TWEEDE HOOFDSTUK.

Nisan, den 8sten dag.Op den weg van Galilea naar Jeruzalem.De Nazarener bevindt zich ook op dezen weg. Zonder dat hij het weet volg ik met een legioen. Een tweede legioen volgt ons op korten afstand. Het Paaschfeest is de dekmantel voor het groote getal Galileërs. Toen de Nazarener zich op weg begaf zeide hij: Wij gaan op naar Jeruzalem en het zal alles volbracht worden aan den Zoon des menschen wat geschreven is door de profeten.Ons wachten spoedt ten einde. Vrede zij u, Simonides.In haast.BEN-HUR.

Nisan, den 8sten dag.

Op den weg van Galilea naar Jeruzalem.

De Nazarener bevindt zich ook op dezen weg. Zonder dat hij het weet volg ik met een legioen. Een tweede legioen volgt ons op korten afstand. Het Paaschfeest is de dekmantel voor het groote getal Galileërs. Toen de Nazarener zich op weg begaf zeide hij: Wij gaan op naar Jeruzalem en het zal alles volbracht worden aan den Zoon des menschen wat geschreven is door de profeten.

Ons wachten spoedt ten einde. Vrede zij u, Simonides.

In haast.

BEN-HUR.

Esther gaf den brief aan haren vader terug. Het kostte haar moeite hare tranen te bedwingen. In den brief stond geen enkel woord aan haar, zelfs aan den groet had zij geen deel. En hoe gemakkelijk had hij kunnen schrijven: Vrede zij u en de uwen. Voor het eerst in haar leven gevoelde zij den prikkel der ijverzucht.

—Den achtsten dag, zeide Simonides, en wat hebben wij vandaag?

—Den negenden, antwoordde Esther.

—Zoo, dan zijn zij nu wellicht te Bethanië.

—Dan zullen wij hem dus misschien van avond zien, zeide zij.

—Best mogelijk, want morgen is het feest der ongezuurde brooden, en hij zal het willen vieren, evenals de Nazarener. Misschien zullen wij hen beiden zien, Esther.

Het gesprek werd afgebroken door de komst van den bediende met wijn en water, en even daarna kwam ook Iras boven.

Nog nooit had Esther de Egyptische zoo schoon gezien als hedenavond. Als in een wolk van gaas gehuld, voorhoofd, hals en armen met juweelen versierd, zweefde zij naderbij. Een glans van genoegen lag op haar gelaat. Esther drong zich onwillekeurig dichter tegen haar vader aan.

—Vrede zij u, Simonides, en u, lieftallige Esther, zeide Iras. Gij herinnert mij, goede vriend, als ik het zeggen mag zonder u te beleedigen, de priesters in Perzië, die 's avonds op het dak van hunne tempels stijgen, om de ondergaande zon hunne gebeden na te zenden. Als die godsdienst u misschien niet bekend is, wil ik mijnen vader roepen, om u in te lichten. Hij stamt van de Magiërs af.

—Schoone Egyptische, antwoordde de koopman ernstig, uw vader is een goed man, die het mij niet kwalijk zal nemen, als ik u zeg, dat zijne Perzische wetenschap het minste deel van zijne wijsheid uitmaakt.

Iras fronste de wenkbrauwen. Om ook philosophisch te spreken, zeide zij, bij minste behoort meeste. Mag ik vragen, wat het grootste deel is van die zeldzame eigenschap, wijsheid, die gij hem toeschrijft?

Simonides zag haar doordringend aan. De ware wijsheid, zeide hij, streeft omhoog naar God, de hoogste wijsheid is de kennis van God, en van allen, die ik ken, bezit niemand die in zoo hooge mate, als mijn goede vriend Balthasar.

Om een eind aan het gesprek te maken dronk hij langzaam zijn beker leeg. Iras keerde zich ontstemd tot Esther, zeggende: Een man, die millioenen bezit en geheele vloten op zee heeft, kan niet begrijpen wat vrouwen vermaakt. Kom, ga met mij naar de borstwering, dan kunnen wij ongestoord praten.

Esther deed wat haar verzocht werd en zij gingen naar dezelfde plek, waar jaren geleden Ben-Hur met zijn zuster gestaan had, om naar de soldaten te kijken.

—Zijt gij wel eens te Rome geweest? vraagde zij.

—Neen.

—Hebt gij nooit verlangd er heen te gaan?

—Neen.

—Och, wat hebt gij nog weinig van het leven genoten! riep zij meewarig, maar 't volgende oogenblik lachte zij luid en zeide: O, mijn lief onnoozel duifje, de vogeltjes, die hun nestje bouwen in het oor van de sphinx bij Memphis, zijn al even wijs, als gij!

Ziende dat Esther verlegen werd, vervolgde zij op vertrouwelijken toon: Vergeef het mij, ik zeide het maar uit gekheid. Laat ik een pleistertje leggen op de wond, en u vertellen wat ik aan niemand anders zou vertellen.

Zij lachte vriendelijk, maar zag Esther tegelijkertijd onderzoekend aan en zeide: De koning komt.

Esther zag verwonderd op.

—De Nazarener, vervolgde Iras, over wien uw vader en de mijne het zoo druk hebben, voor wien Ben-Hur al die moeite doet. De Nazarener komt morgen in de stad, en Ben-Hur komt van avond.

Esther trachtte zich goed te houden, maar het gelukte haar niet. Iras bracht lachend een brief uit haar gordel te voorschijn en zeide: Hier heb ik zijn belofte. Luister!

Daar weerklonken haastige stappen in de straat. Zij boog zich over den rand der borstwering om te zien, en sloeg in blijde verrukking de handen in elkaar. Gezegend zij Isis! riep zij, hij is het! Ben-Hur in eigen persoon! Dat is een goed voorteeken! Hij komt terwijl ik aan hem denk! Kom, Esther, geef mij een kus!

Fier hief het Joodsche meisje het hoofd op. Hare wangen gloeiden, hare oogen fonkelden. Haar zacht gemoed was diep gegriefd. Voor haar zelfs geen groet in zijn schrijven aan Simonides, en deze Egyptische had een eigenhandig geschreven brief van hem! Zij vraagde: hebt gij hemzelf lief, of hebt gij Rome nog liever?

Iras ging een stap achteruit, en vraagde scherp: Wat gaat u dat aan, dochter van Simonides?

Esther begon bevend: Hij is mijn....

Zij had willen zeggen: mijn meester, maar zij veranderde dit snel in: mijn vaders vriend.

—Niets meer? Nu, gij moogt uw kussen houden. Andere en betere wachten mij.

Zij keerde zich af, om weg te gaan, maar fluisterde nog even over haar schouder: Ik ga ze halen!

Esther zag haar na en barstte in tranen uit, tranen van schaamte en gekwetste liefde.

Reeds fonkelden de sterren aan den nachtelijken hemel, voordat zij hare zelfbeheersching teruggekregen had, en kalm genoeg was om naar haar vader terug te gaan, en hare plaats aan zijne zijde in te nemen. Dat was haar plicht, daar moest zij haar leven aan wijden, en om der waarheid getrouw te zijn, nu de hartstochtelijkheid harer droefheid voorbij was, nam zij blijmoedig hare taak weer op.

Ongeveer een uur later kwamen Ben-Hur en Iras te zamen in de groote zaal, waar zij Balthasar, Simonides en Esther reeds bijeen vonden. Nadat de jonkman Balthasar gegroet had keerde hij zich tot Simonides, maar bleef, Esther ziende, verbaasd staan. Dat zij zich tot zulk een volmaakte schoonheid ontwikkelen zou had hij drie jaren geleden niet gedacht. Hij herstelde zich echter spoedig en zeide: Vrede zij u, lieftallige Esther, en u, Simonides. De zegen des Heeren zij uw deel, al was het alleen omdat gij een vader voor den vaderlooze geweest zijt.

—Wees welkom in uw vaders huis, zeide Simonides hartelijk. Zet u neder, en vertel ons van uwe reizen en van uw werk en van den leeraar uit Nazareth. Ga toch zitten, bid ik u, dan luisteren wij allen.

—Ja, antwoordde Ben-Hur, ik heb u veel van hem te vertellen. Ik heb hem gedurende verscheidene dagen nauwlettend gadegeslagen. Ik heb hem in moeilijke, zeer moeilijke omstandigheden gezien, en moet getuigen dat hij, hoewel hij een mensch is als ik, toch ook meer dan een mensch is.

Hier werd hij gestoord door het binnentreden van eene dienstmaagd. Hij keek om en riep blijde: Daar is Amrah! Goede, lieve Amrah!

De trouwe dienstmaagd kuste zijne handen, en op zijne vraag: Hebt ge nog niets van haar gehoord, niets? sprongen haar de tranen in de oogen.

—Gods wil geschiede! zeide hij treurig.

Na een oogenblik van stilte, waarin hij zijne aandoening meester trachtte te worden, zeide hij: Ga zitten, Amrah,—hier. Niet? Dan aan mijne voeten, want ik heb mijne vrienden veel te vertellen van den Nazarener. Ik zal beginnen met u te verhalen wat ik hem heb zien doen. Morgen komt hij in de stad om op te gaan naar den Tempel, dien hij zijn vaders huis noemt en waar hij, zooals algemeen verwacht wordt, den beslissenden stap zal doen. Morgen zullen wij dus zien wie gelijk heeft, gij, Balthasar, of Simonides.

Balthasar wreef zich in de handen en vraagde: Waar zal ik hem kunnen zien?

—Het gedrang zal groot zijn, antwoordde de jonkman. Ik denk dat gij niet beter doen kunt, dan met u allen naar het dak van den Voorhof van Salomo te gaan.

—Kunt gij ons begeleiden?

—Neen, mijne vrienden zullen mij noodig hebben bij den optocht.

—Optocht! riep Simonides. Komt hij dan met gevolg?

—Dat niet precies. Hij heeft twaalf mannen bij zich, allen uit den minderen stand. Zij reizen te voet, onverschillig voor wind, regen, of zonneschijn. Als zij vermoeid zijn zetten zij zich aan den weg neder om te rusten, en doen aan alles eerder denken, dan aan edellieden en vorsten. Slechts wanneer de leeraar het hoofd ontbloot ziet men dat hij de aanvoerder is, hun leermeester, hun meerdere, maar tevens hun vriend. Maar wat zoudt gij zeggen van een man, die rijk kon zijn door de steenen aan den weg in goud te veranderen, en die toch arm is uit vrije keus?

—De Grieken zouden hem een philosoof noemen, zeide Iras.

—Neen, dochter, antwoordde Balthasar, de philosofen hadden nooit de macht om zoo iets te doen.

—Hoe weet gij, dat deze mensch die macht wel heeft?

—Ik heb hem water in wijn zien veranderen, zeide Ben-Hur.

—Hoe wonderlijk! riep Simonides. Maar dat schijnt mij nog niet zoo vreemd toe als dat hij arm wil leven, terwijl hij rijk zou kunnen zijn. Is hij werkelijk zoo arm?

—Hij bezit niets, en benijdt niemand zijn rijkdom. Hij beklaagt veeleer de rijken. Dat echter daargelaten, wat zegt gij hiervan: ik zag hem zeven brooden en twee visschen vermenigvuldigen tot een voorraad zóó groot, dat er spijs was voor vijfduizend menschen en er nog manden vol overbleven. Dat heb ik den Nazarener zien doen.

—Hebt gij hem dat zien doen?

—Ja, en ik heb meegegeten van den visch en van het brood. Maar nog wonderlijker dingen heb ik gezien. Wat dunkt u van iemand die zoo groote genezende kracht bezit, dat de zieken slechts den zoom van zijn kleed behoeven aan te raken, om gezond te worden, ja dat het zelfs voldoende is van verre tot hem te roepen? Dat heb ik meer dan eens bijgewoond. Toen wij uit Jericho kwamen riepen twee blinden tot hem om hulp, hij raakte hunne oogen aan en zij konden zien. Een anderen keer brachten zij een verlamde tot hem en hij zeide alleen: Ga heen naar uw huis,—en ik zag den man gezond wegwandelen. Wat zegt gij daar wel van?

Simonides kon geen woorden vinden.

—Sommigen zeiden, dat dit duivelskunsten waren, gelooft gij dat soms ook? Ik zal u nog grooter dingen vertellen, die ik hem ook heb zien doen. Denk aan die vreeselijke ziekte, waarvan alleen de dood verlossen kan: de melaatschheid.

Hier werd Amrah onrustig en luisterde met gespannen aandacht.

—Ja, vervolgde Ben-Hur met toenemenden ernst, ja, luistert naar wat ik nu ga vertellen. Toen ik met hem in Galilea was kwam een melaatsche tot hem en riep: Heer, indien gij wilt, gij kunt mij reinigen!—Hij hoorde de smeekbede, raakte den verworpeling aan met de hand en zeide: Ik wil, word gereinigd.—En terstond was hij geheel gezond, zoo gezond als wij allen. Een anderen keer kwamen tien melaatschen tot hem en vielen voor hem neer, roepende: Meester, meester, ontferm u over ons!—Ik was er bij en hoorde hem antwoorden: Gaat heen, en vertoont uzelven den priester.

—En waren zij beter?

—Ja, zij waren nog niet lang op weg, of de ziekte was geheel van hen geweken.

—Nog nooit heb ik van zulke dingen gehoord; nog nooit, zeide Simonides zacht.

Het gezelschap verviel na deze mededeelingen in diep stilzwijgen. Ongemerkt stond Amrah op en verwijderde zich onhoorbaar.

—Gij kunt begrijpen, dat al die dingen een diepen indruk op mij gemaakt hebben, zeide Ben-Hur, doch mijne twijfelingen en verbazing zouden nog grooter worden. Mijne Galileërs begonnen langzamerhand ongeduldig te worden, het zwaard brandde hun in de handen, en zij verlangden niets liever dan handelend te mogen optreden. Ik zelf werd ook ongeduldig, want alles was gereed. Daarom wilden wij hem openlijk, desnoods met geweld, tot koning kronen, maar hij verdween uit ons midden. Toen wij hem weer zagen was het in een scheepje op het meer. Wat anderen bekoort: rijkdom, macht, koninklijke eer, dat alles laat hem onbewogen. Wat dunkt u daarvan, Simonides?

Simonides antwoordde niet dadelijk. Eindelijk zeide hij:

—De Heer leeft, evenzoo het woord zijner profeten. Laat ons geduld oefenen.

—Zoo zij het, beaamde Balthasar.

—Ik heb nog meer te vertellen, vervolgde Ben-Hur, nog grootere dingen. Wij waren op weg naar Naïn. Vlak bij de poort kwamen wij een begrafenisstoet tegen. De Nazarener bleef staan om de treurenden te laten voorbijgaan. Eene vrouw volgde bitter schreiende. Ik zag dat hij door medelijden bewogen werd. Hij trad op haar toe, en sprak haar aan. De dragers stonden stil, hij raakte de baar aan en zeide tot den doode: Jongeling, ik zeg u sta op!—En terstond zat de doode overeind en sprak.

—God alleen heeft zoo groote macht! riep Balthasar.

—Alles wat ik u vertel, heb ik zelf gezien, zeide Ben-Hur, en ik kan u nog meer verhalen. In Bethanië was een van zijne vrienden gestorven, Lazarus geheeten. Reeds had hij vier dagen in het graf gelegen toen de Nazarener er bij kwam. Hij liet den steen wegnemen, en wij allen zagen het lijk liggen, dat reeds overging tot ontbinding. Met luide stem hoorde ik hem roepen: Lazarus, kom uit!—Ik kan u niet zeggen wat ik gevoelde, toen de doode, aan die stem gehoorzamend, zich oprichtte en tot ons kwam, in grafdoeken gewikkeld. Ontbindt hem, zeide de Nazarener, en laat hem gaan. En toen de hoofddoek van hem was weggenomen, had zijn gelaat weer de gewone kleur, en was hij volkomen dezelfde als voor zijne ziekte. Hij leeft nog en ontvangt vele bezoeken. Als gij wilt kunt gij er morgen naar toe gaan, en uzelven overtuigen. Maar nu vraag ik u: Wat moet ik denken van dezen man? Is hij niet meer dan een gewoon mensch?

De toon waarop hij dit vraagde was zeer ernstig, en nog lang na middernacht zat het gezelschap bijeen, om de zaak van alle kanten te bezien, want Simonides kon zijne opvatting van de voorspellingen der profeten niet laten varen, terwijl Ben-Hur beweerde dat Balthasar en Simonides beiden gelijk hadden: de Nazarener was ongetwijfeld de Verlosser, zooals de eerste meende, maar ook de toekomstige koning, waarvoor de laatste hem hield.

—Wij zullen het morgen gewaar worden. Vrede zij met u allen. Met deze woorden nam Ben-Hur afscheid.

Zoodra den volgenden morgen de Schaapspoort geopend werd, ging Amrah met haar mand aan den arm de stad uit. De wachters deden haar geen vragen, daar zij even regelmatig verscheen als de opgaande zon. Men wist dat zij de trouwe dienstmaagd was van den een of ander, en daarmede stelde men zich tevreden.

Zij sloeg den weg in naar de vallei ten oosten der stad gelegen. De donkergroene helling van den Olijfberg was bezaaid met witte tenten, de tijdelijke woningen van de feestgangers. 't Was echter nog te vroeg voor de vreemdelingen om buiten te zijn: alles sliep nog gerust. Eerst kwam zij aan Gethsemané, toen langs de graven bij den kruisweg naar Bethanië, vervolgens aan het dorp Siloam. Zij scheen ongewone haast te hebben, maar haar ijver was grooter dan hare krachten, die haar bijwijlen schenen te begeven.

Hoe vroeg het nog was, toch zat haar ongelukkige meesteres reeds buiten voor de grot. Tirza sliep nog. Vreeselijk was de vordering, die de ziekte in die drie jaren gemaakt had. Wetende hoe zij er uitzag, bleef zij altijd zorgvuldig gesluierd. Zelfs Tirza mocht haar bijna nooit aanschouwen. Thans echter, in de eerste morgenschemering, had zij het hoofd ontbloot, om de frissche lucht in te ademen, want zij wist, dat geen sterveling haar zien kon. Sneeuwwit was het lange haar. Oogleden, neus, lippen, wangen waren weggeteerd, de hals was akelig ontstoken. Eene van hare handen rustte op haren schoot. De nagels waren afgevallen, de vingers gedeeltelijk ontvleesd, gedeeltelijk dik opgezwollen. Zoo was zij over het geheele lichaam. Geen wonder, dat de vroeger zoo statige vrouw zich gemakkelijk aan alle nasporingen van haren zoon had kunnen onttrekken. Zij was gewoon, dat Amrah bij de bron verscheen vóór alle anderen, om dan op een steen halfweg bron en heuvel, het voedsel en de waterkruik neer te zetten.

Dit korte bezoek was nog de eenige lichtstraal op haar pad. Dan vraagde zij naar haren zoon, en Amrah vertelde haar wat zij wist van zijn werk en bezigheden, en van de vluchtige bezoeken, die hij aan zijn vaders huis bracht. Op zulke dagen zat de arme moeder den ganschen dag onbewegelijk voor hare spelonk, met de oogen gericht op het dak van den Tempel, waarachter haar huis lag, het geliefde huis, waarin haar zoon nu vertoefde. Niets bond haar meer aan het leven. Tirza was reeds zoo goed als dood, en zijzelve smachtte naar het einde. De natuur rondom haar was niet geschikt om haar op te beuren; insecten en vogels vermeden de streek, alsof zij ook bang waren voor besmetting. Van plantengroei was niet veel te bemerken; de weinige struiken, ja zelfs de dunne grassprietjes, verdorden onder den adem der winden, die langs de berghelling streken. Waarheen zij den blik ook wendde zag zij grafsteden en nogmaals grafsteden, die te meer de aandacht trokken, omdat zij alle opnieuw gewit waren, ten einde de van buiten gekomen feestgangers te waarschuwen.

Terwijl zij zoo in de morgenschemering zat te peinzen, zag zij plotseling een vrouw den heuvel beklimmen. Weldra herkende zij Amrah. In plaats van hare mand zooals gewoonlijk neer te zetten, kwam zij regelrecht op de spelonk af. De weduwe verrees van hare zitplaats en deed de gewone waarschuwing hooren, maar Amrah stoorde er zich niet aan, en eer zij er op bedacht was lag Amrah aan de voeten van hare meesteres en kuste onder hartstochtelijke snikken den zoom van haar kleed. Tevergeefs beproefde de melaatsche zich van haar los te maken, en toen zij zag, dat het onmogelijk was, riep zij op smartelijken toon: Hoe kunt ge zoo doen? Is dit de manier, waarop gij ons uwe liefde bewijst? Nu zijt gij ook verloren, en moogt nooit meer naar huis teruggaan. Wie zal ons nu voortaan eten brengen? O Amrah! Nu zijn wij allen te zamen verloren!

—Wees toch niet boos op mij, snikte de trouwe ziel, het hoofd nog dieper buigende.

—Ach, Amrah, vervolgde de weduwe, was de vloek die op ons rust, niet reeds zwaar genoeg om te dragen, dat gij ons het eenige, dat wij nog hadden, moet ontnemen? vraagde zij.

Op dit oogenblik verscheen Tirza, door het luide spreken gewekt, in de opening der spelonk.

—Wat is er moeder? Is dat Amrah? vraagde zij. De arme was nagenoeg blind.

Nu stond Amrah op en zeide met onvaste stem: O lieve meesteres! Ik heb niets misdaan. Ik breng u goede tijding!

—Van Juda?

—Ja. Hij kent een man, die de macht heeft u te genezen. Hij spreekt slechts één woord, en de zieken worden gezond, zelfs de dooden worden levend. Ik kom u halen om u bij hem te brengen.

—Arme Amrah! zeide Tirza meewarig.

—Neen, neen, riep Amrah, die zeer goed begreep wat die uitroep bedoelde, zoo waar de God van Israël leeft, ik spreek de waarheid. Kom maar mee; wij hebben geen tijd te verliezen. Hij komt hier langs op zijn weg naar de stad. Eet gauw wat en laat ons gaan.

De moeder luisterde aandachtig. Misschien had zij reeds iets aangaande hem gehoord, want zijne wonderdaden waren door het geheele land bekend geworden. Wie is hij? vraagde zij. En hoe weet gij het?

—Juda vertelde het gisterenavond.

—Is Juda dan thuis?

—Ja.

—Heeft hij gezegd, dat gij het ons moest komen vertellen?

—Neen; hij denkt dat gij dood zijt.

—In vroeger jaren heeft een profeet eens een melaatsche genezen, zeide de moeder tot Tirza, maar die was door God gezonden. Zeg mij, Amrah, hoe weet Juda dat deze man die macht bezit?

—Hij volgde hem op zijne reizen en hoorde de melaatschen tot hem roepen, en zag ze hersteld weggaan. Den eersten keer was het één melaatsche, later tien te gelijk, en zij werden allen hersteld.

De moeder aarzelde niet langer. Zij vroeg niet naar het hoe en wat, zij geloofde de feiten en zeide tot Tirza: Kind, dat moet de Messias zijn. Ik herinner mij, dat Jeruzalem jaren geleden in opschudding kwam, omdat er gezegd werd, dat hij geboren was. Hoe lang het geleden is weet ik niet meer, maar hij zou nu reeds volwassen moeten zijn. Ja, het kan niet anders ... hij is het. Laat ons wat eten, en dan zoo spoedig mogelijk met Amrah meegaan.

Het ontbijt was weldra afgeloopen, en het drietal begaf zich op weg. Nu stuitten zij echter op een moeilijkheid. Amrah had gezegd, dat de Nazarener van Bethanië moest komen, maar vandaar leidden drie wegen naar Jeruzalem. Een over den Olijfberg, een tweede langs zijn voet, en de derde langs den Berg der Ergernis. Deze drie waren nu wel niet ver van elkander verwijderd, maar toch ver genoeg om den Nazarener mis te loopen, indien zij niet denzelfden weg kozen, welken hij nam.

Na een korte beraadslaging besloten zij eerst naar Bethfagé te gaan, om zich verder door de omstandigheden te laten leiden.

Zij daalden dus den berg af in de richting van den Koningstuin en bleven even staan om te rusten.

—Ik durf dezen weg niet vervolgen, zeide de moeder. Het zal hier druk worden. Wij doen beter met de menschen te ontwijken en over den Berg der Ergernis te gaan.

Toen Tirza dit hoorde ontzonk haar de moed. Daar hare voeten zeer gezwollen waren kostte het loopen haar groote moeite.

—Die berg is steil, moeder. Ik kan onmogelijk klimmen.

—'t Is om ons leven en onze gezondheid te doen mijn kind. Zie, daar komen reeds vrouwen om water te scheppen. Zij zullen ons steenigen, als wij hier blijven. Kom, wees sterk, mijn kind.

Zoo trachtte de moeder, die zelve bijna niet voort kon, hare dochter te bemoedigen, en nu kwam Amrah haar te hulp. Na de eerste opwelling had zij de zieken niet aangeraakt, thans echter ging de trouwe ziel naar Tirza en zeide: Leun op mij. Ik ben wel oud, maar sterk genoeg, en het is niet ver meer. Zoo; ziet gij wel, nu gaat het al veel beter.

De weg was moeilijk, maar toen zij eenmaal boven waren en staan bleven om adem te scheppen hadden zij een heerlijk gezicht op den Tempel met zijne terrassen, en op Sion met zijne vele witte torens, die in het zonlicht schitterden.

—O hoe mooi! riep de weduwe. Zie toch, Tirza, zie eens naar het gouden beslag van de Schoone Poort! Wat glinstert dat in de zon! Weet gij nog wel, hoe dikwijls wij er onder door zijn gegaan? Zal het niet heerlijk zijn dat weder te kunnen doen? En ons huis is er niet ver vandaan! Daar wacht Juda ons!

Nu begonnen zij den berg aan de andere zijde af te dalen. Hoewel Amrah al hare krachten inspande, om Tirza te ondersteunen, kermde de arme toch bij elken stap, ja meermalen moest zij luide aan hare smarten lucht geven. Aan den voet des bergs gekomen zeeg zij uitgeput neder.

—Ga maar alleen verder met Amrah, moeder, ik kan niet meer.

—Neen, kind. Wat zou het mij baten, zoo ik alleen gezond werd, en gij niet? En wat zou ik Juda moeten antwoorden, als hij naar u vraagt?

—Zeg hem, dat ik hem liefgehad heb.

De arme moeder wist niet wat te doen. Zij dacht er niet aan haar kind te verlaten, maar de hoop op redding te moeten laten varen, nu die zoo nabij scheen, deed den beker overloopen. Maar zie, in dat oogenblik van grooten nood zag zij van den tegenovergestelden kant een wandelaar aankomen.

—Moed gevat, Tirza! zeide zij. Daar komt iemand aan, die ons zeggen kan waar de Nazarener op 't oogenblik is.

Amrah richtte Tirza een weinig op, en zoo wachtten zij den vreemdeling af.

—Ach, moeder, gij vergeet wat wij zijn. De man zal zich uit de voeten maken, en ons misschien eerst nog een steen naar het hoofd werpen.

—Wij zullen zien, luidde het antwoord.

Ja, de moeder wist zelve maar al te goed welke behandeling uitgeworpenen als zij te wachten hadden.

De melaatschen stonden aan den rand van een smallen weg, zoodat de wandelaar haar rakelings voorbij moest gaan. Zoodra hij binnen het bereik harer stem was deed de weduwe het waarschuwende: Onrein! Onrein! hooren. Tot hare verbazing liep hij door.

Wat zoekt gij? vraagde hij, toen hij vlak bij haar was.

—Wees voorzichtig, zeide de weduwe met waardigheid. Ik heb u gewaarschuwd.

Vrouw, ik ben een volgeling van hem, die slechts één woord behoeft te spreken tot dezulken als gij, en zij zijn genezen. Ik ben niet bevreesd.

—Gij bedoelt den Rabbi uit Nazareth?

—Den beloofden Messias.

—Is het waar, dat hij vandaag naar de stad gaat?

—Ja. Hij is nu te Bethfagé.

—Langs welken weg zal hij komen?

—Langs dezen.

De weduwe vouwde de handen en sloeg de oogen dankend naar den hemel op.

—Voor wien houdt gij hem? vraagde de man bewogen.

—Voor den Zoon van God! antwoordde zij.

—Blijf dan niet hier, want daar een groote schare hem volgt, staat gij beter bij dat rotsblok onder gindschen boom. Roep hem aan zoodra hij nadert, roept beiden en weest niet bevreesd. Hij zal u hooren. Ik ga naar de stad, om het volk te waarschuwen dat hij komt. Vrede zij met u en de uwen!

Hebt gij het gehoord, Tirza? De Nazarener komt langs dezen weg, en hij zal ons helpen. Kom nu mee, een paar stappen maar!

Dus aangemoedigd liet Tirza zich door Amrah overeind helpen.

—Wacht even; zeide Amrah, de vreemdeling komt terug.

—Ik bedenk, goede vrouw, zeide hij, dat de zon hoog aan den hemel zal staan, voordat de Nazarener komt. Ik kan in de stad het noodige krijgen, en daarom wilde ik u mijn waterflesch geven. Gij zult er meer behoefte aan hebben dan ik. Neem haar en heb goeden moed. Roep luide tot hem.

Dit zeggende bood hij de weduwe zijn gevulde waterflesch aan. In plaats van ze op den grond te leggen, gaf hij ze haar in de hand.

—Zijt gij een Jood? vraagde zij verbaasd.

—Ja; maar beter nog; ik ben een volgeling van den Christus, die ons dagelijks door woorden en voorbeeld leert wat ik nu doe. De wereld kende reeds lang het woord liefde, zonder het echter te verstaan. Vaarwel!

Langzaam begaven de vrouwen zich naar het door hem aangewezen punt, waar zij door ieder, die voorbijging, gezien en gehoord konden worden. Zij zetten zich onder den boom neder, en dronken van het water. Weldra viel Tirza in slaap, en om haar niet te storen zwegen de beide anderen.

Langzamerhand werd de weg meer en meer bevolkt door menschen, die zich naar Bethfagé spoedden. Tegen de vierde ure van den dag kwam een groote schare over den Olijfberg, en toen zij naderbij kwamen zagen de vrouwen, dat allen een palmtak in de hand hielden. Terwijl zij het ongewone schouwspel gadesloegen, werd hare aandacht getrokken door een verwijderd gedruisch van stemmen en zagen zij een menigte menschen van den anderen kant komen. Nu wekte de moeder Tirza, zeggende: Hij komt! Deze menschen vóór ons komen uit de stad om hem te begroeten, en die anderen zijn zijne vrienden die hem begeleiden. Het zou mij niet verwonderen zoo de twee groepen hier op dit punt samentroffen.

—Ik vrees, dat hij ons dan niet zal kunnen hooren, moeder.

Diezelfde gedachte was ook reeds bij de weduwe opgerezen. Amrah, zeide zij, heeft Juda ook gezegd wat die tien melaatschen tot den Nazarener riepen?

—Zij riepen: Heer, ontferm u over ons. Of: Meester, ontferm u over ons.

—Dat alleen?

—Ja, dat alleen, voor zooveel ik weet.

—En toch was het voldoende, zeide de weduwe zacht.

—Ja, antwoordde Amrah. Juda zei, dat hij hen geheel hersteld zag weggaan.

Intusschen naderde de schare langzaam. Toen de voorsten in 't gezicht waren, werd de aandacht der vrouwen allereerst getroffen door een man, die te midden van een naar het scheen uitgelezen gezelschap reed. Hij was blootshoofds en geheel in 't wit gekleed. Hij staarde voor zich uit en deelde volstrekt niet in de opgewondenheid zijner volgelingen. Het gejubel vermocht de droefgeestige uitdrukking van zijn gelaat niet te verdrijven. Zijn golvende lokken, door het zonlicht beschenen, vormden een gouden stralenkrans om het edelgevormde hoofd. De juichende schare achter hem strekte zich tot in het oneindige uit. Niemand behoefde den melaatschen te zeggen, dat dit de Nazarener, de wonderdoener was.

—Tirza, daar is hij! Daar is hij! Kom, mijn kind! riep de moeder, en knielde naast de rots op den weg neder. Tirza en Amrah voegden zich terstond bij haar.

Op ditzelfde oogenblik hielden de stedelingen stand, en begonnen met hunne palmtakken te wuiven en te roepen: Hosanna den Zone Davids! Gezegend is hij die komt in den naam des Heeren. Hosanna in de hoogste hemelen!

De duizenden, die den Nazarener vergezelden, namen den jubeltoon over, zoodat het door de lucht weergalmde. Het geroep der arme melaatschen ging er geheel door verloren. Maar voor haar was het: nu of nooit. Ging deze gelegenheid voorbij, dan moesten zij voor altijd de hoop laten varen.

—Dichterbij, Tirza! Dichterbij! Hij kan ons niet hooren, zeide de moeder.

Zij stond op en trad bevend naar voren, hief de handen smeekend omhoog, en riep zoo hard zij kon. De lieden zagen haar, en verstomden, door ontzetting en afschuw bevangen. Tirza, die achter hare moeder stond, zonk van zwakte en angst ineen.

—Melaatschen! Melaatschen!

—Steenig ze!

—Sla ze dood! die van God vervloekten!

Deze en dergelijke kreten vermengden zich met de hosanna's dergenen, die te veraf waren om de oorzaak der stoornis te onderscheiden. Zij, die in de onmiddellijke nabijheid van den Rabbi waren, en zijn goddelijk mededoogen kenden, zagen hem zwijgend aan, wel wetende wat hij doen zou, en maakten ruimbaan voor hem, toen hij op de vrouw toereed. Zij zag hem in het vriendelijk gelaat en schepte troost uit zijn bemoedigenden glimlach.

—Meester, Meester! riep zij, gij ziet onze ellende, gij kunt ons reinigen. Erbarm u over ons!

—Gelooft gij, dat ik dat doen kan?

—Ja, Heer. Gij zijt degeen, van wien de profeten gesproken hebben, gij zijt de Messias!

—Vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wilt.

Een oogenblik nog toefde hij, de schare rondom zich vergetende, één oogenblik, toen reed hij verder, terwijl de geredde met een van dank overvloeiend hart luide riep: Eere zij God in den hooge! Gezegend zij de Zone Davids!

Terstond daarop omgaf hem de schare met haar vreugdebetoon en onttrok hem aan haar oog. In dankbare verrukking drukte de moeder Tirza aan haar hart, juichende: Wij zijn gered! Hij is waarlijk de Messias.

Zij bleven geknield liggen, totdat de menschenmassa langzaam achter den berg verdween. Toen het gezang en gejuich in de verte zich verloor, werd het wonder in de melaatschen gewrocht.

Eerst gevoelden zij, dat haar bloed als vernieuwd door de aderen stroomde, sterker en sneller, zoodat het verzwakte lichaam een onbeschrijfelijk weldadig gevoel van terugkeerende kracht gewaarwerd. Zij voelden de plaag letterlijk wijken. Haar vleesch keerde weder, de verduisterde oogen straalden met den ouden glans—gereinigd waren zij van hare afzichtelijke krankte. Nu voelden zij zich ook naar den geest herleven, nameloos geluk doortrilde haar.

Van deze genezing was, behalve Amrah, nog iemand anders getuige. Zooals wij weten was Ben-Hur den Nazarener zooveel mogelijk gevolgd, en die zich de gesprekken van den vorigen avond herinnert, zal zich niet verwonderen, dat hij bij den stoet was, die den Rabbi begeleidde. Hij was getuige van de bede der melaatsche, hij zag de vreeselijke sporen der ziekte op haar gelaat, hij hoorde het antwoord, dat zij ontving, en hoewel hij reeds meer dan eens tegenwoordig geweest was bij zulke genezingen, hadden zij nog niets van hare belangwekkendheid voor hem verloren. Daarenboven was de strijd in zijn binnenste met betrekking tot de zending van den Nazarener nog altijd niet beslist. Daarom liet hij den stroom voorbij gaan, en zette zich op een steen aan den weg neder, om te zien hoe de genezing in haar werk zou gaan.

Van zijne plaats wierp hij dezen en genen een blik van verstandhouding toe, Galileërs, die onder hunne lange gewaden het korte zwaard verborgen droegen. Toen allen voorbij waren naderde hem een Arabier met twee paarden.

—Blijf hier staan, zeide Ben-Hur, hem tot zich wenkend. Aldebaran zal mij straks met verdubbelden spoed naar de stad brengen.

Hij liefkoosde het schoone dier en keerde zich toen om, ten einde de twee vrouwen te gaan toespreken, in wie hij het grootste belang stelde, als toonbeelden eener bovenaardsche wondermacht. Voortgaande keek hij toevallig naar de witte rots en zag een welbekende gedaante staan, het gelaat in de handen verborgen.

—Wat! zeide hij, staat Amrah daar?—en liep regelrecht op haar toe. Amrah! wat doet gij hier?

Daar zag de oude vrouw op, viel voor hem neer op de knieën, verblind door tranen, bijna sprakeloos door diepe ontroering.

—O, meester, hoe goed is God!

Een onverklaarbaar voorgevoel zeide hem, dat hare tegenwoordigheid op de eene of andere wijze met die der beide vrouwen in verband stond. Hij keerde zich haastig om, en bleef als aan den grond genageld staan. Het was alsof zijn hart ophield te kloppen, hij kon geen woord uitbrengen.

De vrouw, die hij met den Nazarener had zien spreken, stond daar met gevouwen handen, terwijl de tranen haar over de wangen stroomden. De verandering, die zij ondergaan had, zou op zichzelf reeds zijne verbazing gerechtvaardigd hebben, maar er was nog een andere reden. Was het een zinsbegoocheling? of was er een treffende gelijkenis tusschen die vrouw en zijne moeder? Zóó had zij er uitgezien op dien morgen, toen de Romein haar uit zijne armen rukte! Alleen het haar begon hier en daar te grijzen, maar dat liet zich hierdoor verklaren, dat de macht, welke het wonder gewrocht had, de verloopen jaren in aanmerking had genomen.

En die andere naast haar? Tirza? Schoon en liefelijk, alleen wat ouder dan op dien laatsten morgen, toen zij voor hem zong. Hij had beiden reeds lang dood gewaand, en de tijd had zijne smart gelenigd. Hij betreurde haar nog altijd, maar zij waren uit zijne droomen en plannen voor de toekomst weggevallen.

Zijne oogen niet geloovende, greep hij Amrah bij den arm en riep: Zeg mij toch of ik goed zie!

—Ja, ja, spreek maar tot haar!

Nu aarzelde hij niet langer, maar vloog naar haar toe met den kreet: Moeder, beste moeder, hier ben ik!

In het volgend oogenblik waren de zoo wreed gescheiden weer vereenigd, en omhelsden elkander innig.

Toen de eerste vreugde bedaard was, zeide de moeder: Kinderen, laat ons God danken! Laat ons het nieuwe leven beginnen met erkenning van Hem, die ons dit geluk bereidt.

Zij knielden neder, Amrah volgde hun voorbeeld, en als een jubelpsalm rees het gebed der begenadigde vrouw omhoog.

Daarna vraagde zij: Wat nu, mijn zoon? Waar zullen wij naar toe gaan?

—Ja, zeide Juda, tot de werkelijkheid teruggeroepen, wij hebben nog een plicht te vervullen.

Hoezeer hij ook verlangde haar naar huis te brengen, en hare geschiedenis te hooren, hij bedwong zijn ongeduld, en herinnerde haar hetgeen de Wet van herstelde melaatschen eischte. Toen riep hij den Arabier tot zich, en beval hem de paarden naar de poort van Bethesda te brengen en daar op hem te wachten. Vervolgens begaven zij zich gezamenlijk op weg naar den Berg der Ergernis; maar o! hoe anders was de wandeling ditmaal. Zij konden zich snel en gemakkelijk bewegen, en bereikten weldra een nieuw uitgehouwen graf naast dat van Absalom. Daar het leeg was, namen de vrouwen er bezit van, terwijl Ben-Hur verder ging om zoo spoedig mogelijk de noodige maatregelen te treffen.

Een paar uren later sloeg hij dicht bij de graven der Koningen twee tenten op, die hij zoo gemakkelijk mogelijk inrichtte. Daarheen bracht hij moeder en zuster, totdat zij van den priester een getuigschrift van volkomen herstel zouden gekregen hebben.

Intusschen was de jonkman door dit verkeer volgens de wet zelf onrein geworden, zoodat hij zich onthouden moest van elke deelneming, hoe gering ook, aan het ophanden zijnde feest. Hij kon bij zijne geliefden in de tenten blijven. Wat hadden zij elkander veel te vertellen! Onder het luisteren naar het lijdensverhaal zijner moeder dwong hij zich tot kalmte, maar zijn bloed kookte, en zijn dorst naar wraak werd steeds grooter.

In deze stemming ontwierp hij de dolste plannen. De gelegenheden van de heirwegen drongen zich aan hem op: hij zou een opstand in Galilea verwekken, of met zijne strijdbare mannen Romeinsche reizigers op de wegen overvallen; zelfs de zee, anders zijn schrikbeeld, werd hem door zijne verbeelding voorgehouden, als een geschikt terrein tot plundering van galeien en kooplieden. Maar zijn beter oordeel behield de overhand boven een oogenblikkelijken hartstocht. Telkens weder kwam hij tot de oude slotsom—dat slechts een oorlog van geheel Israël tegen Rome iets zou kunnen uitrichten; en al zijne overleggingen, zijn vragen en hopen, keerden tot hun uitgangspunt terug ... den Nazarener. Als die maar wilde opstaan en den volke toeroepen: Hoor, Israël! Ik ben de van God beloofde, de geboren koning der Joden! Ik kom om te heerschen zooals de profeten gesproken hebben. Staat op als een eenig man, en brengt de wereld aan uwe voeten!

Als de Nazarener zóó optrad, dan zou men wat zien gebeuren! Hoe zouden de bazuinen schallen om de massa ten strijde te roepen! Zou de Nazarener het doen?

In zijn verlangen om het werk te beginnen verloor Ben-Hur de tweeledige natuur van den Godsgezant uit het oog, en dacht niet aan de mogelijkheid, dat het goddelijke in hem het menschelijke zou kunnen te boven gaan. In het wonder aan zijne moeder en Tirza gewrocht zag hij eene macht groot genoeg, om een Joodschen troon op te richten en te handhaven, eene macht groot genoeg, om de maatschappij te hervormen, en de menschheid tot één geheiligd gelukkig gezin te vereenigen. Was het eenmaal zoo ver, dan zou niemand durven loochenen, dat het een den Zone Gods waardig werk geweest was.

Intusschen waren bij de beek Kedron in de nieuwe stadswijk Bezetha, voornamelijk langs de wegen naar de Damascuspoort, allerlei tijdelijke verblijfplaatsen voor de feestgangers opgeslagen. Ben-Hur bezocht de vreemdelingen, onderhield zich met hen, en verwonderde zich dagelijks meer over hun groot aantal. Toen hij daarenboven tot de ontdekking kwam dat alle deelen der wereld vertegenwoordigd waren ... de beide kusten der Middellandsche zee, Indië, de noordelijke provinciën van Europa ... toen hij bedacht dat die lieden, ofschoon zij hem menigmaal begroetten in een taal, die ver afgeweken was van het oude Hebreeuwsch der vaderen, toch allen hetzelfde doel beoogden, drong zich een nieuw denkbeeld aan hem op. Zou hij misschien den Nazarener verkeerd begrepen hebben? Zou hij misschien onder den schijn van geduldig wachten in het geheim alles hebben voorbereid, om zoodoende zijne geschiktheid voor de roemrijke taak die hem wachtte te bewijzen? De gelegenheid die zich thans aanbood was veel geschikter, dan toen de Galileërs hem bij het meer Genesareth met geweld koning hadden willen maken. Toen zouden hem slechts een paar duizend menschen bijgevallen zijn, heden zouden millioenen aan zijne roepstem gehoor geven.

Dezen gedachtengang volgende kwam Ben-Hur tot het besluit, dat de Nazarener achter zijn zachtmoedig voorkomen en onbegrijpelijke zelfverloochening staatkundige plannen verborg.

Herhaaldelijk kwamen ernstig, door de zon gebruinde mannen Ben-Hur aan de tent bezoeken. Hij ontving hen altijd alleen, en als zijne moeder hem vroeg wie dat waren, antwoordde hij steeds: Goede vrienden uit Galilea.

Door hen kwam hij op de hoogte van alles wat de Nazarener deed, en van de plannen zijner vijanden, zoowel rabbijnen als Romeinen. Hij wist dat het leven van zijn held bedreigd werd, maar hij kon niet gelooven, dat iemand tijdens het feest een aanslag zou durven wagen. Zijn groote roem en populariteit, de aanwezigheid van zoovele vreemden in en rondom de stad waarborgden, meende hij, de veiligheid van den Nazarener. Maar bovenal rustte zijn vertrouwen op de wondermacht van den Christus. De zaak uit een zuiver menschelijk oogpunt beziende, hield hij het voor onmogelijk, dat de bezitter van zulk eene macht over leven en dood, zoo dikwijls aangewend ten bate van anderen, haar niet voor zichzelven zou gebruiken.

Het was volgens onze tijdrekening de vijfentwintigste Maart. Aan den avond van dien dag kon Ben-Hur zijn ongeduld niet langer bedwingen en reed naar de stad, met de belofte van spoedig te zullen terugkeeren. Zijn paard was flink en draafde lustig voort. De huizen, die hij voorbijreed, waren leeg, de vuren voor de tenten waren uitgedoofd, de weg was eenzaam en verlaten, want het was de avond vóór het feest en het volk was naar den Tempel gestroomd, om de paaschlammeren te slachten, wier bloed door de priesters opgevangen en naar de altaren gebracht werd. Door de groote Noordpoort reed Ben-Hur Jeruzalem binnen, het heerlijke roemrijke Jeruzalem, zooals het vóór de verwoesting was.

Ben-Hur stapte af voor de deur eener herberg, waar hij zijn paard in de hoede van zijn Arabischen bediende achterliet. Met haastigen stap ging hij naar huis, en vraagde allereerst naar Malluch; toen die niet thuis bleek te zijn naar Balthasar en Simonides. Het antwoord luidde, dat de beide grijsaards zich in draagstoelen naar buiten hadden laten brengen, om ook iets van het feest te zien.

Terwijl hij nog met den knecht sprak, werd het gordijn voor de deur weggeschoven, en trad Iras binnen, waarop de bediende heenging.

Door de gebeurtenissen der laatste dagen geheel in beslag genomen, had Ben-Hur weinig aan de schoone Egyptische gedacht, maar zoodra hij haar zag, liet de oude invloed zich weder gelden. Vroolijk ging hij haar te gemoet, maar bleef op eens verbaasd staan. Tot nog toe had zij hem onverholen hare genegenheid betoond. Maar nu! Een vreemde had zij niet koeler kunnen ontvangen.

—Gij komt juist bijtijds, zoon van Hur, zeide zij. Ik wilde u dank zeggen voor uwe gastvrijheid, want na morgen zal ik niet meer in de gelegenheid zijn dat te doen.

Ben-Hur maakte een lichte buiging zonder zijne oogen van haar af te wenden.

—Ik weet, dat het onder dobbelaars gewoonte is, vervolgde zij, na afloop van het spel de rekening op te maken, en den gelukkigen winner te bekronen. Wij hebben een spel gespeeld, het heeft vele dagen en weken geduurd. Waarom zouden wij, nu het uit is, niet eveneens nagaan wie van ons den krans moet hebben?

Niet recht wetende wat hij van haar denken moest antwoordde Ben-Hur luchtig: Als een vrouw op het een of ander haar zinnen gezet heeft, moet een man haar daarin ter wille zijn.

—Zeg mij, zeide zij met een onaangenaam lachje, zeg mij, Vorst van Jeruzalem, waar is hij, de zoon des timmermans van Nazareth, van wien men onlangs zulke groote verwachtingen had?

Met een gebaar van ongeduld antwoordde hij: Ik ben zijn bewaker niet.

—Heeft hij Rome al omvergeworpen?

Toornig wilde Ben-Hur antwoorden, maar zij vervolgde: Waar heeft hij zijn zetel opgeslagen? En zijn paleis? Hij heeft wel dooden opgewekt, het zou hem dus geen moeite kosten als met een tooverslag een gouden huis te doen ontstaan. Hij behoeft maar met den voet te stampen en één woord te spreken, en het huis staat daar, zoo mooi, als men het slechts verlangen kan.

Hij behoefde er niet meer aan te twijfelen, dat zij in ernst sprak. De vragen waren beleedigend, haar toon en houding bepaald onvriendelijk. Hij voelde, dat hij voorzichtig moest zijn, en zeide zacht: Laat ons nog een dag, desnoods nog een week wachten, voordat wij oordeelen.

Zonder op zijne woorden te letten vervolgde zij: En hoe komt het, dat ik u in zulk eene kleeding zie? Dat is niet de dracht der stadhouders van Indië, of van onderkoningen, waar dan ook. Ik heb eenmaal een Perzisch satraap gezien. Hij droeg een zijden tulband en een mantel van goudlaken; het gevest en de scheede van zijn zwaard glinsterden van kostbare edelsteenen. Ik dacht dat Osiris hem iets van den glans der zon had afgestaan. Ik vrees, dat gij nog niet in uwe heerschappij bevestigd zijt, de heerschappij, die ik met u zou deelen.

—De dochter van mijn wijzen gast is vriendelijker dan zij zelve vermoedt; zij doet mij zien, dat Isis een hart kan kussen zonder het beter te maken.

Hij sprak met koude hoffelijkheid en Iras antwoordde, al spelende met haar halsketting: De zoon van Hur is zeer slim. Ik zag uw droomenden koning zijn intocht in de stad houden. Gij hadt ons gezegd, dat hij zich op dien dag tot koning der Joden zou laten uitroepen. Ik zag een hem begeleidenden stoet van den berg afdalen, en hoorde hun gezang. 't Was een mooi gezicht, die wuivende palmtakken. Ik zocht naar een koninklijke verschijning in hun midden: een ruiter in het vorstelijk purper, of een statigen krijger in een strijdwagen, met schild en speer gewapend. Ik zocht naar zijn lijfwacht. Het zou mij goed hebben gedaan een vorst van Jeruzalem aan het hoofd eener kohorte van de Galileesche legioenen te zien!

Zij wierp haren toehoorder een uitdagenden blik toe, en lachte toen luid, alsof zij in den geest iets zeer belachelijks aanschouwde.

—In stede van een triomfeerenden Sesostris, vervolgde zij, of van een gewapenden Cesar, hahaha! zag ik een man met tranen in de oogen op een ezelsveulen gezeten. De koning! de Zoon van God! de Verlosser der wereld! Hahaha!

In spijt van zichzelven kon Ben-Hur zijn verlegenheid niet verbergen. Voordat hij zich hersteld had, ging zij voort: Toch verliet ik mijne plaats niet, Vorst van Jeruzalem. Evenmin lachte ik. Ik zeide tot mijzelve: Geduld! In den Tempel zal hij zich in zijne ware gedaante vertoonen, zooals dat een held betaamt, die de wereld in bezit gaat nemen. Ik zag hem de poort van Suzanna binnengaan. Ik zag hem stilhouden voor de Schoone Poort. Duizenden menschen stonden in de voorhoven van den Tempel, op de trappen; allen wachtten in hooge spanning op zijne proclamatie. In mijne verbeelding hoorde ik de steunsels van het machtige Rome kraken. Hahaha! O Vorst! bij de ziel van Salomo, uw koning wikkelde zich dichter in zijn overkleed en wandelde weg, zonder zijn mond geopend te hebben, en ... het Romeinsche rijk bestaat nog.

Geen vertoogen van Balthasar, geen wonderen voor zijn oogen verricht, hadden vermocht wat het door Iras geschilderde tafereel uitwerkte.

Dat zich afwenden van de Schoone Poort—gaf de Nazarener zelf daarmede niet duidelijk te kennen, dat hij het door-hem op te richten koninkrijk niet beschouwd wilde hebben als een aardsch koninkrijk?

—Dochter van Balthasar, zeide hij waardig, als dit het spel is, waarvan gij spraakt, neem den krans; ik moet hem u toekennen. Laat ons echter een einde maken aan dit woordenspel. Dat gij er een doel mede hebt, geloof ik zeker. Spreek het vrij uit en ik zal u antwoorden. Daarna kunnen wij ieder zijn eigen weg gaan, en vergeten dat wij elkander ooit ontmoet hebben. Spreek! Ik luister—indien gij ten minste een anderen toon wilt aanslaan.

Zij zag hem een oogenblik onderzoekend aan, overleggende wat zij doen zou, misschien ook om zijn wilskracht te beproeven, en zeide toen koeltjes: Gij kunt vertrekken. Ga!

—Vrede zij u, antwoordde hij, en ging naar de deur. Toen hij er vlak bij was, riep zij hem terug.

—Nog één woord.

Hij bleef staan, en zag om.

—Bedenk dat ik alles van u weet.

—Waarin bestaat dat alles? vraagde hij terugkomende.

Zij zag hem aan met verstrooiden blik.

—Gij hebt meer van een Romein, zoon van Hur, dan een uwer Joodsche broederen.

—Ben ik zoo verschillend van mijne landgenooten? vraagde hij onverschillig.

—De halfgoden zijn allen Romeinen, zeide zij.

—Is dat alles wat gij van mij weet?

—De gelijkenis is niet voor mij verloren. Het zou er mij toe kunnen brengen u te redden.

—Mij te redden?

Haar vingers speelden met het sieraad aan haren hals en haar stem klonk innemend en zacht; maar het trappelen van haar voetje maande hem tot voorzichtigheid.

—Er was een Jood, een ontvluchte galeislaaf, die een man doodde in het paleis Idernee, zeide zij langzaam.

Ben-Hur ontstelde.

—Diezelfde Jood versloeg hier in Jeruzalem op het voorplein van het praetorium verscheidene Romeinsche soldaten, diezelfde Jood heeft onder zijne bevelen drie welgeoefende legioenen uit Galilea, om hedennacht den Romeinschen procurator gevangen te nemen; diezelfde Jood heeft alles voorbereid tot een oorlog met Rome, en Sheik Ilderim is een van zijne bondgenoten.

Nog dichterbij komende, fluisterde zij: Gij hebt in Rome gewoond. Gesteld dat deze dingen gefluisterd werden in ooren, die wij kennen? Aha! gij verschiet van kleur?

Hij ging een stap achteruit met de uitdrukking op het gelaat van een man, die, meenende met een poes te spelen, onverwacht een tijgerjong voor zich ziet.

Zij vervolgde: gij zijt bekend aan het hof, gij kent den machtigen Sejanus. Gesteld dat hem werd medegedeeld, dat diezelfde Jood de rijkste man is van het Oosten, ja van het geheele keizerrijk, dan zouden de visschen van den Tiber waarschijnlijk wel op iets anders onthaald worden, dan op hun gewone voedsel, niet waar? En welke prachtige voorstellingen zouden daarna in den Circus gegeven worden! Het Romeinsche volk te vermaken is een schoone kunst, maar het geld te verzamelen, om het te kunnen blijven vermaken, is nog grooter kunst; en heeft ooit eenig kunstenaar daarin Sejanus geëvenaard?

Ben-Hur wendde al zijne zelfbeheersching aan, om kalm te blijven, en zeide bedaard: Welaan, dochter van Egypte, dank zij uwe listigheid hebt gij mij in uwe macht, 't Zal u zeker genoegen doen mij te hooren bekennen, dat ik geen genade van u verwacht. Ik zou u kunnen dooden; doch gij zijt eene vrouw. De woestijn is bereid om mij te ontvangen, en ofschoon de Romeinen uitstekende menschenjagers zijn, zouden zij mij daar toch lang en ver moeten zoeken, voordat ze mij vingen; want de wildernis herbergt duizenden trouwe, gewapende mannen. Maar al hebt gij mij in uwe netten weten te krijgen—dwaas die ik was! één antwoord zijt gij mij schuldig: Wie heeft u dat alles aangaande mij verteld? Vluchteling of banneling, het zal mij een troost zijn mijnen verrader den vloek na te laten van een man, wiens leven niets dan ellende heeft gekend. Wie heeft u dat alles aangaande mij medegedeeld?

Was het een kunstgreep, was het oprecht gemeend,—de uitdrukking van Iras' gelaat werd zachter.

—In mijn vaderland vindt men kunstenaars, die schilderijen maken van veelkleurige schelpjes, welke zij aan het strand der zee vonden, en in stukken sloegen, om ze daarna tot één geheel samen te voegen. Ziet gij niet wat zij, die een geheim willen uitvorschen, daaruit kunnen leeren? Het zij u genoeg te weten, dat ik van den een dit, van den ander dat vernam, en weldra een geheel kon samenstellen, dat mij meesteres maakte van het fortuin en het leven van een man met wien ... ik niet recht weet wat ik doen zal.

—Neen, dat is mij niet genoeg, zeide Ben-Hur onbewogen. Morgen zult gij wel weten wat gij met mij doen zult ... mij misschien vermoorden.

—Dat is zoo, antwoordde zij snel en met nadruk. Nu dan. Enkele dingen vernam ik door Sheik Ilderim, toen hij op zekeren avond met mijn vader een onderhoud had in de woestijn. 't Was stil, heel stil, en de wanden eener tent zijn, om de waarheid te zeggen, geen voldoende beschutting tegen ooren, die daar buiten luisteren naar den vleugelslag van nachtvlinders. Andere bijzonderheden kreeg ik van....

—Welnu? van wien?

—Van den zoon van Hur zelf.

—Heeft niemand anders er toe bijgedragen?

—Neen, niemand.

Ben-Hur slaakte een zucht van verlichting en zeide: Dank voor uwe mededeeling. Het zou niet beleefd zijn den machtigen Sejanus op u te laten wachten. Vaarwel!

Tot nog toe had hij met ongedekten hoofde voor haar gestaan; nu nam hij den doek, die over zijn arm hing, schikte zich dien om het hoofd en wilde zich verwijderen. Maar zij hield hem tegen, en stak in haren ijver de hand naar hem uit.

—Blijf! zeide zij.

Hij zag haar aan zonder echter de aangeboden hand te nemen, en begreep uit hare geheele manier van doen, dat het voornaamste nog komen moest.

—Blijf, en geloof vrij, dat ik weet waarom de edele Arrius u tot zijn erfgenaam maakte. Bij alle goden van Egypte, ik beef als ik er aan denk, dat gij, zoo dapper en edelmoedig, den onbarmhartigen Sejanus in handen zoudt vallen. Gij hebt een gedeelte van uw jeugd in de atria der groote wereldstad doorgebracht, bedenk wat in tegenstelling daarmede de woestijn voor u zijn moet. O, ik heb medelijden met u! En als ge doen wilt wat ik zeg, zal ik u redden. Dat zweer ik u bij onze heilige Isis!

Het vuur, waarmede zij gesproken had, deed haar aangezicht gloeien; zelden had hij haar zoo schoon gezien.

—Eenmaal hadt gij een vriend, vervolgde zij. Gij waart toen nog een knaap. Op zekeren dag kreegt gij twist en werdt vijanden. Vele jaren later zaagt gij hem in den circus te Antiochië.

—Messala!

—Ja, Messala. Gij waart zijn schuldeischer. Laat het verledene vergeven en vergeten zijn; schenk hem uwe vriendschap weder; geef hem zijn geld terug, dat hij bij de groote weddenschap verloor; red hem! De zes talenten zijn voor u zoo goed als niets, niet zooveel als het afvallend blad van een lommerrijken boom; maar voor hem.... Ach, hij gaat daarheen met een verbrijzeld lichaam! O Ben-Hur, edele vorst! voor een Romein als hij, uit een edel geslacht gesproten, is armoede nog erger dan de dood. Red hem, ach, red hem!

Als de snelheid, waarmede zij sprak, dienen moest, om hem het nadenken te beletten, dan vergiste zij zich deerlijk. Zijne gevoelens ten opzichte van Messala waren voor geene wijziging vatbaar. Het was hem, alsof hij zijn vijand over haar schouder naar hem zag gluren, met de oude trotsche, overmoedige uitdrukking.

—Messala krijgt van mij niets, sprak hij vastberaden. Als Romein veroordeel ik den Romein. Maar zeg mij, zond hijzelf u tot mij met dit verzoek?

—Hij heeft een edele natuur en beoordeelde u daarnaar.

—Zeg mij, gij, die hem zoo goed schijnt te kennen, zeg mij, zou hij in het omgekeerde geval voor mij doen wat hij nu van mij vraagt? Antwoord ter wille van de waarheid!

—O, begon zij, hij is....

—Een Romein, wilt gij zeggen; en gij bedoelt daarmede, dat ik, een Jood, niet moet eischen, dat een en dezelfde maatstaf gebruikt zal worden voor hem en voor mij. Dus omdat ik een Jood ben, moet ik hem mijne winst laten, omdat hij een Romein is. Als gij nog meer te zeggen hebt, dochter van Balthasar, spreek dan, want waarlijk! moest mijn bloed nog tot grooter kookhitte komen, dan zou ik in u misschien niet langer eene vrouw zien, maar de spion van den Romein. Spreek dus, maar maak het kort.

Zij ging een stap achteruit. Uit hare oogen en stem sprak al de boosheid van hare natuur.

—Gij meent, dat ik u zou kunnen beminnen, nadat ik Messala gezien had? Zulken als gij zijn geboren om hem te dienen. Hij zou tevreden zijn geweest, indien gij hem zijne zes talenten teruggegeven hadt; maar ik zeg u, bij die zes zult gij er twintig voegen, hoort gij? Voor iederen kus, dien gij mij gegeven hebt, al was het met mijne toestemming, zult gij mij betalen. Gij zult er voor betalen, dat ik u zoo lang verdragen, ja begunstigd heb, al deed ik het ook om hem te dienen. De oude Simonides is uw rentmeester. Indien hij mij morgenmiddag niet een wissel ter hand stelt voor zesentwintig talenten, dan zult gij met den machtigen Sejanus hebben af te rekenen. Wees wijs! en nu vaarwel.

Zij wilde de kamer verlaten, maar hij trad haar in den weg.

—Wanneer gij Messala ziet, hier of in Rome, vandaag of morgen, wil hem dan van mijnentwege deze boodschap overbrengen: Zeg hem, dat ik al het geld terug heb, dat hij mij ontstal, toen hij zich een deel van mijn vaders bezittingen toeëigende. Zeg hem, dat ik van de galeien, waarheen hij mij zond, levend ben teruggekomen, en dat ik gezond en krachtig, mij verheug over zijne armoede en schande. Zeg hem, dat de lichaamspijnen, hem door mijne hand toegebracht, een straf zijn van den God van Israël voor het verraad, dat hij aan onschuldigen gepleegd heeft; zeg hem, dat mijne moeder en zuster, die met zijn medeweten opgesloten werden in eene besmette cel van den burcht Antonia, opdat zij daar aan melaatschheid zouden sterven, leven, en gezond zijn door het machtwoord van den Nazarener, dien gij veracht. Zeg hem, dat zij, om de maat van mijn geluk vol te maken, mij teruggegeven zijn, en dat ik tot haar ga, om in hare liefde meer dan voldoening te vinden voor de onreine hartstochten, die gij op hem overbrengt. Zeg hem, dat de machtige Sejanus, als hij zich opmaakt om mij van mijn eigendom te berooven, niets zal vinden, want alles, wat ik van den duumvir geërfd heb, is verkocht, en de opbrengst is in veiligheid gebracht. Zeg hem, dat dit huis en de goederen, waar Simonides handel mede drijft, gedekt zijn door keizerlijken vrijbrief. Zeg hem, dat ik hem mijnen vloek niet in woorden zend, maar dat ik hem aan u overlaat, opdat gij elkander wederkeerig ten vloek zoudt zijn. Ga nu, ik ga ook.

Hij geleidde haar naar de deur en hield beleefd een voorhang tegen, terwijl zij naar buiten ging.

Ben-Hur verliet de zaal vrij wat minder opgewekt, dan hij haar binnengetreden was; zijn stap was langzamer, hij liet het hoofd hangen. De ontdekking dat iemand, al heeft hij ook al zijne ledematen gebroken, toch nog gezond van hersenen kan zijn, gaf hem veel te denken.

Dat hij de Egyptische zelf niet verdacht had van in Messala's belang werkzaam te zijn, maar zich blindelings had overgegeven aan de betoovering, die van haar uitging, wondde zijne ijdelheid.

—Nu herinner ik mij, dacht hij, dat zij in het minst niet verontwaardigd was over de handelwijze van den onbeschaamden Romein bij de bron van Castalia. Ik herinner mij ook, dat zij van den beginne met ingenomenheid over hem sprak. En ... aha!... nu behoef ik niet langer te vragen, aan wie ik dat geval in het paleis Idernee te danken had.

—God zij gedankt! riep hij na een oogenblik nadenkens overluid, dat die vrouw mijn hart niet omstrikt had! Ik zie nu in dat het geen liefde was, die ik voor haar gevoelde.

Alsof hem een pak van het hart gevallen was, begaf hij zich verruimd van zin naar het platte dak. Boven gekomen bleef hij stilstaan. Kon Balthasar haar medeplichtige zijn? Neen, neen. Een eerwaardig grijsaard als hij kan niet huichelen. Balthasar is een goed man.

Gerustgesteld ging hij verder. De volle maan stond hoog aan den hemel, maar verbleekte door den gloed der vuren, die in de straten en op de pleinen ontstoken waren. Van alle zijden weerklonk het gezang van psalmen en lofzangen. Onwillekeurig bleef hij staan luisteren. De tallooze stemmen schenen hem toe te roepen: Aldus, zoon van Juda, getuigen wij van onze trouw aan den Heer onzen God, en onze liefde tot het land, dat Hij ons gegeven heeft. O, dat een Gideon mocht optreden, of een David, of een Makkabeër!—Wij zijn gereed.

In den geest zag hij den Nazarener, wiens vriendelijk gelaat allerminst aan oorlog deed denken, veeleer aan vrede en liefde, en zoo drong de oude vraag zich weder aan hem op: Wie is hij toch?

Ben-Hur wierp een blik over de borstwering, keerde zich toen om en wandelde toen werktuiglijk naar het zomerhuisje. Laat hen het ergste doen wat zij kunnen, zeide hij langzaam voortgaande. Ik kan den Romein geen vergiffenis schenken. Ik wil mijn fortuin niet met hem deelen, maar evenmin wil ik de stad mijner vaderen ontvluchten. Liever roep ik de Galileërs te hulp en laat ik het zwaard voor mij beslissen. Door dappere daden zal ik de stammen voor mij winnen. Hij, die Mozes verwekte, zal ook ons een aanvoerder toezenden, als ik niet slaag. Blijkt het, dat de Nazarener niet de aangewezen persoon is, dan een ander uit de velen, die hun leven willen laten voor de vrijheid.

Het zomerhuisje was van binnen slechts flauw verlicht, toen Ben-Hur binnentrad. Hij zag den armstoel van Simonides in den hoek geschoven, vanwaar men het beste uitzicht had over de markt.

—De goede man is teruggekeerd, dacht hij. Als hij niet slaapt, zal ik hem even toespreken.

Hij naderde den stoel met zachten tred. Over de hooge rugleuning glurende zag hij, dat Esther in den stoel zat te slapen, half verborgen onder de deken. Hare ademhaling was zacht en regelmatig. Op eens slaakte zij een diepen zucht. Was het de zucht, of de eenzaamheid, waarin hij haar aantrof,—genoeg, hij kreeg den indruk dat deze slaap meer een gevolg was van uitputting na droefheid, dan van vermoeidheid. Met de handen op de rugleuning rustend, dacht hij een oogenblik na.

—Ik zal haar niet wekken. Ik heb haar niets te zeggen, niets, of het moest zijn, dat ik haar liefheb. Zij is eene dochter uit den stam van Juda, schoon en lieftallig, geheel verschillend van de Egyptische. Bij die is alles ijdelheid, bij haar alles waarheid, daar eerzucht, hier plicht, daar zelfzucht, hier zelfverloochening.... Neen, de vraag is niet of ik haar liefheb, maar of zij mij liefheeft! Zij was mij van den beginne genegen. Ik ben dien avond op het terras te Antiochië nog niet vergeten, toen zij mij zoo kinderlijk smeekte Rome niet tot mijn vijandin te maken. Ik heb haar lief. Niemand weet, dat ik moeder en Tirza teruggevonden heb. Hoe zal zij zich met mij verheugen, haar van harte verwelkomen. Voor moeder zal zij eene tweede dochter wezen, in Tirza vindt zij eene zuster. Ik zou haar kunnen wekken en dit alles vertellen, maar eerst moet de Egyptische toovenares weg, en alles vergeten zijn. Ik zal heengaan en een ander, een beter oogenblik afwachten. Ik zal wachten. Slaap zacht, schoone Esther! trouw kind, dochter van Juda!

Hij ging heen, even stil als hij gekomen was.


Back to IndexNext