[375]Zie over dit onderwerp het belangrijke werk van den Heerj. van leeuwen,Geschiedkundig Tafereel van den Watervloed en de Overstroomingen in Friesland, in 1825, en bijzonder Bijlage F, benevens hetRapport der Commissie voor de Noodlijdenden.[376]Volgens hetAlgemeen Verslag en Verantwoording van de Provinciale Commissie van Onderstand.[377]Zie de meeste dezer werken opgenoemd in mijneGeschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, II 278 env. Het laatste gedeelte van dat werk bevat zeer vele bijzonderheden omtrent de merkwaardige verbeteringen en aanbouwingen, welke Frieslands Hoofdstad vooral in dit tijdvak onderging.[378]Ziea. van tonderen,Beschouwing van de Kadastrale Uitkomsten in Vriesland, Leeuw. 1842, voorr. VI en bl. 17. De vermindering der hoofdsom vanFrieslandwas slechts ƒ277,000, schoon deze ƒ400,000 had moeten zijn, welk bedrag deze provincie sedert 1806 elk jaar te veel had betaald, zonder daarvoor ooit vergoeding te hebben ontvangen.
[375]Zie over dit onderwerp het belangrijke werk van den Heerj. van leeuwen,Geschiedkundig Tafereel van den Watervloed en de Overstroomingen in Friesland, in 1825, en bijzonder Bijlage F, benevens hetRapport der Commissie voor de Noodlijdenden.
[376]Volgens hetAlgemeen Verslag en Verantwoording van de Provinciale Commissie van Onderstand.
[377]Zie de meeste dezer werken opgenoemd in mijneGeschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, II 278 env. Het laatste gedeelte van dat werk bevat zeer vele bijzonderheden omtrent de merkwaardige verbeteringen en aanbouwingen, welke Frieslands Hoofdstad vooral in dit tijdvak onderging.
[378]Ziea. van tonderen,Beschouwing van de Kadastrale Uitkomsten in Vriesland, Leeuw. 1842, voorr. VI en bl. 17. De vermindering der hoofdsom vanFrieslandwas slechts ƒ277,000, schoon deze ƒ400,000 had moeten zijn, welk bedrag deze provincie sedert 1806 elk jaar te veel had betaald, zonder daarvoor ooit vergoeding te hebben ontvangen.
Komt! oefnen wy de vlerk der weetzucht laag by de aard,Gods hulp zal met ons zijn, zy is ’t die ons bewaart.Zijn Wijsheid houdt zich aan den stervling niet verborgen.Zy roept ons: Kom tot my, by avond en by morgen;Zy toont zich wijd en zijd, en biedt de hand ons aan,En noodigt ons, in ernst heur gangen na te gaan.Ja, slaan wy ze ijvrig gâ! en leere ons de ondervindingOns eigen pad erkennen. Weg, sluier der verblinding!Het weten maakt ons wijs.Het menschelijk VerstandZiet wel in ’t rond, maar ’t heeft tot grijpen slechts één hand.Vervul het met iets goeds; het zal niets ijdels zoeken.Maar laat geen ledigheid u ’t zorgloos hart verkloeken.Ons weten schildert ons wat goed en kwaad is, voor,En dringt ook in ons hart, ter vruchtbre kennis, door.Het is de Onwetendheid die trotsch maakt en vermetel:Want hoogmoed dringt zich steeds by zelfwaan op den zetel.Aanspraaklijk zijn wy aan ons-zelf; maar ook aan God,Voor al wat invloed heeft op dit en ’t eeuwig lot.
Komt! oefnen wy de vlerk der weetzucht laag by de aard,Gods hulp zal met ons zijn, zy is ’t die ons bewaart.Zijn Wijsheid houdt zich aan den stervling niet verborgen.Zy roept ons: Kom tot my, by avond en by morgen;Zy toont zich wijd en zijd, en biedt de hand ons aan,En noodigt ons, in ernst heur gangen na te gaan.Ja, slaan wy ze ijvrig gâ! en leere ons de ondervindingOns eigen pad erkennen. Weg, sluier der verblinding!Het weten maakt ons wijs.Het menschelijk VerstandZiet wel in ’t rond, maar ’t heeft tot grijpen slechts één hand.Vervul het met iets goeds; het zal niets ijdels zoeken.Maar laat geen ledigheid u ’t zorgloos hart verkloeken.Ons weten schildert ons wat goed en kwaad is, voor,En dringt ook in ons hart, ter vruchtbre kennis, door.Het is de Onwetendheid die trotsch maakt en vermetel:Want hoogmoed dringt zich steeds by zelfwaan op den zetel.Aanspraaklijk zijn wy aan ons-zelf; maar ook aan God,Voor al wat invloed heeft op dit en ’t eeuwig lot.
bilderdijknaarspieghel.
Versiering
Bladz. 10
Vermits de voorstelling van denouden toestandvanFriesland, in den tekst, hoe kort ook, afwijkt van die, welke in vroegere geschriften over dit onderwerp, ook door mij zelven, is voorgedragen, zoo is het noodzakelijk hier aan te wijzen, dat ik daarin meestal gevolgd ben de denkbeelden van Dr.J. G. Ottema, in zijne uitmuntende verhandeling, getiteld: Over den loop der Rivieren door het land der Friezen en Batavieren, in het Romeinsche tijdperk, geplaatst in het tijdschrift van ons Friesch Genootschap: de Vrije Fries, IV 105; waarbij is gevoegd eene Kaart (met latijnsche benamingen), welke alles zeer aanschouwelijk maakt. Deze nieuwe voorstelling is met zóó grondige bewijzen gestaafd, dat zij wel verdiende meer algemeen bekend te zijn, en vergeleken te worden met de vermelde voorstelling van Dr.G. Acker Stratingh, in zijn Aloude Staat en Geschiedenis van Nederland. Ook om de eerste reden heb ik, met goedvinden en onder opzigt van mijn vriendOttema, eene dergelijkeSchetskaart(met nederduitsche benamingen) bij dit werk gevoegd, ter verklaring van de anders al te beknopte beschrijving.
Aangezien ik mij voorgenomen had, in den tekst zoo kort en eenvoudig mogelijk te zijn, zoo heb ik het noodzakelijk geacht, hierbij eenige Aanteekeningen te voegen: vooral, om rekenschap te geven van het gestelde; om de nieuwere bronnen aan te wijzen, en om eere te geven aan hen, die deze denkbeelden het eerst openbaar gemaakt en elders uitvoeriger medegedeeld hebben. Ook voor hen, die de kort behandelde onderwerpen nader willen onderzoeken, kan het nuttig zijn, hier telkens debijzonderebronnen aangewezen te zien. Het is echter mijn plan niet, om in deze Aanteekeningen uitbreidingen te geven van het verhaalde of kritische aanmerkingen en toevoegselen daarop, gelijk de HeerJ. van Leeuwenheeft gedaan achter den nieuwen druk van it aade Friesche Terp, welk belangrijk werkje ik bij deze zeer aanbeveel aan allen, die uitvoeriger narigten omtrent vele punten wenschen te vernemen. Juist omdat dáár zoovele schrijvers zijn aangehaald en ik gaarne zou zien, dat diespecialeKronyk nevens mijneglobalevoorstelling van de geschiedenis, inhoofdtrekken, gebruikt wierde, om te zamen een voegzaam geheel uit te maken, heb ik dikwijls mijneaanhalingen van algemeene bronnen weggelaten, dewijl men die daar kan vinden, alsmede in mijne Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, in 1846 en 47 in 2 dln. uitgegeven.
Bladz. 16
Het is de Romeinsche GeschiedschrijverTacitus, die aangaande der Romeinen verkeer inFrieslanden hunne nederlaag ons de vermelde berigten medegedeeld heeft. ZieTacitus, vert. van Hooft, 4eJaarb. 182. Aangaande den naam en de ligging van het bosch Baduhenna of Badu-herne (vermoedelijk in Gaasterland) zijn vele gissingen.Winsemius, Chronique, 22 verklaart dien naam niet onaardig als een Friesche Wapenkreet:Ba, du hinne!welke als een echo door het bosch klonk! Even zonderling is de vermelding van dit feit in de hoogst zeldzame: Sommiere Memoriale ende Loffelycke Beschryvinghe van de wydtvermaerde Keyserlycke vrye provintie van Vrieslandt, mitsgaders de daden, het leven ende handelinge der vroomdadighe vrye Vriesen. In rijm ghestelt door Jacob Liefs Amstelredammer, 1636:
Noyt is u moedich volck trouplichtich niet besweecken:Noyt is u Crijghers hert verflaut te ruch gheweecken,Maer hebt de tieranny Ollenus wederstaen:Doen ghy t’ Romeynsche volck so machtich gingt verslaen,Apronius slaet, hun volck ten roove van de Vogh’lenEn het Romeynsche rot begroet met Is’re Cogh’len.(!)
Noyt is u moedich volck trouplichtich niet besweecken:Noyt is u Crijghers hert verflaut te ruch gheweecken,Maer hebt de tieranny Ollenus wederstaen:Doen ghy t’ Romeynsche volck so machtich gingt verslaen,Apronius slaet, hun volck ten roove van de Vogh’lenEn het Romeynsche rot begroet met Is’re Cogh’len.(!)
Mr.A. van Halmael Jr.heeft deze gebeurtenis meer dichterlijk voorgesteld in zijn treurspel: Adel en Ida, of de bevrijding van Friesland, Leeuwarden 1831. In het voorberigt hiervan komen eenige ophelderingen daaromtrent voor, en mede in zijn Beknopt Overzigt van de Friesche Geschiedenis, waarvan het eerste gedeelte voorkomt achtervan Leeuwen’suitgave van it aade Friesche Terp, bl. 289, 298, 300, en vertaald in het Friesch Jierboeckjen, foar 1831 en vervolgens.
Bladz. 18
Ofschoon de Geschiedschrijvers veelal de groote gebeurtenissen of feiten vermelden, is het echter zeer belangrijk, uit veelvuldige bijzonderheden na te gaan, hoedanig de innerlijke maatschappelijke toestand was van een volk in verschillende tijden. Omtrent dit duistere tijdperk is zulks vooral gedaan door den Heer Mr.J. Dirks, in zijne bekroonde verhandeling: Geschiedkundig Onderzoek van den Koophandel der Friezen, van de vroegste tijden tot aan den dood van Karel den Grooten, Utrecht 1846. Bij de lezing van dit hoogst belangrijke geschrift staat men verbaasd over den rijkdom van bijzonderheden, welke de Schrijver met uitstekende vlijt uit debronnen heeft opgespoord. Dit laatste is in zulk een werk van veel belang: vooral, omdat er, bijzonder bij de Hollandsche geschiedschrijvers, die over Friesland en de Friezen hebben geschreven, zoo vele onnaauwkeurige voorstellingen, verkeerde denkbeelden en ongegronde beweringen bestaan, welke het doen betreuren, dat zij, die over de geschiedenis van Nederland schrijven, zoo weinig kennis dragen van die der provinciën, inzonderheid van Friesland.
Bladz. 23
Een niet minder belangrijk geschiedkundig onderzoek, naar de uitbreiding en grenzen vanFrieslandin verschillende tijdperken, heeft in de laatste jaren licht verspreid over dit onderwerp. Ik bedoel de teGroningenin 1834 bekroonde verhandeling van den Heer Mr.J. van Doorninck, later Archivarius vanOverijssel, Commentatio de Frisiae Terminis, waarvan de HeerI. A. Nijhoffeen uitvoerig verslag heeft gegeven in zijne Bijdragen voor vaderl. geschiedenis en oudheidkunde, I Aank. 57. Lezenswaardig zijn ook de mededeelingen vanKarl Türkin zijn werkje: Altfrisland und Dänemark, Parchim 1835.
Bladz. 25
door de Friezen en andere volken en de gevolgen daarvan zijn zeer uitvoerig behandeld door den HoogleeraarA. Ypeyin zijne Geschiedenis der Ned. Taal, Iedl. 1812, 174 en IIedl. 1832, 152; een werk, ook in andere opzigten voor de Friesche geschiedenis en letterkunde van zeer veel belang. De overeenkomst van het Friesch met het Engelsch is met proeven aangewezen in het eerste deel van den Tegenw. Staat van Friesl. Harl. 1785, bl. 156. Bekend is het gezegde:
Boetter, Brea in griene TsiesIs goed Ingelsch in eak goed Friesch.
Boetter, Brea in griene TsiesIs goed Ingelsch in eak goed Friesch.
Als eene latere proeve dier taalverwantschap, ook tusschen het tegenwoordige Friesch en Engelsch, deelen wij mede Dr.Bowring’svertaling der opdragt vanPosthumus’Keapman fen Venetien in Julius Cesar fenShakspeare, voorkomende in zijne schets der Friesche Letterkunde, geplaatst in de Westminster Review, 1829, No. 23 en vertaald in de Leeuw. Cour. 1830, No. 66:
Bij deze vergelijking (voegtBowringer achter) zal men hebben opgemerkt, dat er van de twee-en-vijftig woorden een-en-vijftig in het Engelsch bewaard en slechts weinig veranderd zijn geworden; terwijl alleen het woordfreugdevoor een van Normanschen oorsprong heeft moeten wijken.—Doch ook in zijne schoone Brieven over Friesland (1829) en Iets over de Friesche Letterkunde spreektBowringbij herhaling van der Friezen verwantschap en overeenkomst met den Angel-Saxischen stam, als van eene natie, „wier voorvaderen onze voorvaderen waren, wier taal en zeden eene zeer sterke overeenkomst hebben met de onze.” Die overeenkomst in taal en volkskarakter haalden hem allereerst tot een onderzoek over. Bij iederen tred vond hij nieuwe punten van gelijkheid, zoodat hij zich had kunnen verbeelden te verkeeren onder Angel-Saxen van een meer gevorderden trap van verstandelijke beschaving. „Spreekwijzen, (zegt hij) als verouderd Engelsch, klonken telkens in onze ooren, en wij konden niet nalaten eene verwonderlijke overeenkomst tusschen hen en onze voorouders te ontdekken. Hunne taal, zeer veel overeenkomende met die, welke in Engeland gesproken werd, vele honderden van jaren voor datShakespeareschreef; hun ligchaamsgestalte, hun schrandere en wijsgeerige geest, hunne ontwijfelbare betrekking met het beste deel van den Engelschen volksstam—dit alles boezemde mij belang in.” Zie ookWagenaar, Vad. Hist. I 289;Cerisier, Gesch. der Ned. I 80;MolhuyseninNijhoff’sBijdragen, VI 244, VII 180, 184, en de doorvan Leeuwenopgenoemde schrijvers in zijne Aantt. op de Kronyk, bl. 332.
Bladz. 34
Omtrent dit onderwerp, alsmede de invoering en vestiging van de Christelijke godsdienst in deze landen zijn insgelijks in den jongsten tijd onderscheidene uitmuntende geschriften in het licht verschenen en door mij geraadpleegd. De bij het Kon. Ned. Instituut bekroonde verhandelingen van Prof.H. J. Royaardsen Do.E. J. Diest Lorgionbevatten vele merkwaardige berigten, welke uit de overgeblevene bronnen geput zijn, even als de vroeger aangehaalde voorlezing van Jhr. Mr.B. J. L. de Geer, de strijd der Friezen en Franken, waarvan ik dikwijls gebruik gemaakt heb. Zie ook de fraaije voorlezing van Do.A. Winkler Prins, overRadbout I, geplaatst in de Vrije Fries, V 97, envan Loon, Aloude Regeeringwijs van Holland, Leiden 1744, I 110 en verv. II 5 en verv. Daar ook deze schrijver op eerstgenoemde plaats verklaart, dat Holland „tot in de elfde eeuwe toe, altyd VRIESLAND is genaamd geworden,” is het een aangenaam verschijnsel van onzen tijd, dat in de geleerde en grondig bewerkte verhandelingen vanRoyaardsenvan Asch van Wijckbij herhaling gewezen wordt op het hoog belang der geschiedenis van Frieslandvoorofalsde geschiedenis van Nederland in de tien eerste eeuwen onzer tijdrekening; een belang, dat zoovele Hollandsche Geschiedschrijvers schijnen te miskennen, als ze van deFriezennaauwelijks gewagen en van de hooggevierdeBatavieren, de vermeende stamvaders der Nederlanders, al te ligtvaardig overspringen op de Franken en de Hollandsche Graven. Dáárom heb ik eene wederlegging van dit verkeerde denkbeeld, uit het werk van Prof.Royaards, tegenover den titel geplaatst, opdat ook deze mijne Geschiedenis niet beschouwd zou worden als slechts ééne provincie betreffende en daarin met die van andere gewesten gelijkstaande.
Bladz. 36
Uitvoerige bijzonderheden omtrent het onderwerp dervorige Aant.en vooral omtrent den toenmaligen toestand des volks en des handels en het vervaardigen van die Mantels vindt men inDirks, Koophandel der Friezen, doch vooral in de Geschiedkundige Beschouwing van het oude Handelsverkeer der stad Utrecht, van den voortreffelijken Burgemeester dier stad, Jhr. Mr.H. M. A. J. van Asch van Wijck, wiens ijver en belangstelling mijne nasporingen in het Utrechtsche Archief in 1837 zoo aangenaam en nuttig maakten.
Bladz. 38
De aanhef der Oude Friesche Wetten (met vele onschatbare aanteekeningen doorP. Wierdsmain 1782 uitgegeven), blz. 1, 13, 109, 119 enz. vermeldt die hulp ter verovering van Rome, en Mr.Dirksheeft die togten tegen de Wilten en Avaren historisch toegelicht in de Vrije Fries, V 29. De voorstelling van den aard der Friesche vrijheid, door mij gevolgd, waarbij onderscheid is gemaakt tusschen de verschillende deelen van het Friesche rijk entusschenKarelalsbeschermheervan de Friezen en alsveroveraarvan de West- en Oost-Friezen, is duidelijk uiteengezet en met bewijzen gestaafd in de schoone Verhandeling over de Benaming van Vrije Friezen, door den HeerL. H. W. van Aylva Baron Rengers, in de Vrije Fries, V 193; een hoogst belangrijk stuk, dat wij alle beoefenaars van de geschiedenis zeer aanbevelen.
Ten aanzien van der Friezen vrijheid ook omtrent geestelijke zaken, het stichten van Kerken enz. heeft de Heer Mr.W. W. Bumagrondige bewijzen bijeengebragt in: het Regt der Friesche Herv. Floreenpligtigen op het verkiezen van Predikanten enz. toegelicht en verdedigd, Leeuw. 1849, bl. 14, 33. Bij al deze beschouwingen omtrent den oorsprong en den aard der Friesche Vrijheid verlieze men niet uit het oog, dat de toestand van onderscheidene omliggende landen en de daaruit voortgevloeide instellingen naauw zamenhangen met de toenmalige regten van het bijna algemeen ingevoerde Leenstelsel (eene uitvinding der dwingelandij), van erfelijk geworden Graven of Leenmannen, van lijfeigenschap en van heerlijke regten, wierniet-bestaaninFrieslandreeds een negatief voorregt opleverde. De staatkundige en personeele vrijheid, welke alle volken van nature bezitten, werd hen door verovering ontnomen,—den Friezen werd zijgelaten. Daarom noemtHalsema, bl. 44 als de hoofdkenmerken dezer vrijheid: „een vrije persoonlijke staat en daaraan verknocht vrij bezit of bestuur van goederen, in tegenoverstelling der Lijfeigenschap, benevens aandeel en gezag in de regering des lands.”Bosscha, Neerl. Heldend. I 20 zegt: „Hunne burgerlijke vrijheid echter verloren zij niet; want zij behielden het zwaard, het teeken der eer.” Het denkbeeld van vrijheid kan dus bezwaarlijk alleen en op zich zelf beschouwd worden, maar is betrekkelijk, en dikwijls alleen geldig bij wijze van vergelijking met eene vroegere overheersching of met de overheersching, waaronder naburen zuchten. De oorsprong van der Friezen regt en van hunnen exeptioneelen toestand komt vooral hierop neder: dat zij, bij de aanneming vanKarel den groote(die hen, volgens de Oude Fr. Wetten, bl. 13, „in zijnebeschermingnam, opdat zij den Noordman mogten ontkomen”) „zich aan geene territoriaal verovering, waarbij zij en al hun have het eigendom der Franken zouden geworden zijn, onderworpen hebben.” Op dit door de groote gevolgen zoo belangrijke punt wordt door den HeerRengersbijzonder gedrukt. Het is ook vermeld bijvan DoorninckenNijhoff, Bijdragen, I 66, boven aangehaald. De hoofdbepalingen der vrijheid zijn medegedeeld doorFoeke Sjoerds, Alg. Beschrijv. I 391, volgensEmmius, 71 en de Oudheden en Gestichten, I 22. Met regt konden de Friesche Staten alzoo in eene Deductie van 1674 betuigen: „want is ’er ooit een natie onder de sonne geweest, die jalours van hare vryheid geweest is, so is het de Vriessche natie geweest, die Aborigenes genaemt worden, als die haer eygen name en woonplaets nimmermeer hebben verandert.” Charterboek, V 1037.
Bladz. 52Bladz. 55
Een hoogst belangrijk overzigt van den staat, den regeringsvorm, de wetten en betrekkingen van Friesland, tijdens het verbond der Zeelanden, bevat (om niet te gewagen van den schat van kennis, welke daarover is ten toon gespreid in de Voorreden der twee eerste deelen van het Vriesch Charterboek) de Verhandeling van Mr.D. F. J. van Halsema, als inleiding van het door hem daarbij uitgegevene Hunsingoër Landregt van 1252, voorkomende in het 2edeel der Verhandelingen van het Groninger Genootschap: pro excolendo jure patrio, Gron. 1778;—een voortreffelijk werk, dat ik reeds voor jaren herhaaldelijk bestudeerd heb, doch waaruit ik voor mijn tegenwoordig doel weinig kon overnemen, dewijl ik mij tot de hoofdtrekken der Friesche geschiedenis bepalen- en, om uitvoerigheid te vermijden, tot mijn leedwezen vele bijzonderheden achterwege laten moest. Ik verzoek, dat men dit bij de beoordeeling wel in het oog houde, opdat men mij dáárom niet van oppervlakkigheid of onvolledigheid beschuldige. Over de juiste grenzen van ieder dezer Zeelanden, wier omvang door mij slechts in hoofdpunten is opgegeven, is steeds veel verschil geweest. Dit zal er ook altijd blijven bestaan, omdat deze in onderscheidene tijdperken uiteenliepen, en omdat wij uit die tijden zelve deswege geene naauwkeurige opgaven bezitten. Men zie daarover de Vrije Fries, IV 20 en 254; Tegenw. Staat van Friesland, I 46, enz.—Westendorp, Jaarboek van en voor de prov. Groningen, 1829, I 133 en 211 brengt de Zeelanden eerst tot 13eeeuw; even vreemd laat hijFrieslandna 912 nog tot het Sincfal uitstrekken, zonder al het vroeger voorgevallene in aanmerking te nemen. Nog in 1430 werd het Verbond der gemeene Friezen, van het Flie tot over de Jade en de stad Bremen, vernieuwd (Charterb. I 494). Daarin bepalen zij nog: onderling te „willen mit der hulpe Gades Almechtig fry, Freesch, de eene mit den anderen bystandich wesen, und beschermen unse Over-Olderen vaders recht, van ConinckCarolobeschreven recht, und by der gemeenen Freesen Lantrecht und frydommen tho ewigen tyden to blyven; und mit lyff und guet alle Duytsche Heeren buiten den Lande tho holden” enz. Hierin is de gansche bedoeling van het verbond der Zeelanden te zamengevat.
Bladz. 59Bladz. 60
Als latere bronnen der geschiedenis van de veranderingen des bodems en der watervloeden verwijzen wij hier naar de Inleiding vanvan Leeuwen’sTafereel van den Watervloed, Leeuw. 1826;F. Arends, Nat. Geschiedenis van de Kusten der Noordzee, met Aanteekeningen van Dr.R. Westerhoff, Gron. 1835, 2 dln., waarvaneen derde deel de Geschiedenis der Watervloeden bevat; Mr.J. Scheltema, drie verhandelingen over de Geschiedenis der Zuiderzee, over de Veranderingen der kusten en Aanwijzing van bijdragen daartoe, in zijn Geschied- en Letterkundig Mengelwerk, Utr. 1836, VIedl. 2est. bl. 55, 103, 137; Dr.Acker Stratingh, Aloude Staat, waarvan het eerste deel de Bodem en de Wateren bevat; maar vooral naar de Redevoering over het ontstaan der Zuiderzee, van Dr.J. G. Ottema, met kaart, in de Vrije Fries, IV 183, een vervolg op zijne, inAant. 1vermelde, Verhandeling over den Loop der Rivieren enz. Daarin zijn vele verspreide berigten met zoo veel kennis en schranderheid tot een geheel gebragt, dat ik dit voortreffelijk stuk zeer aanbeveel, ter bekoming van naauwkeuriger denkbeelden dan ik daarvan heb kunnen geven, wegens de bekrompenheid van mijn plan, hetwelk mij dikwijls hinderlijk is geweest in de juiste en volledige voorstelling. Wie evenwel aan mijne te korte aanwijzingen niet genoeg heeft, kan in de opgenoemde bijzondere behandelingen van dit onderwerp ruime stof voor zijn weetlust vinden. Omtrent de Geschiedenis van de Middelzee verwijs ik naar de Nasporingen, in 1834 met mijne vriendenBrouwerenvan Peijmadoor mij uitgegeven.
Bladz. 74
Al de berigten der Kronykschrijvers omtrent der Friezen aandeel in de Kruistogten zijn het eerst bijeengebragt door den Oost-Frieschen geschiedschrijverT. D. Wiarda(1786). De HeerJ. van Leeuwengaf daarvan eene vertaling achter zijne vermelde uitgave van it aade Friesche Terp, bl. 365. Doch naderhand (1842) heeft Mr.J. Dirksdeze berigten kritisch onderzocht, en vergeleken met latere, ook buitenlandsche bronnen, en daarvan in de Vrije Fries, II 135 en 221, onder den titel van: Noord-Nederland en de Kruistogten, een verhaal of Schetsen gegeven, inzonderheidvolgens de berigten van ooggetuigen en tijdgenooten. Deze voortreffelijke verhandeling, welke van vlijt en bekwaamheid evenzeer getuigenis geeft, ben ik in mijne korte voorstelling hoofdzakelijk gevolgd. Evenzoo zijn belangrijk stuk: de Friezen voor Aken, in het 5edl. van het zelfde tijdschrift, bl. 53. Het verhaal van Roorda met den Moor vond ik in de verzameling Genealogiën, onder den naam van het Handschrift Doys beschreven op bl. V der Voorrede van het Stamboek van den Frieschen Adel, der HeerenHettemaenvan Halmael.
Bladz. 98
Over den aard en oorsprong dezer Partijschappen is veel geschreven, zonder dat echter iemand in staat was, daarvan zekereen naauwkeurige berigten te kunnen mededeelen. Ik heb de vrijheid genomen daarover mijne denkbeelden mede te deelen en daarvan een overzigt te geven in algemeene trekken, dewijl toch de bijzonderheden, voor mijn doel te uitvoerig, in onze kronyken kunnen nageslagen worden. In 1829 is er eene vrij dorre kronykmatige Geschiedenis van de onlusten tusschen de Schieringers en Vetkoopers doorA. v. H.uitgegeven. Dit werk wordt dikwijls verkeerdelijk toegeschreven aan Mr. A.van Halmael Jr., die grondiger en meer wijsgeerige beschouwingen over dit zelfde onderwerp heeft medegedeeld in de belangrijke Narede van zijn voortreffelijk treurspel: Ats Bonninga, Leeuw. 1828, en in zijne rom.-dram. tafereelen: de Schieringers en de Vetkoopers, Leeuw. 1841, waarin op bl. 25 eene duidelijke ontwikkeling van den oorsprong dezer partijschappen voorkomt. Belangrijk is ook de verhandeling van den HeerP. Burggraaffover den oorsprong en de namen dier partijen, voorkomende in het Tijdschrift voor Onderwijzers, Gron. 1833, I 34.—Echter steltJancko Douwamain zijne Geschriften (van 1830-49 uitgegeven door het Friesch Genootschap), bl. 20, dat de naamSchieringerssprekersbeteekent tegen derijken, door henVetkoopersgenoemd; terwijl hij beweert, dat de oorsprong der partijschap gelegen was in de poging der armen, om, in navolging van de partijen inHolland, de rijken te bewegen, om hun goed met hen te deelen, zóó, „dat de arme vast met de rijcke in de kiste begosten to tasten.” Deze meening van een edelman, die ongaarne tegen den adel zou getuigen, lijdt echter bedenking. Met veel meer waarschijnlijkheid mag men uit al de omstandigheden opmaken, dat het de vrijheidszucht van het in welvaart toenemende volk tegen de heerschzuchtige aanmatigingen van den adel en de heerschappen, ook in de steden, was, welke de beroerten ontstaan en, onder allerlei vormen en bijkomende omstandigheden, voortduren deed. Misschien had een naijver tusschenOostergooenWestergoodaarin ook een aandeel, en werd het vuur bestendig aangeblazen door de onlusten inGroningen, door de heerschzuchtige Oost-Friesche edelen en de Hollandsche Graven, die allen nu deze dan gene partij met hunne hulp ondersteunden. Zie slechtsWorp van Thabor, Kronyk, IV 4, 19, 31, 33 enz. enz.
In het begin moge het veeleer een strijd van de demokraten of liberalen dier dagen geweest zijn tegen de aristokraten (welke wij ook later onder andere vormen hebben zien herhalen), dan het uitvloeisel van een communismus, waartegen het gezond verstand der Friezen zeker zou opgekomen zijn,—later werd het enkel een strijd tusschen heerschzuchtige edelen en hunnen aanhang, en tegen het gezag der Groningers en de vreemde hulpbenden van elders. De Donia-oorlog en de twist om Bolsward hielden de partijen bestendig tegen elkander in het harnas, en bragten de gemeene zaak eindelijk ten val, doch tevens redding aan voor het algemeen belang der ingezetenen. Het denkbeeld vanJ. Douwamaverdient dus weinig gezag, aangezien het geen krijg was, waarin het dearmen te doen was, om buit te maken en zich met het veroverde te verrijken. Ook ná dat de oorzaak des geschils verdwenen was, duurden toch de vijandschappen voort, en werden ze erfelijke veeten, hatelijk, laag en onverzoenbaar.Huber, Hed. Rechtsgeleertheyt, II 3, noemde het een krijg, „bijna van alle tegen alle, huis tegen huis, geslacht tegen geslacht, met onderling geweld, rooven en bloedvergieten.” Als bijkomende omstandigheid kan het echter zijn invloed hebben uitgeoefend, vooral in die dagen van ruwheid en domheid der lagere standen.—„Die Vetkooper-Partei war die der Aristokratie,” zegt Dr.von Langenn, Hertog Albrecht der Beherzte, 238, zeer eenvoudig, en bevestigt mijne boven medegedeelde meening.
Bladz. 121
Uit het verschil van staatkundigen toestand en van beider betrekking tot het keizerrijk tusschen de vrije Friezen benoorden en de door de Franken veroverde Friezen of Hollanders bezuiden de Reker of de Kinhem (opbladz. 10,37,50,78en99hier vóór uiteengezet), laat het zich gereedelijk verklaren, dat de Graven vanHolland, met dit Graafschap, als rijksleen, door de Keizers verleid, geen regt hadden op West-Friesland, het eerste der Zeven vrije Friesche Zeelanden, die geene leenen kenden en ook aan het Duitsche rijk niet dienstpligtig of hofhoorig waren, maar den Keizer alleen eerbiedigden als beschermheer tegen de omringende leenmannen, veelal kleine dwingelanden. Doch dit onderscheid en de aard van dezen verschillenden toestand, ten gevolge waarvan de Hollandsche Graven evenmin regt hadden op het tegenwoordigeFriesland, is door weinige Hollandsche geschiedschrijvers in het oog gehouden. TerwijlMelis Stokemet volkomene waarheid kon zeggen:
Zyt des seecker en ghewis,Dat het Graefschap van Hollant isEen stuck van Frieslant ghenomen,
Zyt des seecker en ghewis,Dat het Graefschap van Hollant isEen stuck van Frieslant ghenomen,
spreken zij van de Friezen, althans West-Friezen, steeds, als ware Friesland van Holland afgenomen, en als waren deze opstandelingen, die beteugeld, wederspannigen, die getuchtigd en bedwongen moesten worden. In dat geval hadden zij mede reeds vroeger onder de heerschappij dier Graven moeten geweest zijn, en moest er een feit bestaan, dat zij zich aan die heerschappij hadden onttrokken. Doch het tegendeel is waar. Het privilegie van den Roomsch-Koning GraafWillem II, van 1248, en die der latere Keizers hebben althans de oude volksvoorregten der Friezen bevestigd, en tevens vroegere regten van anderen op hun land (zoo die al bestonden) vernietigd; ja zelfs hebben zij de Hollandsche Graven verboden de Friezen te „molesteren.” Zie Charterb. I 94, 399, 593-596;Stellingwerf, Politycq Discours nopende den Staet van Frieslandt, Fran. 1617, 19. De vraag:Of de Graven van Holland, regtens,ooit Heeren van Friesland waren, is dus ook ontkennend beantwoord door Mr.A. van Halmael Jr.in een stuk in ’t Mengelwerk der Leeuw. Courant van 25 Junij 1833; alsmede in de Voorrede van zijn treurspel: Radboud de tweede, Leeuw. 1839, welke stukken met de hem zoo eigene grondigheid zijn behandeld.
Doch onnaauwkeurige voorstellingen van Friesche zaken bij de Hollandsche geschiedschrijvers zijn zeer algemeen. Zoo vond ik, bij het lezen van een aantal boeken ten behoeve der behandeling van dit werk, mij ook bitter teleurgesteld, dat ik in de beroemde Geschiedenis van het Nederl. Zeewezen, van Jhr. Mr.J. C. de Jonge, niets vond van de voor dat tijdvak zoo hoogst belangrijke Zeetogten der Hollandsche Graven naar Friesland; geen woord van de togten van GraafFloris Vin 1286 en 1292 over de pas ontstane en voor de uitbreiding van het zeewezen zoo belangrijke Zuiderzee, bepaaldelijk omStavorente winnen; geen woord over den belangrijken zeetogt vanWillem IVin 1345 derwaarts, en geen verhaal, maar slechts eene aanhaling van de verbazende toerustingen vanAlbrecht van Beijeren, in 1396 env. waaromtrent er in de Hollandsche en Friesche Charterboeken zoo vele belangrijke stukken en bij de geschiedschrijvers zoo talrijke berigten voorkomen. Voor zoover die mij, als ongeletterde, bekend zijn, heb ik ze opgenoemd in de Geschiedk. Beschrijv. van Leeuwarden, I 55 en 303, en verwijs ik derwaarts, om niet in noodelooze herhalingen te vallen. Later vond ik daarvan eene uitvoerige beschrijving in de Vaderl. Chronyk, Leijd. en Amst. 1784, 296-911 of het einde, waarvan ik echter geen gebruik meer heb kunnen maken. Ik blijf die togten steeds beschouwen als een zeer merkwaardig punt in de geschiedenis vanHollandzoowel als vanFriesland, hetwelk grootelijks verdiende nader te worden opgehelderd. Ook daarom heb ik deze herhaalde togten, door velen dikwijls met elkander verward, bij eene nadere omwerking meer uitgebreid, en zelfs breeder dan het overig gedeelte van dit werk voorgesteld.
Bladz. 128
moge hier donker gekleurd voorkomen,—ieder, die de bijzonderheden daarvan bij onze historieschrijvers wil nagaan, zal mij moeten bijvallen, dat die toestand destijds deerniswaardig was. Ik heb dien ook kortelijk vermeld in de Geschiedk. Beschrijv. I 76, 105 en dáár bij meerdere aangehaalde schrijvers ook gewezen op het belangrijk tafereel, doorKempo van Martenadaarvan opgehangen (Charterb. II 3).PeterenWorp van Thabor’sKronyken; de Geschriften vanJancko Douwama;Westendorp, Jaarboek van Gron. II;van Halmael’sSchieringers en Vetkoopers en Ats Bonninga; tallooze plaatsen in het Charterboek en vele andere werken, welke ik zou kunnen aanhalen, mogen het bevestigen.
Bladz. 135
hoe kort die ook duurde, heeft zeker een zeer gunstigen invloed gehad op den staatkundigen, stoffelijken en burgerlijken toestand vanFriesland.Het voordeel, hetwelk de Friezen trokken uit de overheersching van Albrecht van Saxen, is door den HeerJ. D. Ankringaopzettelijk aangewezen in eene voorlezing, geplaatst in de Vrije Fries, IV 379. Hij noemt daarin als de voornaamste voordeelen: 1o. de verdrijving van kwaadwillige vijanden, bijzonder van de hatelijke Groningers; 2o. de orde en regelmaat van bestuur en het daaruit voor ieder voortspruitend ongestoorde genot van zijne bezittingen, vooral door de invoering van den Provincialen Raad en Geregtshof, waardoor de behandeling van zaken en de regtspleging op een goeden voet gebragt werden; 3o. eene betere beveiliging van de zee, door het verbeteren van de sluizen en zeeweringen te bevelen, waardoor de overstroomingen later zijn verminderd, en 4o. vermeerdering van vruchtbare landerijen, door het bedijken vanhet Bildt.—Het breidelen en vernietigen van de partijschappen der Schieringers en Vetkoopers, waardoor er rust en eenheid onder de Friezen ontstond, en het vereenigen der drie, vroeger op zich zelven staande en elkander vaak vijandige, Gooën, alsOostergoo,WestergooenZevenwoudentot één geheel, door één belang verbonden, voeg ik daarbij, als voordeelen van niet minder gewigt. In de Geschiedk. Beschrijv. I 105-136 heb ik de mij bekende schrijvers over dit tijdvak opgenoemd. Thans ben ik bijna geheelMartena’sLandboek gevolgd.—Uit al het vorenstaande blijkt, dat de regten en vrijheden des volks in vele opzigten door den Saks werden geëerbiedigd, en dat het eigenlijk te veel gezegd is, wanneer men het Saksischebestuureene overheersching noemt, en de vrijheid der Friezen als verloren beschouwt. Dit denkbeeld is mede reeds bestreden doorStellingwerfin het aangeh. zeldzame Polityck Discours, bl. 24. De verdere ontwikkeling hiervan zou te dezer plaatse tot te groote uitvoerigheid leiden, doch verdiende weleens nader in het licht te worden gesteld. Wanneer het volk werkelijk was overwonnen geweest, had de Saks ook de magt gehad om het Leenstelsel hier in te voeren. Doch in den Keizerlijken giftbrief was zijn gezag als Erf-Potestaat of Gubernator beperkt, en bleven de Friezen, onder de bescherming des rijks, in het bezit van hunne vroegere voorregten, welke daarin erkend werden. Zie Charterb. I 786 env.
Bladz. 146
Veel is over dezen merkwaardigen man geschreven, zonder dat er nog van hem eene volledige levensbeschrijving is bewerkt. Ik hoop daartoe nieuwe bijdragen en oogpunten te hebben geleverd, na vroegerin het Mengelwerk der Leeuw. Cour. van 1834, No. 20, hierover iets te hebben gegeven. Voor hem, die dit onderwerp nader zou willen behandelen, verwijs ik (buiten de in de noten aangehaalde) naar de volgende schrijvers:Scharlensis, 113;Winsemius, 421;Schotanus, 567, 607 env.;Sybe Jarichs, Corte Chronyck in de Analecta van Brouërius van Nidek, 461;Eggerik Beninga, Hist. van Oostfriesl. in Matthæus, Analecta, IV 550;Foeke Sjoerds, Beschrijv. I 818; Levensb. van verm. Mannen, I 45;Kok, Vad. Woordb. XIV 16;Halma, Toneel der V. Ned. 382; Neêrl. Heldendaden ter Zee, I 92;Napjus, Sneek, 40;Gabbema, Leeuw. 336, 342;van Leeuwen, Kronyk, 152, 435;Greidanus, Naaml. der Franek. Pred. 64; benevens eene verh. in de Prov. Friesche Cour. 1851, No. 6 env. het uitvoerigste en beste stuk over dit onderwerp.
De krijgsbedrijven vanGroote Pierheb ik met opzet eenigzins uitvoeriger behandeld, omdat het algemeen gevoelen over dezen persoon zoo onbestemd of liever zoo ongunstig is, vooral bij Hollandsche schrijvers. De door mij zoo hoog geachte Jhr. Mr.de Bosch Kempernoemt hem in zijn voortreffelijk werk: Geschiedk. Onderzoek naar de Armoede in ons vaderland, Haarlem 1851, bl. 69, nog: „de Geldersche ZeerooverGroote Pier.” Even verkeerd is de voorstelling van den HeerD. R. Erdbrinkte Enkhuizen, in het Leeskabinet voor Mei 1852, ook als hij meent, datPierde Saksische Zwarte Hoop, groot 3 à 4000 man, in 1517 op zijne vloot vande LemmernaarNoord-Hollandzou hebben overgevoerd.
Bladz. 155
bestond tot dusverre alleen in Handschrift, en wel in verscheidene ex. op verschillende plaatsen. Dr.J. G. Ottemaheeft van alle bekende ex. een uitvoerig verslag gegeven in de Vrije Fries, III 105, waarna het Friesch Genootschap de drie eerste, in het latijn geschrevene, boeken in 1847 heeft uitgegeven, onder den titel van Worperi Tyaerda ex Renismageest, Chronicorum Frisiae libri tres. Het vierde boek, in het nederduitsch van dien tijd geschreven, is in 1850 en 1851 gevolgd onder den titel van: Kronijken van Friesland, bevattende de geschiedenis van de vijftiende eeuw. De door mij gegevene uittreksels zijn genomen uit het 1eboek, volgens eene vertaling van den HoogleeraarP. J. Veth, die in den elfden jaarg. van de Gids, bl. 552, een aanprijzend verslag van deze belangrijke Kronyk heeft gegeven. Van den schrijver is weinig meer bekend, dan dat hij zich naar zijne geboorteplaatsRinsumageest Worp van der Geestnoemt, en eerst Monnik, daarna Supprior, vervolgens Procurator en in 1523 Prior was van het bekende kloosterThabor, onderTirnsnabijSneek, waarin hij in 1538 is overleden. Men verwarre zijn werk echter niet met de Kronyk of Historie van Vriesland, doorPeter Jacobsz. van ThaborofPetrus Thaborita, doorVisserenAmersfoordtuitgegeven in het Archiefvoor Vaderlandsche, en inzonderheid Vriesche Geschiedenis, Oudheid- en Taalkunde, Leeuw. 1824-28, 3 st., welk niet minder belangrijk werk ik ook veelmalen heb geraadpleegd.
Eene dergelijke, doch uitvoeriger, algemeene beschrijving vanFriesland, van omstreeks eene halve eeuw later, bevat het eerste boek vanUbbo Emmius, Rerum Frisicarum Historia, waarvan de eerste druk is van Franeker, 1596. Eene andere, kortere algemeene beschrijving vanFrieslandis in 1616 gegeven door Do.J. Bogerman, destijds Predikant teLeeuwarden, in de opdragt van zijn werkje: Praxis verae poenitentiae, door Dr.J. G. Ottemavertaald medegedeeld in de Vrije Fries, II 215. Al deze beschrijvingen zijn, even als zoo vele verzen vanStartervan dien tijd, hooggestemde lofredenen op dit land, hetwelkBogerman, wegens overvloed van ligchamelijke en geestelijke zegeningen, (toen reeds)een dal van vettigheidnoemde.
Bladz. 159
uit omstreeks het midden der 16eeeuw, in den tekst vermeld, waarbij ik nog vele andere had kunnen voegen, komen bijna allen, met min of meer uitvoerige levensschetsen, voor in het werkje vanSuffridus Petrus, de Scriptoribvs Frisiæ, geschreven en voor het eerst uitgegeven te Keulen in 1593. Voorzeker baart het groot getal personen, in de tien laatste decaden van dit werkje vermeld, verwondering, in vergelijking met het getal beoefenaren der wetenschappen, welke andere provinciën des vaderlands, zelfsHolland, tot 1593 hadden opgeleverd.
Bladz. 166
is in 1842, voortreffelijk bewerkt, uitgegeven doorE. J. Diest Lorgion, waar meer uitvoerige berigten, dan ik hier en vervolgens kon mededeelen, worden gevonden. Vele oorzaken en aanleidingen van de reformatie in dit gewest zijn mede uit allerlei bronnen nagespoord en grondig behandeld in het uitmuntende werk: Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland, doorS. Blaupot ten Cate, Leeuw. 1839, alsmede in het belangrijk werk: De Doopsgezinden en hunne herkomst, vanJ. H. Halbertsma, Dev. 1843. Nog andere wetenswaardige berigten omtrent dit tijdvak en de latere geschiedenis van de Lutherschen inFrieslanden teLeeuwardenkomen voor in de Bijdragen tot de geschiedenis der Evang.-Luthersche Kerk in de Nederl. verzam. doorJ. C. Schultz JacobienF. J. Domela Nieuwenhuis, Utr. 1844, 5estuk, bl. 166. Wie dus omtrent de voorvallen van dit merkwaardige tijdperk nader wenscht ingelicht te worden, zal daartoe in genoemde werken ruime gelegenheid vinden.
Bladz. 118
De hoofdbron der geschiedenis van dit onderwerp is en blijft nog steeds het belangrijke werk van den Hoogl.J. W. te Water, Historie van het Verbond en de Smeekschriften der Ned. Edelen, Middelb. 1776-96, 4 st. waarvan de Geschiedenis der Watergeuzen, van Do.A. P. van Groningeneen waardige tegenhanger is. Ik acht mij echter verpligt, hier bijzonder te vermelden, dat het eerste werk voor geene provincie van meer gewigt en belang is dan voorFriesland. Eensdeels, omdat het getal Edelen, welke daarin met kortere of langere levensschetsen vermeld zijn, uit deze provincie daarin vier maal grooter is dan van de overige 16 provinciën, en alzoo blijk levert zoowel van de talrijkheid als de vrijheidszucht van den toenmaligen Frieschen Adel;—anderdeels, omdat de berigten aangaande de geslachten en verrigtingen dezer bondgenooten daarin het meest uitvoerig zijn behandeld, ten gevolge der talrijke mededeelingen, welke de schrijver mogt ontvangen van de HeerenUlbeenEduard Marius van Burmania, welke van zoo veel belang waren, dat hij dáárom zijn werk aan laatstgenoemden Oudheidkundige uit dankbaarheid opdroeg, terwijl die hulp in de opdragt eervol wordt vermeld.
Na ruim twintig jaren tijdsverloop herinner ik mij thans nog met veel genoegen, dat mijn edele begunstiger en vriend wijlen Jhr.I. Æbinga van Humaldamij in 1828 met dit werk bekend maakte, en dat ik toen, na herhaalde lezing, van die 108 Friesche Verbondene Edelen biographische Tabellen vervaardigd- en met vele bijzonderheden uit andere schrijvers en geslachtlijsten aangevuld heb. Uit vrees van nog niet in staat te zijn iets goeds te kunnen leveren, kon ik toen niet bewilligen in het aanbod van Do.J. H. Halbertsma, om deze tabellen voor mij uit te geven.
DochFrieslandheeft nog eene andere betrekking op dit onderwerp, welke ik hier mede gaarne herinner, omdat het een der sieraden onzer Nederlandsche letterkunde geldt. Nog vóórte Waterdit onderwerp historisch toelichtte, heeft Jhr.Onno Zwier van Haren, in zijne afzondering teWolvega, de verdiensten dier Edelen en bijzonder der Watergeuzen, door de dichtkunst verheerlijkt. In een ruwen vorm verschenen in 1769 voor het eerst zijne verzen: Aan het Vaderland, later en vooral in 1776 veel vermeerderd en verbeterd herdrukt onder den titel van: de Geuzen. Na zoo herhaalde lezing van dit heerlijk dichtstuk, door zulke belangrijke aanteekeningen toegelicht, zou ik zeer wenschen, dat het, vooral inFriesland, meer algemeen bekend ware. Wetenschap en kunst zijn daarin vereenigd en met zoo vele streelende vaderlandsche herinneringen vereenzelvigd, dat het verstand en hart, gevoel en smaak te zamen goed doet. Ik heb daarover, in verband met het leven des vereerden dichters, meer uitvoerig gehandeld in den Friesche Volks-Almanak voor 1837, 50.
Bladz. 222
welke, na de vroeger in den tekst reeds vermelde geschillen, bijzonder tusschen de Landen en Steden, over het bekomen van den vierden stem in den staat, vooral sedert 1593, gevoerd zijn, vindt men vrij uitvoerig medegedeeld in de volgende werken:Winsemius, Chronique, 820, 828, 847-871, 891, 898;—van Reijd, Ned. Oorlogen, 200, 410, 418;—van den Sande, Ned. Hist. ten vervolge opvan Reijd, 29, 57, 69, 98, 121, 162, 173, 178, 186, 197, 205;—Charterboek, V 164, 274, 278, 333, 341, 358, 367;—Register op de Staats-resolutiën, 411, 478, 511, 695;—van Aitzema, Saken van Staet en Oorlogh, 4o. II 116, 211, 626, 633, 643, 800; III 160, 265, 344, 348, 522; 63, 81; 10, 292, 520, 528;—Kok, Vad. Woordenb. XVI 594; benevens vele stukken in het Provinciaal en Stedelijk Archief vanLeeuwarden.
Al deze en meerdere schrijvers over dit onderwerp zijn door mij gelezen, met oogmerk, om die gebeurtenissen te behandelen. Doch, daar ze voor eene beknopte behandeling niet vatbaar waren, en eene uitvoerige voorstelling van oorzaken, verband en gevolgen mijn bestek ver te buiten zou gaan, zoo heb ik daarvanmoetenafzien, en deze gebeurtenissen enkel met een woord vermeld op de Tijdrekenk. Lijst. Bij eene uitvoeriger behandeling van de Friesche Geschiedenis zullen ze alle in het licht gesteld moeten worden.
In al die onlusten zien wij mede telkens den strijd herhalen tusschen de vrienden van behoud en vooruitgang, en tusschen de democraten en de aristocraten dier dagen; een strijd, welke in elke eeuw op eene andere wijze vernieuwd wordt, zoolang het volk het besef zijner regten en krachten behoudt en, niet door vrede of weelde ontzenuwd, inslaapt of doof wordt voor zijn belang. In weerwil van al de goede eigenschappen van den vervolgens door mij geschetsten Regeringsvorm vanFriesland, en ondanks eene algemeene verkiesbaarheid en alzoo een democratisch beginsel de grondslag daarvan scheen uit te maken, heeft de welwikkende en geleerdeUlrik Huberaangewezen, dat de Aristocratie zich inFrieslandvan de teugels van het bewind had verzekerd. (ZieHuber, Hedend. Rechtsgeleerth. Leeuw. 1699, II 11, 53 env., enVreede, Geschied- en Letterk. Herinneringen, Gor. 1836, II 65.) En was dit wonder? „In een land, waarin van ondenkelijke tijden af de oorspronkelijke oppermagt werd bezeten door de Edelen en Eigenerfden, dat is, de bezitters van onroerende goederen, die het regt van stemmen in gemeene zaken hadden,” kon het niet anders, of de adel en de aanzienlijken moesten in het bezit geraken van de oppermagt, van ambten en bedieningen. De aard van het Stemregt leidde daartoe. Dat daarvan dikwijls misbruik is gemaakt, is zeer natuurlijk bij al het aanlokkelijke van magtsuitoefening en vaakkwalijk geplaatste eerzucht bij onverstandigen. Maar met dat al is het mijne innige overtuiging, op geschiedenis en overlevering gegrond, dat die Aristocratie, of de regering van den adel en de aanzienlijken, voorFrieslandin de vorige eeuwen van oneindig meer voordeel dan nadeel is geweest. Zij, die door aanzienlijk grondbezit het meeste belang hadden bij het welzijn van den staat, en daardoor ook het meeste aanspraak hadden op het bestuur daarvan; zij stonden door stand, opvoeding, onderwijs en bekwaamheden in verstandelijke en zedelijke kracht ook meestal veel hooger dan het volk of wel de burgerstand dier dagen, welke toen minder ontwikkeld was dan tegenwoordig. En zeker zullen de laatste, die thans meerdere staats-burgerlijke regten hebben verkregen, onbillijk handelen, als zij hunne verpligting aan ’s lands vroegere overheden en de adellijke en aanzienlijke familiën niet dankbaar erkennen. Het is dus onkunde of kwade trouw, wanneer men thans laag valt op of smadelijk spreekt van een uitvloeisel der vroegere staatsgesteldheid, welke, ja soms is misbruikt geworden, doch die in ’t algemeen heilzaam voor het belang des volks is geweest.
Bladz. 246
is door mij voorgesteld, zoo als zij omstreeks den jare 1770 bestond, om niet telkens de kleine wijzigingen te vermelden, welke daarin sedert 1580 hadden plaats gehad. De voornaamste schrijvers over dit onderwerp heb ik in de noten bij ieder onderdeel medegedeeld, doch acht het van belang, hier nog eenige andere te vermelden, welke deswege nader kunnen geraadpleegd worden. In zijn ganschen omvang is dit onderwerp behandeld inU. Huber, Heedendaegse Rechts-geleertheyt, soo elders, als in Frieslandt gebruikelijk, 2edr. Leeuw. 1699, I 418, II 10 env. alsmede in de weinig bekende Dissertatie vanE. H. Bergsma, de antiqua et hodierna Frisiorum Regiminis forma, Fran. 1779. Nog minder bekend is de eenvoudige en heldere voorstelling, welke de voortreffelijkeP. Wierdsmadaarvan heeft gegeven in de beschrijving van deze provincie, welke hij bezorgde ten behoeve der Nieuwe Aardrijksbeschrijving, doorW. E. de Perponcher, Utr. 1784, welke in het eerste deel bl. 303 is opgenomen. (De reden daarvan heb ik vermeld in de Nasporingen omtrent de Middelzee, bl. 52.) Ook inKnoop, Teg. Staat of Hist. Beschrijv. van Friesl. Leeuw. 1763, bl. 328, en inBusching, Nieuwe Geographie, verbeterd doorW. A. Bachiene, Amst. 1775, IV 1191 komen uitvoerige beschrijvingen daarvan voor, die ieder op zich zelve belangrijke bijzonderheden bevatten. Zeer zonderling en hooggestemd is de beschrijving vanFrieslandsstaatsbestuur van Mr.Romijn de Hooghe, in zijn Spiegel van Staat, Amst. 1706. Het Groot Placaat- en Charterboek van Vriesland, door de zorg van den BaronG. F. thoe Schwartzenberg, op last der Staten, in 1768 begonnen en in 1795 in het 6edeelmet den jare 1705 geëindigd, bevat een onwaardeerbare schat van historische en staatsstukken over alle deelen van dit gewest. Eene Verzameling van Placaten, Reglementen en andere Stukken, door de Staten van Vriesland geëmaneerd, is in 1748 begonnen, telt tot 1795 6 deelen in 4o. en is van toen af tot in 1810 voortgezet in 14 deelen. Ook deze bron heb ik veel gebruikt.
In de laatste helft der vorige eeuw begon men zich mede meer toe te leggen op deStaatshuishoudkundeenStatistiekdezer provincie. In de genoemde werken vanKnoop,FoekeSjoerds, de Tegenw. Staat enz. zijn daarover bereids belangrijke bijdragen gegeven. OokNicolaas Ypey, Hoogleeraar in de Wiskunst en Vestingbouw teFraneker, die in Waterstaatszaken dikwijls door Gedeputeerde Staten geraadpleegd werd, gaf van zijne bedrevenheid in die vakken blijken in zijne Verhandelingen over den uitvoer van het Hooi (in 1781 bekroond en met die vanEelke AltaenSjoerd MeinertsteHarlingenuitgegeven) en over de Quotae, Harl. 1784. Zeer belangrijk is mede het werkje van den lateren HoogleeraarSeerp Gratama, de gelukkige Toestand van Friesland betoogd, Harl. 1795. Uit deze thans weinig meer voorkomende geschriften wil ik de volgende bijzonderheden, tot kenschetsing van dit tijdvak, mededeelen.
De Bevolking vanFrieslandis geheel onbekend vóór den jare 1715, en werd in 1744 en op nieuw in 1748 opgemaakt. De opgave van 1744 was 135,133 personen, verdeeld in 36,947 huisgezinnen, onder welke men 4,600 insolvente en 3,535 gealimenteerde telde. Latere zekere opgaven tot 1795 gaan niet boven de 140,000 zielen.—In 1779 was het getal der aangegevene koeijen 73,589, der rieren 23,519 en der paarden 23,359. De uitvoer daarvan bestond in 1778 in: 7,732 koeijen, 245 ossen, 29 bullen, 1048 kalvers, 2001 paarden, 205 enters (eenjarigen) en 400 veulens, namelijk, voor zoover daarvan passagiegeld was betaald. De waarde van elke verkochte koe steldeYpeyin gewone tijden op ƒ40—, een vierendeel boter op ƒ16—, een schippond kaas op ƒ6—, eene leverweide hooi op ƒ12—, een pondemate nieuw gras op ƒ4—, de mest van eene koe in ’t jaar op ƒ3.50. In de voorspoedige jaren van 1765 tot 1779 klom de prijs der boter tot ƒ21—, der kaas tot ƒ12—, van eene koe tot ƒ60—. Bovendien noemt hij de verzending van Tonnevleesch naar buiten aanzienlijk. In 1762 werden er op de Lands Wagen aangegeven 83,200 vierdevaten boter. Hij begroot daarentegen de som, welke aan schattingen en renten, voor kleeding, levensmiddelen, dranken en allerlei soort van warenuitFrieslandnaar buiten ging, op ƒ3,800,000, buiten het bedrag van het hout, uit de Oostzee en elders aangevoerd.—Belangrijk zijn mede zijne berigten over de toenmalige Vrachtvaart, waarover wij ook opbl. 337bijzonderheden hebben medegedeeld, en waarbij wij nu nog wenschen te voegen, dat in de merkwaardige Propositie van PrinsWillem IV, tot verbetering van den Koophandel der republiek, van 1751, dit opmerkelijkgezegde voorkomt, dat toen reeds „geene Provincie van ons land meer reederijen had van Smakken, Koffen en Galjoots, en waar meer dergelijke vaartuigen te huis behoorden dan inFriesland, zonder nog eenige handel van belang te hebben.”
Bladz. 257
welke, sedert den eersten Engelschen oorlog, bijBrandt,Aitzema, Holl. Mercurius ende Jongein het bijzonder vermeld worden, zijn, in vergelijking van vele Hollandsche en Zeeuwsche zeelieden, door hunne tijdgenooten zoo weinig opgemerkt, dat er van niemand hunner volkomene levensberigten tot ons zijn gekomen. Van weinigen weten wij iets meer dan hun naam en een of ander kloek bedrijf, zonder van hunne geboorte- of woonplaats en verder lot kennis te dragen; terwijl de onzekerheid vergroot wordt, doordien verscheidene dezer zeelieden den zelfden geslachtsnaam en een anderen voornaam dragen.
VanTjerk Hiddes de Vriesweten wij wel het meest, doch zijn genoemde levensbeschrijver was nog onbekend met vele bijzonderheden, door den Heerde Jongeomtrent hem en zijn geslacht, waaruit vijf zeelieden naam hebben gemaakt, medegedeeld (Zeewezen, IIb216, IVa458,b581). Reeds in 1658 voerde hij het bevel over eene der gewapende fluiten of transportschepen, welke de vloot vanWassenaernaar de Sont vergezelden, en onderscheidde hij zich toen door het nemen van drie Zweedsche vaartuigen. InSchotanus, Beschrijv. v. Friesl. 261 komt hij voor onder de Vroedschappen vanHarlingenin 1664, met bijvoeging van Groot-Schipper, zoodat hij toen welligt niet meer in ’s lands dienst was, welke hij in ’t volgende jaar, bij ’t uitbreken van den tweeden Eng. oorlog, weder zocht. Ik heb meerdere bijzonderheden omtrent hem verzameld, welke ik gaarne wil mededeelen aan iemand, die het leven van dezen voortreffelijken Admiraal op nieuw en naauwgezet wil nasporen en beschrijven. Hier wil ik nog enkel vermelden, dat zijn broederBarentofBeern Hiddes de Vriesmet en onder hem bestendig als Kapitein heeft gediend; dat zijns broeders zoon,Hidde de Vries, opklom tot Schout bij nacht en zich in 1694 het bevel zag toevertrouwd over een eskader van 14 schepen, toen hij in een hevig gevecht met Jan Bart doodelijk gewond werd. De vijfde zeeman uit dit geslacht wasTjerk Hiddes de Vries, in 1708 Luitenant bij de Admiraliteit vanAmsterdam. Of ookYsbrant de Vries, in 1658 Kapitein op de vloot, tot deze familie behoorde, is onbekend.Brandt, 142, 144, 223.
Doch, hoe weinig er bekend is vanAuke Stellingwerf, dien, verheven tot Luitenant-Admiraal, hooggestemde lofverzen van de Hollandsche dichtersJeremias de DeckerenHeiman Dullaertten deel vielen, dit heeft mijn vriend de Heer Mr.J. H. Beucker Andreæondervonden bij zijne vergeefsche poging, om een levensberigt vandezen zeeheld zamen te stellen. Er komen verscheidene personen van dien geslachtsnaam voor. Het Register op de Staats-resol. 767 vermeldt in 1649 eenAndries Stellingwerf, door de Admiraliteit aangesteld tot Equipagemeester der kustschepen. In het zelfde jaar 1653, dat wij in de Holl. Mercurius, 80, een KapiteinFrederik Stellingwerffop het schip Zevenwouden (gezonken) vinden, werd dieAndries Pieters Stellingwerffdoor Gedeputeerde Staten weder der Admiraliteit tot eenig emplooi gerecommandeerd; en werkelijk vinden wij dezen in 1656 bijBrandt, 100, reeds als Kapitein van ’t Prinsen wapen. In 1659 schreven Gedeputeerde Staten aan de Gecommitteerden ter Generaliteit, dat het schip van den Kapitein ...Stellingwerf, ter repartitie van de Harlinger Admiraliteit staande, onder de ontbodene schepen mogt worden begrepen. En in dat zelfde jaar zien wij bijBrandt, 186, 204, KapiteinAuke Stellingwerffvermeld, op den togt tegenZwedenonderVerburg, die hem naar den hoek van Schagen zond, om eene koopvaardijvloot te verwachten, welke hij den 3 Maart 1660 naar het vaderland geleidde. Na zijn sneuvelen werd zijn schip, de Zevenwouden, door de Engelschen genomen, doch in het volgende jaar hernomen.Brandt, Leven van de Ruiter, 382, 480. In 1676 was eenJacob Stellingwerf1eLuit. op het schip Oostergoo.
Behalve de genoemdeHendrik Dirks Brunsveldt, die in 1659 Kapitein en later Schout bij nacht was (Brandt, 160, 190, 212;de Jonge, IIa250, 259; Stamboek, II 59), vermeldtBrandt, 155, op 1658 ook nog een KapiteinAdriaan Bruinsveld, die in dat jaar sneuvelde.—Zoo vinden wij in 1652 een KapiteinSipke Fockesen in 1665-1673Anske Fockes.Brandt, 444. De zelfde noemt bl. 183, 193, 196 ook den KolonelErnst van Aylvaen den KapiteinHemmema, die in 1659 den togt naarZwedenmede maakten, doch denkelijk bij het krijgsvolk behoorden. De laatste bleef voorNijborg. Bij dezen togt waren 8 compagniën Friezen en 2 eskadrons Friesche ruiterij.Bosscha, II 13.—Van den KapiteinSchelte WiglemameldtBrandt, 41, dat hij in 1653 met al zijn volk in de lucht vloog. Zoo men wil, stak hij, tusschen twee Eng. schepen beklemd en geen uitkomst ziende, door overmaat van moed, zelf de lont in ’t kruid.—Nog vonden wij als Kapiteins van het Friesche Collegie genoemd:Reinier SickemaofSekema,Andries Douwes,Andriaan Hens Kleintje,Jan Jans Vijselaar,Jacob Binckes,Pieter Feijkes Eijkema,Wijtze Beijma,Yde Hijlkes Kolaart, wiens schip Westergoo in 1672 verbrandde;Hendrik Jans Camp, van wiende Jonge, IIa78, een dapper bedrijf vermeldt, enz.—Verder maakte zich verdienstelijkJoris Andringa, die, eerst schrijver op het schip van den Kapt. de Wildt, sedert 1665 het ambt van Secretaris vande Ruyterbediende en het dagregister hield, zoodat wij aan zijne zorg vermoedelijk de naauwkeurige berigten omtrent diens luisterrijkste verrigtingen verschuldigd zijn.Brandt396, 513, 549, 862, 912;de Jonge, III a 315, b 124, 220. In 1675 werd hij Kapitein op het schip Stad en Lande, en onderscheiddezich door moed en bekwaamheid. Door bloedverwantschap en vriendschap was hij aande Ruyter, die hem in een brief NeefAndringanoemt, zeer verbonden.—Bij den togt naarChattamwarenSimon PoppingaenMeindert Jentjes, kommandeurs van branders, die voor hun lofwaardig gedrag vereeringen ontvingen.Brandt, 583;de Jonge, IIb445, en omtrent andere Friezen IIIa124, 130, 145, 269, 292, 380.
Ook vervolgens onderscheidden zich nog andere Friesche zeevaarders, van welke wij enkel noemen:Douwe Harkes, die in 1665 nabijTangermet veel dapperheid een Engelsch fregat aantastte en veroverde, en dien het in 1673 gelukte, drie Barbados- en Virginievaarders teAmsterdamop te brengen (de Jonge, IIb243, IIIa381).—VanJacob Binckeshebben wij in den tekst gesproken, doch zouden zijn leven gaarne nader afzonderlijk bewerkt zien, vooral, dewijlde Jongeop zoo menigvuldige plaatsen van het 3edl. daarvan belangrijke berigten heeft medegedeeld.—In 1676 waren verscheidene Friesche schepen (ookBarend Hiddes de Vriesals Kapitein enJacob Stellingwerfals 1eLuit.) bij de vloot, welke de Staten onderTrompenEvertsen Denemarkente hulp zonden. Deze togt, waarbij zich ook Friesche vrijwilligers bevonden, is uitvoerig beschreven in het zeldzame en zonderlinge vers vanFoppe Foppeszoon Junior: „Aenmerkelike Voyagie na de Oost-zee enz. By maniere van dagverhaal, in riim, beschreven” enz., met vele lofverzen van dergelijke rijmelaars in 1677 bijHero GalamateHarlingengedrukt.—OmtrentChristoffel Middagten, mede vanSexbierumgeboortig, die tot Kapitein en Schout bij nacht opklom en zich door geschriften over den scheepsbouw, de scheepvaart en verbeterde Zeekaarten loffelijk onderscheidde, heeftde JongeIVa485 goede berigten medegedeeld.—In 1678 vinden wij vermeld een stoute Friesche schipperBarend Fokke, die toen de reis vanNederlandnaarBataviain den, destijds ongehoorden, tijd van 3 maanden en 4 dagen deed, tot geene geringe verwondering van den Gouverneur-Generaal vanGoens, dien hij door het bezorgen van een pakket brieven daarvan overtuigde. OverCeilonvertrok hij weder naar het vaderland, zóó spoedig, dat het bijgeloovige volk hem verdacht hield van met den booze in verstandhouding te staan. Opmerkelijk is het, dat, zeker om eene andere reden, ter eere van dezen kloeken zeeman op het eiland: het Kuipertje, nabijOnrust, voor de reede vanBatavia, een standbeeld is opgerigt, hetwelk hem, in steen gehouwen, in zijne Friesche kleedij voorstelde. In 1808 is het door den Engelschen AdmiraalDourievernield, doch later zijn de stukken daarvan nog gezien doorM. D. Teenstra, die dit verhaalt achter een vers ter zijner eere in den Frieschen Volks-Almanak, 1846, 171.