38.Aanwas en Verbeteringen in den Toestand van Frieslands bodem. Waterstaat, Openbare Werken, Nijverheid enz. 1580-1795.

[191]Aitzema,Saken van Staet en Oorlogh, 4o. VII 205 env.Wagenaar,Vaderl. Historie, XII 153.[192]Charterboek, V 575 en vele krachtige vertoogen bovendien inaitzema, VIII 102 env., vooral tegende witt,van beverninghennieupoortgerigt.Kok,Vad. Woordenb.XVI 603.[193]De jonge,Geschiedenis van het Ned. Zeewezen, IIa30 env.;wagenaar,Vaderl. Historie, XII 232 env.[194]Charterboek, IV 896, V 330, 477, 485, 486;Reg. op de Staats-resol.10, 205, 313;Tegenw. Staat, III 13.[195]CharterboekV 521, 558. Dit is te vreemder, omdat de Regering vanHarlingenreeds in 1644 bij acte had aangenomen, „omme de Heeren Raden ter Admiraliteyt op Stadts costen te voorsien met een bequame huysinge tot het Collegie ende Vergaderinge, sampt gevangen- en packhuysen.”[196]Reg. Staats-resol.13;de jonge,Zeewezen, I 280, 281; IIa346, IIb31, en verder de Resolutiën van Gedeputeerden.[197]Van dezendouwe aukeszijn geene andere bedrijven of levensbijzonderheden bekend. Vermoedelijk verliet hij na den eerste Engelschen oorlog de zee en werd koopman teAmsterdam, waar hij bij den tweeden Engelschen oorlog, in 1665, in aanmerking kwam, om, wegens zijn vroeger bedrijf, de gemagtigden tot ’s lands vloot als Zeeraad te dienen. Ziebrandt,de Ruiter, 398. DeHoll. Mercurius, 1666, 169 noemt hem, die verder niet bijbrandtvoorkomt, „een van de beste Zee-helden van onsen tijt, so in goet beleyt, courage, als ervarentheyt,” en meent zelfs, dat hij in 1666 bestemd was tot Luit.-Admiraal, in plaats vantjerk hiddes.[198]Ik ben het verhaal gevolgd in denHollantsche Mercuriusvan 1652, III 82, nagenoeg overeenkomende metbrandt,Leven van de Ruiter, Amst. 1701, 27 ende jonge,Zeewezen, IIa53.[199]„Dit getuigt, onder anderen, de Raadpensionarisj. de witt, in een’ zijner brieven aan de Algemeene Staten.”[200]De jonge,Zeewezen, IIb32, 105. Waar het mogelijk is, wil ik over dit onderwerp het liefst de eigene woorden van dezen bevoegden beoordeelaar mededeelen, die zeker het meeste gezag verdient.[201]Zie een belangrijken brief van hem bijaitzema, XIb919;wagenaar, XIII 147 env.;de jonge, IIb180, 247, 281 env.[202]Resol. van Gedeputeerden;Reg. Staats-res. 13, 206;Chartb.V 747, 749, 750;vitringa,Memoriale Annotatien, I 412 env.[203]Memorien van den Grave de Guiche, bl. 262 en 277 van het orig. en 270 en 286 van de vert. Deze Fransche edelman, die zich met andere aanzienlijke personen op de vloot bevond, schreef den naam vantjerk hiddesnaar zijne Fransche uitspraakkierkides, welke spelling ook de schrandere vertaler behouden heeft.[204]Ik vond dit verhaal (bijde jonge, IIb282 en in het officiëel verslag in denHoll. Mercurius, 90 slechts kort vermeld) in een oorspronkelijkZee-Journaelvan dien togt, zoo als die destijds, bij gemis van Couranten, teAmsterdamen elders werden gedrukt en onder den naam vanNieuwe Tijdingenverspreid.—In 1663 hadden Gedeputeerde Staten hier een vastenPostopgerigt, tweemalen ter week vanLeeuwardenopZwolleen verdere plaatsen. HetHuis Benthemwas hier het eerste Postkantoor enjetse stiensmade eerste Postmeester.Charterboek, V 693, 707.[205]De jonge, IIb336, 344 env.;wagenaar, XIII 210;Holl. Mercurius, 115;aitzema, XII 97;brandt, 515.[206]De jonge, IIb353; IIIa417. Zijne beste levensbeschrijv. is die in deLevens van Nederl. Mannen en Vrouwen, Amst. en Harl. 1776, III 1;kok, XXX, 36;brandt,de Ruiter, 401, 407, 419, 423, 424 env. Zie verderAanteekening 23.[207]Deze zoon,tjerk de vries, ook in ’s lands zeedienst opgeleid, stierf reeds in 1689 als Kapitein van en op ’s lands oorlogsschip: de Brack op een terugtogt vanEngeland.[208]Zie overaylvaals Luit.-Admiraal:brandt, 558, 573, 585, 589, 590, 594, 598, 599, 644, 646;de jonge, IIb421; IIIa51, 124.[209]Zie deze redenen breeder ontwikkeld bijde jonge, IIIa204.[210]Mijn bestek gedoogt niet, aangaande dezen man meerdere bijzonderheden mede te deelen. Omtrent weinige personen isde jongezóó uitvoerig, als over dezen dapperen zeeman, van wien hij vele, tot dusverre onbekende, bijzonderheden heeft medegedeeld. Zie IIIaInl. XII, 30, 345-366, 415, IIIb49, 275-363.[211]Tot kenschetsing van de zeden en den trap van beschaving dier dagen, welke wij hier niet in bijzonderheden kunnen vermelden, meenen wij een enkel bewijs te moeten aanvoeren. In het zelfde jaar 1661, dat de Staten ten gevolge der toenemende publieke onveiligheid, veroorzaakt door veelvuldige luije bedelaars, vagabonden en landloopers, gedrongen waren een Lands Tucht- en Werkhuis op te rigten, werden er plakkaten uitgevaardigd zoowel tegen „dát schadelyck geboefte,” als tegen het drukken van schandelijke en ergerlijke boeken, alsmede tegen het onbehoorlijk zuipen en slempen op de lijkmaaltijden. Zie die stukken in hetCharterb.V 651, 653, 661, 662. Den hoofdinhoud van het laatste willen wij hier mededeelen met de woorden vanhoratius vitringain zijne MS.Memoriale Annotatien, I 262:„De Staten vanFrieslant, insiende het schandelyck en godtloos misbruick van ’t suypen en slempen, dat daeghelycks en dickmaels by de begraffenissen der dooden gepleecht wierde van alderhande soorten van menschen, en hetwelcke soo groff gingh, dat menich droncken bout in het sterffhuis konde vertoeven tot 9 à 10 uyren in den avont, en haer alsdan als beesten laten nae huis leyden, nemende menichmael kannen en glasen onder de mantel en hoyck mede om in het drincken niet vergeten te worden; in voegen, dat een gemeen Burger tot een begraffenisse van nooden hadde ten minste een aem wyns en sommige vrij wat meer,—hebben, daerinne willende voorsien, den 13 Julij 1661 (op een gravamen van ’t Classis vanLeuwaerden, in desen jare op het Synode alhier vergadert, voorgedragen) by openbare placcaten laten verbieden, dat niemand voortaen, soo groot als klein, edel ofte onedel, directe off indirecte, voor off nae de begraffenisse, sal vermogen wyn, bier off stercken dranck te doen schencken by poene van 50 Ggld., ’t appliceren1⁄3part voor den aenbrenger,1⁄3part voor den Officier en1⁄3part voor de armen: waer mede het drincken oock een eynde heeft genomen.” Dit laatste wordt door de herhaling van dit plakkaat in 1683 tegengesproken. ZieCharterb.V 1213.[212]Vitringa,Mem. Annotatien, I 93;Charterb.V 592, 595, 604, 606, 608, 609;Tegenw. Staat, II 169, 468.[213]Vitringa, I 271;Charterb.V 666, 667, 679, enaitzema, X 524, die onschatbare bron voor onze vaderlandsche geschiedenis![214]Bij het terugkeeren van deze begrafenis had Prinsjoan mauritsvan Nassauhet ongeluk, bij het overrijden van de Weeshuisbrug inFraneker, in het water en onder zijn paard te vallen. Gelukkig gered, moest hij daar eenige weken vertoeven tot zijne herstelling. Eene afbeelding van dit voorval is daarna in steen gehouwen en geplaatst in den muur van het Weeshuis, nevens deze brug, die daarvan den naam van de Mauritsbrug ontving.Aitzema, 823.[215]Vitringa,Memorien, I 388;Charterboek, V 616, 738, en vooral uitvoerige berigten inaitzema, XIa75-131;sylvius,Vervolg, II 43;n. arnoldus,Vorstelijke Rouw-Lyck-ende-Lof-Reeden, Leeuw. 1664, 19;wagenaar, XIII 97;Reg. Staats-res.513.[216]Vitringa,Memorien, I 432;aitzema, XIb1039.[217]Ook onzen dichtergysbert jacobsz.met vrouw en zoon. Ziehalbertsma,Hulde, II 299.[218]Vitringa, I 430;bosscha, II 18;aitzema, XIb1034 env. Volgens den eersten bedroegen de Provinciale lasten van Oorlog voorFrieslandin 1666 ƒ263,000 per maand of ƒ2,178,000 in het jaar.[219]DeHollandse Mercurius, 72, zegt zelfs, dat het „schoone Regiment vanaluavan ’t geduerig marcheren was afgemartelt, eerst uyt de Spaensse Nederlanden na ’t Leger, van daer na Nimwegen, van Nimwegen na de Rijnkant, van de Rijnkant weer na Nimwegen, en weder van daer na de Rijnkant.”[220]Valkenier, 458, zegt duidelijk: „Door dese quetsure vancondébleef de groote Resolutie, om opAmsterdamte gaan, geheel achter, en wierden de concepten geheel verandert.” Ook Kapiteinw. j. knoop, in zijn belangrijk stuk:de Verdediging van Nederland, inde Gids, 1851, 317, houdt het voor „zeer waarschijnlijk, dat, wanneer dadelijk na den overtogt van den Rijn het Fransche leger op Holland was aangevallen, dat gewest zou zijn veroverd en daarmede het vaderland verloren.”[221]Valkenier, 597;Charterboek, V 812 en verv.[222]Zievalkenier,’t Verwerd Europa, Amst. 1675, 597 en vooral het uitvoerig verhaal bijsylvius,Vervolg opaitzema, I 561.[223]Van eenige dezer schansen komen afbeeldingen voor bijsylvius, I 298 en ind’ Ontroerde Leeuw, 70.[224]Alleend’ Ontroerde Leeuw, 41 enHoll. Mercuriusvan 1672, 112 maken melding van dit feit, later doorsylviusin zijnVervolg opaitzemaen init aade Friesche Terpmedegedeeld. Zie ook vand. h. van der meerin denFriesche Volks Almanak, 1841, 44 meer uitvoerige berigten deswege.[225]Dit vermeldteldercampiusin zijnJournaelvan ’t beleg, Gron. 1672, en deHoll. Mercurius, 127, 129.[226]Valkenier, 807, die in dezen meer te vertrouwen is danit aade Friesche Terp, 245, dat dezen aanval tusschen den 8 en 9 September stelt.[227]Zie het uitvoerig verhaal bijsylvius, I 427;valkenier,’t Verwerd Europa, 803;d’ Ontroerde Leeuw, 46;siegenbeek,Geschiedenis der Burgerwapening, 130;bosscha,Heldend.II 126. Ter belooning van „dese heroïque actie der Burgeren” werden, nog in dat zelfde jaar, aanBlokzylstedelijke regten toegekend, volgens octrooi van PrinswillemIII.[228]Dit stuk is medegedeeld in deLeeuw. Cour.van 1836, No. 36.[229]Vitringa,Mem. Annotatien, I 639. Ik heb den inhoud dezer aanspraak hier vooral medegedeeld, omdat al de verdere klagten en bezwaren, welke tot de latere gebeurtenissen aanleiding gaven, in de hoofdzaak hierop nederkwamen.[230]Charterb.V 831. Deze Resolutie is echter maar door 45 van de 82 leden der Staten onderteekend. Zóó vele personen schijnen er afwezig geweest te zijn?[231]Vitringa, 643;Charterb.V 834, 1074, 1075;Geschiedk. Beschrijving, II 135;valkenier, 653 vermeldt, datLeeuwardenalléén 1000 weerbare burgers leverde. (ZieAanteek. 25.)[232]Dus oordeelt Kapiteinw. j. knoopinde Verdediging van Nederland in 1672, inde Gids, 1851, 330.[233]Charterboek, V 299, 301, 313, 316, 666, 815.[234]De beroemdeulrik hubergaf in een naamloos geschrift, getit.Spiegel van Doleancie en Reformatie, eene beoordeeling van deze punten, met eene, in die dagen van opgewondenheid zoo nuttige waarschuwing, „dat soo heerlijcken werck niet werde bezoedelt met de vlecke van onrecht en onvoorsichtigheydt.” Het ambtverkoopen noemt hij daarin: „de schandvlecke ende de kancker van de Vriesche Regeringe.”[235]ZieCharterboekV 835, 837, benevens de toenmaals afzonderlijk gedrukte stukken, welke zich bevinden in het HS. vanvitringa, wiens verhaal ik ben gevolgd, met aanvulling uitsylvius, I 567 env.[236]Zie deze en verder hiertoe betrekkelijke stukken in hetCharterboek, V 888, 892, 931 env.[237]Vitringa,Memoriale Annotatien, I 706.[238]Zie deze stukken in hetCharterb.V 957, 959 env. Ook zijn ze afzonderlijk gedrukt, en mede opgenomen in hetRecueil van Reglementenenz. gedrukt te’s Gravenhagein 1678, toen er over de nakoming van deze punten nieuwe geschillen ontstonden.[239]ZieCharterb.V 946, 973, 977, 983, 985, 988.[240]Sylvius,Historien, I 635, 636.[241]Uitvoerige bijzonderheden omtrent al het voorgevallene vindt men in de belangrijke werken van dien tijd:Holl. Mercurius, 152, end’Ontwaekte Leeuw, Amst. 1673, I 36, 47, 60, 74, 122, 130; II 15, 46, 47 env.;sylvius, I 653; zie ookvan leeuwen,Kronyk, 254.[242]Romyn de hooghe,Spiegel van Staat, Amsterdam 1706, I, 7etafereel, 1, 7.[243]Zie de voorbeelden daarvan bijde jonge,Zeewezen, IIIa130, 150, 269, 292.[244]Behalve het vroeger aangehaalde uitde jonge, opbl. 259, blijkt dit uit veelvuldige plaatsen in het 3edl. 1een 2est. van zijn voortreffelijk werk, waaruit ik tot mijn leedwezen geene meerdere bijzonderheden kan mededeelen. Ooksylvius, I, 14ebk. 341, 348, 15ebk. 93 enz. gewaagt met veel lof van de heldendaden vanbinckes.[245]Zie over dezenscheltema,Staatkundig Nederland, hetWapenboek, hetStamboek, hetCharterboekenz.[246]Sylvius,Vervolg opaitzema, dat aan hem werd opgedragen, I 287, 562 env. III, 1691, 51;bosscha,Heldendaden, II 166, 232, 240,Bijlage9 env.;Friesche Volks Almanak, 1841, 62.[247]Uit dit beleg is de bijzonderheid bewaard, dat de Friesche Luitenantlaurentius de blau, bij een aanval doodelijk getroffen, door zijne achttienjarige jongevrouw,antje tjebbes tjebbinga, met veel onverschrokkenheid uit de loopgraven werd gedragen, in de legerplaats gebragt en naarLeeuwardenvervoerd, om hem bij zijne vaderen te doen rusten. Zieferwerda,Wapenboek, I inde Blau. Ookbosscha, II 193 vermeldt dit en Mr.van halmaelbezong dit blijk van huwelijkstrouw in denAlm. v. ’t schoone en goede, 1837.[248]Bosscha, II 144, 172, 188, 192, 240, 258, 261, 315, 319 env.;Friesche Volks Almanak, 1840, 104;n. ypeij,Gedenkschrift van Coehoorn, Fran. 1781;chalmot,Biogr. Woordenb.VII 129;kok,Vaderl. Woordenb.X 366;Levensbes. van Nederl. Mannen, VII 169;merkes,Memorie over Coehoorn, ’s Hage 1825;van kampen,Geschied.II 138;Karakterkunde, II 415;van loon,Historiepenn.IV 342;van leeuwenin hetFriesch Jierboeckje, 1829, 1.[249]Toen de Prinses in 1679 naarDuitschlandvertrok en haar zoon het bewind aanvaardde, nam zij van de Staten afscheid bij eene Missive, waarin zij treffende blijken gaf van hare „groote liefde, affectie ende danckbare erkentenis jegens dese gezegende Provincie;” waarop de Staten eene resolutie namen, welke evenzeer van hunne erkentenis en toegenegenheid getuigde en vergezeld ging van een geschenk van 5,000 Gld. met toezegging van een jaarlijksch lijfpensioen tot gelijk bedrag. Zie deze Missive en Resolutie bijsylvius, II 42. De regering vanLeeuwardenontving bovendien een brief, waarin de Vorstin hare goede gezindheden nog sterker uitdrukte. ZieGeschiedk. Beschrijv.II 298. Later keerde zij echter inFrieslandterug, en woonde meest op hetOranjewoud.[250]Behalve in stukken van het Stedelijk Archief, vindt men eene uitvoerige beschrijving van deze „Princelyke Inhalinge” bijsylvius, II, 1684, 125.[251]Zie over deze Vorst en Vorstin:Charterb.V 914, 1103, 1216, 1242;sylvius, I 552, 653,b97, 178;Regist. Staats res.46, 513, 587;kok,Vaderl. Woordenb.II 507, XVI 606, XX 547;foeke sjoerds,Beschrijv.II 188;Tegenw. Staat, II 147;van kampen,Karakterk.II 337, 405, 414;bosscha,Heldendaden, II 103, 168, 239, 240, 258;steenbergen,Lijkrede op Prinses Albertine Agnes;van leeuwen,Kronyk, 456;van halmaelin denFriesche Volks-Almanak, 1844, 182.[252]Zie die geschillen vermeld bijkok, XVI 607;Reg. Staats-resol.517.—„Holland was voor Frieschen invloed bevreesd”, zegtgroen van prinsterer,Handboek der Vaderl. Geschiedenis, 589.[253]Bosscha, II 301, 541 env. Bovendien had Staat gelijktijdig over de 50 zware linieschepen in dienst. De schuld der republiek werd door dezen oorlog vermeerderd met 350 millioen!Groen, 588.[254]Romyn de hooghe,Spiegel van Staat, Amst. 1706, I, 7etafereel, 28.[255]ZieReg. Staats-resol.343, 517;lamigue,Leven van J. W. Friso, II 9, 30, 109, 117;kok, XVI 682;Tegenw. Staat, II 376. Ook deze Prinses ontving van de Friesche Staten eene tonne gouds als huwelijks-gift, en de Prins een geschenk van 16,000 Gld.[256]Van kampen,Karaktk.II b 530:bosscha,Neerl. Held.II 420.[257]lamigue,Leven, II 237, 266;van effen,de Misanthrope, II 21;van kampen,Karakterk.II 534;bosscha,Heldendaden, II 403-519;Levensbeschrijv. van Nederlandsche Mannen, VI 154, 284, VIII 260;ferwerda,Wapenboek, II. Acht dagen na ’s Prinsen dood (den 14 Julij voorgevallen) werd zijn lijk gevonden, teDordrechtgebalsemd en naarLeeuwardenvervoerd, waar het eerst den 25 Februarij 1712 werd bijgezet in den Stadhouderlijken Grafkelder met eene prachtige lijkstatie, voor wier kosten de Staten 16,000 Gld. toestonden.[258]Belangrijke berigten over hem zijn medegedeeld door den Heerj. van leeuweninde vrije Fries, 1844, III 277. Ookbosscha, II 469 env. en anderen vermelden hem, wiens graftombe nog de kerk van het dorpDongjumversiert, met hoogen lof.[259]Zie over de genoemde personen:van leeuwen, inde vrije Fries, V 245;bosscha, II 325, 370, 458, 473, 536, 543;wagenaar,Vaderl. Historie, XVII 426, 466;van haren,de Geuzen, 10eZang en Aant.;Frisia Nobilis, 114, 331, 335;Stamboek, I 144, II 84;van sminia,Grietmannen, 53.

[191]Aitzema,Saken van Staet en Oorlogh, 4o. VII 205 env.Wagenaar,Vaderl. Historie, XII 153.

[192]Charterboek, V 575 en vele krachtige vertoogen bovendien inaitzema, VIII 102 env., vooral tegende witt,van beverninghennieupoortgerigt.Kok,Vad. Woordenb.XVI 603.

[193]De jonge,Geschiedenis van het Ned. Zeewezen, IIa30 env.;wagenaar,Vaderl. Historie, XII 232 env.

[194]Charterboek, IV 896, V 330, 477, 485, 486;Reg. op de Staats-resol.10, 205, 313;Tegenw. Staat, III 13.

[195]CharterboekV 521, 558. Dit is te vreemder, omdat de Regering vanHarlingenreeds in 1644 bij acte had aangenomen, „omme de Heeren Raden ter Admiraliteyt op Stadts costen te voorsien met een bequame huysinge tot het Collegie ende Vergaderinge, sampt gevangen- en packhuysen.”

[196]Reg. Staats-resol.13;de jonge,Zeewezen, I 280, 281; IIa346, IIb31, en verder de Resolutiën van Gedeputeerden.

[197]Van dezendouwe aukeszijn geene andere bedrijven of levensbijzonderheden bekend. Vermoedelijk verliet hij na den eerste Engelschen oorlog de zee en werd koopman teAmsterdam, waar hij bij den tweeden Engelschen oorlog, in 1665, in aanmerking kwam, om, wegens zijn vroeger bedrijf, de gemagtigden tot ’s lands vloot als Zeeraad te dienen. Ziebrandt,de Ruiter, 398. DeHoll. Mercurius, 1666, 169 noemt hem, die verder niet bijbrandtvoorkomt, „een van de beste Zee-helden van onsen tijt, so in goet beleyt, courage, als ervarentheyt,” en meent zelfs, dat hij in 1666 bestemd was tot Luit.-Admiraal, in plaats vantjerk hiddes.

[198]Ik ben het verhaal gevolgd in denHollantsche Mercuriusvan 1652, III 82, nagenoeg overeenkomende metbrandt,Leven van de Ruiter, Amst. 1701, 27 ende jonge,Zeewezen, IIa53.

[199]„Dit getuigt, onder anderen, de Raadpensionarisj. de witt, in een’ zijner brieven aan de Algemeene Staten.”

[200]De jonge,Zeewezen, IIb32, 105. Waar het mogelijk is, wil ik over dit onderwerp het liefst de eigene woorden van dezen bevoegden beoordeelaar mededeelen, die zeker het meeste gezag verdient.

[201]Zie een belangrijken brief van hem bijaitzema, XIb919;wagenaar, XIII 147 env.;de jonge, IIb180, 247, 281 env.

[202]Resol. van Gedeputeerden;Reg. Staats-res. 13, 206;Chartb.V 747, 749, 750;vitringa,Memoriale Annotatien, I 412 env.

[203]Memorien van den Grave de Guiche, bl. 262 en 277 van het orig. en 270 en 286 van de vert. Deze Fransche edelman, die zich met andere aanzienlijke personen op de vloot bevond, schreef den naam vantjerk hiddesnaar zijne Fransche uitspraakkierkides, welke spelling ook de schrandere vertaler behouden heeft.

[204]Ik vond dit verhaal (bijde jonge, IIb282 en in het officiëel verslag in denHoll. Mercurius, 90 slechts kort vermeld) in een oorspronkelijkZee-Journaelvan dien togt, zoo als die destijds, bij gemis van Couranten, teAmsterdamen elders werden gedrukt en onder den naam vanNieuwe Tijdingenverspreid.—In 1663 hadden Gedeputeerde Staten hier een vastenPostopgerigt, tweemalen ter week vanLeeuwardenopZwolleen verdere plaatsen. HetHuis Benthemwas hier het eerste Postkantoor enjetse stiensmade eerste Postmeester.Charterboek, V 693, 707.

[205]De jonge, IIb336, 344 env.;wagenaar, XIII 210;Holl. Mercurius, 115;aitzema, XII 97;brandt, 515.

[206]De jonge, IIb353; IIIa417. Zijne beste levensbeschrijv. is die in deLevens van Nederl. Mannen en Vrouwen, Amst. en Harl. 1776, III 1;kok, XXX, 36;brandt,de Ruiter, 401, 407, 419, 423, 424 env. Zie verderAanteekening 23.

[207]Deze zoon,tjerk de vries, ook in ’s lands zeedienst opgeleid, stierf reeds in 1689 als Kapitein van en op ’s lands oorlogsschip: de Brack op een terugtogt vanEngeland.

[208]Zie overaylvaals Luit.-Admiraal:brandt, 558, 573, 585, 589, 590, 594, 598, 599, 644, 646;de jonge, IIb421; IIIa51, 124.

[209]Zie deze redenen breeder ontwikkeld bijde jonge, IIIa204.

[210]Mijn bestek gedoogt niet, aangaande dezen man meerdere bijzonderheden mede te deelen. Omtrent weinige personen isde jongezóó uitvoerig, als over dezen dapperen zeeman, van wien hij vele, tot dusverre onbekende, bijzonderheden heeft medegedeeld. Zie IIIaInl. XII, 30, 345-366, 415, IIIb49, 275-363.

[211]Tot kenschetsing van de zeden en den trap van beschaving dier dagen, welke wij hier niet in bijzonderheden kunnen vermelden, meenen wij een enkel bewijs te moeten aanvoeren. In het zelfde jaar 1661, dat de Staten ten gevolge der toenemende publieke onveiligheid, veroorzaakt door veelvuldige luije bedelaars, vagabonden en landloopers, gedrongen waren een Lands Tucht- en Werkhuis op te rigten, werden er plakkaten uitgevaardigd zoowel tegen „dát schadelyck geboefte,” als tegen het drukken van schandelijke en ergerlijke boeken, alsmede tegen het onbehoorlijk zuipen en slempen op de lijkmaaltijden. Zie die stukken in hetCharterb.V 651, 653, 661, 662. Den hoofdinhoud van het laatste willen wij hier mededeelen met de woorden vanhoratius vitringain zijne MS.Memoriale Annotatien, I 262:

„De Staten vanFrieslant, insiende het schandelyck en godtloos misbruick van ’t suypen en slempen, dat daeghelycks en dickmaels by de begraffenissen der dooden gepleecht wierde van alderhande soorten van menschen, en hetwelcke soo groff gingh, dat menich droncken bout in het sterffhuis konde vertoeven tot 9 à 10 uyren in den avont, en haer alsdan als beesten laten nae huis leyden, nemende menichmael kannen en glasen onder de mantel en hoyck mede om in het drincken niet vergeten te worden; in voegen, dat een gemeen Burger tot een begraffenisse van nooden hadde ten minste een aem wyns en sommige vrij wat meer,—hebben, daerinne willende voorsien, den 13 Julij 1661 (op een gravamen van ’t Classis vanLeuwaerden, in desen jare op het Synode alhier vergadert, voorgedragen) by openbare placcaten laten verbieden, dat niemand voortaen, soo groot als klein, edel ofte onedel, directe off indirecte, voor off nae de begraffenisse, sal vermogen wyn, bier off stercken dranck te doen schencken by poene van 50 Ggld., ’t appliceren1⁄3part voor den aenbrenger,1⁄3part voor den Officier en1⁄3part voor de armen: waer mede het drincken oock een eynde heeft genomen.” Dit laatste wordt door de herhaling van dit plakkaat in 1683 tegengesproken. ZieCharterb.V 1213.

[212]Vitringa,Mem. Annotatien, I 93;Charterb.V 592, 595, 604, 606, 608, 609;Tegenw. Staat, II 169, 468.

[213]Vitringa, I 271;Charterb.V 666, 667, 679, enaitzema, X 524, die onschatbare bron voor onze vaderlandsche geschiedenis!

[214]Bij het terugkeeren van deze begrafenis had Prinsjoan mauritsvan Nassauhet ongeluk, bij het overrijden van de Weeshuisbrug inFraneker, in het water en onder zijn paard te vallen. Gelukkig gered, moest hij daar eenige weken vertoeven tot zijne herstelling. Eene afbeelding van dit voorval is daarna in steen gehouwen en geplaatst in den muur van het Weeshuis, nevens deze brug, die daarvan den naam van de Mauritsbrug ontving.Aitzema, 823.

[215]Vitringa,Memorien, I 388;Charterboek, V 616, 738, en vooral uitvoerige berigten inaitzema, XIa75-131;sylvius,Vervolg, II 43;n. arnoldus,Vorstelijke Rouw-Lyck-ende-Lof-Reeden, Leeuw. 1664, 19;wagenaar, XIII 97;Reg. Staats-res.513.

[216]Vitringa,Memorien, I 432;aitzema, XIb1039.

[217]Ook onzen dichtergysbert jacobsz.met vrouw en zoon. Ziehalbertsma,Hulde, II 299.

[218]Vitringa, I 430;bosscha, II 18;aitzema, XIb1034 env. Volgens den eersten bedroegen de Provinciale lasten van Oorlog voorFrieslandin 1666 ƒ263,000 per maand of ƒ2,178,000 in het jaar.

[219]DeHollandse Mercurius, 72, zegt zelfs, dat het „schoone Regiment vanaluavan ’t geduerig marcheren was afgemartelt, eerst uyt de Spaensse Nederlanden na ’t Leger, van daer na Nimwegen, van Nimwegen na de Rijnkant, van de Rijnkant weer na Nimwegen, en weder van daer na de Rijnkant.”

[220]Valkenier, 458, zegt duidelijk: „Door dese quetsure vancondébleef de groote Resolutie, om opAmsterdamte gaan, geheel achter, en wierden de concepten geheel verandert.” Ook Kapiteinw. j. knoop, in zijn belangrijk stuk:de Verdediging van Nederland, inde Gids, 1851, 317, houdt het voor „zeer waarschijnlijk, dat, wanneer dadelijk na den overtogt van den Rijn het Fransche leger op Holland was aangevallen, dat gewest zou zijn veroverd en daarmede het vaderland verloren.”

[221]Valkenier, 597;Charterboek, V 812 en verv.

[222]Zievalkenier,’t Verwerd Europa, Amst. 1675, 597 en vooral het uitvoerig verhaal bijsylvius,Vervolg opaitzema, I 561.

[223]Van eenige dezer schansen komen afbeeldingen voor bijsylvius, I 298 en ind’ Ontroerde Leeuw, 70.

[224]Alleend’ Ontroerde Leeuw, 41 enHoll. Mercuriusvan 1672, 112 maken melding van dit feit, later doorsylviusin zijnVervolg opaitzemaen init aade Friesche Terpmedegedeeld. Zie ook vand. h. van der meerin denFriesche Volks Almanak, 1841, 44 meer uitvoerige berigten deswege.

[225]Dit vermeldteldercampiusin zijnJournaelvan ’t beleg, Gron. 1672, en deHoll. Mercurius, 127, 129.

[226]Valkenier, 807, die in dezen meer te vertrouwen is danit aade Friesche Terp, 245, dat dezen aanval tusschen den 8 en 9 September stelt.

[227]Zie het uitvoerig verhaal bijsylvius, I 427;valkenier,’t Verwerd Europa, 803;d’ Ontroerde Leeuw, 46;siegenbeek,Geschiedenis der Burgerwapening, 130;bosscha,Heldend.II 126. Ter belooning van „dese heroïque actie der Burgeren” werden, nog in dat zelfde jaar, aanBlokzylstedelijke regten toegekend, volgens octrooi van PrinswillemIII.

[228]Dit stuk is medegedeeld in deLeeuw. Cour.van 1836, No. 36.

[229]Vitringa,Mem. Annotatien, I 639. Ik heb den inhoud dezer aanspraak hier vooral medegedeeld, omdat al de verdere klagten en bezwaren, welke tot de latere gebeurtenissen aanleiding gaven, in de hoofdzaak hierop nederkwamen.

[230]Charterb.V 831. Deze Resolutie is echter maar door 45 van de 82 leden der Staten onderteekend. Zóó vele personen schijnen er afwezig geweest te zijn?

[231]Vitringa, 643;Charterb.V 834, 1074, 1075;Geschiedk. Beschrijving, II 135;valkenier, 653 vermeldt, datLeeuwardenalléén 1000 weerbare burgers leverde. (ZieAanteek. 25.)

[232]Dus oordeelt Kapiteinw. j. knoopinde Verdediging van Nederland in 1672, inde Gids, 1851, 330.

[233]Charterboek, V 299, 301, 313, 316, 666, 815.

[234]De beroemdeulrik hubergaf in een naamloos geschrift, getit.Spiegel van Doleancie en Reformatie, eene beoordeeling van deze punten, met eene, in die dagen van opgewondenheid zoo nuttige waarschuwing, „dat soo heerlijcken werck niet werde bezoedelt met de vlecke van onrecht en onvoorsichtigheydt.” Het ambtverkoopen noemt hij daarin: „de schandvlecke ende de kancker van de Vriesche Regeringe.”

[235]ZieCharterboekV 835, 837, benevens de toenmaals afzonderlijk gedrukte stukken, welke zich bevinden in het HS. vanvitringa, wiens verhaal ik ben gevolgd, met aanvulling uitsylvius, I 567 env.

[236]Zie deze en verder hiertoe betrekkelijke stukken in hetCharterboek, V 888, 892, 931 env.

[237]Vitringa,Memoriale Annotatien, I 706.

[238]Zie deze stukken in hetCharterb.V 957, 959 env. Ook zijn ze afzonderlijk gedrukt, en mede opgenomen in hetRecueil van Reglementenenz. gedrukt te’s Gravenhagein 1678, toen er over de nakoming van deze punten nieuwe geschillen ontstonden.

[239]ZieCharterb.V 946, 973, 977, 983, 985, 988.

[240]Sylvius,Historien, I 635, 636.

[241]Uitvoerige bijzonderheden omtrent al het voorgevallene vindt men in de belangrijke werken van dien tijd:Holl. Mercurius, 152, end’Ontwaekte Leeuw, Amst. 1673, I 36, 47, 60, 74, 122, 130; II 15, 46, 47 env.;sylvius, I 653; zie ookvan leeuwen,Kronyk, 254.

[242]Romyn de hooghe,Spiegel van Staat, Amsterdam 1706, I, 7etafereel, 1, 7.

[243]Zie de voorbeelden daarvan bijde jonge,Zeewezen, IIIa130, 150, 269, 292.

[244]Behalve het vroeger aangehaalde uitde jonge, opbl. 259, blijkt dit uit veelvuldige plaatsen in het 3edl. 1een 2est. van zijn voortreffelijk werk, waaruit ik tot mijn leedwezen geene meerdere bijzonderheden kan mededeelen. Ooksylvius, I, 14ebk. 341, 348, 15ebk. 93 enz. gewaagt met veel lof van de heldendaden vanbinckes.

[245]Zie over dezenscheltema,Staatkundig Nederland, hetWapenboek, hetStamboek, hetCharterboekenz.

[246]Sylvius,Vervolg opaitzema, dat aan hem werd opgedragen, I 287, 562 env. III, 1691, 51;bosscha,Heldendaden, II 166, 232, 240,Bijlage9 env.;Friesche Volks Almanak, 1841, 62.

[247]Uit dit beleg is de bijzonderheid bewaard, dat de Friesche Luitenantlaurentius de blau, bij een aanval doodelijk getroffen, door zijne achttienjarige jongevrouw,antje tjebbes tjebbinga, met veel onverschrokkenheid uit de loopgraven werd gedragen, in de legerplaats gebragt en naarLeeuwardenvervoerd, om hem bij zijne vaderen te doen rusten. Zieferwerda,Wapenboek, I inde Blau. Ookbosscha, II 193 vermeldt dit en Mr.van halmaelbezong dit blijk van huwelijkstrouw in denAlm. v. ’t schoone en goede, 1837.

[248]Bosscha, II 144, 172, 188, 192, 240, 258, 261, 315, 319 env.;Friesche Volks Almanak, 1840, 104;n. ypeij,Gedenkschrift van Coehoorn, Fran. 1781;chalmot,Biogr. Woordenb.VII 129;kok,Vaderl. Woordenb.X 366;Levensbes. van Nederl. Mannen, VII 169;merkes,Memorie over Coehoorn, ’s Hage 1825;van kampen,Geschied.II 138;Karakterkunde, II 415;van loon,Historiepenn.IV 342;van leeuwenin hetFriesch Jierboeckje, 1829, 1.

[249]Toen de Prinses in 1679 naarDuitschlandvertrok en haar zoon het bewind aanvaardde, nam zij van de Staten afscheid bij eene Missive, waarin zij treffende blijken gaf van hare „groote liefde, affectie ende danckbare erkentenis jegens dese gezegende Provincie;” waarop de Staten eene resolutie namen, welke evenzeer van hunne erkentenis en toegenegenheid getuigde en vergezeld ging van een geschenk van 5,000 Gld. met toezegging van een jaarlijksch lijfpensioen tot gelijk bedrag. Zie deze Missive en Resolutie bijsylvius, II 42. De regering vanLeeuwardenontving bovendien een brief, waarin de Vorstin hare goede gezindheden nog sterker uitdrukte. ZieGeschiedk. Beschrijv.II 298. Later keerde zij echter inFrieslandterug, en woonde meest op hetOranjewoud.

[250]Behalve in stukken van het Stedelijk Archief, vindt men eene uitvoerige beschrijving van deze „Princelyke Inhalinge” bijsylvius, II, 1684, 125.

[251]Zie over deze Vorst en Vorstin:Charterb.V 914, 1103, 1216, 1242;sylvius, I 552, 653,b97, 178;Regist. Staats res.46, 513, 587;kok,Vaderl. Woordenb.II 507, XVI 606, XX 547;foeke sjoerds,Beschrijv.II 188;Tegenw. Staat, II 147;van kampen,Karakterk.II 337, 405, 414;bosscha,Heldendaden, II 103, 168, 239, 240, 258;steenbergen,Lijkrede op Prinses Albertine Agnes;van leeuwen,Kronyk, 456;van halmaelin denFriesche Volks-Almanak, 1844, 182.

[252]Zie die geschillen vermeld bijkok, XVI 607;Reg. Staats-resol.517.—„Holland was voor Frieschen invloed bevreesd”, zegtgroen van prinsterer,Handboek der Vaderl. Geschiedenis, 589.

[253]Bosscha, II 301, 541 env. Bovendien had Staat gelijktijdig over de 50 zware linieschepen in dienst. De schuld der republiek werd door dezen oorlog vermeerderd met 350 millioen!Groen, 588.

[254]Romyn de hooghe,Spiegel van Staat, Amst. 1706, I, 7etafereel, 28.

[255]ZieReg. Staats-resol.343, 517;lamigue,Leven van J. W. Friso, II 9, 30, 109, 117;kok, XVI 682;Tegenw. Staat, II 376. Ook deze Prinses ontving van de Friesche Staten eene tonne gouds als huwelijks-gift, en de Prins een geschenk van 16,000 Gld.

[256]Van kampen,Karaktk.II b 530:bosscha,Neerl. Held.II 420.

[257]lamigue,Leven, II 237, 266;van effen,de Misanthrope, II 21;van kampen,Karakterk.II 534;bosscha,Heldendaden, II 403-519;Levensbeschrijv. van Nederlandsche Mannen, VI 154, 284, VIII 260;ferwerda,Wapenboek, II. Acht dagen na ’s Prinsen dood (den 14 Julij voorgevallen) werd zijn lijk gevonden, teDordrechtgebalsemd en naarLeeuwardenvervoerd, waar het eerst den 25 Februarij 1712 werd bijgezet in den Stadhouderlijken Grafkelder met eene prachtige lijkstatie, voor wier kosten de Staten 16,000 Gld. toestonden.

[258]Belangrijke berigten over hem zijn medegedeeld door den Heerj. van leeuweninde vrije Fries, 1844, III 277. Ookbosscha, II 469 env. en anderen vermelden hem, wiens graftombe nog de kerk van het dorpDongjumversiert, met hoogen lof.

[259]Zie over de genoemde personen:van leeuwen, inde vrije Fries, V 245;bosscha, II 325, 370, 458, 473, 536, 543;wagenaar,Vaderl. Historie, XVII 426, 466;van haren,de Geuzen, 10eZang en Aant.;Frisia Nobilis, 114, 331, 335;Stamboek, I 144, II 84;van sminia,Grietmannen, 53.

De waarde der dingen rijst of daalt voorzeker naargelang van het oogpunt, waaruit wij ze beschouwen of met andere vergelijken. De inwoners van een land zijn zelve niet altijd de beste beoordeelaars van zijne waarde, vooral met betrekking tot andere landstreken of tot een vroegeren toestand. De blik, welke bekwame vreemdelingen daarin werpen, bekoort ons soms door nieuwheid en belangrijkheid van inzigten, welke de waarde van dit land in onze eigene schatting verhoogen en die de banden versterken, met welke wij ons aan onzen bodem en ons volk gehecht gevoelen.

Zoo trok voor eenige jaren een bejaard Duitsch geleerde door ons vaderland, nog vol van jeugdigen lust en kracht, om het edele, groote en schoone, waar hij het vond, te erkennen en te bewonderen, die daarvan een gunstig getuigenis gaf[260]. Aan bergachtige natuurtooneelen gewoon, trof hem hier, »in deze klassieke vlakte, die afwisseling en tegenstelling van land en water, van oude en nieuwere steden, de middelpunten van het verkeer des nijveren volks, van fraaije land- en waterwegen, van weelderige weiden, heerlijke velden en tuinen, prachtige wouden en liefelijke boschjes, waaronder zich de woeste zandgronden schier verliezen, en vooral die grootsche duinen en daarachter in de verte de graauwe zee, die ontzettende!”

»Ook dit land”, dacht hij, »heeft God geschapen en tot eene goede woonplaats zijner menschen-kinderen ingerigt, als zij Zijne heilige bedoelingen in de natuur regt verstaan en volgen. Juist dit, dat in dit land overal de regelende, bouwende, scheppende, worstelende menschelijke geest zich vertoont; dat men bij elke schrede de zedelijke degelijkheid, nijverheid, koenheid en netheid van het volk kan opmerken, daar het met edelen trots het land op de wrokkende zee verovert en er zich tegen verdedigt; woeste en vruchtbare gronden evenzeer weet te bebouwen, en water met land, vlakte met heuvels met kunstenaarshand, vaak op verrassende wijze, tot de liefelijkste landschappen, als tot lusthoven, verbindt,—juist dit had voor hem eene groote aantrekkelijkheid. De natuur zonder kunst en menschenwerk heeft haar schoon; maar volle bevrediging vindt de geest toch eerst dán, wanneer Natuur en Geschiedenis elkander doordringen. Ja, ’t is een soort van godsdienstig genot, een land te zien, van de zedelijke kracht des volks zoo geheel doortrokken en bezield als dit, waarin het gebod des Scheppers, dat de mensch zich de geheele natuur moet onderwerpen, met zoo veel ernst en gelukkig gevolg volbragt wordt.”

Elk beschaafd volk heeft zijn historischen grondslag, waarvan het zich nooit kan losrukken. Hem kwam het voor, dat ons volk meer dan andere de bezielende herinnering van zijne groote gebeurtenissen bewaard- en zijn historischen grond, even als zijn land tegen de zee, bewaakt en verdedigd heeft. »Bewaart dien edelen historischen zin!” roept hij onzen landgenooten ten slotte toe, en wie gevoelt niet, dat in de kennis der geschiedenis, ook van den oorsprong en de verbetering van den vaderlandschen bodem, eene kracht ligt, om onze vaderlandsliefde te bevestigen en den moed teverhoogen, ten einde bij voortduring aan deszelfs volmaking met ijver mede te werken.

Is zijne beschouwing op ons vaderland in het algemeen van toepassing,—zij is dit in het bijzonder opFriesland, waar de natuur zoo weinig, de hand des nijveren volks zoo veel ter bescherming en verbetering van den bodem heeft verrigt, ook zonder den steun van buitenlandsche hulpbronnen, waaraanHollandvooral zijn aanzien en grootheid verschuldigd is. Daarom rekenen wij op de belangstelling onzer lezers inzonderheid, bij de beschouwing van devoornaamsteoorzaken en middelen, waardoor in dit tijdvak de aanwas en de verbetering van den Frieschen bodem is bevorderd.

Verlies van grond hadFrieslandniet meer te betreuren sedert de groote veranderingen, welke in de 13een 14eeeuw de Zuiderzee deden ontstaan. (Ziebl. 56-64hier vóór.) Integendeel, er was op verscheidene plaatsen langs de kust gelegenheid tot landwinning, welke zelfs meer algemeen zou geweest zijn, indien onze zeedijken, bij grootere breedte en vlakte, de bescherming hadden kunnen ontberen van de paalwerken, welker regtstandige afwering van de golven nu ten gevolge had, dat de aanslag van grond op vele plaatsen verhinderd en het strand uitgekolkt werd.

De zelfde oorzaken, welke de verlanding van de Middelzee bevorderd hadden, bleven, ook nadathet Bildtvan 1505-1508 door een zwaren zeedijk was afgesloten, voortgaan, den hoek tusschenDijkshoekenWierum, welke bij weste- en zuidweste-winden in de luwte ligt, te vullen. Telkens, wanneer die aanslibbing eene belangrijke uitgestrektheid had verkregen, werd zij bedijkt. De eerste inpoldering daarvan geschiedde in 1580 en 1590door het bedijken van denHolwerder Wester- en Oosterpolderen denTernaarder-polder, gezamenlijk ookNieuw-Dongeradeelgenaamd. Hierop volgde in 1600 het bedijken van hetNieuwe Bildt, niet minder dan 1756 morgen bedragende met bovendien 260 pondematenNieuw Munneke-BildtonderFerwerderadeel. De daarbij aangelegdeNieuwe Bildtzijlwerd echter reeds in 1655 gedamd, ten gevolge der voortdurende aanslijking, welke het mogelijk maakte, om in 1715 deWestelijke Bildt-pollen, groot 444 morgen, en in 1754 deOostelijke Bildt-pollen, groot 126 morgen, benevens het ganscheNoorderleeg, door den tegenwoordigen zeedijk binnen te brengen. Sedert deze laatste bedijking bleef de gelegenheid tot landwinning benoordenhet BildtenFerwerderadeelzóó gunstig, dat er tot heden, vanSt. Jacobi-Parochietot voorbijBlija, weder eenige honderden bunders vruchtbaar land op de kust zijn aangeslibd, welke de namen dragen van deBildt-pollen-Aanwas, hetNoorderleegs-Buitenveld, deKeegenen deBokke- en Boere-pollen[261].

Ook op den noordoosthoek dezer provincie werd in 1592 eene groote uitgestrektheid lands aangewonnen, doordien deAnjumer-enLioessenser-polderbedijkt en vereenigd werd met het vroegere eilandjede Band. DochOost-Dongeradeel, ten opzigte der aanslijking zoo gunstig gelegen, verkreeg later een aanwas van nog grooter belang en meer gewigtig gevolg voor ganschOostergoo. Bezuiden deze grietenij stroomde het Dokkumerdiep als een breede tak van de Lauwerszee tot aan de stadDokkum, waar het zeewater eerst gekeerd werd door eenesluis, in 1583 aldaar vanOudzijl, bewesten die stad, overgebragt. Tusschen de dijken van dezen tak verzamelden de slibstoffen zich van lieverlede dermate, dat het vernaauwde diep den zeehandel vanDokkumniet enkel belemmerde, maar bij hooge vloeden met sterker geweld op de dijken aandrong. In 1665 en vooral in 1717 bragt dit groote schade te weeg. Daarom nam men toen op nieuw in overweging het reeds in 1584 door de naastgelegene grietenijen geopperde denkbeeld (Chb.IV 456, V 445), om het gansche diep op de grenzen der provincie af te sluiten, door bijEngwierumin den wijden mond tusschenKollumerlandenOost-Dongeradeeleen dijk met eene zeesluis te leggen. Het voorstel daartoe vond bij de Staten dien bijval, dat eerlang tot de uitvoering werd besloten. Dit werk, onder het bestuur van den bekwamenwillem loréin 1725 op eene grootsche schaal ondernomen, werd in 1729 voltooid en had, terwijl de kosten bijna 3 tonnen gouds bedroegen, zeer belangrijke gevolgen. Want door dezen nieuwenStatendijkvan een half uur gaans lengte werden de naastgelegene grietenijen ontheven van het onderhoud van 6,000 roeden zeedijks ter wederzijden langs het diep totDokkum; de nieuwe zeesluis verving alsnu de Dokkumer, Driezumer, Oudwouder- en Kollumerzijlen, die vroeger in genoemd diep uitstroomden; de aangeslibde en binnengebragte gronden, die 661 bunders bedroegen, werden nu in vruchtbare bouwlanden herschapen, en het kolossale sluisgebouw met drie kokers (een meesterstuk van waterbouwkunde) was eene hoofdwaterlossing vanOostergoo-en, na het uitgraven van het diep, ook voor de scheepvaart vanDokkum, eene zaak van groot gewigt geworden; terwijl een weg langs den breeden dijk (een model van waterkeering) en brug over de sluis eene verbinding daarstelden tusschen twee, vroeger ver van elkander gescheidene,grietenijen[262]. Buiten de sluis, sedert deDokkumer Nieuwe Zijlengenaamd, bleef de aanslibbing nog voortduren, en werd in 1752 aan de noordzijde hetEngwierumer-Nieuwlandmet een zeedijk omsloten. Evenzoo bleef de landwinning voortduren aan de zuidzijde van de buitenkil ter vergrooting vanKollumerland, hetwelk reeds in 1529 door bedijking was verrijkt geworden met de uitgestrekte waardgronden vanNieuw-Kruisland, ten oosten waarvan in 1689 reeds weder een aanwas met een kadijk was omgeven, welke zich tot de Buiten-Lauwers of de grenzen vanGroningenuitstrekte.

Aan de westkust dezer provincie was minder gelegenheid tot landwinning, dewijl deze al te zeer bloot stond aan den geweldigen en nimmer rustenden golfslag der Zuiderzee. Behalve eene uitgestrektheid lands nevensDijkshoek[263], kunnen wij daar enkel gewagen van hetWorkumer-Nieuwland, vroeger een inham tusschen de stedenWorkumenHindeloopen. Reeds had KoningfilipsII in 1557willem jansz., Burgemeester vanEnkhuizen, toegestaan, om dezen »Inbochte van den Strande, het Worckumer-Hop genaempt, omtrent den sluyse, genoempt Kolderzijl, groot 300 mergen,” te bedijken, toen de Staten vanFrieslandin 1605 en bij herhaling in 1610 daartoe octrooi verleenden aanWorkum, dat de vergunningaanwillem jansz.bij overdragt had bekomen. Werkelijk scheen deze stad in 1621 eindelijk tot de bedijking te zullen overgaan; doch, daar de kosten van uitvoering hare krachten welligt te boven gingen, verbond zij zich met zes aanzienlijke Friesche edelen, die daartoe met haar eene overeenkomst sloten. Kort daarna werd het werk ondernomen en de nieuwe zeedijk in 1624 voltooid, waarbij de buitenhaven vanWorkum, het Zool genoemd, eene aanmerkelijke verlenging bekwam. Bij de aanzienlijke kosten, die hiertoe vereischt werden, had men toen en later met groote tegenspoeden te kampen, dewijl deze polder, van 1200 pondematen oppervlakte, sedert, ten gevolge van doorbraken in den dijk, drie malen is overstroomd geweest. Bij de dijkbreuk van 1776 werden er zelfs twee tonnen gouds gevorderd, om de geledene schade aan de zeewering, waarin op twee plaatsen gaten waren geslagen, te herstellen[264].

Aan de zuidkust werd in 1633 een inham, nabijMirns, bedijkt, welke den naam van deWielpolderverkreeg (Chb.V 1205). Verder oostwaarts werden daar ter beveiliging des lands buitengewone maatregelen genomen. Ten gevolge van den slechten toestand der dijken vande Kuinderen den watervloed van 1701, die in de zuidelijke grietenijen groote schade veroorzaakte, trachtte men in 1702 deze meer te beveiligen door het leggen van een geheel nieuwen zeedijk. Wegens de onvolkomenheidder aansluiting met den zeedijk vanOverijssel, werd deze dijk niet langs de kust, maar op eenigen afstand daarvan binnenwaarts gelegd, en wel van de zoogenaamdeBoedstedentotSlijkenburg, en alzoo langs de plaats, waar eertijds deSchoterzijllag, welke reeds jaren te voren meer benedenwaarts naarSlijkenburgaan de Linde was verlegd geworden. Bij deze gelegenheid werd er door de provincie in den nieuwen dijk en de Tjonger eene sluis gelegd, welke thans nog den naam draagt van deSchoterzijl, gelijk de nieuwe zeewering dien van deStatendijk. Door dit belangrijk werk zagen de lage zuidelijke kwartieren hunne veiligheid zeer bevorderd; terwijlFrieslanddaardoor onafhankelijk werd van Overijssels waterkeeringen. De landen ten zuiden van den nieuwen dijk en ten westen van de Worst-sloot of de grensscheiding werden nu enkel door een kadijk afgesloten[265].

Nieuwe stormen en watervloeden in 1702 en 1703, die vooral de dijken vanZevenwoudenhevig teisterden, vorderden krachtige voorziening en deden de Staten zelfs bedacht zijn, om alle provinciale zeedijken te doen verhoogen en te verzwaren. Groote beletselen deden zich daartegen op. Eerst nadat in 1715 en 1717 dit gewest op nieuw door dijkbreuken en overstroomingen veel te lijden had, werden er krachtiger maatregelen tot verzwaring van het paal- en aardewerk en tot een beter onderhoud van de zeeweringen genomen. (Zie daaroverbl. 238hier vóór.)

Eerlang echter bedreigde eene nieuwe ramp het vaderland met een gevaar, waarbij alle menschelijke kracht en schranderheid schenen te kort te schieten, doch waartegen ’s lands Staten maatregelen van voorzorg in het werk stelden, welke even gewigtig als hoogst kostbaarwaren. Een kleine worm, van een teêr en slijmachtig zamenstel, doch met een harden kop gewapend, doorboorde in 1731 en volgende jaren de zeepalen, welke den voet onzer dijken beschermen, dermate, dat men daarvan de grootste gevaren duchtte. De gansche westkust vanFriesland, vanDijkshoektotStavoren, werd daardoor deerlijk geteisterd. Een harde wind in Julij 1732 sleepte bij duizenden doorknaagde palen weg; ook de deuren van sommige sluizen werden er door verteerd. De algemeene bekommering was zóó groot, dat er zelfs een Bededag werd gehouden, om de verlossing van dit kwaad van den Hemel af te smeeken.

Aangezien alle herstelling van het paalwerk vruchteloos scheen, dewijl ook het nieuwe hout spoedig werd aangetast, trachtte men den dijksvoet te beschermen door zware keisteenen, welke uitNoorwegenaangevoerd- en voor de paalwerken geworpen werden. Het landsbestuur kon echter den uitslag niet afwachten van dit nieuwe beveiligingsmiddel, dat eerst hevig bestreden-, doch later van groote dienst bevonden werd. Men achtte het noodzakelijk, om intusschen mede door het opwerpen vanSlaperdijkenbinnen de zeedijken de provincie op de gevaarlijkste punten door afsluiting te beveiligen. Op drie plaatsen werden zulke binnenleggers opgeworpen. Onder het beleid van gemelden Mathematicusloréwerd in 1732 de eerste dijk gelegd: van den binnendijk van hetWorkumer-Nieuwlandtot aan den heuvel, waaropKoudumis gelegen, en van daar overGalama-dammentot aan den hoogen grond vanHemelumer-Nijeburen. Wegens den stijgenden nood riep men tot dit werk de hulp in van het Friesche krijgsvolk. Gesterkt door deze troepen, welke met het overige werkvolk een leger van ruim 2,000 man uitmaakten, werden in weinig meer dan drie maanden tijds eene binnenlandsche waterkeering, sedert deKoudumer-Slaperdijkgenoemd, van 180 voeten breedte en 1500 roeden lengte, midden door lage landen en diepe vaarten opgeworpen, en bovendien drie sluiswerken daarin tot stand gebragt, waarvan de kosten met die der aangekochte, deels vergravene, landen op ruim 125,000 Gld. te staan kwamen. Ten behoeve der waterlossing is later (1775) in het noordelijk gedeelte van dezen dijk, aan hetWorkumer-Nieuwland, nog eene sluis gebouwd.

In het volgende jaar, 1733, werd de tweede Slaperdijk gelegd langs het dorpSurig, bezuidenHarlingen, met het doel, om het gevaar, waarin de vooruitspringende landhoek, hetSuriger-oord, verkeerde, en de gevolgen, welke eene doorbraak van deszelfs dijken kon te weeg brengen, voor het overig gedeelte der provincie schadeloos te maken. Ook deze dijk van eene onverbreekbare sterkte, daar hij bij 300 roede lengte, 278 voet breedte en 13 voet hoogte heeft, zoodat de kosten van aanleg 70,000 Gld. bedroegen, werd naar het plan en onder opzigt vanloréaangelegd, die daarin weder een voorbeeld gaf van de volkomenste wijze van landverdediging tegen de zee; een voorbeeld, naar hetwelk wij zouden wenschen, dat eenmaal al onze overige zeedijken mogten kunnen worden hervormd[266].

Een niet minder gevaarlijk punt was destijds deLemsterhoek, bewestende Lemmer, dewijl men van eene doorbraak daarvan de schadelijkste gevolgen voor deZevenwoudenhad te duchten. Daarom werd er in het volgende jaar, 1734, daar achter mede een Slaperdijk, hoewel tot eene mindere breedte en hoogte, opgeworpen,en door deze afsnijding de veiligheid der zuidelijke streken niet weinig bevorderd[267]. Het plan, in dat jaar ontworpen, om meer binnenwaarts een algemeenen slaperdijk te leggen, dóór de lagere streken, vanHemelumer-Nijeburentot aan het hoogere gedeelte vanSchoterland, is echter wegens het afnemen van de verschrikkelijke wormplaag niet ten uitvoer gebragt.

Na dit overzigt van de voornaamste middelen tot landwinning en verdediging tegen de wateren, welkeFrieslandimmervan buitenbedreigen, willen wij nu het oog slaan op de veroveringen, welke de nijvere landzaatvan binnenop dit woeste element trachtte te behalen.

Waarschijnlijk wekte het voorbeeld vanNoord-Holland, waarin men in den aanvang der 17eeeuw zoo vele groote meren bedijkte en droogmaakte, ook inFrieslandden lust tot dergelijke ondernemingen op. In 1613 gaven de Staten daartoe het eerste octrooi aanStavorenten aanzien van den grooten plas, beoosten die stad gelegen, en wiens ondiepte hare scheepvaart niet weinig belemmerde. Dan, naauwelijks was daartoe octrooi verleend, of er deden zich bezwaren en geschillen op, welkeStavorentrachtte te ontgaan, door de verkregene vergunning aan vier Raadsheeren en eenige andere personen over tedragen (1620). Deze beloofden het meer in twee gedeelten te zullen bedijken en droogmaken, met daar tusschen een kanaal naarStavorenen vaarten naarWarnsenMolkwerum. Met groote moeite werd dit werk volbragt, en hetStavorsche Noorder-enZuidermeer, ieder ongeveer 200 morgen groot, in vruchtgevend land herschapen. Niet minder moeite was er aan verbonden, om dit land droog te houden, hetgeen in het eerste meer met één en in het laatste met twee molens naauwelijks kon geschieden. Toen nu de molens van het Zuidermeer vernieuwd moesten worden, en Dr.bernardus schotanusàsterringa, die in 1690 deze grietenij in kaart bragt, eene nieuwe soort van watermolen had uitgevonden, waarmede hij zoo veel water als met tien andere meende te kunnen uitmalen, behaagde het den eigenaren, hun regt aan hem over te dragen, en de Staten, om hem gunstige toezegging van ondersteuning te doen, ten einde het Zuidermeer droog te houden (1697). Nadatschotanuszich daartoe verbonden had meternst mockema van harinxma thoe slooten, Grietman vanBaarderadeel, werd dit doel wel bereikt, echter niet zonder latere (tot heden voortdurende) subsidie der Staten, die ook hulp verleenden, toen beide meren bij den stormvloed van 1776 overstroomd werden[268].

In 1633 bepaalden de Staten, dat het den bedijkers van meren zou vrijstaan, om tot het maken van dijken en ringslooten de omgelegene landen, tegen vergoeding, te gebruiken en bruggen en vaarten te verleggen. Dit strekte tot geene geringe aanmoediging en niet minder tot wering van geschillen. In 1633 werd alzoo hetCherne-ofSensmeermet het daaraan verbondeneAtsebuurstermeer,bewestenWesthem, bedijkt. Ook de droogmaking van het grooteWarregastermeeren van het kleineJornahuistermeer, nabijWarrega, werd in dit jaar aangevangen. Meerdere octrooijen tot bedijking, waaraan veelal vijftig jaren vrijstelling van lands lasten was verbonden, werden er verleend, hoewel niet van alle is gebruik gemaakt. De laatste en voornaamste betroffen hetWanswerdermeer, groot 100 pondematen, in 1753; hetHempenzermeerin 1779; hetSillaardermeeronderKornwerdin 1778, om niet te spreken van kleinere meren, onderHallum,Ferwoude, tusschenGaastenPiaam, bijSurigenz.[269].

Meer algemeen en voor de uitbreiding en ontwikkeling van den provincialen landbouw van nog grooter belang was het aanleggen vanPolders. Landen, die ten gevolge van hunne lage ligging weinig vrucht gaven, of die bij de minste rijzing van het boezemwater spoedig blank stonden, werden, door ze met polderdijken te omsluiten, te bemesten en met een watermolen droog te houden, veel verbeterd en tot duurzaam gebruik geschikt gemaakt; terwijl andere, enkel door eene zomerkade omgeven, alleen ’s winters aan de overstrooming van het buitenwater bleven bloot gesteld. Onmogelijk kunnen wij hier in bijzonderheden treden waar en wanneer die bepolderingen in verschillende oorden hebben plaats gehad. Nogtans mogen wij, als de voornaamste, niet onvermeld laten: deTjaard van Aylva’s-polderbijBurgwerd, in 1680 door de zorg van dezen Grietman vanWonseradeel, gelijk deGreonterper-polder, in 1714 onder zijn zoon en opvolger tot stand gebragt. De lust daartoe wakkerdeaan na het uitvinden eener verbeterde zamenstelling van watermolen (1643, 1660, 1690), en nadat de aandacht der Staten op het hooge belang der zaak was gevestigd (1718). Veel hadden de toen nog weinig ontwikkelde grietenijenHaskerlandenDoniawarstalaan die bepolderingen te danken; vooral, omdat zij op eene groote schaal met onbekrompene zorg werden verordend door de uitstekende staatsmannen Jhr.philip frederiken Jhr.johan vegilin van claerbergen, waarvan de eerste van 1707 tot 1738 Grietman vanHaskerlanden de laatste van 1722 tot 1772 Grietman vanDoniawarstalwas. Behalve twee hoofdwegen, legde de eerste in 1716 beoostenJoureeen polder aan, welke nagenoeg een derde van de oppervlakte dier grietenij omvatte; terwijl de laatste in 1731 denVegilins-polderonderLangweeren in 1735 denBoornzwaagster-polder, te zamen groot 720 pondematen, mogt tot stand brengen, en bevorderde, dat in 1741 deTryegaster-polder, bevattende 1000 pondematen onder de drie dorpenOuwsterhaule,Ouwster-NijegaenOldouwer, werd aangelegd. Doordien bij dit laatste werk aan den Nieuwe Rijn eene kortere rigting werd gegeven, en de meeste polderdijken met boomen beplant werden, was de herschepping van dit oord van zóó veel belang en bleken de voordeelen dezer ondernemingen zoo groot te zijn, dat ook andere voorname eigenaars werden aangespoord, dit loffelijk voorbeeld te volgen, waardoor daar en elders meerdere polders werden aangelegd, welke de aangewende moeite en kosten, door eene verhoogde vruchtbaarheid, weldra rijkelijk vergoedden. Dit alles te zamen genomen en gevoegd bij vele verbeteringen van bijzondere en openbare werken, had een gunstigen invloed op de ontwikkeling van landbouw, veeteelt en welvaart. En mogtjancko douwamain 1514 vanFrieslandgetuigen, dat het in den winter »quaet was toLewerdentocomen, met dat het landt al vnder het water lach,”—ook ten aanzien van den waterstaat was er eene belangrijke schrede voorwaarts gedaan, om latere verbeteringen voor te bereiden[270].

Verbetering en vooruitgang, ja, bestonden er; doch ten aanzien van het bedijken van meren en het bepolderen van landen was dit meer bijzonder het geval in de lager gelegene westelijke helft dezer provincie. Het veelal hooger liggende oostelijk gedeelte had daarin echter in een ander opzigt aandeel. De meeste grietenijen vanZevenwouden, grootendeels bestaande uit zandgronden en hooge en lage veenen, hadden behoefte aan afgraving en ontginning; en de wakkere geest onzer vaderen heeft zich daar, na het overwinnen van groote bezwaren, werkzaam getoond op eene wijze, waarover wij met regt verwonderd staan, als wij de schoone plaatsenHeerenveen,Dragten,Beetsterzwaag,Gorredijk,Oudeberkoop,Balkenz. met hare lommerrijke omstreken als de vruchten eener verstandige volks-nijverheid beschouwen. ’t Zou een belangrijk tafereel opleveren, de trapswijze ontwikkeling van die plaatsen en oorden in bijzonderheden na te sporen. Hier kan ik slechts de hoofdtrekken daarvan vermelden, in verband met den aanleg van zoo vele vaarten, welke ik echter met de nieuwe wegen aan het einde van dit hoofdstuk wilde behandelen.

Naarmate de vroeger (bl. 150) vermelde afgraving van de hooge veenen inSchoterlandtoenam, werd de eerstvan nabijAkkrumnaarHeerenveenen vervolgens verder oostwaarts gegravene Compagnonsvaart verlengd en wegens den rijzenden grond met vier schutsluizen voorzien. Aan de boorden daarvan namHeerenveenin omvang en bloei toe, en breiddeNieuw-Brongergaof deBeneden-enBoven-Knijpezich uit. Welige weiden hadden de plaats vervangen van het dorre hoogveen, dat nu den turfhandel en scheepvaart ruim vertier verschafte. In 1732 ontvingen deze Compagnons derDekama-,Cuick-en-Foits-veenenop nieuw octrooi van de Staten, »om hun Veenvaart, dwars door de ruwe en sterile veenen, ook anderen toebehoorende, verder te mogen graven,” zoodat zij vervolgens tot nevensHornsterzwaagwerd opgelegd. Gelijke herschepping tot bouwland en bosschen ondergingen ook de omstreken vanBrongergaenOudeschoot, sedert Prinsesalbertine agnesop dien zandgrond, kort na 1664, het vorstelijk lustslotOranjewoudliet bouwen en den omtrek beplanten, hetwelk ook anderen tot ontginningen aanmoedigde, waardoor dit oord eerlang een bekoorlijk aanzien verkreeg[271].

Eene dergelijke groote verandering, ten gevolge van het graven van eene Veenvaart ten behoeve van het afsteken van het hoogveen, onderging ook het oostelijk gedeelte der grietenijenSmallingerlandenOpsterland; en de eerst onbeduidende dorpjesNoorder-en-Zuider-Dragtenhadden daaraan hunne opkomst en uitbreiding tot een aanzienlijk vlek te danken. De hoofdaanleiding daartoe was, dat zij in 1641 eene overeenkomst sloten met zekerenpasschier hendrik bollemanvan’s Gravenhage, die, in gemeenschap met eenige anderen, aannam, eene hoofdvaart of grifte van ongeveer 30 voet breedte, benevens eene dwarsvaart te graven en met bruggen ensluizen te voorzien, met oogmerk, om bij de veenen te kunnen komen, die te vergraven en den turf langs die vaarten af te voeren. Dit doel werd niet enkel bereikt en de vaart en dwarsvaart met vele wijken in de eerstvolgende jaren tot op de grenzen dier grietenijen volbragt, maar vruchtbare bouw- en weilanden namen weldra de plaats in der veenen, wier afgraving en vervoer leven en werkzaamheid, handel en voorspoed verspreidden, zoodat in die zelfde jaren de weinige huizen vanDragtentot eene groote en welgeregelde buurt aangroeiden, waarbij spoedig molens en fabrijken, kerken, scholen en andere gebouwen gesticht werden. Deze uitbreiding en welvaart had men alzoo alléén te danken aan het graven van de vaart, die, naarmate de verveening zich uitbreidde, ten gevolge van eene nadere overeenkomst van 1649, drie uren verderop werd gegraven langsUreterpen deFriesche palennaarBakkeveen(1664). Van daar is zij later (1756) voortgezet tot voorbij het dorpHaule, waar eene dwarsvaart aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de uitgestrekte veenkolonieHaulerwijk[272].

In het westelijk gedeelte dier zelfde grietenijOpsterlandwarenjuw dekamaen anderen reeds vóór 1580 begonnen onderKorte-enLangezwaagte verveenen, waartoe de Jonkerssloot en de Nieuwesloot werden gegraven, toen in 1645 de Heerencrack,oenema,fockensenteijenseene belangrijke overeenkomst slooten tot het graven van vaarten en het ontginnen van de veenen in dat oord. Een gevolg hiervan was, dat er van genoemde slooten een beter afvoerkanaal gegraven werd noordwestwaarts over de Wijde-Wispelen het Nieuwe diep tot in de Boorn. Als het begin eener groote onderneming was dit kanaal van veel gewigt. Spoedig werd het ook zuidoostwaarts voortgezet naar het Gorreveen. Hierbij ontstond er op de plaats, waar die nieuwe vaart den rijdweg sneed, langs beide eene kruisbuurt,Gorredijk, welke ten gevolge van verveening, ontginning en handel zoo sterk werd aangebouwd, dat zij, na in 1672 versterkt te zijn, in 1685 eene eigene kerk bekwam en een welbebouwd en aanzienlijk vlek is geworden. Reeds lag het in het plan van genoemde heeren, deze vaart ook verder oostwaarts op te leggen, zelfs tot naarBakkeveen. Toen nu in 1704augustinus lycklama à nijeholt, sedert 1693 Grietman vanOpsterland, de voornaamste eigenaar was der veenvaarten vanGorredijk,Terwispel,KortezwaagenLippenhuizen, verzocht en verkreeg hij met zijne compagnons van de Staten verlof, om de vaart vanLippenhuizenverder oostwaarts dwars door de hooge veenen te mogen graven en opleggen. Dit geschiedde, en na verloop van ruim 50 jaren was de breede vaart reeds voorbijHemrikenWijnjeterpgevorderd, het veen vergraven en als turf vervoerd, en de ondergrond deels tot vruchtbaar land gemaakt. Zijn zoondaniel de blocq lycklama à nijeholt, van 1731 tot 1773 Grietman vanOost-Stellingwerfen vervolgens tot 1781 vanOpsterland, wilde deze onderneming vervolgen, en gaf daartoe in 1778 den Staten te kennen, hoe gunstig de aangevangen arbeid tot dusverre geslaagd was; dat de behoefte der fabrijken vorderde, dat er meerdere veenen werden aangestoken, en dat de uitgestrekte veenvelden vanAppelschaenFochteloohem daartoe het meest geschikt voorkwamen; weshalve hij octrooi verzocht, om de vaart te verlengen en nu in zuidoostelijke rigting te graven overDonkerbroek,OosterwoldeenAppelschatot aan de grenzen vanDrenthe, tot welke hoogst nuttige onderneminghij, als voornaamste eigenaar, reeds toestemming van de overige eigenaars en ingezetenen had verkregen. De Staten, vreezende, dat deze provincie daardoor met het invloeijende water uitDrenthezou bezwaard worden, wezen dit verzoek eerst af; doch de zaak was van zoo groot gewigt en zoo uitgestrekt gevolg, dat zij later een naauwkeurig onderzoek van het terrein bevolen, en eerst daarna, den 2 Mei 1781, hunne toestemming verleenden, onder voorwaarden, dat de vaart niet verder dan tot op 20 koningsroeden afstands van de grensscheiding mogt worden gegraven, en dat er »een val of schuttelbank” (duiker) in de Kuinder of Tjonger gelegd zou worden, waar de vaart dit riviertje zoude snijden, volgens eene overeenkomst, met de grietenijenSchoterlandenWest-Stellingwerfdeswege te sluiten[273].

Werkelijk ving hij met de zijnen kort na het ontvangen van het octrooi den arbeid aan, en werd de vaart met een scherpen hoek zuidoostwaarts voortgezet overDonkerbroektot nabij de Tjonger, waaraan een kapitaal van ongeveer 80,000 Gld. werd te koste gelegd. Dan nu deed er zich omtrent de voortzetting een belangrijk bezwaar op. Kort vóór het ontvangen van het octrooi had hij deswege eene overeenkomst aangegaan met de provincieDrenthe, welke had op zich genomen, de vaart te vervolgen van de Tjonger tot aan de grenzen of in de Wittewijk. Sedert de groote Smildervaart in 1612 onderDieverwas aangevangen, had het landschap daarvan in 1767 den eigendom bekomen; doch om de menigvuldige bezwaren vanOverijsselten aanzien der uitvaart vanMeppelnaarZwartsluiste ontgaan, trachtteDrenthenu langs deze vaart een afvoer doorFrieslandte bekomen. Dit mislukte ten gevolge der bepaling van het octrooi, dat de vaart nietdoorde grenslinie gegraven mogt worden. Na lang uitstellen, begonDrentheomstreeks 1790 wel eene geul of vaart te graven van de Tjonger naarAppelscha, doch ten gevolge der omwenteling bleef dit werk steken. Hoe ijverig ook de ervenlycklamabij de verschillende opvolgende besturen op de uitvoering aandrongen, eerst in 1810 vernietigde Koninglodewijkhunne overeenkomst metDrenthe, hen vrij latende, de onderneming op eigen kosten voort te zetten. Niet voor 1813 konden de Compagnons daaraan gevolg geven. In 1816 en 1817 werd nu de vaart met rijdweg daarnevens voortgezet tot onderOosterwolde, en was zij in 1819 tot nevensAppelschagenaderd, waarna zij tot op 20 roeden van de grens is voltooid en later met zijtakken uitgebreid. Tot bestrijding der kosten van deze kapitale vaart met daartoe behoorende werken, waartoe wegens het bestendig rijzen van den grond, acht verlaten, benevens een duiker in de Tjonger en onderscheidene groote bruggen behooren, is van 1816 tot 1841 eene som van 120,000 Gld. genegotieerd, terwijl men intusschen in 1827 begonnen is met het verkoopen van het hoogveen[274]. Sedert zijn er door het afsteken van het veen en het vervoer daarvan met duizenden turfschepen, door ontginning van de ondergronden en door het bouwen van huizen en schepen, tonnen schats in omloop gebragt, de welvaart der ingezetenen bevorderd, de dorpenDonkerbroek,OosterwoldeenAppelschauitgebreid en in bloei toegenomen, en de herschepping en ontwikkeling voorbereid van een oord, dat eeuwen lang, als »een leedig capitaal en dood corpus,” veelal woest had gelegen, vóór dat de nijvere menschelijke hand het ten dienste van duizenden de schatting afdwong tot vermeerdering van de welvaart en het nationaal vermogen. Lof en eere komt daarvoor aan de wakkere ondernemers toe, doch vooral aan den eersten ontwerper, wiens naam men te regt in gedachtenis heeft willen houden door het in 1848 nieuw gebouwde Compagnonshuis teAppelschate noemen:Augustinus-state.

Veel wordt er thans in ons land gesproken over kanalisatie. Doch weinig bekend is het, hoe krachtigFrieslandte dezen aanzien vele andere provinciën is vóórgegaan, dewijl alléén de laatst vermelde drie groote veenvaarten te zamen eene lengte van ruimtwintiguren gaans uitmaken, welke, ten gevolge der ondernemingszucht van partikulieren, door menschenhanden zijn uitgegraven en met zoo talrijke sluizen, bruggen, wegen en andere werken voorzien. Eene vergelijking der kaarten van denNieuwe Atlas van Frieslandmet die vanschotanus, van 1664 en 1718, levert overtuigende bewijzen op, hoe véél er in dit opzigt alleen in de laatste 150 jaren in deze provincie is verrigt, en hoe zeer zij daardoor in waarde, in geldelijk en voortbrengend vermogen, in bewoonbaarheid en geschiktheid tot voortdurende ontwikkeling is toegenomen.

Doch ten aanzien van dit onderwerp is dit nog niet alles. De grietenijWest-Stellingwerfonderging mede groote verandering. Nadat de Staten vergunning hadden verleend tot het graven van drie vaarten: uit de Tjonger naarWolvega(1645) en uit de Linde naarFinkegaen naarNoordwolde(1642), werd ook de groote uitgestrektheid heide en hoogveen, tegen de zuid-zuidoostelijke grenzen, aangestoken, afgegraven, met breede dwarsvaarten en wijken.doorsneden en ten behoeve van den landbouw ontgonnen. Nog in 1782, toentjeerdenmarcus van helomaeigenaren van deze veen-compagnie waren, ontvingen zij op nieuw octrooi, om uit de Compagnons-Vierdepartendwarsvaart, dóór de grens, tot in het Vleddersche veen te mogen opwijken.—Ook het zuidelijk gedeelte der grietenijAchtkarspelen, waar de monniken vanGerkeskloosterreeds vroeg turf groeven, welken zij langs de Oude Veenstervaart en doorMunnekezijluitvoerden, werden de ondergronden in den omtrek vanSurhuisterveenomstreeks 1600 door een aantal Doopsgezinden meer ontgonnen en bebouwd, en werd er in 1648 eene vaart gegraven van daar naar het Kolonelsdiep, waaraan een dwarsvaart en ontelbare wijken werden verbonden. Evenzoo ontstond het dorpRottevalleten gevolge van verveeningen, welke ook in de daarbij gelegene Folgera-veenen bestendig werden voortgezet (1742). Met regt kon alzoo Jhr.vegilinin 1766 zeggen: »dat door dit alles werd te weege gebragt, dat de geheele oostersche zoom van onze Provintie, die voor 150 jaar of daar omtrent nog t’ eenemaal onvrugtbaar en met hooge Veenen bezet was, een cierlyke, vrugtbare, en wel bevolkte Landsdouw is geworden”[275].

Verleenden de Staten gaarne aanmoediging totafgraving van dehoogeveenen, omdat beide, het voortbrengsel en de ondergrond, strekten om het nationaal vermogen te vermeerderen,—met meer zorg sloegen zij steeds devergraving van delageveenen of klynlanden gade, omdat het voortbrengsel alléén en voor ééns voordeel gaf, docheen groot deel lands in een waterplas verkeerde en aan den landbouw en de bewoning onttrok. Reeds in 1600 en 1610 rezen er klagten over de nadeelen, welke dit landverderven voor de naastlegers en ’s lands kas te weeg bragt. Evenwel enkel om de schade wegens verlies van grondbelasting te verhoeden, werd toen deswege vastgesteld, dat niemand zulk eene veengraverij mogt beginnen, vóór dat hij in het zelfde dorp een ander stuk lands had aangewezen, waarop de floreen tot hoeding van de lands schattingen en andere lasten, op de te vergraven landen liggende, wierd overgebragt. Later moest er eene som van 100 Rijksdaalders en daarna van 500 Gld. voor elken floreen op obligatie in ’s lands kas gestort worden, tot verzekering van de floreenschatting der provincie. Na 1718 liet men alleen op deze en soortgelijke voorwaarden de verdere vergraving toe, welke, na onderOostermeerenBoornbergumen inHaskerlandte zijn begonnen, inzonderheid na 1680 inTietjerksteradeel,Ængwirden,West-Stellingwerf,Opsterlanden elders sterk was toegenomen[276].

Tot dusverre waren de nadeelen dezer verveening voor de provincie niet zoo groot, dewijl men den turf gemeenlijk uit lange petten groef, waar tusschen men eene smalle strook gronds liet liggen, zoodat deze veenen na lang verloop van tijd weder digt groeiden en tot beweidbaar land gemaakt werden. Maar in den jare 1751 kwam een aantal veenbazen en werklieden uitGiethoornherwaarts, die eene andere wijze van verveenen invoerden, welke aan enkele personen wel grootere voordeelen aanbragt, doch armoede naliet, dewijl daarbij het gansche stuk lands werd vergraven. Vooral in de omstreken vanSt. JansgaenOudehaske, gelijk ook bezuidenOostermeer(de Leijen), inWest-Stellingwerfen elders zijn daardoor verbazende kommen waters ontstaan. De verzending van de daaruit gegravene baggelaar en sponturf naarHolland, en elders bragt evenwel aanzienlijke winsten op, welke vele eigenaars destijds in koophandel en scheepvaart besteedden en daarvan alzoo nieuwe voordeelen trokken. Te vergeefs wezen deskundigen op de gevolgen van dit landverdervend kwaad. Ook de Staten namen in overweging, om het gevaar, dat hieruit, bij toeneming, voor deze provincie was te duchten, te keer te gaan. Doch zij deinsden terug voor de bezwaren, en bij hun besluit van 2 Maart 1767 werd alles weder op den ouden voet gelaten[277].


Back to IndexNext