VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Om den Romein voorbij te komen moest hij de baan oversteken en wel in de kortst mogelijke lijn. Het publiek begreep zijn voornemen. Zij zagen hem het teeken geven, en waren getuigen van het gevolg: de vier vlak naast Messala's buitenste wiel ... Ben-Hurs binnenwiel, die het pakte ... een luid gekraak, zoo luid dat allen in den circus het hoorden en er van ontstelden ... en de wagen van den Romein lag omver, geheel vernield. Messala, in de teugels verward, lag er onder.

Het akelig tooneel werd nog ontzettender, doordat de Sidoniër zijne paarden niet op eens kon inhouden. In volle vaart reden zij over de rampzaligen Messala en zijn wagen heen, op het steigerende slaande vierspan in. Alsof er niets gebeurd was zette Ben-Hur in razende vaart zijn tocht voort, gevolgd door den Corinthiër en den Byzantijner.

Alles stond op, sprong op de banken, en schreeuwde en juichte. Intusschen lag Messala nog steeds onder de hoeven der spartelende paarden, onder den gebroken wagen. Hij lag zoo stil, dat men hem voor dood hield. Slechts enkelen wijdden hem een blik. De meesten volgden Ben-Hur op zijn zegetocht. Zij hadden niet gezien, hoe hij de paarden een weinig naar links stuurde en Messala's wiel met de punt van zijn ijzeren as pakte, zoodat het te gruizel sprong. Maar de plotselinge verandering van zijne geheele persoonlijkheid was hun niet ontgaan, den gloed en de bezieling, die van hem uitgingen, hadden zij gevoeld; begrepen de alles beheerschende toovermacht, waarmede hij op eens door woord en gebaar zijne edele rossen bezielde. Welk een rennen!

Toen de Byzantijner en Corinthiër halfweg waren, had Ben-Hur den eindpaal bereikt en was de zege behaald.

De consul verrees van zijn zetel. Het volk schreeuwde zich heesch. De prefect kwam naar voren en kroonde de overwinnaars.

De gelukkige prijswinner onder de boksers was een blonde reusachtige Noor. Zijn gelaat trok Ben-Hurs aandacht en weldra herkende hij in hem zijn leermeester in het schermen te Rome, wiens geliefde scholier hij geweest was. Van hem hief hij de oogen op naar Simonides en zijn gezelschap. Zij groetten hem met de hand. Esther bleef zitten, maar Iras stond op, lachte hem toe en wuifde met haar waaier—vriendschapsbewijzen, die, zooals wij weten, voor Messala bestemd waren geweest.

Nu vormde de stoet zich, zette zich onder het gejubel der menigte in beweging, en verliet de arena door de Triomfpoort.

De lang verbeide dag was voorbij.

Ben-Hur en Ilderim waren de rivier overgestoken en toefden daar nog, totdat zij, zooals te voren bepaald was, te middernacht de karavaan konden volgen, die dertig uren geleden reeds op reis was gegaan.

De Sheik was overgelukkig. Hij had zijn jongen vriend vorstelijke aanbiedingen gedaan; maar deze had alles afgeslagen, zeggende dat hij volkomen tevreden was met de vernedering van zijn vijand. De edelmoedige tweestrijd bleef lang onbeslist.

—Bedenk toch, zeide de Sheik, wat gij voor mij gedaan hebt. In elke tent tusschen de Akaba en den oceaan, van den Euphraat tot aan de Scytische zee zal de roem van Mira en hare zonen bezongen worden; en tegelijkertijd zullen zij mijn machtigen arm bezingen. Al de strijdbare mannen, die zonder leidsman omzwerven, zullen tot mij komen en zich onder mij scharen. Gij weet niet wat het zegt heerschappij te voeren over de gansche woestijn, zooals nu voor mij weggelegd is. Ik zeg u het zal mij zware schatting van handeldrijvenden opbrengen en groote voorrechten van koningen bezorgen. Ja, bij Salomo's heerlijkheid! Als ik den keizer om een gunst laat verzoeken, hij zal mijn bede niet afslaan. En gij wilt niets, niets van mij aannemen?

Ben-Hur antwoordde: Neen, Sheik. Ik heb immers een plaats in uw hart! Dat de vermeerdering van uw macht en aanzien den Koning, die wij verwachten, ten goede kome! Wie zal zeggen, of zij u niet tot dat doel gegeven zijn? Waarschijnlijk heb ik uwe hulp noodig bij het werk, dat ik ga ondernemen. Als ik nu voor uwe aanbiedingen bedank, kan ik later te vrijmoediger bij u aankloppen.

Hun gesprek werd afgebroken door de komst van twee boden: Malluch en een onbekende. Malluch werd eerst toegelaten.

De goede man was opgetogen over de behaalde zegepraal. Na eerst zijne blijdschap lucht te hebben gegeven, zeide hij: Mijn goede meester heeft mij opgedragen u mede te deelen, dat sommige der Romeinsche edellieden weigeren aan hunne verplichting te voldoen.

Ilderim sprong op en riep heftig: Wat! Het geheele Oosten moge beslissen, of de zege eerlijk behaald is of niet!

—Bedaar, edele Sheik, zeide Malluch. De prefect heeft den prijs doen uitbetalen.

—Dan is het goed.

—Toen zij aanvoerden, dat Ben-Hur Messala's wiel verbrijzeld heeft, lachte de prefect en herinnerde hun den zweepslag, dien Messala den Arabieren in het begin gaf.

—Weet gij ook iets van den Athener?

—Die is dood.

—Dood? En Messala? Is die ontkomen? Wat loopt dien Romeinschen windbuilen toch altijd alles mee! riep Ilderim.

—Hij is wel ontkomen, antwoordde Malluch, maar het leven zal hem tot een last zijn. De geneesheeren zeggen, dat hij nooit meer zal kunnen loopen.

Ben-Hur zag zwijgend op naar den hemel. In den geest zag hij Messala, evenals Simonides, hulpbehoevend, gedragen in een stoel, afhankelijk van dienstboden. De oude man had een rein geweten, maar hoe zou deze trotsche en eerzuchtige er zich in schikken?

—Sanballat, vertelde Malluch verder, heeft veel last met Drusus en de andere jongelieden, want zij weigerden de groote sommen te betalen, die zij verloren hebben, en brachten de zaak voor den consul. Deze verwees hen naar den Keizer. Messala weigerde eveneens te betalen, maar Sanballat ging, in navolging van Drusus, naar den consul, waar de zaak nog hangende is. De goedgezinden onder de Romeinen zeggen, dat het eereschulden zijn, die betaald moeten worden, en alle andere partijen scharen zich aan hunne zijde.

—Wat zegt Simonides? vraagde Ben-Hur.

—Die lacht en is recht voldaan. Als de Romein betaalt is hij geruïneerd. Weigert hij, dan is hij geschandvlekt. De Keizer zal moeten beslissen. Het Oosten te beleedigen zou niet wijs zijn, met het oog op den veldtocht tegen de Parthen. Sheik Ilderim te beleedigen zou gelijk staan met de woestijn tegen zich in het harnas te jagen, en die heeft Maxentius juist noodig voor zijne krijgsoperatiën. Daarom zeide Simonides, dat gij u niet ongerust behoeft te maken, want Messala zal betalen.

—Dan kunnen wij vertrekken, zeide Ilderim, en wreef zich de handen. Wij kunnen alles gerust aan u overlaten. Ik zal de paarden doen voorkomen.

—Buiten staat nog een bode, zeide Malluch, wilt gij dien zien?

—'t Is waar ook. Ik dacht niet meer aan hem.

Malluch ging heen, en in zijn plaats trad een knaap binnen. Hij boog voor den Sheik en zeide: Iras, de dochter van Balthasar, heeft mij opgedragen den vriend haars vaders, Sheik Ilderim, geluk te wenschen met de behaalde overwinning met zijn vierspan.

—De dochter van mijn vriend is zeer vriendelijk, zeide Ilderim vroolijk. Geef haar met mijn dank dezen ring tot een aandenken.

Hij trok een kostbaren diamant van den vinger en reikte dien den jongeling over.

—Mijne meesteres, vervolgde de knaap, droeg mij ook op u te verzoeken den jongeling Ben-Hur mede te deelen, dat zij met haar vader verblijf houdt in het paleis van Idernee, waar zij den jongeling morgen na de vierde ure verwacht om hem persoonlijk te kunnen geluk wenschen.

De Sheik keek Ben-Hur aan, die met stralende oogen antwoordde: Met uw goedvinden zal ik de schoone Egyptische bezoeken.

Ilderim lachte en zeide: Zou niet een man zijne jeugd genieten?

Toen keerde Ben-Hur zich tot den bode en zeide: Zeg tot haar, die u zendt, dat ik, Ben-Hur, haar morgen bezoeken zal in het paleis Idernee, op het door haar aangegeven uur.

De knaap groette beleefd en ging heen.

Te middernacht reisde Ilderim af, na zijn jongen vriend beloofd te hebben een paard en een gids voor hem te zullen achterlaten.

Den volgenden dag begaf Ben-Hur zich op den bepaalden tijd naar het paleis Idernee, dat uitwendig geheel in Griekschen stijl was gebouwd.

Langzaam trad hij binnen en ging de vestibule door. Hij was kalm gestemd. Hij zou in de tegenwoordigheid van Iras komen. Zij wachtte hem met scherts en zang, geestig, afwisselend, grillig, met grimlachjes, die haar zoo lief stonden, met vriendelijke blikken en fluisterende stem. Reeds eenmaal had zij hem doen roepen, dien avond van het roeitochtje op het meer, en nu had zij weder om hem gezonden in dit schoone paleis. Hij voelde zich gelukkig en droomerig gestemd.

Toen hij de lange gang doorgegaan was kwam hij voor een gesloten vleugeldeur, die bij zijne nadering vanzelf openging. Deze bijzonderheid ging echter voor hem verloren, door de verbazing, die hem beving, over hetgeen zich nu aan zijne oogen vertoonde.

Vóór zich zag hij het atrium van een Romeinsch huis, met zeldzame pracht en weelde ingericht. Het vertrek was groot, hoe groot was niet met juistheid te bepalen, want de blik verloor zich in de ruimte. Hij bleef verbaasd staan. De fraai gepolijste mozaïekvloer stelde mythologische onderwerpen voor. Langs de wanden stonden zetels en stoelen, alle verschillend van vorm, en kunstig bewerkt, gebeeldhouwde tafels, gemakkelijke divans, uitnoodigend tot rusten. De zoldering was koepelvormig. In het midden bevond zich een opening, waardoor het licht ongehinderd naar binnen stroomde. Het impluvium was omgeven door een bronzen balustrade. De vergulde pilaren, die de zoldering droegen, schitterden in den zonnegloed, en de weerspiegeling er van in den gepolijsten vloer scheen uit een onpeilbare diepte op te komen. Verder waren er kandelaars van phantastischen vorm, beelden en vazen, alles zoo schoon, dat het uitstekend gepast zou hebben in het huis op den Palatijn, dat Cicero van Crassus kocht, of in die andere villa, nog meer bekend om haar buitensporige pracht: de villa van Scaurus te Tusculum.

Nog altijd in droomerige stemming ging Ben-Hur van het een naar het ander, bekoord door alles wat hij zag. Het hinderde hem niet dat hij een poos moest wachten. Als Iras gereed was zou zij wel komen, of hem tot zich laten roepen. In ieder deftig Romeinsch huis was het atrium de plaats, waar men bezoekers ontving. Twee-, driemaal wandelde hij het vertrek rond, stond stil onder de opening in de zoldering, en keek peinzend naar de blauwe lucht boven zijn hoofd. Leunende tegen een pilaar bestudeerde hij de afwisseling van licht en schaduw, maar nog kwam er niemand. De tijd begon hem eindelijk lang te vallen ... waarom kwam Iras niet? Weer beschouwde hij de mozaïeken op den grond, maar zij boeiden hem niet zooals straks. Gedurig hief hij het hoofd op om te luisteren, langzamerhand begon hij ongeduldig te worden, en ten laatste trof hem de doodelijke stilte, die in het huis heerschte. Deze maakte hem onrustig en achterdochtig. Hij wilde er niet aan toegeven, lachte om zijne dwaasheid, en zette zich nogmaals neer om een kandelaar te bewonderen, zoo sierlijk en kunstig als hij nimmer gezien had. Maar de stilte werd voel- en hoorbaar. Hij luisterde terwijl hij den kandelaar bekeek, hij luisterde of hij niet een stap hoorde ... maar alles bleef stil, het paleis scheen uitgestorven te zijn.

Kon het misschien een vergissing wezen? Neen, de bode had gezegd, dat de Egyptische hem zond, en dit was het paleis Idernee. Nu herinnerde hij zich op eens, hoe geheimzinnig de deur was opengegaan, zoo geruischloos, zoo vanzelf. Dat zou hij eens onderzoeken.

Hij ging er heen. Hoe zacht hij ook liep, toch weerklonken zijne voetstappen. Hij werd er zenuwachtig van. Het slot gehoorzaamde niet bij zijn eerste voorzichtige poging om de deur te openen. Bij de tweede beproefde hij het met alle macht; maar tevergeefs, de deur bleef gesloten. Een voorgevoel van naderend onheil maakte zich van hem meester, en hij bleef besluiteloos staan.

Wie in Antiochië kon hem kwaad willen doen?

Messala!

En dit paleis? De vestibule was Egyptisch, de portiek Grieksch, maar hier, in dit atrium, zag hij Rome. Alles rondom hem verried, dat een Romein de eigenaar was. Plotseling veranderde het schoone atrium voor hem van gedaante. Het was een val.

Links en rechts waren verscheidene deuren, die waarschijnlijk tot slaapkamers leidden. Hij trachtte ze te openen, maar zij waren alle afgesloten. Zou hij kloppen? Neen, hij schaamde zich alarm te maken, en wierp zich op een divan om na te denken.

't Was maar al te duidelijk, hij was een gevangene. Maar met welk doel? En van wien? Had Messala hem dit aangedaan? Hij richtte zich op en lachte smakelijk. Ieder meubel kon hem tot wapen dienen, de rustbanken bij voorbeeld tot stormrammen. Hij was sterk, en woede en wanhoop konden wonderen doen verrichten.

Messala zelf kon niet bij hem komen. Hij zou nimmermeer kunnen loopen; maar hij kon door anderen werken. Die gedachte deed Ben-Hur opspringen. Hij verhief zijne stem en riep om hulp, maar de echo was zoo sterk dat hij er van verschrikte. Weer dwong hij zich tot kalmte en besloot nog een poos te wachten, voordat hij zich met geweld een doortocht maakte.

Zoo verliep een half uur, een eeuwigheid in zijne schatting. Daar gingen de vleugeldeuren plotseling onhoorbaar open, en werden even onhoorbaar gesloten, zoo zacht dat hij er niets van merkte. Het geluid van voetstappen trok allereerst zijne aandacht. Hij sprong op met een gevoel van verlichting ... daar zal Iras eindelijk zijn!

Maar ... het was een zeer zware stap. De vergulde pilaren waren tusschen hem en de deur. Hij hoorde stemmen, zware mannenstemmen, en de taal, die gesproken werd, kende hij niet.

Na een algemeen overzicht van het vertrek genomen te hebben staken zij schuin over, zoodat Ben-Hur de sprekers in 't gezicht kreeg. Het waren twee mannen, forsch van gestalte en met korte tunica's. Zij behoorden klaarblijkelijk niet tot het dienstpersoneel van het huis. Alles wat zij zagen trok hunne aandacht. Zij stonden overal stil en betastten alles. Het atrium was niet voor lieden van hun slag, toch was uit hunne geheele manier van doen te bemerken, dat zij hier met een bepaalde bedoeling kwamen.

Het zal niemand verwonderen dat Ben-Hur een weinig zenuwachtig was geworden; en toen hij nu in de reuzengestalte van den een den Noor herkende, dien hij te Rome gekend had, en die gisteren in den circus gekroond was als prijswinnaar bij het boksen, begreep hij, dat hem een groot gevaar dreigde en hij zich op het ergste moest voorbereiden. Instinctmatig gevoelde hij, dat hier geen sprake was van een toevallig samentreffen, deze twee zochten hem.

De metgezel van den Noor was nog jong, donker van haar en oogen, van de Joodsche type. Beiden hadden het kostuum aan dat boksers van beroep in de arena droegen. Ben-Hur behoefde niet langer te twijfelen: hij was verraderlijk in dit paleis gelokt, om te midden van deze pracht door de hand van den Noor te sterven.

Niet wetende wat te doen volgde hij hunne bewegingen, en in dat laatste stille oogenblik, met den dood voor oogen, herkreeg zijn geest de noodige kalmte. Gisteren had hij Messala naar recht en billijkheid mogen straffen, de God van Israël, die hem had bijgestaan, zou hem ook nu helpen. Stond hij daarenboven niet aan het begin van een nieuw leven? Wachtte hem niet een heilige taak: alles in gereedheid te brengen voor den verwachten Koning? Mocht hij niet alle vrees laten varen?

Hij maakte zijn gordel los, deed zijn hoofddoek af en wierp zijn wit overkleed ter zijde. Gereed naar lichaam en ziel plaatste hij zich, de armen over de borst gevouwen, tegen den pilaar en wachtte bedaard de toekomst af.

Het tweetal had een beeld bewonderd. Toen zij daarmede gereed waren, keerde de Noor zich om, zeide iets in een onbekende taal, en wees op Ben-Hur. Beiden traden op hem toe.

—Wie zijt gij? vraagde hij in het Latijn.

De Noor glimlachte en antwoordde: Barbaren.

—Dit is het paleis Idernee. Wien zoekt gij? Blijft waar gij zijt en antwoordt.

Zijn toon maakte indruk. De vreemdelingen bleven staan en de reus vraagde op zijne beurt: Wie zijt gij?

—Een Romein.

De reus wierp het hoofd achterover en lachte luid. Ik heb veel wonderbaarlijks hooren vertellen, zeide hij, maar nooit dat een Jood een Romein werd.

Toen zijn vroolijkheid wat bedaard was, zeide hij weer iets tot zijn makker en stapte vooruit.

—Halt! riep Ben-Hur. Nog iets!

—Spreek; maar gauw, zeide de reus.

—Gij zijt Thor, de Noorman.

De man zette groote oogen op.

—Gij waart schermmeester te Rome.

—Ja, zeide Thor.

—Ik was uw leerling.

—Neen, zeide Thor hoofdschuddend. Bij Thors hamer, nog nooit is een Jood bij mij gekomen, om zich tot een vechtersbaas te laten maken.

—Ik zal het u bewijzen.

—Hoe dan?

—Gij komt hier om mij te dooden.

—Ja.

—Laat uw makker tegen mij vechten, dan zal ik het u bewijzen aan zijn lichaam.

De reus lachte weer. Hij besprak het met zijn makker, die toestemmend knikte, waarop de Noor zeide: Het zij zoo; maar wacht totdat ik het teeken geef.

Hij schoof een divan aan, strekte er zich gemakkelijk op uit en zeide: Ziezoo, begin.

Zonder aarzelen stapte Ben-Hur op zijn tegenpartij toe, die zich terstond strijdvaardig tegenover hem plaatste.

De vreemdeling, die in statuur en voorkomen sterk op hem geleek, lachte vergenoegd, weinig vermoedende met wien hij te doen had. Beiden wisten dat de afloop van den strijd doodelijk zou zijn.

Ben-Hur deed een schijnaanval met zijn rechterhand. De ander pareerde en stak den linkerarm een weinig vooruit. Voordat hij er op bedacht was greep Ben-Hur hem met een ijzeren greep bij den pols. De overrompeling was volkomen. Zich op zijn tegenstander te werpen, zijn arm om 's mans hals te slaan, diens hoofd tegen zijn rechterschouder te drukken en hem met de linkerhand vlak onder het oor een slag toe te brengen—dat alles was het werk van een oogenblik. Geen tweede slag was noodig. De ongelukkige viel neder, zonder een kreet te slaken. Hij was dood.

Ben-Hur wendde zich tot Thor en zag hem vragend aan.

—Bij alle leugens van Loke! riep deze, dat zou ik u niet kunnen verbeteren.

Opstaande beschouwde hij den jongen man van het hoofd tot de voeten met ongeveinsde bewondering, en vervolgde toen: Dat was mijn handgreep. Gij zijt geen Jood. Wie zijt gij?

—Gij hebt Arrius, den duumvir gekend?

—Quintus Arrius? Ja, hij was mijn schutspatroon.

—Hij had een zoon.

—Ja, ik heb dien knaap gekend, een aardige jongen. Hij had een vorst onder de gladiatoren kunnen worden. De keizer had veel met hem op. Ikzelf heb hem dien handgreep geleerd, en niemand doet het mij na, of hij moet een hand en arm hebben als de mijne. Ik heb er menigen lauwerkrans mee behaald.

—Ik ben die zoon van Arrius.

Thor kwam nader en bekeek hem oplettend. Zijne oogen straalden van voldoening, en de hand uitstekend zeide hij: 't Is wat moois! Hij zei dat ik hier een Jood zou vinden, en dat ik den goden een dienst zou bewijzen, als ik dien Jood doodde.

—Wie zei dat, Thor? vraagde Ben-Hur, de aangeboden hand schuddende.

—Hij, Messala.

—Wanneer?

—Gisteravond.

—En ik dacht dat hij zwaar gewond was?

—Hij zal altijd kreupel zijn, maar ik moest bij zijn bed komen, waar hij lag te kermen van pijn.

Ben-Hur dacht even na. Hij begreep heel goed dat de Romein, zoo hij in leven bleef, hem onverbiddelijk zou blijven vervolgen. Alleen de wraak bleef hem over om het gebroken leven te verzoeten. Vandaar zijn tegenspartelen om zijne schulden met Sanballat te vereffenen. Ben-Hur berekende dit alles vluchtig, ook hoe zijn vijand hem zou kunnen bemoeilijken in het werk, dat hij wilde ondernemen voor de nieuwen koning. Deed hij niet wijs met het voorbeeld van den Romein te volgen? De moordenaar toch, die gehuurd was om hem te dooden, zou zich ook laten huren om den moordenaar onschadelijk te maken. Geld was geen bezwaar. De verzoeking was groot. Reeds half meegesleept zag hij nog eenmaal naar het arme slachtoffer, dat daar bleek en roerloos nederlag. Daar viel hem iets in.

—Thor, wat heeft Messala u gegeven om mij te dooden?

—Duizend sestertiën.

—Gij zult ze hebben, en als gij nu doen wilt wat ik u vraag, zal ik er nog drieduizend bij doen.

De reus dacht overluid: Gisteren heb ik vijfduizend gewonnen, van den Romein duizend, dat is zesduizend.—Geef mij vierduizend, goede Arrius, vierduizend en dan zal ik alles voor u doen, wat gij verlangt. Geef mij vier en ik zal dien bedriegelijken Messala dooden. Ik heb mijn hand maar op zijn mond te houden ... zoo.

Hij verduidelijkte zijn voorstel door zijne hand op zijn eigen mond te drukken.

—Ik begrijp u, zeide Ben-Hur, tienduizend sestertiën is een mooie som. Zij stelt u in staat om naar Rome terug te gaan en een taveerne te openen bij den grooten circus, en daar te leven zooals den beroemsten schermmeester betaamt! 't Zij zoo. Ik zal u vierduizend geven en dat geld kunt gij verdienen zonder uwe handen met bloed te bezoedelen. Luister. Uw vriend leek sprekend op mij, niet waar?

—Ja, men zou zeggen twee appelen van één boom.

—Welnu, ik zal zijn tunica aandoen, en hem mijne kleeren aantrekken. Dan gaan we samen heen, en gij hebt uwe sestertiën.

Thor lachte dat hij schudde. Nog nooit werden tienduizend sestertiën zoo gemakkelijk gewonnen! Een taveerne bij den grooten circus, en dat door een leugen te vertellen zonder een enkelen droppel bloed te vergieten! Geef mij uwe hand, zoon van Arrius, en als gij weer terugkomt in Rome, vergeet dan niet naar de taveerne van Thor den Noorman te vragen, want, bij de bliksems van Wodan! ik zal u het beste voorzetten wat mijn kelder bevat.

Nu werden de kleederen verwisseld, en toen Ben-Hur den jonkman daar zag liggen in zijn eigen Joodsch gewaad, was hij voldaan. De gelijkenis was treffend. Als Thor zijn woord hield zou dit bedrog nooit uitkomen.

Toen alles afgeloopen was tikte de Noor tegen de vleugeldeuren, die opnieuw onhoorbaar geopend werden, en gezamelijk gingen zij naar buiten. Bij het scheiden zeide Thor nogmaals: Mogen de goden u geleiden en behoeden, zoon van Arrius! en verzuim niet bij uw terugkeer in Rome de taveerne van Thor te bezoeken!

Dien avond deelde Ben-Hur zijnen vriend Simonides alles mede wat hem overkomen was in het paleis van Idernee. Zij kwamen overeen, dat na een paar dagen een onderzoek zou worden ingesteld naar den vermisten zoon van Arrius. Tevens zou van het geval afgifte worden gedaan bij Maxentius. Als het geheim niet uitlekte zouden Messala en Gratus gerust en voldaan zijn, en kon Ben-Hur onbevreesd naar Jeruzalem terugkeeren om zijne moeder en zuster te zoeken.

Bij het afscheidnemen zat Simonides in zijn stoel op het terras, en gaf den jongen meester zijn vaderlijken zegen. Esther deed hem uitgeleide tot aan de trap.

—Als ik moeder vind zult gij tot haar gaan en eene zuster voor Tirza wezen, niet waar? vraagde hij en kuste haar tot afscheid. Vervolgens begaf hij zich naar den overkant der rivier, waar Ilderim den vorigen avond zijne tent had opgeslagen, en waar hij den gids zou vinden met de paarden.

—Dit is het uwe, zeide de Arabier.

Ben-Hur keek, en zie het was Aldebaran: de vlugste en verstandigste van Mira's zonen, na Sirius de lieveling van den Sheik. Hij wist dat het hart van den ouden man het geschenk vergezelde.

Dienzelfden avond werd het lijk uit het atrium weggedragen en in stilte begraven, en vertrok een bode van Messala naar Gratus, om dezen de blijde tijding te brengen dat Ben-Hur dood was, ditmaal ontwijfelbaar.

Eene maand later werd bij den circus Maximus eene taveerne geopend met het opschrift:

THOR DE NOORMAN.

Sedert den avond, waarop Ben-Hur Antiochië verliet om den Sheik in de woestijn te volgen, zijn dertig dagen verloopen. Een groote verandering heeft intusschen plaats gevonden—groot, voor zoover het de geschiedenis geldt van onzen held. Valerius Gratus is vervangen door Pontius Pilatus.

Deze verplaatsing kostte Simonides vijf talenten Romeinsch geld, in klinkende munt uitbetaald aan Sejanus, die toen het hoogste toppunt van zijn macht als gunsteling des Keizers bereikt had.

Het doel van de onderhandeling met Sejanus was, dat Ben-Hur zonder groot gevaar voor zichzelven in en bij Jeruzalem naar zijne moeder en zuster zou kunnen zoeken. Op die wijze besteedde de trouwe dienstknecht de gelden van Drusus en zijne makkers. Na het betalen van de weddenschappen was de vriendschap dier jongelieden voor Messala veranderd in vijandschap, omdat zij hem hun ongeluk weten. Wat Messala zelf betreft, het antwoord op de vraag, of hij voor de gewedde sommen mocht aangesproken worden, ja of neen, moest nog uit Rome komen.

Hoe kort Pontius Pilatus aan het bestuur was, de Joden hadden reeds ondervonden, dat de verandering niet in hun voordeel was. De kohorten, die afgezonden waren om het garnizoen van den burcht Antonia te vervangen, trokken des avonds laat de stad binnen, en het eerste wat men den volgenden morgen te zien kreeg was, dat de muren van den ouden burcht rondom versierd waren met borstbeelden van den ouden Keizer en met Romeinsche adelaren.

Een opgewonden menigte trok door de straten, afgezanten werden naar Cesarea gezonden, waar Pilatus nog eenige dagen vertoefde, om hem dringend te verzoeken de gehate voorwerpen weg te nemen. Vijf dagen en nachten hielden zij stand voor de poorten van zijn paleis, waarna hij deed weten dat hij hen in den circus zou te woord staan. Daar liet hij hen door zijne soldaten omsingelen, maar zij boden blijmoedig hun leven aan, indien zij slechts hun doel mochten bereiken. Dat werkte. Pilatus gaf bevel de borstbeelden en adelaren naar Cesarea terug te zenden, waar Gratus ze gedurende de elf jaren zijner regeering had bewaard.

De slechtste mensch kan wel een goede daad verrichten. Zoo ook Pilatus. Hij beval dat alle gevangenissen in Judea zouden nagezien worden, en verlangde een lijst van de namen der gevangenen, met opgaaf van de misdaden, waarvoor zij veroordeeld werden. Waarschijnlijk deed hij dit, om later niet aansprakelijk te zijn voor hem onbekende dingen. Het volk evenwel prees hem en was een tijdlang tevreden.

Wat het onderzoek aan het licht bracht, was ongeloofelijk. Honderde menschen, tegen wie geen beschuldiging was ingebracht, kregen hunne vrijheid weder. Vele anderen, die men lang geleden gestorven waande, kwamen te voorschijn. Nog erger was het, dat men gevangenissen vond, wier bestaan niet alleen aan het volk onbekend was, maar die de tegenwoordige gevangenbewaarders zelfs niet kenden. Eén geval van dien aard moeten wij hier vermelden: een vergeten gevangenis te Jeruzalem.

De burcht Antonia, die zooals men zich zal herinneren twee derden besloeg van de heilige area op den berg Moria, was oorspronkelijk een door de Macedoniërs gebouwd kasteel. Later maakte Johannes Hyrkanus het tot een citadel ter verdediging van den Tempel, die toen ten tijde reeds als onneembaar werd beschouwd. Herodes breidde haar nog verder uit, verbreedde de muren, liet waterputten graven, bouwde tuighuizen, barakken, magazijnen en gevangenissen van allerlei soort. Hij effende het rotsachtige gedeelte van den berg, en liet er diepe kloven in bouwen. Daar bouwde hij overheen. Het geheel verbond hij door een prachtige zuilengang met den Tempel. Zoo verbouwd en versterkt viel de burcht ten laatste in de handen der Romeinen, die hem volkomen wisten te waardeeren en te gebruiken.

Gedurende de regeering van Gratus had de Antonia dienst gedaan als citadel en onderaardsche gevangenis, de schrik voor alle oproerigen. Wee hen, wanneer de kohorten uit de poorten stroomden, om een oproer te dempen! Wee den Jood, die dezelfde poorten als gevangene binnenging!

Na deze korte uitweiding kunnen wij den draad van ons verhaal weer opvatten.

Het bevel van den nieuwen procurator betreffende de gevangenen was op den burcht Antonia ontvangen en stipt uitgevoerd. Twee dagen zijn verloopen sedert de laatste van die ongelukkigen ter ondervraging was voorgebracht. De lijst is zoo goed als gereed en ligt voor den commandant op tafel. Binnen vijf minuten zal zij op weg gaan naar Pilatus, die in het paleis op den berg Sion woont.

Het bureau van den commandant is ruim en koel, en gemeubeld overeenkomstig de waardigheid van den bevelhebber.

Het is de zevende ure van den dag. De commandant is vermoeid. Zoodra de lijst verzonden is, zal hij naar het platte dak van de zuilengang gaan, daar in de open lucht wat beweging nemen, en zich vermaken met naar het gewoel der Joden in de voorhoven des Tempels te kijken. Zijne klerken en onderhoorigen verlangen eveneens heen te gaan.

Daar verschijnt een man in de deur. Hij rammelt met een bos zware sleutels, waardoor hij terstond de aandacht van den overste trekt.

—Zoo, Gesius, kom binnen, zegt deze. Wat is er?

—Commandant, luidt het antwoord, ik durf u bijna niet zeggen wat ik gevonden heb.

—Alweder een vergissing, Gesius?

—Wist ik zeker dat het slechts een vergissing was, dan zou ik niet bang zijn.

—Een misdaad dus? Of nog erger ... een plichtverzuim. Men kan Cesar uitlachen, de goden vloeken, en leven. Een beleediging echter, den adelaren aangedaan, is ... nu, Gesius, gij weet wat er dan volgt. Ga voort.

—'t Is nu ongeveer acht jaren geleden, dat Valerius Gratus mij benoemde tot bewaarder der gevangenissen in den burcht, antwoordde de man ernstig. Ik herinner mij nog zeer goed den morgen, waarop ik mijn ambt aanvaardde. Den vorigen dag was er een klein oproer geweest. De onzen hadden vele Joden neergeslagen, maar wij hadden ook enkele verliezen te betreuren. De aanleidende oorzaak was, zeide men, een moordaanslag op Gratus. Hij werd door een steen aan het hoofd getroffen, zoodat hij van zijn paard viel. Ik vond hem hier op dezelfde plaats zitten, waar gij nu zit, commandant, met een verbonden hoofd. Hij gaf mij deze sleutels, genommerd met de nommers der cellen. Dat waren de teekenen van mijn ambt, ik mocht er mij nooit van scheiden, zeide hij. Op de tafel lag een perkamentrol. Hij maakte ze open en zeide: Hier zijn de kaarten met den platten grond der cellen, die in drie afdeelingen verdeeld, boven elkander gebouwd zijn. Ik vertrouw ze u toe.—Ik nam ze aan, en Gratus vervolgde: Nu hebt gij de sleutels en de platte gronden, ga en doorwandel de geheele inrichting, bezoek elke cel en zie of alles in orde is. Bemerkt gij iets waardoor de veiligheid in gevaar zou komen, stel daar dan naar uw beste weten orde op, want gij zijt hier heer en meester en hebt niemand boven u, dan mij alleen.

Ik wilde heengaan, maar hij riep mij terug en zeide: Daar bedenk ik nog iets. Geef mij den platten grond van de onderaardsche cellen.—Ik gaf hem het verlangde. Hij spreidde de kaart voor zich uit op de tafel, wees met den vinger op cel nommer vijf, en zeide: Hier, Gesius, deze cel. Daar zitten drie mannen gevangen, gevaarlijke lieden, die achter een staatsgeheim hebben weten te komen en hier voor hunne nieuwgierigheid boeten. Tot straf zijn zij van oogen en tong beroofd, en levenslang opgesloten. Zij mogen niets hebben dan water en brood, dat gij hun toereikt door een gat in den muur, dat van buiten gesloten wordt met een schuif. Hebt gij mij goed begrepen, Gesius? Ik antwoordde toestemmend. Het is goed, zeide hij, en keek mij dreigend aan; maar pas op, Gesius, dat gij het niet vergeet. De deur van hunne cel, nommer vijf,—en hij legde er zijn vinger op, om meer nadruk te geven aan zijne woorden,—mag nooit, onder geen enkel voorwendsel, geopend worden. Niemand mag er in of uit, zelfs gij moogt er niet binnengaan. Maar als zij sterven? vraagde ik. Als zij sterven, zei hij, zal die cel hun graf zijn. Zij werden daar opgesloten om te sterven. De cel is met melaatschheid besmet, begrijpt gij?—En daarmee liet hij mij gaan.

Gesius zweeg en bracht uit de plooien van zijn overkleed drie rollen te voorschijn, die hij op tafel uitspreidde, zeggende: Dit is de bedoelde platte grond.

De oogen van alle aanwezigen rustten op den platten grond.

—Precies zoo, commandant, heb ik hem van Gratus ontvangen. Dit is cel nommer V.

—Ik zie het, zeide de commandant. Ga voort. De cel was met melaatschheid besmet, zeidet gij.

—Mag ik u een vraag doen, commandant?

—Ja.

—Moest ik niet gelooven dat de kaart betrouwbaar was?

—Zeker.

—Nu, zij is niet betrouwbaar, want er zijn niet vijf, maar zes cellen. Ik zal u laten zien hoe de platte grond werkelijk is, of liever, hoe ik mij voorstel dat hij is.

Gesius nam een tafeltje en teekende er een losse schets op van zes cellen, die hij den commandant ter hand stelde.

—'t Is goed, zeide de commandant. Ik zal een nieuwen platten grond voor u laten maken. Kom hem morgen bij mij halen.

Meenende dat de zaak hiermede afgeloopen was stond hij op; maar Gesius vervolgde: Hoor mij verder, heer.

—Morgen, Gesius, ik heb nu geen tijd meer.

—Maar, commandant, wat ik u mee te deelen heb kan geen uitstel lijden.

De commandant ging weer zitten.

—Ik zal kort zijn, zeide de gevangenbewaarder. Mag ik nog eene vraag doen? Moest ik niet gelooven wat Gratus mij vertelde van de gevangenen in cel vijf?

—Natuurlijk. In die cel zaten drie gevangenen, staatgevangenen, blind en stom.

—Welnu, commandant, dat was niet waar.

—Niet?

—Hoor, en oordeel zelf, commandant. Zooals mij bevolen was bezocht ik al de cellen, beginnende bij de bovenste en eindigende bij de onderste. Het verbod om de deur van cel V te openen heb ik nimmer overtreden. De drie mannen hebben die acht jaren hun water en brood altijd door het gat in den muur gekregen. Gisteren mocht ik de deur openen op uw bevel, en was zeer nieuwsgierig om de gevangenen te zien, die tegen alle verwachting zoolang geleefd hebben. Het slot van de deur weigerde. Wij trokken wat harder en toen viel de deur op zij. De scharnieren waren door roest verteerd. In de cel vond ik slechts één man, oud, blind, zonder tong, geheel naakt, deerniswaardig om te zien. Ik vraagde hem naar zijne medegevangenen. Hij schudde van neen. Ik doorzocht de geheele cel, maar kon geen spoor van hen ontdekken. De muren en de grond waren geheel droog. Hadden hier drie gevangenen gezeten, en waren twee van hen gestorven, dan zou ik toch hunne beenderen hebben moeten vinden. Van melaatschheid was niet bij den armen afgeleefden grijsaard te bespeuren.

—Gij denkt dus....

—Ik denk, commandant, dat er in die acht jaren slechts één man gevangen heeft gezeten.

De commandant zag Gesius scherp aan en zeide: Wees voorzichtig! Weet gij wel waar gij Gratus van beschuldigt?

Gesius boog het hoofd en zeide: Hij kon zich vergist hebben.

—Neen, riep de commandant heftig, dat kon hij niet. Hebt gij niet zelf gezegd dat gij acht jaren lang water en brood gegeven hebt voor drie personen?

—Gij hebt nog slechts de helft van het verhaal gehoord, commandant. Als gij alles gehoord zult hebben, zult gij mij gelijk geven. Gij weet wat ik met den man deed: ik liet hem een bad geven, haar en baard scheren en aankleeden. Toen bracht ik hem naar buiten en liet hem in vrijheid heengaan. Ik had met hem afgedaan. Een uur geleden kwam hij terug en werd vóór mij gebracht. Door allerlei gebaren, zelfs door tranen, gaf hij zijn verlangen te kennen, om weer naar de cel teruggebracht te worden. Ik gaf het bevel daartoe. Toen zij hem wegleidden keerde hij op eens terug, viel op de knieën voor mij neder en beduidde mij, dat ikzelf hem moest vergezellen. Ik voldeed aan zijn verzoek. De twee geheimzinnige andere gevangenen speelden mij door het hoofd. Ik was er niet gerust op. Nu ben ik blij, dat ik gehoor gaf aan zijn verlangen.

Alle aanwezigen luisterden met gespannen aandacht, doodelijke stilte heerschte in het vertrek.

—Zoodra de gevangene bemerkte dat hij weer in zijn oude cel was, vervolgde Gesius, greep hij mijne hand en geleidde mij naar een gat in den muur, even groot als dat, waardoor wij gewoon waren hem zijn rantsoen te geven. Gisteren was het aan mijne aandacht ontsnapt. Steeds mijne hand vasthoudende legde hij zijn mond voor de opening en gaf een schreeuw. Een zwakke stem antwoordde. Ik was verbaasd, trok hem op zijde, en riep: Hola, wie daar? In het begin kreeg ik geen antwoord. Ik riep nogmaals en hoorde toen deze woorden: O, God, ik dank U! Commandant, het was de stem van een vrouw. Ik vraagde: Wie zijt gij? en het antwoord luidde: Een Israëlitische vrouw. Ik ben hier levend begraven met mijne dochter. Help ons gauw, of wij sterven.

Ik riep haar toe nog even geduld te hebben en spoedde mij tot u, om uwen wil te vernemen.

De commandant stond haastig op. Gij had gelijk, Gesius, zeide hij. Ik begrijp er alles van. De kaart was valsch en het verhaal van de drie gevangenen was een leugen. Er zijn betere Romeinen dan Valerius Gratus.

—Ja, antwoordde de gevangenbewaarder. De oude man gaf twee porties water en brood aan de vrouwen.

—Welaan, zeide de commandant, zich tot zijne klerken wendende, daar hij het niet kwaad vond eenigen tot getuigen te hebben, gaat allen mee. Wij zullen die vrouwen in vrijheid stellen.

Gesius was voldaan. Wij zullen den muur moeten doorbreken, zeide hij. Ik heb de plaats ontdekt waar de deur geweest is. Zij was dichtgemetseld.

—Roep terstond een paar werklieden met de noodige gereedschappen, zeide de commandant tot een der klerken. Haast u, en laat het rapport liggen, want dat zal morgen gewijzigd worden.

Een Israëlitische vrouw. Ik ben hier levend begraven met mijne dochter. Help ons gauw, of wij sterven.

Dat antwoord had Gesius ontvangen uit de cel, die op den verbeterden platten grond als cel VI aangegeven staat.

De lezer heeft zeker terstond begrepen wie die ongelukkigen waren, en zich verheugd dat eindelijk Ben-Hurs moeder en zuster gevonden zijn.

Op den morgen van hare gevangenneming had men haar naar de burcht gebracht, waar Gratus haar dacht op te sluiten. Hij had den burcht gekozen, omdat die meer onmiddellijk onder zijn beheer stond, en cel VI, omdat deze door melaatschheid besmet was. Hij wilde de vrouwen niet alleen opsluiten—hij verlangde dat zij een zekeren, zij het dan ook een langzamen, dood zouden sterven. Dientengevolge werden zij bij nacht naar beneden gebracht, zoodat niemand er iets van bemerkte. Diezelfde slaven metselden daarna de deur dicht, en werden vervolgens naar een afgelegen oord verplaatst, zoodat het geheim een geheim blijven kon. Om voor alle mogelijke gevallen toch den schijn te bewaren, wilde hij de vrouwen niet laten verhongeren, maar plaatste hij bovenvermelde armen gevangene in de cel daarnaast, om haar van brood en water te voorzien.

Zoo wist Gratus, onder voorwendsel van een troep moordenaars te straffen, zich het vermogen der familie Hur toe te eigenen, waarvan geen penning de keizerlijke schatkist bereikte. Ten besluite werd de toenmalige gevangenbewaarder verplaatst, een nieuwe platte grond ontworpen, en aan den nieuwen bewaarder gegeven. Gratus bereikte volkomen zijn doel: de cel en hare bewoonsters waren der vergetelheid prijs gegeven.

Welk een leven voor moeder en dochter, acht jaren lang; voor haar, opgevoed in weelde, weggerukt uit een werkzaam, liefdevol leven, veroordeeld tot nietsdoen in een onderaardschen kerker, waar slechts een smalle gleuf in den buitenmuur licht en lucht aanbracht!

Treden wij de cel binnen.

De twee vrouwen bevinden zich vlak bij het smalle luchtgat. De eene zit op den grond, de andere leunt half liggende tegen haar aan. Bij het schemerachtig licht zien wij, dat zij zonder eenige bedekking zijn. Van kleeding geen spoor meer. Maar wat haar ook ontnomen werd, de liefde bleef, daarvan spreekt haar geheele houding. Rijkdom vergaat, schoonheid verdwijnt, hoop vervliegt, maar de liefde blijft, want de liefde is uit God.

Waar moeder en dochter neergezeten zijn, is de oneffen bodem geheel glad geworden. Vermoedelijk hebben zij het grootste gedeelte van die lange jaren op deze zelfde plaats gezeten, hare hoop op bevrijding koesterende bij dat zwakke, maar toch vriendelijke licht. Als de lichtstraal naar binnen viel, wisten zij dat het dag was. Als hij verdween, wisten zij dat daarbuiten de nacht aanbrak, die toch nergens zoo lang en zoo stikdonker kon zijn als bij haar. Daarbuiten! O, door die gleuf vlogen hare gedachten de wereld in, om den zoon, den broeder te zoeken. Zij zochten hem op de woelige zee, of op hare eilanden, nu in deze stad, dan in gene, en overal vertoefde hij slechts vluchtig; want hij zocht haar immers met rusteloos verlangen. Telkens en telkens hadden zij elkander moed ingesproken door te zeggen: Hij vergeet ons niet. Zoolang hij leeft is er hoop voor ons!

Bij het flauwe licht dat in de cel heerscht zien wij, dat zij uiterlijk droevig veranderd zijn, een verandering, niet alleen toe te schrijven aan de langdurige gevangenschap. Waren moeder en dochter voorheen schoon van aangezicht, zelfs de liefde zou dat niet meer van haar kunnen getuigen. Het lange, ongekamde haar heeft een zonderlinge witte kleur. De vrouwen zelf zien er vreemd en terugstootend uit ... is het misschien een gevolg van gebrek aan lucht en licht, of van honger en dorst, daar zij sedert het vertrek van haar armen buurman niets te eten of te drinken hebben gehad?

Tirza leunt tegen hare moeder en kreunt smartelijk.

—Stil, kind, zegt de moeder. Zij zullen komen. God is goed. Wij hebben nooit verzuimd tot Hem te bidden, wanneer daarginds in den Tempel de bazuinen geblazen worden. Het moet de zevende ure zijn, want de zon staat nog in 't zuiden. Laat ons op God vertrouwen. Hij is goed.

—Ja, moeder, ik zal mijn best doen, antwoordt Tirza. Uw lijden is even zwaar als het mijne; maar mijn tong brandt en mijn lippen zijn verdroogd. Ach, waar zou Juda toch zijn? Zou hij ons nog ooit kunnen vinden?

Beider stem klinkt ongelooflijk scherp, droog en onnatuurlijk.

—Gisteren zag ik hem in mijn droom, kind, zoo duidelijk als ik u nu zie. Wij moeten gelooven in droomen, dat weet gij wel, omdat onze vaderen het ook deden. Onze God sprak dikwijls tot hen op die wijze. In mijn droom stonden wij in den vrouwenvoorhof bij de Schoone Poort. Vele vrouwen waren daar met ons, en hij kwam en stond achter de poort en zocht ons. Mijn hart klopte hevig. Ik strekte de armen uit, en riep hem luide bij zijn naam. Hij zag mij en hoorde mij, maar herkende mij niet. Een oogenblik later was hij verdwenen.

—Hij zal ons zeker niet herkennen, moeder, als hij ons vindt. Wij zijn zoo veranderd.

—'t Is mogelijk, maar ... de moeder zweeg, die gedachte was al te pijnlijk.

—Ach moeder, riep Tirza, water! al is het maar één droppel.

De moeder werpt een wanhopigen blik in het rond. Het is haar alsof een schaduw over het licht trekt. Zou dat de naderende dood zijn? Bijna werktuigelijk zegt zij: Geduld, Tirza. Zij komen. Zij zullen weldra hier zijn.

Eensklaps meent zij een geluid te hooren bij de opening in de cel van den blinde, door welk gat het verkeer met de menschenwereld daarbuiten gedurende al die jaren had plaats gehad.

Zij had zich niet vergist. Een oogenblik later weerklonk de bekende kreet van haar ongelukkigen landgenoot door de ruimte. Beiden sprongen op en kwamen naderbij. Daar hoorden zij iemand roepen: Hola! Wie daar?

Dat waren de eerste woorden, die na jaren van doodelijke stilte tot haar gesproken werden. Welk een ommekeer! Uit den dood tot het leven teruggekeerd, en dat zoo op eenmaal!

Zij antwoordde luide: Een Israëlitische vrouw, die hier levend begraven is met hare dochter. Help ons spoedig, of wij sterven.

—Houd moed. Ik kom dadelijk terug.

Moeder en dochter barstten in tranen uit. Zij waren gevonden. De hulp was nabij! Vergeten waren, voor het oogenblik althans, pijn, honger, dorst. Opnieuw lachte de hoop haar toe.

Na een korte poos, de tijd dien Gesius noodig had gehad om zijn verslag aan den commandant te doen, drong het geluid van hamerslagen tot de gevangenen door. Ademloos luisterden zij, begrijpende wat dat beteekende. De deur, die zoolang gesloten was geweest, werd opengebroken. De dag der vrijheid brak eindelijk aan.

De handen, die het werk verrichtten, waren sterk en bedreven, en wil was goed. De slagen, eerst dof, werden steeds duidelijker verneembaar; nu en dan viel een steen op den grond. Nu konden zij zelfs de stemmen der werklieden hooren, en, o hoe heerlijk! daar zagen zij door een spleet het schijnsel der toortsen.

—O, moeder, riep Tirza, daar is Juda! Eindelijk heeft hij ons dan toch gevonden!

Weder viel een steen, en nog een, toen verscheidene te gelijk ... en de deur was eindelijk open. Een met stof en kalk bedekte arbeider stapte de cel binnen, een toorts ophoog houdende. Twee of drie volgden, eveneens met fakkels, en stelden zich bij den ingang om den commandant door te laten.

Deze bleef echter staan, want de vrouwen vluchtten naar den uitersten hoek, niet uit vrees, maar uit schaamte. Niet alleen uit schaamte echter, want van uit den donkeren hoek, waar zij zich trachtten te verbergen, werd den mannen een woord toegeroepen, het wanhopigste dat over menschenlippen komen kan: Onrein! Onrein! Kom niet naderbij!

Ontzet zagen zij elkander aan.

—Onrein! Onrein! klonk het weer onbeschrijfelijk treurig uit den hoek.

Zoo volbracht de arme vrouw haren plicht en gevoelde zij tegelijkertijd, dat de zoo vurig begeerde vrijheid, van verre gezien zoo heerlijk en uitlokkend, een Sodomsappel bleek te zijn. Zij en Tirza waren melaatsch.

Weten onze lezers wat dat insloot? Een melaatsche werd als dood beschouwd. Uit de stad verdreven mocht hij zijne betrekkingen slechts op grooten afstand toespreken. Zijne woonplaats was bij andere melaatschen in spelonken of wildernissen. Zag hij iemand naderen—uit de verte reeds moest hij hem toeroepen: Onrein! Onrein!—Een wezen, dat zichzelf tot afschuw was, en alleen van den dood uitkomst kon verwachten.

Nog herinnerde de moeder zich den dag, waarop zij binnen in hare hand iets vreemds gevoeld had, dat zij, maar tevergeefs, beproefd had weg te wasschen. Eerst hechtte zij er niet veel aan, maar toen ook Tirza hetzelfde aan hare hand opmerkte, werd zij ongerust. Haar dagelijksch rantsoen van water was niet groot, toch gebruikten zij er elken dag een gedeelte van om de aangetaste plek te reinigen. Maar het breidde zich uit, de geheele hand werd ontstoken, het vel barstte op verschillende plaatsen, de nagels vielen af. Zij leden niet veel pijn, maar voelden zich voortdurend onwel. Later verdroogden hare lippen en vielen er kloven in, en toen de moeder op zekeren morgen met angst in het hart Tirza nauwkeurig beschouwde, zag zij haar vreeselijk vermoeden bewaarheid: de wenkbrauwen van haar kind waren geheel wit.

Wat zij toen doormaakte is niet te begrijpen. Sprakeloos en onbewegelijk zat de arme vrouw een poos neder, slechts dat ééne woord bij zichzelve herhalende: melaatsch, melaatsch.

Toen zij weer geregeld denken kon, was haar eerste gedachte het vreeselijke geheim te verzwijgen en Tirza in gelukkige onwetendheid te laten. Zelve hopeloos verdubbelde zij hare zorgen voor Tirza, en slaagde er met de grootste zelfbeheersching in haar onkundig te laten, met betrekking tot den aard harer ziekte, en wist zelfs de hoop bij haar levendig te houden, dat zij van voorbijgaanden aard zou wezen. Zij bedacht raadsels en spelletjes, vertelde geschiedenissen, oude en nieuwe, luisterde met het grootste genot naar de liederen, die zij Tirza herhaaldelijk deed zingen, en hief zelve de psalmen aan van den koninklijken zanger, alles om voor een poos ten minste haar verdriet te verzetten en hare ziel tot God op te heffen, die haar, evenals de wereld, scheen vergeten te hebben.

Langzaam maar zeker nam de kwaal toe. Na eenigen tijd werd het hoofdhaar wit, vielen lippen en oogleden met gaten, werd het geheele lichaam met blaren bedekt. Toen werd de keel aangedaan, werd hare stem heesch, werden de gewrichten stijf. Nog maar weinig tijds, dan zou de ziekte de bloedvaten en de beenderen aantasten—en zoo kon het vele jaren al erger en erger worden, totdat eindelijk de dood haar kwam verlossen.

Een dag van verschrikking was de dag, waarop de moeder het haar plicht rekende aan Tirza den naam harer ziekte mede te deelen, en beiden in wanhoop God smeekten, dat het einde spoedig daar mocht zijn.

Maar men went aan alles. De zwaarbeproefden leerden na verloop van tijd kalm te spreken over hare kwaal. Zij zagen welke vreeselijke verwoestingen de ziekte aanrichtte, en klemden zich niettegenstaande dat aan het leven vast. Eén band bleef haar aan de aarde binden: Juda. Over hem spraken en dachten zij. Zij twijfelden geen oogenblik aan zijne trouw en rekenden er vast op, dat hij even sterk als zij naar eene wederontmoeting verlangde. Zoo vertroostten zij elkander dag aan dag, ook, zooals wij gezien hebben, toen Gesius haar, nadat zij twaalf uren honger en dorst geleden hadden, weder moed kwam inspreken.

De toortsen verlichtten de cel, de bevrijding was daar. God is goed, riep de weduwe dankbaar. Die werkelijk dankbaar is voor een ontvangen gunstbewijs vergeet voor 't oogenblik zijne ellende.

Toen de commandant haar naderen wilde, vloden zij in een hoek, en herinnerde de moeder zich wat haar plicht was. Daarom stootte zij dien akeligen kreet uit: Onrein! Onrein!

Ach, hoeveel kostte haar die plichtsbetrachting! Zelfs in de vreugd over hare bevrijding was zij niet blind voor de gevolgen daarvan. Het oude, gelukkige leven was voor altijd voorbij. Wilde zij de haar zoo dierbare woning gaan opzoeken, dan zou zij reeds bij de poort moeten roepen: Onrein!—De knaap van wien zij voortdurend gedroomd had zou, als hij haar zag, op een afstand moeten blijven staan. Stak hij de handen naar haar uit, dan zou juist hare liefde haar dwingen om hem toe te roepen: Onrein!

De commandant hoorde de waarschuwing. Hij ontstelde, maar bleef staan.

—Wie zijt gij? vraagde hij.

—Twee vrouwen, die van honger en dorst sterven. Maar kom niet bij ons en raak de muren niet aan. De geheele cel is besmet!

—Vertel mij uwe geschiedenis, vrouw. Zeg mij uw naam, en wanneer en door wien en waarom gij hier gevangen zijt gezet.

—In Jeruzalem woonde jaren geleden een vorst, Ben-Hur geheeten, bevriend met vele edele Romeinen, zeer gehecht aan den keizer. Ik ben zijn weduwe, en dit meisje is zijne dochter. Ik kan u niet zeggen waarom wij hier begraven zijn, want ik weet het zelf niet, of het moest wezen omdat wij rijk waren. Valerius Gratus kan u zeggen wie onze vijand was en wanneer onze gevangenschap begonnen is. Ik weet het niet. Zie waartoe men ons gebracht heeft. O, heb medelijden met ons!

De atmosfeer was zwaar verpest, maar in weerwil daarvan riep de commandant een der fakkeldragers tot zich om hem bij te lichten, en schreef haar antwoord woordelijk op. Kort en bondig behelsde het een geschiedenis, een aanklacht, en een bede. Een onbeschaafde vrouw zou zich niet zoo beknopt hebben kunnen uitdrukken. De Romein moest haar zijns ondanks gelooven en beklagen.

—Gij zult terstond geholpen worden, zeide hij. Ik zal u eten en drinken zenden.

—En kleeren, en waschwater, bid ik u.

—Het zal geschieden.

—God is goed, zeide de weduwe schreiend. Moge zijn vrede met u zijn!

—Ik mag u niet wederzien, antwoordde de commandant. Maar tegen den avond zal ik u in vrijheid doen stellen. Gij kent de wet. Vaarwel!

Weinige oogenblikken later brachten een paar slaven een badkuip, de noodige hoeveelheid water, handdoeken, vrouwenkleeren, brood met vleesch, en wijn, zetten het alles bij de opengebroken deur neer en verwijderden zich toen zoo snel mogelijk.

Halverwege de eerste nachtwake bracht men de beide gevangenen naar buiten, en ademden zij vrijelijk de frissche lucht in.

De sterren fonkelden boven haar hoofd, evenals van ouds. Zij verlustigden zich een oogenblik in dien aanblik, maar toen vraagden ze elkander droef te moede: Wat nu? Waarheen?

Ongeveer terzelfder tijd dat Gesius voor den commandant verscheen, beklom een voetreiziger den Olijfberg van de oostzijde. De weg was oneffen en stoffig, alle planten waren bruin verschroeid, want het was in het droge jaargetijde. Gelukkig was hij jong en sterk, en droeg hij een luchtig, ruim gewaad.

Hij vorderde slechts langzaam, en keek dikwijls rechts en links, alsof hij na lange afwezigheid een welbekend landschap wederzag en zich verzekeren wilde, dat alles onveranderd hetzelfde gebleven was.

Toen hij eindelijk nabij den top kwam versnelde hij zijnen stap en liet zich door niets meer ophouden, totdat hij de hoogte bereikt had en verrukt over het schouwspel aan zijne voeten staan bleef.

Die reiziger was Ben-Hur, en wat hem zoo bekoorde was Jeruzalem, de stad Gods.

Hij ging op een steen zitten, maakte den doek los, die zijn hoofd tegen de zonnestralen beschutte, en verdiepte zich in zijne overpeinzingen, den blik op de stad zijner vaderen gevestigd.

De zon neigde ten ondergang. Een oogenblik rustte de vuurbol op de toppen der westelijke bergen, den hemel, de muren eb de torens der stad in gouden glans hullende. Daarop verdween hij. De stilte rondom hem voerde Ben-Hurs gedachten naar de ouderlijke woning. Zijn oog dwaalde af naar een punt ten noorden van den Tempel, daar moest het erfdeel zijner vaderen liggen, als het huis ten minste nog bestond.

De liefelijke rust, de zachte atmosfeer, bleven niet zonder invloed op zijne gevoelens. Alle bittere gedachten, alle eerzuchtige plannen ter zijde stellend, overdacht hij den plicht, die hem naar Jeruzalem gebracht had. Terwijl hij met Ilderim in de woestijn was en als een krijgsoverste het terrein verkende, kwam op zekeren avond een bode tot hem met het bericht, dat Gratus afgezet en Pontius Pilatus in zijne plaats aangesteld was.

Messala was lichamelijk gebroken en hield hem voor dood; Gratus was van zijne macht beroofd, en vertrokken—waarom zou hij dan het zoeken naar moeder en zuster nog langer uitstellen? hij behoefde voor niets meer te vreezen. Werd hem niet toegestaan zelf de gevangenissen van Judea te onderzoeken, dan konden anderen dat toch voor hem doen. Werden de verloornen gevonden, dan zou Pilatus haar zeker in vrijheid doen stellen, want die ten minste had er geen belang bij haar nog langer gevangen te houden. Met geld was in ieder geval veel te doen. Dan zou hij zijne geliefden in veiligheid brengen, om zich daarna met een volkomen hart geheel te wijden aan den Koning, die te komen stond. Zijn besluit was dadelijk genomen. Ilderim keurde het plan goed en gaf hem drie zijner stamgenooten mede, die Ben-Hur te Jericho achtergelaten had met de paarden, terwijl hijzelf te voet de reis voortzette. Te Jeruzalem zou Malluch zich bij hem voegen, en verder zou hij zich door de omstandigheden laten leiden.

Met het oog op zijne plannen zou het geraden zijn zich voor alle mogelijke ambtenaren, inzonderheid de Romeinsche, verborgen te houden, en het voornaamste werk aan Malluch over te laten, die zeer schrander en behoedzaam was.

Vóór alle dingen moest uitgemaakt worden hoe zij de zaak zouden aanpakken. Dat was hem nog niet recht helder. Het liefst zou hij met den burcht Antonia willen beginnen, want hij wist, dat zich onder dit sombere gebouw een doolhof van gevangenissen uitstrekte, juist geschikt om lieden, die men uit den weg wilde ruimen, in zich op te nemen. Daarenboven had hij met eigen oogen gezien hoe de soldaten zijne moeder en Tirza de straat indreven, die rechtuit naar den burcht leidde. Waren zij daar niet meer, dan kon hij er toch inlichtingen krijgen betreffende haar lot.

In het diepst zijner ziel leefde een stille hoop, die hem daarentegen allereerst naar de ouderlijke woning trok. Door Simonides wist hij dat Amrah nog leefde. Haar opzoeken en van haar hooren wat zij wist, moest zoo spoedig mogelijk geschieden. De trouwe slavin had zich, zooals men zich zal herinneren, op dien vreeselijken morgen losgerukt uit de handen der soldaten en was het ledige huis binnen gevlogen, waar zij, met al wat er verder in was, opgesloten werd. Simonides had haar sedert dien tijd van het noodige voorzien, en zij was de eenige bewoonster gebleven van het groote huis, dat Gratus, hoeveel moeite hij er zich ook voor gaf, niet had kunnen verkoopen. De geschiedenis die er aan vast was hield de koopers of huurders terug. Daarenboven had het den naam dat het er spookte, misschien een gevolg van Amrah's ronddwalen door de verschillende kamers, of op het platte dak. Kon hij haar te spreken krijgen, wie weet of zij hem niet eenig licht zou kunnen verschaffen, en daarom had hij besloten nog hedenavond tot haar te gaan.

De avond was gevallen, toen Ben-Hur opstond en van den berg afdaalde. Vlak bij de bedding van de beek Kedron ontmoette hij een herder, die zijne schapen naar de markt bracht. Hij sloot zich bij dien man aan, en trad aan zijne zijde door de Vischpoort de stad binnen.

Het was reeds geheel donker, toen Ben-Hur van den herder afscheid nam en eene nauwe straat insloeg, die naar het zuidelijk gedeelte der stad voerde. Enkele menschen, die hem tegenkwamen, groetten hem, en nog nooit hadden de welbekende woorden hem zoo liefelijk in de ooren geklonken. De huizen aan beide zijden der straat waren laag en somber. Alle deuren waren gesloten. Het gevoel zijner eenzaamheid, de duisternis, de onzekerheid, waarin hij verkeerde, dat alles stemde hem droevig.

Zoo kwam hij bij het diepe waterbekken, thans bekend als de vijver van Bethesda. Voor hem verhief zich de burcht Antonia als een zwarte dreigende steenklomp. Hij bleef staan. Zoo sterk, zoo hecht en onaantastbaar verhief zich het gevaarte, dat hij het wanhopige van zijn streven gevoelde. Als zijne moeder achter die muren zuchtte, wat vermocht hij dan om haar te redden?... Door geweld niets. Werpspietsen en stormrammen zouden tevergeefs hunne kracht op de rots beproeven; list ... ach, die wordt zoo gemakkelijk verijdeld. En God, de laatste toevlucht van hulpbehoevenden, toeft dikwijls zoo lang met zijne hulp!

Met sombere voorgevoelens in 't hart ging hij verder, de volgende straat in. Een nachtverblijf zou hij zich later wel zoeken in de nieuwe wijk Bezetha, waar een herberg was; nu eerst naar Amrah.

Juist ging de maan op en verspreidde naar zilveren glans over de tot nog toe onzichtbare voorwerpen in het westen, zoodat de hooge torens op den berg Sion helder en klaar tegen den donkeren achtergrond afstaken.

Eindelijk bereikte hij het ouderlijke huis. Voor de noordpoort bleef hij staan en las het aanplakbiljet: Dit is het eigendom des keizers.

Sedert dien vreeselijken dag was niemand door die poort in- of uitgegaan. Zou hij als naar gewoonte kloppen? Hij wist, dat het vergeefsche moeite zou zijn, toch kon hij de verzoeking niet wederstaan. Amrah zou het wellicht hooren en uit een der vensters kijken. Hij raapte een steen van den grond, ging de brede trappen op en klopte driemaal. Slechts de echo antwoordde. Hij klopte nogmaals, en nogmaals, doch bemerkte geen teeken van leven. Hij ging naar den overkant der straat en bespiedde de vensters, doch er was niets te zien. Hij liep het huis om—ook daar was de deur verzegeld en van een opschrift voorzien. Ben-Hur las het en ontstak in woede. Hij rukte het opschrift af, wierp het op den grond en vertrapte het. Toen zette hij zich neder op de stoep en bad dat de nieuwen koning toch spoedig komen mocht. Langzamerhand werd hij kalmer, de vermoeienis na de langen dagreis deed zich gevoelen, hij strekte zich uit en viel weldra in slaap.

Een weinig later kwamen twee vrouwen de straat af van de andere zijde. Angstvallig vervolgden zij haren weg en bleven dikwijls staan om te luisteren. Bij den hoek van het huis gekomen hielden zij stil, en zeide eene van haar met gedempte stem: Dit is het, Tirza!

Tirza zag het huis aan, greep haar moeders hand, boog het hoofd, en begon te weenen.

—Laat ons verder gaan, mijn kind, want zoodra het dag wordt jagen zij ons de stad uit.

—Ach, ik had het bijna vergeten, snikte Tirza. Ik verbeelde mij dat wij naar huis gingen. Maar wij zijn melaatsch en hebben geen tehuis. Wij behooren tot de dooden!

—Kom, Tirza, wij hebben nu niets te vreezen. Kom mee, zeide de moeder troostend.

't Was waar, reeds alleen door het opsteken harer handen zouden zij een geheel leger op de vlucht hebben kunnen drijven.

Met onhoorbaren tred slopen zij, twee spookgestalten gelijk, den hoek om, totdat zij voor de poort kwamen en het opschrift lazen: Dit is het eigendom des keizers.

Toen wrong de moeder in stomme smart hare handen, hief de oogen ten hemel en kermde overluid.

—Moeder, wat scheelt er aan? U doet mij schrikken!

—Ach, kind, hij is dood!

—Wie, moeder?

—Uw broeder! Zij hebben hem alles afgenomen, zelfs dit huis! Nu zal hij ons nooit kunnen helpen!

—Wat moeten wij doen, moeder?

—Morgen, mijn kind, moeten wij aan den weg gaan zitten en bedelen, zooals de melaatschen dat gewoon zijn. Wij moeten bedelen, of—!

—Laat ons sterven, moeder, liever sterven!

—Neen, zeide de moeder op vasten toon. God heeft onzen tijd bepaald, en wij gelooven in Hem. Wij zullen op Hem blijven vertrouwen, ook hierin. Kom!

Al sprekende had zij Tirza's hand gevat en spoedde zich naar de westzijde van het huis, steeds dicht langs den muur loopende. Daar zij nergens iemand zagen, gingen zij door, maar schrikten terug voor het heldere maanlicht, dat de straat bescheen. De moeder hervatte zich echter spoedig, wierp een smartelijken blik op de vensters aan deze zijde van het huis, en stapte moedig vooruit in het licht, Tirza met zich voerend.

Nu kon men eerst recht zien hoe vreeselijk de verwoesting was, die de ziekte had teweeggebracht. Lippen, wangen, oogen, handen droegen er de sporen van, maar het afzichtelijkst was wel het hoofdhaar, dat in lange, stijve, klamme lokken neerhing, en evenals de wenkbrauwen een akelig witte kleur had. Moeder en dochter waren niet van elkander te onderscheiden, beiden waren even onnatuurlijk verouderd.

—Stil, zeide de moeder op eenmaal, daar ligt iemand op de stoep te slapen, een man.

Snel staken zij de straat over en gingen in de schaduw voort, totdat zij tegenover de poort kwamen, waar zij bleven stilstaan.

—Blijf even hier. De man slaapt, ik wil beproeven of de poort dicht is.

Dit zeggende stak zij de straat over en duwde zacht tegen een der deuren, maar juist op dat oogenblik slaakte de vreemdeling een zucht, bewoog zich onrustig in zijn slaap en draaide het hoofd om, zoodat zijn gelaat duidelijk zichtbaar werd. Zij zag hem aan en ontstelde hevig, keek nogmaals, bukte zich een weinig, kwam weer overeind, vouwde de handen en hief de oogen ten hemel in stil gebed. Een oogenblik slechts, toen ging zij ijlings naar Tirza terug.

—Kind, Tirza! dat is mijn zoon, uw broeder! fluisterde zij zacht, greep hare dochter bij de hand en vervolgde: Laat ons hem samen aanschouwen, even slechts, en dan, o God, help dan uwe dienstmaagden!

Onhoorbaar staken zij de straat over. Toen zij vlak bij hem waren gekomen, bleven zij staan. Een van zijne handen was afgegleden en rustte op de stoep. Tirza viel op hare knieën en wilde die hand kussen, maar de moeder trok haar terug. Pas op, kind, vermaande zij, wat woudt gij doen? Onrein! Onrein!

De arme Tirza week verschrikt achteruit, alsof haar broeder de melaatsche was.

Ben-Hur was schoon om aan te zien. Zijn gelaat was verbrand door de zon, mar de lippen waren rood, de tanden wit, en de golvende baard verborg niet den fraaien vorm van kin en hals. Hoe schoon was hij in zijn moeders oogen! Hoe smachtte zij er naar hem in hare armen te nemen en aan haar hart te drukken. Waaruit putte zij de kracht om niet aan dat verlangen toe te geven? Juist uit hare liefde voor hem. Voor niets ter wereld zou zij, de melaatsche, een kus hebben willen drukken op zijne wang. Toch wilde zij hem aanraken. Op hetzelfde oogenblik dat zij hem vond, moest zij voor altijd afscheid van hem nemen, dat, zij wist het, werd van haar geëischt. Bittere, bittere gedachte!

Zij knielde naast hem neder en drukte zacht hare lippen tegen de zool van zijn sandaal, hoe bestoven die ook was; zij kuste die nog eens en nog eens. Haar gansche ziel lag in die kussen.

Daar bewoog hij zich weer en prevelde in zijn slaap: Moeder ... Amrah, waar is ...

Het was bijna te veel voor de arme vrouw. Zij drukte haar gelaat tegen de steenen, om haar snikken te smoren, want haar hart dreigde te breken. Bijna wenschte zij dat hij wakker mocht worden. Hij dacht immers aan haar in den slaap, en mocht hij dan niet weten, dat zij zoo dicht bij hem was? Maar de tijd drong. Zij stonden op ... nog één langen blik, een laatste blik, en weer staken zij de straat over. In de schaduw zetten zij zich neer, wachtend, ja, waarop? Op het een of ander, zij wisten zelf niet wat.

Nog niet lang hadden zij zoo gezeten, of een andere vrouw kwam den hoek van het huis om. Zij zagen haar duidelijk: een kleine vrouw, gebogen van houding, donker van kleur, eenvoudig, maar netjes gekleed. Zij had een mand met eetwaren bij zich.

Toen zij den man op de stoep bemerkte bleef zij staan, bezon zich echter en kwam zachtkens naderbij. Zonder hem aan te raken ging zij naar de poort, en stak hare hand door eene in de linkerdeur aangebrachte opening.

Een van de planken week op zij, de vrouw schoof er de mand door en wilde zelve volgen, toen zij, door nieuwsgierigheid gedreven, nog even staan bleef om een blik op het gelaat van den vreemdeling te werpen.

De toeschouwers van den overkant hoorden een verbaasden uitroep, zagen dat de vrouw haren oogen wreef, alsof zij een droombeeld dacht te zien,—zij zagen haar zich over hem heenbuigen, de hand des slapers vatten en met kussen overdekken ... wat moeder en zuster ook zoo gaarne zouden gedaan hebben, maar niet durfden.

Door die aanraking gewekt trok Ben-Hur zijne hand terug, en zag tegelijkertijd de vrouw aan. Daar sprong hij overeind en riep blijde: Amrah! o Amrah! Zijt gij daar eindelijk?

Zij antwoordde niet, maar viel hem om den hals en snikte luid.

—Goede Amrah, hoorde zijne moeder hem zeggen, wat ben ik blij u te zien; maar zeg mij gauw wat gij van moeder en Tirza weet. Waar zijn zij? Gij hebt haar natuurlijk gezien. Zijn zij thuis?

Maar Amrah schreide slechts te heviger. Tirza maakte een beweging, maar de moeder, haar voornemen radende, hield haar tegen en fluisterde: Ga niet, voor niets ter wereld. Onrein! Onrein!

Neen, al moest haar hart ook breken, haar zoon zou niet worden wat zij waren.

—Woudt gij naar binnen gaan? vraagde Ben-Hur aan Amrah. Kom dan. Ik ga met u mee. De Romeinen, dat 's Heeren wraak hen treffe, liegen. Dat is mijn huis. Kom, Amrah, laat ons naar binnen gaan.

Zij traden binnen en sloten de deur, die nooit meer open zou gaan voor de arme moeder en hare dochter. Zij hadden het offer gebracht. Zij bogen zich diep in het stof. Men vond haar den volgenden morgen, en dreef haar met steenen de stad uit. Weg met u! Gij behoort tot de dooden! Gaat naar de dooden! riep men haar na.


Back to IndexNext