Het beeld van Daphne links latende liggen begaf hij zich naar een boschje van cypressen, hoog en statig als de masten van een schip. Op eens weerklonk een vroolijk trompetgeschal. Rondziende om de oorzaak te ontdekken zag hij den Jood, dien hij eenige uren geleden ontmoet had, in het gras liggen. De man stond op en kwam naar hem toe.
—Nogmaals, vrede zij u, zeide hij vriendelijk.
—Dank u, antwoordde Ben-Hur en vraagde toen: Gaat gij mijn weg?
—Ik ben op weg naar de renbaan, als dat uw weg is.
—De renbaan!
—Ja, het trompetgeschal, dat gij zooeven gehoord hebt, was het signaal voor de mededingers.
—Goede vriend, zeide Ben-Hur levendig, ik ben hier onbekend. Als gij mij toestaat u te volgen zal het mij zeer verheugen.
—Het zal mij een groot genoegen wezen. Hoor! Daar gaan de wagens reeds.
Ben-Hur luisterde even, en stelde zich toen aan den nieuwen bekende voor, zeggende: Ik ben de zoon van Arrius, den duumvir, en gij?
—Ik ben Malluch, een handelsbediende uit Antiochië.
—Wel goede Malluch, die trompet en het gerammel van wielen, en het vooruitzicht van een wedren wekken mij geheel op. Ik heb eenige ervaring van die spelen en ben niet onbekend in de renperken van Rome. Laat ons gaan.
Malluch bleef even staan, en zeide: De duumvir was een Romein en zijn zoon draagt de kleeding van een Jood?
—De edele Arrius was mijn pleegvader, zeide Ben-Hur.
—O zoo; vergeef mij zoo ik nieuwsgierig scheen.
Zij verlieten het bosch en kwamen aan een uitgestrekt veld, dat tot renbaan was ingericht. Ten gerieve der toeschouwers was aan weerszijden voor overdekte staan- en zitplaatsen gezorgd, de laatste amphitheaterswijze.
Ben-Hur telde de wagens, die de baan inreden, negen in 't geheel.
—Ik wensch de menners geluk, zeide hij opgeruimd. Ik dacht dat men zich hier in 't Oosten vergenoegde met een tweespan; maar zij zijn eerzuchtig en wagen zich aan de vorstelijke vier. Laat ons zien wat zij er van maken.
Acht vierspannen gingen voorbij, sommige stapvoets, andere in draf, uitnemend bestuurd. Toen naderde het negende in vollen galop.
Ben-Hur uitte een kreet van bewondering. Ik ben in de keizerlijke stallen geweest, Malluch, zeide hij; maar bij onzen vader Abraham, zulke paarden zag ik nimmer.
Pijlsnel vlogen zij voorbij. Een oogenblik later geraakten zij eensklaps in de war. Achter zich hoorde Ben-Hur een kreet van woede. Hij keerde zich om en zag op een van de bovenste banken een grijsaard, ter prooi aan de grootste opgewondenheid. Een lange, witte baard golfde hem op de borst. Sommige der omstanders begonnen te lachen.
—Zij moesten ten minste achting hebben voor zijn baard.... Wie is hij? vraagde Ben-Hur.
—Een aanzienlijk man uit de woestijn. Sheik Ilderim heet hij, eigenaar van vele kameelen. Zijn paarden, zegt men, zijn van het zuiverste ras, afstammelingen van de beste renners van den eersten Pharao, antwoordde Malluch.
De menner deed intusschen al wat hij kon om zijn vierspan tot kalmte te brengen, maar tevergeefs. Elke mislukte poging maakte den Sheik onrustiger.
—Abaddon! riep hij met schelle stem tot een zijner dienstknechten, gauw, haast u! Grijp ze! Loop! Hoort gij mij niet? Het zijn vrije kinderen der woestijn, evenals gijzelf!
De paarden werden wilder en wilder.
—Vervloekte Romein! riep de Sheik en balde de vuist tegen den menner; zwoer hij niet bij al zijn valsche goden, dat hij wist hoe men er mee om moet gaan?... Blijf van mij af, zeg ik!... Ik wil het zeggen dat iedereen het hoort.... Zij zouden als arenden vliegen, zei hij, en toch zacht zijn als jonge lammeren. Vervloekt zij hij! Zie hen aan, de weergaloozen! Als hij waagt hen met de zweep aan te raken, dan—
Het overige van den zin ging verloren in woedend tandengeknars. Abaddon! riep hij een oogenblik later, Asalthiël! Gaat dan toch en houdt ze tegen! Spreekt tot hen! Eén woord is voldoende! O dwaas, die ik was, om een Romein te vertrouwen!
Ben-Hur, die den Sheik meende te begrijpen, kon voor hem gevoelen. Hij wist dat niet zoozeer gekwetste ijdelheid, niet angst over den uitslag van den wedren, hem in zulk een toestand bracht; maar de bezorgde teedere liefde voor zijn dieren, die bij den woestijnbewoner gewoonlijk aan hartstocht grenst.
't Waren dan ook prachtexemplaren, kastanjebruin van kleur, volmaakt gelijk aan elkander, en zoo goed geëvenredigd, dat zij kleiner toonden, dan zij werkelijk waren. De kleine koppen, fijne ooren, de wijdgeopende neusgaten, vuurrood van binnen, de sierlijk gewelfde halzen, de prachtige dikke manen, die tot op de schouders en borst neerhingen, terwijl de voorhoofdlokken aan uitgerafelde zijde deden denken, de schoon gevormde pooten—alles kenmerkte het edelste Arabische ras. Wild steigerend sloegen zij de lucht met hun glanzig zwarte, dikke, lange staarten. De Sheik noemde ze weergaloos, en hij had gelijk.
Bij deze tweede en nadere beschouwing begreep Ben-Hur ten volle in welke verhouding de dieren tot hun meester moesten staan. Opgegroeid onder zijn oog, het voorwerp van zijne bijzondere zorgen bij dag, het onderwerp zijner droomen bij nacht, met zijn gezin de zwarte tent in de woestijn deelende, had hij hen lief als zijne kinderen. Opdat zij hem een triomf over de hooghartige, gehate Romeinen zouden doen behalen, had de oude man zijn lievelingen naar de stad gebracht. Hij twijfelde niet aan hunne overwinning, als hij maar een vertrouwbaren wagenmenner kon vinden, die behalve de bekwaamheid ook den tact bezat om met hen om te gaan. Het was hem, den Sheik en Arabier, onmogelijk koel toeschouwer te blijven, en later den onhandige met een scherpe vermaning weg te zenden, zooals een Westerling allicht zou gedaan hebben,—hij moest zijn woede openlijk lucht geven.
Nog voordat de Sheik van zijne drift bekomen was, hadden een dozijn handen de paarden bij 't gebit gegrepen en tot staan gebracht. Thans verscheen de tiende wagen in de renbaan. In afwijking van de andere waren hier menner, wagen en paarden geheel uitgedost zooals zij op den dag van den wedstrijd in den circus zouden verschijnen.
Daar de Romeinschen strijdwagens algemeen bekend zijn behoeven wij ze hier niet nader te beschrijven. De eerste mededingers waren stilzwijgend ontvangen; toen deze laatste de baan inreed klapten verscheidene toeschouwers in de handen en juichten hem luide toe, zoodat weldra de algemeene aandacht op hem gevestigd was. De twee middelste paarden waren zwart, de twee buitenste sneeuwwit. Hunne staarten waren op Romeinsche manier kort gesneden, evenzoo hunne manen, die daarenboven met roode en gele linten doorvlochten waren. De wagen zelf was een waar kunststuk. Het schoone geheel trok ten zeerste Ben-Hurs aandacht, en de menner—wie kon dat zijn? De toejuichingen deden vermoeden dat hij een aanzienlijk persoon, misschien wel een vorst was. Men zal zich herinneren dat zelfs de keizers Nero en Commodus gaarne deelnamen aan wedrennen. Ben-Hur stond op en drong door tot de onderste rij, vlak bij de borstwering.
Nog een paar minuten en hij kreeg den wagenmenner vlak in 't gezicht. Deze had een vriend naast zich, in de taal der klassieken een Myrtilus geheeten, hetgeen mannen van aanzien, die aan wedrennen deelnamen, geoorloofd was. Ben-Hur kon alleen den menner zien, recht overeind staande in zijnen wagen, de teugels verscheidene malen om zijn lichaam gewonden. Hij droeg een lichtroode tunica, in de rechterhand hield hij de zweep, in de linker de vier leidsels. De houding was uitermate sierlijk en opgewekt. Toejuichingen en handgeklap werden met kalme onverschilligheid ontvangen. Ben-Hur stond aan den grond genageld—zijn instinct en geheugen hadden hem niet bedrogen: dat was Messala.
Aan de keus der paarden, aan den prachtigen wagen, aan de houding, bovenal aan de trotsche uitdrukking op het koele, scherpe gelaat, zag Ben-Hur, dat Messala onveranderd dezelfde gebleven was: hooghartig, overmoedig, eerzuchtig, cynisch, onverschillig.
Toen Ben-Hur zich met anderen gereedmaakte om heen te gaan, stond een Arabier op en riep met luide stem: Gij mannen van het Oosten en van het Westen, hoort! De goede Sheik Ilderim groet u. Met vier paarden, zonen van Koning Salomo's lievelingsrossen, kwam hij naar Antiochië om aan de wedrennen deel te nemen. Hij heeft een bekwaam menner noodig voor zijne paarden. Wie ze naar wensch voor hem besturen wil zal hij met rijkdom overladen. Maakt dit aanbod bekend, hier, daar in de stad, in den circus, overal waar de sterken samenkomen. Zoo zegt mijn meester, Sheik Ilderim de Edelmoedige.
De proclamatie verwekte veel beweging. Vóór den nacht zou zij zeker alom in Antiochië besproken worden. Ben-Hur keek besluiteloos van den heraut naar den Sheik. Malluch dacht dat hij zich aan zou melden, en voelde zich werkelijk verlicht, toen de jonkman zich tot hem keerde met de vraag: Waar nu heen?
Malluch antwoordde lachend: Indien gij als anderen wilt doen, die het Park voor de eerste maal bezoeken, dan laat u vóór alle dingen waarzeggen.
—Waarzeggen? Dat klinkt wel wat heidensch; maar 't zij zoo. Laat ons naar de godin gaan.
—Neen, zoon van Arrius, deze Apollodienaars hebben een betere manier dan dat. In plaats van een samenspraak met een Pythia of Sibylle, verkoopen zij u een gewoon papyrusblad, slechts even gedroogd. Dat laten zij u in het water dompelen van een zekere bron, waarna gij er, in een versje, uwe toekomst op voorspeld vindt.
Ben-Hur, die eerst met belangstelling geluisterd had, antwoordde op somberen toon: Sommige menschen behoeven zich niet over hunne toekomst te bekommeren.
—Wilt gij dan liever naar de tempels gaan?
—De tempels zijn Grieksch, niet waar?
—Zoo noemt men ze ten minste.
—De Grieken zijn meesters in de schoone kunsten, maar in de bouwkunst hebben zij de afwisseling opgeofferd aan strakke schoonheid. Hun tempels zijn alle volkomen hetzelfde. Hoe heet de bron waar gij van verteldet?
—Castalia.
—O, die! Ja, die is over de gansche aarde beroemd. Daarheen dus.
Malluch sloeg, onder het gaan, zijn metgezel in stilte gade, en bemerkte dat zijn opgewektheid voor het oogenblik althans verdwenen was. Voor de wandelaars had hij geen oog; de wonderwerken, die zij voorbijgingen, ontlokten hem geen enkelen uitroep van verbazing. Zwijgend, ja gemelijk vervolgde hij zijnen weg.
Die verandering van stemming was aan de onverwachte verschijning van Messala te wijten. Het verledene stond hem op eens zoo levendig voor den geest. Het scheen hem nauwelijks een uur geleden, dat men hem met geweld van zijne moeder wegrukte, nauwelijks een uur geleden, dat de Romein zijn ouderlijk huis liet dichtspijkeren. Hij herdacht de drie vreeselijke jaren op de galeien, waarin hij behalve zijn werk weinig anders te doen had, dan van wraak te droomen, waarvan Messala het middelpunt was. Gratus, was hij gewoon tot zichzelven te zeggen, mocht desnoods ontsnappen; maar Messala—nooit! Want wie, zoo vraagde hij telkens weer opnieuw, wees ons aan, toen de vervolgers het huis binnendrongen? En toen ik smeekte om hulp, niet voor mijzelf, wie bespotte mij toen en ging lachend heen?... En altijd weer eindigden die overleggingen met de bede: Ten dage dat ik hem ontmoet, o God van Jakob, help mij dan! Help mij een gepaste wraak te vinden!
En nu was de ontmoeting nabij! Misschien zou Ben-Hur er anders over gedacht hebben als hij Messala arm en lijdend had teruggevonden; maar dat was niet het geval. Hij vond hem op het toppunt van glorie, van aanzien en macht.
Wat Malluch dus voor een voorbijgaande neerslachtigheid hield, was ernstig overleg wanneer hij zich tegenover Messala zou kunnen stellen en op welke wijze hij die ontmoeting tot een onvergetelijke zou kunnen maken.
Na een poosje kwamen zij aan een breede eikenlaan, druk bezocht door groepjes wandelaars, paardrijders, vrouwen in draagstoelen. Aan het einde der laan daalde de weg zacht glooiend af in een groene vlakte, die aan de eene zijde door een steilen rotswand afgesloten was. Hier bevond zich de beroemde bron Castalia.
Ben-Hur baande zich een weg door de menigte, die zich rondom de bron verdrong. Een zwart marmeren bassin ving het water op, dat met kracht uit de rots stroomde, om na veel borrelen en schuimen als door een trechter te verdwijnen.
Naast het bassin zat onder een rots uitgehouwen afdak een priester. De lange baard, en de kap, die zijn hoofd bedekte, gaven hem het voorkomen van een kluizenaar. Uit de gedragingen der omstanders kon men moeilijk opmaken wat hier eigenlijk het aantrekkingspunt was, de altijd vlietende bron, of de altijd aanwezige priester. Hij hoorde, zag, werd gezien, maar sprak nooit. Bij tijd en wijle bood een bezoeker hem een geldstuk aan, waarvoor de priester een papyrusblad in ruil gaf. De kooper haastte zich dan om het blad in het bekken te doopen, hield het vervolgens tegen het licht, om weldra beloond te worden met de verschijning van eenige dichtregelen, en al had die poëzie meestal weinig verdienste, de goede naam der bron leed er niet onder.
Voordat Ben-Hur echter het orakel kon raadplegen naderde een nieuw gezelschap, welks verschijning de algemeene nieuwsgierigheid opwekte.
Een groote witte kameel, geleid door een drijver te paard, droeg op den rug een buitengewoon breede, rijk met goud versierde zonnetent. Twee andere ruiters, met lange speren in de hand, volgden de kameel.
—Wat een mooi dier! zeide iemand.
—Zeker een vreemde vorst, zeide een ander.
—Neen, een koning.
—Een koning zou op een olifant zitten!
—Bij Apollo, vrienden, zeide een vijfde, 't zijn geen koningen of vorsten, 't zijn twee vrouwen!
Terwijl de lieden er zich nog druk over maakten, hadden de vreemdelingen de bron bereikt. De kameel beantwoordde van nabij gezien volkomen aan de verwachting. Nog nooit had een der aanwezigen prachtiger dier aanschouwd. Wat groote zwarte oogen, wat fijn wit haar, wat goed gevormde pooten, zoo onhoorbaar van stap en toch zoo krachtig!... zijns gelijke was er niet. Hoe goed pasten die gouden franjes en kwasten en die rinkelende zilveren belletjes bij hem!
Maar wie waren die man en die vrouw onder de tent?
De oogen van allen waren op hen gevestigd.
De man was zeer oud, de vrouw nog jong en zeer schoon. Zij was gehuld in kanten sluiers van zeldzaam fijn weefsel. Boven den elleboog droeg zij armbanden, in den vorm van slangen, door fijne gouden kettinkjes aan de armbanden om den pols verbonden. De kleine handen waren met kostbare ringen versierd. Op het hoofd droeg zij een netje van gouddraad met bloedkoralen doorregen, en rondom afgezet met muntstukjes, zoodat zij aan den voorkant op haar voorhoofd rustten. Van haar hoogen zetel zag zij kalm en tevreden op het volk neer, oogenschijnlijk zóó bezig met het te bestudeeren, dat zij niets merkte van de nieuwsgierigheid, die zijzelve opwekte. Tegen alle gewoonte in, daar aanzienlijke vrouwen zich nimmer in het openbaar met ongedekt gelaat vertoonden, zat zij daar met weggeslagen sluier.
Het was een mooi ovaal gezichtje, donker en toch doorschijnend van tint. De half geopende lippen lieten twee rijen blinkend witte tandjes zien.
Nu wendde zij zich tot den drijver, een forsch gebouwd Ethiopiër, die den kameel tot vlak bij het bassin leidde en hem deed neerknielen. Zij reikte den man een beker toe, om dien aan de bron te vullen.
Op datzelfde oogenblik werd de door hare komst veroorzaakte stilte verbroken door het geluid van wielen en paardengetrappel. Met luide kreten van schrik stoven allen links en rechts.
—Pas op, de Romein is van plan er op in te rijden! waarschuwde Malluch en vloog op zij.
Ben-Hur keek om en zag Messala, die met zijn vierspan regelrecht op het volk aankwam. Ditmaal kon hij hem duidelijk in 't gelaat zien.
Het uiteenstuiven van de menigte bracht den kameel in groot gevaar. Reeds waren de paarden vlak bij hem en nog lag hij met gesloten oogen te rusten en te herkauwen, zich veilig voelend bij zijn meester. De Ethiopiër wrong de handen in wanhoop. De grijsaard in de tent rees overeind, als dacht hij aan vluchten; maar behalve dat de stramheid zijner leden hem dat belette, kon hij toch in de ure des gevaars zijne waardigheid niet vergeten. En wat zijne dochter betreft, voor haar was het in ieder geval te laat om nog aan ontkomen te denken.
Ben-Hur stond er het dichtst bij en riep Messala toe: Halt! Zie dan toch wat gij doet! Terug! Terug!
De patriciër lachte hartelijk, en ziende dat hem geen keus bleef sprong Ben-Hur toe, greep de twee bijdehandsche paarden in den teugel, en rukte hem met inspanning van alle krachten op zij. Vervloekte Romein! riep hij Messala toe, bekommert gij u dan zoo weinig om het leven van een ander?!
De twee paarden steigerden en trokken de andere mee. De wagen dreigde te kantelen. Messala hield zich slechts met de grootste moeite staande, terwijl zijn goedhartige Myrtilus achterover tuimelde in het gras. Toen zij zagen dat het gevaar geweken was lachten al de omstanders den Romein van harte uit.
Messala toonde zich thans in grenzenlooze onbeschaamdheid. Zich van de teugels losmakend sprong hij uit den wagen, liep om den kameel heen, keek Ben-Hur in het voorbijgaand achteloos aan en zeide toen tot de twee vreemdelingen: Vergeeft het mij, bid ik u. Ik ben Messala, en bij onze moeder aarde zweer ik u, dat ik u en den kameel niet zag. Wat deze goede lieden betreft, ik rekende misschien te veel op mijne behendigheid, ik wilde mij ten hunnen koste vermaken, en zie, het lachen is aan hen. Moge het hun goed bekomen!
De onverschillige blik en handbeweging, die deze woorden vergezelden, pasten er uitstekend bij. Om te hooren wat hij nog verder mocht te zeggen hebben, hielden de lieden zich bedaard. Messala gaf zijn metgezel een wenk om den wagen te verwijderen en wendde zich vervolgens vrijmoedig tot het meisje.
—Gij zijt waarschijnlijk verwant aan den eerwaardigen grijsaard, wiens vergiffenis, zoo zij mij nu nog onthouden wordt, ik later met te grooter ijver zal trachten te verwerven; zijne dochter misschien?
Zij gaf geen antwoord.
—Bij Pallas, gij zijt schoon! Wees voorzichtig, opdat Apollo u niet voor zijn verloren liefje houde! Ik zou gaarne willen weten welk land zich beroemen mag uw vaderland te zijn? Neen! wend u niet af! Vergeef het mij! De zon van Indië straalt mij toe uit uwe oogen; Egypte heeft op uwe lippen zijn zegel gedrukt. Keer u niet af, schoone jonkvrouw, voordat gij mij genade geschonken hebt. Zeg mij ten minste, dat gij mij vergiffenis schenkt.
Zonder Messala verder een blik te gunnen, wenkte zij Ben-Hur tot zich en vraagde met een vriendelijk lachje: Zoudt gij zoo goed willen zijn om dezen beker met water te vullen? Mijn vader heeft dorst.
—Uw gehoorzaame dienaar, antwoordde Ben-Hur.
—O vreemdelinge, gij zijt even wreed als schoon, zeide Messala, haar met de hand toewuivende. Als Apollo u niet weghaalt, zult gij mij weerzien. Daar ik uw vaderland niet ken, kan ik u niet aan de gunst zijner goden aanbevelen, daarom beveel ik u aan de gunst van—mijzelven aan!
Dit gezegd hebbende ging hij naar den wagen terug, die hem stond te wachten. Het meisje zag hem na, en wat ook in haar oog te lezen heeft mogen staan, geen misnoegen.
Ben-Hur bracht haar den beker en nadat de grijsaard gedronken had, bracht zij dien zelve aan haar lippen en bood hem daarna met onnavolgbare gratie Ben-Hur aan. Behoud hem, bidden wij u, zeide zij. Hij is vol zegenwenschen, alle voor u!
Nu deed de Ethiopiër den kameel opstaan; maar op het punt van vertrekken riep de grijsaard Ben-Hur toe: Wacht even! Ik moet u spreken.
Ben-Hur trad nader.
—Gij hebt den vreemdeling een grooten dienst bewezen. Er is slechts één God. In zijn heiligen naam dank ik u. Ik ben Balthasar de Egyptenaar. In het groote Palmbosch, aan gene zijde van de Daphne gelegen, heeft Sheik Ilderim de Edelmoedige zijn tenten opgeslagen. Wij zijn zijne gasten. Bezoek ons daar. Gij zult ons zeer welkom zijn.
Ben-Hur boog eerbiedig voor den grijsaard en staarde vader en dochter nog geruimen tijd na.
In den regel is er geen zekerder middel om iemands tegenzin op te wekken, dan uit te blinken waar hij zich laf gedroeg. Malluch maakte hierop gelukkig een uitzondering. Wat hij gezien had deed Ben-Hur in zijne achting rijzen. Moed en wellevendheid bezat hij ongetwijfeld. Kon hij nu slechts een blik slaan in het verleden van den jongen man, dan zou meester Simonides tevreden kunnen zijn over dien eersten dag.
Zooveel wist hij reeds; Ben-Hur was een Jood en de aangenomen zoon van een Romein. Verder begreep de slimme man, dat er tusschen Messala en den zoon van den duumvir iets was. Maar wat? Hoe kon hij achter de waarheid komen?
In deze moeilijkheid kwam Ben-Hur zelf hem te hulp. Hij legde de hand op Malluchs arm en voerde hem met zich uit het gedrang der menigte, die zich weer om den priester en de bron verzameld had.
—Goede Malluch, zeide hij, mag een man zijne moeder vergeten?
Op die vraag was Malluch allerminst voorbereid. Hij keek Ben-Hur aan, om te zien wat hij bedoelde. Hij zag niets dan een gloeiende plek op iedere wang en onderdrukte tranen in de sombere oogen. Beslist antwoordde hij: Neen; nooit. Als hij een Israëliet is, nooit! Mijn eerste les in de synagoge was het gezegde van den zoon van Sirach: Eer uwen vader met uw gansche ziel en vergeet nooit wat gij uwe moeder gekost hebt.
Ben-Hurs oogen fonkelden.
—Die woorden, Malluch, roepen mijne jeugd in mijne herinnering terug, en bewijzen dat gij een echte Jood zijt. Ik geloof dat ik u vertrouwen kan.
Hij liet Malluchs arm los en drukte de hand op zijn hart, alsof hij pijn gevoelde. Mijn vader, zeide hij, was een man van aanzien, met eere bekend in Jeruzalem, waar hij woonde. Mijne moeder was bij zijn dood in de kracht van haar leven. Woorden kunnen niet uitdrukken hoe goed en hoe schoon zij was. Iedereen roemde haar om de goede werken, die zij deed. Een vriendelijke toekomst lachte ons tegen. Ik had een jongere zuster, en wij waren zoo gelukkig, dat ik volkomen instemde met het woord van den Rabbijn: God kon niet overal wezen, daarom schiep Hij moeders.—Op zekeren dag overkwam aan een hooggeplaatst Romein een ongeluk, juist toen hij ons huis voorbijreed. Zijne soldaten vlogen naar binnen en grepen ons. Sedert heb ik mijne moeder en zuster niet meer gezien. Ik weet niet of zij dood zijn, of nog leven. Ik weet niet wat van haar geworden is. Maar, Malluch, die Romein, die met zijn vierspan lachend op het volk kwam inrijden, was tegenwoordig bij onze scheiding. Hij leverde ons over aan onze vijanden. Hij hoorde mijne moeder om genade smeeken voor hare kinderen en hij lachte, toen zij haar wegsleurden. Het is moeilijk te zeggen wat het diepst in de herinnering gegrift blijft, liefde of haat. Vandaag herkende ik hem reeds in de verte, en, Malluch, hij kent en bewaart het geheim, waarvoor ik mijn leven zou willen geven. Hij weet óf zij leven, en waar, en hoe. En zijn zij gestorven, hij weet waar hare beenderen rusten.
—En zou hij het niet willen zeggen?
—Neen.
—Waarom niet?
—Ik ben een Jood, en hij is een Romein.
—Maar Romeinen hebben een tong, en de Joden, hoezeer ook door hen veracht, kunnen op middelen zinnen om die tong los te maken.
—Voor zulken als hij? Neen; en daarenboven is het een staatsgeheim. Mijn vaders bezittingen werden alle verbeurd verklaard en verdeeld.
Malluch knikte met het hoofd, als begreep hij er alles van, en vraagde toen opnieuw: Heeft hij u niet herkend?
—Dat kon hij niet. Ik werd levend dood verklaard, en ben sinds lang als dood beschouwd.
—Het verbaast mij dat gij hem niet doodgeslagen hebt, zeide Malluch hartstochtelijk.
—Daarmee zou ik mijzelven voorgoed de gelegenheid benomen hebben, om partij van hem te trekken. De dood, dat weet gij, bewaart een geheim nog beter dan een schuldig Romein. Maar zijn straf zal hij niet ontgaan, en als gij mij helpen wilt, zal ik zeker slagen.
—Hij is een Romein, zeide Malluch, en ik behoor tot den stam van Juda. Ik zal u helpen. Indien gij het verlangt zal ik mijne belofte met een eed bevestigen.
—Geef mij uw hand, dat is voldoende.
Na met een handdruk de afspraak bezegeld te hebben zeide Ben-Hur: Datgene waarmede ik u belasten zal, is niet moeilijk, goede vriend, en zal uw geweten niet bezwaren. Laat ons nu verder gaan.
Een poosje later begon hij weer: Kent gij Sheik Ilderim?
—Ja.
—Waar is dat Palmbosch? of liever: hoever is dat van hier?
Malluch aarzelde een oogenblik. Hij dacht aan het geschenk der schoone vreemdelinge. Zou het mogelijk zijn dat de jonge man zijn verdriet wilde gaan verzetten door een liefdesavontuur? Hij liet echter niets merken en antwoordde: Dat Palmbosch ligt twee uur te paard van Daphne. Een vlugge kameel brengt er u in een uur.
—Zoo. En die wedrennen, daar gij mij van verteldet, zijn die publiek? en wanneer zullen zij plaats vinden?
Die vragen deden iets vermoeden en wekten Malluchs nieuwsgierigheid.
—O ja, antwoordde hij, zij zullen prachtig zijn. De prefect is rijk en zeer aan geld gehecht. Een invloedrijk vriend aan 't hof te hebben is echter wel een opoffering waard, en daarom maakt hij zooveel drukte voor den consul Maxentius, die hier komt om de laatste toebereidselen te treffen voor een veldtocht tegen de Parthen. De inwoners van Antiochië weten uit ondervinding, dat die toebereidselen geld onder de menschen brengen en hebben verlof gevraagd, om den prefect te helpen den grooten man naar waarde te ontvangen. Een maand geleden zijn herauten naar de vier windstreken uitgezonden, om de kampspelen en wedrennen aan te kondigen. De naam van den prefect zou op zichzelf reeds voldoende zekerheid geven voor de noodige afwisseling; maar wanneer Antiochië zich bij hem aansluit, zijn alle eilanden en de zeesteden zeker van iets buitengewoons, en kunnen wij op een uitgelezen publiek rekenen. De uitgeloofde prijzen zijn vorstelijk.
—En de circus? Ik heb gehoord dat die lui die ná den circus Maximus de beste is.
—Die van Rome? Wel, de onze heeft plaats voor tweemaal honderdduizend menschen, de uwe voor vijf-en-zeventigduizend meer. De uwe is van marmer, de onze ook. Wat de inrichting betreft staan zij gelijk.
—Zijn de wetten dezelfde?
Malluch glimlachte. Als Antiochië beproeven wilde oorspronkelijk te zijn, zou Rome niet de koningin wezen, die zij is, zoon van Arrius! De wetten van den circus Maximus zijn oppermachtig, behalve op één punt: dáár mogen slechts vier wagens te gelijk afrijden, hier gaan ze alle te zamen, onverschillig hoeveel.
—Dat is naar Grieksche manier, zeide Ben-Hur.
—Ja, Antiochië is meer Grieksch, dan Romeinsch.
—En mag men zijn eigen wagen kiezen?
—Ja, en de paarden ook. Daarin is ieder vrij.
—Nog iets, Malluch, wanneer zullen de wedrennen gehouden worden?
—Laat eens zien. Morgen ... neen, overmorgen, als ten minste, om op zijn Romeinsch te spreken, de zeegoden hem goedgunstig zijn, komt de consul. Ja, op den zesden dag na dezen beginnen de feesten.
—De tijd is kort, Malluch, maar voldoende. Bij de profeten van Israël! Ik zal weder naar de teugels grijpen. Maar wacht! Weet gij zeker dat Messala meedoet?
Nu doorzag Malluch het geheele plan. Ja, dat was een heerlijke gelegenheid om den Romein te vernederen; maar hij had geen Israëliet moeten zijn, om niet snel de kansen te berekenen. Bezorgd vraagde hij: Hebt gij er meer aan gedaan?
—Vrees niet, mijn vriend. Vraag maar eens te Rome wie daar de vorst der wagenmenners genoemd wordt. Bij de laatste groote wedrennen bood de keizer zelf mij zijne gunst aan, indien ik zijne paarden in het strijdperk wilde voeren.
—En hebt gij dat geweigerd? vraagde Malluch levendig.
—Ik ben een Israëliet, antwoordde de ander ernstig. Al draag ik een Romeinschen naam, ik wilde niet iets doen, dat mijn vaders naam benadeelen kon in de voorhoven van onzen Tempel. In de kampscholen kon ik mij aan dergelijke oefeningen wijden, in den circus zelf zou mijn optreden een gruwel zijn in de oogen mijner geloofsgenooten, en als ik hier aan de wedrennen deel neem, dan, Malluch, ik zweer het u, zal het niet zijn om den prijs te behalen.
—Hola! zweer niet te gauw. De prijs is 10,000 sestertiën, een vermogen op zichzelf.
—Niet voor mij, al was het tienmaal zooveel. Neen, er is wat beters. Deze wedrennen zullen mij dienen om mijn vijand te vernederen. Wraak is door de wet geoorloofd. Maar gij hebt mij nog niet geantwoord. Weet gij zeker dat Messala meedoet?
—Ja. Messala doet mee. Het staat overal aangeplakt. Iederen dag komt hij zich oefenen.
—Zoo, en dat is dus het vierspan, waarmede hij in het strijdperk zal komen? Dank voor uwe inlichtingen, Malluch! Gij zijt mij heerlijk van dienst geweest. Ik ben voldaan. Wijs mij nu zoo gauw mogelijk den weg naar Sheik Ilderim en leid mij bij hem in. Hoe komen wij er het snelst? Zijn paarden mochten anders al eens besproken zijn.
—Het best is dat wij regelrecht naar het dorp gaan, dat is gelukkig vlak bij. Daar moeten wij twee vlugge kameelen zien te huren, dan zijn wij er in een uur.
—Voorwaarts dan, zeide Ben-Hur.
Het dorp bestond uit niets dan paleizen in fraaie tuinen, benevens eenige vorstelijk ingerichte herbergen. Kameelen waren gemakkelijk te krijgen en zoo konden de twee reizigers zich weldra op weg begeven naar het beroemde Palmbosch.
De landstreek die zij doorreden was heuvelachtig en goed bebouwd, een ware lusthof. Geen plekje was vergeten. De steile heuvelhellingen waren terrasvormig aangelegd. Tegen de omtuiningen slingerden zich weelderige wingerdranken omhoog, die den voorbijgangers, behalve zeer gewenschte schaduw, de belofte gaven van kostelijke druiven en parelenden wijn. Op de meloenvelden en tusschen abrikozen- en vijgeboschjes lagen de witgepleisterde huizen der landlieden verspreid; alles sprak van overvloed en vrede, en stemde het hart tot vroolijken levensmoed. Af en toe kreeg men een kijkje op het Taurusgebergte en den Libanon, waartusschen de Orontes als een zilveren draad kalm zijn weg vervolgde.
Het duurde niet lang of onze vrienden hadden de rivier bereikt. Nu ging hun weg over heuvelen en door dalen, steeds met den stroom mede. Was het landschap in vollen bladerdos van eik en laurier en moerbeiboomen, van geurenden jasmijn en haagappelboomen, de rivier tintelde onder de zonnestralen en sprak met hare vele op- en afvarende schepen van de zee, van vergelegen landen, van beroemde plaatsen en begeerlijke dingen.
De twee vrienden reden door totdat zij aan een meer kwamen, helder, diep en effen, dat door het vloedwater der rivier onderhouden werd. Een oude palmboom beheerschte den inham. Bij dien palm sloegen zij links om en riep Malluch op vroolijken toon: Het Palmbosch! Het Palmbosch!
Met uitzondering van de bekoorlijksten oasen in Arabië, of de Ptolemeïesche landerijen aan den Nijl, kon men bezwaarlijk een heerlijker oord vinden. Ontelbare dadelpalmen, patriarchen in hunne soort, verhieven hunne kruinen ten hemel. Aan het koele, heldere water, dat onder den grond verder stroomde, hadden die reuzen hun groei en langen levensduur te danken. Was het park van Daphne boven dit te verkiezen? En alsof de palmen Ben-Hurs gedachten raadden en de schaal ten hunnen gunste wilden doen overslaan, wuifden zij hem vriendelijk toe en brachten hem verkoeling aan.
—Let eens op dezen reus, zeide Malluch, op een eerwaardigen palm wijzend. Elke ring op den bast duidt een jaar leven aan. Tel ze van wortel tot aan den top, en als de Sheik u zegt, dat het bosch geplant is, voordat iemand in Antiochië iets van de Seleuciden wist, geloof hem dan vrij.
Een volmaakt schoone palm te beschouwen, zonder dat men onder zijn invloed in vervoering geraakt, is niet wel denkbaar. Vandaar dat hem van den beginne alle eer bewezen is en de kunstenaars der eerste koningen hem als model kozen voor de pilaren hunner paleizen en tempels. Diezelfde gewaarwording deed Ben-Hur zeggen: Toen ik Sheik Ilderim van morgen zag vond ik hem een zeer gewoon man. Hoe komt hij, een zoon van Edom, in het bezit van dezen lusthof? en hoe heeft hij hem uit de klauwen der Romeinsche gouverneurs kunnen houden?
—De stamboom van dezen Sheik klimt tot in de grijze oudheid op, zeide Malluch. Al zijne voorvaders waren Sheik. Een van hen heeft eenmaal een vervolgden koning het leven gered. Het verhaal gaat, dat die Sheik den koning duizend ruiters leende, die hem nu hier dan daar in de wildernis verborgen, totdat zich eene gelegenheid aanbood om hem te wreken, zijne vijanden te verslaan, en den koning troon en rijk terug te geven. De koning vergat de bewezen diensten niet, maar noodigde den Sheik uit om zijne tent in deze streek op te slaan, en gaf hem het meer en de boomen en het land tusschen de rivier en de naastbijgelegen bergen tot eene erfelijke bezitting.
—En heeft niemand hem ooit die bezitting betwist?
—De verschillende overheerschers hebben het verstandig geoordeeld op goeden voet te blijven met den stam, die door den Heer gezegend is met strijdbare helden en paarden en kameelen en rijkdommen, zoodat zij meester zijn van vele heirwegen tusschen de groote steden, en den handel naar welgevallen kunnen belemmeren of beschermen. Zelfs de prefect in de Citadel is blijde, wanneer de Sheik met zijne vrouwen en kinderen en zijn ganschen stoet de eenzaamheid der woestijn verlaat, om voor een poos in dit heerlijk oord zijne tenten op te slaan.
—Maar hoe komt het dan, dat de Sheik straks het uur vervloekte, waarin hij een Romein zijn vertrouwen geschonken had? Als de keizer hem gehoord had, zou hij zeker gezegd hebben: zulk een vriend begeer ik niet. Weg met hem!
—Ja, wat dat betreft, Ilderim heeft een grief tegen Rome, zeide Malluch met een glimlach. Drie jaren geleden trokken de Parthen langs den weg van Bozra naar Damascus en vielen een karavaan aan, die onder anderen de schatting van een in de buurt gelegen district vervoerde. Zij sloegen alle gevangenen dood, hetgeen de beambten te Rome hadden kunnen vergeven, indien slechts de keizerlijke schatten behouden en naar Rome gezonden waren. De pachters, die voor de slachting aansprakelijk waren, beklaagden zich bij den keizer. Deze veroordeelde Herodes in de kosten, en Herodes verhaalde de schade op Ilderim, wien hij van plichtverzuim beschuldigde. De Sheik kwam in hooger beroep bij den keizer; maar deze gaf een antwoord, waar niemand wijs uit kon worden. De oude man heeft zich dat sterk aangetrokken en wacht slechts op een gelegenheid om zich te wreken.
—Hij kan toch niets doen, Malluch.
—Dat is te zeggen.... Maar zie, de gastvrijheid begint reeds. De kinderen spreken u aan.
De kameelen bleven stilstaan en Ben-Hur zag, dat eenige kleine meisjes hem mandjes met dadels aanboden. Hij nam ze met vriendelijken dank.
Toen zij weer verder reden zeide Malluch: Ik ben zeer bevriend met den koopman Simonides, en zoo heb ik ook kennis gemaakt met zijne vrienden, waaronder Sheik Ilderim een eerste plaats bekleedt. Ik heb hem meermalen ontmoet. Een paar weken geleden bracht hij Simonides een bezoek. Ik was in de kamer, en daar hij zeer opgewonden scheen, wilde ik mij verwijderen; maar hijzelf verbood het, zeggende: Gij zijt een Israëliet, blijf dus hier en luister, want ik heb een vreemde geschiedenis te verhalen.—Vele jaren geleden kwamen drie reizigers bij hem, een Hindoe, een Griek en een Egyptenaar. Zij reden op kameelen, de mooiste die hij ooit gezien had, en alle drie wit. Zij bleven die nacht bij hem. Den volgenden morgen vertelden zij hem wie zij waren en vanwaar zij kwamen. Alle drie hadden zij eene ster gezien en eene stem gehoord, die hun beval naar Jeruzalem te gaan, en te vragen naar den jonggeboren Koning der Joden. Zij gingen, en de ster geleidde hen van Jeruzalem naar Bethlehem, waar zij in een spelonk het pasgeboren kind vonden, dat zij aanbaden en geschenken gaven. Zij gingen niet naar Herodes terug, het was Herodes de Groote, overtuigd dat die hen dooden zou, maar kwamen bij Sheik Ilderim, die hen in zijne tenten verborg, totdat zij de terugreis durfden aanvaarden.
—Dat is zeker een vreemde geschiedenis, zeide Ben-Hur. Maar waar zegt gij dat zij te Jeruzalem naar vragen moesten?
—Zij moesten vragen: Waar is de geboren Koning der Joden?
—Was dat alles?
—Er was nog wat bij; maar dat herinner ik mij niet meer.
—En vonden zij het kind?
—Ja, en aanbaden het.
—'t Is vreemd, Malluch.
—Ilderim is een ernstig man, al is hij ook, evenals alle Arabieren, licht ontvlambaar. Een leugen uit zijn mond is ondenkbaar.
—Heeft Ilderim nooit meer van die drie mannen gehoord?
—Wel, dat was het juist wat hij Simonides kwam vertellen bij dat laatste bezoek. Den vorigen avond was de Egyptenaar onverwacht weer bij hem gekomen.
—Herkende hij hem dan?
—Ja, aan zijn manier van spreken en doen, en hij bereed denzelfden witten kameel, en gaf denzelfden naam op: Balthasar, den Egyptenaar.
—Wat zegt gij? Dien naam gaf de oude man aan de bron mij ook op! En de jonkvrouw was zijne dochter.
Een oogenblik later zeide hij: Zij moesten dus vragen naar hem, die de Koning der Joden zou zijn?
—Neen, antwoordde Malluch, zij moesten naar den geboren Koning der Joden vragen. Die woorden heeft de Sheik altijd onthouden en hij wacht op de komst van dien Koning. Niets kan zijn geloof aan het wankelen brengen, dat hij komen zal.
—Hoe ... als Koning?
—Ja, om Rome's macht te fnuiken.
Ben-Hur bleef in gedachten verzonken en zeide toen: De Sheik is een uit velen, die onrecht hebben te wreken; maar het is immers onmogelijk, Malluch, dat iemand anders dan een Herodes Koning der Joden zou zijn, zoolang Rome Rome is?... Maar om op het verhaal terug te komen; wat antwoordde Simonides?
—Simonides is een wijs man. Ik luisterde, en hij zeide ... maar hoor! daar komt iemand ons achterop.
Paardengetrappel weerklonk, het kwam nader en nader, en zie, daar was de Sheik zelf met zijn gevolg, ook de vier Arabische paarden en de wagen. Zoodra hij hen zag riep den grijsaard: welkom en vrede!... Ha! Zijt gij het, mijn goede vriend Malluch? Welkom! Brengt gij mij tijding van mijn vriend Simonides? Moge de God zijner vaderen hem nog lang bij het leven bewaren! Volgt mij, opdat ik u verfrisschingen voorzette.
Zij volgden hem tot aan de deur zijner tent, waar hij hun een verkoelenden drank aanbood.
Zoodra zij naar binnen waren gegaan nam Malluch den Sheik ter zijde, om iets met hem te bespreken, waarna hij tot Ben-Hur terugkeerde en zeide: Ik heb den Sheik over u gesproken, hij is uw vriend, het verdere laat ik dus aan u over. Ik moet nu naar de stad, waar ik hedenavond gewacht word. Morgen kom ik terug en hoop dan bij u te blijven tot na den afloop der feesten.
Met wederzijdsche zegenbeden scheidden zij en vertrok Malluch.
Het was laat in den avond. Het maanlicht bescheen de gebouwen op den berg Sulpius, en twee derden van Antiochië's inwoners zochten op de platte daken der huizen koelte en verfrissching. Ook Simonides had zich naar het terras laten brengen en liet den blik rusten op de rivier en de ten anker liggende schepen. De muur achter hem wierp een breede schaduw op het water. Esther stond voor hem met een blad, dat zijn eenvoudig avondeten bevatte: luchtig gebakken koeken, wat honig en een kom melk.
—Malluch is laat, zeide hij, en verried alzoo waar zijne gedachten toefden.
—Zou hij nog komen? vraagde Esther.
—Als hij niet op zee of in de woestijn is, zal hij komen, antwoordde Simonides beslist.
—Hij zou kunnen schrijven.
—Als hij vèr weg moest, zou hij mij dat dadelijk gemeld hebben; daar hij dat niet gedaan heeft, weet ik dat hij komen zal.
—Ik hoop het, zeide zij zacht.
Iets in haar toon trof hem. Hij keek op en zei: Zou het u genoegen doen, als hij kwam?
—Ja vader.
—Waarom? vertel mij dat eens.
—Omdat ... omdat de jonge man....
—Onze meester is. Woudt ge dat zeggen, Esther?
—Ja vader.
—En gij vindt, dat ik hem niet moet laten gaan zonder hem te zeggen, dat hij komen kan als het hem behaagt, om ons met alles wat wij bezitten tot zich te nemen; alles, Esther: de schepen, het geld, de slaven, het huis, en het machtig krediet, dat als een mantel van fijn goud en zilver voor mij geweven werd door den grootsten beschermengel der menschen: welslagen.
Zij antwoordde niet.
—Laat het u koud? vraagde hij met iets bitters in zijn toon. Ach, kind, ik weet bij ondervinding, dat wat van te voren ondragelijk scheen doorstaan kan worden, als men er maar eerst vóór staat, zelfs het ergste, zelfs de pijnbank. Dat zal met den dood waarschijnlijk ook wel het geval zijn. En volgens die beschouwing kan de slavernij, waarin wij ons gaan begeven, na een poos liefelijk worden. 't Is mij nu reeds een aangename gedachte, dat onze meester een gunsteling der fortuin blijkt te zijn. Zijn vermogen heeft hem niets gekost, geen zorg, geen droppel zweet, niet eens een gedachte. Onverwacht valt het hem voor de voeten. En, Esther, wat mijn ijdelheid niet weinig streelt, hij krijgt wat hij voor geen schatten kon koopen, hij krijgt u, mijn lieveling, mijn parel, u, bloempje van mijn gestorven Rachel.
Hij trok haar tot zich en kuste haar tweemaal; de eerste kus gold haarzelve, de tweede hare moeder.
—Spreek zo niet, vader, zeide zij, laat ons beter van hem denken. Hij weet wat droefheid is en zal ons de vrijheid geven.
—Gij hebt een fijn instinct, Esther, en gij weet dat ik dikwijls op uw oordeel af ga;... hoor, daar komt iemand; heb ik het u niet gezegd? daar is Malluch! Nu zullen wij zien wat wij van onzen jongen meester te wachten hebben.
—Vrede zij u, meester Simonides, zeide Malluch diep buigend, en ook u, voortreffelijkste der dochters.
Simonides beantwoordde den groet en vraagde toen: Wat hebt gij mij van den jongen man te vertellen?
Eenvoudig en zakelijk gaf Malluch een verslag hoe hij den dag had doorgebracht. Simonides luisterde aandachtig en liet hem ongestoord vertellen.
—Dank, hartelijk dank, Malluch, gij hebt uitstekend gehouden, zeide hij, toen het verhaal uit was. Niemand zou het kunnen verbeteren. En tot welk volk meent gij dat hij behoort?
—Tot het volk van Israël, meester, tot den stam van Juda.
—Weet gij het zeker?
—Zeer zeker.
—Hij schijnt u niet veel van zijn leven verteld te hebben.
—Hij heeft geleerd voorzichtig te zijn. Eerst na zijn optreden bij de Castaliabron werd hij vertrouwelijk.
—Een vervloekte plaats, die bron. Waarom ging hij er heen?
—Ik zou zeggen uit nieuwsgierigheid; maar toen hij er was, toonde hij niet de minste belangstelling. Goede meester, de jonge man heeft een verborgen kommer, en hij ging naar het Park, denk ik, zooals wij naar het graf gaan met onze dooden—hij ging zijn kommer begraven.
—Niet onmogelijk, Malluch; maar de vloek van dezen tijd is verspilzucht ... hebt gij daar iets van gemerkt? Pronkte hij met geld? Met Romeinsche of Joodsche munten?
—Neen, meester.
—Maar Malluch, op de plaats die zooveel gelegenheid tot dwaasheid geeft,... ik bedoel waar zooveel te eten en te drinken is, heeft hij u zeker wel een en ander aangeboden?
—Hij heeft niet gegeten of gedronken, voordat wij in Ilderims tent waren.
—Kondt gij uit wat hij zeide of deed opmaken wat zijn geheime drijfveer is?
—Hoe bedoelt gij dat? vraagde Malluch.
—Wel, gij weet dat wij voor ons spreken en handelen, vooral bij gewichtige aangelegenheden, een beweegreden hebben. Wat hebt gij te dien opzichte bij hem opgemerkt?
—Daarop, meester Simonides, kan ik met zekerheid antwoorden. Hij wil zijne moeder en zuster opsporen, dat allereerst. Dan heeft hij een wrok tegen Rome, en daar die Messala van wien ik u vertelde iets met het hem aangedane onrecht te maken heeft, wil hij niet rusten voordat hij hem vernederd heeft. De ontmoeting bij de bron bood hem de gelegenheid, maar hij liet die voorbijgaan, omdat ze hem niet publiek genoeg was.
—Die Messala heeft veel invloed, zeide Simonides.
—Ja, maar de volgende ontmoeting zal in den circus plaats vinden.
—Zoo ... en dan?
—De zoon van Arrius zal winnen.
—Hoe weet gij dat?
Malluch glimlachte en zeide: Ik oordeel naar wat hij zegt.
—Naar dat alleen?
—Neen, ook naar den geest, die hem bezielt.
—Inderdaad? Maar Malluch, beperkt hij zijn wraak tot de enkelen, die hem onrecht aandeden, of tot het geheele volk? Meer nog, is die wraaklust slechts een gril van een gevoeligen knaap, of is hij de ingewortelde dorst naar wraak voortkomende uit een vertrapt mannenhart? Gij weet, Malluch, het zinnen op wraak, dat alleen in den geest wortel heeft geschoten, is een ijdele droom, die bij den eersten helderen dag verdwijnt, terwijl de wraak, tot hartstocht geworden, een ziekte is, die opklimt naar de hersenen, en zich met hart en geest beiden voedt.
Simonides had snel en met saamgeknepen handen gesproken, alsof hij de kwaal, die hij beschreef, bij ondervinding kende.
—Goede meester, zeide Malluch, dat ik den jonkman voor een Israëliet houd is allereerst om zijn gloeienden haat. Hij bedwong zich, maar toch zag ik hem opvlammen, eerst toen hij weten wilde wat Ilderim tegen Rome heeft, daarna toen ik hem van de drie mannen verhaalde, die den geboren Koning der Joden zochten.
—Wat zeide hij dan? Zijn eigen woorden, Malluch!
—Hij wilde precies weten wat zij gezegd hadden: De Koning, of de geboren Koning. Daar maakte hij onderscheid tusschen. Toen vertelde ik hem wat Ilderim gezegd had: dat de koning komen zou om Rome te verdelgen.—Het bloed steeg hem naar de wangen en hij zeide: Wie anders dan een Herodes kan koning zijn, zoolang Rome Rome blijft?
Simonides zag een poos zwijgend voor zich en zeide toen: 't Is goed, Malluch. Laat u wat te eten geven en maak u gereed om morgen naar het Palmbosch te gaan. Gij moet den jongen man helpen zijn plan te volvoeren. Ik zal u een brief aan Ilderim meegeven. Misschien, voegde hij er zachtjes bij, zal ikzelf bij de wedrennen in den circus verschijnen.
Malluch vertrok. Simonides dronk van de melk en scheen verruimd van zin en opgewekt te zijn.
—Zet dat maar weg, Esther, en kom dan weer hier.
Het meisje gehoorzaamde.
—Wat is God goed voor mij, zeide hij op innigen toon. Zijn weg is in het duister; maar somtijds staat Hij ons toe iets van zijne wegen te begrijpen. Ik ben oud, lieve, en maak mij gereed om heen te gaan; maar zie, ter zelfder ure, toen ik alle hoop had opgegeven, zendt Hij mij een lichtstraal, die mij geheel opvroolijkt. Ik zie waarom ik dien bepaalden weg heb moeten gaan. Een omstandigheid zoo groot, dat zij een wedergeboorte voor de geheele wereld zal zijn, maakt het mij duidelijk. Ik begrijp waarom mij zoo groote rijkdom geschonken werd, ik zie waartoe hij bestemd is. Waarlijk, mijn kind, ik begin weer op te leven.
Esther vlijde zich tegen hem aan, alsof zij zijne gedachten weder bij het tegenwoordige wilde bepalen.
—De koning is geboren, vervolgde hij op droomerigen toon, en moet volwassen zijn. Balthasar zegt, dat hij een zuigeling was op moeders schoot, toen hij hem zag en zijne geschenken aanbood, en Ilderim beweert, dat het in December achtentwintig jaar geleden was, dat Balthasar met zijne vrienden in de woestijn tot hem kwam. Lang zal de koning dus niet meer toeven te komen. Vandaag, morgen kan het gebeuren! Heilige vaders van Israël, welk eene gedachte! 't Is mij als hoor ik oude muren kraken, als hoor ik het gejoel van een volslagen ommekeer; o! en om alles te kronen scheurt de aarde vaneen, om Rome op te slokken. En de volkeren zien het en lachen en zingen: Rome is gevallen en wij zijn er nog!
Hij zweeg even, lachte genoegelijk en zeide: Wel, Esther, wat zegt gij daarvan? Voorwaar, de geestdrift eens zangers komt over mij, de bezieling van Mirjam en David. Mijne gedachten die zich bezig moesten houden met cijfers en teekens, zijn vol van het geschal der cymbalen, van harptonen, en het vreugdegejubel eener groote menigte, staande rondom een nieuw opgerichten troon. Ik wil daar voor 't oogenblik niet langer aan denken, alleen dit nog, lieve, als de koning komt zal hij geld en mannen noodig hebben, want daar hij, evenals wij allen, van eene vrouw geboren is, zal hij ten slotte een mensch zijn als wij, onderworpen aan de menschelijke natuur, zooals gij en ik. Ziet gij nu den weg, dien ik en de jonkman, onze meester, moeten loopen? Die weg voert ons tot roem en wraak.
Esther bleef zitten en zweeg. Toen herinnerde Simonides zich, dat niet alle menschen zich over hetzelfde verheugen kunnen,—hij herinnerde zich dat hij tegen eene vrouw sprak.
—Waar denkt ge aan, Esther? vraagde hij op zijn gewonen toon. Als uwe gedachten den vorm hebben van een wensch, zeg het mij dan, mijn kind, terwijl ik nog de macht bezit om hem te vervullen. Want zij is wispelturig, de macht, en houdt hare vleugelen altijd uitgebreid om zóó weg te kunnen vliegen.
Zij antwoordde met bijna kinderlijken eenvoud: Laat hem halen, vader, laat hem nog van avond halen, en laat hem niet naar den circus gaan.
—Aha! zeide hij op gerekten toon, en staarde op de rivier, waar de schaduwen steeds donkerder werden, sedert de maan achter den Sulpius gezonken was en de verlichting der stad overgelaten had aan het twijfelachtig schijnsel der sterren. Zullen wij het zeggen, lezer? Simonides was ijverzuchtig. Zou zij liefde hebben opgevat voor den jongen meester? Neen, o neen, dat kon niet. Zij was nog te jong. Maar de gedachte liet hem niet los, die mogelijkheid maakte hem koud en stil. Zij was zestien jaar. Hij wist het heel goed. Op haar laatsten verjaardag had zij hem begeleid naar de scheepstimmerwerf, waar een nieuwe galei van stapel zou loopen, en op de gele vlag, die zoo lustig in den wind wapperde, stond de naam Esther. Zoo hadden zij dien dag samen gevierd. Zestien jaar, hij wist het heel goed, en toch trof het hem als iets nieuws. Er zijn van die dingen, die ons, als wij ze goed nadenken, pijnlijk aandoen, bij voorbeeld dat wij oud worden, dat wij sterven moeten. Zulk een onbestemde pijnlijke gewaarwording maakte zich thans van hem meester en ontlokte hem een diepen zucht. Alsof het niet genoeg was, dat zij een lijfeigene werd, zou zij ook haren meester gevoelens toedragen, wier innigheid en teederheid hij zoo goed kende, omdat zij tot heden onverdeeld aan hem waren gewijd. De demon, wiens taak het is ons met vrees en bittere gedachten te martelen, doet zelden zijn werk ten halve. Door de smart van 't oogenblik vergat de moedige grijsaard zijne plannen voor de toekomst en den wondervollen koning, die er het middelpunt van was. Met een geweldigen krachtinspanning, wist hij zich echter te bedwingen en vraagde kalm: Niet naar den circus laten gaan, waarom niet, kind?
—Het is geen plaats voor een zoon van Israël, vader.
—Rabbijnsche opvattingen, Esther! Is dat alles?
Zijn toon was onderzoekend en drong door tot haar hart, dat luid begon te kloppen, zoo luid, dat zij niet dadelijk kon antwoorden.
—De jonkman zal het vermogen hebben, zeide Simonides vriendelijk, hij zal de schepen hebben en het geld, alles, Esther, alles. In weerwil daarvan voelde ik mij net arm; want ik behield u en uwe liefde, die mij zoo mijne gestorven Rachel herinnert. Zeg mij, zal hij die ook hebben?
Zij boog zich neder en leunde met het hoofd tegen hem aan.
—Spreek, Esther, ik zal sterker zijn, als ik het weet. Onzekerheid maakt zwak.
Zij richtte zich op en sprak op vasten toon: Wees getroost, lieve vader, ik zal u nooit verlaten. Al moest ik hem liefhebben, ik zal altijd uwe dienstmaagd blijven. Ja, vader, hij is schoon in mijne oogen, en zijne manier van spreken trok mij aan. Ik beef als ik denken moet, dat gevaren hem dreigen. Ja, vader, ik zou meer dan blijde zijn, als ik hem wederzag. Maar onbeantwoorde liefde kan nooit volmaakte liefde zijn; daarom wil ik geduldig wachten, en niet vergeten dat ik uwe en moeders dochter ben.
—Een zegen des Heeren zijt gij, Esther! Een zegen om mij rijk te doen blijven, al moet ik ook al het andere verliezen. En bij zijn heiligen Naam en het eeuwige leven zweer ik, dat u geen leed zal aangedaan worden.
Een weinig later liet hij een dienaar roepen, die den stoel naar binnen rolde. Daar zat hij nog een poos na te denken over de komst des konings, terwijl Esther hare legerstede opzocht en spoedig den slaap der onschuld sliep.
Het paleis, schuins tegenover Simonides' woning aan den anderen oever der rivier gelegen, was volgens de overlevering door den vermaarden Epiphanes gebouwd, en beantwoordde geheel aan de eischen, die men zulk eene woonplaats stellen mag. De muur, die over het geheele eiland langs den waterkant opgetrokken was en dienen moest tot beschutting tegen den stroom en beveiliging tegen mogelijke invallen, heette het paleis ongeschikt te maken tot voortdurende bewoning, zoodat de legaten zich een ander paleis lieten bouwen op de westelijke helling van den Sulpius. Het ontbrak echter niet aan lieden, die ronduit beweerden, dat die verhuizing niets te maken had met gezondheidsmaatregelen, maar dat de ware reden gezocht moest worden in de onmiddellijke nabijheid der groote citadel, die den legaten een gevoel van veiligheid gaf. Die opvatting scheen wel de ware te zijn, want onder meer merkte men op, dat het oude paleis steeds in bewoonbaren staat gehouden werd, en dat, wanneer een consul, een generaal, een vorst, of eenig ander machthebbende Antiochië bezocht, hem het eiland-paleis als verblijf werd aangewezen.
Daar wij slechts met één vertrek in het oude gebouw te doen hebben, mag de lezer zich het overtollige voorstellen naar eigen believen en staat het hem vrij de tuinen, baden, buiten- en binnenpleinen, vertrekken en paviljoenen, alles zoo weelderig mogelijk ingericht, op eigen gelegenheid te doorwandelen.
Het vertrek, waarheen wij ons thans begeven, zou in dezen tegenwoordigen tijd een zaal genoemd worden. Het was zeer ruim en met gepolijst marmer bevloerd. Kunstige pijlers, in den vorm van Atlasgestalten, droegen de zoldering, en langs de muren was een met Indisch zijde overtrokken divan aangebracht. Het meubilair bestond uit tafels en zetels in Egyptischen stijl. Vijf reusachtige bronzen kronen verspreidden een zee van licht.
Een honderdtal personen is in deze zaal vergaderd. Sommigen zitten bij de tafels, anderen loopen heen en weder, weder anderen hebben het zich op den divan gemakkelijk gemaakt. Zij zijn allen jong, sommigen ternauwernood de kinderschoenen ontwassen.
Dat zij allen Italianen en voor het grootste gedeelte Romeinen zijn lijdt geen twijfel. Zij spreken zuiver Latijn, en zijn naar Romeinsche gewoonte gekleed, in tunica's met korte mouwen en korten schoot, welke kleedij juist geschikt is voor het klimaat van Antiochië en in de overmatig warme zaal volkomen op hare plaats is. Hier en daar liggen op den divan toga's en mantels, waaronder met purper omzoomde, achteloos neergeworpen. Ook ziet men er slapende gasten in gemakkelijke houding uitgestrekt; of de hitte en de vermoeienis hen zoo hebben aangegrepen, of dat Bacchus er schuld aan heeft, zullen wij maar niet onderzoeken.
Er wordt druk en luid gepraat, uitbundig gelachen, hartstochtelijk gespeeld.
Het meerendeel dier jongelieden behoorde tot het militaire gevolg van den consul en moest hier zijne komst afwachten.
Laat in de nacht trad een nieuw gezelschap de zaal binnen, en begaf zich, eerst onopgemerkt, naar de middentafel. Men kon hun aanzien dat zij juist van een slemppartij kwamen. Sommigen konden zich slechts met moeite op de been houden. De aanvoerder droeg een krans om het hoofd, ten teeken dat hij de koning van het feest, misschien wel de gastheer was geweest. De wijn had geen bijzondere uitwerking op hem gehad, of het moest zijn om zijn mannelijk schoon te verhoogen. Met hooger gekleurde wangen en stralende oogen stapte hij fier vooruit, ofschoon zijne houding en de manier, waarop hij de ruime witte toga om de schouders had geplooid, wel wat theatraal was voor iemand in volkomen nuchteren staat.
Zonder zich om iemand of iets te bekommeren maakte hij voor zich en zijne makkers plaats, en toen hij eindelijk in het midden der zaal bleef stilstaan en zijn blik over de spelers liet gaan, keerden zij zich allen tot hem en begroetten hem met een luiden juichtoon: Ha! Messala! Messala!
De meer verwijderden hoorden den kreet en namen hem over. Dadelijk werden de groepjes ontbonden, de dobbelsteenen neergeworpen, en snelden allen naar het midden der zaal.
Messala nam die eerbewijzen als vanzelf-sprekend aan. Weldra zou blijken waaraan hij deze populariteit te danken had.
—Uwe gezondheid, Drusus, mijn vriend, zeide hij tot den speler aan zijne rechterhand, uwe gezondheid. Laat mij uw tafeltje[2]eens zien.
Hij nam de wassen blaadjes, zag de aanteekeningen vluchtig door en wierp ze op de tafel.
—Denaries, enkel denaries, muntstukken voor sjouwers en waterdragers, zeide hij met een hoonenden lach. Bij de doos van Pandora, waar gaat Rome heen, wanneer een Cesar geheele nachten zit te spelen in de hoop dat Fortuna hem een armzalige denarie in den schoot zal werpen!
De telg der Drusussen bloosde tot achter de ooren, maar zijne makkers overschreeuwden zijn antwoord door hun geroep: Messala! Messala!
—Mannen van den Tiber, zeide hij, een der jongelieden de dobbelsteenen uit de hand nemend, wie is de meest door de goden bevoorrechte? De Romein. Wie stelt den volken de wet? De Romein. Wie is dus rechtens beheerscher der wereld?
De gemakkelijk tot geestdrift op te winden jeugdige krijgers namen hem het woord uit den mond en schreeuwden om het hardst: De Romein! De Romein!
—En toch, en toch, zeide hij langzaam, om hunne nieuwsgierigheid te prikkelen, toch is er een, beter dan de besten van Rome.
Trots wierp hij het hoofd achterover, en toen geen antwoord volgde ging hij voort: Hoort gij? Er is een beter dan de besten van Rome.
—Hercules! riep een.
—Of Bacchus! schreeuwde een ander.
—Neen, Jupiter! Jupiter! donderde de menigte.
—Noem hem dan! riepen allen.
—Dat wil ik, zeide hij, zoodra er wat stilte gekomen was. Hij, die bij Rome's volmaaktheid de volmaaktheid van het Oosten gevoegd heeft; hij, die aan het zegevierende Westen de Oostersche kunst heeft toegevoegd.
—Bij Apollo, zijn beste is ten slotte toch de Romein, riep een, en daarop lachten allen en klapten in de handen.
—In het Oosten, vervolgde Messala, hebben wij geen andere goden, dan wijn, vrouwen, en goed geluk, en de uitnemendste van deze drie is goed geluk. Daarom voeren wij tot motto: Wie durft wat ik durf?—zoowel in den Senaat, als in den krijg. Bovenal echter past het bij hem, die het beste zoekt en voor het ergste niet terugdeinst.
Thans sloeg hij een gemoedelijken, vertrouwelijken toon aan, zonder echter zijne overmacht prijs te geven, en zeide: In de groote kast in de citadel heb ik vijf talenten gereed geld liggen. Hier is het bewijs.
Uit zijn toga bracht hij een perkamentrol te voorschijn, wierp die op de tafel en vervolgde onder diep stilzwijgen, terwijl de oogen van allen op hem rustten: Dat is de som die ik durf wagen. Wie van u durft hetzelfde te doen?... Gij zwijgt? Is het te veel? Ik zal er een talent afnemen, slechts drie!... Om twee dan ... Niet?... Een dan ... een ten minste ... een ter eere van de rivier, aan wier oevers gij geboren werdt! Rome in het Oosten tegen Rome in het Westen! De barbaarsche Orontes tegen den heiligen Tiber!
Hij schudde de dobbelsteenen en wachtte even.
—De Orontes tegen den Tiber! herhaalde hij luider en met klem.
Niemand bewoog zich. Toen wierp hij de dobbelsteenen op de tafel en nam lachend het bewijs weer tot zich. Bij Jupiter! riep hij, nu weet ik waarom gij naar Antiochië zijt gekomen: om uw fortuin te maken of te verbeteren. Hier, Cecilius!
—Present! riep een stem achter hem.—Hier ben ik.
—Ga, beval Messala, en laat de dienaren de kannen en bekers en drinkschalen hier brengen. Hebben deze onze landslieden geen beurzen, ik wil zien of zij beter gezegend zijn met magen. Haast u!
Toen keerde hij zich met een luiden lach tot Drusus en zeide: Vergeef het mij, mijn vriend; ik wilde deze fraaie jonge vogels van ons oude Rome slechts op de proef stellen. Kom, Drusus, kom!
Hij nam de steenen weer op en schudde ze vroolijk.
—Hier! Voor welke som gij wilt. Beproef uw geluk.
De noodiging was vriendelijk, innemend. Drusus kon haar niet wederstaan.
—Bij de nimfen, ja, zeide hij lachend. Ik zal met u spelen, Messala, om ... een denarie.
Een zeer jeugdigen knaap keek Messala van de overzijde der tafel aandachtig aan. Plotseling keerde deze zich tot hem en vraagde: Wie zijt gij?
De knaap trok zich snel terug.
—Neen, bij Castor en Pollux! Zoo meende ik het niet. Het is onder mannen gewoonte, als zij zaken doen, aanteekeningen te houden. Ik heb een klerk noodig. Wilt gij dien post vervullen?
De jongeling nam dadelijk zijn tafeltje ter hand, gereed om op te schrijven.
—Wacht even, Messala, zeide Drusus. Het is misschien niet goed door eene vraag de dobbelsteenen op te houden, maar daar schiet mij iets te binnen, en ik moet het wagen, al sloeg Venus mij met haar gordel.
—Ik zal gooien en de steenen zoolang bedekken, dan kan het geen kwaad; en de daad bij het woord voegende vervolgde hij: Voor den dag met uwe vraag!
—Hebt gij een zekeren Quintus Arrius wel eens gezien?
—De duumvir?
—Neen, zijn zoon.
—Ik wist niet dat hij een zoon had.
—Weet gij waarom ik het vraag? Omdat Pollux niet sterker gelijken kan op Castor, dan Arrius op u.
—Ja, dat is zoo! riepen tien, twintig stemmen te gelijk. Zijn oogen, zijn gelaat!
—Wat een dwaasheid, zeide een ander geërgerd. Messala is een Romein, Arrius een Jood.
—Daar hebt gij gelijk in, merkte een derde op. Hij is een Jood, of Momus leende zijne moeder het verkeerde masker.
Het gesprek dreigde in twist te ontaarden, maar Messala kwam tusschenbeide.
—De wijn is nog niet gekomen, Drusus, zeide hij. Wat Arrius betreft, ik zal gelooven wat gij zegt. Vertel mij dus wat gij van hem weet.
—Wel, hij moge dan Jood of Romein zijn, en bij den grooten Pan, met allen eerbied voor uwe gevoelens, Messala, deze Arrius is schoon, dapper, en verstandig. De keizer bood hem zijne gunst en bescherming aan, maar hij weigerde die aan te nemen. Zijn optreden was zeer geheimzinnig, en hij houdt zich op een afstand, alsof hij zich voor beter of voor slechter houdt, dan wij anderen. In het worstelperk was hij onovertroffen. Hij speelde met de blauwoogige reuzen van den Rijn en de hoornlooze stieren van Sarmatië, alsof het wilgetakken waren. De duumvir heeft hem zijn geheele vermogen vermaakt. Hij heeft zich met waren hartstocht in den wapenhandel geoefend en is vervuld van den oorlog. Maxentius nam hem op in zijn gevolg, en hij zou met ons zijn scheep gegaan, maar wij verloren hem te Ravenna. In weerwil daarvan is hij in welstand hier aangekomen. Wij hebben hedenmorgen van hem gehoord. In plaats van naar het paleis of de citadel te gaan, heeft hij zijn bagage achtergelaten in de herberg en is wederom verdwenen.
Messala, die eerst slechts ten halve geluisterd had, werd langzamerhand nieuwsgierig. Toen Drusus zweeg hief hij zijne hand op en riep: Hallo, Caius, hoort ge dat?
Een jongeling, die schuin achter hem stond, zijn Myrtilus, of metgezel bij de dagelijksche oefeningen in de renbaan, antwoordde, verheugd over de eer hem aangedaan: Deed ik dat niet, mijn Messala, dan was ik niet waard uw vriend te zijn.
—Herinnert gij u den man, die u van middag in het stof heeft doen bijten?
—Bij Bacchus! Is mijn schouder niet bont en blauw om het mij in gedachtenis te doen blijven?
—Wees dan het Noodlot dankbaar, want ik heb uw vijand gevonden. Let maar op.
Hierop keerde hij zich tot Drusus: Vertel ons meer van hem; van hem, die zoowel Jood als Romein is, bij Phoebus, eene vereeniging die een centaur aanminnig zou maken! Hoe kleedt hij zich, Drusus?
—Als een Jood.
—Hoort gij het, Caius? zeide Messala, de knaap is jong, dat is één. Hij heeft het gelaat van een Romein, twee. Hij draagt het liefst kleeren van een Jood,—drie. En in het worstelperk behaalt men roem en fortuin door het omverwerpen van een paard, of het doen kantelen van een wagen, al naar dat verlangd wordt—vier. Drusus, help mijn vriend verder. Ongetwijfeld spreekt deze Arrius verscheidene talen, anders kon hij niet vandaag Jood, morgen Romein zijn. Maar kan hij zich ook in de schoone taal der Atheners vloeiend uitdrukken?
—Die spreekt hij zoo zuiver, Messala, dat hij er gerust als redenaar in zou kunnen optreden.
—Hoort gij het wel, Caius? die knaap kan op zijn Grieksch een vrouw begroeten, dat is dus vijf. Wat zegt gij er van?
—Gij hebt hem gevonden, mijn vriend, antwoordde Caius, of ik ben Caius niet.
—Vergeef mij, Drusus, dat ik dus in raadselen spreek, zeide Messala op zijn gewone innemende manier. Bij alle goden, ik zou uwe nieuwsgierigheid niet willen spannen tot brekens toe; maar help mij nu tot aan het einde. Gij vondt, geloof ik, iets geheimzinnigs in het optreden van dien zoon van Arrius. Vertel mij daar wat van.
—Och, niets bijzonders, zeide Drusus, een kindersprookje. Toen Arrius, de vader, uitzeilde om de zeerovers te straffen, bezat hij vrouw noch kind. Hij keerde terug met een jongeling ... hem van wien wij spreken, en nam hem den volgenden dag tot zoon aan.
—Tot zoon aan? herhaalde Messala. Bij alle goden! Drusus, dat is een belangwekkend geval. Waar vond de duumvir den knaap? En wie was hij?
—Wie kan u daar het antwoord op geven, wie dan de jonge Arrius zelf? In de hitte van de strijd verloor de duumvir, toen nog tribuun, zijn galei. Een terugkeerend schip vond hem en den knaap, de eenig overgeblevenen van de commandantsgalei, drijvende op een en dezelfde plank. Ik geef u het verhaal zooals ik het van de redders hoorde, dat in ieder geval nooit tegengesproken is. Zij beweren dat de metgezel van den duumvir een Jood was.
—Een Jood! herhaalde Messala.
—En een galeislaaf.
—Hoe dat, Drusus, een galeislaaf?
—Toen die beiden opgehaald werden, had de duumvir zijn wapenrusting aan, de ander het kostuum van een roeier.
Messala richtte zich op in zijn volle lengte. Een galeislaaf, herhaalde hij op peinzenden toon.
Op dit oogenblik brachten eenige slaven groote kannen wijn, schalen met vruchten en confituren, en weer anderen bekers van allerlei model, het grootste gedeelte van zilver. Dat gezicht bracht Messala weer op dreef. Hij sprong op een stoel. Mannen van den Tiber, riep hij met luide stem, laat ons het wachten op onzen veldheer veranderen in een feest ter eere van Bacchus. Wien kiest gij tot voorzitter?
Drusus stond op. Wien anders dan den gastheer zelf? vraagde hij. Spreekt, Romeinen.
Een luid gejuich was het antwoord.
Messala nam den krans van zijn hoofd, reikte hem aan Drusus over, die op de tafel sprong, en hem ten aanschouwe van allen weer plechtig op het hoofd van Messala zette, waardoor hij hem tot voorzitter kroonde.