VIJFDE TIJDVAK.

[350]Dit derde gedeelte der staatkundige geschiedenis van dit tijdvak strekt ten vervolge van hettweede gedeelte, dat opbl. 308eindigt.[351]Zie over deze hier slechts aangestipte punten ookbl. 238,316,336hier vóór.[352]Onder den titel van:het Juichend Frieslandis er destijds een verhaal van deze blijde inkomst en beschrijving van de plegtigheden, eerepoorten, illuminatien en vuurwerk in folio uitgegeven. Zie ookReg. op de Staats-resol.343, 519.[353]Deze Gedichten, te’s Hagebijbeauregardin 4o. uitgegeven, zijn daarna, vermeerderd met eene overzetting uitpolybiusin proza, benevens eene menigte lofverzen opvan haren, in 8o. gedrukt teHarderwijk. Ze zijn ook opgenomen invan haren’sWerkenbijwesterman. Zie medehalbertsma,Fragmenten over de van Harens, 120 enscheltema,Mengelwerk, I 132;bosscha,Heldendaden, II 555.[354]In 1758 heeft de Generaalaylvadeze zes stukken geschuts gelegateerd aan de Staten vanFriesland, op wier last ze, na zijn overlijden in 1772, geplaatst werden vóór de Hoofdwacht teLeeuwarden, volgensReg. Staats-res.41, 61;Teg. Staat, II 109;te water,Verbond der Edelen, II 167;kok,Vaderlandsch Woordenb.II 403;bosscha,Heldend.II 657;wagenaar,Vad. Hist.XX 180, 190;van leeuwen, inde Vrije Fries, V 367, 382.[355]Slingelandt,Staatk. Geschriften, I 212, 223;van kampen,Verkorte Geschiedenis der Nederl.II 232.[356]Deze woorden van den Prins, gerigt totonno zwier van haren, die veel tot ’s Prinsen verheffing toebragt, hebben dezen later aanleiding gegeven tot het ontwerpen van zijn uitstekend heldendicht:de Geuzen,hier vóóren inAant. 20nader vermeld: „opdat die onbegrijpelijke liefde en vertrouwen tusschen Vorst en Volk met behoorlijke kleuren mogt worden beschreven.” Zie het begin derOphelderingen van de Geuzen, en verderwagenaar,Vad. Hist.XX 78 env.;haverkamp,Leven van Prins WillemIV, 18, 45 env.[357]De eerste der vier termijnen van deze vrijwillige gift bragt in Februarij 1748 alleen in de stadLeeuwardenaan goud- en zilverwerk en geld ruim 42,600 Gld. op, en bedroeg over geheelFriesland345,827 Gld. buiten het zilver, volgens eene MS. Aanteekening in mijne verzameling.[358]De bijzonderheden der gebeurtenissen van dit jaar zijn bijeengebragt in het werkje:het Verward Frieslandt(doorj. dotingh), Leeuw. 1749. Zie medewagenaar, XX 196;Nederl. Jaerboeken, II 524.[359]Vele zijn de geschriften over dezen voortreffelijken Stadhouder, die meest lofredenen zijn, en waarvan ik onderscheidene heb bijeengebragt in de Bibliotheek zijner geboortestad, die zich met regt op hem mag beroemen. Behalve naarwagenaaren deJaerboekenverwijs ik enkel naarhaverkamp,’s Lands verijdelde hoope, Amst. 1753;o. z. van haren,Lijkreeden, Leeuw. 1766;hofstede,Bloemen op het graf, Rott. 1752;Levensb. van ber. Mannen, VI 284;scheltema,Staatk. Ned.II 487;v. kampen, II 251,Karakterk.II 565.[360]Het moedig gedrag van den Frieschen Zeekapiteinjan binkesin die dagen is vermeld achterAanteekening 23.[361]Dit betuigden de Staten in den brief van rouwbeklag aan haren kleinzoon. Ziestuart,vervolg opwagenaar, II 249;de chalmot,Leven der Prinses, Leeuw. 1765;j. van den bosch,de Heeren Stadhouderen van Vriesland, Leeuw. 1770, 35, 86;Levensbeschrijving van Nederl. Mannen enz.VI 154;van kampen,Karakterkunde, II 562 enz.[362]Zieloosjes,Gedenkzuil der Vrij-verklaaring, 31, 58, 64, 131, 133, waar tevens voorkomt het Request van de Burger-Societeit teLeeuwarden:Door Vrijheid en IJveraan Gedeputeerden, met aanbieding van een Zilveren Eerepenning, welke zij op dit besluit had laten vervaardigen. De studenten teFranekerhuldigden hetzelve door het afsteken van een vuurwerk. Ook hierdoor werd de vrijheidsgeest overal aangewakkerd.[363]Zie deVerzameling van Placaten, 339, 343;Apologie vanc. l. van beijma, 172, 230, en vele andere stukken van dien tijd.[364]Verzameling van Placaaten, 436, 437.

[350]Dit derde gedeelte der staatkundige geschiedenis van dit tijdvak strekt ten vervolge van hettweede gedeelte, dat opbl. 308eindigt.

[351]Zie over deze hier slechts aangestipte punten ookbl. 238,316,336hier vóór.

[352]Onder den titel van:het Juichend Frieslandis er destijds een verhaal van deze blijde inkomst en beschrijving van de plegtigheden, eerepoorten, illuminatien en vuurwerk in folio uitgegeven. Zie ookReg. op de Staats-resol.343, 519.

[353]Deze Gedichten, te’s Hagebijbeauregardin 4o. uitgegeven, zijn daarna, vermeerderd met eene overzetting uitpolybiusin proza, benevens eene menigte lofverzen opvan haren, in 8o. gedrukt teHarderwijk. Ze zijn ook opgenomen invan haren’sWerkenbijwesterman. Zie medehalbertsma,Fragmenten over de van Harens, 120 enscheltema,Mengelwerk, I 132;bosscha,Heldendaden, II 555.

[354]In 1758 heeft de Generaalaylvadeze zes stukken geschuts gelegateerd aan de Staten vanFriesland, op wier last ze, na zijn overlijden in 1772, geplaatst werden vóór de Hoofdwacht teLeeuwarden, volgensReg. Staats-res.41, 61;Teg. Staat, II 109;te water,Verbond der Edelen, II 167;kok,Vaderlandsch Woordenb.II 403;bosscha,Heldend.II 657;wagenaar,Vad. Hist.XX 180, 190;van leeuwen, inde Vrije Fries, V 367, 382.

[355]Slingelandt,Staatk. Geschriften, I 212, 223;van kampen,Verkorte Geschiedenis der Nederl.II 232.

[356]Deze woorden van den Prins, gerigt totonno zwier van haren, die veel tot ’s Prinsen verheffing toebragt, hebben dezen later aanleiding gegeven tot het ontwerpen van zijn uitstekend heldendicht:de Geuzen,hier vóóren inAant. 20nader vermeld: „opdat die onbegrijpelijke liefde en vertrouwen tusschen Vorst en Volk met behoorlijke kleuren mogt worden beschreven.” Zie het begin derOphelderingen van de Geuzen, en verderwagenaar,Vad. Hist.XX 78 env.;haverkamp,Leven van Prins WillemIV, 18, 45 env.

[357]De eerste der vier termijnen van deze vrijwillige gift bragt in Februarij 1748 alleen in de stadLeeuwardenaan goud- en zilverwerk en geld ruim 42,600 Gld. op, en bedroeg over geheelFriesland345,827 Gld. buiten het zilver, volgens eene MS. Aanteekening in mijne verzameling.

[358]De bijzonderheden der gebeurtenissen van dit jaar zijn bijeengebragt in het werkje:het Verward Frieslandt(doorj. dotingh), Leeuw. 1749. Zie medewagenaar, XX 196;Nederl. Jaerboeken, II 524.

[359]Vele zijn de geschriften over dezen voortreffelijken Stadhouder, die meest lofredenen zijn, en waarvan ik onderscheidene heb bijeengebragt in de Bibliotheek zijner geboortestad, die zich met regt op hem mag beroemen. Behalve naarwagenaaren deJaerboekenverwijs ik enkel naarhaverkamp,’s Lands verijdelde hoope, Amst. 1753;o. z. van haren,Lijkreeden, Leeuw. 1766;hofstede,Bloemen op het graf, Rott. 1752;Levensb. van ber. Mannen, VI 284;scheltema,Staatk. Ned.II 487;v. kampen, II 251,Karakterk.II 565.

[360]Het moedig gedrag van den Frieschen Zeekapiteinjan binkesin die dagen is vermeld achterAanteekening 23.

[361]Dit betuigden de Staten in den brief van rouwbeklag aan haren kleinzoon. Ziestuart,vervolg opwagenaar, II 249;de chalmot,Leven der Prinses, Leeuw. 1765;j. van den bosch,de Heeren Stadhouderen van Vriesland, Leeuw. 1770, 35, 86;Levensbeschrijving van Nederl. Mannen enz.VI 154;van kampen,Karakterkunde, II 562 enz.

[362]Zieloosjes,Gedenkzuil der Vrij-verklaaring, 31, 58, 64, 131, 133, waar tevens voorkomt het Request van de Burger-Societeit teLeeuwarden:Door Vrijheid en IJveraan Gedeputeerden, met aanbieding van een Zilveren Eerepenning, welke zij op dit besluit had laten vervaardigen. De studenten teFranekerhuldigden hetzelve door het afsteken van een vuurwerk. Ook hierdoor werd de vrijheidsgeest overal aangewakkerd.

[363]Zie deVerzameling van Placaten, 339, 343;Apologie vanc. l. van beijma, 172, 230, en vele andere stukken van dien tijd.

[364]Verzameling van Placaaten, 436, 437.

FRIESLAND TIJDENS DE VOLKSREGERING EN DE FRANSCHE OVERHEERSCHING.

VAN DE STAATS-OMWENTELING EN DE OPHEFFING VAN HET STADHOUDERSCHAP TOT DE HERSTELLING VAN NEDERLAND EN HET VERTREK DER FRANSCHEN.

Van het jaar 1795 tot 1813.

Versiering

Te laat namen de Staten vanFriesland, den 7 Februarij 1795, het besluit tot opheffing van de vervolgingen en verbodsbepalingen, waarmede men sedert 1787 vele opgewondene ingezetenen in toom had gehouden. Na inBelgiëlang tegenstand te hebben ondervonden, zegevierden de wapenen der Franschen, die nu door den vorst zich reeds in December 1794 den weg gebaand zagen over de rivieren, die ons vaderland meermalen tot eene natuurlijke beschutting verstrekten. De vroeger gevlugte patriotten, die inFrankrijkde bloedige tooneelen van de revolutie-koorts hadden bijgewoond, snelden hen vooruit, en nog vóór de Franschen onzen Staat, op den 1 Februarij 1795, den oorlog verklaarden, ontvlugtte PrinswillemV met zijn gezin en vele zijner aanhangers het vaderland, dat ruim twee eeuwen veilig was geweest onder de hoede vanoranje. De in 1787 alleen door dekracht der wapenen herstelde republiek was haren val nabij, en bezweek voor den revolutiegeest des volks, dat geheel andere beginselen dan vroeger huldigde en zich sterk waande door buitenlandschen invloed.

Ook inFrieslandvestigde zich eenCommitté Revolutionair, hetwelk, na de omwenteling geheel voorbereiden den vrijheidsboom teLeeuwardengeplant te hebben, den 10 Februarij 1795 de Regenten der steden en grietenijen ontsloeg en andere personen aanstelde, onder luidruchtige vreugdebedrijven van het volk. Evenzoo verklaarde het den 19 Februarij met eene plegtige aanspraak de Staten vanFriesland, gelijk den Erfstadhouder, vervallen van hunne waardigheden, met belofte van veiligheid voor hunne personen en verbod om te vlugten. Hierna werden er 60 Provisioneele Representanten van het volk vanFrieslandin hunne plaats aangesteld, en voorzien van eene instructie, welke de beginselen bevatte, waarnaar de nieuwe republiek voorloopig zou worden bestuurd. Het Committé legde toen tevens zijne taak neder, en »wenschte het volk plegtig geluk met de volbragte onvermijdelijke revolutie, en met de tot dusverre gelukkig herstelde vrijheid; onder betuiging, dat de bedaardheid, goede orde en rust, bij zulk eene verbazende omkeering van zaken overal bewaard, der Friesche natie voor het oog der geheele wereld tot onsterfelijken roem verstrekten.”

In de volgende dagen vaardigden de Provisioneele Representanten bij verschillende plakkaten hunne staatkundige geloofsbelijdenis uit, om ieder te doen zien, dat zij geen ander oogmerk hadden, dan om, ook door het afschaffen van de erfelijke aristocratie en familie-regering, de miskende regten des volks te handhaven, en veiligheid van personen en bezittingen, vrijheid van godsdienst en drukpers en gelijkheid van allen voor de wet te verzekeren,onder vermaning, van de verkregene voorregten door geene rustverstoring te bezoedelen.[365]

En inderdaad, het verdient opmerking, dat zulk eene omwenteling en vernietiging van het eeuwenheugende gezag hier, door het volk zelf, zoo rustig en zonder schending van personen of bezittingen werd tot stand gebragt. Want eerst den 4 Maart deed de Fransche Generaalgaspard thierrymet een aantal huzaren zijne plegtige intrede inLeeuwarden, onder de uitbundigste vreugdebetooningen van het uit alle oorden te zamengevloeide volk, dat in den roes zijner blijdschap, hand aan hand met den luchthartigen Franschman dansende om den vrijheidsboom, zich zelf vergat, en zich niet bewust scheen te zijn, dat het eene inhaling was als van het Grieksche paard inTroje. Doch de Franschen hadden beloofd, als vrienden en bondgenooten te zullen overkomen, en als verlossers van de overheersching en beschermers van de nieuwe republiek, die ze zeker weldra weder zouden verlaten, werden ze dus ontvangen en bij de burgers ingekwartierd. Hoe spoedig bleek echter het tegendeel, nadat 150,000 hunner, meest uitgehongerde en halfnaakte, krijgslieden over het gansche land waren verspreid, waarvanFrieslandzijn aandeel rijkelijk bekwam!

Immers, bij het Haagsche verdrag van den 26 April 1795 eischten de Franschen reeds, behalve den afstand van een aanzienlijk grondgebied, 100 millioen gulden voor het bezorgen van de zoogenaamde vrijheid, onder verpligting van onzen Staat, om 25,000 man Franschen in dienst te houden en te bezoldigen. Doch de partij der patriotten had de overwinning behaald en zich gewrokenop den Prins en de staatsleden, die hen in 1787 hadden doen vlugten, maar—ten koste der onafhankelijkheid des lands. Het volk, gestreeld door de klanken van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, spiegelde zich nu, bij de zegepraal der beginselen van de regten van den mensch en burger, de schoonste toekomst van eene veel verbeterde staatsinrigting voor; hoewel het, bij de schaarschheid en duurte van levensmiddelen en het stilstaan van sommige bronnen van bestaan, al dadelijk verpligt werd, om in herhaalde geldleeningen, heffingen en drukkende lasten aan de vermeende vrijheid zware offers te brengen[366].

Intusschen geschiedde er in Mei eene algemeene oproeping van het volk vanFrieslandtot stemming van 68 Representanten, die nu het roer der regering aanvaardden en aan negen hunner het waarnemen der zaken van het vroegere Collegie of de uitvoerende magt toevertrouwden. Nog scheen dit bestuur uit gematigde patriotten te bestaan, hoewel het de meeste leden van het Hof ontzette en door andere personen van zijnen geest deed vervangen (15 Julij), en toeliet, dat de Stadhouderlijke Tombes in de Groote Kerk teLeeuwardenschandelijk vernield en de Grafkelders geschonden werden (1 Aug.).Evenwel bleef deze partij, bij het plan tot bijeenroeping van eene Nationale Conventie, met kracht van redenen de souvereiniteit en de onafhankelijkheid der provinciën vasthouden en verdedigen, omdat zij haarzelfbestaanniet konde, niet wilde vernietigen, en omdat zij zich van eene vereeniging met de andere gewesten voorFrieslandgroot gevaar en vele nadeelen voorstelde. DochHolland, met een grooten schuldenlast bezwaard, trachtte de ineensmelting van de provinciën en de provinciale schulden door te drijven, en om dit doel te bereiken, spaarde het geene middelen, »geen vleijen en kuipen, geen dringen en dreigen.” Het werd daarin ondersteund door een aantal hevige Friesche patriotten, die zich van de een- en ondeelbaarheid van den Staat veel heils voorspelden, en als heethoofdige ijveraars meer doortastende veranderingen begeerden. Zóó vormden zich onder de patriotten zelve partijen, die elkander uit verschil van inzigt wantrouwden en vervolgden met een haat en tweedragt, nog sterker dan vóór de omwenteling. In Januarij 1796 vestigden zich eenigen dier ijveraars zelfs tot een Committé van herstel, hoewel ze spoedig door de Representanten, die hen eene oproerige bende van baatzuchtige fortuinzoekers en intriganten noemden, werden gevangen gezet. Evenwel wist hunne partij te bewerken, dat Frieslands volksvertegenwoordigers met geweld uiteengejaagd en sommigen zelfs in hechtenis genomen werden. Met hulp der gewapende magt herstelde het gezag zich echter weder, doch kort daarna werd het andermaal verdreven door de doldriftige partij, die alzoo, door Fransche en Hollandsche hulp gesteund, zegevierde[367]. Wel kwam er intusschenden 1 Maart eene Nationale Vergadering te’s Gravenhagebijeen, waaropFrieslandechter eerst, evenmin alsZeeland, afgevaardigden zond; doch de uiteenloopende meeningen der vier partijen hiervan verstonden elkander zóó weinig, dat zij enkel voorbereidde, hetgeen, na hevige onlusten en geweldige maatregelen, op de tweede Nationale Vergadering doorgedreven en met goedkeuring der meerderheid van het stemgeregtigde volk bij de Staatsregeling van 1 Mei 1798 uitgevaardigd werd: dat de één-en-ondeelbare Bataafsche Republiek zou bestaan uit acht Departementen, met een Vertegenwoordigend Ligchaam, waarvan de eerste kamer uit 60 en de tweede uit 30 leden zou bestaan, benevens een Uitvoerend Bewind van 5 leden.

OfschoonFrieslandbij die Staatsregeling voor het eerst na zoovele eeuwen zijn Naam verloor, daar het metGroningenwerd vereenigd onder den naam van hetDepartement van de Eems;—ofschoon het nu eindelijk aan Hollands heerschzucht en overwigt zijne souvereiniteit en zelfbestaan en alzoo een groot gedeelte zijner magt en invloed ten offer moest brengen, en zich bovendien met eenveel grooter schuldenlastdan zijne eigene zag bezwaard;—ofschoon het Provinciaal Bestuur vanFriesland, alléén uit aanmerking van »den bejammerenswaardigen toestand der republiek,” gevolg gaf aan het bevel der Constitueerende Vergadering, die zich den 22 Januarij 1798 te’s Gravenhagemet geweld van de oppermagt had meester gemaakt, om, »met ontbinding van alle Provinciale Besturen, een Intermediair Administratief Bestuur, afhankelijk van en verantwoordelijk aan genoemde Vergadering,” uit te maken:—toch werd die merkwaardige en in zoo vele opzigten vernederende gebeurtenis, een onvermijdelijk gevolg van den gang der omwenteling, hier met een luisterrijk Volksfeest gevierd. Ja, de democratischeof revolutionaire partij had, na het overheerschen of verbannen van alle gematigde patriotten, door Hollandschen en Franschen invloed, inFrieslandveler gemoederen opgewonden tot een geestdrift, welke in al de zinnebeeldige voorstellingen en bedrijven van dat Volksfeest de belagchelijkste tooneelen opleverde. Op den 19 Mei 1798 werd het onder grooten toevloed van aanschouwers teLeeuwardengevierd. DeEen-en-Ondeelbaarheid, verbeeld door eene maagd, met de acte van Staatsregeling in de hand, werd, zittende op een triumfwagen, tusschen een talrijken trein van regeringsleden, zinnebeeldig versierde personen en de gewapende magt, door de stad gevoerd, en geleid op een troon in den Tempel der Vrijheid, welke op de Langepijp was opgerigt. Nadat de personen, verbeeldende de Regten van den mensch, de Gelijkheid en de Broederschap, als ook de vier nationale Deugden en de vier Standen van den mensch, zich nevens haar geplaatst hadden, werd het zevenhoofdig Monster van het Federalisme (de zeven vroeger, op zich zelve souvereine, Vereenigde Provinciën) op een houtstapel gelegd en onder gejuich verbrand, waarna de President voor het Altaar der vrijheid eene aanspraak deed, en het feest met dansen om den Vrijheidsboom en andere luidruchtige vermaken werd besloten[368].

Doch de partij, wier beginselen en bedoelingen nu hadden gezegepraald, regeerde niet lang. Nadat zij reeds in Februarij des vorigen jaars verontrust was door een dwaas oproer van Oranjegezinde ingezetenen uit den omtrek vanKollum[369], had op den 12 Junij 1798 te’s Gravenhageeene soort van tegen-omwenteling plaats, waarbij het Uitvoerend Bewind en het Wetgevend Ligchaam met magt van wapenen werden uiteengedreven. Eerst nadat het volk zich, ingevolge de aangenomene Staatsregeling, eene nieuwe vertegenwoordiging had gekozen van meer gematigde personen, die eene algemeene vergiffenis van staatkundige misdrijven uitvaardigden, scheen er een einde te zullen komen aan al de revolutionaire woelingen en de omwenteling voltooid te zijn. Die Staatsregeling toch, welke vele verouderde vormen en misbruiken afschafte en de sedert jaren verkondigde theoriën omtrent het maatschappelijk verdrag en het regt en den invloed des volks op het staatsbestuur in werking bragt, was bij voorraad eene belangrijke schrede tot vooruitgang, tot verspreiding van mildere beginselen en tot bevrediging der eischen van het nieuwe geslacht, dat de vroegere banden was ontwassen. Na zoo hevige schokken en bittere vervolgingen van de partijen onderling, kwam er nu meerdere orde en rust onder de ingezetenen, en leerde men zich met bedaardheid onderwerpen aan de drukkende gevolgen eener omwenteling, welke een geheel anderen loop en rigting had genomen, dan zelfs de bewerkers zich hadden voorgesteld.

[365]Zie dit alles in deVerzaamel. van Placaaten, I 1-29, in deDagverhalenen veelvuldige geschriften van dien tijd.[366]In 1796 beval het Provinciaal Bestuur zelfs, „ten einde de Friesche trouw ongeschonden bewaard blijve” (!), dat het zesde gedeelte der bezittingen van alle publieke corpora, of de stedelijke, geestelijke, dorps-, kerke-, arme-, wees en gasthuis-goederen, openlijk verkocht en het bedrag daarvan den lande tegen 31⁄2proc. rente opgeschoten moest worden. In het volgende jaar noopte de hooge nood des lands het bestuur op nieuw, nog een vijfde gedeelte van het overschot te eischen. Men gisse, welk eene massa vastigheden er dien ten gevolge tegen lage prijzen verkocht en in handen gekomen is van bijzondere personen, waarvan velen ze later voor meer dan het dubbele van dien prijs verkocht hebben. Zie die besluiten in deVerzameling van Placaaten, II 21, 73, 199.[367]’t Was deze partij, die in 1796 het bevel gaf tot wegneming van alle, „de gelijkheid onteerende,” titels, livreijen, onderscheidingsteekens en wapens op gebouwen, grafzerken enz., als hinderlijk aan de onvervreemdbare regten van den mensch en den burger.Verzameling van Placaaten, II 17, 56,71.[368]De merkwaardige teekening, welke de verdienstelijke kunstliefhebberpetrus groenia(nog in 1831 bekend als Kolonel van eene Afdeeling Friesche Schutterij) toen van deze plegtigheid vervaardigde, is, met het Programma van den optogt, thans in mijn bezit.[369]Die volksbeweging, onder den naam van hetKollumer oproerbekend, begon bij gelegenheid der opschrijving tot de gewapende dienst teKollum, en breidde zich weldra tot de omliggende dorpen en grietenijen uit. „Onder den oproerkreet van Oranje boven!” trokken eenige honderden gewapende landlieden zelfs opDokkumaan, vanwaar ze verjaagd en verder door de vanLeeuwardenafgezondene troepen bedwongen werden. Een getal van 174 personen, die daaraan deel hadden genomen of van Oranjegezindheid verdacht waren, werden op het Blokhuis teLeeuwardengevangen gezet en een daarvan onthoofd. Velen werden spoedig losgelaten, anderen met geldboeten gestraft. Zie uitvoerige berigten deswege in de destijds uitgegeveneBeschrijving van de oproerige Beweegingen in Friesland.

[365]Zie dit alles in deVerzaamel. van Placaaten, I 1-29, in deDagverhalenen veelvuldige geschriften van dien tijd.

[366]In 1796 beval het Provinciaal Bestuur zelfs, „ten einde de Friesche trouw ongeschonden bewaard blijve” (!), dat het zesde gedeelte der bezittingen van alle publieke corpora, of de stedelijke, geestelijke, dorps-, kerke-, arme-, wees en gasthuis-goederen, openlijk verkocht en het bedrag daarvan den lande tegen 31⁄2proc. rente opgeschoten moest worden. In het volgende jaar noopte de hooge nood des lands het bestuur op nieuw, nog een vijfde gedeelte van het overschot te eischen. Men gisse, welk eene massa vastigheden er dien ten gevolge tegen lage prijzen verkocht en in handen gekomen is van bijzondere personen, waarvan velen ze later voor meer dan het dubbele van dien prijs verkocht hebben. Zie die besluiten in deVerzameling van Placaaten, II 21, 73, 199.

[367]’t Was deze partij, die in 1796 het bevel gaf tot wegneming van alle, „de gelijkheid onteerende,” titels, livreijen, onderscheidingsteekens en wapens op gebouwen, grafzerken enz., als hinderlijk aan de onvervreemdbare regten van den mensch en den burger.Verzameling van Placaaten, II 17, 56,71.

[368]De merkwaardige teekening, welke de verdienstelijke kunstliefhebberpetrus groenia(nog in 1831 bekend als Kolonel van eene Afdeeling Friesche Schutterij) toen van deze plegtigheid vervaardigde, is, met het Programma van den optogt, thans in mijn bezit.

[369]Die volksbeweging, onder den naam van hetKollumer oproerbekend, begon bij gelegenheid der opschrijving tot de gewapende dienst teKollum, en breidde zich weldra tot de omliggende dorpen en grietenijen uit. „Onder den oproerkreet van Oranje boven!” trokken eenige honderden gewapende landlieden zelfs opDokkumaan, vanwaar ze verjaagd en verder door de vanLeeuwardenafgezondene troepen bedwongen werden. Een getal van 174 personen, die daaraan deel hadden genomen of van Oranjegezindheid verdacht waren, werden op het Blokhuis teLeeuwardengevangen gezet en een daarvan onthoofd. Velen werden spoedig losgelaten, anderen met geldboeten gestraft. Zie uitvoerige berigten deswege in de destijds uitgegeveneBeschrijving van de oproerige Beweegingen in Friesland.

Nog waren er geene drie jaren verloopen, of er bestond reeds behoefte aan eene nieuwe Grondwet, welke verbeterde Staatsregeling in 1801 door het volk werd aangenomen. Deze kenmerkte zich door meerdere toenadering tot het oude, doordien de omvang der vroegere provinciën hersteld werd en ookFrieslandzijn Naam herkreeg, met een Departementaal Bestuur van elf leden; terwijl het Algemeen Bestuur was zamengesteld uit een Staatsbewind van 12 en een Wetgevend Ligchaam van 35 leden. Hierop volgde weldra eene nieuwe regeling van de Gemeentebesturen, aan wier leden het Huishoudelijk beheer, gelijk de Policie en Justitie aan Drosten en Geregten, alsmede aan Dorpregters was opgedragen. Daartoe werdFrieslandverdeeld in 14 Drost-ambten. Bij de benoeming van vele nieuwe personen tot regeringsleden was het een aangenaam verschijnsel, eene meerdere toenadering en verzoening tusschen de vroegere partijen te bespeuren; terwijl de gematigdheid van het Staatsbewind bereid was, de vroegere scheuringen zoo veel mogelijk te heelen tot eendragtige zamenwerking aan het algemeen belang.

Want groot waren bij voortduring de bezwaren, welke op den Staat drukten, ook buiten den geldnood, waarin men door dikwijls herhaalde heffingen op de bezittingen en inkomsten, door leeningen en buitengewone belastingen trachtte te voorzien, totdat deze in 1805 door een stelsel van algemeene belastingen op allerlei voorwerpen werden vervangen. De bezorgdheid van het Staatsbewind was in 1803 zelfs zóó groot, dat het klaagde »over de gezonken welvaart, het steeds dieper verval van onze nationale zeden en de toenemende onverschilligheid omtrent God en Godsdienstige zaken, zoodat er redenenbestonden, om nieuwe en onherstelbare rampen te vreezen”[370].

Intusschen was de invloed vanFrankrijken onze afhankelijkheid vannapoléon, die zich in 1804 tot Keizer had verheven, grooter geworden. Eene gewijzigde Staatsregeling voor het Bataafsche Gemeenebest was daarvan in 1805 het gevolg. De edele staatsmanrutger jan schimmelpenninckwerd als Raadpensionaris met een Wetgevend Ligchaam geplaatst aan het hoofd van het bewind, dat de belangen der Departementen en Gemeenten door nieuwe verordeningen (ook op het onderwijs) zocht te bevorderen.Frieslandwerd nu ten aanzien van de Justitie en Politie verdeeld in 15 Drost-ambten, welker bestuur uit een Drost, Mederegters en Schepenen bestond. Dat bewind, hetwelk den zorgvollen toestand des lands zoo veel mogelijk trachtte te lenigen, was echter alleen de overgang tot eene Monarchale regering.Napoléon’swil schiep het KoningrijkHolland, en plaatste zijnen broederlodewijkop den troon (5 Junij 1806). Op nieuw onderging de constitutie eene wijziging, en werden den Koning vier Ministers met eén Wetgevend Ligchaam van 38 leden toegevoegd, voor zooverre er voor dezen nog een schijn van gezag was overgebleven na het vallen van de eenmaal zoo grootsche republiek. Ten gevolge daarvan werdFrieslandin den volgenden jare (vermeerderd met de eilandenVlielandenTerschelling) gesteld onder het bestuur van een Land-Drost met zijne zes Assessoren, benevens drie Kwartier-Drosten; terwijl de Steden van den eersten rang, boven de 5,000 zielen, onder het bestuur kwamen van een Burgemeester, vier Wethouders en eene Vroedschap, benevens eene Schepensbank als nedergeregt. Ten plattenlande werd een Baljuw aan het hoofd van het bestuur van ieder der 30 Districten gesteld[371].

De welwillendheid, waarmede de goedhartige Koninglodewijkde belangen van ons vernederd vaderland tegenover de aanmatigingen van zijnen heerschzuchtigen broeder voorstond, verzachtte aanmerkelijk het misnoegen des volks over dit opgedrongen gezag. Door de ijverige zorgen van den Land-Drostregnerus livius van andringa de kempenaeren zijne Assessoren mogtFrieslandgedurende de vier jaren van het koningschap vele voorregten smaken. In vergelijking toch vanHolland, dat door het stilstaan van den handel kwijnde en van andere provinciën, die door watervloeden en oorlogsrampen geteisterd werden, had ons gewest aan de toenemende ontwikkeling van den landbouw en de veeteelt zelfs eene mate van voorspoed en bloei te danken, welke eenigzins opwoog tegen de immer stijgende schulden, lasten en bezwaren. Dochnapoléon’szucht om te veroveren en te heerschen, bij voortdurende teleurstelling in zijn wensch omEngelandmeester te worden, maakte hem vermetel, bitter en onregtvaardig, vooral jegens zijnen broeder en ons vaderland. De Keizer dwong hem, afstand te doen van den troon (1 Julij 1810), en weldra volgden nu de besluiten, datHollandmet het Keizerrijk werd vereenigd, dat het Fransche stelsel van regering, wetgeving, belastingen en conscriptie op ons land werd toegepast, en dat de renten der schuld slechts voor een derde zouden worden voldaan. Het grondgebied werd daarbij verdeeld in zeven Departementen, ieder bestuurd door een Prefekt en Onder-Prefekten met een Raad van Prefekture. AlléénFrieslandbleef daarvan zijn alouden Naam behouden,en ontving eene verdeeling in drie Arrondissementen met drie Regtbanken, in 19 Kantons met zoovele Vrederegters en in 93 Gemeenten met Maires aan het hoofd[372].

Loodzwaar drukte van toen af de ijzeren hand des dwingelands op het kwijnende vaderland, tot de diepste onderwerping aan zijne willekeur gedoemd. Nogtans hadFrieslandhet voorregt, in den Prefektjan gijsbert verstolkeen bestuurder te vinden, wiens wijsheid en gematigdheid vele bezwaren der Fransche regering verzachtte, en die daarvoor belooning vond in de algemeene hoogachting, in stede van den haat en den vloek, welke elders op de hardvochtige en wreede handlangers des tirans rustten. Wel kwamen er onder dit en het vorige bestuur vele verbeteringen tot stand, welke wij duurzaam als heilzame vruchten der verovering zullen vereeren; doch zij konden destijds niet opwegen tegen de smartelijke verliezen, verbazende opofferingen van goed en bloed en grievende vernederingen, die de natie moest dulden en ondergaan. Het volksbestaan uitgewischt en ons land tot een wingewest vanFrankrijkverlaagd—vele bronnen van volksbestaan vernietigd, door den handel aan kluisters te leggen en de havens te sluiten—het volk zonder gezag of invloed op het staatsbestuur—door den dwang van politie en censuur verstoken van de vrijheid van spreken en schrijven—door knellende belastingen, heffingen en inkwartieringen uitgezogen—de jongelingen zonder uitzondering als op de slagtbank voor de krijgsdienst geprest tot een bloedigen oorlog, waarin ganschEuropadeelde,—de inkomsten van duizenden ingezetenen en gestichten tot op een derde verminderd—’s lands taal en zeden verguisd en het hooger onderwijs, ook door de vernietiging van Frieslands beroemde Hoogeschool,ingekrompen,—ja, bezit en eigendom zelfs afhankelijk gesteld van de willekeur der Fransche gezagvoerders:—ziedaar eenige der vele bijna ondragelijke bezwaren en kwellingen, waaronder de landzaat gebukt ging.

Zóó ver moest het komen, om de Nederlanders de droeve gevolgen hunner vroegere partijschappen te doen betreuren; om hen, terwijl al het dierbaarste hen naar buiten ontviel, tot zich zelve te doen inkeeren; om hen in godsdienst en zedelijkheid de bron te doen zoeken van inwendigen vrede, van kracht en moed onder vernedering en lijden, en om hen, bij de stijgende magt en dwang des overmoedigen geweldenaars, te vervullen met haat jegens hunne onderdrukkers en met hoop, neen, met het zekerste vertrouwen op de toekomst. Immers, zulk eene algemeene verfoeide dwinglandij, zulk een misbruik van gezagkonniet duurzaam zijn. Gods Wijsheid en Liefde had onze vaderen tot zóó verre beproefd en gelouterd, toen Zijne Almagt den man des bloeds, na eene uiterste krachtinspanning, in de velden vanRuslandeen perk stelde en vernederde, en voor de lang verdrukte tolken den gewenschten dageraad van den dag der verlossing, des vredes en der onafhankelijkheid deed gloren. Nooit mogen de Nederlanders deze staats-omwenteling en hare oorzaken en gevolgen vergeten![373]

[370]Zie over al het vermelde deVerzameling van Placaaten, VI 168, 179, 209, 224, 311, 345.[371]Zie deVerzameling van Placaaten, VIII 1, 23, IX 483, X 193, 482 env.[372]Verzameling van Placaaten, XIV 97, 111, 137.[373]Hoe belangrijk ook, duldt mijn bestek niet, hier stil te staan bij den invloed dezer omwenteling op de hoogere belangen des volks. Ik verwijs deswege liever naar de voortreffelijke verhandeling van den Hoogleeraarkemper,over den Invloed der Staatkundige Gebeurtenissen en der Godsdienstige en Wijsgeerige begrippen, sedert ruim 25 jaren, op de ware verlichting in het godsdienstige en zedelijke bij de volken van Europa, door Teijlers stichting bekroond en in 1820 ook afzonderlijk uitgeven.

[370]Zie over al het vermelde deVerzameling van Placaaten, VI 168, 179, 209, 224, 311, 345.

[371]Zie deVerzameling van Placaaten, VIII 1, 23, IX 483, X 193, 482 env.

[372]Verzameling van Placaaten, XIV 97, 111, 137.

[373]Hoe belangrijk ook, duldt mijn bestek niet, hier stil te staan bij den invloed dezer omwenteling op de hoogere belangen des volks. Ik verwijs deswege liever naar de voortreffelijke verhandeling van den Hoogleeraarkemper,over den Invloed der Staatkundige Gebeurtenissen en der Godsdienstige en Wijsgeerige begrippen, sedert ruim 25 jaren, op de ware verlichting in het godsdienstige en zedelijke bij de volken van Europa, door Teijlers stichting bekroond en in 1820 ook afzonderlijk uitgeven.

HET NIEUWE FRIESLAND, ONDER DE KONINKLIJKE REGERING.

VAN DE HERSTELLING VAN NEDERLAND TOT OP DE NIEUWE REGELING VAN HET GEMEENTEWEZEN.

Van den jare 1813 tot 1851.

Versiering

De heerschzucht vannapoléonhad te veel gewaagd, toen hij, na een groot deel vanEuropaveroverd te hebben, ook het magtigeRuslandaanviel. Zoodra liep de krijgskans hem niet tegen, of de lang door hem verdrukte volken sloegen de handen metRuslandin-een, om hem te vernederen en zich zelve tot vorigen rang te herstellen. Terwijl de tijding van zijne nederlagen de Fransche ambtenaren inNederlandmet schrik en schroom vervulde, zoodat zij op zelfbehoud bedacht waren, werd te’s Gravenhagedoorgijsbert karel van hogendorp, (den kleinzoon vanonno zwier van haren) en zijne vaderlandlievende vrienden het plan gevormd, eene omwenteling te bewerken en denPrins van Oranje, die zich inEngelandbevond, het gezag aan te bieden.

Inmiddels zond de Russische overste Baronroseneen aantal kozakken naarFriesland, die den 16 November1813 teLeeuwardenaankwamen. Nu werd de vlugt der Franschen algemeen. Ook de Prefektverstolkverliet deze provincie, waarna de Raad van Prefekture aanhector van sminiade waarneming van dat ambt opdroeg en zelf het gezag bleef bekleeden, in afwachting van het welslagen der vrijheidlievende oogmerken inHolland(25 Nov.). Na eene pijnlijke onzekerheid van eenige dagen, schonken eindelijk de gelukkige uitslag dier pogingen, de spoedige overkomst van den Prins vanOranjeen de proclamatiën, eerst in zijn naam en daarna door hem uitgevaardigd, de zekerheid, dat de Franschen bijna geheel verdreven waren, dat het hatelijk juk der dwingelandij was afgeschud en dat de verbrokene banden tusschenNederlanden het Huis vanOranjeop nieuw geknoopt waren, om de vrijheid en onafhankelijkheid des vaderlands te herstellen. Onbeschrijfelijk groot was hier, gelijk alom, de blijdschap over deze heugelijke gebeurtenis, welke op den 10 December teLeeuwardenen elders, bij ’s Prinsen uitroeping tot Souverein Vorst, met groote vreugdebedrijven- en twee dagen later in alle kerken dezer provincie godsdienstig en dankbaar werd gevierd.

Kort te voren waren namens den Prins en het Algemeen Bestuur derVereenigde Nederlandenennius harmen bergsma, lid van het Keizerlijk Geregtshof te’s Gravenhage, enhector van sminia, waarnemend Prefekt, benoemd totCommissarissen-Generaalter organisatie van het DepartementFriesland, tot bereiking van welk doel zij in ieder der drie Arrondissementen een Commissaris aanstelden. De Maires werden afgeschaft en voorloopig in de steden door Burgemeesteren en Vroedschappen en op het land door Schouten vervangen.[374]Algemeen was de geestdrift, om mede te werken tot herstel van het herrezene vaderland. Aanzienlijke giften in geld, goud en zilver werden daartoe geofferd. Eene menigte personen nam dienst en trok uit, om de Franschen, die zich nog inDelfzijl,Koevorden,Gorinchem,Naardenen elders genesteld hadden, te verdrijven.

Nadat in Maart 1814 een getal van 52 der aanzienlijkste ingezetenen of Notabelen vanFrieslandnaarAmsterdamwaren genoodigd tot beoordeeling van het Ontwerp vanGrondwet, werd deze aangenomen, en den 30 Maartwillem frederik,Prins van Oranje, alsSouverein Vorst der Vereenigde Nederlandenplegtig gehuldigd. Het voorloopig bestuur der Commissarissen-Generaal werd den 6 April opgeheven door de benoeming van Jhr.idsert æbinga van humaldatotGouverneur van Friesland. Het besluit van den 9 Maart 1815 herstelde de aloude verdeeling van dit gewest in 30 of nu met de eilanden in 32 Grietenijen, onder het bestuur van een Grietman, Assessoren en Leden van den Raad. Het bestuur der Steden werd zamengesteld uit eenen Raad met vier of drie Burgemeesteren aan het hoofd.

Vele bepalingen van die staatsregeling voor 9 provinciën, welke nu weder bestuurd werden door Staten, die voor de wetgeving 55 leden der Staten-Generaal en voor het dagelijksch bestuur een Collegie van Gedeputeerden benoemden, ontvingen echter spoedig eene wijziging, ten gevolge onzer vereeniging metBelgiëen de nieuwe Grondwet van 1815,bij de vestiging van hetKoningrijk der Nederlanden, metwillemden eersteals Koning aan het hoofd.

Die uitbreiding van grondgebied, deze verheffing van onzen Staat tot een Koningrijk, bij de herleving van handel, scheepvaart en nijverheid en de herstelling van vele vroeger gesloopte betrekkingen en inrigtingen, schenen voor de welvaart en het geluk vanNederlandeene schoone toekomst te doen aanbreken. Ook inFrieslandwerd de vroegere hoogeschool teFranekerin een Rijks-Athenæum hersteld; werden de betrekkingen tusschen het volk en zijne vroegere bestuurders vernieuwd, en ontsprongen er uit landbouw, veeteelt en handel bronnen van volksvlijt en voorspoed, welke een nieuw leven verspreidden; terwijl de ijver van het Algemeen en Provinciaal Bestuur, en niet minder van de Plaatselijke Besturen, om herstellingen en verbeteringen aan te brengen, op de ontwikkeling van alle standen en de bevordering van lang verwaarloosde belangen van gunstigen invloed was.

[374]De Administratie van het DepartementFrieslandwas in 1813 zamengesteld uit: een Prefekt met 4 Raden van Prefekture en een Secretaris Generaal; 3 Onder-Prefekten in de Arrondissementen, die ieder 11 Raden hadden, terwijl de Algemeene Raad van het Departement uit 16 personen bestond. In elk Arrondissement waren nog Kantons-vergaderingen, met een President aan het hoofd. De 11 Steden en 82 Gemeenten, waarin het Departement was verdeeld, werden door een Maire, een of meer Adjunct-Maires en, naar gelang harer grootte, door 30, 20 of 10 Municipale Raden bestuurd.

[374]De Administratie van het DepartementFrieslandwas in 1813 zamengesteld uit: een Prefekt met 4 Raden van Prefekture en een Secretaris Generaal; 3 Onder-Prefekten in de Arrondissementen, die ieder 11 Raden hadden, terwijl de Algemeene Raad van het Departement uit 16 personen bestond. In elk Arrondissement waren nog Kantons-vergaderingen, met een President aan het hoofd. De 11 Steden en 82 Gemeenten, waarin het Departement was verdeeld, werden door een Maire, een of meer Adjunct-Maires en, naar gelang harer grootte, door 30, 20 of 10 Municipale Raden bestuurd.

De blijde vooruitzigten, welke de vestiging van een onafhankelijk volksbestaan geopend hadden, werden echter eerlang door tegenspoeden getemperd. Nadat van 1816 tot 1824 bestendige afwisseling van buitengemeen natte en drooge zomers schaarschheid en duurte en daarna sterke daling van de prijzen der voortbrengselen van den landbouw ten gevolge hadden, trofFrieslandden 5 Februarij 1825 met andere gewesten eene geduchte ramp. Hevige en aanhoudende stormen deden op verscheidene plaatsen dijkbreuken ontstaan, en binnen weinige uren was tweederde gedeelte dezer bloeijende provincie overstroomd, en schenen menschen, vee en bezittingen aan de woededer golven prijsgegeven te zijn. De som der algemeene schade en verliezen, daardoor te weeg gebragt, werd op niet minder dan 3 millioen Gulden geschat. Heerlijk blonk echter toen ook, naast menig edelmoedig bedrijf tot redding en hulpbetoon, de algemeene en bijzondere weldadigheid onzer landgenooten uit, daar eene som van ruim 360,000 Gld. werd bijeengebragt, om de schade, door behoeftige personen geleden, welke op ruim 680,000 Gld. werd begroot, voor een deel te vergoeden[375]. In gelijke mate mogtFrieslandde bewijzen der milddadigheid onzer landgenooten ontvangen, toen in den volgenden jare, 1826, dit gewest door eene heerschende ziekte en buitengewone sterfte werd geteisterd, ten gevolge waarvan ruim 20,000 nooddruftigen ondersteuning behoefden uit het fonds van onderstand, hetwelk, uit eene som van bijna 110,000 Gld. en eene menigte kleeding- en liggingsstukken bestaande, tot leniging van dien nood was bijeengebragt[376].

Intusschen was de hoogbejaarde Jhr.æbinga van humalda, de edele vriend en voorstander van kunsten en wetenschappen, in November 1826 als Gouverneur dezer provincie vervangen door Jhr.jan adriaan van zuijlen van nijevelt, die eerlang aller hoogachting mogt verwerven door zijne deugden en verdiensten ten aanzien der bevordering van Frieslands belangen, bijzonder van den Waterstaat van dit gewest. De hoop, dat rustige dagen van welvaart nu de geleden rampen zouden vervangen, werd spoedig verijdeld door de gevolgen der Belgische omwenteling, welke van 1830 tot 1834 zware offerseischten. De algemeene geestdrift voor Koning en Vaderland bragt die opofferingen nogtans gaarne en getrouw, en mogten ook de duizenden, als soldaten en schutters uitgetrokkene Friesche jongelieden en mannen vele blijken geven van krijgshaftigheid, van onbezweken trouw en moed, waardoor onder het leger de Friesche naam met eere werd gehandhaafd.

Bijna bestendige welvaart begunstigde vervolgens de uitvoering van belangrijke provinciale en plaatselijke werken van algemeen nut. Sedert 1827 werden de hoofdwegen met vele zijtakken naar de voornaamste steden en dorpen bestraat of bepuind, waardoor de gemeenschap te land, vooral in den winter, evenzeer werd bevorderd als die te water door het uitdiepen en verbeteren van vele kanalen voor de scheepvaart en de afstrooming[377]. De kadastrale meting van deze provincie, in 1812 en op nieuw in 1825 aangevangen, had sedert 1834 eene meer regelmatige verdeeling van de Grondbelasting ten gevolge[378]. HetFriesch Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, in 1828 opgerigt, verzamelde de krachten van alle beoefenaars en voorstanders dezer belangrijke onderwerpen tot meerdere toelichting en openbaarmaking van de bronnen onzer historische kennis; terwijl landbouw en veeteelt, handel, fabrijkwezen en nijverheid met rustigen gang voorwaarts streefden.

In 1840, merkwaardig door de herziening van de Grondwet en de troonsopvolging van KoningwillemII, overleed de algemeen betreurde Gouverneurvan zuijlen van nijevelt. Van zijn opvolgermaurits pico diderikBaronvan sytzama, die zoo lang als volksvertegenwoordiger achting had verworven, verwachtte men nu veel goeds voor de belangen van dit gewest. En inderdaad heeft hij die, naar zijne inzigten, met den meesten ijver voorgestaan, onder afwisseling van voor- en tegenspoed: want de opheffing van het Rijks-Athenæum teFraneker(1843), het ontstaan van de longziekte onder het rundvee (1842 en 1845) en de gevolgen van den bij herhaling mislukten aardappeloogst, welke met duurte en schaarschheid van levensmiddelen en naar aanleiding daarvan, met verontrustende volksbewegingen gepaard gingen (1847), waren even smartelijke verschijnselen des tijds, als de Tentoonstelling der voorwerpen van Friesche Nijverheid en Kunst, in 1844 teLeeuwardengehouden, en de toeneming van den uitvoer der voortbrengselen van den Frieschen landbouw en veeteelt, door de geopende stoomvaart opEngeland(1846), verblijdende waren.

Het jaar 1848 opende eene nieuwe rij van belangrijke gebeurtenissen. DatNederland, te midden der toenmaals, ten gevolge der Fransche omwenteling, zoo fel bewogen volken, rustig bleef, had het vooral te danken aan het kloek besluit van KoningwillemII tot onbekrompene herziening van onze grondwettige instellingen. In dat zelfde jaar kwam deze tot stand, om de ontwikkeling van een nieuw staatkundig volksleven voor te bereiden. Doch de Koning, dieFriesland, na het overlijden van den Baronvan sytzama, Jhr. Mrjan ernst van panhuijstot Gouverneur had geschonken (3 Nov. 1848), beleefde dit niet. Reeds den 17 Maart 1849 werd hij aan het vaderland ontrukt, en den 12 Mei opgevolgd door zijn zoonKoningwillemIII. ’t Was onder dezen, dat de bepalingen der Grondwet in het leven traden, ten aanzien der regtstreeksche verkiezingen van leden voor de Generale en Provinciale Staten (1849 en 50) en van de Gemeentebesturen (1851), en dat andere wettelijke bepalingen en andere personen invloed verkregen op het bestuur. Bij de invoering van de Gemeentewet, op den 5 Julij 1851, werd tevens de aloude benaming van Grietenijen voor de plattelands-besturen inFrieslandvervangen door die van Gemeenten, onder het bestuur van een Burgemeester, Wethouders en leden van den Raad. (ZieAanteek. 27.)

Met die belangrijke gebeurtenis sluit ik dezeBeknopte Geschiedenis van Friesland, in Hoofdtrekken, met dankzegging aan God, die mij krachten schonk, deze taak naar vermogen te volbrengen. Het terugzigt op dit tijdvak, zoowel als op de vroegere, is voorzeker verblijdende, omdat wij, als de uitkomst van zoo velerlei wisselingen en lotgevallen, met dankbaarheid mogen opmerken, hoe alles, onder de aanbiddelijke leiding der Voorzienigheid, mogt medewerken, om de staatkundige, godsdienstige, verstandelijke en burgerlijke voorregten des volks van lieverlede te vermeerderen, ten einde zijne opvoeding en vorming, naar gelang zijner vatbaarheid, meer en meer te voltooijen. Bij het bezit van zoo vele voorregten en het genot van algemeene welvaart, die iederen burger thans vergunnen, de genoegens des levens hier ongestoord te genieten en aan de bevordering van het bijzondere en algemeene welzijn mede te werken, rust er op het volk voorzeker eene dure verpligting, om zich die onschatbare weldaden waardig te betoonen: om vrede en voorspoed niet enkel tot genot, weelde en gemak, maar met wakkerheid en inspanning duurzaam tot vermeerdering van godsdienstige en zedelijke kracht,tot uitbreiding van zijne verstandelijke vermogens en de heiliging van hart en wandel aan te wenden. Gezond verstand en goede trouw bij wakkerheid en vlijt blijve de Friezen kenmerken. Een volk, dat naar hetuitwendigezoo vele voorregten bezit, als waarin wij Friezen ons mogen verheugen, past het vooral, om, met het oog op de leer der geschiedenis en met verstandige zorg voor de toekomst, zich doorinwendigekracht te sterken, tegen naderend gevaar en leed niet alleen, maar ook tot bestrijding van vele maatschappelijke gebreken en tot verheffing en veredeling van ons geslacht. Indien onze gezigtskring zich evenwel enkel tot de stoffelijke voorregten van dit leven beperkt, en spijs en drank ons, even als de dieren, alleen voldoening kunnen schenken, dan hebben wij hier reeds genoeg, zoo niet te veel, ontvangen. Maar, neen! eene zucht naar toeneming in kennis, in zedelijkheid en godsdienstzin bezielt allen, die overtuigd zijn van hunne roeping, om zich hier te vormen voor déze en dáárdoor voor te bereiden tot eene bétere wereld in het leven der toekomst. Tot die vorming en voorbereiding schenkt God ons gelegenheid en kracht door de verkondiging en beleving van zijn Woord; en voorzeker zal het volksgeluk dáár het meest en het duurzaamst gevestigd zijn, waar Geloof, Liefde en Hoop, niet enkel als Leer, maar als Leven de bezielende beginselen der daden en gezindheden van het onderling verkeer der ingezetenen zijn. Door deze kracht gesterkt, zal de nog gebrekkige maatschappij meer rijpen voor hare bestemming, en zullen alle van lieverlede toegenomene staatkundige en burgerlijke voorregten, welke wij dankbaar erkennen en verstandig genieten zullen, onder den zegen en het welbehagen van den grooten Opvoeder van het menschelijk geslacht, middelen worden, om ons geluk voor tijd en toekomst te verhoogen.


Back to IndexNext