(2)Zie de door deze letters aangeduidde streepjes op de figuur.
HOE MEN EEN KLEINEN TUIN BEPLANT.
Het gras mag wel het meest essentiëele deel van een tuin genoemd worden, onverschillig of deze groot of klein is. In groote tuinen speelt het een voorname rol in den vorm van gazons of grasvelden, waaraan zelfs door hen, die een goed begrip van het schoone van den zoogenaamden landschapstijl hebben, zeer veel wordt ten koste gelegd, om het goed te maken en zorgvuldig te onderhouden.
In tuinen als waarmede wij ons nu bezig houden kan van eigenlijke gazons natuurlijk geen sprake zijn, maar toch kan men het, gelijk ik hierboven reeds heb aangeraden, wel zóó inrichten, dat men, niet ver van het huis een kleine grasvlakte krijgt; in onzen geprojecteerden tuin zelfs nog wel van 25 à 30 vierk. Meter. Dat geeft een open en tegelijk een frisch gezicht, en de bloemen die er vóór en achter of er omheen staan komen er fraai tegen uit.
Het gras is dan ook het eerste, waarvoor men na den aanleg te zorgen heeft, en men doet dat op tweeërlei wijzen: men zaait het of men brengt het direct in den vorm van zoden in den tuin aan.
Het eerste is voor kleine tuinen stellig af te raden. Vaneigenlijke vlakten is hier toch geen sprake, en voor de randen langs de paden heeft men te weinig noodig, om zich door de kleine kosten van zoden te laten afschrikken. Het zaaien van grasranden is zeer ondoelmatig, en zelfs bij den aanleg van grootere tuinen legt men deze met zoden, terwijl de gazons van eenige uitgestrektheid dan binnen die randen bezaaid worden.
Dit heeft tweeërlei nut: eerstens maakt men daardoor den aanleg direct af, en ziet men wat men doet en wat men heeft; terwijl die teekening er bij het zaaien eigenlijk pas inkomt, nadat het gras goed gekiemd is; ten anderen verkrijgt men dan direct zuivere en overal gelijkmatig gesloten randen. Het eerste kan uit den aard der zaak door zaaiing pas veel later verkregen worden, nadat het gras dicht genoeg is opgekomen, om het zuiver te kunnen afsteken, en wat het tweede betreft, dit laat in den regel veel te wenschen over, want, om goed gesloten banden te verkrijgen, waarin nergens kale plekken voorkomen en die overal de vereischte breedte hebben, moet het zaad door een goed geoefende hand uitgestrooid worden. Maar ook dan nog kan het ten deele mislukken, daar niet alle graszaad even deugdelijk is en het dus soms slecht opkomt, of ook wel wijl de musschen er in grooten getale op neerstrijken, en, vooral wanneer het, tengevolge van droog en schraal lenteweer, wat lang duurt eer het ontkiemt, het grootste gedeelte ervan oppeuzelen.
Voor groote gazons moet men zich daar wel naar schikken en dan is het zaak zulke maatregelen te nemen, als kunnen dienen om die bezwaren te voorkomen; men kan dan niet anders, wijl de kosten voor graszoden te hoog zouden loopen.
Een kleinen tuin moet men ineens geheel en goed afmaken; men heeft er dan reeds van 't begin af genot vanen dit weegt ruimschoots tegen de iets grootere onkosten op.
Hoe hoog die voor de graszoden zullen zijn, kan men zelf gemakkelijk berekenen; immers men behoeft slechts de lengte der grasbanden, op de teekening door de gebogen lijnen ter weerszijden van de paden te meten, wat men daarop gemakkelijk met een dun touwtje kan doen. Dan zal blijken dat in den tuin, dien we in het vorige hoofdstuk ontwierpen, deze grasranden een lengte hebben van p. m. 170 Meter.
De graszoden nu worden verkocht per vierk. rijnl. roê, en zulk een roê is verdeeld in 12 × 12 zoden van 1 vierk. voet, zoodat men 144 zoden in een roê heeft.
Nu zijn gewone grasbanden van een voet te breed, zoodat men aan de halve breedte genoeg heeft; men snijdt ze dus door en zoo verkrijgt men uit een roê 288 zoden van ½ voet breedte en een voet lengte, toereikend dus voor een grasband ter lengte van 288 voet. Rekent men nu gemakshalve dat er 3 voet op een Meter gaat ('t is iets meer maar men verliest ook altijd wat) dan krijgt men een lengte van 96 strekkende Meter, en komt men dan voor de banden met een paar roê gras toe.
Vervolgens neme men in aanmerking dat het wenschelijk is de twee zijdelingsche bloembedden door een grasband van een voet te omvatten, dat vóór het bloemperkje vlak bij het huis een grasrand van ½ Meter breedte verkieslijk is, en men ook nog de kleine grasvlakte onmiddellijk daarachter, vóór het groote eivormige vak heeft. Daar er, ruw genomen, 4 × 4 = 16 vierk. Meter in een vierk. roê gaan, neemt men daarvoor ook twee roê; zoodat men mag aannemen met 4 roê zoden ruim toe te komen.
Wil men breedere banden en over 't algemeen meer gras, dan zal dit natuurlijk wijziging ondergaan, maarhet zal toch wel niet zóó groot worden, dat het zich tot een afschrikkend bezwaar ontwikkelt.
De prijs der graszoden is op verre na niet overal dezelfde, en kan variëeren van ƒ2 tot ƒ3 per roê, wat vooral hiervan afhankelijk is, of ze van veraf moeten aangevoerd worden, en of men ze uit de eerste of uit de tweede hand verkrijgt. Gewoonlijk is dit laatste het geval, als men dus den middenprijs neemt, zal het verschil zeker niet groot zijn.
Het zou te uitvoerig worden, wilde ik hier bij alle bijzonderheden hiervan stilstaan; daarom met het oog op het leggen dier zoden slechts het volgende:
Men schuimt overal langs de paden, binnen de stokjes, den grond ter breedte van 25 à 30 c.M. een weinig weg en werpt dien naar binnen, opdat de zodevlakenniet te hoogzou liggen; immers de paden zakken, door het betreden, wat in, en het gras moet daarmede ongeveer gelijk, slechts zeer weinig hooger liggen. Daarna harkt men die strook goed gelijk, en nu schrapt men het beloop van stokje tot stokje,zoo zuiver mogelijkaf, dat in dien fijn geharkten grond zeer gemakkelijk gaat. Deze schrap is debuitengrensvoor het gras. Hierna legt men de zoden daarop, stijf tegen elkaar aan, altijd zorgende die buitenlijn streng te volgen, hetwelk men bij de bochten kan doen, door ze aan de binnenzijde wat van elkaar te doen wijken, zoodat er een wigvormige ruimte tusschen open blijft, die men dan met een los stukje aanvult.
Doet men dit nu aan weerszijden van een pad, zoo ligt dit links en rechts reeds van 't begin af scherp en zuiver begrensd; de tuin ontwikkelt zich nu meer en meer, en na weinige uren ligt die geheel geteekend op het terrein, zoodat ieder zich er onmiddellijk, zelfs reeds op eenigen afstand, in thuis gevoelt.
Eindelijk legt men ook de vlakke veldjes, zoover die in het plan zijn opgenomen, waardoor het geheel verder wordt voltooid.
De tuin als zoodanig is nu eigenlijk reeds klaar, maar men is toch nog op verre na niet gereed, zelfs niet met het gras.
Dit ligt nu los boven op den grond, en al zal het ook, wanneer men het zoo laat liggen, wel gaan groeien, zoo moet men dien groei toch meer verzekeren, door het goed vast aan te plakken of te kloppen. Hiertoe gebruikt men een zoogenaamden grasklopper; een geoefend werkman kan het ook met een spade doen, maar het eerste is beter, men werkt er gemakkelijker mede en het gras zal netter liggen, daar men veel beter met den klopper alle oneffenheden kan wegnemen.
Als dit gedaan is snijdt men (dit is beter dan afsteken met een grassteker of spade), met een stevig mes de kanten binnen en buiten zuiver gelijk, wat vooral aan den binnenkant zeer noodig, maar ook van buiten—dus langs het pad—niet overbodig is, omdat de zuivere grens met het vastplakken, wijl de ééne zode wat meer wordt uitgeslagen dan de andere, altijd onzuiver wordt.
Bij het afsnijden drukt men met de linkerhand op den kant der zode, waar men die afsnijdt, daar men die anders zou oplichten, waardoor het vastplakken doelloos zou worden.
Reeds nu, nadat dit werk is afgeloopen en terwijl de vakken nog onbeplant, mogelijk ongeharkt liggen, erkent men de waarheid van wat ik aan het begin van dit hoofdstuk zeide, dat het gras het meest essentiëele deel van den tuin is. In die overtuiging zal men echter later bevestigd worden, en zeker niet het minst in de lente, wanneer het in den winter vaal geworden gras langzamerhand eenfrischgroene kleur verkrijgt. Dán vooral is het gezicht op zulk een klein veldje vóór het huis zeer opwekkend.
Veel afwisseling geeft men hieraan door er zeer verstrooid en als waren ze uit de lucht komen vallen, hier en daar een Sneeuwklokje en een witte, blauwe en gele Crocus in te planten; de laatsten op groote afstanden ook in dat der banden. De eersten bloeien reeds in den winter, soms in 't laatst van Januari, stellig in Februari als het dan niet vriest, terwijl ze door de Crocussen onmiddellijk gevolgd worden. Die onregelmatig in het gras verspreide bloemen geven dan aan den tuin een zeer gezellig aanzien.
Ik kan er echter niet genoeg op drukken dat het slechts weinigen mogen wezen. Wanneer men in het veldje van 25 vierk. Meter een tiental Sneeuwklokjes(3)en later zooveel Crocussen ziet bloeien is dit mooi; zijn het er meer dan wordt het te bont, te onrustig.
Wanneer het gras goed gelegd en vast aangeklopt is, hindert het volstrekt niet dat men er over loopt, ofschoon het toch beter is dit in 't begin niet, of althans zoo min mogelijk te doen. Later doet het geen het minste kwaad, mits men het niet altijd in ééne richting betreedt, en er dus geen pad over maakt: dit moet zorgvuldig vermeden worden, vooral gedurende den winter, wanneer men er, als het om een kortere communicatie te doen is, te lichter toe overgaat. Ook lette men er op bij de bochten niet de grasbanden te betreden, wat ook nogal eens het geval is. Dat men links en rechts over vastliggend gras loopt,hindert daaraan in 't minst niet, maar het mag niet geregeld geschieden.
Wat verder op het gras betrekking heeft, vinden welater bij de bespreking hoe de tuin moet onderhouden worden.
(3)Ik bedoel hier afzonderlijke bloempjes; ze vermenigvuldigen zich echter gaandeweg, zoodat, waar men aanvankelijk één bolletje plantte, later een kleine zode met een dozijn bloempjes staat. Dan zou dit te veel zijn. Men kan ze dan gemakkelijk opnemen en splitsen.
Van hoe groot belang de boomen in groote tuinen mogen zijn, ja zelfs terwijl zij in die van middelmatige grootte nog een beteekenende rol spelen, komen ze voor kleine tuinen toch zeker niet in de eerste plaats in aanmerking; ja geheel ongelijk hebben zij niet, die beweren dat, in 't algemeen genomen, boomen in kleine tuinen niet behooren.
Dat ik ze nu hier allereerst noem is deels uit respect voor de edelste vormen uit het plantenrijk, maar deels ook omdat men, nadat men met het gras is gereed gekomen, allereerst met het planten der boomen, hoe weinige het dan ook moge zijn, moet beginnen.
Ik heb hier natuurlijk niet enkel het oog op boomen, die een groote ontwikkeling verkrijgen, zooals Linden, Esschen, Populieren, enz., maar op alles wat tot de rubriek boomen behoort, dus ook op die van bescheidener afmetingen; ook op de in den winter groenblijvenden, ook op de vruchtboomen, en dan is er geen tuin zoo klein of daar behooren er eenige in thuis.
Wij brengen ze dus tot deze rubrieken, en wel 1º.de boomen met in het najaarafvallend blad(met uitzondering der vruchtboomen), 2º.vruchtboomen, 3º.heesters, 4º.groenblijvende boomenenheestersdie namelijk, welke hun bladeren winter en zomer behouden.
Met het planten der eerste moet men in kleine tuinen zeer voorzichtig zijn, en het is inderdaad niet te veel gezegd, als men beweert dat ze er niet in te pas komen, met uitzondering van een paar wellicht, om een groenen achtergrond te verkrijgen.
Men zij er hier vóór alles op bedacht, te zorgen dat lucht en licht zoo onbelemmerd mogelijk toegang tot den geheelen tuin hebbe. Behoudens een beschaduwd plekje, liefst zoo gelegen of ingericht, dat men er in den zomer bij helder, heet weer den geheelen dag kan zitten, moet een kleine tuin geen andere schaduw hebben dan die van den muur of schutting, waardoor de tuin aan de zuidzijde begrensd wordt, en die veelal reeds meer dan genoeg is. Al datgene toch, waarvan men zich voorstelt in den zomer genot te hebben, heeft zon noodig, tot zelfs de heestergewassen incluis, en voor die enkelen, die zooals men het noemt halve schaduw beminnen, is altijd wel een plaatsje te vinden.
Maar men behoeft dezen regel daarom niet in al zijn gestrengheid toe te passen. Een enkele mooie boom, midden in een tuin, die zelfs nog kleiner is dan de hierboven bedoelde, staat daar goed en fraai, en men kan in zijn lommer een zeer aangenaam, open zitplaatsje hebben. Wil men dit, dan richte men alles er van 't begin af naar in en neme b. v. voor dat communicatie-pad in plaats van 1½ een breedte van 5, minstens 4 Meter. Daar plante men dan een Kastanjeboom met niet te lagen stam. Hiertoe verdiend de dubbeldbloemige de voorkeur, omdat die langzamer groeit. Er zijn er, die dezen fraaien boom voor kleine tuinen ongeschikt achten, omdat hij, naar hun meening, niet „onder 't mes gehouden” kan worden. Dit is eendwaling; men kan dezen boom, als hij te machtig wordt, gerust inkorten; als men dat met overleg doet, zal hij goed uitgroeien en er een te dichtere kroon door krijgen. Van die mooie, neergebogen takken is dán natuurlijk geen sprake; wil men die, dan moet hij zich volkomen vrij kunnen ontwikkelen.
Een andere zeer fraaie boom voor dit doel is de Plataan. Deze groeit ook kloek, mogelijk wat minder overheerschend dan de Kastanjeboom, en kan zeer goed, naar gelang der omstandigheden, ingekort worden.
De Plataan is bovendien een zeer zuivere boom, met bladeren, die, hoewel van een geheel anderen vorm, toch zeker niet minder sierlijk zijn dan die van den Kastanjeboom(4), terwijl deze weer een zeker niet geringe aanbeveling heeft in zijn prachtigen lentebloei. Dit hangt dus van verkiezing af.
Nu is het wel waar dat de Plataan in geen al te besten reuk staat, maar men heeft zijn schadelijke eigenschap zeer overdreven. Wanneer de bladeren in het voorjaar verschijnen, zijn ze met een viltachtig haarbekleedsel overtrokken. Die haartjes zijn zeer fijn en scherp en ze laten gemakkelijk van de bladoppervlakte los. Worden ze in eenigszins grooten getale ingeademd, dan kunnen ze een schadelijken invloed op de ademhalingswerktuigen uitoefenen, terwijl ze ook nadeelig kunnen zijn voor de oogen, als ze veel in de lucht omzwerven.—Dit alles zal wel zoo zijn, maar het zou mij toch niet weerhouden een Plataan midden in een kleinen tuin te planten, als ik in zoodanig geval verkeerde en ik liever geen Kastanjeboomkoos; immers het Fransch spreekwoord „entre ces deux mon coeur balance” is hier wel van toepassing.
Dit donzige haarbekleedsel valt, zoodra de Plataanbladeren volkomen ontwikkelt zijn af, of wordt er door een flinke regenbui afgespoeld. De haartjes, die van éénen boom neervallen, beteekenen daarbij niet veel, daar ze zóó licht zijn, dat ze, zelfs bij stil weer, in de lucht wegdrijven zonder iemand eenig letsel te doen. Wil men de uiterste voorzichtigheid in acht nemen, welnu dan ga men niet onder dien boom zitten, voordat zijn bladeren volkomen glad zijn, dat wat vroeger of later het geval zal wezen, afhankelijk van de voorjaarsontwikkeling en van wind en regen, maar in geen geval zoo laat, dat men er eenig zomergenot door zal missen.
Men kan ook nog een boom planten midden in een der twee perken, in het vóór- of in het achtergedeelte van den tuin. Verkieslijk is dit echter niet, en beter is het zich bij één wezenlijken boom in den tuin zelven te bepalen. Wil men het echter doen, dan zou men best in het achterste perk een bruinen Beuk kunnen plaatsen, die door de bladkleur een aangename verscheidenheid oplevert. Meer vóór in den tuin plante men echter liefst geen enkelen boom meer. Die staat daar—b. v. midden in het grootste perk—zeker heel aardig in 't begin, en zal er de vier eerste jaren ook goed voldoen, maar daarna gaat hij er te veel heerschen, en, niet alleen dat hij dit met zijn takken doet in de lucht, maar hij doet het ook met zijn wortels in den grond. Dán zit men er mee. Daar hij vrij stond, ontwikkelde hij zich kloek en fraai, en men zou het zonde en jammer achten, zoo'n mooien boom op te ruimen. Met dit al wordt dit voornaamste gedeelte van den tuin ieder jaar donkerder en voor bloemen minder geschikt, terwijl het gezicht uit het huis door dien sta-in-den-weg,zoo mooi als hij is, zeer belemmerd wordt, en de tuin zijn vroolijk, zijn lachend karakter meer en meer verliest, naarmate de zon er minder haar helder licht over kan doen schijnen.
Maar, al drukte ik er op dat men verder in een kleinen tuin geen boomen meer moet planten, toch kan het geval zich licht voordoen, en dit zal veelal het geval wezen, dat men er nog enkelen noodig heeft, nietinden eigenlijken tuin, maar aan een of meer zijner grenzen.
Heeft men b. v. een hoogen muur van een belendend huis tot achtergrond, dan plante men—wat sommigen hiertegen ook mogen aanvoeren—op kleinen afstand van den muur eenige Italiaansche Populieren, die spoedig vrij hoog opgroeien, geen wijd uitgespreide takken hebben, en dus den tuin daar niet donker maken. 't Is waar dat ze nogal veel voedsel uit den grond trekken, maar, ter wille hunner goede eigenschappen moet men de minder goede voor lief nemen. Plaatst men die op een rechte lijn, ½ Meter uit den muur en 1½ Meter van elkander, en plant men dan tegen den muur jonge Klimop-heesters, dan zullen deze laatsten in niet te langen tijd den muur van onderen bekleeden, terwijl de Populieren dien van boven bedekken. Zijn ze op de verlangde hoogte dan topt men ze in en herhaalt dit later als het blijkt noodig te zijn.
Is de achtergrond niet door een hoogen huismuur begrensd, maar door een schutting of scheidingsmuur, en ligt die aan de Noord- of Westzijde, dan kan men in de beide hoeken, een Meter of drie uit den hoek, een opgaanden boom planten, b. v. een paar Kastanjeboomen, als men er geeninden tuin plantte, anders een Iep, die ook niet ál te langzaam groeit; een Noteboom is ook goed, en een Esch zou men mede kunnen gebruiken.Dit is al keus genoeg, immers de Plataan is reeds boven genoemd; dezen zie ik echter liever geheel vrij staan.
Veelal wil men zulk een hoekje gebruiken voor een priëel. Men kan er dan een Treur-Esch plaatsen, maar dan moet men dien niet gaan omplanten met jonge Iepen (Iepeveêren genoemd), gelijk men nogal eens in kleine tuinen wil doen. De Esch wil met zijn hangende takken vrij kunnen groeien, en niet door de toppen van die Iepen belemmerd worden. Wil men een priëeltje naar den ouden trant, dan plante men daar op 30 c.M. afstand een partij Iepeveêren in een kring van gewenschte wijdte, snijde ze op 1½ Meter hoogte in en binde ze aan latwerk. Zulk een priëel heeft echter weinig aanlokkelijks; men heeft weinig uitzicht en het doel dat men ermeê beoogt, een tochtvrij plekje, bereikt men er toch niet meê. Dan is een Treur-Esch beter, ofschoon mij een Kastanjeboom nog beter lijkt, daar de Treur-Esch wel eens al te dicht wil worden.
Ligt de achtergrens aan het Zuiden, dan mag daar volstrekt geen boom staan, tenzij de tuin diep genoeg is en zijn schaduw dus niet hindert. Ook aan het Oosten belemmere men de zon niet om in den vroegen morgen den tuin te beschijnen.
Ook kan een boom nog goed op zijn plaats staan in een uitspringenden hoek, wat nogal eens voorkomt, wanneer de tuin achterin merkbaar breeder is dan bij het huis, wijl hij zich daar achter een anderen tuin of huis uitstrekt. Is daar echter niet veel ruimte, dan doet men beter er een groep flinke heesters te plaatsen, waarover hieronder nader.
In een kleinen tuin zelf—d. w. z. in het middengedeelte—plante men overigens verder volstrekt geen opgaande boomen. Met heesters komt men al ver genoeg.
Over de wijze van planten kan ik hier natuurlijk niet uitvoerig zijn, daarom slechts enkele wenken, die geldend zijn voor het planten van alle houtachtige gewassen, en niet mogen veronachtzaamd worden.
Ik neem aan dat de wortels niet in de lucht hebben liggen uitdrogen, maar dat men de boomen of heesters na ontvangst heeft gekuild, anders legge men ze vooraf een paar uren in 't water, of, als daar geen gelegenheid voor is, giet men ze goed nat.
Daar de tuin geregeld omgewerkt is, maakt men een gat van minstens 20 cM. meer diameter dan de wortelkluit; is dit op de behoorlijke diepte, dan ziet men de wortels na; snijdt de gekneusden af en topt die, welke zeer lang zijn, wat in. Daarna plaatst men den boom in den kuil; een persoon houdt den stam goed recht, terwijl de andere wat fijn verkruimelde aarde op de kluit werpt. Door den boom, als hij niet te zwaar is, wat op en neer, heen en weer te bewegen, zakt de aarde tusschen de wortels in, en zoo gaat men voort, tot de kluit goed bedekt is. Nu laat men hem stil staan en giet een paar gieters water op de kluit, waardoor al de tusschen de wortels nog opengebleven ruimten met aarde volloopen. Het spreekt dus vanzelf dat de grond aanvankelijk niet mag aangetrapt worden, daar die dan niet tusschen de wortels kan spoelen.
Dit gedaan zijnde, gaat men tot de planting van een anderen boom of heester over; het water kan dan intusschen wegzakken en de grond gesloten worden, waardoor de boom gaat vaststaan, immers wanneer hij een voldoend wortelvermogen heeft.
Het is zeer verkieslijk er een paar uren overheen te laten gaan, alvorens het gat verder aan te vullen, want zoolang de aarde drassig is, kan men dien niet vast aantrappen. Dan vult men alles aan en trede het in de rondte goed vast.
Vreest men dat de boom scheef zal waaien, dan zet men hem met drie gespannen koorden of ijzerdraden, die aan in den grond geslagen paaltjes bevestigd zijn, vast. Eenstok of paal moet men er nog niet bijzetten, opdat de boom met den grond gelijkmatig kan zakken. Doet men dit te vroeg, dan zakt wel de grond onder de wortelkluit in, maar gaat deze niet meê, omdat de boom aan den stok, die vaststaat, als opgehangen is. Hierdoor ontstaat een ledige ruimte onder de wortels, en men begrijpt zelve dat dit niet goed is.
Sommigen snijden de takken na of bij het verplanten vrij kort in, zeggende daardoor den boom te helpen. Men vergeet echter daarbij te bedenken—mogelijk ook weet men het niet—dat in de takken zeer veel voedsel opeengehoopt is, hetwelk in den vorigen zomer door de bladeren bereid, tusschen het hout en den bast als in reserve is gedeponeerd voor de aanstaande lente-ontwikkeling. Snijdt men nu veel takken weg, dan berooft men den boom van datgene, wat hem juist nu zoo goed te pas zou komen. Beter doet men dan ook met slechts enkele wilde takken te verwijderen en voorts den boom te laten wat hij is; met heesters, die rijker aan stengels en takken zijn, is dit wat anders. Is hij dan in den zomer aan den gang gegaan, zoo kan men hem zonder bezwaar in het volgende voorjaar insnijden, om een beteren vorm of een dichtere kroon te krijgen. Aan een geheel vrij staanden boom snijde men echter zoo weinig mogelijk, tenzij later, wanneer hij al te druk mocht worden.
(4)Van den Kastanjeboom sprekende, bedoel ik natuurlijk de zoogenaamde Paardekastanje. De echte Kastanjeboom, die eetbare vruchten heeft, komt hier niet te pas.
Dat er in een kleinen tuin geen plaats is voor veel vruchtboomen ligt vóór de hand. Het zou eigenlijk de vraag zijn in hoeverre zulk een tuin al dan niet voor vruchtboomen geschikt is, en sommigen keuren het planten ervan daarin dan ook onvoorwaardelijk af.
Hiermede zullen echter maar zeer weinig eigenaars van kleine tuinen zich vereenigen, en, al ben ik er zelf ook geen groot voorstander van, kan ik toch niet ontkennen dat men gerust eenige verschillende vruchtboomen er in kan opnemen, zonder dat dit aan den indruk van het geheel schaadt.
Daar komt bij dat ze in het voorjaar, door hun milden en meestal fraaien bloei, ware sieraden kunnen genoemd worden. Een bloeiende Appelboom inzonderheid levert een hoogst sierlijk schouwspel op, en wanneer later de takken overal met de fraai rood gekleurde vruchten bezet zijn, is dit niet minder het geval.
Welnu, voor een hoogstammigen Appelboom is wel plaats te vinden, mits men dan een anderen boom minder plant. Men zou dien b.v. kunnen plaatsen aan het boveneinde van het groote perk A, op 1½ M. uit het pad; dan zal hij later met zijn kroon aan ééne zijde over het communicatiepad reiken en daar een schaduwplekje geven, dat niet hindert. Dit is beter dan hem in het midden daarvan te plaatsen, gelijk men allicht zou willen doen. In het begin gaat dit goed, maar na weinige jaren, als hij goed groeit, zal dan dat geheele middengedeelte voor iets anders onbruikbaar worden, en het terrein is niet groot genoeg om er niet zuinig mee te wezen. Plaatst men hem daar aan het einde, en bezet men het perk verder met lagere heesters, dan zal hij later daarvoor een goede achtergrond worden, en wordt zijn bloei, door het dan ontluikende teedere groen van deze laatsten nog fraaier.
Men zou hem ook kunnen plaatsen midden in het cirkelvormige vak, door C aangeduid, maar dan rekene men er op dat dit spoedig geheel aan hem opgeofferd moet worden, en men er alleen eenige schaduwminnende planten onder en omheen kan zetten.
Ik zal hier nu geen lange lijsten geven van de soorten die voor dit en andere doeleinden aanbeveling verdienen. Daardoor wordt de keus moeielijk, en zulke lijsten kan men in uitvoeriger tuinboeken vinden. In een geval als dit is het beter te zeggen wat men bestellen moet, dan wordt alle twijfel voorkomen.
Op den voorgrond staat dat men er een moet hebben met hoogen stam, wijl hij anders spoedig met de kroon te veel drukt op 't geen erbij staat. Daarom is het mogelijk goed den kweeker uit een drie- à viertal soorten zelf te laten kiezen, waarvan hij het beste een flinken hoogstam (niet in naam maar in de daad, want men noemt wel eenshoogstammen, wat werkelijk niet veel meer danhalfstammen zijn) kan leveren, en dan verdienen de bekendePrincesse noble, deEngelscheGold Pearmainen dePeperappel, die tot zeer laat in den winter kan bewaard worden, zeker goede aanbeveling.
Is de tuin niet zeer klein, dan zou ik, wat anderen er ook van zeggen, zeer geneigd zijn eenGravensteinerte planten; deze groeit echter voor een kleinen tuin wel wat wild, maar zijn bloei is prachtig, en met zijn blozende vruchten maakt hij in den nazomer een fraai effect. Waar kinderen zijn, is hij echter verleidelijk, daar de fraaie vruchten nog al licht afvallen, en men dan vooruit weet hoe 't gaat.
Meerdanéén Appelboom moet men echter niet nemen, wijl men dan aan de toch altijd wisselvallige kans op vruchten de altijd zeer gewenschte verscheidenheid opoffert.
Meer aanbeveling verdienen enkele Pereboomen, wijl die beter in piramidevorm kunnen gehouden worden en daardoor niet zooveel ruimte innemen. Ook zijn velen zeer op enkele fijne peren gesteld.
Het ronde perkje C biedt daartoe gelegenheid, en daarzullen er vijf kunnen staan, zonder dat ze elkaar of iets anders hinderen. De volgenden mogen met recht tot de keurige vruchten gerekend worden, die voor dit doel zeer geschikt zijn:Beurré Clairgeau,Beurré de Mérode,William's Duchesse,Louise bonne d'AvranchesenBergamotte d'Esperen. Hier vooral is de keus zoo groot, dat het best is ons tot het opgegeven getal te bepalen. Meer dan een vijftal Pereboomen moet men in zulk een kleinen tuin niet plaatsen.
Ook van een muur of schutting, zoowel die tegen het Noorden als die tegen het Zuiden ligt, kan men voor vruchtboomen gebruik maken. De laatste, die op de zonzijde gelegen is, komt daarbij natuurlijk het meeste in aanmerking, wijl zoowel voor vruchtboomen als voor meest alle gewassen de zon als bron van leven en gezondheid te beschouwen is. Ofschoon men er ook waaiervormig gekweekte Pereboomen tegen kan plaatsen, geeft men toch, en terecht, algemeen aan Perzikboomen de voorkeur. Het beste is tegen zulk een muur of schutting vooraf hekwerk van tuinlatten te bevestigen, omdat de takken en twijgen daar 't gemakkelijkst aan vastgebonden kunnen worden. Zuinigheidshalve doet men 't ook wel aan spijkers, wat op verre na zoo doelmatig niet is. Men bepale, voor Perziken, zijn keus tot twee soorten, een vroege en een late, en neme voor de eerste deAmsden-, voor de laatste denMontagne-Perzik. Die een vrijstaanden Perzik wil planten, b.v. op de plaats, die wij daar straks voor een hoogstam-Appelboom bestemden, kan daartoe mede de vroegeAmsdengebruiken, die er zeer geschikt voor is. Het spreekt vanzelf dat men dan aan een boomkweeker bepaald moet opgeven wat men bedoelt: een lei- of een kroonboom.
Tegen den muur op tegenovergestelde ligging, die geen zon krijgt, kan men een Morelleboom planten, die daar goed op zijn plaats is.
Behalve voor dit doel, wordt de Morelleboom ook als kroonboom gekweekt, in welken vorm hij inzonderheid voor kleine tuinen zeer gezocht is; en inderdaad maakt zulk een niet wild groeiend kroonboompje, vooral tijdens den bloei en als de vruchten gekleurd zijn, een lief effect. Hier komt nog bij, dat men van de laatsten lang plezier heeft, daar zij er vrij lang aan kunnen blijven hangen.
Heeft men een hoogen muur, dien men gaarne spoedig door vruchtboomen wil bekleed zien, dan plaatst men in het midden een hoogstam-leiboom, die ook op zeer hooge stammen gekweekt worden, en, op eenigen afstand daarvan, ter weerszijden, een laagstam-leiboom. De eerste dekt dan den muur van boven, terwijl de laatsten dat van onderen doen. De reeds genoemde, delicieuseLouise bonne d'Avranchesis daarvoor zeer geschikt. Men denke er ook dán aan, den kweeker op te geven wát men verlangt en voor welk doel. Wanneer hij toch weet dat die beide leiboomen boven en onder elkaar moeten staan, kan hij er de hoogten naar kiezen.
Het hier medegedeelde over vruchtboomen is voor kleine tuinen zeker voldoende; in de meeste gevallen zelfs meer dan voldoende; waarbij ik nog meen te moeten opmerken, dat men bij de planting van vruchtboomen nog met wat meer zorgvuldigheid moet te werk gaan dan bij die van andere boomen. Vooral lette men er op dat de ondergrond los zij en het water goed kan doorlaten. Is die te vast of te zwaar, dan make men het gat dieper en werpe op den vooraf goed losgemaakten bodem een laag puin voor draineering. Vervolgens vermenge men de aarde met ouden stalmest, terwijl het goed is, mocht de grond zeer zwaar zijn, er ook wat wit zand bij te voegen. Goed vermengen daarvan is zeer noodig. Voorts binde men de boomen nietaan, voordat de grond weer gesloten is, en men dus mag aannemen dat zij niet meer zullen zakken.
Dat men b.v. tegen een muur ook een Moerbezieboom of een Wingerd kan planten spreekt vanzelve. Alles op te sommen wat men zoo al kán planten ligt echter niet in mijn plan; ik bepaal mij tot wat m. i. de voorkeur verdient; ook dan heeft men voor zulke kleine ruimten nog keus genoeg.
Ook de heesters behooren tot de boomachtige gewassen, maar vormen daarvan toch een goed onderscheiden, hoewel niet overal scherp begrensde rubriek. Onder boomen toch verstaat men die houtgewassen, welke met één stam recht opgroeien, en die zich pas een eind boven den grond vertakken, daar een min of meer breed uitgroeiende, regelmatige of onregelmatige kroon vormende. Bij de heesters is van zulk een kroon geen sprake, evenmin als van een hoofdstam, de oorsprong en drager van al de takken. Zij splitsen zich onder of vlak bij den grond in een grooter of kleiner aantal stammen van gelijke waarde, krijgen daardoor een bossig voorkomen en blijven laag, sommigen twee tot drie Meter, anderen nauwelijks een halven Meter of nog minder hoogte bereikende.
De kweeker onderscheidt nog een daartusschen liggenden toestand; hij spreekt dan van boom-heesters. Deze rubriek is echter geen zuiver natuurlijke, maar wijst veeleer op een bijzonderen cultuurvorm. Eigenlijk zijn dat boomen, maar die zich min of meer tot grootere heestervormen laten dwingen. Ook hebben ze wel degelijk een hoofdstam, en wanneer men er niet geregeld de hand aan houdt en zelaat verwilderen, verkrijgen ze het zuivere karakter der boomen. Hiertoe behooren b.v. ook verschillende Dorensoorten, ook Eschdoorns, enz. Voor kleine tuinen komen ze zeer goed te pas.
In die, welke wij ons thans voorstellen, is het groote park A er zeer goed voor geschikt, terwijl men er waarschijnlijk ook steeds enkelen in de zijrabatten zal kunnen plaatsen, maar natuurlijk niet daar, waar men een vruchtboom tegen den muur of de schutting heeft geplant.
Men zij echter vooral wat deze heesterachtig gekweekte boomen betreft, zeer op zijn hoede, ze niet te dicht bijeen te plaatsen, en houde ze minstens drie Meter van elkaar af. Wanneer de ontvangen exemplaren niet sterk zijn, staat dat aanvankelijk wel wat ijl, en dit is dan ook de reden waarom men zeer dikwijls te dicht plant, waardoor na eenige jaren het een het andere bederft. IJl of niet, zemogenniet dichter staan, en de open ruimte er tusschen is in den eersten tijd zeer goed met kleine groenblijvende heesters aan te vullen, of, wat nog beter is, men zet er vaste planten, Dahlia's of dergelijken neer.
Zij, die dit zeer goed weten, vullen die ruimten dikwijls aan met andere heesters, met het voornemen die dan later weg te nemen; maar daar komt meestal niets van, en dan is het middel nog erger dan de kwaal.
Onder die zoogenaamde boom-heesters komen enkele fraaie Eschdoorns voor; vooral neme men een roodbladerige. Ook enkele Lindeboomen en Iepen kunnen zoo gekweekt worden, waarbij de bruinbladerige Iep niet moet vergeten worden. Onder de aan den Meidoorn verwante soorten zijn er ook die hier mogen aanbevolen worden, hetzij om den rijken lentebloei, hetzij om de fraaie vruchtjes. De donker-roodbloemige is zeer fraai en blijft klein, en de Oostersche Doorn, die fraaie ingesneden bladeren heeft,prijkt in 't najaar met betrekkelijk groote vruchten, die reeds van verre in 't oog loopen. Ook de Tulpeboom laat zich zeer goed aldus kweeken, terwijl de bekende Goudenregen van nature tot deze reeks behoort.
Dit laatste kan mede gezegd worden van verscheidene prachtigeMagnolia's, waarvan die, welke zeer vroeg in de lente bloeien voor dit doel het beste geschikt zijn. Zoo'n bloeiendeMagnoliamaakt dan, vooral op een afstand gezien, een heerlijk effect; daarom plante men dezen vooral daar, waar hij uit het huis kan gezien worden.—
Heesters in meer eigenlijken zin zijn die planten met houtige stengels, die niet met één hoofdstam naar boven schieten, maar die bossig zijn en meestal laag, somwijlen zeer laag blijven.
Men kan het in een kleinen tuin dikwijls zonder boomen af, maar heestergewassen zijn daarvoor een onmisbaar bestanddeel.
Vooral langs de zijmuren of schuttingen zijn ze goed te gebruiken, terwijl in het middengedeelte altijd nog ruimten genoeg vrij blijven, zelfs al plantte men daar hooger en breeder uitgroeiende boomgewassen, die door een heester behoorlijk bezet kunnen worden, zonder dat men het overvol maakt.
Daar de keus hier zeer ruim is, kan men voor een gewenschte afwisseling zorgen en tevens grovere, die sterk groeien, en fijnere, die laag blijven, daar plaatsen, waar dit met de ruimte 't best overeenkomt.
Zeer verkeerd is het zich daarbij steeds te bepalen tot enkele meer algemeen bekende soorten, meenende dat andere te kostbaar zouden zijn. Dit laatste toch is in geenen deele het geval, en door den tuin op te vullen met Sneeuwballen, Boerenjasmijnen en Seringen, zal men wel op eengegeven oogenblik veel bloemen zien, maar op afwisseling zal men zeker niet kunnen roemen; en die eentonigheid loopt, wanneer de bloeitijd voorbij is, nog veel meer in 't oog.
Ik wil hiermede niets afdingen op de schoonheid dier overal gevonden heesters; ze zijn voor elken tuin onmisbaar. Maar men moet zich tot enkelen bepalen, en het zoo inrichten, dat men bijna evenveel soorten heeft als men heesters plant; daar men dan niet alleen verscheidenheid krijgt van bloem en blad, maar ook bloemen heeft in den zomer zoowel als in de lente; zeker een niet te versmaden voordeel, en waartoe men niets meer behoeft uit te geven.
Onder de voorjaars bloemheesters komen, vooral de Japansche Kwee (Pyrus japonica)(5)en de bloedroode Ribes (Ribes sanguinea) zeer in aanmerking, terwijl men voor Seringen zich niet moet bepalen tot de gewone en de zoogenaamde Fransche Sering, maar ook een paar der later gewonnen variëteiten moet kiezen, die door de grootte der bloempluimen en door de kleur der bloemen de gewone soort ver overtreffen.
Verder verdienen als bloemheesters aanbeveling de lage, witteDeutzia gracilis, zoo mede de hooger groeiende zeer fraaieDeutziamet dubbele rose bloemen (Deutzia crenata flore pleno); voorts het Althæa-boompje (Hibiscus syriacus) in verschillende kleuren, met enkele en dubbele bloemen, verschillendeSpirœa's, verschillendeWeigelia's, de groene en de bruinbladerige Zuurbes ofBerberis. Heeft men een goeden zwarten, niet te drogen grond, dan vergete men vooral het Meloenboompje (Calycantus floridus) niet,dat met de bruine bloemen zulk een liefelijken, zachten geur verspreidt, maar in zware gronden niet voort wil. Behalve de gewoneHortensiazijn er nog eenige andere, en in de eerste plaats de pluim-H. (Hydrangea paniculata grandiflora); ook de Pruikeboom (Rhus Cotinus) mag hier in aanmerking komen, niet om de schoonheid der bloemen, maar om het zeer eigenaardige effect dat deze heester tijdens den bloei maakt.
Zeer gewaardeerd om den fraaien bloei zijn ook deAzalea's, die een zwarten, zoo mogelijk veenachtigen, vochthoudenden grond beminnen. Vroeger kende men, als geschikt voor de tuinen, alleen de Pontische Azalea's (A. pontica), die in hare bloemen niet alleen veel kleurverscheidenheid bieden, maar ook een aangenamen geur. Ze zijn echter in den laatsten tijd wel wat verdrongen door de Japansche Azalea's (A. mollis). Deze hebben wel is waar reukelooze bloemen, maar die veel grooter zijn; bovendien groeien deze laag blijvende heesters bossiger, bloeien ze veel rijker en zijn ze minder gevoelig. Ook deze komen in vele kleuren voor. Ze zijn voor kleine tuinen als geknipt en een perkje met een tien- of twaalftal bezet geeft tijdens den bloei een zeer fraai gezicht.
Ik noem deze weinige namen alleen om den lezer een begrip te geven hoe hij het moet aanleggen om in dit opzicht verscheidenheid te verkrijgen. Die veel noodig heeft, zal verstandig handelen met een boomkweekerscatalogus te raadplegen, maar voor een kleinen tuin is de behoefte uit den aard der zaak niet groot.
De heesters zijn zeer geschikt ook ter beplanting van een geheel vak, zelfs al is dat vrij groot. Dit komt vooral te pas in het voorgedeelte van den tuin, waar men liefst gewassen heeft, die het gezicht op het meer naar achteren gelegen gedeelte niet belemmeren. Plant men nu in hetgroote vak A onzer schets een vruchtboom en voorts de daar straks bedoelde boom-heesters, dan ziet men daar na eenigen tijd tegen aan, en onderscheidt men slechts weinig van wat er achter is. Dit hangt natuurlijk geheel van verkiezing af. Men dient dan ook vooraf te weten wat men wil, om het er van 't begin af naar te kunnen inrichten, anders moet men telkens veranderen, dat noodelooze moeite en stoornis in de geregelde ontwikkeling veroorzaakt.
De heesters kan men gerust op kleiner onderlingen afstand plaatsen. Meer dan twee Meter ruimte is niet noodig, en met anderhalven Meter zijn ze in den regel ook tevreden. Toch ook vermijde men met de heesters een te dichte plaatsing, wijl daardoor het geheel een dicht bosch wordt, waarin men niets goed afzonderlijk onderscheidt. De heesters zelf ontwikkelen zich dan ook minder fraai en komen daardoor niet zoo goed tot hun recht.
(5)Ik gebruik in dit boekje alleen die namen, onder welke de bedoelde planten het meest algemeen bekend zijn. Latijnsche namen mogen hier m.i. alleen dán voorkomen, als ze onvermijdelijk zijn, en dan koos ik die welke elke kweeker kent.
Men kan een kleinen tuin zoo beplanten, dat hij winter en zomer frisch groen blijft. Het getal dier verschillende groenblijvende boomen en heesters is zóó groot, dat men, zelfs op een vrij uitgestrekte oppervlakte, daarin toch een gewenschte afwisseling kan brengen. Het blijft echter waar, dat de afwisseling, die men in den zomer daaraan kan geven door bloemen en sierplanten, op verre na zoo groot niet is, als die welke het plantsoen met afvallend blad geeft in zijn bladontluiking in 't voorjaar, zijn volle bladertooi in den zomer, zijn bladverkleuring in het najaar, en eindelijk in dien eigenaardigen toestand van winterrust, die zoo goed harmoniëert met ons klimaat.
Het is maar de vraag waaraan men de voorkeur geeft. Heeft men tegen de eenvormigheid het geheele jaar door geen bezwaar, dan is een tuin, geheel met groenblijvende gewassen bezet, bij goede keuze en goede verdeeling, zeker niet te verwerpen, en ik zag er nog onlangs een in 't midden van den winter, die een allerliefst gezicht opleverde.
Gewoonlijk echter wenscht men dit niet, en ik zou het dan ook niet onvoorwaardelijk durven aanbevelen; maar hoe men het ook aanlegt en hoe klein de tuin ook zij, enkele groenblijvende planten moet men er toch in hebben, niet alleen om ook in den winter daarin nog leven te zien, maar ook omdat ze in den zomer een gewenschte afwisseling geven.
De groenblijvende gewassen of sempervirenten zijn in hoofdzaak tweeërlei. Vooreerst die met gewone vlakke bladeren, alleen hierin van de andere heesters verschillende, dat ze de bladeren niet in 't najaar afwerpen, en die met smalle, dikwijls lange, priem- of naaldvormige bladeren, die algemeen als kegeldragende gewassen en beter nog alsConifeeren('t geen hetzelfde beteekent) bekend zijn.
Onder de eersten komen voor den tuin in de eerste plaats in aanmerking de genoeg bekendeRhododendron's, omdat zij tevens als bloemheesters tot die van den eersten rang behooren. Verbazend groot is het aantal verschillenden die tegenwoordig gekweekt worden, en die wel niet allen even goed, maar waarvan toch velen tegen onze winterkoude volkomen bestand zijn.
Evenals met deAzalea's, beplant men ook met deRhododendron'sbij voorkeur een perkje, dat echter voor deze laatsten wat grooter genomen moet worden, terwijl ze mede een vochthoudenden humusgrond beminnen. Heeft men met zwaren grond te doen, dan is het zaak het perkjetot op een halven Meter diepte uit te graven en het met veenachtigen grond, die goed met ouden koemest vermengd is, te vullen. De fraaie heesters zijn die moeite wel waard.
Verder de mede algemeen bekendeAucuba, met hare groote, ovale, glimmende en fraai geel gevlekte bladeren. Deze voor de tuinen zoo goed geschikte heester is zoo min keurig op den grond als op de standplaats, zoodat men hem vrij wel overal kan gebruiken waar men wil. Men kweekt er velerlei, met geheel groene en met bijna geheel gele bladeren; hoe groener ze zijn, des te beter zijn ze tegen onze winterkoude bestand.
De Laurierkers (Prunus Laurocerasus) heeft ook fraaie, groote, glimmende bladeren en vormt een bossigen kloeken heester.
Vervolgens komt de Hulst in aanmerking; wordt hij voorzichtig verplant en is hij eenmaal goed aan den groei, elan mag hij met zijn stekelige bladeren onder de fraaiste groenblijvende gewassen gerekend worden. Dikwijls wordt hij echter misbruikt, en wordt dan ten laatste alles behalve fraai. De Hulst wil licht en lucht hebben aan alle zijden. Zijn dan de omstandigheden niet al te ongunstig, zoo ontwikkelt hij zich, zonder dat men er iets aan behoeft te doen, tot een fraaie, dichte pyramide. Plant men hem echter nabij een schutting of muur, dan wordt hij spoedig eenzijdig en gaat het mooie er af. De gewone groene en de bonte Hulst zijn voor kleine tuinen in gelijke mate aan te bevelen.
Het Buks- ook wel Palmboompje genoemd, omdat deze langzaam groeiende boom het palmhout van den handel levert, is almede voor kleine tuinen zeer geschikt. Laat men het geheel aan zichzelf over, dan groeit het op tot een grooten groenen kogel; veelal snoeit men het in den vorm eener pyramide, dat veel stijver is, maar beter aansommiger smaak voldoet, en over den smaak valt niet te twisten. Ook kan men er zeer fraaie kroonboompjes van krijgen, die in het gras niet onaardig staan. Vooral in den winter doen zij zich zeer gezellig voor, en ruimte van beteekenis nemen ze niet in.
Men ziet dat deze rubriek talrijk genoeg is (ik noemde alleen de meest bekenden en die overal voor weinig geld te verkrijgen zijn), om de noodige afwisseling te verkrijgen.
Volgen deConifeerenof kegeldragende gewassen, een plantengroep die over de geheele aarde verspreid en dan ook zóó uitgebreid is, dat men er een bepaalde studie van moet maken om haar goed te kunnen overzien.
Maar zoo zwaar behoeft de eigenaar van een kleinen tuin het niet op te nemen. Hetzij hij er betrekkelijk velen, hetzij hij er weinigen wenscht, klein zal dit getal toch in elk geval blijven, en hij kan zich tot eenige fraaie der in alle kweekerijen in grooten getale gekweekte soorten bepalen.
Het beste en het fraaiste tevens groeien deConifeeren(ik gebruik hier dit woord gemakshalve, ook wijl het algemeen bekend is) in zandgrond. Zware grond is veel minder geschikt, en de meesten gaan er gestadig in achteruit. Die dus een tuin heeft in eene zandige streek, kan er op rekenen voor deze fraaie gewassen in de beste conditie te zijn. In zulk een tuin zou ik er dus een ruim gebruik van maken; in een tuin, waar de grond uit den aard zwaar en kleiig is, zou ik ze wel niet geheel achterwege laten, maar mij toch tot enkelen bepalen; immers wil men er daar genot van hebben, dan is het zaak een gat te graven van een kub. Meter, en dit tot op 25 cM. boven den grond met zandige aarde te vullen. Slechts zeer enkelen nemen zwaarderen grond voor lief; dit is b.v.met den gewonen Taxus (Taxus baccata) het geval, die voor elken tuin, waar geen gebrek aan frissche lucht en licht is, doelmatig kan geacht worden.
Ook met dezen fraaien boom handelt men verkeerd, wanneer men hem tegen een muur of schutting, of ook wel in een hoek plant. Hij is zeer taai en zal er dus blijven leven, maar het is er dan ook naar, en men moet al zeer weinig gezicht op plantenschoonheid hebben, om er op den duur mede tevreden te kunnen zijn. Staat de gewoneTaxusdaarentegen volkomen vrij, en houdt men er een weinig de hand aan, dan behoort hij zonder twijfel tot de fraaisten van deze groep.
Er is niet veel kweekerskunst toe noodig om dezen boom tot een dichte pyramide te doen opgroeien, welke voor een kleinen tuin ongetwijfeld de verkieslijkste is. Het is in dat geval voldoende hem eens in de drie jaren, met het oog op den pyramidalen vorm, in te snijden. Die een zeer regelmatige pyramide wenschen doen dit jaarlijks, maar dan ziet er de boom te stijf, te dandy-achtig uit om mooi te zijn. De algemeene omtrek moet die eener pyramide zijn, maar overigens moet zijn groei zoo los en ongedwongen mogelijk wezen en mag hij daarom dus niet jaarlijks gestoord worden.
Niet minder fraai is een andereTaxus, dien men wel de pyramidale T. noemt, omdat hij van nature een tamelijk regelmatigen vorm aanneemt. Hij is dan ook bekend alsTaxus baccata pyramidalis. Dit is een dichte boom, die niet groot wordt en aanvankelijk een zuilvormige gedaante heeft. Later wordt hij naar den top breeder, eindelijk veel breeder dan aan den voet, en heeft meer dan den vorm van een omgekeerde pyramide.
Er worden meerdere variëteiten van den gewonenTaxusgekweekt, maar het is voor dit doel niet noodig er meerop te sommen, of het moest nog de bontbladerige zijn, die laag blijft en breed uitgroeit. De priemvormige bladeren van deze laatste hebben gele randen, hetgeen maakt dat de heester, zoowel op een afstand als nabij gezien, een sierlijk voorkomen heeft.
Naast denTaxuskomt zeker de gewone Levensboom of „Arbor vitae” (Thuja occidentalis) het eerst in aanmerking; deze is trouwens algemeen bekend, omdat men reeds van ouds de gewoonte had er heggen van te planten, waartoe hij zeer geschikt is, wijl hij goed onder 't mes kan gehouden worden, en welke heggen boven die van Beuken of Dorens dit voordeel hebben, dat ze 's winters en 's zomers even groen en dicht zijn.
Ook van deze soort kan men tegenwoordig variëteiten verkrijgen, die eigenlijk voor kleine tuinen de voorkeur verdienen, b. v. die welke men kent alsEllwanger'sLevensboom (Thuja Ellwangeriana), zoo mede Vervaene's Levensboom (ThujaVervaeneana). Terwijl de gewone L. lichtgroen is, heeft het fijne loof van den eerste der beide laatstgenoemden een blauwachtige tint, en is de laatste bij geel af.
Als de goudgele L. (Thuja aurea) kweekt men er een die zeer klein blijft, kogelvormig wordt en licht geelachtig groen is.
Dit is een der netste soorten om in een klein grasperkje te planten, maar ze is merkelijk gevoeliger voor koude winters dan de gewone; op een eenigszins beschutte plaats houdt ze het echter zeer goed uit.
De zoogenaamde Japansche Levensboom (Thujopsis dolabrata), zonder eenigen twijfel een der meest aanbevelenswaardige voor dit doel, ziet er heel anders uit. Deze heeft een rechten stam, die echter hier niet hoog wordt en vertakt zich naar alle richtingen zoo regelmatig, dat hij eenfraaie spitse en van onder breede pyramide vormt, zonder dat men er iets aan behoeft te doen, of liever iets aan mag doen. De kleur is donker glanzend groen, en de dicht bebladerde twijgen zien er uit, als waren ze met een schubbenpantser overtrokken.
Men kan er ook een bontbladerige van krijgen, die sommigen mooi vinden; dit hangt alweer van den smaak af.
Onze gewone grove Den (Pinus sylvestris) moet in zulke tuinen niet geplant worden. Toch kan het zeer wel zijn, dat men een zoodanigen boom wenscht, omdat die met zijn stopnaaldachtige bladeren een eigenaardige afwisseling geeft. Welnu, er zijn veel soorten van Dennen, die datzelfde karakter hebben; maar over het algemeen zijn ze toch voor gewone tuinen ongeschikt. De Zee-Den wordt te groot en is slechts twijfelachtig tegen ons klimaat bestand. Hetzelfde kan—althans voor de meeste plaatsen in ons land—gezegd worden van den overigens zoo fraaienWeymouth-Den met zijne fijne zeegroene naalden. Het beste is nog de ZwitserscheArve(Pinus Cembra); deze groeit langzaam, blijft goed gesloten en weerstaat de strengste koude.
Moet de gewone grove Den onvoorwaardelijk voor dit doel afgekeurd worden, anders is het met den gewonen fijnen Spar (Abiës excelsa), die zich in zandgronden, ja in zuiver zand, ongemeen schoon ontwikkelt, maar die voor kleine tuinen dan wel wat te veel ruimte inneemt. In zware gronden groeit hij slecht, en wordt hij schriel, terwijl de uiterste top dood gaat; waarmede de boom voor goed ontsierd is, daar hij, evenals zeer vele Coniferen, een zeer regelmatigen groei heeft. Hetzelfde is ook met den schoonen Zilverspar (Abiës pectinata) het geval. Daar men vooral voor kleine tuinen ruimte van keus heeft, doet men wijs ook deze twee er niet in op te nemen.
Maar van den gewonen fijnen Spar komen enkele dwergachtige variëteiten voor, waarmede juist het tegenovergestelde het geval is. Ik noem hier alleen den Dwerg-Spar (Abiës excelsa pygmæa), die niet meer dan een halven Meter hoog wordt, en daarbij zeer breed uitgroeit, waardoor dit boompje den vorm van een grooten, van boven afgeplatten kogel verkrijgt. Dit is er een die zeer goed is voor ons doel.
Onder de Sparren zijn meerdere bruikbaren, b. v. de zoo fraaie Spaansche Spar (Abiës Pinsapo), deNordman'sSpar (Abiës Nordmanniana) en de fijneHemlock-Spar (Abiës canadensis), vooral aanbevelenswaardig om de bevallig met de toppen overhangende ranke takken.
Een zeer fraaie, dichte, donkergroene boom, die niet te groot wordt in de tuinen, is ookLawson's Cipres, bij de kweekers algemeen bekend alsCupressus Lawsoniana, waarvan een aantal verscheidenheden gekweekt worden, zoodat men het beste doet er een te bestellen van gedrongen groei. In den laatsten winter (1890–91) is het wel is waar gebleken, dat ze voor onze strengste koude niet volkomen ongevoelig zijn, maar gewoonlijk lijden zij niets en deze boom is een sieraad voor den tuin.
Hetzelfde is het geval met eene soort, waarvan mij geen Hollandschen naam bekend is, maar die elk boomkweeker kent alsRetinispora filifera(6). Deze heeft lange fijne takken, die naar alle zijden bevallig overhangen, hetgeen toch niet belet dat ze een breeden, dichten heester vormt.
Ik ga met deze opsomming niet verder voort, daar dan de keus alweer moeilijk zou worden. Uit de hier vermelde kan men er voor een kleinen tuin reeds meer dan genoeg kiezen.
Men moet de Coniferen òf geheel op zichzelven, b. v. in een grasveldje, òf op een perk zoo wijd uiteen planten, dat ze elkander niet belemmeren.
Die aan deze gewassen de voorkeur geeft, zou er zeer goed het groote perk A voor kunnen bestemmen, zorg dragende ze op drie Meter van elkaar te plaatsen. Men moet ze ook onbelemmerd geheel kunnen zien, wat niet het geval is, wanneer ze dichter bijeen staan. Ook het perkje, door C aangeduid, zou voor een vijftal Coniferen geschikt zijn, waartusschen men dan aanvankelijk vaste planten (b. v.Phlox), waarover hieronder nader, kan planten. Een hoofdvoorwaarde is dat ze volkomen vrij, en zoo min onder den drop als in de schaduw staan. Een goed ontwikkelde, ofschoon niet groote Conifeer is zeer mooi; is die echter niet mooi, en het mooie gaat er onder ongunstige conditie spoedig af, dan ontsiert zij den tuin.
Plant men ze geheel op zich zelf, en is de grond zwaar en stijf, dan graaft men een flink gat, dat men met goeden, zandigen grond vult; beplant men er een geheel perk mede, dan verbetere men den grond daarvan in zijn geheel. Alleen voorTaxusis dit, gelijk reeds opgemerkt werd, niet noodig.
't Is waar, daaraan is wat meer dan gewone moeite verbonden; dit is echter maar voor eens. Heeft men ze goed geplaatst en goed geplant, en heeft men soorten gekozen, die tegen ons klimaat kunnen, dan vormen zij, met enkele hierboven genoemde groenblijvende heesters met breede bladeren, met klimop tegen muren of schuttingen, een geheel, dat in den winter, in verbandmet de dan bladerlooze loofboomen, aan den tuin een aantrekkelijkheid geeft—wel te verstaan als men die ook dán zindelijk en schoon gehouden heeft—die alleen langs dezen weg, maar dan ook gemakkelijk en zeker te verkrijgen is.