(6)Eigenlijk heeft deze een anderen Latijnschen naam; ik herhaal echter dat ik hier die namen gebruik, welke algemeen bekend zijn. Wat de Hollandsche namen van vele heesters en vooral van Coniferen betreft, deze worden weinig gebruikt; bij die welke genoeg bekend zijn voeg ik den Latijnschen niet, waar deze wèl genoemd is, zal het goed zijn dien bij bestelling op te geven.
Bloemgewassen.
Bloemen zijn voor elken tuin onmisbaar; ze zijn er het ameublement van; maar zoo goed als men een kamerpronkerigen onhuiselijk kan maken door een slechte keus of ondoelmatige rangschikking van meubelen, even gemakkelijk kan men ook een tuin, een kleinen tuin vooral, bederven, door overlading met bloemen. Daar staat echter tegenover dat, zoowel als goed gekozen en geplaatste meubelen het gezellige karakter eener kamer, eener huiskamer inzonderheid, bepalen, dit in gelijke mate met de bloemen in een tuin het geval is. Men heeft behoefte aan het gezicht harer ontluiking en harer volle ontwikkeling; men heeft er ook behoefte aan voor velerlei doeleinden, die het huiselijke leven veraangenamen. Het gezicht, het genot van bloemen is voor den mensch veel onmisbaarder dan men vermoedt. Dáárom, en daarom vooral, mag hij het een voorrecht noemen, die een tuin tot zijn beschikking heeft, en, al is die ook maar zeer klein, een voorrecht blijft het in elk geval.
Wil men van dat voorrecht zooveel mogelijk genieten, dan richte men het er ook naar in. Kostbaar is zulks niet, behoeft het althans niet te zijn; men kan het zich kostbaarmaken, maar men kan ook met luttel uitgaven hetzelfde doel even goed bereiken. 't Is daarbij maar de vraag of men tevreden is met het werkelijk schoone, dan wel of men alleen dát mooi vindt, wat door den wisselenden smaak tijdelijk het meest op den voorgrond wordt gesteld.
Er zijn drie uitgebreide rubrieken van planten, die voor allerlei tuinen overvloed van bloemen leveren; dit zijn deoverblijvendeofvaste planten, deéénjarigeofzaadplanten, en die welke men algemeenpotgewassennoemt, omdat ze in potten worden opgekweekt, terwijl sommige gedurende de zomermaanden in den tuin in den open grond kunnen gehouden worden.
Hieronder verstaat men al die gewassen, welke winter en zomer door buiten verblijven, die echter geen houtachtige stengels hebben, zooals de boomen en heesters, maar kruidachtige (d. w. z. dat ze weeker en zachter zijn), omdat deze niet ouder worden dan eenige maanden. Immers, nadat ze in de lente uit den grond te voorschijn kwamen,soms in korten tijd een hoogte van 2 à 3 Meter bereikten, sterven ze in het najaar af, ook wanneer de vorst daar geen aanleiding toe geeft. Ze leven eenvoudig niet langer; ze zijn maar voor een zomer bestemd. Intusschen leeft de plant in den grond voort, om opnieuw te ontspruiten, wanneer het voorjaar haar tot nieuw leven opwekt.
Sommige doen dit reeds vroeg, zeer vroeg zelfs, en kondigen daardoor de lente reeds aan, wanneer die nog ver af is. Hiertoe behooren in de eerste plaats de Kerstroos, het Sneeuwklokje, de Vroegbloem (ook wel Winter-Akoniet genoemd); verder de Sleutelbloem of Primulaveer, de Crocus enz. Deze volgen elkaar geregeld op, en hetzal wel noodeloos zijn te zeggen, dat het gezicht uit het huis op die eerste lenteboden, vooral wanneer deze hier en daar als toevallig door den tuin verspreid zijn, zeer opwekkend is.
Hiervoor zorge men dan ook in de eerste plaats. Boven merkte ik reeds op dat men wel zal doen enkele Sneeuwklokjes en Crocussen hier en daar in het gras te planten. Ze nemen er geen plaats weg, en komen daar het beste tot haar recht. Van de Vroegbloem of Winter-Akoniet plant men er enkele verspreid tusschen de heesters, waar men niets anders kan plaatsen; ze staan daar het beste naar haar zin. De Kerstroos, die in geen tuin moet ontbreken, plaatst men in het tegenover het Noorden gelegen rabat, Primulaveeren kan men hier en daar op verloren plekjes zetten. De eerstgenoemden moeten allen tegen het najaar geplant worden. Voor de Sleutelbloemen is dit ook wel verkieslijk, maar men kan die in 't voorjaar ook in knop op de markt koopen, waar ze dan voor een bagatel verkrijgbaar zijn.
Ik stond bij deze algemeen bekende voorjaarsbloemen meer bepaald even stil, omdat ze, zeker vreemd genoeg, in kleine tuinen al te zeer veronachtzaamd worden, en men dikwijls op het platteland moet komen, om op het lapje grond vóór een arbeiderswoning te zien hoe fraai en hoe dankbaar tevens zij zijn.
De overblijvende of vaste planten in het algemeen leveren een uiterst bruikbaar en zeer onkostbaar materiaal voor elken tuin, en dit te meer, daar hierbij aan verscheidenheid allerminst gebrek is, niet alleen in rijkdom, vorm, grootte en kleur der bloemen, maar ook in andere opzichten. Er zijn er toch die zeer snel en hoog opgroeien, anderen die laag blijven en weer anderen die zich volstrekt niet van den grond opheffen, maar daarover voortkruipen. Er zijner die breed, bossig worden en dus uitstekend ter maskeering dienen, anderen die rank en slank blijven en die dus het gezicht niet belemmeren. Er zijn er die liefst op een warme, zonnige plek staan, maar er zijn er ook, die zich zeer goed thuis gevoelen daar, waar de zon niet schijnt, en die derhalve voor een tegenover het Noorden gelegen rabat goed te pas komen.
Het kan niet mijne bedoeling zijn hier ook maar een eenigszins uitvoerig overzicht van de voor de tuinen geschikte vaste planten te geven; daartoe is haar aantal veel te groot. Ik wilde slechts wijzen op het nuttig gebruik dat men er, zonder noemenswaarde onkosten, van kan maken; en wanneer ik er hier nu nog eenige noem, is het om deze den eigenaars van kleine tuinen inzonderheid aan te bevelen, wijl ze voor hun doel geschikt, en overal te verkrijgen zijn(7). Ik voeg er de Hollandsche namen alleen bij, voor zoover ze daaronder voorkomen; overigens zijn de hier genoemde Latijnsche namen algemeen bekend.
Onder de fraaiste voorjaarsbloemen moet zeker deDiclytra spectabilisgerekend worden, met haar sierlijk gebladerte en haar lange overhangende trossen van fraai rose, vreemd gevormde bloemen; de Akelei (Aquilegia) is een oude bekende en een voor alle tuinen geliefde plant. Ze bloeit reeds vroeg in den zomer zeer mild, deze met blauwe bloemen in alle nuancen, andere rose, weer andere wit. Er zijn vele soorten van, maar voor kleine tuinen is de gewone Akelei in kleuren wel de beste. Aan deze verwant zijn de Riddersporen (Delphinium); deze bloeien iets later en ook wat langer; de planten groeien kaarsrecht op terwijl ook delange, dichte, meestal intensief blauwe bloemtrossen recht naar boven gericht zijn. Ook de Monnikskappen (Aconitum) zijn terecht, om haar rijken en zeer fraaien bloei, gezochte tuinplanten. Waar kinderen zijn kunnen ze echter gevaarlijk wezen, tenzij men zeker is dat dezen niet de slechte gewoonte hebben, om bloemen in den mond te nemen. Beide worden 1–1½ Meter hoog. De Pioenen (Pæonia) heb ik slechts te noemen, om iedereen hare groote, vaak schitterende bloemen voor den geest te roepen. Er is er een, de zoogenaamde Boom-Pioen, die tot de heesterachtige planten behoort en die om hare groote, rose bloemen zeer geliefd is; tot de vaste planten behooren echter de meesten en dezer aantal is zeer groot. Ze hebben bloemen van wit af, door alle tinten, tot het donkerste bloedrood; de meesten zijn reukeloos, maar sommige verspreiden een zeer zachten, aangenamen geur. Men verwijt haar, niet ten onrechte, dat zij zoo vroeg uitgebloeid zijn, maar daar staat dan toch ook tegenover dat men er vroeg in den zomer genot van heeft. Ze worden tegenwoordig in grooten getale en in groote verscheidenheid tevens gekweekt. Voor een kleinen tuin moet men zich tot een, hoogstens twee ervan bepalen, wijl ze nog al veel ruimte innemen. De Klokjesbloemen (Campanula) mogen mede niet vergeten worden. Er zijn zeer laag blijvenden en anderen die tot ruim een Meter hoog opgroeien, ja er is er zelfs een, de oude Piramidaal (Campanula pyramidalis), die wel de hoogte van twee Meter bereikt. De bloemen zijn meestal blauw, soms ook wit. De Anemoon is mede een bekende tuinplant. Behalve de oude tuin-Anemoon (Anemone hortensis), die, hoe fraai ook, toch voor kleine tuinen minder wenschelijk is, omdat ze tijdig opgenomen en weder geplant moet worden, wat de meeste eigenaars van kleine tuinen allicht te omslachtigvinden, verdient de Japansche Anemoon (Anemone japonica) zeker een plaatsje. In zeer strenge winters loopt deze echter gevaar van te bevriezen. Niet alzoo de lieve kleine Hepatika (Anemone Hepatica), die men gevoeglijk, mits in niet te zwaren grond, op het Noorden kan planten. Ze bloeit in de lente; de bloempjes zijn gewoonlijk blauw, maar er zijn er ook met witte en met roode bloemen, sommigen zóó gevuld, dat het roosjes gelijken. Deze zijn echter teerder. In ons geval bepalen we ons liefst tot de gewone enkel blauwe.
Het Vingerhoedskruid (Digitalis) is ook een mooie en kloeke overblijvende plant; ook deze is echter, evenals de Monnikskap, zeer vergiftig. Ik ben geenszins de meening toegedaan, dat men vergiftige planten uit de tuinen moet houden; men moet ze er echter liever niet in opnemen, als men de kinderen vrij in den tuin laat loopen en dezen gewoon zijn te plukken. Dán kunnen ze gevaarlijk zijn.
Ik sprak daareven van de Japansche Anemoon; zie hier nog een paar van denzelfden oorsprong. Vooreerst die welke men alsFunkia'skent; zeer fraaie bladplanten, die met haar rechtopstaande, blauwe bloemen nauwelijks een halven Meter hoogte bereiken, maar ook zonder die bloemen den geheelen zomer door een sieraad van den tuin zijn; en danHemerocallis, waarvan vooral de bontbladerige zeer sierlijk is.
De gewone Zonnebloem is een éénjarige plant, waaroverlager, maar er zijn er ook, die tot de vaste planten behooren, b.v. de veelbloemige Zonnebloem (Helianthus multiflorus), die tegen den nazomer zeer mild bloeit en dit volhoudt totdat de vorst of herfststormen er een eind aan maken. Men heeft er met enkele en ook met dubbele, zeer gevulde bloemen. Ik vind de eerste niet mindermooi dan de laatste; de meesten geven echter aan de gevulde de voorkeur.
Vergeten we echter deIrisniet, waarvan een aantal fraaie soorten bestaan, terwijl zelfs de minste ervan hoogst sierlijk is. Men denke slechts aan de gewone gele Lisch, die aan de waterkanten groeit. Geel, wit, paars in alle tinten wisselen elkaar bij deze planten af. Niet zoo algemeen, maar toch gemakkelijk te verkrijgen is de JapanscheKæmpfer'sLisch (Iris Kæmpferii); deze plant heeft een kloeke houding en zeer fraaie bloemen; de oudste paarsachtig blauw, de lateren in alle tinten van wit door roodachtig paars tot blauw. Er zijn er die voor weinig geld te verkrijgen en toch zeer fraai zijn. In tegenstelling van deze rijzig opgroeiende, noem ik de laag blijvende Dwerg-Lisch (Iris-pumila), een zeer lage, bossig groeiende plant, die vroeg en fraai bloeit. Dan denk ik weer aan dePhloxen, die tegenwoordig met zooveel voorliefde gekweekt worden. Deze najaarsbloemplanten, van een halven Meter tot een Meter hoog, worden in de tweede helft van den zomer met bloemen als overdekt. Men heeft vurig roode, paarse, gestreepte en zuiver witte. Voor een kleinen tuin bepale men zich tot de eerste en de laatste. Wanneer men met een klein plantje begint, heeft men er na een paar jaar een dichte struik van; de bloemen zijn bij uitnemendheid voor bouquetten geschikt.
Dan komen nog de najaars-Asters, meestal blauw, sommigen ook rood, die met haar overvloed van bloemen den tuin opvroolijken, als de winter reeds in aantocht is, en dan deDahlia'szoo trouw gezelschap houden. Ook deze laatste behooren eigenlijk tot de vaste planten, maar tot die, welke wat meer zorg vereischen dan de bovengenoemde.
Ik bepaalde mij hier tot eenigen van die, waarvan men in het najaar slechts de doode en verwaaide stengelsheeft af te snijden, zonder zich er verder in het minst om te bekreunen, wijl ze tegen onze winterkou volkomen bestand zijn. Alleen de Japansche Anemoon maakt hierop, gelijk ik zeide, uitzondering. 't Is een mooie plant voor kleine tuinen, maar ze moet wat gedekt worden; daarom zullen de meesten haar dan ook liefst maar niet planten.
Hij, die zich, nadat de tuin in orde is, er verder geen moeite voor wil geven, moet eigenlijk met deDahlia'sook niet beginnen, want deze moeten tegen den winter uit den grond opgegraven en tot het voorjaar op een koele, droge en vorstvrije plaats bewaard worden. Men laat er dan liefst de aanklevende aarde aan zitten, en legt ze luchtig uiteen. In het begin van Mei plant men ze weer.
Hoewel niet meer zoo gezocht als een dertig jaar geleden, spelen deDahlia'stoch in den tuinbouw nog een voorname rol, en inderdaad zou het moeilijk zijn planten te vinden, meer geschikt om de tuinen tot sieraad te strekken, en dat wel juist dán, wanneer de bloeitijd van de meeste andere planten ten einde is of althans ten einde spoedt. Grooter verscheidenheid dan deDahlia'sopleveren is niet denkbaar. Men heeft ze van alle kleuren, het blauw alleen uitgezonderd; er zijn hoog groeiende en zeer laag blijvende, met groote en met kleine, met enkele en met gevulde bloemen, en ze leveren daarvan zoo rijk een overvloed, dat men ze gestadig voor bouquetten kan afsnijden, en er toch genoeg aan blijven om de plant tot sieraad te strekken. Voor kleine tuinen zijn de laag blijvenden zeker verkieslijk, de hoogeren zijn echter beter geschikt om bloemen voor bouquetten te leveren, waarbij de prachtige zoogenaamde Cactus-Dahlia (Dahlia Juarezii) om de gloeiend roode kleur en den fraaien vorm der groote bloem, in de eerste plaats in aanmerking komt. Ook de variëteiten met kleine bloempjes zijn voor dit doel zeer geschikt.
Men bedenke echter bij het planten wel, dat deDahlia's, om werkelijk fraai te worden, een niet te zwaren en voedzamen grond noodig hebben. Ook in minder goeden grond groeien ze en bloeien ze wel, maar dan komen ze toch niet goed tot haar recht.—
Het bovenstaande bevat zeker opsomming genoeg voor ons bescheiden doel. Ik herinner nog eens dat de vaste of overblijvende planten een uitstekend materiaal leveren voor den tuin. Ze spruiten toch ieder voorjaar met nieuwe kracht uit den grond; men heeft er niets anders aan te doen dan wat zindelijkheid en orde vorderen; ze kosten zeer weinig geld, en leveren de meest gewenschte verscheidenheid in groeiwijze, blad en bloei.
Die zich weinig met zijn tuin kan of wil bezig houden, doet wijs dien, behalve met een enkelen boom en wat heesters, met vaste planten te bezetten. Hij zal dan wel is waar die jaarlijksche afwisseling missen, welke er op andere wijzen aan is te geven, maar zijn tuin behoeft er den geheelen zomer door niets minder fraai om te zijn.
Een overgang van de overblijvende tot de éénjarige zijn de tweejarige planten, die men gevoegelijk reeds onder de zaadplanten (die namelijk, welke alleen door de zaden kunnen vermenigvuldigd worden) kan rangschikken.
Ze leven niet veel langer dan een jaar, maar dit is over twee jaren van onze tijdrekening verdeeld. 't Komt omdat ze in haar ontwikkeling een periode van rust noodig hebben, die ze in den winter vinden.
Deze worden in den voorzomer gezaaid (men kan het ook nog wat later doen) en blijven dan, nadat ze opgekomen zijn, laag bij den grond, zonder te bloeien. In de volgende lente echter schieten ze spoedig krachtig op, en de geheele groei is nu naar het bloeien gericht. Is de bloei voorbij, dan rijpen de zaden en de plant sterft. Slechts enkelen, zooalsb.v. de Stokrozen en de Duizendschoon, kunnen het nog een of een paar jaren langer volhouden, maar het mooie is er toch ook bij dezen na dien eersten bloei af. Men doet daarom beter ze maar op te ruimen. Overigens kan men, door ze jaarlijks te zaaien, ze ook jaarlijks op haar fraaist hebben, natuurlijk in afwisselende generaties.
Ik noemde daar reeds terloops de Stokrozen en de Duizendschoon; ofschoon de eersten niet in ieders smaak vallen, kan men toch zeggen dat beiden van ouds geliefde tuinplanten zijn. Ook het driekleurige Viooltje moet tot de tweejarige planten gerekend worden, en dat mag in geen tuin ontbreken. Zelfs al kende men er niet anders van dan de wilde, kleinbloemige, die de duinen tot sieraad strekt, zou dit het geval zijn, en hoever staat deze in kleurenpracht en grootte der bloem bij de gekweekten achter. Men zaait ze in Augustus, ook nog iets later op een verloren hoekje. Vóór den winter of vroeg in 't voorjaar kan men ze dan planten waar men ze 't liefste ziet, en dikwijls beginnen ze reeds in Maart, zoo niet nog vroeger, te bloeien. Voor kleine tuinen zijn ze onmisbaar en doorgaans kan men ze op de voorjaarsbloemmarkten in menigte, met half en heel geopende bloemen verkrijgen.
Van de tweejarige en wel absoluut tweejarige planten wil ik nog de Judaspenning (Lunaria biennis) noemen, een mooie plant, met een leelijken naam. Deze zaait men het beste op een rij, vóór langs heestergewas, een Centimeter of tien van het gras af. Men steekt dan in den vooraf goed losgemaakten grond gaten van 4 c.M. diepte ongeveer 25 c.M. van elkaar, en werpt in elk gat twee zaadkorrels, die plat en vrij groot zijn. Deze zaadplanten vormen in dien zomer rosetten van hartvormige bladeren, maar de stengels groeien niet verder op. In April daaraanvolgende begint er echter krachtige groeiin te komen; ze ontwikkelen zich dan spoedig tot 80 c.M. of een Meter hoogte, en vormen groote pluimen van fraai paarse bloemen. Op eenigen afstand gezien maakt dan zulk een rij vóór de groene heesters een zeer fraai effect, zoodat men ze dáár moet zaaien, waar men er uit het huis gezicht op heeft. Wanneer men, als ze uitgebloeid zijn, ééne plant laat staan voor de zaden, krijgt men daarvan overvloedig genoeg.
Deze plant heeft nog de eigenaardigheid van schoon te zijn ook na den dood. De groote, platte, eenigszins ovale vruchten, ter grootte van een gulden ongeveer, bevatten in het midden een zilverglanzig vlies. Wanneer ze volkomen rijp en goed gedroogd zijn, vallen er de beide buitenste oppervlakten af en dat vlies blijft zitten. Dan maakt die groote pluim een heel andere, maar ongetwijfeld een zeer fraaie vertooning, en is uitnemend geschikt voor winterbouquetten, hetzij op zich zelf alleen, hetzij met gedroogde grassen. Wil men ze daarvoor bestemmen, dan moet men ze natuurlijk niet afsnijden voordat ze geheel rijp zijn, d. w. z. voor dat de stengel dor en de plant kennelijk dood is.
Staan we nu even stil bij de
(7)Die hiervan en ook van alle andere zaken op den tuin en de planten betrekking hebbende meer uitvoerige bijzonderheden wil weten, verwijs ik naar mijnHandboek voor den Bloementuin, waarin al deze onderwerpen, ook voor grootere tuinen, uitvoerig behandeld zijn.
Dit zijn namelijk die, welke een zeer beperkt leven hebben, de helft korter dan de tweejarigen; immers haar geheele levensverloop ligt binnen een half jaar, meestal slechts een maand of vijf. In Mei gezaaid, houden de meesten het niet langer dan tot half October vol, en er zijn er die het nog vroeger opgeven; het hangt er maar van af of ze spoedig bloeien en het zaad snel rijpt, want daarna sterven zij.
Voor de tuinen zijn ze onmisbaar, inzonderheid om degroote verscheidenheid die zij opleveren, in een rijkdom van de fraaiste bloemgewassen; ook omdat men ze in korten tijd in grooten getale kan aankweeken.
Het is met dit al voor den eigenaar van een kleinen tuin niet raadzaam er veel aan te doen, wijl dan de tuin in den nazomer te open en ijl wordt, en het in het voorjaar te lang duurt eer men ontwikkeling ziet. Het beste is den tuin met heesters en vaste planten geheel te bezetten, maar, bij het plaatsen dezer laatsten het zoo aan te leggen, dat er hier en daar nog een zonnig en vrij plekje overblijft. Aan den indruk van het geheel schaadt dit in de lente en den voorzomer niet, en langzamerhand ziet men er dan verandering in komen.
Moet men in een kleinen tuin niet te veel aan zaadplanten doen, men hoede zich ook voor het tegenovergestelde uiterste, door ze geheel achterwege te laten. Zelfs en vooral onder de meest gewone en langst bekende soorten toch is zeer veel schoons, dat men met luttel moeite en kosten kan hebben, terwijl de tuin al erg overvuld zou moeten zijn, als er niet hier en daar een plekje voor zou te vinden zijn, men zou zich dan letterlijk van een groot genot berooven, door zich de kleine moeite, die zij vorderen, er niet voor te getroosten.
Er zijn veel zaadplanten, die niet goed direct buiten kunnen gezaaid worden, wijl ze dan niet of slecht of te laat opkomen. Men zaait die dan in potten onder een liggend raam. Voor kleine tuinen kan men ze best ontberen; er is overvloed van die, welke deze bijzondere zorg niet behoeven, en als men met zulk werk niet een weinig vertrouwd is, komt het licht verkeerd uit. Ik spreek hier dus alleen van die, welke men slechts in den kouden grond heeft uit te zaaien.
Maar nu is het natuurlijk niet onverschillig hoe mendit doet, en, als men bedenkt hoezeer de zaden onderling in grootte verschillen, begrijpt men ook wel dat ze niet allen op dezelfde wijze gezaaid moeten worden.
Men heeft hierbij te letten op de grootte der zaden en, in verband hiermede, ook een weinig op den grond.
In een zaadkorrel is een kiem, d. w. z. een jonge plant in onontwikkelden toestand besloten. Zijn de zaden nu zeer groot, dan mag men aannemen dat ook de kiem betrekkelijk groot en krachtig, zijn ze klein, dat deze ook zeer klein en zwak is. Legt men deze laatsten nu te diep in den grond, dan mist die kleine kiem de kracht om zich daardoor heen te worstelen, en verstikt in de aarde, in plaats van daaruit te voorschijn te komen; legt men daarentegen groote zaden niet diep genoeg daarin, dan worden ze in de bovenlaag niet genoeg doorweekt om het water in genoegzame hoeveelheid door de meestal zeer harde huid tot de kiem te doen doordringen, en ze blijven rustig liggen, tot eindelijk voortdurend regenachtig weer het ontkiemen mogelijk maakt.
Hieruit volgt dus vanzelf, dat groote zaden veel dieper moeten gezaaid of gelegd worden dan kleine, en dat men met zeer fijn zaad in dit opzicht bijzonder op zijn hoede moet zijn.
Onder de bloemzaden worden veel meer fijne dan groote aangetroffen en grooter dan een erwt zijn ze al niet. De grootsten nu legt men elk afzonderlijk, enkele Centimeters van elkaar af, ter diepte van 4–6 c.M.; zijn ze wat kleiner, dan wat minder diep en zijn ze nog wat kleiner, b. v. als de knop eener bakerspeld, dan mogen ze maar ½ Centimeter diep onder den grond liggen.
Dit in aanmerking nemende, begrijpt men vanzelve reeds, dat inzonderheid fijne zaden niet in te zwaren grond moeten gezaaid worden, wijl deze aan de oppervlakte bijdroog weer te vast is en, daar hij niet zoo goed als lichter grond kan verkruimeld worden, uit kleine harde kluitjes bestaat, waaronder de kiemende zaden verstikken.
Zware grond is trouwens over het algemeen voor zaadplanten ongeschikt, al zijn er, die zich daarin vrij goed ontwikkelen, zooals bv. de Zonnebloem en andere grofzadigen.
Wat nu tijd en wijze van zaaien betreft, zie hier nog daaromtrent een paar korte opmerkingen.
Men zaaie buiten vooral niet te vroeg. Hoe uitlokkend hiertoe soms het weer in April kan zijn, stelle men het gerust tot in Mei uit. Is de lente aanvankelijk ook zacht, ze kan later zeer koud wezen en is dit hier ook veelal. Vele zaden ontkiemen, bij gunstig weer, na een dag of acht, en volgt er dan kou, nachtvorst soms, dan loopen de kiemplantjes gevaar van verloren te gaan. Heeft het weer tegen het laatst van April een standvastig lentekarakter aangenomen, dan kan men er werk van maken, anders doet men beter het tot in Mei, kan het niet anders dan zelfs tot half-Mei uit te stellen.
Het beste is dit te doen nadat de grond door den regen goed bevochtigd is.
Natuurlijk heeft men vooraf den grond, waar men wil zaaien, goed losgemaakt en met een hark zoo fijn mogelijk verkruimeld. Voor grootere zaden komt dit laatste er niet erg op aan, des te meer voor kleinere. Nu duwt men met de hand over een oppervlakte van een vierk. halven Meter de bovenlaag wat op zij', en strooit het zaad gelijkmatig en vooral niet te dicht uit, waarna men er de op zij geschoven aarde over heen strooit, tegelijk de kluitjes zooveel mogelijk fijn wrijvende.
Is het zaad stoffijn, dan strooit men het boven op den vooraf wat omgeroerden en gelijk gemaakten grond uit en roert het een weinig door de bovenste laag heen.
Wil men een geheel perkje of een grootere oppervlakte met ééne soort bezaaien, dan spitte men den grond even te voren om, harke dien fijn en gelijk, waarna men er het zaad gelijkmatig en niet te dicht over uitstrooit. Dit gedaan zijnde, roert men het met de hark luchtig door de bovenlaag, waarbij men er op moet letten de hark met de linkerhand op te houden, zoodat die niet op de aarde rust, anders dringen te tanden te diep in den grond en zal dit ook met vele zaden het geval zijn.
In kleine tuinen echter zal dit weinig voorkomen, omdat de daarvoor geschikte perkjes te gering in aantal zijn. Het komt echter veel voor, dat men b. v. wel gaarne een perkje van een Meter voorResedawil bestemmen, en dan doe men dit als boven werd opgegeven.
Als algemeene regel, waarop geen uitzonderingen zijn, geldt dat éénjarige gewassen zoo vrij en licht mogelijk moeten staan. Beschaduwde plekjes deugen er volstrekt niet voor. Die kan men trouwens met enkele schaduwminnende vaste planten gemakkelijk genoeg bezetten, waarbij inzonderheid Varens in aanmerking komen. Te zaaien op plekken waar geen zon komt, baart slechts teleurstelling.
Na deze algemeene wenken wil ik nog even eenige van die zaadplanten vermelden, die voor een kleinen tuin geschikt zijn. Ik bepaal mij, dat wete men wèl, hier echter slechts tot enkelen uit de massa, tot die waarvan de zaden overal gemakkelijk en goedkoop te verkrijgen zijn; die, als men ze niet ál te ondoelmatig behandelt, niet mislukken, en door hare bloemen de weinige moeite die men zich ervoor moet getroosten ruim beloonen. Zij, die anderen of die er meer wenschen, hebben slechts een der tegen het voorjaar verschijnende zaden-catalogussen aan te vragen, waarin gewoonlijk, bij de namen, ook enkele toelichtingen omtrent de behandeling zijn gevoegd.
De Zonnebloem mag, omdat zij de grootste is, wel allereerst genoemd worden. Men moet er in een kleinen tuin slechts een paar hebben, en er dan op rekenen dat ze soms wel twee Meter hoog worden. Er is ook een Zonnebloem met groote dichtgevulde bloemen, beiden zijn, doelmatig geplaatst, fraaie planten. 't Is een zeer oude bekende, evenals de welriekendeLathyrus(in verschillende kleuren),de Goudsbloem, de Afrikaan, de Oost-Indische Kers.
Is de Zonnebloem een kloeke plant, niet minder is dit het geval met de Kattestaart (Amaranthus caudatus); deze heeft echter kleine zaden, die nogal dicht opkomen. Wanneer men de plantjes goed kan vatten, moet men ze grootendeels uittrekken, en er niet meer dan vijf of zes laten staan.
Zeer geliefd zijn de Chineesche Anjers (eigenlijk overblijvende planten, maar die men toch het beste als éénjarigen behandelt), voorts de goudgeleEschscholtzia, de éénjarige Ridderspoor, de driekleurigeConvolvulus, deClarkia's, deCollinsia's, de tweekleurigeCalliopsis, de Venusspiegel (Campanula Speculum),Anagallis grandiflora,Phlox Drummondiiin verschillende kleuren, de Nachtschoonen (Mirabilis), deGodetia, de lieve, de uiterst rijk bloeiende Kamillesoort alsMatricaria eximiamet gevulde bloemen, verschillende Lupinen, inzonderheid de blauweLupinusCruikshanksii, een paar Malowe's, als:Malope grandiflora(rood en wit) enHibiscus Trionum, een paar Papaver's, als:Papaver umbrosumenPapaver Danebrog, terwijl ook de in de korenvelden als onkruid voorkomendePapaver Rhoeas, en hare gevulde variëteit wel in aanmerking mogen komen. VerderNemophila, vooral de grootbloemigeN. maculata, de lieve, rijk bloeiendeSanvitalia procumbens, waarvan de enkeldbloemige niet minderfraai is dan de dubbelde, de hangende Silene (Silene pendula), enz. enz.
Al de hier genoemden zijn zeer algemeen bekend, en men heeft den naam ervan slechts aan een zaadhandelaar op te geven, om zeker te zijn ze te verkrijgen.
Nog deze opmerking: Hij, die zich hiermede tot dusverre nog niet zelf bezig hield, bepale zich het eerste jaar tot de bovengenoemden; dit is voor een kleinen tuin een voldoend getal; wat Reseda-zaad komt er dan natuurlijk ook bij. Voorts late hij dit werk niet aan een ander over, al zou die het misschien ook veel beter doen. Hij zaaiezelf, na een regenachtigen dag; 't is een werk van een uur, laat het er twee zijn, en dan zal hij eens zien met hoeveel meer belangstelling hij de ontkieming en de verdere ontwikkeling volgt; hoe veel grooter het genot zal zijn, dat de bloei dier planten hem schenkt! Hij zal zich dan als vanzelf opgewekt gevoelen te trachten er rijpe zaden van in te zamelen, en kan dan met zijn overvloed ook anderen gerieven. De éénjarige planten vorderen wat meer werk dan de overblijvende, maar wanneer dit werk ontspanning is, beantwoordt de tuin, hoe klein dan ook, goed aan zijn doel.
Waar sprake is van planten voor bloemperken komen zeker de Rozen in de eerste plaats in aanmerking. De Roos toch is de meest geliefde bloem van de oudste tijden af, en er is geen tuin zoo klein, geen plekje grond, zoo weinig beteekenend, waar zij mag ontbreken; ook zoekt men haar nergens tevergeefs.
Ik moet hier inzonderheid wel in 't oog houden, dat wemetkleinetuinen te doen hebben, om over dit onderwerp niet breeder uit te weiden, dan voor ons tegenwoordig doel noodig en wenschelijk is, want, kan men de Rozen ook niet ontberen, men mag er toch niet te veel ruimte voor beschikbaar stellen, en in den regel bepaalt het zich dan ook tot een enkel bloemperkje. Waartoe zou het dan noodig wezen hier een lange lijst op te geven, een keuze uit het circa zeven honderdtal verschillende Rozen, terwijl men zich slechts tot zeer enkele soorten moet bepalen?
Men kweekt de Rozen in tweeërlei vorm, namelijk als zoogenaamde Stamrozen en als Struikrozen.
De eersten, hoe onnatuurlijk ook, zijn de wensch van velen, en het zou dus bitter weinig helpen of ik ze al afraadde. Ik voor mij houd er niet van, en ik heb dan ook geen enkele Stamroos; daarentegen veel Struikrozen. De kronen der Stamrozen zijn dikwijls ijl, ze loopen gevaar bij hevigen wind af te breken; de stammetjes zijn dikwijls krom, knoesterig en leelijk en het geheele cultuurproduct vloekt tegen de natuur.
Zoo denken er echter niet allen over, en de meesten hebben gaarne het viervijfdubbele voor een Stamroos over van 't geen een goede Struikroos kost. Daar nu de smaak zich niet laat dwingen, en iedereen zijn tuin voor zijn eigen liefhebberij heeft, volge ook ieder daarin zijn eigen zin.
Men kan de Stamrozen op verschillende wijzen plaatsen, en wel op een perkje of hier en daar op luchtige en lichte plekken vóór ander heestergewas. Is men zeer beperkt in zijn ruimte, dan verdient het laatste de voorkeur; ze nemen dan maar zeer weinig plaats in, terwijl men zijn weinige perkjes voor iets anders vrij houdt.
De Stamrozen zijn echter ook zeer geschikt voor een perkje, en als dit wat groot is nog beter. Men moet ze dan op minstens 60 c.M. onderlingen afstand planten, terwijldan tusschen elke twee Stamrozen plaats is voor een Struikroos, welke laatsten het vervelend eentonige dier kale slungelachtige stammetjes breken.
Weer anderen geven er de voorkeur aan ze te planten langs een pad, en er dus een soort allée van te maken. Ook dit kan doelmatig zijn, daar ze op deze wijze eigenlijk in 't geheel geen plaats innemen.
Een ontegenzeggelijk fraaie vorm is de zoogen. Treurroos, voor welke kweekwijze echter maar enkele soorten geschikt zijn: eigenlijk zijn dit van nature Klimrozen; op hooge stammen geënt, hangen haar slanke takken naar beneden. Wanneer een Treurroos goed vrij staat en er behoorlijk de hand aan gehouden wordt, kan zij inderdaad zeer fraai zijn, en tijdens den bloei een heerlijk effect maken. Het beste plaatst men ze in een grasveldje, zorg dragende, het gras in den vorm van een rond plekje van 60 c.M. middellijn te verwijderen, opdat de zon den grond kan verwarmen.
In den handel komt algemeen een roode en een witte Treurroos voor, die beiden, om de massa bloemen welke een goed ontwikkeld exemplaar tegelijk voortbrengt, gelijkelijk kunnen aanbevolen worden. Op zichzelf behooren de bloemen op verre na niet tot de fraaisten; men houdt ze er dan ook meer op na om het fraaie gezicht dat het geheel oplevert.
Bij het planten der Stamrozen lette men er op de gekneusde wortels af te snijden, terwijl het zeer nuttig is ze eenige uren vooraf met de wortels in het water te leggen. Dat de grond in de rondte niet vast mag zijn, begrijpt men vanzelf wel; men maakt daarin een gat wat dieper en breeder dan direct voor de wortels noodig is, werpt er wat ouden koemest in, dien men door den grond roert en zet daar de wortels op. De grond, waarmede menhierop het gat vult, vermenge men mede met ouden koemest, en giete dien goed in, alvorens hem vast—niet al te vast—aan te trappen.
Na het planten laat men ze liefst een paar weken zonder stokken staan. Mooi is dit zeker niet, want, zelfs al zijn de stammen recht, ze maken dan toch het vertoon van een troepje dronken soldaten, die het onmogelijke doen om een goede houding aan te nemen. Dit komt echter bij het aanbinden wel terecht; doet men dit te vroeg, dan hangt men ze op, daar de grond onder de wortels allicht nog zal inzakken.
Van de Struikrozen komt in de allereerste plaats de Maandroos in aanmerking, om haar overrijken bloei tot laat in het najaar. Men heeft donkerroode en licht rose Maandrozen, en het kleurt goed wanneer men beiden dooreen plant. Fraaier nog dan de gewone zijn de dubbelde of gevulde Maandrozen, vooral omdat de bloemen steviger en meer gesloten, en daarom beter dan de gewone voor bloemmandjes, enz. geschikt zijn. De oude gewone Maandroos moet men hiervoor niet afsnijden als de bloem reeds geheel open is, daar ze dan te spoedig uitvalt; het beste is ze in 't geheel niet af te snijden en er alleen gestadig de uitgebloeiden uit te knippen, wijl die het geheel ontsieren. Voor zoogen. snijbloemen kieze men andere Rozen, terwijl ook de gevulde Maandroos hiervoor te gebruiken is.
Behalve eenige Maandrozen plante men vooral ook eenige verschillende Struikrozen. De keus is zóó ruim, dat men zich erin verliest, maar men kan dat gerust aan een boomkweeker overlaten, want er worden tegenwoordig geen soorten meer gekweekt die niet schoon zijn, en in hoeverre de ééne het in schoonheid wint van de andere, daaromtrent zijn de gevoelens in de meeste gevallen even verschillend als er verschil van smaak is.
Voor een kleinen tuin is een perk met gemengde soorten zeer aan te bevelen, ofschoon ik het anders verkieslijker vind een aantal planten van een en dezelfde soort bijeen te zien. Zoo kan men zich moeilijk iets schooners voorstellen dan een perk met de heerlijkeSouvenir de la Malmaison, welker bloemen vooral in de tweede helft van den zomer haar toppunt van schoonheid bereiken; of een perk met de forschePaul Neyron, met haar verbazend groote, goed gevormde en volkomen gevulde bloemen, aan Pioenrozen gelijk; of deheerlijkela France, die men wel haast als de type van een goed gevormde kloeke Roos zou willen beschouwen. Zoo is het met deGéant des batailles,la Reine, enz. enz., wel is waar oudere maar nog altijd onder de fraaiste gerekende Rozen. Vergeten we echter de oude boeren of honderdbladige Roos, ook wel de Centifolie-Roos, de Provincieroos, en de Mosroos niet. Wel bloeien die niet door of remonteeren zij niet, gelijk men dit noemt, maar de bloei duurt toch lang genoeg, om in dit opzicht met vele zoogen. Remontant-Rozen geen groot verschil op te leveren. De Mosrozen vooral zijn, half geopend, om de fraaie knoppen, voor bloemvazen, enz. zeer gezocht. Men doet echter wel dezen laatsten een plaatsje bij de heesters te geven, daar ze hooger opgroeien dan dit voor de meeste Struikrozen wenschelijk is, die men dan ook beter doet jaarlijks laag, d. w. z. tot op 30 à 40 cM. hoogte in te snijden.
Wat het planten der Struikrozen betreft, dit behandele men met dezelfde zorg als de Stamrozen; de Rozen beminnen een goeden, voedzamen grond, en hoe zorgvuldiger men ze plant, des te fraaier zullen zij bloeien. Eer ik van dit onderwerp afstap nog deze opmerking.
De Struikrozen, die men van de kweekers ontvangt, zijn in den regel niet wortelrecht, d. w. z. ze staan niet opeigen wortels, maar zijn op wildelingen geënt. Met de Maandrozen, die geregeld van stek gekweekt worden, is dit laatste niet het geval. Dit nu dient bij de planting in 't oog gehouden te worden. Ze zijn, zooals men dit gewoon is te noemen, laag, d. w. z. vlak bij den grond geënt, zoodat men zou meenen ongeënte struiken te hebben.
Men plante ze daarom diep, zoo diep, dat de plaats der enting een paar Centimeters onder den grond komt. Men heeft dan eerstens minder kans op het uitgroeien der wildelingen, en bovendien dat de geënte Roos zelfstandig wortels maakt. Het uitloopen der wildelingen wordt, vooral door onkundigen, veelal niet opgemerkt; men houdt die sterk groeiende wilde takken voor een bewijs van gezonde ontwikkeling; maar men zal, tot zijn verwondering, na weinige jaren zien dat het getal bloeiende planten minder wordt, en dán blijkt dat er verscheidenen der geënte Rozen dood zijn, terwijl de wildelingen zich tot forsche struiken ontwikkelden. Door diep planten voorkomt men dit euvel wel niet geheel, maar toch grootendeels; in elk geval is het zaak er steeds op te letten, en de wilde takken, die, bij eenige opmerkzaamheid, in den regel gemakkelijk van de veredelden te herkennen zijn, bijtijds dicht aan den stengel waaruit ze ontsproten af te snijden.
Eindelijk is het voor hem, die op zijn Rozen prijs stelt, zaak er tegen den winter een flinke laag blad tusschen en over uit te spreiden. De meeste doorbloeiende Rozen zijn wel tegen de winterkou bestand, maar dit heeft toch zijn grenzen, en als de winter streng is heeft men anders kans er velen te verliezen. Zelfs voor de Maandrozen, hoe hard die overigens ook zijn, is deze maatregel verre van overbodig te achten. Heeft men Stamrozen, dan binde men, nadat de bladeren afgevallen zijn, de takken, zonder ze in te snijden, los bijeen en omwoele ze met stroo,terwijl men de wortels met blad bedekt. Heeft men mogelijk een schuurtje, dan kan men ze tegen den winter opnemen, en daarin tegen de felle vorst beschermen; maar dan zorge men er vooral voor dat de wortels goed met aarde gedekt worden.
Men ziet het, er valt aan Rozen, als men er prijs op stelt ze goed te hebben, meer te doen dan aan andere heesters en vooral aan vaste planten; maar het zijn dan ook Rozen, en als zoodanig hebben ze reeds vanzelf aanspraak op meerdere zorg.
Overigens is dit met al de planten voor bloemperken het geval, voor zoover men deze niet met vaste planten vult of ze bezaait. Dit laatste is zeker de goedkoopste en gemakkelijkste wijze van handelen; maar er zijn toch nog andere planten, die men in geen tuin, hoe klein ook, kan ontberen, en waarvoor men zich gewoonlijk gaarne eenige uitgaven en ook eenige meerdere moeite getroost. De voornaamsten daarvan zijn de volgenden.
VooreerstHeliotropen, zoo algemeen gezocht om den heerlijken zachten geur harer bloemen. Daar de Heliotroop een Indische plant is, kan ze niet tegen kou en bij de minste nachtvorst bevriest ze. Men moet ze dus vooral niet te vroeg in den tuin planten, stellig niet vóór half-Mei, en zorgen dat de grond los en vruchtbaar is. Ook moeten ze zooveel immer mogelijk is genot van de zon hebben. Het beste zijn ze geschikt voor een klein perkje, daar ze als alleenstaande planten geen effect maken. Wil men er geen perkje aan geven, dan kieze men een zonnig plekje, groot genoeg om er althans een vijf- of zestal op 25 c.M. onderlingen afstand bijeen te kunnen planten. Ze bloeien overvloedig tot ze bevriezen, en men behoeft met de bloemen niet zuinig te wezen, dat zeker een verdienste is, wijl ze voor de kamer en ook als knoopsgatbloemenzeer gezocht zijn. Men kan er ook een zeer donkere verscheidenheid van krijgen en nog een paar anderen met grootere bloemen; voor een kleinen tuin houde men zich echter aan de gewone.—
Geranium's(8)kunnen mede onmisbaar geacht worden, en dit wel inzonderheid de zoogenaamde Waterloo- of zonale-Geraniums, veelal kortweg „zonalen” genoemd. Van deze mild bloeiende planten wordt een druk, mogelijk, in groote tuinen vooral, wel wat al te druk gebruik gemaakt. Intusschen blijft het waar, dat wellicht geen andere plant beter, weinigen zoo goed geschikt zijn voor bloemperken.
Vroeger kende men er alleen bloedrood bloeienden van; later slaagde men er in ook verschillende lichter en donkerder nuancen van te winnen, en eindelijk mocht men zich verheugen ook in de aanwinst van zuiver witte verscheidenheden. Alle andere daartusschen liggende schakeeringen worden bij deze bloemen gevonden, niet alleen in de enkeld-, maar ook in de gevuldbloemigen.
Deze laatsten zijn echter voor ons tegenwoordig doel niet geschikt; bij regenachtig weer toch blijft er veel water tusschen die dicht opeenzittende bloemen hangen, waardoor ze verrotten. Voor perken neme men dus alleen enkeldbloemigen.
Nu kan men voor een perkje zijn keus bepalen tot één enkele soort of men kan er twee of drie van verschillende en uiteenloopende kleuren nemen, en deze kransgewijs om elkaar planten, of eindelijk men kan een perk met een aantal verschillenden door elkaar bezetten. Dit is keuselke manier kan wat fraais geven. Toch is de laatste handelwijze het minste aan te bevelen, omdat ze wel eens wat ongelijk willen groeien, en het geheel dan een verward aanzien verkrijgt. Een perk met helderrooden vol geplant, en dan daaromheen een rand van witte bloemen staat fraaier.
Veelal plant men de zonale-Geraniums in den vrijen grond; het is echter beter ze in de potten, als die niet al te klein zijn, te laten, en dezen dan zoo diep onder den grond te graven, dat de randen der potten 4 à 5 c.M. hoog met aarde bedekt zijn. Wèl zullen de planten, wanneer ze in den vrijen grond zijn uitgeplant veel forscher groeien, maar juist dit is het wat men moet trachten te voorkomen, omdat ze dan wel veel en groote bladeren maken, maar weinig bloemen geven. Blijven ze in de potten staan, dan wordt de groei daardoor eenigszins belemmerd; niet zooveel echter dat de planten er minder gezond om zullen uitzien, wijl ze door het gat dat in den bodem der potten is en zelfs over den rand der potten heen, met hare wortels in den omringenden grond kunnen dringen.
Sommigen willen haar ook dit beletten, om zich een rijken bloei te verzekeren, en draaien daarom de potten herhaaldelijk om, waardoor de worteltjes, welke buiten de potten in den grond drongen, afbreken. Dit is zeker een goede maatregel, als men maar niet verzuimt het minstens eenmaal om de acht dagen te doen. Wacht men er echter te lang mede, zoodat de wortels zich reeds door en over den pot in den grond konden verspreiden, wat in den zomer zeer spoedig gebeurt, dan zal men tot zijn teleurstelling een aantal bladeren zien geel worden, en het mooie is voor verscheidene weken, zoo niet voor goed, van de planten af. Daarom is het beter ze maar stil te laten staan, en ze, mits ze diep genoeg ingegraven zijn, niet te gieten.De meeste soorten zullen dan niet te wild groeien en rijk bloeien.
Behalve de zonale- komen ook nog de zoogenaamde grootbloemige en de fijnere, teederevariëteiten, deOdier-enFancy Geranium'sin aanmerking. Ook deze laat men in de potten staan, die men onder den grond graaft. Deze Geraniums van den ouden stempel leveren een groote verscheidenheid van keurige bloemen. Ik kan echter niet aanraden er in een kleinen tuin een perkje geheel mede te bezetten, gelijk men nogal eens doet. Ze hebben wel is waar een tijd, midden in den zomer, dat ze zeer fraai bloeien, en dán is dit keurig, maar het duurt te kort. In een grooten tuin, waar men velerlei planten tot zijn beschikking heeft, is dit wat anders. Men neemt ze dan eenvoudig na den bloei op, en vervangt ze door laat bloeiende planten; maar een kleine tuin moet in het voorjaar zoo ingericht worden, dat hij blijvend goed is voor den geheelen zomer, anders wordt het velen te kostbaar en den meesten te bewerkelijk.
Zeker, de grootbloemige Geraniums zijn niet te versmaden, maar men verdeele er dan liever eenigen door den tuin, waar allicht kleine plekjes voor zijn te vinden. In elk geval laat men ze in de potten staan, en graaft die dan zoo diep in den grond, dat de rand daarmede gelijk komt. Dán moet men ze bij droog weer dagelijks gieten. Ziet men daar tegen op, dat moeielijk is aan te nemen, wijl het een aangename recreatie is, dan grave men ze 3–4 c.M. met den pot onder den grond; alleen bij aanhoudende hitte en droogte zullen ze dan nu en dan begoten moeten worden.
Op de Geranium's volgen natuurlijk deFuchsia's.
DeFuchsia'sontwikkelen zich het fraaiste en bloeien het rijkste, als men in Meijongeplanten uit de pottenneemt en in den vollen grond plant. Zeer komt hiervoor inzonderheid in aanmerking een oude soort, welker knoppen, als ze op het punt zijn van zich te openen, kogelrond zijn, en die daarom dan ook de kogelronde F. (Fuchsia's globosa) genoemd werd. Het gaat echter niet gemakkelijk om daarvan jonge planten te krijgen, daar de kweekers deze oud bekende er niet meer op nahouden. Heeft men er eenmaal een perkje mee vol staan, dan heeft men ze ook voor het vervolg, als men zich slechts de moeite wil geven de stengels in het najaar een paar Centimeter boven den grond af te snijden, en de planten daarna met een laag turfmolm te dekken, waarover men veiligheidshalve nog een laag blad kan strooien. Ze blijven dan, zelfs in de strengste winters, goed, en groeien in Mei weer flink uit, om in den zomer mooier te worden dan te voren. Aan de bevallig naar alle zijden overgebogen takken brengen ze onafgebroken een overvloed van hare glimmend lakroode bloemen voort, en leveren een uiterst vroolijk gezicht op.
Hetzelfde kan men ook met andere niet al te hoog opgroeiende soorten doen, b. v. die met rooden kelk en witte bloemkroon, dus rood van buiten en wit van binnen, waarvan er zijn met enkelde en met volkomen gevulde bloemen. Een perkje aldus met een aantal planten van een en dezelfde soort bezet is m. i. veel fraaier dan wanneer men van alles dooréén plaatst, daar men dan een ongelijkmatigen groei, groveren en fijneren bijeen heeft, een onregelmatigheid die voor zulk een perk niet gewenscht is.
Geeft men dan ook aan gemengde soorten de voorkeur, zoo houde men ze in de potten, en grave ze daarmede met den grond gelijk. Vooreerst zullen de groveren dan veel minder wild groeien, en ten anderen kan men ze naar willekeur verplaatsen, om toch een ordelijk geheel te krijgen.Dan echter mag men ze niet al te lang laten stilstaan, wijl anders de wortels te veel door de potten heengroeien en zij dan bij het opnemen en verplaatsen lijden.
Dankbaarder bloeiende planten dan deFuchsia'szullen inderdaad schaars gevonden worden, terwijl ze een schier eindelooze verscheidenheid bieden in de grootte, den vorm en ook de kleur der bloemen. Daar heeft echter de eigenaar van een kleinen tuin niet veel mee te maken. Hij kieze een paar goede soorten, die aan zijnen smaak voldoen, en stelle zich, voor bloemperken althans, daarmede tevreden. Een lief gezicht leveren intusschen enkeleFuchsia'shier en daar door den tuin verspreid op, en hiertoe kan men verschillenden nemen. Ze zijn tegenwoordig zoo gemakkelijk en goedkoop te verkrijgen, dat dit geenerlei bezwaar oplevert.
Wil men een juist voor een kleinen tuin zeer geschikt gebruik vanFuchsia'smaken, dan trachte men een oude soort te krijgen,Fuchsia virgatageheeten, met langwerpig smalle bladeren, lange, roedevormige stengels en langwerpige, op zich zelf, in vergelijking van anderen, onaanzienlijke bloemen. Nu make men in het gras een rond perkje van 50 c.M. in diameter, grave dit uit en vulle het met goeden voedzamen grond. Hierin zet men dan een vijftal dezer planten (jonge altijd) in den vrijen grond, één in het midden en vier daaromheen. Die zullen tot een Meter hoogte opgroeien, en in den zomer een gesloten geheel vormen, waarvan de takken naar alle zijden, sierlijk gebogen overhangen; ze brengen een regen van bloemen voort. In het najaar snijdt men ze af en dekt ze als boven is opgegeven; als in April dat dek er is afgenomen, groeien ze in Mei weêr uit, en zijn daarna veel sterker. Het effect dat zulk een onnoozel bosje maakt is verrassend, de kosten beteekenen niets en de moeite nog minder.
Onder de mildst bloeiende en meest gezochte planten voor bloemperken behooren ongetwijfeld tegenwoordig deKnol-Begonia's; ik zeg tegenwoordig, wijl deze planten, immers gelijk men die thans kent, eerst in den laatsten tijd door cultuur werden gewonnen, en ze pas sedert eenige jaren meer bepaald onder het bereik van iedereen zijn gekomen.
Zij sterven in het najaar af, terwijl de jaarlijks grooter wordende knollen gedurende den winter slapend in leven blijven, en dan op een vorstvrije en niet te vochtige plaats bewaard moeten worden.
Ze moeten niet buiten geplant worden vóór half-Mei, daar ze uiterst gevoelig zijn voor nachtvorst.
Ik ga hierbij uit van de veronderstelling dat men ze als uitgegroeide planten op een perkje plaatst, daar dit toch zeker het verkieslijkste is. Men moet daartoe de knollen reeds in Maart op een eenigszins warme plaats tot ontwikkeling brengen, wat voor hen, die kas noch bak hebben, nog al lastig is. Kan men een raampje op een zonnig plekje neerleggen, al is het maar op een vierkant walletje van aarde, of op den kant geplaatste planken, dan heeft men er verder weinig of geen moeite mee. Men plant daarin de dan nog slapende knollen in lichten grond of in wat zand, en houdt het raampje dicht en den grond matig vochtig, totdat ze beginnen uit te groeien. Bij zeer zonnig weer in April strooit men losjes wat zand over het raam om het branden van de zon te beletten, en naarmate de planten uitgroeien en het seizoen vordert, laat men er, aanvankelijk overdag, daarna ook 's nachts, de lucht doorspelen. Het laatste niet bij helder, scherp weer. In 't begin van Mei neemt men het raampje overdag geheel weg, en legt het er veiligheidshalve 's avonds weer op. Zoo krijgt men tegen het midden van Mei sterkeplanten, die, dán in lichten, goed gemesten grond, buiten geplant, onmiddellijk gaan doorgroeien.
Daar zulk een raam, ('t kan een venster wezen) zeker wel te krijgen en de moeite niet groot is, meende ik dit hier te moeten aanteekenen.Knol-Begonia'stoch wil iedereen hebben, en het is jammer die, als men mooie soorten heeft, tegen den winter te laten dood gaan, daargelaten nog de dan in het voorjaar terugkeerende kosten voor anderen; terwijl men dan allesbehalve zeker is even fraaien te zullen krijgen. Bovendien kan zulk een raampje van b.v. 60 à 70 c.M. in 't vierkant, dan tevens dienen omDahlia'sin te laten uitgroeien, wat ook beter is dan de onuitgegroeide knollen direct in den tuin te planten.
De behandeling van deze beide knolgewassen, zoowel wat het opnemen in het najaar, als het bewaren gedurende den winter en het planten in het voorjaar betreft, is volmaakt dezelfde. Komen echter deDahlia'snog wel in wat zwaren grond voort, deKnol-Begonia'svereischen bepaald lichten grond; groeien deDahlia'shoog, zelfs de laag blijvenden nog tot 50–70 c.M. op, deKnol-Begonia'sblijven veel lager en worden gemiddeld niet hooger dan 30 c.M. Hierop dient dus bij de plaatsing gelet te worden.
Men heeft tegenwoordigKnol-Begonia'smet reusachtige bloemen; ik zou echter den eigenaar van een kleinen tuin niet aanraden daarmee te beginnen, maar zich tot die van middelmatige grootte te bepalen, welke tegenwoordig bij duizenden en tienduizenden in het voorjaar verhandeld worden.
Wat de kleur betreft, gewoonlijk koopt men ze in gemengde kleuren, d. i. van wit en geel, door allerlei nuancen van nanking, rose, enz., tot purper of donker bloedrood, en plant die dan op een perkje dooreen. In den laatsten tijd hebben de kweekers er zich echter op gaantoeleggen om enkele fraaie en daartoe door haren groei en gemakkelijken, milden bloei bijzonder geschikte soorten van bepaalde, sprekende kleuren in massa te kweeken, zoodat de kosten nu niet veel grooter zijn, wanneer men een perkje met een en dezelfde soort beplant, wat m. i. om den gelijkmatigen bloei altijd veel vóór heeft. Men kan dan natuurlijk tweeërlei of drieërlei kleuren om elkaar heen planten, b. v. donkerrood in 't midden, zacht rose daarom heen en het geheel met een rand zuiver witten omvatten. Dit hangt alweer van den smaak af.
DeKnol-Begonia'sverlangen een warme standplaats, gelijk hare geheele ontwikkeling en haar bloei van warmte afhankelijk is. In zeer ongunstige zomers worden ze op vele plaatsen, waar de ligging wat te open is, niet fraai. Toch is het niet raadzaam ze dáár te planten, waar ze in den zomer den geheelen dag aan de zon zijn blootgesteld. Een lichte schaduw na den middag komt haar ten goede. Kan men echter niet anders, dan is een zonnig plekje altijd verre te verkiezen boven een dat het grootste gedeelte van den dag in de schaduw ligt. Zulk een plaats past voor deze plantenin't geheel niet.
DeKnol-Begonia'skomen pas goed tot ontwikkeling in de tweede helft van den zomer, maar dan ook worden ze, als ze in goeden grond en op een niet te ongunstige plek staan, prachtig in den ruimsten zin van het woord; reden waarom men ze steeds zoo moet trachten te plaatsen, dat men er uit het huis het vrije gezicht op heeft.
't Is waar, deze planten vorderen, als men ze moet koopen, een kleine uitgaaf, en men moet zich aanvankelijk een weinig moeite er voor geven, maar zij beloonen dit later zoo ruim, dat men haar gerust een tegenwoordig onmisbaar bestanddeel ook van een kleinen tuin kan noemen.
Wanneer ik nu nogPetunia'senVerbena'snoem, heeft men voor zulk een beperkt terrein waarlijk ruimte van keus, want alles te gelijk kan men daar met geen mogelijkheid hebben. Daarom is het verkieslijk in het ééne jaar dit, in het andere jaar wat anders te nemen.
Over beiden valt hier niet veel te zeggen. DePetunia'szijn het beste voor een geheel perkje geschikt, waarbij men aan laag blijvenden de voorkeur moet geven. Gevoegelijk kan men er een rand vanVerbena'somheen planten, hetwelk men ook nogal eens om de Heliotropen doet.
Over het algemeen zijn deVerbena's, daar zij laag blijven en deels over den grond kruipen, het beste voor zulk een buitenrand geschikt, maar dan bij voorkeur niet om een perkje met sprekend gekleurde bloemen; om geen Zonale-Geraniums of Knol-Begonia's b.v., daar dan het geheel te onrustig wordt; om die reden komen deVerbena'sdan ook beter omHeliotropendan omPetunia'svoor.
Men koopt het beste in het voorjaar jonge planten, die dan in den open grond uitgeplant worden. In het najaar ruimt men ze eenvoudig op. Hetzelfde doet men met deGeranium's, die voor een eigenaar van een kleinen tuin het bewaren niet waard zijn, daar ze, zoo men ze al goed door den winter krijgt, in den volgenden zomer veel minder fraai zijn dan jonge planten. MetFuchsia'sis dit eenigszins anders. Heeft men deze op een vorstvrije plaats bewaard, dan kan men die, na ze in het voorjaar in wat grootere potten geplant te hebben, hier en daar door den tuin verdeelen; voor een perkje neemt men echter bij voorkeur jonge planten.
Men lette dan echter wel op, dat ze binnen niet te sterk mogen uitgroeien, waarom het 't beste is ze reeds in Maart buiten, op een luw plekje tegen een muur of schutting te plaatsen. Als ze buiten uitgroeien, worden zeveel mooier, dan wanneer ze binnen slappe, zwakke uitspruitsels maken, die later niet tegen de lucht bestand zijn. Tijdig buiten gezet, voordat ze sterk uitgroeiden zal een nachtvorstje haar geen kwaad doen.
De planten, die ik hier als voor bloemperken geschikt, vermeldde, zijn, ik herhaal het, de meest bekenden, maar tevens de meest gezochten. Die zich niet bepaald met plantenliefhebberij bezig houdt, en wien het er alleen om te doen is dat zijn kleine tuin er in den zomer aantrekkelijk uitziet, bepale zich tot een keuze daaruit. Men kan ze tegen Pinksteren op de bloemmarkten in menigte vinden, en zich dan voor weinige guldens een maanden achtereen aanhoudend genot koopen.
Om er nog wat meer afwisseling aan te geven, kan men echter ook nog gebruik maken van eenige andere planten, die òf om hare fraai gekleurde bladeren, òf om hare sierlijke groeiwijze daarvoor in aanmerking komen. Daarom laat ik ook over dezen hier nog kortelijk enkele opmerkingen volgen.