Aldus aangemoedigd deelde Juda zijn moeder uitvoerig mede wat tusschen hem en Messala was voorgevallen, en stond vooral stil bij de minachting, waarmede deze over de Joden, hunne gebruiken en beperkten kring gesproken had. De moeder luisterde zwijgend. Thans begreep zij alles. Juda was naar het paleis gegaan in de verwachting van na lange scheiding den speelmakker te zullen weervinden; in plaats daarvan vond hij een man, die slechts van roem en rijkdom en macht droomde. Gekrenkt in zijn trots en tevens van een ongekende eerzucht vervuld, was Juda teruggekomen; de moeder zag het, en niet wetende in welke richting die eerzucht zich zou ontwikkelen, sloeg haar, de vurige Jodin, de schrik om 't hart. Indien hij eens afgetrokken werd van het aartsvaderlijk geloof! Kon zij zich iets verschrikkelijkers voorstellen? Neen, dat moest zij tot iederen prijs zien te voorkomen, en daarom begon zij op vasten, bijna plechtigen toon: Ieder volk dat wat beteekent houdt zichzelf voor het grootste. Wanneer de Romein uit de hoogte neerziet op den Israëliet en hem bespot, dan doet hij slechts wat de Egyptenaar, de Assyriër en de Macedoniër vóór hem gedaan hebben, en daar de spot tegen God gericht is, zal het einde hetzelfde zijn.
Er bestaat geen wet, die de opperheerschappij der natiën vaststelt; daarom is de aanspraak op de opperheerschappij ijdel en de strijd daarover tevergeefs. Heeft een volk zijn glanspunt bereikt en zijne taak volbracht, dan sterft het òf zijn eigen dood, òf door toedoen van een ander volk, dat zijne plaats inneemt, zijne macht erft en nieuwe namen schrijft op zijne monumenten. Dat is de geschiedenis.
Als iemand mij opdroeg God en den mensch op de eenvoudigste wijze te symboliseeren, dan zou ik een rechte lijn en een cirkel trekken, en van de lijn zou ik zeggen: dit is God, want hij beweegt zich onveranderlijk vooruit, en van den cirkel: dit is de mensch, zijn voortgaan gelijkt een kringloop. Daarmede wil ik niet zeggen, dat er geen verschil zou zijn tusschen den voortgang der volken, want geen twee zijn volkomen aan elkander gelijk. Het verschil ligt echter niet, zooals sommigen meenen, in de grootte van den cirkel, dien zij beschrijven, maar in de sfeer, waarin zij zich bewegen. De hoogste sfeer is het dichtst bij God.
Laat ons nu eens zien in welken cirkel het volk der Hebreën en het volk der Romeinen zich bewegen. Wil men weten in welke verhouding ze tot God staan, men heeft slechts te letten op het gewone dagelijkse leven. Daarvan wil ik alleen zeggen, dat Israël God meermalen heeft vergeten, terwijl de Romeinen Hem nooit gekend hebben. Van vergelijking kan hier dus geen sprake zijn. Uw vriend, of liever uw voormaligen vriend, heeft, als ik u goed begrepen heb, beweerd dat wij geen dichters, geen kunstenaars, of krijgshelden gehad hebben, dus geen groote mannen. Maar wat is een groot man? Dat is iemand wiens leven doet zien, dat God hem, zoo niet geroepen, dan toch in zijn werk bevestigd heeft. Een Pers werd gebruikt om onze vaderen te tuchtigen, hij voerde ze in gevangenschap; een andere Pers werd verkoren om aan hunne kinderen het heilige land terug te geven; grooter dan die beiden was echter de Macedoniër, die de verwoesting van Judea en van den tempel moest wreken.
Wat die mannen in het bijzonder onderscheidde was, dat zij door God uitverkoren werden, om zijnen raad te volbrengen. Dat zij heidenen waren verkort hun roem niet. Houd dit vooral in het oog. Menigeen verkeert in den waan, dat een man zich geen beter levensdoel kan kiezen, dan het zwaard te trekken. Laat u daardoor echter niet misleiden. Dat de mensch behoefte heeft om iets te aanbidden is een wet, die zich zal laten gelden, zoolang er iets is dat wij niet begrijpen. Het gebed van den barbaar is een angstkreet tot de Kracht, de eenige goddelijke eigenschap, die hij bevatten kan; vandaar zijn geloof in helden. Wat is Jupiter anders dan een Romeinse held? De Grieken waren de eersten, die het Verstand boven de Kracht stelden. In Athene waren redenaar en wijsgeer meer gezien dan de krijger. Den hardlooper moge men nog steeds toejuichen, de schoonste lauwerkransen worden voor den zanger bewaard.
Maar was de Griek de eerste, die het oude barbaarsche geloof liet varen? Neen; die roem komt ons toe. Onze vaderen stelden God in de plaats van al die valsche godheden. In onzen godsdienst werd de angstkreet vervangen door het Hosanna en psalmgezang. De Hebreën en Grieken zochten de menschen voorwaarts en opwaarts te voeren, maar helaas, de Romein, die de geheele wereld wil overheerschen, stelt den oorlog als volstrekt noodzakelijk voor, en heeft zijnen keizer geplaatst boven het verstand en boven God, en hem tot het eenige begrip van macht en grootheid gemaakt.
De heerschappij der Grieken was de bloeitijd voor het genie. De schitterende vernuften, de bekwaamste kunstenaars zijn uit dat volk voortgekomen, zoo zelfs, dat in alles, behalve de krijgskunst, de Romein bij hen ter schole moest gaan. Op het Forum neemt de redenaar den Griek tot model, in ieder Romeinsch lied kunt gij den rhytmus der Grieken opmerken. Als een Romein den mond opent om lessen van wijsheid of zedenkunde te geven, of de geheimenissen der natuur te behandelen, dan is hij òf een leerling van de eene of andere Griekse school, òf hij ontleent zijne wijsheid aan hunne boeken. De Romein kan in niets op oorspronkelijkheid aanspraak maken, behalve in het voeren van den krijg. Zijne kampspelen zijn van Griekschen oorsprong, door bloedige bijvoegselen genietbaar gemaakt voor zijn ruwen smaak. Zijn zogenaamde godsdienst is samengesteld uit de godsdiensten van andere volken, zelfs zijn Mars en Jupiter zijn aan den Olympus ontleend.
Ziedaar, mijn zoon, de reden waarom alleen Israël de Grieken hunne meerderheid kan betwisten, met hen om den voorrang kan strijden. Maar de zelfzucht van den Romein is zoo hard en ondoordringbaar als metaal. O, de godvergeten roovers! Onder hunnen voet beeft de aarde, als de dorschvloer onder den vlegel der dorschers. Met de anderen zijn ook wij afgevallen; ach, mijn zoon, het is hard dat te moeten erkennen! Onze hoogste, heiligste plaatsen hebben zij genomen, en niemand kan zeggen wat het einde zijn zal; maar dit weet ik—zij mogen Judea vernielen en Jeruzalem, die liefelijke bloem, vertreden, Israëls roem zal blijven stralen als een lichtende ster; want zijn geschiedenis is Gods geschiedenis. Hij was hun wetgever op Sinaï, hun leidsman door de woestijn, in den krijg hun aanvoerder, hun koning. Is het denkbaar, mijn zoon, dat onze vaderen, met wie Jehova op zulk een wijze verkeerde, niets van Hem zouden geleerd hebben? dat hunne gewone menschelijke eigenschappen niet in zekere mate den invloed der goddelijke zonden hebben ondergaan? dat zij, zelfs na verloop van vele eeuwen, in niets het hemelsche zouden weerspiegelen?
Zij zweeg eenige oogenblikken, daarna zeide zij: Het is waar, als men onder kunst alleen de schilder- en beeldhouwkunst verstaat, dan heeft Israël geen kunstenaars voortgebracht.
Het kostte haar moeite deze bekentenis te moeten doen, want als Sadduceeuwsche was het haar, in tegenstelling met de Pharizeën, geoorloofd het schoone in iederen vorm lief te hebben, onverschillig waaraan het zijn oorsprong te danken had.
—Wil men ons echter rechtvaardig beoordelen, hernam zij, dan moet men niet vergeten, dat het werk onzer handen gebonden was door het gebod: Gij zult u geen gesneden beeld noch eenige gelijkenis maken; welks bedoeling door de Sopherim hoogst willekeurig uitgebreid is. Evenmin moet men vergeten, dat twee Israëlieten, Bezaliël en Aholiab, de bouwmeesters van den eersten tabernakel, van wie geschreven staat dat zij bedreven waren in alle handwerk, de cherubim van het verzoendeksel gemaakt hebben, lang voordat Daedalus in Attica verscheen en met zijn houten statuen in de beeldhouwkunst zulk een ommekeer teweegbracht, dat de scholen van Corinthe en Aegina mogelijk werden en triomfeerden. Van dicht goud waren de cherubim gemaakt, de beide vleugelen omhoog uitbreidende, en hunne aangezichten waren tegenover elkander,—zoo staat er geschreven. Wie zal durven beweren, dat zijn niet schoon waren? Of dat zij niet de eerste statuen geweest zijn?
—O, nu begrijp ik waarom de Grieken ons voorbijgestreefd zijn, zeide Juda, die met de grootste belangstelling geluisterd had. En de ark;—vloek over de Babyloniërs, die haar vernield hebben!
—Neen, Juda, wees gerust. Zij is niet vernield; zij is verloren geraakt, te goed verborgen in de eene of andere spelonk. Hillel en Shammai gelooven beiden dat zij eenmaal, op 's Heeren tijd, teruggevonden zal worden. Dan zal Israël evenals vanouds voor het aangezicht des Heeren dansen en zingen. En zij, die dan het gelaat der cherubim mogen aanschouwen, zouden, al hebben zij ook de elpenbeenen Minerva gezien, als het mogelijk was den Jood de handen kussen, wiens genie zulk een kunstwerk ontwierp.
De moeder was in hare opgewondenheid welsprekend geworden. Zij hield even stil om tot kalmte te komen.
—Gij zijt zoo goed, moeder, zeide Juda dankbaar. Shammai zou niet beter hebben kunnen spreken en Hillel evenmin. U hebt mij weder tot een echten Israëliet gemaakt.
—Vleier! Ik herhaal slechts wat ik Hillel heb hooren zeggen, toen hij onlangs in mijne tegenwoordigheid met een Romeinsch sophist redetwistte.
—Nu ja, maar u legt er het leven in.
—Waar ben ik ook weer gebleven? vraagde zij. O ja, ik trachtte onzen voorvaderen de eer te verzekeren van de eerste statuen gemaakt te hebben. De beeldhouwkunst, Juda, is niet de eenige kunst; evenmin als de kunst zelf het eenige is, dat groot genoemd mag worden. Ik stel mij de groote mannen van vroegere eeuwen voor in groepen en afdeelingen, volgens hunne nationaliteit; hier de Indiër, daar de Egyptenaar, ginds de Assyriër, voortgaande onder trompetgeschal en met vliegende vanen, terwijl rechts en links de voorgeslachten, als eerbiedige bewonderaars geschaard staan. Ik hoor den Griek zeggen: Ha, de Helleen wijst den weg; en de Romein antwoordt: Zwijg, uwe plaats is ingenomen door ons, wij hebben u verre achtergelaten.—En zonder dat de strijders het bemerken straalt boven die gansche schare een licht, het licht der Openbaring! Wie zijn de dragers van dat licht? Het oude volk der Hebreën! Klopt uw hart niet hooger bij die gedachte? Aan dat licht kennen wij hen. Weest gezegend, onze vaderen, dienstknechten Gods, die het verbond bewaarden! Gij zijt de leidslieden der menschheid, gij staat aan de spits, en al ware iedere Romein een Cesar, gij zult die plaats niet verliezen!
Juda was diep bewogen. Ga voort, bid ik u! riep hij. Het is mij, als hoor ik het geluid van trommelen en reien. Ik wacht op Mirjam en de vrouwen, die haar volgden.
—Goed, mijn zoon. Als gij het gezang der profetes kunt hooren, dan kunt gij in uwe verbeelding met mij aan en weg gaan staan, om de uitverkoornen Israëls aan het hoofd van den optocht te zien voorbijtrekken. Daar komen zij—eerst de patriarchen, dan de vaders der stammen.
Het is mij als hoor ik de schelletjes hunner kameelen en het blaten hunner kudden. Maar wie gaat daar zoo alleen te midden van de menigte? Een oud man; maar zijn oog is niet verduisterd en zijn kracht niet verzwakt. Hij zag onzen God van aangezicht tot aangezicht. Als de zon in haren opgang staat hij daar—krijger, dichter, redenaar, wetgever, profeet. Zijn roem verduistert den roem van alle anderen, zelfs van den eersten en edelsten der Cesars.
Op hem volgen de richters, dan de koningen, de zoon van Isaï, een held in den krijg, een dichter van onsterfelijke gezangen; vervolgens zijn zoon, die alle koningen overtreft in rijkdom en wijsheid. Buig u neder, mijn zoon! Die nu komen zijn de eersten in hunne soort en tevens de laatsten. Hun aangezicht is naar boven gericht, alsof zij naar een stem uit den hemel luisteren. Hun leven was vol zorg, hunne kleederen rieken naar graven en spelonken. Hoor! een vrouw onder hen spreekt: looft den Heer, want Hij heeft heerlijk getriomfeerd! Buig u nog dieper voor hen, mijn Juda; zij waren Gods dienaren en profeten, die in de toekomst schouwden en opschreven wat zij zagen. Koningen verbleekten bij hunne nadering, volken sidderden op het geluid hunner stem. De elementen gehoorzaamden hun bevel. In hunne hand hielden zij zegen en vloek. Zie den Thisbiet en zijnen knecht Elisa! Zie den droeven zoon van Hilkia! Zie de drie jonge mannen, die het beeld weigerden te aanbidden; zie hem, die op het feestmaal de sterrenwichelaars beschaamde. En daar, mijn zoon, zie den zoon van Amos, van wien de wereld de belofte ontving van den Messias!
Zij haalde diep adem en ging toen voort: Ik heb u onze groote mannen getoond, Juda, laat ons nu de besten van Rome bezien. Plaats tegenover Mozes Cesar, en Tarquinius tegenover David; Sylaa tegenover een van de Makkabeën; de besten der consuls tegenover de richters; Augustus tegenover Salomo,—welk een vergelijking!
Zij lachte verachtelijk.
—Vergeef mij, ik dacht aan den waarzegger, die Julius Cesar waarschuwde tegen den 15dender maand Maart, en stelde mij voor hoe hij de ingewanden van een kuiken onderzocht, om de kwade voortekens te vinden. Dank dan eens aan Elia, hoe hij den zoon van Achab voor den toorn Gods waarschuwt. En ten slotte, met allen eerbied zij het gezegd, hoe zullen wij Jehova en Jupiter beoordeelen, tenzij dan naar wat hunne dienaren gedaan hebben in hunnen naam? Wat nu uwe toekomst betreft, mijn zoon, dien de Heer, den God van Israël, niet Rome. Voor een zoon van Abraham bestaat geen andere roem, dan die welke in 's Heeren dienst te behalen is.
—Mag ik dus soldaat worden?
—Waarom niet? Heeft Mozes God niet den Heer der heirscharen genoemd?
Beiden zwegen eenige oogenblikken, toen hernam de moeder: Ik geef u mijn toestemming, indien gij namelijk den Heer onzen God en niet den keizer zult dienen.
Juda nam die voorwaarde aan, en daar moeder en zoon stil bleven zitten, ieder in eigen gedachten verdiept, viel de knaap weldra in een zoete sluimering. Toen stond de moeder op, legde hem een kussen onder het hoofd, spreidde een deken over hem uit, en verliet zachtkens het vertrek.
Toen Juda ontwaakte was de zon reeds boven de bergen verrezen; de duiven fladderden over het platte dak, of zaten kirrend op den rand der borstwering. In het zuidoosten staken de vergulde tinnen des tempels, badend in de zonneschijn, heerlijk af tegen de diep blauwe lucht. Maar daar had Juda geen oogen voor, want op den divan, vlak bij hem, zat een bevallig meisje van ongeveer vijftien jaar. Zij speelde op de harp en zong daarbij met zachte, welluidende stem.
Toen zij haar lied geëindigd had liet zij de handen in den schoot rusten en zag hem aan, als verwachtte zij dat hij het gesprek beginnen zou. Wij willen van dat oogenblik gebruik maken, om het meisje aan onze lezers voor te stellen en tevens enkele bijzonderheden mede te deelen aangaande Juda's ouders.
Herodes was tijdens zijn leven zeer mild geweest met het bewijzen van vorstelijke gunstbetoon aan lieden, die hij onderscheiden wilde, zoodat menig Israëliet in het bezit gekomen was van een groot vermogen. Trof het nu samen, dat zulk een bevoorrechte bewijzen kon, dat hij in rechte lijn afstamde van een beroemd man, met name uit het geslacht van Juda, dan werd hij gerekend te behooren tot de "Vorsten van Jeruzalem", eene onderscheiding, die hem de onderdanigheid zijner minder bevoorrechte landslieden verzekerde en de achting, zoo niet meer, van de heidenen, met wie maatschappelijk verkeer of handelsbetrekkingen hem in aanraking brachten.
De vader van Juda was één dier Vorsten van Jeruzalem geweest. Steeds gedachtig aan zijne nationaliteit, die hij nooit verloochende, had hij toch den koning trouw gediend, zoowel binnen-als buitenlands, en overal had hij de achting verworven van aanzienlijken en geringen. Meermalen met eene zending naar Rome belast, had hij de aandacht van Keizer Augustus getrokken, die zich beijverde zijne vriendschap te winnen. Dientengevolge was zijn huis vol van vorstelijke geschenken, zooals purperen gewaden, elpenbeenen zetels, gouden drinkschalen; hoofdzakelijk van groote waarde om de keizerlijke hand die ze hem vereerd had. Zulk een man moest wel rijk zijn; maar hij dankte zijn vermogen niet alleen aan zijn hooge begunstigers. Hij had de wet, die hem tot werken verplichtte, gehoorzaamd; maar in plaats van zich tot één ambt te bepalen, had hij zich een veelzijdigen werkkring geschapen. Tal van herders, die in de vlakte en op de heuvelen rondom Jeruzalem de kudden weidden, noemden hem heer; in zeesteden zoowel als in de binnenlanden stichtte hij handelshuizen; zijne schepen brachten hem zilver uit Spanje, welks mijnen onder de toenmaals bekende tot de rijkste gerekend werden; en tweemalen 's jaars keerden zijne karavanen uit het Oosten terug, beladen met zijden stoffen en specerijen. Hij was een geloovig Hebreër, die stipt de wetten en gebruiken naleefde, een trouw bezoeker van tempel en synagoge, goed onderwezen in de heilige Schriften. Het verkeer met de wetgeleerden zocht hij bij voorkeur, en de achting, die hij Hillel toedroeg, grensde aan vereering. Toch was hij niet eenzijdig. Zijn gastvrijheid strekte zich uit tot de zonen van alle landen, ja de Pharizeën beweerden zelfs, dat hij meer dan eens Samaritanen aan zijne tafel ontvangen had. Was hij een heiden geweest en in leven gebleven, dan zou hij mogelijk de mededinger van Herodes Atticus geworden zijn; maar hij was nu tien jaren geleden in de kracht van den mannelijken leeftijd op zee verongelukt, door geheel Judea betreurd. Met zijne weduwe en zijn zoon hebben wij reeds kennis gemaakt, thans willen wij zijn dochter beschouwen, het meisje, dat door haar gezang den broeder wekte.
Zij heette Tirza, en geleek sprekend op Juda. Haar gelaatstrekken, even regelmatig als de zijne, waren dubbel bekoorlijk door de uitdrukking van kinderlijke onschuld, die er over verspreid lag. Zij was in dit vroege morgenuur hoogst eenvoudig gekleed. Een wijde tunica, vastgeknoopt op den rechterschouder, en onder den linkerarm doorgaande, dekte haar losjes en werd om het middel vastgehouden door een fijn gouden gordel. Op het hoofd droeg zij een zijden mutsje met afhangende kwast. Gouden oor- en vingerringen, kostbare arm- en enkelbanden, benevens een kunstig bewerkt halssieraad, voltooiden haar toilet. Oogleden en vingertoppen waren naar het toenmalig gebruik geverfd. Twee lange haarvlechten hingen haar op den rug, terwijl op iedere wang vlak voor het oor een gekrulde lok rustte. Een liefelijke, bevallige verschijning was de jeugdige Tirza ongetwijfeld.
—Heel mooi, Tirza, heel mooi! zeide Juda levendig.
—Het lied? vraagde zij.
—Ja, en de zangster ook. Waar hebt gij het opgedaan?
—Herinnert gij u den Griek nog, die een paar weken geleden in het theater zong? Men zei, dat hij lofzanger geweest was van Herodes en zijne zuster Salome. Hij trad op na een paar kampvechters, terwijl er heel wat leven en beweging was; maar zoodra hij begon te zingen werd het zoo stil, dat ik woord voor woord kon verstaan. Hij heeft mij het lied gegeven.
—Maar hij zong in het Grieksch.
—En ik in 't Hebreeuwsch.
—Ja, ja, en daarom ben ik trotsch op mijn zusje. Hebt gij nog meer van die liedjes?
—Meer dan een zelfs; maar nu niet. Amrah zond mij om u te zeggen, dat zij u hier uw ontbijt zal brengen en dat gij niet beneden hoeft te komen. Zij had al hier moeten zijn. Zij denkt dat gij ziek zijt, dat u gisteren iets verschrikkelijks is overkomen. Wat was het? Vertel het mij, dan zal ik Amrah helpen om u beter te maken. Zij kent de geneesmiddelen van de Egyptenaars; maar die geven niets. Ik heb echter verscheidene Arabische recepten, die—
—Nog minder helpen, dan de Egyptische, zeide hij hoofdschuddend.
—Meent ge dat waarlijk? Heel goed, dan zullen wij ze laten waar zij zijn. Ik heb iets dat veel beter en zekerder helpt, een amulet, die, ik weet niet hoe lang geleden, aan iemand van onze familie gegeven werd door een Perzisch toovenaar. Kijk, en zij nam den ring uit haar linkeroor—het inschrift is bijna uitgesleten.
Hij nam den ring in de hand, bekeek hem, en gaf hem toen lachend terug.—Al lag ik op sterven, Tirza, dan zou ik den amulet nog niet willen gebruiken. Zulke dingen zijn afgoderij, en verboden waar voor geloovige Israëlieten. Bewaar hem, maar draag hem niet meer.
—Verboden! Volstrekt niet. Vaders moeder droeg hem altijd op Sabbat. Ik weet niet hoevele zieken er wel door genezen zijn, stellig meer dan drie. Hij is ook goedgekeurd; zie maar, hier is het merk van den Rabbi.
—Ik hecht geen geloof aan amuletten.
Zij zag hem verbaasd aan en vraagde: Wat zou Amrah daarvan zeggen?
—Amrahs vader en moeder waren Egyptenaren.
—Maar Gamaliël?
—Die zegt dat het goddelooze, heidensche gebruiken zijn.
Tirza bezag haren oorring en draaide hem besluiteloos rond.
—Wat zal ik er dan mee doen? vraagde zij.
—Draag hem, zusje. Hij staat u goed, hij maakt u mooi, hoewel gij dat zonder zijne hulp ook zijt.
Tevreden gesteld deed zij den ring weder in haar oor. Op hetzelfde oogenblik trad Amrah binnen en bracht op een blad een waschkom, water en handdoeken. Daar Juda niet tot de Pharizeën behoorde was de reiniging spoedig afgeloopen. Amrah verwijderde zich weder en Tirza zette zich aan het werk, om Juda's haar in orde te brengen. Telkenmale als zij een lok naar genoegen geschikt had, liet zij hem in den kleinen metalen spiegel zien, dien zij volgens het gebruik aan haren gordel had hangen. De arbeid stoorde hun gesprek echter niet.
—Hebt gij het al gehoord, Tirza? Ik ga weg.
Verschrikt liet zij de handen in den schoot vallen.
—Weg! Wanneer? Waarheen? Waarom?
Hij lachte. Drie vragen te gelijk! Wat zijt ge toch nieuwsgierig. Ja, ik ga weg. Gij weet, de wet eischt, dat ik mij een beroep kies. Onze vader gaf mij het voorbeeld. Zelfs gij zoudt mij verachten, als ik de vruchten van zijn vlijt en kennis in luiheid verteerde. Ik ga naar Rome.
—O, dan ga ik mee.
—Gij moet bij moeder blijven. Als we allebei weggingen zou zij van verdriet sterven.
Alle vroolijkheid week van haar gelaat.—Ja, natuurlijk. Maar moet gij dáárvoor weggaan? Hier in Jeruzalem kunt gij alles leeren wat een koopman weten moet.
—Maar ik denk er niet aan koopman te worden. De wet eischt niet, dat de zoon wordt wat de vader was.
—Wat wilt gij dan worden?
—Soldaat.
—De tranen sprongen Tirza in de oogen.—Dan wordt gij doodgeslagen!
—Toch alleen als het Gods wil is. En, Tirza, niet alle soldaten sneuvelen.
Zij sloeg hare armen om zijn hals, alsof zij hem terug wilde houden.
—Wij waren zoo gelukkig, Juda; blijf bij ons.
—Dat kan immers niet. Gijzelf gaat mettertijd ook heen.
—Nooit.
Hij glimlachte om den ernst, waarmede zij dat verzekerde.—Wie weet hoe spoedig een vorst van Juda, of van een der andere stammen, mijne Tirza komt weghalen, en wat zal dan van mij worden?
Een droevig gesnik was haar eenig antwoord.
—Het oorlogvoeren moet geleerd worden, vervolgde hij, en daarvoor moet men ter schole gaan. De beste school is echter een Romeinsch kamp.
—Gij zult toch niet voor Rome vechten?
—Gij dus ook, gij zelfs haat Rome? Daarin schijnt de geheele wereld het eens te zijn. Ja, Tirza, ik zal voor Rome strijden, maar om te leeren hoe ik eenmaal Rome bestrijden moet.
—Wanneer gaat gij?
Maar Juda, die Amrah hoorde terugkomen, zeide: Stil, laat haar niets merken van mijne plannen.
De trouwe slavin trad binnen met het ontbijt en plaatste het blad op een stoel voor de beide jongelieden. Juist zouden zij beginnen, toen hunne aandacht afgeleid werd door een luid gedruisch op straat.
—Het zijn soldaten van het Praetorium, riep Juda, die de muziek herkende;—daar met ik naar kijken, een meteen sprong hij op en snelde naar de borstwering. Tirza volgde hem en boog zich eveneens voorover om beter te kunnen zien. Daar hun huis hooger was, dan de huizen in hun naaste omgeving, konden zij tot aan den burcht Antonia de gansche buurt overzien. De niet bijzonder breede straat was hier en daar door bruggen overspannen, die weldra vol menschen en kinderen waren, door de muziek daarheen gelokt. Muziek mocht het eigenlijk niet genoemd worden; want wat het volk te hooren kreeg was niet veel meer, dan een vervaarlijk trompetgeschal, begeleid door de schrille tonen van houten blaasinstrumenten.
Weldra kregen de kinderen Hur den optocht in 't gezicht. Eerst een voorhoede van lichtgewapenden, voornamelijk slingeraars en boogschutters, vervolgens een afdeeling zwaar gewapend voetvolk, van groote schilden voorzien, dan de muzikanten, vervolgens geheel alleen een hoofdman, maar op den voet gevolgd door een bereden wacht, daarna weder een afdeeling zwaar gewapend voetvolk, die wel eindeloos scheen te zijn. Het krijgshaftig voorkomen der mannen, het gelijktijdig op- en neergaan der schilden, het glinsteren van gespen, helmen en borstplaten, de wuivende vederbossen, de vaandels en speren, dat alles maakte diepen indruk op den Joodschen knaap. Twee voorwerpen vooral trokken zijne aandacht, de vergulde arend met de uitgespreide vlerken, die, zooals hij wist, met goddelijke eerbewijzen uit den burcht gehaald was, en de hoofdman, die alleen te midden der troepen reed. In volle wapenrusting, maar het ongedekte hoofd met een lauwerkrans getooid, hield hij den kommandostaf in de rechterhand. Hij was gezeten op een purperen dek in plaats van op een zadel, en de leidsels waren met goud gestikt en met zijden franje afgewerkt.
Al heel spoedig bemerkte Juda, dat het volk bij het zien van dien hoofdman zeer opgewonden werd. Zij drongen brutaal naar voren, en hieven de vuisten dreigend omhoog, zij leunden zoover mogelijk over de borstweringen der daken en wierpen hem allerlei scheldwoorden naar het hoofd. Naarmate de stoet dichterbij kwam kon Juda duidelijk het geschreeuw der menigte verstaan: Roover, tiran, vervloekte Romein! Weg met Ismaël, geef ons Annas weder!
Het ontging den knaap niet, dat de hoofdman, zooals ook natuurlijk was, lang niet onverschillig bleef onder die behandeling. Zijn gelaat stond donker en dreigend, zoodat de meer angstvalligen terugdeinsden. Aan de lauwerkrans, dien de ruiter op het hoofd droeg, herkende Juda den nieuwen Procurator van Judea: Valerius Gratus.
Het onschuldige voorwerp van den haat der menigte wekte Juda's medelijden, zoodat hij, toen de Romein den hoek van het huis zou omslaan, zich nog verder voorover boog om te beter te kunnen zien. Daarbij leunde hij met de hand op een stuk steen, dat reeds geruimen tijd gebarsten en losgeraakt was. De drukking was sterk genoeg om het te doen kantelen en vallen. De knaap ontstelde hevig en wilde den steen grijpen, hetgeen van de straat gezien den indruk gaf, alsof hij iets van zich wierp. Zijn poging mislukte, de steen liet geheel los en rolde naar beneden. Juda schreeuwde zoo hard hij kon, om te waarschuwen. De soldaten der lijfwacht keken op, zoo ook de procurator, maar op datzelfde oogenblik viel de steen op hem, zoodat hij als dood achterover zonk. Nu ontstond een groote ontsteltenis; de wachten stegen ijlings af en beijverden zich om hunnen heer met een schild te dekken. Het volk daarentegen, vast overtuigd dat de knaap met opzet den steen geworpen had, juichte hem luide toe.
Als vastgenageld stond de arme jongen nog op dezelfde plek, ten volle beseffende welke vreeselijke gevolgen dit ongeluk na zich zou slepen. Plotseling scheen een booze geest zich meester te maken van de toeschouwers op de omliggende huizen. Doldriftig sloegen zij alles kort en klein wat onder hun bereik was en wierpen dat in blinde woede de Romeinsche soldaten naar het hoofd. Nu ontstond een bloedig gevecht, waarin de soldaten natuurlijk overwinnaars bleven. De verwarring, de slachting, de wanhoop waren vreeselijk om aan te zien.
Doodsbleek richtte Juda zich op: O, Tirza, Tirza, wat zal er van ons worden?
Daar zij den steen niet had zien vallen, en verschrikt door het onzinnig drijven op de daken niet meer op Juda gelet had, begreep zij het rechte van de zaak niet, allerminst dat haar of de haren eenig gevaar dreigde.—Wat is er dan gebeurd, wat doen zij toch? vraagde zij verschrikt.
—Ik heb den Romeinschen gouverneur gedood. De steen viel juist op hem.
Haar gelaat werd nog bleeker dan het zijne. Zij sloeg de armen om hem heen en zag hem zwijgend, diep bedroefd aan.
—Ik deed het niet met opzet, Tirza, het was een ongeluk, zeide hij zoo kalm mogelijk.
—Wat zullen zij ons doen? vraagde zij.
Hij luisterde naar het steeds toenemend rumoer en dacht aan het dreigend gelaat van den procurator. Als hij niet dood was, wie kon dan zeggen hoever zijn wraak gaan zou; en als hij wèl dood was, tot welke uitbarstingen van woede zou de aanval van het volk de soldaten niet kunnen opzweepen! Hij boog zich nogmaals over de borstwering, juist toen de lijfwacht den procurator weder op het paard hielp stijgen.—Hij leeft, Tirza, hij leeft! Gezegdend zij de God onzer vaderen! Met dien uitroep en een opgehelderd gelaat wendde hij zich weder tot haar, om hare vraag te beantwoorden.—Wees maar niet bang; ik zal hun wel zeggen hoe het gekomen is, en zij zullen ons ter wille van onzen vader en de diensten, die hij den keizer bewezen heeft, zeker ongemoeid laten.
Hij geleidde haar naar de torenkamer; maar zien, eensklaps beefde het dak onder hunne voeten, een hevig gekraak, alsof balken en deuren werden ingeslagen, deed zich horen, gevolgd door een kreet van schrik en ontzetting. Hij bleef staan en luisterde. Het geroep om hulp herhaalde zich, het geluid van zware voetstappen deed het geheele huis dreunen, vloeken, smeeken, jammeren, alles door elkander. De soldaten hadden de noordpoort ingetrapt en waren meester van het terrein. Juda begreep dadelijk dat het om hem te doen was. Zijne eerste opwelling was te vluchten; maar waarheen? Alleen vleugelen konden hem redden. Trillend van angst klemde Tirza zich aan hem vast.
—O, Juda, wat is er toch gebeurd?
Hij antwoordde niet. Hij hoorde dat de dienaren werden neergestooten; en—wat deed men met zijn moeder! Hoorde hij daar niet hare stem?—Met al de kracht die nog in hem was zeide hij: Blijf gij hier, Tirza, totdat ik terugkom. Ik zal naar beneden gaan om te zien wat er gebeurd is. Daarna kom ik u halen.
Zijn stem was niet zoo vast, als hij wel gewild had. Zij drukte zich tegen hem aan; maar daar hoorde hij zijne moeder weer luid om hulp roepen. Hij aarzelde niet langer.—Kom dan, laat ons gaan, zeide hij.
Beneden aan de trap was het terras vol van soldaten, die met ontbloot zwaard het eene vertrek voor en het andere na doorzochten. Hier zag men eenige vrouwen op de knieën liggen, luid smeekende om erbarmen. Maar daar ginds in dien hoek, met gescheurde kleederen en loshangende haren, worstelde een vrouw om zich los te rukken uit de handen van een Romein,—op haar vloog Juda toe met den kreet: Moeder! moeder! Zij strekte de handen naar hem uit; maar juist toen hij ze vatten zou werd hij gegrepen en op zijde getrokken. Daar hoorde hij iemand met luide stem zeggen: Daar is hij!
Juda keek om en zag—Messala.
—Wat, is dat de moordenaar?—die jongen? vraagde een statig man in kostbare wapenrusting.
—Alle goden! zeide Messala, dat is iets nieuws! Moet een man oud geworden zijn om ten doode toe te kunnen haten? Hij is de schuldige, en hier is zijn moeder, en dat is zijn zuster. De geheele familie bij elkaar.
Door liefde tot moeder en zuster gedrongen vergat Juda zijn twist met den voormaligen vriend: Help haar, Messala! Denk aan onze vroegere vriendschap en help haar. Ik—Juda—smeek er u om.
Messala deed alsof hij het niet hoorde. Hij wendde zich tot den hoofdman en zeide: Gij hebt hier mijne diensten niet meer noodig. Beneden op straat is meer te doen. Weg met Eros, Mars regeert!
Dit gezegd hebbende verdween hij. Juda begreep hem en in de bitterheid zijner ziel bad hij: O God, als het uur der wrake geslagen is, laat haar dan door mijne hand aan hem voltrokken worden.
Met inspanning van alle krachten wist hij den hoofdman te bereiken.—O heer, die vrouw is mijne moeder. Spaar haar en spaar mijne zuster. God is rechtvaardig. Hij zal u genade voor genade bewijzen.
De man scheen geroerd te zijn.—Naar den burcht met de vrouwen! riep hij, maar doe ze geen kwaad. Ik zal ze van uwe hand eischen. Toen tot de mannen, die Juda vasthielden: Bindt zijne handen, en brengt hem naar buiten; hij zal zijne straf niet ontgaan.
De moeder werd weggedragen. Tirza, door vrees verlamd, volgde haar bewakers lijdelijk. Juda zag beiden voor het laatst aan, en sloeg toen de handen voor het gelaat, alsof hij zich haar beeld onuitwischbaar wilde inprenten. Indien hij een traan vergoot, niemand heeft het gezien. Deze weinige oogenblikken waren voldoende geweest, om een volkomen verandering in hem teweeg te brengen. Toen hij het hoofd weder ophief en de armen uitstak, om zich te laten binden, was al wat nog kinderlijk aan hem was verdwenen,—de jongeling was man geworden.
Op de binnenplaats weerklonk trompetgeschal. De soldaten haastten zich naar beneden. Menigeen, die het niet waagde met de bewijzen zijner plunderzucht in de rijen ter verschijnen, wierp zijn buit weg, zoodat de vloer overal met kostbare zaken bedekt was. Toen Juda beneden kwam, had de stoet zich weer geordend en wachtte de aanvoerder slechts op de uitvoering van zijn laatste bevelen. Tirza en hare moeder, benevens het geheele dienstpersoneel, werden door de noordpoort uitgeleid, die wel een ruïne geleek. Het gejammer der dienstboden, waarvan verscheidene ingeboornen des huizes waren, was droevig om aan te hooren. Toen ten slotte de paarden en het vee weggevoerd werden, begon Juda de wraak van den procurator ten volle te begrijpen. Alles, tot het woonhuis toe, was ten verderve gedoemd. Geen levende ziel, zoo luidde het bevel, mocht binnen zijne muren blijven. Mochten er soms in Judea nog lieden gevonden worden, vermetel genoeg om een Romeinschen beambte te willen vermoorden, dan zou het lot der vorstelijke familie Hur hun tot waarschuwing kunnen dienen, terwijl hunne tot eene ruïne vervallen woning den indruk levendig zou houden.
De hoofdman wachtte buiten, totdat een afdeeling soldaten de poort zoo goed mogelijk weer in orde gebracht had. Het gevecht op straat was geëindigd. Op de daken toonden hier en daar stofwolken aan, dat de rust daarboven nog niet geheel hersteld was. De keizerlijke legioenen stonden in 't gelid, even glansrijk als voorheen. Juda, die voor 't oogenblik zichzelf geheel vergeten kon, had alleen aandacht voor de gevangenen, waaronder hij tevergeefs zijne moeder en Tirza zocht.
Daar verrees eensklaps van den grond, waar zij neergehurkt zat, eene vrouw, en snelde naar de poort. Een paar van de wachten schoten toe om haar te grijpen; maar zij ontkwam aan hunne handen onder vreugdegejuich der toeschouwers. Zij baande zich een doortocht naar Juda, viel aan zijne voeten neder en omvatte zijne knieën.
—O, Amrah, goede Amrah, zeide hij, God helpe u, ik kan het niet.
Het was haar onmogelijk te spreken.
Hij boog zich tot haar neder en fluisterde: Leef, Amrah, voor Tirza en mijne moeder. Zij zullen terugkomen, en—
Een soldaat trok haar weg; maar zij rukte zich los en snelde door de poort en de gang naar den ledigen binnenhof.
—Laat haar gaan, beval de hoofdman. Wij zullen het huis verzegelen, en zij kan verhongeren.
De manschappen hervatten hun werk, en toen zij aan dien kant gereed waren, begaven zij zich naar de westzijde. Daar werd de poort eveneens dicht gemaakt, waarna het oude paleis Hur vereenzaamd bleef staan. De cohorte zette zich weder in beweging, terug naar den burcht, waar de procurator eenige dagen rust hield, om van zijne wond te genezen en over de gevangenen te beschikken. Tien dagen later bracht hij zijn bezoek aan het paleis van den hoogepriester.
Den volgende dag verscheen een detachement Romeinsche soldaten voor het verlaten huis, en na de ingangen met was verzegeld te hebben, spijkerden zij aan de muren een plakkaat, waarop in het Latijn deze woorden te lezen stonden:
DIT IS HET EIGENDOM VAN DEN KEIZER.
Nog een dag later, tegen den middag, naderde een hoofdman met tien ruiters het stadje Nazareth van de zuidzijde, dat is, komende van Jeruzalem. Nazareth was toen een onbeduidend dorp, tegen den heuvelrand gebouwd. De eenige straat, waarop het aanspraak kon maken, was niet veel meer dan een veel begaan geitenpad. Aan de zuidzijde strekte zich de groote vlakte uit van Esdrelon, en van een westelijken heuveltop kon men de Middellandsche zee, de landen van gene zijde der Jordaan, en den berg Hermon zien liggen. Wijngaarden, tuinen en weilanden boden een afwisselenden aanblik, terwijl hier en daar een palmboschje aan het landschap een oostersch karakter verleende.
De huizen van Nazareth waren onaanzienlijk, vierkant, één verdieping hoog, van platte daken voorzien, en met frisch groene wingerden begroeid. Waren de heuvelen van Judea dor en bruin verbrand, bij de grenslijn van Galilea hield dat naargeestig schouwspel op.
Toen de ruiters het dorp naderden deden zij hun trompetgeschal weerklinken, hetgeen een magische uitwerking had op de inwoners. Alle hekken en deuren gingen open, ieder wilde de eerste zijn om de ongewone bezoekers te zien. Dat de Nazareners jegens de Romeinsche soldaten alles behalve welwillend gestemd waren, behoeven wij wel niet te verzekeren; maar toen zij zagen wat het doel van den tocht was kreeg de nieuwsgierigheid de bovenhand, en wetende dat de Romeinen halt zouden maken bij de bron op de markt, verlieten zij hunne huizen en sloten zich bij den troep aan.
De ruiters voerden een gevangene mede, dat was het wat ieders aandacht trok. Hij ging te voet, bloothoofds, half naakt, de handen op den rug gebonden. De riem, die zijne polsen bijeenhield, was om den hals van een paard geslagen. Het stof, door de ruiters opgejaagd, hulde hem in een dikke wolk. Zijn houding was gebogen, zijn gang moeilijk, hij scheen bijna te bezwijken.
Bij de bron hielden de soldaten stil en stegen af. De gevangene zonk uitgeput op den grond; de krachten begaven hem. Toen de dorpelingen naderbij kwamen en zagen dat het niet veel meer dan een knaap was, schudden zij medelijdend het hoofd en zouden hem, indien zij slechts gedurfd hadden, gaarne geholpen hebben.
Terwijl zij onder elkander beraadslaagden en de soldaten hun dorst leschten, kwam van den kant van Sepphoria een man aanwandelen. Een vrouw zag hem het eerst en riep: Kijk, daar komt de timmerman. Nu zullen wij wel iets te hooren krijgen.
De bedoelde persoon, een eerwaardig grijsaard met zilveren lokken en een langen witten baard, naderde met langzamen tred. Over den schouder droeg hij een bijl en een zaag, alles zwaar en grof. Bij de bron bleef hij staan en overzag de schare.
—O, Rabbi, goede Rabbi Jozef, zeide de vrouw en liep op hem toe, hier is een gevangene. Vraag toch eens aan de soldaten hoe hij heet en wat hij gedaan heeft, en wat zij met hem gaan doen.
Het gelaat van den oude bleef onbewogen. Hij beschouwde echter den gevangene en wendde zich toen tot den hoofdman.
—De vrede des Heeren zij met u, zeide hij ernstig.
—En die van de goden met u, antwoordde de Romein.
—Komt gij uit Jeruzalem?
—Ja.
—Uw gevangene is nog zeer jong.
—In jaren, ja.
—Mag ik vragen wat hij gedaan heeft?
—Hij is een moordenaar.
Met groote verbazing ging dat woord van mond tot mond, maar Rabbi Jozef vervolgde: Is hij een zoon van Israël?
—Hij is een Jood, antwoordde de Romein droogjes.
Het medelijden der omstanders, dat sterk verminderd was, groeide op eens weer aan.
—Ik weet niets van uwe stammen af, vervolgde de hoofdman, maar kan u wel zeggen wie zijn familie is. Misschien hebt gij wel eens van een zekeren Hur, een vorst van Jeruzalem, gehoord, Ben-Hur noemden zij hem. Hij leefde ten tijde van Herodes.
—Ik heb hem gekend, zeide Jozef.
—Nu, dit is zijn zoon.
Van alle kanten hoorde men uitroepen van medelijden en ontsteltenis, hetgeen den hoofdman niet beviel. Daarom liet hij er snel op volgen: Eergisteren heeft hij den edelen Gratus getracht te dooden, door hem een steen op het hoofd te werpen, boven van het dak van zijns vaders huis.
De Nazareners gaapten den jongen Ben-Hur aan, alsof hij een wild dier was.
—Heeft hij hem gedood? vraagde Jozef.
—Neen.
—is hij veroordeeld?
—Ja, tot de galeien, levenslang.
—God helpe hem! zeide Jozef bewogen.
Een jonge man, die met Jozef medegekomen, doch onopgemerkt gebleven was, legde de bijl, die hij over den schouder droeg, neer, ging bedaard naar de bron, vulde een kruik met water, en boog zich, voordat iemand het verhinderen kon, over den gevangene om hem te laten drinken. Zacht legde hij de hand op Juda's schouder, en toen de arme jongen de oogen opsloeg, zag hij een gelaat om nooit te vergeten, het gelaat van een jonkman, wiens donkerblauwe oogen hem zoo liefdevol en deelnemend aanstaarden, dat hij zich in eens gewonnen gaf. Zijn gemoed, verhard door lichamelijk lijden en zoo verbitterd door het geleden onrecht, dat het aan niets dan aan wraak kon denken, smolt als was onder dien blik. Hij zette den mond aan de kruik en dronk het frissche water met lange gretige teugen. Geen van beiden sprak echter een enkel woord. Toen Juda gedronken had legde zijn nieuwe vriend zijne hand als zegenend op het hoofd van den gevangene, bracht vervolgens de kruik weder waar hij die gevonden had, nam zijn bijl op en voegde zich weder bij Jozef. Aller oogen, zoowel van de Romeinen als van de dorpelingen, volgenden hem.
Nadat de soldaten ook de paarden te drinken hadden gegeven begaven zij zich weder op marsch. Over den hoofdman scheen een verandering gekomen te zijn. Met eigen hand toch hielp hij den gevangene opstaan en zette hem achter een soldaat op het paard.
De Nazareners keerden naar huis terug, onder hen Jozef en zijn metgezel.
Dit was de eerste ontmoeting tusschen Juda en den zoon van Maria.
De stad Misenum, eenige mijlen van Napels gelegen, heeft haren naam gegeven aan het voorgebergte, welks sieraad zij was. Enkele ruïnes, ziedaar alles wat van haar overbleef; maar in het jaar 24 der Christelijke jaartelling was de plaats een van de belangrijkste aan de westkust van Italië. Van den stadsmuur had men een heerlijk gezicht op de blauwe golf van Napels met hare schilderachtige oevers, op den rookenden Vesuvius, op Ischia hier en Capri daar, en ten slotte op Rome's reservevloot, die voor Misenum ten anker lag. Een doorgang in den stadsmuur voerde toen ter tijde naar een dam, die zich verscheidene mijlen ver in zee uitstrekte.
Op een koelen Septembermorgen werd de wachter op den muur boven den doorgang uit zijne gepeinzen opgewekt door de nadering van een druk pratend gezelschap. Hij zag even op en hernam zijn vorige houding. Het gezelschap bestond uit twintig tot dertig personen; het meerendeel slaven, die brandende fakkels droegen, welke een Indischen nardusgeur verspreidden. De heeren gingen arm in arm vooraan. Een van hen, een vijftigjarige, met een lauwerkrans om de slapen, scheen de held van een of ander feest te zijn. Allen droegen ruime toga's van witte wollen stof, met breede purperen randen afgezet. De wachter had met één blik gezien, dat het lieden van aanzien waren, die na een nachtelijke partij een vriend uitgeleide deden.
—Neen, Quintus, zeide een van hen tot den bekranste, het staat Fortuna niet mooi u zoo spoedig aan ons te ontrooven. Eerst gisteren van de reis teruggekeerd, gaat gij ons nu reeds weder verlaten.
—Bij Castor, zeide een tweede, waartoe dat klagen? Onze Quintus gaat slechts herwinnen wat hij van nacht verloren heeft. Dobbelsteenen op een zwalkend schip staan niet gelijk met dobbelsteenen aan den vasten wal, is 't wel Quintus?
—Beleedig Fortuna niet, waarschuwde een derde. Zij is niet blind of wispelturig. Ontneemt zij hem ons bij tijd en wijle, zij brengt hem ons toch altijd weer terug met nieuwe lauweren beladen.
—De Grieken halen hem weg, zeide een ander. Aan hen de schuld; laat ons dus de goden met rust laten.
Zoo sprekende ging het gezelschap door de poort op den dam. Den zeeman klonk het kabbelen der golven als een welkomstgroet in de ooren. Hij haalde diep adem, alsof het zilte nat hem liefelijker was dan de nardus. Ziet, sprak hij de hand opheffende, de wind waait uit het westen. Heb dank, moeder Fortuna!
De vrienden herhaalden den uitroep in koor, de slaven zwaaiden de fakkels.
—Daar komt zij! vervolgde hij, en wees op een naderende galei. Welk zeeman zou een ander liefje begeeren? Is uwe Lucretia bevalliger, vriend Cajus?
Met stralende oogen keek hij naar de galei, die zijn lof waardig was. Het witte zeil stond bol en de riemen gingen in volmaakte regelmaat en met vleugelslag op en neder. Ja, zeide hij ernstig, den blik op het vaartuig gericht, laat de goden rusten. Zij verschaffen ons de gelegenheden en het is onze eigen schuld, als wij niet slagen. En wat de Grieken betreft, Lentulus, de zeerovers die ik moet gaan straffen zijn Grieken. Eene overwinning op hen behaald is van meer gewicht, dan honderd op de Afrikanen.
—Gij gaat dus naar de Egeïsche zee?
—Ja, en daar ik zo spoedig mogelijk vertrek zal ik u de aanleidende oorzaak vertellen; maar gij moet er niet buitenaf over spreken. Ik zou niet gaarne willen, dat gij er den duumvir, zoo gij hem weder ontmoet, over lastig valt; hij is mijn vriend. De handel tusschen Griekenland en Alexandrië is, zooals gij misschien weet, bijna van evenveel beteekenis, als die tusschen Alexandrië en Rome. Nu vergat het volk in dat gedeelte der wereld de Cerealia te vieren, en Triptolemus gaf hun dientengevolge een oogst, die het inzamelen ternauwernood waard was. Maar de handel is zoo toegenomen, dat van geen staking hoe kort ook sprake kan zijn.
Waarschijnlijk hebt gij ook gehoord van de Chersonesische zeerovers, die in de golf van Euxine nestelen. Brutaler dan zij bestaan niet. Gisteren werd te Rome bericht ontvangen, dat zij met een vloot den Bosphorus waren afgeroeid, de galeien bij Byzantium en Chalcedon in den grond hebben geboord en, op verderen buit belust, de Egeïsche zee opvoeren. De korenkoopers, wier schepen op de Oost-Middellandsche zee zijn, hebben een persoonlijk onderhoud met den keizer gehad. Dientengevolge vertrekken heden nog van Ravenna een honderdtal galeien, en van Misenum—hij zweeg even, alsof hij de nieuwsgierigheid zijner vrienden wilde prikkelen—van Misenum één galei.
—Gelukkige Quintus, wij wenschen u van harte geluk!
—Deze opdracht is de voorloopster van een bevordering. Wij begroeten u als duumvir, niet minder.
—Quintus Arrius de duumvir—dat klinkt nog mooier dan Quintus Arrius de tribuun.
—Dank, hartelijk dank! antwoordde Quintus. Hadt gij lantaarnen bij u, ik zou u auguren noemen. Ja, ik ga nog verder: ik zal u bewijzen dat gij meesters in het raden zijt. Ziet en leest.
Uit de plooien van zijn toga bracht hij een rol te voorschijn, overhandigde die en zeide: Dit ontving ik van Sejanus, terwijl wij aan den maaltijd waren.
Die naam had een goeden klank onder de Romeinen, eerst later werd hij berucht.
—Sejanus! riepen zij als uit één mond, en staken de hoofden bij elkander om het stuk te lezen.
Sejanus aan C. Caecilius Rufus, Duumvir.Rome, XIX Kal. Sept.