De straten waren vol gaanden en komenden. Hier en daar stonden groepjes geschaard rondom de vuren, waar vleesch gebraden, gezongen en feestgevierd werd. De geur van het gebraad, vermengd met den reuk van brandend cederhout, vervulde de lucht; en daar bij deze gelegenheid alle Israëlieten elkander als broeders begroetten en de gastvrijheid geen grenzen kende, werd Ben-Hur bij elken stap begroet, terwijl de groepjes rondom het vuur hem toeriepen: Kom, en eet met ons. Wij zijn broeders in de liefde Gods!—Maar hij dankte hen allen vriendelijk en haastte zich voort, daar hij van plan was zijn paard op te halen aan de herberg, en naar de tenten bij de beek Kedron terug te keeren.
Om daar te komen, moest hij de straat oversteken, die weldra door het droevigst tooneel, dat de christenheid kent, vermaard zou worden. Ook daar waren de feestelijkheden in vollen gang. De straat afziende, zag hij een optocht met fakkellicht naderen! Waar zij langs kwamen verstomde het gezang. Zijne verbazing klom, toen hij te midden van rook en vonken speren zag flikkeren, waaruit hij begreep, dat het Romeinsche soldaten waren. Wat deden zij, die vervloekte Romeinen, bij een Joodsche processie? Dat was iets ongehoords, en hij bleef staan om te zien wat dat beteekenen moest.
De maan scheen helder; maar alsof maan en sterren en straatvuren en het licht uit vensters en open deuren niet voldoende waren om alles buiten te verlichten, droegen sommige deelnemers aan den optocht bovendien brandende lantaarns, en daar Ben-Hur begreep, dat er iets bijzonders te doen moest zijn, koos hij een geschikte plaats uit, om elk der voorbijtrekkenden aandachtig op te nemen. De toortsen en lantaarnen werden door bedienden gedragen, die met knuppels of puntige stokken gewapend waren. Hun plicht was allereerst de hoogmogenden onder hen: oudsten, priesters, rabbi's met lange baarden, zware wenkbrauwen en haviksneuzen, bij te lichten op den ongelijken, steenachtigen weg. Wat kon toch het doel van hun tocht zijn? Niet naar den tempel, want daarheen voerde een andere weg. En hun plannen ... als die van vreedzamen aard waren, waartoe dan de soldaten?
Toen de stoet hem voorbijging, werd zijne aandacht voornamelijk getrokken door drie personen, die in de eerste rijen gingen. In den man links herkende hij een hoofdman der tempelwacht, die meest rechts liep was een priester, den middelsten daarentegen herkende hij niet dadelijk, want hij leunde onder het voortgaan zwaar op de beide anderen, en liet het hoofd hangen, als om het gelaat te verbergen. Zijn voorkomen deed aan een boosdoener denken, die den schrik van zijne gevangenneming nog niet te boven was gekomen. Ontegenzeglijk was hij, zoo niet de oorzaak van het optrekken der soldaten, dan toch òf hun gids, òf een onmisbaar getuige. Kon Ben-Hur achter zijn naam komen, dan zou hij het overige misschien wel kunnen raden. Zonder iets te zeggen, trad hij den priester op zijde, en stapte naast hem voort. Als de man nu maar zijn hoofd wilde opheffen! En zie! daar deed hij het, zoodat het licht der lantaarnen op zijn bleek, door vrees vertrokken gelaat viel. Daar Ben-Hur den Nazarener zoo dikwijls op zijne tochten gevolgd was, kende hij de discipelen, zoowel als den meester; en toen hij nu dat verschrikte gelaat zag, riep hij luid: Iskariot!
Langzaam keerde de ongelukkige het hoofd om, keek Ben-Hur aan en bewoog zijne lippen, alsof hij iets wilde zeggen, maar de priester kwam tusschenbeide.
—Wat woudt gij? Ga weg! zeide hij tot Ben-Hur, en duwde hem op zij. De jonkman liet het zich welgevallen, wachtte een betere gelegenheid af, en sloot zich weder bij den stoet aan. Zij gingen tusschen den heuvel Bezetha en den burcht Antonia door, langs het badwater Bethesda naar de Schaapspoort. Overal waren menschen en overal werd feestgevierd. Ter eere van het feest stonden de deuren der poort wijd open. Voorwaarts ging het, altijd voorwaarts, nu het dal in, dat naar de beek Kedron leidde. Aan de andere zijde zag men den Olijfberg met zijn donker geboomte. Dof weerklonken de voetstappen der mannen in de nachtelijke stilte. Nog een klein eindje, en toen sloegen zij links om naar een olijvenhof, die aan den voorkant door een steenen muurtje afgesloten was. Ben-Hur wist dat in dien hof niets was, dan eenige knoestige boomen, wat gras, en een in de rots uitgehouwen trog, die gebruikt werd voor het treden van de olijven. Terwijl hij zich verbaasd afvraagde wat zij in dit uur op eene zoo eenzame plaats te doen konden hebben, stond de troep plotseling stil. In de voorhoede hoorde men luid spreken. Er ontstond een onverklaarbare verwarring; alleen de soldaten hielden stand. In een oogwenk had Ben-Hur zich uit het gedrang weten te redden, om vooruit te snellen. Weldra bevond hij zich voor een poortje zonder deur, dat toegang verleende tot den hof. Hij bleef staan om het tooneel te overzien.
In de poort stond een man met witte kleederen bekleed, blootshoofds, de handen op de borst gevouwen, een gedaante hem maar al te goed bekend ... de Nazarener! Zijne discipelen stonden achter hem geschaard; zij zagen er ontsteld uit, de meester zelf stond daar als een toonbeeld van verheven rust.
Tegenover deze vreedzame gestalte hield de bende stil, onthutst, gereed om op een machtwoord uit zijnen mond uiteen te stuiven en weg te loopen. Ben-Hur wierp een vluchtigen blik op hem, op de menigte, op Judas Iskariot, en nu begreep hij het doel van den tocht. Hier stond de verrader, daar de verradene. De lieden met knuppels en stokken gewapend en de soldaten waren gekomen om hem gevangen te nemen.
Niemand kan met zekerheid zeggen wat hij doen zal, voordat het oogenblik van handelen daar is. Ben-Hur stond voor iets, waarop hij zich jarenlang had voorbereid. De man, voor wiens veiligheid hij moest waken, op wiens leven hij al zijne hoop gebouwd had, verkeerde in lijfsgevaar,—en toch deed hij niets. De menschelijke natuur is vol van zulke tegenstrijdigheden. De groote kalmte echter, waarmede de geheimnisvolle Nazarener de menigte te gemoet trad, hield hem tegen, want hij verwachtte dat de meester gebruik zou maken van zijne wondermacht, om zich uit dit dreigend gevaar te redden. Vrede, liefde en vergevensgezindheid waren de grondtonen geweest van zijn leer; zou hij zijne prediking in praktijk brengen? Hij was Heer over leven en dood. Welk gebruik zou hij nu van die macht maken? Zichzelven verdedigen? En hoe dan? Eén woord, één wenk, ééne gedachte was voldoende. Dat een wonder, iets bovennatuurlijks gebeuren zou, geloofde Ben-Hur vast, en in dat geloof wachtte hij. Maar hij mat den Nazarener naar zichzelven af, naar den menschelijken maatstaf.
Daar weerklonk des Meesters heldere stem.
—Wien zoekt gij?
—Jezus den Nazarener, antwoordde de priester.
—Ik ben het.
Op het hooren van deze zeer eenvoudige woorden weken de aanvallers eenige schreden achteruit, de vreesachtigen vielen ter aarde.
Zij zouden hem waarschijnlijk alleen gelaten hebben en weggegaan zijn, indien niet Judas naar voren gekomen was en gezegd had: Wees gegroet, Meester.
Dit zeggende kuste Judas hem.
—Judas, zeide de Nazarener zacht, verraadt gij den Zoon des Menschen met een kus? Waarom zijt gij hier gekomen?
Daar hij geen antwoord kreeg, wendde de Meester zich weder tot de schare.
—Wien zoekt gij?
—Jezus van Nazareth.
—Ik heb u gezegd, dat ik het ben. Indien gij dan mij zoekt laat dezen henengaan.
De rabbi's traden op hem toe, en hun voornemen radende kwamen sommigen zijner discipelen, voor wie hij in de bres gesprongen was, naderbij. Een van hen hief zijn zwaard op en sloeg een man zijn oor af, maar zonder te kunnen verhinderen dat de Meester gevangen werd genomen.
En nog steeds stond Ben-Hur stil!
Terwijl men de touwen bracht om hem te binden, verrichtte de Nazarener eene liefdedaad, die meer nog dan eenige andere zijne oneindige liefde en zachtmoedigheid deed zien.
—Laat ze tot hiertoe geworden, zeide hij, raakte het oor van den gewonden dienstknecht aan, en heelde het.
Vrienden en vijanden beiden stonden verbaasd, laatstgenoemden daarover, dat hij zoo iets kon doen, de eersten, dat hij het wilde doen.
Neen, neen! Hij zal niet toelaten, dat zij hem binden! dacht Ben-Hur.
—Steek uw zwaard in de scheede. De beker, dien mij de Vader gegeven heeft, zou ik dien niet drinken?
Van den voorbarigen discipel keerde de Nazarener zich tot zijne vijanden: Zijt gij gekomen als tot een dief, met zwaarden en stokken om mij gevangen te nemen? Dagelijks was ik bij u in den Tempel en gij hebt mij niet gegrepen, maar dit is uwe ure en de macht der duisternis.
De bende vatte moed en omringde hem. Toen Ben-Hur rondzag naar de discipelen waren zij weg, niet één was gebleven.
De Nazarener werd gebonden,—hij die zijne vijanden met een ademtocht zou hebben kunnen vernietigen. Waarom wilde hij zichzelven niet redden? Wat was die drinkbeker, dien zijn vader hem gegeven had te drinken? En wie was die vader? Altemaal geheimen, die alleen de Nazarener onthullen kon.
Nu maakte de bende zich gereed om naar de stad terug te keeren, de soldaten voorop. Ben-Hur werd beangst. Hij was niet met zichzelf tevreden. Hij wist waar de Nazarener te vinden was,—daar, waar de meeste flambouwen waren. Op eens nam hij een besluit. Hij moest hem nog eenmaal zien, hem ééne vraag voorleggen. Haastig ontdeed hij zich van zijn overkleed en hoofddoek, wierp ze op het muurtje, en vloog de bende achterna.
Het gelukte hem na eenig dringen den man te bereiken, die de einden van het touw vasthield, waarmede de gevangene behouden was.
De Nazarener liep langzaam, met gebogen hoofd, de handen op den rug gebonden, en alsof hij niets merkte van hetgeen rondom hem voorviel. Voor hem uit gingen priesters en oudsten, in drukke gesprekken verdiept, en telkens naar hunne prooi omziende. Toen zij de brug genaderd waren, nam Ben-Hur den bewaker het touw uit de hand, en trad den gevangene op zijde.
—Meester, sprak hij zacht en snel, hoort gij mij, Meester? Eén woord slechts. Zeg mij.... De man, wien hij het touw ontnomen had, wilde het terug hebben.
—Meester, zeg mij, ging Ben-Hur voort, gaat gij vrijwillig mede?
De menigte sloot zich meer aaneen en vraagde hem dreigend: Mensch, wie zijt gij?
—Ach, Meester, zeide Ben-Hur haastig, zijn stem scherp door angst, ik ben uw vriend. Zeg mij, ik smeek het u, wilt gij, dat ik u te hulp kom?
De Nazarener zag niet op, en gaf niet het minste teeken van herkenning.
Maar nu drongen de wachters op hem in. Van alle kanten werd geroepen: Hij is een van hen. Grijpt hem! Slaat hem dood! Met een wanhopige krachtsinspanning rukte Ben-Hur zich los, keerde zich, links en rechts slaande, om, en brak door den kring heen, die hem dreigde in te sluiten. Zijn kleed moest hij in handen laten van een wachter, die hem reeds gegrepen had, zoodat hij naakt van hen moest vlieden. Gelukkig kon hij zich in de donkere kloof voor iedere oog verbergen.
Toen alles stil geworden was, keerde hij naar den olijvenhof terug, om zijn overkleed te halen, begaf zich van daar naar de herberg, besteeg zijn paard en reed spoorslags naar de tenten zijner moeder bij de graven der Koningen. Onder het voortrijden nam hij het besluit den volgenden dag den Nazarener te bezoeken, weinig vermoedende, dat deze nog dienzelfden avond naar het huis van Annas gebracht was, om terstond verhoord te worden.
Met een bezwaard hart ging de jonkman ter ruste. Moedeloos wierp hij zich op zijn leger om en om, aan slapen viel voor hem niet te denken, want het leed geen twijfel: het Joodsche koninkrijk, waar hij van gedroomd had, loste zich op in wat het was—een droom.
Den volgenden morgen tegen de tweede ure reden twee mannen in galop naar Ben-Hurs tent, stapten af, en vraagden hem te zien.
Hij was nog niet opgestaan, doch beval dat men hen binnen zou laten.
—Vrede zij u, broeders, zeide hij, want het waren twee vertrouwde hoofdlieden van het Galileesche legioen. Neemt plaats!
—Neen, antwoordde de oudste kortaf. Zitten en rusten wil zooveel zeggen als den Nazarener te laten sterven. Sta op, zoon van Juda, en ga met ons. Het oordeel is uitgesproken, de kruispaal wordt opgericht.
Ben-Hur staarde den spreker ontsteld aan. Het kruis! was alles wat hij zeggen kon.
—Zij hebben hem van nacht gevangengenomen en gevonnist, vervolgde de man. Met het aanbreken van den dag brachten zij hem voor Pilatus. Tweemaal verklaarde de Romein hem voor niet schuldig; tweemaal weigerde hij hem over te leveren. Eindelijk waschte hij zijne handen, en zeide: Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige! en zij antwoordden....
—Wie antwoordde?
—De priesters en het volk! Zij antwoordden: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.
—Heilige vader Abraham! riep Ben-Hur. Moet een Romein welwillender zijn voor een Israëliet, dan zijn stamgenooten! En als—o, als hij werkelijk de Zoon Gods is, wie zal dan ooit die bloedschuld afwasschen? Het mag niet gebeuren,—ten strijde, broeders, ten strijde!
Hij klapte in de handen.
—De paarden voor, vlug! beval hij den binnentredenden Arabier. Laat Amrah mij schoone kleederen geven en breng gij mijn zwaard!... De tijd is gekomen om voor Israël te sterven, vrienden! Wacht mij buiten, ik kom aanstonds.
Hij at een stuk brood, dronk een beker wijn, en reed weldra weg.
—Waarheen? vraagde de hoofdman.
—De legioenen bijeenroepen.
—Helaas! riep de man, zijne handen omhoogheffend.
—Waarom helaas?
—Ach, heer, zeide de man beschaamd, mijn vriend en ik zijn u alleen getrouw gebleven. Al de anderen loopen de priesters na.
—Wat willen zij dan? vraagde Ben-Hur en hield zijn paard in.
—Hem dooden.
—Toch niet den Nazarener?
—Gij hebt het gezegd.
Ben-Hur zag nu den een, dan den ander aan. In den geest hoorde hij weder de woorden van den vorige avond: den drinkbeker, dien mij de Vader gegeven heeft, zal ik dien niet drinken?
Hij hoorde weer zijn eigen vraag: wilt gij dat ik u te hulp kom?—Neen, zeide hij tot zichzelf: Zijn dood kan niet afgewend worden. Hij heeft er van den beginne alles van geweten. Die dood wordt hem opgelegd door een wil, hooger dan de zijne: van wien anders dan van God? Als hij er in toestemt, als hij vrijwillig gaat, wat zal dan een gewoon mensch doen?
Ben-Hur zag de plannen in duigen vallen, die hij gebouwd had op de getrouwheid der Galileërs. Hun afval maakte inderdaad aan alles een einde. Maar hoe zonderling dat het juist hedenmorgen moest gebeuren! Een bange vrees bekroop hem. Kon het zijn dat zijn plannenmaken, zijn werk, de wijze, waarop hij zijn geld besteed had, slechts verzet geweest was tegen Gods raadsbesluiten?
—Laat ons naar Golgotha gaan, zeide hij op doffen toon.
Zij reden te midden van een opgewonden menigte, die in dezelfde richting ging, als zijzelve. De geheele streek ten noorden der stad scheen op de been te zijn.
Hoorende dat de wacht met den veroordeelde ongeveer bij de groote witte torens van Herodes moest zijn, reden de drie vrienden daarheen. In de vallei bij den vijver van Hiskia werd het onmogelijk tegen den stroom van menschen in te gaan, zoodat zij verplicht waren af te stijgen en achter een huis een gunstiger oogenblik af te wachten. Een half uur, een uur vloog voorbij, nog steeds ging de stroom onverminderd langs onze vrienden. Aan het einde van dien tijd had hij kunnen zeggen: Ik heb alle standen van Jeruzalem vertegenwoordigd gezien, al de sekten van Judea, al de stammen Israëls, en al de nationaliteiten der aarde. De Libysche Jood, de Jood uit Egypte, de Jood van den Rijn; in één woord: de Joden van alle oostersche en westersche landen en van alle bekende eilanden trokken langs hem heen, te voet, te paard, of op kameelen gezeten, in draagstoelen, in wagens, gekleed in alle mogelijke kleederdrachten, maar met de zonderlinge overeenkomst in gelaatstrekken, die nog heden ten dage de kinderen Israëls kenmerkt, al hebben zij ook veel geleden door verandering van levenswijze. Die allen drongen voorwaarts om een armen Nazarener te zien sterven, een misdadiger tusschen misdadigers.
Behalve die duizenden Joden, waren er nog duizenden anderen, die de Joden haatten en verachtten: Grieken, Romeinen, Arabieren, Syriërs, Afrikanen, Egyptenaren, zoodat de geheele wereld bij de kruisiging tegenwoordig scheen te zullen zijn.
In weerwil van de ontzettende menschenmassa heerschte een akelige stilte, die alleen nu en dan verbroken werd door een hoefslag op den steenachtigen bodem, het geratel van wielen, of een uitroep van verbazing. Daaruit begreep Ben-Hur, dat het vreemdelingen waren, in de stad gekomen om het Paaschfeest te vieren, die dus geen aandeel hadden in de veroordeeling des Nazareners.
Eindelijk hoorde hij in de richting der groote torens een verward gedruisch van stemmen.
—Hoor, daar komen zij! zeide een der twee Galileesche hoofdlieden.
De voorbijgaanden bleven staan om te luisteren; toen het rumoer echter naderkwam, zagen zij elkander aan en gingen huiverend verder. Het woest getier nam toe ... daar zag Ben-Hur de bedienden van Simonides naderen. Esther ging naast haar vaders draagstoel, een gesloten draagstoel volgde hen.
—Vrede zij u, Simonides; en u, Esther, zeide Ben-Hur hun te gemoet tredende. Als gij op weg zijt naar Golgotha, blijft dan hier, totdat de stoet voorbij is, dan vergezel ik u. Hier achter het huis is plaats genoeg.
De koopman hief het hoofd op en zeide: Vraag het Balthasar. Wat hij wil is mij goed. Hij zit in den draagstoel.
Ben-Hur schoof het gordijn open. De Egyptenaar lag achterover; zijn vermagerd gelaat was zeer vervallen, hij geleek een doode. Ben-Hur herhaalde zijn voorstel.
—Kunnen wij hem zien? vraagde Balthasar.
—Den Nazarener? Ja, hij moet hier langs komen.
—O God, riep de oude man bewogen, nog eenmaal moet ik hem zien! Welk een vreeselijke dag is dit voor de wereld.
Een oogenblik later stond het geheele gezelschap in de schaduw van het huis. Zij spraken weinig, waarschijnlijk waren zij bevreesd elkander hunne gedachten mede te deelen. Eindelijk kwam de stoet in 't gezicht.
—Zie, zeide Ben-Hur op bitteren toon, die nu komen zijn Jeruzalemmers.
De voorhoede bestond uit een hoop kwajongens, die luid schreeuwden: De koning der Joden! Plaats voor den koning der Joden!
Simonides sloeg den joelenden troep een oogenblik gade en zeide ernstig: Als dezen tot hunne erfenis ingaan, dan, wee de schoone stad van Salomo!
Een afdeeling soldaten in volle wapenrusting volgde, in koele onverschilligheid rechts noch links ziende.
Toen kwam de Nazarener.
Hij scheen den dood nabij te zijn. Telkens dreigde hij neer te zinken. Zijne bloote voeten lieten bloederige sporen achter op de straatsteenen. Een houten plankje met opschrift was hem om den hals gebonden. Een kroon, van doornen gevlochten, was hem diep op het hoofd gedrukt, en uit de daardoor veroorzaakte wonden druppelde bloed. Zijn handen waren saamgebonden. Even buiten de stad was hij uitgeput neergevallen, bezweken onder den last van het zware kruishout, dat een ter dood veroordeelde verplicht was zelf te dragen naar de plaats der terechtstelling.
Thans droeg een man uit het volk het voor hem. Vier soldaten gingen naast den gevangene, om hem te beveiligen tegen de menigte, die niettegenstaande dat toch bij tijd en wijle wist door te breken, om hem met stokken te slaan en te bespuwen. Geen geluid ontsnapte aan zijnen mond, geen berisping of klacht liet hij hooren; ook zag hij niet op, totdat hij bij het huis kwam, waar Ben-Hur en zijne vrienden stonden te wachten.
Esther drukte zich tegen haren vader aan, en hij, de man zoo gewoon zich te beheerschen, beefde sterk van ontroering. Balthasar viel sprakeloos achterover. Zelfs Ben-Hur riep in zielsangst uit: O Heere God!
Alsof de Nazarener hunne gevoelens raadde, of den uitroep hoorde, keerde hij zijn lijdend gelaat naar het gezelschap, en zag hen aan, ieder afzonderlijk. Die blik bleef hun levenslang bij. Zij gevoelden, dat hij aan hen dacht, niet aan zichzelf, dat de brekende oogen hun den zegen toebaden, dien hij niet vermocht uit te spreken.
—Waar zijn uwe legioenen, zoon van Hur? vraagde Simonides plotseling opwakend.
—Daar kan Annas u beter op antwoorden dan ik.
—Wat! Zijn zij u afgevallen?
—Op deze twee na.
—Dan is alles verloren! Dan moet deze rechtvaardigen mensch sterven.
Het gelaat van Simonides werd zenuwachtig vertrokken, terwijl hij sprak. Hij liet het hoofd zinken. Met al zijne kracht had hij Ben-Hur gesteund in zijne onderneming, dezelfde hoop had hem daarbij gedragen—nu werd haar voorgoed de bodem ingedrukt.
Op den Nazarener volgden twee mannen, die insgelijks een kruis droegen.
—Wie zijn dat? vraagde Ben-Hur aan de Galileërs.
—Twee moordenaars, die veroordeeld zijn om met den Nazarener te sterven.
Vooraan in de volgende afdeeling ging de tempelwacht, dan volgden naar rang de leden van het Sanhedrin, voorts een groote menigte priesters in lange witte gewaden, met breede kleurrijke gordels.
—Zie eens hoeveel priesters! zeide Ben-Hur.
—Ja! antwoordde Simonides. Nu ik er die allen bij zie, ben ik overtuigd. Nu staat onomstootelijk bij mij vast, dat de veroordeelde, die daar heengaat met het opschrift om den hals, werkelijk degeen is, waarvoor het opschrift hem uitgeeft: De koning der Joden. Een gewoon mensch, een bedrieger, een misdadiger, werd nimmer zulk een uitgeleide gegeven. Want ziet! hem volgen de volken, Jeruzalem en Israël. Kon ik maar opstaan en hem navolgen!
Ben-Hur luisterde in stomme verbazing toe. Alsof Simonides toen eerst gewaar werd, dat hij zich tegen zijne gewoonte door zijn gevoel had laten meeslepen, zeide hij op ongeduldigen toon: Vraag wat Balthasar er van denkt, bid ik u, en laat ons gaan. Daar komt het gepeupel van Jeruzalem aan.
Toen sprak Esther: Ik zie daar eenige vrouwen, zij loopen te weenen. Wie zijn dat?
Haar vingerwijzing volgend zagen zij vier vrouwen, die bitter bedroefd volgden. Eene van haar leunde op den arm van een man met een zacht en vriendelijk uiterlijk.
Ben-Hur antwoordde: Die man is de discipel, van wien de Meester het meest houdt. De vrouw, die op zijn arm leunt, is Maria, de moeder van den Nazarener; de anderen zijn vriendinnen uit Galilea.
Met oogen vol tranen zag Esther de schreiende vrouwen na, totdat zij uit het gezicht verdwenen waren.
—Kom, zeide Simonides, laat ons verder gaan.
Ben-Hur hoorde hem niet, hij was te zeer getroffen door de tegenstelling: de woeste, bloeddorstige menschenmassa tegenover de zachtmoedigheid van den Nazarener, die het land was doorgegaan goeddoende, zieken genezende, armen weldoende. Plotseling schoot hem door de ziel hoeveel hijzelf aan dien man verplicht was. Hij dacht aan dien morgen, toen hijzelf een gevangene was, in de macht van Romeinsche soldaten, en ook, zooals hij meende, een zekeren, vreeselijken dood tegemoet ging. De verfrisschende dronk water, dien de Nazarener hem gereikt had aan de bron van Nazareth, de goddelijke uitdrukking van zijn gelaat, de wonderlijke genezing van zijne moeder en Tirza op Palmzondag, dat alles stond hem weer zoo helder voor oogen. De gedachte dat hij onmachtig was, om nu op zijne beurt hulp te brengen, deed hem pijn. Heftige zelfbeschuldigingen kwelden hem. Hij had de Galileërs beter moeten bewaken, hun hunne plichten onder 't oog moeten brengen, want nu, ach nu, was het oogenblik van handelen daar! Als hij nu zijn slag kon slaan, zou het gepeupel uiteenstuiven, de Nazarener de vrijheid herkrijgen, Israël te wapen vliegen en de kamp om Israëls vrijheid eindelijk gestreden worden. De kostbare tijd verliep, de gunstige gelegenheid ging voorbij, misschien voor altijd! O God van Abraham! Kon er dan niets gedaan worden? Niets?
Op dat oogenblik werd zijne aandacht getrokken door een troepje Galileërs. Hij baande zich een weg door de menigte en haalde hen in.
—Volgt mij, riep hij. Ik heb u wat te zeggen.
Zij gehoorzaamden en volgden hem naar zijne schuilplaats. Daar sprak hij tot hen: Gijlieden behoort tot degenen, die een zwaard van mij hebt ontvangen. Gij hebt u bereid verklaard om voor de vrijheid, voor den koning, die komen zou, ten strijde te trekken. Gij hebt uwe wapenen bij u. Nu is het tijd om ze te gebruiken. Gaat, roept onze broederen bijeen, en zegt hun, dat ik u allen op Golgotha wacht, om voor den Nazarener in de bres te springen. Haast u! De Nazarener is de koning, en de vrijheid sterft met hem.
Zij zagen hem eerbiedig aan, maar verroerden zich niet.
—Verstaat gij mij niet? vraagde hij ongeduldig.
Toen antwoordde een van hen: Zoon van Juda, gij zijt de bedrogene, niet wij, die van u de wapenen ontvingen. De Nazarener is de koning niet, en heeft ook niet den geest van een koning. Wij waren tegenwoordig bij zijn intocht in Jeruzalem, wij zagen hem in den Tempel, hij is ons en Israël bitter tegengevallen. Bij de Schoone Poort keerde hij God den rug toe en weigerde den troon van David in bezit te nemen. Hij is geen koning en Galilea, volgt hem niet. Hij moet sterven. Maar luister, zoon van Juda. Wij hebben uwe wapenen en zijn bereid het zwaard te trekken om voor de vrijheid te strijden. Laat het zijn voor de vrijheid! Dan scharen wij ons op den kruisheuvel allen rondom u.
Ben-Hur stond op een tweesprong. Had hij dit voorstel aangenomen, den vrijheidsoorlog begonnen, de wereldgeschiedenis zou misschien anders geworden zijn dan zij is; maar dan ook zou zij door menschen, niet door God geregeld zijn—iets dat nooit was, en nooit zijn zal. Hij geraakte een oogenblik in verwarring; een onverklaarbaar gevoel beving hem, hoewel hij het later aan den invloed des Nazareners toeschreef; want toen deze uit den doode was opgestaan, begreep hij dat zijn dood noodig was geweest, om het geloof aan de opstanding te bevestigen, zonder welk geloof de christenheid haar grondslag zou missen. Die oogenblikkelijke verwarring maakte hem ongeschikt om tot een besluit te komen. Hij stond daar hulpeloos, en kon geen woord uitbrengen. Hij sloeg de handen voor zijn gelaat en voelde zijn lichaam schokken door den strijd tusschen zijn wil en een hoogere macht.
—Kom, wij wachten op u! riep Simonides ten vierden male.
Als in een droom volgde hij den stoel en de draagbaar. Esther liep naast hem. Evenals Balthasar en zijne medereizigers in de woestijn werd thans ook hij voortgeleid door een onwederstaanbaren innerlijken drang.
Toen ons gezelschap den kruisheuvel bereikte, ging Ben-Hur hun voor, om hun eene plaats te bezorgen. Hoe het hem mogelijk geweest was zich een weg te banen door de menigte heeft hij nooit geweten, evenmin langs welken weg er kwam, of hoeveel tijd het hem kostte. Als een slaapwandelaar, niets hoorende noch opmerkende, was hij voortgegaan. In zulk een toestand vermocht bij al even weinig als een kind tot verhindering van de vreeselijke misdaad, waarvan hij getuige zou zijn. Gods raadsbesluiten zijn dikwijls raadselachtig, zoo ook de middelen, die Hij kiest, om zijn doel te bereiken.
Op een gegeven oogenblik maakte Ben-Hur halt. Plotseling werd de ban, die hem gevangen hield, verbroken, en kon hij het tooneel rondom zich overzien.
De top van den heuvel Golgotha had den vorm van een schedel. Het was er dor en stoffig, zonder eenigen plantengroei, met uitzondering van enkele armzalige hysopstengels. De voor de kruisiging bestemde plek was afgezet door Romeinsche soldaten, die de steeds aangroeiende menschenmassa het verder voorwaarts dringen moest beletten. Een hoofdman over honderd voerde het bevel over de soldaten. Ben-Hur was tot aan de uiterste grens der voor de toeschouwers bestemde ruimte gekomen, en stond met het gelaat naar het Noordwesten gekeerd. Waarheen hij den blik ook wendde, in het dal of op de omliggende heuvelen, overal menschen en weder menschen, duizenden wier harten in gespannen verwachting klopten, niet voor de twee moordenaars, wier lot hen onverschillig liet, maar voor hetgeen met den Nazarener gebeuren zou. Duizenden harten sloegen sneller, hetzij uit haat, uit vrees, of uit nieuwsgierigheid, nu hij, die hen allen met goddelijke liefde liefhad, voor hen in den dood zou gaan.
Op den heuvel, te midden van de tempelwacht, stond de priesterschaar, trotsch en overmoedig. Nog hoogerop den top, zoodat hij voor ieders oogen zichtbaar was, stond de Nazarener, lijdende, gebogen, stil. Een der soldaten had hem uit spotlust een riet in de hand gegeven, om als schepter dienst te doen. Gelach, gejoel, verwenschingen weerklonken van alle zijden.
Aller oogen waren op den Nazarener gevestigd. Was het uit medelijden, of uit andere oorzaak—in Ben-Hurs gemoed had een ommekeer plaats. Duidelijker en steeds duidelijker zag hij dat er iets beters is, dan het beste van dit leven—iets zooveel beter, dat het een zwakke met kracht kan aangorden, om het hevigste zielelijden, zoowel als de grootste lichaamssmarten te verduren; iets dat den dood met blijdschap kan doen verwachten. Hij moest ten laatste erkennen, dat de Nazarener gekomen was, om allen, die zich willen laten leiden, over de grens van het aardsche te voeren in het rijk, dat hem bereid was door God. Het was hem eensklaps, als hoorde hij weder de woorden van den Nazarener, toenmaals niet begrepen, en bijna vergeten: Ik ben de Opstanding en het Leven.
Telkens en telkens moest hij die woorden herhalen, zij namen vorm aan en leven.
—Wie is het Leven en wie is de Opstanding? herhaalde hij, starende op den lijdenden Meester, en eensklaps was het Ben-Hur, alsof hij antwoordde: Ik!
Terstond daarop daalde een vrede in zijne ziel, zooals hij nog nooit gesmaakt had, een vrede, die een einde maakte aan allen twijfel, aan alle hinken op twee gedachten, en het begin was van geloof en liefde en een vaste overtuiging.
Het geluid van hamerslagen wekte hem uit deze droomerige stemming. Op den heuveltop bemerkte hij, wat hem tot nu ontgaan was, eenige werklieden, die alles voor de kruisiging gereedmaakten. De kuilen waren reeds gegraven, de palen moesten alleen nog ingedreven worden.
Zeg den lieden, dat zij zich haasten, zeide een der priesters tot den hoofdman. De veroordeelden moeten voor zonsondergang dood en begraven zijn, opdat het land niet onrein worde. Dat eischt de Wet.
Een der soldaten trad op den Nazarener toe en bood hem te drinken, maar hij weigerde. Toen kwam een ander bij hem, nam hem het opschrift van den hals, en bevestigde dat aan het bovengedeelte van het kruis. Hiermede waren de voorbereidingen afgeloopen.
De kruisen zijn gereed, zeide de hoofdman tot den priester.
—Laat de godslasteraar het eerst zijne straf ontvangen, antwoordde hij. De Zoon van God moet zichzelven kunnen redden. Wij zullen zien.
De lieden, die de toebereidselen hadden kunnen gadeslaan, en tot op dit oogenblik aan hun ongeduld lucht hadden gegeven door onophoudelijk schreeuwen, zwegen op eenmaal, zoodat een doodelijke stilte ontstond. Het vreeselijk oogenblik was gekomen: de slachtoffers zouden aan het kruis genageld worden. Toen de soldaten den Nazarener aangrepen om hem te kruisigen voer den toeschouwers eene rilling door de leden; zelfs de ruwsten onder hen beefden. Later beweerden sommigen, dat de lucht plotseling afgekoeld was en hen deed huiveren.
—Wat is het benauwend stil, fluisterde Esther haar vader toe.
Hij, zich de folteringen herinnerende, die hijzelf ondergaan had, trok haar tot zich en zeide diep ontroerd: Zie een anderen kant uit, kind, kijk er niet naar. Wie weet of niet allen, die er naar zien, de onschuldigen zoowel als de schuldigen, van nu vervloekt zullen zijn.
Zich tot Ben-Hur keerende, zeide hij met toenemende ontroering: Als onze God zijne hand niet spoedig uitstrekt is Israël verloren, en zijn wij allen verloren.
Ben-Hur antwoordde kalm: Mijn geest is opgetrokken geweest, en heeft vernomen waarom dit geschieden moet. De Nazarener wil het, God wil het. Laat ons stil zijn en bidden.
Toen vestigde hij opnieuw zijne oogen op den heuvel, en het was hem als vernam hij wederom de woorden: Ik ben de Opstanding en het Leven.
Eerbiedig boog hij het hoofd, alsof werkelijk iemand tot hem gesproken had.
Intusschen werd daarboven het werk voortgezet. De wacht ontdeed den veroordeelde van zijne kleeding, zoodat hij naakt stond voor aller oog. Op den rug zag men nog de bloedige sporen der geeselslagen; toch werd hij meedoogenloos uitgestrekt op het kruis—eerst de armen op den dwarsbalk. De nagelen waren scherp, met een paar slagen waren zij door de handpalmen gedreven. De knieën werden opgetrokken, totdat de voetzolen tegen den paal rustten, de eene voet werd op den anderen gelegd, en een nagel door beide gedreven. Dof klonken de hamerslagen. Zij, die 't niet konden hooren, zagen toch den hamer vallen en beefden van vrees. Het slachtoffer van deze gruweldaad liet geen kreet, geen woord van tegenspraak hooren, niets, waarover een vijand kon spotten, of dat een vriend moest bejammeren.
—In welke richting moet hij zien? vraagde een soldaat.
—Met het aangezicht naar den Tempel, antwoordde een der priesters. Stervend moet hij zien, dat het heiligdom niet door hem geleden heeft.
De werklieden namen het kruis op en droegen het naar de plaats, waar het in den grond gezet moest worden. Op een gegeven oogenblik zetten zij het overeind in den daarvoor bestemden kuil. Daar hing dan nu het lichaam van den Nazarener in zijn volle zwaarte aan de bloedende handen. Nog uitte hij geen kreet van smart—alleen een bede kwam over zijne lippen: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.
Met luid gejuich werd het kruis, thans voor ieder zichtbaar en scherp tegen de lucht afgeteekend,begroet, en allen, die het opschrift konden lezen, haastten zich het te ontcijferen. Die het gelezen had, deelde het aan zijn buurman mede, en zoo ging het van mond tot mond, tot groot vermaak der menigte. Van alle kanten hoorde men: Wees gegroet, gij koning der Joden!
De priesters echter, die het gewicht van dit opschrift beter begrepen, verzochten den hoofdman het te verwijderen, maar tevergeefs; en aldus moest de stervende Koning noemen op de stad zijner vaderen, die hem zoo schandelijk ondankbaar had uitgeworpen. Dicht bij het kruis stonden eenige weenende vrouwen, waaronder zijne moeder met den discipel die hij liefhad. Hen ziende, riep hij zijne moeder toe: Vrouw, zie uwen zoon. En tot den discipel: Zie uwe moeder.
Nu werden ook de twee moordenaars gekruisigd, een ter rechterzijde en een ter linkerzijde van den Koning der Joden. Het volk intusschen spotte en riep: Ha, als gij de koning der Joden zijt, verlos dan uzelven, en kom af van het kruis!—Ja, zeide een priester, als hij dat doet, zullen wij in hem gelooven.—Anderen schudden het hoofd, zeggende: Hij wilde den Tempel afbreken en in drie dagen weder opbouwen, maar zichzelven kan hij niet verlossen.—En verder anderen: Hij heeft zichzelven den Zoon van God genoemd; laat ons zien, of God hem zal redden!—Zoo beschimpte en hoonde hem het volk, en ook de oversten en de soldaten bespotten hem en riepen: Indien gij de koning der Joden zijt, zoo verlos uzelven!—Zelfs een der boosdoeners, die gekruisigd waren, lasterde hem en zeide: Indien gij de Christus zijt, verlos uzelven en ons!
De omstanders lachten en juichten hen toe, en toen zij zich stilhielden, om te hooren of er antwoord komen zou, zeide de andere moordenaar: Vreest gij ook God niet? Wij ontvangen straf naar wat wij gedaan hebben; maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. De toehoorders waren verbaasd, maar hunne verbazing zou nog grooter worden; want de moordenaar zeide tot den Nazarener: Heer, gedenk mijner, wanneer gij in uw koninkrijk komt.
Simonides ontstelde hevig. Wanneer gij in uw koninkrijk komt!... dat was het punt van verschil tusschen Balthasar en hem, waar zij zoo dikwijls over gesproken hadden, waar zij het nooit eens over konden worden.
—Hebt gij dat gehoord? vraagde Ben-Hur hem. Het koninkrijk kan dus niet van deze wereld zijn. Die man getuigt, dat de koning zoo aanstonds zijn koninkrijk zal binnengaan ... dat is hetzelfde wat ik in mijn droom hoorde.
—Stil! zeide Simonides, stil, bid ik u! Misschien antwoordt de Nazarener daar op.
Het antwoord kwam werkelijk. Met luide, heldere stem zeide de koning: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, heden zult gij met mij zijn in het paradijs!
Simonides luisterde ademloos toe, of er nog wat op volgen zou. Toen vouwde hij de handen en zeide: 't is genoeg, o Heer, 't is genoeg! De nevel is opgetrokken. Ik zie met andere oogen, met oogen des geloofs, zooals Balthasar.
De trouwe dienstknecht had ten laatste zijn loon ontvangen. Werd zijn verbrijzeld lichaam ook niet geheeld, werd de herinnering van het doorgestane lijden, van de jaren in bitterheid des gemoeds doorgebracht, niet van hem genomen—een nieuw licht was voor hem opgegaan, een nieuw leven had hij leeren kennen, een leven na dit tijdelijke. Paradijs heette het! Daar zou hij het koninkrijk vinden, waarvan hij gedroomd had—en den koning. Een volkomen vrede daalde neder in zijn hart.
Onder de priesters echter heerschten verbazing en schrik. Hoe nu? Zij hadden den Nazarener aan het kruis doen nagelen, omdat hij zich voor den Messias uitgegeven had; en zie, aan het kruis hield hij niet alleen die bewering vol, maar beloofde daarenboven nog het Paradijs aan een misdadiger!... Huns ondanks verbleekten zij. Vanwaar had deze mensch zijn vertrouwen, zoo hij niet in de Waarheid stond? En de Waarheid—was dat niet God? Er behoefde niet veel bij te komen om hen allen op de vlucht te jagen.
De zon had de middaghoogte bereikt. De tempel, de paleizen, de torens groot en klein, straalden in ongeëvenaarden glans. Eensklaps werd de lucht verduisterd. In den beginne nauw merkbaar nam de schemering toe en trok ieders aandacht. Het lachen en spotten verstomde, men zag elkander vragend aan, men hief de oogen op naar den hemel, men zocht de zonneschijf, men staarde naar de bergen—overal hetzelfde vreemde verschijnsel.
—Het is slechts een mist, of een voorbijtrekkende wolk, zeide Simonides, om Esther gerust te stellen. Het zal dadelijk voorbij zijn.
Ben-Hur was van een ander gevoelen. Het is niet een mist of voorbijtrekkende wolk, zeide hij. De geesten in de lucht, de profeten en heiligen verduisteren de zon, opdat de natuur en zijzelven niet langer het akelig schouwspel zouden zien. Ik zeg u, Simonides, zoo waarachtig de Heer onze God leeft, hij die daar hangt is de Zoon van God!
Dit gezegd hebbende wendde hij zich tot Balthasar, die op de knieën lag, en legde de hand op zijnen schouder. Wijze Egyptenaar, hoor mij! Gij alleen hadt gelijk—de Nazarener is waarlijk Gods Zoon.
Balthasar trok hem tot zich en antwoordde met zwakke stem: Ik zag hem als een kind in de kribbe liggen, het is dus niet vreemd, dat ik hem eerder kende dan gij! maar o! dat ik dezen dag beleven moet! Ach, dat ik met mijne broeders gestorven ware! Gelukkige Melchior! Gelukkige Caspar!
—Wees getroost, zeide Ben-Hur. Misschien zijn zij hier ook tegenwoordig!
De tijd verliep, maar er kwam geen verandering in het geheimzinnig duister.
—Laat ons naar huis gaan, bad Esther ten tweeden en ten derden male. God toont ons zijn ongenoegen, vader. Ik ben bang, en wie weet wat er nog verder gebeuren zal.
Maar Simonides wilde niet; integendeel, toen hij bemerkte, dat vele menschen heengingen, drong hij er op aan, dat Balthasar en Ben-Hur hem tot dichter bij het kruis zouden volgen.
De soldaten, die de wacht hielden, gevoelden zich ook niet op hun gemak. Gedurig zagen zij naar dien éénen kruiseling—een bijgeloovige vrees beving hen. De priesters en schriftgeleerden stonden dicht opeen geschaard. Het vreemde natuurverschijnsel bracht een geduchten stoot toe aan hun zelfvertrouwen. Verscheidene van hen waren goed onderwezen in de sterrenkunde, en vertrouwd met veel wat de groote massa in die dagen schrik aanjoeg. Toen het zonnelicht begon te verflauwen toonden zij zich uitermate verbaasd, en overlegden met elkander wat het wezen kon. Niet een zonsverduistering, meenden zij, want het was volle maan. En daar geen van hen een antwoord had op de vraag die aller hart vervulde, daar geen van hen de duisternis op dat uur verklaren kon, verbonden zij haar in het diepst hunner ziel met den Nazarener.
Hoe langer het natuurverschijnsel duurde, hoe angstiger zij werden. Geen enkele beweging van den Nazarener ontging hun oog; niet dan fluisterend durfden zij met elkander spreken. Als hij eens werkelijk de Messias was, wat dan?
Bevend wachtten zij op de dingen, die komen zouden.
Ben-Hur bad, dat het einde verhaast mocht worden. Hij merkte dat Esther zich aan haren vader vastklemde, haar angst onderdrukkende om hem niet te hinderen.
—Wees niet bang, hoorde hij Simonides zeggen. Blijf, en wacht met mij. Al wordt gij tweemaal zoo oud als ik, gij zult nimmer iets zien, dat van zoo groot gewicht is voor de menschenwereld, en er kunnen nog meer openbaringen komen. Laat ons tot het einde blijven.
Twee en een half uur waren verstreken. De ademhaling van den Nazarener werd zwaarder; het einde naderde. Zoo kort nog maar aan het kruis, en nu reeds stervende? De tijding ging van mond tot mond, toen werd alles stil. De wind ging liggen, een verstikkende damp vervulde de lucht, bij de duisternis kwam nog die benauwende hitte. Daar hoorde men op eens van het kruis de droeve, ach, zoo droeve klacht: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?
De stem schrikte allen op, die haar hoorden. Eén vooral sneed zij door de ziel. Bij de soldaten stond een vat, gevuld met wijn en water. Gevoelden zij zich uit medelijden opgewekt om een der lijders een lafenis te brengen, dan konden zij met een spons de lippen der ongelukkigen bevochtigen.
Terwijl Ben-Hur die mogelijkheid overdacht, en zich daarbij herinnerde hoe de Nazarener hem bij de bron te Nazareth verkwikt had, riep deze: Mij dorst!
Nu bedacht Ben-Hur zich niet langer. Haastig de spons en den daarbij behoorenden rietstok grijpende, doopte hij de spons in den wijn en snelde naar het kruis.
—Houd op! riepen de omstanders. Houd op!
Zonder op hen te letten liep hij door en bracht de spons aan de lippen van zijnen Heer. Nu kon hij duidelijk het gelaat van den stervende zien. Door bloed bevlekt blonk het niettemin met een bovenaardschen glans. De oogen waren wijd geopend en gevestigd op iets voor hem alleen zichtbaar in de verre hemelen. Voldoening, ja triomf, spraken uit het woord, dat het slachtoffer nu deed hooren: Het is volbracht!
Zoo sterft een held, na het volbrengen van een groote daad, met een juichtoon op de lippen.
Reeds begonnen de oogen te breken; langzaam zonk het gekroonde hoofd op de hijgende borst. Ben-Hur dacht, dat de strijd volstreden was, maar de scheidende ziel spande zich nog eenmaal in, en de omstanders hoorden deze woorden: Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest.
Eene rilling voer den stervende door de leden, een luide smartkreet ontsnapte de beknelde borst ... toen was het werk, het aardsche leven, afgeloopen.
Ben-Hur keerde tot zijne vrienden terug en zeide eenvoudig: Het is gedaan, hij is dood.
In een ongelooflijk korten tijd wisten alle aanwezigen het. Het volk had zijn zin, de Nazarener was dood; toch zagen zij elkander ontzet aan. Zijn bloed was over hen gekomen! En terwijl zij elkander aanstaarden begon de grond te beven. Een ieder greep zijn buurman aan om staande te blijven. In een oogwenk was de duisternis verdwenen en kwam de zon weder te voorschijn. Voor de oogen der beangsten was het, alsof het middelste kruis op den heuveltop zich al hooger en hooger in de blauwe lucht verhief en met zijn last tot aan den hemel reikte. En ieder die den Nazarener bespot had, ieder, die hem geslagen had, die ingestemd had met den kreet: kruis hem! kruis hem!—ieder, die in den stoet had meegeloopen, ieder, die hem in zijn hart dood gewenscht had, kreeg een gevoel, alsof hijzelf meer dan iemand anders schuld had aan het gebeurde, en hij zich, als zijn leven hem lief was, zoo spoedig mogelijk uit de voeten moest maken. Zij haastten zich om weg te komen. Zij sloegen op de vlucht, te paard, te voet, in wagens. Maar de aardbeving vervolgde hen, alsof zij vertoornd was over hetgeen zij gedaan hadden, en opkwam voor de zaak van den onschuldig ter dood gebrachte. Zij wierp hen terneer, en deed het bloed in hunne aderen stollen door het onheilspellend gekraak en gerommel onder hunne voeten. Zij sloegen op hunne borst en schreeuwden van vrees. Zijn bloed was op hen gekomen! De geboren Jeruzalemmer, de vreemdeling, priester, leek, Sadduceër en Farizeër, allen tuimelden over en door elkander. Riepen zij tot God, zoo antwoordde de verwoede aarde in toorn en behandelde hen allen gelijkelijk,—het bloed van den Nazarener was over hen allen gekomen!
Toen de rust wedergekeerd was op den kruisheuvel, zag men daar alleen nog den discipel, dien Jezus liefhad, de vrouwen die Hem gevolgd waren van uit Galilea, den hoofdman en zijne soldaten, en Ben-Hur met zijne vrienden. Deze laatsten hadden geen tijd om de vluchtelingen na te zien: zij hadden zelf genoeg te doen.
—Zet u hier neder, zeide Ben-Hur tot Esther, haar een plaats bereidend aan de voeten haars vaders. Bedek uw gelaat en zie niet op, maar vestig uw vertrouwen op God en op den rechtvaardige, die zoo schandelijk vermoord is.
—Neen, zeide Simonides eerbiedig, laat ons voortaan van hem spreken als van den Christus.
—Zoo zij het, antwoordde Ben-Hur.
Plotseling schudde de heuvel onder hen. Het angstgeschreeuw der twee moordenaars was vreeselijk om aan te hooren. Ofschoon duizelig van den schok had Ben-Hur tijd om naar Balthasar te zien, en zag hem onbewegelijk op den grond liggen. Hij ging naar hem toe en riep hem bij name—geen antwoord. De goede man was dood!
Toen herinnerde Ben-Hur zich, dat hij een luiden kreet gehoord had, alsof hij een terugslag was op het laatste woord van den Nazarener, maar hij had er op dat oogenblik niet verder over nagedacht. Thans begreep hij het: de geest van den Egyptenaar had des Meesters geest begeleid tot over de grenzen van zijn koninkrijk, eene eer hem vergund na het lange leven in geloof, liefde en goede werken.
De bedienden van Balthasar hadden hun meester alleen gelaten, en waren gevlucht, maar toen alles was afgeloopen droegen de twee Galileërs den doode naar de stad terug.
Het was een droevige stoet, die op dien gedenkwaardigen dag de zuidpoort van het paleis Hur tegen zonsondergang binnentrok. Ongeveer op hetzelfde uur werd het lichaam des Heren afgenomen van het kruis.
Het stoffelijk overschot van Balthasar werd in de zaal nedergelegd. Alle bedienden beweenden hem oprecht, want hij bezat de liefde van allen met wie hij verkeerd had; maar toen zij zijn gelaat zagen, zoo tevreden en gelukkig, droogden zij hunne tranen, zeggende: Het is wèl met hem. Hij is nu gelukkiger dan van morgen.
Ben-Hur wilde Iras in eigen persoon den dood haars vaders mededeelen. Hij stelde zich hare droefheid voor; zij was nu alleen in de wereld. Dit was het oogenblik om haar vergiffenis te schenken en te beklagen. Hij herinnerde zich, dat hij verzuimd had te vragen waarom zij zich dien morgen niet bij het gezelschap had gevoegd. Hij had zelfs niet aan haar gedacht. Daarover beschaamd was hij bereid alles goed te maken, te meer nu hij een treurmare had te brengen.
Hij schudde den voorhang van hare deur; de schelletjes rinkelden, maar hij ontving geen antwoord. Hij riep haar bij den naam, riep nogmaals, maar alles bleef stil. Hij schoof het gordijn ter zijde, en ging naar binnen. Zij was er niet. Hij klom haastig naar het platte dak om haar te zoeken, ook daar was zij niet. Hij ondervraagde de bedienden, doch geen van hen had haar dien dag gezien. Nadat hij het geheele huis doorzocht had keerde Ben-Hur terug naar de zaal, nam de plaats naast den doode in, waar zij had behooren te zitten, en overdacht de groote barmhartigheid van Christus voor zijn trouwen dienstknecht. Bij de poort van het Paradijs blijven alle droefheden dezes levens, ook verlatenheid en veronachtzaming terug. Zij bestaan niet meer voor hen, die de rust zijn ingegaan.
Toen de begrafenis was afgeloopen, op den negenden dag na de reiniging zijner moeder en zuster, en de wet vervuld was, bracht Ben-Hur beiden thuis, en van dien dag bogen allen in dat huis zich in aanbidding neder voor God den Vader en zijn Zoon Jezus Christus.
Vijf jaren na de kruisiging zat Esther, de echtgenoote van Ben-Hur, in het woonvertrek van de schoone villa bij Misenum, die hij teruggekocht had. Het was middag. De warme Italiaansche zon koesterde de rozen en wingerden in den tuin. De kamer was naar Romeinsche wijze ingericht, doch Esther zelve droeg de kleederen eener Joodsche vrouw. Op een leeuwenhuid, in een hoek uitgespreid, zaten twee kindertjes te spelen met Tirza.
De tijd had Esther vriendelijk behandeld. Zij was schooner dan ooit en straalde van geluk.
Daar trad een bediende binnen en zeide: In het atrium staat eene vrouw, die u verlangt te spreken.
—Laat zij binnenkomen. Ik zal haar hier ontvangen.
De vreemde kwam binnen. Esther stond op en wilde haar toespreken, doch aarzelde, verschoot van kleur en week achteruit, zeggende: Ik heb u vroeger meer gezien. Gij zijt....
—Ik ben Iras, de dochter van Balthasar.
Esther overwon haar tegenzin en bood de bezoekster een zetel aan.
—Neen, zeide Iras koel. Ik blijf maar kort.
De twee vrouwen zagen elkander onderzoekend aan. De arme Iras was zeer vervallen. Nog bezat de slanke gestalte haar vroegere gratie, maar haar wezen droeg den stempel van een in zonde doorgebracht leven. De uitdrukking van haar gelaat was brutaal, de groote oogen somber, de wangen kleurloos. Een harde trek lag om haar mond, en een algeheele verwaarloozing maakte haar oud voor haar tijd.
—Zijn dat uwe kinderen? met deze vraag verbrak zij het stilzwijgen.
Esther wendde den blik naar hen en glimlachte. Ja, wilt gij ze niet zien?
—Ik zou ze maar verschrikken.
Toen kwam zij dichter bij Esther, en daar deze onwillekeurig terugweek, zeide zij : Wees niet bang. Ik heb een boodschap voor uw man. Zeg hem, dat zijn vijand dood is, dat ikzelf hem gedood heb, om de matelooze ellende, die hij over mij gebracht heeft.
—Zijn vijand?
—Ja, Messala. Zeg uw man verder, dat ik voor het nadeel, dat ik hem heb willen berokkenen, zoo zwaar gestraft ben, dat zelfs hij mij beklagen zou.
De tranen kwamen Esther in de oogen; zij wilde spreken.
—Neen, zeide Iras, ik vraag geen tranen of medelijden. Zeg hem ten slotte, dat volgens mijne ondervinding een Romein geen mensch is maar een beest. Vaarwel!
Zij keerde zich om en wilde heengaan, Esther volgde haar.
—Blijf nog wat, en wacht totdat mijn man thuis komt. Hij is niet boos op u. Hij heeft overal naar u gezocht. Hij zal uw vriend wezen, ik zal uwe vriendin zijn. Wij zijn christenen.
Maar de andere wilde niet.
—Neen, zeide zij, wat ik ben werd ik door eigen keus. Het zal niet lang meer duren.
—Maar, zeide Esther aarzelend, kunnen wij dan niets voor u doen? Kan ik niets....
Het gelaat der Egyptische verzachtte, een flauwe glimlach speelde om haren mond. Zij zag naar den grond. Ja, zeide zij, ik zou....
Esther Volgde haar blik, en begrijpende wat in haar omging, zeide zij: Doe het maar.
Iras ging tot hen en kuste beiden. Toen ging zij zwijgend naar de deur en was verdwenen, voordat Esther haar kon tegenhouden.
Toen Ben-Hur dit bezoek vernam, werd hem zekerheid wat hij reeds lang vermoed had, namelijk dat Iras op den dag der kruisiging haar vader verlaten had om Messala te volgen. Hij ging terstond op weg en deed overal onderzoek naar haar. Tevergeefs. Zij zagen of hoorden nooit meer van haar. De blauwe wateren, stralende in den zonneschijn, hebben hunne geheimen. Konden zij spreken, misschien zouden zij ons vertellen waar de Egyptische gebleven was.
Simonides leefde nog verscheidene jaren. In het tiende jaar van Nero's regeering legde hij zijne betrekking als hoofd van het handelshuis te Antiochië neer. Tot het laatst was zijn hoofd helder gebleven en zijn hart goed, en had bij voorspoed gehad bij al wat hij ondernam.
Op zekeren avond van datzelfde jaar zat hij in zijn rolstoel op het welbekende terras te Antiochïe, met zijn kinderen en kleinkinderen. Het laatste van zijne schepen lag voor anker, al de anderen waren verkocht. In de vervlogen jaren hadden zij slechts eenmaal droefheid gekend, en dat was, toen de moeder van Ben-Hur stierf. Hun christelijk geloof had hen die smart stil doen dragen en op een blijde hereeniging leeren hopen.
Het zooeven besproken schip was den vorigen dag aangekomen, en had droevige berichten medegebracht over de vervolging der Christenen door Nero te Rome. Het gezelschap zat de zaak te bespreken, toen Malluch, de oude getrouwe, boven kwam, en Ben-Hur een pakket brieven overhandigde.
—Wie brengt dat? vraagde hij na het vluchtig ingezien te hebben.
—Een Arabier.
—Waar is hij?
—Hij vertrok onmiddellijk.
—Luister, zeide Ben-Hur tot Simonides, en las het volgende: