Simonides was de eerste, die het stilzwijgen verbrak. Hij herinnerde zich dat hij de gastheer was. Esther, zeide hij, het is reeds laat in den avond. Voordat wij verder gaan moest gij ons wat ter verfrissching voortzetten.
Zij schelde, waarop een dienstmaagd brood en wijn bracht en het gezelschap aanbood. Toen allen bediend waren, zeide Simonides tot Ben-Hur: Meester, ons leven zal in het vervolg zijn als twee stromen, die elkander ontmoetten, samenvloeiden, en zoo vereenigd hun weg vervolgen. Daarom is noodig dat geen wolkje onzen horizon verduistere. Ik liet u den vorigen keer vertrekken in de meening, dat ik uwe aanspraken niet liet gelden. Toch was dat niet zoo. Esther kan getuigen, dat ik u terstond herkende. Dat ik u niet aan uw lot overliet, daarvan is Malluch het bewijs.
—Malluch! riep Ben-Hur.
—Die aan zijn stoel gebonden is moet vele en vèrreikende handen hebben. Zoo heb ik er verscheidene en Malluch is een van de beste. Soms ook roep ik de hulp in van goede vrienden, zooals Sheik Ilderim den edelmoedige. Hij kan u zeggen, of ik u vergat of verloochende.
Ben-Hur zag den Arabier aan en zeide: Hebt gij dus hier gehoord wie ik ben, goede Sheik?
Ilderim knikte toestemmend.
—Meester, vervolgde Simonides, hoe kunnen wij een mensch beoordeelen, dan door hem te beproeven? Ik herkende u terstond. Gij waart het evenbeeld uws vaders; maar ik wist niet tot welke soort van menschen gij behoordet. Voor sommigen is rijkdom een vloek. Waart gij een van die? Dat moest Malluch voor mij uitvinden. Duid hem dat niet ten kwade. Hij bracht mij niets den goed van u over.
—Neen, ik neem het hem niet kwalijk, zeide de jonkman hartelijk. Er was wijsheid in uwe goedheid.
—Die woorden doen mij goed, zeide de koopman aangedaan. Alle vrees voor misverstand is verdwenen. Nu mogen de rivieren te zamen haren loop vervolgen, waarheen God ze leidt.
Na een oogenblik zwijgens ging hij voort: Als ik terugzie op de vervlogen jaren, zeg ik, evenals gij, meester: Ik zie Gods hand. Wat is zijn bedoeling?... Want het vermogen is in mijne handen vertienvoudigd, en ik was dikwijls verbaasd over dien wasdom. Ik zag, dat een ander oog dan het mijne over mijne ondernemingen waakte. Desamoems, die schrik der woestijnen, spaarden mijne karavanen. De stormen, die zoovele schepen te gronde richtten, dreven de mijne slechts te sneller de veilige haven binnen. En het opmerkelijkste is, dat ik, gebondene, zoo afhankelijk van anderen, nooit schade leed door mijne agenten, nooit. De elementen dienden mij, en al mijne onderhoorigen waren getrouw.
—Ja, dat is opmerkelijk, zeide Ben-Hur.
—Daarom vraag ik: Wat kan God er mede bedoelen, vervolgde de grijsaard. Jarenlang reeds wacht ik op een antwoord. Ik geloofde, dat Hij mij op zijn tijd het antwoord zou geven. Ik geloof, dat Hij het gedaan heeft. Vele jaren geleden vertoefde ik te Jeruzalem en zat op zekeren avond met mijne vrouw buiten aan den weg, dicht bij de graven der koningen, toen drie vreemdelingen op witte kameelen naderden en bij ons stilhielden. Een van hen vraagde mij: Waar is de geboren Koning der Joden? Want wij hebben zijne ster in het oosten gezien en zijn gekomen om hem te aanbidden.—Ik begreep hem niet, maar volgde hem tot aan de Damascuspoort, en aan ieder, dien zij tegenkwamen, deed hij dezelfde vraag. Later vergat ik deze ontmoeting, hoewel er in die dagen veel over gesproken werd, alsof de komst van de Messias ophanden was. Helaas, helaas, wat zijn zelfs de verstandigsten onder ons nog kinderen. Als God over de aarde wandelt zijn zijne voetstappen soms eeuwen van elkander verwijderd. Hebt gij Balthasar reeds ontmoet?
—Ja, hij heeft mij zijne geschiedenis verteld, antwoordde Ben-Hur.
—Een wonder, een waar wonder, zeide Simonides. Toen hij het mij vertelde scheen ik het antwoord te hooren, waarop ik zoo lang had gewacht. Gods doel werd mij op eenmaal duidelijk. Arm zal de Koning zijn, als hij komt, arm en zonder vrienden, zonder gevolg, zonder leger, zonder steden of burchten. Zijn koninkrijk zal nog moeten gesticht worden en Rome zal moeten gefnuikt en vernietigd worden. Zie, meester, gij, toegerust met kracht, geoefend in den krijg, overladen met rijkdommen, zie, welke gelegenheid God u geeft! Zal zijn doel niet uw doel zijn? Kan iemand tot heerlijker werk geroepen worden?
—Maar het Koninkrijk? vraagde Ben-Hur. Balthasar zegt, dat het uit zielen zal bestaan.
Fier hief Simonides het hoofd op. Een spottende glimlach speelde om zijne lippen. Zijn nationaaltrots ontvlamde.
—Balthasar is getuige geweest van vreemde dingen, dat is waar, en als hij spreekt luister ik eerbiedig, want hij heeft ze gezien en gehoord. Maar—hij is een zoon van Egypte. Hij is niet eens een proseliet. Wij kunnen niet aannemen, dat hij meer dan een ander weten zou van Gods plannen met ons volk. De profeten ontvingen hun licht rechtstreeks uit den hemel, hij ook, dat is zoo; maar zij zijn velen in getal, hij staat alleen. Jehova blijft altijd dezelfde. Ik moet de profeten gelooven. Breng mij de Tora, Esther.
Terwijl zij het verlangde ging halen, vervolgde hij: Mag het getuigenis van een geheel volk veronachtzaamd worden, meester? Al reist gij van Tyrus, dat in het noorden bij de zee ligt, tot de hoofdstad van Edom, die in het zuiden in de woestijn ligt, gij zult niet één zoon van Abraham vinden, die u zeggen zal, dat het koninkrijk, hetwelk de Koning voor ons, kinderen des Verbonds, komt oprichten, niet voor deze wereld zou zijn. Neen, het zal een koninkrijk zijn van onzen vader David. En hoe komen zij aan dat geloof, denkt gij? Wij zullen zien.
Esther kwam terug met een aantal rollen, in bruin linnen omslagen gewikkeld. De namen der profeten waren er met gouden letters op gestikt.
—Houd ze voor mij vast, kind, en geef mij die, waar ik om vraag, zeide Simonides, en zich tot Ben-Hur wendende, vervolgde hij: Gelooft gij de profeten, meester? Ik weet, dat gij ze gelooft, evenals uwe ouders.—Esther, geef mij het boek van den profeet Jesaja.
Met luide stem las hij: Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien, en die gezeten waren in het land der schaduwen des doods, dengenen is een licht opgegaan. Want een kind is ons geboren en een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij zal op zijn schouder zijn.... Der grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe.—Gelooft gij de profeten, meester?... Esther, geef mij nu de woorden van den profeet Micha.
En wederom las hij overluid: En gij, Bethlehem Efrata, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda, uit u zal mij voortkomen die een heerscher zal zijn in Israël.... Meester, dat is het kindeke, dat Balthasar gezien heeft en aangebeden in de spelonk.
Hij las verder: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heer, dat ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken, die zal koning zijnde regeeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. In zijne dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen ... hoort gij wel, meester, als een koning zal hij heerschen! Gelooft gij de profeten ... Esther, geef mij nu het boek van den profeet Daniël.
Hij deed de rol open en las: Ziet, er kwam één met de wolken des hemels, als eens menschen zoon, en hem werd gegeven heerschappij, en eere, en het koninkrijk, dat hem alle volken, natiën en tongen eeren zouden. Zijne heerschappij is eene eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en zijn koninkrijk zal niet verdorven worden. Gelooft gij de profeten, meester?
—'t Is genoeg, riep Ben-Hur. Ik geloof!
—Welnu, als de koning komt, arm en aan alles behoefte hebbende, zal dan mijn meester hem niet uit zijn overvloed helpen?
—Ja, zeker, tot mijn laatsten penning en tot mijn laatsten ademtocht. Maar waarom zegt gij, dat hij in armoede zal komen?
—Esther, geef mij de profetie van Zacharia. Luister, meester: Verheug u zeer, gij dochter Zions, zie, uw Koning komt, rechtvaardig, en hij is een Heiland; arm en rijdende op eenen ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen.
Ben-Hur wendde de blik af.
—Wat ziet gij? vraagde Simonides.
—Rome, antwoordde hij somber. Ik zie Rome met hare legioenen. Ik heb met hen in hunne legerplaatsen verkeerd, ik ken hen!
—O zoo, zeide Simonides. Welnu, gij zult de aanvoerder zijn van de legioenen des Konings, en uit millioenen kunnen kiezen.
—Millioenen?
—Bekommer u niet over zijne macht, zeide de grijsaard nadenkend. Gij steldet u zooeven den koning voor, komende tot het zijne in nederigheid. Gij zaagt hem, om het zoo uit te drukken, aan den éénen kant, en gij vraagdet: Wat kan hij doen?
—Ja, dat waren mijne gedachten.
—O, meester, ging Simonides voort, gij weet niet hoe sterk ons Israël is. Gij stelt u ons volk voor als een oud man, weenende bij de rivieren van Babylon. Maar ga met het volgende Paaschfeest naar Jeruzalem, naar den tempel, en zie rondom u. De belofte van God aan onzen vader Jakob, komende van Paddan Aram, was een wet, waaronder ons volk niet heeft opgehouden zich te vermenigvuldigen, zelfs niet in de ballingschap. Wij vermeerderden onder den druk der Egyptenaren. Rome's overheersching is weldadig voor ons geweest. Wij zijn in waarheid tot een volk, tot eene groote menigte geworden. En dat niet alleen, meester. Om waarlijk de kracht van Israël te leeren kennen, hetgeen hetzelfde is als te berekenen wat de koning doen kan, moet gij niet alleen stilstaan bij de natuurlijke vermenigvuldiging, maar ook de verspreiding van het geloof in het oog houden, dat zich nu tot over de geheele wereld heeft verspreid. Voorts, men is gewoon van Jeruzalem te spreken alsof dat Israël was, en Jeruzalem is toch slechts als een steen van den tempel, of als het hart in een lichaam. Zie af van de legioenen, hoe sterk zij ook zijn mogen, en tel de menigte der getrouwen, die op den ouden alarmkreet wachten: naar uwe tenten, o Israël!... Tel de overgeblevenen in Perzië, kinderen van hen, die niet mede wilden terugkeeren; tel de broederen, die de markten van Egypte en Afrika vullen; tel de Hebreeuwsche kolonisten, die in het Westen handel drijven, in Lodinum en in de koopsteden van Spanje; tel hen en hunne proselieten in Griekenland en op de eilanden, in Pontus, en ook hier in Antiochië, en mijnentwege ook hen, die daar nederliggen in de schaduw der onheilige muren van Rome zelf. Tel de aanbidders van den Heer onzen God, die hunne tenten hebben opgeslagen in de woestijnen, hier in onze nabijheid, zoowel als in de woestijnen van Egypte, en in de streken langs de Kaspische zee, en in de oude landen van Gog en Magog; voeg er hen bij, die jaarlijks giften zenden aan den tempel. En als gij ophoudt met tellen, meester, beschouw dan het heirleger van strijdbare mannen, dat u wacht ... een koninkrijk, gereedgemaakt voor hem, die recht en gerechtigheid zal uitoefenen op aarde, zoowel in Rome als in Zion. Dan hebt gij het antwoord op uwe vraag. Wat Israël doen kan, dat kan de koning doen.
Simonides had met vuur gesproken. Op Ilderim werkte die taal als bazuingeklank. O, dat ik weder jong was! riep hij en sprong op van zijn stoel.
Ben-Hur bleef een oogenblik in gedachten verzonken, toen zeide hij: Toegegeven dat de koning komen zal en dat zijne heerschappij zijn zal als die van Salomo; onderstelt ook, dat ik bereid ben om mijzelf en al het mijne aan hem en zijne zaak te wijden; toegegeven zelfs, dat Gods leidingen met mij, en uw zeldzaam welslagen daarmede in verband staan—hoe dan verder? Zullen wij bouwen als blinden? Zullen wij wachten totdat de koning komt? of totdat hij om mij zendt? Gij, die zooveel ouder zijt en zooveel meer ondervinding hebt, licht mij voor!
Simonides antwoordde: Wij hebben geen keus. Deze brief (hij hief Messala's brief omhoog) dwingt ons tot handelen. Wij zijn niet sterk genoeg, om aan de voorgestelde verbintenis tusschen Messala en Gratus het hoofd te bieden. Daartoe missen wij den noodigen invloed te Rome, en de vereischte kracht hier. Zij zullen u dooden, als wij afwachten. Zie mij aan en oordeel over hunne barmhartigheid.
Hij huiverde bij de vreeselijke herinnering. Na zich bedwongen te hebben, vervolgde hij: Goede meester, hoe sterk zijt gij—in het willen?
Ben-Hur begreep hem niet.
—Ik weet nog zoo goed hoe mij de wereld toelachte, toen ik jong was, zeide Simonides.
—En toch waart gij in staat om een groot offer te brengen, zeide Ben-Hur.
—Ja, uit liefde.
—Zijn er niet nog andere, even sterke drijfveeren?
Simonides schudde ontkennend het hoofd.
—Wraak dan?
Dat was de lont in 't kruit. De oogen van den grijsaard flikkerden. Zijne handen beefden. Hij antwoordde snel: Op wraaknemen heeft de Jood recht. De wet gebiedt het.
—Zelfs een kameel onthoudt het onrecht, dat hem aangedaan werd, riep Ilderim opgewonden.
—Er is een werk, zeide Simonides, een werk voor den koning, dat gedaan moet worden vóór zijne komst. Wij mogen niet in twijfel trekken, dat Israël zijne rechterhand zal zijn; maar helaas, die rechterhand is een hand des vredes, ongeoefend in den krijg. Onder al die millioenen is niet één geoefende kohorte, niet één aanvoerder. De huurlingen der Herodianen tel ik niet mee, want zij moeten slechts dienen om ons te onderdrukken. De toestand is juist zooals de Romeinen dien verlangen. Hunne staatkunde heeft goede vruchten gedragen voor hunne tirannie. Een ommekeer is echter ophanden. De herder zal zich aangorden tot den strijd, en zal naar speer en zwaard grijpen. Het weiden der schapen moet plaats maken voor den kamp tegen leeuwen. De koning, mijn zoon, moet iemand aan zijne rechterhand hebben. Wie zal dat zijn? wie anders dan hij die het werk goed verstaat?
Ben-Hurs gelaat gloeide bij dat vooruitzicht. Toen zeide hij: Jawel, maar verklaar u nader. Een werk te moeten verrichten, en de wijze waarop, zijn twee verschillende zaken.
Simonides nam een teug wijn en hervatte: De Sheik en gij, meester, zult de hoofdleiders zijn, ieder met een bepaalde opdracht. Ik blijf hier, om te zorgen, dat de bron niet opdroogt. Gij gaat naar Jeruzalem, van daar naar de woestijn, en telt de strijdbare mannen, verdeelt hen in afdeelingen en kiest hoofdlieden over tien en hoofdmannen over honderd, oefent de manschappen in den wapenhandel, brengt in geheime bergplaatsen wapens bijeen. Voor dit doel, ja voor alles, zend ik u telkens het noodige geld. Gij begint te Perea, gaat vervolgens naar Galilea, vanwaar gij Jeruzalem gemakkelijk bereiken kunt. In Perea hebt gij de woestijn achter u liggen, en Ilderim vlak bij u. Hij bewaakt de heirwegen, zoodat niets geschiedt zonder uwe voorkennis. Hij zal u op velerlei wijze van dienst zijn. Tot op het oogenblik van handelen zal niemand weten wat hier besproken is. Ik werk achter de schermen. Met Ilderim heb ik de zaak reeds besproken. Wat is uw antwoord?
Ben-Hur zag den Sheik aan.
—'t Is zooals hij zegt, zoon van Hur, antwoordde de Arabier. Ik heb mijn woord gegeven en daarmede is hij tevreden; maar ik zal mijzelven met al de strijdbare mannen van mijnen stam onder eede aan u verbinden.
Simonides, Ilderim en Esther zagen Ben-Hur in gespannen verwachting aan.
Op droevigen toon begon hij: Voor iedereen staat een vreugdebeker geschonken, dien hij vroeger of later aan de lippen zet—voor iedereen, behalve voor mij. Ik zie, Simonides, en edelmoedigen Sheik, ik zie waarheen dat voorstel leidt. Neem ik het aan en volg ik dien weg, dan zeg ik den vrede vaarwel met alle hoopvolle verwachtingen, die zich daaraan vastknoopen. Ga ik die geopende deur binnen, dan sluiten de poorten van het rustige leven zich voor altijd achter mij, want Rome bewaakt ze. Ik ben vogelvrij verklaard. Men zal mij overal vervolgen. In de graven nabij de steden, in de eenzame spelonken zal ik moeten wonen, zal ik mijn brood eten en mijn hoofd nederleggen.
Een gesmoord snikken onderbrak zijn woorden. Allen zagen Esther aan, die haar gelaat in de handen verborg.
—Arm kind, zeide haar vader deelnemend; maar hij kon niet meer zeggen, want ook zijne stem beefde.
—Dat doet mij goed, Simonides, zeide de jonkman. Men draagt een hard lot beter, als men weet, dat iemand mede lijdt. Laat mij voortgaan.... Ik wilde zeggen, dat ik geen andere keus heb, dan het werk te aanvaarden, dat gij mij aanwijst; en daar een roemlooze dood mij wacht als ik hier blijf, zoo zal ik terstond aan het werk gaan.
—Zullen wij onze overeenkomst op schrift brengen? vraagde Simonides als man van zaken.
—Uw woord is mij voldoende, antwoordde Ben-Hur.
—En mij ook, zeide Ilderim.
Op deze eenvoudige wijze werd het verbond gesloten, dat een volslagen ommekeer zou brengen in Ben-Hurs leven. Hij voegde er dus onmiddellijk bij: Zoo zij het dan!
—Moge de God van Abraham onze hulp zijn! riep Simonides vurig.
—En nu nog iets, mijne vrienden, zeide Ben-Hur op vroolijker toon, met uw goedvinden zal ik mij vrij houden tot na de feesten. Hoogstwaarschijnlijk zal Messala geen plannen tegen mij smeden, voordat hij antwoord heeft ontvangen van den procurator. Dat kan hij op zijn vroegst hebben zeven dagen na de verzending van den brief: Hem in den circus te ontmoeten is een genoegen, dat ik voor niets ter wereld zou willen missen.
Ilderim stemde dadelijk toe en Simonides zeide: Heel goed, want dat oponthoud zal mij tijd geven om u een dienst te bewijzen. Ik hoorde u spreken over uwe erfenis van den edelen Arrius. Bestaat die in roerende of onroerende goederen?
—Een villa bij Misenum en huizen in Rome.
—Dan stel ik u voor die bezittingen te verkoopen en de gelden veilig te beleggen. Geef mij opgave en volmacht, dan zal ik terstond een zaakgelastigde afzenden. Wij zullen ditmaal ten minste de keizerlijke roovers vóór zijn.
—Morgen zult gij opgaaf en volmacht hebben.
—Dan is ons werk voor hedenavond afgeloopen, zeide Simonides, en Ilderim voegde er bij: En goed ook!
—Geef ons nu wat te eten, Esther, zeide haar vader. Sheik Ilderim zal ons het genoegen doen van tot morgen bij ons te blijven. En gij, meester?
—Laat de paarden voorkomen, zeide Ben-Hur. Ik keer naar het Palmbosch terug. Als ik nu ga zal mijn vijand er niets van merken, en uwe Arabieren, Sheik, zullen blij zijn als zij mij terugzien.
Bij het aanbreken van den dageraad stapten Ben-Hur en Malluch voor de deur der tent af.
Den volgenden avond stond Ben-Hur met Esther op het terras van het groote pakhuis. Op de aanlegplaats beneden hen heerschte groote drukte met opladen van balen en kisten. Tal van sjouwers liepen af en aan, die bij het licht der flikkerende toortsen aan de dienende geesten uit phantastische sprookjes deden denken. Een galei werd geladen om binnen weinige oogenblikken te vertrekken. Simonides was nog op zijn kantoor, waar hij den bevelhebber de laatste bevelen gaf, om zonder oponthoud naar Ostia, de zeehaven van Rome, te zeilen, daar een passagier af te zetten, en dan bedaarder op de Spaansche stad Valencia aan te houden. Die passagier is de agent, die het landgoed en de huizen van Arrius zal verkoopen. Als de ankers gelicht zijn en de galei zee heeft gekozen, zal Ben-Hur onherroepelijk gebonden zijn aan het werk, dat hij den vorigen avond aanvaardde. Nog kan terugtreden, indien hij spijt gevoelt over de afspraak. Hij is de meester, en heeft slechts te spreken.
Misschien doorkruiste een dergelijke gedachte zijn hoofd, toen hij daar met de armen over elkander het drukke tooneel gadesloeg. Jong, schoon, rijk, nog kort geleden verkeerende in de beste kringen van Rome, zou het niet te verwonderen geweest zijn, zoo hij weinig lust gevoelde om zich te begeven op de doornige paden, waar plicht of eerzucht hem mochten roepen, en waar zoovele gevaren dreigden. Wij kunnen ons zelfs voorstellen welke beweegredenen zich aan hem opdrongen: het onvruchtbare van tegen den Keizer te strijden, de onzekerheid die alles wat den Koning en zijne komst betrof omgaf, het gemak, de eer, de hooge staat, die hem toelachten, en het sterkst van alles het heerlijke gevoel van een tehuis gevonden te hebben, met vrienden om het leven aangenaam te maken.
Slechts zij, die langen tijd eenzaam rondgedoold hebben, kunnen de kracht van dit laatste begrijpen. Zonder het te bedoelen kwam Esther deze aanvechtingen versterken.
—Zijt gij wel eens te Rome geweest? vraagde hij haar.
—Neen, luidde het antwoord.
—Zoudt gij er niet eens heen willen?
—Neen, liever niet.
—Waarom niet?
—Ik ben bang voor Rome.
Hij zag haar oplettend aan. In het schemerlicht kon hij haar gelaat niet goed onderscheiden; maar zij herinnerde hem Tirza. Plotseling beving hem een gevoel van teederheid. Op dien vreeselijke morgen had zijne arme zuster juist zoo naast hem gestaan. Ach, waar was zij? Ja, Esther deed hem aan Tirza denken, en hoe zou hij haar dan als zijn lijfeigene kunnen beschouwen?
—Ik kan niet aan Rome denken, vervolgde zij, als aan een stad van paleizen en tempels, vol met vroolijke menschen. Zij is voor mij een monster, dat zich meester heeft gemaakt van een schoon land en de inwoners met dood en verderf bedreigt, een monster, dat niet te overwinnen is, een verscheurend dier, dat zich met bloed voedt. Waarom ... zij aarzelde en zweeg.
—Ga voort, zeide Ben-Hur vriendelijk.
—Waarom, vraagde zij, wilt gij Rome tot uwe vijandin maken? Waarom niet liever vrede gesloten en rust hebben? Gij hebt veel verdriet gehad en alles verdragen. Gij zijt aan de hinderlagen, u door uwe vijanden gelegd, gelukkig ontkomen. Uw jeugd is door smart en leed verduisterd; waarom zoudt gij er uw verdere levensdagen door laten vergiftigen?
Haar stem klonk overredend. Hij ontroerde en vraagde: Wat woudt gij dan, dat ik deed?
Zij antwoordde met een wedervraag: Is uw villa bij Misenum heel mooi?
—O ja. Het is een paleis te midden van fraaie tuinen, met fonteinen en beelden in schaduwrijke lanen; heuvels bedekt met wijngaarden, en zoo hoog gelegen dat men een heerlijk uitzicht heeft op Napels en den Vesuvius en de blauwe zee. De Keizer heeft niet ver vandaar ook een villa; maar algemeen word gezegd, dat de villa van Arrius de mooiste is.
—En is het leven daar rustig?
—Als er geen bezoekers kwamen heerschten er rust en stilte. Nu mijn weldoener gestorven is en ik hier ben wordt de stilte door niets gebroken, dan door het gefluister der bedienden of het tjilpen der vogels, of het ruischen der fonteinen. Bloemen verwelken en nieuwe bloemen ontluiken, het zonlicht maakt plaats voor de schaduwen van den nacht, dat is de eenige afwisseling. Dat leven, Esther, was voor mij te stil. Het maakte mij rusteloos, door mij altijd levendig te doen gevoelen, dat ik, die zooveel te doen heb, langzamerhand lui werd, en mij liet binden door zijden koorden, en aan het einde van mijn leven niets zou hebben om op terug te zien. Maar waarom vraagdet gij dat?
—Goede meester....
—Neen, Esther, dat niet. Noem mij vriend, of broeder, als ge wilt. Ik ben uw meester niet, en wil het niet zijn. Noem mij broeder.
De duisternis belette hem den blos van vreugde op haar gelaat en de glans in hare oogen te zien. Na een oogenblik vervolgde zij: Ik kan niet begrijpen, dat gij de voorkeur geeft aan een leven van—van—
—Geweld, en misschien van bloedvergieten, zeide hij, den zin voltooiend.
—Ja, antwoordde zij, in plaats van het rustige leven op de schoone villa.
—Esther, gij vergist u. Van voorkeur geven is geen sprake. De Romein is niet zoo vriendelijk. Ik ga uit nooddwang. Hier blijven wil zeggen sterven. En ga ik naar Misenum, dan is het einde hetzelfde: een vergiftigde drank, de dolk van een sluipmoordenaar, of een door een meineed verkregen vonnis. Messala en de procurator Gratus hebben zich verrijkt met mijn vaders bezittingen. Het geroofde te behouden is voor hen van het grootste belang. Een vreedzame schikking is ondenkbaar, omdat zij een bekentenis zou insluiten. En dan—ach Esther, al was dat ook mogelijk, ik geloof niet, dat ik er in zou bewilligen. Voor mij geen vrede, neen, zelfs niet in de koele boschjes der lieve oude villa. Voor mij geen vrede, zoolang mijne moeder en zuster niet gevonden zijn. En als ik haar vind, moet ik dan het haar aangedane leed niet wreken? Zoo zij door geweld zijn omgebracht, moeten dan de moordenaars niet gestraft worden? Ja, want zij zouden mij in mijne droomen vervolgen. Zelfs de heiligste liefde met al hare vindingrijkheid zou mijn geweten niet in slaap kunnen wiegen.
—Is het zoo erg? vraagde zij bevend. Kan niets daartegen gedaan worden?
Ben-Hur nam hare hand in de zijne: Houdt gij zooveel van mij?
—Ja, antwoordde zij eenvoudig.
Op eenmaal dacht hij aan de Egyptische, zoo geheel anders dan Esther, zoo uitdagend, zoo geestig, zoo schoon, zoo betooverend. Hij bracht het handje naar zijne lippen en liet het toen weder los.
—Gij zult eene tweede Tirza voor mij zijn, Esther.
—Wie is Tirza?
—Het zusje, dat de Romein mij ontstal, en dat ik zoeken en vinden moet, vóórdat ik aan rust of geluk kan denken.
Op dat oogenblik viel een lichtstraal schuin over het terras. Zich omkeerende zagen zij, dat een bediende Simonides in zijn rolstoel naar buiten bracht. Zij voegden zich bij hem, en lieten het spreken grootendeels aan hem over.
Intusschen lichtte de galei het anker en zette onder het gejubel van vroolijke matrozen koers naar de zee. De teerling was geworpen. Ben-Hur had zich verbonden aan de zaak van den koning, die te komen stond.
Daags voor de spelen werden Ilderims paarden en wagens naar de stad gebracht en dicht bij den circus gestald. Maar daar bleef het niet bij. De tenten werden afgebroken, paarden en kameelen gezadeld en bepakt, en toen verliet de gansche karavaan, het vee voor zich uitdrijvende, het schaduwrijke plekje in het Palmbosch. Werd Ilderim, zooals hij vermoedde, bespied, wat nood? Weldra zou alles, wat hij aan waarde met zich had genomen, op weg naar de woestijn zijn, buiten bereik van wien ook.
Noch hij noch Ben-Hur overschatten den invloed van Messala. Zij waren van oordeel, dat hij eerst na afloop van den wedren tegen hen zou optreden. Delfde hij het onderspit, en wel door toedoen van Ben-Hur, dan konden zij zich op het ergste voorbereiden. Waarschijnlijk zou hij dan niet eens den raad van Gratus afwachten.
Met het oog hierop hadden zij hunne plannen gemaakt, en alles voorbereid tot een overhaast vertrek.
Welgemoed reden zij naast elkander voort, vol vertrouwen op den dag van morgen. Onderweg kwamen zij Malluch tegen. De brave man verraadde door woord noch blik, dat hij de verhouding van den jongen man tot Simonides kende of van hun verbond kennis droeg. Hij groette als naar gewoonte, en reikte den Sheik een papier over, zeggende: Hier heb ik het programma van de spelen. Het is zooeven uitgekomen. Gij zult uwe paarden aangekondigd zien voor den wedren, ook de volgorde van de vermakelijkheden.
Terwijl de Sheik het papier inzag, zeide Malluch tot Ben-Hur: Ik wensch u geluk, zoon van Arrius. Morgen zult ge met Messala in het strijdperk treden. Aan alle verplichtingen is voldaan. De ondernemer heeft het mij zelf gezegd.
—Heb dank, Malluch, zeide Ben-Hur.
—Uwe kleur is wit, vervolgde de ander. Die van Messala rood en goud. Het is reeds overal bekend, want de jongens op straat bieden al lintjes en strikjes te koop aan. Morgen zal iedere Arabier en iedere Jood met wit versierd zijn. In den circus zult gij zien dat wit en rood met goud, gelijkelijk op de galerijen gedragen worden.
—Op de galerijen, ja—maar niet op de tribune tegenover de Porta Pompae.
—Neen, daar zal rood met goud overheerschend zijn. Maar als wij winnen,—Malluch lachte smakelijk bij die gedachte,—hoe zullen die heertjes dan sidderen. Zij gaan natuurlijk aan 't wedden. In hunne minachting voor alles wat niet Romeinsch is zullen zij twee, drie, vijf zetten tegen een op Messala. Het past eigenlijk niet voor een Jood van goeden naam zijn geld er aan te wagen; maar ik wil u in vertrouwen zeggen, dat ik een vriend achter den zetel van den consul plaatsen zal, om weddenschappen aan te nemen van drie, vijf, of tien tegen een, hoe hoog zij ook in hunne verdwaasdheid mochten willen gaan. Ik heb hem tot dat doel een wissel van 6000 sikkel gegeven.
—Neen, Malluch, een Romein wedt alleen met Romeinsch geld. Zoek uw vriend nog van avond op en stel zooveel sestertiën tot zijne beschikking, als gij noodig oordeelt. En, Malluch, zeg hem vooral dat hij weddenschappen moet zien aan te gaan met Messala en diens vrienden, Ilderims vierspan tegen dat van Messala.
Malluch dacht even na.
—Dat zal de aandacht van allen op u vestigen.
—Dat is juist wat ik verlang.
—Ik begrijp het, jawel!
—Als gij mij een genoegen wilt doen, Malluch, tracht dan het publiek opmerkzaam te maken op den wedstrijd tusschen Messala en mij.
—Daar zie ik wel kans toe, antwoordde Malluch. Ik zal buitengewoon hooge sommen inzetten. Worden zij aangenomen, zooveel te beter.
Malluch zag Ben-Hur onderzoekend aan, terwijl deze half tot zichzelven zeide: Zou ik mij niet schadeloos stellen voor den aan mij gepleegden roof? Zulk een gelegenheid komt misschien nooit meer terug. En als ik niet alleen zijn trots fnuikte, maar hem daarenboven geheel te gronde kon richten, dan ...! Onze vader Jakob zou daar niets tegen kunnen hebben. Ja, het moet. Luister, Malluch. Bepaal u niet tot sestertiën. Jaag hen op tot talenten. Als zij durven vijf, tien, twintig talenten, desnoods vijftig, als gij met Messala zelf kunt laten wedden.
—Dat zijn verbazende sommen. Dan zou ik borg moeten kunnen stellen.
—Goed. Ga naar Simonides en vraag hem die zaak voor mij in orde te brengen. Zeg hem, dat ik er mijn hart op gezet heb mijn vijand te vernietigen, en dat zich nooit betere gelegenheid kan voordoen. De God onzer vaderen zij met ons! Ga, beste Malluch. Laat de gelegenheid u niet ontsnappen.
Vol vuur wilde Malluch zich verwijderen, maar bedacht zich intijds en zeide: Nog iets, heer. Ik kon niet dicht genoeg bij Messala's wagen komen, daarom heeft iemand anders de maat voor mij genomen. Hij zeide, dat de as een handbreed hooger van den grond was dan de uwe.
—Een handbreed! Zooveel? riep de jonkman vroolijk en fluisterde toen Malluch in het oor: Daar gij een zoon van Juda zijt en trouw voor uwen stamgenoot, moet gij zorgen, dat gij een plaats krijgt vooraan op de galerij tegenover den triomfboog. Let dan maar goed op telkens als wij daar den draai maken. Let goed op, want als het geluk mij dient zal ik ... maar neen, ik zeg verder niets. Zorg maar dat gij daar komt te zitten.
Op dat oogenblik uitte Ilderim een kreet van verbazing.
—Ha! Wat is dat! Lees! riep hij tot Ben-Hur.
Deze nam het blad, dat, door den prefect der provincie onderteekend, zooveel was als ons hedendaagsch programma, en uitvoerig de verschillende vermakelijkheden beschreef. Eerst zou een luisterrijke optocht gehouden worden, gevolgd door de gewone eerbewijzen aan den god Consus, daarna wedloopen, springen, worstelen, boksen. De namen der deelnemers met opgave van nationaliteit en leerschool waren alle aangegeven, benevens hunne vroegere overwinningen. Dit gedeelte van het programma zag Ben-Hur vluchtig door; maar toen hij aan de beschrijving van den wedren kwam las hij die bedaard en rustig. Zij begon met de mededeeling, dat de liefhebbers een zeldzaam genot wachtte, vermeldde daarna, dat de prijs zou bestaan uit 100,000 sestertiën en een lauwerkrans, en ging toen tot bijzonderheden over. Zes vierspannen waren ingeschreven, die, om den strijd te belangwekkender te maken, alle te gelijk zouden afrijden. Daarop volgde eene beschrijving van de vierspannen.
I. Een vierspan van Lysippus den Corinthiër—twee schimmels, een vos en een bles. Verleden jaar te Alexandrië en te Corinthe den prijs behaald. Menner: Lysippus. Kleur: geel.
II. Een vierspan van Messala den Romein—twee witte, twee zwarte. Verleden jaar prijswinners bij de Circensische spelen in den Circus Maximus. Menner: Messala. Kleur: rood en goud.
III. Een vierspan van Cleanthes den Athener—drie schimmels, een vos. Verleden jaar prijswinners bij de Istmische spelen. Menner: Cleanthes. Kleur: groen.
IV. Een vierspan van Dicaeus den Byzantijner—twee zwarte, een schimmel, een vos. Prijswinners te Byzantium. Menner: Dicaeus. Kleur: zwart.
V. Een vierspan van Admetus den Sidoniër—alle schimmels. Driemaal prijswinners te Cesarea. Menner: Admetus. Kleur: blauw.
IV. Een vierspan van Ilderim, Sheik der woestijn—alle vier vossen, eerste renners. Menner: Ben-Hur, een Jood. Kleur: wit.
Menner: Ben-Hur, een Jood!
Waarom dien naam opgegeven in plaats van Arrius?
Ben-Hur zag den Sheik vragend aan. Nu begreep hij de reden van Ilderims uitroep. Beiden kwamen tot dezelfde slotsom: dat had Messala gedaan!
Den avond voor de feesten heerschte in Antiochië groote drukte. Een dichte menschenmassa bewoog zich door de straten, voornamelijk langs de Kolonnade van Herodes. Men kon zich dan ook moeilijk iets denken, dat meer geschikt was om wandelaars te lokken, dan die breede overdekte paden, met hunne sierlijke marmeren bogen. Overal brandde licht, overal heerschte vroolijkheid: gezang, gelach, gedruisch van stemmen.
Schier alle nationaliteiten waren vertegenwoordigd in hunne verschillende kleederdrachten, hetgeen niet weinig bijbracht tot verlevendiging van het tooneel.
Eéne bijzonderheid zou onze aandacht zeker getrokken hebben, en wel dat bijna iedereen de kleur van een der zes menners droeg, hetzij in de vorm van een sjerp of rozet, of een veer op de muts. Men behoefde niet lang rond te zien om te bemerken, dat drie kleuren den boventoon voerden: groen, wit, en rood met goud.
Wij willen ons thans niet buiten ophouden, maar een kijkje nemen in het paleis op het eiland.
De vijf groote kroonlichten branden. Het gezelschap, dat wij in de zaal vinden, in nagenoeg hetzelfde als dat, waarmede wij den vorige keer kennis maakten. Op den divan liggen ook nu slapers en mantels, en op de tafels rollen weder de dobbelsteenen. Het meerendeel der aanwezigen doet echter niets. Men wandelt op en neer, men gaapt, men zegt nietsbeteekende aardigheden. Eigenlijk vervelen zij zich. Hun voornaamste werk is gedaan, zij hebben hun tafeltjes volgeschreven met weddenschappen op het hardloopen, het worstelen, het boksen, op alles, behalve op den wedren, en wel om de eenvoudige reden, dat niemand een enkelen denarie met hen verwedden wil tegen Messala.
Allen dragen zijne kleuren. Dat hij de nederlaag zou kunnen lijden wordt niet mogelijk geacht. Hij heeft immers de beste school doorgemaakt! Zijne paarden hebben den prijs behaald in den Circus Maximus! En, bovenal, hij is immers een Romein!
Messala zelf zit gemakkelijk in een hoek van den divan, het middelpunt van een groep bewonderende vrienden. Zij hebben het natuurlijk druk over den dag van morgen.
Daar komen Drusus en Cecilius binnen. De eerste valt naast Messala op den divan, met den uitroep: Bij Bacchus, ik ben moe!
—Waar zijt gij geweest? vraagde Messala.
—Overal. Wat een menigte menschen is er op de been! Het zal morgen in den circus ongenaakbaar zijn.
—Hebt gij ook iets bijzonders gezien?
—Neen.
—Zoo? zeide Cecilius. Gij vergeet dien optocht van Witten.
't Is waar ook. Wij kwamen een langen stoet Witten tegen met een banier. Maar ... hahaha!
—Ga voort, zeide Messala. Wat verder?
—Och, 't was een partijtje Arabieren, en wat Joden uit Jeruzalem. Dat was alles.
—Neen, Messala, zeide Cecilius. Drusus is bang om uitgelachen te worden, maar ik niet alzoo.
—Welnu, spreek gij dan.
—Wel, wij hielden den troep staande, en—
—En vraagden of zij een weddenschap met ons wilden aangaan, viel Drusus zijn vriend lachend in de rede. Een jongen stapte naar voren, en zei ja. Ik nam mijn tafeltje en zeide: Op wien woudt gij wedden? Op Ben-Hur, den Jood, antwoordde hij. Toen zeide ik: Om hoeveel zullen wij wedden? Hij antwoordde ... hahaha! O, Messala, ik moest zóó lachen, 't was zoo gek, hahaha!
Messala keek Cecilius vragend aan, en deze zeide: een sikkel;—welke mededeeling een luid en algemeen gelach veroorzaakte.
—En wat deed Drusus? vraagde Messala.
—Natuurlijk bedankte hij voor de eer.
Bij de deur ontstond eenig rumoer, dat al sterker en sterker werd en zelfs Cecilius deed opstaan, om te gaan zien wat de reden kon zijn. Luide kreten van: Een witte! een witte! klonken hem tegen.
Hierheen, hierheen! riepen sommigen.
De spelers verlieten hun spel, de slapers ontwaakten, wreven zich de oogen uit, haalden hunne tafeltjes voor den dag en naderden den kring, die zich om den vreemdeling gevormd had.
—Ik bied u....
En ik....
—Ik ... schreeuwden zij door elkander.
De persoon, die zoo stormachtig begroet werd, was niemand anders, dan de Jood van Cyprus, door wien Ben-Hur allereerst van Simonides gehoord had. Hij was in het wit gekleed, en trad beleefd groetend vooruit. Langzaam en statig ging hij naar de middeltafel, zette zich neder en wuifde met de hand. Een kostbaar juweel aan zijnen vinger bracht niet weinig bij tot het verkrijgen van de gewenschte stilte.
—Romeinen, edele Romeinen, ik groet u, zeide hij.
—Die is leuk! zeide Drusus. Wie is hij?
—Een Jood—Sanballat heet hij, leverancier aan het leger, woont in Rome, geducht rijk geworden door leveranciers, die hij nooit levert. Hij zint altijd op kwaad, maar ditmaal zullen wij hem in zijn eigen strikken vangen.
Messala stond op, terwijl hij dit zeide, en voegde zich bij de anderen.
—Ik hoorde op straat, zeide Sanballat, zijn tafeltje ter hand nemend, dat men in het paleis ontevreden is, omdat niemand tegen Messala wil wedden. Gij ziet mijne kleur. Ter zake dus. Wat biedt gij mij? Eerst kansen, daarna de som.
Zijne stoutmoedigheid overblufte de jonge Romeinen.
—Kom, hernam hij, ik heb niet veel tijd. De consul wacht mij bij zich.
Dat werkte.
—Twee tegen een, riep een half dozijn stemmen.
—Hoe nu? vraagde Sanballat verbaasd. Twee tegen een? En gij wedt op een Romein?
—Drie dan!
—Niet meer dan drie? Een Romein tegen een Jood! Zeg vier!
—'t Is goed, vier! riep een knaap, door dien spot getergd.
—Vijf. Zeg vijf, liet Sanballat er onmiddellijk op volgen.
Diepe stilte heerschte in de zaal.
—De consul wacht op mij. Ik heb niet veel tijd meer.
De stilte werd benauwend.
—Zeg vijf. Voor de eer van Rome vijf.
—'t Is goed, laat het vijf zijn, zeide Messala.
Sanballat glimlachte en deed alsof hij wilde gaan schrijven. Als de keizer morgen sterft, zeide hij, behoeft Rome niet verlegen te staan. Hier is ten minste nog een, die moed bezit. Zeg zes!
—Goed. Zes, antwoordde Messala, en werd met een stormachtig applaus beloond.
—Zes tegen een dus, herhaalde Messala. Zes tegen een. Het onderscheid tusschen een Romein en een Jood. Schrijf het bedrag op. Maar vlug. De consul mocht u laten roepen en dan was ik mijn winst kwijt.
Sanballat liet hem lachen, schreef, en bood zijn tafeltje aan Messala.
—Lees, lees! riepen zijne vrienden.
Messala las met luide stem:
Mem. Wedren met wagens. Messala van Rome wedt met Sanballat, eveneens van Rome, dat hij Ben-Hur den Jood zal verslaan. Bedrag der weddenschap: twintig talenten. Kansen: Zes tegen een.Getuigen: ............Sanballat.
Mem. Wedren met wagens. Messala van Rome wedt met Sanballat, eveneens van Rome, dat hij Ben-Hur den Jood zal verslaan. Bedrag der weddenschap: twintig talenten. Kansen: Zes tegen een.
Getuigen: ............
Sanballat.
Doodelijke stilte alom. Als aan den grond genageld stonden de jongelieden. Messala staarde op het memorandum, de oogen van de anderen rustten op hem. Hij voelde die blikken en overlegde wat te doen. Zoo kort geleden nog had hij op deze zelfde plek den meester gespeeld over zijne makkers. Weigerde hij te teekenen, dan was hij van zijn voetstuk gevallen. Toch kon hij niet teekenen, want hij bezat geen honderd talenten, nauwelijks een vijfde van die som. Alles schemerde hem voor de oogen. Hij stond sprakeloos en werd doodsbleek. Daar viel hem iets in.
—Gij Jood, zeide hij, zoudt gij twintig talenten bezitten? Bewijs!
Een fijne glimlach speelde om Sanballats lippen.
—Ziedaar! zeide hij en overhandigde Messala een blad papier.
Weder las Messala met luide stem:
Antiochië, den 16denTammuz.Toonder dezes, Sanballat van Rome, heeft bij mij gedeponeerd vijftigtalenten, Romeinsch geld.Simonides.
—Vijftig talenten! Vijftig talenten! riepen de jongelieden verbaasd.
Nu kwam Drusus zijn vriend te hulp. Bij Herkules! riep hij, dat blad liegt, en de Jood liegt. Wie, behalve de keizer, heeft zoo op eens vijftig talenten ter beschikking? Weg met den onbeschaamden Witte!
Hij was driftig en stak ook de anderen aan. Sanballat bleef echter bedaard, en glimlachte weder. Eindelijk zeide Messala: Stil! Een tegen een, vrienden! Een tegen een, ter liefde van onzen ouden Romeinschen naam.
Met dat woord beheerschte hij weder den toestand.
—Welaan, Jood, zeide hij tegen Sanballat, ik wedde zes tegen een, niet waar?
—Ja, antwoordde de ander bedaard.
—Welnu, laat dan aan mij over het bedrag vast te stellen.
—Goed; maar onder beding, dat de som niet te gering zij, antwoordde Sanballat.
—Schrijf dan vijf in plaats van twintig.
—Kunt gij daarover beschikken?
—Bij de moeder der Goden, ik zal u het bewijs geven.
—Niet noodig. Het woord van zulk een dapper Romein is mij genoeg. Maar maak het liever tot een even getal. Zeg zes, en ik zal schrijven.
—Het zij zoo.
Daarop verwisselden zij van tafeltjes.
Sanballat stond op en zag rond. Uitdagende spot was op zijn gelaat te lezen. Beter dan iemand wist hij wien hij voor zich had.
—Romeinen, durft gij nog een weddenschap aan te gaan? Vijf talenten tegen vijf, dat wit winnen zal. Ik daag u allen te zamen uit.
Algemeene verbazing.
—Wat? riep Sanballat luide. Moet morgen in den circus verteld worden, dat een Jood in het paleis geweest is, waar de bloem der Romeinsche edellieden verzameld was, en dat hij vijf talenten inzette, maar dat niemand hem aandurfde? Dat is te erg.
—Genoeg, onbeschaamde! riep Drusus. Schrijf de uitdaging op en leg ze hier op tafel neer. Als morgen blijkt, dat gij werkelijk zooveel geld op een verloren zaak kunt zetten, dan beloof ik, Drusus, u, dat ik de weddenschap aanneem.
Weder schreef Sanballat het vereischte stuk en zeide doodbedaard: Ziehier, Drusus, ik laat het stuk in uwe handen. Als het geteekend is, zend het mij dan, voordat de wedrennen beginnen. Ik heb een plaats vlak bij den consul tegenover de Porta Pompae. Vrede zij u allen!
Hij boog en vertrok, onverschillig voor de spotternijen, die zij hem ten besluite deden hooren.
Dienzelfden avond nog vloog het verhaal van de onzinnige weddenschap als een loopende vuurtje door de stad. Ook Ben-Hur hoorde er van, met bijvoeging, dat Messala's geheele fortuin op het spel stond. Hij had zich met zijn vierspan ter rust begeven en nooit sliep hij beter dan dien nacht.
De circus te Antiochië stond op den zuidelijken oever der rivier, tegenover het eiland, en was wat den vorm betreft als andere gebouwen van die soort. De spelen waren in vollen zin des woords een geschenk aan het volk, dat wil zeggen: iedereen had vrijen toegang.
Lang voordat de deuren opengingen verzamelde zich in de naburige straten een dichte menigte, want hoe groot en ruim het gebouw ook zijn mocht, ieder wilde de eerste zijn, uit vrees dat hij geen plaats zou krijgen.
Nauwelijks was de morgenschemering aangebroken, of de toegang werd geopend en het volk stroomde naar binnen, om bezit te nemen van de voor hem bestemde plaatsen. Zij hadden hun ontbijt bij zich en brachten de uren, die nog verloopen moesten, voordat de spelen begonnen, slapende en etende door.
De meer aanzienlijken, die besproken plaatsen hadden, kwamen met de eerste uren van den dag, en toen de zonnewijzer van de citadel de tweede ure aangaf, daalde het garnizoen in volle wapenrusting en met vliegende vanen van den berg Sulpius af. Toen de achterhoede over de brug verdween, was Antiochië letterlijk leeggeloopen.
Die geen plaats hadden kunnen krijgen in den circus hadden zich naar de rivier begeven, om den consul, die in het eiland-paleis logeerde, in zijn fraaie bark te zien landen. Toen de groote man aan wal stapte werd hem door het legioen de militaire eer bewezen, waarna de stoet den circus binnentrok.
Met de derde ure kondigde trompetgeschal de opening van het feest aan. Het rumoer verstomt. De oogen van meer dan honderdduizend menschen vestigen zich in gespannen verwachting op een en hetzelfde punt, op de Porta Pompae, waar de autoriteiten en kampspelers in feestelijken optocht zullen binnenkomen.
Daar zijn zij. Eerst de koorzangers en muzikanten, dan de prefect en het stedelijk bestuur, in prachtgewaad en met kransen op het hoofd, vervolgens de beelden der goden, sommige gedragen, andere in prachtig versierde wagentjes, daarna de kampvechters, ieder in zijn bijzonder kostuum. Langzaam gaat de processie voort. Het is een schoon en indrukwekkend gezicht, en lokt een eindeloos gejubel uit.
De ontvangst der athleten is bijzonder luidruchtig, want er is niemand onder de toeschouwers, die niet op hen gewed heeft, al is het nog zoo weinig. Men roept hen bij hunne namen, men werpt hun bloemen en kransen toe. De vierspannen sluiten den optocht. De fiere rossen, de prachtige wagens boeien aller oogen, de menners niet minder. Hunne fijne wollen tunica's, kort en zonder mouwen, zijn van de hun toegewezen kleuren. Een man te paard begeleidt iederen wagen, behalve dien van Ben-Hur. Deze had om de eene of andere reden, misschien uit wantrouwen, voor die eer bedankt. De andere menners dragen een helm, hij niet.
De toeschouwers staan op van hunne zitplaatsen, men juicht, men jubelt, en een regen van bloemen daalt neer op de paarden, de wagens, de menners.
Alle aanwezigen, mannen, vrouwen en kinderen, dragen een strikje op de borst, of in het haar, de kleur van een der menners, maar ofschoon alle kleuren vertegenwoordigd zijn, voeren wit, en rood met goud, den boventoon. De oorzaak hiervan is te zoeken in het nationaliteitsgevoel. De buitenlieden: Syriërs, Joden en Arabieren, hopen den Jood te zien zegepralen. De burgers van Antiochië en de Romeinen rekenen er op den Romein als overwinnaar uit het strijdperk te zien treden. De Grieken zijn verdeeld tusschen den Corinthiër en den Athener. De steden Byzantium en Sidon zijn schaars vertegenwoordigd.
Naarmate de stoet voorttrekt neemt de geestdrift toe. Messala! Messala! Ben-Hur! Ben-Hur! weerklinkt het luider en luider, en toen men eindelijk de arena door de Porta Pompea verliet, wist Ben-Hur dat zijn gebed verhoord was. Het Oosten wachtte in spanning den uitslag af van zijn strijd met Messala.
Te drie uur des namiddags volgens onze tijdrekening was het grootste gedeelte van het programma afgeloopen. De wedren alleen moest nog gehouden worden. Maar eerst zou er een pauze zijn, opdat de toeschouwers zich wat zouden kunnen verfrisschen. De deuren werden geopend, de meerderheid stroomde naar buiten, om zich in de nabijgelegen winkels van het noodige te voorzien. Zij, die liever bleven zitten, praatten, geeuwden, rekten zich uit, raadpleegden hunne tafeltjes, en bespraken hun verlies of winst.
Diegenen van de burgerij, welke om verschillende redenen verkozen hadden alleen den wedren bij te wonen, maakten van de pauze gebruik, om zich naar de voor hen besproken plaatsen te begeven. Door dit uur te kiezen trokken zij het minst de aandacht en gaven niemand aanstoot.
Tot deze klasse behoorden Simonides en zijn gezelschap, die hunne plaatsen hadden bij den hoofdingang tegenover den consul.
Toen vier bedienden den koopman in zijn stoel naar binnen droegen, staken allen de hoofden bij elkander. Iemande noemde zijn naam, en weldra ging hij van mond tot mond. Allen bogen zich over de leuning om den man te zien, van wiens rijkdom en treurig lot verschillende praatjes in omloop waren. Ook Ilderim werd door velen herkend en met warmte begroet; maar niemand wist te zeggen wie Balthasar en de twee dicht gesluierde vrouwen waren, die hen vergezelden. Toen zij gezeten waren zag de eene, Esther, verlegen voor zich en trok haar sluier dichter voor 't gelaat; maar de andere, Iras, liet hem afglijden, en keek vrijmoedig om zich heen.
Een weinig later kwamen eenige werklieden en spanden een met wit krijt bestreken touw dwars over de arena, vóór den eersten eindpaal. Terwijl zij daar nog mee bezig waren, traden zes mannen door de Porta Pompae binnen en stelden zich voor de zes stallen. Nu ontstond een algemeen fluisteren en wijzen.
—Kijk, de groene gaat naar nummer vier, daar is dus de Athener.
—En Messala is in nummer twee.
—De Corinthiër ...!
—O, zie eens naar de witte! Kijk, hij gaat naar nummer een.
—Neen, daar blijft de zwarte staan, de witte moet naar nummer twee.
—O ja, gij hebt gelijk.
Deze deurwachters droegen tunica's van de kleuren der mededingende menners; zoodat, toen zij hunne plaatsen innamen, iedereen wist in welken stal zijn uitverkoren held het sein tot den afrit verbeidde.
—Hebt gij Messala wel eens gezien? vraagde Iras aan Esther.
—Neen, antwoordde zij, en huiverde op het hooren van dien gevreesden naam.
—Hij is schoon als Apollo, hernam Iras.
—Zou hij dan zóóveel schooner zijn dan Ben-Hur, dacht Esther.
Een oogenblik later hoorde zij Ilderim tot haren vader zeggen: Ja, zijn stal is nummer twee, links van de Porta Pompae,—en begrijpende, dat zij over den jongen meester spraken, keek zij naar dien kant. Ook slechts even, toen hulde zij zich nog dichter in haar sluier, en zond een innig smeekgebed tot God omhoog.
Nu voegde Sanballat zich bij hen.
—Sheik, zeide hij, ik ben even in den stal geweest. De paardjes bevinden zich in den besten welstand.
Ilderims oogen glinsterden van voldoening, maar hij antwoordde bedaard: Mochten zij het onderspit delven, dan hoop ik dat dit voor een ander dan Messala zal zijn.
—Zie, zeide Sanballat, zich tot Simonides wendende, hier is iets dat u belang zal inboezemen. Ik deelde u reeds mede, dat ik gisteren een weddenschap met Messala heb aangegaan, en het aanbod tot een tweede achterliet, die mij, zoo het aangenomen werd, hedenmorgen moest bezorgd worden. Hier is zij,... en dit zeggende overhandigde hij Simonides een tafeltje.
Simonides nam het en las het memorandum met aandacht.
—In orde, zeide hij. Van morgen lieten zij mij vragen, of het waar was, dat gij over zooveel geld te beschikken hadt. Bewaar het tafeltje goed. Verliest gij, welnu, gij weet waar gij u vervoegen kunt. Wint gij—O mijn vriend! als gij wint, pas dan op. Laat niet toe, dat zij u ontsnappen. Dwing hen u tot den laatsten penning te betalen. Zij zouden het ons ook doen.
—Verlaat u op mij, antwoordde Sanballat.
—Wilt gij niet bij ons komen zitten? vraagde Simonides.
—'t Is heel vriendelijk van u, maar als ik niet bij den consul blijf wordt jong Rome te overmoedig.
De pauze was afgeloopen. Trompetgeschal riep de afwezigen naar hunne plaatsen terug. Tegelijkertijd verschenen eenige bedienden in de arena, klommen op den scheidsmuur, gingen naar een uitstekje bij den tweeden paal aan het westeinde en legden er zes houten ballen op. Vervolgens keerden zij terug naar den eersten paal en legden op een dergelijk uitstekje zes houten dolfijnen.
—Wat beteekenen die ballen en die visschen, Sheik? vraagde Balthasar.
—Hebt gij nog nooit een wedren bijgewoond?
—Neen, dit is de eerste maal.
—Wel, daar telt men mede. Na iederen rondgang wordt een bal en een visch weggenomen.
De voorbereidingen waren afgeloopen. Een trompetter stond gereed om op het bevel van den prefect het signaal te blazen. Het gejoel en gepraat verstomde. In gespannen verwachting keerden alle hoofden zich naar de nog gesloten stallen, waar de zes mededingers wachtten.
De ongewone kleur op het gelaat van Simonides toonde duidelijk, dat hij alles behalve kalm was, terwijl Ilderim onrustig in zijn baard woelde.
—Let nu op den Romein, zeide Iras tot Esther, die met een kloppend hart naar Ben-Hur uitzag.
Een kort schril trompetgeschal, en de zes opzichters traden naar voren om, zoo de paarden wild mochten zijn, hulp te kunnen verleenen. Weer werd de trompet geblazen, en tegelijkertijd werden de deuren der stallen opengeworpen.
Eerst verschenen de bereden begeleiders der mededingers, vijf in getal, want Ben-Hur had zooals wij weten voor die eer bedankt. Het witte touw werd neergelaten om hen te laten voorbijgaan, daarna weer omhoog gehaald. De vijf ruiters waren prachtig uitgedost, maar bijna niemand lette op hen. De open stallen hielden aller aandacht geboeid.
Het touw werd nogmaals neergelaten, en als een stormwind vlogen de zes vierspannen naar buiten. De onafzienbare menschenmassa verrees van hare zitplaatsen en deed de lucht weergalmen van haar gejuich. Dit was het oogenblik, waar zij zoo geduldig op gewacht hadden, waar zij dagen lang over gesproken hadden.
—Daar is hij! riep Iras en wees op Messala.
—Ik zie hem, antwoordde Esther, maar haar blik volgde Ben-Hur. Zij had haar sluier weggeslagen en begreep op dat oogenblik hoe men, onder het bewonderend oog der menigte, zelfs den dood onvervaard leert trotseeren.
De deelnemers waren thans voor alle toeschouwers goed te zien, maar toch was de wedren nog niet begonnen. Eerst moesten zij het witte touw veilig achter zich hebben.
De lijn was gespannen om den afrit volkomen gelijktijdig te doen plaats vinden. Om er niet door tegengehouden te worden, en zoodoende reeds bij het begin tot de achterblijvers te behooren, moesten zij er zijn, juist op het oogenblik, dat de lijn viel. Maar dan nog was de groote vraag, wie op de baan aan de binnenzijde naast den scheidsmuur kwam. Dat was het doelwit van aller streven. De gelukkige, die zich deze plaats wist te veroveren, had van den beginne iets voor boven de anderen.
Dat streven, de daaraan verbonden gevaren en gevolgen waren bij de toeschouwers zeer goed bekend, en daarom wachtten allen dan ook ademloos op den uitslag.
De arena baadde in licht, maar de menners lieten zich niet verblinden. Strak was hun oog gevestigd op het touw en op den begeerden binnenkant.
Zoo renden dan alle zes in pijlsnelle vaart naar een en hetzelfde punt en scheen een botsing onvermijdelijk.
De tot aan het touw af te leggen baan was ongeveer tweehonderdvijftig voet lang. Hier werden een scherp oog, een vaste hand, een kalme geest vereischt. Eén blik ter zijde en het was gedaan.
De mededingers naderden het touw gelijktijdig. Daar werd het signaal geblazen, het touw viel neer en geen minuut te vroeg, want reeds sloeg, toen het viel, de hoef van een van Messala's paarden er tegen. Volstrekt niet verschrikt vierde de Romein de teugels en met een luiden jubelkreet nam hij de veelbegeerde baan naast den muur in bezit.
—Jupiter met ons! Jupiter met ons! schreeuwden de Romeinen, buiten zichzelven van vreugde.
Toen Messala inreed greep de bronzen leeuwenkop aan het einde van zijne as den voorpoot van het bijdehandsche paard des Atheners, zoodat het tegen zijnen buurman viel. Beide wankelden, steigerden en versperden daardoor den weg. De duizenden hielden ontzet den adem in, alleen van de tribune, waar de consul zat, herhaalde zich het vreugdegejuich.
—Jupiter met ons! riep Drusus zoo hard hij kon.
—Hij wint, hij wint! Jupiter met ons! schreeuwden zijne makkers, toen zij Messala vooruit zagen schieten.
De zoo ongelukkig opgehouden Athener had nu alleen nog den Corinthiër aan zijne rechterhand en wilde zijn vierspan daarheen sturen, maar het ongeluk vervolgde hem. Het wiel van den Byzantijner, die ter linkerzijde reed, trof het achterste rad van zijn wagen, zoodat hij kantelde. Een luid gekraak, een kreet van woede en smart, en daar lag de arme Cleanthes onder de hoeven zijner eigene paarden! 't Was een ijzingwekkend schouwspel. Esther bedekte zich het gelaat met de handen.
Voort vlogen de Corinthiër, de Byzantijner, de Sidoniër. Sanballat zag naar Ben-Hur en wendde zich toen tot Drusus en zijne vrienden.
—Honderd sestertiën op den Jood! riep hij.
—Aangenomen! antwoordde Drusus.
—Nog eens honderd sestertiën op den Jood! riep Sanballat weder.
Niemand scheen hem te hooren. Zij hadden al hunne aandacht noodig voor hetgeen in de renbaan gebeurde en riepen tot heesch wordens toe: Messala! Messala! Jupiter met ons!
Toen Esther zich vermande om weer op te zien, waren eenige mannen bezig met het wegvoeren van de paarden en het gebroken wagentje. Andere droegen den gewonde uit de arena, terwijl de aanwezige Grieken zich luid beklaagden en om wraak riepen. Daar zag Esther op eenmaal Ben-Hur met den Romein samen op één lijn. Hen volgden op den voet de drie overigen: de Sidoniër, de Corinthiër, en de Byzantijner. De wedren was in vollen gang. De duizenden hingen in gespannen verwachting over de balustrades.
Zooals wij gezien hebben was Ben-Hur, bij het begin van den strijd om de plaatsen, aan de buitenzijde. Was hij voor een oogenblik als de anderen half verblind door het schelle licht, het gelukte hem toch zijn tegenstander te herkennen. Beiden waren met dezelfde gevoelens bezield, beiden waren vastbesloten om den prijs te winnen. Beiden zouden zij zich tot het uiterste inspannen om elkander te vernederen. Toch was het geen blinde hartstocht, die het bloed van den Jood in beweging bracht. Hij had een vast plan, en vertrouwend op zijn goed recht en vaste hand zette hij zich tot taak, nooit beter daartoe gestemd dan nu. Met groote behendigheid wist hij bij Cleanthes' val het dreigend gevaar te ontkomen, en door een prachtige zwenking naast Messala te komen, zij het ook aan de buitenzijde.
Dat kunststuk was de scherpe blikken der toeschouwers niet ontgaan, en de circus daverde van het herhaalde applaus. Toen vouwde Esther de handen in dankbare verrukking. Sanballat bood, maar tevergeefs, trotsch glimlachend opnieuw honderd sestertiën aan, en de Romeinen vreesden reeds dat Messala zijn gelijke, misschien wel zijn meester gevonden had!
Zoo naast elkander voortrennend naderden die beiden den tweeden paal. Hier was een kromming in de baan, en dien draai naar de eischen der kunst te maken was een punt van eer voor de menners. De belangstelling van het publiek was zoo groot, dat overal in den circus de diepste stilte heerschte, en men voor het eerst een geratel der wagentjes duidelijk hoorde. Nu scheen Messala op eens Ben-Hur te herkennen, en terstond openbaarde zich de onbeschaamdheid van den Romein op ongehoorde wijze.
—Weg met Eros! Leve Mars! riep hij luide, zijn lange zweep zwaaiend. Eros! Mars! herhaalde hij, en bracht Ben-Hurs fiere paarden een slag toe, zooals zij nog nooit gevoeld hadden.
Allen hadden het gezien. De verbazing was algemeen. De stilte werd hoorbaar. Op de tribune van den consul hield zelfs de overmoedigste den adem in, wachtend op hetgeen volgen zou. Slechts één oogenblik ... toen barstte een storm van verwijten los.
Het vierspan was verschrikt vooruitgesprongen. Niemand had ooit anders dan in liefde de hand op hen gelegd,... wat konden de fijngevoelige dieren onder zulk een onwaardige behandeling anders doen dan vluchten, alsof de dood hen op de hielen zat?
Ondervinding is de beste leermeesteres. Dat bleek ook nu. Vanwaar had Ben-Hur zijn gespierde hand, zijn machtigen greep, die hem nu zoo goed te stade kwamen? Had hij die niet te danken aan de roeispaan, waarmede hij drie lange jaren de golven had doorsneden? En wat beteekende het geweldige schokken van den wagen voor hem, die op de schuimende baren gezwalkt had, nu eens hemelhoog opgeheven, dan weder neergesmakt in de diepte?
Onbeweeglijk bleef hij stand houden, gaf het vierspan den teugel, sprak hen bemoedigend toe, en trachtte hen voorzichtig den gevaarlijken draai te doen nemen. Voordat het volk van zijne verontwaardiging bekomen was, was hij zijne paarden weer volkomen meester. Dat niet alleen. Bij den eersten paal was hij Messala opnieuw ter zijde gekomen en had zich de bewondering en genegenheid van alle niet-Romeinen veroverd. Zoo duidelijk gaven zij lucht aan deze gevoelens, zoo heftig hadden zij hunne afkeuring getoond, dat Messala, hoe onbeschaamd ook, zich wel wachtte zijn euveldaad te herhalen.
Toen de wagens om den paal zwenkten zag Esther, dat Ben-Hur wat bleeker was dan voorheen, maar overigens kalm en bedaard.
Zoodra de eerste rondtoer volbracht was klom een man op het uitstek aan het westeinde en nam een van de houten ballen af. Datzelfde geschiedde aan den overkant met de dolfijnen.
Voort renden de twee, en op gelijke wijze verdwenen de tweede bal en de tweede dolfijn. Toen de derde. Driemaal waren zij dus rond geweest. Messala had zijn plaats aan den binnenkant nog steeds kunnen behouden, nog vloog de Jood naast hem voort, nog volgden de drie anderen als te voren. Het scheen een van die dubbelwedrennen te zijn, die later in Rome zoo geliefd waren—Messala en Ben-Hur in den eersten, de Corinthiër, Sidoniër en Byzantijner in den tweeden.
Bij den vijfden rondgang gelukte het den Sidoniër Ben-Hur op zijde te komen, doch slechts voor een oogenblik. De zesde rondgang begon in de gewone orde. Langzamerhand was de snelheid toegenomen. Menners en paarden gevoelden dat de eindbeslissing naderde.
Hadden van den aanvang de Romein en de Jood het meest de belangstelling gaande gemaakt, thans begon men voor den laatste te vreezen.
—Honderd sestertiën op den Jood! riep Sanballat tegen de jonge Romeinen, maar hij kreeg geen antwoord.
—Een talent, vijf talenten, tien talenten, zooveel gij wilt! riep Sanballat uittartend.
—Kom maar hier, zeide een Romeinsche jonkman.
—Doe het niet, waarschuwde een vriend.
—Waarom niet?
—Omdat Messala zijn grootste snelheid heeft bereikt. Zie hoe hij over den rand van zijn wagen buigt en de teugels viert. En let dan eens op den Jood. Ik vertrouw het niet.
—Bij Herkules! antwoordde de ander droevig, als de goden onzen Messala niet bijstaan zal de Jood winnen. Maar neen, nog niet! Jupiter met ons!
Die kreet werd door de andere Romeinen overgenomen, totdat de lucht er van daverde.
Als het waar was dat Messala zijn uiterste snelheid bereikt had, één voordeel had hij behaald, dat was zeker. Hij was Ben-Hur vooruit gekomen. Zijne paarden hielden de koppen gebogen, van de tribune gezien schenen zij met den buik den grond te raken, hunne neusgaten waren bloedrood, hunne oogen sprongen bijna uit de kassen. Ja, de dieren deden hun best. Hoelang zouden zij het kunnen volhouden? Zij waren eerst aan het begin van den zesden rondgang.
Voort vlogen zij. Toen zij den tweeden paal naderden stuurde Ben-Hur zijn wagen vlak achter dien van Messala. De vreugde der Romeinen kende geen mate. Zij schreeuwden, zij schaterden, zij wuifden met hunne roodgouden sjerpen. Sanballat had druk werk om hunne weddenschappen op te schrijven.
Malluch, die op de galerij tegenover den Triomfboog zat, begon ongerust te worden. De wenk, hem door Ben-Hur gegeven, om vooral te letten op de zwenking bij de westelijke pilaren, was hem in het hoofd blijven hangen, en daar had hij luchtkasteelen op gebouwd. Dit was de laatste rondgang en nog was er niets gebeurd! Nog steeds volgde Ben-Hur den Romein op den voet.
Het gezelschap van Simonides zat doodstil, alleen Iras scheen vroolijk en opgewekt te zijn.
Zoo naderden de twee den eersten paal. Messala, bevreesd om zijn eigen plaats te verliezen, ging bijna rakelings langs den muur, op gevaar af van zijn wagen te pletter te slaan.
Toen zij de kromming omgereden hadden was slechts één wagenspoor te zien, zoo juist had de Jood den Romein gevolgd.
Esther merkte op dat Ben-Hurs gelaat nog bleeker was dan straks, en Simonides zeide tot Ilderim: Ik zou mij zeer moeten vergissen, goede Sheik, als onze jonge vriend niet iets in het schild voert. Ik zie het aan zijn gezicht;—en Ilderim antwoordde: Zaagt gij hoe frisch mijn paarden er uitzien? Alsof zij pas van stal komen! Het echte rennen moet nog beginnen! Maar nu opgelet!
Nog één dolfijn, nog één bal stonden op de uitstekken. Het begin van het einde was daar.
De Sidoniër beproefde met een laatste krachtsinspanning vooruit te komen. De poging mislukte. De Byzantijner en de Corinthiër probeerden hetzelfde, maar slaagden evenmin; zoodat zij feitelijk afgedaan hadden.
Alle toeschouwers, met uitzondering van de Romeinen, hoopten op Ben-Hur en schreeuwden hem toe: Vooruit, Jood, geef den Arabieren den vrijen teugel! Haal den binnenkant! Nu of nooit! Den binnenkant! Den binnenkant!
Zoo riepen zij hem van alle kanten toe en hingen over de balustrades en staken smeekend de armen uit.
Verstond hij hen niet, of kon hij niet sneller rijden? Reeds naderden zij den tweeden paal en nog was hij in de achterhoede.
Om den laatsten draai te maken begon Messala de teugels van de linkse paarden aan te halen, hetgeen natuurlijk hun vaart een weinig verminderde. Hij was vol moed. Aan meer dan één altaar had hij geloften gedaan. Rome zou ook nu zegevieren. Slechts zeshonderd voet tusschen hem en roem, rijkdom, bevordering, bevrediging van wraakgevoel!
Op dat oogenblik zag Malluch van de galerij hoe Ben-Hur zich voorover boog en de teugels vierde. Hij klapte met zijn lange zweep, en klapte nogmaals en nogmaals. Hoewel hij de verschrikte dieren niet raakte was in dat geluid toch iets, dat hen vooruit deed springen en voortvliegen als een pijl uit den boog. Met één sprong waren zij den Romein op zijde.
Messala, juist genaderd aan het gevaarlijke punt, hoorde iets verdachts, maar durfde het hoofd niet omdraaien ten einde te zien wat Ben-Hur in den zin had. Het roepen en schreeuwen van het volk maakte hem niet wijzer. Boven alles uit hoorde hij ééne stem vlak naast zich, en dat was de stem van Ben-Hur. In het Arameesch, de taal van den Sheik, riep hij zijne Arabieren toe: Voorwaarts Rigel! Vooruit Atair! Hoe nu, Antares! Blijft gij achter? Oho, Aldabaran! Vlugste van allen! Ik hoor het gezang in de tenten! Ik hoor de kinderen zingen van Rigel, Atair, en Antares, van Aldebaran en van de victorie! en het jubelen neemt geen einde.—Goed zoo! Morgen huiswaarts ... naar de zwarte tent ... ons thuis! Voorts Antares! de meester wacht u!... Het is geschied! Haha! Haha! De trotschaard is gevallen. Hij, die ons griefde, ligt in 't stof! Ons de glorie! Ons de roem! Gedaan het werk—soho! halt! ho!
Snel en eenvoudig was alles in zijn werk gegaan, Messala had bijna den draai om den eindpaal volbracht, toen Ben-Hur met zeldzame vaardigheid zijn kunststuk volbracht.