Messala groet Gratus.Ik heb u een wonderlijke geschiedenis te verhalen, die, ofschoon zij gedeeltelijk nog slechts een vermoeden is, ongetwijfeld uwe belangstelling in hooge mate zal opwekken.Vergun mij, voordat ik verder ga, uw geheugen een weinig te hulp te komen. Gij herinnert u wellicht vele jaren geleden te Jeruzalem het gezin van een aanzienlijk man, uit het aloude geslacht Hur. Mocht uw geheugen u soms in de steek laten, dan hebt gij, wanneer ik mij niet vergis, een litteeken aan uw hoofd, dat u alles wel weer voor den geest zal kunnen brengen.Maar ter zake. Tot straf van den aanslag op uw leven—mogen ter wille van onze gewetensrust alle goden verhoeden, dat het ooit blijkt een ongeluk geweest te zijn!—tot straf dan werd het geheele gezin in hechtenis genomen, werden korte metten met hen gemaakt, en hunne bezittingen verbeurd verklaard. En daar deze strafdoening onder goedkeuring van onzen keizer geschiedde, die even rechtvaardig was als wijs,—mogen zijne altaren altijd met bloemen versierd zijn! —behoeven wij ons niet te schamen over de sommen, die ons uit die bron toevloeiden, iets, waarvoor ik u nooit dankbaar genoeg zijn kan, gewis niet zoolang ik in het vrije bezit blijf van het aandeel, dat mij werd toegewezen.Voorts herinner ik u de wijze maatregelen, die gij genomen hebt om ons doel te bereiken: het stilzwijgen, en een zekeren maar natuurlijken dood van de betrokken personen.Gij zult u herinneren welke straf gij de moeder en de zuster van den booswicht hebt opgelegd, en indien ik nu vriendelijk verzoek van u te mogen vernemen, of zij nog leven, dan wel of zij gestorven zijn, ben ik te zeer van uwe welwilligheid overtuigd, mijn Gratus, om aan de toezending van een antwoord uwerzijds te twijfelen.Als meer onmiddellijk in verband staande met de zaak, die mij bezighoudt, neem ik intusschen de vrijheid u te herinneren, dat de misdadiger zelf levenslang tot de galeien werd veroordeeld; zoo luidde het bevel. Met eigen oogen las ik het ontvangbewijs van zijn lichaam, geteekend door den bevelhebber van de galei, die hem opnam.Schenk mij nu uw onverdeelde aandacht, voortreffelijke Gratus!Den gewonnen levensduur van een tot de galeien veroordeelde in aanmerking genomen, moest de rechtvaardig gestrafte op zijn minst reeds vijf jaren dood zijn, of beter gezegd, moest een van de drieduizend Oceaniden hem tot echtgenoot genomen hebben. En als gij een oogenblik zwakheid door de vingers wilt zien, o deugdzaamste der menschen, daar ik hem in zijne jeugd beminde en daar hij schoon van aangezicht was (ik had de gewoonte hem mijn Ganymedes te noemen), had hij eigenlijk de allerschoonste dochter van die uitgebreide familie in de armen moeten vallen.In de meening verkeerende dat hij dood was, heb ik volle acht jaren ongestoord genoten van het fortuin, dat ik hem in zeker opzicht te danken heb. Ik erken dat, zonder daarmee evenwel mijne verplichting jegens u te willen verkleinen.Maar hoor nu verder. Toen ik gisteravond een feest leidde van eenige jongelieden, pas van Rome gekomen, vernam ik een zonderlinge geschiedenis. Maxentius, de consul, wordt, zooals gij weet, vandaag hier verwacht, om een veldtocht tegen de Parthen te openen. Onder de eerzuchtigen, die hem wenschen te vergezellen, bevindt zich een zoon van den overleden duumvir Quintus Arrius. Ik had aanleiding om nauwkeurig onderzoek naar hem te doen. Toen Arrius uittoog om de zeerovers te tuchtigen, wier vernietiging hem in hoog aanzien bracht, had hij geen familie. Toen hij van dien tocht terugkeerde, bracht hij een erfgenaam met zich mede. Blijf nu bedaard, gelijk den eigenaar betaamt van zoovele talenten zilvers in gangbare munt ... de zoon en erfgenaam van wien ik spreek is hij, dien gij naar de galeien zondt. Dezelfde Ben-Hur, die reeds lang geleden op de roeiersbank had moeten bezwijken, keerde terug als een man van fortuin, aanzien, misschien zelfs als Romeinsch burger, om zich te ... ziet ge, gij zit te vast om bezorgd te moeten zijn; maar ik, mijn Gratus, ik ben in gevaar ... onnoodig u te zeggen van wat. Wie zou het weten, als gij het niet weet?Zegt gij tot dit alles: o-ho?Toen Arrius, de vader, met de zeerovers slaags raakte, zonk zijn schip. Van de geheele bemanning ontkwamen slechts twee: Arrius zelf, en de bovengenoemde, zijn erfgenaam. Hunne redders verklaarden, dat de jeugdige metgezel van den tribuun het kostuum van een galeislaaf droeg.Mij dunkt dit is overtuigend; maar opdat gij niet weder o-ho! zoudt zeggen, deel ik u mede, dat ik gisteren toevallig den geheimzinnigen zoon van Arrius van aangezicht tot aangezicht gezien heb, en ik verklaar u bij dezen, dat, hoewel ik hem eerst niet herkende, hij dezelfde Ben-Hur is, die jaren geleden mijn speelmakker was, dezelfden Ben-Hur, die, als hij een mannenhart in de borst heeft, in ditzelfde uur op wraak zint, (dat zou ik in zijne plaats ook doen) wraak, die met niets minder dan het leven genoegen neemt; wraak voor zijn vaderland, moeder, zuster, zichzelf en—ik noem 't het laatst, ofschoon gij wellicht zoudt meenen, dat het 't eerst moest genoemd worden—voor zijn verloren fortuin.En nu, mijn weldoener en vriend! mijn Gratus, in aanmerking nemende, dat uwe sestertiën in gevaar verkeeren, wier verlies het ergste is wat iemand van uwen hoogen staat kan overkomen, geloof ik, dat gij niet langer o-ho! zult zeggen, maar ernstig zult gaan overleggen hoe wij hierin hebben te handelen. Ik stel mij, dat spreekt vanzelf, onder uwe bescherming en wacht uwe aanwijzingen.Ik verlustig mij, als ik mij voorstel, hoe gij dezen brief zult ontvangen. Ik zie hoe gij hem eerst met een zeer ernstig gelaat, dan glimlachende, doorloopt, om ten slotte zonder aarzelen kort en bondig uw oordeel uit te spreken.Het is nog vroeg in den morgen. Over een uur zend ik twee boden uit, ieder met een verzegeld afschrift van dezen brief. Een zal over land gaan, de ander over zee. Zoo belangerijk acht ik het, dat gij zoo spoedig mogelijk onderricht zoudt zijn aangaande de verschijning van onzen vijand in dit gedeelte der Romeinsche wereld.Ik zal uw antwoord afwachten.Ben-Hurs gaan en komen zal natuurlijk afhangen van zijn meester, den consul, die, al spant hij zich nog zoo in, niet binnen de maand gereed zal komen. Gij weet wat het zeggen wil een leger te verzamelen en uit te rusten, dat werkdadig op moet treden in een onherbergzaam, woest oord.Gisteren zag ik den Jood in het Park van Daphne, en als hij daar op het oogenblik niet is, dan is hij toch zeker in de buurt, om mij gemakkelijk te maken hem in 't oog te houden. Ja, indien gij mij vraagdet: Waar denkt gij dat hij is? dan zou ik met volle overtuiging zeggen: hij is in het Palmbosch, in de tent van Sheik Ilderim, den verrader, die ons niet veel langer moet mogen trotseeren. Laat het u niet verwonderen, indien Maxentius als eerste krijgsoperatie den Arabier inscheept naar Rome.Ik treed zoo in bijzonderheden omtrent de verblijfplaats van den Jood, omdat het u, verheven man, van nut kan zijn bij het nemen van een besluit ten zijnen opzichte. Zooveel weet ik toch wel, dat bij ieder plan drie gewichtige zaken in het oog moeten gehouden worden: tijd, plaats en middelen.Indien gij oordeelt, dat hier de plaats is, aarzel dan niet de zaak toe te vertrouwen aan uwen hartelijk liefhebbenden vriend, die uw bekwaamste leerling zou wenschen te zijn. Vaarwel!XII. Kal. Jul. Antiochië.
Messala groet Gratus.
Ik heb u een wonderlijke geschiedenis te verhalen, die, ofschoon zij gedeeltelijk nog slechts een vermoeden is, ongetwijfeld uwe belangstelling in hooge mate zal opwekken.
Vergun mij, voordat ik verder ga, uw geheugen een weinig te hulp te komen. Gij herinnert u wellicht vele jaren geleden te Jeruzalem het gezin van een aanzienlijk man, uit het aloude geslacht Hur. Mocht uw geheugen u soms in de steek laten, dan hebt gij, wanneer ik mij niet vergis, een litteeken aan uw hoofd, dat u alles wel weer voor den geest zal kunnen brengen.
Maar ter zake. Tot straf van den aanslag op uw leven—mogen ter wille van onze gewetensrust alle goden verhoeden, dat het ooit blijkt een ongeluk geweest te zijn!—tot straf dan werd het geheele gezin in hechtenis genomen, werden korte metten met hen gemaakt, en hunne bezittingen verbeurd verklaard. En daar deze strafdoening onder goedkeuring van onzen keizer geschiedde, die even rechtvaardig was als wijs,—mogen zijne altaren altijd met bloemen versierd zijn! —behoeven wij ons niet te schamen over de sommen, die ons uit die bron toevloeiden, iets, waarvoor ik u nooit dankbaar genoeg zijn kan, gewis niet zoolang ik in het vrije bezit blijf van het aandeel, dat mij werd toegewezen.
Voorts herinner ik u de wijze maatregelen, die gij genomen hebt om ons doel te bereiken: het stilzwijgen, en een zekeren maar natuurlijken dood van de betrokken personen.
Gij zult u herinneren welke straf gij de moeder en de zuster van den booswicht hebt opgelegd, en indien ik nu vriendelijk verzoek van u te mogen vernemen, of zij nog leven, dan wel of zij gestorven zijn, ben ik te zeer van uwe welwilligheid overtuigd, mijn Gratus, om aan de toezending van een antwoord uwerzijds te twijfelen.
Als meer onmiddellijk in verband staande met de zaak, die mij bezighoudt, neem ik intusschen de vrijheid u te herinneren, dat de misdadiger zelf levenslang tot de galeien werd veroordeeld; zoo luidde het bevel. Met eigen oogen las ik het ontvangbewijs van zijn lichaam, geteekend door den bevelhebber van de galei, die hem opnam.
Schenk mij nu uw onverdeelde aandacht, voortreffelijke Gratus!
Den gewonnen levensduur van een tot de galeien veroordeelde in aanmerking genomen, moest de rechtvaardig gestrafte op zijn minst reeds vijf jaren dood zijn, of beter gezegd, moest een van de drieduizend Oceaniden hem tot echtgenoot genomen hebben. En als gij een oogenblik zwakheid door de vingers wilt zien, o deugdzaamste der menschen, daar ik hem in zijne jeugd beminde en daar hij schoon van aangezicht was (ik had de gewoonte hem mijn Ganymedes te noemen), had hij eigenlijk de allerschoonste dochter van die uitgebreide familie in de armen moeten vallen.
In de meening verkeerende dat hij dood was, heb ik volle acht jaren ongestoord genoten van het fortuin, dat ik hem in zeker opzicht te danken heb. Ik erken dat, zonder daarmee evenwel mijne verplichting jegens u te willen verkleinen.
Maar hoor nu verder. Toen ik gisteravond een feest leidde van eenige jongelieden, pas van Rome gekomen, vernam ik een zonderlinge geschiedenis. Maxentius, de consul, wordt, zooals gij weet, vandaag hier verwacht, om een veldtocht tegen de Parthen te openen. Onder de eerzuchtigen, die hem wenschen te vergezellen, bevindt zich een zoon van den overleden duumvir Quintus Arrius. Ik had aanleiding om nauwkeurig onderzoek naar hem te doen. Toen Arrius uittoog om de zeerovers te tuchtigen, wier vernietiging hem in hoog aanzien bracht, had hij geen familie. Toen hij van dien tocht terugkeerde, bracht hij een erfgenaam met zich mede. Blijf nu bedaard, gelijk den eigenaar betaamt van zoovele talenten zilvers in gangbare munt ... de zoon en erfgenaam van wien ik spreek is hij, dien gij naar de galeien zondt. Dezelfde Ben-Hur, die reeds lang geleden op de roeiersbank had moeten bezwijken, keerde terug als een man van fortuin, aanzien, misschien zelfs als Romeinsch burger, om zich te ... ziet ge, gij zit te vast om bezorgd te moeten zijn; maar ik, mijn Gratus, ik ben in gevaar ... onnoodig u te zeggen van wat. Wie zou het weten, als gij het niet weet?
Zegt gij tot dit alles: o-ho?
Toen Arrius, de vader, met de zeerovers slaags raakte, zonk zijn schip. Van de geheele bemanning ontkwamen slechts twee: Arrius zelf, en de bovengenoemde, zijn erfgenaam. Hunne redders verklaarden, dat de jeugdige metgezel van den tribuun het kostuum van een galeislaaf droeg.
Mij dunkt dit is overtuigend; maar opdat gij niet weder o-ho! zoudt zeggen, deel ik u mede, dat ik gisteren toevallig den geheimzinnigen zoon van Arrius van aangezicht tot aangezicht gezien heb, en ik verklaar u bij dezen, dat, hoewel ik hem eerst niet herkende, hij dezelfde Ben-Hur is, die jaren geleden mijn speelmakker was, dezelfden Ben-Hur, die, als hij een mannenhart in de borst heeft, in ditzelfde uur op wraak zint, (dat zou ik in zijne plaats ook doen) wraak, die met niets minder dan het leven genoegen neemt; wraak voor zijn vaderland, moeder, zuster, zichzelf en—ik noem 't het laatst, ofschoon gij wellicht zoudt meenen, dat het 't eerst moest genoemd worden—voor zijn verloren fortuin.
En nu, mijn weldoener en vriend! mijn Gratus, in aanmerking nemende, dat uwe sestertiën in gevaar verkeeren, wier verlies het ergste is wat iemand van uwen hoogen staat kan overkomen, geloof ik, dat gij niet langer o-ho! zult zeggen, maar ernstig zult gaan overleggen hoe wij hierin hebben te handelen. Ik stel mij, dat spreekt vanzelf, onder uwe bescherming en wacht uwe aanwijzingen.
Ik verlustig mij, als ik mij voorstel, hoe gij dezen brief zult ontvangen. Ik zie hoe gij hem eerst met een zeer ernstig gelaat, dan glimlachende, doorloopt, om ten slotte zonder aarzelen kort en bondig uw oordeel uit te spreken.
Het is nog vroeg in den morgen. Over een uur zend ik twee boden uit, ieder met een verzegeld afschrift van dezen brief. Een zal over land gaan, de ander over zee. Zoo belangerijk acht ik het, dat gij zoo spoedig mogelijk onderricht zoudt zijn aangaande de verschijning van onzen vijand in dit gedeelte der Romeinsche wereld.
Ik zal uw antwoord afwachten.
Ben-Hurs gaan en komen zal natuurlijk afhangen van zijn meester, den consul, die, al spant hij zich nog zoo in, niet binnen de maand gereed zal komen. Gij weet wat het zeggen wil een leger te verzamelen en uit te rusten, dat werkdadig op moet treden in een onherbergzaam, woest oord.
Gisteren zag ik den Jood in het Park van Daphne, en als hij daar op het oogenblik niet is, dan is hij toch zeker in de buurt, om mij gemakkelijk te maken hem in 't oog te houden. Ja, indien gij mij vraagdet: Waar denkt gij dat hij is? dan zou ik met volle overtuiging zeggen: hij is in het Palmbosch, in de tent van Sheik Ilderim, den verrader, die ons niet veel langer moet mogen trotseeren. Laat het u niet verwonderen, indien Maxentius als eerste krijgsoperatie den Arabier inscheept naar Rome.
Ik treed zoo in bijzonderheden omtrent de verblijfplaats van den Jood, omdat het u, verheven man, van nut kan zijn bij het nemen van een besluit ten zijnen opzichte. Zooveel weet ik toch wel, dat bij ieder plan drie gewichtige zaken in het oog moeten gehouden worden: tijd, plaats en middelen.
Indien gij oordeelt, dat hier de plaats is, aarzel dan niet de zaak toe te vertrouwen aan uwen hartelijk liefhebbenden vriend, die uw bekwaamste leerling zou wenschen te zijn. Vaarwel!
XII. Kal. Jul. Antiochië.
Ongeveer op hetzelfde oogenblik, dat de koeriers met de brieven Messala's woning verlieten, trad Ben-Hur Ilderims tent binnen. Hij had een bad genomen in het meer, vervolgens ontbeten, en verscheen nu in een korte Romeinsche tunica zonder mouwen.
De Sheik groette hem van den divan.
—Vrede zij u, zoon van Arrius, zeide hij, terwijl zijn oog met bewondering op den jongeling rustte, die in het volle bewustzijn van kracht en macht voor hem stond. De paarden zijn gereed. Ik ben gereed. En gij?
—Den vrede, dien gij mij toewenscht, bid ik u wederkeerig toe, goede Sheik. Ik dank u voor zooveel welwillendheid. Ik ben gereed.
Ilderim klapte in zijn handen.
—Ik zal de paarden hier laten komen. Zet u neder.
—Zijn zij reeds opgetuigd?
—Neen.
—Vergun mij dan, Sheik, dat ik het zelf doe. Het is noodig, dat ik kennis maak met uwe Arabieren. Ik moet ze bij name kennen, zoodat ik tegen ieder in 't bijzonder spreken kan. Ook moet ik hun aard leeren kennen, daar het met hen is als met de menschen: zijn zij overmoedig, niets beter dan een bestraffing; zijn zij schuchter, niets beter dan lof en aanmoediging. Laat de dienaren mij het tuig brengen.
—En den wagen? vraagde de Sheik.
—Vandaag niet. Geef mij liever een vijfde paard. Het moet even vlug zijn als de andere.
Ilderim keek hem verwonderd aan; maar zonder opheldering te vragen riep hij een der slaven.
—Laat hen het tuig voor de vier brengen, en den teugel voor Sirius, beval hij.
Toen stond de Sheik op en zeide tot Ben-Hur: Sirius is mijn lieveling en ik ben de zijne, zoon van Arrius. Sedert twintig jaren zijn wij kameraden —in de tent, in den strijd, op alle pleisterplaatsen der woestijn. Ik zal hem u laten zien.
Hij ging naar het gordijn, schoof het weg, en liet Ben-Hur binnentreden. De paarden kwamen gezamelijk tot hem. Een van hen, met een kleinen kop, levendige oogen, sierlijk gewelfden nek, breede borst, manen als vrouwenlokken zoo zacht en golvend, hinnikte vroolijk, zoodra hij Ilderim zag.
—Goed dier, zeide de Sheik, den donkerbruinen kop streelend. Goed dier, goeden morgen!—en zich daarop tot Ben-Hur keerende, voegde hij er bij: Dat is Sirius, de vader van de vier anderen. Mira, de moeder, wacht op onze terugkomst, daar zij te kostbaar is om aan de gevaren der reis te worden blootgesteld. Daarenboven betwijfel ik zeer, zoon van Arrius, of de stam hare afwezigheid zou kunnen verdragen. Zij is hun trots. Zij vereeren haar. Indien zij over hunne lichamen wilde galoppeeren zouden zij lachen. Tienduizend ruiters, zonen der woestijn, zullen vandaag vragen: Hebt gij ook iets van Mira gehoord? en op het antwoord: Zij is welvarend, zullen zij zeggen: God is goed! God zij geloofd!
—Mira, Sirius, namen van sterren, is het zoo niet, Sheik? vraagde Ben-Hur, terwijl hij eerst de vier en toen den vader liefkoosde.
—En waarom niet? antwoordde Ilderim. Hebt gij wel eens een nacht in de woestijn onder den blooten hemel doorgebracht?
—Neen.
—Dan kunt gij ook niet beseffen hoe wij, Arabieren, van de sterren afhankelijk zijn. Uit dankbaarheid geven wij hare namen aan onze lievelingspaarden. Al mijne voorvaderen hadden hunne Mira's, zooals ik de mijne heb. Deze kinderen doen eveneens aan sterren denken. Die daar is Rigel, en deze is Antares; ginds is Atair, en die, waar gij juist naar toe gaat, is Aldebaran, de jongste van de kroost; maar wie ooit het onderspit mocht delven, niet hij! Tegen den wind in zou hij u dragen, totdat gij duizelt. Hij zal gaan waar gij dat verlangt, zoon van Arrius, ja, bij de heerlijkheid van Salomo! indien gij het zoudt durven bestaan, hij zou u brengen tot in de kaken van den leeuw.
Het tuig werd gebracht. Met eigen hand legde Ben-Hur den paarden het gebit in den mond. Met eigen hand leidde hij hen buiten de tent, en ordende de teugels.
—Breng mij Sirius, zeide hij.
Met één sprong zat hij op den rug van het paard. Een Arabier zou hem dat niet hebben kunnen verbeteren.
—En de teugels!
Men gaf ze hem.
—Goede Sheik, zeide hij, ik ben gereed. Laat een gids voor mij uit gaan, om mij het veld te wijzen, en zend eenige mannen met water.
Het afrijden geschiedde zonder eenige moeite. De paarden waren niet schrikachtig. Het scheen alsof een stilzwijgende overeenkomst bestond tusschen hen en den nieuwen menner, die met de grootste kalmte en zekerheid optrad.
Hij hield zich geheel aan de gewone orde bij het rijden, behalve dat hij Sirius bereed, in plaats van in een wagen te staan. Ilderim glimlachte met voldoening en zeide zacht: Dat is geen Romein, neen, waarlijk niet!
Hij volgde te voet. Al de tentbewoners sloten zich bij hem aan, mannen, vrouwen, kinderen, allen met de grootste belangstelling vervuld voor de dingen, die komen zouden.
Het veld bleek ten volle voor de dressuur geschikt te zijn. Ben-Hur liet het vierspan eerst langzaam en in rechte lijnen rijden, daarna in steeds wijder wordende cirkels. Vervolgens liet hij hen in draf loopen, daarna in galop. Eindelijk maakte hij de cirkels kleiner en kleiner, en tot besluit liet hij zijn gespan op de meest willekeurige wijze draven, nu hier, dan daar, rechts, links, voorwaarts, zonder een oogenblik oponthoud. Zoo ging een uur voorbij. Toen reed hij stapvoets naar Ilderim.
—Het is afgeloopen; nu niets dan geregelde oefening, zeide hij. Ik wensch u geluk, Sheik Ilderim, dat gij zulke dienaren hebt. Zie, vervolgde hij, terwijl hij afsteeg en op de paarden wees, zie, hun huid is nog even glanzig, hun adem even licht, als toen ik begon. Ik wensch u van harte geluk! Er zou heel wat moeten gebeuren, indien wij niet de overwinning behalen en onze....
Hij hield op, bloosde, boog. Zijn oog had Balthasar ontdekt, die met twee dicht gesluierde vrouwen in de nabijheid stond. Eene van die meende hij te herkennen ... ja, dacht hij, zij is het, de Egyptische!
Ilderim vervolgde den afgebroken volzin. De overwinning en onze wraak! Zoon van Arrius, ik ben niet langer bevreesd. Ik ben blijde. Gij zijt de man. Zij het einde gelijk het begin, en gij zult ervaren wat in de hand eens Arabiers verborgen is, die de middelen bezit om te beloonen.
—Ik dank u, goede Sheik, hernam Ben-Hur op bescheiden toon. Laat nu de bedienden water brengen voor de paarden.
Met eigen hand liet hij ze drinken. Toen gesteeg hij Sirius weder en zette de oefening voort; evenals te voren van stappen tot draven, van draven tot galoppeeren overgaande, om hen eindelijk met lossen teugel in vollen ren over het veld te laten vliegen.
Het was voor de toeschouwers een waar genot. Luide toejuichingen vielen den kundigen menner ten deel, die zijn vierspan tot zoo volmaakte eenheid wist te brengen, zonder dat het de dieren eenige inspanning scheen te kosten.
Midden onder de oefeningen verscheen Malluch op het tooneel. Hij zocht den Sheik. Ik heb een boodschap voor u, Sheik, zeide hij, gebruik makende van een rustig oogenblik, een boodschap van Simonides, den koopman.
—Simonides, riep de Arabier. Ah! 't is wel. Moge Abaddon al zijne vijanden vernietigen!
—Hij droeg mij op u dezen brief te geven, met het verzoek hem dadelijk te lezen.
Ilderim verbrak het zegel van het pakje, dat Malluch hem overhandigde, en nam twee brieven uit een omslag van fijn linnen.
N°. 1.
SIMONIDES AAN SHEIK ILDERIM HEIL!Mijn vriend! Wees vóór alle dingen verzekerd, dat gij eene plaats in het binnenste mijns harten inneemt.Vervolgens: In uw dowar bevindt zich een jongmensch met een zeer gunstig voorkomen, die zich de zoon van Arrius noemt. Dat is hij door aanneming. Hij is mij zeer lief. Hij heeft een veelbewogen leven achter zich, waaruit ik u enkele bijzonderheden zal meedeelen. Kom morgen of overmorgen, opdat ik u die geschiedenis vertelle, en uwen raad inwinne.Willig intusschen al zijne verzoeken in voor zoover zij niet strijden tegen de eer. Moeten er onkosten gemaakt worden, ik sta voor alles in. Verzwijg, dat ik in den jongeling belang stel.Breng mij in herinnering bij uwen anderen gast. Hij, zijne dochter, gijzelf en allen, die gij in uw gevolg wenscht mede te brengen, zullen mijne gasten zijn op den dag der wedrennen. Ik heb reeds plaatsen besproken.U en al den uwen vrede!Hoe zou ik mij anders kunnen noemen, mijn vriend, dan uw vriend?
SIMONIDES AAN SHEIK ILDERIM HEIL!
Mijn vriend! Wees vóór alle dingen verzekerd, dat gij eene plaats in het binnenste mijns harten inneemt.
Vervolgens: In uw dowar bevindt zich een jongmensch met een zeer gunstig voorkomen, die zich de zoon van Arrius noemt. Dat is hij door aanneming. Hij is mij zeer lief. Hij heeft een veelbewogen leven achter zich, waaruit ik u enkele bijzonderheden zal meedeelen. Kom morgen of overmorgen, opdat ik u die geschiedenis vertelle, en uwen raad inwinne.
Willig intusschen al zijne verzoeken in voor zoover zij niet strijden tegen de eer. Moeten er onkosten gemaakt worden, ik sta voor alles in. Verzwijg, dat ik in den jongeling belang stel.
Breng mij in herinnering bij uwen anderen gast. Hij, zijne dochter, gijzelf en allen, die gij in uw gevolg wenscht mede te brengen, zullen mijne gasten zijn op den dag der wedrennen. Ik heb reeds plaatsen besproken.
U en al den uwen vrede!
Hoe zou ik mij anders kunnen noemen, mijn vriend, dan uw vriend?
N°. 2.
SIMONIDES AAN SHEIK ILDERIM HEIL!Mijn vriend! uit mijne rijke ervaring zend ik u een waarschuwend woord.Er is iets dat allen, die niet Romeinen zijn en die geld en goed bezitten, als waarschuwing beschouwen, dat is: De komst met volmacht van den eenen of anderen hooggeplaatsten Romein.Heden komt de consul Maxentius. Wees gewaarschuwd.Een woord van raad.Zal een samenzwering tegen u gelukken, dan moeten de Herodianen van de partij zijn. Gij hebt groote bezittingen op hun grondgebied. Daarom, wees op uwe hoede.Zend hedenmorgen een boodschap aan uw getrouwe wachters langs de wegen, die van Antiochië naar het zuiden voeren, en beveel hun iederen gaanden en komenden koerier te onderzoeken. Vinden zij vertrouwelijke mededeelingen aangaande u of uwe zaken, dat zij ze u dan ter inzage zenden.Gij moest dit reeds gisteren ontvangen hebben, maar het is nog niet te laat, indien gij onmiddellijk handelt. Al hebben heden morgen koeriers Antiochië verlaten, uwe boodschappers kennen de bijwegen, en kunnen hen vóór zijn. Aarzel niet. Verbrand dit na lezing.
SIMONIDES AAN SHEIK ILDERIM HEIL!
Mijn vriend! uit mijne rijke ervaring zend ik u een waarschuwend woord.
Er is iets dat allen, die niet Romeinen zijn en die geld en goed bezitten, als waarschuwing beschouwen, dat is: De komst met volmacht van den eenen of anderen hooggeplaatsten Romein.
Heden komt de consul Maxentius. Wees gewaarschuwd.
Een woord van raad.
Zal een samenzwering tegen u gelukken, dan moeten de Herodianen van de partij zijn. Gij hebt groote bezittingen op hun grondgebied. Daarom, wees op uwe hoede.
Zend hedenmorgen een boodschap aan uw getrouwe wachters langs de wegen, die van Antiochië naar het zuiden voeren, en beveel hun iederen gaanden en komenden koerier te onderzoeken. Vinden zij vertrouwelijke mededeelingen aangaande u of uwe zaken, dat zij ze u dan ter inzage zenden.
Gij moest dit reeds gisteren ontvangen hebben, maar het is nog niet te laat, indien gij onmiddellijk handelt. Al hebben heden morgen koeriers Antiochië verlaten, uwe boodschappers kennen de bijwegen, en kunnen hen vóór zijn. Aarzel niet. Verbrand dit na lezing.
Ilderim las en herlas de brieven, bergde ze weder in den linnen omslag en stak het pak tusschen zijn gordel.
De oefeningen in het veld waren bijna beëindigd. Zij hadden in 't geheel ongeveer twee uren geduurd. Na den afloop reed Ben-Hur stapvoets naar de plek, waar Ilderim zich bevond.
—Als gij het goedvindt, Sheik, zeide hij, zal ik uwe Arabieren naar de tent terugbrengen, en dezen middag weer met hen rijden.
—Gij moogt tot na de wedrennen naar welgevallen over hen beschikken, zoon van Arrius. Gij hebt in twee uren meer van hen gedaan gekregen, dan de Romein—mogen de jakhalzen zijne beenderen afknagen!—in even zoovele weken. Wij zullen winnen!
Ben-Hur bleef bij de paarden, totdat zij naar behooren verzorgd waren. Toen nam hij een bad in het meer, dronk een beker arak met den Sheik, die bijzonder opgewekt was, kleedde zich weder naar Joodsch gebruik, en wandelde met Malluch naar een schaduwrijke plek.
Veel werd tusschen die beiden besproken, maar daar niet alles voor ons van belang is, zullen wij slechts bij één punt stilstaan.
—Ik zal u een brief meegeven aan den herbergier bij de Seleusische brug, zeide Ben-Hur. Daar is mijn goed. Bezorg het mij vandaag nog, als gij kunt. En, goede Malluch, indien het niet te veel van u gevergd is....
Malluch verklaarde zich volkomen bereid, om hem in alles van dienst te zijn.
—Dank, Malluch, dank. Ik houd u aan dat woord, mij herinnerende dat wij broeders zijn van één stam, en dat de vijand een Romein is. Daarenboven zijt gij een man van zaken, hetgeen naar ik vrees Sheik Ilderim niet is.
—Arabieren zijn dat zelden.
—Neen, en hoe slim zij ook zijn mogen, het is toch goed zelf de dingen na te zien. Om dus te zorgen, dat bij de wedrennen alles volkomen naar recht gaat, zoudt gij mij veel genoegen doen door naar het bureau van den circus te gaan en te zien, of de Sheik aan alle verplichtingen voldaan heeft. Indien gij een afschrift van de bepalingen kunt krijgen, zou mij dat zeer aangenaam zijn. Ik zou gaarne willen weten welke kleur ik dragen moet, en wat het nummer is van mijn stal. Is hij naast dien van Messala, dan is het goed. Zoo niet, tracht dan een ruiling te bewerkstelligen, zoodat ik naast den Romein kom. Hebt gij een goed geheugen, Malluch?
—Het heeft mij wel eens in de steek gelaten, zoon van Arrius, maar nooit wanneer het hart mij te hulp kwam, zooals nu.
—Dan wil ik het er op wagen u nog met iets anders te belasten. Ik zag gisteren, dat Messala trotsch was op zijn wagen, en met recht, want die van den keizer zijn nauwelijks mooier. Kunt gij dat niet tot een voorwendsel nemen om hem van nabij te bekijken, en te onderzoeken of hij licht of zwaar is? Ik zou gaarne nauwkeurig zijn gewicht en afmetingen hebben, en, Malluch, al moest al het andere er bij inschieten, zorg dat gij mij precies kunt opgeven, hoe hoog de as boven de grond is. Hebt gij het goed begrepen, Malluch? Ik wil niet dat de Romein iets boven mij voor heeft. Om zijn pracht geef ik niets. Als ik win zal die zijn val te zwaarder en mijn zegepraal te grooter maken. Heeft hij echter iets, dat van een gewonen wagen verschilt, dan moet ik het weten.
—Ik begrijp u, zeide Malluch. Ik moet met een touw de hoogte van het middelpunt der as tot aan den grond meten.
—Juist. Dat is alles. Laat ons nu naar den dowar terugkeeren.
Vóór de tent vonden zij een bediende, die hun een verfrisschenden drank aanbood, waar zij zich heerlijk aan te goed deden. Kort daarop keerde Malluch naar de stad terug.
Gedurende hunne afwezigheid had de Sheik een zijner Arabieren, als koerier, naar zijne wachters afgezonden met de orders, die Simonides hem aan de hand gedaan had. Zekerheidshalve had hij alleen een mondelinge boodschap meegegeven.
—Iras, de dochter van Balthasar, zendt mij met een groet en een boodschap, zeide een bediende tot Ben-Hur, die het zich in de tent gemakkelijk had gemaakt.
—Geef mij de boodschap.
—Zij vraagt of gij haar bij een roeitochtje op het meer zoudt willen vergezellen?
—Ik zal zelf het antwoord brengen. Zeg haar dat.
Hij kleedde zich haastig en was binnen weinige oogenblikken gereed, om zich naar de schoone Egyptische te begeven.
De avond begon reeds te vallen. De bergen wierpen hunne schaduw over het Palmbosch. In de verte hoorde men het getjingel van de belletjes der schapen, het loeien van het vee, en de stemmen der herders, die de kudden huiswaarts dreven. Sheik Ilderim had ook de middagoefeningen bijgewoond, daarna was hij naar de stad gegaan, ingevolge de uitnoodiging van Simonides. Het was mogelijk dat hij vóór den nacht terugkwam, maar niet waarschijnlijk. Ben-Hur was dus alleen en vrij om te gaan spelevaren op het meer.
Aan de kleine trap van de aanlegplaats gekomen bleef hij op de bovenste trede staan, getroffen door hetgeen hij zag. Daar lag op het spiegelgladde water een sierlijke, ranke boot. Een Ethiopiër, de kameeldrijver, dien wij reeds bij de Castaliabron gezien hebben, zat op de roeiersbank. Zijn gitzwarte huid stak sterk af tegen het sneeuwwit zijner kleeding. De achtersteven van het bootje was met kussens en tapijten van Tyrische roode stof belegd. De Egyptische zat aan het roer, als weggezonken in doorzichtige sluiers en Indische sjaals. Hare onberispelijk schoon gevormde armen waren onbedekt, schouders en hals door een dunnen zijden doek tegen de avondlucht beveiligd. Als Ben-Hur den indruk, dien de schoone Iras op hem maakte, onder woorden had moeten brengen, zou hij waarschijnlijk geantwoord hebben met de woorden van den koninklijken zanger: Uwe lippen zijn gelijk een scharlaken rooden draad; uwe slapen zijn gelijk een stuk granaatappel in uwe lokken. Sta op, mijne liefste, mijne schoone, kom hierheen; want zie! de winter is voorbij gegaan, de regentijd is over; de bloemen ontluiken op de aarde; de tijd der zangvogels is gekomen, en de stem der tortelduiven wordt in het land gehoord....
—Kom, zeide zij, ziende dat hij staan bleef. Kom, of ik zou denken dat gij een slecht zeeman zijt.
Hij werd verlegen. Wist zij iets van zijn leven op zee? Hij daalde snel naar beneden en zette zich op de ledige plaats tegenover haar.
—Ik was bang voor....
—Waarvoor?
—Dat ik de boot zou doen zinken, antwoordde hij glimlachend.
—Wacht daarmee totdat wij in dieper vaarwater zijn, zeide zij, en gaf den Ethiopiër een wenk om van wal te steken.
Indien Ben-Hur wars van alle zachtere gevoelens geweest was, dan zou hij het nu toch hard te verantwoorden hebben gehad. De Egyptische was zoo gezeten, dat hij haar altijd zien moest, haar, die hij reeds in zijne gedachten met Sulamith vergeleken had. Met die stralende oogen op hem gericht zou hij de sterren, indien zij wegbleven, niet eens missen. De nacht mocht zijn donkeren sluier over het aardrijk uitspreiden, haar blik zou hem tot eene verlichting zijn. En voorts, dat de verbeelding nooit vrijer haar spel kan spelen, dan wanneer men jong van hart in aangenaam gezelschap zachtkens voortglijdt over het water op een zoelen zomeravond en onder liefelijk stargeflonker—wie zal het ontkennen? Het is zoo gemakkelijk alsdan onmerkbaar uit het alledaagsche in het ideale over te gaan.
—Geef mij het roer, zeide hij.
—Neen, antwoordde zij, dat ware de verhouding omkeeren. Verzocht ik u niet met mij te gaan varen? Ik sta bij u in de schuld en wensch met de betaling te beginnen. Gij moogt spreken en ik zal luisteren, of ik zal spreken en gij zult luisteren. De keuze is aan u; maar ik zal bepalen waarheen wij gaan.
—En waarheen dan?
—Alweer bang?
—O schoone Egyptische, ik deed u slechts de eerste vraag van iederen gevangene.
—Noem mij Egypte.
—ik zou u liever Iras noemen.
—Onder dien naam moogt gij aan mij denken, maar noem mij liever Egypte.
—Egypte is een land.
—Ja, ja, en welk een land!
—Ha! wij varen dus naar Egypte!
—Was dàt waar! Wat zou ik blijde zijn, zeide zij met een zucht.
—Gij geeft dus niets om mij?
—O, nu zie ik, dat gij er nooit geweest zijt.
—Neen, nooit.
—Egypte is het land waar geen ongelukkigen zijn, het heerlijkste land van de gansche aarde, de moeder van al de goden, en daarom bovenmate gezegend. Daar, zoon van Arrius, daar ontvangt de gelukkige steeds vermeerdering van geluk, terwijl de ellendigen, al drinken zij slechts eenmaal van het water der heilige rivier, lachen en juichen, als kinderen zoo blij.
—Zijn de armen daar dan anders dan overal elders?
—De armsten in Egypte hebben de minste behoeften. Zij verlangen alleen genoeg te hebben; verder gaan hunne wenschen niet. En hoe weinig dat is, kan een Griek of Romein niet beseffen.
—Maar ik ben noch Griek noch Romein.
Iras lachte.
—Ik heb een tuin vol rozen, zeide zij. In het midden staat een boom, die alle andere in rijkdom van bloei overtreft. Waar denkt gij, dat hij vandaan kwam?
—Uit Perzië, het vaderland der rozen.
—Neen.
—Uit Indië dan.
—Neen.
—Dan van een der Grieksche eilanden.
—Ik zal het u vertellen, zeide zij. Een reiziger vond hem, kwijnende aan den weg op de vlakte van Rephaïm.
—O, in Juda!
—Ik plantte hem in den pas door den Nijl overstroomden bodem. De zuidenwindjes speelden door zijne takken en kweekten hem op, de zon kuste hem vol medelijden ... toen kon het niet anders, of hij moest groeien en bloeien. Nu sta ik in zijne schaduw en beloont hij mij door zijn liefelijke geuren voor de moeite, die ik mij voor hem gegeven heb. Zoo de rozen, zoo ook de mannen van Israël. Waar zullen zij tot volmaaktheid komen, anders dan in Egypte?
—Mozes was slechts één uit millioenen.
—Neen, er was een droomenuitlegger. Vergeet gij dien?
—De vriendelijke Pharao's zijn dood.
—O ja, de rivier, aan wier oever zij woonden, zingt hun een slaaplied toe in hunne graven. Nochtans schijnt dezelfde zon over hetzelfde volk.
—Alexandrië is een Romeinsche stad.
—Zij heeft slechts van schepter verwisseld. Cesar ontnam haar dien van het zwaard, en gaf haar in ruil dien van de wetenschap. Ga met mij naar het Brucheium en ik zal u de wijsheid der volken toonen; naar het Serapeion en gij aanschouwt het volmaakte in de bouwkunde; naar de Bibliotheek, en gij kunt de onsterfelijken lezen; naar den Schouwburg, waar de helden der Grieken en Hindoe's voor u ten tooneele worden gevoerd; naar de kade, waar gij den handel in zijn glorie kunt zien. Doorwandel de straten met mij, zoon van Arrius, als de avond gedaald is, en gij zult de verhalen hooren, die de menschen sedert onheugelijke tijden vermaakt hebben, en de liederen, die nimmer, nimmer zullen sterven.
Onder het luisteren werd Ben-Hur in gedachten teruggevoerd naar dien laatsten avond in het ouderlijk huis te Jeruzalem, toen zijne moeder met niet minder geestdrift over Israëls verdwenen grootheid gesproken had.
—Nu begrijp ik waarom gij wildet, dat ik u Egypte zou noemen. Wilt gij mij een lied zingen, als ik u bij dien naam noem? Ik heb u gisteravond beluisterd.
—Dat was een lofzang aan den Nijl, antwoordde zij, een klaagzang, dien ik aanhef, als ik mij verbeeld den adem der woestijnen te ruiken, en den golfslag van den dierbaren ouden stroom te hooren. Laat ik u liever iets geven in Indiaanschen trant. Als wij in Alexandrië komen, zal ik u brengen naar den hoek der straat, waar gij het eene dochter van de Ganges kunt hooren zingen.
En met een stem, zoo liefelijk, dat ook de ongevoeligste naar haar zou hebben moeten luisteren, zong Iras haar lied.
Toen zij beëindigd had en Ben-Hur haar zijnen dank wilde betuigen, schuurde de boot over het zand en liep op den oever.
—Dat is een korte reis naar Egypte! riep de jonkman.
—En een nog korter oponthoud! antwoordde zij, toen de Ethiopiër met een krachtigen stoot het vaartuig weeder vlot maakte.
—Nu zult gij mij toch het roer geven.
—O neen, zeide zij lachende. Voor u de wagen, voor mij de boot. Wij zijn aan den uithoek van het meer. Ik zie wel dat ik niet te gelijk sturen en zingen moet. Daar wij in Egypte geweest zijn, willen wij nu naar het Park van Daphne gaan.
—En geen liedje om den weg te korten? vraagde hij smeekend.
—Vertel mij iets van den Romein, tegen wien gij vandaag zoo flink optrad, vraagde zij.
Die vraag deed Ben-Hur onaangenaam aan.
—Ik wenschte dat dit de Nijl was, zeide hij ontwijkend. De koningen en koninginnen, die zoolang geslapen hebben, moesten uit hunne graven komen en met ons varen.
—Zij behoorden tot de kolossen en zouden onze boot doen zinken. De dwergen zouden verkieslijker zijn. Maar vertel mij nu iets van den Romein. Hij is een slecht mensch, niet waar?
—Dat kan ik u niet zeggen.
—Stamt hij uit een adellijk geslacht, en is hij rijk?
—Ik kan niet over zijn rijkdom oordeelen.
—Wat had hij mooie paarden! En zijn wagen! Het binnenste was verguld en de wielen waren van ivoor. En wat is hij vermetel! Het volk lachte toen hij wegreed, en hij had ze toch bijna overreden.
Zij lachte bij de herinnering.
—Ja, wat een volk! zeide Ben-Hur bitter.
—Hij behoort zeker tot de monsters, die in Rome opgroeien—Apollo's, roofgierig als Cerberus. Woont hij in Antiochië?
—Misschien wel.
—Egypte zou hem beter lijken dan Syrië.
—Bezwaarlijk, antwoordde Ben-Hur. Cleopatra is dood.
Op dat oogenblik kregen zij de brandende lampen voor de deur der tent in 't gezicht.
—De dowar! riep Iras.
—Dus zijn wij niet in Egypte geweest. Ik heb Karnak, noch Philae, noch Abydos gezien. Dit is niet de Nijl. Ik heb slechts een lied uit Indië gehoord en ben in den droom uit spelevaren geweest.
—Philae, Karnak. Betreur liever dat gij Ramses te Aboo Simbul niet gezien hebt. Als men daar naar kijkt valt het zoo gemakkelijk aan God te denken, den Schepper van hemel en aarde. Maar waarom zoudt gij treuren? Laat ons de rivier opvaren, en al kan ik dan niet zingen, omdat ik gezegd heb, dat ik het niet meer doen zou, ik kan u toch van Egypte vertellen.
—Ja, doe dat. Ga voort totdat de morgen aanbreekt en de avond en de volgende morgen! zeide Ben-Hur hartstochtelijk.
—Waarover zal ik vertellen? Over de wiskunstenaars?
—O neen.
—Over de wijsgeren?
—Neen, neen.
—Over de toovenaars en sterrenwichelaars?
—Dat zou kunnen.
—Over den oorlog?
—Ja.
—Over de liefde?
—Ja.
—Ik zal u een middel tegen de liefde aan de hand doen. Het is de geschiedenis van een koningin. Luister aandachtig. De papyrusrol, waaraan het verhaal ontleend werd, is aan de hand der heldin zelve ontwrongen. Het moet een ware gebeurtenis zijn.
NENEHOFRAVele honderden jaren geleden woonde te Essouan een meisje, zoo bekoorlijk, dat de natuur zelve zich over haar verheugde. Als zij voorbijging klapwiekten de vogeltjes om haar te begroeten, hieven de witte lotusbloemen zich op uit het water om haar te aanschouwen, vertraagde de stroom zijnen loop, wuifden de palmen hunne pluimen. Zij schenen te zeggen, de een: ik deelde haar mee van mijn vroolijkheid; de ander: ik van mijne reinheid; een derde: ik van mijne bevalligheid.Op twaalfjarigen leeftijd was Nenehofra het sieraad van Essouan. Toen zij zestien was, sprak men door het gansche land over hare schoonheid, en toen zij twintig was ging er geen dag voorbij, die niet vorsten der woestijn op snelle kemelen en aanzienlijke Egyptenaren in vergulde barken voor hare deur bracht. Die allen echter gingen ongetroost heen en vertelden overal: Ik heb haar gezien. Dat is geen sterflijke vrouw, maar Hathor zelve.De koning van het land was de grijze Oretes. Hij had den leeftijd van hondertien jaren bereikt. Zesenenzeventig jaren had hij over Egypte geregeerd. Onder zijn verstandig bestuur waren land en volk tot groote welvaart gekomen. Hij woonde te Memphis, waar hij zijn schoonste paleis en arsenalen had. De vrouw van den goeden koning stierf. Daar hij haar zeer had liefgehad treurde en weeklaagde hij over haar en was ontroostbaar. Een hoveling, die dat opmerkte, waagde op zekeren dag tot hem te zeggen: Koning Oretes, het verwondert mij dat iemand, zoo wijs en groot, niet zou weten hoe men een droefheid als deze kan genezen. Zeg mij hoe, zeide de koning. De hoveling kuste driemaal den grond en antwoordde, wel wetende dat de doode hem niet kon hooren: Te Essouan woont Nenehofra, zoo schoon als de schoone Hathor zelve. Ontbied haar. Zij heeft alle vorsten afgewezen, en ik weet niet hoevele koningen; maar wie kan neen zeggen tot Oretes?Nenehofra zakte met een talrijk gevolg den Nijl af naar Memphis. Toen de koning haar zag deed hij haar naast zich zitten op zijnen troon, deed den uraeus om haren arm, kuste haar, en maakte haar tot koningin. Dat was den wijzen Oretes niet genoeg. Hij smachtte naar liefde, en verlangde een koningin, die hem gelukkig gevoelde in zijne liefde. Hij behandelde haar met groote tederheid, toonde haar al wat hij bezat, leidde haar door zijne schatkameren en zeide: O Nenehofra, geef mij één kus uit liefde en dit alles is het uwe.Denkende dat zij mettertijd gelukkig zou zijn,—was zij het al niet reeds?—kuste zij hem twee-, driemaal in weerwil van zijne honderden jaren.In het eerste jaar voelde zij zich gelukkig, en dat vloog om. In het derde jaar was zij rampzalig, en het kroop voorbij. Toen gingen haar de oogen open: wat zij voor liefde had aangezien was machtsbegoocheling geweest. Ach, had die begoocheling mogen voortduren!Zij werd droefgeestig. Zij stortte vele tranen. Haar lach verstomde. De rozen op haar wangen verbleekten. Zij kwijnde langzaam maar zeker weg. Geen middelen baatten, noch van toovenaars, noch van geneesheeren. Nenehofra werd als hopeloos opgegeven.Oretes koos een crypt voor haar uit in de graven der koninginnen, en riep de voornaamste beeldhouwers en schilders naar Memphis, om de crypt zoo prachtig mogelijk te versieren.—O gij, schoon als Hathor zelf, mijn koningin! zeide Oretes, zeg mij, bid ik u, wat u deert, want ik zie u voor mijne oogen wegsterven.—Gij zoudt mij niet meer liefhebben, als ik het u zeide, luidde haar antwoord.—U niet liefhebben? Ik zal er u te liever om hebben. IK zweer het bij het oog van Osiris. Spreek!—Nu dan, zeide zij. In een spelonk bij Essouan woont een anachoreet, de oudste en heiligste van allen. Zijn naam is Menopha. Hij was mijn leermeester. Hij zal u zeggen wat gij verlangt te weten, en u het middel aan de hand doen om mij te genezen. Ontbied hem.—Spreek, zeide Oretes tot Menopha in het paleis te Memphis. En Menopha antwoordde: Machtige koning, als gij nog jong waart zou ik niet antwoorden, omdat mijn leven mij nog lief is. Nu echter wil ik u zeggen dat de koningin de straf voor eene misdaad draagt.—Een misdaad! riep Oretes toornig.—Ja, aan haarzelve begaan. Nenehofra groeide op onder mijne oogen en maakte mij deelgenoot van al hare geheimen, onder anderen, dat zij Barbec, den zoon van haar vaders tuinier, beminde. Met die liefde in het hart kwam zij tot u, o koning. Aan die liefde sterft zij.—Waar is de zoon van dien tuinier?—In Essouan.De koning ging naar buiten en gaf twee bevelen. Tot een zijner dienaren zei hij: Ga naar Essouan en breng mij een jongeling, genaamd Barbec. Gij zult hem vinden in den tuin van den vader der koningin.En tot de anderen dienstknecht zeide hij: Verzamel eenige werklieden en gereedschap en maak op het meer Chemnis een eiland, dat, voorzien van een tempel, een paleis, een lusthof met vruchtdragende boomen, een wijngaard, drijven kan waarheen de winden waaien. Laat het gereed zijn tegen afnemende maand.Tot de koningin zeide hij: Schep moed. Ik weet alles en heb om Barbec gezonden.Nenehofra kuste zijne handen.—Gij zult hem hebben, vervolgde Oretes, en hij u, en niemand zal u storen, een geheel jaar lang.Zij viel aan zijne voeten. Hij hief haar op en kuste haar, en de rozen keerden weer op hare wangen, en de lach kwam terug op hare lippen.Een geheel jaar woonden Nenehofra en Barbec, de tuinier, op het drijvend eiland. Geen oord zoo bekoorlijk. Een geheel jaar zonder iemand te zien, opgaande in elkander. Toen keerde Nenehofra naar het paleis te Memphis terug.—Welnu, van wien houdt gij het meest? vraagde Oretes.Zij kuste hem op de wang en zeide: Neem mij terug, goed koning, want ik ben genezen.Oretes lachte hartelijk in weerwil van zijne honderdveertien jaren.—Dan is dus waar wat Menopha zeide! Hahaha! 't Is waar. Liefde wordt door liefde genezen.—Zoo is het, zeide zij.Plotseling veranderde hij van houding. Zijn aangezicht was vreeselijk om te zien.—Zoo heb ik het niet bevonden, zeide hij.Nenehofra deinsde verschrikt achteruit.—Misdadige, zeide de koning. De beleediging Oretes, den man, aangedaan, kan hij u vergeven; maar de beleediging Oretes, den koning, aangedaan, moet gestraft worden.Zij wierp zich voor zijne voeten.—Stil! zeide hij. Gij zijt dood.Hij klapte in de handen ... een akelige processie trad binnen, parschieten of balsemers, ieder met een attribuut van zijne afschuwelijke kunst in de hand.De koning wees op Nenehofra, en zeide: Zij is dood. Doet uw werk.Nenehofra, de schoone, werd na tweeënzeventig dagen naar de crypt gedragen, een jaar te voren voor haar uitgekozen, en daar bij hare koninklijke voorgangsters neergelegd. Maar er werd geen plechtige ommegang ter harer eere gehouden op het heilige meer.
NENEHOFRA
Vele honderden jaren geleden woonde te Essouan een meisje, zoo bekoorlijk, dat de natuur zelve zich over haar verheugde. Als zij voorbijging klapwiekten de vogeltjes om haar te begroeten, hieven de witte lotusbloemen zich op uit het water om haar te aanschouwen, vertraagde de stroom zijnen loop, wuifden de palmen hunne pluimen. Zij schenen te zeggen, de een: ik deelde haar mee van mijn vroolijkheid; de ander: ik van mijne reinheid; een derde: ik van mijne bevalligheid.
Op twaalfjarigen leeftijd was Nenehofra het sieraad van Essouan. Toen zij zestien was, sprak men door het gansche land over hare schoonheid, en toen zij twintig was ging er geen dag voorbij, die niet vorsten der woestijn op snelle kemelen en aanzienlijke Egyptenaren in vergulde barken voor hare deur bracht. Die allen echter gingen ongetroost heen en vertelden overal: Ik heb haar gezien. Dat is geen sterflijke vrouw, maar Hathor zelve.
De koning van het land was de grijze Oretes. Hij had den leeftijd van hondertien jaren bereikt. Zesenenzeventig jaren had hij over Egypte geregeerd. Onder zijn verstandig bestuur waren land en volk tot groote welvaart gekomen. Hij woonde te Memphis, waar hij zijn schoonste paleis en arsenalen had. De vrouw van den goeden koning stierf. Daar hij haar zeer had liefgehad treurde en weeklaagde hij over haar en was ontroostbaar. Een hoveling, die dat opmerkte, waagde op zekeren dag tot hem te zeggen: Koning Oretes, het verwondert mij dat iemand, zoo wijs en groot, niet zou weten hoe men een droefheid als deze kan genezen. Zeg mij hoe, zeide de koning. De hoveling kuste driemaal den grond en antwoordde, wel wetende dat de doode hem niet kon hooren: Te Essouan woont Nenehofra, zoo schoon als de schoone Hathor zelve. Ontbied haar. Zij heeft alle vorsten afgewezen, en ik weet niet hoevele koningen; maar wie kan neen zeggen tot Oretes?
Nenehofra zakte met een talrijk gevolg den Nijl af naar Memphis. Toen de koning haar zag deed hij haar naast zich zitten op zijnen troon, deed den uraeus om haren arm, kuste haar, en maakte haar tot koningin. Dat was den wijzen Oretes niet genoeg. Hij smachtte naar liefde, en verlangde een koningin, die hem gelukkig gevoelde in zijne liefde. Hij behandelde haar met groote tederheid, toonde haar al wat hij bezat, leidde haar door zijne schatkameren en zeide: O Nenehofra, geef mij één kus uit liefde en dit alles is het uwe.
Denkende dat zij mettertijd gelukkig zou zijn,—was zij het al niet reeds?—kuste zij hem twee-, driemaal in weerwil van zijne honderden jaren.
In het eerste jaar voelde zij zich gelukkig, en dat vloog om. In het derde jaar was zij rampzalig, en het kroop voorbij. Toen gingen haar de oogen open: wat zij voor liefde had aangezien was machtsbegoocheling geweest. Ach, had die begoocheling mogen voortduren!
Zij werd droefgeestig. Zij stortte vele tranen. Haar lach verstomde. De rozen op haar wangen verbleekten. Zij kwijnde langzaam maar zeker weg. Geen middelen baatten, noch van toovenaars, noch van geneesheeren. Nenehofra werd als hopeloos opgegeven.
Oretes koos een crypt voor haar uit in de graven der koninginnen, en riep de voornaamste beeldhouwers en schilders naar Memphis, om de crypt zoo prachtig mogelijk te versieren.
—O gij, schoon als Hathor zelf, mijn koningin! zeide Oretes, zeg mij, bid ik u, wat u deert, want ik zie u voor mijne oogen wegsterven.
—Gij zoudt mij niet meer liefhebben, als ik het u zeide, luidde haar antwoord.
—U niet liefhebben? Ik zal er u te liever om hebben. IK zweer het bij het oog van Osiris. Spreek!
—Nu dan, zeide zij. In een spelonk bij Essouan woont een anachoreet, de oudste en heiligste van allen. Zijn naam is Menopha. Hij was mijn leermeester. Hij zal u zeggen wat gij verlangt te weten, en u het middel aan de hand doen om mij te genezen. Ontbied hem.
—Spreek, zeide Oretes tot Menopha in het paleis te Memphis. En Menopha antwoordde: Machtige koning, als gij nog jong waart zou ik niet antwoorden, omdat mijn leven mij nog lief is. Nu echter wil ik u zeggen dat de koningin de straf voor eene misdaad draagt.
—Een misdaad! riep Oretes toornig.
—Ja, aan haarzelve begaan. Nenehofra groeide op onder mijne oogen en maakte mij deelgenoot van al hare geheimen, onder anderen, dat zij Barbec, den zoon van haar vaders tuinier, beminde. Met die liefde in het hart kwam zij tot u, o koning. Aan die liefde sterft zij.
—Waar is de zoon van dien tuinier?
—In Essouan.
De koning ging naar buiten en gaf twee bevelen. Tot een zijner dienaren zei hij: Ga naar Essouan en breng mij een jongeling, genaamd Barbec. Gij zult hem vinden in den tuin van den vader der koningin.
En tot de anderen dienstknecht zeide hij: Verzamel eenige werklieden en gereedschap en maak op het meer Chemnis een eiland, dat, voorzien van een tempel, een paleis, een lusthof met vruchtdragende boomen, een wijngaard, drijven kan waarheen de winden waaien. Laat het gereed zijn tegen afnemende maand.
Tot de koningin zeide hij: Schep moed. Ik weet alles en heb om Barbec gezonden.
Nenehofra kuste zijne handen.
—Gij zult hem hebben, vervolgde Oretes, en hij u, en niemand zal u storen, een geheel jaar lang.
Zij viel aan zijne voeten. Hij hief haar op en kuste haar, en de rozen keerden weer op hare wangen, en de lach kwam terug op hare lippen.
Een geheel jaar woonden Nenehofra en Barbec, de tuinier, op het drijvend eiland. Geen oord zoo bekoorlijk. Een geheel jaar zonder iemand te zien, opgaande in elkander. Toen keerde Nenehofra naar het paleis te Memphis terug.
—Welnu, van wien houdt gij het meest? vraagde Oretes.
Zij kuste hem op de wang en zeide: Neem mij terug, goed koning, want ik ben genezen.
Oretes lachte hartelijk in weerwil van zijne honderdveertien jaren.
—Dan is dus waar wat Menopha zeide! Hahaha! 't Is waar. Liefde wordt door liefde genezen.
—Zoo is het, zeide zij.
Plotseling veranderde hij van houding. Zijn aangezicht was vreeselijk om te zien.
—Zoo heb ik het niet bevonden, zeide hij.
Nenehofra deinsde verschrikt achteruit.
—Misdadige, zeide de koning. De beleediging Oretes, den man, aangedaan, kan hij u vergeven; maar de beleediging Oretes, den koning, aangedaan, moet gestraft worden.
Zij wierp zich voor zijne voeten.
—Stil! zeide hij. Gij zijt dood.
Hij klapte in de handen ... een akelige processie trad binnen, parschieten of balsemers, ieder met een attribuut van zijne afschuwelijke kunst in de hand.
De koning wees op Nenehofra, en zeide: Zij is dood. Doet uw werk.
Nenehofra, de schoone, werd na tweeënzeventig dagen naar de crypt gedragen, een jaar te voren voor haar uitgekozen, en daar bij hare koninklijke voorgangsters neergelegd. Maar er werd geen plechtige ommegang ter harer eere gehouden op het heilige meer.
Toen Iras zweeg zeide Ben-Hur, die zich aan hare voeten had neergevlijd: Menopha had ongelijk.
—Hoezoo?
—Liefde leeft door lief te hebben.
—Dan zou er dus geen middel tegen zijn?
—Jawel. Oretes heeft het gevonden.
—Welk dan?
—De dood.
—Gij zijt een goed hoorder, zoon van Arrius.
Onder meer dergelijke gesprekken en verhalen vlogen de uren voorbij. Toen zij eindelijk aan wal stapten zeide zij: Morgen gaan wij naar de stad.
—Maar gij komt bij de wedrennen?
—Zeker.
—Ik zal u mijne kleur zenden.
Daarmee scheidden zij.
Ilderim keerde den volgende dag tegen de derde ure naar den dowar terug. Toen hij van zijn paard steeg, trad een zijner mannen naderbij en zeide: Sheik, mij is opgedragen u dit pak te overhandigen met verzoek het dadelijk te lezen.
Ilderim nam het pakje aan en zag dat het zegel reeds verbroken was. Het opschrift luidde: Aan Valerius Gratus te Cesarea.
—Lucifer hale hem! bromde de Sheik, toen hij zag, dat de brief in het Latijn geschreven was. Grieksch en Arabisch schrift kon hij lezen; maar van dezen brief in Romeinsche letters kon hij alleen den naam: Messala, ontcijferen.
—Waar is de jonge Jood? vraagde hij.
—Naar het veld, met de paarden, antwoordde een bediende.
De Sheik deed den brief in den omslag, stak het pak tusschen zijn gordel, en steeg weer te paard. Op dat oogenblik verscheen een vreemdeling, die oogenschijnlijk van de stad kwam.
—Ik wilde gaarne Sheik Ilderim, den Edelmoedige, spreken, zeide hij.
Taal en kleeding verrieden den Romein.
Al kon hij het schrift der Romeinen niet lezen, hunne taal kon hij spreken. Dus antwoordde de Arabier op waardigen toon: Ik ben Sheik Ilderim.
—Ik heb gehoord, dat gij een menner zoekt voor de wedrennen, zeide de vreemdeling.
—Ga uws weegs. Ik ben reeds voorzien, sprak de Sheik, en maakte zich gereed om weg te rijden; maar de man draalde nog en zeide: Sheik, ik ben een liefhebber van paarden. Men zegt dat de uwe alle andere in schoonheid overtreffen.
De oude man was getroffen. Hij trok den teugel aan, alsof hij op het punt stond van voor de vleierij te zwichten; maar na korte weifeling hernam hij: Niet vandaag, niet vandaag. Op een anderen keer zal ik ze u laten zien. Ik heb het nu te druk.
Hij reed naar het veld, terwijl de vreemdeling glimlachend naar de stad terugkeerde. Hij had zijne opdracht vervuld.
Iederen volgende dag, tot aan den dag der wedrennen, kwam een man, soms twee of drie, tot den Sheik in het Palmbosch, onder voorwendsel van zich als menner te willen verhuren.
Op deze wijze hield Messala de wacht over Ben-Hur.
Den Sheik wachtte bedaard, totdat Ben-Hur na volbrachten arbeid de paarden een oogenblik rust gaf.
—Van avond, Sheik, heb ik met Sirius afgedaan. Morgen zal ik den wagen nemen, zeide de jonkman.
—Dan reeds? vraagde Ilderim.
—Ja, met zulke schrandere dieren is men spoedig zeker van zijne zaak. Deze hier, Aldebaran, is de vlugste. Antares is de langzaamste. Toch zal hij winnen; want, Sheik, hij kan den ganschen dag rennen en tegen zonsondergang zijn grootste snelheid ontwikkelen.
—Dat is zoo, zeide Ilderim.
—Eén ding echter vrees ik. In zijne begeerte om de zege te behalen schroomt een Romein niet de eer te bevlekken. Bij al hunne spelen zijn zij volleerd in streken en niet het minst bij wedrennen met wagens. Als zij paarden, menner, of wagen kunnen benadeelen of beschadigen, zullen zij het niet laten. Daarom, goede Sheik, zie wel toe! Laat, totdat de wedrennen gehouden zijn, uwe paarden aan geen enkel vreemdeling zien. Wilt gij volkomen veilig wezen, laat hen dan geen minuut alleen. Volgt gij mijn raad, dan behoeven wij ons over den uitslag niet te bekommeren.
Bij de deur der tent stegen zij af.
—Uw wens zal geschieden, zoon van Arrius. Niemand zal hen genaken behalve mijne getrouwen. Dezen nacht zal ik wachten uitzetten. Maar zie eens hier en help mij met uw Latijn.
Hij gaf den brief en noodigde hem naast zich op den divan. Daar, zeide hij, lees, en lees overluid. Vertaal het in de taal uwer vaderen. Latijn is mij een gruwel.
Ben-Hur gevoelde zich zeer opgewekt en begon zonder erg te lezen: Messala aan Gratus.... Hij hield op. Een bang voorgevoel deed hem koud om 't hart worden. Ilderim merkte zijne ontroering op.
—Hoe nu? Ik wacht.
Ben-Hur verontschuldigde zich en begon opnieuw.
De lezer heeft reeds begrepen, dat een der door Messala afgezonden koeriers aangehouden was en het duplicaat van den brief aan Gratus zich thans in handen van Ben-Hur bevond.
Toen hij aan de zinsnede gekomen was, waar Messala het geheugen van Gratus zocht te hulp te komen, beefde zijne stem. Tot tweemalen zelfs moest hij ophouden om zijne zelfbeheersching te herwinnen. Met inspanning van alle krachten las hij verder: Voorts herinner ik u de wijze maatregelen, die gij genomen hebt, om ons doel te bereiken: het stilzwijgen en een zekeren maar natuurlijken dood van de betrokken personen.
Hij kon het niet langer uithouden. De brief viel op den grond en hij bedekte zijn gelaat met beide handen.
—Zij zijn dood ... dood. Ik alleen ben overgebleven, steunde hij.
De Sheik had hem zwijgend en met deelneming gadegeslagen. Nu stond hij op en zeide: Zoon Van Arrius, ik moet u om vergeving vragen. Lees den brief voor uzelf. Als gij u sterk genoeg voelt om mij het overige mede te deelen, doe het mij dan weten, en ik zal terugkeeren.
Zoodra hij alleen was wierp Ben-Hur zich op den divan en gaf zich aan zijne droefheid over. Toen hij wat bekomen was nam hij den brief weder ter hand en hervatte de lezing. Gij zult u herinneren, zoo luidde het verder, welke straf gij de moeder en de zuster van den booswicht hebt opgelegd, en indien ik nu vriendelijk verzoek van u te mogen vernemen, of zij nog leven, dan wel of zij gestorven zijn ... Ben-Hur sprong op, of zij dood zijn! Hij weet het niet! Gezegend zij de naam des Heeren! Nog is er hoop.—Bemoedigd las hij den brief ten einde. Zij zijn niet dood, zeide hij eenige oogenblikken peinzens, zij zijn niet dood, anders zou hij er van gehoord hebben.
Een tweede lezing bevestigde hem in zijne meening. Daarna zond hij om den Sheik.
—Toen ik in uwe gastvrije tent kwam, zeide hij, zoodra zij weder te zamen waren, had ik mij voorgenomen niet meer van mijzelven te vertellen, dan noodig was om u te doen zien, dat gij mij uwe paarden gerust kondt toevertrouwen. Maar nu ik, op eene voor mij onverklaarbare wijze, dezen brief in handen moest krijgen, voel ik mij gedrongen u met mijn verleden bekend te maken. Ik word in dit voornemen versterkt door den inhoud van dit schrijven, waaruit ik zie dat dezelfde vijand ons beiden bedreigt. Wij zullen ons gezamelijk tegenover hem moeten stellen. Ik zal u den brief voorlezen en verklaren. Dan zal u duidelijk worden waarom ik straks mijne zelfbeheersching verloor, en mij in uwe oogen misschien kinderachtig aanstelde.
De Sheik bewaarde het stilzwijgen en luisterde aandachtig, totdat Ben-Hur aan de zinsnede kwam, die hèm betrof: Gisteren zag ik den Jood in het park van Daphne, en als hij daar op dit oogenblik niet is, dan is hij toch zeker in de buurt, om mij gemakkelijk te maken hem in 't oog te houden. Ja, indien gij mij vraagdet: waar denkt gij dat hij is? dan zou ik uit volle overtuiging zeggen: Hij is in het Palmbosch, in de tent van Sheik Ilderim, den verrader.
—Verrader!... Ik? riep de oude man opstuivende.
—Nog even geduld, Sheik. Dat is Messala's gevoelen. Hoor zijn bedreiging: in de tent van Sheik Ilderim, den verrader, die ons niet veel langer moet mogen trotseeren. Laat het u niet verwonderen, indien Maxentius, als eerste krijgsoperatie, den Arabier inscheept naar Rome.
—Naar Rome! Mij? Ilderim ... Sheik van tienduizend gewapende ruiters! Mij naar Rome inschepen!
Hij sprong van zijne zitplaats op en riep in ziedenden toorn: Wanneer, o wanneer zal aan deze onbeschaamdheid een einde komen? Ik ben een vrij man. Vrij is mijn volk. Moeten wij als slaven sterven? Of erger nog, moet ik als een hond aan mijn meesters voeten kruipen? Moet ik zijne hand likken uit vrees voor slaag? Wat het mijne is zou het mijne niet zijn? Ik zou een Romein moeten danken, dat ik mag adem halen? O, dat ik nog jong was! O, kon ik twintig jaren van mijn leeftijd afdoen ... of tien ... of vijf!
Knarsetandend en met de handen zwaaiend liep hij heen en weer, bleef toen eensklaps voor Ben-Hur staan, en vatte hem met sterken greep bij den schouder.
—Indien ik in uwe plaats was, zoon van Arrius, even jong als gij, even sterk, even geoefend in den krijg, had ik een drijfveer, die mij tot wraak aanzette, een beweegreden als de uwe, die wraak tot een heiligen plicht maakt—weg met alle geheimzinnigheid tusschen u en mij! Zoon van Hur, zoon van Hur, ik zeg....
Bij het hooren van zijn waren naam stolde Ben-Hur het bloed in de aderen. Ontzet, verbaasd, zag hij den Arabier aan.
—Zoon van Hur, ik zeg u, indien ik was als gij, indien ik zulk een groot onrecht had te wreken en zulke herinneringen met mij moest omdragen, ik zou niet willen, niet kunnen rusten. Bij al mijn eigen grieven zou ik die van de geheele wereld voegen, en mijzelven aan de wraak wijden. Van land tot land zou ik trekken om de menschen wakker te schudden. Geen vrijheidsoorlog, waar ik niet deel aan nam. Geen strijd tegen Rome, waarbij ik niet in de voorste rijen stond. Ik zou mij desnoods bij de Parthen aansluiten. Indien het mij aan soldaten ontbrak, ik zou het toch niet opgeven—hahaha! Bij den luister van Salomo! ik zou tot de wolven gaan! Van leeuwen en tijgers zou ik vrienden maken, in de hoop dat ik ze tegen den gemeenschappelijken vijand zou kunnen aanvoeren. Ik zou mij van ieder wapen bedienen. Ik zou geen kwartier vragen en geen kwartier geven! Alles wat Romeinsch was zou ik met vuur verdelgen. Al wie Romein van geboorte was zou ik met het zwaard dooden. Des nachts zou ik de goden bidden, de goede en de kwade evenzeer, mij hunne verschrikkingen bij te zetten: stormen, droogte, hitte, koude, en al de namelooze vergiften, die zij in de lucht loslaten, al de duizend oorzaken, waardoor de menschen ter zee en te land omkomen. O, ik zou niet kunnen slapen. Ik ... ik....
De Sheik hield op uit gebrek aan adem. Ben-Hur had, om de waarheid te zeggen, slechts met een half oor geluisterd naar die hartstochtelijke ontboezemingen. Voor de eerste maal in vele jaren had de jongeling zich bij zijn waren naam hooren toespreken. Eén mensch kende hem dus. Eén ten minste geloofde hem zonder naar bewijzen te vragen, en die eene was een Arabier uit de woestijn!
Hoe kwam de man aan deze wetenschap? Door den brief? Die sprak wel is waar iets van de wreedheden, waardoor zijn geslacht te gronde was gericht, die verhaalde van zijne geschiedenis, maar de Sheik was in een veel te opgewonden stemming geweest om de gevolgtrekking te hebben kunnen maken. Neen, iemand anders moest hem hebben ingelicht. Uitwendig kalm vraagde hij: Goede Sheik, zeg mij, hoe komt gij aan dezen brief?
—Mijne lieden bewaken de wegen tusschen de steden, antwoordde Ilderim. Zij ontnamen hem een koerier, die van Antiochië kwam.
—Weet men, dat zij in uw dienst zijn?
—Neen, in de oogen der wereld zijn zij roovers, die ik te vangen en te dooden heb.
—Sheik, gij noemdet mij zoon van Hur, mijn vaders naam. Ik wist niet dat iemand hier mij kende. Vanwaar kent gij mij?
Ilderim antwoordde niet dadelijk. Eindelijk zeide hij: Ik ken u, maar ik heb voor 't oogenblik geen vrijheid om u meer te zeggen.
—Geen vrijheid? Is er dan iemand, die u dat verhindert?
De Sheik zweeg en wilde heengaan; maar toen hij Ben-Hurs teleurstelling zag, keerde hij terug en zeide: Laat ons hier voorloopig over zwijgen. Ik ga naar de stad. Als ik terugkom mag ik misschien ronduit met u spreken. Geef mij den brief.
Ilderim rolde den papyrus zorgvuldig op, deed hem weder in den omslag, en werd plotseling weer een en al ijver. Wat is uw antwoord? vraagde hij. Ik zeide u wat ik doen zou, als ik in uwe plaats was, maar gij hebt mij geen antwoord gegeven.
—Ik was van plan, Sheik, om u te antwoorden en ik zal het ook doen. Al wat gij gezegd hebt neem ik over, voor zoover de uitvoering in mijn vermogen ligt. Sedert lang reeds heb ik mijzelf aan de wraak gewijd. Vijf jaren lang was dat mijn eenige gedachte. Ik heb mij geen rust gegund. De genoegens der jeugd heb ik niet gekend. Ik heb mij door Rome zelf laten leeren, hoe ik mij wreken moet. Ik bezocht er de beroemste leeraren, niet die in de redekunst of wijsbegeerte, helaas! daar had ik geen tijd voor. In alles wat voor een krijgsman onmisbaar is heb ik mij laten onderrichten. Ik sloot mij aan bij de kampvechters in den circus. De schermmeesters van het Romeinsche kamp namen mij als hun leerling aan en waren trotsch op mij. Ja, Sheik, ik ben soldaat, maar de dingen waarvan ik droom eischen, dat ik bevelhebber word. Daarom sloot ik mij aan bij den veldtocht tegen de Parthen. Is die afgeloopen en spaart God mij leven en krachten, dan ... dan zal ik een geduchte, door Rome zelf gevormde krijger zijn. Dan zal Rome mij met Romeinsche levens betalen voor hetgeen zij mij heeft doen lijden. Dat is mijn antwoord, Sheik.
Ilderim omhelsde en kuste hem, en zeide op hartstochtelijken toon: Indien uw God u niet bijstaat, zoon van Hur, dan leeft hij niet meer. Maar weet dit, om uw doel te bereiken kunt gij vrijelijk beschikken over al wat ik heb: manschappen, paarden, kameelen, en de woestijn tot legerplaats. Ik zweer het u. Voor het oogenblik genoeg. Vóór den nacht zult gij mij zien, of van mij hooren.
Kort daarop reed hij af en sloeg den weg in naar Antiochië.
De onderschepte brief was op vele punten van groot belang voor Ben-Hur. De schrijver toch bekende met zoovele woorden dat hij medegewerkt had om de familie Hur uit den weg te ruimen, dat hij de plannen goedgekeurd had, dat hij zijn aandeel had ontvangen van de verbeurd verklaarde goederen, dat hem de onverwachte verschijning van den hoofdpersoon in het drama zeer ongelegen kwam en hij er niet veel goeds van verwachtte, en dat hij, om een waarborg voor de toekomst te hebben, bereid was tot alles wat zijn medeplichtige in Cesarea hem zou aanraden te doen.
Toen Ilderim de tent verliet had Ben-Hur dus rijke stof tot overpeinzing. Hier moest dadelijk in voorzien worden. Zijne belagers waren sluw en machtig. Indien zij bevreesd waren voor hem, hij had nog veel meer reden om hen te vreezen. Hij trachtte den toestand rustig onder de oogen te zien, maar hij kon niet. Telkens werd hij door zijn gevoel overstelpt. Zijne moeder en zuster leefden nog, dat geloofde hij zeker. Het was hem, alsof de ontdekking voor de hand lag. Ja, God zelf zou hem te hulp komen, hem paste geduldig te wachten. Dat geduldig wachten zou hem echter gemakkerlijk vallen, als hij grond had gehad om te hopen, dat zijne geliefden in even gunstige omstandigheden verkeerden als hijzelf, maar wat wist hij daarvan?
Om zich een weinig te verzetten wandelde hij het bosch in, waar de lieden druk bezig waren met het inzamelen van dadels, niet zoo druk echter, of zij konden wel een praatje met hem maken en van hunne vruchten aanbieden. Bij het meer toefde hij het langst, en die zachte kabbelende golfjes brachten hem de schoone Iras te binnen. Van haar vlogen zijne gedachten naar Balthasar en den Koning der Joden.
Met Balthasars denkbeelden omtrent dat koninkrijk kon hij zich echter niet vereenigen. Een rijk dat uit zielen zou bestaan kwam hem zeer onwaarschijnlijk, bijna onmogelijk voor. Een koninkrijk Judea daarentegen—dat had bestaan, en kon dus weer in 't leven geroepen worden. Hij stelde zich dat gaarne voor en dan liefst nog machtiger en rijker dan het eerste koninkrijk, onder een nieuwen koning, wijzer en machtiger nog dan Salomo, een koning, onder wiens vanen hij zou kunnen dienen en zijne wraak aan Rome kunnen koelen.
In die stemming keerde hij naar den dowar terug. Na het middagmaal gebruikt te hebben deed Ben-Hur den wagen buiten brengen, om hem te keuren. Geen enkel deel liet hij ongemoeid. Met groot genoegen zag hij dat het een Grieksch model was, in zijn oog verkieslijker boven het Romeinsche, breeder tusschen de wielen, lager en sterker. De meerdere zwaarte zou ruimschoots vergoed worden door de zeldzame eigenschappen van het vierspan.
Nu bracht hij de paarden uit, spande ze voor den wagen en reed naar het veld, waar hij verscheidene uren bleef. Toen hij 's avonds terugkeerde had hij zijne opgeruimdheid herkregen en stond zijn plan vast om de zaak Messala te laten rusten, totdat hij als overwinnaar of overwonnene uit het strijdperk zou komen. Hij wilde onder geen beding het genoegen missen van zijn tegenstander voor aller oog te vernederen. Aan de mogelijkheid, dat nog andere mededingers konden optreden, scheen hij niet te denken. Zijn vertrouwen in den uitslag was onwankelbaar. Hij rekende op zijne bekwaamheid en op de onovertroffen paarden. De Romein mag oppassen, niet waar Antares, brave Aldebaran? niet waar goede Rigel, en gij vorstelijke Atair? hij mag oppassen! zoo sprak hij in de rusturen het vierspan toe, en zij verstonden hem.
Toen het donker werd zat Ben-Hur in de deur der tent op Ilderim te wachten. Hij was volstrekt niet ongeduldig of onrustig. De Sheik zou in ieder geval van zich doen hooren. Of die kalmte toe te schrijven was aan de beweging in de open lucht, of aan het daarna genomen bad, of aan het smakelijke maal, waaraan hij alle eer bewezen had, of aan de reactie, die gewoonlijk op diepe neerslachtigheid volgt, weten wij niet. Hij had een gevoel, dat zijne zaak in Gods hand rustte en daar was zij veilig. Eindelijk hoorde hij een ruiter naderen, en weldra stond Malluch voor hem.
—Zoon van Arrius, zeide hij vroolijk, ik breng u de groeten van Sheik Ilderim. Hij verzoekt u naar de stad te komen. Hij wacht u.
Ben-Hur onthield zich van vragen, en ging naar de paarden. Aldebaran kwam hem te gemoet, als om zijne diensten aan te bieden. Ben-Hur liefkoosde hem in het voorbijgaan, maar koos een ander paard. Het vierspan moest voor de wedrennen bewaard blijven. Een kwartier later waren beide mannen op weg naar Antiochië.
Op korten afstand van de Seleucische brug staken zij met een veerschuit de rivier over, reden langs den rechteroever voort, gingen daarna door middel van een andere schuit naar den linkeroever terug en reden de stad van de westzijde binnen. De omweg was lang, maar Ben-Hur begreep dat Malluch goede redenen had voor dien voorzorgsmaatregel. Zij vervolgden hunnen weg tot aan de werf van Simonides. Daar hield Malluch zijn paard in en zeide: Hier moeten wij zijn!
Ben-Hur herkende de plaats en vraagde: Waar is de Sheik?
—Ik zal u tot hem brengen. Ga maar mee, luidde het antwoord.
Een bediende nam de paarden over, en nog voordat Ben-Hur tot bezinning gekomen was, stond hij voor de deur van het huis op het pakhuis, was hij binnengegaan, en hoorde hij de stem, die hij zich nog zeer goed herinnerde, zeggen: Kom binnen en wees welkom!
Malluch geleidde hem niet verder dan tot aan de kamer. Ben-Hur trad alleen het vertrek binnen. Het was hetzelfde, waar Simonides hem den vorigen keer ontvangen had. Alles was onveranderd gebleven, alleen stond nu dicht bij den armstoel een fraaie, zeer hooge metalen standaard met zes armen, die zes helder brandende zilveren lampen droegen. Drie personen bevonden zich in de kamer: Simonides, Ilderim, Esther.
Ben-Hur zag van den een naar den ander ... wat moest dat beduiden? Wat verlangde men van hem?
Daar verbrak Simonides de stilte: Zoon van Hur, zeide hij langzaam en duidelijk, ik groet u met den vrede van den God onzer vaderen.
De grijsaard liet, terwijl hij sprak, zijne doordringende zwarte oogen op den jongen rusten en kruiste toen zijne handen over de borst. Houding en groet konden niet worden misverstaan.
—Simonides, zeide Ben-Hur ontroerd, dien vrede neem ik aan. Als een zoon tot zijnen vader sprekende, bid ik hem u ook toe. Dit eene echter verzoek ik: laat ons elkander volkomen begrijpen.
Op deze kiesche wijze trachtte hij de verhouding van heer tot dienstbare op zijde te zetten, en daarvoor in de plaats een hoogere en heiligere te stellen.
Simonides liet zijne handen weder op de deken rusten en zeide tot Esther: Een zetel voor den meester, mijn kind!
Haastig schoof zij een lagen stoel aan en wachtte op nader order, onzeker waar hem te plaatsen.
Ben-Hur trad naderbij, zette hem aan Simonides' voeten en zeide: Hier wil ik zitten.
Zijne oogen ontmoetten de hare, slechts een oogenblik, doch die blik deed beiden goed. Hij had hare dankbaarheid, zij zijne edelmoedigheid begrepen.
Simonides boog het hoofd, slaakte een zucht van verlichting en zeide: Geef mij nu de papieren, Esther.
Zij opende een der paneelen in den muur, nam er een rol uit, en gaf die haren vader.
—Gij hebt gelijk, zoon van Hur, begon Simonides, de papieren ontrollende, laat ons elkander goed begrijpen. Dat verzoek voorziende, heb ik alles in orde gebracht en leg ik u hier een opgaaf voor hetgeen tot een volkomen begrip noodig is. Zij omvat twee zaken: het vermogen en onze onderlingen verhouding. Wat hier geschreven staat zal u alles duidelijk maken. Wilt gij het nu lezen?
Ben-Hur nam de rol aan en zag naar Ilderim.
—Neen, zeide Simonides, laat de tegenwoordigheid van den Sheik u niet weerhouden. Bij de verrekening is een getuige noodig. Aan het slot, op de plaats waar zulks behoort, zult gij zijn naamtekening vinden. Hij weet alles. Hij is uw vriend. Alles wat hij voor mij geweest is zal hij voor u zijn.
Ilderim knikte en zeide ernstig: Gij hebt het gezegd.
Ben-Hur antwoordde: Ik heb zijne vriendschap reeds mogen ondervinden, maar moet mij die nog waardig betoonen. Sta mij toe, Simonides, die papieren later rustig na te zien. Neem ze voor het oogenblik terug en als het u niet te veel vermoeit, deel mij dan kort den inhoud mede.
Simonides nam de rol weder tot zich.
—Kom hier, Esther, zeide hij, en neem blad voor blad van mij over, opdat zij niet verward raken.
Zij zette zich naast hem en leunde zacht tegen zijn schouder, zoodat vader en dochter te zamen rekening en verantwoording schenen te doen.
—Dit, zeide Simonides, het eerste blad ontrollende, doet u zien welke som gelds ik voor uwen vader beheerde,—het kapitaal dat ik uit de handen der Romeinen redde. Van de overige bezittingen kon ik niets redden dan het geld. Dank ons Joodsch wisselsysteem konden de roovers daar niet aan komen. De geheele som bestond uit gelden, die ik in Rome, Alexandrië, Carthago en andere steden had uitstaan, en bedroeg 120 talenten.
Hij gaf het blad aan Ester en nam een volgend. Met die 120 talenten, zeide hij, begon ik handel te drijven. Hoor nu de verantwoording.
Voeg nu bij die 553 talenten winst het kapitaal, dat ik van uwen vader onder mij had, en gij krijgt 673 talenten, alles rechtens het uwe. Dat maakt u, zoon van Ithamar, tot een van de rijksten onder de rijken.
Hij nam de papieren van Esther over, rolde ze met uitzondering van één weder op en bood ze Ben-Hur aan.
De kwalijk verborgen trotsch in zijne manier van doen was niet beleedigend, maar alleszins verklaarbaar, en kwam voort uit het gevoel van een wèlvolbrachten arbeid.
—En nu, zeide hij zachter, is er niets, nee niets, dat gij niet doen kunt.
Dit oogenblik was een zeer gewichtig oogenblik voor allen. Simonides kruiste nogmaals de handen over de borst. Esther keek verlegen voor zich, Ilderim bewoog zich zenuwachtig.
Met de rol in de hand stond Ben-Hur op van zijn zetel, en met moeite zijn aandoening bedwingende, sprak hij: Deze mededeelingen zijn voor mij als een lichtstraal uit den hemel na een langen bangen nacht, zóó lang dat hij mij eindeloos toescheen, en zóó donker dat ik alle hoop had opgegeven. Mijn eerste dank zij aan God gebracht, die mij niet verlaten heeft, en mijn tweede aan u, Simonides. Uwe trouw weegt tegen de wreedheid van anderen op, en herstelt mijn geloof in de menschheid. Gij zegt: er is niets dat ik niet doen kan? Zoo zij het! Zal iemand mij in zulk een gewichtig oogenblik overtreffen in grootmoedigheid?... U roep ik tot getuige, o Sheik! Hoor mijne woorden en onthoud ze! En gij, Esther, goede engel van deze goeden man, uw vader, luister gij ook!
Hij strekte de hand, waarin hij de rol hield, naar Simonides uit en vervolgde: Alles wat in deze papieren opgeschreven staat: de schepen, huizen, kameelen, paarden, gelden, dat alles geef ik u, Simonides, terug. Het is voor u en de uwen, voor altijd.
Esther glimlachte door hare tranen heen. Ilderims oogen glinsterden van aandoening. Simonides alleen bleef kalm.
—Met ééne uitzondering echter en op ééne voorwaarde, hernam Ben-Hur. De 120 talenten, die mijne vader toebehooren, wensch ik terug te hebben. Vervolgens roep ik uwe hulp in bij het zoeken naar mijne moeder en zuster, waartoe gij, indien het noodig mocht zijn, uw fortuin beschikbaar stelt, evenals ik het mijne.
Simonides was diep bewogen. Hij strekte de hand uit en zeide: Ik begrijp u, zoon van Hur, en ik dank God dat Hij u zóó tot mij gezonden heeft. Zooals ik uwen vader, en later zijne nagedachtenis, gediend heb, zal ik ook u dienen. Maar op uwe voorwaarde kan ik niet ingaan. Hier is nog een blad. Neem het en lees. Lees overluid.
Ben-Hur nam het blad en las: Opgave van de lijfeigenen van Hur, ingeschreven door Simonides, rentmeester van het vermogen:
1. Amrah, de Egyptische, huisbewaarster te Jeruzalem.2. Simonides, rentmeester te Antiochië.3. Esther, des rentmeesters dochter.
Nooit was het Ben-Hur, wanneer hij Simonides als zijn dienstknecht beschouwde, in het hoofd gekomen, dat volgens de wet de dochter de dienstbaarheid des vaders deelde. Dacht hij aan de schoone Esther, dan was het als mededingster van Iras. Die onverwachte mededeeling deed hem onaangenaam aan. Verward, verlegen keek hij haar aan, en verlegen sloeg zij de oogen neer. Toen zeide hij: De eigenaar van 600 talenten is inderdaad rijk en mag doen wat hem behaagt; maar zeldzamer dan het geld, kostbaarder dan de bezitting is de geest, die den schat vergaarde, is het hart, dat onbedorven bleef bij zooveel rijkdom. O Simonides, en gij, schoone Esther, vreest niet! Sheik Ilderim zal mij opnieuw tot getuige zijn. In hetzelfde oogenblik, waarop ik u als mijne dienaren leer kennen, spreek ik u vrij. Wat ik hier mondeling verklaar zal ik schriftelijk bevestigen. Is dat voldoende? Kan ik nog meer doen?
—Zoon van Hur, zeide Simonides, waarlijk gij maakt ons het dienen licht. Ik vergiste mij. Er zijn dingen die gij niet kunt doen. Gij kunt ons niet vrij maken voor de wet. Ik ben levenslang uw dienstknecht, omdat ik op zekeren dag uwen vader naar de deurpost volgde. Mijn oor draagt nog het litteeken van den priem.
—Deed mijn vader dat?
—Veroordeel hem niet, riep Simonides. Hij deed het op mijn verzoek, en nooit heeft die stap mij berouwd. Het was de prijs, dien ik voor mijne Rachel betaalde, de moeder van mijn kind. Zij wilde de mijne niet worden, tenzij ik werd wat zij was.
—Was zij dan eene lijfeigene?
—Ja.
Ben-Hur liep, zijne onmacht diep gevoelende, de kamer op en neer. Ik was reeds rijk, zeide hij, dank de goedheid van den edelen Arrius. Nu komt dit vorstelijk vermogen er bij benevens de geest, die het verzamelde. Heeft God daar niet een bedoeling mee? Raad mij, Simonides. Doe mij zien wat recht is in dezen. Help mij mijn naam waardig te zijn.
Simonides' gelaat straalde van geluk.
—O zoon mijns meesters, ik zal meer doen dan u helpen. Ik zal u dienen met hart en ziel. Mijn lichaam is, helaas, te gronde gericht in uwen dienst, maar met mijn verstand en hart wil ik u dienen. Stel mij daarom wettig aan tot datgene, wat ik mijzelven gemaakt heb.
—Spreek! riep Ben-Hur blijde.
—Benoem mij tot rentmeester van uw vermogen, opdat ik het recht hebbe om er voor te zorgen.
—Gaarne. Beschouw u van dit oogenblik als mijn rentmeester. Of wilt gij het schriftelijk hebben?
—Uw woord is mij genoeg. Zoo was het met den vader, zoo zij het met den zoon. En nu, indien wij elkander goed begrepen hebben....
—Ik voor mij, ja, zeide Ben-Hur.
—En gij, dochter van Rachel, spreek! zeide Simonides. Een oogenblik stond Esther besluiteloos. Toen trad zij op Ben-Hur toe en zeide onbeschrijfelijk lieftallig: Ik ben niet beter dan mijne moeder, en daar zij is heengegaan, bid ik u, laat mij voor mijnen vader mogen zorgen.
Ben-Hur nam haar bij de hand, geleidde haar naar haren vader en zeide: Gij zijt een goede dochter. Uw wensch zal geschieden.