Als de hedendaagsche reiziger den Koningstuin bij Jeruzalem bezoeken wil, neemt hij zijnen weg door de bedding der beek Kedron, of langs den Gihon en Hinnom, tot aan de oude fontein Rogel, drinkt dan van het heerlijke water, en staat stil, want hij heeft het uiterste punt bereikt van het bezienswaardige in die richting. Hij werpt een blik op de groote steenen, die de bron omringen, onderzoekt hoe diep zij wel is, glimlacht over de primitieve manier van waterscheppen, en geeft misschien een aalmoes aan de arme ziel, die er de wacht bij houdt. Keert hij zich daarna om, dan rusten zijne oogen op de bergen Moria en Sion ten noorden, den Berg der Ergernis aan zijne rechterhand, en den Berg van den Slechten Raad ter linkerzijde, welke bergen hij, zoo hij ten minste thuis is in de bijbelsche geschiedenis en in de overlevering, met groote belangstelling zal gadeslaan.
De beide laatste bergen zijn vol spelonken en holen, die toen ten tijde, evenals de graven in het dal, tot woonplaats strekten aan de uit de stad verdreven melaatschen.
Op den tweeden morgen na de gebeurtenissen in het vorige hoofdstuk vermeld, begaf Amrah zich naar de bron Rogel, en ging bedaard op een steen zitten. Zij had een waterkruik bij zich en een mandje, waarvan de inhoud met een sneeuwwitten doek bedekt was. Toen zij gezeten was, maakte zij haar hoofddoek los, vouwde de handen om hare knieën en staarde peinzend naar den Akker des Pottenbakkers, later Akeldama genoemd.
Het was nog zeer vroeg, nog niet volkomen dag en zij was de eerste bij de bron. Niet lang daarna echter kwam een man met een touw en een leeren emmer en hield zich gereed om water te putten. Men kon indien men dat verkoos zichzelf helpen, maar anders was hij bereid om voor een kleinigheid de grootste kruiken te vullen.
Amrah bleef stil zitten en bewaarde het zwijgen. Na een poosje vraagde de man, of zij haar kruik soms gevuld wilde hebben, en toen zij antwoordde: Nog niet,—lette hij verder niet op haar. Toen het volkomen dag geworden was, kwamen zijne gewone klanten, zoodat hij zijne handen vol werk had.
Terwijl Amrah nog altijd zit te wachten en uit te kijken, zullen wij zien met welk doel zij daar kwam.
Zij was gewoon 's avonds ter markt te gaan. Onopgemerkt sloop zij dan het huis uit, en begaf zich naar de winkels bij de Vischpoort, in het oosten der stad, waar zij hare inkoopen deed, om daarna weder even geheimzinnig in huis te komen. Hoe gelukkig zij was, dat zij haar jongen meester weer bij zich had, kan men zich voorstellen. Zij kon hem echter niets vertellen van zijne moeder en zuster. Hij trachtte haar over te halen een andere woning te betrekken, maar zij was er niet toe te bewegen. Gaarne zou zij gezien hebben, dat hij zijn oude kamer weer betrokken had, die onveranderd dezelfde gebleven was, maar het gevaar van ontdekt te worden was te groot, en hij wilde zoo min mogelijk de aandacht trekken. Hij bleef dus bij zijn voornemen om in de herberg der wijk Bezetha te overnachten, en beloofde Amrah zoo dikwijls mogelijk bij haar te zullen komen, maar altijd 's avonds laat. Hiermede moest zij zich tevreden stellen, en van nu was zij op niets anders bedacht, dan hoe zij hem genoegen zou kunnen doen. Dat het kind intusschen man geworden was scheen niet bij haar te wegen, en de mogelijkheid dat zijn smaak veranderd kon zijn, kwam niet bij haar op, waarom zij hem als van ouds dacht te bedienen. Zij herinnerde zich nog goed waar hij het meest van gehouden had, en nam zich voor te zorgen dat zij daar altijd genoeg van in huis had. Daarom ging zij de volgenden avond wat vroeger uit dan gewoonlijk, en terwijl zij een winkel binnenging om honig te koopen gebeurde het, dat zij op een groepje menschen stuitte, geschaard rondom een werkman, die hun een verhaal deed.
Wat dat voor een verhaal was, zal de lezer wel begrijpen, als hij verneemt, dat de verteller een der werklieden was, die den commandant van den burcht Antonia bijgelicht hadden, toen hij de gevangenen in cel VI bezocht. Hij vertelde alles wat hij gehoord en gezien had tot in de kleinste bijzonderheden, ook den naam der ongelukkige slachtoffers.
Met welke gevoelens de trouwe Amrah naar die tijding luisterde valt niet te beschrijven. Zij deed hare inkoopen en keerde als in een droom huiswaarts. Welk eene verrassing kon zij den jongen meester nu bereiden! Zij had zijne moeder gevonden!
Thuis gekomen bergde zij het gekochte weg, en lachte en schreide te gelijk. Eensklaps bleef zij onbewegelijk staan en dacht een oogenblik na. Ach, het zou immers zijn dood wezen, als hij hooren moest, dat zijne moeder en zuster melaatsch waren! Zonder twijfel zou hij naar dat oord der verschrikking bij den berg gaan en de besmette spelonken doorzoeken, totdat hij ze gevonden had. Dan zou de ziekte ook hem aantasten en zou hij haar lot moeten deelen. Zij wrong wanhopig de handen. Wat moest zij doen!
Evenals menigeen voor en na haar hielp de liefde haar uit den nood.
De melaatschen, dat wist zij, waren gewoon 's morgens hunne holen te verlaten, om het benoodigde drinkwater uit de bron Rogel te halen. Zij brachten hunne waterkruiken mede, zetten die op den grond, en stonden dan van verre te wachten, totdat zij gevuld waren. De wet was onverbiddelijk en liet geen onderscheid toe tusschen rijken of armen. Hare meesteres en Tirza zouden dit ook moeten doen.
Zoo besloot Amrah dan niets te zeggen van hetgeen zij gehoord had, maar eerst naar de bron te gaan en daar te wachten. Honger en dorst zouden de ongelukkigen derwaarts drijven, en zij geloofde zeker haar op het eerste gezicht te zullen herkennen; zoo niet, dan zouden zij het haar doen.
Intusschen kwam Ben-Hur thuis en had veel met haar te bespreken. Morgen zou Malluch komen, dan zouden zij terstond met het onderzoek beginnen. Hij verlangde er vurig naar. Om zich wat afleiding te bezorgen wilde hij de heilige plaatsen op den tempelberg gaan bezoeken. Het geheim woog de arme Amrah wel zwaar op het hart, maar zij wist zich te beheerschen en zweeg.
Na zijn vertrek zette zij zich aan den arbeid en maakte eenige kostelijke spijzen gereed. Zoodra de sterren verbleekten en de eerste morgenschemering aanbrak pakte zij hare mand vol, nam een waterkruik en sloeg den weg in naar de bron Rogel, waar wij haar zien wachten.
Kort na zonsopgang, toen de bezoekers vele waren en de man de handen vol werk had, toen zelfs een half dozijn emmers te gelijk werd neergelaten, daar iedereen zich haastte om weg te komen, voordat de koele morgen plaats maakte voor de hitte des daags, kwamen ook de arme spelonkbewoners te voorschijn. Zij naderden in groepjes, vrouwen met kruiken op den schouder, oude en zwakke mannen leunende op krukken en stokken, of op den schouder van een jongere, sommige zelfs op draagbaren uitgestrekt, ook enkele kinderen. Van hare zitplaats hield Amrah trouw de wacht. Meer dan eens meende zij haar te zien, dien zij zocht. Dat zij op den berg waren betwijfelde zij niet; dat zij komen moesten en zouden wist zij. Als al de anderen gereed waren zouden zij komen, dat stond bij haar vast.
Aan den voet van den berg was een grafspelonk, die meer dan eens Amrah's opmerkzaamheid getrokken had door haar wijden ingang. Een bijzonder groote steen lag bij de opening. Gedurende het heetst van den dag wierp de zon hare stralen in het oogenschijnlijk onbewoonde en onbewoonbare hol. En zie, juist uit die spelonk zag de geduldige Egyptische tot hare verbazing twee vrouwen komen, waarvan de eene de andere leidde en steunde. Beider haar was wit, beiden schenen reeds oud te zijn, maar hare kleeding was netjes en goed. Zij zagen rondom zich, alsof alles haar vreemd was. Verbeeldde Amrah het zich, of schrikten die twee, toen zij hare deelgenooten in de ellende zagen? 't Waren maar kleinigheden, die zij opmerkte, maar zij deden haar hart sneller kloppen en hare aandacht uitsluitend op die twee vrouwen vestigen.
De twee melaatschen bleven een oogenblik bij den steen staan, en gingen toen langzaam en alsof het loopen haar moeilijk viel naar de bron, waarop verscheidene stemmen haar toeriepen te blijven waar zij waren; maar 't scheen alsof zij het niet begrepen, want zij gingen door. De putbewaarder nam eenige steentjes op om haar daarmede te verdrijven, de omstanders wierpen haar vloeken naar 't hoofd, en de andere melaatschen riepen luid: Onrein! Onrein!
—Ja zeker, dacht Amrah, die twee zijn vreemd en kennen de gebruiken der melaatschen niet.
Zij stond op, ging haar te gemoet met haar mandje en kruik, en terstond hield het rumoer aan de bron op.
—Hoe dwaas, zeide één lachend, zulk goed eten aan de dooden te geven!
—En er nog wel zoo ver voor te komen, zeide een ander. Ik zou ze tenminste aan de poort bescheiden.
Amrah stoorde zich niet aan de praatjes en volgde de inspraak van haar hart. Toch was zij er nog niet geheel zeker van. Als zij zich eens vergiste! De moed ontzonk haar bijna, en hoe dichter zij bij de twee vrouwen kwam, des te meer raakte zij aan het twijfelen. Op een afstand van tien of twaalf voetstappen bleef zij staan. Kon dat de geliefde meesteres zijn, wier edele trekken zij zoo trouw in dankbaar aandenken bewaard had? En kon dat Tirza zijn, die zij van klein af verzorgd had, met wie zij gespeeld had? Dat de lieve, mooie, vroolijke Tirza, de zonnestraal in het groote huis? Onmogelijk. Het aanschouwen dier rampzaligen maakte haar ziek.
—Dit zijn oude vrouwen, zeide zij tot zichzelve. Ik heb ze vroeger nooit gezien; ik zal maar teruggaan.
Zij keerde zich om en ging.
—Amrah! riep een der beide melaatschen.
—Wie roept mij? vraagde Amrah bevend.
—Amrah!
—Wie zijt gij? vraagde zij.
—Wij zijn, die gij zoekt.
Amrah viel op hare knieën.
—O lieve, lieve meesteres! Uw God, die ook de mijne is, zij geloofd en geprezen, dat ik u heb mogen vinden!
De trouwe ziel kroop op de knieën naar haar toe.
—Pas op, Amrah! Kom niet dichterbij. Onrein! Onrein!
Amrah, dus tegengehouden, bedekte haar gelaat met beide handen en snikte zoo luid, dat de menschen bij de bron het hoorden. Eensklaps richtte zij zich op en vraagde: Lieve meesteres, waar is Tirza toch?
—Hier ben ik, Amrah, hier! Zoudt gij mij wat water willen geven?
Amrah sprong op, streek zich het haar uit de oogen, en nam den doek van haar mandje. Zie, sprak zij, ik heb wat brood en vleesch voor u meegebracht.
—Dat is goed van u, Amrah. Wilt gij nu wat water voor ons halen? dan nemen wij het mee naar de spelonk. Meer moogt gij vandaag niet voor ons doen.
De lieden bij de bron, die dit alles van verre hadden gadegeslagen, gingen voor Amrah op zijde, en hielpen haar zelfs de kruik vullen, zoozeer wekte haar zichtbare droefheid hun medelijden op.
—Wie zijn dat? vraagde eene vrouw.
Zacht antwoordde Amrah: Zij zijn goed voor mij geweest.
Toen de kruik gevuld was zette zij die op haar schouder en spoedde zich naar de melaatschen terug. In haren ijver zou zij tot vlak bij haar gegaan zijn, maar de kreet: Onrein! Onrein! hield haar nog intijds tegen. Zij zette de kruik naast het mandje, en ging een paar stappen terug.
—Hartelijk dank, goede Amrah, gij hebt braaf gehandeld.
—Kan ik nog iets voor u doen?
De moeder had de kruik reeds opgenomen en hoewel zij versmachtte van dorst zette zij haar weder op den grond en zeide: Ja. Ik weet dat Juda thuis gekomen is. Ik zag hem eergisteravond op de stoep liggen slapen, en ik zag u, toen gij hem wakker maaktet.
Amrah sloeg de handen ineen en riep: Dat zaagt gij, en kwaamt niet bij ons.
—Dat mocht ik immers niet doen. Ach, Amrah, ik kan mijn zoon nooit meer in de armen nemen, hem nooit meer aan mijn hart drukken. Amrah, ik weet dat gij hem liefhebt, niet waar?
—Ja, ja, ik wil als 't noodig is voor hem sterven, riep de trouwe ziel.
—Welnu, geef mij daar een bewijs van.
—Al wat gij wilt.
—Dan moogt gij hem niet zeggen waar en hoe gij ons gevonden hebt. Anders niet.
—Maar hij zoekt u overal! Hij is van verre gekomen om u te zoeken!
—Hij mag ons niet vinden. Hij mag niet worden wat wij zijn. Luister, Amrah. Blijf ons dagelijks van het noodige voorzien, zooals gij heden deedt. Het zal niet lang noodig zijn, neen, niet lang. Kom 's morgens en 's avonds en vertel ons van hem; maar tegen hem geen woord over ons. Belooft gij mij dat, Amrah? drong de moeder met trillende stem.
—Ach, 't zal mij zoo zwaar vallen te zien hoe hij u overal loopt te zoeken, en hem dan niet te kunnen of te mogen zeggen, dat u nog leeft!
—Kunt ge hem zeggen dat gij ons gezond en wel hebt aangetroffen, Amrah?
Amrah snikte.
—Neen, vervolgde de moeder, en daarom moet gij zwijgen. Ga nu, en kom van avond terug, dan zien wij naar u uit. Tot zoolang, vaarwel!
Amrah bleef geknield liggen, totdat moeder en dochter in de spelonk verdwenen waren. Toen keerde zij bedroefd huiswaarts. Dienzelfden avond kwam zij terug en deed dat voortaan dag aan dag, zoodat het de uitgestootenen aan niets ontbrak. De spelonk, hoe eenzaam en verlaten ook, was toch niet zoo somber, als de cel in den burcht. Het daglicht stroomde naar binnen, zij waren in de vrije natuur, en het valt gemakkelijker geloovig den dood te verbeiden onder de open lucht, dan in een onderaardschen kerker.
Aan den morgen van den eersten dag der zevende maand Tishri in 't Hebreeuwsch, October bij ons, verrees Ben-Hur van zijne legerstede in de herberg,—ontevreden met de geheele wereld.
Na de aankomst van Malluch, nu anderhalve maand geleden, waren zij dadelijk aan het werk getogen. Malluch begaf zich allereerst naar den burcht Antonia, en wendde zich rechtstreeks tot den commandant, wien hij een omstandig verhaal deed aangaande het gebeurde met de familie Hur, en duidelijk deed uitkomen, dat bij het ongeluk aan Gratus overkomen geen sprake kon zijn van boosaardig opzet. Het doel van zijne nasporingen was, zeide hij, ingeval de ongelukkigen nog leefden, den keizer een smeekschrift aan te bieden, met verzoek om herstel van eer, rechten en goederen. Zulk een smeekschrift zou, daar twijfelde hij niet aan, een nauwkeurig onderzoek ten gevolge hebben, een onderzoek, waarvoor de vrienden der familie volstrekt niet vreesden.
Tot antwoord deelde de commandant hem mede, dat de vrouwen in cel VI gevonden waren, en gaf hem de memorie ter inzage, die hijzelf opgesteld had, ja, stond zelfs toe dat Malluch er een afschrift van nam.
Daarop haastte deze zich terug naar Ben-Hur.
De jonkman was verplet hij het hooren van de vreeselijke tijding. Zijne smart was te groot om in tranen of hartstochtelijke uitbarstingen van woede verluchting te kunnen vinden. Doodsbleek bleef hij langen tijd voor zich uit staren, nu en dan bij zichzelven herhalende: Melaatsch! Zij—, moeder en Tirza—zij melaatsch! Hoe lang, o God, hoe lang?
Het eene oogenblik was hij vol van deernis, het volgende smachtte hij er naar wraak te nemen. Eindelijk stond hij op.
—Ik moet ze gaan zoeken, Malluch! Misschien zijn zij stervend!
—Waar wilt gij zoeken? vraagde deze.
—Er is maar ééne plaats, waarheen zij hebben kunnen gaan.
Malluch trachtte het hem te ontraden, en slaagde er eindelijk in hem te overtuigen van de noodzakelijkheid er zich persoonlijk buiten te houden en alles aan hem, Malluch, over te laten. Te zamen gingen zij naar de poort tegenover den Berg van den Slechten Raad, sinds onheugelijke tijden de plaats, waar de melaatschen aan den weg zaten te bedelen. Daar bleven zij den ganschen dag, deelden aalmoezen uit, vraagden overal of men de twee vrouwen ook gezien had, en beloofden een rijke belooning aan ieder, die hare verblijfplaats kon aanwijzen. Dat hielden zij anderhalve maand lang dagelijks vol. De melaatschen, voor wie de uitgeloofde belooning een machtige drijfveer was, doorzochten ijverig den omtrek, maar tevergeefs. Ook de bewoonsters van de groote spelonk bij de bron werden meer dan eens ondervraagd, maar zij wisten haar geheim te bewaren.
—Waar kunnen zij toch gebleven zijn? vraagde Ben-Hur eindelijk ontmoedigd, om er dan in bitterheid des gemoeds op te laten volgen: Ach, zij zijn zeker dood; weggegaan—de wildernis in, en daar omgekomen. Moeder dood—Tirza dood—ik alleen overgebleven. En waarvoor? Hoe lang, o Heer, God mijner vaderen, hoe lang zal Rome mogen blijven bestaan?
Toornig, hopeloos, wraakzuchtig trad hij den voorhof van de herberg in, en vond dien vol met menschen, welke gedurende den nacht waren aangekomen. Terwijl hij zijn ontbijt gebruikte luisterde hij naar hunne gesprekken. Eén gezelschap trok hem vooral aan. Het bestond uit sterk gebouwde, geharde jonge mannen, wier manieren en spraak verrieden, dat zij uit de provincie kwamen. Uit hun oogopslag, uit de houding van hun hoofd sprak een geest, dien men niet bij de mindere klasse van Jeruzalem opmerkte, de geest, die een gevolg is van het vrije gezonde leven in een bergachtige streek. Weldra vernam hij, dat zij uit Galilea kwamen, en hoofdzakelijk naar Jeruzalem gekomen waren om deel te nemen aan het feest der Trompetten, dat op dien dag zou gevierd worden. Nu werd zijne belangstelling nog grooter, want in Galilea hoopte hij allereerst hulp te vinden voor het werk, dat hij weldra moest aanvaarden.
Terwijl hij hen gadesloeg en naging wat hij met een legioen van zulke mannen, gedrild naar de strenge Romeinsche wetten, al niet zou kunnen uitrichten, kwam een man de herberg binnenloopen met gloeiend gelaat en schitterende oogen.
—Wat doet gij hier? vraagde hij de Galileërs. De rabbijnen en Oudsten gaan juist uit den Tempel naar Pilatus. Haast u en komt mee, dan sluiten wij ons bij hen aan.
In een oogwenk had hij de Galileërs rondom zich.
Naar Pilatus? Waarvoor?
—Zij hebben eene samenzwering ontdekt. Pilatus wil zijne nieuwe waterleiding betalen met geld uit den Tempelschat.
—Wat? Met het heilige geld? riepen verscheidene mannen met vlammende blikken. Het is geld van God. Laat hij probeeren er een penning van te nemen, als hij durft!
—Komt dan! riep de boodschapper. De stoet is al over de brug; geheel Jeruzalem is uitgeloopen en volgt hen. Wij zijn misschien noodig. Maak voort!
Snel wierpen de mannen hun overtollige bovenkleeren af, en stonden daar blootshoofds en in de korte tunica zonder mouwen, die zij gewoon waren te dragen bij den veldarbeid, of bij de visscherij, de kleedij, waarin zij de kudden weidden op de bergen en de rijpe druiven plukten in den wijngaard.
—Wij zijn gereed, zeiden zij, hun gordels vaster aantrekkende.
Toen sprak Ben-Hur hen aan. Mannen van Galilea, zeide hij, ik ben een zoon van Juda. Mag ik met u gaan?
—Het zal misschien tot een gevecht moeten komen.
—Welnu, in dat geval zal ik niet de eerste zijn, die op de vlucht gaat.
Zij zagen hem lachend aan en de bode zeide: Gij ziet er sterk genoeg uit. Kom mee!
Ben-Hur wierp zijn opperkleed af. Gij denkt dus dat er gevochten zal worden? vraagde bij koeltjes.
—Ja.
—Met wie?
—Met de wacht.
—Legioenen?
—Op wie anders kunnen de Romeinen zich verlaten?
—Welke wapenen hebt gij?
Niemand antwoordde.
—Nu, zeide hij, wij zullen ons zoo goed mogelijk moeten verweren. Maar zou het niet verstandig zijn, als wij een aanvoerder kozen? De legioenen hebben er ook altijd een, en handelen daardoor eenparig.
De Galileërs staarden hem verbaasd aan, alsof zij van zoo iets nooit gehoord hadden.
—Laat ons ten minste afspreken bij elkander te blijven, zeide hij. Ik ben gereed. Gijlieden ook?
—Ja, laat ons gaan.
De herberg, het zij hier even herinnerd, stond te Bezetha, de nieuwe stad, en om naar het Praetorium te gaan, zooals de Romeinen hoogdravend het paleis van Herodes op den berg Sion noemden, moesten onze vrienden de laaglanden ten noorden en westen van den Tempel oversteken. Na den heuvel Akra te zijn omgetrokken, bereikten zij den toren Mariamne. Vandaar was men in een paar minuten bij de groote poort van het paleis. Overal ontmoetten zij op hun weg lieden, die zich met hetzelfde doel hadden opgemaakt. Toen zij ten laatste de poort van het Praetorium bereikten, was de stoet van rabbijnen en Oudsten juist naar binnen gegaan met een groot gevolg achter zich, terwijl een nog grootere, luidruchtige menigte buiten wachtte.
Een centurio bewaakte met een goed gewapende wacht den ingang. De zon wierp haar gloeiende stralen op de helmen en schilden der soldaten, maar bleven onbewegelijk staan, even onverschillig voor het oogenverblindend geflikker, als voor het gejoel der menigte. Door de openstaande bronzen poorten stroomden tal van burgers naar binnen, terwijl een veel kleiner getal er uit kwam.
—Wat is er aan de hand? vraagde een Galileër aan een man, die naar buiten kwam.
—Niets, antwoordde deze. De rabbi's staan voor de deur van het paleis en verlangen Pilatus te zien. Hij heeft geweigerd naar buiten te komen. Nu hebben zij hem doen weten, dat zij niet weg zullen gaan, voordat hij hen gehoord heeft. Zij wachten nog.
—Laat ons naar binnen gaan, zeide Ben-Hur bedaard, want hij zag wat zijne eenvoudige makkers waarschijnlijk niet zagen—dat men hier niet alleen met een verschil tusschen de rabbi's en den procurator te doen had, maar dat het eene zaak was, waar een beslissing op moest volgen, en dat nu maar de vraag was wie zijn zin zou krijgen.
Zij traden binnen en kwamen in een voorhof, aan weerszijden met boomen beplant en van banken voorzien. Zich rechts keerend ging het gezelschap naar een ruime vierkante plaats, aan wier westzijde de woning van den procurator lag. Daar bewoog zich een opgewonden menigte. De oogen van allen waren op eene in een breeden doorgang aangebrachte deur gericht, die gesloten was. Onder dien doorgang was een tweede wacht geschaard.
Het gedrang was zoo groot dat onze vrienden, al wilden zij nog zoo gaarne, niet vooruit konden komen. Zij bleven dus waar zij waren en gaven nauwlettend acht op wat er gebeurde. In de voorste rijen konden zij de hooge tulbanden der rabbijnen zien, wier ongeduld zich telkens openbaarde in den kreet: Pilatus, als gij procurator wilt zijn, kom dan naar buiten!
Eenmaal kwam een der voorsten terug en baande zich een weg door de menigte; zijn gelaat gloeide van toorn. Israël wordt hier niet geteld, riep hij met luide stem. Op dezen gewijden grond behandelt men ons, alsof wij Romeinsche honden waren.
—Zal hij niet buiten komen, denkt gij?
—Buiten komen? Heeft hij niet reeds driemaal geweigerd?
—Wat zullen de rabbijnen doen?
—Wat zij te Cesarea deden: hier blijven wachten, totdat hij naar hen luistert.
—Hij zal toch den Tempelschat niet durven aanraken, denkt gij wel? vraagde een der Galileërs.
—Wie zal het zeggen! Heeft niet een Romein het heilige der heiligen ontreinigd? Is iets heilig voor een Romein?
Een uur ging voorbij, en ofschoon Pilatus hen geen antwoord waardig keurde, hielden de rabbijnen stand. Zoo ook de scharen. Tegen den middag begon het te regenen, hetgeen niet verhinderde, dat de menigte aangroeide en steeds rumoeriger en ontevredener werd. Kom naar buiten! Kom buiten! klonk het onophoudelijk.
Intusschen hield Ben-Hur zijne Galileesche vrienden bijeen. Hij vermoedde dat de hoogmoed den Romein weldra zijn voorzichtigheid zou doen vergeten en het einde spoedig daar zou zijn. Pilatus wachtte slechts totdat het volk zelf hem een voorwendsel zou geven, om tot geweld zijn toevlucht te nemen.
Het einde kwam dan ook werkelijk spoedig genoeg.
Eensklaps hoorde men dat er slagen vielen, gevolgd door luide kreten van pijn en woede. Alles geraakte in beweging. De eerwaardige mannen voor de portiek keken verschrikt om. Het volk in de achterhoede drong vooruit, die in het midden stonden trachtten achteruit te wijken, en gedurende een oogenblik was de drukking van twee kanten verschrikkelijk. Duizenden stemmen vraagden wat er gebeurd was, maar niemand kon het antwoord geven.
Ben-Hur behield zijne bedaardheid. Kunt gij zien wat daar geschiedt? vraagde hij een der zijnen.
—Neen.
—Ik zal u optillen.
Hij greep den man met beide handen om het middel en tilde hem van den grond.
—Wat ziet ge?
—Mannen met knuppels gewapend. Zij slaan op het volk in. Zij zijn als Joden gekleed.
—Wie zijn het?
—Romeinen! vermomde Romeinen! Zij slaan er duchtig op los. Daar slaan zij een rabbi neer,—een oud man! Zij sparen niemand.
Ben-Hur zette hem weer op den grond.
—Mannen van Galilea, zeide hij, het is een list van Pilatus. Als gij doen wilt wat ik zeg, zullen wij eens gauw met die knuppelaars afrekenen.
—Ja, ja! riepen zij eenstemmig.
—Laat ons dan teruggaan naar de boomen bij de poort, die zullen ons van dienst kunnen zijn. Komt!
Zij liepen zoo hard zij konden terug, en met vereende krachten braken zij de dikste takken van de boomen. In korten tijd waren ook zij gewapend. Juist wilden zij optrekken, toen de menigte als razend op de vlucht sloeg en hun den weg dreigde af te snijden. Het was een geweldig rumoer: schreeuwen, kermen, vloeken.
—Langs den muur! beval Ben-Hur. Langs den muur! Laat den hoop voorbijgaan!
Zij gehoorzaamden, drukten zich tegen den muur aan hunne rechterzijde, ontkwamen op die wijze het gevaar van te worden meegesleurd door den machtigen stroom, en drongen stap voor stap vooruit, totdat ten laatste de voorplaats bereikt was.
—Blijft nu bijeen, en volgt mij! riep Ben-Hur.
Zijn meesterschap was ten volle erkend, en toen hij zich tusschen de woedende menigte wierp, volgden zij hem als een eenig man.
Toen nu de Romeinen, die nog steeds met hunne knuppels zwaaiden en zich vroolijk maakten, als zij eenigen van het volk neersloegen, handgemeen werden met de Galileërs, vlug van leden, vurig van geest, en eveneens gewapend, waren zij op hunne beurt verrast. Het tieren en razen werd heftiger, de slagen volgden elkander sneller en moorddadiger. Ben-Hur verrichtte wonderen van dapperheid. Zijn geoefende sterke hand miste nooit haar doel. Hij was te gelijk strijder en aanvoerder, altijd vooraan, altijd in 't heetst van het gevecht. In zijn krijgsgeschreeuw was iets dat zijne volgers bezielde en zijne vijanden met bezorgdheid vervulde. Weldra begonnen de Romeinen te wijken, eindelijk sloegen zij op de vlucht. De Galileërs zouden hen tot aan de portiek hebben willen vervolgen, maar Ben-Hur hield hen wijselijk tegen.
—Niet verder, mannen! riep hij. Daar komt de hoofdman met de wacht. Zij hebben zwaarden en schilden. Tegen hen zijn wij niet opgewassen. Wij hebben ons flink gehouden; laat ons terugtrekken, de poort uit, terwijl wij nog kunnen.
Langzaam trokken zij af. Gedurig moesten zij over hunne gevallen broeders heenstappen; sommige leefden nog en vraagden kermend om hulp. Maar de gesneuvelden waren niet allen Joden. Dat was een troostrijke gedachte.
De hoofdman riep hen spot- en scheldwoorden na, maar Ben-Hur lachte hem uit en antwoordde in het Latijn: Als wij Joodsche honden zijn, zijt gijlieden Romeinsche jakhalzen. Blijf maar, wij zullen wel terugkeeren!
De Galileërs juichten hem toe en gingen lachend verder. Buiten de poort stond een saamgepakte menigte, straten, daken, berghelling, alles was vol met menschen, die hunne verontwaardiging luide lucht gaven.
De wacht aan de buitenzijde liet de Galileërs ongemoeid door. Toen zij een eindweegs gegaan waren, zeide Ben-Hur tot de Galileërs: Broeders, gij hebt u dapper geweerd. Laat ons nu afscheid nemen, maar komt van avond bij mij in de herberg te Bethanië. Ik heb u een voorstel te doen in het belang van het geheele volk van Israël.
—Wie zijt gij? vraagden zij.
Een zoon van Juda. Zult gij komen?
—Ja, wij zullen komen.
Dit afgesproken zijnde ging ieder zijns weegs.
Op bevel van Pilatus werden de dooden en gewonden weggedragen. Onder het volk was veel geween; maar die getuigen geweest waren van de overwinning der Galileërs onder aanvoering van den onbekenden jongen held, vertelden overal wat er geschied was, en wachtten in spanning, of hij nog van zich zou doen hooren.
Zoo had Ben-Hur den eersten stap gedaan om zich vrienden te maken onder de Galileërs, en zich den weg gebaand tot grootere daden in dienst des Konings, die te komen stond.
Met welk gevolg zullen wij weldra zien.
De samenkomst in de herberg te Bethanië had dienzelfden avond plaats. Van daar begaf Ben-Hur zich met zijne volgelingen naar Galilea, waar men reeds van zijn moedig optreden gehoord had. Nog vóór het einde van den winter had hij drie legioenen bijeen vergaderd en naar Romeinsche wijze ingericht. Hij zou gemakkelijk het dubbele getal hebben kunnen verzamelen, want de krijgsmansgeest was in het dappere volk ontwaakt. Zoowel tegenover Rome als tegenover Herodus Antipas waren echter de grootste voorzichtigheid en geheimhouding noodzakelijk. Zich dus voor het oogenblik tevreden stellende met drie legioenen, spande hij alle krachten in om hen te gewennen aan strenge tucht en gemeenschappelijken arbeid. Tot dat doel bracht hij de hoofdlieden naar de woeste streken van Trachonitis, en onderwees hen in het hanteeren der wapenen, inzonderheid van werpspies en zwaard, en in het aanvoeren van manschappen. Daarop zond hij hen naar huis terug, om op hunne beurt anderen te onderwijzen. Na weinig tijds waren deze oefeningen een geliefkoosde uitspanning onder het volk geworden.
Natuurlijk vereischte deze werkzaamheid veel geduld, beleid, ijver en opoffering, hoedanigheden die onontbeerlijk zijn, zal men anderen kunnen bezielen. Hoe zwoegde hij van den ochtend tot den avond, zichzelf geheel vergetende! Toch zou hij niet geslaagd zijn zonder de hulp van Simonides, die hem van wapenen en geld voorzag, en van Ilderim, die hem proviand bezorgde en overal wachten had uitgezet.
Voor de Galileërs had hij niets dan lof. Onder dien naam waren de stammen Aser, Zebulon, Issaschar en Nafthali begrepen, die het land bewoonden, hun weleer door Mozes aangewezen. De Joden, die in den omtrek des Tempels geboren waren, verachtten hunne noordelijke broederen, maar zelfs de Talmud leerde: De Galileër bemint de eer, de Jood het geld.
Hun haat tegen Rome was even vurig als hunne liefde voor het vaderland. Bij elken opstand waren zij de eersten om aan te vallen en de laatsten om te wijken. Honderdvijftigduizend Galileesche mannen hebben hun leven gelaten in den laatsten kamp tegen Rome. Voor de groote feesten trokken zij als geordende legerscharen op naar Jeruzalem en kampeerden in het open veld. Toch waren zij zeer vrijzinnig, en zelfs toegevend voor het heidendom. Op de schoone steden door Herodes in Romeinschen trant gebouwd, vooral op Sepphoris en Tiberias, waren zij zeer trotsch en droegen voor den bouw naar vermogen bij. Mannen uit alle oorden der wereld hadden hunnen woonstede onder hen en leefden er in vrede. Tot roem van den Hebreeuwschen naam brachten zij dichters en profeten voort, met name den zanger van het hooglied en Hosea.
Op een volk met zoo rijke verbeelding, zoo hooghartig, dapper en trouw, moest het verhaal van de aanstaande komst des nieuwen konings machtig werken. Dat zijn doel was Rome ten onder te brengen zou reeds voldoende geweest zijn, om hem te winnen voor Ben-Hurs plannen, doch toen men hun daarenboven verzekerde, dat de koning de wereld zou regeeren en een rijk zou stichten, nog machtiger dan dat van Cesar, nog heerlijker dan dat van Salomo, en dat die heerschappij eeuwig zou voortduren, stroomden zij toe, en wijdden zij zich met lichaam en ziel aan 's konings zaak. Zij vraagden Ben-Hur vanwaar hij deze dingen wist—en hij wees hen op de profeten, en vertelde hun van Balthasar, die in Antiochië op de komst des konings wachtte. Dat voldeed hen, want het was de oude Messiasbelofte, naar wier vervulling zij reeds zoo lang hadden uitgezien. De droom zou dus eindelijk verwezenlijkt worden.
De wintermaanden gingen voorbij. De lente kwam, en zoo voortreffelijk was hij met alles geslaagd, dat hij tot zichzelven en zijne volgelingen mocht zeggen: laat de koning nu maar komen. Hij heeft slechts te bevelen waar hij zijnen troon wil opgericht zien—wij zijn gereed om hem op zijnen troon te handhaven.
De Galileërs kenden hunnen aanvoerder alleen als een zoon van Juda. Een anderen naam had hij hun niet opgegeven.
Op zekeren avond zat Ben-Hur in Trachonitis met een paar van zijne Galileesche vrienden voor de spelonk, waar hij zijn hoofdkwartier had opgeslagen, toen een Arabische bode kwam aanrijden en hem een brief overhandigde. Hij verbrak het zegel en las:
Jeruzalem IV Nisan.Een profeet is opgestaan, van wien men zegt dat hij Elias is. Hij heeft jarenlang in de wildernis geleefd, en in onze oogen is bij een profeet. Zijne taal maakt hem ook als zoodanig openbaar. In zijne prediking wijst bij steeds op één, grooter dan hijzelf, die weldra komen zal. Hij houdt zich op aan den oostelijken oever van den Jordaan. Ik ben hem gaan zien en hooren, en geloof vast dat degeen op wien hij wacht de koning is, dien gij verwacht. Kom en oordeel zelf. Geheel Jeruzalem gaat tot den profeet, en de plaats waar hij vertoeft is zoo vol, als de Olijfberg gedurende de laatste dagen van het Paaschfeest.Malluch.
Jeruzalem IV Nisan.
Een profeet is opgestaan, van wien men zegt dat hij Elias is. Hij heeft jarenlang in de wildernis geleefd, en in onze oogen is bij een profeet. Zijne taal maakt hem ook als zoodanig openbaar. In zijne prediking wijst bij steeds op één, grooter dan hijzelf, die weldra komen zal. Hij houdt zich op aan den oostelijken oever van den Jordaan. Ik ben hem gaan zien en hooren, en geloof vast dat degeen op wien hij wacht de koning is, dien gij verwacht. Kom en oordeel zelf. Geheel Jeruzalem gaat tot den profeet, en de plaats waar hij vertoeft is zoo vol, als de Olijfberg gedurende de laatste dagen van het Paaschfeest.
Malluch.
Ben-Hurs gelaat werd met een glans van vreugde overtogen. Mijne vrienden, zeide hij, ons wachten is ten einde. De heraut van den koning is verschenen en heeft zijne komst aangekondigd.
Nadat hij hun den brief had voorgelezen, verheugden zij zich allen met groote blijdschap.
—Maakt u dus gereed, vervolgde hij, en keert morgenochtend huiswaarts. Doet al de uwen weten, dat zij zich gereed houden om op te trekken, zoodra ik het sein geef. Ik zal gaan zien, of de komst van den koning werkelijk zoo nabij is en het u doen weten.
Hij ging de spelonk binnen om een brief te schrijven aan Ilderim en aan Simonides, waarin hij hun de zoo even ontvangen tijding mededeelde. De brieven verzond hij door ijlboden. 's Avonds, toen de sterren aan den hemel flonkerden, steeg hij te paard en begaf zich met een Arabischen gids op weg naar den Jordaan. Zijn plan was den weg te volgen tusschen Rabbath Ammon en Damascus, den weg, dien de karavanen gewoonlijk namen.
De gids was vertrouwbaar. Aldebaran was vlug;—tegen middernacht hadden zij het lavagebied reeds achter zich en waren zij op weg naar het Zuiden.
Ben-Hur had gehoopt met het aanbreken van den dag een veilige rustplaats te zullen bereiken, maar de morgenstond overviel hem in de woestijn, en hij zette de reis voort, daar de gids hem verzekerde, dat zij weldra aan een door hooge rotsen ingesloten dal zouden komen, waar hij een bron, moerbeiboomen en gras in overvloed zou vinden.
Nadat zij eenigen tijd zwijgend hadden doorgereden, vestigde de gids, die aanhoudend rondkeek, zijne aandacht op een gezelschap, dat, hoewel nog verre achter hen, denzelfden weg scheen te volgen.
—Het is een gezadelde kameel, zeide de gids een oogenblik later.
—Zijn er geleiders bij? vraagde Ben-Hur.
—Neen ... of ja, er is een man te paard bij, zeker de drijver.
Een weinig later kon Ben-Hur zelf den kameel onderscheiden. Hij was wit en buitengewoon groot, en herinnerde hem terstond het schoone dier, dat hij bij de Castaliabron gezien had. Geen ander was dien kameel gelijk. Zijne gedachten vlogen terug naar de Egyptische, ongemerkt liet hij zijn paard langzamer gaan. Eindelijk zag hij dat de kameel een overdekte zonnetent droeg, waarin twee personen zaten. Als dat eens Balthasar en Iras waren? Zou hij zich aan hen bekend maken? Maar dat was immers niet mogelijk! Wat zouden zij hier in de woestijn doen, zij alleen?
Terwijl hij de mogelijkheid of onmogelijkheid overdacht, was de kameel hem reeds op zijde gekomen. Hij hoorde het gerinkel der belletjes en zag de rijke versiering, die het volk aan de Castaliabron zoozeer bekoord had; ook den Ethiopiër herkende hij. Toen de kameel het paard had ingehaald hield hij stil, en zag Ben-Hur de verbaasde oogen van Iras op zich gevestigd.
—De zegen van den waren God zij met u, zeide Balthasar.
—En met u en de uwen, antwoordde Ben-Hur.
—Mijne oogen zijn verzwakt door de jaren, zeide Balthasar, maar toch meen ik in u den zoon uit het huis van Hur te herkennen, dien ik onlangs ontmoet heb, als den geëerden gast van Ilderim.
—En gij zijt Balthasar, de wijze Egyptenaar, wiens gesprek over zekere heilige zaken mij nog in de ooren klinkt, te meer daar diezelfde zaak mij de reis door deze wildernis deed aanvaarden. En wat bracht u hier zoo alleen?
—Hij, die op God vertrouwt, is nooit alleen, en God is overal, zeide Balthasar ernstig. Maar in antwoord op uwe vraag diene, dat een karavaan, op weg naar Alexandrië, ons op korten afstand volgt, en daar zij Jeruzalem denkt aan te doen, dacht het mij goed gebruik te maken van haar geleide tot aan de Heilige Stad, waarheen ik op reis ben. Zij gaat mij echter te langzaam, daarom reden wij hedenmorgen vooruit. Voor roovers op den weg zijn wij niet bang, want wij hebben een geleibrief van Sheik Ilderim, en tegen roofdieren is God onze beschutting.
—De geleibrief van den Sheik is van kracht zoover de woestijn zich uitstrekt, en de leeuw, die dezen vorst der kameelen inhaalt, moet zeker nog geboren worden, zeide Ben-Hur, het dier op den hals kloppende.
—Ja, zeide Iras, maar ook hij verlangt naar het verbreken van zijn vasten. Koningen voelen daar ook wel de gevolgen van. Indien gij werkelijk de Ben-Hur zijt, dien ik het genoegen heb gehad reeds vroeger te ontmoeten, zal het u zeker een genoegen zijn ons den weg te wijzen naar een bron, want wij verlangen naar een teug frisch water.
—Schoone Egyptische, antwoordde hij, ik kan met u gevoelen. Kunt gij nog vijf minuten geduld oefenen, dan zal ik u bij eene bron brengen, wier water niet onderdoet voor dat van de beroemde Castaliabron.
Dit gezegd hebbende reed Ben-Hur vooruit met den gids, daar het gesprek onder het rijden toch niet kon worden voortgezet. Na een korten rit kwam het gezelschap aan eenwady. Hare bedding was zeer week door de regens van de laatste dagen en voerde vrij steil naar beneden. Weldra echter werd zij breeder en verliep ten slotte in een vruchtbare vallei, die, na de zandige eentonige vlakte, den indruk maakte van een paradijs. Eenige bloeiende oleanders, wier schitterend roode bloemen dadelijk de aandacht tot zich trokken, waren het sieraad van dit liefelijk oord. Een statige palmboom verhief zijn kruin ten hemel en bood den reizigers rust en koelte aan onder zijn breede takken. Een moerbeziënboschje ter linkerzijde gaf de plaats aan waar de bron te vinden was.
Het water stroomde uit een rotsspleet, die door een zorgende hand verbreed was, en waarboven in groote letters het woord GOD in het Hebreeuwsch gegraveerd stond. Zonder twijfel had hij, die de letters in den steen gegrift had, hier dagen lang getoefd, en op deze wijze zijne dankbaarheid geuit.
Ben-Hur en de gids stegen af, de Ethiopiër deed den kameel nederknielen, zoodat Balthasar en Iras de tent konden verlaten.
De Egyptenaar keerde zijn gelaat naar het Oosten, vouwde de handen eerbiedig en bad.
—Geef mij een beker, beval Iras ongeduldig, en toen de Ethiopiër haar onhandig een kristallen beker had gebracht, zeide zij tot Ben-Hur: Ik zal u bedienen.
Te zamen wandelden zij naar de bron. Hij wilde water voor haar scheppen, maar zij stond het hem niet toe, knielde neder, vulde zelve den beker en bood hem dien aan.
—Neen, neen, zeide hij, het is aan mij u dezen dienst te bewijzen.
Zij bleef echter aandringen, er bijvoegende: Wij, Egyptenaren, zoon van Hur, hebben een spreekwoord: Beter de schenker te zijn van den gelukkige, dan raadsman van een koning.
Nu voegde Balthasar zich bij hen.
—Wij zijn u zeer verplicht, zeide hij, deze vallei is liefelijk; het gras, de boomen, de schaduw noodigen ons tot een rustig verblijf. De bron fonkelt in den zonneschijn en spreekt tot mij van een God vol liefde. Blijf bij ons en zit met ons aan.
—Laat ik u dan eerst met een dronk mogen verkwikken, zeide de jonkman, hem een vollen beker aanbiedende.
Intusschen had de slaaf de tent opgeslagen en alles voor het ontbijt in gereedheid gebracht, waaraan door de reizigers alle eer bewezen werd.
De koele atmosfeer, de schoone bloemen, de sabbatsstilte, alleen verbroken door het zachte ruischen van het water en het gonzen der insecten, brachten den Egyptenaar in een opgewekte stemming.
—Toen wij u inhaalden, zoon van Hur, zeide hij, was uw gelaat naar Jeruzalem gekeerd. Mag ik u vragen of dat het doel uwer reis is?
—Ja, ik ben op weg naar de Heilige Stad.
—Wij ook, en daar ik mijne krachten sparen moet wensch ik er zoo spoedig mogelijk te zijn. Kunt gij mij ook zeggen, of er een korter weg is, dan die over Rabbath Ammon?
—Ik ga over Gerasa, en Rabbath Gilead, dat is veel korter, maar ook vermoeiender.
—Ik verlang naar het einde van de reis, zeide Balthasar. In den laatsten tijd droomde ik telkens denzelfden droom. Herhaaldelijk hoorde ik een stem, die mij toeriep: Haast u, maak u op! Hij, dien gij zoolang verwacht hebt, staat te komen.
—Gij bedoelt hem, die de koning der Joden zal worden? vraagde Ben-Hur verbaasd.
—Juist.
—Hebt gij dus nog niets van hem gehoord?
—Niets, behalve die woorden van mijn droom.
—Ziehier dan een tijding, die u zal verheugen.
Uit de plooien van zijn gewaad haalde Ben-Hur den brief van Malluch te voorschijn. Balthasar strekte er de hand naar uit en las hem hardop. Toen hief hij zijne oogen dankend op naar den hemel. Hij deed geen vragen, maar twijfelde ook niet.
—Hoe goed zijt gij voor mij geweest, o God, zeide hij. Vergun mij, bid ik u, den Messias te zien, opdat ik hem moge aanbidden, en laat uw dienstknecht heengaan in vrede.
De eenvoudige, vertrouwelijke bede maakte diepen indruk op Ben-Hur. Nooit had hij zoo Gods tegenwoordigheid gevoeld. Het was hem, alsof God hier persoonlijk bij hem was, een vriend, wien zij alles konden vragen, een vader, die al zijne kinderen evenzeer liefhad, een vader voor den zoon van Israël, zoowel als voor den heiden, een vader voor allen, wien allen naderen mochten zonder tusschenkomst van priesters of leeraars. De gedachte, dat zulk een God de menschheid een Verlosser zou kunnen zenden in plaats van een koning, kwam hem niet meer zoo vreemd voor, de vraag kwam zelfs bij hem op, of het niet veel meer overeenkomstig was met het wezen Gods. Daarom zeide hij: Denkt gij nu nog dat hij als Verlosser zal optreden en niet als koning?
—Wat zal ik daarop zeggen? antwoordde Balthasar. De geest, die mij weleer geleidde, is mij niet meer verschenen sinds ik u ontmoette in de tent van den goeden Sheik; ten minste niet op de vroegere wijze. Maar ik geloof dat die geest nu in mijne droomen tot mij spreekt. Een andere openbaring heb ik niet.
—Ja maar, zeide Ben-Hur, gij dacht dat hij een koning zou zijn, hoewel niet als de vorsten der aarde. Gij dacht dat zijne heerschappij geestelijk zou zijn, niet van deze wereld.
—O ja, luidde het antwoord, en dat geloof ik nog. Ik zie dat er verschil is in onze verwachting. Gij gaat om een koning van menschen te ontmoeten, ik ga om een behouder van zielen te zien.
Hij hield even op, alsof hij naar de juiste woorden zocht om zijne meening duidelijk te maken.
—Laat mij trachten, zoon van Hur, u een juist begrip te geven van mijn geloof. Als ik u gezegd zal hebben waarom de geestelijke heerschappij, die hij zal uitoefenen, in ieder opzicht uitnemender is, dan enkel koninklijke pracht, zult gij mij beter begrijpen. Ik kan niet met zekerheid zeggen wanneer het denkbeeld, dat ieder mensch eene ziel heeft, ontstaan is. Waarschijnlijk brachten de eerste menschen het mede uit den hof in Eden. Dat het nooit geheel verloren ging weten wij allen. Waarom zou ieder mensch eene ziel hebben? Laat ons daar eens even bij stilstaan. Zich neder te leggen en te sterven, op te houden te bestaan werd nooit door eenig mensch begeerd. Allen zonder onderscheid zullen in het diepst hunner ziel wel op iets beters gehoopt hebben. De monumenten der volken zijn zoovele protesten tegen de vernietiging na den dood, evenzoo hunne standbeelden en opschriften, evenzoo de geschiedenis. De grootste onzer Egyptische koningen liet zijne beeltenis in een rots uithouwen. Dagelijks ging hij er met zijn gevolg heen om het werk te zien. Eindelijk was het gereed, de gelijkenis was treffend. Mogen wij ons nu niet voorstellen, dat hij, voor dat kunstwerk staande, gedacht heeft: Laat de dood vrij komen, ik leef in de toekomst voort!... Hij heeft zijn wensch gehad. Het beeld staat er nog.
Maar waar bestaat het voortleven in, dat hij zich dus verzekerde? Alleen in de herinnering der menschen—een roem, vergankelijk als het schijnsel der maan op het groote beeld. En wat is intusschen van den koning geworden? In de koninklijke graven ligt een gebalsemd lichaam, dat eenmaal het zijne was. Maar waar, zoon van Hur, is de koning zelf? Is hij in het niet verzonken? Tweeduizend jaren zijn verloopen sedert hij op deze aarde leefde, als gij en ik. Was met zijn laatste ademtocht alles voor hem afgedaan? Zeggen wij ja, dan brengen wij eene beschuldiging in tegen God. Wij nemen daarom een beter en werkelijk leven na den dood aan, iets wat meer is dan een voortleven in de herinnering. Daarom gaf God ons bij de geboorte eene ziel, die onsterfelijk is. Denk nu eens aan het genot, dat in de gedachte ligt: Wij hebben een ziel. Deze gedachte ontneemt den dood zijne verschrikking, door het sterven te maken tot een verandering voor beter, en het begraven tot het zaaien van een zaad, waaruit een nieuw leven zal ontspruiten. Zie mij, oude man, aan, verzwakt naar het lichaam. Weldra zal het graf mij ontvangen, maar dan ook openen zich voor mij de onzichtbare deuren van Gods heerlijk huis, om mij, dat is mijne bevrijde onsterfelijke ziel, op te nemen. O, had ik woorden om dat heerlijke leven te schetsen! Zeg niets, dat ik er niets met zekerheid van weet. Dit weet ik, en dat is mij genoeg: een ziel te bezitten sluit in deel te hebben aan een goddelijke eigenschap. Zulk een verloste ziel heeft niets meer met het stof, met het onreine te maken; zij leeft in volkomen reinheid. Zal ik, dit geloovende, dan nog met mijzelven of met u gaan redeneeren over de bijomstandigheden? Over den vorm van mijne ziel, of over de behoefte aan spijs en drank, of hoe mijne ziel bekleed zal zijn? Neen, dat laat ik gerust aan God over. Het schoone in deze wereld komt alles uit zijne hand. Hij bekleedt de lelie, Hij geeft de roos haar kleurenpracht, Hij roept den dauwdroppel te voorschijn. De harmonie in de natuur is door Hem ontstaan. Hij maakt ons voor dit leven geschikt en stelde zijne voorwaarden vast. Zij zijn van dien aard, dat ik met volle gerustheid mijne ziel en het leven na den dood in zijne handen stel. Ik weet dat Hij mij liefheeft.
Balthasar zweeg. Ben-Hur, ja zelfs Iras, was aangedaan. Voor den eerste ging een licht op. Hij begon in te zien, dat een geestelijk koningschap voor de menschheid van nog grooter belang kon zijn, dan een aardsch koninkrijk, en dat een Verlosser, meer dan de machtigste koning, een Gode waardige gave zou zijn.
Na eenigen tijd verbrak Balthasar het stilzwijgen en zeide: Het wordt tijd dat wij opbreken en onze reis vervolgen. Ik brand van verlangen om hem te zien, die mijne gedachten geheel vervult. Laat dat verlangen mijne verontschuldiging zijn, zoon van Hur, als ik u tot spoed aanzet.
Terwijl de Ethiopiër alles weer opbergde bracht de Arabische gids de paarden voor, en weldra was het gezelschap op weg om de karavaan in te halen, die hen naar alle waarschijnlijkheid reeds vooruit gekomen was.
Op den derden dag van de reis nam het gezelschap tegen den middag een weinig rust bij de beek Jabbok. Zij troffen daar ruim honderd mannen aan, grootendeels uit Perea, die hier met hetzelfde doel als zij vertoefden. Nauwelijks waren zij afgestapt, of een man trad op hen toe met een kruik water en bood hun een frisschen dronk aan, van welk aanbod zij gaarne gebruik maakten. De man bekeek intusschen den kameel en zeide: Wat een prachtig dier! Ik kom juist van den Jordaan, waar het dezer dagen druk bezocht is door reizigers van nabij en van verre, maar geen van hunne kameelen kan in de schaduw staan van dezen. Mag ik vragen van welk ras hij is?
Balthasar bevredigde zijne nieuwsgierigheid en ging toen wat rusten, maar Ben-Hur vraagde: Waar is het zoo druk?
—Te Bethabara.
—Daar placht het vroeger heel eenzaam te zijn, zeide Ben-Hur, hoe komt het daar nu zoo vol?
—O, ik zie het al, zeide de vreemdeling, gij komt ook van buitenaf en hebt het goede nieuws nog niet gehoord.
—Welk goed nieuws?
—Er is een man uit de woestijn gekomen, een heilig man, die een nieuwe leer predikt. Hij noemt zich Johannes, den zoon van Zacharia, en hij zegt, dat hij de voorlooper is van den Messias. Men verhaalt van hem, dat hij van jongsaf gewoond heeft in een spelonk bij Engedi, en zijn tijd doorbracht met bidden en vasten. Geheele scharen gaan uit om hem te hooren. Ik ben er ook geweest.
—En deze mannen? Komen die er ook vandaan?
—Verscheidene, maar de meesten moeten nog gaan.
—Wat predikt hij?
—Een nieuwe leer, zooals nog nooit in Israël verkondigd werd, zegt men. Hij spreekt over bekeering en over den doop. De rabbi's weten niet wat zij van hem denken moeten. Sommigen vraagden hem of hij de Christus is, of Elia, maar hij antwoordt allen, die hem zulke vragen doen: Ik ben de stem des roependen in de woestijn, maakt den weg des Heeren recht!
Op dit oogenblik werd hij weggeroepen. Kort daarna maakten Balthasar en Ben-Hur zich weder op, zoodat zij den volgenden dag het doel hunner reis bereikten.
Een levendig tafereel trof hun oog. Een menigte tenten was langs de rivier opgeslagen, terwijl de beide oevers zwart van menschen waren. Toen ons gezelschap aankwam ontstond er beweging onder de schare, waaruit zij opmaakten, dat de spreker zijn rede geëindigd had.
—'t Beste wat wij kunnen doen is, dat wij hier blijven staan, zeide Ben-Hur, misschien komt de Nazireër dezen weg langs.
Het volk was te zeer vervuld van het gehoorde om acht te slaan op de nieuw aangekomenen. Deze bleven waar zij waren en zagen gansche gezelschappen langs zich heen trekken. Reeds vreesden zij, dat zij den Nazireër heden niet meer te zien zouden krijgen, toen zij een man zagen naderen, wiens uiterlijk zoo zonderling was, dat zij voor niets anders meer oogen hadden. Lange zwarte lokken omgaven zijn vermagerd, ernstig gelaat, waarin een paar groote fonkelende oogen terstond de aandacht trokken. Hij was gekleed in een kemelharen kleed, met een leeren gordel om de lendenen. In zijne hand hield hij een staf, hoewel hij geen steun behoefde, want zijn gang teekende kracht en vastberadenheid. Vorschend zag hij rond, alsof hij iemand zocht.
De schoone Egyptische zag den zoon der woestijn verbaasd, ja met onwil aan. Zij wenkte Ben-Hur tot zich en vraagde spotachtig: Is dat de heraut van uwen koning?
—Dat is de Nazireër, antwoordde hij, zonder haar aan te zien.
Om de waarheid te zeggen—hijzelf was meer dan teleurgesteld. Hoewel hij dikwijls gehoord had van de asceten, die in Engedi woonden, hunne kleeding, hunne onverschilligheid voor wereldsche gemakken, hunne afgezonderde levenswijze, hunne boetedoeningen kende, en hoewel hij geweten had dat hij een Nazireër zou zien, die zichzelven aankondigde als: eene stem des roependen in de woestijn, had hij toch gehoopt, dat de heraut van den grooten koning eenig uiterlijk kenteeken van macht en aanzien zou vertoonen. Dezen woestijnbewoner met de oogen volgende dacht hij aan de hovelingen in het keizerlijke paleis te Rome, en de vergelijking deed hem beschaamd, verward en verlegen antwoorden: Het is de Nazireër.
Met Balthasar was het geheel anders. Hij wist dat Gods wegen niet zijn als der menschen wegen. Hij had den Verlosser als een kind in de kribbe zien liggen en was dus voorbereid op grooten eenvoud bij het optreden van den godsgezant. Hij verwachtte geen koning. Met gevouwen handen bleef hij zitten en zacht bewogen zich zijne lippen als in een gebed.
Op dit oogenblik naderde iemand van de andere zijde, den Nazireër te gemoet. Nauwelijks had deze hem in het oog gekregen, of hij bleef staan en hief zijn staf op, ten einde de aandacht des volks tot zich te trekken. Groote stilte heerschte op eenmaal onder de bewegelijke schare, en toen de Dooper zag, dat hij zijn doel bereikt had, wees hij met zijn staf op den persoon, die langzaam nader kwam. Ook Ben-Hur en Balthasar volgden de aanwijzing en zagen een rijzig slank gebouwd man, met een gelaat, dat men niet licht vergeten zou. Het lange bruingouden haar was in het midden gescheiden. De groote donkerblauwe oogen straalden met liefelijken glans onder het open voorhoofd, en de uitdrukking van zijn geheele wezen was rustig en edel. Hij droeg een lang wit linnen gewaad met wijde mouwen, en een talith, het daarbij behoorende wit linnen overkleed, onderaan met blauw afgezet. De door de wet aan de rabbijnen voorgeschreven wit en blauwe kwasten versierden zijn kleed. Zijne sandalen waren van de eenvoudigste soort.
Daar riep de Dooper met luide stem: Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt!
De indruk, dien deze woorden maakten, was zeer groot, voor Balthasar overweldigend. Het werd hem vergund den Verlosser der menschheid nogmaals te zien. Daar stond Hij, naar wien hij zoo lang smachtend had uitgezien, het ideaal zijner droomen, volmaakt in gestalte, gelaat, houding. Nogmaals riep de Dooper: Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt! Deze is het van welken ik gezegd heb: na mij komt een man, die vóór mij geworden is, want hij was eer dan ik. En ik kende hem niet; maar opdat hij aan Israël geopenbaard zou worden, daarom ben ik gekomen, doopende met water. Ik heb den Geest zien nederdalen uit den hemel, gelijk eene duif, en hij bleef op hem. En ik kende hem niet; maar die mij gezonden heeft om te doopen met water, die had mij gezegd: Op welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op hem blijven, deze is het, die met den Heiligen Geest doopt. En ik heb gezien, en heb getuigd, dat deze de Zoon van God is.
—Dat is hij, dat is hij! riep Balthasar, sloeg de oogen naar boven, en viel door aandoening overmand achterover in zijnen zetel.
Met geheel andere gewaarwordingen beschouwde Ben-Hur den vreemdeling. Hij was niet ongevoelig voor de reinheid, den ootmoed, de heiligheid, die zijn gelaat uitdrukte: Wie is hij? En wat is hij? Messias of koning?—Vorstelijk was zijn voorkomen niet. Op dat kalm, vriendelijk gelaat ziende was de gedachte aan oorlog en heerschzucht hem eene ontwijding. Hij voelde dat Balthasar gelijk had, en Simonides ongelijk. Neen, zeide hij tot zichzelven, deze man is niet gekomen om den troon van Salomo weder op te bouwen. Hij heeft noch den aard, noch de gaven van Herodes. Een koning moge hij wezen, maar niet van een rijk, grooter en machtiger dan Rome.
Het gelaat van dien man kwam hem niet onbekend voor ... waar had hij het meer gezien? Hij peinsde en peinsde, en ja, daar zag hij in den geest op eenmaal in het verre verleden het tooneel bij de bron te Nazareth weer. Hij zag zichzelven, neergezonken op den stoffigen weg; hij zag de jonkman met de gevulde waterkruik tot zich komen om hem te laten drinken; hij zag weder die oogen vol liefde en mededoogen op zich gevestigd. Wat de Dooper zeide ging voor hem verloren, alleen de laatste woorden drongen tot hem door: Deze is de Zoon van God!
Ben-Hur sprong van zijn paard om aan de voeten van zijnen weldoener neer te knielen, maar Iras riep hem tot zich: Zoon van Hur, kom hier en help mij! Mijn vader sterft!
Hij bleef staan, keek om, en snelde naar haar toe. Zij gaf hem een beker en hij liep naar de rivier om water te halen. Toen hij terugkwam was de vreemdeling verdwenen.
Zoodra Balthasar bijgekomen was vraagde hij: Waar is hij?
—Wie? vraagde Iras.
—Hij, de Zoon van God, dien ik daareven zag!
—Gelooft gij dat ook? vraagde Iras zacht aan Ben-Hur.
—Het is een tijd van wonderen. Laat ons wachten, luidde zijn antwoord.
Den volgenden dag was op die plaats weer een groote schare bijeen. Ook onze vrienden waren aanwezig.
Midden in zijne rede brak de Dooper af en riep met luide stem: Zie het Lam Gods!
De aanwijzing van den Dooper volgende zagen zij weder den vreemdeling. Toen Ben-Hur zijn heilig gelaat, zoo vol majesteit en mededoogen, aanschouwde, viel hem eensklaps iets in. Ja, dacht hij, Balthasar heeft gelijk, maar Simonides ook. Kan de Messias niet te gelijkertijd koning zijn?
Hij wendde zich tot iemand die naast hem stond en vraagde: Wie is dat?
Met een spottend lachje antwoordde de man: Dat is de zoon van een timmerman uit Nazareth.
—Esther! laat mij een beker water brengen!
—Wilt gij niet liever wijn hebben, vader?
—Beide dan.
Dit gesprek had plaats in het zomerhuis op het platte dak van het paleis der familie Hur te Jeruzalem, en terwijl Esther zich haastte om aan den wensch van haren vader te voldoen, kwam een bediende de trap op en overhandigde haar een verzegeld pakje.
De lezer moet weten, dat het nu 21 Maart is volgens onze tijdrekening, ongeveer drie jaren na de aankondiging van den Christus te Bethabara. Malluch had voor Ben-Hur, die het verval der ouderlijke woning niet langer kon aanzien, het huis gekocht van Pilatus, en het geheel laten opknappen en verfraaien, zoodat er niets overbleef, dat het droevig tooneel van vroeger kon herinneren. Men meene echter niet dat Ben-Hur openlijk als de eigenaar was opgetreden. Hij meende dat het uur daartoe nog niet geslagen was, evenmin als voor het dragen van zijn vaders naam. Het grootste gedeelte van zijn tijd bracht hij door met in Galilea alles voor te bereiden, opdat hij gereed mocht zijn, als de Nazarener hem noodig zou hebben, de Nazarener, die hem dagelijks onbegrijpelijker toescheen, en hem door de wonderen, die hij deed, in een staat van spanning en twijfel hield, zoowel aangaande zijn karakter, als aangaande zijne zending. Enkele malen kwam hij op naar Jeruzalem, en vertoefde dan in het ouderlijke huis, echter altijd als vreemdeling en gast.
Deze bezoeken waren echter niet alleen om uit te rusten van den arbeid. Balthasar en Iras woonden mede in het paleis, en de bekoorlijkheid der dochter hield hem nog steeds gevangen, terwijl haar vader, hoewel naar het lichaam verzwakt, hem wist te boeien door vurige betoogen over de goddelijkheid van hem, die het land doorging goed doende.
Wat Simonides en Esther betreft, zij waren eerst een drietal dagen geleden uit Antiochië herwaarts gekomen. De reis was zeer vermoeiend geweest voor den koopman, doch eenmaal hier gevoelde hij zich uitermate gelukkig, dat hij weer in zijn vaderland was. Het grootste gedeelte van den dag bracht hij door op het platte dak. Hier zag hij de zon opgaan en ondergaan, hier bracht de wind hem van over de heuvelen nieuwe levenskracht aan.
Daarom vergat hij echter de zaken niet, o neen. Elken dag ontving hij bericht van Sanballat, die het kantoor in Antiochië waarnam, en elken dag zond hij Sanballat de noodige aanwijzingen, zóó uitvoerig, dat zelfs een oningewijde moeilijk zou hebben kunnen dwalen.
Esther ging intusschen naar haar zomerhuisje terug met het pakje in de hand. Zij bezag het zegel, herkende het voor dat van Ben-Hur, en versnelde met blozend gelaat haren stap. Simonides bekeek eveneens het zegel alvorens het pakje te openen, reikte haar toen den brief toe, die er in was, zeggende: Lees, mijn kind.
Hij zag haar aan, terwijl hij sprak, en zijn gelaat betrok.
—Ik zie dat gij reeds weet van wien dit komt, Esther.
—Ja, vader. Van onzen jongen meester.
Hoewel zij langzaam, als met moeite sprak, zagen hare lieve oogen hem trouwhartig aan.
—Gij hebt hem lief, Esther.
—Ja, vader.
—Hebt ge er over nagedacht wat dat zeggen wil?
—Ja, vader. Ik heb mijn best gedaan om niet anders aan hem te denken, dan als aan den meester, dien ik toebehoor. Het heeft mij echter niet veel geholpen.
—Goed kind! Gij lijkt op uwe moeder, Esther. God vergeve mij, maar uwe liefde zou misschien niet ijdel geweest zijn, als ik behouden had wat ik had, zooals ik had kunnen doen. Geld is macht.
—Dan zou ik er veel slechter aan toe zijn, vader. Dan zou ik niet waard zijn, dat hij mij aanzag, en kon ik niet trotsch zijn op u. Zal ik u nu den brief voorlezen?
—Wacht nog even, kind. Om uw zelfswil moet ik u het ergste zeggen. 't Is misschien minder zwaar voor u, als wij het samen onder de oogen zien. Hij heeft een ander lief, mijn kind.
—Ik weet het, zeide zij ernstig.
—De Egyptische heeft hem in hare netten gevangen, vervolgde hij. Zij is zeer geslepen en daarenboven schoon, maar zij heeft geen hart. De dochter, die haren vader veracht, zal haren echtgenoot ongelukkig maken.
—Veracht zij haar vader?
—Ja. Haar vader is een wijs man, en, voor een heiden, op bijzondere wijze begenadigd. Zijn geloof strekt hem tot eer, maar zij lacht er mee. Gisteren hoorde ik haar zeggen: De dwaasheden der jeugd zijn vergefelijk. Den ouderdom betaamt wijsheid. Heeft een grijsaard die verloren, dan wordt het tijd dat hij sterft.—Dat zeide zij met het oog op haren vader. Wreede woorden, die men uit den mond van een Romein kon verwachten. Gij, mijn kind, zult, wat er ook van mij worde, nooit zeggen: het wordt tijd dat hij sterft. Neen, want uwe moeder was eene dochter Israëls.
Met tranen in de oogen kuste zij zijne hand en zeide: En ik ben het kind van mijne moeder.
—Ach, mijn kind, hernam haar vader na een kort zwijgen, als hij eenmaal de Egyptische getrouwd heeft, zal hij met wroeging aan u terug denken, want dan zal hij bemerken, dat zij hem slechts gebruiken zal om hare eerzucht te dienen. Rome is het middelpunt van hare droomen. Voor haar is hij de zoon van Arrius den duumvir, niet de zoon van Hur, vorst van Jeruzalem.
—Red hem, vader, smeekte zij, red hem, het is nog niet te laat.
Met een twijfelachtig lachje antwoordde hij: Een verdrinkende laat zich redden, een verliefde niet.
—U hebt toch invloed op hem. Hij staat zoo alleen in de wereld! Toon hem het gevaar, waarin hij verkeert. Zeg hem hoe gevaarlijk de Egyptische is!
—Dat zou hem uit hare handen kunnen redden, maar zou het hem aan u geven? Ach neen. Ik zou toch niet kunnen zeggen: mijne dochter heeft u lief....
—Maar vader, viel zij hem in de rede, dat bedoel ik immers niet! Ik dacht alleen aan hem, niet aan mijzelve. Zal ik u nu den brief voorlezen?
—Ja, doe dat.
Zij begon dadelijk, blijde dat zij dit onderwerp kon laten rusten.