volks onverhoord bleven, weldra met geweld zou losbarsten.

Groningenwas bevrijd en de kracht des vijands geknakt;—Blokzylwas gewonnen door onze legermagt, wier sterkte nu ontzag baarde. De nood scheen dus geweken, de overwinning nabij te zijn. Zoo brak de maand September 1672 aan, en keerden de uitgetrokkene burgers terug. Weêr vingen de vergaderingen op den Doelen teLeeuwardenaan. Deze »Doelisten” verzochten den Magistraat, om op nieuw de afgevaardigden uit alle Steden vanFrieslandbijeen te roepen. Dit geschiedde, en op den 9 September werden de vergaderingen van deze op het Raadhuis weder geopend. Zij ontwierpen 53 punten van reformatie, voor het meerendeel de zelfde doleanciën van 1626, doch nu meer uitgewerkt en toegepast op de tegenwoordige behoeften[234]. De hoofdzaken waren gebleven: dat niemand meer dan één ambt zou mogen bedienen; dat geene Grietmannen of ambtenaren leden der Staten mogten zijn, en dat niemand voortaan eenig ambt zou mogen verkoopen of voor geld overdragen.

Deze Remonstrantie der Friesche Steden werd door 37 harer Gecommitteerden, die zich den 12 September in plegtigen optogt naar het Landshuis begaven, den Staten aangeboden. Bij monde vanhieronimus de blau, Burgemeester vanLeeuwarden, verzochten zij de goedkeuring en aanneming van deze punten, »die tot groot nuten eenigste behoud van het land strekten: opdat alzoo eenmaal, de misbruiken geweerd zijnde, de staat des lands in ouden luister en glans hersteld-, het regtmatig misnoegen der gemeente weggenomen- en hare gemoederen gerustgesteld mogten worden.”

Die moedige poging, waarbij tevens de zaak des volks door de Regenten der Steden was overgenomen en voorgestaan, verwekte ontzag. De Staten, die zich niet in toereikend getal aanwezig bevonden, om daarover te beraadslagen, namen hierop dit krachtig besluit: dat niemand der aanwezige ledenLeeuwardenzou mogen verlaten, en dat de overige leden op den 16 September ter vergadering moesten verschijnen, bij verbeurte van 500 gouden Friesche rijders (ongev. 1750 Gld). Nu werden de poorten gesloten en door de burgerwacht beveiligd: eensdeels, om het vertrekken van personen te keer te gaan, en anderdeels, om te verhoeden, dat de Staten meerdere krijgsmagt in de stad bragten, ten einde de reformatie in de geboorte te stuiten. Daarvoor bestond vrees. Groot was de spanning der gemoederen.

De Staten vergaderden werkelijk op den bepaalden tijd, en hielden zich met het onderzoek van het voorgestelde bezig. Tevens kwamen de afgevaardigden der Steden weder bijeen, en begaven zich naar den Landsdag, om op de aanneming van hare punten aan te dringen. Ook het volk kon mede den uitslag kwalijk afwachten, maar verzamelde zich op den 20 en 21 in grooten getale voor het Landshuis, met dreigend verzoek tot afdoening. Het werd echter gerustgesteld door genoemde afgevaardigden en eenige burgers, die inzage verzocht hadden van den stand der zaken. Doch, toen er op den 27 September nog geen besluit gevallen was, werd de opgewondene gemeente zóó ongeduldig, dat zij, de vergaderplaats bezettende, dreigde niet van daar te zullen gaan, vóór deresolutie genomen was; weshalve de Magistraat twee compagniën burgers derwaarts zond, om gevreesde onheilen te voorkomen. Op den laten avond werd echter het volk tevreden gesteld door het berigt, dat de Staten alle punten hadden aangenomen[235].

Aldus was er aan de volksstem gehoor gegeven, en bleef het gemeen zich nu en vervolgens onthouden van uitspattingen en gewelddadigheden, die zoo dikwijls met de invoering van groote veranderingen gepaard gaan. Doch niet minder gewigtig waren de gevolgen der uitvoering van dit Staatsbesluit. Tegen den 14 October werd er een nieuwe Landsdag uitgeschreven, waartoe nu vooraf vrije personen, die geene ambten of betrekkingen hadden, moesten worden gestemd. Dit geschiedde, en op den bepaalden dag werden de nieuwe Staten, op het Landshuis vergaderd, door den Stadhouder en Gedeputeerde Staten plegtig en wettig »geintroduceerd”, als ’s lands hoogste en souvereine magt. Dan, al dadelijk rees er verschil,wiede geloofsbrieven der nieuwe leden moest onderzoeken. De oude Gedeputeerden verlangden dit te doen, in weerwil den 29 Maart te voren bepaald- en als eene fundamenteele wet aangenomen was, dat het visiteren der procuratiën van de Volmagten zou geschieden door 12 Staten en 4 Gedeputeerden, tot op de helft afgeloot, waar tegen het kwartier der Steden zich toen en nu weder verzette.

Ons bestek gedoogt niet, deze in vele opzigten belangrijke verschillen hier in het breede te vermelden. Het zij genoeg, hier mede te deelen, dat de nieuweStaten nu zelve elkanders geloofsbrieven onderzochten, dat zij nieuwe leden kozen tot Gedeputeerden, en dat zij zich vestigden als ’s lands hoogste magt, in weerwil het kwartier der Steden zich aan de vergadering onthield.

Die tweespalt werkte niet weinig de partij in de hand van die oude regeringsleden, welke noode van het gezag afstand hadden gedaan, en nu zich hevig beklaagden, dat zij binnen ’s tijds wederregtelijk uit de regering gezet waren, zoodat zij hunne opvolgers niet als de wettige magt wilden erkennen. Integendeel, voor een vol jaar tot Volmagt gekozen, wilden zij het gezag zoo lang blijven uitoefenen. Daartoe schreven acht hunner, meest Grietmannen, die zich »de olde en wettelycke Regeringe deser Provintie” noemden, een Landsdag van al de vroegere Staten teSneekuit, gaven eene uitvoerige Deductie van hun regt, alsmede hunne punten van reformatie in het licht, en bevolen Gedeputeerde Staten zich naarSneekte begeven, nadat de regering vanLeeuwardengeweigerd had, hen in deze stad, als Staten, te ontvangen.

Ziedaar dan op nieuw een vuur van verdeeldheid aan het branden, dat, terwijl de vijand de grenzen des lands nog steeds bedreigde, hoogst gevaarlijk was voor de veiligheid en het gezag van den Staat. Immers, indien de jeugdige Stadhouder en zijne moeder de partij der nieuwe Staten teLeeuwardenhadden gekozen, was er een overwigt geweest; maar beide, het meest belang hebbende bij het kwartier der Steden, dat zich nog altijd aan de vergadering bleef onttrekken, schroomden, uit verregaande voorzigtigheid, zich partij te stellen, en riepen de hulp in van het Hof, om de twistende Staatsleden te bevredigen. Dit was echter niet mogelijk, dewijl de nieuwe Staten den Landsdag teSneekniet erkenden, zich mede bij Deductie daar tegen verdedigden, en geene pogingen onbeproefd lieten, om de Steden tebewegen ter vergadering te verschijnen, en den Stadhouder, om zitting te nemen aan het hoofd der Gedeputeerden, welk collegie echter nog niet ter helft voltallig was. Alle pogingen om deze geschillen bij te leggen, bleken ijdel te zijn: want ieder stond op zijn vermeend regt, zonder daarvan iets ten behoeve van den vrede te willen opofferen. De reeds zegevierende partij van vooruitgang en verbetering, of de nieuwe Staten, had, behalve de volksgunst, enkel tot steun de Regering vanLeeuwarden, terwijl de partij van het behoud, of de oude Staten teSneek, gesteund werd door den Stadhouder en zijne moeder met het Hof en het leger, benevens de overige Steden. De kans stond dus hagchelijk, of de reformatie in het belang des volks duurzaam zou zegepralen. Gelukkig, dat het volk zich rustig hield, terwijl het in sterke spanning den uitslag verbeidde. Eindelijk sloeg de twist tusschen de beide staatsmagten tot feitelijkheden over, waarbij de tusschenkomst van het Hof noodzakelijk was. In zulk een toestand van verwarring eindigde het merkwaardige jaar 1672.

Reeds voor eenigen tijd hadden de Staten-Generaal der VereenigdeNederlandenhunne tusschenkomst aangeboden tot herstel van de rust. De oude Staten hadden die verzocht en aangenomen; doch de nieuwe bedankten daarvoor, dewijl zij achtten, dat er geene andere wettige vergadering dan de hunne kon bestaan; terwijl zij, even als Gedeputeerde Staten, van al het voorgevallene een uitvoerig verslag naar’s Gravenhageopzonden, waarbij zij tevens de oude Staten als verstoorders van de gemeene rust aanklaagden[236]. Daarom wilden zijveeleer de bemiddeling van het Hof inroepen; doch daar dit hiertoe moeijelijk te bewegen was, en twee Landsdagen te gelijk niet konden blijven bestaan, zoo vonden de Staten-Generaal goed, in het begin des jaars 1673 drie hunner leden herwaarts te zenden. Het waren de Heerenr. van molenschot, Pensionaris vanDordrecht, wegensHolland,m. van crommon, wegensZeeland, enjohs. eeck, wegensGroningen, die in last hadden, »om de ontstane onlusten tusschen de Regenten in deze provincie in der minne bij te leggen” niet alleen, maar ook, »om de Staten serieuselyck te versoeken ende aen te maenen tot betalinge van de quota voor de militie, de legerlasten ende subsidien, aen de geallieerden van den Staet belooft, waarin Frieslandt, door de groote Verdeeltheden onder de Regenten, defectueus was gebleven”; terwijl zij vast besloten waren, niet te vertrekken vóór de geschillen nedergelegd waren.

Werkelijk hebben deze Heeren, in vereeniging met den Stadhouder en daarna met eenige leden van het Hof, geene moeite onbeproefd gelaten, om dit doel te bereiken, waartoe zij onderscheidene voorstellen, reglementen en 105 punten van reformatie voordroegen. Doch hieruit rezen nieuwe tegenkantingen en onlusten, welke met veel moeite werden bedwongen. Nadat den 17 Februarij een nieuwe landsdag teLeeuwardenwas beschreven, waarbij die voorstellen met allen ernst werden aangedrongen, had men goede hope op een gunstig besluit van dezen. Doch alles te vergeefs: »alsoo dat de Heeren Gecommitteerden van Haer Hoog Mog., na met beleefde woorden soo wel als harde dreigementen sterck te hebben aengehouden, eyndelyck den 2 Maart vruchteloos en onverrichter saecken hebben moeten vertrecken, tot droefheyt van de welmeenende Ingesetenen des Landts”[237].

Zoo scheen dan de breuke onheelbaar te zijn, enFrieslandop nieuw eene prooi der partijwoede te zullen worden. Doch neen! zij was in waarheid der genezing nabij: want alleen de vreemde inmenging der Staten-Generaal, door de onderliggende partij vanSneekslechts begeerd, doch door die vanLeeuwardensteeds afgekeerd en vermeden, had de toenadering verhinderd. Die fiere Friezen wilden de herstelling van het gezag niet aan de hulp van vreemden dank weten. Met het vertrek der afgevaardigden veranderde de gansche zaak, terwijl de Landsdag teSneekbereids in zich zelven was te niet gegaan. Reeds den 7 Maart werd bij Staats-resolutie de beslissing van de verschilpunten aan den Stadhouder en negen Staatsleden opgedragen. Binnen acht dagen dienden deze een Reglement en 97 »Poincten Reformatoir” in, bevattende uitvoerige bepalingen ter wering van misbruiken en tot omschrijving van de grenzen des gezags in het bestuur dezer provincie. Daarbij werd tevens de uitschrijving van eene algemeene Amnestie voorgesteld, »op dat de memorie ende geheugenisse van alle die gepasseerde onlusten, dissentien ende murmuratien tusschen de Regenten te eenemael mogen worden weggenomen ende uytgewischt.”

Het was dit Reglement, hetwelk op den 19 Maart 1673 bij Staats-resolutie werd aangenomen, goedgekeurd en uitgevaardigd, waarbij voor den vervolge een beteren voet van regering werd vastgesteld, en waarmede deze onzalige staatstwisten een einde namen, tot groote vreugde van al de welmeenende ingezetenen des lands[238].

Deze bijlegging van de geschillen, die zegepraal der partij van den vooruitgang was niet enkel ter bevordering van de staatkundige regten des volks en ter afschaffing van vele misbruiken-, maar ook om eene andere reden eene zaak van groot belang. Hoe gelukkig men in den vorigen jare ook tegen de buitenlandsche magten had gestreden; met welk gunstig gevolg de dapperewillemIII de Franschen op de Hollandsche grenzen wederstand had geboden, terwijl deruyterter zee de Engelschen met roem bestreed—de toestand des lands was en bleef nog hoogst gevaarlijk. Gegrond was hier de vrees, dat de Bisschop vanMunstermet versche benden herwaarts zou optrekken, om het verloreneKoevordente herwinnen, en deze noordelijke streken op nieuw met kracht aan te vallen. Ja, zelfs werd er eerlang een gerucht verspreid, datturennemet eene groote magt naarFrieslandzou oprukken. Daarom trachtten de Staten het gansche gewest tijdig in weerbaren staat te stellen. Reeds den 25 Januarij 1673 werd bevolen, dat alle manschappen van 18 tot 60 jaren zich moesten voorzien van geweer en dagelijks wapenoefeningen houden, en dat elk huisgezin één man moest leveren, om op het eerste bevel uit te trekken. Den 18 Maart werd het bevel herhaald, dat alle weerbare ingezetenen zich gereed moesten houden, om in geval van nood dadelijk op te komen. Den 21 April kwam de Veldmaarschalk Prinsjoan mauritsvan Nassauherwaarts, gevolgd van eenige regimenten ruiterij en voetvolk, die tot versterking vanHeerenveenenJouregebruikt werden. Hier vernam hij, dat de Bisschop werkelijk in aantogt was, om een aanslag opKoevordente wagen, waarop hij zich dadelijk naarGroningenbegaf, om orde te stellen op het voorzien van genoemde vesting en de beveiliging van die provincie. Vervolgens gelasttehij hier de zeesluizen te openen, tot het inunderen van de lage streken; terwijl er een dam gelegd werd in de Linde, en de wegen op de grenzen onbruikbaar gemaakt werden. Hij riep de landlieden op, om aan het versterken van de schansen te arbeiden. Den 11 Julij bepaalden de Staten, dat het uittrekken van den derden man binnen 14 dagen zou plaats hebben, waarna het getal daarvan den 28 Julij op 3,000 man werd vastgesteld, welke iedere 14 dagen door anderen zouden afgelost worden. Dit uittrekken werd toen echter vertraagd door verschillen over het onderhouden van die manschappen, hetwelk de Staten ten laste der steden en grietenijen hadden gebragt[239].

Men had echter goed gezien, dat het gevaar toen op het hoogst was, en dat men een hevigen aanval van de Bisschoppelijke troepen had te wachten. Tusschen deze en de onzen hadden er wel gedurig schermutselingen plaatsgehad, waarbij met afwisselend geluk was gestreden; ook had Prinsmauritsden 2 Julij vier regimenten voetvolk en een regiment dragonders der Munsterschen in hun kwartier teStaphorstaangetast, waarnaaylvate vergeefs een aanval opZwartsluiswaagde:—doch dit alles bragt geene beslissing te weeg, maar diende enkel, om onze grenzen te beveiligen en den vijand af te matten, of te ontmoedigen, om aan den voorgenomen aanval te denken[240].

De Bisschop, na in de omliggende provinciën zoo veel tegenspoed en schade geleden te hebben, wilde echter de verovering vanFrieslandbeproeven, en in deze uiterste kracht-inspanning tevens de beslissing van den ganschen veldtogt wagen. Uit de Geldersche en Overijsselschesteden brengt hij van de beste Fransche, Keulsche en Munstersche troepen teSteenwijkeene magt bijeen, welke op 6 à 7,000 man (door anderen op 8,000 voetknechten en 100 ruiters) begroot werd. Op den 15 Augustus rukt hij daarmede langs verschillende wegen opFrieslandaan. Op het eerste berigt daarvan, trekken de onzen, onder gedurige schermutselingen met den vijand, vanWolvegaterug totHeerenveen, welk hoofdkwartier Prinsmaurits, Prinshendrik casimirenaylvatot het uiterste wilden verdedigen, waartoe ook dadelijk de derde man opgeroepen werd en de burgers vanLeeuwarden,Sneek,Franekerenz. reeds den volgenden nacht naarHeerenveenvertrokken. Na de schansen van deBlessebrugenBekafgenomen te hebben, trok de vijand deStellingwervenin totOudeschoot. Verschillende gevechten vielen er voor, waarin hij herhaaldelijk werd geslagen. Zijne pogingen, omHeerenveente overweldigen, mislukten, en nu zocht hij zijn moedwil te koelen door de ingezetenen op contributie te stellen, door de dorpen te berooven, te plunderen en te branden, door het vee uit de weiden met zich te voeren en de vruchten des velds, welke stonden ingezameld te worden, te rooven of te verwoesten. VooralWolvega,OudeberkoopenMakkingahebben daarbij veel geleden. Ondanks het bekomen van versterking uitSteenwijk, vond hij in de dapperheid der Friesche benden, in de groote magt, welke hem tegengesteld werd door het spoedig toesnellen van de gewapende burgers, en in het door een hevigen noordwestewind opgestuwde water zoo veel tegenstand, dat zijn aanval geheel mislukte, en dat de bisschoppelijke troepen na verloop van vijf à zes dagen met groot verlies naarZwolle,ZutphenenArnhemterugtrokken. Eerst nadat de Friezen nog eenmaal krachtige hulp hadden geboden, om het doorden Bisschop zoo lang en fel benardeKoevordente ontzetten, hetgeen in het begin van October, meest ten gevolge van een sterken oostewind, gelukte, werd het den uitgetrokken burgers vergund, de door hen bezette posten te verlaten en naar hunne woningen terug te keeren[241]. (ZieAanteekening 25.)

Groot en algemeen was de vreugde over deze bevrijding vanFriesland, hetwelk, terwijl het grootste gedeelte der Nederlandsche provinciën zoo lang door de vijandelijke benden was overheerd, geplaagd en uitgezogen geworden, volkomen vrij was gebleven. Der Friezen oude moed en trouw had, met Gods bijstand, dit gewest in het bijzonder weder beveiligd. De vast- en bededagen, welke men zoo dikwijls had gehouden, werden nu vervangen door dankdagen, ook wegens de verlossing van het gansche vaderland van de overmagtige vijanden, die door hooger magt waren gestuit in hunne geweldige pogingen, om het te overmeesteren en onder hunne heerschappij te brengen.

»Zoo werd het wijd beroemde en heldhaftigeFriesland, van alle eeuwen vermaard als de moeder en te gelijk het kind van de Vrijheid; van de Romeinen gevreesd, door de Britten gehoorzaamd en door de Franken geëerd, als de voedster van ontembare helden, op nieuw met handen en tanden verdedigd. Zoo werd den Munsterschen Bisschop afgeleerd, de grenzen in te breken van een land, dat, door natuurlijke kracht en schrandere kunst versterkt, voor buitenlandsch geweldongenaakbaar bleek te zijn, zoo lang het beschermd werd door fiere nazaten, niet ontaard van de heldendeugd der roemrijke voorvaderen”[242].

Na zoo krachtvolle inspanning had het vaderland behoefte aan rust en vrede. Er werden daartoe metMunster,Keulen,Engeland, ja zelfs eerlang ook metFrankrijk, en wel bij herhaling, verdragen gesloten, doch de trouweloosheid van den oorlogszuchtigenlodewijkXIV hield ons land nog langer dan twintig jaren in de wapenen, daar eerst met den vrede vanRijswijk(1697) de rust duurzaam scheen te zullen zijn. Hoe gelukkig, datNederlandgedurende al die jaren in den, eerst lang vernederden, doch daarna roemrijk verhevenen, PrinswillemIII een staatsman en held bezat, die den Franschen monarch, na hem dit land eerst hevig betwist te hebben, bij voortduring het hoofd kon bieden, en die nieuwe lauweren voor den vaderlandschen krijgsroem mogt behalen.

OokFriesland, dat, ver van het tooneel des oorlogs verwijderd, zich sedert 1673 weder rustig aan zijne eigene belangen kon wijden en de welvaart zijner ingezetenen bestendig zag toenemen,—ook dit gewest bezat gelijktijdig staatsmannen en helden, die denPrins van Oranjekrachtdadig ondersteunden in het beveiligen van het vaderland en het bevorderen van zijne waardigheid en eer tegenover magtige naburen.De ruytervond bij zijne laatste zeetogten in de dapperheid der, onderbanckersvereenigde, Zeeuwen en Friezen, die de Franschen en Engelschen »met hunne gewone kloekmoedigheid aantastten”; een krachtigensteun[243]. De dapperejacob binckes, geroemd als »een voorsichtig soldaat, een manhaftig Capiteyn, een getrouw Commandeur en een goedertieren Christen, wiens voorige Heldendaden bewijs gaven van grooter verwachtingen,” mogt intusschen de eer der Nederlandsche vlag in deWest-Indienroemrijk handhaven, en in 1677 nog eene overwinning op de Franschen behalen, na »een der hardnekkigste gevechten, waarvan de Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen gewag maakt”[244]. De belangrijke Friesche staatsstukken van dien tijd getuigen van de uitstekende bekwaamheden van Staatsmannen, alswillem van haren,allart pieter van jongestal,hans van wyckel,pibo van doma,matthijs,assuerusengysbert van vierssen,isaac de schepperen anderen[245], waarvan de eerste alleen in twaalf gezantschappen naar vreemde mogendheden en als vredehandelaar het hoog gezag des lands deed gelden en de belangen van oorlog en vrede regelde. Nog grooter roem behaaldenhans willemBaronvan aylva(hier vóór reeds zoo dikwijls vermeld),mennoBaronvan coehoornen de Stadhouderhendrik casimirII in den strijd voor het vaderland.

Aylva, die van de bescherming zijner provincie zoo veel eer mogt verwerven, wist in den slag vanSenef(1674) »door uitstekende dapperheid zijn reeds verkregen»roem loffelijk te handhaven,” en dien bij de belegering vanKeizersweerdenBonnen inzonderheid vóór en in den slag vanFleurus(1690) te vergrooten. Als een der voortreffelijkste legerhoofden geacht, zag hij zich in het laatst zijns levens het opperbevel over de Staatsche troepen inBrabandopgedragen[246].Coehoorn, die zich in 1673 bij de belegering vanMaastrichtals Kapitein voor het eerst door dapperheid onderscheidde, en vóórGrave[247]en in den slag vanSenefaan zijn heldenmoed de bevordering tot Kolonel had te danken, muntte vervolgens evenzeer als legerhoofd en als uitstekend vestingbouwkundige uit, daar hij in de versterkingskunst voor ons land een nieuw tijdvak deed aanbreken, en alzoo een waardig tegenstander werd van den beroemden Franschen Ingenieurvauban. In den slag vanFleurus, waar hij »boven andere Nederlanders uitmuntte”; bij de roemrijke verdediging en daarna herneming van de sterke vestingNamen(1692, 1695); door de versterking vanGroningen,Koevorden,NijmegenenBergen op Zoom; door de verovering vanLuik(1702), vanBonn(1703) en andere schitterende wapenfeiten verdiende hij, tot de hoogste waardigheden opgeklommen en de groote Stededwinger en Friesche Jupiter genaamd, eeneervollen rang onder de groote mannen des vaderlands[248].

Prinshendrik casimirII, bij den dood zijns vaders slechts zeven jaren oud, ontving eene verstandige opvoeding van zijne voortreffelijke moeder, Prinsesalbertine agnes, die, ook nadat hij in 1672, ruim 15 jaren oud, tot werkelijk Stadhouder was verheven, hem tot 1679 als voogdes ter zijde stond[249], gelijk hij inaylvaeen uitstekend leermeester en voorganger vond in den krijg. Reeds op zeventienjarigen ouderdom woonde hij den slag vanSenefbij, en was, »ook in het dreigendst levensgevaar, onafscheidelijk aan de zijde van den jeugdigen OpperbevelhebberwillemIII, waardoor hij zich waardig toonde de spruit te zijn, in wie de edelaardigheid der telgen vanoranjeop den Frieschen stam was overgeplant.” Als Stadhouder, mede overGroningenenDrenthe, was hij zeer geacht, en gedroeg hij zich steedsedelmoedig jegens PrinswillemIII, toen deze in 1677, al te heerschzuchtig over de afdanking van Friesch krijgsvolk beschikkende, daardoor, en mede bij de door hem voorgestelde werving van 16,000 man in 1684, een krachtigen tegenstand uitlokte vanFrieslandsStaten, die onverzettelijk bleven in de uitoefening van hun regt, om zelve patenten of marschorders aan de troepen af te geven. Die Staten gaven den jeugdigen Vorst menig blijk van hunne genegenheid en vertrouwen. Zij verzochten hem zelfs eene gemalin te kiezen, en toen hij die gevonden had in de schrandere Prinsesamaliavan Anhalt-Dessau, werd haar niet enkel een geschenk van 100,000 Gld. aangeboden, maar ook het vorstelijk paar bij den luisterrijken intogt teLeeuwarden, op den 19 Augustus 1684, een onthaal bereid, zoo als hier nog geen Vorst was ten deel gevallen, en waarbij men al de blijken van den rijkdom en de weelde dier bloeijende dagen ten toon spreidde[250]. In 1690 aangesteld tot tweeden Veldmaarschalk, gaf hij nieuwe blijken van ongemeene dapperheid in de veldslagen vanFleurus, waarbij zijne lijfgarde twee vaandelen veroverde op de bloem des Franschen legers, vanSteenkerkeenNeerwinden. Nadat zijne gezondheid reeds bij den eersten veldtogt was geknakt, overleed hij den 15 Maart 1696 teLeeuwarden, algemeen om zijne deugden en verdiensten diep betreurd. Zijne edele moeder, Prinsesalbertine agnes, overleefde hem slechts twee maanden, daar zij den 14 Mei 1696 op het door haar gestichte lusthuisOranjewoudoverleed[251].

Behalve zeven dochters, liet de Prins slechts een zoon na,jan willem friso, die naauwelijks den ouderdom van acht jaren had bereikt. Al de waardigheden des vaders werden hem dadelijk door de Friesche Staten toegezegd, terwijl het bewind intusschen door zijne moeder en voogdes werd waargenomen. Van deze bekwame en schrandere vrouw ontving hij eene voortreffelijke opvoeding, welke zijn gunstigen aanleg dermate ontwikkelde, dat hij reeds op zijn 13ejaar de Hoogeschool teFranekerkon bezoeken. In het volgende jaar verwisselde hij deze met die vanUtrecht, en wel op verzoek van PrinswillemIII, die, zelf geene kinderen hebbende, den naam vanOranjeen de voortduring van zijn Huis in deNederlandenop dezen jongeling vestigen wilde, en hem daarom ook genoegzaam als zoon aannam en tot zijn vollen erfgenaam verklaarde. De spoedig hierop gevolgde dood van dezen tweeden vader (1702) was alzoo voor de verdere opleiding van den jongen Vorst een even groot nadeel, als de erfenis van titel en bezittingen hem voordeel scheen te beloven. De naijver vanHollanden de overige, nu op nieuw Stadhouderlooze, provinciën jegensFrieslanden zijne Stadhouders, reeds vroeger zoo dikwijls gebleken, was nu weder de oorzaak, dat men niet alleen aan de begeerte des Konings, om den jongen Prins in zijne waardigheden te doen opvolgen, geenszins voldeed, maar ook onverschillig toezag, datPruissenzich van een gedeelte der erfenis vanOranjemeester maakte, hoezeer ook de Algemeene Staten,als uitvoerders van Koningwillem’suitersten wil, daarvoor hadden behooren te zorgen. Te vergeefs ijverden de Friesche Staten dus voor zijne benoeming tot Generaal (1703), waarbij zij bestendig van de andere provinciën tegenwerking ondervonden[252]. Doch hij wilde dien rang niet als gunst ontvangen, maar door dappere daden verdienen.

Daartoe scheen de gelegenheid zich aan te bieden, toen hij in 1703, eerst 16 jaren oud, als vrijwilliger met zijn leidsmanvan heemstraden eersten veldtogt bijwoonde. Immers, de zelfde oorlogszuchtige en trouwelooze KoninglodewijkXIV, die ons vaderland nu reeds langer dan 30 jaren bijna onafgebroken met magtige legers had bestreden, had nu, ten gevolge van een staatkundig verschil over de Spaansche erfopvolging, den oorlogsfakkel in deSpaansche Nederlanden(België) geworpen, waar zijn verbazend leger, op 300,000 man begroot, hevige tegenstanders ontmoette in Prinseugeniusvan Savoije, die de troepen des Duitschen Keizers, en in den Hertogvan marlborough, die de verbondene Engelsche en Nederlandsche benden aanvoerde. Wegens het belang der zaak, waaraan men »de vrijheid van gantsch Europa” gelegen achtte, waren de Staten der Vereenigde gewesten, en wel bijzonderFriesland, eenstemmig gezind, tegenover den Franschen despoot eene geduchte magt te ontwikkelen. Zij hielden woord, en bragten gedurende dezen bloedigen oorlog van 1702 tot 1712 een leger te velde, dat jaarlijks tusschen de 110 tot 130,000 man bedroeg[253].OokFrieslandgetroostte zich tot dat einde verbazende opofferingen van geld en manschap, en zag de dapperheid zijner krijgsoversten en soldaten met eere erkend. Reeds omtrent de vier eerste jaren van dien krijg vermeldt een schrijver van dien tijd zulks in de volgende woorden: »Nu heeft die heerlyke Provintie de Lof, dat haareVriesenzo te voet als te paard, wel een groot gewicht in des Lands overwinningen inbrengen; en dat zy, streng en hardnekkig vechtende, de uitgepikte magt van ’s Konings huis byRamilliesgebrooken en vertreeden hebben, en in de Beleegeringen standvastig en schrander zyn, zo dat de vyandlycke Steeden, zelfs de alderuitgeleezenste sterke Vestingen, voor ’t vuur vanKoehoorn, deVriesschen Archimedes, plooyen; voortgaande met zegevierende schreeden naEuropa’asVryheid, door het vernederen van dien ontrouwen en hovaardigenFranschenDwingeland”[254].

’t Mogt den jeugdigen Prinsfriso, hoezeer brandend verlangende naar den strijd, niet gebeuren, in de eerste jaren, dat hij den Successie-oorlog aan de zijde vanouwerkerkbijwoonde, bijzondere blijken te geven van zijn krijgsmansaard en heldengeest. Niettemin waren die togten voor hem eene belangrijke leerschool; en miskenning was hem een prikkel, om zich zelven met waardigheid te verheffen. Eerst in 1708 werd hij in de gelegenheid gesteld, zich door dapperheid te onderscheiden en aller oogen op zich te vestigen. Doch toen ook was hij niet enkel bevorderd tot Generaal van het voetvolk, maar ook tot de waardigheden zijns vaders. Nadat hij, den ouderdom van 20 jaren bereikt hebbende, den 18 November 1707 met groote plegtigheid teLeeuwardenwasingehaald, werd hij den 22 dier maand tot Stadhouder en Kapitein-Generaal vanFrieslandgehuldigd; terwijl zijne moeder als Voogdes den dank der Staten en eene gift en een jaargeld van 5,000 Gld. ontving. De luister van zijn Huis, in 1704 door den aankoop van de heerlijkheidAmeland(voor ƒ175,000), en in 1708 door het Stadhouderschap vanGroningenenDrentheverhoogd, werd in het volgende jaar bekroond door een gelukkig huwelijk met de schoone en brave Prinsesmaria louisavan Hessen-Kassel, waarover groote vreugde werd bedreven[255].

Inmiddels had de Prins in den slag bijOudenaarden(Mei 1708) zich de baan des roems ontsloten en getoond, wat het vaderland van hem verwachten kon. Met heldenmoed rukte hij aan het hoofd zijner bataljons op de bloem des Franschen legers aan en noodzaakte die te wijken: eerst viel hij het »door een meesterlijken togt en zwenking in de flank, en daarna door een stouten marsch in den rug”, zoodat hij veel toebragt tot deze roemrijke overwinning. »De beslissende dapperheid, doorFrieslandsjeugdigen Stadhouder hier betoond, zweefde op de tong van elken VaderlandlievendenNederlander”[256]. In het beleg vanRijssel, in 117 dagen met verbazende opofferingen gewonnen, was hij de tweede in het opperbevel, doch de eerste bij elk gevecht en iederen aanval. OokSt. Amand,DoornikenGenthielp hij veroveren. Telkens bleek het, dat voor zijne onversaagdheid geen gevaar te groot en voor zijn moed geen tegenstand te sterk was. In den hoogst belangrijken slag bijMalplaquet(1709), eerst geplaatst aan het hoofd van negen bataljons,die de vijandelijke verschansingen moesten beklimmen, rukt hij met zeldzame dapperheid tegen een vreeselijk kanon- en geweervuur in. »Voort, voort!” klinkt in een hevig kruisvuur zijne stem, en, als sleepte hij zijne troepen aan koorden met zich mede, spoeden zij naar hun doel. Het eerst de grachtboord der verschansing bereikende, zwaait de jonge held met den hoed in de hoogte, en stuiven al zijne benden in de gracht, bestijgen en veroveren met leeuwenmoed de borstwering, en verdrijven den vijand met de bajonet. Duizenden ziet hij om zich henen vallen en zelfs bijna al zijne officieren; met het klimmende gevaar voelt hij echter zijn heldenmoed rijzen, en blijft hij de zijnen aanvoeren, al zijn reeds twee paarden onder hem doodgeschoten. Een vaandrig grijpt hij het vaandel uit de hand, stuift daarmede alléén op de vijandelijke werken in, en, roepende: »volgt mij, mijne vrienden! hier is uw post!” plant hij het op de borstwering, die op nieuw wordt veroverd. Juist deze »voorbeeldelooze stoutmoedigheid,” die persoonlijke, alle gevaar trotserende, moed vanOranje, welke aan roekeloosheid grensden, hadden de overwinning mede mogelijk gemaakt, ofschoon zij in hem misduid werden, daar hij altijd moest bedenken, dat hij de eenige Vorst was uit de huizen vanNassauenOranje, waarop de hoop des vaderlands was gevestigd. De Voorzienigheid spaarde hem echter als door een wonder.

Den 26 Februarij 1709 in het huwelijk getreden, weerhield zijn echt hem geen oogenblik in het volbrengen van zijne pligten als krijgsman. Reeds in Mei snelde hij naar het leger, en verliet het niet, voor hij nog in het laatst van October met PrinseugeniusBergen in Henegouwenhad ingenomen. In 1710 was hij weder tijdig in het veld, en mogt hijDouaienSt. Venant, na hevige belegeringen, helpen veroveren. Ook in 1711 ginghij weder naar het leger, doch nu voor de laatste maal. In Julij naar’s Gravenhagegeroepen tot vereffening van de geschillen met den Koning vanPruissenover de erfenis van Koningwillem, werd hij door een droevig ongeluk aan het vaderland ontrukt. De held, wien de kogelregen en het moorddadigste vuur bijMalplaquethadden gespaard—vond den dood in de golven, door het omslaan van de veerschouw op het Hollandsche diep bij denMoerdijk. Het geheele land betreurde dit verlies als eene zware ramp, en huldigde zijne deugden en verdiensten door uitbundige lofspraken. »Men had hem nooit genoeg geacht bij zijn leven, en kon hem niet genoeg beschreijen bij zijn dood. Bij de sierlijke gestalte eens jeugdigen ridders van ongemeene geestbeschaving voegde hij eene minzaamheid, bescheidenheid, kloekzinnigheid en goedaardigheid, ook te midden des oorlogs, en, bij den moed van eenachilles, liefde tot den vrede, welke den oorlog slechts als een noodzakelijk kwaad beschouwde;—eigenschappen, die aanjan willem frisode bewondering van alle tijden en de liefde van al zijne landgenooten hebben waardig gemaakt! Het leger, dat zulk een dierbaar hoofd moest missen, was niet te troosten: grijze krijgslieden smolten in tranen. Geen wonder dat zij treurden: want zij hadden hem leeren kennen in veldslagen en bij belegeringen, en hij had zich nu reeds die liefde en dat vertrouwen verworven, waardoor zijne voorouders steeds de ziel van de Nederlandsche legermagt waren geweest. Dat leger miste van nu af den invloed van die tooverkracht, waarmede de naam vanOranjehet altijd wist te bezielen”[257].

Maar, welke was de smart der jeugdige gemalin van den Prins, met wie hij nog zoo kort verbonden was! Zij was de droefheid zelve, doch tevens een toonbeeld van de geestkracht, welke de Christelijke godsdienst onder lijden schenkt, als zij niet enkel het verstand, maar heel het gemoed vervult. Betaamt het vooral Vorsten, zich door grootmoedige daden en edele gezindheden boven de gewone menschen te verheffen—zij betoonde zich een echtgenoot waardig, over wien het gansche vaderland met haar treurde; zij heiligde dien rouw door haar geloof, en ontving daardoor kracht om hare pligten te vervullen, ook als Moeder. Den 1 September 1711, en alzoo zes weken na den dood zijns vaders, werdwillem carel hendrik frisoteLeeuwardengeboren. De Staten vanFrieslanddie zoo veel innige deelneming betoond hadden in den rouw der Prinses, »met aanbieding van alle hulp en bijstand, met raad en daad,” deelden nu evenzeer in den zegen, welke haar ten deel viel. Zij namen het Gevaderschap over den jongen Prins op zich, verklaarden het Erfstadhouderschap, gelijk ook de twee regimenten zijns vaders, op hem vervallen, en gaven meerdere blijken van toegenegenheid en teekenen van vreugde. Deze vonden weerklank in het gansche vaderland, dat nu weder eene mannelijke spruit bezat uit de huizen vanOranjeenNassau, waaraan het nu reeds bijna anderhalve eeuw door banden van wederkeerige liefde en belang was verknocht geweest.

Gelukkig spoedde de oorlog, nu weder zoo lang en zoo hevig gevoerd, bij ’s Prinsen dood ten einde. De trotschelodewijkXIV, die jaar op jaar zoo vele verliezen geleden had, en in en buiten zijn land door vijanden bedreigd werd, haakte naar den vrede, die, na lange onderhandelingen, den 11 April 1713 teUtrechtwerd gesloten. Die vrede, welke het vaderland eindelijk verademing en rust scheen te beloven, verwekte algemeene vreugde, die men ook inFrieslandaan den dag legde door het afsteken van een prachtig vuurwerk op de marktplaats teLeeuwarden. Uit deze provincie was daartoe als gevolmagtigde afgevaardigd de voortreffelijke staatsmansicco van goslinga, die tevens in den Successie-oorlog, van 1706 tot 1711, als Gedeputeerde te velde, door zijne uitstekende bekwaamheden het vaderland met raad en daad van dienst was geweest[258]. In dien oorlog hadden meerdere aanzienlijke Friezen uitgeblonken, waarvan met lof genoemd worden de Generaal-Majoorsfrederik vegilin van claerbergen,joachim van ammamaenfrederik van grovestins. De laatste verwierf nog in 1712 grooten roem, door »met ongehoorde stoutheid” inFrankrijkeen inval te doen, welkelodewijk, dien hij tot nakoming van zijne verbindtenissen wilde dwingen, op zijnen troon deed sidderen. Met een vliegend legertje van 1800 dragonders en huzaren, mede onder bevel van den Brigadiervan glinstra, trok hij doorChampagneen de BisdommenMetz,ToulenVerdun, legde in 48 dagen 800 Ned. mijlen in vijands land af, deed ganschLotharingenbeven, en boezemde ontzag in voor de Nederlandsche wapenen, die geen ander doel hadden, dan om door oorlog regt en vrede te verwerven[259].

Die vrede werd verworven, doch ten koste van stroomen bloeds en millioenen schats. Gelukkig, dat de duurzame voorspoed des lands, door scheepvaart, handel en landbouw bevorderd, die offers kon brengen; dat een bestendige vrede daarmede niet te duur was gekocht in vergelijking van den smaad en de verliezen, welke op de zegepraal van en onderwerping aan den Franschen despoot zouden gevolgd zijn; en bovenal, dat de geestkracht en waardigheid der natie te midden dier dreigende gevaren zich zoo grootsch ontwikkelde en zich zoo fier daar boven verhief, dat zij niet enkel haren overmagtigen tegenstander, maar ganschEuropahelden kon toonen, die den krijgsroem vanNederlandmet nieuwen luister deden schitteren.—DatFrieslandin de rij der Nederlandsche gewesten in staat was, zijn aandeel daartoe bij te brengen op eene wijze, zijnen alouden roem waardig—dit vermeldden wij voor de eer onzer provincie met genoegen, gelijk het volbrengen van elken pligt jegens het vaderland de streelendste gewaarwordingen verschaft.

De belangrijkheid der geschiedenis van dit gedeelte van ons tijdvak en de rijkdom der, vroeger nog niet bewerkte, bronnen mogen mij verontschuldigen, dat ik dit uitvoeriger dan vorige gedeelten heb behandeld, hoezeer daarbij nog te veel achterwege is gelaten, dan dat het op volledigheid aanspraak zou kunnen maken.


Back to IndexNext