De keizer heeft het goede nieuws vernomen aangaande Quintus Arrius, den tribuun. Met name heeft hij den moed hooren roemen, door hem in de westelijke zeeën betoond. Daarom beveelt hij dat genoemde Quintus zonder verwijl naar het oosten verplaatst worde.Voorts is het de wil van onzen keizer, dat gij onmiddellijk een honderdtal der best drieriemige galeien afzendt tegen de roovers, die zich in de Egeïsche zee vertoond hebben, en dat aan Quintus het bevel over die vloot worde opgedragen.Aan u, Caecilius, wordt de bezorging van een en ander overgelaten.De zaak dringt, zooals gij zien zult uit de berichten, die hier bijgevoegd worden, opdat gij en Quintus er kennis van zoudt nemen.
De keizer heeft het goede nieuws vernomen aangaande Quintus Arrius, den tribuun. Met name heeft hij den moed hooren roemen, door hem in de westelijke zeeën betoond. Daarom beveelt hij dat genoemde Quintus zonder verwijl naar het oosten verplaatst worde.
Voorts is het de wil van onzen keizer, dat gij onmiddellijk een honderdtal der best drieriemige galeien afzendt tegen de roovers, die zich in de Egeïsche zee vertoond hebben, en dat aan Quintus het bevel over die vloot worde opgedragen.
Aan u, Caecilius, wordt de bezorging van een en ander overgelaten.
De zaak dringt, zooals gij zien zult uit de berichten, die hier bijgevoegd worden, opdat gij en Quintus er kennis van zoudt nemen.
SEJANUS.
Arrius luisterde slechts ten halve. Het naderende vaartuig nam zijne aandacht geheel in beslag. Nu zwaaide hij met een slip van zijn toga; als antwoord op dat signaal werd op het schip een roode vaan geheeschen, en het zeil ingehaald. De boeg werd landwaarts gekeerd, de riemslag versneld,—Arrius sloeg het met welgevallen gade. Op zulk een vaartuig kon men staat maken in den tijd van nood.
—Bij alle goden! zeide een van de vrienden, hem de rol teruggevende, wij mogen niet meer zeggen: onze vriend zal een groot man worden; hij is het reeds. Hebt gij nog meer belangrijks voor ons?
—Neen, was het antwoord. Wat gij zooeven vernomen hebt is thans reeds oud nieuws in Rome, ten minste tusschen paleis en Forum. De duumvir is voorzichtig; wat ik doen moet en waar ik mijn vloot kan vinden zal ik straks aan boord vernemen. Als gij echter vandaag aan een der altaren gaat offeren, bidt dan voor uwen vriend, die in de richting van Sicilië vaart. Maar daar is het schip. Zijne bestuurders boezemen mij belang in, want zij moeten met mij zeilen en strijden. Dit is geen gemakkelijke kust om aan te leggen, ik heb dus een kostelijke gelegenheid om over hunne vaardigheid te oordelen.
—Wat? is het schip u dan vreemd?
—Ik zie het nu voor de eerste maal, en weet zelfs niet, of ik er één bekende op zal aantreffen.
—Is dat niet gewaagd?
—Neen, het doet niets ter zake. Op zee leert men elkander spoedig kennen. In de ure des gevaars wordt onze liefde zoowel als onze haat geboren.
Het vaartuig behoorde tot de soort van oorlogsschepen, die op groote snelheid en plotselinge wendingen waren berekend. Lang, smal, schoot het als een zwaan door het water. Onder den boeg, in het water vooruitspringend, was de snavel, uit hard hout vervaardigd en met ijzer beslagen, die in den strijd als stormram dienst deed. Hecht lofwerk, langs de volle lengte van het schip, begrensde de verschansing. Daaronder waren drie rijen openingen voor de roeiriemen, aan iederen kant zestig. Twee dikke touwen, die over den boeg liepen, gaven het getal ankers aan, die op het voordek bewaard werden. De eenvoudige inrichting van het verdek deed zien, dat men zich voornamelijk op de roeiers verliet.
Nagenoeg in het midden rees de mast omhoog, die door stangen en staggen overeind werd gehouden. Het touwwerk diende om een groot vierkant zeil te besturen. Behalve de manschap, die het zeil gereefd had, was van den dam gezien nog slechts één man zichtbaar. Deze stond bij den boeg en droeg een helm en schild. De honderdtwintig eikenhouten riemen, glanzend wit gehouden door afwrijvingen met puimsteen, gingen zoo regelmatig op en neer, alsof één hand ze bestuurde. De snelheid waarmee de galei voortschoot was zoo groot, dat de vrienden van den tribuun hun hart vasthielden.
Eensklaps hief de man bij den boeg zijne hand op. Alle riemen gingen naar boven, bleven een oogenblik omhoog en vielen toen pijlsnel neder. Het water kookte en borrelde, de galei trilde tot in de voegen, en bleef dan als verschrikt stil liggen. Een tweede handbeweging van den commandant, en wederom gingen de riemen op, bleven omhoog en vielen; maar ditmaal roeiden die van de rechterzijde vooruit, die van de linkerzijde daarentegen achteruit. Tot driemalen werd deze manoeuvre herhaald, toen draaide de galei als om hare as naar rechts, ving wind, en legde zijwaarts bij den dam aan.
Door die beweging kreeg men het achterschip beter te zien, waar, onder het hooge gebeeldhouwde en fraai vergulde windhuisje, op een verhevenheid de stuurman zat, een statige figuur in volle wapenrusting.
Trompetgeschal weerklonk, en op dat signaal verscheen de bemanning op het verdek, allen in groot tenue, met glinsterende helmen, schilden en speren. Terwijl de soldaten front maakten, klommen de matrozen in den mast en zetten zich op de ra. De officieren en muzikanten namen hunne plaatsen in. Alles geschiedde met de grootste orde, zonder noodelooze drukte. Zoodra de galei aan den dam lag werd van het stuurmansverdek een plank naar den wal gelegd.
Toen wendde de tribuun zich tot zijne vrienden en zeide met grooten ernst: Mijn plicht roept mij, waarde vrienden.
Hij nam den krans van zijn hoofd en gaf hem aan den dobbelaar. Neem gij den krans, gunsteling der dobbelsteenen! Als ik terugkeer zal ik gaarne mijn geluk weer beproeven. Overwin ik niet in den strijd, dan kom ik niet terug. Hang den krans in uw atrium.
Nu breidde hij de armen uit en omhelsde hen allen.
—Mogen de goden u vergezellen, Quintus! riepen zij.
—Vaartwel, zeide hij, groette de slaven, die met de fakkels zwaaiden, met de hand en keerde zich toen naar het schip. Zoodra hij de plank betreden had werden de trompetten geblazen, en boven het windhuisje ontplooide zich de purperen vlag ten teeken dat de vlootvoogd aan boord was.
De tribuun stond op het verdek, met de order den duumvir in de hand en sprak tot den overste der roeiers: Hoeveel mannen hebt gij?
—Tweehonderd tweeënvijftig roeiers en tien om in te vallen.
—Dat geeft een aflossing van....
—Vierentachtig.
—Hoe dikwijls?
—Om de twee uur.
De tribuun dacht een oogenblik na, en zeide: Een zware dienst. Dat moet veranderd worden, maar niet dadelijk, want wij moeten dag en nacht door.
Toen wendde hij zich tot den loods: Hoeveel jaren dienst hebt gij?
—Tweeëndertig.
—Welke zeeën hebt gij voornamelijk bevaren?
—Tusschen Rome en het oosten.
—Uitnemend.
De tribuun zag zijn order nogmaals in.
—Onze weg gaat langs kaap Camponella, naar Messina. Dan langs de kust van Calabrië, totdat gij Melite links hebt, dan—kent gij de sterren, die in de Jonische zee den boventoon hebben?
—Ja zeker.
—Goed. Dan van Melito oostwaarts naar Cythera. Als de goden ons gunstig zijn zullen wij het anker niet uitwerpen, voordat wij de baai van Antemona binnen loopen. De tijd dringt: ik verlaat mij op u.
Arrius was een voorzichtig man. Hij behoorde tot de soort van menschen, die, terwijl zij den goden rijke offers brachten, niettemin van meening waren, dat het welslagen eener onderneming meer afhing van eigen wijs beleid, dan van gaven en beloften. Als held van het feest had hij den ganschen nacht met drinken en spelen doorgebracht; maar de frissche zeelucht riep den zeeman in hem wakker en hij dacht niet aan rust, voordat hij zijn schip kende. Na met de officieren en de verschillende opzichters gesproken te hebben, doorliep hij de galei van onder tot boven en liet zich van alles volkomen op de hoogte brengen. Dat afgedaan zijnde bleef hem alleen nog over zijn personeel te leeren kennen, en daar dit het moeilijkste deel van zijn taak was en nogal tijd vereischte, zette hij zich dadelijk aan den arbeid.
Tegen den middag naderde de galei Paestum. De wind woei nog steeds uit het westen en deed het zeil zwellen. De wachten waren verdeeld. Op het voordek was een altaar opgericht en met zout en gerst bestrooid. De tribuun had plechtige gebeden opgezonden tot Jupiter en Neptunus en de Oceaniden, en onder het doen van velerlei geloften den wijn uitgegoten en wierook gebrand. Thans zat hij, een recht krijgshaftige figuur, in de groote kajuit, en bestudeerde de manschappen.
De kajuit bevond zich in het midden der galei, was zesenvijftig voet lang en dertig breed en ontving haar licht door drie breede luiken. De zoldering rustte op twee rijen dunne palen, en in het midden verrees de mast uit een gansche verzameling van bijlen en speren. Bij ieder luik voerde rechts en links een trap naar beneden, en daar de luiken openstonden had het licht er vrijen toegang. Deze ruimte was om zoo te zeggen het hart van het schip, de plaats van samenkomst voor allen: eetkamer, slaapkamer, exercitieveld.
Aan het achtereinde der kajuit voerde een trapje naar een platform, waarop de hortator, of overste der roeiers zat, die met een stokje de maat aangaf voor de roeiers. Rechts van hem stond een wateruurwerk, om de aflossingen naar te berekenen. Boven hem, op een nog hooger gelegen platform, behoorlijk afgesloten door een vergulde balustrade, was het kwartier van den tribuun. Van daar kon hij alles overzien. Een rustbed, een tafel en een leunstoel, alles zeer gerieflijk en kostbaar, maakten het ameublement uit.
In dien armstoel gezeten hield Arrius een waakzaam oog over zijne manschappen, die hem van hunnen kant ter sluik menigen blik toewierpen. Het langst verwijlde zijne aandacht bij de roeiers. Wat hij daar zag was overigens zeer eenvoudig. Langs de kajuit, aan de zijwanden van het schip bevestigd, waren twintig bankjes aangebracht, ieder voor drie roeiers, in dier voege, dat de tweede op de bank hooger zat dan de eerste, en de derde hooger dan de tweede. De roeiers op de eerste en tweede plaats zaten, die van de derde stonden, omdat hunne roeispanen zooveel langer waren. Het bovengedeelte van de roeispanen was met lood gevuld. Zij hingen in lenige lederen riemen, die een zwevende beweging mogelijk maakten, maar tezelfder tijd groote bedrevenheid eischten, daar een onverwachte golfslag den onoplettenden roeier in eens kon omverwerpen. De zestig openingen waren even zoovele luchtkokers, zoodat het hun niet aan frissche lucht behoefde te ontbreken. Licht ontvingen zij door een traliewerk, dat tot vloer diende van de gang tusschen het dek en de borstwering boven hun hoofd.
In sommige opzichten had het lot dier armen dus nog erger kunnen zijn; maar men moet zich niet verbeelden, dat hun leven genoeglijk was. Het was hun streng verboden een woord met elkander te wisselen. Dag aan dag namen zij zwijgend hunne plaatsen in, onder het werk konden zij elkander niet aanzien, hun korte rusturen werden ingenomen door slaap en een haastig maal. Nooit zag men hen lachen, nooit hoorde men hen zingen. Het leven van deze rampzaligen geleek op een onderaardschen stroom, die langzaam maar zonder ophouden voortzwoegt, totdat hij, onverschillig waar, vervloeit.
O, Zoon van Maria! In onzen tijd heeft het zwaard een hart—en dat danken wij U! maar in de dagen, waarvan wij nu spreken, moesten de gevangenen slavendienst verrichten op de wallen, in de straten en mijnen, terwijl de handels- en oorlogsgaleien onverzadelijk waren. Bijna ieder volk had zijn aandeel geleverd, meest krijgsgevangenen. Britten, Libyërs, Scythen, Galliërs, Romeinsche boosdoeners, Gothen, Longobarden, Joden, Ethiopiërs, Grieken, Kimbren, alles zat daar door elkander.
Het roeien had niets om het verstand, hoe weinig ontwikkeld ook, bezig te houden. De bewegingen waren zelfs bij onstuimig weer zeer automatisch. Langzamerhand werden de ongelukkigen stompzinnig, geduldig, geesteloos, terende op weinige maar liefelijke herinneringen, ten slotte geheel verstompt en gewoon aan lijden en ontbering.
Uur op uur zat de tribuun in zijn armstoel en overdacht al wat maar te overdenken was; alleen niet het ongelukkig lot der slaven op de roeiersbanken. Het kijken naar hunne regelmatige bewegingen ging hem na een poosje vervelen. Tot afwisseling wilde hij eens trachten te ontdekken, of er ook een bijzonder goede of slechte onder school.
Dat het onnoodig werd geoordeeld de namen der veroordeelden bij te houden, behoeven wij wel niet te verzekeren; het nummer van hun zitplaats was voldoende om hen uit elkander te houden. De scherpe blik van den tribuun ging alle rijen langs, totdat hij ten laatste op Nummer 60 bleef rusten. Deze roeier was nog zeer jong, zoo op het oog nauwelijks twintig jaar. Behalve een doek om de lenden was hij, evenals zijne lotgenooten, geheel naakt, waardoor zijne schoone vormen, zijn krachtig spierweefsel op hun voordeeligst uitkwamen. De wijze waarop hij zijn werk verrichte, kunstvaardigheid en kracht verradende, ja zijn gehele houding trokken de aandacht van den tribuun, die eene bijzondere voorliefde koesterde voor alles wat met athletische oefeningen in verband stond, en zich vleide een kenner te zijn op dat gebied.
Kon hij hem nu maar eens in het gelaat zien. Het hoofd was welgevormd en werd gedragen door een forschen en toch slanken nek. Het profiel was fijn en van Oostersche type, lang niet alledaagsch, zoodat de tribuun werkelijk belang in hem ging stellen.
Bij alle goden, zeide hij hardop, die knaap belooft wat. Ik moet weten waar hij vandaan komt.
De toeleg gelukte—de roeier keek om en zag den tribuun aan.
—Een Jood! Nog een knaap.
De onderzoekende blik van den tribuun dreef den slaaf het bloed naar de wangen, zijn groote oogen werden nog grooter, de riem bleef rusten ... daar sloeg de hortator met een toornig gebaar tegen de tafel. De roeier schrikte, keek voor zich, en hervatte met verdubbelden ijver zijn werk. Toen hij later nog eens naar den tribuun omzag steeg zijne verwondering ten top—hij ontmoette een vriendelijk glimlachje.
Intusschen stevende de galei de straat van Messina in, liet de stad van dien naam rechts liggen, en keerde oostwaarts, den Etna met zijn rookwolken achter zich latende.
Telkens als Arrius naar zijn zetel op het platform terugkeerde zocht zijn oog N°. 60 op, en moest hij bij zichzelven herhalen: Daar steekt iets achter. Een Jood is geen barbaar. Ik moet weten wie hij is.
Vier dagen later vinden wij de Astrea, zoo heette de galei, in de Jonische zee. De lucht was helder, de wind gunstig. Daar het niet onmogelijk was de vloot in te halen vóór het aangewezen punt, bracht Arrius een groot gedeelte van den dag op het dek door. Hij ging alles zelf na en was over het algemeen zeer tevreden. N°. 60 verloor hij intusschen niet uit het oog.
—Kent gij den man, die daar juist zijn plaats verlaat? vraagde hij den hortator, die een aflossing bevolen had.
—N°. 60?
—Ja.
—De opzichter keek den roeier na en antwoordde: Zooals gij weet is het schip eerst sedert een maand uit de hand van zijn maker gekomen, en de mannen zijn al even nieuw voor mij, als het schip.
—Hij is een Jood, zeide Arrius nadenkend.
—De edele Quintus heeft een scherpen blik.
—Hij is zeer jong, vervolgde Arrius.
—Maar onze beste roeier. Ik heb zijn riem zien buigen tot brekens toe.
—Hoe is zijn aard?
—Hij is gehoorzaam, meer weet ik er niet van. Hij heeft mij slechts eenmaal een verzoek gedaan.
—Welk?
—Hij vroeg mij, of ik hem bij afwisseling nu eens aan de rechter en dan weer aan de linkerzij wilde plaatsen.
—Gaf hij een reden op?
—Ja. Hij had opgemerkt dat de mannen, die altijd aan denzelfden kant werken, ten laatste scheef worden. Hij zei ook, dat men hem in geval van storm of gevecht eensklaps aan den anderen kant kon noodig hebben, en dan zou hij niet van zessen klaar zijn.
—Zoo, zoo; dat is iets nieuws. Wat hebt gij meer van hem opgemerkt?
—Hij is veel zindelijker dan de anderen.
—Daarin is hij dan een Romein, zeide Arrius welvoldaan.
—Weet gij niets van zijne geschiedenis?
—Niets hoegenaamd.
De tribuun dacht een oogenblik na en zeide toen: Mocht ik op het dek zijn als zijn tijd om is, zend hem dan bij mij; maar alleen.
Ongeveer twee uren later stond Arrius onder het windhuisje. De stuurman zat aan 't roer, enkele matrozen lagen in de schaduw van het zeil te slapen, op een van de stangen zat een wachter. Opziende zag de tribuun N°. 60 naderen.
—De hortator noemde u den edelen Quintus Arrius, en zeide, dat ik volgens uw bevel hier moest komen. Hier ben ik.
Arrius zag met bewondering naar het slanke gespierde lichaam en dacht aan de arena. Het optreden van den jongeling trof hem. Zijn toon en manier van spreken bewezen, dat hij zijn jeugd onder beschaafde lieden doorgebracht had. Zijne oogen stonden helder en klaar, en de uitdrukking was meer nieuwsgierig dan uitdagend. Den onderzoekenden trotschen blik van den tribuun doorstond hij kalm, toonde geen spoor van haat of wraakgevoel, alleen diep gewortelde droefheid. Dientengevolge liet de tribuun zijn hoogen toon varen en sprak den slaaf vriendelijk toe: De hortator heeft mij gezegd dat gij de beste roeier zijt.
—Dat is heel vriendelijk van hem.
—Zijt gij reeds lang in dienst?
—Bijna drie jaar.
—Aan de riemen?
—Ja, ik heb geen dag rust gehad.
—Het werk is zwaar. Menig volwassen man houdt het geen jaar uit en gij—gij zijt nog zoo jong.
—De edelen tribuun vergeet, dat de geest ook een woordje meespreekt. Door zijn toedoen leeren de zwakken soms verdragen wat de sterken doet bezwijken.
—Naar uwe spraak te oordeelen zijt gij een Jood.
—Mijne voorvaderen waren Hebreën lang voordat de eerste Romein bestond.
—Gij zijt een echte Jood, even trotsch als al de anderen, zeide Arrius, den verhoogden blos op het gelaat van den jongeling ziende.
—Trots doet zich nooit zoo sterk gelden, dan wanneer hij geketend ligt.
—Welke reden hebt gij dan om trotsch te zijn?
—Dat ik een Jood ben.
Arrius glimlachte. Ik ben nooit in Jeruzalem geweest, zeide hij, maar ik heb wel van de vorsten van Jeruzalem gehoord. Ik heb er zelfs een van gekend. Hij was koopman en voer ter zee. Hij was waard koning te zijn. Tot welken stand behoort gij?
—Ik moet u van de galeibank antwoorden. Ik ben een slaaf, maar mijn vader was een vorst van Jeruzalem en voer als koopman ter zee. Keizer Augustus kende hem en ontving hem met eerbewijzen aan zijn hof.
—Hoe heette hij?
—Ithamar, uit het huis van Hur.
—Wat! riep de tribuun verbaasd, gij een zoon van Hur—gij? Na een oogenblik zwijgen vraagde hij: Hoe zijt gij hier gekomen?
Juda boog het hoofd, hij ademde zwaar. Toen hij zichzelven genoeg meester was zag hij den tribuun flink aan en zeide: Ik werd beschuldigd van een moordaanslag op Valerius Gratus, den procurator.
—Gij! riep Arrius, wiens verbazing nog grooter werd. Gij die moordenaar! Geheel Rome was er over verontwaardigd. Ik lag met mijn schip te Lodinum, en hoorde het daar.
Beiden zagen elkander zwijgend aan. Ik dacht dat het geslacht Hur uitgeroeid was, zeide Arrius eindelijk.
Een stroom van liefelijke herinneringen deed Juda's trots bezwijken, de tranen vloeiden over zijne wangen. Moeder—moeder! en mijn lieve Tirza! Waar zijn zij? O tribuun, edele tribuun, als gij iets aangaande haar weet, riep hij, de handen smeekend opheffend, vertel het mij dan. Zeg mij of zij nog leven, en waar dan, en hoe? O, ik bid u, zeg het mij dan.
Al sprekende was hij tot vlak voor den tribuun getreden.
—Drie jaren zijn voorbijgegaan sedert dien vreeselijken dag, vervolgde hij, drie jaren, edele tribuun, en ieder uur was een marteling voor mij. De arbeid was mijn enige afleiding. In al dien tijd heb ik geen woord, geen enkel woord, met iemand gewisseld. O, konden wij, vergetenen, toch ook maar zelf vergeten. Kon ik dat vreeselijk tooneel maar uit mijn geheugen bannen! mijn zusje weggerukt van mijne zijde, en die laatste blik van mijne moeder! In gevaren van pest, stormen en krijgsgewoel heb ik gelachen, terwijl anderen baden, want de dood zou mij van mijne ellende verlost hebben. Zeg mij, dat zij dood zijn, want zij kunnen toch niet gelukkig zijn, zoolang zij over mijn lot in het onzekere verkeeren. Ik heb haar stemmen 's nachts gehoord, ze roepen om mij. Ik heb ze op de golven zien wandelen. O mijne moeder, mijn lieve moeder! En Tirza, mijn zusje, zoo mooi, zoo lief, zoo aardig! Altijd vroolijk, altijd zingende. En mijne hand, de mijne, heeft haar neergeveld! Ik—
—Bekent gij schuld? vraagde Arrius streng.
De uitdrukking van Juda's gelaat veranderde als met een tooverslag. Zijn stem werd scherper van toon, zijn geheele lichaam trilde, zijn oogen schoten vuur, toen hij, de handen opheffende zeide: Gij kent den God mijner vaderen, Jehova, den eenige. Bij zijne waarheid, zijne almacht, en bij de liefde, waarmede hij Israël van den beginne heeft liefgehad, betuig ik: Ik ben onschuldig!
De tribuun was diep bewogen.
—O edele Romein! vervolgde Ben-Hur, schenk mij geloof, en doe een straal van licht vallen in mijne duisternis.
Arrius wendde zich af en wandelde het dek op en neer.
—Hebt gij een verhoor ondergaan? vraagde hij, eensklaps stilstaande.
—Neen.
De Romein zag verbaasd op. Niet verhoord—geen getuigen opgeroepen? Wie heeft het vonnis over u uitgesproken?
De Romeinen, het zij hier even herinnerd, waren nooit méér gesteld op het in acht nemen van wettelijke formaliteiten, dan in den tijd van hun verval.
—Zij hebben mij gebonden en in de gevangenis geworpen. Ik zag niemand, en niemand sprak tegen mij. Den volgenden dag werd ik door soldaten weggebracht naar de galeien.
—Wat hadt gij tot bewijs van uwe onschuld kunnen aanvoeren?
—Ik was nog een kind, te jong om aan een moord te denken. Gratus was mij geheel vreemd. Als ik hem had willen dooden zou ik een ander uur en een andere plaats hebben uitgekozen. Hij reed te midden van zijne troepen, en het was helder dag. Ik zou niet hebben kunnen ontkomen. Ik behoorde tot een geslacht, dat met Rome op goeden voet stond. Mijn vader was door den keizer met onderscheiding behandeld, om de diensten, die hij den staat bewezen had. Wij hadden een groot fortuin te verliezen. Niet alleen ik, maar ook mijne moeder en zuster zouden moeten boeten. Ik had geen reden om zulk een misdaad te begaan, en de gedachte aan huis, familie, geweten, Wet, zou mijne hand hebben tegengehouden, al was de begeerte ook nog zoo sterk in mij geweest. Ik was niet krankzinnig. De dood was te verkiezen boven de schande en, geloof mij, zoo denk ik er nog over.
—Wie was bij u, toen de procurator getroffen werd?
—Ik was op het dak van ons huis. Tirza was bij mij. Zij stond naast mij. Ik leunde over de borstwering om de soldaten te zien voorbijgaan. Een losgeraakte steen kantelde door de drukking van mijne hand, en viel op Gratus. Ik was doodelijk ontsteld.
—Waar was uwe moeder?
—Beneden in haar kamer.
—Wat is van haar geworden?
Ben-Hur balde de vuisten en hijgde naar adem. Ik weet het niet. Ik zag dat zij haar meesleurden—dat is alles. Alle levende ziel werd uit het huis verdreven, zelfs het stomme vee, en de poorten werden verzegeld. De bedoeling was dat zij er niet meer zou terugkomen. Waar is zij? O, dat ik het wist! Zij ten minste had er geen schuld aan. Ik kan vergeven,—maar 't is waar, een slaaf moet maar zwijgen van vergeven of van wraak nemen. Ik ben levenslang tot de galeien veroordeeld.
Arrius luisterde aandachtig. Hij riep al zijne ondervinding met slaven te hulp. Als dit comediespel was, dan was de Jood een geboren acteur; maar was hij werkelijk onschuldig, met welk een blinde woede was men dan tegen hem te werk gegaan! Een gansche familie weggevaagd, om voor een ongeluk te boeten. Dat ging te ver.—De tribuun was een zeer streng man; maar hij was ook rechtvaardig. Zijne onderhoorigen noemden hem den goeden tribuun.
In het verhaal van den jongeling was veel dat ten zijnen gunste sprak. Misschien kende Arrius Valerius Gratus, maar voelde hij zich niet tot hem aangetrokken. Misschien had hij den ouderen Hur gekend.... Hoe het zij, ditmaal wist de tribuun met recht wat hij doen zou. Zijne macht aan boord was onbeperkt. Alles noopte hem om genade te bewijzen. Hij geloofde den jongen roeier. Maar, zooals hij tot zichzelf zeide, er was geen haast bij, terwijl hij wèl haast had om Cythera te bereiken. Den besten roeier vrij te geven, dat ging niet. Hij zou wachten, hij moest nog meer zien te vernemen; hij moest ten minste zeker weten dat dit vorst Hur was, en dat hij een goede inborst had. Gewoonlijk waren slaven leugenaars.
—Het is goed, zeide hij, gij kunt gaan.
Ben-Hur boog, zag nog eenmaal zijnen gebieder aan, maar ontdekte niets dat hem hoop kon geven. Langzaam wendde hij zich af, keek nog eenmaal om en zeide: Indien gij bij geval weder aan mij denken mocht, edele tribuun, wil u dan vooral herinneren, dat ik alleen om tijding gevraagd heb van mijne moeder en zuster.
Hij ging. Arrius volgde hem met bewonderende blikken. Bij alle goden, dacht hij, met een weinig leiding zou hij in de arena kunnen schitteren. Wat een looper! Welk een arm voor het zwaard!—Halt! riep hij luid.
Ben-Hur bleef staan. Wat zoudt gij doen als gij vrij waart? vraagde de tribuun.
—De edele Arrius spot met mij, antwoordde de jongeling met bevende lippen.
—Neen, bij alle goden, neen!
—Dan wil ik u gaarne antwoorden. Vóór alle dingen zou ik mijn plicht doen. Ik zou mijzelven geen rust gunnen, voordat ik mijne moeder en Tirza weder thuis gebracht had. Iederen dag, ja ieder uur zou ik aan haar geluk wijden. Ik zou haar dienen, trouwer dan de trouwste slaaf. Zij hebben veel verloren; maar bij den God mijner vaderen, ik zou haar méér terugbezorgen!
Zulk een antwoord had de Romein niet verwacht. Hij aarzelde een oogenblik. Maar, zeide hij, als uwe moeder en zuster dood waren, of niet gevonden konden worden, wat zoudt gij dan doen?
Het gelaat van Ben-Hur werd met een doodelijken bleekheid overtogen. Hij staarde in de golven. Hij scheen een zwaren strijd te strijden. Toen hij tot bedaren gekomen was vraagde hij: Welk beroep ik zou kiezen?
—Ja.
—Tribuun, ik zal u naar waarheid antwoorden. Den avond vóór dien vreeselijken dag had mijne moeder mij toegestaan soldaat te worden. Daar wensch ik bij te blijven, en daar er in de geheele wereld slechts ééne leerschool is, zou ik daar heengaan.
—De arena! riep Arrius.
—Neen, een Romeinsch kamp.
—Maar gij moet toch eerst de wapenen leeren hanteeren.
Het is altijd gevaarlijk voor een meester een slaaf raad te geven. Arrius zag dadelijk zijne fout en veranderde van toon. Ga nu, zeide hij, en bouw geen hoop op wat wij nu verhandeld hebben. Wie weet of ik mij misschien wat met u heb willen vermaken. Of—indien gij er toch met hoop voor de toekomst aan denken wilt, kies dan tusschen den roem van een gladiator en den dienstplicht van een soldaat. Het eerste kan de gunst des keizers u bezorgen, als soldaat hebt gij op niet te hopen. Gij zijt geen Romein. Ga!
Twee minuten later zat Ben-Hur weder op zijne plaats. Het zwaarste werk wordt gemakkelijk als het hart luchtig is. Het roeien viel Juda niet meer zoo hard. Een straal van hoop was in zijne ziel gevallen. Hij kon het niet onder woorden brengen, maar zijn gevoel zeide hem dat hij zich niet bedroog. Telkens als de waarschuwing van den tribuun: misschien heb ik mij met u willen vermaken,—hem voor den geest kwam, verdreef hij haar. Dat de groote man hem geroepen had en hem zijne geschiedenis had laten vertellen was het voedsel, waarmee hij zijn hongerige ziel voedde. Ja zeker, er zou iets goeds uit voortkomen. Hoopvol en dankbaar bad hij: o God, ik ben een echte zoon van het volk Israël, dat gij zoozeer bemind hebt. Help mij, o help mij!
In de baai van Antemona, ten oosten van het eiland Cythera, lagen de honderd galeien bijeen. De tribuun wijdde één dag aan de inspectie der vloot. Toen vertrok hij naar het eiland Naxos, het grootste van de Cycladen, dat halverwege de kust van Griekenland en Azië als een rots in zee omhoog rijst. Hier kon geen enkel voorbijzeilend schip aan zijn oog ontsnappen, en kon hij tevens de zeeroovers dadelijk nazetten, hetzij zij zich in de Egeïsche of in de Middellandsche zee vertoonden. Terwijl de vloot in goede orde koers zette naar de rotsachtige oevers van het eiland, kwam van het noorden een galei aanzeilen. Arrius ging haar te gemoet. Zij kwam rechtstreeks van Byzantium, en haar bevelhebber kon hem de bijzonderheden mededeelen, die hij noodig had te weten.
De zeeroovers waren allen geboortig van de verder gelegen kusten der Zwarte zee. Zelfs Tanaïs was vertegenwoordigd. Met de grootste geheimzinnigheid hadden zij hunne toebereidselen gemaakt. Onverwachts hadden zij zich in den Tracischen Bosphorus vertoond, en de daar liggende vloot verbrand. Vandaar tot aan de Hellespont waren alle mogelijke schepen hun in handen gevallen. Hun eskader bestond uit zestig goed bemande en goed uitgeruste galeien. De bevelhebber was een Griek. Ook de loodsen, op al de Oostelijke zeeën goed bekend, waren Grieken. Zij hadden ongeloofelijk veel buit behaald, zoodat niet alleen op zee, maar ook in de steden angst en schrik heerschten. De handel stond bijna geheel stil.
Waar bevonden de zeeroovers zich thans?
Op deze vraag, voor Arrius van het meeste gewicht, kreeg hij nu het antwoord.
Nadat de vijand Hephestia op het eiland Lemnos geplunderd had, was hij overgestoken naar de Thessalische eilanden en tusschen Euboea en Hellas verdwenen.
Zoo luidde het bericht.
Door het zeldzaam schouwspel uitgelokt hadden de bewoners van het eiland Naxos zich aan de kust verzameld en zagen zij Arrius' schoone vloot eensklaps den steven noordwaarts wenden. Zij hadden het stout bestaan der zeeroovers vernomen, en toen zij de witte zeilen naoogden grepen zij moed. Wat Rome met sterke hand vasthield verdedigde zij ten allen tijde; als tegengift voor de opgelegde schatting, gaf zij hare schatplichtigen bescherming en veiligheid.
De tribuun was meer dan tevreden. De fortuin was hem gunstig. Zij had hem niet alleen dadelijke en zekere inlichtingen verschaft, maar ook zijne vijanden in een vaarwater gelokt, waar dood en verderf hen wachtte. Hij wist welke schade een enkele galei op een zee als de Middellandsche kon veroorzaken, en hoe bezwaarlijk zulk een galei te achterhalen en aan te vallen was. Hij wist ook, dat juist die omstandigheden zijn roem verhoogen zouden, indien het hem gelukte met een enkelen slag de vijandelijke vloot te vernielen.
Als de lezer een kaart van Griekenland en de Egeïsche zee vóór zich neemt, zal hij zien dat het eiland Euboea zich als een bolwerk tegen Azië in de lengte langs de Grieksche kust uitstrekt, zoodat het kanaal tusschen vasteland en eiland bij een lengte van honderdtwintig mijlen nauwelijks acht breed is. De bocht in het noorden had eenmaal de vloot van Xerxes geborgen, thans hadden de overmoedige zeeroovers er zich genesteld. De steden langs den oever waren rijk en beloofden een kostelijken buit. Alles wel beschouwd meende Arrius te ogen aannemen, dat de roovers ergens ten zuiden van de Thermopylen zouden te vinden zijn. In dat geval kon hij niet beter doen, dan hen in het noorden en zuiden in te sluiten, maar dan ook zonder een minuut te verliezen. Hij zette dus tot den meest mogelijken spoed aan, met het gevolg dat zij nog vóór den nacht den berg Ocha in het gezicht kregen en de loods de kust van Euboea meldde.
Op een gegeven teeken lieten de roeiers hunne riemen rusten. De tribuun verdeelde de vloot in twee deelen, ieder van vijftig galeien. De eene helft voerde hijzelf aan, om er het kanaal mede in te varen, terwijl de andere bevel kreeg zoo snel mogelijk het eiland aan de zeezijde om te varen en het kanaal aan den bovenkant in te sluiten.
't Is waar, geen van de afdeelingen had over zooveel mannen te beschikken als de vijand; maar zij hadden toch iets op dezen voor, onder anderen de strenge tucht, waaraan bij de bandeloozen troep, hoe onverschrokken ook, niet gedacht kon worden. Voorts rekende de tribuun er op, dat, zoo bijgeval de eene helft de nederlaag moest lijden, de andere den vijand in den rug zou aanvallen en gemakkelijk overmeesteren kon.
Ben-Hur was op zijne plaats en werd iedere zes uur afgelost. De rust in de baai van Antemona had hem goed gedaan, zoodat het roeien hem niet vermoeide, en de hortator geen reden tot klagen had.
Over het algemeen waardeert de mensch veel te weinig het rustig gevoel, dat hij smaakt, als hij een vast doel voor oogen heeft. Blindelings op een onbekend punt af te gaan is verschrikkelijk. De gewoonte had bij Ben-Hur dat gevoel slechts in slaap gesust, en dan nog maar ten deele. Als hij zoo uur op uur, soms dagen en nachten achtereen, op de onmetelijke wateren voortroeide, verlangde hij altijd te weten waar hij was en waarheen hij ging; maar na zijn onderhoud met den tribuun was dat verlangen veel levendiger, en nieuwe hoop bezielde hem. Het was hem als hoorde hij ieder geluid op het schip; hij luisterde er naar, alsof het zoovele stemmen waren, die hem iets kwamen vertellen. Hij zag naar het traliewerk boven zijn hoofd, en staarde in het licht dat hem zoo schaars werd toegemeten, verwachtende—hij wist zelf niet wat. Meer dan eens voelde hij een onweerstaanbaren lust om den hortator iets toe te roepen, wat natuurlijk ten strengste zou gestraft worden.
Gedurende zijn langen diensttijd had hij geleerd uit het spel der zonnestralen af te leiden welken koers de galei nam. Die kennis was hem te pas gekomen na hun vertrek van Cythera. Daar hij in de meening verkeerde, dat zij in de richting van zijn vaderland zeilden, gaf hij nauwkeurig acht op iedere afwijking. De plotselinge wending naar het noorden deed hem smartelijk aan. De oorzaak kon hij in de verste verte niet bevroeden; want evenmin als de andere roeiers kende hij het doel der vaart en had daar ook niet het minste belang bij. Zijn plaats was op de roeiersbank, en daar bleef hij, hetzij zij voor anker lagen, of onder zeil waren. Eenmaal in deze drie jaren had hij het dek mogen betreden, en dat was geweest, toen de tribuun hem ontboden had. Hij wist niet dat zijn galei de aanvoerster was van een schoone, goed geordende vloot, wier roeiers op hunne beurt even onwetend waren als hij.
Toen de zon haar laatste stralen in de kajuit wierp, ging het nog steeds noordwaarts. Het werd nacht, en nog kon Ben-Hur geen verandering bespeuren. Van het verdek drong een sterke wierookgeur tot hem door.
—De tribuun offert bij het altaar, dacht hij. Zouden wij misschien slaags raken?
Hij luisterde scherp toe. Hij had reeds verscheidene zeeslagen mee doorgemaakt, zonder er één gezien te hebben. Boven zijn hoofd had hij den strijd hooren woeden, zoodat hij met ieder geluid vertrouwd was geworden. Dus kende hij ook de verschillende toebereidselen voor den slag, waarvan zoowel bij Romeinen als Grieken het offeren aan de goden een der eerste was. De plechtigheid verschilde niet van die der offerande bij een afvaart, en zoodra hij ze in volle zee bespeurde wist hij waaraan zich te houden.
Een slag had voor hem en zijne mederoeiers een eigenaardig belang; een nederlaag toch kon verandering brengen in hun toestand, hen misschien wel bevrijden, in ieder geval andere meesters geven, die wellicht minder zware diensten van hen zouden vorderen.
Op den gewonen tijd werden de lichten ontstoken en bij de trappen opgehangen. De tribuun daalde van het verdek af. Op zijn bevel trokken de mariniers hunne wapenrusting aan. De werktuigen werden nagezien, speren, werpspietsen en pijlen werden in groote hoopen op den grond gelegd, benevens kruiken met ontvlambare olie en manden vol katoenen ballen. En toen Ben-Hur ten slotte zag, dat de tribuun zijn platform besteeg, zijn wapenrok aantrok, zijn helm en schild gereed hield, begreep hij goed geraden te hebben. Thans wachtte hem nog de zwaarste vernedering van zijne dienstbaarheid.
Aan iedere roeiersplaats ging een ketting, van zware ringen voorzien. Van nummer tot nummer gaande legde de hortator den roeiers ketenen aan de voeten, zoodat zij in geval van tegenspoed geen kans van ontvluchten hadden.
De ongelukkigen voelden de schande diep. Ben-Hur zeker het diepst. Wat zou hij niet hebben willen doen, om dàt te kunnen ontgaan! Weldra meldde hem het naderend gerinkel dat hij aan de beurt kwam,—zou de tribuun misschien voor hem in de bres springen?
Men moge die gedachte aan ijdelheid toeschrijven, zeker is, dat zij hem op eens in beslag nam. Hij geloofde, dat de Romein voor hem een uitzondering zou maken, in ieder geval zou hij nu de ware gezindheid van den tribuun leeren kennen. Als hij in dit gewichtig oogenblik aan den armen slaaf dacht, zou Ben-Hur weten, dat de Romein hem boven zijn lotgenooten stelde, zou hij weten dat zijne hoop hem niet bedrogen had.
Ben-Hur wachtte in de grootste spanning. Die paar minuten schenen hem een eeuwigheid toe. Bij iederen riemslag keek hij naar den tribuun, die, na zich gekleed te hebben, op zijn rustbank ging liggen om te slapen. Toen Nummer 60 dat zag lachte hij bitter en besloot niet meer dien kant uit te zien.
De hortator kwam naderbij. Nu was hij bij Ben-Hurs buurman—het rinkelen der ketenen klonk hem afschuwelijker dan ooit in de ooren. Eindelijk N°. 60. Met de kalmte der wanhoop liet Ben-Hur de riem rusten en stak den beambte zijn voet toe. Daar bewoog zich de tribuun—kwam overeind—wenkte den hortator.
Het hart van den jongeling klopte tot berstens toe. De tribuun liet zijn oog op hem rusten. Ben-Hur nam zijnen riem weder op, het was hem alsof de geheele kajuit in een lichtglans baadde. Hij verstond geen woord van wat gesproken werd; maar dat was ook niet noodig—de ketting bleef hangen, de hortator keerde naar zijne plaats terug, en begon als altijd de maat te slaan. Als muziek klonk hem dat geluid in de ooren, en hij hanteerde zijn riem zoo flink, dat de hortator naar den tribuun ging en glimlachend zeide: Welk een krachtsontwikkeling!—En welk een vuur! antwoordde de tribuun. Bij alle goden! hij moet geen ketenen dragen, leg ze hem nooit meer aan.—Toen hij dat gezegd had legde hij zich weder ter ruste.
Zoo gingen eenige uren voorbij. Pijlsnel schoot de galei over het kalme watervlak. Die niet aan het werk waren sliepen, Arrius op zijn platform, de mariniers op den grond. Eenmaal, tweemaal werd Ben-Hur afgelost, maar hij kon niet slapen. Drie jaren zwarte nacht en eindelijk een zonnestraal! Een schipbreukeling en eensklaps land. In zulke oogenblikken vliedt de slaap. Gedragen op de vleugelen der hoop vloog hij in zijne verbeelding verre vooruit. Vergeten alle kommer en verdriet, have en goed teruggekregen, moeder en zuster weer bij hem—dat waren de hoofdgedachten, die hem tot den gelukkigsten mensch maakten. Dat hij in pijlsnelle vaart misschien dood en verderf te gemoet ging, had voor het oogenblik geen vat op hem. Zijn blijdschap was zoo groot, zoo volkomen, dat in zijn hart geen plaats meer was voor wraak. Messala, Gratus, Rome, en al de bittere, martelende herinneringen aan die namen verbonden, waren hem als de miasmen eener aarde, waaraan hij ontrukt was, waarboven hij vrij en hoog in reiner sfeer zweefde.
In het geheimzinnige duister, dat het aanbreken der schemering voorafgaat, liep op het verdek der Astrea een wachter met haastigen stap naar het platform van den tribuun en wekte hem uit den slaap. Arrius sprong op, gordde zijn zwaard aan, zette zijn helm op, nam zijn schild en ging tot den hoofdman der mariniers.
—De zeeroovers zijn vlak bij. Op, ten strijde! zeide hij en ging verder, kalm en vol vertrouwen, alsof hij niet twijfelde aan den uitslag.
Allen aan boord van de galei ontwaakten. De hoofdmannen begaven zich op hun post. De soldaten grepen naar de wapenen en werden op het verdek gevoerd, waar bergen van pijlen en werpspietsen reeds gereed lagen. Bij de middeltrap lagen de oliekruiken en vuurballen opgestapeld. Verscheidene lantaarns werden ontstoken; vaten werden met water gevuld. De afgeloste roeiers werden onder bewaking bij den hortator gebracht. Ben-Hur was een van hen. Boven zijn hoofd hoorde hij de laatste toebereidselen maken: het ophalen van het zeil, het uitspreiden van netten, het bekleeden van het want met ossenhuiden. Weldra werd alles weder stil, een stilte vol onbestemde, bange verwachting.
Op een teeken van het verdek, dat den hortator door een onderofficier werd overgebracht, hielden de roeiers plotseling stil.
Wat beteekende dat?
Onder de honderdtwintig aan hunne banken geketende slaven was er zeker geen, die zich die vraag niet deed. Niet uit vaderlandsliefde, eerzucht, plichtgevoel, daar hadden zij mee afgedaan. Hulpeloos en blindelings gingen zij in het gevaar, en die gedachte deed hen een oogenblik sidderen. Wat ook gebeurde, het bracht hun geen voordeel: overwinnaars—zij bleven wat zij waren; overwonnen—zinken of verbranden, zij moesten het lot van hun schip deelen.
Het was hun niet vergund te vragen hoe de zaken daarbuiten stonden. En wie was de vijand? Als het eens vrienden, broeders, landslieden waren? De lezer zal begrijpen, dat de Romeinen wel gedwongen waren om bij zulke gelegenheden hun rampzalige roeiers aan hunne zitplaatsen te kluisteren.
Thans echter hadden zij weinig tijd om aan zulke dingen te denken. Een geluid als van roeiende galeien achter hen trok Ben-Hurs aandacht. Zouden zij een vloot aanvoeren, die zich tot den aanval gereedmaakte? vraagde hij zichzelven.
Een tweede sein kwam van het dek tot hem. De riemen gingen neer en de galei zette zich nauwelijks merkbaar in beweging. Doodelijke stilte daarbinnen, doodelijke stilte daarbuiten; toch zetten zich alle roeiers instinctmatig schrap voor een mogelijken schok. Zelfs de galei scheen den toestand te vatten, zij lag stil, alsof zij zich, een tijger gelijk, tot den sprong voorbereidde.
In zulke oogenblikken heeft men geen begrip van tijd. Ben-Hur kon onmogelijk nagaan hoe groot de afstand was, dien zij afgelegd hadden. Eindelijk weerklonken op het verdek de trompetten, lang, vol, klaar. De hortator sloeg de maat sneller en sneller; de roeiers roeiden met de uiterste krachtinspanning. Met onvergelijkelijke snelheid schoot de galei vooruit. Andere trompetten deden zich hooren—alle van achteren, geen enkele van voren. Dáár vernam men slechts een verward gedruisch van stemmen, een algemeen tumult. Plotseling deed zich een geweldige schok voelen, de roeiers vóór het platform van den hortator wankelden, sommige vielen. De galei schoot achteruit, hervatte zich, om zich dan weer met onweerstaanbare kracht op den tegenstander te werpen. Een akelig doordringend angstgeschrei deed zich hooren, het overstemde het trompetgeschal en het geraas door de aanzeiling veroorzaakt. Ben-Hur voelde dat hunne galei een andere vernielde, in den grond boorde. Zijne makkers zagen elkander verschrikt aan. Een triomfkreet op het verdek—de Romeinen hadden gezegevierd! Maar wie waren door de zee verzwolgen? Tot welke natie, tot welk land behoorden zij?
Geen rust, geen oponthoud! Vooruit schoot de Astrea. Enkele soldaten kwamen in haast naar beneden, drenkten de katoenballen met olie en wierpen ze nog druipend aan hunne kameraden op de trappen toe. Alsof er niet reeds verschrikkingen genoeg waren, zou er nu nog de woede des vuurs aan toegevoegd worden.
Op eens helde de galei zoo sterk naar éénen kant over, dat de roeiers slechts met moeite hun evenwicht bewaarden. Wederom de juichtonen der Romeinen en de wanhopige angstkreten der overwonnenen. De groote enterhaken aan den voorsteven hadden een vijandelijk schip gegrepen, omhoog geheven, en neergesmakt in de golven.
Het krijgsgeschreeuw groeide steeds aan. Rechts, links, van voren, van achteren, een oorverdovend rumoer. Nu en dan verkondigde een geweldig kraken, gevolgd door hartverscheurend gekerm, dat wederom een schip overzeil was en de opvarenden met de golven worstelden.
De Romeinen zagen echter aan hun kant ook menigeen vallen, die dan bloedend, stervend naar beneden gedragen en op de grond neergelegd werd. Ook begon de kajuit zich langzamerhand met rook te vullen en drong een afgrijselijke stank van brandende voorwerpen naar beneden. Snakkend naar adem begreep Ben-Hur, dat zij rakelings een brandende galei voorbijgingen, wier vastgeketende roeiers mede in de vlammen moesten omkomen.
Intusschen was de Astrea aanhoudend in beweging gebleven. Eensklaps echter stopte zij. De riemen werden den roeiers uit de handen geslagen, zijzelven vielen van de banken. Op het verdek hoorde men een vervaarlijk leven, vervolgens het slaags raken van twee schepen. Doodelijk verschrikt zagen de roeiers rond, of er ook mogelijkheid van ontkomen was. Te midden van de algemeene ontsteltenis werd een dood lichaam naar beneden geworpen en kwam vlak bij Ben-Hur terecht. Het was een blondgelokte barbaar uit het noorden; maar hoe kwam hij hier? Een ijzeren vuist had hem van het vijandelijke schip gegrepen—neen, de Astrea zelve moest in de handen der vijanden zijn! Vochten de Romeinen dus op eigen bodem?
Het werd de jongen Jood koud om 't hart. Arrius was in gevaar—misschien kampte hij op ditzelfde oogenblik om zijn leven. Indien hij gedood werd! Dat verhoede de God van Abraham! Moest zijn nieuw ontloken hoop, moesten zijn zoete droomen hoop en droomen blijven? Moeder, zuster, huis, vaderland, zou hij ze dan toch nooit terugzien? Het tumult boven zijn hoofd groeide aan, hij zag rondom zich—niets dan verwarring trof zijn oog: de roeiers verlamd van schrik, soldaten niet wetende waar zich te bergen. Alleen de hortator bleef onverschrokken op zijn post, sloeg, hoewel tevergeefs, als naar gewoonte de maat, wachtend op de bevelen van den tribuun—een illustratie van de onovertroffen discipline, die de wereld had overwonnen.
Dat voorbeeld had een goede uitwerking op Ben-Hur. Hij trachtte zich te beheerschen en na te denken. Eer en plicht deden den Romein op het platform blijven, maar wat had hijzelf thans met zulke beweegredenen te doen? De roeiersbank was hem een gruwel, en wie zou er winst bij hebben, indien hij als slaaf omkwam? Voor hem was te leven een plicht. Zijn leven behoorde moeder en zuster. Levendiger dan ooit verrezen zij voor het oog zijns geestes. Hij zag hoe zij de armen naar hem uitstrekten, hij hoorde naar smeeken. Ja, aan die roepstem moest en zou hij gehoor geven. Hij sprong op,—maar stond weer stil. Helaas, een Romeinsch vonnis hield hem gevangen. Zoolang dat niet herroepen was baatte hem geen ontvluchten. In de wijde, wijde wereld was geen plekje, waar hij veilig was, als de Keizer hem opeischte. Op het land noch op de zee kon hij verborgen blijven, en wettige vrijheid had hij noodig, om in Judea te kunnen wonen, en den kinderplicht te vervullen, waaraan hij al zijne krachten wilde wijden. Hoe had hij gewacht en gehoopt op die vrijspraak, hoe vurig om haar gebeden! En hoe lang had hij moeten wachten! Eindelijk, eindelijk had zij hem toegelachen in de belofte van den tribuun; want wat anders zou de groote man bedoeld hebben? Maar als zijn weldoener nu moest vallen, wat dan? De dooden komen niet terug, om de beloften, tijdens hun leven gedaan, te vervullen. Neen, Arrius mocht niet sterven. En anders—beter met hem te vergaan, dan hem als galeislaaf te overleven.
Nogmaals zag Ben-Hur rondom zich. Nog altijd woedde de strijd daarboven, nog altijd waren de twee galeien handgemeen. De roeiers deden wanhopige pogingen om aan hunne ketenen te ontkomen, en toen dat niet gelukte hieven zij een akelig gehuil aan. De wachten waren niet te zien, er was geen tucht meer. Ben-Hur bedacht zich niet langer, hij sprong op en snelde weg, niet om te vluchten, maar om den tribuun te zoeken.
Halverwege de trap gekomen, hoog genoeg om een blik te kunnen werpen op den door het vuur gekleurden hemel, de ronddrijvende wrakken, den strijd aan boord, de talrijke aanvallers, de weinige verdedigers, voelde hij plotseling de trap onder zijne voeten uiteenslaan, zoodat hij ruggelings op den grond geworpen werd. Nog voordat hij zich op kon richten werd de bodem van het vaartuig vaneengereten, de kokende, bruisende golven stroomden naar binnen en verzwolgen allen.
Of de jongeling in dezen uitersten nood iets tot zijne redding kon aanwenden valt te betwijfelen. Hoewel hij behalve zijn natuurlijke sterkte bovendien nog de krachten bezat, welke de natuur voor zulke buitengewone gevallen schijnt te bewaren, kon hij noch de eene, noch de andere aanwenden, daar de duisternis en de woeling van het water hem voor het oogenblik althans zijne bezinning ontroofden. Zelfs het inhouden van zijn adem geschiedde onwillekeurig. De indringende golven wierpen hem als een blok hout in de kajuit, waar hij verdronken zou zijn, indien hij niet met het schip naar omhoog gerezen was. Toen hij zich voelde opstijgen, sloeg hij instinctmatig de handen uit naar het eerste het beste wat hij grijpen kon—een plank, waaraan hij zich met alle macht vastklemde. De tijd, dien hij onder water doorbracht, scheen hem oneindig langer toe, dan in werkelijkheid het geval was. Eindelijk voelde hij lucht. Hij haalde diep adem, schudde zich het water uit de oogen, werkte zich op de plank en wierp een blik in het rond.
Helaas, was hem de dood door verdrinking zeer nabij geweest, thans waarde hij rondom hem in velerlei gedaanten.
De zee was bedekt door een half doorzichtbaren nevel van rook, hier en daar verbroken door schitterende lichtbundels. Dat moesten brandende schepen zijn. Nog woedde de strijd; maar wie zegevierde? Nu en dan zeilden binnen zijnen gezichtskring schepen voorbij,—waren het Romeinsche of vijandelijke? Verderop hoorde hij hoe vijandelijke vaartuigen met elkander in botsing kwamen. Het dreigende gevaar was echter dichterbij. Toen de Astrea zonk bevond zich, zooals wij weten, op het verdek niet alleen haar eigen bemanning, maar ook die van de twee galeien, die haar te gelijk hadden aangevallen en met haar naar de diepte waren gegaan. Van die velen dreven verscheidene te zamen naar de oppervlakte en zetten daar den strijd weer voort. Elkander vasthoudend in doodelijke omarming, of ook wel met zwaard of spies de een den ander onschadelijk trachtend te maken, hielden zij het water aanhoudend in beweging. Maar dat niet alleen. Hij begreep heel goed, dat de eerste de beste in staat zou zijn om hem dood te slaan ter wille van de plank die hem vlot hield. Hij moest dus trachten zoo spoedig mogelijk weg te komen.
Op eens hoorde hij riemslagen en zag hij een galei op zich afkomen. De hooge voorsteven scheen hem dubbel hoog toe; de weerkaatsing van het roode schijnsel op het verguldsel en beeldhouwwerk deed haar op een reusachtige slang gelijken. Hij schoof de plank, zwaar en onhandelbaar als zij was, met alle kracht voort. De tijd was kostbaar, een halve seconde kon hem redding brengen, of in 't verderf storten.
Daar dook eensklaps binnen armslengte een helm uit de baren op, vervolgens twee handen met uitgespreide vingers, groote sterke handen, die wat zij eenmaal gegrepen hadden niet licht zouden loslaten. Ben-Hur keerde zich verschrikt af. Nu kwam het geheele hoofd boven, vervolgens de armen, die woest om zich heen sloegen. Het hoofd viel achterover, zoodat het gelaat zichtbaar werd. De mond was wijd open, de oogen ook, maar het licht scheen er uit geweken te zijn, een akelige bleekheid deed vermoeden, dat de dood nabij was. Toch uitte Ben-Hur een kreet van vreugde, en toen de drenkeling weder dreigde te verzinken greep hij de ketting vast, die den helm onder de kin bevestigde, en trok hem naar zich toe. Hij had in den bewustelooze Arrius den tribuun herkend.
Een tijdlang borrelde en schuimde het water geweldig, zoodat Ben-Hur alle krachten moest inspannen, om zijn plank niet te verliezen en tevens het hoofd van de Romein boven water te houden. De galei was voorbijgeroeid zonder hen te raken. Dwars door zwemmende soldaten heen, over gehelmde en ontbloote hoofden zette zij haren tocht voort. Een dof geraas, een luid geschreeuw deed Ben-Hur omzien, en wat hij zag vervulde hem met een zekere bevrediging: de Astrea was gewroken.
De strijd was nog niet beëindigd, maar de tegenstand veranderde in algemeene vlucht. Wie hadden gezegevierd? Ben-Hur voelde dat zijne vrijheid en het leven van den tribuun grootendeels daarvan afhingen. Hij schoof den Romein de plank onder het lichaam, totdat zij hem droeg, waarna hij alleen te zorgen had, dat zijn beschermling er niet afgleed. Het was nu volkomen dag geworden. Links zag hij land, maar te ver verwijderd om het te kunnen bereiken. Hier en daar dreven schipbreukelingen als hij, en verkoolde of nog rookende wrakken. Verderop dreef een verlaten galei, het zeil aan flarden gereten; nog verder bewegelijke stippen, die, naar hij dacht, vluchtende of achtervolgende schepen konden zijn.
Zoo ging een uur voorbij. Zijne bezorgdheid nam toe. Als niet spoedig hulp opdaagde moest Arrius sterven. Gedurig vreesde Ben-Hur dat hij reeds dood was, hij lag zoo stil. Hij deed hem den helm af, gespte toen met groote moeite het harnas los, en bevond dat het hart nog klopte, schoon zwak en onregelmatig. Dat gaf hem nieuwen moed om vol te houden. Er was niets voor hem te doen dan te wachten, en naar de gewoonte zijns volks te bidden.
Eindelijk sloeg Arrius tot groote vreugde van Ben-Hur de oogen op en keerden de levensgeesten weder. Zoodra hij spreken kon en na eenige vragen vernomen had door wien en hoe hij gered was, herinnerde hij zich alles van den geleverden slag. Het onzekere van de overwinning en de langdurige rust, indien hier van rust sprake kan zijn, deden het hunne om hem geheel tot bezinning te brengen. Na een poosje werd hij zeer spraakzaam.
—Ik zie, zeide hij, dat onze redding afhangt van den uitslag van den strijd. Ik begrijp ook wat gij voor mij gedaan hebt. Gij hebt mij het leven gered met gevaar voor uzelven. Dat erken ik gaarne, en wat ook gebeuren moge, ik dank er u van harte voor. Als de fortuin mij gunstig is en wij goed en wel dit gevaar te boven komen, zal ik u toonen hoe een Romein van aanzien en macht zijn dankbaarheid bewijst. Maar het staat nog te bezien, of gij mij, in weerwil van uw goede bedoeling, werkelijk een dienst hebt bewezen. Daarom zou ik u de belofte willen afnemen, dat gij mij, zoo noodig, de grootste weldaad bewijzen zult, die de een mensch den ander bewijzen kan—wilt gij mij dat beloven?
—Als het niets ongeoorloofds is al ik het doen, antwoordde Ben-Hur.
Arrius bleef een oogenblik in gepeins verzonken.
—Zijt gij werkelijk een zoon van Hur, den Jood? vraagde hij op eens.
—Ja, heer.
—Ik heb uw vader gekend.
Juda kwam wat dichter bij den tribuun, daar diens stem nog zwak was. Hij luisterde met gespannen aandacht, en meende niet anders, of hij zou nu berichten van huis krijgen.
Ik kende hem, had hem lief, vervolgde Arrius.
Weder zweeg hij. Zijne gedachten schenen af te dwalen.
—Het is onmogelijk, begon hij weer, dat gij, zijn zoon, niet gehoord zoudt hebben van Cato en Brutus. Dat waren groote mannen, en nooit grooter, dan in de ure van hunnen dood. Stervende lieten zij deze wet na. Een Romein mag zijn geluk niet overleven.—Luistert gij?
—Ik luister.
—De edelen van Rome zijn gewoon een ring te dragen. Zoo ook ik. Neem hem van mijn vinger.
Hij stak Juda zijn hand toe, de jonkman voldeed aan zijn verzoek.
—Steek hem nu aan je eigen vinger.
Ben-Hur gehoorzaamde.
—Dat kleinood kan u van dienst zijn, vervolgde de tribuun. Ik bezit een aanzienlijk vermogen. Zelfs in Rome ga ik voor rijk door. Ik heb geen familie. Toon den ring aan mijn zaakwaarnemer, gij zult hem in een villa bij Misenum vinden. Vertel hem hoe hij in uwe handen kwam en eisch van hem zooveel gij verlangt, of alles; hij zal u niets weigeren. Blijf ik leven, dan zal ik nog meer voor u doen. Ik zal u uwe vrijheid bezorgen en u aan uw volk en familie teruggeven; of wel, gij kunt u de loopbaan kiezen, die u het meest toelacht. Hebt gij mij begrepen?
—Volkomen.
—Welnu, beloof mij dan wat ik u vragen zal. Beloof het bij alle goden.
—Neen, edele tribuun, ik ben een Israëliet.
—Bij uw God dan, of doe het in den vorm, dien uwen geloofsgenooten de heiligste is. Beloof mij, dat gij doen zult wat ik vragen zal. Ik wacht uw antwoord. Beloof het mij.
—Edele Arrius, uwe woorden doen mij vermoeden, dat er iets zeer gewichtigs zal volgen. Zeg mij eerst wat gij verlangt.
—Zult gij het mij dan beloven?
—Ik kan mij vooruit tot niets verbinden.—O tribuun, gezegend zij de God mijner vaderen! daar komt een galei.
—Uit welken hoek?
—Uit het noorden.
—Kunt gij haar nationaliteit herkennen?
—Neen, ik heb altijd op de roeiersbank gezeten.
—Heeft zij een vlag in top?
—Ik kan er geen zien, het is nog te ver af.
Arrius zweeg eenige oogenblikken. Ten laatste vraagde hij: Houdt de galei nog koers hierheen?
—Ja.
—Kunt gij nu de vlag onderscheiden?
—Zij heeft geen vlag.
—Een ander kenteeken soms?
—Een zeil. Het is een drieriemige galei, zij gaat zeer snel, dat is al wat ik er van zeggen kan.
—Een Romeinsche galei zou, als zij overwinnaar was, verscheidene vlaggen in top voeren. Dit moet dus een vijandelijke zijn. Luister nu goed naar mij, terwijl het nog tijd is. Als die galei een zeeroover is zijt gij veilig. Zij zullen u wel niet uwe vrijheid hergeven, u waarschijnlijk weer op de roeiersbank zetten, maar zij zullen u niet dooden. Ik daarentegen—
De tribuun aarzelde. Bij alle goden, zeide hij daarna op vasten toon, ik ben te oud om het verlies van mijne eer te overleven. Laat men in Rome vertellen hoe Quintus Arrius, omringd door vijanden, met zijn schip in de diepte verzonk, zooals dat een Romeinschen tribuun betaamt. Hoor nu wat ik van u verlang. Als de galei een vijandelijke is, stoot mij dan van de plank in zee en verdrink mij. Hoort gij? Zweer mij dat gij het doen zult.
—Dat zweer ik niet, zeide Ben-Hur beslist, en ik ben evenmin van zins zulk een daad te bedrijven. De wet, waaraan ik onderworpen ben, stelt mij aansprakelijk voor uw leven. Neem den ring terug,—hij trok hem van zijn vinger,—neem hem terug,—met al uwe beloften. Het vonnis, dat mij levenslang tot de galeien veroordeelde, heeft mij tot een slaaf gemaakt, en toch ben ik geen slaaf. Maar ik ben evenmin uw vrijgelatene. Ik ben een zoon van Israël, en op dit oogenblik mijn eigen meester. Neem den ring terug.
Arrius verroerde zich niet.
—Gij weigert? vraagde Juda. Dan geef ik uw geschenk aan de zee, niet in toorn, niet in drift; maar om mij zelven vrij te maken van een vreeselijke verplichting.
Dit zeggende slingerde hij den ring verre van zich. Arrius hoorde hem vallen en zinken, maar zag niet op.
—Gij hebt dwaselijk gehandeld, zeide hij, zeer dwaas. Ik kan immers ook zonder uwe hulp sterven, en als ik dat doe, wat zal er dan van u worden? Die besloten heeft in den dood te gaan, sterft liever door de hand van een ander, om de eenvoudige reden, dat de ziel, welke wij volgens Plato bezitten, in opstand komt tegen zelfvernietiging; dat is alles. Als de galei een zeeroover is verlaat ik deze wereld. Mijn besluit staat vast. Ik ben een Romein. Goed, geluk en eer gaan boven alles. Toch zou ik gaarne van dienst zijn geweest; maar gij hebt niet gewild. De ring was in dit geval het eenige, dat mijn laatsten wil staven kon. Wij zijn beiden verloren. Ik zal sterven, het betreurende dat de overwinning en de roem mij ontgaan zijn. Gij zult nog een poosje leven, om dan eveneens te sterven, met berouw in 't hart, omdat gij door deze dwaasheid uwe kinderplichten ongedaan hebt moeten laten. Ik beklaag u.
Ben-Hur begreep de gevolgen van zijne daad beter dan te voren. Toch berouwde zij hem niet.
—In de drie jaren van mijne dienstbaarheid, o tribuun, waart gij de eerste die mij vriendelijkheid bewees.—Neen, neen, er was nog een ander!
Zijne oogen werden vochtig, want op eenmaal stond het beeld hem voor den geest van den jongen man, die hem bij de bron te Nazareth te drinken had gegeven.
—Maar, vervolgde hij, gij waart de eerste, die mij gevraagd heeft wie ik was; en al heb ik er ook, toen ik u uit de golven omhooghief, aan gedacht, dat gij mij uit mijne ellende kondt verlossen, toch redde ik u niet uit zelfzucht. Ik hoop dat gij mij zult willen gelooven. Daarenboven doet God mij thans duidelijk inzien, dat het doel waarnaar ik streef alleen langs wettigen weg te bereiken is. Ik wil liever met u sterven, dan uw dood op mijn geweten hebben. Ik ben even vastbesloten als gij. Al boodt gij mij geheel Rome, o tribuun, en al stond het in uwe macht dat aanbod tot werkelijkheid te maken, ik zou u toch niet dooden. Uw Cato en Brutus waren kinderen, vergeleken met den Hebreër, wiens wetten een Jood gehoorzamen moet.
—Maar mijn verzoek. Hebt....
—Zelfs al beveelt gij mij u te dooden, ik zal u niet gehoorzamen.
Beiden zwegen en wachtten.
Ben-Hur zag gedurig naar de naderende galei. Arrius lag met gesloten oogen, schijnbaar onverschillig.
—Zijt gij er zeker van dat het een vijandelijke galei is? vraagde Ben-Hur.
—Ik vermoed het, luidde het antwoord.
—Zij houdt stil en zet een boot uit.
—Kunt gij nu de vlag zien?
—Is er geen ander teeken, waaraan men een Romeinsche galei herkennen kan?
—Jawel, de Romeinschen voeren een helm op den top van den mast.
—Dan kan ik u gelukwenschen. Ik zie den helm.
Nog was Arrius er niet gerust op.
—De mannen in het bootje nemen schipbreukelingen op. Zeeroovers zullen wel niet zoo medelijdend zijn.
—Misschien hebben zij roeiers noodig, antwoordde Arrius, waarschijnlijk denkende aan de keeren, toen hij met hetzelfde doel drenkelingen opgevischt had.
Ben-Hur volgde de bewegingen van het vreemde schip met de grootste nauwlettendheid.
—De galei gaat verder, zeide hij.
—Waarheen?
—Rechts van ons drijft een galei, waarschijnlijk is zij verlaten. Daar gaat de andere op af. Nu legt zij aan. Nu gaan eenige mannen aan boord.
Thans deed Arrius zijn oogen open en keek met aandacht naar de galei. Dank uwen God, zeide hij een oogenblik later, dank uwen God, zooals ik mijne goden dank. Een zeeroover zou dat schip doen zinken, niet redden. Daardoor, en door den helm op den mast, weet ik dat het een Romeinsche galei is. De zege is mijn. De Fortuin heeft mij niet verlaten. Wij zijn gered. Wuif met de hand, roep hen, gauw! Ik word duumvir, en gij! Ik heb uw vader gekend en had hem lief. Hij was een vorst in den vollen zin des woords. Hij heeft mij geleerd, dat een Jood geen barbaar is. Ik zal u met mij nemen. Ik zal u als mijn zoon aannemen. Dank uwen God en roep de matrozen. Gauw! De vervolging moet voortgezet worden. Geen van de roovers mag ontsnappen.
Juda richtte zich op, wuifde met de hand en riep zoo hard hij kon de matrozen aan. Eindelijk gelukte het hem hunne aandacht te trekken. Zij roeiden op hem toe en namen de beide schipbreukelingen op.
Arrius werd met alle mogelijke eerbewijzen op de galei ontvangen. Hij liet zich den afloop van het gevecht tot in de kleinste bijzonderheden verhalen. Nadat men alle nog levende drenkelingen gered en den buit geborgen had, liet hij opnieuw de commandantsvlag ontplooien en spoedde zich noordwaarts, om zich bij de vloot te voegen en de overwinning volkomen te maken. Volgens zijne berekening kwamen de vijftig schepen het kanaal van de noordzijde juist bijtijds inzeilen, en sneden de vluchtelingen den pas af, zoodat geen enkele ontkwam. Twintig vijandelijke galeien werden als buit medegevoerd, hetgeen den roem des overwinnaars niet weinig verhoogde.
Bij zijne terugkomst te Misenum werd Arrius met de grootste geestdrift ontvangen. De hem vergezellende jonkman maakte weldra de nieuwsgierigheid van Arrius' vrienden gaande. Op hunne vragen wie hij was, vertelde de tribuun in warme bewoordingen hoe hij aan dien jongeling zijn leven te danken had, maar vermeed zorgvuldig zijn vroegere geschiedenis aan te roeren. Toen hij zijn verhaal geëindigd had riep hij Ben-Hur tot zich, vatte hem bij de hand en zeide: Lieve vrienden, dit is mijn zoon en erfgenaam, en daar hij eenmaal al het mijne zijn eigendom zal noemen, zal hij van nu af mijn naam dragen. Ik verzoek u allen hem in uwe vriendschap te doen deelen.
Zoodra het den tribuun mogelijk was had de aanneming tot zoon geheel volgens de wet plaats. Zoo betoonde de Romein zijne dankbaarheid aan Ben-Hur en verschafte hem den toegang tot de hoogere Romeinsche kringen. Een maand na Arrius' terugkomst werd zijne overwinning op de zeeroovers glansrijk gevierd in het theater van Scaurus. De eene zijde van het gebouw was versierd met militaire tropeeën, waaronder de voorstevens der twintig vijandelijke galeien niet het minst de aandacht trokken. Daarboven stond in gulden letters geschreven: Veroverd op de zeeroovers in de golf van Euripus, door Quintus Arrius Duumvir.