Wij zijn in de maand Juli van het jaar onzes Heeren 28, en wel in Antiochië, de koningin van het Oosten, en na Rome de machtigste, zoo niet de volkrijkste stad der wereld. Dat de buitensporige weelde en zedeloosheid van dien tijd zich van uit Rome over het geheele rijk verspreidden mag in twijfel getrokken worden. Die zich de moeite getroosten wil van alles nauwkeurig te onderzoeken zal tot het besluit komen, dat de zedenbedervende strooming van het Oosten uitging naar het Westen, met name van Antiochië, een der oudste zetels van Assyrische macht en prachtlievendheid.
Een transportgalei liep, uit zee komende, den mond van den Orontes in. Het was voormiddag. De hitte was groot, toch waren alle reizigers op het dek, daaronder ook Ben-Hur.
De vijf jaren, die sedert zijne bevrijding verloopen zijn, hebben den jongen Jood tot een krachtig man ontwikkeld. In een ruim wit kleed gehuld zag hij er zeer innemend uit. Reeds meer dan een uur had hij rustig in de schaduw van het zeil gezeten, en in dat uur hadden verscheidene reizigers, tot zijn eigen volk behoorende, een gesprek met hem trachten aan te knoopen, maar zonder te slagen. Hunne vragen had hij kort, schoon zeer beleefd, in de latijnsche taal beantwoord. Zijn beschaafde manier van spreken, zijn waardige houding, zijn teruggetrokkenheid schenen hunne nieuwsgierigheid in hooge mate te prikkelen. Daarenboven was in de uitdrukking van zijn gelaat iets dat den nauwlettenden beschouwer deed zeggen: die man heeft een verleden achter zich.
De galei had in een der havens van Cyrus een Hebreër opgenomen van zeer fatsoenlijk, eerwaardig voorkomen. Ben-Hur voelde zich tot den man getrokken en deed hem een paar vragen. De antwoorden wonnen zijn vertrouwen, en leidden weldra tot een uitvoerig gesprek.
Toen de galei van Cyprus afgevaren was achterhaalde zij twee andere vaartuigen, die eveneens de rivier opvoeren en zoodra zij in elkanders buurt waren tal van gele vlaggetjes heeschen. Iedereen wilde weten wat die vlaggetjes beduidden, maar niemand kon er een verklaring van geven, totdat een der reizigers den eerbiedwaardigen Hebreër om inlichting vraagde.
—Die vlaggetjes, antwoordde hij, dienen niet om de nationaliteit kenbaar te maken. Zij zijn eenvoudig het kenteeken van den eigenaar.
—Heeft die dan zoovele schepen?
—Ja.
—Kent gij hem?
—Ik heb handel met hem gedreven.
De passagiers zagen den grijsaard vragend aan, als om hem tot vertellen te noodigen. Ben-Hur luisterde met belangstelling.
—Hij woont in Antiochië, vervolgde de Hebreër. Daar hij schatrijk is heeft men natuurlijk de oogen op hem gevestigd; maar men spreekt niet altijd welwillend over hem. Er heeft namelijk vroeger in Jeruzalem een vorst gewoond uit het aloude geslacht Hur.
Juda deed zijn best om kalm te blijven, maar zijn hart begon sneller te kloppen.
—Die vorst, ging de verhaler voort, was koopman en had een zeldzaam scherpen blik op de zaken. Hij zette belangrijke ondernemingen op touw, in 't Oosten zoowel als in 't Westen. In de groote steden vestigde hij bijkantoren. Dat in Antiochië werd beheerd door een zekeren Simonides, die in weerwil van zijn Griekschen naam toch een Israëliet was. De vorst verongelukte op zee. De zaken werden echter voortgezet en waarlijk met niet minder goed gevolg. Na een paar jaren werd het gezin van den vorst door een zwaren slag getroffen. Zijn eenige zoon trachtte den procurator Gratus te dooden in de straten van Jeruzalem. De aanslag mislukte en sedert is hij verdwenen.
De Romein wreekte zich op het geheele gezin. Niemand werd gespaard. Het paleis werd verzegeld, op de goederen, ja, op alles wat het huis Hur toebehoorde, werd beslag gelegd. De procurator heelde zijne wond met een gouden pleister.
De passagiers lachten.
—Gij wilt zeggen dat hij het vermogen voor zich hield, zeide een van hen.
—Zoo zegt men, antwoordde de Hebreër. Ik deel u het verhaal mede zooals het mij gedaan is. Simonides dan, die hier in Antiochië de agent van den vorst was, begon niet lang daarna handel te drijven voor eigen rekening en werd binnen ongeloofelijk korten tijd een der aanzienlijkste handelaren van de stad. In navolging van zijn heer zond hij karavanen naar Indië, en thans bezit hij genoeg galeien voor een koninklijke vloot. Men zegt dat niets hem ooit mislukt. Zijn kameelen sterven niet anders, dan door ouderdom. Zijn schepen gaan nooit te gronde. Werpt hij een stuk hout in zee, het keert als goud tot hem terug.
—Hoe lang drijft hij handel voor zichzelf?
—Nog niet volle tien jaren.
—Dan moet hij met een aardigen duit op zak begonnen zijn.
—Ja, men zegt dat de procurator zich alleen maar van 's vorsten bezittingen kon toeëigenen wat voorhanden was: zijn paarden, vee, huizen, land, schepen, en de opgestapelde goederen. Baar geld was echter nergens te vinden, hoewel er onnoemelijke sommen moeten geweest zijn. Wat daarvan geworden is bleef een onopgelost raadsel.
—Niet voor mij, zeide een der reizigers met een grijnslach.
—Ik begrijp wat gij bedoelt, antwoordde de Hebreër. Anderen koesterden dezelfde gedachte. Dat de oude Simonides er zichzelven mee in de hoogte gewerkt heeft, wordt algemeen geloofd. De procurator was ook van dat gevoelen. Tweemaal in vijf jaren heeft hij den koopman gevangengenomen en op de pijnbank gelegd.
Juda's hand klemde zich krampachtig om het touw, waartegen hij leunde.
—Men zegt, ging de grijsaard voort, dat zij den armen man letterlijk geradbraakt hebben. De laatste maal, dat ik hem zag, zat hij in een stoel in kussens weggedoken, als een vormlooze klomp.
—Hoe vreeselijk! riepen sommige toehoorders.
—Ja, wel vreeselijk. Ziekte kon zulk een misvorming niet teweeggebracht hebben. De pijnbank heeft echter niets op hem vermocht. Alles wat hij bezat was wettig het zijne, en hij maakte er een wettig gebruik van. Meer kon men niet uit hem krijgen. Tegenwoordig is hij gelukkig van alle vervolging ontheven. Hij heeft een verlofbrief om handel te drijven, door Tiberius zelf onderteekend.
—Daar zal hij het noodige voor hebben moeten neertellen, riep een der omstanders.
—Die schepen zijn van hem, zeide de Hebreër, de opmerking latende voor wat hij was. Zijne matrozen hebben de gewoonte elkander met het uitsteken van gele vlaggetjes te begroeten, hetgeen zooveel wil zeggen als: Onze reis is voorspoedig geweest.
Hier eindigde het verhaal. Toen Juda een weinig later den Hebreër alleen vond vraagde hij: Hoe heette de principaal van dien koopman?
—Ben-Hur; vorst van Jeruzalem.
—Wat is er geworden van zijne familie?
—De zoon werd naar de galeien gezonden. Ik veronderstel dat hij dood is. Langer dan een jaar houden de galeislaven het zelden uit. Van de weduwe en hare dochter heeft men sedert niets meer gehoord. Zij, die er meer van weten, willen er zich niet over uitlaten. Waarschijnlijk hebben zij haar leven beëindigd in een cel van een der Romeinsche burchten van Judea.
Juda wandelde naar de voorplecht, zóó in gedachten verzonken, dat hij nauwelijks acht gaf op de oevers der rivier, die op dit punt bijzonder liefelijk waren en omzoomd met weelderige tuinen en sierlijke landhuizen. De gansche omgeving baadde in zonneschijn, alleen op zijn leven rustte een schaduw.
Eenmaal slechts waakte hij op uit zijne gepeinzen, en dat was, toen door een kromming van de rivier het Park van Daphne zichtbaar werd.
Toen men de stad in 't gezicht kreeg waren de passagiers op het dek bijeengekomen, om van hare schoone ligging te genieten. De bejaarde Jood gaf ook nu weder de gewenschte inlichtingen.
—De rivier keert zich hier naar het Westen, zeide hij. Ik herinner mij nog dat het water de wallen bespoelde; maar als Romeinsche onderdanen hebben wij in vrede geleefd, zoodat de handel in bloei toenam, en als een natuurlijk gevolg overal langs de rivier werven en dokken werden aangelegd. Ginds in het Zuiden ziet gij den berg Casius, of zooals men hier zegt, den Orontesberg, en daar tegenover in het Noorden den Amnus. Tusschen die beiden ligt de vlakte van Antiochië. Die bergen verderop zijn de Zwarte bergen, vanwaar de groote waterleiding het zuiverste water naar de stad voert, om de dorstige menschen te laven en de stoffige straten te besproeien. Het gebergte is met dichte bosschen bezet, die een rijke dierenwereld huisvesten.
—Waar is het meer? vraagde een van de reizigers.
—Ginds, in het Noorden. Men kan er te paard heengaan, of beter nog met een bootje; want het staat door een zijstroom met de rivier in verbinding.—Waar het Park van Daphne op lijkt? zeide hij, als antwoord op de vraag van een tweede. Dat kan niemand beschrijven; maar pas op. Apollo heeft het aangelegd en voltooid. Hijzelf geeft er de voorkeur aan boven den Olymp. Men gaat er heen om er een blik te werpen, slechts één, en men kan het niet weder verlaten. De Antiochiërs hebben een spreekwijze, die veelzeggend is: beter een worm te zijn en moerbeibladeren te eten in Daphne's Park, dan gast aan 's konings tafel.
—Raadt gij mij dus er niet heen te gaan?
—Niet ik. Gij zult gaan. Iedereen gaat, cynische philosofen, baardelooze knapen, vrouwen, priesters, allen gaan. Zoo zeker ben ik dat gij gaan zult, dat ik u een raad wil geven. Neem geen logies in de stad, dat is tijdverlies; maar ga in eens naar het dorp, vlak bij het Park gelegen. De weg daarheen leidt door een tuin vol frissche fonteinen. Maar let nu eens op den stadsmuur, dat meesterstuk van Heraeus, den grooten bouwkundige.
Aller oogen volgden de aanwijzing van zijn vinger.
—Dit gedeelte werd gebouwd door den eersten der Seleuciden. De 300 jaren van zijn bestaan hebben het één gemaakt met de rots, waarop het staat.
Het werk rechtvaardigde de lofspraak. Hoog, stevig en met tal van steile invalshoeken, boog de muur zuidwaarts, zoodat men hem niet langer volgen kon.
—De muur heeft vierhonderd torens, alle waterreservoirs, vervolgde de Hebreër. Kijk, over den muur heen, zoo hoog als hij is, kunt gij in de verte twee bergen zien, dat zijn de twee toppen van den Sulpius. Het gebouw op den verst verwijderden top is de citadel, jaar in jaar uit bezet door een Romeinsch legioen. Daar tegenover verrijst de tempel van Jupiter, en daaronder het paleis van den legaat, een onneembare vesting.
Op dit oogenblik begonnen de matrozen het zeil te bergen.
—Het uur van scheiden is gekomen, zeide de grijsaard. Bij gindsche brug, die naar Seleucia voert, eindigt de vaart. Wat het schip ontlaadt voor verder vervoer neemt de kameel op. Wat is de stad gunstig gelegen, niet waar? Van haar behoef ik niet anders te zeggen, dan dat ieder, die het voorrecht had van haar te bezoeken, zich gelukkig mag noemen haar gezien te hebben.
Hij zweeg, want de galei wendde den steven langzaam naar haar aanlegplaats onder den muur. Touwen werden uitgeworpen, de riemen werden ingehaald, de reis was beëindigd.
Voordat Ben-Hur het vaartuig verliet zocht hij nog eenmaal den eerwaardigen Hebreër op.
—Mag ik u nog even iets vragen, voordat ik u vaarwel zeg?
De man boog toestemmend.
—Wat gij ons van dien koopman hebt medegedeeld heeft mij begeerig gemaakt om hem te zien. Zeidet gij niet dat hij Simonides heet?
—Ja; hij is een Jood met een Griekschen naam.
—Waar kan ik hem vinden?
De vreemdeling keek hem scherp aan. Toen antwoordde hij: Ik moet u eene teleurstelling besparen. Hij is geen geldschieter.
—Evenmin als ik een geldleener ben, zeide Ben-Hur lachend.
De grijsaard hief het hoofd op en dacht een oogenblik na.
—Iedereen zou het natuurlijk vinden, zeide hij, zoo de rijkste koopman van Antiochië een huis bewoonde volgens zijn stand; maar hier zou men zich toch vergissen. Wilt gij hem een bezoek brengen, volg dan de rivier tot aan de brug. Daaronder woont hij in een gebouw, dat er uitziet als een stutbalk van den muur. Voor de deur is een breede aanlegplaats, altijd vol van goederen, die pas gelost zijn, of ingescheept moeten worden. De daar voor anker liggende schepen behooren hem toe. Gij zult het gemakkelijk vinden.
—Ik dank u.
—De vrede onzer vaderen zij met u.
—En met u.
Zoo scheidden zij.
Twee lastdragers namen Ben-Hurs bagage op en vraagden zijne bevelen.
—Naar de citadel, beval hij, waaruit men kon opmaken, dat hij een militaire betrekking vervulde.
Twee groote straten, die elkander met een rechten hoek doorsneden, verdeelden de stad in vieren. Aan het einde van de eene straat verhief zich een vreemdsoortig gebouw, het Nymphaeum genaamd. Toen de dragers, daar gekomen, den hoek omsloegen, was Ben-Hur, ofschoon hij regelrecht van Rome kwam, verbaasd over de pracht, die zich voor zijne oogen ontvouwde. Rechts en links niets dan paleizen, terwijl de straat daartusschen van overdekte marmeren zuilengangen voorzien was, zoodat er afzonderlijke wegen voor voetgangers, vee, en wagens waren. Op bepaalde afstanden brachten ruischende springfonteinen koelte en verfrissching aan.
Ben-Hur was niet in de stemming om van het schoone te genieten. De geschiedenis van Simonides vervolgde hem. Bij den Omphalus gekomen, een monument van vier bogen, die de straat overspanden, prachtig versierd, en opgericht door Epiphanes, den achtste der Seleuciden, veranderde hij plotseling van gedachte.
—Ik zal van avond niet naar de citadel gaan, zeide hij tot de dragers. Breng mij naar een herberg, zoo dicht mogelijk bij de brug, die naar Seleucia voert.
De mannen sloegen den weg derwaarts in, en brachten hem weldra bij een eenvoudig maar ruim gebouw, vlak bij de brug waaronder Simonides woonde. Hij bracht den nacht op het platte dak door. Telkens en telkens herhaalde hij bij zichzelven: Eindelijk zal ik dan van huis hooren, van moeder en mijn lieve kleine Tirza. Als zij nog leven zal ik ze vinden.
Den volgenden morgen vroeg maakte Ben-Hur zich op, om naar Simonides te gaan. Een van schietgaten voorziene poort aan het einde der stad voerde naar een gansche reeks van werven. Door een dichte, bedrijvige menigte heen bereikte hij de brug, waar hij even staan bleef, om het voor hem zeldzaam schouwspel in oogenschouw te nemen.
Ja, dàt moest het huis van den koopman zijn, een grijs gebouw, geheel stijlloos, precies een stutbalk van den muur, alles zooals de reiziger gezegd had. Twee zware groote deuren verleenden toegang tot de werf. Een paar getraliede vierkante openingen deden dienst als vensters. In de voegen en spleten woekerde allerlei soort van onkruid en op sommige plaatsen waren de overigens kale steenen met mos bewassen.
De deuren stonden open. Door de eene ging men in, door de andere uit. Drukte en haast spraken uit ieders bewegingen. Op de werf lagen allerlei soorten van goederen opgestapeld, en tal van halfnaakte slaven liepen af en aan. Onder de brug lag een gansche vloot van galeien ten anker, sommige bezig met laden, andere met lossen. Van elken mast woei een gele vlag.
Niet lang bleef Ben-Hur daar staan. Zijn verlangen dreef hem verder. Eindelijk zou hij bericht van de zijnen kunnen krijgen, indien namelijk Simonides werkelijk in zijn vaders dienst geweest was. Maar zou de man hem als den zoon van zijnen heer willen erkennen? Wat toch sloot dat in? Afstand doen van zijne rijkdommen en van zijn stand, en weder tot den staat van dienstbaarheid terugkeeren. Was het niet een dwaasheid tot zulk een man te gaan met de eisch: Gij zijt mijn slaaf, geef mij al wat gij hebt en—uzelf?
Het bewustzijn van zijn goed recht en de hoop op tijding van huis gaven Ben-Hur de kracht om zijn plan te volvoeren. Als het verhaal waar was, behoorde Simonides met al wat hij had hem toe. Om het geld gaf hij, dat moet gezegd worden, niets. Toen hij vastbesloten op de deur toetrad, legde hij bij zichzelven de gelofte af: Laat hij mij zeggen waar moeder en Tirza zijn, en ik geef hem onvoorwaardelijk zijne vrijheid terug.
Met opgeheven hoofd trad hij binnen. Allereerst kwam hij in een ruim pakhuis, waar in volmaakte orde allerlei soorten van goederen opgestapeld lagen. Hoewel het er vrij duister en bedompt was, gingen sjouwers onophoudelijk af en aan, terwijl andere werklieden, van zaag en hamer voorzien, pakkisten ter verzending gereedmaakten. Langzaam liep hij tusschen de pakken door en vraagde zichzelven af, of de man, van wiens genie hier de overtuigende bewijzen waren, zijn vaders slaaf kon geweest zijn. Indien het antwoord toestemmend was, tot welke klasse had hij dan behoord? Zou hij, aangenomen dat hij een Jood was, de zoon van een lijfeigene geweest zijn? Of was hij een schuldenaar, of de zoon van een schuldenaar? Of was hij een dief en voor diefstal verkocht geworden? Deze overleggingen deden in het minst geen afbreuk aan de achting en bewondering, die hij bij al wat hij aanschouwde voor den handelaar ging gevoelen.
Eindelijk hield een man hem staande en sprak hem aan.
—Wat is er van uw verlangen?
—Ik wenschte den handelaar Simonides te spreken.
—Wil mij dan volgen.
De man voerde hem het geheele pakhuis door tot aan een smalle trap. Boven gekomen bemerkte Ben-Hur, dat hij op het dak van het pakhuis stond. Vóór hem verrees een gebouwtje, van de kade onzichtbaar, een huis dus boven op een huis, en dat naast de brug onder den vrijen hemel verhief. Het dak, waarop hij stond, was door een lagen muur omgeven, en geleek wel een tuin door de keur van bloemen en gewassen, die er welig tierden. In die liefelijken omgeving maakte het vierkant steenen gebouw, welks muren, behalve door de voordeur, door geen enkelen opening onderbroken werden, een zonderlingen indruk. Een net onderhouden pad leidde tusschen bloeiende rozestruiken naar de deur. Den zoeten geur opsnuivend volgde Ben-Hur zijn leidsman naar binnen. Aan het einde van een donkere gang gekomen, hield deze stil voor een half opengeschoven gordijn.
—Een vreemdeling, die den patroon wenscht ter spreken, riep de man, om onzen reiziger aan te dienen.
Een heldere stem antwoordde: Laat hem binnenkomen.
Een Romein zou het vertrek, waarin Ben-Hur thans kwam, zijn atrium genoemd hebben. De wanden waren in paneelen verdeeld, die op hunne beurt tot een soort van kantoorlessenaars waren ingericht en vol lagen met dikke rollen: de kasboeken van den koopman. Tusschen en rondom de paneelen waren prachtig gebeeldhouwde, roomkleurige plinten aangebracht. Boven een rand van vergulde ballen rees de zoldering koepelvormig omhoog. Het bovengedeelte van den koepel was met honderde pannen van violetkleurig mica belegd, waardoor het licht liefelijk getemperd naar binnen viel. Op den vloer lag een zoo dik tapijt, dat het geluid van voetstappen er zich geheel in verloor.
In het midden der kamer bevonden zich twee personen, een man, half weggedoken in de kussens van een gemakkelijken leunstoel, en een bevallig jong meisje. Toen hij hen zag vloog Ben-Hur het bloed naar 't hoofd. Hij groette hen met een beleefde buiging, maar daardoor ontging hem, dat de grijsaard, toen hij hem aankeek, zichtbaar ontsteld zijne handen omhooghief.
Toen Ben-Hur de oogen weer opsloeg vond hij vader en dochter in dezelfde houding, behalve dat de hand van het meisje thans op den schouder van den ouden man rustte. Beiden zagen hem onderzoekend aan.
—Indien ik in u Simonides den koopman, den Jood, mag begroeten, dan zij de vrede van den God onzes vaders Abraham met u en de uwen.
—Ik ben Simonides, van wien gij spreekt, van geboorte een Jood, antwoordde de man met een bijzonder klankrijke stem, en ik wensch u eveneens dien vrede toe, u tevens verzoekende mij te willen meedeelen met wien ik spreek.
Ben-Hur had intusschen den man nauwlettend aangezien. Ach ja, het was zooals zijn medepassagier hem gezegd had. Simonides, die op een forsche kloeke gestalte had kunnen bogen, zat thans als een vormlooze massa in de kussens weggezonken. Een zijden deken bedekte zijn misvormde ledematen. Alleen het edelgevormde hoofd deed vermoeden wat hij eenmaal geweest moest zijn. Witte lokken en witte wenkbrauwen verhoogden den gloed der donkere oogen. Het gelaat was geheel kleurloos en met vele rimpels doorploegd. Het was het gelaat van een man, die eer de wereld in beweging zou brengen, dan door haar in beweging gebracht worden; een man, die eer zijn leven dan een voornemen of een levensdoel zou opofferen; een man van staal, alleen te treffen in wat hij liefhad.
—Ik ben Juda, de zoon van Ithamar, in zijn leven het hoofd van het geslacht Hur, en vorst van Jeruzalem. Dit zeggende stak hij den oude beide handen toe.
De rechterhand van den koopman, een uitgeteerde, misvormde hand, die op de deken rustte, sloot zich krampachtig; overigens bleef hij volkomen bedaard en gaf niet het minste teeken van verbazing of belangstelling. Kalm antwoordde hij: De geboren vorsten van Jeruzalem zijn altijd welkom in mijn huis. Gij zijt welkom. Esther, geef den jonkman een stoel.
Het meisje gehoorzaamde en schoof een zetel aan, zeggende: De vrede van onzen God zij met u; ga zitten en rust.
Ben-Hur maakte geen gebruik van den zetel; maar zeide op beleefden toon: Ik hoop dat de waardige Simonides mij niet voor een indringer zal aanzien. Gisteren naar Antiochië reizende, vernam ik dat hij mijn vader gekend heeft.
—Ja, ik heb vorst Hur gekend. Wij hebben samen handel gedreven. Maar ga toch zitten, bid ik u; en, Esther, breng wijn voor den jonkman. Nehemia spreekt van een zoon van Hur, die over half Jeruzalem regeerde; een oud geslacht, zeer oud. In de dagen van Mozes en Jozua vonden zij reeds genade in de oogen des Heeren. Ik kan niet denken, dat een hunner afstammelingen een beker druivennat van de echte wijngaarden van Sorek, geplant op Hebrons heuvelen, zal weigeren.
Nog voordat hij uitgesproken had bood Esther den bezoeker een beker wijn aan. Ben-Hur echter maakte een afwijzende beweging. Een verwonderde blik trof hem uit haar donkere, zachte oogen. Zij is lief en mooi, dacht hij, zoo lief en mooi zou Tirza ook zijn, als zij nog leefde. Arme Tirza! Toen zeide hij overluid: Neen, uw vader,—hij is immers uw vader ...?
—Ik ben Esther, de dochter van Simonides, antwoordde zij fier.
—Uw vader, schoone Esther, zal wanneer hij mij ten einde toe gehoord heeft kunnen begrijpen, dat ik vooralsnog niet van zijnen wijn drink. En gij zult er mij, hoop ik, niet minder goedgunstig om aanzien. Blijf, bid ik u, een oogenblik naast mij staan.
Het meisje deed wat haar verzocht werd.
—Simonides, zeide Ben-Hur op vasten toon, toen mijn vader stierf, had hij een vertrouwd bediende van uw naam, en mij is gezegd, dat gij die man zijt.
Het gansche lichaam van den grijsaard trilde, krampachtig balde hij de vuist.
—Esther, riep hij op strengen toon, kom hier! Als het kind uwer ouders is uwe plaats hier, niet daar, hoort gij?
Het meisje zag verschrikt en verbaasd eerst haar vader, toen den bezoeker aan. Daarop zette zij den beker op tafel en ging gehoorzaam naar den ziekenstoel. Simonides greep hare hand en zeide op kalme toon: Ik ben oud geworden vóór mijn tijd door toedoen van menschen. Als hij, die u wat gij daar zeidet, verteld heeft, een met mijne geschiedenis bekend vriend is, dan moet hij u overtuigd hebben, dat ik niet anders dan achterdochtig kan zijn met betrekking tot mijne medemenschen. De God van Israël sta hem bij, die aan het einde zijns levens genoodzaakt is zoo te spreken. Ik heb slechts weinigen lief, maar die dan ook met mijn ganschen hart. Een van die—hij bracht op een onbeschrijfelijk teedere wijze Esthers hand aan zijne lippen—tot heden onverdeeld de mijne, was mij tot zulk een zoeten troost, dat ik zou sterven als zij van mij genomen werd.
Esther boog zich over haren vader en kuste hem op het voorhoofd.
—De andere liefde is slechts een herinnering, waarvan ik niets anders zeggen zal, dan dat zij als een zegen des Heeren een geheele familie omvat. Wist ik, ach wist ik maar waar zij zich ophouden!
Ben-Hurs gelaat werd met een donkeren blos overtogen, en een stap nader tredend riep hij hartstochtelijk: Mijne moeder en zuster! Die bedoelt gij, niet waar?
Esther zag verwonderd op; maar Simonides, zichzelf meester, zeide koel: Hoor mij ten einde. Omdat ik ben wat ik ben, en om de liefde waarvan ik sprak, eisch ik van u naar recht en billijkheid de bewijzen, dat gij zijt voor wien gij u uitgeeft. Daarna zal ik uwe vraag betreffende mijne verhouding tot vorst Hur beantwoorden. Hebt gij uwe bewijzen op schrift? Of brengt gij persoonlijke getuigen mee?
De vraag was eenvoudig, en haar goed recht onbetwistbaar.
Ben-Hur werd verlegen, stamelde een paar onsamenhangende woorden, en keerde zich besluiteloos af. Simonides hield aan: Geef mij de bewijzen, zeg ik. Leg ze mij voor, geef ze mij in handen!
Maar Ben-Hur kon niets antwoorden. Aan die mogelijkheid had hij niet gedacht; en nu hij er voor stond, gingen zijne oogen eerst geheel open voor het vreeselijke feit, dat die drie jaren op de galeien alle bewijzen van zijne identiteit hadden weggevaagd. Nu zijne moeder en zuster spoorloos verdwenen waren, was er niemand, op wien hij zich kon beroepen. Bekenden had hij genoeg; maar dat baatte niet. Wat had zelfs Quintus Arrius, als hij hier bij hem was geweest, meer kunnen zeggen, dan waar hij hem gevonden had en dat hij voor zich overtuigd was den zoon van vorst Hur voor zich te zien? Maar, zooals wij straks zullen zien, de dappere Romeinsche krijger was niet meer. Juda had vroeger wel eens over zijne verlatenheid gezucht, maar nu eerst voelde hij ten volle wat het zegt niemand toe te behooren. Daar stond hij met gevouwen handen, afgewend gelaat, geheel verslagen. Simonides eerbiedigde die stille smart en wachtte zwijgend.
—Meester Simonides, zeide Ben-Hur eindelijk, ik kan u alleen mijne levensgeschiedenis verhalen; maar ik doe het niet, tenzij gij zoolang uw oordeel wilt opschorten en met goedwilligheid naar mij wilt luisteren.
—Spreek, zeide Simonides, ik luister te gewilliger daar ik niet ontkend heb, dat gij degeen zijt, voor wien gij u uitgeeft.
Toen vertelde Ben-Hur in weinige, maar welsprekende woorden zijn wederwaardigheden. Daar wij die kennen tot aan het oogenblik van zijne landing te Misenum in gezelschap van Arrius, zullen wij bij dat punt zijn verhaal opvatten.
—De keizer had mijn weldoener lief, vertrouwde hem volkomen, en overlaadde hem met eerbewijzen. De kooplieden uit het Oosten, die hem hunne veiligheid dankten, brachten kostbare geschenken aan, zoodat hij schatten op schatten stapelde. Mag een Jood zijn godsdienst vergeten, of zijn geboorteland, zoo dat de heilige grond onzer vaderen is? De waardige Arrius nam mij geheel volgens de Romeinsche wetten tot zoon aan, en ik deed wat ik kon om hem mijne dankbaarheid te toonen. Nooit was een kind zijn vader meer onderdanig dan ik hem. Hij had mij tot geleerde willen maken. In kunst, philosofie, rhetorica, oratorie, zou hij mij de beroemste meesters gegeven hebben. Die aanbiedingen sloeg ik af, omdat ik een Jood was, en zoomin den Heere God kon vergeten, als onze groote profeten of de stad door David en Salomo gebouwd. Vraagt gij soms waarom ik zijne andere gaven wèl aannam? Dan antwoord ik: Ik had hem lief, en ik hoopte eenmaal met zijne hulp den sluier op te lichten, die het lot van mijne moeder en zuster bedekte. Daarnevens had ik nog een ander doel voor oogen, waarover ik niets wil zeggen, dan dit, dat het mij een prikkel was om het krijgswezen grondig te bestudeeren, en mij in het hanteeren der wapenen te bekwamen. In worstelperk en circus heb ik mij dag aan dag geoefend, in het kamp niet minder, en overal heb ik naam gemaakt. De lauweren, die ik won—en aan de muren der villa te Misenum hangen er verscheidene—kwamen tot mij, als zoon van Arrius den duumvir, niet als den zoon mijns vaders. Alleen in mijne betrekking tot den Romein ben ik bij de Romeinen bekend. Tot bevordering van mijne plannen verliet ik Rome voor Antiochië, vast besloten om den Consul Maxentius in den oorlog tegen de Parthen te volgen, ten einde op het slagveld de hoogere kunst te leeren van de troepen ten strijde te voeren. De consul heeft mij toegelaten tot den kring zijner naaste omgeving. Maar gisteren, toen ons schip den Orontes opvoer, ontmoetten wij twee andere schepen, met gele vlaggen in top. Een medereiziger en landgenoot van Cyprus deelde ons mee, dat die schepen het eigendom waren van Simonides, den grootsten koopman van Antiochië. Hij vertelde ons van zijn wonderbaren voorspoed in den handel, van zijne vloot en karavanen, weinig vermoedende, dat een zijner hoorders persoonlijk het grootste belang stelde in hetgeen hij mededeelde. Hij zeide ook dat Simonides een Jood was, in vroeger jaren lijfeigene van vorst Hur. Tot besluit sprak hij van de wreedheden door Gratus gepleegd en het doel dier vervolging.
Bij deze woorden boog Simonides het hoofd, terwijl Esther zich tegen hem aanvlijde, als wilde zij hem haar innig medelijden toonen. Slechts even; toen richtte Simonides zich weer op en zeide met heldere stem: Ik luister.
—Ach, goede Simonides, antwoordde Ben-Hur, terwijl zijn geheele ziel uit zijne oogen sprak, ik zie dat gij nog niet overtuigd zijt, en dat de schaduw van verdenking nog op mij rust.
Het gelaat van den koopman bleef koud en strak als marmer. Hij bewaarde het stilzwijgen.
—Niet minder duidelijk zie ik de moeilijkheden van mijn toestand, vervolgde Ben-Hur. Mijne Romeinsche betrekking kan ik bewijzen, ik behoef mij slechts op den consul te beroepen, die als gast van den gouverneur dezer stad in Antiochië vertoeft; maar ik kan niet bewijzen dat ik de zoon mijns vaders ben. Die dat konden zijn dood, of verdwenen.
Hij bedekte zijn gelaat met beide handen, waarop Esther naar hem toe ging, en hem den versmaden beker wijn nogmaals aanbood, met de woorden: De wijn komt uit het land, dat wij allen zoozeer liefhebben. Drink, bid ik u.
Hare stem klonk zacht en liefelijk. Ben-Hur zag dat hare oogen vol tranen stonden. Hij nam de beker aan, zeggende: Dochter van Simonides, uw hart is vol goedheid. Dat onze God u zegene! Ik dank u.
Toen wendde hij zich opnieuw tot den koopman.
—Daar ik u niet bewijzen kan, dat ik mijn vaders zoon ben, trek ik mijne vraag terug. Gij zult mij niet wederzien. Alleen dit nog: Mijn bedoeling was niet u te doen terugkeeren tot dienstbaarheid, of rekenschap te eischen van uw vermogen. Welke ook de uitkomst mocht geweest zijn, ik zou gezegd hebben wat ik nu ook zeg: Alles wat gij door uw vlijt en talenten gewonnen hebt is het uwe. Behoud het in vrede. Ik heb het niet noodig. Toen de goede Quintus, mijn tweede vader, de reis aanvaardde, waarvan hij niet zou terugkeeren, maakte hij mij tot eenige erfgenaam van zijn vorstelijk vermogen. Mocht gij dus bijgeval later nog eens aan mij denken, laat het dan alleen zijn in verband met de vraag, die het voornaamste doel mijner komst was. Wat weet gij, wat kunt gij mij vertellen van mijne moeder en van Tirza, mijne zuster; zij, die in schoonheid en bevalligheid aan uwe beminnelijke dochter gelijk zou zijn? O zeg, wat kunt gij mij van haar vertellen?
De tranen stroomden langs Esthers wangen, maar haar vader bleef onbewogen. Met vaste stem antwoordde hij: Ik heb gezegd dat ik vorst Hur gekend heb. Ik herinner mij vernomen te hebben, dat zijn gezin door vele rampen getroffen werd. Hij, die de weduwe van mijn vriend in het verderf stortte, is dezelfde, die ook mij vervolgd heeft. Ik wil nog verder gaan, en u zeggen dat ik naarstig onderzocht heb wat van de familie geworden is; maar—ik kan u niets van haar vertellen. Zij zijn als van den aardbodem verdwenen.
Ben-Hur slaakte een diepen zucht. Dan—dan is weder een hoop vervlogen, zeide hij. Ik ben gewoon aan teleurstellingen. Ik bid u vergeef mij, zoo ik u moeite veroorzaakte, vergeef het ter wille van mijne smart. Ik heb nu niets meer om voor te leven dan mijne wraak. Vaarwel.
Bij den uitgang keerde hij zich om en zeide eenvoudig: Ik dank u beiden.
—De vrede Gods vergezelle u, zeide de koopman.
Esther kon niet spreken, zij snikte luid.
En zoo vertrok hij.
Nauwelijks was Ben-Hur de kamer uit, of Simonides scheen als uit den slaap te ontwaken. Zijn gelaat gloeide, zijn sombere oogen schoten vuur. Op levendigen toon zeide hij: Gauw, Esther, bel eens gauw!
Zij ging naar de tafel en drukte op een knopje. Dadelijk daarop verscheen door een deur in den muur een bediende, die voor den koopman bleef staan en een eerbiedigen buiging maakte.
—Hier, Malluch, dichter bij mijn stoel, beval de meester. Ik heb een werk voor u, dat niet mag mislukken, al viel de zon ook van den hemel. Luister! Zooëven verliet mij een jonkman, hij zal door het pakhuis gaan, slank, schoon, als Israëliet gekleed. Volg hem, zijn schaduw mag niet onafscheidelijker van hem zijn dan gij. Iederen avond doet gij mij weten waar hij is, wat hij doet, welk gezelschap hij opzoekt; en als gij zonder vrees voor ontdekking zijne gesprekken kunt afluisteren, breng ze mij dan woord voor woord over, met alles wat dienen kan om zijne gewoonten, zijne bedoelingen, zijn leven te leeren kennen. Begrepen? Ga gauw. Wacht, Malluch, luister nog even. Gaat hij de stad uit, volg hem, en doe u als vriend voor. Spreekt hij u aan, zeg wat gij wilt, alleen niet dat gij in mijn dienst zijt. Daarover gezwegen. Haast u! Spoed u voort!
De man groette en ging heen.
Toen wreef Simonides zijn vermagerde handen en lachte.
—Welke dag is het vandaag, kind? vraagde hij vroolijk. Ik wil hem onthouden als een geluksdag. Zie den datum lachend na, en zeg hem mij lachend, Esther.
Die vroolijkheid kwam haar onnatuurlijk voor, en om hem dat zachtkens te doen gevoelen antwoordde zij droevig: Wee mij, vader, zoo ik ooit dezen dag kon vergeten!
Zijne handen vielen slap neer, hij boog het hoofd en zeide: Zeker, zeker, mijn kind. Dit is de twintigste dag van de vierde maand. Vandaag voor vijf jaren viel mijn lieve Rachel, uwe moeder, neer en stierf. Zij brachten mij thuis, gebroken, zooals gij mij nu ziet, en wij vonden haar bezweken door smart. O, voor mij was zij een struik kamfer in de wijngaarden van Engedi. Ik heb mijne myrrhe geplukt met mijne specerij. Ik heb mijne honigraten met mijnen honig gegeten. Wij begroeven haar op een eenzame plek, een graf uitgehouwen in den berg, niemand ligt bij haar. Maar zij liet mij in mijne duisternis een klein lichtje na, dat met de jaren toenam in glans. (Hij legde zijne hand op Esthers hoofd.) Lieve God, ik dank u, dat ik in mijne Esther mijne verlorene Rachel mag zien herleven!
Toen lichtte hij het hoofd weder op en zeide, alsof een invallende gedachte hem trof: Is het niet klaarlichte dag daarbuiten?
—Zoo was het toen de jonkman binnenkwam.
—Laat Abimelech dan komen en mij naar den tuin brengen, waar ik de rivier en de schepen kan zien. Daar zal ik u zeggen waarom zooeven mijn mond lachte en mijne tong zong, en mijn hart opsprong binnen in mij, als een ree of jonge gazelle op de welriekende bergen.
Op haar schellen kwam een tweede knecht en duwde op haar bevel den stoel, tot dat doel op wieltjes staande, de kamer uit, naar het dak van het lager gelegen huis, den tuin, zooals Simonides het noemde. Tusschen de schoonste, met de meeste zorg gekweekte bloemen door, werd hij naar een punt gerold, vanwaar hij de brug, de fonkelende rivier en de talrijke schepen overzien kon. Daar liet de knecht hem met Esther alleen.
Het geraas, dat de arbeiders maakten, hinderde hem niet, evenmin als de drukte op de brug schuin boven zijn hoofd. Hij was daaraan gewoon en merkte het ternauwernood op.
Esther zette zich op de armleuning van zijn stoel en streelde zijne hand, in afwachting dat hij spreken zou. Eindelijk begon hij op zijn gewonen kalmen toon. Zijn machtige wil had hem de zelfbeheersching teruggegeven.
—Toen die jonkman sprak, Esther, heb ik u gadegeslagen, en meende te zien dat gij voor hem gewonnen waart.
Het meisje sloeg de oogen neer en antwoordde: Als u bedoelt, vader, dat ik zijne woorden geloofde, ja, dan hebt u gelijk.
—In uwe oogen is hij dus de zoon van vorst Hur?
—Als hij het niet is....
—Nu, wat dan, kind?
—Ik ben uwe dienstmaagd, vader, sinds moeder Gods roepstem volgde. Aan uwe zijde staande heb ik gehoord en gezien hoe u op verstandige wijze handeldet met allerlei soort van mannen, die langs rechte of kromme paden winst zochten te behalen. Daarom zeg ik, als deze jonkman niet de vorst is, waarvoor hij zich uitgeeft, dan zag ik de leugen nog nimmer zoo goed de rol van waarheid en recht spelen.
—Bij de wijsheid van Salomo, dochter, dat is een veelbeteekend woord. Gelooft gij dat uw vader zijn vaders lijfeigene was?
—Mij dacht, hij vraagde alleen maar, of dat zoo was.
—Wel, gij zijt een goed kind, Esther, met echt Joodsche scherpzinnigheid begaafd, en krachtig genoeg om een droevig verhaal te horen. Luister dus goed, want ik zal u iets van mijzelven vertellen, en van uwe moeder, en van vele dingen, die tot een verleden behooren, waarvan gij niets vermoedt, dingen, die den wraakgierigen Romein verborgen zijn gebleven ter wille van een stille hoop, en die ik u verzwegen heb, opdat uw gemoed zich tot den God Israëls zou keeren, als het riet naar de zon. Ik ben geboren in een spelonk in de vallei Hinnom, aan de zuidzijde van den berg Sion. Mijn vader en moeder waren Hebreeuwsche lijfeigenen. Zij verzorgden de olijf- en vijgeboomen in den Koningstuin bij Siloam. Toen ik groot genoeg was hielp ik hen. Zij behoorden tot de klasse, die tot altijddurenden dienst verplicht is. Ik werd later verkocht aan vorst Hur, na koning Herodes de rijkste inwoner van Jeruzalem. Die zond mij naar zijn magazijn in Alexandrië, waar ik meerderjarig werd. Ik diende hem zes jaar, in het zevende werd ik naar de wet van Mozes vrij.
Esther klapte in de handen.
—O, dan zijt gij niet zijn vaders lijfeigene!
—Luister verder, kind. Er waren in die dagen wetgeleerden, die met groote heftigheid de stelling verdedigden, dat de kinderen van lijfeigenen levenslang tot den stand hunner ouders behooren; maar vorst Hur was rechtvaardig in alle dingen en een bekwaam uitlegger der Wet. Hij zeide, dat ik een gekochte Hebreeuwsche dienstknecht was en volgens de bedoeling van den grooten Wetgever in vrijheid kon uitgaan. Op gezegelde brieven, die ik trouw bewaard heb, verklaarde hij mij vrij.
—En mijne moeder? vraagde Esther.
—Gij zult alles hooren, kind. Heb maar geduld. Voordat ik uitgesproken heb zult gij zien, dat ik lichter mijzelf zou kunnen vergeten, dan uwe moeder.... Toen mijn diensttijd verstreken was, ging ik met het Paaschfeest op naar Jeruzalem. Mijn meester ontving mij in zijn huis. Ik had hem lief met mijn gansche hart en verzocht hem in zijn dienst te mogen blijven. Dat stond hij toe en ik diende hem nogmaals zeven jaren, maar thans als een gehuurde zoon van Israël. Hij droeg mij de leiding op van belangrijke ondernemingen ter zee, en het toezicht over zijne karavanen naar Suza en Persepolis. Het waren gevaarvolle tochten, kind, maar de Heer zegende alles wat ik ondernam. Ik bracht den vorst groot gewin aan en deed voor mezelf een schat van kennis op, zonder welke ik de verplichtingen, die mij later werden opgelegd, niet zou hebben kunnen nakomen. Op zekeren dag bevond ik mij te Jeruzalem in het huis van den vorst. Eene dienstmaagd kwam binnen met een schaal brood. Zij bood mij daarvan aan. Dat was de eerste maal dat ik uwe moeder zag. Ik kreeg haar lief. Niet lang daarna vraagde ik de vorst haar mij tot vrouw te geven. Hij antwoordde, dat zij een lijfeigene was, levenslang dienstbaar; maar dat hij haar om mijnentwil vrij zou laten. Zij had mij wederkeerig lief, maar voelde zich gelukkig waar zij was en nam haar aangeboden vrijheid niet aan. Telkens als ik te Jeruzalem kwam, hield ik bij haar aan, maar haar antwoord bleef onveranderlijk hetzelfde: dat zij mijne vrouw wilde worden, mits ik haar mededienstknecht werd. Onze vader Jakob diende tweemaal zeven jaren om zijne Rachel, kon ik dat niet voor de mijne doen? Maar uwe moeder zeide, dat ik een lijfeigene moest worden mijn leven lang, evenals zij. Ik ging heen, maar kwam terug. Zie maar, Esther, zie maar.
Hij schoof zijn hoofddoek weg, wees op zijn linkeroor, en zeide: Ziet ge het litteeken van den priem?
—Ik zie het, antwoordde zij. Wat hebt ge moeder liefgehad!
—Ach, Esther, zij was mij dierbaarder dan Sulamith den koninklijken zanger; zij was mij een springader van levend water, als de stroomen van den Libanon. De vorst bracht mij op mijn verzoek voor de rechters, voerde mij terug naar zijne huisdeur, en doorpriemde mijn oor met den priem, zoodat ik voor eeuwig zijn dienstknecht was. Aldus heb ik mijne Rachel gewonnen. Was er ooit grooter liefde dan de mijne?
Esther boog zich en kuste hem. Toen zwegen beiden een geruime poos.
—Mijn meester verdronk op zee, de eerste droefheid die mij overkwam, vervolgde Simonides. Er was rouwgeklag in zijn huis en in het mijne, hier in Antiochië, waar ik toen reeds woonde. Let nu goed op, Esther. Toen de vorst stierf was ik opgeklommen tot eersten rentmeester.
Alles wat hij bezat stond onder mijn beheer. Daaruit kunt gij zien dat hij mij volkomen vertrouwde en liefhad. Ik haastte mij naar Jeruzalem, om de weduwe rekening en verantwoording te doen. Zij bevestigde mij in mijn ambt. Ik legde mij met nog meer ijver op mijn werk toe. De zaak bloeide en breidde zich jaarlijks uit. Zoo gingen tien jaren voorbij, toen viel de slag, waarvan de jonge man straks gewaagde. Ik bedoel het ongeluk met den procurator Gratus. De Romein noemde het een poging tot moord. Onder dat voorwendsel legde hij, met toestemming van den keizer, ten eigen bate beslag op alles wat de weduwe bezat. Daar bleef het niet bij. Opdat geen herroeping van het vonnis mogelijk zou zijn, verwijderde hij alle belanghebbenden. Sedert dien vreeselijken dag is de familie Hur spoorloos verdwenen. De zoon, dien ik als kind gezien had, werd naar de galeien verwezen. De weduwe en de dochter zijn waarschijnlijk opgesloten in een der gevangenissen van Judea. Eenmaal achter de veroordeelden gesloten, zijn die holen aan grafspelonken gelijk. Weggevaagd zijn de armen, alsof de zee ze verzwolgen had. Wij konden niet eens te weten komen hoe zij stierven; neen, zelfs niet of zij dood zijn.
Esthers oogen stonden vol tranen.
—Uw hart is goed, Esther, evenals dat van uwen moeder, en ik bid God, dat het niet het lot moge ondergaan van het meerendeel der goede harten: vertrapt te worden door onmeedoogenden en blinden. Maar luister verder. Ik begaf mij dadelijk naar Jeruzalem, om mijne meesteres, zoo mogelijk, te helpen, maar werd bij de poort gegrepen en naar de burcht Antonia gebracht, waarom wist ik niet, totdat Gratus zelf verscheen en de gelden opeischte van het huis Hur, welke hij wist dat, naar Joodsch gebruik, door wissels van mijne handteekening voorzien, overal konden opgevraagd worden. Hij verlangde dat ik zijn bevel zou onderteekenen. Ik weigerde. Hij had de huizen, landerijen, goederen, schepen van hen, die ik diende, maar niet het geld. Ik wist dat ik, als God met mij bleef, het verlorene ruimschoots kon herwinnen. Ik weigerde den tiran te gehoorzamen. Hij deed mij op de pijnbank leggen. Ik bleef standvastig. Hij hergaf mij de vrijheid zonder zijn doel bereikt te hebben. Ik kwam thuis en begon handel te drijven op naam van Simonides van Antiochië, zooals ik dat vroeger deed op naam van vorst Hur van Jeruzalem. Gij weet, Esther, dat alles mij meeliep, dat het vorstelijk vermogen onder mijn beheer tot in het wonderbaarlijke aangroeide. Gij weet dat ik drie jaren later naar Cesarea ging, waar ik weder op bevel van Gratus gegrepen en gepijnigd werd, om mij de bekentenis af te persen, dat mijn geld en goed tot het door hem in beslag genomene behoorde. Gij weet, dat hij evenmin als vroeger iets op mij vermocht. Gebroken naar 't lichaam kwam ik thuis en vond mijne Rachel dood, van angst en droefheid over mij. De Heer onze God regeert; ik bleef in het leven. Van den keizer zelf kocht ik het privilegie, om over de geheele wereld handel te mogen drijven. Heden, geloofd zij Hij, die de wolken maakt tot zijne wagen en en op de winden wandelt, heden, Esther, is datgene wat mij als rentmeester was toevertrouwd tot een vermogen aangegroeid, waar een keizer van zou kunnen leven.
Trots hief Simonides het hoofd op. Hunne oogen ontmoetten elkander, zij lazen elkanders gedachten.
—Wat zal ik met den schat doen, Esther? vraagde hij, haar strak aanziende.
—Vader, zeide zij zacht, heeft de rechtmatige eigenaar zich straks niet aangemeld?
Zijn oog bleef vast op het hare gericht.
—Maar gij, mijn kind, moet ik u als bedelares achterlaten?
—Neen, vader; ben ik niet, omdat ik uw kind ben, zijne dienstmaagd? En van wie staat geschreven: Kracht en eer zijn haar kleedij, en zij zal in toekomstige tijden zich verblijden?
Met een uitdrukking van innige liefde op het gelaat antwoordde hij: God is in vele opzichten goed voor mij geweest; gij, Esther, zijt het grootste bewijs van zijne gunst.
Hij trok haar tot zich en kuste haar herhaaldelijk.
—Hoor nu, zeide hij, waarom ik straks lachte. De jonge man was sprekend het evenbeeld van zijn vader, toen hij nog jong was. Mijn hart vloog hem te gemoet om hem te begroeten. Ik voelde dat mijn lijdenstijd voorbij was en mijn zwoegen geëindigd. Ik had het uit kunnen schreeuwen van blijdschap. Ik zou niets liever gedaan hebben, dan hem bij de hand nemen, hem de kasboeken toonen en zeggen: Zie, dat is alles het uwe, en ik ben uw dienstknecht, bereid om afgeroepen te worden. En dat zou ik gedaan hebben, Esther, dat zou ik gedaan hebben, zoo niet op dat oogenblik een drietal gedachten bij mij opgekomen was en mij weerhouden had. Ik moet zeker weten, dat hij de zoon mijns meesters is, dat was de eerste gedachte. Is hij dat, dan moet ik iets aangaande zijn karakter zien te vernemen; want, Esther, onder degenen, die in weelde geboren werden, zijn velen in wier hand de rijkdom tot een vloek werd....
Hij zweeg even, toen vervolgde hij, trillend van moeilijk bedwongen hartstocht: Denk aan de folteringen, die de Romein mij heeft doen ondergaan, neen, niet Gratus alleen; de ellendelingen, die zijne bevelen ten uitvoer brachten, waren allen Romeinen en zij lachten bij mijne jammerkreten. Denk aan mijn verbrijzeld lichaam en aan de jaren die ik, de sterke man, in hulpbehoevendheid heb moeten doorbrengen. Denk aan uwe moeder in haar eenzaam graf. Denk aan het vreeselijke lijden van het gezin mijns meesters als zij nog leven, en aan het wreede van hunnen dood als zij niet meer zijn. Bedenk dat alles en zeg mij, zal dan geen enkele druppel bloed vergoten worden ten zoen? Zeg nu niet wat onze leeraars soms zeggen: De Wrake is des Heeren ... zijn niet zijne krijgsknechten talrijker dan zijne profeten? Luidt niet een van zijne geboden: Oog om oog, tand om tand? Al deze jaren door heb ik gedroomd van wraak, er om gebeden, haar voorbereid, geduld geoefend bij het aanschouwen van de vermeerdering mijner schatten, in het vaste geloof, dat zij mij eenmaal zouden helpen de goddeloozen te straffen. Toen nu de jonge man van zijne bedrevenheid in het voeren der wapenen sprak en er bijvoegde, dat hij een bepaald doel in het oog hield, kwam de derde gedachte, de gedachte van wraak, bij mij op, en die, Esther, deed mij onvermurwbaar blijven zoolang hij sprak en lachen toen hij vertrokken was.
Esther liefkoosde zijne hand en zeide op peinzenden toon: Hij is weg; zal hij terugkomen?
—Zeker; Malluch, de getrouwe, gaat met hem en zal hem wederbrengen, als ik gereed ben.
—En wanneer zal dat wezen, vader?
—Weldra, weldra. Hij denkt dat alle getuigen dood zijn. Er leeft nog één wezen dat hem herkennen zal, indien hij waarlijk mijn meesters zoon is.
—Zijne moeder?
—Neen, kind. Ik zal de getuige tegenover hem stellen. Tot zoolang willen wij deze zaak in des Heeren hand laten. Ik ben moe. Roep Abimelech.
Esther deed wat haar gelast werd en vergezelde haren vader naar binnen.
Ben-Hur verliet het pakhuis met het bewustzijn, dat hij weer een nieuwe teleurstelling voegen kon bij de vele, die hij reeds had ondervonden in het zoeken naar zijne familie. Die gedachte was zeer neerdrukkend. Hij voelde zich zoo eenzaam en verlaten. Nu deze hoop vervlogen was, kwam het leven hem zoo dor en weinig belangrijk voor.
Het koeltje dat hem van de rivier tegenwoei, lokte hem naar de landingsplaats. Daar schoot hem het gezegde van den reiziger te binnen: Beter een worm te zijn en moerbeiblaren te eten in Daphne's Park, dan gast aan 's Konings tafel. Hij keerde om en ging naar de herberg terug.
—Waar de weg naar Daphne is? zeide de portier, verbaasd over de vraag, die Ben-Hur hem deed. Zijt gij hier voor 't eerst? Zoo, dan kunt gij dezen dag als den gelukkigsten van uw leven beschouwen. Gij kunt u niet in den weg vergissen. De eerste straat links voert naar den berg Sulpius, op wiens top een altaar van Jupiter staat en het Amphitheater. Volg die tot de derde kruisstraat, de Kolonnade van Herodes geheeten, sla daar rechts om en ga dwars door de oude stad naar de bronzen poort van Epiphanes. Daar begint de weg naar Daphne. Mogen de goden u beschermen!
Ben-Hur begaf zich dadelijk op weg. De Kolonnade van Herodes was gemakkelijk te vinden, evenzoo de bronzen poort.
Het was omstreeks de vierde ure van den dag, toen hij de stad achter zich liet, om in gezelschap van honderde andere wandelaars naar de beroemde tuinen te gaan. De weg was verdeeld in verschillende paden voor voetgangers, ruiters en wagens; deze laatste weder voor gaande en komende. Lage balustraden, op geregelde afstanden met fraaie standbeelden versierd, dienden tot scheidsmuur tusschen de verschillende paden. Rechts en links van den weg strekten zich goed onderhouden grasvelden uit, hier en daar met eiken en vijgen beplant, en van schaduwrijke prieëlen voorzien, een heerlijke rustplaats voor de vermoeiden onder de wandelaars. De paden voor de voetgangers waren met roode steentjes geplaveid, die voor de ruiters en wagens met wit zand bestrooid, zoo dik, dat het geen echo's van hoeven of wielen teruggaf. Het aantal springende fonteinen was verbazend groot, alle geschenken van koningen, die de stad bezocht hadden, en naar hunnen namen genoemd. Deze straatweg, onovertroffen in aanleg en schoonheid, liep van de stad tot aan den ingang van het Park over eene lengte van ruim vier mijlen.
In zijn diepe neerslachtigheid lette Ben-Hur ternauwernood op al die pracht, noch op de hem omringende menigte. Daar kwam bij dat een provinciestad hem, den inwoner van Rome, weinig belang inboezemde. Het was immers onmogelijk, dat de provincies iets konden opleveren, wat men in Rome niet veel beter en mooier kon zien. Daarom stapte hij wat aan en drong door de groepjes heen, die hem den weg versperden, en veel te langzaam gingen naar zijn smaak. Toen hij Heracleia bereikt had, een klein dorp halverwege de stad en het Park, voelde hij zich een weinig vermoeid, maar tevens toegankelijker voor afleiding. Een paar geiten voortgeleid door een schoone vrouw, alle drie rijk versierd met bloemen en linten, trokken allereerst zijne aandacht. Toen bleef hij staan om naar een fraaien, sneeuwwitten, met frissche wingerdranken omhangen stier te zien, die op zijn breeden rug een mandje droeg, waarin een beeldschoon driejarig knaapje zat, den jongen Bacchus voorstellende, die het sap van rijpe druiven uitdrukt in een beker. Daar ging hem een paard voorbij, rijk opgetuigd, evenals zijn berijder. Hij glimlachte over de zelfbewuste fierheid van ruiter en ros beiden. Weldra hadden de hem voorbijsnellende wagens en paarden, zonder dat hij het zelf wist, zijn belangstelling ten volle gewekt. Na een poosje begon hij ook te letten op de menschen rondom hem. Hij zag dat zij van allerlei leeftijd en stand waren, en allen in feestgewaad. Hier was het gezelschap in 't wit, daar een in 't zwart; sommige hielden vlaggen in de hand, andere zwaaiden wierookvaten, sommige gingen langzaam voort onder het zingen van hymnen, andere liepen op de maat van fluiten en kleine trommen. Als dat iederen dag zoo naar Daphne stroomde, moest er toch iets buitengewoons te zien zijn! Eindelijk ging een luid gejubel op, men klapte in de handen ... de wandelaars hadden het doel van hunnen tocht bereikt. De sierlijken poort, die toegang verleende tot het gewijde Park, verrees voor zijn oog.
Het gezang werd sterker, de muziek speelde lustiger. Gedragen door den stroom, en deelende in de algemeene geestdrift, trad hij naar binnen. Eén blik, en, in weerwil van zijn verfijnden Romeinsche smaak, was Ben-Hur opgetogen over hetgeen hij zag.
Toen hij de poort, die een Griekschen tempel moest voorstellen, doorgegaan was, stond hij op een breede marmeren esplanade. Het wemelde er van menschen in feestklederen, waarvan de bonte kleuren aardig afstaken tegen de zilveren stralen der springfonteinen. Vóór hem, links, voerden net onderhouden wandelpaden naar een tuin, die ongemerkt overging in een bosch, waarboven een doorzichtige blauwe nevel hing.
Ben-Hur staarde droomerig voor zich uit, onzeker waarheen te gaan. Op dat oogenblik riep een vrouw in zijn nabijheid: Mooi! Maar waar nu naar toe?
Haar metgezel, getooid met een lauwerkrans, lachte en antwoordde: Waarheen, lieve domoor? Die vraag komt voort uit aardsche vrees, en waren wij niet overeengekomen om al die dingen in de stad achter te laten? De winden, die hier waaien, zijn de ademhalingen der goden. Wij willen ons door hen laten leiden.
—Maar als wij eens verdwaalden?
—Bang zieltje! Niemand is ooit in Daphne van den rechten weg afgedwaald, behalve zij, achter wie de poorten voorgoed gesloten werden.
—Wie bedoelt gij? vraagde zij, nog niet geheel gerustgesteld.
—Hen, die bezweken zijn voor de bekoringen der plaats, en er zich voor leven en dood aan verbonden hebben. Wacht! Laat ons hier blijven staan, dan zal ik u toonen wat ik bedoel.
Het geluid van lichte snelle voetstappen deed zich hooren.
De menigte maakte ruim baan, want daar kwamen zij aan, de ongelukkigen, waarop de man gezinspeeld had. Eenige jonge meisjes zweefden voor en langs hen heen, zingend en dansend op de maat harer tambourijnen. De vrouw drukte zich verschrikt tegen haar geleider aan, deze sloeg zijn arm beschermend om haar heen. Zijne oogen flikkerden. Het haar der danseressen golfde vrij over hare schouders, het gazen kleedje, dat ternauwernood haar leden dekte, liet haar volkomen vrij in al hare bewegingen. Zinnelijker dans zou bezwaarlijk uit te denken zijn. Eén ronde ... en weg waren zij, even snel en onhoorbaar als zij gekomen waren.
—Nu, wat zegt ge daarvan? riep de man.
—Wie zijn dat? vraagde zij.
—Devadasi, priesteressen van den tempel van Apollo. Haar getal is legio. Zij vormen bij feestelijke gelegenheden het koor. Dit is haar tehuis. Soms brengen zij wel eens een bezoek aan andere steden, maar hare verdiensten moeten zij hier afgeven, om de woonplaats van den goddelijken zanger te verrijken. Willen wij nu verder gaan?
Het volgend oogenblik was het paar verdwenen.
Ben-Hur volgde hun voorbeeld en wandelde verder, waarheen wist hij niet.
Een beeldhouwwerk trok allereerst zijne aandacht. Het bleek een centaur voor te stellen. Een opschrift deelde den onkundige mede, dat hij hier de beeltenis aanschouwde van Chiron, den veelbeminde van Apollo en Diana, door hen onderwezen in de geheimen der jacht, geneeskunst, muziek en profetie.
Toen Ben-Hur door wilde wandelen, kwam juist de witte stier voorbij. Het kind zat nog in de mand, en leidde een processie; daarna kwam de vrouw met de geiten, gevolgd door de tambourijn- en fluitspelers. Daarachter een tweede processie van lieden, die geschenken brachten.
—Waar gaat dat alles heen? vroeg iemand, en het antwoord luidde: De stier naar vader Jupijn, de geit naar Apollo.
Ben-Hur volgde de processie naar het bosch, begrijpende dat hij zoodoende de belangrijkste punten van het Park te zien zou krijgen. Toen hij een eindweegs gegaan was kwam hij aan een open plek. Een zacht windje voerde welriekende geuren aan; wierook en rozengeur. Hij bleef staan en met hem vele anderen, om te zien vanwaar die geuren kwamen.
—Daar is zeker een tuin, zeide hij tot een man, die naast hem stond.
—Of een offerplaats voor Diana, of Pan, of een der boschgoden, luidde het antwoord in de Hebreeuwsche taal.
Ben-Hur zag den spreker verbaasd aan. Een Hebreër? vraagde hij.
De man antwoordde met een glimlach: Ik werd binnen Jeruzalems muren geboren.
Ben-Hur was van plan het gesprek voort te zetten; maar de menigte drong vooruit, zoodat hij van den vreemdeling gescheiden raakte. Hij had slechts den tijd gehad om 's mans kleeding en gelaat op te nemen, een echt Joodsch type. Hij zou hem wel kunnen herkennen, dacht hij.
Thans waren zij gekomen aan een punt, waar een zijpad een gunstige gelegenheid aanbood om zich van de luidruchtige processie af te scheiden. Ben-Hur maakte er gauw gebruik van.
Eerst kwam hij aan een kreupelboschje, dat van den grooten weg gezien nog in den natuurstaat scheen te verkeeren. Een paar stappen waren echter voldoende, om hem ook hier de meesterhand te doen herkennen. De struiken stonden in bloei, of droegen reeds vrucht; de grond was bedekt met de heerlijkste bloemen: seringen en rozen, lelies en myrrhe, oleanders en aloë's, alle oude bekenden uit de valleien rondom Davids stad; en opdat niets aan het geluk der naiaden en nimfen zou ontbreken, stroomde een kabbelend beekje door deze bekoorlijke wildernis. Links en rechts kirden de tortels, en tal van andere gevederde zangers schenen slechts op zijne komst te wachten om een lied aan te heffen. Een nachtegaal bleef onbevreesd op zijn tak zitten, ofschoon Ben-Hur op armslengte voorbijging. Een patrijs liep vlak voor zijne voeten, piepend tegen de kleintjes, die haar volgden.
Hij zette zich neder onder een citroenboom, die zijn wortels wijd uitstrekte om zich te laven aan de beek. Het nest van een duikertje hing vlak boven het kabbelend water en het diertje keek hem met zijn schrandere oogjes onbevreesd aan. Het vogeltje verklaart mij het geheim, dacht hij. Het wil zeggen: Ik ben niet bang voor u, want in dit liefelijke oord is Liefde de Wet.
Na een korte rust stond hij op en wandelde verder, totdat hij bij een snel vliedende stroom kwam. Zijn weg voerde over een brug, vanwaar hij het uitzicht had op een bekoorlijk landschap. Vruchtbare valleien, heuvelen, meertjes, rotswerk, zomerhuisjes, groene weilanden, bedekt met kudden, ruischende watervallen, zoo kon men het niet bedenken, of deze uitgestrekte terreinen leverenden het op.
Als om aan het geheel een godsdienstig karakter bij te zetten waren overal altaren in de open lucht gebouwd, elk door een in 't wit gekleeden priester bediend, terwijl processies, eveneens in 't wit, langzaam van het eene altaar naar het andere gingen, en de rook der offeranden in doorzichtige wolkjes naar boven steeg.
Nu ging hem een licht op. Het Park was eigenlijk een onafzienbare tempel, een tempel zonder muren. Dit ging zijne verwachting verre te boven.
Ben-Hur daalde af in de vallei. Daar graasde een kudde schapen. De herderin wenkte hem: Kom!
Een weinig verder verhief zich midden op 't pad een altaar van zwart en wit marmer, en daarop een bronzen bekken met brandend reukwerk gevuld. Vlak daarbij stond een betooverend schoone vrouw met een wilgetak in de hand, en zoodra zij hem zag, wuifde zij hem toe en riep: Kom hier en toef een weinig!
Nog verder kwam hij eene processie tegen. Aan het hoofd gingen eenige kleine meisjes, met kransen omhangen; maar dat was dan ook haar eenige bedekking. Zij zongen in koor, en werden gevolgd door een groep kleine jongens, eveneens naakt, en dansend op het gezang der meisjes. Hen volgden vrouwen met geschenken voor de altaren, specerijen en lekkernijen, hoogst eenvoudig, maar wel wat luchtig gekleed. In 't voorbijgaan staken zij hem de handen toe en riepen: Keer om en ga met ons!... Eene van haar, een Griekin, zong het volgend liedje:
Voor vandaag neem en geef ik;Voor vandaag drink en leef ik;'k Denk niet aan den dag van morgen,Die moet voor zichzelven zorgen.
Zonder haar verder een blik waardig te keuren ging hij voort, totdat hij bij een schaduwrijk boschje kwam. Dat trok hem aan. Het gras was zoo groen en frisch, de boomen stonden niet dicht opeengedrongen en waren van verschillende soorten, ook van vreemden bodem hierheen gebracht: statige palmen, vijgen, laurierboomen, trotsche eiken, ceders, wedijverende in omvang met die van den Libanon, moerbeiboomen en platanen. Midden in het boschje stond een zeldzaam schoon beeld van Daphne. Aan den voet van het beeld lagen een knaap en een meisje in elkanders armen te slapen, zijn bijl en sikkel, haar mand en snoeimes lagen achteloos neergeworpen op een hoop verwelkte bloemen.
Dat hinderde hem. Was hij onder den citroenboom tot de slotsom gekomen dat de bekoring van dit heerlijk oord gelegen was in: Liefde zonder vrees,—thans las hij als in een opengeslagen boek: Hier is Liefde de Wet, o ja; maar Liefde zonder Wet.