OPDRAGTVAN DEN EERSTEN DRUK DEZER BESCHRIJVING,AANDEN WELEDELEN HEERMrS. P. VAN SWINDEN,J. U. D. ADVOCAAT VOOR DEN HOVE VAN HOLLAND.

OPDRAGTVAN DEN EERSTEN DRUK DEZER BESCHRIJVING,AANDEN WELEDELEN HEERMrS. P. VAN SWINDEN,J. U. D. ADVOCAAT VOOR DEN HOVE VAN HOLLAND.Waarde Broeder!Zie hier eene Beschrijving, welke, zoo ik hoop, de gevoelens van verwondering, door welke ik, op het zien van het kunststuk van den VroedsmanEisinga, ben aangedaan geweest, en die in de brieven, welke ik u over dit onderwerp geschreven heb, zeer sterk doorstraalden, ten volle zal billijken. Die verwondering echter, welverre van door den tijd te slijten, is, daar ik nu het stuk dóór en dóór ken, nog grooter, dan zij in den beginne was.Twee redenen hebben mij aangezet, om deze Beschrijving in ’t licht te geven. Vooreerst, omdat het mij is voorgekomen, datEisingaten hoogste verdient, wegens zijn vindingrijkvernuft en bijzondere vermogens voor de werktuigkunde, overal bekend te worden. De Engelschen roemen te regt op eenenHarrison, een timmerman, die eensklaps, door zijn vernuft, een der grootste werktuigkundigen geworden is, en, tot zijn geluk, op een stuk viel, waardoor hij zich verrijkt heeft1. Zij prijzen hemelhoog eenenFerguson, die, maar een boer zijnde, zich op de werktuigkunde toegelegd, en daarin groote vorderingen gemaakt heeft2. Waarom dan zouden de Friezen zich niet, met evenveel reden, beroemen op eenen Fries, die, in dergelijke omstandigheden, niet mindervernuft en kundigheden heeft getoond te bezitten, en die, ten opzigte zijner vermogens in die stukken, voor velen niet behoeft te wijken? Geen ander middel, om dit te weeg te brengen, was er in mijne magt, dan het werk te beschrijven, en den maker door hetzelve aan het algemeen te doen kennen. Met dit te doen, heb ik aan den pligt van een geletterd persoon voldaan, die niets, dat tot bevordering van kunsten en wetenschappen dienen kan, verwaarloozen mag; en ik meen dien van een goed burger niet te verzuimen, met iemand, die tot roem strekt der stad, in welke ik leef, zoo veel ik kan bekend te maken. Dit doe ik nu, naar mijne vermogens, ten opzigte van ons land, door deze Beschrijving; dit heb ik reeds ten opzigte van het buitenland gedaan, door eene korte schets van dit kunststuk aan deAkademie der wetenschappen te Brussel, aan Zijne Excellentie den heer prins vanGallitzin, aan den vermaarden heerDe LucteLonden, aan den beroemden vaderCopteteMontmorenci, en aan den heerGaussenteMontpelliertoe te zenden. Uit deze Beschrijving zult gij kunnen opmaken, of die schetsen, welke gij voor het afzenden gelezen hebt, genoegzaam naauwkeurig waren. Niets, dan gebrek aan tijd, heeft mij belet, dit overheerlijk stuk, tot nu toe, aan mijne correspondenten teParijs, tePetersburg, inDuitschland,ZwitserlandenItaliëmede bekend te maken. Meer te doen tot aankweeking van vernuft en nuttige bekwaamheden, is buiten mijn bereik. Vergeldingen van eenen anderen aard, hangen van mij niet af.Bij deze reden, die bij mij veel gewigts heeft, omdat zij met het denkbeeld van pligt gepaard gaat, voegt zich nog eene andere: het nut, namelijk, dergenen, die liefhebberij hebben, om het kunststuk te bezigtigen. Mijne eigene ondervinding heeft mij doen besluiten, dat het niet mogelijk is, alles grondig na te gaan, ten zij men eerst wete, wat men behoort te zien, en op welke stukken men zijne aandacht vooral behoort te vestigen. Gij begrijpt wel, dat ik hier niet van sterrekundigen spreek: aangaande deze kan ik uit mijne ondervinding niets besluiten; ik spreek alleen van dezulken, die, zoo als wij beiden,enkel uit liefhebberij iets van de sterrekunde verstaan, en voor wien het derhalve noodig is, dat ieder stuk afzonderlijk ontwikkeld worde om het te beter in zijnen zamenhang te onderscheiden.Hoewel ik verscheideneplanetaria, en van verschillende soorten, gezien heb, en mijne gedachten weleens over dergelijke stukken heb laten gaan, zoo als gij u misschien herinneren zult, dat ik u reeds voor vele jaren eene schets van een zeer eenvoudigplanetariumgezonden heb; hoewel ik ook verscheidene werken over die stof heb doorbladerd, moet ik echter bekennen, dat, toen ik het kunststuk vanEisinga, met twee mijner ambtgenooten en vrienden, op den 22 Februarij 1780, voor de eerstemaal bezigtigde, ik daartoe wel twee uren besteedde, en in eene wezenlijke verrukking over deszelfs fraaiheid vervoerd was geworden, ik echter op verre na niet alles volkomen had ingezien. Ik was door de veelvuldigheid der stukken, en misschien door de verwondering, als overstelpt. Te huis gekomen zijnde, ging ik alles na; teekende het aanmerkelijkste op; liet mijne gedachten over dergelijke werktuigen gaan; las verscheidene schrijvers, om, zoo veel mij doenlijk was, de innerlijke waardij van het stuk, naar vereisch, te overwegen, zelfs afzonderlijk van de omstandigheden des makers. Dit overdenkende, bleek het mij niet mogelijk te zijn, dat ik alles volmaakt gezien had: want ik bevond, dat hij, die bekwaam geweest was, om hetgene, dat ik wel gezien had, te maken, voorzeker vernufts genoeg gehad moest hebben, om verder te gaan, en dingen te vervaardigen, welke ik dacht dat ontbraken, omdat ik mij niet herinnerde, dezelve gezien te hebben. Ik stelde dan eenige gedachten en vragen op, ten deele ook, om mij daardoor in staat te stellen, om in het vervolg met meerder grond over dit stuk te kunnen spreken. Kort daarna, namelijk den 13 Maart, bekwam ik met eenige goede vrienden de gelegenheid, om hetzelve nader te beschouwen, waartoe wederom eenige uren besteed werden; toen vernam ik inderdaad, dat mij de eerste reize, niettegenstaandemijne aandacht en oplettendheid, vrij wat ontglipt was; ik bespeurde, wat ik gemeend had te ontbreken; ik ontdekte nieuwe fraaiheden; en waarlijk, toen ik, eenigen tijd daarna, het stuk voor de derdemaal bezag, bevond ik nog niet alles opgemerkt te hebben. Het is dus niet dan door herhaalde gesprekken en beschouwingen, dat ik alles volkomen heb leeren kennen. Wat mij gebeurd is, kan anderen, die zich, door hun beroep, niet meer dan ik op de sterrekunde hebben toegelegd, ook wel gebeuren, en dit konde den roem van het kunststuk benadeelen. Dit oordeelde ik noodig te voorkomen; en dit konde ik, dacht mij, gevoegelijk doen, door den staat van het geheele kunststuk naauwkeurig te beschrijven. Dit was te meer noodig, omdat er eenige dingen, en welverre de vernuftigste, in gevonden worden, van welke men het fraaije niet kan opmerken, zonder vooraf onderrigt te zijn. Men ziet, bij voorbeeld, deMaanwijzers; doch men ziet in den eersten opslag niet, en dit is het gewigtigste, dat zij zich, om de ongeregelde beweging der Maan te volgen, met eene zeer ongelijkvormige snelheid bewegen. Dit wordt men eerst gewaar, óf met de bewegingen van die wijzers, als het kunststuk met de kruk bewogen wordt, zeer aandachtig en opzettelijk na te gaan; óf wanneer men het raderwerk, hetwelk de maker ook laat zien en geheel uitlegt, beschouwt, zoodat men uit deszelfs schikking besluiten moet, dat de snelheid der wijzers inderdaad ongelijkvormig is.Voor het overige, mijne beschrijving is niet opgesierd. Ik heb getrouwelijk beschreven, wat ik gezien heb. Zijn er, die twijfelen, of alles wel zoo is; ik geef hun gerust tot antwoord:komt en ziet; en ik houd mij verzekerd, dat zij, na eene naauwkeurige en aandachtige beschouwing, overtuigd zullen zijn, dat dit kunststuk niet alleen fraai is, in aanmerking van de omstandigheden des makers; maar dat het, in zich zelf en in het afgetrokkene beschouwd, overheerlijk schoon, en tot vertooning der verschijnselen ongemeen geschikt is.Het kunststuk is, uitgenomen eenige dingen, die nog geschilderden verguld moeten worden, voltooid. Ik heb het beschreven, alsof het reeds naar het bestek geschilderd ware. De maker, die niet minder zedig dan vernuftig is, zal gaarne alle onderrigtingen, welke men hem zal willen geven, zoo veel mogelijk, in acht nemen. De bezigheden van zijn beroep hebben den uitvinder nog niet toegelaten, het schilderen, vergulden enz. in het werk te stellen; doch hij heeft voorgenomen, de maanden Augustus en September van dit jaar daartoe te besteden. Gedurende dien tijd zal het kunststuk niet wel aan liefhebbers kunnen vertoond worden.Mijne beschrijving is veel langer geworden, dan ik in den beginne gedacht had. De voorname oorzaak daarvan is zekerlijk het vermaak, hetwelk ik in het opstellen ondervonden heb. Hoe aangenaam is het voor iemand, die niet geheel ongevoelig is, de vermogens, door Gods goedheid aan des menschen verstand geschonken, na te gaan! Hoe verrukkend is het gewaar te worden, hoe de grootste zwarigheden voor een groot vernuft als kaf verdwijnen! en hoe men, door eenvoudige middelen, wanneer men eenen daartoe geschikten geest bezit, de meest zamengestelde stukken kan vervaardigen! Naarmate ik ieder stuk in zijne wezenlijke waardij leerde kennen, voelde ik mijne achting voor den maker aangroeijen, en mijne blijdschap vermeerderen, van deze gelegenheid, om vorderingen in eenige deelen der werktuigkunde te maken, bekomen te hebben: want ik kan u niet ontveinzen (en al konde ik, waarom zou ik het toch doen?), dat ik uit de vinding en schikking der stukken in dit werktuig, en uit de redeneringen, die den maker daartoe gebragt hebben, veel geleerd heb, vooral in hetgene, dat men te regt eenvoudigheid, om iets uit te voeren, noemen kan. De eenvoudigheid der middelen, welke men gebruikt, om zamengestelde uitwerkselen voort te brengen, is het eigenaardig kenmerk der groote geesten, even als van de natuur. Deze aangename genietingen zijn echter somtijds door één éénig denkbeeld wat gestoord geworden. Wat is het te beklagen, zeide ik in mij zelven, dat die manzich niet van der jeugd af op de werktuigkunde, en hetgene daarbij behoort, heeft kunnen toeleggen! Wie weet, hoe ver hij het gebragt zoude hebben! Wie weet wat hij nog zoude kunnen doen, indien hij niet verpligt ware zich met een ander beroep bezig te houden! indien hij, even alsHarrisonenFerguson, ware in staat gesteld geweest, om zich geheel op de werktuigkunde toe te leggen!Vaarwel, waarde broeder! ontvang dit stukje met die toegenegenheid, waarmede ik het u aanbied, en wees verzekerd, dat ik met ongeveinsde achting ben en altijd blijven zal,Uw zeer toegenegen broeder,J. H. van SWINDEN.Franeker,den 15 Junij 1780.1Namelijk, op het vervaardigen van tijdmeters ofzee-horologiën, om de lengte op zee te bepalen.Harrisonheeft eene belooning van tien duizend pond sterling, meer dan eene ton gouds uitmakende, ontvangen. Zie de geschiedenis van deze merkwaardige uitvinding in deUitgelezene Filozofische Verhandelingen, deel III, bladz. 355–397. Die geschiedenis wordt aldaar tot het jaar 1762 beschreven; het overige vindt men in deUitgezochte Verhandelingen, deel IX, bladz. 309–331, en vooral bijPezenas,Principes de la montre de M.Harrison, p. 20. In dit werkje treft men de beschrijving en teekening vanHarrisonstijdmeter aan. De heerMudge, van wien ik in de noot van §52gesproken heb, heeft ook onlangs eene belooning van vijfhonderd pond sterling ontvangen, als eene aanmoediging, om zijne zee-horologiën verder te volmaken. ZieJournal de Physique, t. XI, p. 537.↑2DezeFergusonis door vele werken en vernuftige uitvindingen zeer beroemd geworden. Onder de laatstgemelde is ook eenplanetarium, van hetwelk men eene plaat en beschrijving aantreft in het werk van den uitvinder, dat ten titel voert:Astronomy explained upon sirIsaac Newton’sPrinciples etc., 4o.London1757, § 434, 435, 436. Hoewel de tweeplanetaria, aldaar door den heerFergusonbeschreven, zeer vernuftig uitgedacht, en tot aanwijzing der bewegingen van de Aarde en van de Maan wel geschikt zijn, zijn zij echter, alsplanetariabeschouwd, veel minder volledig, dan dat vanWright(zie het derde hoofdstuk van dit werkje, §38). Ik oordeel het bijgevolg niet noodig, breeder over die vanFergusonte handelen. Alleen zal ik aanmerken, dat er op hetplanetariumvanFerguson, even als op dat vanEisinga, een wijzer vlak over de Aarde is, die den schijnbaren weg en de plaats der Zon aantoont.Fergusonheeft ook (§ 437), in navolging vanDesaguliers, eencometarium, of werktuig om den loop der kometen te verklaren, geschreven. Wat hieromtrent door onzen landgenoot, den heerStruik, gedaan is, vindt men uitvoerig behandeld in deszelfsVervolg op de beschrijving der Staartsterren, vijfde afdeel. bl. 113.↑BESCHRIJVINGVAN EENVOLLEDIG BEWEGELIJKHEMELS-GESTEL,DOOR DEN HOOGLEERAARJ. H. VAN SWINDEN,UITGEGEVEN IN DEN JARE1780.Machina haec non contemnendi usus est, vel ipsis Astronomis, qui, unico oculi jactu, inde cognoscere possunt omnium planetarum primariorum loca, eaque, porrecto baculo, demonstrare; ut saepius, si quid quaestionis habuerint praesentes, ephemerides, in hisce minus versatis non intelligendus, taediose evolvendi et configurationes supputandi labore supersedere queant. Majori vero usui est tyronibus, qui facile ex Machinae contemplatione non contemnendam Astronomiae ideam sibi comparere valent: quae utilitas quoque ad docentem redundat, cujus labor et taedium in tradendo valde levatur: non enim facile ex parvis schematibus, in quibus nihil movetur, comprehendunt incipientes, in quo consistant Planetarum directiones, stationes, retrogressiones. Praecipuus vero ejus usus est in commendanda Astronomia Principibus et Magnatibus, quibus plerumque non conceditur tempus libros evolvendi, atque haec Sacra, diu multumque meditando, expendendi. Etc.Dus spreekt de vermaardeHorrebowover hetPlanetariumvanRoemer,Opera, t. III, p. 149. Zie over hetzelve §39,41en volgende van dit werkje.BESCHRIJVINGVAN EENVOLLEDIG BEWEGELIJKHEMELS-GESTEL.INLEIDING.Dat alles, wat in zijne soort uitmunt, onze achting verdient, is eene ontegenzeggelijke waarheid; doch die achting kan en moet toenemen, ja zelfs in bewondering veranderen, wanneer de voorwerpen, welke wij als uitmuntend beschouwen, uitgedacht en vervaardigd zijn door menschen, welke men, wegens hunne omstandigheden, opvoeding en beroep, als daartoe, of in het geheel niet, of weinig bekwaam mogt aanmerken. Dan, immers, is het uitvinden en maken dier achtingswaardige stukken geen enkel voortbrengsel meer van verkregene kundigheden, of van een vernuft, dat door dezelve beschaafd is geworden; maar van eenen vindingrijken geest, die krachts genoeg bezit, om de zaken uit zich zelven na te vorschen, naar behooren te beschouwen, en het uitgevondene, in weêrwil van alle zwarigheden, werkstellig te maken; welke geesten dus, door hun eigen vermogen, dikwijls in ééne vlugt tot het zelfde doel geraken, waartoe anderen het onderwijs van kundige mannen en de hulp van vroegere uitvindingen dubbel noodig hebben.Deze redenen doen mij het kunststuk, hetwelk ik thansbeschrijvenzal, niet alleen een zeer schoon, maar zelfs een verwonderlijk stuk noemen, zoowel wegens zijne innerlijke fraaiheid, die den kundigsten wis- en werktuigkundigen eerzoude bijzetten, als wegens de omstandigheden van hem, die het uitgedacht en vervaardigd heeft.Een planetarium ofhemels-gestelis, in den ruimsten zin genomen, een werktuig, waarop de bewegingen der hemelligchamen, naar waarheid, nagebootst en vertoond worden, zoodat men, op ieder oogenblik, den waren en betrekkelijken stand en de bewegingen der Aarde, der Maan en der dwaal- en vaste sterren kan gewaar worden. Het moet, in één woord, in dit opzigt het zelfde zijn, het werktuig in te zien, of den sterrenhemel. Er wordt daarenboven eene zoodanige naauwkeurigheid in den toestel der bewegingen vereischt, dat er, in langen tijd, geen merkelijk verschil tusschen den loop van de verbeelde ligchamen en dien der wezenlijke sterren plaats hebbe, opdat men zoowel den vorigen en toekomenden toestand des sterrenhemels als den tegenwoordigen kunne opmaken en vrij naauwkeurig kennen.Deze eenvoudige schets van een goed hemels-gestel zij genoeg, om, in het algemeen, aan te toonen, dat het vervaardigen daarvan niet onder de gemakkelijkste stukken te tellen is, en dat daartoe, of vele verkregene kundigheden vereischt worden, of een vindingrijke geest, die van zelf de grootste zwarigheden weet te overwinnen. Ook hebben de schranderste wiskundigen van vroegere en latere tijden, eenArchimedes1, eenPosidonius2, eenCopernicus3,eenRheita4, eenRoemer5, eenHuygens6en anderen7, mannen in de wis-, sterre- en werktuigkunde door en door ervaren, zich zeer bevlijtigd, om den loop der hemel-ligchamen door verscheidene werktuigen te vertoonen, hetwelk zij, op verschillende wijzen, met eenen gelukkigen uitslag volbragt hebben. Dan, indien men de kundigheden en den roem der gemelde wiskundigen in acht neemt, zal het niet vreemd voorkomen, dat dergelijke kunststukken, hoe veel vernuft en kundigheid zij in het uitvinden onderstellen, en hoe veel werks zij in het vervaardigen ook kosten mogen, indien zij ooit kondengemaakt worden, door zulke mannen gemaakt zijn. Maar, hoe vreemd, hoe wonderlijk en misschien ongeloofelijk, zal het niet voorkomen, dat een soortgelijk werktuig, ja een hemels-gestel, dat in zich bijna alles behelst, wat al de tot nu toe bekende, tezamen genomen, aanwijzen, en bovendien veel meer dingen, die misschien nog nooit werkstellig gemaakt waren, en alle, zoo veel ik weet, op geen zoogenaamdplanetariumgevonden worden, door een man én uitgedacht, én berekend, én vervaardigd is geworden, die alleen die kundigheden in de grondbeginselen der wis- en sterrekunde bezit, welke men somtijds bij liefhebbers dier wetenschappen aantreft; die nimmer eenige handleiding tot de beschouwende of werkdadige werktuigkunde gehad, van niemand hoegenaamd, eenige hulp genoten, nimmer eenplanetarium, of beschrijving of teekening van eenigplanetariumgezien, of boeken, over deze stof handelende, gelezen heeft?Eise Eisinga, thans (1780) mederaad in de Vroedschap der stadFraneker, die sedert eenige jaren eene neringrijke fabrijk van Friesche saaijetten bezit, is de uitvinder en maker van een kunststuk, dat de opmerking van alle liefhebbers der sterre- en werktuigkunde ten hoogste verdient. Eene groote genegenheid tot de wiskunde, reeds in zijne eerste jeugd, gevoelende, besteedde hij, om daarin eenige vorderingen te maken, al de uren, welke hij in zijns vaders huis aan de wolkammerij kon onttrekken, en begaf zich te dien einde, ééns in de week, vanDronrijp, zijne woonplaats, naarFraneker, om aldaar vanWillem Wytzes, een burgerman, die in de wiskunde vrij wel ervaren was, eenig onderwijs te halen. Bij dezen meester heeftEisingade rekenkunde, de zes eerste en het elfde en twaalfde boek vanEuclidesdoorgeloopen, en iets, doch zeer weinig, van de algebra geleerd. Vervolgens heeft hij van dezen eenige handleiding in de klootsche driehoeksmeting, de schikking van het hemels-gestel, het gebruik van de astronomische tafelen en het berekenen van de eklipsen ontvangen. Doch hij heeft dit alles door zijn eigenvernuft verder bewerkt, als hebbende nimmer eenige gedrukte boeken, behalve de sinustafelen en de astronomische tafelen vanVan der Molenen vanLa Hire, om de wis- of sterrekunde te leeren, gelezen, maar alleen gelegenheid gehad de schriften zijns meesters te gebruiken en na te schrijven. Deze zijn mij door hem geleend, waardoor ik in staat gesteld ben, om eenigzins te oordeelen, hoe verre het onderwijs gegaan zij. De liefhebberij wakkerde allengskens bij den jongeling meer en meer op, en had hij veel vermaak in het berekenen van eklipsen, zoodat hij eene zeer naauwkeurige uitrekening gemaakt heeft van al de zons- en maansverduisteringen, die, tot aan het einde der achttiende eeuw, teFranekerzouden plaats hebben8. Bovendien heeft hij er zeer nette afteekeningen bijgevoegd, zoodat men, met een opslag van het oog gewaar wordt: het uur van het begin, het midden en het einde der verduistering, hare grootte, aan welken kant zij beginnen en geschieden zal, zoo als ook den schijnbaren weg van de Maan.Eisingahad ook liefhebberij om des avonds wel eens naar de dwaalsterren te zien; en om haar des te gemakkelijker te kunnen vinden, was hij gewoon, in het begin des jaars eene tafel der standplaatsen van de planeten in iedere maand te berekenen. Hij deed dus in stilte een werk, hetwelk hij niet wist, dat jaarlijks door de beroemdste sterrekundigen teParijs,Londen,Berlijn,Weenenen inItaliëter bevordering der sterrekunde gedaan werd9. Zoo ziet men, hoe de wetenschappen somtijds door menschen, van wie men het niet verwachten zoude, op eene zeer opmerkelijke wijze beoefend worden!Dit alles geschiedde in het midden der huishoudelijke beslommeringen en der bezigheden van een beroep, dat veel werks verschaft, en zoo weinig verband met sterrekundige liefhebberij heeft. Nogtans werd dit daarom toch nooit, zoo als sommigen zich misschien, maar te onregt, verbeelden zouden, verwaarloosd. Alleen snipperuren werden hiertoe gebruikt. Hoe belangrijk al deze verrigtingen ook zijn mogten, zouEisingaechter, naar allen schijn, nimmer op het uitvinden van eenplanetariumgedacht, of gelegenheid bekomen hebben, om zijne vermogens, als werktuigkundige, van welke hij zich zelven nog niet bewust was, te oefenen, had niet een zonderling geval hem daartoe aangezet. Er werd in het voorjaar van 1774 een boekje in het licht gegeven over de gewaande ongelukkige uitwerkselen, die eene conjunctie van planeten, den 8 Mei daaraanvolgende voorvallende, op onzen aardkloot zeer waarschijnlijk zoude te weeg brengen, hetwelk bij velen eene groote verslagenheid en angst verwekte. Dit noopte hem, om door middel van zijne jaarlijks berekende tafel na te gaan, wat er op den gemelden dag stond te gebeuren. Hij bemerkte ligt, dat er voor ons niets te vreezen was10. Deze berekening deed hem invallen, dat het aangenaam zoude zijn, een werktuig te hebben, waarin men, te allen tijde, denwaren stand der hemel-ligchamen zoude kunnen gewaar worden, zoodat men daardoor in eens van alle berekening in het toekomende bevrijd zoude zijn. Deze gedachte werd aanstonds gevolgd door het besluit, om zulk een werktuig te vervaardigen. Het is grooten geesten alleen eigen, een zoo grooten stap in ééns te doen. De zwarigheden, die er zich opdeden, werden wel ingezien, doch verdwenen spoedig. De handen werden aan het werk geslagen, en vermits er niet dan snipperuren aan besteed konden worden, zag men te gemoet, dat er verscheidene jaren noodig zouden zijn tot het voltooijen van een zoo moeijelijk stuk. Hiertoe werd dan, op het verzoek van des uitvinders huisvrouw, die bij het begin des werks reeds zeer verlangde het einde te zien, de tijd van zeven jaren bepaald. Het zesde is thans (1780) verschenen, en het werktuig is, uitgenomen eenige kleinigheden, welke meest de uiterlijke opwerking betreffen, voltooid. Met het vierde jaar was hetplanetariumreeds gangbaar11.De wolkammer werd dan beurtelings in eenen rekenaar, werktuigkundige, teekenaar, uurwerkmaker enz. hervormd. Alles werd eerst wel overdacht, geschetst, geteekend, afgepast en vervolgens gemaakt, hetwelk alles doorEisingazelven geschiedde, behalve alleen, dat hij, geen draaibank bezittende, zijnen vader12, wien hij over het vervaardigen van het kunststuk raadpleegde, verzocht heeft, eenige schijven voor hem te draaijen, en dat hij vier koperen raderen, volgens zijn bestek, door eenen uurwerkmaker heeft laten maken.Dit zij genoeg van ’s mans omstandigheden. Zij doen wel niets tot de innerlijke fraaiheid en wezenlijke waarde van het kunststuk zelf, doch zijn zeer geschikt, om de achting, die den uitvinder en maker zoo regtmatig toekomt, en den roem, dien hij zich daardoor verworven heeft, merkelijk te vergrooten.In het beschrijven van dit kunststuk zal ik deze orde volgen: dat ik vooreerst eene algemeene schets van hetzelve zal voordragen; vervolgens ieder der drie afzonderlijke stukken, waaruit het bestaat, naauwkeurig ontvouwen, en er tevens eenige aanmerkingen bijvoegen over de zwarigheden, welke men in het vervaardigen van dergelijke stukken aantreft, en over de vergelijking van dit stuk met eenige andere stukken van den zelfden aard, opdat men zal kunnen opmaken, waarin dit andere overtreft, of door deze overtroffen wordt.1Deze uitmuntende man, die derdehalve eeuw vóór de geboorte vanChristusleefde, heeft een werktuig vervaardigd, dat doorCicero(de nat. Deorum, lib. II, cap. 35) eenesphæragenoemd wordt, waarop, zoo als uit den zelfden schrijver (Tusc. Quaes., lib. I. c. 25) en het bekende vers vanClaudianusblijkt, de bewegingen van Zon, Maan en van de vijf overige hoofddwaalsterren aangewezen werden. Meer kan er van dit werktuig, omdat er geene beschrijving van tot ons is gekomen, niet gezegd worden.Proclus, een Grieksch wiskundige van de vijfde eeuw, telt onder de deelen der werktuigkunde de kunst, omsphæra’s, ter nabootsing der hemelsche omwentelingen, te maken, zoo als, voegt hij er bij,Archimedeser eene gemaakt heeft.Comment. in prim. lib.Euclideslib. I, cap. 13, in fine, p. 24, ed. lat.Baroccii.↑2Posidonius, een tijdgenootenvriend vanCicero, heeft, volgens hetverhaal des laatstgemelden, eenesphæravervaardigd, wier omwentelingen datgene, wat ieder dag en nacht omtrent de Zon, de Maan en de vijf hoofddwaalsterren plaats heeft, aanwezen.De nat. Deorum, lib. II, c. 35.↑3Copernicusheeft in het jaar 1573 het overheerlijk astronomisch uurwerk der domkerk teStraatsburgvervaardigd. Men vindt eene afbeelding en zeer gebrekkige beschrijving van hetzelve, zoo als ook van dat der stadLyon, in deReizen vanDu Montdoor Frankrijk,Duitschland enz.bl. 30 en 45 der Nederduitsche vertaling.↑4Rheita, eenHoogduitschsterrekundige, heeft in het jaar 1645, in zijn werk, getiteld:Oculus Enoch et Eliae, een werktuig beschreven, waarin, door verscheidene wijzers, de bewegingen der Zon, Maan en vijf hoofddwaalsterren aangewezen worden. Er is eene duidelijke beschrijving en eene afbeelding van te vinden in deTechnica CuriosavanSchottus, het6eboek, 10 hoofd. bl. 397.↑5Zie eene korte beschrijving en nette teekening van dit schoone stuk, teParijsin het jaar 1680 vervaardigd, in deMachines approuvées par l’ Académie de Paris, tom. I, pag. 81.Horrebowheeft eene naauwkeurige beschrijving en afbeelding, met bijvoegselen en verbeteringen, gegeven van een dergelijkplanetarium, doorRoemerteKoppenhagenvervaardigd, in zijneBasis Astronomia, cap. 15, tweede druk, te vinden in zijneOpera Omnia, tom. 3, pag. 142 sqq.↑6Deze uitmuntende Nederlander heeft in het jaar 1682 een overheerlijkplanetariumgemaakt, hetwelk door een uurwerk bewogen wordt. Het schijnt gediend te hebben tot model aan dat van Dr.Desaguliers, en aan vele andere, die men naderhand inEngelandgemaakt heeft. Zie de beschrijving en teekening inHugeniiOpera Posthuma, en in deOpera Reliqua.↑7Het zoude overtollig zijn, die alle op te noemen. Men vindt eene optelling der voornaamsteplanetariabijWeidler,Hist. Astron.cap. 15, § 163, 164. Zie ook bij denzelven, cap. 7, § 33. De heerB. Martin, een Engelschman, heeft in zijnePhilosophia Brittannica, 3 deel, bl. 165, noot 141, eene korte geschiedenis derplanetariagegeven, doch alles, wat door Nederlanders of Franschen op dit stuk gedaan is, geheel verzwegen.↑8Eisingaheeft de goedheid gehad, mij deze verhandeling, over de honderd bladzijden in folio beslaande, ter leen te geven. De heerDu Vaucel, een Fransch sterrekundige, leerling van den vermaardenLa Lande, heeft alleen die zon-eklipsen, welke tot aan het jaar 1900 teParijszigtbaar zullen zijn, berekend en afgeteekend. De akademie vanParijsheeft deze verhandeling met zeer veel graagte ontvangen, en in het vijfde deel derMémoires présentés à l’Académielaten drukken. De heerDe Fouchy, secretaris dier akademie, merkte bij deze gelegenheid te regt aan, dat dit werk van veel belang is, en dat men den heerDu Vaucel, die de moeite en zorg, om het algemeen de vruchten van dezen arbeid bij voorraad te doen genieten, op zich genomen heeft, veel te danken heeft. Maar is deze lofspraak niet met even veel, ja met meer regt opEisingatoepasselijk, wegens het verschil van de omstandigheden der beide personen, van hun beroep en van het onderwijs, dat zij ontvangen hebben?Eisingaheeft deze verhandeling in het achttiende jaar zijns ouderdoms opgesteld.↑9Het wasEisinganog den 16 Maart 1780 onbekend, dat er boeken, zoo als deConnoissance des temps, in de wereld zijn. Ik had toen gelegenheid, hem dit werk te toonen, ter oorzake, dat hij, met eenige liefhebbers aan mijn huis zijnde, mij vroeg, of ook den 22 Maart eene conjunctie van Jupiter en de Maan plaats zoude hebben, zoo als zijnplanetariumhet scheen te zullen aantoonen. Mijn antwoord was, dat ik het aanstonds in zijne tegenwoordigheid in het gemelde boek zoude nazien, alwaar dit verschijnsel inderdaad op den 22, des morgens te half zeven uur, aangeteekend staat.↑10Het verschijnsel bestond enkel hierin, dat Jupiter, Mars, Venus, Mercurius en de Maan zich toen alle in het hemelteeken de Ram bevonden.↑11In het jaar 1778 gafEisingaeenige zeer naauwkeurige, en den kooplieden en collecteurs zeer dienstige, lijsten in het licht, waarin men deimpositiënvan allerhande waren en binnenlandsche middelen op het naauwkeurigst berekend vindt. De schrijver had de liefhebberij, de dagteekening door de standplaatsen der voornaamste planeten uit te drukken, zoo als dezelve, zeide hij, door mijn thans onder handen zijnde half gemaakt beweeglijkplanetariumaangetoond worden. Dit boek, waarvan ik nooit iets gehoord had, dan in de laatstleden maand Maart, viel denkelijk alleen in handen dergenen, voor wie het geschikt was, en hetplanetariumbleef onbekend. Hij werkte in stilte, en voltooide zijn kunststuk allengskens, zonder eenige vreemde hulp. Zijne verrigtingen waren mij bijna geheel onbekend, totdat ik in Februarij laatstleden gelegenheid kreeg, om dezelve te zien. Het werktuig zoude denkelijk al voorlang voltooid geweest zijn, ware niet de uitvinder door vele tusschenkomende omstandigheden merkelijk verhinderd geworden: in 1776 door zijne aanstelling tot voorstander der stads armen, wegens het kollekteren der bekkengelden; in het einde van 1776 door zijne aanstelling tot burger-vaandrig dezer stad; in Januarij 1777 door die tot mederaad in de Vroedschap; vervolgens tot collecteur van den brandewijn en dehavenspeciën, en eindelijk, in Mei 1778, door die tot armvoogd dezer stad: alle welke omstandigheden de snipperuren vrij wat verminderden, voornamelijk de laatstgemelde, welke bediening, in de jaarlijksche tweemaandsche administratie, bijna een ledig mensch vereischt.↑12Deze vader,Jelte Eisinga, wolkammer teDronrijp, ook een liefhebber der schoone kunsten, heeft den tijd, dien de bezigheden der wolkammerij hem overlaten, besteed tot het maken van eene draaibank, op welke de noodige schijven, somtijds van 28 duim middellijn, tot dit kunststuk behoorende, als ook de assen, van negen tot elf voet lengte, voor de rondsels enz. gedraaid zijn, en ook schroeven, ovalen en slingerwerk gedraaid kunnen worden. Ook maakte hij een fraai clavecimbaal staartstuk, en is thans (1780) bezig met het voltooijen van een kabinetorgel. In vroeger jaren had deze man reeds een tweemast galjootscheepje, van negen voeten lang, met al zijn toebehooren gemaakt. Zijne liefhebberij valt ook op het vervaardigen van Zonnewijzers, in welke kunst ook zijn zoon door en door ervaren is. Getuige hiervan een geschrift in folio, door hem opgesteld, waarin de zonnewijzers, voor alle mogelijke gelegenheden berekend en afgeteekend, te vinden zijn.↑

OPDRAGTVAN DEN EERSTEN DRUK DEZER BESCHRIJVING,AANDEN WELEDELEN HEERMrS. P. VAN SWINDEN,J. U. D. ADVOCAAT VOOR DEN HOVE VAN HOLLAND.Waarde Broeder!Zie hier eene Beschrijving, welke, zoo ik hoop, de gevoelens van verwondering, door welke ik, op het zien van het kunststuk van den VroedsmanEisinga, ben aangedaan geweest, en die in de brieven, welke ik u over dit onderwerp geschreven heb, zeer sterk doorstraalden, ten volle zal billijken. Die verwondering echter, welverre van door den tijd te slijten, is, daar ik nu het stuk dóór en dóór ken, nog grooter, dan zij in den beginne was.Twee redenen hebben mij aangezet, om deze Beschrijving in ’t licht te geven. Vooreerst, omdat het mij is voorgekomen, datEisingaten hoogste verdient, wegens zijn vindingrijkvernuft en bijzondere vermogens voor de werktuigkunde, overal bekend te worden. De Engelschen roemen te regt op eenenHarrison, een timmerman, die eensklaps, door zijn vernuft, een der grootste werktuigkundigen geworden is, en, tot zijn geluk, op een stuk viel, waardoor hij zich verrijkt heeft1. Zij prijzen hemelhoog eenenFerguson, die, maar een boer zijnde, zich op de werktuigkunde toegelegd, en daarin groote vorderingen gemaakt heeft2. Waarom dan zouden de Friezen zich niet, met evenveel reden, beroemen op eenen Fries, die, in dergelijke omstandigheden, niet mindervernuft en kundigheden heeft getoond te bezitten, en die, ten opzigte zijner vermogens in die stukken, voor velen niet behoeft te wijken? Geen ander middel, om dit te weeg te brengen, was er in mijne magt, dan het werk te beschrijven, en den maker door hetzelve aan het algemeen te doen kennen. Met dit te doen, heb ik aan den pligt van een geletterd persoon voldaan, die niets, dat tot bevordering van kunsten en wetenschappen dienen kan, verwaarloozen mag; en ik meen dien van een goed burger niet te verzuimen, met iemand, die tot roem strekt der stad, in welke ik leef, zoo veel ik kan bekend te maken. Dit doe ik nu, naar mijne vermogens, ten opzigte van ons land, door deze Beschrijving; dit heb ik reeds ten opzigte van het buitenland gedaan, door eene korte schets van dit kunststuk aan deAkademie der wetenschappen te Brussel, aan Zijne Excellentie den heer prins vanGallitzin, aan den vermaarden heerDe LucteLonden, aan den beroemden vaderCopteteMontmorenci, en aan den heerGaussenteMontpelliertoe te zenden. Uit deze Beschrijving zult gij kunnen opmaken, of die schetsen, welke gij voor het afzenden gelezen hebt, genoegzaam naauwkeurig waren. Niets, dan gebrek aan tijd, heeft mij belet, dit overheerlijk stuk, tot nu toe, aan mijne correspondenten teParijs, tePetersburg, inDuitschland,ZwitserlandenItaliëmede bekend te maken. Meer te doen tot aankweeking van vernuft en nuttige bekwaamheden, is buiten mijn bereik. Vergeldingen van eenen anderen aard, hangen van mij niet af.Bij deze reden, die bij mij veel gewigts heeft, omdat zij met het denkbeeld van pligt gepaard gaat, voegt zich nog eene andere: het nut, namelijk, dergenen, die liefhebberij hebben, om het kunststuk te bezigtigen. Mijne eigene ondervinding heeft mij doen besluiten, dat het niet mogelijk is, alles grondig na te gaan, ten zij men eerst wete, wat men behoort te zien, en op welke stukken men zijne aandacht vooral behoort te vestigen. Gij begrijpt wel, dat ik hier niet van sterrekundigen spreek: aangaande deze kan ik uit mijne ondervinding niets besluiten; ik spreek alleen van dezulken, die, zoo als wij beiden,enkel uit liefhebberij iets van de sterrekunde verstaan, en voor wien het derhalve noodig is, dat ieder stuk afzonderlijk ontwikkeld worde om het te beter in zijnen zamenhang te onderscheiden.Hoewel ik verscheideneplanetaria, en van verschillende soorten, gezien heb, en mijne gedachten weleens over dergelijke stukken heb laten gaan, zoo als gij u misschien herinneren zult, dat ik u reeds voor vele jaren eene schets van een zeer eenvoudigplanetariumgezonden heb; hoewel ik ook verscheidene werken over die stof heb doorbladerd, moet ik echter bekennen, dat, toen ik het kunststuk vanEisinga, met twee mijner ambtgenooten en vrienden, op den 22 Februarij 1780, voor de eerstemaal bezigtigde, ik daartoe wel twee uren besteedde, en in eene wezenlijke verrukking over deszelfs fraaiheid vervoerd was geworden, ik echter op verre na niet alles volkomen had ingezien. Ik was door de veelvuldigheid der stukken, en misschien door de verwondering, als overstelpt. Te huis gekomen zijnde, ging ik alles na; teekende het aanmerkelijkste op; liet mijne gedachten over dergelijke werktuigen gaan; las verscheidene schrijvers, om, zoo veel mij doenlijk was, de innerlijke waardij van het stuk, naar vereisch, te overwegen, zelfs afzonderlijk van de omstandigheden des makers. Dit overdenkende, bleek het mij niet mogelijk te zijn, dat ik alles volmaakt gezien had: want ik bevond, dat hij, die bekwaam geweest was, om hetgene, dat ik wel gezien had, te maken, voorzeker vernufts genoeg gehad moest hebben, om verder te gaan, en dingen te vervaardigen, welke ik dacht dat ontbraken, omdat ik mij niet herinnerde, dezelve gezien te hebben. Ik stelde dan eenige gedachten en vragen op, ten deele ook, om mij daardoor in staat te stellen, om in het vervolg met meerder grond over dit stuk te kunnen spreken. Kort daarna, namelijk den 13 Maart, bekwam ik met eenige goede vrienden de gelegenheid, om hetzelve nader te beschouwen, waartoe wederom eenige uren besteed werden; toen vernam ik inderdaad, dat mij de eerste reize, niettegenstaandemijne aandacht en oplettendheid, vrij wat ontglipt was; ik bespeurde, wat ik gemeend had te ontbreken; ik ontdekte nieuwe fraaiheden; en waarlijk, toen ik, eenigen tijd daarna, het stuk voor de derdemaal bezag, bevond ik nog niet alles opgemerkt te hebben. Het is dus niet dan door herhaalde gesprekken en beschouwingen, dat ik alles volkomen heb leeren kennen. Wat mij gebeurd is, kan anderen, die zich, door hun beroep, niet meer dan ik op de sterrekunde hebben toegelegd, ook wel gebeuren, en dit konde den roem van het kunststuk benadeelen. Dit oordeelde ik noodig te voorkomen; en dit konde ik, dacht mij, gevoegelijk doen, door den staat van het geheele kunststuk naauwkeurig te beschrijven. Dit was te meer noodig, omdat er eenige dingen, en welverre de vernuftigste, in gevonden worden, van welke men het fraaije niet kan opmerken, zonder vooraf onderrigt te zijn. Men ziet, bij voorbeeld, deMaanwijzers; doch men ziet in den eersten opslag niet, en dit is het gewigtigste, dat zij zich, om de ongeregelde beweging der Maan te volgen, met eene zeer ongelijkvormige snelheid bewegen. Dit wordt men eerst gewaar, óf met de bewegingen van die wijzers, als het kunststuk met de kruk bewogen wordt, zeer aandachtig en opzettelijk na te gaan; óf wanneer men het raderwerk, hetwelk de maker ook laat zien en geheel uitlegt, beschouwt, zoodat men uit deszelfs schikking besluiten moet, dat de snelheid der wijzers inderdaad ongelijkvormig is.Voor het overige, mijne beschrijving is niet opgesierd. Ik heb getrouwelijk beschreven, wat ik gezien heb. Zijn er, die twijfelen, of alles wel zoo is; ik geef hun gerust tot antwoord:komt en ziet; en ik houd mij verzekerd, dat zij, na eene naauwkeurige en aandachtige beschouwing, overtuigd zullen zijn, dat dit kunststuk niet alleen fraai is, in aanmerking van de omstandigheden des makers; maar dat het, in zich zelf en in het afgetrokkene beschouwd, overheerlijk schoon, en tot vertooning der verschijnselen ongemeen geschikt is.Het kunststuk is, uitgenomen eenige dingen, die nog geschilderden verguld moeten worden, voltooid. Ik heb het beschreven, alsof het reeds naar het bestek geschilderd ware. De maker, die niet minder zedig dan vernuftig is, zal gaarne alle onderrigtingen, welke men hem zal willen geven, zoo veel mogelijk, in acht nemen. De bezigheden van zijn beroep hebben den uitvinder nog niet toegelaten, het schilderen, vergulden enz. in het werk te stellen; doch hij heeft voorgenomen, de maanden Augustus en September van dit jaar daartoe te besteden. Gedurende dien tijd zal het kunststuk niet wel aan liefhebbers kunnen vertoond worden.Mijne beschrijving is veel langer geworden, dan ik in den beginne gedacht had. De voorname oorzaak daarvan is zekerlijk het vermaak, hetwelk ik in het opstellen ondervonden heb. Hoe aangenaam is het voor iemand, die niet geheel ongevoelig is, de vermogens, door Gods goedheid aan des menschen verstand geschonken, na te gaan! Hoe verrukkend is het gewaar te worden, hoe de grootste zwarigheden voor een groot vernuft als kaf verdwijnen! en hoe men, door eenvoudige middelen, wanneer men eenen daartoe geschikten geest bezit, de meest zamengestelde stukken kan vervaardigen! Naarmate ik ieder stuk in zijne wezenlijke waardij leerde kennen, voelde ik mijne achting voor den maker aangroeijen, en mijne blijdschap vermeerderen, van deze gelegenheid, om vorderingen in eenige deelen der werktuigkunde te maken, bekomen te hebben: want ik kan u niet ontveinzen (en al konde ik, waarom zou ik het toch doen?), dat ik uit de vinding en schikking der stukken in dit werktuig, en uit de redeneringen, die den maker daartoe gebragt hebben, veel geleerd heb, vooral in hetgene, dat men te regt eenvoudigheid, om iets uit te voeren, noemen kan. De eenvoudigheid der middelen, welke men gebruikt, om zamengestelde uitwerkselen voort te brengen, is het eigenaardig kenmerk der groote geesten, even als van de natuur. Deze aangename genietingen zijn echter somtijds door één éénig denkbeeld wat gestoord geworden. Wat is het te beklagen, zeide ik in mij zelven, dat die manzich niet van der jeugd af op de werktuigkunde, en hetgene daarbij behoort, heeft kunnen toeleggen! Wie weet, hoe ver hij het gebragt zoude hebben! Wie weet wat hij nog zoude kunnen doen, indien hij niet verpligt ware zich met een ander beroep bezig te houden! indien hij, even alsHarrisonenFerguson, ware in staat gesteld geweest, om zich geheel op de werktuigkunde toe te leggen!Vaarwel, waarde broeder! ontvang dit stukje met die toegenegenheid, waarmede ik het u aanbied, en wees verzekerd, dat ik met ongeveinsde achting ben en altijd blijven zal,Uw zeer toegenegen broeder,J. H. van SWINDEN.Franeker,den 15 Junij 1780.1Namelijk, op het vervaardigen van tijdmeters ofzee-horologiën, om de lengte op zee te bepalen.Harrisonheeft eene belooning van tien duizend pond sterling, meer dan eene ton gouds uitmakende, ontvangen. Zie de geschiedenis van deze merkwaardige uitvinding in deUitgelezene Filozofische Verhandelingen, deel III, bladz. 355–397. Die geschiedenis wordt aldaar tot het jaar 1762 beschreven; het overige vindt men in deUitgezochte Verhandelingen, deel IX, bladz. 309–331, en vooral bijPezenas,Principes de la montre de M.Harrison, p. 20. In dit werkje treft men de beschrijving en teekening vanHarrisonstijdmeter aan. De heerMudge, van wien ik in de noot van §52gesproken heb, heeft ook onlangs eene belooning van vijfhonderd pond sterling ontvangen, als eene aanmoediging, om zijne zee-horologiën verder te volmaken. ZieJournal de Physique, t. XI, p. 537.↑2DezeFergusonis door vele werken en vernuftige uitvindingen zeer beroemd geworden. Onder de laatstgemelde is ook eenplanetarium, van hetwelk men eene plaat en beschrijving aantreft in het werk van den uitvinder, dat ten titel voert:Astronomy explained upon sirIsaac Newton’sPrinciples etc., 4o.London1757, § 434, 435, 436. Hoewel de tweeplanetaria, aldaar door den heerFergusonbeschreven, zeer vernuftig uitgedacht, en tot aanwijzing der bewegingen van de Aarde en van de Maan wel geschikt zijn, zijn zij echter, alsplanetariabeschouwd, veel minder volledig, dan dat vanWright(zie het derde hoofdstuk van dit werkje, §38). Ik oordeel het bijgevolg niet noodig, breeder over die vanFergusonte handelen. Alleen zal ik aanmerken, dat er op hetplanetariumvanFerguson, even als op dat vanEisinga, een wijzer vlak over de Aarde is, die den schijnbaren weg en de plaats der Zon aantoont.Fergusonheeft ook (§ 437), in navolging vanDesaguliers, eencometarium, of werktuig om den loop der kometen te verklaren, geschreven. Wat hieromtrent door onzen landgenoot, den heerStruik, gedaan is, vindt men uitvoerig behandeld in deszelfsVervolg op de beschrijving der Staartsterren, vijfde afdeel. bl. 113.↑

OPDRAGTVAN DEN EERSTEN DRUK DEZER BESCHRIJVING,AANDEN WELEDELEN HEERMrS. P. VAN SWINDEN,J. U. D. ADVOCAAT VOOR DEN HOVE VAN HOLLAND.

Waarde Broeder!Zie hier eene Beschrijving, welke, zoo ik hoop, de gevoelens van verwondering, door welke ik, op het zien van het kunststuk van den VroedsmanEisinga, ben aangedaan geweest, en die in de brieven, welke ik u over dit onderwerp geschreven heb, zeer sterk doorstraalden, ten volle zal billijken. Die verwondering echter, welverre van door den tijd te slijten, is, daar ik nu het stuk dóór en dóór ken, nog grooter, dan zij in den beginne was.Twee redenen hebben mij aangezet, om deze Beschrijving in ’t licht te geven. Vooreerst, omdat het mij is voorgekomen, datEisingaten hoogste verdient, wegens zijn vindingrijkvernuft en bijzondere vermogens voor de werktuigkunde, overal bekend te worden. De Engelschen roemen te regt op eenenHarrison, een timmerman, die eensklaps, door zijn vernuft, een der grootste werktuigkundigen geworden is, en, tot zijn geluk, op een stuk viel, waardoor hij zich verrijkt heeft1. Zij prijzen hemelhoog eenenFerguson, die, maar een boer zijnde, zich op de werktuigkunde toegelegd, en daarin groote vorderingen gemaakt heeft2. Waarom dan zouden de Friezen zich niet, met evenveel reden, beroemen op eenen Fries, die, in dergelijke omstandigheden, niet mindervernuft en kundigheden heeft getoond te bezitten, en die, ten opzigte zijner vermogens in die stukken, voor velen niet behoeft te wijken? Geen ander middel, om dit te weeg te brengen, was er in mijne magt, dan het werk te beschrijven, en den maker door hetzelve aan het algemeen te doen kennen. Met dit te doen, heb ik aan den pligt van een geletterd persoon voldaan, die niets, dat tot bevordering van kunsten en wetenschappen dienen kan, verwaarloozen mag; en ik meen dien van een goed burger niet te verzuimen, met iemand, die tot roem strekt der stad, in welke ik leef, zoo veel ik kan bekend te maken. Dit doe ik nu, naar mijne vermogens, ten opzigte van ons land, door deze Beschrijving; dit heb ik reeds ten opzigte van het buitenland gedaan, door eene korte schets van dit kunststuk aan deAkademie der wetenschappen te Brussel, aan Zijne Excellentie den heer prins vanGallitzin, aan den vermaarden heerDe LucteLonden, aan den beroemden vaderCopteteMontmorenci, en aan den heerGaussenteMontpelliertoe te zenden. Uit deze Beschrijving zult gij kunnen opmaken, of die schetsen, welke gij voor het afzenden gelezen hebt, genoegzaam naauwkeurig waren. Niets, dan gebrek aan tijd, heeft mij belet, dit overheerlijk stuk, tot nu toe, aan mijne correspondenten teParijs, tePetersburg, inDuitschland,ZwitserlandenItaliëmede bekend te maken. Meer te doen tot aankweeking van vernuft en nuttige bekwaamheden, is buiten mijn bereik. Vergeldingen van eenen anderen aard, hangen van mij niet af.Bij deze reden, die bij mij veel gewigts heeft, omdat zij met het denkbeeld van pligt gepaard gaat, voegt zich nog eene andere: het nut, namelijk, dergenen, die liefhebberij hebben, om het kunststuk te bezigtigen. Mijne eigene ondervinding heeft mij doen besluiten, dat het niet mogelijk is, alles grondig na te gaan, ten zij men eerst wete, wat men behoort te zien, en op welke stukken men zijne aandacht vooral behoort te vestigen. Gij begrijpt wel, dat ik hier niet van sterrekundigen spreek: aangaande deze kan ik uit mijne ondervinding niets besluiten; ik spreek alleen van dezulken, die, zoo als wij beiden,enkel uit liefhebberij iets van de sterrekunde verstaan, en voor wien het derhalve noodig is, dat ieder stuk afzonderlijk ontwikkeld worde om het te beter in zijnen zamenhang te onderscheiden.Hoewel ik verscheideneplanetaria, en van verschillende soorten, gezien heb, en mijne gedachten weleens over dergelijke stukken heb laten gaan, zoo als gij u misschien herinneren zult, dat ik u reeds voor vele jaren eene schets van een zeer eenvoudigplanetariumgezonden heb; hoewel ik ook verscheidene werken over die stof heb doorbladerd, moet ik echter bekennen, dat, toen ik het kunststuk vanEisinga, met twee mijner ambtgenooten en vrienden, op den 22 Februarij 1780, voor de eerstemaal bezigtigde, ik daartoe wel twee uren besteedde, en in eene wezenlijke verrukking over deszelfs fraaiheid vervoerd was geworden, ik echter op verre na niet alles volkomen had ingezien. Ik was door de veelvuldigheid der stukken, en misschien door de verwondering, als overstelpt. Te huis gekomen zijnde, ging ik alles na; teekende het aanmerkelijkste op; liet mijne gedachten over dergelijke werktuigen gaan; las verscheidene schrijvers, om, zoo veel mij doenlijk was, de innerlijke waardij van het stuk, naar vereisch, te overwegen, zelfs afzonderlijk van de omstandigheden des makers. Dit overdenkende, bleek het mij niet mogelijk te zijn, dat ik alles volmaakt gezien had: want ik bevond, dat hij, die bekwaam geweest was, om hetgene, dat ik wel gezien had, te maken, voorzeker vernufts genoeg gehad moest hebben, om verder te gaan, en dingen te vervaardigen, welke ik dacht dat ontbraken, omdat ik mij niet herinnerde, dezelve gezien te hebben. Ik stelde dan eenige gedachten en vragen op, ten deele ook, om mij daardoor in staat te stellen, om in het vervolg met meerder grond over dit stuk te kunnen spreken. Kort daarna, namelijk den 13 Maart, bekwam ik met eenige goede vrienden de gelegenheid, om hetzelve nader te beschouwen, waartoe wederom eenige uren besteed werden; toen vernam ik inderdaad, dat mij de eerste reize, niettegenstaandemijne aandacht en oplettendheid, vrij wat ontglipt was; ik bespeurde, wat ik gemeend had te ontbreken; ik ontdekte nieuwe fraaiheden; en waarlijk, toen ik, eenigen tijd daarna, het stuk voor de derdemaal bezag, bevond ik nog niet alles opgemerkt te hebben. Het is dus niet dan door herhaalde gesprekken en beschouwingen, dat ik alles volkomen heb leeren kennen. Wat mij gebeurd is, kan anderen, die zich, door hun beroep, niet meer dan ik op de sterrekunde hebben toegelegd, ook wel gebeuren, en dit konde den roem van het kunststuk benadeelen. Dit oordeelde ik noodig te voorkomen; en dit konde ik, dacht mij, gevoegelijk doen, door den staat van het geheele kunststuk naauwkeurig te beschrijven. Dit was te meer noodig, omdat er eenige dingen, en welverre de vernuftigste, in gevonden worden, van welke men het fraaije niet kan opmerken, zonder vooraf onderrigt te zijn. Men ziet, bij voorbeeld, deMaanwijzers; doch men ziet in den eersten opslag niet, en dit is het gewigtigste, dat zij zich, om de ongeregelde beweging der Maan te volgen, met eene zeer ongelijkvormige snelheid bewegen. Dit wordt men eerst gewaar, óf met de bewegingen van die wijzers, als het kunststuk met de kruk bewogen wordt, zeer aandachtig en opzettelijk na te gaan; óf wanneer men het raderwerk, hetwelk de maker ook laat zien en geheel uitlegt, beschouwt, zoodat men uit deszelfs schikking besluiten moet, dat de snelheid der wijzers inderdaad ongelijkvormig is.Voor het overige, mijne beschrijving is niet opgesierd. Ik heb getrouwelijk beschreven, wat ik gezien heb. Zijn er, die twijfelen, of alles wel zoo is; ik geef hun gerust tot antwoord:komt en ziet; en ik houd mij verzekerd, dat zij, na eene naauwkeurige en aandachtige beschouwing, overtuigd zullen zijn, dat dit kunststuk niet alleen fraai is, in aanmerking van de omstandigheden des makers; maar dat het, in zich zelf en in het afgetrokkene beschouwd, overheerlijk schoon, en tot vertooning der verschijnselen ongemeen geschikt is.Het kunststuk is, uitgenomen eenige dingen, die nog geschilderden verguld moeten worden, voltooid. Ik heb het beschreven, alsof het reeds naar het bestek geschilderd ware. De maker, die niet minder zedig dan vernuftig is, zal gaarne alle onderrigtingen, welke men hem zal willen geven, zoo veel mogelijk, in acht nemen. De bezigheden van zijn beroep hebben den uitvinder nog niet toegelaten, het schilderen, vergulden enz. in het werk te stellen; doch hij heeft voorgenomen, de maanden Augustus en September van dit jaar daartoe te besteden. Gedurende dien tijd zal het kunststuk niet wel aan liefhebbers kunnen vertoond worden.Mijne beschrijving is veel langer geworden, dan ik in den beginne gedacht had. De voorname oorzaak daarvan is zekerlijk het vermaak, hetwelk ik in het opstellen ondervonden heb. Hoe aangenaam is het voor iemand, die niet geheel ongevoelig is, de vermogens, door Gods goedheid aan des menschen verstand geschonken, na te gaan! Hoe verrukkend is het gewaar te worden, hoe de grootste zwarigheden voor een groot vernuft als kaf verdwijnen! en hoe men, door eenvoudige middelen, wanneer men eenen daartoe geschikten geest bezit, de meest zamengestelde stukken kan vervaardigen! Naarmate ik ieder stuk in zijne wezenlijke waardij leerde kennen, voelde ik mijne achting voor den maker aangroeijen, en mijne blijdschap vermeerderen, van deze gelegenheid, om vorderingen in eenige deelen der werktuigkunde te maken, bekomen te hebben: want ik kan u niet ontveinzen (en al konde ik, waarom zou ik het toch doen?), dat ik uit de vinding en schikking der stukken in dit werktuig, en uit de redeneringen, die den maker daartoe gebragt hebben, veel geleerd heb, vooral in hetgene, dat men te regt eenvoudigheid, om iets uit te voeren, noemen kan. De eenvoudigheid der middelen, welke men gebruikt, om zamengestelde uitwerkselen voort te brengen, is het eigenaardig kenmerk der groote geesten, even als van de natuur. Deze aangename genietingen zijn echter somtijds door één éénig denkbeeld wat gestoord geworden. Wat is het te beklagen, zeide ik in mij zelven, dat die manzich niet van der jeugd af op de werktuigkunde, en hetgene daarbij behoort, heeft kunnen toeleggen! Wie weet, hoe ver hij het gebragt zoude hebben! Wie weet wat hij nog zoude kunnen doen, indien hij niet verpligt ware zich met een ander beroep bezig te houden! indien hij, even alsHarrisonenFerguson, ware in staat gesteld geweest, om zich geheel op de werktuigkunde toe te leggen!Vaarwel, waarde broeder! ontvang dit stukje met die toegenegenheid, waarmede ik het u aanbied, en wees verzekerd, dat ik met ongeveinsde achting ben en altijd blijven zal,Uw zeer toegenegen broeder,J. H. van SWINDEN.Franeker,den 15 Junij 1780.

Waarde Broeder!

Zie hier eene Beschrijving, welke, zoo ik hoop, de gevoelens van verwondering, door welke ik, op het zien van het kunststuk van den VroedsmanEisinga, ben aangedaan geweest, en die in de brieven, welke ik u over dit onderwerp geschreven heb, zeer sterk doorstraalden, ten volle zal billijken. Die verwondering echter, welverre van door den tijd te slijten, is, daar ik nu het stuk dóór en dóór ken, nog grooter, dan zij in den beginne was.

Twee redenen hebben mij aangezet, om deze Beschrijving in ’t licht te geven. Vooreerst, omdat het mij is voorgekomen, datEisingaten hoogste verdient, wegens zijn vindingrijkvernuft en bijzondere vermogens voor de werktuigkunde, overal bekend te worden. De Engelschen roemen te regt op eenenHarrison, een timmerman, die eensklaps, door zijn vernuft, een der grootste werktuigkundigen geworden is, en, tot zijn geluk, op een stuk viel, waardoor hij zich verrijkt heeft1. Zij prijzen hemelhoog eenenFerguson, die, maar een boer zijnde, zich op de werktuigkunde toegelegd, en daarin groote vorderingen gemaakt heeft2. Waarom dan zouden de Friezen zich niet, met evenveel reden, beroemen op eenen Fries, die, in dergelijke omstandigheden, niet mindervernuft en kundigheden heeft getoond te bezitten, en die, ten opzigte zijner vermogens in die stukken, voor velen niet behoeft te wijken? Geen ander middel, om dit te weeg te brengen, was er in mijne magt, dan het werk te beschrijven, en den maker door hetzelve aan het algemeen te doen kennen. Met dit te doen, heb ik aan den pligt van een geletterd persoon voldaan, die niets, dat tot bevordering van kunsten en wetenschappen dienen kan, verwaarloozen mag; en ik meen dien van een goed burger niet te verzuimen, met iemand, die tot roem strekt der stad, in welke ik leef, zoo veel ik kan bekend te maken. Dit doe ik nu, naar mijne vermogens, ten opzigte van ons land, door deze Beschrijving; dit heb ik reeds ten opzigte van het buitenland gedaan, door eene korte schets van dit kunststuk aan deAkademie der wetenschappen te Brussel, aan Zijne Excellentie den heer prins vanGallitzin, aan den vermaarden heerDe LucteLonden, aan den beroemden vaderCopteteMontmorenci, en aan den heerGaussenteMontpelliertoe te zenden. Uit deze Beschrijving zult gij kunnen opmaken, of die schetsen, welke gij voor het afzenden gelezen hebt, genoegzaam naauwkeurig waren. Niets, dan gebrek aan tijd, heeft mij belet, dit overheerlijk stuk, tot nu toe, aan mijne correspondenten teParijs, tePetersburg, inDuitschland,ZwitserlandenItaliëmede bekend te maken. Meer te doen tot aankweeking van vernuft en nuttige bekwaamheden, is buiten mijn bereik. Vergeldingen van eenen anderen aard, hangen van mij niet af.

Bij deze reden, die bij mij veel gewigts heeft, omdat zij met het denkbeeld van pligt gepaard gaat, voegt zich nog eene andere: het nut, namelijk, dergenen, die liefhebberij hebben, om het kunststuk te bezigtigen. Mijne eigene ondervinding heeft mij doen besluiten, dat het niet mogelijk is, alles grondig na te gaan, ten zij men eerst wete, wat men behoort te zien, en op welke stukken men zijne aandacht vooral behoort te vestigen. Gij begrijpt wel, dat ik hier niet van sterrekundigen spreek: aangaande deze kan ik uit mijne ondervinding niets besluiten; ik spreek alleen van dezulken, die, zoo als wij beiden,enkel uit liefhebberij iets van de sterrekunde verstaan, en voor wien het derhalve noodig is, dat ieder stuk afzonderlijk ontwikkeld worde om het te beter in zijnen zamenhang te onderscheiden.

Hoewel ik verscheideneplanetaria, en van verschillende soorten, gezien heb, en mijne gedachten weleens over dergelijke stukken heb laten gaan, zoo als gij u misschien herinneren zult, dat ik u reeds voor vele jaren eene schets van een zeer eenvoudigplanetariumgezonden heb; hoewel ik ook verscheidene werken over die stof heb doorbladerd, moet ik echter bekennen, dat, toen ik het kunststuk vanEisinga, met twee mijner ambtgenooten en vrienden, op den 22 Februarij 1780, voor de eerstemaal bezigtigde, ik daartoe wel twee uren besteedde, en in eene wezenlijke verrukking over deszelfs fraaiheid vervoerd was geworden, ik echter op verre na niet alles volkomen had ingezien. Ik was door de veelvuldigheid der stukken, en misschien door de verwondering, als overstelpt. Te huis gekomen zijnde, ging ik alles na; teekende het aanmerkelijkste op; liet mijne gedachten over dergelijke werktuigen gaan; las verscheidene schrijvers, om, zoo veel mij doenlijk was, de innerlijke waardij van het stuk, naar vereisch, te overwegen, zelfs afzonderlijk van de omstandigheden des makers. Dit overdenkende, bleek het mij niet mogelijk te zijn, dat ik alles volmaakt gezien had: want ik bevond, dat hij, die bekwaam geweest was, om hetgene, dat ik wel gezien had, te maken, voorzeker vernufts genoeg gehad moest hebben, om verder te gaan, en dingen te vervaardigen, welke ik dacht dat ontbraken, omdat ik mij niet herinnerde, dezelve gezien te hebben. Ik stelde dan eenige gedachten en vragen op, ten deele ook, om mij daardoor in staat te stellen, om in het vervolg met meerder grond over dit stuk te kunnen spreken. Kort daarna, namelijk den 13 Maart, bekwam ik met eenige goede vrienden de gelegenheid, om hetzelve nader te beschouwen, waartoe wederom eenige uren besteed werden; toen vernam ik inderdaad, dat mij de eerste reize, niettegenstaandemijne aandacht en oplettendheid, vrij wat ontglipt was; ik bespeurde, wat ik gemeend had te ontbreken; ik ontdekte nieuwe fraaiheden; en waarlijk, toen ik, eenigen tijd daarna, het stuk voor de derdemaal bezag, bevond ik nog niet alles opgemerkt te hebben. Het is dus niet dan door herhaalde gesprekken en beschouwingen, dat ik alles volkomen heb leeren kennen. Wat mij gebeurd is, kan anderen, die zich, door hun beroep, niet meer dan ik op de sterrekunde hebben toegelegd, ook wel gebeuren, en dit konde den roem van het kunststuk benadeelen. Dit oordeelde ik noodig te voorkomen; en dit konde ik, dacht mij, gevoegelijk doen, door den staat van het geheele kunststuk naauwkeurig te beschrijven. Dit was te meer noodig, omdat er eenige dingen, en welverre de vernuftigste, in gevonden worden, van welke men het fraaije niet kan opmerken, zonder vooraf onderrigt te zijn. Men ziet, bij voorbeeld, deMaanwijzers; doch men ziet in den eersten opslag niet, en dit is het gewigtigste, dat zij zich, om de ongeregelde beweging der Maan te volgen, met eene zeer ongelijkvormige snelheid bewegen. Dit wordt men eerst gewaar, óf met de bewegingen van die wijzers, als het kunststuk met de kruk bewogen wordt, zeer aandachtig en opzettelijk na te gaan; óf wanneer men het raderwerk, hetwelk de maker ook laat zien en geheel uitlegt, beschouwt, zoodat men uit deszelfs schikking besluiten moet, dat de snelheid der wijzers inderdaad ongelijkvormig is.

Voor het overige, mijne beschrijving is niet opgesierd. Ik heb getrouwelijk beschreven, wat ik gezien heb. Zijn er, die twijfelen, of alles wel zoo is; ik geef hun gerust tot antwoord:komt en ziet; en ik houd mij verzekerd, dat zij, na eene naauwkeurige en aandachtige beschouwing, overtuigd zullen zijn, dat dit kunststuk niet alleen fraai is, in aanmerking van de omstandigheden des makers; maar dat het, in zich zelf en in het afgetrokkene beschouwd, overheerlijk schoon, en tot vertooning der verschijnselen ongemeen geschikt is.

Het kunststuk is, uitgenomen eenige dingen, die nog geschilderden verguld moeten worden, voltooid. Ik heb het beschreven, alsof het reeds naar het bestek geschilderd ware. De maker, die niet minder zedig dan vernuftig is, zal gaarne alle onderrigtingen, welke men hem zal willen geven, zoo veel mogelijk, in acht nemen. De bezigheden van zijn beroep hebben den uitvinder nog niet toegelaten, het schilderen, vergulden enz. in het werk te stellen; doch hij heeft voorgenomen, de maanden Augustus en September van dit jaar daartoe te besteden. Gedurende dien tijd zal het kunststuk niet wel aan liefhebbers kunnen vertoond worden.

Mijne beschrijving is veel langer geworden, dan ik in den beginne gedacht had. De voorname oorzaak daarvan is zekerlijk het vermaak, hetwelk ik in het opstellen ondervonden heb. Hoe aangenaam is het voor iemand, die niet geheel ongevoelig is, de vermogens, door Gods goedheid aan des menschen verstand geschonken, na te gaan! Hoe verrukkend is het gewaar te worden, hoe de grootste zwarigheden voor een groot vernuft als kaf verdwijnen! en hoe men, door eenvoudige middelen, wanneer men eenen daartoe geschikten geest bezit, de meest zamengestelde stukken kan vervaardigen! Naarmate ik ieder stuk in zijne wezenlijke waardij leerde kennen, voelde ik mijne achting voor den maker aangroeijen, en mijne blijdschap vermeerderen, van deze gelegenheid, om vorderingen in eenige deelen der werktuigkunde te maken, bekomen te hebben: want ik kan u niet ontveinzen (en al konde ik, waarom zou ik het toch doen?), dat ik uit de vinding en schikking der stukken in dit werktuig, en uit de redeneringen, die den maker daartoe gebragt hebben, veel geleerd heb, vooral in hetgene, dat men te regt eenvoudigheid, om iets uit te voeren, noemen kan. De eenvoudigheid der middelen, welke men gebruikt, om zamengestelde uitwerkselen voort te brengen, is het eigenaardig kenmerk der groote geesten, even als van de natuur. Deze aangename genietingen zijn echter somtijds door één éénig denkbeeld wat gestoord geworden. Wat is het te beklagen, zeide ik in mij zelven, dat die manzich niet van der jeugd af op de werktuigkunde, en hetgene daarbij behoort, heeft kunnen toeleggen! Wie weet, hoe ver hij het gebragt zoude hebben! Wie weet wat hij nog zoude kunnen doen, indien hij niet verpligt ware zich met een ander beroep bezig te houden! indien hij, even alsHarrisonenFerguson, ware in staat gesteld geweest, om zich geheel op de werktuigkunde toe te leggen!

Vaarwel, waarde broeder! ontvang dit stukje met die toegenegenheid, waarmede ik het u aanbied, en wees verzekerd, dat ik met ongeveinsde achting ben en altijd blijven zal,

Uw zeer toegenegen broeder,J. H. van SWINDEN.

Franeker,den 15 Junij 1780.

1Namelijk, op het vervaardigen van tijdmeters ofzee-horologiën, om de lengte op zee te bepalen.Harrisonheeft eene belooning van tien duizend pond sterling, meer dan eene ton gouds uitmakende, ontvangen. Zie de geschiedenis van deze merkwaardige uitvinding in deUitgelezene Filozofische Verhandelingen, deel III, bladz. 355–397. Die geschiedenis wordt aldaar tot het jaar 1762 beschreven; het overige vindt men in deUitgezochte Verhandelingen, deel IX, bladz. 309–331, en vooral bijPezenas,Principes de la montre de M.Harrison, p. 20. In dit werkje treft men de beschrijving en teekening vanHarrisonstijdmeter aan. De heerMudge, van wien ik in de noot van §52gesproken heb, heeft ook onlangs eene belooning van vijfhonderd pond sterling ontvangen, als eene aanmoediging, om zijne zee-horologiën verder te volmaken. ZieJournal de Physique, t. XI, p. 537.↑2DezeFergusonis door vele werken en vernuftige uitvindingen zeer beroemd geworden. Onder de laatstgemelde is ook eenplanetarium, van hetwelk men eene plaat en beschrijving aantreft in het werk van den uitvinder, dat ten titel voert:Astronomy explained upon sirIsaac Newton’sPrinciples etc., 4o.London1757, § 434, 435, 436. Hoewel de tweeplanetaria, aldaar door den heerFergusonbeschreven, zeer vernuftig uitgedacht, en tot aanwijzing der bewegingen van de Aarde en van de Maan wel geschikt zijn, zijn zij echter, alsplanetariabeschouwd, veel minder volledig, dan dat vanWright(zie het derde hoofdstuk van dit werkje, §38). Ik oordeel het bijgevolg niet noodig, breeder over die vanFergusonte handelen. Alleen zal ik aanmerken, dat er op hetplanetariumvanFerguson, even als op dat vanEisinga, een wijzer vlak over de Aarde is, die den schijnbaren weg en de plaats der Zon aantoont.Fergusonheeft ook (§ 437), in navolging vanDesaguliers, eencometarium, of werktuig om den loop der kometen te verklaren, geschreven. Wat hieromtrent door onzen landgenoot, den heerStruik, gedaan is, vindt men uitvoerig behandeld in deszelfsVervolg op de beschrijving der Staartsterren, vijfde afdeel. bl. 113.↑

1Namelijk, op het vervaardigen van tijdmeters ofzee-horologiën, om de lengte op zee te bepalen.Harrisonheeft eene belooning van tien duizend pond sterling, meer dan eene ton gouds uitmakende, ontvangen. Zie de geschiedenis van deze merkwaardige uitvinding in deUitgelezene Filozofische Verhandelingen, deel III, bladz. 355–397. Die geschiedenis wordt aldaar tot het jaar 1762 beschreven; het overige vindt men in deUitgezochte Verhandelingen, deel IX, bladz. 309–331, en vooral bijPezenas,Principes de la montre de M.Harrison, p. 20. In dit werkje treft men de beschrijving en teekening vanHarrisonstijdmeter aan. De heerMudge, van wien ik in de noot van §52gesproken heb, heeft ook onlangs eene belooning van vijfhonderd pond sterling ontvangen, als eene aanmoediging, om zijne zee-horologiën verder te volmaken. ZieJournal de Physique, t. XI, p. 537.↑2DezeFergusonis door vele werken en vernuftige uitvindingen zeer beroemd geworden. Onder de laatstgemelde is ook eenplanetarium, van hetwelk men eene plaat en beschrijving aantreft in het werk van den uitvinder, dat ten titel voert:Astronomy explained upon sirIsaac Newton’sPrinciples etc., 4o.London1757, § 434, 435, 436. Hoewel de tweeplanetaria, aldaar door den heerFergusonbeschreven, zeer vernuftig uitgedacht, en tot aanwijzing der bewegingen van de Aarde en van de Maan wel geschikt zijn, zijn zij echter, alsplanetariabeschouwd, veel minder volledig, dan dat vanWright(zie het derde hoofdstuk van dit werkje, §38). Ik oordeel het bijgevolg niet noodig, breeder over die vanFergusonte handelen. Alleen zal ik aanmerken, dat er op hetplanetariumvanFerguson, even als op dat vanEisinga, een wijzer vlak over de Aarde is, die den schijnbaren weg en de plaats der Zon aantoont.Fergusonheeft ook (§ 437), in navolging vanDesaguliers, eencometarium, of werktuig om den loop der kometen te verklaren, geschreven. Wat hieromtrent door onzen landgenoot, den heerStruik, gedaan is, vindt men uitvoerig behandeld in deszelfsVervolg op de beschrijving der Staartsterren, vijfde afdeel. bl. 113.↑

1Namelijk, op het vervaardigen van tijdmeters ofzee-horologiën, om de lengte op zee te bepalen.Harrisonheeft eene belooning van tien duizend pond sterling, meer dan eene ton gouds uitmakende, ontvangen. Zie de geschiedenis van deze merkwaardige uitvinding in deUitgelezene Filozofische Verhandelingen, deel III, bladz. 355–397. Die geschiedenis wordt aldaar tot het jaar 1762 beschreven; het overige vindt men in deUitgezochte Verhandelingen, deel IX, bladz. 309–331, en vooral bijPezenas,Principes de la montre de M.Harrison, p. 20. In dit werkje treft men de beschrijving en teekening vanHarrisonstijdmeter aan. De heerMudge, van wien ik in de noot van §52gesproken heb, heeft ook onlangs eene belooning van vijfhonderd pond sterling ontvangen, als eene aanmoediging, om zijne zee-horologiën verder te volmaken. ZieJournal de Physique, t. XI, p. 537.↑

2DezeFergusonis door vele werken en vernuftige uitvindingen zeer beroemd geworden. Onder de laatstgemelde is ook eenplanetarium, van hetwelk men eene plaat en beschrijving aantreft in het werk van den uitvinder, dat ten titel voert:Astronomy explained upon sirIsaac Newton’sPrinciples etc., 4o.London1757, § 434, 435, 436. Hoewel de tweeplanetaria, aldaar door den heerFergusonbeschreven, zeer vernuftig uitgedacht, en tot aanwijzing der bewegingen van de Aarde en van de Maan wel geschikt zijn, zijn zij echter, alsplanetariabeschouwd, veel minder volledig, dan dat vanWright(zie het derde hoofdstuk van dit werkje, §38). Ik oordeel het bijgevolg niet noodig, breeder over die vanFergusonte handelen. Alleen zal ik aanmerken, dat er op hetplanetariumvanFerguson, even als op dat vanEisinga, een wijzer vlak over de Aarde is, die den schijnbaren weg en de plaats der Zon aantoont.Fergusonheeft ook (§ 437), in navolging vanDesaguliers, eencometarium, of werktuig om den loop der kometen te verklaren, geschreven. Wat hieromtrent door onzen landgenoot, den heerStruik, gedaan is, vindt men uitvoerig behandeld in deszelfsVervolg op de beschrijving der Staartsterren, vijfde afdeel. bl. 113.↑

BESCHRIJVINGVAN EENVOLLEDIG BEWEGELIJKHEMELS-GESTEL,DOOR DEN HOOGLEERAARJ. H. VAN SWINDEN,UITGEGEVEN IN DEN JARE1780.Machina haec non contemnendi usus est, vel ipsis Astronomis, qui, unico oculi jactu, inde cognoscere possunt omnium planetarum primariorum loca, eaque, porrecto baculo, demonstrare; ut saepius, si quid quaestionis habuerint praesentes, ephemerides, in hisce minus versatis non intelligendus, taediose evolvendi et configurationes supputandi labore supersedere queant. Majori vero usui est tyronibus, qui facile ex Machinae contemplatione non contemnendam Astronomiae ideam sibi comparere valent: quae utilitas quoque ad docentem redundat, cujus labor et taedium in tradendo valde levatur: non enim facile ex parvis schematibus, in quibus nihil movetur, comprehendunt incipientes, in quo consistant Planetarum directiones, stationes, retrogressiones. Praecipuus vero ejus usus est in commendanda Astronomia Principibus et Magnatibus, quibus plerumque non conceditur tempus libros evolvendi, atque haec Sacra, diu multumque meditando, expendendi. Etc.Dus spreekt de vermaardeHorrebowover hetPlanetariumvanRoemer,Opera, t. III, p. 149. Zie over hetzelve §39,41en volgende van dit werkje.

BESCHRIJVINGVAN EENVOLLEDIG BEWEGELIJKHEMELS-GESTEL,DOOR DEN HOOGLEERAARJ. H. VAN SWINDEN,UITGEGEVEN IN DEN JARE1780.

Machina haec non contemnendi usus est, vel ipsis Astronomis, qui, unico oculi jactu, inde cognoscere possunt omnium planetarum primariorum loca, eaque, porrecto baculo, demonstrare; ut saepius, si quid quaestionis habuerint praesentes, ephemerides, in hisce minus versatis non intelligendus, taediose evolvendi et configurationes supputandi labore supersedere queant. Majori vero usui est tyronibus, qui facile ex Machinae contemplatione non contemnendam Astronomiae ideam sibi comparere valent: quae utilitas quoque ad docentem redundat, cujus labor et taedium in tradendo valde levatur: non enim facile ex parvis schematibus, in quibus nihil movetur, comprehendunt incipientes, in quo consistant Planetarum directiones, stationes, retrogressiones. Praecipuus vero ejus usus est in commendanda Astronomia Principibus et Magnatibus, quibus plerumque non conceditur tempus libros evolvendi, atque haec Sacra, diu multumque meditando, expendendi. Etc.Dus spreekt de vermaardeHorrebowover hetPlanetariumvanRoemer,Opera, t. III, p. 149. Zie over hetzelve §39,41en volgende van dit werkje.

Machina haec non contemnendi usus est, vel ipsis Astronomis, qui, unico oculi jactu, inde cognoscere possunt omnium planetarum primariorum loca, eaque, porrecto baculo, demonstrare; ut saepius, si quid quaestionis habuerint praesentes, ephemerides, in hisce minus versatis non intelligendus, taediose evolvendi et configurationes supputandi labore supersedere queant. Majori vero usui est tyronibus, qui facile ex Machinae contemplatione non contemnendam Astronomiae ideam sibi comparere valent: quae utilitas quoque ad docentem redundat, cujus labor et taedium in tradendo valde levatur: non enim facile ex parvis schematibus, in quibus nihil movetur, comprehendunt incipientes, in quo consistant Planetarum directiones, stationes, retrogressiones. Praecipuus vero ejus usus est in commendanda Astronomia Principibus et Magnatibus, quibus plerumque non conceditur tempus libros evolvendi, atque haec Sacra, diu multumque meditando, expendendi. Etc.

Dus spreekt de vermaardeHorrebowover hetPlanetariumvanRoemer,Opera, t. III, p. 149. Zie over hetzelve §39,41en volgende van dit werkje.

BESCHRIJVINGVAN EENVOLLEDIG BEWEGELIJKHEMELS-GESTEL.INLEIDING.Dat alles, wat in zijne soort uitmunt, onze achting verdient, is eene ontegenzeggelijke waarheid; doch die achting kan en moet toenemen, ja zelfs in bewondering veranderen, wanneer de voorwerpen, welke wij als uitmuntend beschouwen, uitgedacht en vervaardigd zijn door menschen, welke men, wegens hunne omstandigheden, opvoeding en beroep, als daartoe, of in het geheel niet, of weinig bekwaam mogt aanmerken. Dan, immers, is het uitvinden en maken dier achtingswaardige stukken geen enkel voortbrengsel meer van verkregene kundigheden, of van een vernuft, dat door dezelve beschaafd is geworden; maar van eenen vindingrijken geest, die krachts genoeg bezit, om de zaken uit zich zelven na te vorschen, naar behooren te beschouwen, en het uitgevondene, in weêrwil van alle zwarigheden, werkstellig te maken; welke geesten dus, door hun eigen vermogen, dikwijls in ééne vlugt tot het zelfde doel geraken, waartoe anderen het onderwijs van kundige mannen en de hulp van vroegere uitvindingen dubbel noodig hebben.Deze redenen doen mij het kunststuk, hetwelk ik thansbeschrijvenzal, niet alleen een zeer schoon, maar zelfs een verwonderlijk stuk noemen, zoowel wegens zijne innerlijke fraaiheid, die den kundigsten wis- en werktuigkundigen eerzoude bijzetten, als wegens de omstandigheden van hem, die het uitgedacht en vervaardigd heeft.Een planetarium ofhemels-gestelis, in den ruimsten zin genomen, een werktuig, waarop de bewegingen der hemelligchamen, naar waarheid, nagebootst en vertoond worden, zoodat men, op ieder oogenblik, den waren en betrekkelijken stand en de bewegingen der Aarde, der Maan en der dwaal- en vaste sterren kan gewaar worden. Het moet, in één woord, in dit opzigt het zelfde zijn, het werktuig in te zien, of den sterrenhemel. Er wordt daarenboven eene zoodanige naauwkeurigheid in den toestel der bewegingen vereischt, dat er, in langen tijd, geen merkelijk verschil tusschen den loop van de verbeelde ligchamen en dien der wezenlijke sterren plaats hebbe, opdat men zoowel den vorigen en toekomenden toestand des sterrenhemels als den tegenwoordigen kunne opmaken en vrij naauwkeurig kennen.Deze eenvoudige schets van een goed hemels-gestel zij genoeg, om, in het algemeen, aan te toonen, dat het vervaardigen daarvan niet onder de gemakkelijkste stukken te tellen is, en dat daartoe, of vele verkregene kundigheden vereischt worden, of een vindingrijke geest, die van zelf de grootste zwarigheden weet te overwinnen. Ook hebben de schranderste wiskundigen van vroegere en latere tijden, eenArchimedes1, eenPosidonius2, eenCopernicus3,eenRheita4, eenRoemer5, eenHuygens6en anderen7, mannen in de wis-, sterre- en werktuigkunde door en door ervaren, zich zeer bevlijtigd, om den loop der hemel-ligchamen door verscheidene werktuigen te vertoonen, hetwelk zij, op verschillende wijzen, met eenen gelukkigen uitslag volbragt hebben. Dan, indien men de kundigheden en den roem der gemelde wiskundigen in acht neemt, zal het niet vreemd voorkomen, dat dergelijke kunststukken, hoe veel vernuft en kundigheid zij in het uitvinden onderstellen, en hoe veel werks zij in het vervaardigen ook kosten mogen, indien zij ooit kondengemaakt worden, door zulke mannen gemaakt zijn. Maar, hoe vreemd, hoe wonderlijk en misschien ongeloofelijk, zal het niet voorkomen, dat een soortgelijk werktuig, ja een hemels-gestel, dat in zich bijna alles behelst, wat al de tot nu toe bekende, tezamen genomen, aanwijzen, en bovendien veel meer dingen, die misschien nog nooit werkstellig gemaakt waren, en alle, zoo veel ik weet, op geen zoogenaamdplanetariumgevonden worden, door een man én uitgedacht, én berekend, én vervaardigd is geworden, die alleen die kundigheden in de grondbeginselen der wis- en sterrekunde bezit, welke men somtijds bij liefhebbers dier wetenschappen aantreft; die nimmer eenige handleiding tot de beschouwende of werkdadige werktuigkunde gehad, van niemand hoegenaamd, eenige hulp genoten, nimmer eenplanetarium, of beschrijving of teekening van eenigplanetariumgezien, of boeken, over deze stof handelende, gelezen heeft?Eise Eisinga, thans (1780) mederaad in de Vroedschap der stadFraneker, die sedert eenige jaren eene neringrijke fabrijk van Friesche saaijetten bezit, is de uitvinder en maker van een kunststuk, dat de opmerking van alle liefhebbers der sterre- en werktuigkunde ten hoogste verdient. Eene groote genegenheid tot de wiskunde, reeds in zijne eerste jeugd, gevoelende, besteedde hij, om daarin eenige vorderingen te maken, al de uren, welke hij in zijns vaders huis aan de wolkammerij kon onttrekken, en begaf zich te dien einde, ééns in de week, vanDronrijp, zijne woonplaats, naarFraneker, om aldaar vanWillem Wytzes, een burgerman, die in de wiskunde vrij wel ervaren was, eenig onderwijs te halen. Bij dezen meester heeftEisingade rekenkunde, de zes eerste en het elfde en twaalfde boek vanEuclidesdoorgeloopen, en iets, doch zeer weinig, van de algebra geleerd. Vervolgens heeft hij van dezen eenige handleiding in de klootsche driehoeksmeting, de schikking van het hemels-gestel, het gebruik van de astronomische tafelen en het berekenen van de eklipsen ontvangen. Doch hij heeft dit alles door zijn eigenvernuft verder bewerkt, als hebbende nimmer eenige gedrukte boeken, behalve de sinustafelen en de astronomische tafelen vanVan der Molenen vanLa Hire, om de wis- of sterrekunde te leeren, gelezen, maar alleen gelegenheid gehad de schriften zijns meesters te gebruiken en na te schrijven. Deze zijn mij door hem geleend, waardoor ik in staat gesteld ben, om eenigzins te oordeelen, hoe verre het onderwijs gegaan zij. De liefhebberij wakkerde allengskens bij den jongeling meer en meer op, en had hij veel vermaak in het berekenen van eklipsen, zoodat hij eene zeer naauwkeurige uitrekening gemaakt heeft van al de zons- en maansverduisteringen, die, tot aan het einde der achttiende eeuw, teFranekerzouden plaats hebben8. Bovendien heeft hij er zeer nette afteekeningen bijgevoegd, zoodat men, met een opslag van het oog gewaar wordt: het uur van het begin, het midden en het einde der verduistering, hare grootte, aan welken kant zij beginnen en geschieden zal, zoo als ook den schijnbaren weg van de Maan.Eisingahad ook liefhebberij om des avonds wel eens naar de dwaalsterren te zien; en om haar des te gemakkelijker te kunnen vinden, was hij gewoon, in het begin des jaars eene tafel der standplaatsen van de planeten in iedere maand te berekenen. Hij deed dus in stilte een werk, hetwelk hij niet wist, dat jaarlijks door de beroemdste sterrekundigen teParijs,Londen,Berlijn,Weenenen inItaliëter bevordering der sterrekunde gedaan werd9. Zoo ziet men, hoe de wetenschappen somtijds door menschen, van wie men het niet verwachten zoude, op eene zeer opmerkelijke wijze beoefend worden!Dit alles geschiedde in het midden der huishoudelijke beslommeringen en der bezigheden van een beroep, dat veel werks verschaft, en zoo weinig verband met sterrekundige liefhebberij heeft. Nogtans werd dit daarom toch nooit, zoo als sommigen zich misschien, maar te onregt, verbeelden zouden, verwaarloosd. Alleen snipperuren werden hiertoe gebruikt. Hoe belangrijk al deze verrigtingen ook zijn mogten, zouEisingaechter, naar allen schijn, nimmer op het uitvinden van eenplanetariumgedacht, of gelegenheid bekomen hebben, om zijne vermogens, als werktuigkundige, van welke hij zich zelven nog niet bewust was, te oefenen, had niet een zonderling geval hem daartoe aangezet. Er werd in het voorjaar van 1774 een boekje in het licht gegeven over de gewaande ongelukkige uitwerkselen, die eene conjunctie van planeten, den 8 Mei daaraanvolgende voorvallende, op onzen aardkloot zeer waarschijnlijk zoude te weeg brengen, hetwelk bij velen eene groote verslagenheid en angst verwekte. Dit noopte hem, om door middel van zijne jaarlijks berekende tafel na te gaan, wat er op den gemelden dag stond te gebeuren. Hij bemerkte ligt, dat er voor ons niets te vreezen was10. Deze berekening deed hem invallen, dat het aangenaam zoude zijn, een werktuig te hebben, waarin men, te allen tijde, denwaren stand der hemel-ligchamen zoude kunnen gewaar worden, zoodat men daardoor in eens van alle berekening in het toekomende bevrijd zoude zijn. Deze gedachte werd aanstonds gevolgd door het besluit, om zulk een werktuig te vervaardigen. Het is grooten geesten alleen eigen, een zoo grooten stap in ééns te doen. De zwarigheden, die er zich opdeden, werden wel ingezien, doch verdwenen spoedig. De handen werden aan het werk geslagen, en vermits er niet dan snipperuren aan besteed konden worden, zag men te gemoet, dat er verscheidene jaren noodig zouden zijn tot het voltooijen van een zoo moeijelijk stuk. Hiertoe werd dan, op het verzoek van des uitvinders huisvrouw, die bij het begin des werks reeds zeer verlangde het einde te zien, de tijd van zeven jaren bepaald. Het zesde is thans (1780) verschenen, en het werktuig is, uitgenomen eenige kleinigheden, welke meest de uiterlijke opwerking betreffen, voltooid. Met het vierde jaar was hetplanetariumreeds gangbaar11.De wolkammer werd dan beurtelings in eenen rekenaar, werktuigkundige, teekenaar, uurwerkmaker enz. hervormd. Alles werd eerst wel overdacht, geschetst, geteekend, afgepast en vervolgens gemaakt, hetwelk alles doorEisingazelven geschiedde, behalve alleen, dat hij, geen draaibank bezittende, zijnen vader12, wien hij over het vervaardigen van het kunststuk raadpleegde, verzocht heeft, eenige schijven voor hem te draaijen, en dat hij vier koperen raderen, volgens zijn bestek, door eenen uurwerkmaker heeft laten maken.Dit zij genoeg van ’s mans omstandigheden. Zij doen wel niets tot de innerlijke fraaiheid en wezenlijke waarde van het kunststuk zelf, doch zijn zeer geschikt, om de achting, die den uitvinder en maker zoo regtmatig toekomt, en den roem, dien hij zich daardoor verworven heeft, merkelijk te vergrooten.In het beschrijven van dit kunststuk zal ik deze orde volgen: dat ik vooreerst eene algemeene schets van hetzelve zal voordragen; vervolgens ieder der drie afzonderlijke stukken, waaruit het bestaat, naauwkeurig ontvouwen, en er tevens eenige aanmerkingen bijvoegen over de zwarigheden, welke men in het vervaardigen van dergelijke stukken aantreft, en over de vergelijking van dit stuk met eenige andere stukken van den zelfden aard, opdat men zal kunnen opmaken, waarin dit andere overtreft, of door deze overtroffen wordt.1Deze uitmuntende man, die derdehalve eeuw vóór de geboorte vanChristusleefde, heeft een werktuig vervaardigd, dat doorCicero(de nat. Deorum, lib. II, cap. 35) eenesphæragenoemd wordt, waarop, zoo als uit den zelfden schrijver (Tusc. Quaes., lib. I. c. 25) en het bekende vers vanClaudianusblijkt, de bewegingen van Zon, Maan en van de vijf overige hoofddwaalsterren aangewezen werden. Meer kan er van dit werktuig, omdat er geene beschrijving van tot ons is gekomen, niet gezegd worden.Proclus, een Grieksch wiskundige van de vijfde eeuw, telt onder de deelen der werktuigkunde de kunst, omsphæra’s, ter nabootsing der hemelsche omwentelingen, te maken, zoo als, voegt hij er bij,Archimedeser eene gemaakt heeft.Comment. in prim. lib.Euclideslib. I, cap. 13, in fine, p. 24, ed. lat.Baroccii.↑2Posidonius, een tijdgenootenvriend vanCicero, heeft, volgens hetverhaal des laatstgemelden, eenesphæravervaardigd, wier omwentelingen datgene, wat ieder dag en nacht omtrent de Zon, de Maan en de vijf hoofddwaalsterren plaats heeft, aanwezen.De nat. Deorum, lib. II, c. 35.↑3Copernicusheeft in het jaar 1573 het overheerlijk astronomisch uurwerk der domkerk teStraatsburgvervaardigd. Men vindt eene afbeelding en zeer gebrekkige beschrijving van hetzelve, zoo als ook van dat der stadLyon, in deReizen vanDu Montdoor Frankrijk,Duitschland enz.bl. 30 en 45 der Nederduitsche vertaling.↑4Rheita, eenHoogduitschsterrekundige, heeft in het jaar 1645, in zijn werk, getiteld:Oculus Enoch et Eliae, een werktuig beschreven, waarin, door verscheidene wijzers, de bewegingen der Zon, Maan en vijf hoofddwaalsterren aangewezen worden. Er is eene duidelijke beschrijving en eene afbeelding van te vinden in deTechnica CuriosavanSchottus, het6eboek, 10 hoofd. bl. 397.↑5Zie eene korte beschrijving en nette teekening van dit schoone stuk, teParijsin het jaar 1680 vervaardigd, in deMachines approuvées par l’ Académie de Paris, tom. I, pag. 81.Horrebowheeft eene naauwkeurige beschrijving en afbeelding, met bijvoegselen en verbeteringen, gegeven van een dergelijkplanetarium, doorRoemerteKoppenhagenvervaardigd, in zijneBasis Astronomia, cap. 15, tweede druk, te vinden in zijneOpera Omnia, tom. 3, pag. 142 sqq.↑6Deze uitmuntende Nederlander heeft in het jaar 1682 een overheerlijkplanetariumgemaakt, hetwelk door een uurwerk bewogen wordt. Het schijnt gediend te hebben tot model aan dat van Dr.Desaguliers, en aan vele andere, die men naderhand inEngelandgemaakt heeft. Zie de beschrijving en teekening inHugeniiOpera Posthuma, en in deOpera Reliqua.↑7Het zoude overtollig zijn, die alle op te noemen. Men vindt eene optelling der voornaamsteplanetariabijWeidler,Hist. Astron.cap. 15, § 163, 164. Zie ook bij denzelven, cap. 7, § 33. De heerB. Martin, een Engelschman, heeft in zijnePhilosophia Brittannica, 3 deel, bl. 165, noot 141, eene korte geschiedenis derplanetariagegeven, doch alles, wat door Nederlanders of Franschen op dit stuk gedaan is, geheel verzwegen.↑8Eisingaheeft de goedheid gehad, mij deze verhandeling, over de honderd bladzijden in folio beslaande, ter leen te geven. De heerDu Vaucel, een Fransch sterrekundige, leerling van den vermaardenLa Lande, heeft alleen die zon-eklipsen, welke tot aan het jaar 1900 teParijszigtbaar zullen zijn, berekend en afgeteekend. De akademie vanParijsheeft deze verhandeling met zeer veel graagte ontvangen, en in het vijfde deel derMémoires présentés à l’Académielaten drukken. De heerDe Fouchy, secretaris dier akademie, merkte bij deze gelegenheid te regt aan, dat dit werk van veel belang is, en dat men den heerDu Vaucel, die de moeite en zorg, om het algemeen de vruchten van dezen arbeid bij voorraad te doen genieten, op zich genomen heeft, veel te danken heeft. Maar is deze lofspraak niet met even veel, ja met meer regt opEisingatoepasselijk, wegens het verschil van de omstandigheden der beide personen, van hun beroep en van het onderwijs, dat zij ontvangen hebben?Eisingaheeft deze verhandeling in het achttiende jaar zijns ouderdoms opgesteld.↑9Het wasEisinganog den 16 Maart 1780 onbekend, dat er boeken, zoo als deConnoissance des temps, in de wereld zijn. Ik had toen gelegenheid, hem dit werk te toonen, ter oorzake, dat hij, met eenige liefhebbers aan mijn huis zijnde, mij vroeg, of ook den 22 Maart eene conjunctie van Jupiter en de Maan plaats zoude hebben, zoo als zijnplanetariumhet scheen te zullen aantoonen. Mijn antwoord was, dat ik het aanstonds in zijne tegenwoordigheid in het gemelde boek zoude nazien, alwaar dit verschijnsel inderdaad op den 22, des morgens te half zeven uur, aangeteekend staat.↑10Het verschijnsel bestond enkel hierin, dat Jupiter, Mars, Venus, Mercurius en de Maan zich toen alle in het hemelteeken de Ram bevonden.↑11In het jaar 1778 gafEisingaeenige zeer naauwkeurige, en den kooplieden en collecteurs zeer dienstige, lijsten in het licht, waarin men deimpositiënvan allerhande waren en binnenlandsche middelen op het naauwkeurigst berekend vindt. De schrijver had de liefhebberij, de dagteekening door de standplaatsen der voornaamste planeten uit te drukken, zoo als dezelve, zeide hij, door mijn thans onder handen zijnde half gemaakt beweeglijkplanetariumaangetoond worden. Dit boek, waarvan ik nooit iets gehoord had, dan in de laatstleden maand Maart, viel denkelijk alleen in handen dergenen, voor wie het geschikt was, en hetplanetariumbleef onbekend. Hij werkte in stilte, en voltooide zijn kunststuk allengskens, zonder eenige vreemde hulp. Zijne verrigtingen waren mij bijna geheel onbekend, totdat ik in Februarij laatstleden gelegenheid kreeg, om dezelve te zien. Het werktuig zoude denkelijk al voorlang voltooid geweest zijn, ware niet de uitvinder door vele tusschenkomende omstandigheden merkelijk verhinderd geworden: in 1776 door zijne aanstelling tot voorstander der stads armen, wegens het kollekteren der bekkengelden; in het einde van 1776 door zijne aanstelling tot burger-vaandrig dezer stad; in Januarij 1777 door die tot mederaad in de Vroedschap; vervolgens tot collecteur van den brandewijn en dehavenspeciën, en eindelijk, in Mei 1778, door die tot armvoogd dezer stad: alle welke omstandigheden de snipperuren vrij wat verminderden, voornamelijk de laatstgemelde, welke bediening, in de jaarlijksche tweemaandsche administratie, bijna een ledig mensch vereischt.↑12Deze vader,Jelte Eisinga, wolkammer teDronrijp, ook een liefhebber der schoone kunsten, heeft den tijd, dien de bezigheden der wolkammerij hem overlaten, besteed tot het maken van eene draaibank, op welke de noodige schijven, somtijds van 28 duim middellijn, tot dit kunststuk behoorende, als ook de assen, van negen tot elf voet lengte, voor de rondsels enz. gedraaid zijn, en ook schroeven, ovalen en slingerwerk gedraaid kunnen worden. Ook maakte hij een fraai clavecimbaal staartstuk, en is thans (1780) bezig met het voltooijen van een kabinetorgel. In vroeger jaren had deze man reeds een tweemast galjootscheepje, van negen voeten lang, met al zijn toebehooren gemaakt. Zijne liefhebberij valt ook op het vervaardigen van Zonnewijzers, in welke kunst ook zijn zoon door en door ervaren is. Getuige hiervan een geschrift in folio, door hem opgesteld, waarin de zonnewijzers, voor alle mogelijke gelegenheden berekend en afgeteekend, te vinden zijn.↑

BESCHRIJVINGVAN EENVOLLEDIG BEWEGELIJKHEMELS-GESTEL.INLEIDING.

Dat alles, wat in zijne soort uitmunt, onze achting verdient, is eene ontegenzeggelijke waarheid; doch die achting kan en moet toenemen, ja zelfs in bewondering veranderen, wanneer de voorwerpen, welke wij als uitmuntend beschouwen, uitgedacht en vervaardigd zijn door menschen, welke men, wegens hunne omstandigheden, opvoeding en beroep, als daartoe, of in het geheel niet, of weinig bekwaam mogt aanmerken. Dan, immers, is het uitvinden en maken dier achtingswaardige stukken geen enkel voortbrengsel meer van verkregene kundigheden, of van een vernuft, dat door dezelve beschaafd is geworden; maar van eenen vindingrijken geest, die krachts genoeg bezit, om de zaken uit zich zelven na te vorschen, naar behooren te beschouwen, en het uitgevondene, in weêrwil van alle zwarigheden, werkstellig te maken; welke geesten dus, door hun eigen vermogen, dikwijls in ééne vlugt tot het zelfde doel geraken, waartoe anderen het onderwijs van kundige mannen en de hulp van vroegere uitvindingen dubbel noodig hebben.Deze redenen doen mij het kunststuk, hetwelk ik thansbeschrijvenzal, niet alleen een zeer schoon, maar zelfs een verwonderlijk stuk noemen, zoowel wegens zijne innerlijke fraaiheid, die den kundigsten wis- en werktuigkundigen eerzoude bijzetten, als wegens de omstandigheden van hem, die het uitgedacht en vervaardigd heeft.Een planetarium ofhemels-gestelis, in den ruimsten zin genomen, een werktuig, waarop de bewegingen der hemelligchamen, naar waarheid, nagebootst en vertoond worden, zoodat men, op ieder oogenblik, den waren en betrekkelijken stand en de bewegingen der Aarde, der Maan en der dwaal- en vaste sterren kan gewaar worden. Het moet, in één woord, in dit opzigt het zelfde zijn, het werktuig in te zien, of den sterrenhemel. Er wordt daarenboven eene zoodanige naauwkeurigheid in den toestel der bewegingen vereischt, dat er, in langen tijd, geen merkelijk verschil tusschen den loop van de verbeelde ligchamen en dien der wezenlijke sterren plaats hebbe, opdat men zoowel den vorigen en toekomenden toestand des sterrenhemels als den tegenwoordigen kunne opmaken en vrij naauwkeurig kennen.Deze eenvoudige schets van een goed hemels-gestel zij genoeg, om, in het algemeen, aan te toonen, dat het vervaardigen daarvan niet onder de gemakkelijkste stukken te tellen is, en dat daartoe, of vele verkregene kundigheden vereischt worden, of een vindingrijke geest, die van zelf de grootste zwarigheden weet te overwinnen. Ook hebben de schranderste wiskundigen van vroegere en latere tijden, eenArchimedes1, eenPosidonius2, eenCopernicus3,eenRheita4, eenRoemer5, eenHuygens6en anderen7, mannen in de wis-, sterre- en werktuigkunde door en door ervaren, zich zeer bevlijtigd, om den loop der hemel-ligchamen door verscheidene werktuigen te vertoonen, hetwelk zij, op verschillende wijzen, met eenen gelukkigen uitslag volbragt hebben. Dan, indien men de kundigheden en den roem der gemelde wiskundigen in acht neemt, zal het niet vreemd voorkomen, dat dergelijke kunststukken, hoe veel vernuft en kundigheid zij in het uitvinden onderstellen, en hoe veel werks zij in het vervaardigen ook kosten mogen, indien zij ooit kondengemaakt worden, door zulke mannen gemaakt zijn. Maar, hoe vreemd, hoe wonderlijk en misschien ongeloofelijk, zal het niet voorkomen, dat een soortgelijk werktuig, ja een hemels-gestel, dat in zich bijna alles behelst, wat al de tot nu toe bekende, tezamen genomen, aanwijzen, en bovendien veel meer dingen, die misschien nog nooit werkstellig gemaakt waren, en alle, zoo veel ik weet, op geen zoogenaamdplanetariumgevonden worden, door een man én uitgedacht, én berekend, én vervaardigd is geworden, die alleen die kundigheden in de grondbeginselen der wis- en sterrekunde bezit, welke men somtijds bij liefhebbers dier wetenschappen aantreft; die nimmer eenige handleiding tot de beschouwende of werkdadige werktuigkunde gehad, van niemand hoegenaamd, eenige hulp genoten, nimmer eenplanetarium, of beschrijving of teekening van eenigplanetariumgezien, of boeken, over deze stof handelende, gelezen heeft?Eise Eisinga, thans (1780) mederaad in de Vroedschap der stadFraneker, die sedert eenige jaren eene neringrijke fabrijk van Friesche saaijetten bezit, is de uitvinder en maker van een kunststuk, dat de opmerking van alle liefhebbers der sterre- en werktuigkunde ten hoogste verdient. Eene groote genegenheid tot de wiskunde, reeds in zijne eerste jeugd, gevoelende, besteedde hij, om daarin eenige vorderingen te maken, al de uren, welke hij in zijns vaders huis aan de wolkammerij kon onttrekken, en begaf zich te dien einde, ééns in de week, vanDronrijp, zijne woonplaats, naarFraneker, om aldaar vanWillem Wytzes, een burgerman, die in de wiskunde vrij wel ervaren was, eenig onderwijs te halen. Bij dezen meester heeftEisingade rekenkunde, de zes eerste en het elfde en twaalfde boek vanEuclidesdoorgeloopen, en iets, doch zeer weinig, van de algebra geleerd. Vervolgens heeft hij van dezen eenige handleiding in de klootsche driehoeksmeting, de schikking van het hemels-gestel, het gebruik van de astronomische tafelen en het berekenen van de eklipsen ontvangen. Doch hij heeft dit alles door zijn eigenvernuft verder bewerkt, als hebbende nimmer eenige gedrukte boeken, behalve de sinustafelen en de astronomische tafelen vanVan der Molenen vanLa Hire, om de wis- of sterrekunde te leeren, gelezen, maar alleen gelegenheid gehad de schriften zijns meesters te gebruiken en na te schrijven. Deze zijn mij door hem geleend, waardoor ik in staat gesteld ben, om eenigzins te oordeelen, hoe verre het onderwijs gegaan zij. De liefhebberij wakkerde allengskens bij den jongeling meer en meer op, en had hij veel vermaak in het berekenen van eklipsen, zoodat hij eene zeer naauwkeurige uitrekening gemaakt heeft van al de zons- en maansverduisteringen, die, tot aan het einde der achttiende eeuw, teFranekerzouden plaats hebben8. Bovendien heeft hij er zeer nette afteekeningen bijgevoegd, zoodat men, met een opslag van het oog gewaar wordt: het uur van het begin, het midden en het einde der verduistering, hare grootte, aan welken kant zij beginnen en geschieden zal, zoo als ook den schijnbaren weg van de Maan.Eisingahad ook liefhebberij om des avonds wel eens naar de dwaalsterren te zien; en om haar des te gemakkelijker te kunnen vinden, was hij gewoon, in het begin des jaars eene tafel der standplaatsen van de planeten in iedere maand te berekenen. Hij deed dus in stilte een werk, hetwelk hij niet wist, dat jaarlijks door de beroemdste sterrekundigen teParijs,Londen,Berlijn,Weenenen inItaliëter bevordering der sterrekunde gedaan werd9. Zoo ziet men, hoe de wetenschappen somtijds door menschen, van wie men het niet verwachten zoude, op eene zeer opmerkelijke wijze beoefend worden!Dit alles geschiedde in het midden der huishoudelijke beslommeringen en der bezigheden van een beroep, dat veel werks verschaft, en zoo weinig verband met sterrekundige liefhebberij heeft. Nogtans werd dit daarom toch nooit, zoo als sommigen zich misschien, maar te onregt, verbeelden zouden, verwaarloosd. Alleen snipperuren werden hiertoe gebruikt. Hoe belangrijk al deze verrigtingen ook zijn mogten, zouEisingaechter, naar allen schijn, nimmer op het uitvinden van eenplanetariumgedacht, of gelegenheid bekomen hebben, om zijne vermogens, als werktuigkundige, van welke hij zich zelven nog niet bewust was, te oefenen, had niet een zonderling geval hem daartoe aangezet. Er werd in het voorjaar van 1774 een boekje in het licht gegeven over de gewaande ongelukkige uitwerkselen, die eene conjunctie van planeten, den 8 Mei daaraanvolgende voorvallende, op onzen aardkloot zeer waarschijnlijk zoude te weeg brengen, hetwelk bij velen eene groote verslagenheid en angst verwekte. Dit noopte hem, om door middel van zijne jaarlijks berekende tafel na te gaan, wat er op den gemelden dag stond te gebeuren. Hij bemerkte ligt, dat er voor ons niets te vreezen was10. Deze berekening deed hem invallen, dat het aangenaam zoude zijn, een werktuig te hebben, waarin men, te allen tijde, denwaren stand der hemel-ligchamen zoude kunnen gewaar worden, zoodat men daardoor in eens van alle berekening in het toekomende bevrijd zoude zijn. Deze gedachte werd aanstonds gevolgd door het besluit, om zulk een werktuig te vervaardigen. Het is grooten geesten alleen eigen, een zoo grooten stap in ééns te doen. De zwarigheden, die er zich opdeden, werden wel ingezien, doch verdwenen spoedig. De handen werden aan het werk geslagen, en vermits er niet dan snipperuren aan besteed konden worden, zag men te gemoet, dat er verscheidene jaren noodig zouden zijn tot het voltooijen van een zoo moeijelijk stuk. Hiertoe werd dan, op het verzoek van des uitvinders huisvrouw, die bij het begin des werks reeds zeer verlangde het einde te zien, de tijd van zeven jaren bepaald. Het zesde is thans (1780) verschenen, en het werktuig is, uitgenomen eenige kleinigheden, welke meest de uiterlijke opwerking betreffen, voltooid. Met het vierde jaar was hetplanetariumreeds gangbaar11.De wolkammer werd dan beurtelings in eenen rekenaar, werktuigkundige, teekenaar, uurwerkmaker enz. hervormd. Alles werd eerst wel overdacht, geschetst, geteekend, afgepast en vervolgens gemaakt, hetwelk alles doorEisingazelven geschiedde, behalve alleen, dat hij, geen draaibank bezittende, zijnen vader12, wien hij over het vervaardigen van het kunststuk raadpleegde, verzocht heeft, eenige schijven voor hem te draaijen, en dat hij vier koperen raderen, volgens zijn bestek, door eenen uurwerkmaker heeft laten maken.Dit zij genoeg van ’s mans omstandigheden. Zij doen wel niets tot de innerlijke fraaiheid en wezenlijke waarde van het kunststuk zelf, doch zijn zeer geschikt, om de achting, die den uitvinder en maker zoo regtmatig toekomt, en den roem, dien hij zich daardoor verworven heeft, merkelijk te vergrooten.In het beschrijven van dit kunststuk zal ik deze orde volgen: dat ik vooreerst eene algemeene schets van hetzelve zal voordragen; vervolgens ieder der drie afzonderlijke stukken, waaruit het bestaat, naauwkeurig ontvouwen, en er tevens eenige aanmerkingen bijvoegen over de zwarigheden, welke men in het vervaardigen van dergelijke stukken aantreft, en over de vergelijking van dit stuk met eenige andere stukken van den zelfden aard, opdat men zal kunnen opmaken, waarin dit andere overtreft, of door deze overtroffen wordt.

Dat alles, wat in zijne soort uitmunt, onze achting verdient, is eene ontegenzeggelijke waarheid; doch die achting kan en moet toenemen, ja zelfs in bewondering veranderen, wanneer de voorwerpen, welke wij als uitmuntend beschouwen, uitgedacht en vervaardigd zijn door menschen, welke men, wegens hunne omstandigheden, opvoeding en beroep, als daartoe, of in het geheel niet, of weinig bekwaam mogt aanmerken. Dan, immers, is het uitvinden en maken dier achtingswaardige stukken geen enkel voortbrengsel meer van verkregene kundigheden, of van een vernuft, dat door dezelve beschaafd is geworden; maar van eenen vindingrijken geest, die krachts genoeg bezit, om de zaken uit zich zelven na te vorschen, naar behooren te beschouwen, en het uitgevondene, in weêrwil van alle zwarigheden, werkstellig te maken; welke geesten dus, door hun eigen vermogen, dikwijls in ééne vlugt tot het zelfde doel geraken, waartoe anderen het onderwijs van kundige mannen en de hulp van vroegere uitvindingen dubbel noodig hebben.

Deze redenen doen mij het kunststuk, hetwelk ik thansbeschrijvenzal, niet alleen een zeer schoon, maar zelfs een verwonderlijk stuk noemen, zoowel wegens zijne innerlijke fraaiheid, die den kundigsten wis- en werktuigkundigen eerzoude bijzetten, als wegens de omstandigheden van hem, die het uitgedacht en vervaardigd heeft.

Een planetarium ofhemels-gestelis, in den ruimsten zin genomen, een werktuig, waarop de bewegingen der hemelligchamen, naar waarheid, nagebootst en vertoond worden, zoodat men, op ieder oogenblik, den waren en betrekkelijken stand en de bewegingen der Aarde, der Maan en der dwaal- en vaste sterren kan gewaar worden. Het moet, in één woord, in dit opzigt het zelfde zijn, het werktuig in te zien, of den sterrenhemel. Er wordt daarenboven eene zoodanige naauwkeurigheid in den toestel der bewegingen vereischt, dat er, in langen tijd, geen merkelijk verschil tusschen den loop van de verbeelde ligchamen en dien der wezenlijke sterren plaats hebbe, opdat men zoowel den vorigen en toekomenden toestand des sterrenhemels als den tegenwoordigen kunne opmaken en vrij naauwkeurig kennen.

Deze eenvoudige schets van een goed hemels-gestel zij genoeg, om, in het algemeen, aan te toonen, dat het vervaardigen daarvan niet onder de gemakkelijkste stukken te tellen is, en dat daartoe, of vele verkregene kundigheden vereischt worden, of een vindingrijke geest, die van zelf de grootste zwarigheden weet te overwinnen. Ook hebben de schranderste wiskundigen van vroegere en latere tijden, eenArchimedes1, eenPosidonius2, eenCopernicus3,eenRheita4, eenRoemer5, eenHuygens6en anderen7, mannen in de wis-, sterre- en werktuigkunde door en door ervaren, zich zeer bevlijtigd, om den loop der hemel-ligchamen door verscheidene werktuigen te vertoonen, hetwelk zij, op verschillende wijzen, met eenen gelukkigen uitslag volbragt hebben. Dan, indien men de kundigheden en den roem der gemelde wiskundigen in acht neemt, zal het niet vreemd voorkomen, dat dergelijke kunststukken, hoe veel vernuft en kundigheid zij in het uitvinden onderstellen, en hoe veel werks zij in het vervaardigen ook kosten mogen, indien zij ooit kondengemaakt worden, door zulke mannen gemaakt zijn. Maar, hoe vreemd, hoe wonderlijk en misschien ongeloofelijk, zal het niet voorkomen, dat een soortgelijk werktuig, ja een hemels-gestel, dat in zich bijna alles behelst, wat al de tot nu toe bekende, tezamen genomen, aanwijzen, en bovendien veel meer dingen, die misschien nog nooit werkstellig gemaakt waren, en alle, zoo veel ik weet, op geen zoogenaamdplanetariumgevonden worden, door een man én uitgedacht, én berekend, én vervaardigd is geworden, die alleen die kundigheden in de grondbeginselen der wis- en sterrekunde bezit, welke men somtijds bij liefhebbers dier wetenschappen aantreft; die nimmer eenige handleiding tot de beschouwende of werkdadige werktuigkunde gehad, van niemand hoegenaamd, eenige hulp genoten, nimmer eenplanetarium, of beschrijving of teekening van eenigplanetariumgezien, of boeken, over deze stof handelende, gelezen heeft?

Eise Eisinga, thans (1780) mederaad in de Vroedschap der stadFraneker, die sedert eenige jaren eene neringrijke fabrijk van Friesche saaijetten bezit, is de uitvinder en maker van een kunststuk, dat de opmerking van alle liefhebbers der sterre- en werktuigkunde ten hoogste verdient. Eene groote genegenheid tot de wiskunde, reeds in zijne eerste jeugd, gevoelende, besteedde hij, om daarin eenige vorderingen te maken, al de uren, welke hij in zijns vaders huis aan de wolkammerij kon onttrekken, en begaf zich te dien einde, ééns in de week, vanDronrijp, zijne woonplaats, naarFraneker, om aldaar vanWillem Wytzes, een burgerman, die in de wiskunde vrij wel ervaren was, eenig onderwijs te halen. Bij dezen meester heeftEisingade rekenkunde, de zes eerste en het elfde en twaalfde boek vanEuclidesdoorgeloopen, en iets, doch zeer weinig, van de algebra geleerd. Vervolgens heeft hij van dezen eenige handleiding in de klootsche driehoeksmeting, de schikking van het hemels-gestel, het gebruik van de astronomische tafelen en het berekenen van de eklipsen ontvangen. Doch hij heeft dit alles door zijn eigenvernuft verder bewerkt, als hebbende nimmer eenige gedrukte boeken, behalve de sinustafelen en de astronomische tafelen vanVan der Molenen vanLa Hire, om de wis- of sterrekunde te leeren, gelezen, maar alleen gelegenheid gehad de schriften zijns meesters te gebruiken en na te schrijven. Deze zijn mij door hem geleend, waardoor ik in staat gesteld ben, om eenigzins te oordeelen, hoe verre het onderwijs gegaan zij. De liefhebberij wakkerde allengskens bij den jongeling meer en meer op, en had hij veel vermaak in het berekenen van eklipsen, zoodat hij eene zeer naauwkeurige uitrekening gemaakt heeft van al de zons- en maansverduisteringen, die, tot aan het einde der achttiende eeuw, teFranekerzouden plaats hebben8. Bovendien heeft hij er zeer nette afteekeningen bijgevoegd, zoodat men, met een opslag van het oog gewaar wordt: het uur van het begin, het midden en het einde der verduistering, hare grootte, aan welken kant zij beginnen en geschieden zal, zoo als ook den schijnbaren weg van de Maan.

Eisingahad ook liefhebberij om des avonds wel eens naar de dwaalsterren te zien; en om haar des te gemakkelijker te kunnen vinden, was hij gewoon, in het begin des jaars eene tafel der standplaatsen van de planeten in iedere maand te berekenen. Hij deed dus in stilte een werk, hetwelk hij niet wist, dat jaarlijks door de beroemdste sterrekundigen teParijs,Londen,Berlijn,Weenenen inItaliëter bevordering der sterrekunde gedaan werd9. Zoo ziet men, hoe de wetenschappen somtijds door menschen, van wie men het niet verwachten zoude, op eene zeer opmerkelijke wijze beoefend worden!

Dit alles geschiedde in het midden der huishoudelijke beslommeringen en der bezigheden van een beroep, dat veel werks verschaft, en zoo weinig verband met sterrekundige liefhebberij heeft. Nogtans werd dit daarom toch nooit, zoo als sommigen zich misschien, maar te onregt, verbeelden zouden, verwaarloosd. Alleen snipperuren werden hiertoe gebruikt. Hoe belangrijk al deze verrigtingen ook zijn mogten, zouEisingaechter, naar allen schijn, nimmer op het uitvinden van eenplanetariumgedacht, of gelegenheid bekomen hebben, om zijne vermogens, als werktuigkundige, van welke hij zich zelven nog niet bewust was, te oefenen, had niet een zonderling geval hem daartoe aangezet. Er werd in het voorjaar van 1774 een boekje in het licht gegeven over de gewaande ongelukkige uitwerkselen, die eene conjunctie van planeten, den 8 Mei daaraanvolgende voorvallende, op onzen aardkloot zeer waarschijnlijk zoude te weeg brengen, hetwelk bij velen eene groote verslagenheid en angst verwekte. Dit noopte hem, om door middel van zijne jaarlijks berekende tafel na te gaan, wat er op den gemelden dag stond te gebeuren. Hij bemerkte ligt, dat er voor ons niets te vreezen was10. Deze berekening deed hem invallen, dat het aangenaam zoude zijn, een werktuig te hebben, waarin men, te allen tijde, denwaren stand der hemel-ligchamen zoude kunnen gewaar worden, zoodat men daardoor in eens van alle berekening in het toekomende bevrijd zoude zijn. Deze gedachte werd aanstonds gevolgd door het besluit, om zulk een werktuig te vervaardigen. Het is grooten geesten alleen eigen, een zoo grooten stap in ééns te doen. De zwarigheden, die er zich opdeden, werden wel ingezien, doch verdwenen spoedig. De handen werden aan het werk geslagen, en vermits er niet dan snipperuren aan besteed konden worden, zag men te gemoet, dat er verscheidene jaren noodig zouden zijn tot het voltooijen van een zoo moeijelijk stuk. Hiertoe werd dan, op het verzoek van des uitvinders huisvrouw, die bij het begin des werks reeds zeer verlangde het einde te zien, de tijd van zeven jaren bepaald. Het zesde is thans (1780) verschenen, en het werktuig is, uitgenomen eenige kleinigheden, welke meest de uiterlijke opwerking betreffen, voltooid. Met het vierde jaar was hetplanetariumreeds gangbaar11.

De wolkammer werd dan beurtelings in eenen rekenaar, werktuigkundige, teekenaar, uurwerkmaker enz. hervormd. Alles werd eerst wel overdacht, geschetst, geteekend, afgepast en vervolgens gemaakt, hetwelk alles doorEisingazelven geschiedde, behalve alleen, dat hij, geen draaibank bezittende, zijnen vader12, wien hij over het vervaardigen van het kunststuk raadpleegde, verzocht heeft, eenige schijven voor hem te draaijen, en dat hij vier koperen raderen, volgens zijn bestek, door eenen uurwerkmaker heeft laten maken.

Dit zij genoeg van ’s mans omstandigheden. Zij doen wel niets tot de innerlijke fraaiheid en wezenlijke waarde van het kunststuk zelf, doch zijn zeer geschikt, om de achting, die den uitvinder en maker zoo regtmatig toekomt, en den roem, dien hij zich daardoor verworven heeft, merkelijk te vergrooten.

In het beschrijven van dit kunststuk zal ik deze orde volgen: dat ik vooreerst eene algemeene schets van hetzelve zal voordragen; vervolgens ieder der drie afzonderlijke stukken, waaruit het bestaat, naauwkeurig ontvouwen, en er tevens eenige aanmerkingen bijvoegen over de zwarigheden, welke men in het vervaardigen van dergelijke stukken aantreft, en over de vergelijking van dit stuk met eenige andere stukken van den zelfden aard, opdat men zal kunnen opmaken, waarin dit andere overtreft, of door deze overtroffen wordt.

1Deze uitmuntende man, die derdehalve eeuw vóór de geboorte vanChristusleefde, heeft een werktuig vervaardigd, dat doorCicero(de nat. Deorum, lib. II, cap. 35) eenesphæragenoemd wordt, waarop, zoo als uit den zelfden schrijver (Tusc. Quaes., lib. I. c. 25) en het bekende vers vanClaudianusblijkt, de bewegingen van Zon, Maan en van de vijf overige hoofddwaalsterren aangewezen werden. Meer kan er van dit werktuig, omdat er geene beschrijving van tot ons is gekomen, niet gezegd worden.Proclus, een Grieksch wiskundige van de vijfde eeuw, telt onder de deelen der werktuigkunde de kunst, omsphæra’s, ter nabootsing der hemelsche omwentelingen, te maken, zoo als, voegt hij er bij,Archimedeser eene gemaakt heeft.Comment. in prim. lib.Euclideslib. I, cap. 13, in fine, p. 24, ed. lat.Baroccii.↑2Posidonius, een tijdgenootenvriend vanCicero, heeft, volgens hetverhaal des laatstgemelden, eenesphæravervaardigd, wier omwentelingen datgene, wat ieder dag en nacht omtrent de Zon, de Maan en de vijf hoofddwaalsterren plaats heeft, aanwezen.De nat. Deorum, lib. II, c. 35.↑3Copernicusheeft in het jaar 1573 het overheerlijk astronomisch uurwerk der domkerk teStraatsburgvervaardigd. Men vindt eene afbeelding en zeer gebrekkige beschrijving van hetzelve, zoo als ook van dat der stadLyon, in deReizen vanDu Montdoor Frankrijk,Duitschland enz.bl. 30 en 45 der Nederduitsche vertaling.↑4Rheita, eenHoogduitschsterrekundige, heeft in het jaar 1645, in zijn werk, getiteld:Oculus Enoch et Eliae, een werktuig beschreven, waarin, door verscheidene wijzers, de bewegingen der Zon, Maan en vijf hoofddwaalsterren aangewezen worden. Er is eene duidelijke beschrijving en eene afbeelding van te vinden in deTechnica CuriosavanSchottus, het6eboek, 10 hoofd. bl. 397.↑5Zie eene korte beschrijving en nette teekening van dit schoone stuk, teParijsin het jaar 1680 vervaardigd, in deMachines approuvées par l’ Académie de Paris, tom. I, pag. 81.Horrebowheeft eene naauwkeurige beschrijving en afbeelding, met bijvoegselen en verbeteringen, gegeven van een dergelijkplanetarium, doorRoemerteKoppenhagenvervaardigd, in zijneBasis Astronomia, cap. 15, tweede druk, te vinden in zijneOpera Omnia, tom. 3, pag. 142 sqq.↑6Deze uitmuntende Nederlander heeft in het jaar 1682 een overheerlijkplanetariumgemaakt, hetwelk door een uurwerk bewogen wordt. Het schijnt gediend te hebben tot model aan dat van Dr.Desaguliers, en aan vele andere, die men naderhand inEngelandgemaakt heeft. Zie de beschrijving en teekening inHugeniiOpera Posthuma, en in deOpera Reliqua.↑7Het zoude overtollig zijn, die alle op te noemen. Men vindt eene optelling der voornaamsteplanetariabijWeidler,Hist. Astron.cap. 15, § 163, 164. Zie ook bij denzelven, cap. 7, § 33. De heerB. Martin, een Engelschman, heeft in zijnePhilosophia Brittannica, 3 deel, bl. 165, noot 141, eene korte geschiedenis derplanetariagegeven, doch alles, wat door Nederlanders of Franschen op dit stuk gedaan is, geheel verzwegen.↑8Eisingaheeft de goedheid gehad, mij deze verhandeling, over de honderd bladzijden in folio beslaande, ter leen te geven. De heerDu Vaucel, een Fransch sterrekundige, leerling van den vermaardenLa Lande, heeft alleen die zon-eklipsen, welke tot aan het jaar 1900 teParijszigtbaar zullen zijn, berekend en afgeteekend. De akademie vanParijsheeft deze verhandeling met zeer veel graagte ontvangen, en in het vijfde deel derMémoires présentés à l’Académielaten drukken. De heerDe Fouchy, secretaris dier akademie, merkte bij deze gelegenheid te regt aan, dat dit werk van veel belang is, en dat men den heerDu Vaucel, die de moeite en zorg, om het algemeen de vruchten van dezen arbeid bij voorraad te doen genieten, op zich genomen heeft, veel te danken heeft. Maar is deze lofspraak niet met even veel, ja met meer regt opEisingatoepasselijk, wegens het verschil van de omstandigheden der beide personen, van hun beroep en van het onderwijs, dat zij ontvangen hebben?Eisingaheeft deze verhandeling in het achttiende jaar zijns ouderdoms opgesteld.↑9Het wasEisinganog den 16 Maart 1780 onbekend, dat er boeken, zoo als deConnoissance des temps, in de wereld zijn. Ik had toen gelegenheid, hem dit werk te toonen, ter oorzake, dat hij, met eenige liefhebbers aan mijn huis zijnde, mij vroeg, of ook den 22 Maart eene conjunctie van Jupiter en de Maan plaats zoude hebben, zoo als zijnplanetariumhet scheen te zullen aantoonen. Mijn antwoord was, dat ik het aanstonds in zijne tegenwoordigheid in het gemelde boek zoude nazien, alwaar dit verschijnsel inderdaad op den 22, des morgens te half zeven uur, aangeteekend staat.↑10Het verschijnsel bestond enkel hierin, dat Jupiter, Mars, Venus, Mercurius en de Maan zich toen alle in het hemelteeken de Ram bevonden.↑11In het jaar 1778 gafEisingaeenige zeer naauwkeurige, en den kooplieden en collecteurs zeer dienstige, lijsten in het licht, waarin men deimpositiënvan allerhande waren en binnenlandsche middelen op het naauwkeurigst berekend vindt. De schrijver had de liefhebberij, de dagteekening door de standplaatsen der voornaamste planeten uit te drukken, zoo als dezelve, zeide hij, door mijn thans onder handen zijnde half gemaakt beweeglijkplanetariumaangetoond worden. Dit boek, waarvan ik nooit iets gehoord had, dan in de laatstleden maand Maart, viel denkelijk alleen in handen dergenen, voor wie het geschikt was, en hetplanetariumbleef onbekend. Hij werkte in stilte, en voltooide zijn kunststuk allengskens, zonder eenige vreemde hulp. Zijne verrigtingen waren mij bijna geheel onbekend, totdat ik in Februarij laatstleden gelegenheid kreeg, om dezelve te zien. Het werktuig zoude denkelijk al voorlang voltooid geweest zijn, ware niet de uitvinder door vele tusschenkomende omstandigheden merkelijk verhinderd geworden: in 1776 door zijne aanstelling tot voorstander der stads armen, wegens het kollekteren der bekkengelden; in het einde van 1776 door zijne aanstelling tot burger-vaandrig dezer stad; in Januarij 1777 door die tot mederaad in de Vroedschap; vervolgens tot collecteur van den brandewijn en dehavenspeciën, en eindelijk, in Mei 1778, door die tot armvoogd dezer stad: alle welke omstandigheden de snipperuren vrij wat verminderden, voornamelijk de laatstgemelde, welke bediening, in de jaarlijksche tweemaandsche administratie, bijna een ledig mensch vereischt.↑12Deze vader,Jelte Eisinga, wolkammer teDronrijp, ook een liefhebber der schoone kunsten, heeft den tijd, dien de bezigheden der wolkammerij hem overlaten, besteed tot het maken van eene draaibank, op welke de noodige schijven, somtijds van 28 duim middellijn, tot dit kunststuk behoorende, als ook de assen, van negen tot elf voet lengte, voor de rondsels enz. gedraaid zijn, en ook schroeven, ovalen en slingerwerk gedraaid kunnen worden. Ook maakte hij een fraai clavecimbaal staartstuk, en is thans (1780) bezig met het voltooijen van een kabinetorgel. In vroeger jaren had deze man reeds een tweemast galjootscheepje, van negen voeten lang, met al zijn toebehooren gemaakt. Zijne liefhebberij valt ook op het vervaardigen van Zonnewijzers, in welke kunst ook zijn zoon door en door ervaren is. Getuige hiervan een geschrift in folio, door hem opgesteld, waarin de zonnewijzers, voor alle mogelijke gelegenheden berekend en afgeteekend, te vinden zijn.↑

1Deze uitmuntende man, die derdehalve eeuw vóór de geboorte vanChristusleefde, heeft een werktuig vervaardigd, dat doorCicero(de nat. Deorum, lib. II, cap. 35) eenesphæragenoemd wordt, waarop, zoo als uit den zelfden schrijver (Tusc. Quaes., lib. I. c. 25) en het bekende vers vanClaudianusblijkt, de bewegingen van Zon, Maan en van de vijf overige hoofddwaalsterren aangewezen werden. Meer kan er van dit werktuig, omdat er geene beschrijving van tot ons is gekomen, niet gezegd worden.Proclus, een Grieksch wiskundige van de vijfde eeuw, telt onder de deelen der werktuigkunde de kunst, omsphæra’s, ter nabootsing der hemelsche omwentelingen, te maken, zoo als, voegt hij er bij,Archimedeser eene gemaakt heeft.Comment. in prim. lib.Euclideslib. I, cap. 13, in fine, p. 24, ed. lat.Baroccii.↑2Posidonius, een tijdgenootenvriend vanCicero, heeft, volgens hetverhaal des laatstgemelden, eenesphæravervaardigd, wier omwentelingen datgene, wat ieder dag en nacht omtrent de Zon, de Maan en de vijf hoofddwaalsterren plaats heeft, aanwezen.De nat. Deorum, lib. II, c. 35.↑3Copernicusheeft in het jaar 1573 het overheerlijk astronomisch uurwerk der domkerk teStraatsburgvervaardigd. Men vindt eene afbeelding en zeer gebrekkige beschrijving van hetzelve, zoo als ook van dat der stadLyon, in deReizen vanDu Montdoor Frankrijk,Duitschland enz.bl. 30 en 45 der Nederduitsche vertaling.↑4Rheita, eenHoogduitschsterrekundige, heeft in het jaar 1645, in zijn werk, getiteld:Oculus Enoch et Eliae, een werktuig beschreven, waarin, door verscheidene wijzers, de bewegingen der Zon, Maan en vijf hoofddwaalsterren aangewezen worden. Er is eene duidelijke beschrijving en eene afbeelding van te vinden in deTechnica CuriosavanSchottus, het6eboek, 10 hoofd. bl. 397.↑5Zie eene korte beschrijving en nette teekening van dit schoone stuk, teParijsin het jaar 1680 vervaardigd, in deMachines approuvées par l’ Académie de Paris, tom. I, pag. 81.Horrebowheeft eene naauwkeurige beschrijving en afbeelding, met bijvoegselen en verbeteringen, gegeven van een dergelijkplanetarium, doorRoemerteKoppenhagenvervaardigd, in zijneBasis Astronomia, cap. 15, tweede druk, te vinden in zijneOpera Omnia, tom. 3, pag. 142 sqq.↑6Deze uitmuntende Nederlander heeft in het jaar 1682 een overheerlijkplanetariumgemaakt, hetwelk door een uurwerk bewogen wordt. Het schijnt gediend te hebben tot model aan dat van Dr.Desaguliers, en aan vele andere, die men naderhand inEngelandgemaakt heeft. Zie de beschrijving en teekening inHugeniiOpera Posthuma, en in deOpera Reliqua.↑7Het zoude overtollig zijn, die alle op te noemen. Men vindt eene optelling der voornaamsteplanetariabijWeidler,Hist. Astron.cap. 15, § 163, 164. Zie ook bij denzelven, cap. 7, § 33. De heerB. Martin, een Engelschman, heeft in zijnePhilosophia Brittannica, 3 deel, bl. 165, noot 141, eene korte geschiedenis derplanetariagegeven, doch alles, wat door Nederlanders of Franschen op dit stuk gedaan is, geheel verzwegen.↑8Eisingaheeft de goedheid gehad, mij deze verhandeling, over de honderd bladzijden in folio beslaande, ter leen te geven. De heerDu Vaucel, een Fransch sterrekundige, leerling van den vermaardenLa Lande, heeft alleen die zon-eklipsen, welke tot aan het jaar 1900 teParijszigtbaar zullen zijn, berekend en afgeteekend. De akademie vanParijsheeft deze verhandeling met zeer veel graagte ontvangen, en in het vijfde deel derMémoires présentés à l’Académielaten drukken. De heerDe Fouchy, secretaris dier akademie, merkte bij deze gelegenheid te regt aan, dat dit werk van veel belang is, en dat men den heerDu Vaucel, die de moeite en zorg, om het algemeen de vruchten van dezen arbeid bij voorraad te doen genieten, op zich genomen heeft, veel te danken heeft. Maar is deze lofspraak niet met even veel, ja met meer regt opEisingatoepasselijk, wegens het verschil van de omstandigheden der beide personen, van hun beroep en van het onderwijs, dat zij ontvangen hebben?Eisingaheeft deze verhandeling in het achttiende jaar zijns ouderdoms opgesteld.↑9Het wasEisinganog den 16 Maart 1780 onbekend, dat er boeken, zoo als deConnoissance des temps, in de wereld zijn. Ik had toen gelegenheid, hem dit werk te toonen, ter oorzake, dat hij, met eenige liefhebbers aan mijn huis zijnde, mij vroeg, of ook den 22 Maart eene conjunctie van Jupiter en de Maan plaats zoude hebben, zoo als zijnplanetariumhet scheen te zullen aantoonen. Mijn antwoord was, dat ik het aanstonds in zijne tegenwoordigheid in het gemelde boek zoude nazien, alwaar dit verschijnsel inderdaad op den 22, des morgens te half zeven uur, aangeteekend staat.↑10Het verschijnsel bestond enkel hierin, dat Jupiter, Mars, Venus, Mercurius en de Maan zich toen alle in het hemelteeken de Ram bevonden.↑11In het jaar 1778 gafEisingaeenige zeer naauwkeurige, en den kooplieden en collecteurs zeer dienstige, lijsten in het licht, waarin men deimpositiënvan allerhande waren en binnenlandsche middelen op het naauwkeurigst berekend vindt. De schrijver had de liefhebberij, de dagteekening door de standplaatsen der voornaamste planeten uit te drukken, zoo als dezelve, zeide hij, door mijn thans onder handen zijnde half gemaakt beweeglijkplanetariumaangetoond worden. Dit boek, waarvan ik nooit iets gehoord had, dan in de laatstleden maand Maart, viel denkelijk alleen in handen dergenen, voor wie het geschikt was, en hetplanetariumbleef onbekend. Hij werkte in stilte, en voltooide zijn kunststuk allengskens, zonder eenige vreemde hulp. Zijne verrigtingen waren mij bijna geheel onbekend, totdat ik in Februarij laatstleden gelegenheid kreeg, om dezelve te zien. Het werktuig zoude denkelijk al voorlang voltooid geweest zijn, ware niet de uitvinder door vele tusschenkomende omstandigheden merkelijk verhinderd geworden: in 1776 door zijne aanstelling tot voorstander der stads armen, wegens het kollekteren der bekkengelden; in het einde van 1776 door zijne aanstelling tot burger-vaandrig dezer stad; in Januarij 1777 door die tot mederaad in de Vroedschap; vervolgens tot collecteur van den brandewijn en dehavenspeciën, en eindelijk, in Mei 1778, door die tot armvoogd dezer stad: alle welke omstandigheden de snipperuren vrij wat verminderden, voornamelijk de laatstgemelde, welke bediening, in de jaarlijksche tweemaandsche administratie, bijna een ledig mensch vereischt.↑12Deze vader,Jelte Eisinga, wolkammer teDronrijp, ook een liefhebber der schoone kunsten, heeft den tijd, dien de bezigheden der wolkammerij hem overlaten, besteed tot het maken van eene draaibank, op welke de noodige schijven, somtijds van 28 duim middellijn, tot dit kunststuk behoorende, als ook de assen, van negen tot elf voet lengte, voor de rondsels enz. gedraaid zijn, en ook schroeven, ovalen en slingerwerk gedraaid kunnen worden. Ook maakte hij een fraai clavecimbaal staartstuk, en is thans (1780) bezig met het voltooijen van een kabinetorgel. In vroeger jaren had deze man reeds een tweemast galjootscheepje, van negen voeten lang, met al zijn toebehooren gemaakt. Zijne liefhebberij valt ook op het vervaardigen van Zonnewijzers, in welke kunst ook zijn zoon door en door ervaren is. Getuige hiervan een geschrift in folio, door hem opgesteld, waarin de zonnewijzers, voor alle mogelijke gelegenheden berekend en afgeteekend, te vinden zijn.↑

1Deze uitmuntende man, die derdehalve eeuw vóór de geboorte vanChristusleefde, heeft een werktuig vervaardigd, dat doorCicero(de nat. Deorum, lib. II, cap. 35) eenesphæragenoemd wordt, waarop, zoo als uit den zelfden schrijver (Tusc. Quaes., lib. I. c. 25) en het bekende vers vanClaudianusblijkt, de bewegingen van Zon, Maan en van de vijf overige hoofddwaalsterren aangewezen werden. Meer kan er van dit werktuig, omdat er geene beschrijving van tot ons is gekomen, niet gezegd worden.Proclus, een Grieksch wiskundige van de vijfde eeuw, telt onder de deelen der werktuigkunde de kunst, omsphæra’s, ter nabootsing der hemelsche omwentelingen, te maken, zoo als, voegt hij er bij,Archimedeser eene gemaakt heeft.Comment. in prim. lib.Euclideslib. I, cap. 13, in fine, p. 24, ed. lat.Baroccii.↑

2Posidonius, een tijdgenootenvriend vanCicero, heeft, volgens hetverhaal des laatstgemelden, eenesphæravervaardigd, wier omwentelingen datgene, wat ieder dag en nacht omtrent de Zon, de Maan en de vijf hoofddwaalsterren plaats heeft, aanwezen.De nat. Deorum, lib. II, c. 35.↑

3Copernicusheeft in het jaar 1573 het overheerlijk astronomisch uurwerk der domkerk teStraatsburgvervaardigd. Men vindt eene afbeelding en zeer gebrekkige beschrijving van hetzelve, zoo als ook van dat der stadLyon, in deReizen vanDu Montdoor Frankrijk,Duitschland enz.bl. 30 en 45 der Nederduitsche vertaling.↑

4Rheita, eenHoogduitschsterrekundige, heeft in het jaar 1645, in zijn werk, getiteld:Oculus Enoch et Eliae, een werktuig beschreven, waarin, door verscheidene wijzers, de bewegingen der Zon, Maan en vijf hoofddwaalsterren aangewezen worden. Er is eene duidelijke beschrijving en eene afbeelding van te vinden in deTechnica CuriosavanSchottus, het6eboek, 10 hoofd. bl. 397.↑

5Zie eene korte beschrijving en nette teekening van dit schoone stuk, teParijsin het jaar 1680 vervaardigd, in deMachines approuvées par l’ Académie de Paris, tom. I, pag. 81.Horrebowheeft eene naauwkeurige beschrijving en afbeelding, met bijvoegselen en verbeteringen, gegeven van een dergelijkplanetarium, doorRoemerteKoppenhagenvervaardigd, in zijneBasis Astronomia, cap. 15, tweede druk, te vinden in zijneOpera Omnia, tom. 3, pag. 142 sqq.↑

6Deze uitmuntende Nederlander heeft in het jaar 1682 een overheerlijkplanetariumgemaakt, hetwelk door een uurwerk bewogen wordt. Het schijnt gediend te hebben tot model aan dat van Dr.Desaguliers, en aan vele andere, die men naderhand inEngelandgemaakt heeft. Zie de beschrijving en teekening inHugeniiOpera Posthuma, en in deOpera Reliqua.↑

7Het zoude overtollig zijn, die alle op te noemen. Men vindt eene optelling der voornaamsteplanetariabijWeidler,Hist. Astron.cap. 15, § 163, 164. Zie ook bij denzelven, cap. 7, § 33. De heerB. Martin, een Engelschman, heeft in zijnePhilosophia Brittannica, 3 deel, bl. 165, noot 141, eene korte geschiedenis derplanetariagegeven, doch alles, wat door Nederlanders of Franschen op dit stuk gedaan is, geheel verzwegen.↑

8Eisingaheeft de goedheid gehad, mij deze verhandeling, over de honderd bladzijden in folio beslaande, ter leen te geven. De heerDu Vaucel, een Fransch sterrekundige, leerling van den vermaardenLa Lande, heeft alleen die zon-eklipsen, welke tot aan het jaar 1900 teParijszigtbaar zullen zijn, berekend en afgeteekend. De akademie vanParijsheeft deze verhandeling met zeer veel graagte ontvangen, en in het vijfde deel derMémoires présentés à l’Académielaten drukken. De heerDe Fouchy, secretaris dier akademie, merkte bij deze gelegenheid te regt aan, dat dit werk van veel belang is, en dat men den heerDu Vaucel, die de moeite en zorg, om het algemeen de vruchten van dezen arbeid bij voorraad te doen genieten, op zich genomen heeft, veel te danken heeft. Maar is deze lofspraak niet met even veel, ja met meer regt opEisingatoepasselijk, wegens het verschil van de omstandigheden der beide personen, van hun beroep en van het onderwijs, dat zij ontvangen hebben?Eisingaheeft deze verhandeling in het achttiende jaar zijns ouderdoms opgesteld.↑

9Het wasEisinganog den 16 Maart 1780 onbekend, dat er boeken, zoo als deConnoissance des temps, in de wereld zijn. Ik had toen gelegenheid, hem dit werk te toonen, ter oorzake, dat hij, met eenige liefhebbers aan mijn huis zijnde, mij vroeg, of ook den 22 Maart eene conjunctie van Jupiter en de Maan plaats zoude hebben, zoo als zijnplanetariumhet scheen te zullen aantoonen. Mijn antwoord was, dat ik het aanstonds in zijne tegenwoordigheid in het gemelde boek zoude nazien, alwaar dit verschijnsel inderdaad op den 22, des morgens te half zeven uur, aangeteekend staat.↑

10Het verschijnsel bestond enkel hierin, dat Jupiter, Mars, Venus, Mercurius en de Maan zich toen alle in het hemelteeken de Ram bevonden.↑

11In het jaar 1778 gafEisingaeenige zeer naauwkeurige, en den kooplieden en collecteurs zeer dienstige, lijsten in het licht, waarin men deimpositiënvan allerhande waren en binnenlandsche middelen op het naauwkeurigst berekend vindt. De schrijver had de liefhebberij, de dagteekening door de standplaatsen der voornaamste planeten uit te drukken, zoo als dezelve, zeide hij, door mijn thans onder handen zijnde half gemaakt beweeglijkplanetariumaangetoond worden. Dit boek, waarvan ik nooit iets gehoord had, dan in de laatstleden maand Maart, viel denkelijk alleen in handen dergenen, voor wie het geschikt was, en hetplanetariumbleef onbekend. Hij werkte in stilte, en voltooide zijn kunststuk allengskens, zonder eenige vreemde hulp. Zijne verrigtingen waren mij bijna geheel onbekend, totdat ik in Februarij laatstleden gelegenheid kreeg, om dezelve te zien. Het werktuig zoude denkelijk al voorlang voltooid geweest zijn, ware niet de uitvinder door vele tusschenkomende omstandigheden merkelijk verhinderd geworden: in 1776 door zijne aanstelling tot voorstander der stads armen, wegens het kollekteren der bekkengelden; in het einde van 1776 door zijne aanstelling tot burger-vaandrig dezer stad; in Januarij 1777 door die tot mederaad in de Vroedschap; vervolgens tot collecteur van den brandewijn en dehavenspeciën, en eindelijk, in Mei 1778, door die tot armvoogd dezer stad: alle welke omstandigheden de snipperuren vrij wat verminderden, voornamelijk de laatstgemelde, welke bediening, in de jaarlijksche tweemaandsche administratie, bijna een ledig mensch vereischt.↑

12Deze vader,Jelte Eisinga, wolkammer teDronrijp, ook een liefhebber der schoone kunsten, heeft den tijd, dien de bezigheden der wolkammerij hem overlaten, besteed tot het maken van eene draaibank, op welke de noodige schijven, somtijds van 28 duim middellijn, tot dit kunststuk behoorende, als ook de assen, van negen tot elf voet lengte, voor de rondsels enz. gedraaid zijn, en ook schroeven, ovalen en slingerwerk gedraaid kunnen worden. Ook maakte hij een fraai clavecimbaal staartstuk, en is thans (1780) bezig met het voltooijen van een kabinetorgel. In vroeger jaren had deze man reeds een tweemast galjootscheepje, van negen voeten lang, met al zijn toebehooren gemaakt. Zijne liefhebberij valt ook op het vervaardigen van Zonnewijzers, in welke kunst ook zijn zoon door en door ervaren is. Getuige hiervan een geschrift in folio, door hem opgesteld, waarin de zonnewijzers, voor alle mogelijke gelegenheden berekend en afgeteekend, te vinden zijn.↑


Back to IndexNext