—Te gelijk met mij, zeide hij, zijn eenige vrienden in de kamer gekomen, die juist van tafel waren opgestaan. Breng volgens oud gebruik dengene hier, die het meest door den wijn bevangen is.
Eenige stemmen antwoordden: Hier is hij! Hier!
En van den grond, waar hij neergezegen was, werd een knaap opgebeurd, zoo schoon van gelaat, dat hij voor den wijngod zelven kon doorgaan, maar de kroon zou hem van 't hoofd zijn gevallen, en de staf uit zijne hand.
—Zet hem op de tafel, beval de voorzitter.
Men gehoorzaamde, maar de knaap zakte ineen.
—Ondersteun hem, Drusus!
Drusus nam de slaper in zijn armen en hield hem overeind.
Nu sprak Messala onder diep stilzwijgen tot den bezwijmde: O Bacchus, grootste der goden, wees ons hedennacht goedgunstig. In mijnen naam en in dien mijner metgezellen beloof ik dezen krans aan uw altaar in het Park van Daphne.
Hij maakte een diepe buiging, zette den krans weer op, ontblootte de dobbelsteenen, bekeek ze, en zeide lachend: Ziehier Drusus, bij den ezel van Silenus, de denarie is voor mij!
Een oorverdoovend gejubel deed de zaal op hare grondvesten daveren,... het drinkgelag nam een aanvang.
[2]Dun houten blaadje, met was bestreken, waar men met een stift op schreef.
[2]Dun houten blaadje, met was bestreken, waar men met een stift op schreef.
Sheik Ilderim was een te gewichtig man om met een klein gevolg te reizen. Hij had, als de aanzienlijkste en oudste onder de vorsten der woestijn, den naam van zijnen stam weten op te houden. In de steden gold hij voor een der rijkste grondbezitters, en daar hij werkelijk zeer rijk was in geld, zoowel als in slaven, kameelen, paarden en groot en klein vee, voerde hij gaarne een hoogen staat, die hem niet alleen in aanzien deed stijgen bij vreemden, maar zijne ijdelheid streelde en hem allerlei gemakken aanbracht.
Al spraken wij van zijne tent in het Palmbosch, in werkelijkheid had hij er eendowar, dat wil zeggen, hij had drie groote tenten: eene voor zich, eene voor bezoekers, eene voor zijne meestgeliefde vrouw en hare bedienden; en zeven kleinere voor zijne slaven en zijne lijfwacht, sterke dappere mannen, goed vertrouwd met boog, speer en paarden.
Hoewel hij in het Palmbosch natuurlijk veilig was, had hij, daar men wijs doet met zich aan de gewone orde te houden, de door de tenten begrensde ruimte voor zijne koeien, kameelen en geiten bestemd, en voor zulke bezittingen, die een leeuw of een dief in verzoeking konden brengen.
Overal en ten allen tijde volgde Ilderim de gebruiken van zijn volk tot in de kleinste bijzonderheden; dientengevolge was zijn leven in het Palmbosch eene voortzetting van zijn leven in de woestijn, een echt aartsvaderlijk leven—het herdersleven van het oude Israël.
Op den morgen zijner aankomst in het Palmbosch had Ilderim de karavaan doen stilhouden en een speer in den grond gestoken, zeggende: Hier, sla hier mijne tent op. De opening naar het Zuiden, het meer vóór ons, en deze kinderen der woestijn tot een beschutting boven ons hoofd, als wij bij zonsondergang de avondkoelte willen genieten.
Bij deze laatste woorden ging hij naar drie zware palmboomen en klopte tegen hun bast, zooals hij zijne paarden op den nek geklopt zou hebben.
Wie anders dan de Sheik had het recht om der karavaan: halt toe te roepen, of van de tent te bevelen: hier worde zij opgeslagen?—De speer werd uit den grond gerukt, en in de gemaakte opening de eerste paal voor de tent geplant, het middenschot voor de groote voordeur. Vervolgens werden acht andere palen ingeslagen, in het geheel drie rijen palen, telkens drie op een rij. Toen werden de vrouwen en kinderen geroepen, om het tentedoek te ontpakken. Niemand anders dan de vrouwen mochten dat doen, want waren zij het niet, die de bruine geiten der kudden geschoren, het haar tot een draad gesponnen, dien draad tot doek geweven, en de doeken aaneengenaaid hadden, om tot een dak te dienen, donkerbruin, in werkelijkheid maar op een afstand zwart als de tenten van Kedar? Hoe vroolijk spande ten besluite het gezamenlijk dienstpersoneel van den Sheik het tentedoek van paal tot paal, de pinnen inslaande en de koorden vastmakende, daar waar het behoorde! En als eindelijk de matten wanden opgericht en bevestigd waren, in welke angstige spanning werd dan het oordeel van den meester afgewacht! Hoe gelukkig waren zij, toen hij, na alles van binnen en van buiten bekeken te hebben, goedkeurend knikte en vriendelijk zeide: Goed gedaan! maakt nu den dowar in orde naar uw beste weten en hedenavond zullen wij het brood met arak besproeien, en de melk met honing verzoeten, en aan iederen haard zal een bokje gebraden worden. Wij zullen geen gebrek hebben aan zoet water, want het meer is onze bron; de lastdieren en de kudde zullen niet hongeren, want hier is overvloed van groen gras. God zij met u, kinderen! Gaat aan 't werk.
Vroolijk trok de troep af, om hunne eigene tenten op te slaan. Een paar bleven achter om de tent van den Sheik te meubileeren: de mannen spanden een gordijn langs de middelste palenrij, waardoor de tent in tweeën gedeeld werd, de eene helft voor den Sheik, de andere voor zijn paarden, de afstammelingen van Salomo's renners. Tegen den middelsten paal werd het wapenrek opgesteld, en met speren, bogen, pijlen en schilden behangen; bovenop het zwaard van den meester, welks gevest schitterde van edelsteenen. Aan het eene eind van het rek hingen zij de tuigen der paarden, aan het andere de kleederen van den meester: zijn wollen en linnen gewaden, tunica's en broeken, en zijn vele kleurige tulbanden.
Intusschen hielden de vrouwen zich onledig met het ontpakken van den divan. In den vorm van een hoefijzer, de opening naar de deur gekeerd, stelden zij hem op, bedekten hem met kussens en peluwen, en hingen er gordijnen om. Rondom den divan legden zij een karpet, en in de binnenruimte evenzoo, tot aan de deur der tent. Toen vulden zij de kannen en kruiken met water en hingen de lederzakken met arak op. Welk Arabier zou Sheik Ilderim niet gelukkig prijzen in zijne tent bij het zoetwatermeer, onder de schaduw der palmen van zijn erfdeel!
In de hier beschreven tent hebben wij Ben-Hur verlaten.
De bedienden stonden reeds gereed om de bevelen des meesters te volgen. Een van hen ontbond zijne sandalen, een ander die van den bezoeker. Vervolgens hielpen zij de beide ruiters zich ontdoen van hunne bestoven kleeren, en een frisch wit linnen gewaad aantrekken.
—Kom mede en rust, zeide de gastheer hartelijk in het Hebreeuwsch, en geleidde hem naar den divan.
—Ik ga hier zitten, en mijn gast daar, zeide hij tot eene dienstmaagd, die zich aanstonds beijverde de kussens op te schudden en goed te leggen, waarna de beide mannen op den divan plaats namen en zich de voeten lieten wasschen met frisch water uit het meer.
—Een onzer spreekwoorden in de woestijn luidt, dat een goede eetlust de belofte is van een lang leven, zeide Ilderim. Hoe staat het met den uwe?
—Daarnaar berekend, goede Sheik, zal ik honderd jaar kunnen leven. Ik ben een hongerige wolf aan uwe deur, antwoordde Ben-Hur.
—Welnu, ik zal u niet als een wolf wegzenden. Ik zal u het beste van mijn kudde voorzetten.
Ilderim klapte in de handen, waarop een bediende binnentrad.
—Ga naar den vreemdeling in de bezoekerstent en zeg, dat ik, Ilderim, hem toebid, dat zijn vrede bestendig moge zijn, als het stroomen der wateren.
De man boog zich.
—Meld hem verder, vervolgde de Sheik, dat ik nog een gast heb meegebracht om brood mede te breken. Als Balthasar, de wijze, het maal met ons wil deelen, zullen wij met ons drieën wezen, en het deel der vogelen zal er niet kleiner om zijn.
De man ging heen.
—Laat ons thans rust nemen, zeide de Sheik en maakte het zich gemakkelijk op den divan. Ben-Hur volgde zijn voorbeeld, en toen hij gereed was, vervolgde de Sheik op ernstigen toon: Dat gij mijn gast zijt, van mijn wijn gedronken hebt, en straks met mij eten zult, mag mij niet verhinderen u te vragen: Wie zijt gij?
—Sheik Ilderim, zeide Ben-Hur, kalm den onderzoekenden blik van den grijsaard doorstaande, ik bid u, meen niet dat ik uw billijke vraag ontwijken wil; maar was er in uw leven nooit een tijd, waarin de beantwoording van zulk een vraag een misdaad zou geweest zijn jegens uwe ouders?
—Bij Salomo's heerlijkheid, ja, antwoordde Ilderim. Zelfverraad is in sommige gevallen even laag, als het verraden van een geheelen stam.
—Dank, goede Sheik! Nooit kwam er beter antwoord uit uwen mond. Nu weet ik, dat gij slechts de zekerheid verlangt te hebben, dat gij uw vertrouwen niet aan een onwaardige zult schenken en dat die zekerheid van meer belang voor u is, dan mijne levensgeschiedenis.
De Sheik boog het hoofd. Ben-Hur haastte zich van deze stemming partij te trekken en zeide: Voor alle dingen wil ik u mededeelen, dat ik geen Romein ben, zooals mijn naam u zou doen denken.
Ilderim zag zijnen gast oplettend aan.
—Vervolgens dat ik een Israëliet ben uit den stam van Juda. Dat niet alleen. Ik ben een Jood en koester een wrok tegen Rome, waarbij de uwe slechts kinderspel is.
De grijsaard plukte zenuwachtig aan zijn baard en trok de wenkbrauwen samen.
—Nog meer; ik zweer u, Sheik Ilderim, ik zweer u bij het verbond, dat de Heer met mijne vaderen gemaakt heeft, als gij mij helpen wilt de wraak te nemen, die ik zoek, dan zullen de uitgeloofde prijs en de eer bij de wedrennen de uwe zijn.
Ilderim hief het hoofd op, zijn oogen straalden; men kon zien dat het voorstel hem toelachte.
—Genoeg, zeide hij. Als aan den wortel uwer tong een leugen verborgen ligt, zou Salomo zelf niet veilig voor u geweest zijn. Dat gij geen Romein zijt, dat gij als Jood een wrok tegen Rome hebt en wraak wil nemen, geloof ik. Maar hoe staat het met uwe vaardigheid? Welke ondervinding hebt gij in wedrennen met wagens? En de paarden—kunt gij ze aan uwen wil onderwerpen, zoodat zij u kennen, zoodat zij komen als gij ze roept, loopen, rennen als gij het beveelt, met inspanning van alle krachten tot bezwijkens toe, om hen dan in het beslissend oogenblik te bezielen tot een laatste inspanning, de krachtigste van alle, die tot overwinning voert? Die gave, mijn zoon, is niet ieder gegeven. Ik heb een koning gekend, die over millioenen menschen heerschte, maar zich niet de achting van een paard kon verwerven. Begrijp mij wel, ik spreek niet van gewone dieren, wier taak is te slaven voor slaven; wier bloed verbasterd werd, wier geheele uiterlijk het innerlijk teekent: geestelijk dooden. Neen, ik spreek van renpaarden als de mijne, koningen in hunne soort, wier stamboom opklimt tot in de stoeterijen van den eersten Pharao, mijne makkers en vrienden, medebewoners van mijne tent, die door een langdurig verkeer met mij opgevoerd zijn tot een ongekende hoogte, wier instinct aan eens menschen verstand gelijk is geworden, wier zintuigen met onze ziel gelijk staan, die evenals wij eerzucht, liefde, haat, tegenzin kennen; helden in den krijg, kinderen in vertrouwen. Hallo, hier!
Een bediende trad naar voren.
—Laat mijn Arabieren binnenkomen!
De man trok het gordijn in het midden der tent open, waardoor een groepje paarden zichtbaar werd, die een oogenblik aarzelden en staan bleven, alsof zij niet zeker waren van de noodiging.
—Komt, zeide Ilderim, waarom blijft ge staan? Wat heb ik dat niet het uwe is? Komt, zeg ik.
Zij kwamen langzaam nader.
—Zoon van Israël, zeide hun meester, uw Mozes was een groot man; maar, ha, ha, ha! ik moet lachen wanneer ik bedenk, dat hij uwe vaderen toestond den trekos en den ezel te gebruiken, maar hun verbood paarden in eigendom te bezitten. Denkt gij, dat hij dat gedaan zou hebben, als hij dezen en dien, en dien daar gezien had?
Zoo sprekend legde hij zijne hand op den naastbijstaanden Arabier en liefkoosde hem met onbeschrijfelijke teederheid.
—Dat is een misverstand, Sheik, een misverstand, zeide Ben-Hur levendig. Mozes was een krijgsman, zoowel als de van God beminde wetgever, en zou hij dan geen paarden gehad hebben?
Een welgevormde kop met groote zachte oogen, zacht als die eener ree, half verborgen door de dikke voorhoofdlokken, vlijde zich bijna tegen hem aan, neusgaten en bovenlip in gestadige beweging, alsof zij vragen wilde: Wie zijt gij?
Ben-Hur herkende een van het vierspan uit het renperk en stak het schoone dier zijn open hand toe.
—Zij zullen u zeggen, de lasteraars, mogen hunne dagen verkort worden, sprak de Sheik heftig, zij zullen u zeggen, dat onze paarden afkomstig zijn van de Niseïsche velden in Perzië. God gaf den Arabier een onmetelijke zandvlakte, met eenige kale bergen en hier en daar een bron van bitter water, en zeide tot hem: Zie uw land! En toen de arme man klaagde, erbarmde de Almachtige zich over hem en zeide: Wees goedsmoeds! want Ik zal u zegenen boven anderen. De Arabier hoorde het, dankte, en ging vol vertrouwen den beloofden zegen zoeken. Eerst reisde hij langs de grenzen, maar tevergeefs. Toen maakte hij zich een pad door de woestijn en ging voort, altijd verder, totdat hij in het hart der wildernis een vruchtbaar eiland vond, liefelijk om te zien, en op dat eiland graasden een kudde kameelen en een kudde paarden! Hij nam ze vroolijk tot zich en verzorgde ze met de grootste oplettendheid, als de beste gave Gods. En van dat groene eiland stammen alle paarden, die op aarde te vinden zijn, ook die van de Neseïsche weilanden. Zelfs naar het Noorden verspreidden zij zich, tot aan de vreeselijke valleien, die voortdurend geteisterd worden door stormwinden uit de zee. Twijfel niet aan de waarheid van dit verhaal. Is het niet waar, moge dan geen enkele amulet meer van kracht zijn voor een Arabier. Maar wacht, ik zal u de bewijzen voorleggen.
Hij klapte in de handen.
—Breng mij de registers van den stam, zeide hij tot den binnentredenden slaaf.
Onder het wachten speelde hij met de paarden, liefkoosde hen, streek hunne manen glad, en gaf ieder van hen een bewijs zijner gunst. Weldra verschenen zes mannen met zes cederhouten kisten, die zij voor den Sheik nederzetten.
—Neen, zeide Ilderim, dat bedoelde ik niet. Alleen het stamboek van de paarden,—deze kist. Open die en zet de andere weg.
De kist werd geopend. Haar inhoud bleek te bestaan uit een massa ivoren tafeltjes, door ringen van zilverdraad bijeengehouden, en daar de tafeltjes zoo dun waren als glas, hield iedere ring verscheidene honderdtallen.
—Ik weet, mijn zoon, zeide Ilderim, met welke zorg de schriftgeleerden in den tempel van de Heilige Stad de namen der jonggeboornen opschrijven en bewaren, opdat ieder Israëliet zijn geslachtslijst kan narekenen, al klom zij ook op tot voor den tijd der patriarchen. Mijne vaderen, moge hun aandenken altijd groen blijven! oordeelden het niet zondig dat denkbeeld over te nemen en op hun stomme dienaren toe te passen. Bezie die tafeltjes!
Ben-Hur nam een der ringen, en spreidde de tafeltjes uit. Zij waren vol met Arabische hiëroglyphen, die er met de gloeiende punt van een metalen staafje ingebrand waren.
—Kunt gij ze lezen, zoon van Israël?
—Neen. Wil mij hare meening verklaren.
—Weet dan: ieder tafeltje draagt den naam van een rasveulen, en wel van een, dat vele eeuwen geleden in onzen stam geboren werd, benevens de namen van zijne ouders. Bezie ze nauwkeurig en let er op hoe oud zij zijn, des te gemakkelijker zal het u vallen te gelooven wat ik zeg.
Sommige tafeltjes waren bijna afgesleten, alle waren geel van ouderdom.
—In die kist bewaar ik de geschiedenis van dit viertal. Ik kan u met de stukken bewijzen uit welken stam zij gesproten zijn; zie, hoe die eene uwe aandacht zoekt te trekken en om een liefkoozing vraagt! Zooals deze thans tot ons komen, kwamen hunne vaders vele eeuwen her tot mijne vaderen in hunne tent, om uit de hand hunner heeren hunne maat gerst te ontvangen en toegesproken te worden als kinderen, en op eigenaardige manier hun dank te betuigen. En nu, zoon van Israël, geloof mij vrij, ben ik een vorst der woestijnen, zij zijn mijne eerste dienaren! Ontneem ze mij en ik word een zieke gelijk, door de karavaan achtergelaten om te sterven. Aan hen dank ik mijn onverminderd gezag op de groote heirwegen; en dat zal stand houden, zoolang ik de kracht bezit om mij van hen te bedienen. Ik zou u wonderen kunnen verhalen, door hunne voorzaten verricht. Misschien doe ik het later wel eens; voor het oogenblik zij u genoeg, dat zij bij een terugtocht nooit werden achterhaald, bij een vervolging altijd slaagden. Vergeet echter niet, dat was in de woestijn en onder 't zadel;... hoe het komt weet ik niet, maar mijn hart klopt onrustig om hunnentwil. Zij zijn voor het eerst in 't gareel geweest en wat is niet noodig om den prijs te behalen! Eerzucht, snelheid, volharding bezitten zij. Vind ik iemand voor hen, dien zij als meester kunnen erkennen, dan zullen zij den prijs behalen. Zoon van Israël, als gij die man zijt, dan zweer ik u, dat gij den dag, die u hier bracht, gelukkig zult noemen. Spreek nu voor uzelven.
—Nu begrijp ik, zeide Ben-Hur, waarom een Arabier na zijne kinderen zijne paarden het liefst heeft, en ik begrijp ook waarom de Arabische paarden van alle de beste zijn; maar, goede Sheik, ik wil niet dat gij mij alleen naar mijne woorden beoordeelt, want gij weet het: beloften van menschen kunnen falen. Stel mij morgen op de proef en laat mij uw vierspan probeeren.
Ilderims gelaat straalde van genoegen. Hij wilde spreken, maar Ben-Hur vervolgde: Nog een woordje, goede Sheik. Laat ik u dit mogen zeggen: In Rome heb ik veel geleerd, waarvan ik niet dacht dat het mij ooit te pas zou komen. Geloof mij, al zijn deze uwe zonen der woestijn ieder afzonderlijk als de wind zoo vlug, zij zullen het onderspit delven, zoo zij niet geleerd hebben gezamelijk in het gareel te loopen; want bedenk dit, Sheik, van ieder viertal is een de vlugste en een de langzaamste. Zoo was het vandaag. De menner kon den vlugste der vier niet krijgen tot een verstandig samenwerken met den traagsten. Mijn proefneming zal misschien niet beter uitvallen; maar in dat geval zal ik het u zeggen. Kan ik er hen echter toe krijgen zich naar mijn wil te voegen, zoodat de vier als één loopen, dan zijn de sestertiën en de lauwerkrans voor u, de wraak voor mij. Wat dunkt u?
Ilderim had aandachtig geluisterd. Glimlachend zeide hij: Ik denk beter van u, zoon van Israël. Wij hebben een spreekwoord: als gij het eten met woorden kookt beloof ik u een oceaan van boter.—Morgen zult gij de paarden hebben.
Op dat oogenblik was er beweging aan de achterdeur der tent. Ons avondeten, zeide de Sheik, en mijn vriend Balthasar, met wien gij kennis zult maken. Hij heeft eene geschiedenis te vertellen, die voor een Israëliet allerbelangrijkst is.
Tot de knechts zeide hij: Neemt de kist weg, en brengt de paarden naar hun vertrek.
En zoo geschiedde het.
Als de lezer zich den maaltijd van de drie wijzen in de woestijn nog herinnert, zal hij zich gemakkelijk de toebereidselen in Ilderims tent kunnen voorstellen. Het eenige verschil was: meer gerechten en betere bediening.
Op het karpet voor den divan weren drie kleedjes gelegd en een gedekte tafel neergezet. Tegen een der zijwanden werd een draagbare oven geplaatst, onder toezicht van eene slavin, wier taak het was het gezelschap van heete koeken te voorzien.
Intusschen was Balthasar naar den divan geleid, waar Ilderim en Ben-Hur hem staande opwachtten. Hij droeg een ruim zwart overkleed en was langzaam en statig in zijne bewegingen.
—Vrede zij u, mijn vriend, zeide Ilderim, vrede en welkom.
De Egyptenaar antwoordde: de zegen van God Almachtig, den eenigen waren God, zij met u en de uwen.
Zijne manier van spreken maakte diepen indruk op Ben-Hur.
—Deze jonkman, Balthasar, zeide de Sheik, zijn hand op Ben-Hurs arm leggend, zal hedenavond brood met ons breken.
De Egyptenaar zag den jonkman onderzoekend aan, waarop de Sheik vervolgde: Ik heb hem beloofd, dat hij mijne paarden mag probeeren, en als het goed gaat zal hij er in den circus mee optreden.
Balthasar staarde Ben-Hur zwijgend aan.
—Hij kwam met goede aanbevelingen, ging Ilderim voort, die niets van dat zwijgen begreep. Overeenkomstig die aanbevelingen stel ik hem u voor als den zoon van Arrius, den edelen Romeinschen duumvir, hoewel hijzelf zich een Israëliet noemt uit den stam van Juda, en, bij mijn baard, ik geloof wat hij zegt.
—Weet dan, edelmoedige Sheik, zeide Balthasar, dat mijn leven vandaag in gevaar geweest is en ik hier niet zitten zou, zoo niet een jonkman, het evenbeeld van dezen uwen gast, tusschenbeide getreden was en mij gered had, toen alle anderen vloden.
Toen wendde hij zich tot Ben-Hur en vraagde: Waart gij dat niet?
—Wat zal ik u zeggen, zeide Ben-Hur bescheiden. Ik ben degeen die de paarden van den onbescheiden Romein tot staan bracht, toen zij bij de bron Castalia op uw kameel instormden. Uwe dochter gaf mij dezen beker.
Uit de plooien van zijn tunica bracht hij den beker te voorschijn en overhandigde hem aan Balthasar.
Een glans van blijdschap kwam over het gelaat van de Egyptenaar. De Heer heeft u vandaag tot mij gezonden, eerst bij de bron en nu hier, zeide hij bewogen en reikte Ben-Hur de hand. Ik dank Hem, en dank gij Hem ook, want door zijne genade kan ik u naar verdienste beloonen. De beker is de uwe. Behoud hem.
Nu verhaalde Ben-Hur in antwoord op Ilderims vragenden blik het voorval bij de bron.
—Wat! zeide de Sheik tot zijn jeugdigen gast. Daar hebt gij mij niets van verteld, terwijl gij mij geen betere aanbeveling hadt kunnen brengen. Ben ik niet een Arabier en Sheik van mijn stam van honderdduizenden? En is Balthasar niet mijn gast? zoodat hetgeen gij aan hem gedaan hebt, hetzij goed of kwaad, aan mij gedaan is? Waar zoudt gij belooning zoeken, anders dan hier? En wiens hand moet u die geven, zoo niet de mijne?
—Goede Sheik, ik bid u, spaar mij. Ik kwam niet om eene belooning, en opdat zelfs de schijn niet op mij ruste, zoo weet dat ik uw geringsten slaaf ter hulpe zou gesneld zijn, indien zulks noodig was geweest.
Hoe is uw naam ook weer? vraagde Balthasar. De Sheik noemde een Romeinsche naam, niet waar?
—Arrius, de zoon van Arrius den duumvir.
—En toch zijt gij geen Romein?
—Mijn familie was Joodsch.
—Wat, zegt gij? Leven zij niet meer?
De vraag was eenvoudig en natuurlijk; maar gelukkig voorkwam Ilderim het antwoord.
—Komt, zeide hij, de maaltijd is gereed.
Een oogenblik later zaten zij aan tafel, op Oostersche manier. Dienaren brachten water en handdoeken, zij waschten zich de handen, toen gaf de Sheik een teeken, en de Egyptenaar bad op plechtigen toon: Vader van allen, God! Wat wij hebben is van U; neem onzen dank aan en zegen ons, opdat wij mogen voortgaan met Uwen wil te doen.
De tafel was rijkelijk van het noodige voorzien: luchtige koeken, heet van het vuur, groenten uit den moestuin, vleesch in verschillenden vorm, geitenmelk, honing en boter, alles gebruikt zonder de toevoegselen der hedendaagsche gewoonten: messen, vorken, lepels. Gedurende dit gedeelte van den maaltijd werd weinig gesproken, want zij hadden honger. Maar toen het dessert op tafel kwam werd het anders, en zij waren weldra in een ernstig gesprek verdiept.
Onder zulk een gezelschap: een Arabier, een Jood, en een Egyptenaar, allen geloovende aan éénen God, kon in die dagen slechts één onderwerp van gesprek zijn; en wie van de aanzittenden moest als spreker optreden, zoo niet hij, wien de Godheid bijna persoonlijk verschenen was, die haar in de ster had leeren kennen, die hare stem had gehoord, en zoo wonderbaar door den geest Gods geleid was? En waarvan zou hij spreken, zo niet van datgene, waarvan hij geroepen was te getuigen?
De zon was ondergegaan. De bergen wierpen een donkere schaduw over het Palmbosch en lieten geen plaats voor de zachte violettinten, die bij den overgang van dag op nacht het oog zoo liefelijk kunnen streelen. De nacht viel vroeg en snel in. Om het duister in de tent te verdrijven brachten de slaven vier bronzen kandelaars, één op elken hoek der tafel. Iedere kandelaar had vier armen, en iedere arm droeg een zilveren lamp. Bij het schijnsel van dit licht zaten de dischgenooten nog geruimen tijd te praten in de Syrische taal, die in die streken algemeen gebruikelijk was.
De Egyptenaar verhaalde aan Ben-Hur zijne ontmoeting met de twee vrienden, en berekende met den Sheik, dat het in December achtentwintig jaar geleden was, dat hij en zijne metgezellen met haast het Joodsche land verlaten en in zijne tent gewoond hadden.
Ben-Hur luisterde met groote belangstelling, als naar een openbaring van het hoogste belang voor de geheele wereld, en bovenal voor het volk Israël.
De lezer bedenke, dat de jonge Israëliet sedert zijn vroegste jeugd van den Messias gehoord had. In de school had hij de profetieën dienaangaande hooren voorlezen. De komst van den langverwachte was het onderwerp van veler gesprekken. In de synagogen, in den Tempel, op feest- en vastendagen, in het openbaar en in de stille binnenkamer verkondigden de Joodsche leeraars den Messias, totdat alle kinderen Israëls, waar zij zich ook bevonden, naar Hem uitzagen. De groote vraag was: Wanneer zal Hij komen? Want dàt Hij komen zou als Koning der Joden, als wereldsch koning, als hun koning, dit stond vast. Door hen zou Hij de wereld veroveren, en haar ten hunnen bate en in den naam van God voor altijd aan zich onderwerpen.
Maar wat was de reden dat Israël geen oog had gehad voor dat kind van Bethlehem? Hoe kwam het dat hij er nooit van gehoord had? Balthasar moest hem opheldering geven: Waar was dat kind nu? En wat moest het doen?
—Kon ik u dat maar zeggen, antwoordde Balthasar. Wist ik maar waar hij zich ophoudt, ik zou mij dadelijk opmaken en tot hem gaan. Zeeën noch bergen zouden mij kunnen weerhouden.
—Hebt gij getracht hem te vinden? vraagde Ben-Hur.
—Zeker. Zoodra ik afscheid genomen had van mijn vriend Ilderim stelde ik een onderzoek in, om te vernemen wat van het kind geworden was. Een jaar was echter voorbijgegaan, en ik wilde niet zelf naar Judea terugkeeren, omdat Herodes nog steeds op den troon zat, even bloeddorstig als altijd. Bij mijn terugkomst in Egypte vond ik eenige vrienden, die mijn verhaal van de dingen, die ik gezien en gehoord had, aanhoorden en geloofden, eenige weinigen, die zich met mij verheugden over den Verlosser, ons geboren. Een paar van hen gingen in mijne plaats naar Judea, om persoonlijk een onderzoek in te stellen. Zij gingen eerst naar Bethlehem en vonden de herberg en de grot, maar de deurwachter, hij die ons naar de spelonk gebracht had, was er niet meer. De koning had hem opontboden, niemand in Bethlehem had meer van hem gehoord.
—Maar zij vonden toch zeker getuigen van het gebeurde?
—Ja, bloedige getuigen. Een stadje in rouw, moeders treurend om hare kinderkens. Want gij moet weten dat Herodes, toen hij bemerkte dat wij stil vertrokken waren, soldaten naar Bethlehem zond, om al de jonggeboornen te dooden. Geen enkel ontkwam. Mijne vrienden waren in hun geloof versterkt geworden, maar zij brachten mij de tijding, dat het kind vermoord was met de andere.
—Dood! riep Ben-Hur, dat is verschrikkelijk! 't Is dus dood?
—Neen, mijn vriend, dat heb ik niet gezegd. Ik zeide dat mijne vrienden die tijding meebrachten. Ik geloofde het toen niet en ik geloof het nog niet.
—Hebt gij dan een bijzondere openbaring ontvangen?
—Dat juist niet. De Geest zou ons geleiden tot de plaats, waar het kind zich bevond. Toen wij uit de grot kwamen was de ster verdwenen. De laatste aanwijzing, die wij ontvingen, was die, welke ons langs een anderen weg deed terugkeeren, zoodat wij bij Sheik Ilderim kwamen.
—Ja, dat hebt gij mij toen ook verteld, bevestigde deze.
—Al heb ik geen bijzondere aanwijzing, zeide Balthasar, zoo heb ik toch veel over deze dingen nagedacht, en mijn geloof, dat verzeker ik u, is op dit oogenblik nog even sterk, als toen de Geest mij beval de reis naar Jeruzalem te aanvaarden. Indien gij wilt zal ik u zeggen waarom ik geloof dat het kind nog leeft.
De Sheik en Ben-Hur bogen toestemmend en luisterden met hun gansche aandacht.
—Wij drieën gelooven in God, en Hij is de Waarheid. De heuvelen mogen tot stof verwaaien, en de zeeën opdrogen, maar Zijn Woord blijft bestaan, omdat het de Waarheid is. De stem, die tot mij sprak bij het meer, was Zijne stem en zeide: Gezegend zijt gij, zoon van Mizraïm. De verlossing is nabij. Met twee anderen van het uiterste der aarde zult gij den Verlosser zien!—Ik heb den Verlosser gezien, maar de verlossing moet nog komen. Begrijpt gij het nu? Als het kind gedood werd is er niemand, die de verlossing kan aanbrengen; dan moet de belofte onvervuld blijven. Het kind werd geboren om de wereld te verlossen, en zoolang die belofte niet vervuld is, kan niets, zelfs de dood niet, hem van zijn werk scheiden. Ziedaar de eerste grond van mijn geloof. Nu mijn tweede.
—Wilt gij niet een teug wijn nemen? vraagde de gastheer.
Nadat Balthasar zich verfrischt had, vervolgde hij: De Verlosser, dien ik gezien heb, was van eene vrouw geboren, van nature ons gelijk, en dus onderworpen aan alle kwaad, ook aan den dood. Beschouwen wij nu het werk, dat hem wachtte. Was het niet een taak alleen voor mannenkracht berekend? voor een wijs, sterk, verstandig man? Om dat te worden moest het kind opgroeien, zooals wij. Denk nu eens aan de gevaren, die hem in dien tusschentijd konden bedreigen. De bestaande regeering was hem vijandig. Herodes was zijn vijand, en wat zou Rome voor hem zijn? En Israël ... dat Israël hem niet zou aannemen was de reden, waarom Herodes alle kinderen te Bethlehem liet dooden. Begrijpt gij het nu? Was er zekerder weg om zijn hulpelooze jonkheid te behoeden, dan door hem verborgen te houden? Daarom zeg ik telkens tegen mijzelven: Hij is niet dood, maar houdt zich stil, en daar zijn werk nog niet volbracht is, zal hij wederkomen. Ziedaar de gronden voor mijn geloof. Is er iets tegen te zeggen?
Ilderims oogen fonkelden en Ben-Hur zeide vroolijk: Door mij zeker niet. Wat verder?
—Is dat niet genoeg, mijn zoon? Wachten moet onze leus zijn. Hij leeft en bewaart vooralsnog zijn geheim, hetzij als veelbelovende bloesem, of als rijpende vrucht. Maar, vasthoudende aan de belofte staat mijn geloof onwankelbaar vast,—hij leeft.
—Waar denkt gij, dat hij is? vraagde Ben-Hur aarzelend.
—Eenige weken geleden zat ik in mijn huis aan den Nijl, in gedachten verzonken. Ik zeide tot mijzelf: Een dertigjarige man moet zijn arbeidsveld bebouwd en beplant hebben, want daarna komt de zomer en nadert de tijd, waarin gemaaid moet worden. Het kind, dacht ik verder, is nu bijna dertig jaar. Zijn tijd om te zaaien is daar. Ik stelde mijzelven dezelfde vraag, die gij mij zooeven deedt, en tot antwoord maakte ik mij op en kwam hierheen, om in de nabijheid te zijn van het land, dat God aan uwe vaderen gegeven heeft. Want waar anders zal hij verschijnen dan in Judea? In welke stad zal hij zijn werk beginnen, zoo niet in Jeruzalem? Wie moeten de eersten zijn om de zegeningen te ontvangen, die hij zal aanbrengen, zoo niet de kinderen Abrahams, Izaäks en Jakobs? Als mij bevolen werd: Ga, zoek hem,—dan zou ik alle gehuchten en dorpen langs de hellingen der bergen van Judea en Galilea tot aan het Jordaandal doortrekken. Daar moet hij zich ophouden. Daar heeft hij wellicht dezen zelfden avond, staande voor een eenvoudige woning of op een heuveltop, de zon zien ondergaan met de gedachte, dat hij weder een dag nader was gekomen aan den tijd, waarop hijzelf het licht der wereld zal worden.
Balthasar zweeg. Niet alleen de gastheer en Ben-Hur, maar ook de dienaren hadden, door zijn geestdrift opgewekt, het gevoel alsof de onzichtbare in hun midden was. Eindelijk verbrak Ben-Hur de stilte.
—Ik zie, goede Balthasar, zeide hij, dat gij buitengewoon begunstigd zijt. Ik zie ook, dat gij inderdaad een wijs man zijt. Ik kan u niet zeggen hoe dankbaar ik ben voor hetgeen gij ons verhaald hebt. Gij hebt mij op groote dingen voorbereid. Voltooi het werk, bid ik u, en deel mij alles mede wat gij weet aangaande de zending van hem, dien gij verwacht, en dien ook ik van nu als een geloovig zoon van Juda verwachten zal. Hij zal een Verlosser zijn, zegt gij, zal hij ook niet koning der Joden wezen?
—Mijn zoon, antwoordde Balthasar, zijne zending is vooralsnog een verborgenheid Gods. Wat ik daaromtrent denk ontleen ik aan hetgeen de stem tot mij sprak in verband met de gebeden, waarop zij een antwoord was. Zullen wij dat nog eens nader beschouwen?
—Gaarne, mijn vader.
—De reden van mijn onrust, begon Balthasar, die mij drong in Alexandrië en in de dorpen langs den Nijl te prediken, en die mij ten laatste in de eenzaamheid dreef, was de rampzalige toestand van het menschdom, veroorzaakt, naar ik geloof, door het verlies van de kennis Gods. Ik was bedroefd over de ellende van mijn geslacht, niet van een enkele klasse, maar van allen. Zoo diep zijn zij gevallen, dat, naar mij voorkwam, geen verlossing mogelijk was, tenzij God zelf die ter hand wilde nemen, en ik bad tot Hem: O God, openbaar U aan mij!—Uwe goede werken heb ik overwonnen. De Verlossing komt, gij zult uw Verlosser zien. Aldus sprak de stem, en met dat antwoord reisde ik goedsmoeds naar Jeruzalem. Maar wie moeten verlost worden? De geheele wereld. En hoe zal dat geschieden? Wees sterk, zoon van Arrius! Ik weet wat de menschen zeggen: dat geen geluk mogelijk is, zoolang Rome niet verwoest is. De ellende zou dus niet uit onkunde met betrekking tot God, maar uit het wanbestuur der vorsten voortkomen? Neen, neen! de Verlossing kan niet voor een staatkundig doel zijn, kan niet ten oogmerk hebben machten en tronen omver te werpen, alleen opdat anderen hunne plaatsen zouden innemen. Als dat het doel moest zijn, zou de wijsheid Gods niet langer ondoorgrondelijk zijn. Ik zeg u, al spreek ik misschien slechts als een blinde tot een blinde, hij die komt zal een Verlosser zijn van zielen. Verlossing wil zeggen, dat God weder op aarde wonen zal en de gerechtigheid heerschen, opdat zijn verblijf mogelijk zij.
Ben-Hur kon zijne teleurstelling niet verbergen. Hij boog het hoofd, en ofschoon hij niet overtuigd was, voelde hij zich niet dadelijk in staat om de zienswijze van den Egyptenaar te bestrijden. Ook Ilderim schudde ongeloovig het hoofd. Na een oogenblik zwijgens zeide de eerste: Vader, naar wien moest gij aan de poorten van Jeruzalem vragen?
—Ik moest aan het volk vragen: Waar is de geboren Koning der Joden?
—En gij zaagt hem in de grot te Bethlehem?
—Wij zagen en aanbaden hem en boden hem geschenken aan: goud, wierook, myrrhe.
—Wanneer gij de feiten bespreekt, mijn vader, dan is u te hooren en te gelooven één; maar wat uwe zienswijze aangaat kan ik niet begrijpen welk soort van Koning gij van het kind wilt maken. Ik kan den koning niet scheiden van zijne macht en plichten.
—Mijn zoon, antwoordde Balthasar, gij ziet nu slechts den titel: Koning der Joden. Vestigt gij echter uwen blik op de daarachter liggende geheimenis, dan zal de steen des aanstoots verdwijnen. Over den titel één woord. Uw volk, Israël, heeft betere dagen gezien, dagen waarin God uw volk zijn volk noemde, en door de profeten met hen verkeerde. Welnu, indien Hij hun in die dagen den Verlosser beloofde, dien ik gezien heb, hem beloofde als Koning der Joden, dan moet de verschijning ook gelijk zijn aan de belofte. Begrijpt gij nu de beteekenis van mijne vraag aan de poort?—Ja, gij begrijpt haar, en ik behoef er niets meer van te zeggen. Misschien denkt gij aan de waardigheid van het Kind; als dat zoo is, denk dan even na—moest het de opvolger van Herodes zijn?
Kon God zijn uitverkorene niet iets beters bereiden? Wilt gij het wezen der zaak, waarover wij spreken, vatten, zie dan hooger op, bid ik u! Vraag liever waarvan hij, dien wij verwachten, koning zal zijn; want dat is de sleutel van de verborgenheid, die niemand begrijpen zal zonder dien sleutel. Er is een koninkrijk op aarde, ofschoon het niet van de aarde is, een koninkrijk grooter in omvang dan de aarde, grooter dan de zee en de aarde. Zijn bestaan is een feit, en wij doorwandelen het zonder het te zien. Niemand zal dit rijk aanschouwen, voordat hij zijn eigen ziel heeft leeren kennen; want het koninkrijk is niet voor hem, maar voor zijne ziel. De heerlijkheid, die ons in dat rijk wacht, is zoo groot, dat wij haar ons niet kunnen voorstellen—eenig en onvergelijkelijk.
—Uwe woorden, vader, zijn mij een raadsel, ik heb nooit van zulk een koninkrijk gehoord.
—Ik ook niet, verzekerde Ilderim.
—En ik mag er niet meer van zeggen, zeide Balthasar, de oogen ootmoetig neerslaande. Wat het is, waartoe het dient, hoe men er komen kan, zal niemand vernemen, voordat het kind komt, om er als zijn eigendom bezit van te nemen. Hij brengt den sleutel van de onzichtbare poort, die hij ontsluiten zal voor zijne uitverkoornen, waartoe allen zullen behooren, die hem liefhebben, want dezulken alleen zullen de verlosten zijn.
Een lange pauze volgde. Daar niemand een opmerking maakte zeide Balthasar ten laatste: Goede Sheik, morgen of overmorgen ga ik voor eenigen tijd naar de stad. Mijne dochter verlangt de toebereidselen voor de feesten te zien. Het uur van mijn vertrek hoop ik u nader op te geven. U, mijn zoon, zal ik zeker nog zien. Ik wensch u beiden vrede en goeden nacht.
Zij stonden allen van tafel op. De Sheik en Ben-Hur zagen den Egyptenaar na, totdat hij buiten de tent was.
—Sheik Ilderim, zeide de jongeling, ik heb van avond vreemde dingen gehoord. Sta mij toe, bid ik u, een weinig langs het meer te wandelen, opdat ik ze rustig overdenke.
—Ga, ik volg u straks.
Zij wieschen hunnen handen, waarna een bediende Ben-Hur zijne sandalen bracht.
Op een kleinen afstand van den dowar stond een groep palmen, die hunne schaduw half over het water, half over het land wierpen. Een nachtegaal zong in de takken zijn lied. Ben-Hur bleef er staan naar luisteren. Op ieder ander oogenblik zou het gezang van den vogel afleiding aan zijne gedachten gegeven hebben; nu niet, want de meedeelingen van den Egyptenaar lagen hem als een pak op het hart. Er was voor hem zelfs in de liefelijkste muziek geen muziek, zoolang lichaam en geest niet tot rust gekomen waren.
De nacht was stil. Geen enkel golfje brak op het oeverzand. De hemel was bezaaid met sterren, al de oude bekenden op haar gewone plaats.
Ben-Hur liep onrustig heen en weer. Zijn levendige verbeelding voerde hem in gedachten naar de zuidelijke streken, waar Balthasar als kluizenaar geleefd had. Het meer met zijn onbeweeglijken spiegel verplaatste hem in den geest naar de oevers van den Nijl, waar de wijze man in het gebed verzonken was, toen de Geest zich aan hem openbaarde. Indien het wonder zich eens herhaalde—en wel aan hem? Hij vreesde, nochtans wenschte, ja zelfs verwachtte hij de verschijning.
Toen zijn opgewondenheid eindelijk wat bedaarde, kwam er orde in zijne gedachten.
Zijn levensdoel kennen wij. Als hij zijne toekomst overdacht was hij telkenmale op een gaping gestuit, die hij niet bij machte was aan te vullen, een gaping zoo wijd, dat hij den overkant slechts flauw kon onderscheiden. Naar welk doel zou hij streven, als hij eindelijk tot bevelhebber bevorderd was? Een opstand tegen de Romeinen lag natuurlijk in zijn plan, maar om de lieden daartoe te bewegen, moest hij een goede reden of een voorwendsel kunnen aanvoeren, en hen op een betere toekomst kunnen wijzen. Die een onrecht te herstellen heeft, strijdt in den regel goed; maar oneindig beter hij, wien het geleden onrecht tot drijfveer is, om naar een betere toestand te streven, een toestand, waarin hij balsem vindt voor zijne wonden, loon voor zijn dapperheid, dank voor zijne moeite, en bij zijnen dood een roemrijk gedenken.
Vóór alle dingen zou Ben-Hur, wilde hij op aanhangers kunnen rekenen, en dat zouden natuurlijk zijne landgenooten zijn, oorzaak en gevolg van den opstand moeten verklaren. Allen zuchtten onder hetzelfde juk, dat af te schudden was een heilige, bezielende plicht.
Reden tot opstand was er dus; maar de gevolgen, welke zouden die zijn? De uren en dagen, die hij aan de overdenking van dit deel zijner plannen gewijd had, waren talloos vele, en altijd was hij tot dezelfde onbevredigde slotsom gekomen: een onbestemde, nevelachtige, algemeene voorstelling van nationale vrijheid. Was dat voldoende? Hij kon niet zeggen: neen; want dat zou zijn hoop den genadeslag hebben toegebracht; hij huiverde om ja te zeggen, omdat zijn verstand wel beter wist. Evenmin kon hij zich wijsmaken, dat Israël in staat zou zijn, om geheel alleen Rome te bestrijden. Hij kende de hulpmiddelen van dien machtigen vijand. Een verbond van alle volken zou iets kunnen uitrichten, maar, helaas! dat was onmogelijk, tenzij—en hoelang had hij niet over die mogelijkheid nagedacht, tenzij uit een der onderdrukte volken een held mocht voortkomen, wiens krijgsverrichtingen de gansche aarde met zijn roem vervullen zouden. Welk een glorie voor Judea, indien dat het Macedonië van den nieuwen Alexander zou blijken te zijn! Helaas, onder de rabbijnen was dapperheid wel mogelijk, maar tucht niet te verwachten. En dan het verwijt van Messala in den tuin van Herodes: Wat gijlieden in zes dagen wint, verliest gij den zevenden dag.
Zoo kwam het dat hij geen licht in de zaak had gezien. God alleen wist óf de verwachte held komen zou. Vandaar dat hij Malluchs verslag van Balthasars wederwaardigheden met een zekere voldoening had aangehoord —de moeilijkheid was opgelost, de held uiteindelijk gevonden, en nog wel een zoon uit den stam van Juda, een Koning der Joden! En achter den held, de wereld onder de wapenen!
Ben-Hurs hart had sterker geklopt toen hij zich voor een oogenblik Jeruzalem als hoofdstad der wereld dacht, en Sion de zetel van de overheerscher. Hoe bevoorrecht had hij zich geacht, dat hij den man, die den koning gezien had, in Ilderims tenten zou ontmoeten. Hij zou hem zien, hem hooren, en van hem alles vernemen wat hij wist van de ophanden zijnde verandering, voornamelijk het tijdstip, waarop het geschieden zou. Indien het ophanden was, zou hij van den veldtocht met Maxentius afzien, en voorbereidingen treffen om de stammen onder de wapenen te brengen, opdat Israël gereed mocht zijn, wanneer de groote dag der wrake aanbrak.
Nu had, zooals wij weten, Ben-Hur het verhaal van Balthasar zelven vernomen. Was hij voldaan?
Een schaduw, donkerder dan die der palmen, rustte op hem—de schaduw der onzekerheid, die meer het koninkrijk gold, dan wel den koning.
Hoe moet ik mij dat koninkrijk voorstellen? Hoe zal het zijn? vraagde Ben-Hur zichzelven gedurig.
—Hoe zal dat koninkrijk zijn?
Ons, lezer, heeft het kind zelf geantwoord; maar Ben-Hur moest zich vergenoegen met de woorden van Balthasar: Op aarde, nochtans niet van de aarde; niet voor menschen, maar voor hunne zielen, en toch een heerschappij van onbeschrijfelijken luister.
Was het wonder, dat die woorden den jonkman zeer raadselachtig voorkwamen?
—Dat is geen menschenwerk, zeide hij half wanhopig. De koning van zulk een rijk heeft geen menschen noodig; geen raadslieden, geen soldaten. De aarde zou geheel vernieuwd moeten worden, en nieuwe grondbeginselen zouden de plaats van de tegenwoordige moeten innemen. Niet door geweld van wapenen,... maar door wat dan?
Nogmaals, lezer, wat voor ons vaststaat kon hij nog niet zien. De macht, die in de Liefde gelegen is, was den menschen toen nog niet bekend. Nooit had iemand hun verkondigd, dat liefde machtiger is dan geweld.
Te midden van die overleggingen voelde hij een hand op zijn schouder.
—Ik heb een woord aan u, zoon van Arrius, zeide Ilderim, één woordje en dan keer ik naar mijne tent terug, want het is laat in den nacht.
—Ik luister, Sheik.
—Wat de dingen aangaat, die gij zooëven gehoord hebt, zeide Ilderim, geloof alles, behalve datgene wat de Egyptenaar zeide over het nieuwe koninkrijk. Laat dat rusten, totdat gij Simonides gehoord hebt, een goed man uit Antiochië, met wien ik u in kennis zal brengen. De Egyptenaar gaf u zijne droomerijen ten beste. Simonides is verstandiger. Hij zal u de uitspraken uwer profeten voorleggen, waaruit hij onwederlegbaar kan aantoonen, dat de verwachte feitelijk koning der Joden zijn zal—koning zooals Herodes was, alleen beter en luisterrijker. En dan, gij begrijpt mij, zullen wij het zoete der wraak smaken. Ik heb gezegd. Vrede zij u!
Ben-Hur staarde hem na en zeide bitter: Alweder Simonides! Simonides hier, Simonides daar; dan door den een, dan door den ander! Het schijnt alsof ik aan den leiband van mijn vaders dienaar zal mogen loopen. Die weet ten minste vast te houden wat het mijne is. Daarom is hij in ieder geval rijker, zoo niet verstandiger, dan de Egyptenaar. Bij hem zal ik zeker niet ter schole gaan!—Maar, wat is dat? Daar wordt gezongen ... een vrouwenstem. Het komt hierheen.
Langzaam keerde een bootje terug van een roeitochtje op het meer. De zangster in het kleine vaartuig deed haar liefelijke stem over de stille wateren klinken. Weldra kon hij de woorden verstaan. Het was een Grieksch lied, een lied van verlangen, aangrijpend en innig.
Toen het bootje voorbijgevaren was slaakte Ben-Hur een diepen zucht. Dat moest den dochter van Balthasar zijn, zeide hij zacht. Wat zingt zij heerlijk! En wat was zij schoon!
Zijn hart begon sneller te kloppen; maar tegelijkertijd verrees voor zijn geestesoog een ander gelaat, jeugdiger en even bevallig—kinderlijker en zachter, hoewel niet zoo hartstochtelijk.
—Ester! zeide hij glimlachend. Ik wenschte een ster te zien, en zij is mij gezonden.
Hij keerde zich om en ging langzaam naar zijne tent terug.
In dat hart, zoo vol van het geleden onrecht en van wraakzuchtige plannen, was geen plaats voor liefde geweest. Was dit misschien het begin van eene verandering ten goede? En van wie ging die invloed uit?
Ester had hem een beker aangereikt.... De Egyptische eveneens.
En beiden waren hem gelijktijdig onder de palmen verschenen!
Wie van de twee zal het zijn?
's Morgens na de bacchanaliën in de zaal van het paleis lagen de jonge patriciërs hun roes uit te slapen op den divan. Al stapte Maxentius heden aan wal, al liep alles in de stad uit om den veldheer te ontvangen, al kwam het legioen in groot tenue van den Sulpius, al zou van Nymphaeum tot Omphalus een pracht ontwikkeld worden, die alles wat men tot hiertoe gezien had overtrof, zij zouden blijven liggen zooals zij neergevallen, of door de dienaren neergelegd waren.
Eén maakte echter een uitzondering. Toen het volkomen dag geworden was stond Messala op, nam den krans van zijn hoofd, ten teeken dat het feest beëindigd was, wikkelde zich in zijn mantel, wierp een laatsten blik op zijne makkers, en begaf zich zonder een woord te spreken naar zijn kwartier. Cicero zou niet meer deftigheid de Senaatskamer hebben kunnen verlaten.
Drie uren later traden twee koeriers zijne kamer binnen, en ontvingen uit zijne hand een verzegeld pakje, duplicaten van een brief aan Valerius Gratus, den procurator, die nog steeds in Cesarea woonde. Dat de brieven een spoedige en zekere bezorging vereischten blijkt uit dien maatregel.
De inhoud was als volgt: