Chapter 4

1J. H. Halbertsma,Hulde aanGysbert Japiks, Leeuw. 1827, II 305.↑2Behoudens eenige taalkundige wijzigingen, is de tekst der Beschrijving onveranderd gelaten. Daar zij echter door velen vereerd wordt als een nuttig Leesboek over het Zonne- en Planetenstelsel, zoo heeft een deskundige bij deze uitgave eenige opgaven en tabellen gevoegd, welke de hoofd-elementen van het Planetenstelsel, naar dentegenwoordigenstand der wetenschappen, bevatten.↑3Om verdere bijzondere aanhalingen te vermijden, zij het mij vergund, de bronnen hier in eens aan te wijzen, waaruit het volgende is geput: 1º. De opdragt en Beschrijving van Prof.Van Swinden, waarin verscheidene bijzonderheden voorkomen; 2º. de Voorrede van Do.Jan Brouwervoor de 2euitgave dezer Beschrijving, van 1824; 3º. Mr.Jac. Scheltema,Leven vanEisinga, in zijnGeschied- en Letterkundig Mengelwerk, Amst. 1818, 2edl. 2est. 186; 4º. Prof.J. W. de Crane,Letter- en Geschiedkundige Verzameling van eenige Biographische Bijdragen en Berigten, Leeuw. 1841, 79 en verv.; 5º.J. van Leeuwen,Hulde aanE. Eisinga, inde Vrije Fries, 1847, V 86. Verder hebbenJacobus Eisinga, de tegenwoordige bewoner van het Planetarium, en zijn neefAne Stephanus EijsingateDronrypmij eenige berigten omtrent hunne vaders (EiseenStephanus) medegedeeld en de verder verlangde hulp bewezen. De eerste heeft mij bovendien verpligt door mij de verklarende beschrijving van het raderwerk, benevens de albums ten gebruike te verleenen.↑4Corn. EkamaOratio de Frisia ingeniorum Mathematicorum inprimis fertili, dicta Fran. 1809. Dikwijls heb ik het mijn hooggeachten vriend Prof.J. W. de Cranehooren betreuren, dat hij het plan niet volbragt had, om van deze rede, waartoe hij de historische bouwstoffen verschaft had, eene vertaling te geven, met bijvoeging van levensschetsen der daarin vermelde personen, gelijk Prof.G. de Walzijne oratie over de Friesche Regtsgeleerden in 1825 vermeerderd heeft uitgegeven.↑5Zie over dezen voortreffelijken man het werkje:Willem Loréen zijne Dijken en Sluizen, in 1835 door Prof.De Craneen mij uitgegeven.↑6Zie uitvoeriger berigten over laatstgenoemde personen inScheltema,Mengelwerk, 3edl. 3est. bl. 225, enDe Crane,Verzameling, 97, 105;N. Mulder,Oratio, de meritis Dav. Meese, Gron. 1823.↑7Meest al de vermelde werken zijn door mij verzameld in eene reeds vrij talrijke bibliotheek vanWerken van Friezen, in verschillende vakken, welke, als letterkundige bronnen, mij hier voor het eerst zeer te stade kwamen.↑8Dit voortreffelijk handschrift in folio berust thans in de Bibliotheek van hetFriesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en TaalkundeteLeeuwarden.↑9Hij werd begraven nevens den hoofdingang der kerk vanDronrijp. Nog is daar op de zerk het grafschrift leesbaar, waarmede de zoon den vader vereerde, en hetwelk een zeldzaam blijk draagt van beider geestrigting. Het luidt:JELTE EISES EISINGAWas in den tijd van dit noodlottig levenVan God een wonderbaar vernuft gegeven,Die door zijn eigen vinding dingen wrocht,En door zijn eigen hand tot rijpheid brogt,Zoodat men boven zijn NatuurgenotenDen lof en roem van vele zag vergroten.’t Ligchaam is hier ter ruste neergeleidTot dat de Heer het wekt tot d’ eeuwigheid.Zijn ouderdom doe hij stierf met de jaren Christy geaddeerd maakt1854 and StartFraction 204 Over 365 EndFraction. En de jaren Christy met het ¼ van zijne jaren gemultipliceert komt31 comma 120 and StartFraction 292849 Over 332900 EndFraction.↑10Het eerste werkje was getiteld:de Conjunctie van Venus met de Zon in 1761, waar bij aangetoont wort, de grote Nuttigheid van deze zo aanmerkelijke verschijning op de aarde. Met bijvoeging wegens de Conjunctie van Saturnus met Jupiter in 1762, met 7 Platen; en het tweede:Korte dog zakelijke Aantekening, wegens de vinding der Zons Paralaxis, grootheit der Zonne, en afstand van de aardeenz. met eene plaat van Venus voor de Zon. Uit dankbaarheid droeg hij dit geschrift aan Gedep. Staten op, en noemt al de personen, welke de berekeningen mede hebben opgemaakt, als zijne leerlingen:Pieter Christoffels,Rinnert Johannis,Joh. Loyenga,Reiner Buising,Albartus Bloem,Joh. Sardoren zijne twee zonenW. W.enT. W. Foppes. In deLeeuw. Courantvan 10 Junij 1761 komt een kort verslag van deze waarnemingen voor.↑11Deze hoofdnering vanFraneker, welke toen jaarlijks 200,000 ponden wol, tegen 10 à 14 stuivers het pond, meest door vrouwen en kinderen liet verdienen, is van lieverlede dermate achteruit gegaan, dat er thans geene of nog eene halve wolkammerij meer in werking is. Men is voor buitenlandsche mededinging bezweken, daar de Friesche wol thans, als grondstof, over de grenzen wordt uitgevoerd.↑12Dit werkje, teLeeuwardendoorA. FerwerdaenG. Treslinguitgegeven, begint: «Van de Aarde, derzelver Verbranding, de wijze op welke, over de tijd wanneer deze grote gebeurtenis zal zijn» enz. De in deLeeuw. Courantbreed aangekondigde uitgave werd echter opgehouden tot na 8 Mei, toen de vrees geweken was.↑13Zie over het deswege voorgevallene deNieuwe Nederl. Jaarboeken, 1774, 1est. bl. 412; het 12edl. van het Tijdschriftde Denker, en deLeeuw. Cour.van 16 April.↑14Deze spreuk, welke ook boven den ingang der voormalige Schepenskamer op het Raadhuis teFranekergevonden wordt, had hij geschilderd op eene smalle plank, welke nog bewaard is. Zoo had ook mijn vriendArjen Roelofseene spreuk, die hij bij zijne oefeningen in de graveerkunst herhaaldelijk in het koper sneed, en als levensgids trachtte op te volgen:Laat geen dag voorbij gegaan,Of gij hebt iets goeds gedaan.↑15De titel van dit werkje was:de Vriesche Koopman, zijnde een uitreekening van alle Impositiën en Binnenl. Middelen, vervat in ’s Lands Lijst of Placaat enz., benevens een Aanhangzel van de Verhooging op die Waarenenz. in smal folio of lang 4o. 140 bl. à 22 stuiv. In 1780 verscheen daarvan eene tweede verbeterde uitgave.↑16Deze korte beschrijving van den toestand en uitwendige vertooning van het kunststuk, toen Prof.van Swindenhet voor het eerst zag, is genomen uit het hierna te vermelden HS. vanEisinga: beschrijving van het zamenstel, raderwerk enz.↑17Thans reeds bestaat dat Album uit zes banden en bevat het, volgens eene globale berekening, een getal van 60 à 70 duizend namen van personen, die gedurende 70 jaren het Planetarium hebben bezocht. Daaronder bevinden zich handteekeningen van zeer gewigtige en beroemde mannen, wier namen wij hier gaarne zouden vermelden, als wij wisten wáármede wij zouden beginnen en wáár eindigen.↑18De menigvuldige blijken daarvan heb ik voor eenige jaren bijeenverzameld en medegedeeld in eene Voorlezing bij het Friesch Genootschap.↑19Deze missive bezit ik in originali onder mijne groote Verzameling oorspronkelijke stukken betreffende deFraneker Akademieuit de 17een 18eeeuw, voor een groot deel uitmakende het Archief der Heeren Curatoren dier Akademie, welke mij voor eenige jaren, uit den boedel van een aanzienlijk en uitgestorven geslacht, zijn vereerd.↑20Op bl. 7 van het hierna te melden HS. en bijScheltema, bl. 214 worden deze en meerdere verbeteringen uitvoeriger vermeld, en vooral in deBijvoegselstot deze Beschrijving.↑21Volgens het slot derBijvoegselstot deze Beschrijving, wasEisinga, op uitnoodiging van velen, bijzonder van den Leidschen HoogleeraarC. Ekama, voornemens deze Beschrijving en Afbeeldingen te laten drukken, waaraan echter geen gevolg is gegeven.↑22Volgens het Album hebben van September 1787 tot Junij 1797 alleenLodewijk,Graaf van Bentheimen drie andere personen het kunststuk bezigtigd en zich ingeschreven.↑23Dit stuk is nog aanwezig bij ’s mans schoonzoonJ. B. Hoffman, Koek- en Banketbakker teFraneker. Later zijn daarvan nog twee ex. vervaardigd, welke de HeerO. W. RoelofsteAmsterdamenPaulus Everts ScheltemateFranekerhebben bezeten.↑24Eisinga’s eigene denkbeelden, over aan te brengen verbeteringen in een lokaal drie maal zoo lang als breed, heeftScheltema, 222 medegedeeld. In brieven aan zijne familie uitGronau, van Jan. en Maart 1790, heeft hij het plan medegedeeld van een op nieuw door hem uitgevonden «uitmuntend schoon en nuttig Hemisphærium en Planetarium, veel eenvoudiger, veel volmaakter en met de natuur meer overeenkomstig dan het bestaande.»Hij wilde dit plaatsen in een rond gebouw van 28 voet middellijn of meer, met koepeldak, en de bol der zon in het midden daarvan op een kolom, omgeven met een trap, waaronder zich het uurwerk zou bevinden. De zich daar om heen bewegende planeten wenschte hij zóó te plaatsen, dat, als hij op den bovensten trap stond en het oog hield bij het bolletje der aarde, hij dan van daar den geheelen sterrenhemel met zon, maan en planeten ieder op zijn tijd en plaats kun zien op- en ondergaan, en door den meridiaan en verdere streken van het kompas passeren. Het is dit plan, dat hij in 1790 aan Curatoren heeft medegedeeld, echter zonder gevolg.↑25Zie dat Verslag in deKon. Courant, 1810, 144, 145;Jaarboeken van Wetenschappen en Kunsten, II 187;Konst- en Letter-bode, 1810, II 4 en 19;De Crane,Verzameling, 98.—In 1809 ondergingEisingaeen grievend verlies door het overlijden van zijn oudsten zoonJelte, die, door zijn vader gevormd, in lust en geschiktheid voor de Wis- en Werktuigkunde aan dezen gelijk was.↑26Daar hij als Wolkammer ijverig zijn beroep bleef waarnemen, viel hem in 1820 de onderscheiding te beurt, dat de monsters saaijet, door hem uit zijne fabriek op de tentoonstelling teGentingezonden, met eene medaille van brons vereerd werden. Reeds toen was dit bedrijf zeer in vertier gedaald.↑27Zoodanig was de toedragt der zaak, gelijk ik mij levendig herinner die vernomen te hebben uit den mond van den edelen Jhr.van Humalda, in die gelukkige uren van de jaren 1828 tot 1834, toen hij mij wekelijks een dag bij zich noodigde, en hij mij met vaderlijke goedheid in altijd leerzame gesprekken onderhield over dichtkunst, geschiedenis en andere wetenschappen, waarin hij een schat van kennis bezat. Uit de voorstelling van den Hoogl.de Crane,Verz.85, zou toch kunnen afgeleid worden, alsof het denkbeeld der hulde van Jhr.van Humaldawas uitgegaan, terwijl het der Regering vanFranekertoekomt. Genoemde Jhr. teLeeuwardenden 12 Sept. 1754 geboren, was opHobbema-stateteDronrypopgevoed, en had daar te gelijk metEisingaop de dorpsschool onderwijs ontvangen.↑28De edele spreker had hierbij vooral op het oog zijne pogingen, om (toenA. G. Camper’s overdrevene aanzoeken tot herstel van deAkademiein 1815 mislukten) teFranekereenRijks Athenæumte stichten, ten einde niet alles te verliezen. Dat hij daartoe «geene moeite, geene pogingen had onbeproefd gelaten,» daarvoor bedankteCamperhem openlijk in zijne Redevoering bij de inwijding van het Athenæum, bl. 48.↑29Ook de hoogbejaarde voortreffelijke Hoogleeraarde Cranedeed dit, zoo als ik dikwijls uit zijnen mond mogt vernemen, toen ik, na den dood van Jhr.van Humalda(1834), in hem een dergelijken vaderlijken vriend mogt vinden, bij wien ik vele dagen, vol van wetenschappelijk genot, doorbragt. In zijne belangrijkeVerzameling van Biographische Bijdragen, 85, beeft hij dezen feestdag uitvoeriger beschreven. Zelden zag men in iemand zoo veel humaniteit en geleerdheid vereenigd als in dezen beminnelijken man. Ook dáárom verlangen wij zoo zeer naar de Levensbeschrijving, welke zijn kleinzoon, de Heer Mr.A. Telting, van hem zou geven.↑30Niet lang naEisinga’s dood werd zijn kunststuk met veel lof vermelddoorBowringin zijnIets over de Friesche Letterkunde, bl. 48, eerst geplaatst in deForeign Reviewen door Mr.A. Teltingvertaald vóór zijneBrieven, in 1829 uitgegeven; alsmede door W.van den Hull,Over de belangrijkheid eens zestigjarigen ouderdoms, in 1832, bl. 132. Ook inCollot d’ Escury,Hollands Roem, VI 260 en in hetAanhangselopNieuwenhuisWoordenboek, II 516, wordt hij naar waarde vermeld.↑31Als latere bijzonderheden, het Planetarium betreffende, zouden hier nog melding verdienen, dat het in 1828 geheel nieuw is opgeschilderd;—dat van den tweeden druk dezer Beschrijving in 1831 bijG. YpmateFranekereeneNieuwe Uitgaveis verschenen, welke alleen een anderen titel heeft;—dat in 1838 de toegang tot het raderwerk veel verbeterd is, evenwel met opoffering van het kleine en karakteristieke studeervertrekje van den maker;—datZ. M. WillemII den 20 Julij 1841 het kunststuk andermaal heeft bezocht, toen met H. M. de Koningin en PrinsesSophia, benevens aanzienlijk gevolg;—dat het gebouw in 1843 is overgenomen door den Gouverneur vanFrieslandmet al het materieel van het opgeheven Athenæum;—dat in 1848 door het wegnemen van den schoorsteen het vertrek een ruimer aanzien en tevens grootere vensters en glazen bekomen heeft, terwijl boven het raderwerk losse planken gelegd zijn, om het te beter te kunnen naderen;—dat dit raderwerk jaarlijks doorEisinga, den zoon, wordt uit elkander genomen, schoon gemaakt en ineengezet, zonder ooit eenige noemenswaardige herstelling te behoeven, en dat het Planetarium verder zijn geregelden loop behoudt en bij voortduring door talrijke bezoekers beschouwd wordt.↑

1J. H. Halbertsma,Hulde aanGysbert Japiks, Leeuw. 1827, II 305.↑2Behoudens eenige taalkundige wijzigingen, is de tekst der Beschrijving onveranderd gelaten. Daar zij echter door velen vereerd wordt als een nuttig Leesboek over het Zonne- en Planetenstelsel, zoo heeft een deskundige bij deze uitgave eenige opgaven en tabellen gevoegd, welke de hoofd-elementen van het Planetenstelsel, naar dentegenwoordigenstand der wetenschappen, bevatten.↑3Om verdere bijzondere aanhalingen te vermijden, zij het mij vergund, de bronnen hier in eens aan te wijzen, waaruit het volgende is geput: 1º. De opdragt en Beschrijving van Prof.Van Swinden, waarin verscheidene bijzonderheden voorkomen; 2º. de Voorrede van Do.Jan Brouwervoor de 2euitgave dezer Beschrijving, van 1824; 3º. Mr.Jac. Scheltema,Leven vanEisinga, in zijnGeschied- en Letterkundig Mengelwerk, Amst. 1818, 2edl. 2est. 186; 4º. Prof.J. W. de Crane,Letter- en Geschiedkundige Verzameling van eenige Biographische Bijdragen en Berigten, Leeuw. 1841, 79 en verv.; 5º.J. van Leeuwen,Hulde aanE. Eisinga, inde Vrije Fries, 1847, V 86. Verder hebbenJacobus Eisinga, de tegenwoordige bewoner van het Planetarium, en zijn neefAne Stephanus EijsingateDronrypmij eenige berigten omtrent hunne vaders (EiseenStephanus) medegedeeld en de verder verlangde hulp bewezen. De eerste heeft mij bovendien verpligt door mij de verklarende beschrijving van het raderwerk, benevens de albums ten gebruike te verleenen.↑4Corn. EkamaOratio de Frisia ingeniorum Mathematicorum inprimis fertili, dicta Fran. 1809. Dikwijls heb ik het mijn hooggeachten vriend Prof.J. W. de Cranehooren betreuren, dat hij het plan niet volbragt had, om van deze rede, waartoe hij de historische bouwstoffen verschaft had, eene vertaling te geven, met bijvoeging van levensschetsen der daarin vermelde personen, gelijk Prof.G. de Walzijne oratie over de Friesche Regtsgeleerden in 1825 vermeerderd heeft uitgegeven.↑5Zie over dezen voortreffelijken man het werkje:Willem Loréen zijne Dijken en Sluizen, in 1835 door Prof.De Craneen mij uitgegeven.↑6Zie uitvoeriger berigten over laatstgenoemde personen inScheltema,Mengelwerk, 3edl. 3est. bl. 225, enDe Crane,Verzameling, 97, 105;N. Mulder,Oratio, de meritis Dav. Meese, Gron. 1823.↑7Meest al de vermelde werken zijn door mij verzameld in eene reeds vrij talrijke bibliotheek vanWerken van Friezen, in verschillende vakken, welke, als letterkundige bronnen, mij hier voor het eerst zeer te stade kwamen.↑8Dit voortreffelijk handschrift in folio berust thans in de Bibliotheek van hetFriesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en TaalkundeteLeeuwarden.↑9Hij werd begraven nevens den hoofdingang der kerk vanDronrijp. Nog is daar op de zerk het grafschrift leesbaar, waarmede de zoon den vader vereerde, en hetwelk een zeldzaam blijk draagt van beider geestrigting. Het luidt:JELTE EISES EISINGAWas in den tijd van dit noodlottig levenVan God een wonderbaar vernuft gegeven,Die door zijn eigen vinding dingen wrocht,En door zijn eigen hand tot rijpheid brogt,Zoodat men boven zijn NatuurgenotenDen lof en roem van vele zag vergroten.’t Ligchaam is hier ter ruste neergeleidTot dat de Heer het wekt tot d’ eeuwigheid.Zijn ouderdom doe hij stierf met de jaren Christy geaddeerd maakt1854 and StartFraction 204 Over 365 EndFraction. En de jaren Christy met het ¼ van zijne jaren gemultipliceert komt31 comma 120 and StartFraction 292849 Over 332900 EndFraction.↑10Het eerste werkje was getiteld:de Conjunctie van Venus met de Zon in 1761, waar bij aangetoont wort, de grote Nuttigheid van deze zo aanmerkelijke verschijning op de aarde. Met bijvoeging wegens de Conjunctie van Saturnus met Jupiter in 1762, met 7 Platen; en het tweede:Korte dog zakelijke Aantekening, wegens de vinding der Zons Paralaxis, grootheit der Zonne, en afstand van de aardeenz. met eene plaat van Venus voor de Zon. Uit dankbaarheid droeg hij dit geschrift aan Gedep. Staten op, en noemt al de personen, welke de berekeningen mede hebben opgemaakt, als zijne leerlingen:Pieter Christoffels,Rinnert Johannis,Joh. Loyenga,Reiner Buising,Albartus Bloem,Joh. Sardoren zijne twee zonenW. W.enT. W. Foppes. In deLeeuw. Courantvan 10 Junij 1761 komt een kort verslag van deze waarnemingen voor.↑11Deze hoofdnering vanFraneker, welke toen jaarlijks 200,000 ponden wol, tegen 10 à 14 stuivers het pond, meest door vrouwen en kinderen liet verdienen, is van lieverlede dermate achteruit gegaan, dat er thans geene of nog eene halve wolkammerij meer in werking is. Men is voor buitenlandsche mededinging bezweken, daar de Friesche wol thans, als grondstof, over de grenzen wordt uitgevoerd.↑12Dit werkje, teLeeuwardendoorA. FerwerdaenG. Treslinguitgegeven, begint: «Van de Aarde, derzelver Verbranding, de wijze op welke, over de tijd wanneer deze grote gebeurtenis zal zijn» enz. De in deLeeuw. Courantbreed aangekondigde uitgave werd echter opgehouden tot na 8 Mei, toen de vrees geweken was.↑13Zie over het deswege voorgevallene deNieuwe Nederl. Jaarboeken, 1774, 1est. bl. 412; het 12edl. van het Tijdschriftde Denker, en deLeeuw. Cour.van 16 April.↑14Deze spreuk, welke ook boven den ingang der voormalige Schepenskamer op het Raadhuis teFranekergevonden wordt, had hij geschilderd op eene smalle plank, welke nog bewaard is. Zoo had ook mijn vriendArjen Roelofseene spreuk, die hij bij zijne oefeningen in de graveerkunst herhaaldelijk in het koper sneed, en als levensgids trachtte op te volgen:Laat geen dag voorbij gegaan,Of gij hebt iets goeds gedaan.↑15De titel van dit werkje was:de Vriesche Koopman, zijnde een uitreekening van alle Impositiën en Binnenl. Middelen, vervat in ’s Lands Lijst of Placaat enz., benevens een Aanhangzel van de Verhooging op die Waarenenz. in smal folio of lang 4o. 140 bl. à 22 stuiv. In 1780 verscheen daarvan eene tweede verbeterde uitgave.↑16Deze korte beschrijving van den toestand en uitwendige vertooning van het kunststuk, toen Prof.van Swindenhet voor het eerst zag, is genomen uit het hierna te vermelden HS. vanEisinga: beschrijving van het zamenstel, raderwerk enz.↑17Thans reeds bestaat dat Album uit zes banden en bevat het, volgens eene globale berekening, een getal van 60 à 70 duizend namen van personen, die gedurende 70 jaren het Planetarium hebben bezocht. Daaronder bevinden zich handteekeningen van zeer gewigtige en beroemde mannen, wier namen wij hier gaarne zouden vermelden, als wij wisten wáármede wij zouden beginnen en wáár eindigen.↑18De menigvuldige blijken daarvan heb ik voor eenige jaren bijeenverzameld en medegedeeld in eene Voorlezing bij het Friesch Genootschap.↑19Deze missive bezit ik in originali onder mijne groote Verzameling oorspronkelijke stukken betreffende deFraneker Akademieuit de 17een 18eeeuw, voor een groot deel uitmakende het Archief der Heeren Curatoren dier Akademie, welke mij voor eenige jaren, uit den boedel van een aanzienlijk en uitgestorven geslacht, zijn vereerd.↑20Op bl. 7 van het hierna te melden HS. en bijScheltema, bl. 214 worden deze en meerdere verbeteringen uitvoeriger vermeld, en vooral in deBijvoegselstot deze Beschrijving.↑21Volgens het slot derBijvoegselstot deze Beschrijving, wasEisinga, op uitnoodiging van velen, bijzonder van den Leidschen HoogleeraarC. Ekama, voornemens deze Beschrijving en Afbeeldingen te laten drukken, waaraan echter geen gevolg is gegeven.↑22Volgens het Album hebben van September 1787 tot Junij 1797 alleenLodewijk,Graaf van Bentheimen drie andere personen het kunststuk bezigtigd en zich ingeschreven.↑23Dit stuk is nog aanwezig bij ’s mans schoonzoonJ. B. Hoffman, Koek- en Banketbakker teFraneker. Later zijn daarvan nog twee ex. vervaardigd, welke de HeerO. W. RoelofsteAmsterdamenPaulus Everts ScheltemateFranekerhebben bezeten.↑24Eisinga’s eigene denkbeelden, over aan te brengen verbeteringen in een lokaal drie maal zoo lang als breed, heeftScheltema, 222 medegedeeld. In brieven aan zijne familie uitGronau, van Jan. en Maart 1790, heeft hij het plan medegedeeld van een op nieuw door hem uitgevonden «uitmuntend schoon en nuttig Hemisphærium en Planetarium, veel eenvoudiger, veel volmaakter en met de natuur meer overeenkomstig dan het bestaande.»Hij wilde dit plaatsen in een rond gebouw van 28 voet middellijn of meer, met koepeldak, en de bol der zon in het midden daarvan op een kolom, omgeven met een trap, waaronder zich het uurwerk zou bevinden. De zich daar om heen bewegende planeten wenschte hij zóó te plaatsen, dat, als hij op den bovensten trap stond en het oog hield bij het bolletje der aarde, hij dan van daar den geheelen sterrenhemel met zon, maan en planeten ieder op zijn tijd en plaats kun zien op- en ondergaan, en door den meridiaan en verdere streken van het kompas passeren. Het is dit plan, dat hij in 1790 aan Curatoren heeft medegedeeld, echter zonder gevolg.↑25Zie dat Verslag in deKon. Courant, 1810, 144, 145;Jaarboeken van Wetenschappen en Kunsten, II 187;Konst- en Letter-bode, 1810, II 4 en 19;De Crane,Verzameling, 98.—In 1809 ondergingEisingaeen grievend verlies door het overlijden van zijn oudsten zoonJelte, die, door zijn vader gevormd, in lust en geschiktheid voor de Wis- en Werktuigkunde aan dezen gelijk was.↑26Daar hij als Wolkammer ijverig zijn beroep bleef waarnemen, viel hem in 1820 de onderscheiding te beurt, dat de monsters saaijet, door hem uit zijne fabriek op de tentoonstelling teGentingezonden, met eene medaille van brons vereerd werden. Reeds toen was dit bedrijf zeer in vertier gedaald.↑27Zoodanig was de toedragt der zaak, gelijk ik mij levendig herinner die vernomen te hebben uit den mond van den edelen Jhr.van Humalda, in die gelukkige uren van de jaren 1828 tot 1834, toen hij mij wekelijks een dag bij zich noodigde, en hij mij met vaderlijke goedheid in altijd leerzame gesprekken onderhield over dichtkunst, geschiedenis en andere wetenschappen, waarin hij een schat van kennis bezat. Uit de voorstelling van den Hoogl.de Crane,Verz.85, zou toch kunnen afgeleid worden, alsof het denkbeeld der hulde van Jhr.van Humaldawas uitgegaan, terwijl het der Regering vanFranekertoekomt. Genoemde Jhr. teLeeuwardenden 12 Sept. 1754 geboren, was opHobbema-stateteDronrypopgevoed, en had daar te gelijk metEisingaop de dorpsschool onderwijs ontvangen.↑28De edele spreker had hierbij vooral op het oog zijne pogingen, om (toenA. G. Camper’s overdrevene aanzoeken tot herstel van deAkademiein 1815 mislukten) teFranekereenRijks Athenæumte stichten, ten einde niet alles te verliezen. Dat hij daartoe «geene moeite, geene pogingen had onbeproefd gelaten,» daarvoor bedankteCamperhem openlijk in zijne Redevoering bij de inwijding van het Athenæum, bl. 48.↑29Ook de hoogbejaarde voortreffelijke Hoogleeraarde Cranedeed dit, zoo als ik dikwijls uit zijnen mond mogt vernemen, toen ik, na den dood van Jhr.van Humalda(1834), in hem een dergelijken vaderlijken vriend mogt vinden, bij wien ik vele dagen, vol van wetenschappelijk genot, doorbragt. In zijne belangrijkeVerzameling van Biographische Bijdragen, 85, beeft hij dezen feestdag uitvoeriger beschreven. Zelden zag men in iemand zoo veel humaniteit en geleerdheid vereenigd als in dezen beminnelijken man. Ook dáárom verlangen wij zoo zeer naar de Levensbeschrijving, welke zijn kleinzoon, de Heer Mr.A. Telting, van hem zou geven.↑30Niet lang naEisinga’s dood werd zijn kunststuk met veel lof vermelddoorBowringin zijnIets over de Friesche Letterkunde, bl. 48, eerst geplaatst in deForeign Reviewen door Mr.A. Teltingvertaald vóór zijneBrieven, in 1829 uitgegeven; alsmede door W.van den Hull,Over de belangrijkheid eens zestigjarigen ouderdoms, in 1832, bl. 132. Ook inCollot d’ Escury,Hollands Roem, VI 260 en in hetAanhangselopNieuwenhuisWoordenboek, II 516, wordt hij naar waarde vermeld.↑31Als latere bijzonderheden, het Planetarium betreffende, zouden hier nog melding verdienen, dat het in 1828 geheel nieuw is opgeschilderd;—dat van den tweeden druk dezer Beschrijving in 1831 bijG. YpmateFranekereeneNieuwe Uitgaveis verschenen, welke alleen een anderen titel heeft;—dat in 1838 de toegang tot het raderwerk veel verbeterd is, evenwel met opoffering van het kleine en karakteristieke studeervertrekje van den maker;—datZ. M. WillemII den 20 Julij 1841 het kunststuk andermaal heeft bezocht, toen met H. M. de Koningin en PrinsesSophia, benevens aanzienlijk gevolg;—dat het gebouw in 1843 is overgenomen door den Gouverneur vanFrieslandmet al het materieel van het opgeheven Athenæum;—dat in 1848 door het wegnemen van den schoorsteen het vertrek een ruimer aanzien en tevens grootere vensters en glazen bekomen heeft, terwijl boven het raderwerk losse planken gelegd zijn, om het te beter te kunnen naderen;—dat dit raderwerk jaarlijks doorEisinga, den zoon, wordt uit elkander genomen, schoon gemaakt en ineengezet, zonder ooit eenige noemenswaardige herstelling te behoeven, en dat het Planetarium verder zijn geregelden loop behoudt en bij voortduring door talrijke bezoekers beschouwd wordt.↑

1J. H. Halbertsma,Hulde aanGysbert Japiks, Leeuw. 1827, II 305.↑2Behoudens eenige taalkundige wijzigingen, is de tekst der Beschrijving onveranderd gelaten. Daar zij echter door velen vereerd wordt als een nuttig Leesboek over het Zonne- en Planetenstelsel, zoo heeft een deskundige bij deze uitgave eenige opgaven en tabellen gevoegd, welke de hoofd-elementen van het Planetenstelsel, naar dentegenwoordigenstand der wetenschappen, bevatten.↑3Om verdere bijzondere aanhalingen te vermijden, zij het mij vergund, de bronnen hier in eens aan te wijzen, waaruit het volgende is geput: 1º. De opdragt en Beschrijving van Prof.Van Swinden, waarin verscheidene bijzonderheden voorkomen; 2º. de Voorrede van Do.Jan Brouwervoor de 2euitgave dezer Beschrijving, van 1824; 3º. Mr.Jac. Scheltema,Leven vanEisinga, in zijnGeschied- en Letterkundig Mengelwerk, Amst. 1818, 2edl. 2est. 186; 4º. Prof.J. W. de Crane,Letter- en Geschiedkundige Verzameling van eenige Biographische Bijdragen en Berigten, Leeuw. 1841, 79 en verv.; 5º.J. van Leeuwen,Hulde aanE. Eisinga, inde Vrije Fries, 1847, V 86. Verder hebbenJacobus Eisinga, de tegenwoordige bewoner van het Planetarium, en zijn neefAne Stephanus EijsingateDronrypmij eenige berigten omtrent hunne vaders (EiseenStephanus) medegedeeld en de verder verlangde hulp bewezen. De eerste heeft mij bovendien verpligt door mij de verklarende beschrijving van het raderwerk, benevens de albums ten gebruike te verleenen.↑4Corn. EkamaOratio de Frisia ingeniorum Mathematicorum inprimis fertili, dicta Fran. 1809. Dikwijls heb ik het mijn hooggeachten vriend Prof.J. W. de Cranehooren betreuren, dat hij het plan niet volbragt had, om van deze rede, waartoe hij de historische bouwstoffen verschaft had, eene vertaling te geven, met bijvoeging van levensschetsen der daarin vermelde personen, gelijk Prof.G. de Walzijne oratie over de Friesche Regtsgeleerden in 1825 vermeerderd heeft uitgegeven.↑5Zie over dezen voortreffelijken man het werkje:Willem Loréen zijne Dijken en Sluizen, in 1835 door Prof.De Craneen mij uitgegeven.↑6Zie uitvoeriger berigten over laatstgenoemde personen inScheltema,Mengelwerk, 3edl. 3est. bl. 225, enDe Crane,Verzameling, 97, 105;N. Mulder,Oratio, de meritis Dav. Meese, Gron. 1823.↑7Meest al de vermelde werken zijn door mij verzameld in eene reeds vrij talrijke bibliotheek vanWerken van Friezen, in verschillende vakken, welke, als letterkundige bronnen, mij hier voor het eerst zeer te stade kwamen.↑8Dit voortreffelijk handschrift in folio berust thans in de Bibliotheek van hetFriesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en TaalkundeteLeeuwarden.↑9Hij werd begraven nevens den hoofdingang der kerk vanDronrijp. Nog is daar op de zerk het grafschrift leesbaar, waarmede de zoon den vader vereerde, en hetwelk een zeldzaam blijk draagt van beider geestrigting. Het luidt:JELTE EISES EISINGAWas in den tijd van dit noodlottig levenVan God een wonderbaar vernuft gegeven,Die door zijn eigen vinding dingen wrocht,En door zijn eigen hand tot rijpheid brogt,Zoodat men boven zijn NatuurgenotenDen lof en roem van vele zag vergroten.’t Ligchaam is hier ter ruste neergeleidTot dat de Heer het wekt tot d’ eeuwigheid.Zijn ouderdom doe hij stierf met de jaren Christy geaddeerd maakt1854 and StartFraction 204 Over 365 EndFraction. En de jaren Christy met het ¼ van zijne jaren gemultipliceert komt31 comma 120 and StartFraction 292849 Over 332900 EndFraction.↑10Het eerste werkje was getiteld:de Conjunctie van Venus met de Zon in 1761, waar bij aangetoont wort, de grote Nuttigheid van deze zo aanmerkelijke verschijning op de aarde. Met bijvoeging wegens de Conjunctie van Saturnus met Jupiter in 1762, met 7 Platen; en het tweede:Korte dog zakelijke Aantekening, wegens de vinding der Zons Paralaxis, grootheit der Zonne, en afstand van de aardeenz. met eene plaat van Venus voor de Zon. Uit dankbaarheid droeg hij dit geschrift aan Gedep. Staten op, en noemt al de personen, welke de berekeningen mede hebben opgemaakt, als zijne leerlingen:Pieter Christoffels,Rinnert Johannis,Joh. Loyenga,Reiner Buising,Albartus Bloem,Joh. Sardoren zijne twee zonenW. W.enT. W. Foppes. In deLeeuw. Courantvan 10 Junij 1761 komt een kort verslag van deze waarnemingen voor.↑11Deze hoofdnering vanFraneker, welke toen jaarlijks 200,000 ponden wol, tegen 10 à 14 stuivers het pond, meest door vrouwen en kinderen liet verdienen, is van lieverlede dermate achteruit gegaan, dat er thans geene of nog eene halve wolkammerij meer in werking is. Men is voor buitenlandsche mededinging bezweken, daar de Friesche wol thans, als grondstof, over de grenzen wordt uitgevoerd.↑12Dit werkje, teLeeuwardendoorA. FerwerdaenG. Treslinguitgegeven, begint: «Van de Aarde, derzelver Verbranding, de wijze op welke, over de tijd wanneer deze grote gebeurtenis zal zijn» enz. De in deLeeuw. Courantbreed aangekondigde uitgave werd echter opgehouden tot na 8 Mei, toen de vrees geweken was.↑13Zie over het deswege voorgevallene deNieuwe Nederl. Jaarboeken, 1774, 1est. bl. 412; het 12edl. van het Tijdschriftde Denker, en deLeeuw. Cour.van 16 April.↑14Deze spreuk, welke ook boven den ingang der voormalige Schepenskamer op het Raadhuis teFranekergevonden wordt, had hij geschilderd op eene smalle plank, welke nog bewaard is. Zoo had ook mijn vriendArjen Roelofseene spreuk, die hij bij zijne oefeningen in de graveerkunst herhaaldelijk in het koper sneed, en als levensgids trachtte op te volgen:Laat geen dag voorbij gegaan,Of gij hebt iets goeds gedaan.↑15De titel van dit werkje was:de Vriesche Koopman, zijnde een uitreekening van alle Impositiën en Binnenl. Middelen, vervat in ’s Lands Lijst of Placaat enz., benevens een Aanhangzel van de Verhooging op die Waarenenz. in smal folio of lang 4o. 140 bl. à 22 stuiv. In 1780 verscheen daarvan eene tweede verbeterde uitgave.↑16Deze korte beschrijving van den toestand en uitwendige vertooning van het kunststuk, toen Prof.van Swindenhet voor het eerst zag, is genomen uit het hierna te vermelden HS. vanEisinga: beschrijving van het zamenstel, raderwerk enz.↑17Thans reeds bestaat dat Album uit zes banden en bevat het, volgens eene globale berekening, een getal van 60 à 70 duizend namen van personen, die gedurende 70 jaren het Planetarium hebben bezocht. Daaronder bevinden zich handteekeningen van zeer gewigtige en beroemde mannen, wier namen wij hier gaarne zouden vermelden, als wij wisten wáármede wij zouden beginnen en wáár eindigen.↑18De menigvuldige blijken daarvan heb ik voor eenige jaren bijeenverzameld en medegedeeld in eene Voorlezing bij het Friesch Genootschap.↑19Deze missive bezit ik in originali onder mijne groote Verzameling oorspronkelijke stukken betreffende deFraneker Akademieuit de 17een 18eeeuw, voor een groot deel uitmakende het Archief der Heeren Curatoren dier Akademie, welke mij voor eenige jaren, uit den boedel van een aanzienlijk en uitgestorven geslacht, zijn vereerd.↑20Op bl. 7 van het hierna te melden HS. en bijScheltema, bl. 214 worden deze en meerdere verbeteringen uitvoeriger vermeld, en vooral in deBijvoegselstot deze Beschrijving.↑21Volgens het slot derBijvoegselstot deze Beschrijving, wasEisinga, op uitnoodiging van velen, bijzonder van den Leidschen HoogleeraarC. Ekama, voornemens deze Beschrijving en Afbeeldingen te laten drukken, waaraan echter geen gevolg is gegeven.↑22Volgens het Album hebben van September 1787 tot Junij 1797 alleenLodewijk,Graaf van Bentheimen drie andere personen het kunststuk bezigtigd en zich ingeschreven.↑23Dit stuk is nog aanwezig bij ’s mans schoonzoonJ. B. Hoffman, Koek- en Banketbakker teFraneker. Later zijn daarvan nog twee ex. vervaardigd, welke de HeerO. W. RoelofsteAmsterdamenPaulus Everts ScheltemateFranekerhebben bezeten.↑24Eisinga’s eigene denkbeelden, over aan te brengen verbeteringen in een lokaal drie maal zoo lang als breed, heeftScheltema, 222 medegedeeld. In brieven aan zijne familie uitGronau, van Jan. en Maart 1790, heeft hij het plan medegedeeld van een op nieuw door hem uitgevonden «uitmuntend schoon en nuttig Hemisphærium en Planetarium, veel eenvoudiger, veel volmaakter en met de natuur meer overeenkomstig dan het bestaande.»Hij wilde dit plaatsen in een rond gebouw van 28 voet middellijn of meer, met koepeldak, en de bol der zon in het midden daarvan op een kolom, omgeven met een trap, waaronder zich het uurwerk zou bevinden. De zich daar om heen bewegende planeten wenschte hij zóó te plaatsen, dat, als hij op den bovensten trap stond en het oog hield bij het bolletje der aarde, hij dan van daar den geheelen sterrenhemel met zon, maan en planeten ieder op zijn tijd en plaats kun zien op- en ondergaan, en door den meridiaan en verdere streken van het kompas passeren. Het is dit plan, dat hij in 1790 aan Curatoren heeft medegedeeld, echter zonder gevolg.↑25Zie dat Verslag in deKon. Courant, 1810, 144, 145;Jaarboeken van Wetenschappen en Kunsten, II 187;Konst- en Letter-bode, 1810, II 4 en 19;De Crane,Verzameling, 98.—In 1809 ondergingEisingaeen grievend verlies door het overlijden van zijn oudsten zoonJelte, die, door zijn vader gevormd, in lust en geschiktheid voor de Wis- en Werktuigkunde aan dezen gelijk was.↑26Daar hij als Wolkammer ijverig zijn beroep bleef waarnemen, viel hem in 1820 de onderscheiding te beurt, dat de monsters saaijet, door hem uit zijne fabriek op de tentoonstelling teGentingezonden, met eene medaille van brons vereerd werden. Reeds toen was dit bedrijf zeer in vertier gedaald.↑27Zoodanig was de toedragt der zaak, gelijk ik mij levendig herinner die vernomen te hebben uit den mond van den edelen Jhr.van Humalda, in die gelukkige uren van de jaren 1828 tot 1834, toen hij mij wekelijks een dag bij zich noodigde, en hij mij met vaderlijke goedheid in altijd leerzame gesprekken onderhield over dichtkunst, geschiedenis en andere wetenschappen, waarin hij een schat van kennis bezat. Uit de voorstelling van den Hoogl.de Crane,Verz.85, zou toch kunnen afgeleid worden, alsof het denkbeeld der hulde van Jhr.van Humaldawas uitgegaan, terwijl het der Regering vanFranekertoekomt. Genoemde Jhr. teLeeuwardenden 12 Sept. 1754 geboren, was opHobbema-stateteDronrypopgevoed, en had daar te gelijk metEisingaop de dorpsschool onderwijs ontvangen.↑28De edele spreker had hierbij vooral op het oog zijne pogingen, om (toenA. G. Camper’s overdrevene aanzoeken tot herstel van deAkademiein 1815 mislukten) teFranekereenRijks Athenæumte stichten, ten einde niet alles te verliezen. Dat hij daartoe «geene moeite, geene pogingen had onbeproefd gelaten,» daarvoor bedankteCamperhem openlijk in zijne Redevoering bij de inwijding van het Athenæum, bl. 48.↑29Ook de hoogbejaarde voortreffelijke Hoogleeraarde Cranedeed dit, zoo als ik dikwijls uit zijnen mond mogt vernemen, toen ik, na den dood van Jhr.van Humalda(1834), in hem een dergelijken vaderlijken vriend mogt vinden, bij wien ik vele dagen, vol van wetenschappelijk genot, doorbragt. In zijne belangrijkeVerzameling van Biographische Bijdragen, 85, beeft hij dezen feestdag uitvoeriger beschreven. Zelden zag men in iemand zoo veel humaniteit en geleerdheid vereenigd als in dezen beminnelijken man. Ook dáárom verlangen wij zoo zeer naar de Levensbeschrijving, welke zijn kleinzoon, de Heer Mr.A. Telting, van hem zou geven.↑30Niet lang naEisinga’s dood werd zijn kunststuk met veel lof vermelddoorBowringin zijnIets over de Friesche Letterkunde, bl. 48, eerst geplaatst in deForeign Reviewen door Mr.A. Teltingvertaald vóór zijneBrieven, in 1829 uitgegeven; alsmede door W.van den Hull,Over de belangrijkheid eens zestigjarigen ouderdoms, in 1832, bl. 132. Ook inCollot d’ Escury,Hollands Roem, VI 260 en in hetAanhangselopNieuwenhuisWoordenboek, II 516, wordt hij naar waarde vermeld.↑31Als latere bijzonderheden, het Planetarium betreffende, zouden hier nog melding verdienen, dat het in 1828 geheel nieuw is opgeschilderd;—dat van den tweeden druk dezer Beschrijving in 1831 bijG. YpmateFranekereeneNieuwe Uitgaveis verschenen, welke alleen een anderen titel heeft;—dat in 1838 de toegang tot het raderwerk veel verbeterd is, evenwel met opoffering van het kleine en karakteristieke studeervertrekje van den maker;—datZ. M. WillemII den 20 Julij 1841 het kunststuk andermaal heeft bezocht, toen met H. M. de Koningin en PrinsesSophia, benevens aanzienlijk gevolg;—dat het gebouw in 1843 is overgenomen door den Gouverneur vanFrieslandmet al het materieel van het opgeheven Athenæum;—dat in 1848 door het wegnemen van den schoorsteen het vertrek een ruimer aanzien en tevens grootere vensters en glazen bekomen heeft, terwijl boven het raderwerk losse planken gelegd zijn, om het te beter te kunnen naderen;—dat dit raderwerk jaarlijks doorEisinga, den zoon, wordt uit elkander genomen, schoon gemaakt en ineengezet, zonder ooit eenige noemenswaardige herstelling te behoeven, en dat het Planetarium verder zijn geregelden loop behoudt en bij voortduring door talrijke bezoekers beschouwd wordt.↑

1J. H. Halbertsma,Hulde aanGysbert Japiks, Leeuw. 1827, II 305.↑2Behoudens eenige taalkundige wijzigingen, is de tekst der Beschrijving onveranderd gelaten. Daar zij echter door velen vereerd wordt als een nuttig Leesboek over het Zonne- en Planetenstelsel, zoo heeft een deskundige bij deze uitgave eenige opgaven en tabellen gevoegd, welke de hoofd-elementen van het Planetenstelsel, naar dentegenwoordigenstand der wetenschappen, bevatten.↑3Om verdere bijzondere aanhalingen te vermijden, zij het mij vergund, de bronnen hier in eens aan te wijzen, waaruit het volgende is geput: 1º. De opdragt en Beschrijving van Prof.Van Swinden, waarin verscheidene bijzonderheden voorkomen; 2º. de Voorrede van Do.Jan Brouwervoor de 2euitgave dezer Beschrijving, van 1824; 3º. Mr.Jac. Scheltema,Leven vanEisinga, in zijnGeschied- en Letterkundig Mengelwerk, Amst. 1818, 2edl. 2est. 186; 4º. Prof.J. W. de Crane,Letter- en Geschiedkundige Verzameling van eenige Biographische Bijdragen en Berigten, Leeuw. 1841, 79 en verv.; 5º.J. van Leeuwen,Hulde aanE. Eisinga, inde Vrije Fries, 1847, V 86. Verder hebbenJacobus Eisinga, de tegenwoordige bewoner van het Planetarium, en zijn neefAne Stephanus EijsingateDronrypmij eenige berigten omtrent hunne vaders (EiseenStephanus) medegedeeld en de verder verlangde hulp bewezen. De eerste heeft mij bovendien verpligt door mij de verklarende beschrijving van het raderwerk, benevens de albums ten gebruike te verleenen.↑4Corn. EkamaOratio de Frisia ingeniorum Mathematicorum inprimis fertili, dicta Fran. 1809. Dikwijls heb ik het mijn hooggeachten vriend Prof.J. W. de Cranehooren betreuren, dat hij het plan niet volbragt had, om van deze rede, waartoe hij de historische bouwstoffen verschaft had, eene vertaling te geven, met bijvoeging van levensschetsen der daarin vermelde personen, gelijk Prof.G. de Walzijne oratie over de Friesche Regtsgeleerden in 1825 vermeerderd heeft uitgegeven.↑5Zie over dezen voortreffelijken man het werkje:Willem Loréen zijne Dijken en Sluizen, in 1835 door Prof.De Craneen mij uitgegeven.↑6Zie uitvoeriger berigten over laatstgenoemde personen inScheltema,Mengelwerk, 3edl. 3est. bl. 225, enDe Crane,Verzameling, 97, 105;N. Mulder,Oratio, de meritis Dav. Meese, Gron. 1823.↑7Meest al de vermelde werken zijn door mij verzameld in eene reeds vrij talrijke bibliotheek vanWerken van Friezen, in verschillende vakken, welke, als letterkundige bronnen, mij hier voor het eerst zeer te stade kwamen.↑8Dit voortreffelijk handschrift in folio berust thans in de Bibliotheek van hetFriesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en TaalkundeteLeeuwarden.↑9Hij werd begraven nevens den hoofdingang der kerk vanDronrijp. Nog is daar op de zerk het grafschrift leesbaar, waarmede de zoon den vader vereerde, en hetwelk een zeldzaam blijk draagt van beider geestrigting. Het luidt:JELTE EISES EISINGAWas in den tijd van dit noodlottig levenVan God een wonderbaar vernuft gegeven,Die door zijn eigen vinding dingen wrocht,En door zijn eigen hand tot rijpheid brogt,Zoodat men boven zijn NatuurgenotenDen lof en roem van vele zag vergroten.’t Ligchaam is hier ter ruste neergeleidTot dat de Heer het wekt tot d’ eeuwigheid.Zijn ouderdom doe hij stierf met de jaren Christy geaddeerd maakt1854 and StartFraction 204 Over 365 EndFraction. En de jaren Christy met het ¼ van zijne jaren gemultipliceert komt31 comma 120 and StartFraction 292849 Over 332900 EndFraction.↑10Het eerste werkje was getiteld:de Conjunctie van Venus met de Zon in 1761, waar bij aangetoont wort, de grote Nuttigheid van deze zo aanmerkelijke verschijning op de aarde. Met bijvoeging wegens de Conjunctie van Saturnus met Jupiter in 1762, met 7 Platen; en het tweede:Korte dog zakelijke Aantekening, wegens de vinding der Zons Paralaxis, grootheit der Zonne, en afstand van de aardeenz. met eene plaat van Venus voor de Zon. Uit dankbaarheid droeg hij dit geschrift aan Gedep. Staten op, en noemt al de personen, welke de berekeningen mede hebben opgemaakt, als zijne leerlingen:Pieter Christoffels,Rinnert Johannis,Joh. Loyenga,Reiner Buising,Albartus Bloem,Joh. Sardoren zijne twee zonenW. W.enT. W. Foppes. In deLeeuw. Courantvan 10 Junij 1761 komt een kort verslag van deze waarnemingen voor.↑11Deze hoofdnering vanFraneker, welke toen jaarlijks 200,000 ponden wol, tegen 10 à 14 stuivers het pond, meest door vrouwen en kinderen liet verdienen, is van lieverlede dermate achteruit gegaan, dat er thans geene of nog eene halve wolkammerij meer in werking is. Men is voor buitenlandsche mededinging bezweken, daar de Friesche wol thans, als grondstof, over de grenzen wordt uitgevoerd.↑12Dit werkje, teLeeuwardendoorA. FerwerdaenG. Treslinguitgegeven, begint: «Van de Aarde, derzelver Verbranding, de wijze op welke, over de tijd wanneer deze grote gebeurtenis zal zijn» enz. De in deLeeuw. Courantbreed aangekondigde uitgave werd echter opgehouden tot na 8 Mei, toen de vrees geweken was.↑13Zie over het deswege voorgevallene deNieuwe Nederl. Jaarboeken, 1774, 1est. bl. 412; het 12edl. van het Tijdschriftde Denker, en deLeeuw. Cour.van 16 April.↑14Deze spreuk, welke ook boven den ingang der voormalige Schepenskamer op het Raadhuis teFranekergevonden wordt, had hij geschilderd op eene smalle plank, welke nog bewaard is. Zoo had ook mijn vriendArjen Roelofseene spreuk, die hij bij zijne oefeningen in de graveerkunst herhaaldelijk in het koper sneed, en als levensgids trachtte op te volgen:Laat geen dag voorbij gegaan,Of gij hebt iets goeds gedaan.↑15De titel van dit werkje was:de Vriesche Koopman, zijnde een uitreekening van alle Impositiën en Binnenl. Middelen, vervat in ’s Lands Lijst of Placaat enz., benevens een Aanhangzel van de Verhooging op die Waarenenz. in smal folio of lang 4o. 140 bl. à 22 stuiv. In 1780 verscheen daarvan eene tweede verbeterde uitgave.↑16Deze korte beschrijving van den toestand en uitwendige vertooning van het kunststuk, toen Prof.van Swindenhet voor het eerst zag, is genomen uit het hierna te vermelden HS. vanEisinga: beschrijving van het zamenstel, raderwerk enz.↑17Thans reeds bestaat dat Album uit zes banden en bevat het, volgens eene globale berekening, een getal van 60 à 70 duizend namen van personen, die gedurende 70 jaren het Planetarium hebben bezocht. Daaronder bevinden zich handteekeningen van zeer gewigtige en beroemde mannen, wier namen wij hier gaarne zouden vermelden, als wij wisten wáármede wij zouden beginnen en wáár eindigen.↑18De menigvuldige blijken daarvan heb ik voor eenige jaren bijeenverzameld en medegedeeld in eene Voorlezing bij het Friesch Genootschap.↑19Deze missive bezit ik in originali onder mijne groote Verzameling oorspronkelijke stukken betreffende deFraneker Akademieuit de 17een 18eeeuw, voor een groot deel uitmakende het Archief der Heeren Curatoren dier Akademie, welke mij voor eenige jaren, uit den boedel van een aanzienlijk en uitgestorven geslacht, zijn vereerd.↑20Op bl. 7 van het hierna te melden HS. en bijScheltema, bl. 214 worden deze en meerdere verbeteringen uitvoeriger vermeld, en vooral in deBijvoegselstot deze Beschrijving.↑21Volgens het slot derBijvoegselstot deze Beschrijving, wasEisinga, op uitnoodiging van velen, bijzonder van den Leidschen HoogleeraarC. Ekama, voornemens deze Beschrijving en Afbeeldingen te laten drukken, waaraan echter geen gevolg is gegeven.↑22Volgens het Album hebben van September 1787 tot Junij 1797 alleenLodewijk,Graaf van Bentheimen drie andere personen het kunststuk bezigtigd en zich ingeschreven.↑23Dit stuk is nog aanwezig bij ’s mans schoonzoonJ. B. Hoffman, Koek- en Banketbakker teFraneker. Later zijn daarvan nog twee ex. vervaardigd, welke de HeerO. W. RoelofsteAmsterdamenPaulus Everts ScheltemateFranekerhebben bezeten.↑24Eisinga’s eigene denkbeelden, over aan te brengen verbeteringen in een lokaal drie maal zoo lang als breed, heeftScheltema, 222 medegedeeld. In brieven aan zijne familie uitGronau, van Jan. en Maart 1790, heeft hij het plan medegedeeld van een op nieuw door hem uitgevonden «uitmuntend schoon en nuttig Hemisphærium en Planetarium, veel eenvoudiger, veel volmaakter en met de natuur meer overeenkomstig dan het bestaande.»Hij wilde dit plaatsen in een rond gebouw van 28 voet middellijn of meer, met koepeldak, en de bol der zon in het midden daarvan op een kolom, omgeven met een trap, waaronder zich het uurwerk zou bevinden. De zich daar om heen bewegende planeten wenschte hij zóó te plaatsen, dat, als hij op den bovensten trap stond en het oog hield bij het bolletje der aarde, hij dan van daar den geheelen sterrenhemel met zon, maan en planeten ieder op zijn tijd en plaats kun zien op- en ondergaan, en door den meridiaan en verdere streken van het kompas passeren. Het is dit plan, dat hij in 1790 aan Curatoren heeft medegedeeld, echter zonder gevolg.↑25Zie dat Verslag in deKon. Courant, 1810, 144, 145;Jaarboeken van Wetenschappen en Kunsten, II 187;Konst- en Letter-bode, 1810, II 4 en 19;De Crane,Verzameling, 98.—In 1809 ondergingEisingaeen grievend verlies door het overlijden van zijn oudsten zoonJelte, die, door zijn vader gevormd, in lust en geschiktheid voor de Wis- en Werktuigkunde aan dezen gelijk was.↑26Daar hij als Wolkammer ijverig zijn beroep bleef waarnemen, viel hem in 1820 de onderscheiding te beurt, dat de monsters saaijet, door hem uit zijne fabriek op de tentoonstelling teGentingezonden, met eene medaille van brons vereerd werden. Reeds toen was dit bedrijf zeer in vertier gedaald.↑27Zoodanig was de toedragt der zaak, gelijk ik mij levendig herinner die vernomen te hebben uit den mond van den edelen Jhr.van Humalda, in die gelukkige uren van de jaren 1828 tot 1834, toen hij mij wekelijks een dag bij zich noodigde, en hij mij met vaderlijke goedheid in altijd leerzame gesprekken onderhield over dichtkunst, geschiedenis en andere wetenschappen, waarin hij een schat van kennis bezat. Uit de voorstelling van den Hoogl.de Crane,Verz.85, zou toch kunnen afgeleid worden, alsof het denkbeeld der hulde van Jhr.van Humaldawas uitgegaan, terwijl het der Regering vanFranekertoekomt. Genoemde Jhr. teLeeuwardenden 12 Sept. 1754 geboren, was opHobbema-stateteDronrypopgevoed, en had daar te gelijk metEisingaop de dorpsschool onderwijs ontvangen.↑28De edele spreker had hierbij vooral op het oog zijne pogingen, om (toenA. G. Camper’s overdrevene aanzoeken tot herstel van deAkademiein 1815 mislukten) teFranekereenRijks Athenæumte stichten, ten einde niet alles te verliezen. Dat hij daartoe «geene moeite, geene pogingen had onbeproefd gelaten,» daarvoor bedankteCamperhem openlijk in zijne Redevoering bij de inwijding van het Athenæum, bl. 48.↑29Ook de hoogbejaarde voortreffelijke Hoogleeraarde Cranedeed dit, zoo als ik dikwijls uit zijnen mond mogt vernemen, toen ik, na den dood van Jhr.van Humalda(1834), in hem een dergelijken vaderlijken vriend mogt vinden, bij wien ik vele dagen, vol van wetenschappelijk genot, doorbragt. In zijne belangrijkeVerzameling van Biographische Bijdragen, 85, beeft hij dezen feestdag uitvoeriger beschreven. Zelden zag men in iemand zoo veel humaniteit en geleerdheid vereenigd als in dezen beminnelijken man. Ook dáárom verlangen wij zoo zeer naar de Levensbeschrijving, welke zijn kleinzoon, de Heer Mr.A. Telting, van hem zou geven.↑30Niet lang naEisinga’s dood werd zijn kunststuk met veel lof vermelddoorBowringin zijnIets over de Friesche Letterkunde, bl. 48, eerst geplaatst in deForeign Reviewen door Mr.A. Teltingvertaald vóór zijneBrieven, in 1829 uitgegeven; alsmede door W.van den Hull,Over de belangrijkheid eens zestigjarigen ouderdoms, in 1832, bl. 132. Ook inCollot d’ Escury,Hollands Roem, VI 260 en in hetAanhangselopNieuwenhuisWoordenboek, II 516, wordt hij naar waarde vermeld.↑31Als latere bijzonderheden, het Planetarium betreffende, zouden hier nog melding verdienen, dat het in 1828 geheel nieuw is opgeschilderd;—dat van den tweeden druk dezer Beschrijving in 1831 bijG. YpmateFranekereeneNieuwe Uitgaveis verschenen, welke alleen een anderen titel heeft;—dat in 1838 de toegang tot het raderwerk veel verbeterd is, evenwel met opoffering van het kleine en karakteristieke studeervertrekje van den maker;—datZ. M. WillemII den 20 Julij 1841 het kunststuk andermaal heeft bezocht, toen met H. M. de Koningin en PrinsesSophia, benevens aanzienlijk gevolg;—dat het gebouw in 1843 is overgenomen door den Gouverneur vanFrieslandmet al het materieel van het opgeheven Athenæum;—dat in 1848 door het wegnemen van den schoorsteen het vertrek een ruimer aanzien en tevens grootere vensters en glazen bekomen heeft, terwijl boven het raderwerk losse planken gelegd zijn, om het te beter te kunnen naderen;—dat dit raderwerk jaarlijks doorEisinga, den zoon, wordt uit elkander genomen, schoon gemaakt en ineengezet, zonder ooit eenige noemenswaardige herstelling te behoeven, en dat het Planetarium verder zijn geregelden loop behoudt en bij voortduring door talrijke bezoekers beschouwd wordt.↑

1J. H. Halbertsma,Hulde aanGysbert Japiks, Leeuw. 1827, II 305.↑

2Behoudens eenige taalkundige wijzigingen, is de tekst der Beschrijving onveranderd gelaten. Daar zij echter door velen vereerd wordt als een nuttig Leesboek over het Zonne- en Planetenstelsel, zoo heeft een deskundige bij deze uitgave eenige opgaven en tabellen gevoegd, welke de hoofd-elementen van het Planetenstelsel, naar dentegenwoordigenstand der wetenschappen, bevatten.↑

3Om verdere bijzondere aanhalingen te vermijden, zij het mij vergund, de bronnen hier in eens aan te wijzen, waaruit het volgende is geput: 1º. De opdragt en Beschrijving van Prof.Van Swinden, waarin verscheidene bijzonderheden voorkomen; 2º. de Voorrede van Do.Jan Brouwervoor de 2euitgave dezer Beschrijving, van 1824; 3º. Mr.Jac. Scheltema,Leven vanEisinga, in zijnGeschied- en Letterkundig Mengelwerk, Amst. 1818, 2edl. 2est. 186; 4º. Prof.J. W. de Crane,Letter- en Geschiedkundige Verzameling van eenige Biographische Bijdragen en Berigten, Leeuw. 1841, 79 en verv.; 5º.J. van Leeuwen,Hulde aanE. Eisinga, inde Vrije Fries, 1847, V 86. Verder hebbenJacobus Eisinga, de tegenwoordige bewoner van het Planetarium, en zijn neefAne Stephanus EijsingateDronrypmij eenige berigten omtrent hunne vaders (EiseenStephanus) medegedeeld en de verder verlangde hulp bewezen. De eerste heeft mij bovendien verpligt door mij de verklarende beschrijving van het raderwerk, benevens de albums ten gebruike te verleenen.↑

4Corn. EkamaOratio de Frisia ingeniorum Mathematicorum inprimis fertili, dicta Fran. 1809. Dikwijls heb ik het mijn hooggeachten vriend Prof.J. W. de Cranehooren betreuren, dat hij het plan niet volbragt had, om van deze rede, waartoe hij de historische bouwstoffen verschaft had, eene vertaling te geven, met bijvoeging van levensschetsen der daarin vermelde personen, gelijk Prof.G. de Walzijne oratie over de Friesche Regtsgeleerden in 1825 vermeerderd heeft uitgegeven.↑

5Zie over dezen voortreffelijken man het werkje:Willem Loréen zijne Dijken en Sluizen, in 1835 door Prof.De Craneen mij uitgegeven.↑

6Zie uitvoeriger berigten over laatstgenoemde personen inScheltema,Mengelwerk, 3edl. 3est. bl. 225, enDe Crane,Verzameling, 97, 105;N. Mulder,Oratio, de meritis Dav. Meese, Gron. 1823.↑

7Meest al de vermelde werken zijn door mij verzameld in eene reeds vrij talrijke bibliotheek vanWerken van Friezen, in verschillende vakken, welke, als letterkundige bronnen, mij hier voor het eerst zeer te stade kwamen.↑

8Dit voortreffelijk handschrift in folio berust thans in de Bibliotheek van hetFriesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en TaalkundeteLeeuwarden.↑

9Hij werd begraven nevens den hoofdingang der kerk vanDronrijp. Nog is daar op de zerk het grafschrift leesbaar, waarmede de zoon den vader vereerde, en hetwelk een zeldzaam blijk draagt van beider geestrigting. Het luidt:

JELTE EISES EISINGAWas in den tijd van dit noodlottig levenVan God een wonderbaar vernuft gegeven,Die door zijn eigen vinding dingen wrocht,En door zijn eigen hand tot rijpheid brogt,Zoodat men boven zijn NatuurgenotenDen lof en roem van vele zag vergroten.’t Ligchaam is hier ter ruste neergeleidTot dat de Heer het wekt tot d’ eeuwigheid.

JELTE EISES EISINGAWas in den tijd van dit noodlottig levenVan God een wonderbaar vernuft gegeven,Die door zijn eigen vinding dingen wrocht,En door zijn eigen hand tot rijpheid brogt,Zoodat men boven zijn NatuurgenotenDen lof en roem van vele zag vergroten.’t Ligchaam is hier ter ruste neergeleidTot dat de Heer het wekt tot d’ eeuwigheid.

JELTE EISES EISINGAWas in den tijd van dit noodlottig levenVan God een wonderbaar vernuft gegeven,Die door zijn eigen vinding dingen wrocht,En door zijn eigen hand tot rijpheid brogt,Zoodat men boven zijn NatuurgenotenDen lof en roem van vele zag vergroten.’t Ligchaam is hier ter ruste neergeleidTot dat de Heer het wekt tot d’ eeuwigheid.

JELTE EISES EISINGAWas in den tijd van dit noodlottig levenVan God een wonderbaar vernuft gegeven,Die door zijn eigen vinding dingen wrocht,En door zijn eigen hand tot rijpheid brogt,Zoodat men boven zijn NatuurgenotenDen lof en roem van vele zag vergroten.’t Ligchaam is hier ter ruste neergeleidTot dat de Heer het wekt tot d’ eeuwigheid.

Was in den tijd van dit noodlottig leven

Van God een wonderbaar vernuft gegeven,

Die door zijn eigen vinding dingen wrocht,

En door zijn eigen hand tot rijpheid brogt,

Zoodat men boven zijn Natuurgenoten

Den lof en roem van vele zag vergroten.

’t Ligchaam is hier ter ruste neergeleid

Tot dat de Heer het wekt tot d’ eeuwigheid.

Zijn ouderdom doe hij stierf met de jaren Christy geaddeerd maakt1854 and StartFraction 204 Over 365 EndFraction. En de jaren Christy met het ¼ van zijne jaren gemultipliceert komt31 comma 120 and StartFraction 292849 Over 332900 EndFraction.↑

10Het eerste werkje was getiteld:de Conjunctie van Venus met de Zon in 1761, waar bij aangetoont wort, de grote Nuttigheid van deze zo aanmerkelijke verschijning op de aarde. Met bijvoeging wegens de Conjunctie van Saturnus met Jupiter in 1762, met 7 Platen; en het tweede:Korte dog zakelijke Aantekening, wegens de vinding der Zons Paralaxis, grootheit der Zonne, en afstand van de aardeenz. met eene plaat van Venus voor de Zon. Uit dankbaarheid droeg hij dit geschrift aan Gedep. Staten op, en noemt al de personen, welke de berekeningen mede hebben opgemaakt, als zijne leerlingen:Pieter Christoffels,Rinnert Johannis,Joh. Loyenga,Reiner Buising,Albartus Bloem,Joh. Sardoren zijne twee zonenW. W.enT. W. Foppes. In deLeeuw. Courantvan 10 Junij 1761 komt een kort verslag van deze waarnemingen voor.↑

11Deze hoofdnering vanFraneker, welke toen jaarlijks 200,000 ponden wol, tegen 10 à 14 stuivers het pond, meest door vrouwen en kinderen liet verdienen, is van lieverlede dermate achteruit gegaan, dat er thans geene of nog eene halve wolkammerij meer in werking is. Men is voor buitenlandsche mededinging bezweken, daar de Friesche wol thans, als grondstof, over de grenzen wordt uitgevoerd.↑

12Dit werkje, teLeeuwardendoorA. FerwerdaenG. Treslinguitgegeven, begint: «Van de Aarde, derzelver Verbranding, de wijze op welke, over de tijd wanneer deze grote gebeurtenis zal zijn» enz. De in deLeeuw. Courantbreed aangekondigde uitgave werd echter opgehouden tot na 8 Mei, toen de vrees geweken was.↑

13Zie over het deswege voorgevallene deNieuwe Nederl. Jaarboeken, 1774, 1est. bl. 412; het 12edl. van het Tijdschriftde Denker, en deLeeuw. Cour.van 16 April.↑

14Deze spreuk, welke ook boven den ingang der voormalige Schepenskamer op het Raadhuis teFranekergevonden wordt, had hij geschilderd op eene smalle plank, welke nog bewaard is. Zoo had ook mijn vriendArjen Roelofseene spreuk, die hij bij zijne oefeningen in de graveerkunst herhaaldelijk in het koper sneed, en als levensgids trachtte op te volgen:

Laat geen dag voorbij gegaan,Of gij hebt iets goeds gedaan.

Laat geen dag voorbij gegaan,Of gij hebt iets goeds gedaan.

Laat geen dag voorbij gegaan,Of gij hebt iets goeds gedaan.

Laat geen dag voorbij gegaan,Of gij hebt iets goeds gedaan.

Laat geen dag voorbij gegaan,

Of gij hebt iets goeds gedaan.

15De titel van dit werkje was:de Vriesche Koopman, zijnde een uitreekening van alle Impositiën en Binnenl. Middelen, vervat in ’s Lands Lijst of Placaat enz., benevens een Aanhangzel van de Verhooging op die Waarenenz. in smal folio of lang 4o. 140 bl. à 22 stuiv. In 1780 verscheen daarvan eene tweede verbeterde uitgave.↑

16Deze korte beschrijving van den toestand en uitwendige vertooning van het kunststuk, toen Prof.van Swindenhet voor het eerst zag, is genomen uit het hierna te vermelden HS. vanEisinga: beschrijving van het zamenstel, raderwerk enz.↑

17Thans reeds bestaat dat Album uit zes banden en bevat het, volgens eene globale berekening, een getal van 60 à 70 duizend namen van personen, die gedurende 70 jaren het Planetarium hebben bezocht. Daaronder bevinden zich handteekeningen van zeer gewigtige en beroemde mannen, wier namen wij hier gaarne zouden vermelden, als wij wisten wáármede wij zouden beginnen en wáár eindigen.↑

18De menigvuldige blijken daarvan heb ik voor eenige jaren bijeenverzameld en medegedeeld in eene Voorlezing bij het Friesch Genootschap.↑

19Deze missive bezit ik in originali onder mijne groote Verzameling oorspronkelijke stukken betreffende deFraneker Akademieuit de 17een 18eeeuw, voor een groot deel uitmakende het Archief der Heeren Curatoren dier Akademie, welke mij voor eenige jaren, uit den boedel van een aanzienlijk en uitgestorven geslacht, zijn vereerd.↑

20Op bl. 7 van het hierna te melden HS. en bijScheltema, bl. 214 worden deze en meerdere verbeteringen uitvoeriger vermeld, en vooral in deBijvoegselstot deze Beschrijving.↑

21Volgens het slot derBijvoegselstot deze Beschrijving, wasEisinga, op uitnoodiging van velen, bijzonder van den Leidschen HoogleeraarC. Ekama, voornemens deze Beschrijving en Afbeeldingen te laten drukken, waaraan echter geen gevolg is gegeven.↑

22Volgens het Album hebben van September 1787 tot Junij 1797 alleenLodewijk,Graaf van Bentheimen drie andere personen het kunststuk bezigtigd en zich ingeschreven.↑

23Dit stuk is nog aanwezig bij ’s mans schoonzoonJ. B. Hoffman, Koek- en Banketbakker teFraneker. Later zijn daarvan nog twee ex. vervaardigd, welke de HeerO. W. RoelofsteAmsterdamenPaulus Everts ScheltemateFranekerhebben bezeten.↑

24Eisinga’s eigene denkbeelden, over aan te brengen verbeteringen in een lokaal drie maal zoo lang als breed, heeftScheltema, 222 medegedeeld. In brieven aan zijne familie uitGronau, van Jan. en Maart 1790, heeft hij het plan medegedeeld van een op nieuw door hem uitgevonden «uitmuntend schoon en nuttig Hemisphærium en Planetarium, veel eenvoudiger, veel volmaakter en met de natuur meer overeenkomstig dan het bestaande.»

Hij wilde dit plaatsen in een rond gebouw van 28 voet middellijn of meer, met koepeldak, en de bol der zon in het midden daarvan op een kolom, omgeven met een trap, waaronder zich het uurwerk zou bevinden. De zich daar om heen bewegende planeten wenschte hij zóó te plaatsen, dat, als hij op den bovensten trap stond en het oog hield bij het bolletje der aarde, hij dan van daar den geheelen sterrenhemel met zon, maan en planeten ieder op zijn tijd en plaats kun zien op- en ondergaan, en door den meridiaan en verdere streken van het kompas passeren. Het is dit plan, dat hij in 1790 aan Curatoren heeft medegedeeld, echter zonder gevolg.↑

25Zie dat Verslag in deKon. Courant, 1810, 144, 145;Jaarboeken van Wetenschappen en Kunsten, II 187;Konst- en Letter-bode, 1810, II 4 en 19;De Crane,Verzameling, 98.—In 1809 ondergingEisingaeen grievend verlies door het overlijden van zijn oudsten zoonJelte, die, door zijn vader gevormd, in lust en geschiktheid voor de Wis- en Werktuigkunde aan dezen gelijk was.↑

26Daar hij als Wolkammer ijverig zijn beroep bleef waarnemen, viel hem in 1820 de onderscheiding te beurt, dat de monsters saaijet, door hem uit zijne fabriek op de tentoonstelling teGentingezonden, met eene medaille van brons vereerd werden. Reeds toen was dit bedrijf zeer in vertier gedaald.↑

27Zoodanig was de toedragt der zaak, gelijk ik mij levendig herinner die vernomen te hebben uit den mond van den edelen Jhr.van Humalda, in die gelukkige uren van de jaren 1828 tot 1834, toen hij mij wekelijks een dag bij zich noodigde, en hij mij met vaderlijke goedheid in altijd leerzame gesprekken onderhield over dichtkunst, geschiedenis en andere wetenschappen, waarin hij een schat van kennis bezat. Uit de voorstelling van den Hoogl.de Crane,Verz.85, zou toch kunnen afgeleid worden, alsof het denkbeeld der hulde van Jhr.van Humaldawas uitgegaan, terwijl het der Regering vanFranekertoekomt. Genoemde Jhr. teLeeuwardenden 12 Sept. 1754 geboren, was opHobbema-stateteDronrypopgevoed, en had daar te gelijk metEisingaop de dorpsschool onderwijs ontvangen.↑

28De edele spreker had hierbij vooral op het oog zijne pogingen, om (toenA. G. Camper’s overdrevene aanzoeken tot herstel van deAkademiein 1815 mislukten) teFranekereenRijks Athenæumte stichten, ten einde niet alles te verliezen. Dat hij daartoe «geene moeite, geene pogingen had onbeproefd gelaten,» daarvoor bedankteCamperhem openlijk in zijne Redevoering bij de inwijding van het Athenæum, bl. 48.↑

29Ook de hoogbejaarde voortreffelijke Hoogleeraarde Cranedeed dit, zoo als ik dikwijls uit zijnen mond mogt vernemen, toen ik, na den dood van Jhr.van Humalda(1834), in hem een dergelijken vaderlijken vriend mogt vinden, bij wien ik vele dagen, vol van wetenschappelijk genot, doorbragt. In zijne belangrijkeVerzameling van Biographische Bijdragen, 85, beeft hij dezen feestdag uitvoeriger beschreven. Zelden zag men in iemand zoo veel humaniteit en geleerdheid vereenigd als in dezen beminnelijken man. Ook dáárom verlangen wij zoo zeer naar de Levensbeschrijving, welke zijn kleinzoon, de Heer Mr.A. Telting, van hem zou geven.↑

30Niet lang naEisinga’s dood werd zijn kunststuk met veel lof vermelddoorBowringin zijnIets over de Friesche Letterkunde, bl. 48, eerst geplaatst in deForeign Reviewen door Mr.A. Teltingvertaald vóór zijneBrieven, in 1829 uitgegeven; alsmede door W.van den Hull,Over de belangrijkheid eens zestigjarigen ouderdoms, in 1832, bl. 132. Ook inCollot d’ Escury,Hollands Roem, VI 260 en in hetAanhangselopNieuwenhuisWoordenboek, II 516, wordt hij naar waarde vermeld.↑

31Als latere bijzonderheden, het Planetarium betreffende, zouden hier nog melding verdienen, dat het in 1828 geheel nieuw is opgeschilderd;—dat van den tweeden druk dezer Beschrijving in 1831 bijG. YpmateFranekereeneNieuwe Uitgaveis verschenen, welke alleen een anderen titel heeft;—dat in 1838 de toegang tot het raderwerk veel verbeterd is, evenwel met opoffering van het kleine en karakteristieke studeervertrekje van den maker;—datZ. M. WillemII den 20 Julij 1841 het kunststuk andermaal heeft bezocht, toen met H. M. de Koningin en PrinsesSophia, benevens aanzienlijk gevolg;—dat het gebouw in 1843 is overgenomen door den Gouverneur vanFrieslandmet al het materieel van het opgeheven Athenæum;—dat in 1848 door het wegnemen van den schoorsteen het vertrek een ruimer aanzien en tevens grootere vensters en glazen bekomen heeft, terwijl boven het raderwerk losse planken gelegd zijn, om het te beter te kunnen naderen;—dat dit raderwerk jaarlijks doorEisinga, den zoon, wordt uit elkander genomen, schoon gemaakt en ineengezet, zonder ooit eenige noemenswaardige herstelling te behoeven, en dat het Planetarium verder zijn geregelden loop behoudt en bij voortduring door talrijke bezoekers beschouwd wordt.↑


Back to IndexNext