HET LEVENVANEISE EISINGAENBEKNOPTE GESCHIEDENISVAN ZIJNPLANETARIUM.Zoo dikwijls er sprake was van verdienstelijke mannen, die, wars van praalzucht, in stille nederigheid wegschuilen, pleeg de hoogbejaarde ProfessorVan Swindenzijnen vrienden dikwijls te verhalen, dat hij, omstreeks 40 jaren te voren, Hoogleeraar zijnde teFraneker, vernomen hebbende, dat er bij een burgerman aldaar een aardig werktuigje was te zien,—in eene soort van verrukking viel, toen hij daar op eens een volledig en gangbaarPlanetariumvoor zich zag, waarvanEuropade weergade niet toonen kon;—een kunststuk, door een eenvoudig wolkammer in de snipperuren van zes jaren geheel in zijne eenigheid voltooid, zonder dat hij of zijn collegaYpeij, als Hoogleeraren in de Natuur-, Wis- en Sterrekunde, of iemand der andere Professoren, die in deze kleine Akademiestad slechts eenige schreden verder woonden, iets van ’t werk geweten hadden, veel minder geraadpleegd waren1.Sedert die verrassende ontmoeting bezocht Prof.Van Swindenbij herhaling het Planetarium; hij onderzocht het in al zijne deelen en bestudeerde al de vereischten van zulk een werkstuk. Met elk bezoek steeg zijne bewondering van het werktuig en zijn eerbied voor den verdienstelijken vervaardiger, en het was dáárom, dat hij zich gedrongen gevoelde, hiervan eene uitvoerige beschrijving in het licht te geven, ten einde der wereld te toonen, welk overheerlijk schoon en voortreffelijk kunststuk zamengesteld was door een eenvoudig burger, wiens vernuft en bekwaamheden aanspraak hadden op roem en vereering.Zeventig jaren zijn er thans (in 1850) verkopen, sedertVan Swindendeze Beschrijving uitgaf. Voorzeker heeft hij daarmede zijn doel bereikt: want binnen- en buitenlands werd de hooge waarde van dit Planetarium erkend; duizenden, en daar onder de aanzienlijkste, zelfs vorstelijke personen, kwamen het beschouwen en bewonderen, en ver boven verwachting waren de eerbewijzen, welkeEisingadaarvoor bij zijn leven en ook na zijn overlijden ontving. Maar opmerkelijk is het vooral, dat—in weerwil der vorderingen van de kunsten en wetenschappen in die zeventig jaren; in weerwil de werktuigkunde inEngeland,DuitschlandenFrankrijksedert zulke reuzenschreden heeft gemaakt en de sterrekunde door talrijke nieuwe ontdekkingen en grondiger onderzoek in omvang en gewigt zeer is toegenomen,—dat dit Planetarium, én als vrucht van wetenschappelijk onderzoek én als kunststuk der werktuigkunde, nóg zijne waarde heeft behouden en door geen ander voortreffelijker werkstuk van dien aard is overschaduwd geworden. Aangenaam zijn daarom de belangstellende bezoeken, welkeFraneker(na bijna alle sporen van zijne vroegere wetenschappelijke grootheid verloren te hebben) nog bestendig van landgenooten en vreemden mag ontvangen, als eene hulde aanEisinga’s kunstgewrocht, hetwelk ook door de Friezen steeds op hoogen prijs wordt geschat. Daardoor is het mede noodzakelijk geworden, eenderden drukter perse te leggen vanVan Swinden’sBeschrijving, welken wij thans onzen landgenootenaanbieden. Wij wenschen dit te doen naar de behoeften van onzen tijd2. Wij durven toch vertrouwen, dat allen, die belang stellen in de beschrijving van het werktuig, behoefte zullen hebben om te weten: door wien en onder welke omstandigheden het werd vervaardigd; welke gevolgen daaruit voor den vervaardiger zijn voortgesproten; hoedanig zijne lotgevallen zijn geweest; welke veranderingen het Planetarium sedert 1780 heeft ondergaan, en welke verder de voornaamste omstandigheden en gebeurtenissen zijn geweest, die daarop betrekking hadden.Door de volgendeLevensschets vanEisingaenBeknopte Geschiedenis van zijn Planetarium(beide zoo naauw met elkander vereenigd) hopen wij aan die behoefte te voldoen, en daardoor tevens op nieuw een blijk te geven van onze zucht, om Frieslands roem in kunsten en wetenschappen, waartoeEisingazoo veel heeft bijgedragen, te bevorderen3.—Slaan wij vooraf het oog op zijne tijd- en kunstgenooten.Meermalen is het opgemerkt, dat in der Friezen aard eene bijzondere neiging ligt voor de beoefening van de mathematischewetenschappen in het algemeen en voor die van de Sterre-, Meet- en Werktuigkunde in ’t bijzonder. De laatste drie eeuwen hebben daarvan talrijke voorbeelden gegeven, waarvan vele vermeld zijn in de bekende Redevoering van den HoogleeraarC. Ekama4. Welligt was er echter geen tijdperk rijker in het voortbrengen van zoodanige vernuften dan de laatste helft der vorige eeuw. De langdurige vrede, rust en welvaart, die van 1713 tot 1780 bijna onafgebroken werden gesmaakt, gaven aanleiding, dat velen voedsel voor den geest zochten in die degelijkestudiën, waartoe, behalve gezond oordeel, geschiktheid tot afgetrokken nadenken met de zucht om naauwkeurig te toetsen en te overwegen, en niet minder volharding vereischt worden:—eigenschappen, welke in vele Friezen van den echten stempel voorzeker in hooge mate worden aangetroffen. Opmerkelijk is het tevens, dat de neiging tot gezegde studiën het meest gevonden werd bij lieden uit den eenvoudigen burgerstand of bij landbouwers, die in hun bedrijf ter naauwernood eenige aanleiding schijnen te vinden, om zich juist op die vakken toe te leggen. Misschien werkte het voorbeeld en onderwijs van den beroemdenWillem Loré, die teLeeuwardenin een Weeshuis was opgevoed en zich door groote mathematische bekwaamheden tot buitengewoon Hoogleeraar teFranekerwist te verheffen, nog lang na zijn dood (1744) op velen gunstig voort5. Evenwel is het bekend, dat de meeste der volgende Wis- en Werktuigkundigen weinig of geen onderwijs van anderen genoten, maar zich door de kracht van huneigen genie en door volhardende inspanning uitstekende bekwaamheden verwierven.TeLeeuwardenhad de bekende Hortulanus van Prinses Maria Louisa,Johann Hermann Knoop, die in verschillende vakken een aantal werken heeft uitgegeven, reeds lang onderwijs in de Wiskunde, gelijkHayke HaanstravanBuitenpostin de Rekenkunde gegeven, toen de timmermanWytse Foppes Dongjuma, naar zijne geboorteplaatsDongjumbijFranekerdus genoemd, onder begunstiging van genoemde Prinses, zich hier nederzette, als Mathematisch Instrumentmaker, Landmeter en Wijnroeijer. In 1763 vervaardigde hij een toestel, door hemMagnetimetergenaamd, en gaf verscheidene grondig bewerkte schriften in het licht. Hij vormde een kring van leerlingen, met wie hij vele sterrekundige waarnemingen deed. Van sommigen hunner, alsJarich Tjeerds,A. PosthumusenH. Balk, zijn nog mathematische geschriften in de Bibliotheek dezer stad voorhanden. De onderwijzerTjeerd Ringneerymaakte zich door zijne handboeken voor het boekhouden en den graanhandel verdienstelijk (1763). De schilderRienk Jelgerhuisbeoefende mede de Wiskunde, blijkens zijneAanmerkingen op de Perspectiva vanCaspar Philips(Leeuw. 1769).Luitjen F. Wiersma, vanWartenageboortig, had reeds in 1754 (teDokkumwonende) eeneWiskunstige Arithmeticauitgegeven, toen hij zich in 1777 teLeeuwardenvestigde, waar hij twee jaren later gevolgd werd door den bekwamenLucas Oling, van Weender geboortig, door zijn belangrijkRekenkundig Exempelboekvermaard. Grooten naam verwierf zich medeMattheus Siderius, die als Luit. Kol. en Ingenieur der V. Ned. in 1781laThéoriede la Fortificationen in 1784Gronden der Vestingbouwkundeuitgaf, enJ. W. Karsten, die in 1797 teLeidenmet goud bekroond werd als schrijver eenerHandleiding tot de kennis der Meetkunde.Ook aan de eertijds bloeijende Akademie teFranekervond de Wis-, Natuur- en Sterrekunde in dit tijdvak ijverige beoefenaars in de HoogleerarenAnthonius Brugmans, vanHantum,Van Swinden,Nicolaas YpeijvanBergum,Jacobus Pierson Tholen, vanLeeuwardenenAdolphus Ypeij, vanFraneker. Aan deze Akademie waren mede verbonden, als HortulanusDavid Meese, vanLeeuwarden, bijzonder door kruidkundige schriften vermaard, enJan Pieters van der Bildt, vanL. Vrouwe-Parochie, als Amanuensis en verzorger der verzameling physische instrumenten; een man van geringe afkomst, die eerst door het maken van uurwerken en daarna van optische instrumenten zich zeer verdienstelijk gemaakt en een grooten naam verworven heeft, daar vooral zijne teleskopen lang op hoogen prijs werden geschat. In genoemde betrekking werd hij in 1791 opgevolgd doorSybrand Taekes van der Fliet, vanFraneker, die lang trekschipper was, doch door vlijt en inspanning, ten gevolge der verkeering met de zonen vanVan der Bildt, het zoo ver bragt, dat ook hij optische en andere instrumenten vervaardigde. Bij zijn dood in 1806 werd hij opgevolgd doorBauke Eisma van der Bildt, vanFraneker, die, als bekwaam werktuigkundige, den naam zijns grootvaders ophield en eene menigte teleskopen, kijkers en andere werktuigen heeft vervaardigd, welke algemeen geacht zijn6. Bovendien waren er destijds in den eenvoudigen burgerstand teFranekerverscheidene personen, die voor zich zelve de mathematische wetenschappen beoefenden, en van wie dus weinig meer dan hunne namen bekend is. Deze warenWillem Wytzes,Douwe Wytema,Dirk Dodenga,Marten ClaverenPieter Idserds Portier, die tevens als een zeer bekwaam teekenaar van schepen en landschappen bekend is. Nog wasWouter Martens van der Werff, vanWoudsendgeboortig, daar als leermeester in de Wis- en Sterrekunde zeer geacht; terwijlPibo Steenstra, de zoon van een tigchelaarsknecht, het geluk had, opgemerkt te worden door Prof.Ypeij, die zijn gunstigen aanleg dermate ontwikkelde, dat hij als Lector in de Wis-, Zeevaart-en Sterrekunde teAmsterdam, verscheidene goede leerboeken uitgaf, welke bij het publiek lang grooten bijval vonden. Ook de scheikundigeBoudewijn Tieboelen de beroemde wijsgeerFrans Hemsterhuis, beide teFranekergeboren, behooren nog bij dit getal genoemd te worden.In de nabijheid vanFraneker, in de buurtSalwerd, woonden toenmaals de broedersRientsenKlaas Piers Salverda, die uitmuntten door vernuft, oordeel en bekwaamheid, vooral in het maken van fraaije zonnewijzers. Uit dit geslacht was mede afkomstig de geleerdeWybo Fynje, Doopsgezind Leeraar teDeventer, bekend wegens zijne ongemeene bekwaamheden in de hoogere Wiskunde.TeHarlingengaf de Oud-SecretarisMathys Adolph van Idsingain 1787 blijken van groote bedrevenheid in de Sterre- en Zeevaartkunde in zijne werkjes:Aanwijzinge van het seekere Middel waardoor de zeeman iederen nacht zijne waare langte kan te weeten komen, metVervolg, en niet minder zijn tegenschrijverAbe Jans Hingstaldaar. Te dier stede woonde destijds mede een zeer bekwaam uurwerkmaker,Tjeerd Radsma, die met veel vernuft een beweegbaar Planispherium vervaardigde, waarvan Prof.Van Swindenin §82zijner Beschrijving vanEisinga’s Planetarium eene korte aanwijzing en vergelijking heeft gegeven, nadat hij toen reeds acht dezer werkstukken vervaardigd en teHarlingenenAmsterdamgeleverd had.In het dorpAchlumbijFranekerwas destijds de landbouwerKlaas Gerrits Wieringaeen vernuft, dat, zeer bedreven in de Wis- en Werktuigkunde, door het vervaardigen van eene electriseermachine en andere kunststukken, algemeen opzien baarde. Uit het daar bij gelegene dorpArumkwam de bekwameObbe Sikkes Bangmavoort, die, even alsHenricus AeneaevanOudemirdum, door hunne bekwaamheden en uitgegevene geschriften inHollandeervolle wetenschappelijke betrekkingen mogten verwerven.Overigens waren er in die laatste helft der 18eeeuw nog een aantal stille beoefenaars der Wis- en Sterrekunde inFriesland,waarvan wij niet de woonplaatsen, maar alleen de namen kennen, en die zich, onder den titel van: Mathematicus, of van: Liefhebber der Mathematische kunsten, verdienstelijk hebben gemaakt als berekenaars van de Almanakken der jaren, achter hunne namen geplaatst. Zij zijn:Gerrit Tresling, 1755, vermoedelijk teLeeuwarden;Leendert Holder, 1764, denkelijk onderwijzer teArum;H. D. Hylkema, 1770;Hanso Lemstra van Buma, 1775, later, in 1791, Boekhandelaar teSneek;S. SjoerdsenS. van der Werf, 1782;Popke Sluiter, 1784;Gerrit Hendriks, 1793;Marten Jonker, 1794;Tiede Dykstra, 1795;Joris de Haan, 1797;Johannes Egberts, 1799 en daarnaEvert Sjerps Ferwerda, timmermansknecht teLeeuwarden, dien wij nog gekend hebben.Wij zouden nog meerdere namen kunnen noemen, als: vanHendrik Anjema, vanFraneker, die eenTafel der Devisoren van alle de natuurl. getallen(Leiden 1767) uitgaf; vanNicolaas Epkema, vanWirdum, dieWolff’s Tafelen tot de Trigonometria(Amst. 1765) in ’t Ned. overbragt; van de voortreffelijkste gebroedersPieter,AlbertenArjen Roelofs, vanHijum, die zich eerlang tot eene verwonderlijke hoogte verhieven;—doch reeds meer dan genoeg, om aan te toonen, datFriesland, inzonderheid in de laatste helft der 18eeeuw, vruchtbaar was in het voortbrengen van mathematische vernuften7.In het aanzienlijke en fraai gelegene dorpDronryp, inMenaldumadeel, tusschenLeeuwardenenFraneker(waar eertijdsRiemer Sybeswoonde, die de eerste leermeester in de Wiskunde was van den later zoo beroemdenWillem Loré) was omstreeks het midden der vorige eeuw, bovendien, eengeslacht gevestigd, waarin de zucht en de geschiktheid voor de mathematische wetenschappen en de werktuigkunst erfelijk scheen te zijn. Daar woonden de broedersJelte EisesenAne Eises, vanOosterlittensinBaarderadeelafkomstig, die het beroep uitoefenden van wolkammer. Van jongs af hadden beide zich in de uren van uitspanning toegelegd op de Reken- en Meetkunst, en bestendig bleef het hen eene aangename bezigheid zich te oefenen, en den tijd, welke hen van hunne kostwinning overschoot, te besteden tot het zamenstellen van een of ander kunstwerk of aardigheid, waarbij eene zeldzame handigheid beider vernuft ten dienste stond. Van de verschillende stukken, doorJeltevervaardigd, zijn bekend, dat hij, in jeugdigen leeftijd, een tweemast galjootscheepje vervaardigde, van 9 voet lengte, met alle toebehooren en in juiste evenredigheid, zóó zelfs, dat er twee man meê te water konden gaan. Als liefhebber van muzyk en zang maakte hij voor huiselijk gebruik een klavier en daarna een kabinetorgel, waarvan hij de inrigting had gadegeslagen bij gelegenheid der herstelling van het kerkorgel vanDronryp, waarover hij als Kerkvoogd het opzigt had. Doch inzonderheid hielden zij zich bezig met het berekenen en zamenstellen van zonnewijzers, in onderscheidene en soms zonderlinge vormen, waarvan vele in den omtrek aan de huizen en als tuinsieraden werden geplaatst. Eene doorJeltemede vervaardigde kunst-draaibank, van bijzondere vinding, bewees bij al deze werkzaamheden groote diensten.De jongste der broeders,Ane, vertrok eerlang naarFraneker, waar hij Waagmeester en Ontvanger of Collecteur van het Gemaal, den Turf enz. is geworden.Jeltebleef bestendig teDronrypwonen, als wolkammer, en trad in het huwelijk metHittje Steffens, van het naburige dorpWinsum, bij wie hij twee zonen en twee dochters verwekte. De jongste dezer zonen heetteStephanus Jeltes, waarbij hij later den naam vanEijsingaaannam. Hij werd geboren den 24 Maart 1755 en onderscheidde zich, even als zijn oudere broederEise, spoedig door een zeldzamen aanleg voor de Wis- en Sterrekunde, welke door hetdagelijks onderwijs van den vader werd ontwikkeld en gevoed. De vrucht van zijne ijverige oefeningen bragt hij in 1776 bijeen in een groot boek (van 257 bladz.), hetwelk hij tot titel gaf:Grondbeginselen der Astronomie of Sterreloopkunde,op eene theoretische wijze verhandeld, waarin hij met keurig schrift en nette teekeningen en berekeningen de gronden dezer wetenschap ontvouwde. In het volgende jaar voegde hij daar achter een kunstwerk, hetwelk hij noemde:Gnomonica of Sonnewijzers, Alle door passer en lijnjaal afgepast op de noorderbreedte van Dronryp. Dit bevat in 170 bladz. de afbeeldingen en beschrijvingen van 86 verschillende soorten van zonnewijzers, welke evenzeer van zijne nette manier van werken als van zijnen vindingrijken geest getuigen8. Ook na den dood zijns vaders, die den 24 October 1785, oud ruim 69 jaren overleed9, bleef hij in het ouderlijk huis en bedrijf werkzaam, en zijne snipperuren gedurig besteden zoowel aan de Sterre-, Reken- en Werktuigkunde, als aan de muzyk en het vervaardigen van fraai teeken- en schrijfwerk. Hij overleed den 27Januarij 1814. Als vader viel ook hem het geluk te beurt, den lust en aanleg voor genoemde vakken te ontwikkelen en aan te kweeken in zijn oudsten zoonJelte, die eerlang blijken gaf van groote verwachting. Want reeds op zijn zeventiende jaar vervaardigde deze, bij wijze van uitspanning, een beweegbaar astronomisch kunststuk, in den vorm van een staand uurwerk, waarop de vaste sterren met de zon op- en ondergingen, met aanwijzing van den waren en middelbaren tijd, van den ouderdom en de schijngestalten der maan enz. Doch die vadervreugde werd eerlang vadersmart, toen deze jongeling in de Fransche conscriptie viel, naarRuslandtrok, en, na de groote vermoeienissen van dien veldtogt, in 1812, in een hospitaal teKaunoinPolenstierf, door zijne familie diep betreurd.Uit zulk een geslacht, dat het voorregt bezat van het leven van den geest, met liefde voor kunst en wetenschap, in hooge mate te genieten, isEise Jeltesof, zoo als hij zich later schreef,Eise Eisingavoortgesproten. Den 21 Februarij 1744 teDronrijpin het huis No. 131 in de Kerkeburen geboren, werd hij door zijn vader van jongs af opgeleid zoowel in het bedrijf van wolkammer als in die wetenschappen, kunsten en liefhebberijen, welke zijnen geest bestendig vervulden en zijne rusturen veraangenaamden. Dat die zoon lust, aanleg en geschiktheid daarvoor betoonde en zich beijverde, den vader behulpzaam te zijn in al zijne verrigtingen, was dezen een onbegrijpelijk genot en eene sterke aansporing, om alles toe te brengen, wat zijne kennis en bekwaamheid kon vermeerderen. Nog zeer jong begaf hij zich nu en dan naar het naburigeFraneker, ten einde van een burgermanWillem Wytseseenig onderwijs te ontvangen in het rekenen en de gronden der wiskunde. Hij doorliep bij dezen de zes eerste en de 11een 12eboeken van Euclides en erlangde eenige opleiding in de klootschedriehoeksmeting, de kennis van het hemelstelsel, het gebruik van de astronomische tafelen en het berekenen van de eklipsen. Hoe onvolkomen dit onderwijs ook ware, mede wegens gemis aan geschikte leerboeken,—zijn ongemeene aanleg en vernuft hadden genoeg aan enkele vingerwijzingen, om het gehoorde te bewerken, uit te breiden en toe te passen, en alzoo voort te streven langs een eigen pad.Op den ouderdom van 17 jaren had hij het geluk, in kennis te geraken met boven vermeldenWytse Foppes Dongjuma, zeer geacht Wiskundige en Instrumentmaker teLeeuwarden. Toen de aandacht der sterrekundigen bijzonder was gevestigd op het merkwaardige verschijnsel, dat de planeet Venus op den 6 Junij 1761 voorbij de schijf der Zon zou gaan, had deze instrumenten ontworpen tot het doen van naauwkeurige waarnemingen. Zelfs de lands regering trok zich deze zaak aan, en stond hem toe, deze werktuigen op staats kosten te vervaardigen en daarmede waarnemingen te doen op het destijds onbewoonde oude kasteelCamminghaburgbijLeeuwarden. Toen deze observatiën gelukkig uitvielen enWytse Foppesdaarvan in twee werkjes aan de geleerde wereld mededeeling deed10, behaagde het Gedeputeerde Staten hem bovendien een jaargeld van 100 Daalders te vereeren, welke som daarna met nog 48 Gld. verhoogd werd.Het mogt den jeugdigenEisingagebeuren deze waarnemingen bij te wonen, en aan den gunstigen en eervollen uitslagdaarvan sterke aansporing te ontleenen, om zich met ijver op zijne lievelings-studiën toe te leggen. Hij deed dit werkelijk, en als de vrucht dezer oefeningen is nog lang bewaard een folio geschrift, bevattende teekeningen en berekeningen van zonnewijzers, en een dergelijke band van ruim 100 bladz., bevattende naauwkeurige berekeningen van alle Zons- en Maanverduisteringen, welke er van 1763 tot 1800 zouden plaats hebben, vergezeld van teekeningen dergene, welke teFranekerzouden zigtbaar zijn. Deze arbeid van een achttienjarig jongeling, gevoegd bij zijne berekeningen van de standplaatsen der planeten, waarvan hij bij het begin van elk jaar tafels voor elke maand vervaardigde, ten einde dienst te bewijzen bij het doen van waarnemingen, mogten later de bewondering van groote geleerden wegdragen; aangezien hij dien arbeid had volbragt, geheel onbekend met het bestaan zelfs van sterrekundige jaarboeken en tafels, waarin de vooraf berekende standplaatsen der voornaamste hemelligchamen worden opgegeven.Zonder eenige aanspraak op lof en eere hadEisingadit alles teDronrijpin het ouderlijk huis verrigt, geheel in stilte, als uitspanning na volbragte dagtaak, en zonder eenig opzien te baren; zelfs zonder eenig uitzigt, dat deze studiën hem voor de toekomst van eenig ander nut en voordeel zouden zijn, dan dat zij hem bevrediging van weetlust aanboden. Hij volgde eene natuurlijke aandrift en was verder zich zelven genoeg.Dat ouderlijk huis kon evenwel zijne bestemming niet zijn. In vier-en-twintig-jarigen ouderdom trad hij in het huwelijk metPietje Jacobs, vanHilaard, en vestigde zich in 1768 als Wolkammer teFranekerin het huis de Ooijevaar, tegenover het Stadshuis. De wolkammerij toch bloeide daar toenmaals ongemeen, en waren er 21 saaijet-fabrijken in werking, welke honderden handen werk gaven en tonnen gouds in omloop bragten11.Als een stil burger, die zich met geene andere zaken dan met zijn beroep scheen bezig te houden, en die enkel jaarlijks voor zijn wolhandel eene reis naarLeidendeed, leefde hij, zonder veel verkeering met anderen en zonder door anderen opgemerkt te worden. Dit was ook een gevolg van zijn aard en karakter, dat geheel den rustigen Fries vertoonde, die, in stille ingetogenheid, bij eene afgetrokkene of geslotene geestgesteldheid, geene behoefte had aan hulp of lof van anderen. Zelfs had hij geen verkeer met personen, die de zelfde vakken beoefenden, waaraan hij zijne rusturen bestendig bleef toewijden. Niemand kon dus in hem een vernuft vermoeden, dat tot de stoutste onderneming zou opklimmen.Hoe talrijk destijds ook de beminnaren van de Sterrekunde inFrieslandwaren—het gros der bevolking nogtans voedde omtrent den loop der hemelligchamen nog zulke bekrompene en zonderlinge begrippen, dat ongemeene verschijnselen dikwijls aanleiding gaven tot groote bewegingen. Kerkelijke naauwgezetheid voedde dan de kleingeestige vrees voor schrikkelijke gevolgen, als zoo vele oordeelen Gods wegens de zonden der menschen. Dit bleek ook ten jare 1774, toen het merkwaardig verschijnsel verwacht werd, dat de planeten Jupiter, Mars, Venus en Mercurius, gelijk ook de Maan, zich op den 8 Mei te gelijk in het zelfde hemelteeken de Ram zouden bevinden. Een vroom godgeleerde, die zich een „liefhebber der waarheid” noemde, vond daarin aanleiding tot het schrijven van een werkje, getiteld:Philosophische Bedenkingen over de Conjunctie van de planeten Jupiterenz. Hij betoogde hierin op een gemoedelijken toon, dat deze conjunctie een verderfelijken invloed zou kunnen hebben niet alleen op onzen aardbol, maarook op het geheele zonnestelsel, ja zelfs, dat dit eene voorbereiding of begin zou kunnen worden van de slooping van het heelal, zoodat de nadering van den jongsten dag als waarschijnlijk werd gesteld12.Hoe zouden de gemoederen van onkundigen, die van elke bevolking de meerderheid uitmaken, door zulk eene voorspelling niet verontrust zijn geworden? De algemeene vrees, waarmede de 8 Mei werd te gemoet gezien, werd gevoed door drukkers en liedjeszangers, die op openbare straten de goede gemeente tot boete en berouw vermaanden. Het liep eindelijk zóó hoog, dat de overheid er zich meê bemoeide. Na de liedjes bij de drukkers te hebben laten ophalen en de zangers vastzetten, liet de Regering door eendeskundigeeen berigt in deLeeuwarder Courantplaatsen, dat er op dien dag niets anders zou gebeuren, dan dat men vóór Zons-opgang, bij helder weder, de vier gemelde planeten en de maan in genoemd hemelteeken zou zien, en dat dit verschijnsel, even als de reeds voorgevallene conjunctiën van Mercurius en Mars, en van de eerste en de Zon, geheel geen invloed op de aarde zou hebben13.Dit had de gewenschte uitwerking: want de dag, met zoo veel angst te gemoet gezien, ging rustig voorbij, en beschaamde alzoo elke dwaze voorspelling en alle kleingeestige vrees.Deze volksbeweging was echter niet geheel nutteloos geweest. Integendeel, zij had een belangrijk gevolg: want te midden der algemeene onrust bleefEisingabedaard; hij vreesde niets,terwijl de door hem vervaardigde tafelen den juisten stand der planeten aanwezen, gelijk bij de waarneming van het verschijnsel bleek. Hij betreurde alleen de onkunde der menigte, die blijkbaar geen begrip had van den stand en loop der hemelligchamen; terwijl hij met verwondering had ontwaard, hoe algemeen nog de voorstelling was ingeworteld, dat de aarde in het middenpunt des hemelstelsels geplaatst zou zijn, en dat de zon en de planeten zich rondom haar zouden bewegen.DatEisingadit stelsel vanPtolemaeusenTycho Brahéverwierp, en dat van den miskendenCopernicusaankleefde, was natuurlijk na zoo vele jaren van onderzoek en oefening. De wensch, om ook anderen daarvan te overtuigen; de inval, hoe aangenaam het zou zijn, een werktuig te bezitten, waardoor men te allen tijde den waren stand der hemelligchamen zou kunnen gewaar worden en aantoonen; de mogelijkheid, om dit op eene eenvoudige wijze ten uitvoer te brengen—dit alles vervulde zijnen geest. Na ernstige overpeinzingen, mat hij zijne krachten, en—de inval werd een voornemen en dit een vast besluit, om zelf handen aan het werk te slaan, ten einde, tot eigen gemak en genoegen en bij gelegenheid tot voorlichting van anderen, aan den zolder zijner woonkamer een geregeld bewegend werktuig te vervaardigen, hetwelk hem den stand des hemels, de ware plaats en den geregelden gang van zon, maan en dwaalsterren bestendig voor oogen zou stellen. Behalve het genoegen, dat zulk eene huiselijke werkzaamheid in zijn liefhebberijvak hem scheen aan te bieden, meende hij door zulk eene aanschouwelijke voorstelling bij den zamenstand of conjunctie der planeten ook de ongegrondheid te zullen kunnen aantoonen van de vrees voor nadeelige gevolgen daarvan voor onze aarde.Na zijne huisvrouw het plan medegedeeld en den duur van den arbeid op zeven jaren bepaald te hebben, werden de handen ijverig aan het werk geslagen, echter zonder verwaarloozing van zijn beroep, dat altijd hoofdzaak bleef. Het geheelezamenstel werd nu berekend en overwogen, en vervolgens gewijzigd naar plaatselijke omstandigheden en de bekrompene ruimte, waarover hij te beschikken had. Ten gevolge daarvan deden er zich weldra bezwaren en moeijelijkheden op, welke hij vooraf kwalijk kon voorzien en die toch door geduld of vernuft moesten overwonnen worden. Wij noemen daarvan enkel de belemmering, welke de bedstede veroorzaakte, waarop hij zijne nachtrust genoot.Deze kon hij niet anders dan met vele moeite overwinnen door de verkorting van den slinger, welke het gansche uurwerk in beweging moest brengen, tot op 80 slagen in eene minuut, dewijl eene meerdere lengte, voor 60 slagen, volgens zijn eerste plan, die bedstede onbruikbaar gemaakt zou hebben. Ook de dikte der balken van het gebouw, waarvan de plankenvloer verhoogd en aan welke een nieuwe zolder, waarin het werk zich zou bewegen, verbonden moest worden, veroorzaakte een bezwaar bij de plaatsing van al de raderen, zoodat hij zich verpligt zag, drie assen in plaats van ééne te gebruiken. De berekening van de vereischte tanden in een honderdtal raderen en rondsels, bij zoo verschillende bewegingen, kostte hem mede groote moeite en zorg, bijzonder, omdat hij vervolgens ook een hemelsplein en maanwijzers daarmede in verbinding bragt. Alle krachten van geest en ligchaam moesten daarbij ingespannen worden, dewijlhij zélf allesverrigtte. Beurtelings toch was hij wolkammer en rekenaar, teekenaar en werktuigkundige, timmerman en uurwerkmaker, draaijer en schilder en wat dies meer zij, zonder ooit eenig Planetarium of plaat daarvan gezien te hebben, zonder gebruik te maken van de vele hulpmiddelen en geschriften, welke er destijds reeds bestonden, en zonder dat hij van iemand eenige andere hulp genoot, dan dat hij de vier benoodigde koperen raderen naar zijn voorschrift door een klokmaker liet bewerken, en dat zijn vader, wien hij over het werk geraadpleegd had, eenige schijven en assen op de door dezen vervaardigde kunstdraaibank heeft gedraaid. Voor elks oog verborgen, verstoken van alle aanmoediging en de minste vertooning of opspraak vermijdende, werkte hij rustig voort envorderde dagelijks in stilte. En dat hem bij dat alles een vrome geest bezielde, vol van eerbied voor den grooten Schepper van het bewonderenswaardig heelal, daarvan getuigt de nog op zijne werkplaats aanwezige spreuk, die hij dagelijks voor oogen had: GEDENKT DAT GODT BIJ U ALTIJD HIER TEGENWOORDIG IS14.Te midden van dezen ijverigen arbeid deden er zich echter onvoorziene verhinderingen op, welke hem op het verlies van kostbaren tijd te staan kwamen. Hij werd tot verscheidene onvermijdelijke lastposten geroepen, als: tot Collectant voor de armen, tot Officier der Schutterij, tot Vroedsman of lid der Stedelijke Regering en tot Armvoogd. Bovendien zag hij zich aangesteld tot Collecteur of Ontvanger van ’s Lands middelen op den brandewijn en de havenspeciën. In deze betrekking vervaardigde hij zeer naauwkeurige lijsten, waarop men den impost van allerhande waren uitgerekend vond. Vermits deze ook voor kooplieden en andere ontvangers zeer dienstig konden zijn, liet hij ze in 1778 drukken, en maakte bij die gelegenheid eenige melding van het werktuig, dat hij onder handen had. Dan, deze lijsten kwamen enkel onder de oogen van hen, voor wie ze vervaardigd waren, en zijne mededeeling trok dus geheel niet de aandacht van deskundigen15.Als blijken van onderscheiding en vertrouwen waren al die betrekkingen hem wel aangenaam en nam hij ze met zorg waar, doch de uren van werkzame uitspanning, welke hij zoo gaarne en met liefde aan zijn planetarium besteedde, zag hij daardoor zeer inkrimpen. Met des te meer geestkracht en vlijt werkte hij voort, en nog waren er in 1778 geene vier jaren verloopen, of het werktuig was reeds gangbaar en het geheel in Februarij 1780 nagenoeg voltooid. Zie hier een overzigt van het gansche zamenstel:In het midden van de kamer had hij aan den zolder een stilstaande Zon afgebeeld, uitschietende 24 stralen, waarvan om de andere eene zwarte lijn voortkomt, strekkende tot aan den buitenrand, welke de Ecliptica verbeeldt en deelende dezen cirkel in 12 vakken, welke de hemelteekens of den dierenriem voorstellen. Tusschen dezen rand en de zon had hij in het plafond zeven nagenoeg cirkelvormige sleuven aangebragt, waarin de planeten (door hangende bolletjes voorgesteld) hun bepaalden omloopstijd rondom de zon volbrengen; in beweging gebragt door een uurwerk, waarvan de slinger zich boven de bedstede en de raderen zich tusschen twee zolders (op en onder de balken) bevinden.Het bolletje in de eerste sleuf verbeeldt de planeetMercurius, die in 88 dagen haar loop om de zon volbrengt;—dat in de tweede,Venus, de morgen- en avondster, die 225 dagen daartoe noodig heeft;—de derde cirkel is de weg, welke onzeAardein 365¼ dagen om de zon volbrengt, nevens wier bol eene kleinere deMaanverbeeldt, welke in ruim 27 dagen om deAardeen tevens om haar eigen as draait, en met de aarde eens in ’t jaar om de zon gevoerd wordt, waardoor dit maan-bolletje (dat half verguld en half zwart is) altijd de vergulden kant naar de zon gekeerd houdt;—de vierde bol is de planeetMars, met 687 dagen omloopstijd;—de vijfde,Jupiter, met 4 kleinere bolletjes, welke zijne wachters of manen voorstellen, loopt in 11 jaren en 315⅓ dagen rond;—in de zesde sleuf stelt eene bol, met een platten breeden ring omvangenen van 5 manen vergezeld,Saturnusvoor, welke in 29 jaren en 164 dagen zijn loop om de zon volbrengt;—de zevende en uiterste sleuf verbeeldt den weg van deZon, waarin een wijzer, in 365 dagen ééns rond gaande, aan de binnenzijde de teekens en graden van de lengte der zon op de ecliptica en aan de buitenzijde de maanden en dagen van het jaar en de declinatie der zon aanwijst16.—Tot aanwijzing van de beweging der Maan om de Aarde had hij verder aan den zolder twee en aan de bedschutting twee groote en vier kleine cirkels met wijzers geplaatst; waar tusschen zich in het midden gelijke aanwijzingen bevonden van den dag der week, het uur van den dag en het jaartal, alsmede van de schijnbare beweging der zon en vaste sterren. Dit laatste Hemelsplein en niet minder de Maanwijzers, die de ongeregelde beweging der maan zeer naauwkeurig voorstellen, veroorzaaktenEisingabij de zamenstelling de meeste moeite en zorg.Zoo verre was het werktuig voltooid, hoewel nog niet opgeschilderd, toen zich op den 22 Februarij 1780 onverwacht drie Franeker Hoogleeraren bijEisingaaanmeldden, hem te kennen gevende, vernomen te hebben, dat hij een aardig werktuigje had vervaardigd, hetwelk zij gaarne eens zouden willen zien. Het waren de Proff.J. H. van Swinden,G. CoopmansenE. Wigeri. Met de hem eigene bescheidenheid en nederigheid antwoorddeEisinga, dat hij niet wist of zijn werktuig de belangstelling der Heeren wel verdiende; dat het nog lang niet geheel voltooid was, waartoe hem de tijd had ontbroken, doch dat hij evenwel bereid was het hun te laten zien. Men trad de burger-woonkamer binnen, hief de oogen op, en vroeg nuen dan eenige verklaring van den maker. Wat de twee laatstgenoemde Hoogleeraren dachten en gevoelden, is ons onbekend gebleven; maar Prof.van Swinden, die elders „onderscheidene Planetaria had gezien; die dikwijls over dergelijke werktuigen had nagedacht, ja, die zelf eens eene schets van een eenvoudig Planetarium had ontworpen”,—zoodra had deze het geheel niet overzien en begrepen, of hij werd „door eene wezenlijkeverrukkingover de fraaiheid van dit kunststuk vervoerd,” en, ofschoon hij twee volle uren aan de bezigtiging besteedde, twijfelde hij nog, of hij, „door de verwondering als overstelpt, alles wel volkomen had ingezien en nagegaan.” Te huis gekomen, ging hij alles na, teekende het voornaamste op, overwoog de vereischten van zulk een werktuig, las verscheidene schrijvers, om zich van de waarde van dit Planetarium te overtuigen, en stelde eenige gedachten en vragen tot nader onderzoek op het papier. Den 13 Maart bezocht hijEisingaop nieuw in gezelschap van Prof.Schrader, Prof.Garcin, Baronvan Aylva, Do.P. Stinstraen anderen. Bij een onderzoek van eenige uren bleek hem nu, dat de eerste reis veel zijner aandacht ontglipt was, en dat het kunststuk meerdere voortreffelijkheden bezat, dan hij verwacht had. En na eene derde bezigtiging en veelvuldige inlichtingen van den vervaardiger, was „zijne verwondering,wel verrevan door den tijd te slijten, bij eene naauwkeurige kennis van het geheel, nog grooter dan zij in den beginne was.” „Verrukkend was het hem, gewaar te worden, hoe de grootste zwarigheden voor een groot vernuft als kaf verdwijnen, enhoe men,door de eenvoudigste middelen, wanneer men een daartoe geschikten geest bezit,de meest zamengestelde stukken kan vervaardigen. Naarmate hij ieder stuk in deszelfs wezenlijke waarde leerde kennen, voelde hij zijne achting voor den vervaardiger groeijen en zijne blijdschap vermeerderen, van door diens onderrigtingen vorderingen te maken in sommige deelen der werktuigkunde.”Prof.van Swindengaf zijne ingenomenheid met dit voortreffelijke kunststuk het eerst lucht, door het ontwerpen vaneene korte schets daarvan, welke hij toezond aan zijnen broeder den AdvokaatS. P. van Swindente’s Hage, alsmede aan de Akademie der Wetenschappen teBrussel, aan den PrinsVan Gallitzin, aan de beroemde geleerdenDe Luc, destijds teLonden,CotteteMontmorencienGaussenteMontpellier; en alleen gebrek aan tijd verhinderde hem vooreerst gelijke mededeeling te doen aan zijne correspondenten teParijs, tePetersburgen inDuitschland,ZwitserlandenItalië. Doch ook als burger en geleerde besefte hij zijne verpligting jegens zijn vaderland, om de verdiensten van een voortreffelijk burger en stadgenoot algemeen bekend te maken. „Wegens vindingrijk vernuft en bijzondere vermogens voor de werktuigkunde mogten toch de Friezen zich evenzeer opEisingaberoemen als de Engelschen opHarrisonenFerguson, aan wie uitstekende belooningen ten deel vielen. Dáárom en om ieder voor te lichten, die het Planetarium voortaan zou willen beschouwen en in zijne waarde leeren kennen, doch vooral, om geringschatting en verkeerde beoordeeling te vermijden,—beslootVan Swindeneene uitvoerige beschrijving van het gansche Planetarium in het licht te geven. Hij deed dit in Junij 1780 en dus nog vóór het schilderen en vergulden van het vertrek en van de voorwerpen, waarmedeEisingavan Augustus 1780 tot Mei 1781 is bezig geweest, waardoor het geheel een veel fraaijer en meer sprekend voorkomen bekwam. Hij deed dit met eene vlijt en studie, welke geëvenredigd waren aan de waarde, welke hij aan het kunststuk hechtte, en „werd daarbij veel uitvoeriger dan hij zich voorstelde, uit hoofde van het genoegen, hetwelk hem het opstellen verschafte.” Hij droeg het werkje, waarmede hij groote eer behaalde, op aan zijnen broeder bovengenoemd, die na verloop van weinige weken in persoon overkwam, om met eigen oogen het Planetarium te zien en in de bewondering zijns broeders te deelen.Naauwelijks toch was deze beschrijving in het licht verschenen, en was het algemeen op de hooge waarde van het Planetarium oplettend gemaakt, of de stille woning vanEisingawerd bijna dagelijks door een aantal personen bezocht, dat, uit nieuwsgierigheid of belangstelling, de bezigtiging kwam verzoeken. Van den 22 Februarij tot den 4 Junij was de beschouwing slechts aan een twintigtal personen, meest Hoogleeraren en Doopsgezinde Predikanten, veelal onder geleide van Prof.van Swinden, vergund geworden. Doch pas was de beschrijving in het licht, of het getal groeide dermate aan, dat van den 22 Junij tot den 31 Julij het getal bezoekers, waaronder vele aanzienlijke personen en geleerden, ruim honderd bedroeg. Hoe aangenaam deze blijken van belangstellingEisingaook waren, zij hinderden hem, omdat het werktuig zich zeer onaanzienlijk voordeed, en nog afgewerkt en geschilderd moest worden. Hij moest dus den toegang weldra een tijdlang weigeren, om zich daarmede bezig te houden. In dien tusschentijd liet hij slechts enkele personen toe. Na de voltooijing, in het laatst van Mei 1781, werd de bezigtiging weder opengesteld, en groot was van nu af aan de toeloop van beschouwers, uit alle oorden des lands. Gansche gezelschappen maakten eene afzonderlijke reis naarFraneker, om een kunststuk te zien, dat sedert als de meest bezienswaardige bijzonderheid dezer stad werd vereerd. Algemeen was de bewondering en groot de lof, welke den eenvoudigen maker daarover (vaak al te uitbundig) werd toegezwaaid, zoodat deze eerbewijzen hem dikwijls meer hinderlijk dan aangenaam waren. Vroeger had hij de namen der bezoekers aangeteekend, doch nu voerde hij het gebruik in, dat ieder bezoeker zijne handteekening zette in een eenvoudig boekje of album, hetwelk hij als herinnering bewaarde17.Een kunstwerk, dat dermate de algemeene bewondering opwekte, moest ook wel de aandacht trekken derStaten van Friesland, die weleer door zoo vele eervolle gunstbewijzen de beoefening van wetenschap en kunst in dit gewest hebben aangemoedigd18. Op den Landsdag van den 18 Julij 1783 werd namelijk voorgedragen, „dat door den VroedsmanEisingateFranekeruitgevonden en met grooten arbeid en kosten vervaardigd was een uitmuntend „Hemisphærium,” hetwelk meer wereldkundig was geworden door de beschrijving, welke Prof.van Swindendaarvan in het licht had gegeven, waardoor het de verwondering en aandacht der geleerden, zoo binnen- als buitenlands had tot zich getrokken, en hetwelk wel verdiende de zigtbare blijken van goedkeuring en deelneming der Hooge Overheid te ontvangen, opdat ook ’s Lands Universiteit aldaar in het toekomende daarvan nut en eere mogt hebben.” Voorloopig werd hierop, vooral wegens het laatst aangevoerde, besloten, daarop de consideratiën te verzoeken van de Heeren Curatoren der Hoogeschool teFraneker.Gelukkig, dat deze daarin raad en voorlichting vroegen van den man, die het meest bevoegd was, over de zaak te oordeelen. Zij vroegen de consideratiën van Prof.van Swindenen deze voldeed zeer gaarne aan hun verzoek. Bij eene uitvoerige missive (groot 17 bladz.19) beantwoordde hij den 7 September 1783 de twee vragen: „of het kunststuk de zigtbare blijken der goedkeuring en deelneming van de Regering verdiende, en of die blijken ook zoodanig zouden kunnen worden gegeven, dat ook de Universiteit er nut en eere van hebbe.” Hij stemt de eerste vraag toe,ten eersten, omdat dit Planetariumin zich zelfuitnemend en zonder weêrga is, dewijl er geen ander kunststuk bekend was, waarop de schikking, bewegingen en verschijnselen der hemelligchamen zóó talrijk, zóó zigtbaar en zóó naauwkeurig vertoond worden, gelijk bleek uit de vergelijking met andere werktuigen, en ook uit den hoogen lof, door buitenlandsche geleerden van den eersten rang, zelfs door Engelsche Journalisten, na het uitgeven van zijne Beschrijving hieraan toegekend.Ten tweeden, omdat de uitvinder eene schranderheid van geest, een vernuft en verbeeldingskracht had aan den dag gelegd, welke de meeste bewondering verdienden in eene zaak, die den oppervlakkigen beschouwer het minst in het oog valt, namelijk:de kunstige zamenstelling van het Raderwerk, dat alle en zeer ongelijke bewegingen op de eenvoudigste wijze te weeg brengt, en daardoor de meest moeijelijke bezwaren der mechanica overwonnen heeft. Ja,Van Swindenbetuigt, dat hij meermalen verstomd had gestaan bij het beschouwen van het geheele zamenstel der raderen, hoe zich in een man alsEisinga(zonder eenig onderwijs in de werktuigkunde genoten te hebben, zonder iemand of eenig boek te raadplegen, zonder te weten, dat er soortgelijke werktuigen bestonden, ja die vroeger nimmer op werktuigen had nagedacht) zich op eens een ongemeene mechanische geest heeft ontwikkeld, waarvan deze zich zelven niet bewust was. „Waarlijk,”dus besluit hij dit punt,„hoe meer ik het kunststuk beschouw, hoe meer ik de eenvoudigheid van het raderwerk en van het geheele zamenstel bewonder, en deskundigen zijn er met mij over verwonderd geweest.”—Vandaar, dat hijten derdenuitvoerig betoogt, hoe eervol het voor de Staten zoowel als voorEisingazou zijn, als hem (in navolging vanFrankrijk,Engelandenz. die uitstekende bekwaamheden erkenden en vereerden) door de Hooge Overheid ter belooning, ter aanmoediging en ter vergoeding der zware onkosten en onbegrijpelijke moeite, eene som gelds wierd toegekend, waardoor zijne verdiensten en eere als met het zegel van den Souverein bestempeld zouden worden, tot geene geringe aansporingvan vele andere Friezen, ten einde al hunne krachten en vermogens in te spannen, om den lande, de kunsten en de wetenschappen nuttig te zijn, en den roem en de eere der Friezen uit te breiden.Maar nog grooter blijk van zijne hooge ingenomenheid met het kunststuk gaf Prof.van Swinden, toen hij, ter beantwoording van de tweede vraag, niets minder voorstelde, dan om Heeren Staten te bewegen,Eisingauit te noodigen en in staat te stellen, om, tot roem en sieraad van de Akademie en van de stadFranekeren tot groot nut van de studenten, op Lands kosten in het Akademiegebouw een geheel nieuw en meer volmaakt Planetarium te vervaardigen dan dat, hetwelk hij naar de bekrompene ruimte van zijne woning had moeten schikken en niet wel verplaatst kon worden; alsmede, dat daarvan eene uitvoerige en met goede platen verrijkte Beschrijving op Lands kosten mogt worden uitgegeven; waardoor het nut daarvan voor de studerende jeugd bevorderd en de roem der Akademie, zoo als ook de milddadigheid en prijzenswaardige ijver der Hooge Overheid tot het aankweeken van nuttige kunsten en wetenschappen algemeen ruchtbaar en verspreid zouden worden.Zulk een advies van den meest bevoegden beoordeelaar was voorEisingazeker veel meer vereerend dan het Staatsbesluit, dat dien ten gevolge den 6 Maart 1784 werd genomen. Ondanks de hooge ingenomenheid van Prof.van Swindenmet het kunststuk en de krachtigste bewoordingen, om deszelfs uitstekende verdiensten aan te duiden, werd zijn laatste voorstel daarin voorbijgegaan, en, op vroeger vermelde gronden, alleen besloten: „de kundigheid en ijver vanEisingaallezins te lauderen, en hem, ten teeken van het genoegen der Staten in zijn arbeid, aan te bieden een stuk gewerkt zilvers ter zijner keuze, ter waarde van ten hoogstehonderd zilveren Dukatons” (ƒ 315).Zeker steekt het bedrag van dit geschenk „als blijk der goedkeuring en deelneming van de hooge Overheid,” sterk af bij de schatting van Prof.Van Swinden, en zouEisingadáárin en in de wijze, waarop het door hem gekozene zilverwerk (bestaandein eene koffijkan en theepot) hem, zonder eenige opdragt, toeëigening of geleide, door den knecht van een zilversmid aan hem werd bezorgd, redenen van kleinachting gevonden hebben,—indien hij mindere zelfgenoegzaamheid had bezeten, en als hij in de gansche behandeling van deze zaak niet reeds de blijken van den bekrompen geest van den toenmaals reeds smeulenden staatstwist had gemeend te bemerken, welke hem zoo zeer bedroefden, en later op zoo vele tranen kwamen te staan.Het was er verre af, datEisingamet de voltooijing van zijn werktuig, in Mei 1781, zijn arbeid als geëindigd beschouwd zou hebben. Neen, bestendig bleef hij aan de verbetering en volmaking van het geheel werkzaam. Spoedig kwam het hem beter voor, de wijzers, welke de lichtgestalten der Maan voorstellen (onder op de pilasters van de bedschutting geplaatst), nog tegen den zolder te brengen, waar meer ruimte was om de zaak naauwkeurig voor te stellen20. Daar eene verplaatsing en verschikking van het geheele raderwerk dezer beweging hieraan verbonden was, volbragt hij deze verbetering met zeer veel moeite. Doch hij zette de kroon op zijn werk, door de zamenstelling van een geschrift, dat de duurzame waarde van zijn kunststuk, ook voor het nageslacht, zou verhoogen.In November 1784 vervaardigde hij namelijk eeneNaauwkeurige Beschrijving en Afteekeningen van de uitwendige vertooning en de inwendige zamenstelling van het gansche Planetarium. Dit met zorg bewerkte geschrift (groot 100 folio bladzijden) bestemde hij voor zijne zonen, aan wie hij het opdroeg, opdat zij en hunne nakomelingen na zijn overlijden in staat mogten zijn het werktuig in orde en gangbaar te houden. In zeven hoofdstukken beschreef hij, met bijvoeging van afbeeldingen, deuitwendige vertooning en de inwendige beweging van ieder ring, rad, rondsel of as, met het getal tanden, staven en bonkels en den tijd van hunnen omloop, waartoe hij elk stuk met een nommer had voorzien; hij wees hun aan, hoe alles uit elkander genomen, hersteld en ineengezet moest worden, en onderrigtte hen omtrent het vermogen van den slinger, de kracht der gewigten, en hoe sommige gedeelten van de beweging afgesloten en het geheel door het ronddraaijen van een kruk naar verkiezing bewogen kon worden enz. Met eene bewonderenswaardige naauwkeurigheid en duidelijkheid legde hij hierin het gansche zamenstel bloot en gaf hij rekenschap wáárom hij alles zóódanig had ingerigt21. Naar deze aanwijzingen onderhouden, vleide hij zich, dat het werktuig met zeer weinig moeite en kosten gangbaar kon blijven tot eene lengte van jaren, ja van geslachte tot geslachte.Zóó waande de brave en verdienstelijke man, die nu alles meende verrigt te hebben wat in zijne magt stond, om den onafgebroken gang van zijn geliefkoosd en beroemd kunstwerk te verzekeren. Maar spoediger dan hij kon vermoeden, ja nog bij zijn leven, zou het stilstaan, om jaren aaneen als in vergetelheid weg te kwijnen. De vrede en rust, welkeNederlandbij het genot van welvaart en eensgezindheid zoo lang had genoten, waren sedert 1780 verstoord door staatkundige geschillen en burgerlijke verdeeldheden. Ten jare 1787 hadden deze het toppunt bereikt.Franekerwerd het middelpunt der beroerten, waarin de gewapende misnoegden tegen het stadhouderlijk gezag zich vereenigd hadden, enEisinga, de stille, rustige burger, bevond zich aan het hoofd der stedelijke burgermagt,dewijl hem door Magistraat en Vroedschap, bij de jaarlijksche verdeeling van de commissiën, in dát jaar de last was op gedragen van toezigt over de zaken der Schutterij. Weldra herstelde de overmagt der Pruissische troepen het stadhouderlijk gezag; het lang versterkteFranekerwerd hernomen, en—honderden Friezen vonden het geraden, huis, have en vaderland te verlaten, om alzoo door de vlugt nog grootere bezwaren te ontgaan.OokEisingadeelde in dit lot. Hoezeer zijner onschuld en goede bedoelingen bewust, moest ook hij gade en kinderen verlaten, en, van zijn geliefd Planetarium verwijderd, doelloos in den vreemde rondzwerven. Daar moest hij na verloop van weinige maanden den dood zijner beminde huisvrouw beweenen, zonder dat het hem vergund was geweest haar in de laatste ure bij te staan. De opvoeding van zijne zonen moest hij aan bloedverwanten overlaten. Zijn huis werd verhuurd, zijne meubelen verkocht, en niemand sloeg acht op het stilstaande kunststuk, om welks vervaardiging hij nog kort geleden met zoo veel lof en eere gekroond was. Een tijdlang hield hij zich teSteinforten teGronauop, gebogen onder diepe smart. TeEnschedéverzachtte de vriendschap van den bekwamenLambertus Nieuwenhuis, even als hij beoefenaar van de natuur- en wiskundige wetenschappen, in wiens familie hij gastvrij werd opgenomen, eenigen tijd zijn bijna onduldbaar lijden. In April 1790 waagde hij het,Gronaute verlaten, en overKoevordenenAssennaarGroningente wandelen, waar hij wilde rondzien naar eene gelegenheid, om zich ergens als wolkammer te vestigen. Hij meende die teVisvliet, aan de Friesche grenzen, gevonden te hebben, en mogt daar bijna een jaar lang veilig wonen en zijn beroep hervatten. Doch de vijand, waarvoor hij gevlugt was, sliep niet. In het begin van April 1791 werd hij daar namens het Hof vanFrieslandgevat, naar het Blokhuis teLeeuwardengevoerd, en, na een breedvoerig proces, op de beschuldiging, van als lid van het defensiewezen deelgenomen te hebben aan de oproerige bewegingen teFranekerin 1787, eerst den 27 April 1792 veroordeeld, om voor vijf jaren uit deze provincie te worden gebannen. Hij begaf zich toen weder naarVisvliet, en mogt daar vele bewijzen van ondersteunende hulp ontvangen en ook eene tweede gade vinden inTrijntje Eelkes Sickema, die vervolgens de steun en vreugde van zijn leven bleef en bij welke hij twee dochters verwekte.De omwenteling van 1795 maakte een einde aan zijne ballingschap. Hij kwam teFranekerterug, doch vond zijn huis verhuurd aan vreemden, zoodat hij voorloopig eene andere woning moest betrekken. Eerst in het volgende jaar keerde hij in zijn huis terug, hervatte hij zijn vorig bedrijf en werd zijn Planetarium, na een stilstand en gemis aan toevoorzigt van negen jaren, weder het groote voorwerp zijner zorgen in de uren van verpoozing. Met vernieuwden lust werd het hersteld en gangbaar gemaakt, zoodat het eerlang weder ter bezigtiging van het algemeen werd opengesteld, en op nieuw, als vroeger, talrijke belangstellende bezoekers vond22.Onder het genot van huiselijk geluk en de welverdiende hoogachting zijner medeburgers, sleetEisinganu vele rustige en gelukkige jaren. Door het algemeen vertrouwen zag hij zich met de waarneming van verschillende betrekkingen vereerd. In 1797 werd hij zelfs benoemd tot Curator van ’s lands Akademie teFraneker, en werkte hij ijverig mede tot herstel van deze beroemde Hoogeschool uit haren deerlijk vervallen toestand. Bestendig hield hij zich als uitspanning met sterrekundige berekeningen en werktuigen bezig. Hiervan getuigt nog een in zijne familie bewaard:Stereographisch ontwerp der Sterrenhemel,van de Noorderpool tot de 35 graden zuider-afwijking, vanJ. E. Bode,voor het gebruik gemakkelijk gemaakt. Hiertoe had hij deze kaart op eene draaijende schijf geplakt en van een rand voorzien, waarop de maanden en dagen uitgedrukt zijn. Daar vóór is een glas, waarop de horizont, de hoogte, de cirkels en 16 kompasstreken zijn getrokken; alles zeer geschikt, om op een bepaald tijdpunt den stand der vaste sterren te kunnen voorstellen23.Het laatste stuk, door hem uitgedacht en geteekend, was een kleinPlanetarium, waarop de loopbanen van Mercurius, Venus, de Aarde met de Maan, Mars, Jupiter en Saturnus waren geplaatst in hare betrekkelijke afstanden van de Zon, waarvan de bijzonderheden in hetAanhangseltot de Beschrijving zijn medegedeeld.Zijne bestendige zucht, om het Planetarium van tijd tot tijd te verbeteren, werd gevoed door een heimelijken wensch, welke steeds zijn geest vervulde en scherpte. Het was de hoop, dat het hem in de kracht zijns levens mogt gebeuren, zich in de gelegenheid gesteld te zien, om (zoo als Prof.van Swindenhet eerst had voorgesteld) ergens elders op grootere schaal een veel volmaakter Planetarium zamen te stellen, waartoe hij al de vereischte berekeningen gemaakt en de ontwerpen gereed had. Hij had dien wensch meermalen te kennen gegeven, en zelfs eenmaal, als balling, zich tot de uitvoering daarvan aangeboden, slechts tot den prijs van vrij en veilig in zijn vaderlijk gewest te mogen wederkeeren; maar te vergeefs24.Die hoop werd verlevendigd, toen de voortreffelijkeGerrit Hesselink, Hoogleeraar bij de Doopsgezinden teAmsterdam, het Planetarium in Augustus 1800 met zóó veel belangstelling en bewondering bezigtigde, dat hij zich opgewekt vond, in de maatschappij:Felix Meritisdaarover eene verhandeling voor te dragen. Deze had ten doel, om genoegzame belangstelling te verwekken, datEisingauitgenoodigd zou worden, om, op kosten en in het gebouw dier Maatschappij, zulk een kunstwerk met alle gewenschte verbeteringen te vervaardigen. Die wensch werd ondersteund door den achtenswaardigen kunstminnaarJ. d’AmourvanAmsterdam, die, in dezelfde maandEisingabezoekende, hem diep getroffen zijne bewondering en dank betuigde, en eene som van duizend guldens aanbood, indien men kon besluitenEisingauit te noodigen, inAmsterdameen dergelijk Planetarium te vervaardigen. Doch ook deze zaak had geen gevolg.Nog krachtiger werd die hoop verlevendigd, toenEisingain 1808 een bezoek ontving van den Admiraalde Winter,Marschalk van Holland, zoo als hij zich in het album betitelde. Na met zijn gevolg het kunststuk met ongemeene deelneming bezigtigd te hebben, was hij voornemens, omKoningLodewijk, bij zijne voorgenomene reis naarFriesland, de zaak met zoo veel aandrang voor te dragen, dat de Vorst overgehaald wierde, om het vervaardigen van een vollediger Planetarium en Hemisphærium, in het gebouw der Franeker Akademie of elders, aanEisingaop te dragen. Mogt hij hierin niet slagen,dan hoopte hij dit plan door vereenigde krachten van vele beminnaars der wetenschappen en het vaderland te verwezenlijken. Doch weder te vergeefs: de reis des Konings had geen voortgang, en latere gebeurtenissen bragten dit plan in vergetelheid. Dáárom is het bijzonder vreemd, dat bij al de bemoeijingen van het toenmalig bewind, om verdiensten en talenten op te sporen en aan te moedigen, waaraanArjen Roelofs,Sieds Johannes RienksandBauke Eisma van der Bildteereblijken en onderscheidingen te danken hadden,Eisingawerd voorbijgegaan, en dat hij zelfs niet genoemd werd in het bekende verslag van den HeerJ. Meerman, Directeur-Generaal der Wetenschappen en Kunsten, van Zomermaand 181025.Welverre dat ditEisinga, die in zedige nederigheid en zelfgenoegzaamheid zijne grootheid zich zelven bijna onbewust was, zou gekrenkt hebben. Maar aangenaam was het hem nogtans, na de heugelijke herstelling des vaderlands, in Februarij 1816 vereerd te worden met de benoeming totBroeder der orde van den Nederlandschen Leeuwen in dat zelfde jaar totLid van den Stedelijken Raad;—datKoningWillemI, die hem eerstgenoemde onderscheiding toekende, metPrinsFrederikder Nederlandenden 30 Junij 1818 zijn Planetarium met een bezoek vereerde, en zich alles tot in de minste bijzonderheden liet aanwijzen, waarbij beide vorsten de moeite niet schroomden, om in de enge ruimte van het raderwerk te kruipen, vooral om de ongelijke bewegingen der maanwijzers te bezigtigen;—dat ook deKroonprins, laterWillemII, hem den 29 Julij 1820 met gelijke belangstelling bezocht, en dat Mr.Jacobus Scheltemain 1818 zijne verdiensten openlijkin het licht stelde door de uitgave van zijne Levensbeschrijving26.Niet minder verblijdend was het voorEisinga, in 1824 eenherdrukvanvan Swinden’sBeschrijving van zijn Planetariumte beleven. De geleerde en smaakvolleJan Brouwer, rustend leeraar bij de Doopsgezinden teLeeuwarden, leidde deze nieuwe uitgave bij het publiek in met eene uitvoerigeVoorrede, welke sommige levensbijzonderheden vermeldde en van zijne warme ingenomenheid zoowel metEisingaenVan Swindenals met beider arbeid getuigde. De belangrijkheid van dezen druk werd verhoogd, eensdeels door de bijvoeging van drie groote platen, het vertrek, de zoldering en de bedschutting voorstellende, doorEisingaen zijnen vriend, den schranderenKlaas Johannes Sannes, in 1820 geteekend en nu in het koper gebragt; en anderdeels doorBijvoegselsvanEisingazelven, bevattende eene opgave van de veranderingen en verbeteringen, welke het kunststuk sedert 1780 had ondergaan, benevens eene beschrijving van de platen. Hij voegde daar achter nog eenAanhangselbetrekkelijk het kleinePlanetarium, door hem uitgedacht en geteekend, en doorWillem Jans Jansen, landbouwer teDongjum, in hout vervaardigd. Bovendien werd deze uitgave versierd met het welgelijkend afbeeldsel van den eerbiedwaardigen grijsaard, door gemeldenK. J. Sannes, graanhandelaar teFraneker, geteekend en door Do.J. Brouwermet een gepast bijschrift voorzien.Was het getal bezoekers van het Planetarium in de laatst voorgaande jaren reeds aanmerkelijk toegenomen, nog meerwas dit het geval, nu de herdruk vanVan Swinden’sBeschrijving(waarop ruim 200 personen hadden ingeteekend) in veler handen was gekomen en de algemeene aandacht op nieuw op het kunststuk had gevestigd. Streelend was het denwaardigenman, bij voortduring en als bij toeneming zoo vele blijken van belangstelling te ontvangen. Deze waren ook inderdaad een opmerkelijk verschijnsel. Het tijdstip der uitvinding was ter bevordering van den bijval zeer gunstig geweest. Immers, in het midden der 18eeeuw had de beoefening van de natuurkundige wetenschappen, in het algemeen en in vergelijking van andere tijdvakken, in een staat van kwijning verkeerd. ’t Was toen de gouden eeuw van natuurkundige aardigheden, derphysique amusante. Maar die wetenschappen, en met name de sterrekunde, herleefden op het laatst dier eeuw met nieuwe kracht. Demécanique célestewerd beoefend en gaf aan de sterrekunde eene nieuwe rigting en hoogere vlugt. De eischen der wetenschap waren strenger, de kunst van waar te nemen was eene moeijelijke taak geworden, naarmate het veld der beschouwing zich meer uitbreidde. Want belangrijke en talrijke ontdekkingen volgden elkander op. Deze vingen aan met den jare 1781 en hielden sedert niet op, zoodat er in de jongst verloopene 70 jaren alleen 13 nieuwe planeten zijn ontdekt geworden. Het jaar 1780, waarinVan Swindenschreef en den naam vanvolledigPlanetarium aanEisinga’s kunstwerk gaf, was alzoo het laatste jaar, waarop dit van eenig dergelijk werktuig gezegd kon worden. ’t Was vervolgens toch bijna niet mogelijk, den zoo ver verwijderden nieuweling Uranus op behoorlijken afstand in het gelid der oude planeten te brengen, en nog minder de in het begin dezer eeuw ontdekte vier nieuwe planeten, wier loopbanen elkander doorkruisen en omslingeren. Toen hielden alle nabootsingen van het planetenstelsel, zouden ze den naam vanvolledigdragen, voor altijd op, en waren de bestaande planetaria zeer onvolledig geworden. Ook om die reden was hunne waarde in het oog van kenners zeer gedaald, en die zelfde reden was eenehinderpaal te meer geweest, omEisingatot de vervaardiging van een Planetarium op grootere schaal in staat te stellen.De blijken van duurzame belangstelling, welke het Planetarium vanEisinga, in weerwil van dat alles, mogt ondervinden, waren eensdeels gegrond op den roem, dien het eens bij zijne voltooijing had verworven, en anderdeels op het mechanisme van den toestel, dat altijd belangstelling en bewondering zal verdienen. Doch het is alsof hetalgemeen, boven de hulde van eerbied voor zulk een kunstgewrocht van menschelijke kennis en bekwaamheid, dit Planetarium nog eene schatting van dankbaarheid toebrengt voor de diensten, welke het eens dervolksverlichtingheeft bewezen. Door dit middel van astronomische verzinnelijking toch heeft het stelsel vanCopernicusbij het publiek gereeder ingang gevonden, is het een volksgeloof geworden en heeft het wanbegrippen verdrongen. En thans, nu het vroegere bijgeloof aangaande de betrekking der aarde tot zon en planeten geweken is, zijn de aanwijzingen van het Planetarium in volkomene overeenstemming met hetgene ieder geleerd heeft en ieder gelooft; thans is de vatbaarheid van het algemeen meer dan vroeger geschikt om de voorstelling te begrijpen, en de hooge waarde van het kunstwerk op prijs te stellen.De kalme tevredenheid vanEisingawerd echter soms verstoord door eene grievende gedachte. Het was de vrees voor het lot van zijn geliefd kunstwerk na zijn verscheiden. Dat zijn huis dan verkocht en door vreemden bewoond zou worden, die, minder achting voedende voor kunst en wetenschap, een stuk van zooveel waarde, door stilstand en roest, zouden laten bederven, en, eenmaal verwaarloosd zijnde, eens zouden kunnen sloopen,—dit was eene mogelijkheid, waaromtrent hij, blijkens de ervaring gedurende zijne verbanning, de zekere verwachting moest voeden. Vele bezoekers deelden in die vrees, en gaven hun verlangen te kennen, dat het op eenige wijze voor kunst en wetenschap bewaard en in stand gehouden mogtworden. In genoemde voorrede had Do.Brouwerop zulk een gevreesd verlies, dat tot oneer en schande vanFrieslandenNederlandzou strekken, gewezen en de hoop gevoed, dat de grootmoedige belangstelling van den Koning het behoud van het kunststuk ten algemeenen nutte mogt verzekeren.Die wenk ging niet verloren. Jhr.Idsert Aebinga van Humalda, zelf smaakvol beoefenaar en nog grooter beschermer van kunst en wetenschap, was destijdsGouverneur van Vriesland. Door zijne bemiddeling behaagde hetKoningWillemI, bij besluit van den 28 December 1825, het Planetarium voor het Rijk aan te koopen. Groot was de vreugde van den waardigen grijsaard over deze eervolle beschikking. Op den 4 October 1826 begaf de Gouverneur met een Notaris en twee getuigen zich naar de woning vanEisinga, en werd daar de acte van transport geteekend, waarbij hij zijn Huis en Planetarium voor de som vantien duizendgulden aan het Rijk overdroeg, met bepaling, dat hem daarin vrije woning en 200 Gld. ’s jaars voor het toezigt werd toegekend, al hetwelk vervolgens op zijnen zoonJacobus Eisingazou overgaan. Daarbij werd het oppertoezigt aan den tijdelijken Hoogleeraar in de Astronomie aan ’s Rijks Athenæum teFranekeropgedragen. Niet lang daarna heeftEisinga, de vader, een naburig huis betrokken, en de zoon het huis van het Planetarium.Zóó was dan de langgevoede vrees geweken en het voortdurend bestaan van het kunststuk ten algemeenen nutte verzekerd. Zóó waren dan bijna al de wenschen vanEisingavervuld, en kon de 81jarige man de ure der ontbinding met gerustheid tegengaan. Hij had nu geene wenschen meer, daar hij deze koninklijke gunst als de hoogste hulde beschouwde, welke hem en zijn kunstgewrocht bij zijn leven kon worden toegebragt.Niet alzoo oordeelden zijne stadgenooten, wier Regering reeds lang gepeinsd had op het meest gepaste middel, om den grijsaard, nog bij zijn leven, een blijk te geven van hunne hoogachting en vereering. Mr.J. Scheltemahad daartoe in 1818reeds een wenk gegeven, en gewenscht, dat men zulk een bewijs van belangstelling, deze hulde van dankbaarheid en eerbied, niet zou verschuiven tot na ’s mans overlijden, maar hem zelven nog mogt toebrengen, ten einde ook daardoor den stillen avond van den welbesteden dag des levens te veraangenamen en te verhelderen. Het geviel dan, dat de Burgemeester vanFraneker, namens den Stedelijken Raad, daarover kwam spreken met den Gouverneur, Jhr.Aebinga van Humalda. Deze vernam dit oogmerk met veel genoegen, en keurde het niet alleen volkomen goed, maar trachtte het bezwaar, omtrent het vinden der kosten, in eens op te heffen, door te bepalen, dat de hulde aanEisingazou toegebragt wordendoor de stad Franeker, doch dat hij, als oudste vriend, dorpsgenoot en schoolmakker en niet minder als vereerder van den grijsaard, verzocht of aanbood, om uit zijne eigene fondsen de kosten daarvan te dragen27.Volgaarne werd dit aanbod aangenomen, en bepaald, dat het blijk van vereering zou bestaan in de vervaardiging van een afbeeldsel vanEisinga, hetwelk geplaatst zou worden in de Raadzaal van het Stadshuis teFraneker. De uitvoering daarvan werd opgedragen aan den beroemden schilderWillem Bartel van der Kooi, den veeljarigen vriend en vereerder vanEisinga, die nu al de kracht van zijn uitstekend kunsttalent scheen te ontwikkelen, om de waarde van dit gedenkstuk te verhoogen. In een levensgroot kniestuk stelde hij dengrijzen denker voor, gezeten in een leuningstoel aan eene tafel, waarop de door hem vervaardigde teekening ligt van de groote zon-eklips van den 7denSeptember 1820; terwijl het kleine Planetarium ter linkerzijde nevens hem staat en de achtergrond de afbeelding bevat van de kamer, waarin zich het groote Planetarium bevindt, welks stand juist die is van den 10denApril 1827. Dit uitvoerig en meesterlijk behandelde tafereel werd gevat in een eenvoudig schoone lijst, waarboven de smaakvolle schenker de volgende kernachtige woorden vanHoratiusliet plaatsen:ARCES ATTIGIT IGNEAS.Hij bereikte de vurige kasteelen des lichts.Dit kostelijk gedenkstuk was aanEisingaen aanFranekertoegedacht; en de 13deNovember 1827, de dag, waarop het hem zou worden toegeëigend, was een feestdag voor deze stad. Nadat de schilderij was opgehangen, vergaderde de Stedelijke Raad, waartoe ookEisingabehoorde. Door eene commissie, bestaande uit de heeren Dr.J. Bangaen Mr.J. W. de Crane, werd nu Jhr.I. Aebinga van Humaldaafgehaald en binnengeleid, waarna hij het pronkstuk, dat, nu ontdekt, zich in al zijn glans vertoonde, ten geschenke aanbood, ten einde der Raadzaal tot een blijvend sieraad en den grooten man ten duurzaam vereerend gedenkteeken voor tijdgenoot en nakomeling te strekken. Hij deed dit met de volgende hartelijke en schoone toespraak:„Edel Achtbare Heeren! Toen ik ruim een jaar geleden uit den mond van den Heer Burgemeester uwer stad het voornemen van UEA., om een duurzaam en openlijk blijk van achting en hulde aan uwenEisingaen diens schrander vernuft daar te stellen, mogt vernemen, moest natuurlijk bij mij de wensch ontstaan, om ook het mijne daartoe aan te brengen. Niets konde mij derhalve welgevalliger zijn, dan dat UEA. het voorstel, te dien einde door mij aan Zijn Ed. gedaan, gereedelijk tot mijne blijdschap geliefdet aan te nemen.Immers, ik herinnerde mij met een dankbaar gevoel aan degelukkige jaren, welke ik ten tijde van een vorig geslacht aan de vermaarde Hoogeschool in deze stad doorbragt, werwaarts men niet alleen uit alle hoeken van onsNederland, maar uit de verste streken vanEuropaen andere werelddeelen opkwam, om wetenschap te halen; en waar ter plaatse de geleerdheid zich nog boven het lot der tijden moedig blijft verheffen.Ik dacht aan de gelegenheid, welke mij nog eens hierdoor stond geboren te worden, om te toonen, hoe zeer mij alles, wat den roem van onsFrieslandverhoogt, steeds ter harte gaat: een roem, waaraanFranekerzoo rijkelijk toebrengt.Ik beschouwde het oogenblik als met verlangen, wanneer ik uwe Stad, plegtig en hartelijk, de verzekering van de hooge achting zoude geven, welke mij bezielt. Maar waartoe deze verzekering? Het is U, Mijne Heeren! bekend, wat ik gedaan heb ter bevordering van hare belangen.28Ontvangt dan, Edel Achtbare Heeren! dit geschenk van mijne hand tot een aandenken van mijne erkentelijke genegenheid. Dat het uwe Raadzaal versiere, en dat elk aanschouwer den grooten man bewondere en eerbiedige! Een bijzonder genoegen intusschen is het mij, U,Eise Eisinga! hier te kunnen begroeten. Gij zult in de hulde, U nu toegebragt, geen ijdel droombeeld, zoo als trotsche grooten gewoon zijn aan te nemen, vinden. Neen, maar uwe nederigheid zal er toch wel in willen opmerken, eene innige begeerte van uwe stadgenooten, om, nog lang na dezen tijd, het levendig Afbeeldsel van eenen beminden en waardigen Medeburger te bezitten.Ik huldig U met eerbied, en ben grootsch op U, als mijn dorpsgenoot en schoolmakker van vroegere jaren. Uw leven blijve nog lang gespaard, totdat gij het geluk zult deelachtigworden van het groote werk der schepping in al zijn omvang van nabij te beschouwen!In het algemeen, Mijne Heeren! ik bedank U voor de menigvuldige blijken van welwillende genegenheid en vertrouwen aan mij bewezen; ik bewaar die in mijn hart, en ik zal mijne achting voor U voegen bij die, welke gij met regt van uwe ingezetenen ontvangt.Het ga uwe stad altijd voorspoedig!Wel mogen ze varen, die haar beminnen!”Deze treffende toespraak van den grijzen staatsman werd namens den Raad, met welmeenende betuigingen van erkentelijkheid beantwoord door den Burgemeester I.de Swart, die Jhr.van Humaldaen den geheelen Raad vervolgens te zijnen huize onthaalde, en allen eene aangename gelegenheid schonk, om dezen feestdag verder door te brengen in gezellige vrolijkheid, vol gevoel van eerbiedige dankbaarheid jegens den edelen FrieschenMaecenasen van hartelijke deelneming in de bedaarde vergenoegdheid des braven grijsaards, die dezen dag onder de gelukkigste zijns levens telde.29Dat leven vanEisinga, zoo rijk aan zorg en inspanning, maar nog rijker aan wetenschappelijk genot, aan eerbetoon en aan de volkomenste bevrediging van al zijne billijke wenschen en verwachtingen, spoedde nu weldra ten einde. Zacht ontsliep hij in den morgen van den 27stenAugustus 1828, den ouderdom van 84 jaren en 6 maanden bereikt hebbende. Naarzijne begeerte werd zijn stoffelijk deel op het kerkhof van zijne geboorteplaatsDronrijpin de ouderlijke grafstede begraven.Die rustplaats werd weder gedekt met den zelfden steen, welke het vroeger vermelde grafschrift zijns vaders bevatte. Vreemd was het echter, dat men bleef verzuimen, daarbij een tweede grafschrift voor zijn grooten zoon te voegen. Het plan van Jhr.van Humalda, om hierin te voorzien, bleef ten gevolge van zijn overlijden, in 1834, onvolvoerd30. Nog in 1841 uitte Prof.de Craneden wensch, dat dáár eerlang een eenvoudig schoon gedenkteeken den wandelaar aan zijne rustplaats en zijne verdiensten mogt herinneren. Het was voor het Friesch Genootschap van geschied-, oudheid- en taalkunde bewaard, dit verzuim te herstellen, en der nagedachtenis vanEisingaeene hulde toe te brengen, waarop zijne verdiensten regt hadden. Op voorstel van den heerJ. van Leeuwenwerd dan op den 12denApril 1845, nadat op de vermelde grafzerk alleen den naam tot herkenning was gesteld, in den muur der schoone dorpskerk vanDronrijp, naast den hoofdingang en nevens het familiegraf, een groote steen geplaatst, bevattende tusschen eenvoudig lof- en lijstwerk het volgende opschrift:HuldeaanEISE EISINGA,uitvinder en vervaardiger van hetberoemdPLANETARIUMte Franeker;geboren te Dronrijp den 21 Februarij 1744,overleden te Franeker den 27 Augustus 1828,op dit kerkhof begraven;toegebragtdoorhet Friesch Genootschap vanGeschied-, Oudheid- en Taalkunde,MDCCCXLIV.Ik heb hiermede de voorgestelde taak, zoo kort en zakelijk als mij moogelijk was, ten einde gebragt31. Baart het altijd een groot genot, wanneer het ons vergund wordt de verdiensten van een groot man in het licht te stellen en zijner nagedachtenis de hulde onzer vereeniging toe te brengen,—hier ging de vermelding vanEisinga’s leven gepaard met de herinnering aan mannen, wier nagedachtenis mij dierbaar is als het onvergankelijke gevoel van vriendschap en geestverwantschap. Ja,HumaldaenDe Crane,Brouwer,SannesenVan der Kooi, ook zij, dieEisingaom strijd hunne hulde bragten, hebbenFrieslandtot eer en roem verstrekt, en wij, die met allen vriendschappelijk hebben omgegaan en thans tot hunne nakomelingschap behooren, hebben de denkbeelden engevoelens van die grijsaards opgevangen, om die onder een volgend geslacht voort te planten. Onbepaald was hun eerbied en lof voor het kunstgewrocht vanEisinga; maar zij paarden daaraan eene wijze voorzigtigheid of voorzigtige wijsheid, die ook wij niet onopgemerkt moeten laten, willen wij hem naar waarheid vereeren en niet door overdreven lof onteeren. Mogten zij het al betreuren, dat de éénige wensch vanEisingaonvervuld was gebleven, om elders een meer volkomen Planetarium te stichten; zij verloren, evenmin alsVan Swinden(vooral aan het slot der Opdragt), uit het oog, dat voor zijn persoon en dit kunstwerk de grootste eer dáárin was gelegen: dat hij, onder ongunstige omstandigheden en met zeer beperkte middelen, een grootsch doel had weten te bereiken;—en bijzonder, dat bekrompenheid van tijd en vooral van ruimte, bij den ongeschikten toestand van zijn huis, zijn geest gescherpt en een vernuft en bekwaamheid ontwikkeld had, welke, in de vinding en schikking der stukken en de hoogste eenvoudigheid der uitvoering, groote bezwaren hadden overwonnen. Dáárdoor toch had hij blijken van een bijzonder genie voor de werktuigkunde gegeven en de meeste bewondering verworven. Die opvatting werd steeds te veel uit het oog verloren; en daarom zouEisingazijne eer weinig vermeerderd hebben, al had hij ook later elders het volkomenste Planetarium op de grootste schaal mogen tot stand brengen. Eene andere opvatting bedreigde zelfs de wetenschappelijke beoefening van de sterrekunde inFrieslandmet eene verkeerde rigting. Want vele begaafde liefhebbers, vele bewonderaars van den sterrenhemel, dieEisinga, op grond van den roem van zijn Planetarium, voor een groot Astronoom hielden, werden daardoor in den waan gebragt, dat het vervaardigen van een dergelijk werktuig de schoonste eerekroon voor den sterrekundige ware. Naar de eer jagende, welke zij van eene zoodanige zamenstelling verwachtten, verspilden zij alzoo tijd en vermogen, en sloegen zij den weg niet in, die deeenigeis, welke tot de sterrekunde leidt. Verscheidene, anders verdienstelijke personenzou ik kunnen noemen, die op deze misvatting schipbreuk hebben geleden, en daardoor verzuimden kunde en waarneming vruchtbaar te maken aan de wetenschap, waartoe bij zoo velen in deze provincie werkelijk de aanleg aanwezig is.Eisinga’s kunstgewrocht heeft nu langer dan 70 jaren een gunstigen invloed gehad op veler duizenden voorstelling van den loop der hemelligchamen. Dat het dien invloed duurzaam behouden en geene verkeerde opvatting of naijver opwekken moge, is mijn hartelijke wensch. Ook daarom nam ik gaarne laatst vermelde aanmerking op, welke mij is medegedeeld door dien geachten deskundige, welke mij ook door zijne hulp en raad bij de bezorging van dezen derden druk verpligt heeft, doch die verlangde daarbij niet genoemd te worden. Op ons allen rust toch de dure verpligting, omEisinga’s eer en roem duurzaam tegen miskenning en overdrijving te handhaven en die in het belang der wetenschap te heiligen voor volgende geslachten.Leeuwarden,den 5 Januarij 1851.W. EEKHOFF.
HET LEVENVANEISE EISINGAENBEKNOPTE GESCHIEDENISVAN ZIJNPLANETARIUM.Zoo dikwijls er sprake was van verdienstelijke mannen, die, wars van praalzucht, in stille nederigheid wegschuilen, pleeg de hoogbejaarde ProfessorVan Swindenzijnen vrienden dikwijls te verhalen, dat hij, omstreeks 40 jaren te voren, Hoogleeraar zijnde teFraneker, vernomen hebbende, dat er bij een burgerman aldaar een aardig werktuigje was te zien,—in eene soort van verrukking viel, toen hij daar op eens een volledig en gangbaarPlanetariumvoor zich zag, waarvanEuropade weergade niet toonen kon;—een kunststuk, door een eenvoudig wolkammer in de snipperuren van zes jaren geheel in zijne eenigheid voltooid, zonder dat hij of zijn collegaYpeij, als Hoogleeraren in de Natuur-, Wis- en Sterrekunde, of iemand der andere Professoren, die in deze kleine Akademiestad slechts eenige schreden verder woonden, iets van ’t werk geweten hadden, veel minder geraadpleegd waren1.Sedert die verrassende ontmoeting bezocht Prof.Van Swindenbij herhaling het Planetarium; hij onderzocht het in al zijne deelen en bestudeerde al de vereischten van zulk een werkstuk. Met elk bezoek steeg zijne bewondering van het werktuig en zijn eerbied voor den verdienstelijken vervaardiger, en het was dáárom, dat hij zich gedrongen gevoelde, hiervan eene uitvoerige beschrijving in het licht te geven, ten einde der wereld te toonen, welk overheerlijk schoon en voortreffelijk kunststuk zamengesteld was door een eenvoudig burger, wiens vernuft en bekwaamheden aanspraak hadden op roem en vereering.Zeventig jaren zijn er thans (in 1850) verkopen, sedertVan Swindendeze Beschrijving uitgaf. Voorzeker heeft hij daarmede zijn doel bereikt: want binnen- en buitenlands werd de hooge waarde van dit Planetarium erkend; duizenden, en daar onder de aanzienlijkste, zelfs vorstelijke personen, kwamen het beschouwen en bewonderen, en ver boven verwachting waren de eerbewijzen, welkeEisingadaarvoor bij zijn leven en ook na zijn overlijden ontving. Maar opmerkelijk is het vooral, dat—in weerwil der vorderingen van de kunsten en wetenschappen in die zeventig jaren; in weerwil de werktuigkunde inEngeland,DuitschlandenFrankrijksedert zulke reuzenschreden heeft gemaakt en de sterrekunde door talrijke nieuwe ontdekkingen en grondiger onderzoek in omvang en gewigt zeer is toegenomen,—dat dit Planetarium, én als vrucht van wetenschappelijk onderzoek én als kunststuk der werktuigkunde, nóg zijne waarde heeft behouden en door geen ander voortreffelijker werkstuk van dien aard is overschaduwd geworden. Aangenaam zijn daarom de belangstellende bezoeken, welkeFraneker(na bijna alle sporen van zijne vroegere wetenschappelijke grootheid verloren te hebben) nog bestendig van landgenooten en vreemden mag ontvangen, als eene hulde aanEisinga’s kunstgewrocht, hetwelk ook door de Friezen steeds op hoogen prijs wordt geschat. Daardoor is het mede noodzakelijk geworden, eenderden drukter perse te leggen vanVan Swinden’sBeschrijving, welken wij thans onzen landgenootenaanbieden. Wij wenschen dit te doen naar de behoeften van onzen tijd2. Wij durven toch vertrouwen, dat allen, die belang stellen in de beschrijving van het werktuig, behoefte zullen hebben om te weten: door wien en onder welke omstandigheden het werd vervaardigd; welke gevolgen daaruit voor den vervaardiger zijn voortgesproten; hoedanig zijne lotgevallen zijn geweest; welke veranderingen het Planetarium sedert 1780 heeft ondergaan, en welke verder de voornaamste omstandigheden en gebeurtenissen zijn geweest, die daarop betrekking hadden.Door de volgendeLevensschets vanEisingaenBeknopte Geschiedenis van zijn Planetarium(beide zoo naauw met elkander vereenigd) hopen wij aan die behoefte te voldoen, en daardoor tevens op nieuw een blijk te geven van onze zucht, om Frieslands roem in kunsten en wetenschappen, waartoeEisingazoo veel heeft bijgedragen, te bevorderen3.—Slaan wij vooraf het oog op zijne tijd- en kunstgenooten.Meermalen is het opgemerkt, dat in der Friezen aard eene bijzondere neiging ligt voor de beoefening van de mathematischewetenschappen in het algemeen en voor die van de Sterre-, Meet- en Werktuigkunde in ’t bijzonder. De laatste drie eeuwen hebben daarvan talrijke voorbeelden gegeven, waarvan vele vermeld zijn in de bekende Redevoering van den HoogleeraarC. Ekama4. Welligt was er echter geen tijdperk rijker in het voortbrengen van zoodanige vernuften dan de laatste helft der vorige eeuw. De langdurige vrede, rust en welvaart, die van 1713 tot 1780 bijna onafgebroken werden gesmaakt, gaven aanleiding, dat velen voedsel voor den geest zochten in die degelijkestudiën, waartoe, behalve gezond oordeel, geschiktheid tot afgetrokken nadenken met de zucht om naauwkeurig te toetsen en te overwegen, en niet minder volharding vereischt worden:—eigenschappen, welke in vele Friezen van den echten stempel voorzeker in hooge mate worden aangetroffen. Opmerkelijk is het tevens, dat de neiging tot gezegde studiën het meest gevonden werd bij lieden uit den eenvoudigen burgerstand of bij landbouwers, die in hun bedrijf ter naauwernood eenige aanleiding schijnen te vinden, om zich juist op die vakken toe te leggen. Misschien werkte het voorbeeld en onderwijs van den beroemdenWillem Loré, die teLeeuwardenin een Weeshuis was opgevoed en zich door groote mathematische bekwaamheden tot buitengewoon Hoogleeraar teFranekerwist te verheffen, nog lang na zijn dood (1744) op velen gunstig voort5. Evenwel is het bekend, dat de meeste der volgende Wis- en Werktuigkundigen weinig of geen onderwijs van anderen genoten, maar zich door de kracht van huneigen genie en door volhardende inspanning uitstekende bekwaamheden verwierven.TeLeeuwardenhad de bekende Hortulanus van Prinses Maria Louisa,Johann Hermann Knoop, die in verschillende vakken een aantal werken heeft uitgegeven, reeds lang onderwijs in de Wiskunde, gelijkHayke HaanstravanBuitenpostin de Rekenkunde gegeven, toen de timmermanWytse Foppes Dongjuma, naar zijne geboorteplaatsDongjumbijFranekerdus genoemd, onder begunstiging van genoemde Prinses, zich hier nederzette, als Mathematisch Instrumentmaker, Landmeter en Wijnroeijer. In 1763 vervaardigde hij een toestel, door hemMagnetimetergenaamd, en gaf verscheidene grondig bewerkte schriften in het licht. Hij vormde een kring van leerlingen, met wie hij vele sterrekundige waarnemingen deed. Van sommigen hunner, alsJarich Tjeerds,A. PosthumusenH. Balk, zijn nog mathematische geschriften in de Bibliotheek dezer stad voorhanden. De onderwijzerTjeerd Ringneerymaakte zich door zijne handboeken voor het boekhouden en den graanhandel verdienstelijk (1763). De schilderRienk Jelgerhuisbeoefende mede de Wiskunde, blijkens zijneAanmerkingen op de Perspectiva vanCaspar Philips(Leeuw. 1769).Luitjen F. Wiersma, vanWartenageboortig, had reeds in 1754 (teDokkumwonende) eeneWiskunstige Arithmeticauitgegeven, toen hij zich in 1777 teLeeuwardenvestigde, waar hij twee jaren later gevolgd werd door den bekwamenLucas Oling, van Weender geboortig, door zijn belangrijkRekenkundig Exempelboekvermaard. Grooten naam verwierf zich medeMattheus Siderius, die als Luit. Kol. en Ingenieur der V. Ned. in 1781laThéoriede la Fortificationen in 1784Gronden der Vestingbouwkundeuitgaf, enJ. W. Karsten, die in 1797 teLeidenmet goud bekroond werd als schrijver eenerHandleiding tot de kennis der Meetkunde.Ook aan de eertijds bloeijende Akademie teFranekervond de Wis-, Natuur- en Sterrekunde in dit tijdvak ijverige beoefenaars in de HoogleerarenAnthonius Brugmans, vanHantum,Van Swinden,Nicolaas YpeijvanBergum,Jacobus Pierson Tholen, vanLeeuwardenenAdolphus Ypeij, vanFraneker. Aan deze Akademie waren mede verbonden, als HortulanusDavid Meese, vanLeeuwarden, bijzonder door kruidkundige schriften vermaard, enJan Pieters van der Bildt, vanL. Vrouwe-Parochie, als Amanuensis en verzorger der verzameling physische instrumenten; een man van geringe afkomst, die eerst door het maken van uurwerken en daarna van optische instrumenten zich zeer verdienstelijk gemaakt en een grooten naam verworven heeft, daar vooral zijne teleskopen lang op hoogen prijs werden geschat. In genoemde betrekking werd hij in 1791 opgevolgd doorSybrand Taekes van der Fliet, vanFraneker, die lang trekschipper was, doch door vlijt en inspanning, ten gevolge der verkeering met de zonen vanVan der Bildt, het zoo ver bragt, dat ook hij optische en andere instrumenten vervaardigde. Bij zijn dood in 1806 werd hij opgevolgd doorBauke Eisma van der Bildt, vanFraneker, die, als bekwaam werktuigkundige, den naam zijns grootvaders ophield en eene menigte teleskopen, kijkers en andere werktuigen heeft vervaardigd, welke algemeen geacht zijn6. Bovendien waren er destijds in den eenvoudigen burgerstand teFranekerverscheidene personen, die voor zich zelve de mathematische wetenschappen beoefenden, en van wie dus weinig meer dan hunne namen bekend is. Deze warenWillem Wytzes,Douwe Wytema,Dirk Dodenga,Marten ClaverenPieter Idserds Portier, die tevens als een zeer bekwaam teekenaar van schepen en landschappen bekend is. Nog wasWouter Martens van der Werff, vanWoudsendgeboortig, daar als leermeester in de Wis- en Sterrekunde zeer geacht; terwijlPibo Steenstra, de zoon van een tigchelaarsknecht, het geluk had, opgemerkt te worden door Prof.Ypeij, die zijn gunstigen aanleg dermate ontwikkelde, dat hij als Lector in de Wis-, Zeevaart-en Sterrekunde teAmsterdam, verscheidene goede leerboeken uitgaf, welke bij het publiek lang grooten bijval vonden. Ook de scheikundigeBoudewijn Tieboelen de beroemde wijsgeerFrans Hemsterhuis, beide teFranekergeboren, behooren nog bij dit getal genoemd te worden.In de nabijheid vanFraneker, in de buurtSalwerd, woonden toenmaals de broedersRientsenKlaas Piers Salverda, die uitmuntten door vernuft, oordeel en bekwaamheid, vooral in het maken van fraaije zonnewijzers. Uit dit geslacht was mede afkomstig de geleerdeWybo Fynje, Doopsgezind Leeraar teDeventer, bekend wegens zijne ongemeene bekwaamheden in de hoogere Wiskunde.TeHarlingengaf de Oud-SecretarisMathys Adolph van Idsingain 1787 blijken van groote bedrevenheid in de Sterre- en Zeevaartkunde in zijne werkjes:Aanwijzinge van het seekere Middel waardoor de zeeman iederen nacht zijne waare langte kan te weeten komen, metVervolg, en niet minder zijn tegenschrijverAbe Jans Hingstaldaar. Te dier stede woonde destijds mede een zeer bekwaam uurwerkmaker,Tjeerd Radsma, die met veel vernuft een beweegbaar Planispherium vervaardigde, waarvan Prof.Van Swindenin §82zijner Beschrijving vanEisinga’s Planetarium eene korte aanwijzing en vergelijking heeft gegeven, nadat hij toen reeds acht dezer werkstukken vervaardigd en teHarlingenenAmsterdamgeleverd had.In het dorpAchlumbijFranekerwas destijds de landbouwerKlaas Gerrits Wieringaeen vernuft, dat, zeer bedreven in de Wis- en Werktuigkunde, door het vervaardigen van eene electriseermachine en andere kunststukken, algemeen opzien baarde. Uit het daar bij gelegene dorpArumkwam de bekwameObbe Sikkes Bangmavoort, die, even alsHenricus AeneaevanOudemirdum, door hunne bekwaamheden en uitgegevene geschriften inHollandeervolle wetenschappelijke betrekkingen mogten verwerven.Overigens waren er in die laatste helft der 18eeeuw nog een aantal stille beoefenaars der Wis- en Sterrekunde inFriesland,waarvan wij niet de woonplaatsen, maar alleen de namen kennen, en die zich, onder den titel van: Mathematicus, of van: Liefhebber der Mathematische kunsten, verdienstelijk hebben gemaakt als berekenaars van de Almanakken der jaren, achter hunne namen geplaatst. Zij zijn:Gerrit Tresling, 1755, vermoedelijk teLeeuwarden;Leendert Holder, 1764, denkelijk onderwijzer teArum;H. D. Hylkema, 1770;Hanso Lemstra van Buma, 1775, later, in 1791, Boekhandelaar teSneek;S. SjoerdsenS. van der Werf, 1782;Popke Sluiter, 1784;Gerrit Hendriks, 1793;Marten Jonker, 1794;Tiede Dykstra, 1795;Joris de Haan, 1797;Johannes Egberts, 1799 en daarnaEvert Sjerps Ferwerda, timmermansknecht teLeeuwarden, dien wij nog gekend hebben.Wij zouden nog meerdere namen kunnen noemen, als: vanHendrik Anjema, vanFraneker, die eenTafel der Devisoren van alle de natuurl. getallen(Leiden 1767) uitgaf; vanNicolaas Epkema, vanWirdum, dieWolff’s Tafelen tot de Trigonometria(Amst. 1765) in ’t Ned. overbragt; van de voortreffelijkste gebroedersPieter,AlbertenArjen Roelofs, vanHijum, die zich eerlang tot eene verwonderlijke hoogte verhieven;—doch reeds meer dan genoeg, om aan te toonen, datFriesland, inzonderheid in de laatste helft der 18eeeuw, vruchtbaar was in het voortbrengen van mathematische vernuften7.In het aanzienlijke en fraai gelegene dorpDronryp, inMenaldumadeel, tusschenLeeuwardenenFraneker(waar eertijdsRiemer Sybeswoonde, die de eerste leermeester in de Wiskunde was van den later zoo beroemdenWillem Loré) was omstreeks het midden der vorige eeuw, bovendien, eengeslacht gevestigd, waarin de zucht en de geschiktheid voor de mathematische wetenschappen en de werktuigkunst erfelijk scheen te zijn. Daar woonden de broedersJelte EisesenAne Eises, vanOosterlittensinBaarderadeelafkomstig, die het beroep uitoefenden van wolkammer. Van jongs af hadden beide zich in de uren van uitspanning toegelegd op de Reken- en Meetkunst, en bestendig bleef het hen eene aangename bezigheid zich te oefenen, en den tijd, welke hen van hunne kostwinning overschoot, te besteden tot het zamenstellen van een of ander kunstwerk of aardigheid, waarbij eene zeldzame handigheid beider vernuft ten dienste stond. Van de verschillende stukken, doorJeltevervaardigd, zijn bekend, dat hij, in jeugdigen leeftijd, een tweemast galjootscheepje vervaardigde, van 9 voet lengte, met alle toebehooren en in juiste evenredigheid, zóó zelfs, dat er twee man meê te water konden gaan. Als liefhebber van muzyk en zang maakte hij voor huiselijk gebruik een klavier en daarna een kabinetorgel, waarvan hij de inrigting had gadegeslagen bij gelegenheid der herstelling van het kerkorgel vanDronryp, waarover hij als Kerkvoogd het opzigt had. Doch inzonderheid hielden zij zich bezig met het berekenen en zamenstellen van zonnewijzers, in onderscheidene en soms zonderlinge vormen, waarvan vele in den omtrek aan de huizen en als tuinsieraden werden geplaatst. Eene doorJeltemede vervaardigde kunst-draaibank, van bijzondere vinding, bewees bij al deze werkzaamheden groote diensten.De jongste der broeders,Ane, vertrok eerlang naarFraneker, waar hij Waagmeester en Ontvanger of Collecteur van het Gemaal, den Turf enz. is geworden.Jeltebleef bestendig teDronrypwonen, als wolkammer, en trad in het huwelijk metHittje Steffens, van het naburige dorpWinsum, bij wie hij twee zonen en twee dochters verwekte. De jongste dezer zonen heetteStephanus Jeltes, waarbij hij later den naam vanEijsingaaannam. Hij werd geboren den 24 Maart 1755 en onderscheidde zich, even als zijn oudere broederEise, spoedig door een zeldzamen aanleg voor de Wis- en Sterrekunde, welke door hetdagelijks onderwijs van den vader werd ontwikkeld en gevoed. De vrucht van zijne ijverige oefeningen bragt hij in 1776 bijeen in een groot boek (van 257 bladz.), hetwelk hij tot titel gaf:Grondbeginselen der Astronomie of Sterreloopkunde,op eene theoretische wijze verhandeld, waarin hij met keurig schrift en nette teekeningen en berekeningen de gronden dezer wetenschap ontvouwde. In het volgende jaar voegde hij daar achter een kunstwerk, hetwelk hij noemde:Gnomonica of Sonnewijzers, Alle door passer en lijnjaal afgepast op de noorderbreedte van Dronryp. Dit bevat in 170 bladz. de afbeeldingen en beschrijvingen van 86 verschillende soorten van zonnewijzers, welke evenzeer van zijne nette manier van werken als van zijnen vindingrijken geest getuigen8. Ook na den dood zijns vaders, die den 24 October 1785, oud ruim 69 jaren overleed9, bleef hij in het ouderlijk huis en bedrijf werkzaam, en zijne snipperuren gedurig besteden zoowel aan de Sterre-, Reken- en Werktuigkunde, als aan de muzyk en het vervaardigen van fraai teeken- en schrijfwerk. Hij overleed den 27Januarij 1814. Als vader viel ook hem het geluk te beurt, den lust en aanleg voor genoemde vakken te ontwikkelen en aan te kweeken in zijn oudsten zoonJelte, die eerlang blijken gaf van groote verwachting. Want reeds op zijn zeventiende jaar vervaardigde deze, bij wijze van uitspanning, een beweegbaar astronomisch kunststuk, in den vorm van een staand uurwerk, waarop de vaste sterren met de zon op- en ondergingen, met aanwijzing van den waren en middelbaren tijd, van den ouderdom en de schijngestalten der maan enz. Doch die vadervreugde werd eerlang vadersmart, toen deze jongeling in de Fransche conscriptie viel, naarRuslandtrok, en, na de groote vermoeienissen van dien veldtogt, in 1812, in een hospitaal teKaunoinPolenstierf, door zijne familie diep betreurd.Uit zulk een geslacht, dat het voorregt bezat van het leven van den geest, met liefde voor kunst en wetenschap, in hooge mate te genieten, isEise Jeltesof, zoo als hij zich later schreef,Eise Eisingavoortgesproten. Den 21 Februarij 1744 teDronrijpin het huis No. 131 in de Kerkeburen geboren, werd hij door zijn vader van jongs af opgeleid zoowel in het bedrijf van wolkammer als in die wetenschappen, kunsten en liefhebberijen, welke zijnen geest bestendig vervulden en zijne rusturen veraangenaamden. Dat die zoon lust, aanleg en geschiktheid daarvoor betoonde en zich beijverde, den vader behulpzaam te zijn in al zijne verrigtingen, was dezen een onbegrijpelijk genot en eene sterke aansporing, om alles toe te brengen, wat zijne kennis en bekwaamheid kon vermeerderen. Nog zeer jong begaf hij zich nu en dan naar het naburigeFraneker, ten einde van een burgermanWillem Wytseseenig onderwijs te ontvangen in het rekenen en de gronden der wiskunde. Hij doorliep bij dezen de zes eerste en de 11een 12eboeken van Euclides en erlangde eenige opleiding in de klootschedriehoeksmeting, de kennis van het hemelstelsel, het gebruik van de astronomische tafelen en het berekenen van de eklipsen. Hoe onvolkomen dit onderwijs ook ware, mede wegens gemis aan geschikte leerboeken,—zijn ongemeene aanleg en vernuft hadden genoeg aan enkele vingerwijzingen, om het gehoorde te bewerken, uit te breiden en toe te passen, en alzoo voort te streven langs een eigen pad.Op den ouderdom van 17 jaren had hij het geluk, in kennis te geraken met boven vermeldenWytse Foppes Dongjuma, zeer geacht Wiskundige en Instrumentmaker teLeeuwarden. Toen de aandacht der sterrekundigen bijzonder was gevestigd op het merkwaardige verschijnsel, dat de planeet Venus op den 6 Junij 1761 voorbij de schijf der Zon zou gaan, had deze instrumenten ontworpen tot het doen van naauwkeurige waarnemingen. Zelfs de lands regering trok zich deze zaak aan, en stond hem toe, deze werktuigen op staats kosten te vervaardigen en daarmede waarnemingen te doen op het destijds onbewoonde oude kasteelCamminghaburgbijLeeuwarden. Toen deze observatiën gelukkig uitvielen enWytse Foppesdaarvan in twee werkjes aan de geleerde wereld mededeeling deed10, behaagde het Gedeputeerde Staten hem bovendien een jaargeld van 100 Daalders te vereeren, welke som daarna met nog 48 Gld. verhoogd werd.Het mogt den jeugdigenEisingagebeuren deze waarnemingen bij te wonen, en aan den gunstigen en eervollen uitslagdaarvan sterke aansporing te ontleenen, om zich met ijver op zijne lievelings-studiën toe te leggen. Hij deed dit werkelijk, en als de vrucht dezer oefeningen is nog lang bewaard een folio geschrift, bevattende teekeningen en berekeningen van zonnewijzers, en een dergelijke band van ruim 100 bladz., bevattende naauwkeurige berekeningen van alle Zons- en Maanverduisteringen, welke er van 1763 tot 1800 zouden plaats hebben, vergezeld van teekeningen dergene, welke teFranekerzouden zigtbaar zijn. Deze arbeid van een achttienjarig jongeling, gevoegd bij zijne berekeningen van de standplaatsen der planeten, waarvan hij bij het begin van elk jaar tafels voor elke maand vervaardigde, ten einde dienst te bewijzen bij het doen van waarnemingen, mogten later de bewondering van groote geleerden wegdragen; aangezien hij dien arbeid had volbragt, geheel onbekend met het bestaan zelfs van sterrekundige jaarboeken en tafels, waarin de vooraf berekende standplaatsen der voornaamste hemelligchamen worden opgegeven.Zonder eenige aanspraak op lof en eere hadEisingadit alles teDronrijpin het ouderlijk huis verrigt, geheel in stilte, als uitspanning na volbragte dagtaak, en zonder eenig opzien te baren; zelfs zonder eenig uitzigt, dat deze studiën hem voor de toekomst van eenig ander nut en voordeel zouden zijn, dan dat zij hem bevrediging van weetlust aanboden. Hij volgde eene natuurlijke aandrift en was verder zich zelven genoeg.Dat ouderlijk huis kon evenwel zijne bestemming niet zijn. In vier-en-twintig-jarigen ouderdom trad hij in het huwelijk metPietje Jacobs, vanHilaard, en vestigde zich in 1768 als Wolkammer teFranekerin het huis de Ooijevaar, tegenover het Stadshuis. De wolkammerij toch bloeide daar toenmaals ongemeen, en waren er 21 saaijet-fabrijken in werking, welke honderden handen werk gaven en tonnen gouds in omloop bragten11.Als een stil burger, die zich met geene andere zaken dan met zijn beroep scheen bezig te houden, en die enkel jaarlijks voor zijn wolhandel eene reis naarLeidendeed, leefde hij, zonder veel verkeering met anderen en zonder door anderen opgemerkt te worden. Dit was ook een gevolg van zijn aard en karakter, dat geheel den rustigen Fries vertoonde, die, in stille ingetogenheid, bij eene afgetrokkene of geslotene geestgesteldheid, geene behoefte had aan hulp of lof van anderen. Zelfs had hij geen verkeer met personen, die de zelfde vakken beoefenden, waaraan hij zijne rusturen bestendig bleef toewijden. Niemand kon dus in hem een vernuft vermoeden, dat tot de stoutste onderneming zou opklimmen.Hoe talrijk destijds ook de beminnaren van de Sterrekunde inFrieslandwaren—het gros der bevolking nogtans voedde omtrent den loop der hemelligchamen nog zulke bekrompene en zonderlinge begrippen, dat ongemeene verschijnselen dikwijls aanleiding gaven tot groote bewegingen. Kerkelijke naauwgezetheid voedde dan de kleingeestige vrees voor schrikkelijke gevolgen, als zoo vele oordeelen Gods wegens de zonden der menschen. Dit bleek ook ten jare 1774, toen het merkwaardig verschijnsel verwacht werd, dat de planeten Jupiter, Mars, Venus en Mercurius, gelijk ook de Maan, zich op den 8 Mei te gelijk in het zelfde hemelteeken de Ram zouden bevinden. Een vroom godgeleerde, die zich een „liefhebber der waarheid” noemde, vond daarin aanleiding tot het schrijven van een werkje, getiteld:Philosophische Bedenkingen over de Conjunctie van de planeten Jupiterenz. Hij betoogde hierin op een gemoedelijken toon, dat deze conjunctie een verderfelijken invloed zou kunnen hebben niet alleen op onzen aardbol, maarook op het geheele zonnestelsel, ja zelfs, dat dit eene voorbereiding of begin zou kunnen worden van de slooping van het heelal, zoodat de nadering van den jongsten dag als waarschijnlijk werd gesteld12.Hoe zouden de gemoederen van onkundigen, die van elke bevolking de meerderheid uitmaken, door zulk eene voorspelling niet verontrust zijn geworden? De algemeene vrees, waarmede de 8 Mei werd te gemoet gezien, werd gevoed door drukkers en liedjeszangers, die op openbare straten de goede gemeente tot boete en berouw vermaanden. Het liep eindelijk zóó hoog, dat de overheid er zich meê bemoeide. Na de liedjes bij de drukkers te hebben laten ophalen en de zangers vastzetten, liet de Regering door eendeskundigeeen berigt in deLeeuwarder Courantplaatsen, dat er op dien dag niets anders zou gebeuren, dan dat men vóór Zons-opgang, bij helder weder, de vier gemelde planeten en de maan in genoemd hemelteeken zou zien, en dat dit verschijnsel, even als de reeds voorgevallene conjunctiën van Mercurius en Mars, en van de eerste en de Zon, geheel geen invloed op de aarde zou hebben13.Dit had de gewenschte uitwerking: want de dag, met zoo veel angst te gemoet gezien, ging rustig voorbij, en beschaamde alzoo elke dwaze voorspelling en alle kleingeestige vrees.Deze volksbeweging was echter niet geheel nutteloos geweest. Integendeel, zij had een belangrijk gevolg: want te midden der algemeene onrust bleefEisingabedaard; hij vreesde niets,terwijl de door hem vervaardigde tafelen den juisten stand der planeten aanwezen, gelijk bij de waarneming van het verschijnsel bleek. Hij betreurde alleen de onkunde der menigte, die blijkbaar geen begrip had van den stand en loop der hemelligchamen; terwijl hij met verwondering had ontwaard, hoe algemeen nog de voorstelling was ingeworteld, dat de aarde in het middenpunt des hemelstelsels geplaatst zou zijn, en dat de zon en de planeten zich rondom haar zouden bewegen.DatEisingadit stelsel vanPtolemaeusenTycho Brahéverwierp, en dat van den miskendenCopernicusaankleefde, was natuurlijk na zoo vele jaren van onderzoek en oefening. De wensch, om ook anderen daarvan te overtuigen; de inval, hoe aangenaam het zou zijn, een werktuig te bezitten, waardoor men te allen tijde den waren stand der hemelligchamen zou kunnen gewaar worden en aantoonen; de mogelijkheid, om dit op eene eenvoudige wijze ten uitvoer te brengen—dit alles vervulde zijnen geest. Na ernstige overpeinzingen, mat hij zijne krachten, en—de inval werd een voornemen en dit een vast besluit, om zelf handen aan het werk te slaan, ten einde, tot eigen gemak en genoegen en bij gelegenheid tot voorlichting van anderen, aan den zolder zijner woonkamer een geregeld bewegend werktuig te vervaardigen, hetwelk hem den stand des hemels, de ware plaats en den geregelden gang van zon, maan en dwaalsterren bestendig voor oogen zou stellen. Behalve het genoegen, dat zulk eene huiselijke werkzaamheid in zijn liefhebberijvak hem scheen aan te bieden, meende hij door zulk eene aanschouwelijke voorstelling bij den zamenstand of conjunctie der planeten ook de ongegrondheid te zullen kunnen aantoonen van de vrees voor nadeelige gevolgen daarvan voor onze aarde.Na zijne huisvrouw het plan medegedeeld en den duur van den arbeid op zeven jaren bepaald te hebben, werden de handen ijverig aan het werk geslagen, echter zonder verwaarloozing van zijn beroep, dat altijd hoofdzaak bleef. Het geheelezamenstel werd nu berekend en overwogen, en vervolgens gewijzigd naar plaatselijke omstandigheden en de bekrompene ruimte, waarover hij te beschikken had. Ten gevolge daarvan deden er zich weldra bezwaren en moeijelijkheden op, welke hij vooraf kwalijk kon voorzien en die toch door geduld of vernuft moesten overwonnen worden. Wij noemen daarvan enkel de belemmering, welke de bedstede veroorzaakte, waarop hij zijne nachtrust genoot.Deze kon hij niet anders dan met vele moeite overwinnen door de verkorting van den slinger, welke het gansche uurwerk in beweging moest brengen, tot op 80 slagen in eene minuut, dewijl eene meerdere lengte, voor 60 slagen, volgens zijn eerste plan, die bedstede onbruikbaar gemaakt zou hebben. Ook de dikte der balken van het gebouw, waarvan de plankenvloer verhoogd en aan welke een nieuwe zolder, waarin het werk zich zou bewegen, verbonden moest worden, veroorzaakte een bezwaar bij de plaatsing van al de raderen, zoodat hij zich verpligt zag, drie assen in plaats van ééne te gebruiken. De berekening van de vereischte tanden in een honderdtal raderen en rondsels, bij zoo verschillende bewegingen, kostte hem mede groote moeite en zorg, bijzonder, omdat hij vervolgens ook een hemelsplein en maanwijzers daarmede in verbinding bragt. Alle krachten van geest en ligchaam moesten daarbij ingespannen worden, dewijlhij zélf allesverrigtte. Beurtelings toch was hij wolkammer en rekenaar, teekenaar en werktuigkundige, timmerman en uurwerkmaker, draaijer en schilder en wat dies meer zij, zonder ooit eenig Planetarium of plaat daarvan gezien te hebben, zonder gebruik te maken van de vele hulpmiddelen en geschriften, welke er destijds reeds bestonden, en zonder dat hij van iemand eenige andere hulp genoot, dan dat hij de vier benoodigde koperen raderen naar zijn voorschrift door een klokmaker liet bewerken, en dat zijn vader, wien hij over het werk geraadpleegd had, eenige schijven en assen op de door dezen vervaardigde kunstdraaibank heeft gedraaid. Voor elks oog verborgen, verstoken van alle aanmoediging en de minste vertooning of opspraak vermijdende, werkte hij rustig voort envorderde dagelijks in stilte. En dat hem bij dat alles een vrome geest bezielde, vol van eerbied voor den grooten Schepper van het bewonderenswaardig heelal, daarvan getuigt de nog op zijne werkplaats aanwezige spreuk, die hij dagelijks voor oogen had: GEDENKT DAT GODT BIJ U ALTIJD HIER TEGENWOORDIG IS14.Te midden van dezen ijverigen arbeid deden er zich echter onvoorziene verhinderingen op, welke hem op het verlies van kostbaren tijd te staan kwamen. Hij werd tot verscheidene onvermijdelijke lastposten geroepen, als: tot Collectant voor de armen, tot Officier der Schutterij, tot Vroedsman of lid der Stedelijke Regering en tot Armvoogd. Bovendien zag hij zich aangesteld tot Collecteur of Ontvanger van ’s Lands middelen op den brandewijn en de havenspeciën. In deze betrekking vervaardigde hij zeer naauwkeurige lijsten, waarop men den impost van allerhande waren uitgerekend vond. Vermits deze ook voor kooplieden en andere ontvangers zeer dienstig konden zijn, liet hij ze in 1778 drukken, en maakte bij die gelegenheid eenige melding van het werktuig, dat hij onder handen had. Dan, deze lijsten kwamen enkel onder de oogen van hen, voor wie ze vervaardigd waren, en zijne mededeeling trok dus geheel niet de aandacht van deskundigen15.Als blijken van onderscheiding en vertrouwen waren al die betrekkingen hem wel aangenaam en nam hij ze met zorg waar, doch de uren van werkzame uitspanning, welke hij zoo gaarne en met liefde aan zijn planetarium besteedde, zag hij daardoor zeer inkrimpen. Met des te meer geestkracht en vlijt werkte hij voort, en nog waren er in 1778 geene vier jaren verloopen, of het werktuig was reeds gangbaar en het geheel in Februarij 1780 nagenoeg voltooid. Zie hier een overzigt van het gansche zamenstel:In het midden van de kamer had hij aan den zolder een stilstaande Zon afgebeeld, uitschietende 24 stralen, waarvan om de andere eene zwarte lijn voortkomt, strekkende tot aan den buitenrand, welke de Ecliptica verbeeldt en deelende dezen cirkel in 12 vakken, welke de hemelteekens of den dierenriem voorstellen. Tusschen dezen rand en de zon had hij in het plafond zeven nagenoeg cirkelvormige sleuven aangebragt, waarin de planeten (door hangende bolletjes voorgesteld) hun bepaalden omloopstijd rondom de zon volbrengen; in beweging gebragt door een uurwerk, waarvan de slinger zich boven de bedstede en de raderen zich tusschen twee zolders (op en onder de balken) bevinden.Het bolletje in de eerste sleuf verbeeldt de planeetMercurius, die in 88 dagen haar loop om de zon volbrengt;—dat in de tweede,Venus, de morgen- en avondster, die 225 dagen daartoe noodig heeft;—de derde cirkel is de weg, welke onzeAardein 365¼ dagen om de zon volbrengt, nevens wier bol eene kleinere deMaanverbeeldt, welke in ruim 27 dagen om deAardeen tevens om haar eigen as draait, en met de aarde eens in ’t jaar om de zon gevoerd wordt, waardoor dit maan-bolletje (dat half verguld en half zwart is) altijd de vergulden kant naar de zon gekeerd houdt;—de vierde bol is de planeetMars, met 687 dagen omloopstijd;—de vijfde,Jupiter, met 4 kleinere bolletjes, welke zijne wachters of manen voorstellen, loopt in 11 jaren en 315⅓ dagen rond;—in de zesde sleuf stelt eene bol, met een platten breeden ring omvangenen van 5 manen vergezeld,Saturnusvoor, welke in 29 jaren en 164 dagen zijn loop om de zon volbrengt;—de zevende en uiterste sleuf verbeeldt den weg van deZon, waarin een wijzer, in 365 dagen ééns rond gaande, aan de binnenzijde de teekens en graden van de lengte der zon op de ecliptica en aan de buitenzijde de maanden en dagen van het jaar en de declinatie der zon aanwijst16.—Tot aanwijzing van de beweging der Maan om de Aarde had hij verder aan den zolder twee en aan de bedschutting twee groote en vier kleine cirkels met wijzers geplaatst; waar tusschen zich in het midden gelijke aanwijzingen bevonden van den dag der week, het uur van den dag en het jaartal, alsmede van de schijnbare beweging der zon en vaste sterren. Dit laatste Hemelsplein en niet minder de Maanwijzers, die de ongeregelde beweging der maan zeer naauwkeurig voorstellen, veroorzaaktenEisingabij de zamenstelling de meeste moeite en zorg.Zoo verre was het werktuig voltooid, hoewel nog niet opgeschilderd, toen zich op den 22 Februarij 1780 onverwacht drie Franeker Hoogleeraren bijEisingaaanmeldden, hem te kennen gevende, vernomen te hebben, dat hij een aardig werktuigje had vervaardigd, hetwelk zij gaarne eens zouden willen zien. Het waren de Proff.J. H. van Swinden,G. CoopmansenE. Wigeri. Met de hem eigene bescheidenheid en nederigheid antwoorddeEisinga, dat hij niet wist of zijn werktuig de belangstelling der Heeren wel verdiende; dat het nog lang niet geheel voltooid was, waartoe hem de tijd had ontbroken, doch dat hij evenwel bereid was het hun te laten zien. Men trad de burger-woonkamer binnen, hief de oogen op, en vroeg nuen dan eenige verklaring van den maker. Wat de twee laatstgenoemde Hoogleeraren dachten en gevoelden, is ons onbekend gebleven; maar Prof.van Swinden, die elders „onderscheidene Planetaria had gezien; die dikwijls over dergelijke werktuigen had nagedacht, ja, die zelf eens eene schets van een eenvoudig Planetarium had ontworpen”,—zoodra had deze het geheel niet overzien en begrepen, of hij werd „door eene wezenlijkeverrukkingover de fraaiheid van dit kunststuk vervoerd,” en, ofschoon hij twee volle uren aan de bezigtiging besteedde, twijfelde hij nog, of hij, „door de verwondering als overstelpt, alles wel volkomen had ingezien en nagegaan.” Te huis gekomen, ging hij alles na, teekende het voornaamste op, overwoog de vereischten van zulk een werktuig, las verscheidene schrijvers, om zich van de waarde van dit Planetarium te overtuigen, en stelde eenige gedachten en vragen tot nader onderzoek op het papier. Den 13 Maart bezocht hijEisingaop nieuw in gezelschap van Prof.Schrader, Prof.Garcin, Baronvan Aylva, Do.P. Stinstraen anderen. Bij een onderzoek van eenige uren bleek hem nu, dat de eerste reis veel zijner aandacht ontglipt was, en dat het kunststuk meerdere voortreffelijkheden bezat, dan hij verwacht had. En na eene derde bezigtiging en veelvuldige inlichtingen van den vervaardiger, was „zijne verwondering,wel verrevan door den tijd te slijten, bij eene naauwkeurige kennis van het geheel, nog grooter dan zij in den beginne was.” „Verrukkend was het hem, gewaar te worden, hoe de grootste zwarigheden voor een groot vernuft als kaf verdwijnen, enhoe men,door de eenvoudigste middelen, wanneer men een daartoe geschikten geest bezit,de meest zamengestelde stukken kan vervaardigen. Naarmate hij ieder stuk in deszelfs wezenlijke waarde leerde kennen, voelde hij zijne achting voor den vervaardiger groeijen en zijne blijdschap vermeerderen, van door diens onderrigtingen vorderingen te maken in sommige deelen der werktuigkunde.”Prof.van Swindengaf zijne ingenomenheid met dit voortreffelijke kunststuk het eerst lucht, door het ontwerpen vaneene korte schets daarvan, welke hij toezond aan zijnen broeder den AdvokaatS. P. van Swindente’s Hage, alsmede aan de Akademie der Wetenschappen teBrussel, aan den PrinsVan Gallitzin, aan de beroemde geleerdenDe Luc, destijds teLonden,CotteteMontmorencienGaussenteMontpellier; en alleen gebrek aan tijd verhinderde hem vooreerst gelijke mededeeling te doen aan zijne correspondenten teParijs, tePetersburgen inDuitschland,ZwitserlandenItalië. Doch ook als burger en geleerde besefte hij zijne verpligting jegens zijn vaderland, om de verdiensten van een voortreffelijk burger en stadgenoot algemeen bekend te maken. „Wegens vindingrijk vernuft en bijzondere vermogens voor de werktuigkunde mogten toch de Friezen zich evenzeer opEisingaberoemen als de Engelschen opHarrisonenFerguson, aan wie uitstekende belooningen ten deel vielen. Dáárom en om ieder voor te lichten, die het Planetarium voortaan zou willen beschouwen en in zijne waarde leeren kennen, doch vooral, om geringschatting en verkeerde beoordeeling te vermijden,—beslootVan Swindeneene uitvoerige beschrijving van het gansche Planetarium in het licht te geven. Hij deed dit in Junij 1780 en dus nog vóór het schilderen en vergulden van het vertrek en van de voorwerpen, waarmedeEisingavan Augustus 1780 tot Mei 1781 is bezig geweest, waardoor het geheel een veel fraaijer en meer sprekend voorkomen bekwam. Hij deed dit met eene vlijt en studie, welke geëvenredigd waren aan de waarde, welke hij aan het kunststuk hechtte, en „werd daarbij veel uitvoeriger dan hij zich voorstelde, uit hoofde van het genoegen, hetwelk hem het opstellen verschafte.” Hij droeg het werkje, waarmede hij groote eer behaalde, op aan zijnen broeder bovengenoemd, die na verloop van weinige weken in persoon overkwam, om met eigen oogen het Planetarium te zien en in de bewondering zijns broeders te deelen.Naauwelijks toch was deze beschrijving in het licht verschenen, en was het algemeen op de hooge waarde van het Planetarium oplettend gemaakt, of de stille woning vanEisingawerd bijna dagelijks door een aantal personen bezocht, dat, uit nieuwsgierigheid of belangstelling, de bezigtiging kwam verzoeken. Van den 22 Februarij tot den 4 Junij was de beschouwing slechts aan een twintigtal personen, meest Hoogleeraren en Doopsgezinde Predikanten, veelal onder geleide van Prof.van Swinden, vergund geworden. Doch pas was de beschrijving in het licht, of het getal groeide dermate aan, dat van den 22 Junij tot den 31 Julij het getal bezoekers, waaronder vele aanzienlijke personen en geleerden, ruim honderd bedroeg. Hoe aangenaam deze blijken van belangstellingEisingaook waren, zij hinderden hem, omdat het werktuig zich zeer onaanzienlijk voordeed, en nog afgewerkt en geschilderd moest worden. Hij moest dus den toegang weldra een tijdlang weigeren, om zich daarmede bezig te houden. In dien tusschentijd liet hij slechts enkele personen toe. Na de voltooijing, in het laatst van Mei 1781, werd de bezigtiging weder opengesteld, en groot was van nu af aan de toeloop van beschouwers, uit alle oorden des lands. Gansche gezelschappen maakten eene afzonderlijke reis naarFraneker, om een kunststuk te zien, dat sedert als de meest bezienswaardige bijzonderheid dezer stad werd vereerd. Algemeen was de bewondering en groot de lof, welke den eenvoudigen maker daarover (vaak al te uitbundig) werd toegezwaaid, zoodat deze eerbewijzen hem dikwijls meer hinderlijk dan aangenaam waren. Vroeger had hij de namen der bezoekers aangeteekend, doch nu voerde hij het gebruik in, dat ieder bezoeker zijne handteekening zette in een eenvoudig boekje of album, hetwelk hij als herinnering bewaarde17.Een kunstwerk, dat dermate de algemeene bewondering opwekte, moest ook wel de aandacht trekken derStaten van Friesland, die weleer door zoo vele eervolle gunstbewijzen de beoefening van wetenschap en kunst in dit gewest hebben aangemoedigd18. Op den Landsdag van den 18 Julij 1783 werd namelijk voorgedragen, „dat door den VroedsmanEisingateFranekeruitgevonden en met grooten arbeid en kosten vervaardigd was een uitmuntend „Hemisphærium,” hetwelk meer wereldkundig was geworden door de beschrijving, welke Prof.van Swindendaarvan in het licht had gegeven, waardoor het de verwondering en aandacht der geleerden, zoo binnen- als buitenlands had tot zich getrokken, en hetwelk wel verdiende de zigtbare blijken van goedkeuring en deelneming der Hooge Overheid te ontvangen, opdat ook ’s Lands Universiteit aldaar in het toekomende daarvan nut en eere mogt hebben.” Voorloopig werd hierop, vooral wegens het laatst aangevoerde, besloten, daarop de consideratiën te verzoeken van de Heeren Curatoren der Hoogeschool teFraneker.Gelukkig, dat deze daarin raad en voorlichting vroegen van den man, die het meest bevoegd was, over de zaak te oordeelen. Zij vroegen de consideratiën van Prof.van Swindenen deze voldeed zeer gaarne aan hun verzoek. Bij eene uitvoerige missive (groot 17 bladz.19) beantwoordde hij den 7 September 1783 de twee vragen: „of het kunststuk de zigtbare blijken der goedkeuring en deelneming van de Regering verdiende, en of die blijken ook zoodanig zouden kunnen worden gegeven, dat ook de Universiteit er nut en eere van hebbe.” Hij stemt de eerste vraag toe,ten eersten, omdat dit Planetariumin zich zelfuitnemend en zonder weêrga is, dewijl er geen ander kunststuk bekend was, waarop de schikking, bewegingen en verschijnselen der hemelligchamen zóó talrijk, zóó zigtbaar en zóó naauwkeurig vertoond worden, gelijk bleek uit de vergelijking met andere werktuigen, en ook uit den hoogen lof, door buitenlandsche geleerden van den eersten rang, zelfs door Engelsche Journalisten, na het uitgeven van zijne Beschrijving hieraan toegekend.Ten tweeden, omdat de uitvinder eene schranderheid van geest, een vernuft en verbeeldingskracht had aan den dag gelegd, welke de meeste bewondering verdienden in eene zaak, die den oppervlakkigen beschouwer het minst in het oog valt, namelijk:de kunstige zamenstelling van het Raderwerk, dat alle en zeer ongelijke bewegingen op de eenvoudigste wijze te weeg brengt, en daardoor de meest moeijelijke bezwaren der mechanica overwonnen heeft. Ja,Van Swindenbetuigt, dat hij meermalen verstomd had gestaan bij het beschouwen van het geheele zamenstel der raderen, hoe zich in een man alsEisinga(zonder eenig onderwijs in de werktuigkunde genoten te hebben, zonder iemand of eenig boek te raadplegen, zonder te weten, dat er soortgelijke werktuigen bestonden, ja die vroeger nimmer op werktuigen had nagedacht) zich op eens een ongemeene mechanische geest heeft ontwikkeld, waarvan deze zich zelven niet bewust was. „Waarlijk,”dus besluit hij dit punt,„hoe meer ik het kunststuk beschouw, hoe meer ik de eenvoudigheid van het raderwerk en van het geheele zamenstel bewonder, en deskundigen zijn er met mij over verwonderd geweest.”—Vandaar, dat hijten derdenuitvoerig betoogt, hoe eervol het voor de Staten zoowel als voorEisingazou zijn, als hem (in navolging vanFrankrijk,Engelandenz. die uitstekende bekwaamheden erkenden en vereerden) door de Hooge Overheid ter belooning, ter aanmoediging en ter vergoeding der zware onkosten en onbegrijpelijke moeite, eene som gelds wierd toegekend, waardoor zijne verdiensten en eere als met het zegel van den Souverein bestempeld zouden worden, tot geene geringe aansporingvan vele andere Friezen, ten einde al hunne krachten en vermogens in te spannen, om den lande, de kunsten en de wetenschappen nuttig te zijn, en den roem en de eere der Friezen uit te breiden.Maar nog grooter blijk van zijne hooge ingenomenheid met het kunststuk gaf Prof.van Swinden, toen hij, ter beantwoording van de tweede vraag, niets minder voorstelde, dan om Heeren Staten te bewegen,Eisingauit te noodigen en in staat te stellen, om, tot roem en sieraad van de Akademie en van de stadFranekeren tot groot nut van de studenten, op Lands kosten in het Akademiegebouw een geheel nieuw en meer volmaakt Planetarium te vervaardigen dan dat, hetwelk hij naar de bekrompene ruimte van zijne woning had moeten schikken en niet wel verplaatst kon worden; alsmede, dat daarvan eene uitvoerige en met goede platen verrijkte Beschrijving op Lands kosten mogt worden uitgegeven; waardoor het nut daarvan voor de studerende jeugd bevorderd en de roem der Akademie, zoo als ook de milddadigheid en prijzenswaardige ijver der Hooge Overheid tot het aankweeken van nuttige kunsten en wetenschappen algemeen ruchtbaar en verspreid zouden worden.Zulk een advies van den meest bevoegden beoordeelaar was voorEisingazeker veel meer vereerend dan het Staatsbesluit, dat dien ten gevolge den 6 Maart 1784 werd genomen. Ondanks de hooge ingenomenheid van Prof.van Swindenmet het kunststuk en de krachtigste bewoordingen, om deszelfs uitstekende verdiensten aan te duiden, werd zijn laatste voorstel daarin voorbijgegaan, en, op vroeger vermelde gronden, alleen besloten: „de kundigheid en ijver vanEisingaallezins te lauderen, en hem, ten teeken van het genoegen der Staten in zijn arbeid, aan te bieden een stuk gewerkt zilvers ter zijner keuze, ter waarde van ten hoogstehonderd zilveren Dukatons” (ƒ 315).Zeker steekt het bedrag van dit geschenk „als blijk der goedkeuring en deelneming van de hooge Overheid,” sterk af bij de schatting van Prof.Van Swinden, en zouEisingadáárin en in de wijze, waarop het door hem gekozene zilverwerk (bestaandein eene koffijkan en theepot) hem, zonder eenige opdragt, toeëigening of geleide, door den knecht van een zilversmid aan hem werd bezorgd, redenen van kleinachting gevonden hebben,—indien hij mindere zelfgenoegzaamheid had bezeten, en als hij in de gansche behandeling van deze zaak niet reeds de blijken van den bekrompen geest van den toenmaals reeds smeulenden staatstwist had gemeend te bemerken, welke hem zoo zeer bedroefden, en later op zoo vele tranen kwamen te staan.Het was er verre af, datEisingamet de voltooijing van zijn werktuig, in Mei 1781, zijn arbeid als geëindigd beschouwd zou hebben. Neen, bestendig bleef hij aan de verbetering en volmaking van het geheel werkzaam. Spoedig kwam het hem beter voor, de wijzers, welke de lichtgestalten der Maan voorstellen (onder op de pilasters van de bedschutting geplaatst), nog tegen den zolder te brengen, waar meer ruimte was om de zaak naauwkeurig voor te stellen20. Daar eene verplaatsing en verschikking van het geheele raderwerk dezer beweging hieraan verbonden was, volbragt hij deze verbetering met zeer veel moeite. Doch hij zette de kroon op zijn werk, door de zamenstelling van een geschrift, dat de duurzame waarde van zijn kunststuk, ook voor het nageslacht, zou verhoogen.In November 1784 vervaardigde hij namelijk eeneNaauwkeurige Beschrijving en Afteekeningen van de uitwendige vertooning en de inwendige zamenstelling van het gansche Planetarium. Dit met zorg bewerkte geschrift (groot 100 folio bladzijden) bestemde hij voor zijne zonen, aan wie hij het opdroeg, opdat zij en hunne nakomelingen na zijn overlijden in staat mogten zijn het werktuig in orde en gangbaar te houden. In zeven hoofdstukken beschreef hij, met bijvoeging van afbeeldingen, deuitwendige vertooning en de inwendige beweging van ieder ring, rad, rondsel of as, met het getal tanden, staven en bonkels en den tijd van hunnen omloop, waartoe hij elk stuk met een nommer had voorzien; hij wees hun aan, hoe alles uit elkander genomen, hersteld en ineengezet moest worden, en onderrigtte hen omtrent het vermogen van den slinger, de kracht der gewigten, en hoe sommige gedeelten van de beweging afgesloten en het geheel door het ronddraaijen van een kruk naar verkiezing bewogen kon worden enz. Met eene bewonderenswaardige naauwkeurigheid en duidelijkheid legde hij hierin het gansche zamenstel bloot en gaf hij rekenschap wáárom hij alles zóódanig had ingerigt21. Naar deze aanwijzingen onderhouden, vleide hij zich, dat het werktuig met zeer weinig moeite en kosten gangbaar kon blijven tot eene lengte van jaren, ja van geslachte tot geslachte.Zóó waande de brave en verdienstelijke man, die nu alles meende verrigt te hebben wat in zijne magt stond, om den onafgebroken gang van zijn geliefkoosd en beroemd kunstwerk te verzekeren. Maar spoediger dan hij kon vermoeden, ja nog bij zijn leven, zou het stilstaan, om jaren aaneen als in vergetelheid weg te kwijnen. De vrede en rust, welkeNederlandbij het genot van welvaart en eensgezindheid zoo lang had genoten, waren sedert 1780 verstoord door staatkundige geschillen en burgerlijke verdeeldheden. Ten jare 1787 hadden deze het toppunt bereikt.Franekerwerd het middelpunt der beroerten, waarin de gewapende misnoegden tegen het stadhouderlijk gezag zich vereenigd hadden, enEisinga, de stille, rustige burger, bevond zich aan het hoofd der stedelijke burgermagt,dewijl hem door Magistraat en Vroedschap, bij de jaarlijksche verdeeling van de commissiën, in dát jaar de last was op gedragen van toezigt over de zaken der Schutterij. Weldra herstelde de overmagt der Pruissische troepen het stadhouderlijk gezag; het lang versterkteFranekerwerd hernomen, en—honderden Friezen vonden het geraden, huis, have en vaderland te verlaten, om alzoo door de vlugt nog grootere bezwaren te ontgaan.OokEisingadeelde in dit lot. Hoezeer zijner onschuld en goede bedoelingen bewust, moest ook hij gade en kinderen verlaten, en, van zijn geliefd Planetarium verwijderd, doelloos in den vreemde rondzwerven. Daar moest hij na verloop van weinige maanden den dood zijner beminde huisvrouw beweenen, zonder dat het hem vergund was geweest haar in de laatste ure bij te staan. De opvoeding van zijne zonen moest hij aan bloedverwanten overlaten. Zijn huis werd verhuurd, zijne meubelen verkocht, en niemand sloeg acht op het stilstaande kunststuk, om welks vervaardiging hij nog kort geleden met zoo veel lof en eere gekroond was. Een tijdlang hield hij zich teSteinforten teGronauop, gebogen onder diepe smart. TeEnschedéverzachtte de vriendschap van den bekwamenLambertus Nieuwenhuis, even als hij beoefenaar van de natuur- en wiskundige wetenschappen, in wiens familie hij gastvrij werd opgenomen, eenigen tijd zijn bijna onduldbaar lijden. In April 1790 waagde hij het,Gronaute verlaten, en overKoevordenenAssennaarGroningente wandelen, waar hij wilde rondzien naar eene gelegenheid, om zich ergens als wolkammer te vestigen. Hij meende die teVisvliet, aan de Friesche grenzen, gevonden te hebben, en mogt daar bijna een jaar lang veilig wonen en zijn beroep hervatten. Doch de vijand, waarvoor hij gevlugt was, sliep niet. In het begin van April 1791 werd hij daar namens het Hof vanFrieslandgevat, naar het Blokhuis teLeeuwardengevoerd, en, na een breedvoerig proces, op de beschuldiging, van als lid van het defensiewezen deelgenomen te hebben aan de oproerige bewegingen teFranekerin 1787, eerst den 27 April 1792 veroordeeld, om voor vijf jaren uit deze provincie te worden gebannen. Hij begaf zich toen weder naarVisvliet, en mogt daar vele bewijzen van ondersteunende hulp ontvangen en ook eene tweede gade vinden inTrijntje Eelkes Sickema, die vervolgens de steun en vreugde van zijn leven bleef en bij welke hij twee dochters verwekte.De omwenteling van 1795 maakte een einde aan zijne ballingschap. Hij kwam teFranekerterug, doch vond zijn huis verhuurd aan vreemden, zoodat hij voorloopig eene andere woning moest betrekken. Eerst in het volgende jaar keerde hij in zijn huis terug, hervatte hij zijn vorig bedrijf en werd zijn Planetarium, na een stilstand en gemis aan toevoorzigt van negen jaren, weder het groote voorwerp zijner zorgen in de uren van verpoozing. Met vernieuwden lust werd het hersteld en gangbaar gemaakt, zoodat het eerlang weder ter bezigtiging van het algemeen werd opengesteld, en op nieuw, als vroeger, talrijke belangstellende bezoekers vond22.Onder het genot van huiselijk geluk en de welverdiende hoogachting zijner medeburgers, sleetEisinganu vele rustige en gelukkige jaren. Door het algemeen vertrouwen zag hij zich met de waarneming van verschillende betrekkingen vereerd. In 1797 werd hij zelfs benoemd tot Curator van ’s lands Akademie teFraneker, en werkte hij ijverig mede tot herstel van deze beroemde Hoogeschool uit haren deerlijk vervallen toestand. Bestendig hield hij zich als uitspanning met sterrekundige berekeningen en werktuigen bezig. Hiervan getuigt nog een in zijne familie bewaard:Stereographisch ontwerp der Sterrenhemel,van de Noorderpool tot de 35 graden zuider-afwijking, vanJ. E. Bode,voor het gebruik gemakkelijk gemaakt. Hiertoe had hij deze kaart op eene draaijende schijf geplakt en van een rand voorzien, waarop de maanden en dagen uitgedrukt zijn. Daar vóór is een glas, waarop de horizont, de hoogte, de cirkels en 16 kompasstreken zijn getrokken; alles zeer geschikt, om op een bepaald tijdpunt den stand der vaste sterren te kunnen voorstellen23.Het laatste stuk, door hem uitgedacht en geteekend, was een kleinPlanetarium, waarop de loopbanen van Mercurius, Venus, de Aarde met de Maan, Mars, Jupiter en Saturnus waren geplaatst in hare betrekkelijke afstanden van de Zon, waarvan de bijzonderheden in hetAanhangseltot de Beschrijving zijn medegedeeld.Zijne bestendige zucht, om het Planetarium van tijd tot tijd te verbeteren, werd gevoed door een heimelijken wensch, welke steeds zijn geest vervulde en scherpte. Het was de hoop, dat het hem in de kracht zijns levens mogt gebeuren, zich in de gelegenheid gesteld te zien, om (zoo als Prof.van Swindenhet eerst had voorgesteld) ergens elders op grootere schaal een veel volmaakter Planetarium zamen te stellen, waartoe hij al de vereischte berekeningen gemaakt en de ontwerpen gereed had. Hij had dien wensch meermalen te kennen gegeven, en zelfs eenmaal, als balling, zich tot de uitvoering daarvan aangeboden, slechts tot den prijs van vrij en veilig in zijn vaderlijk gewest te mogen wederkeeren; maar te vergeefs24.Die hoop werd verlevendigd, toen de voortreffelijkeGerrit Hesselink, Hoogleeraar bij de Doopsgezinden teAmsterdam, het Planetarium in Augustus 1800 met zóó veel belangstelling en bewondering bezigtigde, dat hij zich opgewekt vond, in de maatschappij:Felix Meritisdaarover eene verhandeling voor te dragen. Deze had ten doel, om genoegzame belangstelling te verwekken, datEisingauitgenoodigd zou worden, om, op kosten en in het gebouw dier Maatschappij, zulk een kunstwerk met alle gewenschte verbeteringen te vervaardigen. Die wensch werd ondersteund door den achtenswaardigen kunstminnaarJ. d’AmourvanAmsterdam, die, in dezelfde maandEisingabezoekende, hem diep getroffen zijne bewondering en dank betuigde, en eene som van duizend guldens aanbood, indien men kon besluitenEisingauit te noodigen, inAmsterdameen dergelijk Planetarium te vervaardigen. Doch ook deze zaak had geen gevolg.Nog krachtiger werd die hoop verlevendigd, toenEisingain 1808 een bezoek ontving van den Admiraalde Winter,Marschalk van Holland, zoo als hij zich in het album betitelde. Na met zijn gevolg het kunststuk met ongemeene deelneming bezigtigd te hebben, was hij voornemens, omKoningLodewijk, bij zijne voorgenomene reis naarFriesland, de zaak met zoo veel aandrang voor te dragen, dat de Vorst overgehaald wierde, om het vervaardigen van een vollediger Planetarium en Hemisphærium, in het gebouw der Franeker Akademie of elders, aanEisingaop te dragen. Mogt hij hierin niet slagen,dan hoopte hij dit plan door vereenigde krachten van vele beminnaars der wetenschappen en het vaderland te verwezenlijken. Doch weder te vergeefs: de reis des Konings had geen voortgang, en latere gebeurtenissen bragten dit plan in vergetelheid. Dáárom is het bijzonder vreemd, dat bij al de bemoeijingen van het toenmalig bewind, om verdiensten en talenten op te sporen en aan te moedigen, waaraanArjen Roelofs,Sieds Johannes RienksandBauke Eisma van der Bildteereblijken en onderscheidingen te danken hadden,Eisingawerd voorbijgegaan, en dat hij zelfs niet genoemd werd in het bekende verslag van den HeerJ. Meerman, Directeur-Generaal der Wetenschappen en Kunsten, van Zomermaand 181025.Welverre dat ditEisinga, die in zedige nederigheid en zelfgenoegzaamheid zijne grootheid zich zelven bijna onbewust was, zou gekrenkt hebben. Maar aangenaam was het hem nogtans, na de heugelijke herstelling des vaderlands, in Februarij 1816 vereerd te worden met de benoeming totBroeder der orde van den Nederlandschen Leeuwen in dat zelfde jaar totLid van den Stedelijken Raad;—datKoningWillemI, die hem eerstgenoemde onderscheiding toekende, metPrinsFrederikder Nederlandenden 30 Junij 1818 zijn Planetarium met een bezoek vereerde, en zich alles tot in de minste bijzonderheden liet aanwijzen, waarbij beide vorsten de moeite niet schroomden, om in de enge ruimte van het raderwerk te kruipen, vooral om de ongelijke bewegingen der maanwijzers te bezigtigen;—dat ook deKroonprins, laterWillemII, hem den 29 Julij 1820 met gelijke belangstelling bezocht, en dat Mr.Jacobus Scheltemain 1818 zijne verdiensten openlijkin het licht stelde door de uitgave van zijne Levensbeschrijving26.Niet minder verblijdend was het voorEisinga, in 1824 eenherdrukvanvan Swinden’sBeschrijving van zijn Planetariumte beleven. De geleerde en smaakvolleJan Brouwer, rustend leeraar bij de Doopsgezinden teLeeuwarden, leidde deze nieuwe uitgave bij het publiek in met eene uitvoerigeVoorrede, welke sommige levensbijzonderheden vermeldde en van zijne warme ingenomenheid zoowel metEisingaenVan Swindenals met beider arbeid getuigde. De belangrijkheid van dezen druk werd verhoogd, eensdeels door de bijvoeging van drie groote platen, het vertrek, de zoldering en de bedschutting voorstellende, doorEisingaen zijnen vriend, den schranderenKlaas Johannes Sannes, in 1820 geteekend en nu in het koper gebragt; en anderdeels doorBijvoegselsvanEisingazelven, bevattende eene opgave van de veranderingen en verbeteringen, welke het kunststuk sedert 1780 had ondergaan, benevens eene beschrijving van de platen. Hij voegde daar achter nog eenAanhangselbetrekkelijk het kleinePlanetarium, door hem uitgedacht en geteekend, en doorWillem Jans Jansen, landbouwer teDongjum, in hout vervaardigd. Bovendien werd deze uitgave versierd met het welgelijkend afbeeldsel van den eerbiedwaardigen grijsaard, door gemeldenK. J. Sannes, graanhandelaar teFraneker, geteekend en door Do.J. Brouwermet een gepast bijschrift voorzien.Was het getal bezoekers van het Planetarium in de laatst voorgaande jaren reeds aanmerkelijk toegenomen, nog meerwas dit het geval, nu de herdruk vanVan Swinden’sBeschrijving(waarop ruim 200 personen hadden ingeteekend) in veler handen was gekomen en de algemeene aandacht op nieuw op het kunststuk had gevestigd. Streelend was het denwaardigenman, bij voortduring en als bij toeneming zoo vele blijken van belangstelling te ontvangen. Deze waren ook inderdaad een opmerkelijk verschijnsel. Het tijdstip der uitvinding was ter bevordering van den bijval zeer gunstig geweest. Immers, in het midden der 18eeeuw had de beoefening van de natuurkundige wetenschappen, in het algemeen en in vergelijking van andere tijdvakken, in een staat van kwijning verkeerd. ’t Was toen de gouden eeuw van natuurkundige aardigheden, derphysique amusante. Maar die wetenschappen, en met name de sterrekunde, herleefden op het laatst dier eeuw met nieuwe kracht. Demécanique célestewerd beoefend en gaf aan de sterrekunde eene nieuwe rigting en hoogere vlugt. De eischen der wetenschap waren strenger, de kunst van waar te nemen was eene moeijelijke taak geworden, naarmate het veld der beschouwing zich meer uitbreidde. Want belangrijke en talrijke ontdekkingen volgden elkander op. Deze vingen aan met den jare 1781 en hielden sedert niet op, zoodat er in de jongst verloopene 70 jaren alleen 13 nieuwe planeten zijn ontdekt geworden. Het jaar 1780, waarinVan Swindenschreef en den naam vanvolledigPlanetarium aanEisinga’s kunstwerk gaf, was alzoo het laatste jaar, waarop dit van eenig dergelijk werktuig gezegd kon worden. ’t Was vervolgens toch bijna niet mogelijk, den zoo ver verwijderden nieuweling Uranus op behoorlijken afstand in het gelid der oude planeten te brengen, en nog minder de in het begin dezer eeuw ontdekte vier nieuwe planeten, wier loopbanen elkander doorkruisen en omslingeren. Toen hielden alle nabootsingen van het planetenstelsel, zouden ze den naam vanvolledigdragen, voor altijd op, en waren de bestaande planetaria zeer onvolledig geworden. Ook om die reden was hunne waarde in het oog van kenners zeer gedaald, en die zelfde reden was eenehinderpaal te meer geweest, omEisingatot de vervaardiging van een Planetarium op grootere schaal in staat te stellen.De blijken van duurzame belangstelling, welke het Planetarium vanEisinga, in weerwil van dat alles, mogt ondervinden, waren eensdeels gegrond op den roem, dien het eens bij zijne voltooijing had verworven, en anderdeels op het mechanisme van den toestel, dat altijd belangstelling en bewondering zal verdienen. Doch het is alsof hetalgemeen, boven de hulde van eerbied voor zulk een kunstgewrocht van menschelijke kennis en bekwaamheid, dit Planetarium nog eene schatting van dankbaarheid toebrengt voor de diensten, welke het eens dervolksverlichtingheeft bewezen. Door dit middel van astronomische verzinnelijking toch heeft het stelsel vanCopernicusbij het publiek gereeder ingang gevonden, is het een volksgeloof geworden en heeft het wanbegrippen verdrongen. En thans, nu het vroegere bijgeloof aangaande de betrekking der aarde tot zon en planeten geweken is, zijn de aanwijzingen van het Planetarium in volkomene overeenstemming met hetgene ieder geleerd heeft en ieder gelooft; thans is de vatbaarheid van het algemeen meer dan vroeger geschikt om de voorstelling te begrijpen, en de hooge waarde van het kunstwerk op prijs te stellen.De kalme tevredenheid vanEisingawerd echter soms verstoord door eene grievende gedachte. Het was de vrees voor het lot van zijn geliefd kunstwerk na zijn verscheiden. Dat zijn huis dan verkocht en door vreemden bewoond zou worden, die, minder achting voedende voor kunst en wetenschap, een stuk van zooveel waarde, door stilstand en roest, zouden laten bederven, en, eenmaal verwaarloosd zijnde, eens zouden kunnen sloopen,—dit was eene mogelijkheid, waaromtrent hij, blijkens de ervaring gedurende zijne verbanning, de zekere verwachting moest voeden. Vele bezoekers deelden in die vrees, en gaven hun verlangen te kennen, dat het op eenige wijze voor kunst en wetenschap bewaard en in stand gehouden mogtworden. In genoemde voorrede had Do.Brouwerop zulk een gevreesd verlies, dat tot oneer en schande vanFrieslandenNederlandzou strekken, gewezen en de hoop gevoed, dat de grootmoedige belangstelling van den Koning het behoud van het kunststuk ten algemeenen nutte mogt verzekeren.Die wenk ging niet verloren. Jhr.Idsert Aebinga van Humalda, zelf smaakvol beoefenaar en nog grooter beschermer van kunst en wetenschap, was destijdsGouverneur van Vriesland. Door zijne bemiddeling behaagde hetKoningWillemI, bij besluit van den 28 December 1825, het Planetarium voor het Rijk aan te koopen. Groot was de vreugde van den waardigen grijsaard over deze eervolle beschikking. Op den 4 October 1826 begaf de Gouverneur met een Notaris en twee getuigen zich naar de woning vanEisinga, en werd daar de acte van transport geteekend, waarbij hij zijn Huis en Planetarium voor de som vantien duizendgulden aan het Rijk overdroeg, met bepaling, dat hem daarin vrije woning en 200 Gld. ’s jaars voor het toezigt werd toegekend, al hetwelk vervolgens op zijnen zoonJacobus Eisingazou overgaan. Daarbij werd het oppertoezigt aan den tijdelijken Hoogleeraar in de Astronomie aan ’s Rijks Athenæum teFranekeropgedragen. Niet lang daarna heeftEisinga, de vader, een naburig huis betrokken, en de zoon het huis van het Planetarium.Zóó was dan de langgevoede vrees geweken en het voortdurend bestaan van het kunststuk ten algemeenen nutte verzekerd. Zóó waren dan bijna al de wenschen vanEisingavervuld, en kon de 81jarige man de ure der ontbinding met gerustheid tegengaan. Hij had nu geene wenschen meer, daar hij deze koninklijke gunst als de hoogste hulde beschouwde, welke hem en zijn kunstgewrocht bij zijn leven kon worden toegebragt.Niet alzoo oordeelden zijne stadgenooten, wier Regering reeds lang gepeinsd had op het meest gepaste middel, om den grijsaard, nog bij zijn leven, een blijk te geven van hunne hoogachting en vereering. Mr.J. Scheltemahad daartoe in 1818reeds een wenk gegeven, en gewenscht, dat men zulk een bewijs van belangstelling, deze hulde van dankbaarheid en eerbied, niet zou verschuiven tot na ’s mans overlijden, maar hem zelven nog mogt toebrengen, ten einde ook daardoor den stillen avond van den welbesteden dag des levens te veraangenamen en te verhelderen. Het geviel dan, dat de Burgemeester vanFraneker, namens den Stedelijken Raad, daarover kwam spreken met den Gouverneur, Jhr.Aebinga van Humalda. Deze vernam dit oogmerk met veel genoegen, en keurde het niet alleen volkomen goed, maar trachtte het bezwaar, omtrent het vinden der kosten, in eens op te heffen, door te bepalen, dat de hulde aanEisingazou toegebragt wordendoor de stad Franeker, doch dat hij, als oudste vriend, dorpsgenoot en schoolmakker en niet minder als vereerder van den grijsaard, verzocht of aanbood, om uit zijne eigene fondsen de kosten daarvan te dragen27.Volgaarne werd dit aanbod aangenomen, en bepaald, dat het blijk van vereering zou bestaan in de vervaardiging van een afbeeldsel vanEisinga, hetwelk geplaatst zou worden in de Raadzaal van het Stadshuis teFraneker. De uitvoering daarvan werd opgedragen aan den beroemden schilderWillem Bartel van der Kooi, den veeljarigen vriend en vereerder vanEisinga, die nu al de kracht van zijn uitstekend kunsttalent scheen te ontwikkelen, om de waarde van dit gedenkstuk te verhoogen. In een levensgroot kniestuk stelde hij dengrijzen denker voor, gezeten in een leuningstoel aan eene tafel, waarop de door hem vervaardigde teekening ligt van de groote zon-eklips van den 7denSeptember 1820; terwijl het kleine Planetarium ter linkerzijde nevens hem staat en de achtergrond de afbeelding bevat van de kamer, waarin zich het groote Planetarium bevindt, welks stand juist die is van den 10denApril 1827. Dit uitvoerig en meesterlijk behandelde tafereel werd gevat in een eenvoudig schoone lijst, waarboven de smaakvolle schenker de volgende kernachtige woorden vanHoratiusliet plaatsen:ARCES ATTIGIT IGNEAS.Hij bereikte de vurige kasteelen des lichts.Dit kostelijk gedenkstuk was aanEisingaen aanFranekertoegedacht; en de 13deNovember 1827, de dag, waarop het hem zou worden toegeëigend, was een feestdag voor deze stad. Nadat de schilderij was opgehangen, vergaderde de Stedelijke Raad, waartoe ookEisingabehoorde. Door eene commissie, bestaande uit de heeren Dr.J. Bangaen Mr.J. W. de Crane, werd nu Jhr.I. Aebinga van Humaldaafgehaald en binnengeleid, waarna hij het pronkstuk, dat, nu ontdekt, zich in al zijn glans vertoonde, ten geschenke aanbood, ten einde der Raadzaal tot een blijvend sieraad en den grooten man ten duurzaam vereerend gedenkteeken voor tijdgenoot en nakomeling te strekken. Hij deed dit met de volgende hartelijke en schoone toespraak:„Edel Achtbare Heeren! Toen ik ruim een jaar geleden uit den mond van den Heer Burgemeester uwer stad het voornemen van UEA., om een duurzaam en openlijk blijk van achting en hulde aan uwenEisingaen diens schrander vernuft daar te stellen, mogt vernemen, moest natuurlijk bij mij de wensch ontstaan, om ook het mijne daartoe aan te brengen. Niets konde mij derhalve welgevalliger zijn, dan dat UEA. het voorstel, te dien einde door mij aan Zijn Ed. gedaan, gereedelijk tot mijne blijdschap geliefdet aan te nemen.Immers, ik herinnerde mij met een dankbaar gevoel aan degelukkige jaren, welke ik ten tijde van een vorig geslacht aan de vermaarde Hoogeschool in deze stad doorbragt, werwaarts men niet alleen uit alle hoeken van onsNederland, maar uit de verste streken vanEuropaen andere werelddeelen opkwam, om wetenschap te halen; en waar ter plaatse de geleerdheid zich nog boven het lot der tijden moedig blijft verheffen.Ik dacht aan de gelegenheid, welke mij nog eens hierdoor stond geboren te worden, om te toonen, hoe zeer mij alles, wat den roem van onsFrieslandverhoogt, steeds ter harte gaat: een roem, waaraanFranekerzoo rijkelijk toebrengt.Ik beschouwde het oogenblik als met verlangen, wanneer ik uwe Stad, plegtig en hartelijk, de verzekering van de hooge achting zoude geven, welke mij bezielt. Maar waartoe deze verzekering? Het is U, Mijne Heeren! bekend, wat ik gedaan heb ter bevordering van hare belangen.28Ontvangt dan, Edel Achtbare Heeren! dit geschenk van mijne hand tot een aandenken van mijne erkentelijke genegenheid. Dat het uwe Raadzaal versiere, en dat elk aanschouwer den grooten man bewondere en eerbiedige! Een bijzonder genoegen intusschen is het mij, U,Eise Eisinga! hier te kunnen begroeten. Gij zult in de hulde, U nu toegebragt, geen ijdel droombeeld, zoo als trotsche grooten gewoon zijn aan te nemen, vinden. Neen, maar uwe nederigheid zal er toch wel in willen opmerken, eene innige begeerte van uwe stadgenooten, om, nog lang na dezen tijd, het levendig Afbeeldsel van eenen beminden en waardigen Medeburger te bezitten.Ik huldig U met eerbied, en ben grootsch op U, als mijn dorpsgenoot en schoolmakker van vroegere jaren. Uw leven blijve nog lang gespaard, totdat gij het geluk zult deelachtigworden van het groote werk der schepping in al zijn omvang van nabij te beschouwen!In het algemeen, Mijne Heeren! ik bedank U voor de menigvuldige blijken van welwillende genegenheid en vertrouwen aan mij bewezen; ik bewaar die in mijn hart, en ik zal mijne achting voor U voegen bij die, welke gij met regt van uwe ingezetenen ontvangt.Het ga uwe stad altijd voorspoedig!Wel mogen ze varen, die haar beminnen!”Deze treffende toespraak van den grijzen staatsman werd namens den Raad, met welmeenende betuigingen van erkentelijkheid beantwoord door den Burgemeester I.de Swart, die Jhr.van Humaldaen den geheelen Raad vervolgens te zijnen huize onthaalde, en allen eene aangename gelegenheid schonk, om dezen feestdag verder door te brengen in gezellige vrolijkheid, vol gevoel van eerbiedige dankbaarheid jegens den edelen FrieschenMaecenasen van hartelijke deelneming in de bedaarde vergenoegdheid des braven grijsaards, die dezen dag onder de gelukkigste zijns levens telde.29Dat leven vanEisinga, zoo rijk aan zorg en inspanning, maar nog rijker aan wetenschappelijk genot, aan eerbetoon en aan de volkomenste bevrediging van al zijne billijke wenschen en verwachtingen, spoedde nu weldra ten einde. Zacht ontsliep hij in den morgen van den 27stenAugustus 1828, den ouderdom van 84 jaren en 6 maanden bereikt hebbende. Naarzijne begeerte werd zijn stoffelijk deel op het kerkhof van zijne geboorteplaatsDronrijpin de ouderlijke grafstede begraven.Die rustplaats werd weder gedekt met den zelfden steen, welke het vroeger vermelde grafschrift zijns vaders bevatte. Vreemd was het echter, dat men bleef verzuimen, daarbij een tweede grafschrift voor zijn grooten zoon te voegen. Het plan van Jhr.van Humalda, om hierin te voorzien, bleef ten gevolge van zijn overlijden, in 1834, onvolvoerd30. Nog in 1841 uitte Prof.de Craneden wensch, dat dáár eerlang een eenvoudig schoon gedenkteeken den wandelaar aan zijne rustplaats en zijne verdiensten mogt herinneren. Het was voor het Friesch Genootschap van geschied-, oudheid- en taalkunde bewaard, dit verzuim te herstellen, en der nagedachtenis vanEisingaeene hulde toe te brengen, waarop zijne verdiensten regt hadden. Op voorstel van den heerJ. van Leeuwenwerd dan op den 12denApril 1845, nadat op de vermelde grafzerk alleen den naam tot herkenning was gesteld, in den muur der schoone dorpskerk vanDronrijp, naast den hoofdingang en nevens het familiegraf, een groote steen geplaatst, bevattende tusschen eenvoudig lof- en lijstwerk het volgende opschrift:HuldeaanEISE EISINGA,uitvinder en vervaardiger van hetberoemdPLANETARIUMte Franeker;geboren te Dronrijp den 21 Februarij 1744,overleden te Franeker den 27 Augustus 1828,op dit kerkhof begraven;toegebragtdoorhet Friesch Genootschap vanGeschied-, Oudheid- en Taalkunde,MDCCCXLIV.Ik heb hiermede de voorgestelde taak, zoo kort en zakelijk als mij moogelijk was, ten einde gebragt31. Baart het altijd een groot genot, wanneer het ons vergund wordt de verdiensten van een groot man in het licht te stellen en zijner nagedachtenis de hulde onzer vereeniging toe te brengen,—hier ging de vermelding vanEisinga’s leven gepaard met de herinnering aan mannen, wier nagedachtenis mij dierbaar is als het onvergankelijke gevoel van vriendschap en geestverwantschap. Ja,HumaldaenDe Crane,Brouwer,SannesenVan der Kooi, ook zij, dieEisingaom strijd hunne hulde bragten, hebbenFrieslandtot eer en roem verstrekt, en wij, die met allen vriendschappelijk hebben omgegaan en thans tot hunne nakomelingschap behooren, hebben de denkbeelden engevoelens van die grijsaards opgevangen, om die onder een volgend geslacht voort te planten. Onbepaald was hun eerbied en lof voor het kunstgewrocht vanEisinga; maar zij paarden daaraan eene wijze voorzigtigheid of voorzigtige wijsheid, die ook wij niet onopgemerkt moeten laten, willen wij hem naar waarheid vereeren en niet door overdreven lof onteeren. Mogten zij het al betreuren, dat de éénige wensch vanEisingaonvervuld was gebleven, om elders een meer volkomen Planetarium te stichten; zij verloren, evenmin alsVan Swinden(vooral aan het slot der Opdragt), uit het oog, dat voor zijn persoon en dit kunstwerk de grootste eer dáárin was gelegen: dat hij, onder ongunstige omstandigheden en met zeer beperkte middelen, een grootsch doel had weten te bereiken;—en bijzonder, dat bekrompenheid van tijd en vooral van ruimte, bij den ongeschikten toestand van zijn huis, zijn geest gescherpt en een vernuft en bekwaamheid ontwikkeld had, welke, in de vinding en schikking der stukken en de hoogste eenvoudigheid der uitvoering, groote bezwaren hadden overwonnen. Dáárdoor toch had hij blijken van een bijzonder genie voor de werktuigkunde gegeven en de meeste bewondering verworven. Die opvatting werd steeds te veel uit het oog verloren; en daarom zouEisingazijne eer weinig vermeerderd hebben, al had hij ook later elders het volkomenste Planetarium op de grootste schaal mogen tot stand brengen. Eene andere opvatting bedreigde zelfs de wetenschappelijke beoefening van de sterrekunde inFrieslandmet eene verkeerde rigting. Want vele begaafde liefhebbers, vele bewonderaars van den sterrenhemel, dieEisinga, op grond van den roem van zijn Planetarium, voor een groot Astronoom hielden, werden daardoor in den waan gebragt, dat het vervaardigen van een dergelijk werktuig de schoonste eerekroon voor den sterrekundige ware. Naar de eer jagende, welke zij van eene zoodanige zamenstelling verwachtten, verspilden zij alzoo tijd en vermogen, en sloegen zij den weg niet in, die deeenigeis, welke tot de sterrekunde leidt. Verscheidene, anders verdienstelijke personenzou ik kunnen noemen, die op deze misvatting schipbreuk hebben geleden, en daardoor verzuimden kunde en waarneming vruchtbaar te maken aan de wetenschap, waartoe bij zoo velen in deze provincie werkelijk de aanleg aanwezig is.Eisinga’s kunstgewrocht heeft nu langer dan 70 jaren een gunstigen invloed gehad op veler duizenden voorstelling van den loop der hemelligchamen. Dat het dien invloed duurzaam behouden en geene verkeerde opvatting of naijver opwekken moge, is mijn hartelijke wensch. Ook daarom nam ik gaarne laatst vermelde aanmerking op, welke mij is medegedeeld door dien geachten deskundige, welke mij ook door zijne hulp en raad bij de bezorging van dezen derden druk verpligt heeft, doch die verlangde daarbij niet genoemd te worden. Op ons allen rust toch de dure verpligting, omEisinga’s eer en roem duurzaam tegen miskenning en overdrijving te handhaven en die in het belang der wetenschap te heiligen voor volgende geslachten.Leeuwarden,den 5 Januarij 1851.W. EEKHOFF.
HET LEVENVANEISE EISINGAENBEKNOPTE GESCHIEDENISVAN ZIJNPLANETARIUM.
Zoo dikwijls er sprake was van verdienstelijke mannen, die, wars van praalzucht, in stille nederigheid wegschuilen, pleeg de hoogbejaarde ProfessorVan Swindenzijnen vrienden dikwijls te verhalen, dat hij, omstreeks 40 jaren te voren, Hoogleeraar zijnde teFraneker, vernomen hebbende, dat er bij een burgerman aldaar een aardig werktuigje was te zien,—in eene soort van verrukking viel, toen hij daar op eens een volledig en gangbaarPlanetariumvoor zich zag, waarvanEuropade weergade niet toonen kon;—een kunststuk, door een eenvoudig wolkammer in de snipperuren van zes jaren geheel in zijne eenigheid voltooid, zonder dat hij of zijn collegaYpeij, als Hoogleeraren in de Natuur-, Wis- en Sterrekunde, of iemand der andere Professoren, die in deze kleine Akademiestad slechts eenige schreden verder woonden, iets van ’t werk geweten hadden, veel minder geraadpleegd waren1.Sedert die verrassende ontmoeting bezocht Prof.Van Swindenbij herhaling het Planetarium; hij onderzocht het in al zijne deelen en bestudeerde al de vereischten van zulk een werkstuk. Met elk bezoek steeg zijne bewondering van het werktuig en zijn eerbied voor den verdienstelijken vervaardiger, en het was dáárom, dat hij zich gedrongen gevoelde, hiervan eene uitvoerige beschrijving in het licht te geven, ten einde der wereld te toonen, welk overheerlijk schoon en voortreffelijk kunststuk zamengesteld was door een eenvoudig burger, wiens vernuft en bekwaamheden aanspraak hadden op roem en vereering.Zeventig jaren zijn er thans (in 1850) verkopen, sedertVan Swindendeze Beschrijving uitgaf. Voorzeker heeft hij daarmede zijn doel bereikt: want binnen- en buitenlands werd de hooge waarde van dit Planetarium erkend; duizenden, en daar onder de aanzienlijkste, zelfs vorstelijke personen, kwamen het beschouwen en bewonderen, en ver boven verwachting waren de eerbewijzen, welkeEisingadaarvoor bij zijn leven en ook na zijn overlijden ontving. Maar opmerkelijk is het vooral, dat—in weerwil der vorderingen van de kunsten en wetenschappen in die zeventig jaren; in weerwil de werktuigkunde inEngeland,DuitschlandenFrankrijksedert zulke reuzenschreden heeft gemaakt en de sterrekunde door talrijke nieuwe ontdekkingen en grondiger onderzoek in omvang en gewigt zeer is toegenomen,—dat dit Planetarium, én als vrucht van wetenschappelijk onderzoek én als kunststuk der werktuigkunde, nóg zijne waarde heeft behouden en door geen ander voortreffelijker werkstuk van dien aard is overschaduwd geworden. Aangenaam zijn daarom de belangstellende bezoeken, welkeFraneker(na bijna alle sporen van zijne vroegere wetenschappelijke grootheid verloren te hebben) nog bestendig van landgenooten en vreemden mag ontvangen, als eene hulde aanEisinga’s kunstgewrocht, hetwelk ook door de Friezen steeds op hoogen prijs wordt geschat. Daardoor is het mede noodzakelijk geworden, eenderden drukter perse te leggen vanVan Swinden’sBeschrijving, welken wij thans onzen landgenootenaanbieden. Wij wenschen dit te doen naar de behoeften van onzen tijd2. Wij durven toch vertrouwen, dat allen, die belang stellen in de beschrijving van het werktuig, behoefte zullen hebben om te weten: door wien en onder welke omstandigheden het werd vervaardigd; welke gevolgen daaruit voor den vervaardiger zijn voortgesproten; hoedanig zijne lotgevallen zijn geweest; welke veranderingen het Planetarium sedert 1780 heeft ondergaan, en welke verder de voornaamste omstandigheden en gebeurtenissen zijn geweest, die daarop betrekking hadden.Door de volgendeLevensschets vanEisingaenBeknopte Geschiedenis van zijn Planetarium(beide zoo naauw met elkander vereenigd) hopen wij aan die behoefte te voldoen, en daardoor tevens op nieuw een blijk te geven van onze zucht, om Frieslands roem in kunsten en wetenschappen, waartoeEisingazoo veel heeft bijgedragen, te bevorderen3.—Slaan wij vooraf het oog op zijne tijd- en kunstgenooten.Meermalen is het opgemerkt, dat in der Friezen aard eene bijzondere neiging ligt voor de beoefening van de mathematischewetenschappen in het algemeen en voor die van de Sterre-, Meet- en Werktuigkunde in ’t bijzonder. De laatste drie eeuwen hebben daarvan talrijke voorbeelden gegeven, waarvan vele vermeld zijn in de bekende Redevoering van den HoogleeraarC. Ekama4. Welligt was er echter geen tijdperk rijker in het voortbrengen van zoodanige vernuften dan de laatste helft der vorige eeuw. De langdurige vrede, rust en welvaart, die van 1713 tot 1780 bijna onafgebroken werden gesmaakt, gaven aanleiding, dat velen voedsel voor den geest zochten in die degelijkestudiën, waartoe, behalve gezond oordeel, geschiktheid tot afgetrokken nadenken met de zucht om naauwkeurig te toetsen en te overwegen, en niet minder volharding vereischt worden:—eigenschappen, welke in vele Friezen van den echten stempel voorzeker in hooge mate worden aangetroffen. Opmerkelijk is het tevens, dat de neiging tot gezegde studiën het meest gevonden werd bij lieden uit den eenvoudigen burgerstand of bij landbouwers, die in hun bedrijf ter naauwernood eenige aanleiding schijnen te vinden, om zich juist op die vakken toe te leggen. Misschien werkte het voorbeeld en onderwijs van den beroemdenWillem Loré, die teLeeuwardenin een Weeshuis was opgevoed en zich door groote mathematische bekwaamheden tot buitengewoon Hoogleeraar teFranekerwist te verheffen, nog lang na zijn dood (1744) op velen gunstig voort5. Evenwel is het bekend, dat de meeste der volgende Wis- en Werktuigkundigen weinig of geen onderwijs van anderen genoten, maar zich door de kracht van huneigen genie en door volhardende inspanning uitstekende bekwaamheden verwierven.TeLeeuwardenhad de bekende Hortulanus van Prinses Maria Louisa,Johann Hermann Knoop, die in verschillende vakken een aantal werken heeft uitgegeven, reeds lang onderwijs in de Wiskunde, gelijkHayke HaanstravanBuitenpostin de Rekenkunde gegeven, toen de timmermanWytse Foppes Dongjuma, naar zijne geboorteplaatsDongjumbijFranekerdus genoemd, onder begunstiging van genoemde Prinses, zich hier nederzette, als Mathematisch Instrumentmaker, Landmeter en Wijnroeijer. In 1763 vervaardigde hij een toestel, door hemMagnetimetergenaamd, en gaf verscheidene grondig bewerkte schriften in het licht. Hij vormde een kring van leerlingen, met wie hij vele sterrekundige waarnemingen deed. Van sommigen hunner, alsJarich Tjeerds,A. PosthumusenH. Balk, zijn nog mathematische geschriften in de Bibliotheek dezer stad voorhanden. De onderwijzerTjeerd Ringneerymaakte zich door zijne handboeken voor het boekhouden en den graanhandel verdienstelijk (1763). De schilderRienk Jelgerhuisbeoefende mede de Wiskunde, blijkens zijneAanmerkingen op de Perspectiva vanCaspar Philips(Leeuw. 1769).Luitjen F. Wiersma, vanWartenageboortig, had reeds in 1754 (teDokkumwonende) eeneWiskunstige Arithmeticauitgegeven, toen hij zich in 1777 teLeeuwardenvestigde, waar hij twee jaren later gevolgd werd door den bekwamenLucas Oling, van Weender geboortig, door zijn belangrijkRekenkundig Exempelboekvermaard. Grooten naam verwierf zich medeMattheus Siderius, die als Luit. Kol. en Ingenieur der V. Ned. in 1781laThéoriede la Fortificationen in 1784Gronden der Vestingbouwkundeuitgaf, enJ. W. Karsten, die in 1797 teLeidenmet goud bekroond werd als schrijver eenerHandleiding tot de kennis der Meetkunde.Ook aan de eertijds bloeijende Akademie teFranekervond de Wis-, Natuur- en Sterrekunde in dit tijdvak ijverige beoefenaars in de HoogleerarenAnthonius Brugmans, vanHantum,Van Swinden,Nicolaas YpeijvanBergum,Jacobus Pierson Tholen, vanLeeuwardenenAdolphus Ypeij, vanFraneker. Aan deze Akademie waren mede verbonden, als HortulanusDavid Meese, vanLeeuwarden, bijzonder door kruidkundige schriften vermaard, enJan Pieters van der Bildt, vanL. Vrouwe-Parochie, als Amanuensis en verzorger der verzameling physische instrumenten; een man van geringe afkomst, die eerst door het maken van uurwerken en daarna van optische instrumenten zich zeer verdienstelijk gemaakt en een grooten naam verworven heeft, daar vooral zijne teleskopen lang op hoogen prijs werden geschat. In genoemde betrekking werd hij in 1791 opgevolgd doorSybrand Taekes van der Fliet, vanFraneker, die lang trekschipper was, doch door vlijt en inspanning, ten gevolge der verkeering met de zonen vanVan der Bildt, het zoo ver bragt, dat ook hij optische en andere instrumenten vervaardigde. Bij zijn dood in 1806 werd hij opgevolgd doorBauke Eisma van der Bildt, vanFraneker, die, als bekwaam werktuigkundige, den naam zijns grootvaders ophield en eene menigte teleskopen, kijkers en andere werktuigen heeft vervaardigd, welke algemeen geacht zijn6. Bovendien waren er destijds in den eenvoudigen burgerstand teFranekerverscheidene personen, die voor zich zelve de mathematische wetenschappen beoefenden, en van wie dus weinig meer dan hunne namen bekend is. Deze warenWillem Wytzes,Douwe Wytema,Dirk Dodenga,Marten ClaverenPieter Idserds Portier, die tevens als een zeer bekwaam teekenaar van schepen en landschappen bekend is. Nog wasWouter Martens van der Werff, vanWoudsendgeboortig, daar als leermeester in de Wis- en Sterrekunde zeer geacht; terwijlPibo Steenstra, de zoon van een tigchelaarsknecht, het geluk had, opgemerkt te worden door Prof.Ypeij, die zijn gunstigen aanleg dermate ontwikkelde, dat hij als Lector in de Wis-, Zeevaart-en Sterrekunde teAmsterdam, verscheidene goede leerboeken uitgaf, welke bij het publiek lang grooten bijval vonden. Ook de scheikundigeBoudewijn Tieboelen de beroemde wijsgeerFrans Hemsterhuis, beide teFranekergeboren, behooren nog bij dit getal genoemd te worden.In de nabijheid vanFraneker, in de buurtSalwerd, woonden toenmaals de broedersRientsenKlaas Piers Salverda, die uitmuntten door vernuft, oordeel en bekwaamheid, vooral in het maken van fraaije zonnewijzers. Uit dit geslacht was mede afkomstig de geleerdeWybo Fynje, Doopsgezind Leeraar teDeventer, bekend wegens zijne ongemeene bekwaamheden in de hoogere Wiskunde.TeHarlingengaf de Oud-SecretarisMathys Adolph van Idsingain 1787 blijken van groote bedrevenheid in de Sterre- en Zeevaartkunde in zijne werkjes:Aanwijzinge van het seekere Middel waardoor de zeeman iederen nacht zijne waare langte kan te weeten komen, metVervolg, en niet minder zijn tegenschrijverAbe Jans Hingstaldaar. Te dier stede woonde destijds mede een zeer bekwaam uurwerkmaker,Tjeerd Radsma, die met veel vernuft een beweegbaar Planispherium vervaardigde, waarvan Prof.Van Swindenin §82zijner Beschrijving vanEisinga’s Planetarium eene korte aanwijzing en vergelijking heeft gegeven, nadat hij toen reeds acht dezer werkstukken vervaardigd en teHarlingenenAmsterdamgeleverd had.In het dorpAchlumbijFranekerwas destijds de landbouwerKlaas Gerrits Wieringaeen vernuft, dat, zeer bedreven in de Wis- en Werktuigkunde, door het vervaardigen van eene electriseermachine en andere kunststukken, algemeen opzien baarde. Uit het daar bij gelegene dorpArumkwam de bekwameObbe Sikkes Bangmavoort, die, even alsHenricus AeneaevanOudemirdum, door hunne bekwaamheden en uitgegevene geschriften inHollandeervolle wetenschappelijke betrekkingen mogten verwerven.Overigens waren er in die laatste helft der 18eeeuw nog een aantal stille beoefenaars der Wis- en Sterrekunde inFriesland,waarvan wij niet de woonplaatsen, maar alleen de namen kennen, en die zich, onder den titel van: Mathematicus, of van: Liefhebber der Mathematische kunsten, verdienstelijk hebben gemaakt als berekenaars van de Almanakken der jaren, achter hunne namen geplaatst. Zij zijn:Gerrit Tresling, 1755, vermoedelijk teLeeuwarden;Leendert Holder, 1764, denkelijk onderwijzer teArum;H. D. Hylkema, 1770;Hanso Lemstra van Buma, 1775, later, in 1791, Boekhandelaar teSneek;S. SjoerdsenS. van der Werf, 1782;Popke Sluiter, 1784;Gerrit Hendriks, 1793;Marten Jonker, 1794;Tiede Dykstra, 1795;Joris de Haan, 1797;Johannes Egberts, 1799 en daarnaEvert Sjerps Ferwerda, timmermansknecht teLeeuwarden, dien wij nog gekend hebben.Wij zouden nog meerdere namen kunnen noemen, als: vanHendrik Anjema, vanFraneker, die eenTafel der Devisoren van alle de natuurl. getallen(Leiden 1767) uitgaf; vanNicolaas Epkema, vanWirdum, dieWolff’s Tafelen tot de Trigonometria(Amst. 1765) in ’t Ned. overbragt; van de voortreffelijkste gebroedersPieter,AlbertenArjen Roelofs, vanHijum, die zich eerlang tot eene verwonderlijke hoogte verhieven;—doch reeds meer dan genoeg, om aan te toonen, datFriesland, inzonderheid in de laatste helft der 18eeeuw, vruchtbaar was in het voortbrengen van mathematische vernuften7.In het aanzienlijke en fraai gelegene dorpDronryp, inMenaldumadeel, tusschenLeeuwardenenFraneker(waar eertijdsRiemer Sybeswoonde, die de eerste leermeester in de Wiskunde was van den later zoo beroemdenWillem Loré) was omstreeks het midden der vorige eeuw, bovendien, eengeslacht gevestigd, waarin de zucht en de geschiktheid voor de mathematische wetenschappen en de werktuigkunst erfelijk scheen te zijn. Daar woonden de broedersJelte EisesenAne Eises, vanOosterlittensinBaarderadeelafkomstig, die het beroep uitoefenden van wolkammer. Van jongs af hadden beide zich in de uren van uitspanning toegelegd op de Reken- en Meetkunst, en bestendig bleef het hen eene aangename bezigheid zich te oefenen, en den tijd, welke hen van hunne kostwinning overschoot, te besteden tot het zamenstellen van een of ander kunstwerk of aardigheid, waarbij eene zeldzame handigheid beider vernuft ten dienste stond. Van de verschillende stukken, doorJeltevervaardigd, zijn bekend, dat hij, in jeugdigen leeftijd, een tweemast galjootscheepje vervaardigde, van 9 voet lengte, met alle toebehooren en in juiste evenredigheid, zóó zelfs, dat er twee man meê te water konden gaan. Als liefhebber van muzyk en zang maakte hij voor huiselijk gebruik een klavier en daarna een kabinetorgel, waarvan hij de inrigting had gadegeslagen bij gelegenheid der herstelling van het kerkorgel vanDronryp, waarover hij als Kerkvoogd het opzigt had. Doch inzonderheid hielden zij zich bezig met het berekenen en zamenstellen van zonnewijzers, in onderscheidene en soms zonderlinge vormen, waarvan vele in den omtrek aan de huizen en als tuinsieraden werden geplaatst. Eene doorJeltemede vervaardigde kunst-draaibank, van bijzondere vinding, bewees bij al deze werkzaamheden groote diensten.De jongste der broeders,Ane, vertrok eerlang naarFraneker, waar hij Waagmeester en Ontvanger of Collecteur van het Gemaal, den Turf enz. is geworden.Jeltebleef bestendig teDronrypwonen, als wolkammer, en trad in het huwelijk metHittje Steffens, van het naburige dorpWinsum, bij wie hij twee zonen en twee dochters verwekte. De jongste dezer zonen heetteStephanus Jeltes, waarbij hij later den naam vanEijsingaaannam. Hij werd geboren den 24 Maart 1755 en onderscheidde zich, even als zijn oudere broederEise, spoedig door een zeldzamen aanleg voor de Wis- en Sterrekunde, welke door hetdagelijks onderwijs van den vader werd ontwikkeld en gevoed. De vrucht van zijne ijverige oefeningen bragt hij in 1776 bijeen in een groot boek (van 257 bladz.), hetwelk hij tot titel gaf:Grondbeginselen der Astronomie of Sterreloopkunde,op eene theoretische wijze verhandeld, waarin hij met keurig schrift en nette teekeningen en berekeningen de gronden dezer wetenschap ontvouwde. In het volgende jaar voegde hij daar achter een kunstwerk, hetwelk hij noemde:Gnomonica of Sonnewijzers, Alle door passer en lijnjaal afgepast op de noorderbreedte van Dronryp. Dit bevat in 170 bladz. de afbeeldingen en beschrijvingen van 86 verschillende soorten van zonnewijzers, welke evenzeer van zijne nette manier van werken als van zijnen vindingrijken geest getuigen8. Ook na den dood zijns vaders, die den 24 October 1785, oud ruim 69 jaren overleed9, bleef hij in het ouderlijk huis en bedrijf werkzaam, en zijne snipperuren gedurig besteden zoowel aan de Sterre-, Reken- en Werktuigkunde, als aan de muzyk en het vervaardigen van fraai teeken- en schrijfwerk. Hij overleed den 27Januarij 1814. Als vader viel ook hem het geluk te beurt, den lust en aanleg voor genoemde vakken te ontwikkelen en aan te kweeken in zijn oudsten zoonJelte, die eerlang blijken gaf van groote verwachting. Want reeds op zijn zeventiende jaar vervaardigde deze, bij wijze van uitspanning, een beweegbaar astronomisch kunststuk, in den vorm van een staand uurwerk, waarop de vaste sterren met de zon op- en ondergingen, met aanwijzing van den waren en middelbaren tijd, van den ouderdom en de schijngestalten der maan enz. Doch die vadervreugde werd eerlang vadersmart, toen deze jongeling in de Fransche conscriptie viel, naarRuslandtrok, en, na de groote vermoeienissen van dien veldtogt, in 1812, in een hospitaal teKaunoinPolenstierf, door zijne familie diep betreurd.Uit zulk een geslacht, dat het voorregt bezat van het leven van den geest, met liefde voor kunst en wetenschap, in hooge mate te genieten, isEise Jeltesof, zoo als hij zich later schreef,Eise Eisingavoortgesproten. Den 21 Februarij 1744 teDronrijpin het huis No. 131 in de Kerkeburen geboren, werd hij door zijn vader van jongs af opgeleid zoowel in het bedrijf van wolkammer als in die wetenschappen, kunsten en liefhebberijen, welke zijnen geest bestendig vervulden en zijne rusturen veraangenaamden. Dat die zoon lust, aanleg en geschiktheid daarvoor betoonde en zich beijverde, den vader behulpzaam te zijn in al zijne verrigtingen, was dezen een onbegrijpelijk genot en eene sterke aansporing, om alles toe te brengen, wat zijne kennis en bekwaamheid kon vermeerderen. Nog zeer jong begaf hij zich nu en dan naar het naburigeFraneker, ten einde van een burgermanWillem Wytseseenig onderwijs te ontvangen in het rekenen en de gronden der wiskunde. Hij doorliep bij dezen de zes eerste en de 11een 12eboeken van Euclides en erlangde eenige opleiding in de klootschedriehoeksmeting, de kennis van het hemelstelsel, het gebruik van de astronomische tafelen en het berekenen van de eklipsen. Hoe onvolkomen dit onderwijs ook ware, mede wegens gemis aan geschikte leerboeken,—zijn ongemeene aanleg en vernuft hadden genoeg aan enkele vingerwijzingen, om het gehoorde te bewerken, uit te breiden en toe te passen, en alzoo voort te streven langs een eigen pad.Op den ouderdom van 17 jaren had hij het geluk, in kennis te geraken met boven vermeldenWytse Foppes Dongjuma, zeer geacht Wiskundige en Instrumentmaker teLeeuwarden. Toen de aandacht der sterrekundigen bijzonder was gevestigd op het merkwaardige verschijnsel, dat de planeet Venus op den 6 Junij 1761 voorbij de schijf der Zon zou gaan, had deze instrumenten ontworpen tot het doen van naauwkeurige waarnemingen. Zelfs de lands regering trok zich deze zaak aan, en stond hem toe, deze werktuigen op staats kosten te vervaardigen en daarmede waarnemingen te doen op het destijds onbewoonde oude kasteelCamminghaburgbijLeeuwarden. Toen deze observatiën gelukkig uitvielen enWytse Foppesdaarvan in twee werkjes aan de geleerde wereld mededeeling deed10, behaagde het Gedeputeerde Staten hem bovendien een jaargeld van 100 Daalders te vereeren, welke som daarna met nog 48 Gld. verhoogd werd.Het mogt den jeugdigenEisingagebeuren deze waarnemingen bij te wonen, en aan den gunstigen en eervollen uitslagdaarvan sterke aansporing te ontleenen, om zich met ijver op zijne lievelings-studiën toe te leggen. Hij deed dit werkelijk, en als de vrucht dezer oefeningen is nog lang bewaard een folio geschrift, bevattende teekeningen en berekeningen van zonnewijzers, en een dergelijke band van ruim 100 bladz., bevattende naauwkeurige berekeningen van alle Zons- en Maanverduisteringen, welke er van 1763 tot 1800 zouden plaats hebben, vergezeld van teekeningen dergene, welke teFranekerzouden zigtbaar zijn. Deze arbeid van een achttienjarig jongeling, gevoegd bij zijne berekeningen van de standplaatsen der planeten, waarvan hij bij het begin van elk jaar tafels voor elke maand vervaardigde, ten einde dienst te bewijzen bij het doen van waarnemingen, mogten later de bewondering van groote geleerden wegdragen; aangezien hij dien arbeid had volbragt, geheel onbekend met het bestaan zelfs van sterrekundige jaarboeken en tafels, waarin de vooraf berekende standplaatsen der voornaamste hemelligchamen worden opgegeven.Zonder eenige aanspraak op lof en eere hadEisingadit alles teDronrijpin het ouderlijk huis verrigt, geheel in stilte, als uitspanning na volbragte dagtaak, en zonder eenig opzien te baren; zelfs zonder eenig uitzigt, dat deze studiën hem voor de toekomst van eenig ander nut en voordeel zouden zijn, dan dat zij hem bevrediging van weetlust aanboden. Hij volgde eene natuurlijke aandrift en was verder zich zelven genoeg.Dat ouderlijk huis kon evenwel zijne bestemming niet zijn. In vier-en-twintig-jarigen ouderdom trad hij in het huwelijk metPietje Jacobs, vanHilaard, en vestigde zich in 1768 als Wolkammer teFranekerin het huis de Ooijevaar, tegenover het Stadshuis. De wolkammerij toch bloeide daar toenmaals ongemeen, en waren er 21 saaijet-fabrijken in werking, welke honderden handen werk gaven en tonnen gouds in omloop bragten11.Als een stil burger, die zich met geene andere zaken dan met zijn beroep scheen bezig te houden, en die enkel jaarlijks voor zijn wolhandel eene reis naarLeidendeed, leefde hij, zonder veel verkeering met anderen en zonder door anderen opgemerkt te worden. Dit was ook een gevolg van zijn aard en karakter, dat geheel den rustigen Fries vertoonde, die, in stille ingetogenheid, bij eene afgetrokkene of geslotene geestgesteldheid, geene behoefte had aan hulp of lof van anderen. Zelfs had hij geen verkeer met personen, die de zelfde vakken beoefenden, waaraan hij zijne rusturen bestendig bleef toewijden. Niemand kon dus in hem een vernuft vermoeden, dat tot de stoutste onderneming zou opklimmen.Hoe talrijk destijds ook de beminnaren van de Sterrekunde inFrieslandwaren—het gros der bevolking nogtans voedde omtrent den loop der hemelligchamen nog zulke bekrompene en zonderlinge begrippen, dat ongemeene verschijnselen dikwijls aanleiding gaven tot groote bewegingen. Kerkelijke naauwgezetheid voedde dan de kleingeestige vrees voor schrikkelijke gevolgen, als zoo vele oordeelen Gods wegens de zonden der menschen. Dit bleek ook ten jare 1774, toen het merkwaardig verschijnsel verwacht werd, dat de planeten Jupiter, Mars, Venus en Mercurius, gelijk ook de Maan, zich op den 8 Mei te gelijk in het zelfde hemelteeken de Ram zouden bevinden. Een vroom godgeleerde, die zich een „liefhebber der waarheid” noemde, vond daarin aanleiding tot het schrijven van een werkje, getiteld:Philosophische Bedenkingen over de Conjunctie van de planeten Jupiterenz. Hij betoogde hierin op een gemoedelijken toon, dat deze conjunctie een verderfelijken invloed zou kunnen hebben niet alleen op onzen aardbol, maarook op het geheele zonnestelsel, ja zelfs, dat dit eene voorbereiding of begin zou kunnen worden van de slooping van het heelal, zoodat de nadering van den jongsten dag als waarschijnlijk werd gesteld12.Hoe zouden de gemoederen van onkundigen, die van elke bevolking de meerderheid uitmaken, door zulk eene voorspelling niet verontrust zijn geworden? De algemeene vrees, waarmede de 8 Mei werd te gemoet gezien, werd gevoed door drukkers en liedjeszangers, die op openbare straten de goede gemeente tot boete en berouw vermaanden. Het liep eindelijk zóó hoog, dat de overheid er zich meê bemoeide. Na de liedjes bij de drukkers te hebben laten ophalen en de zangers vastzetten, liet de Regering door eendeskundigeeen berigt in deLeeuwarder Courantplaatsen, dat er op dien dag niets anders zou gebeuren, dan dat men vóór Zons-opgang, bij helder weder, de vier gemelde planeten en de maan in genoemd hemelteeken zou zien, en dat dit verschijnsel, even als de reeds voorgevallene conjunctiën van Mercurius en Mars, en van de eerste en de Zon, geheel geen invloed op de aarde zou hebben13.Dit had de gewenschte uitwerking: want de dag, met zoo veel angst te gemoet gezien, ging rustig voorbij, en beschaamde alzoo elke dwaze voorspelling en alle kleingeestige vrees.Deze volksbeweging was echter niet geheel nutteloos geweest. Integendeel, zij had een belangrijk gevolg: want te midden der algemeene onrust bleefEisingabedaard; hij vreesde niets,terwijl de door hem vervaardigde tafelen den juisten stand der planeten aanwezen, gelijk bij de waarneming van het verschijnsel bleek. Hij betreurde alleen de onkunde der menigte, die blijkbaar geen begrip had van den stand en loop der hemelligchamen; terwijl hij met verwondering had ontwaard, hoe algemeen nog de voorstelling was ingeworteld, dat de aarde in het middenpunt des hemelstelsels geplaatst zou zijn, en dat de zon en de planeten zich rondom haar zouden bewegen.DatEisingadit stelsel vanPtolemaeusenTycho Brahéverwierp, en dat van den miskendenCopernicusaankleefde, was natuurlijk na zoo vele jaren van onderzoek en oefening. De wensch, om ook anderen daarvan te overtuigen; de inval, hoe aangenaam het zou zijn, een werktuig te bezitten, waardoor men te allen tijde den waren stand der hemelligchamen zou kunnen gewaar worden en aantoonen; de mogelijkheid, om dit op eene eenvoudige wijze ten uitvoer te brengen—dit alles vervulde zijnen geest. Na ernstige overpeinzingen, mat hij zijne krachten, en—de inval werd een voornemen en dit een vast besluit, om zelf handen aan het werk te slaan, ten einde, tot eigen gemak en genoegen en bij gelegenheid tot voorlichting van anderen, aan den zolder zijner woonkamer een geregeld bewegend werktuig te vervaardigen, hetwelk hem den stand des hemels, de ware plaats en den geregelden gang van zon, maan en dwaalsterren bestendig voor oogen zou stellen. Behalve het genoegen, dat zulk eene huiselijke werkzaamheid in zijn liefhebberijvak hem scheen aan te bieden, meende hij door zulk eene aanschouwelijke voorstelling bij den zamenstand of conjunctie der planeten ook de ongegrondheid te zullen kunnen aantoonen van de vrees voor nadeelige gevolgen daarvan voor onze aarde.Na zijne huisvrouw het plan medegedeeld en den duur van den arbeid op zeven jaren bepaald te hebben, werden de handen ijverig aan het werk geslagen, echter zonder verwaarloozing van zijn beroep, dat altijd hoofdzaak bleef. Het geheelezamenstel werd nu berekend en overwogen, en vervolgens gewijzigd naar plaatselijke omstandigheden en de bekrompene ruimte, waarover hij te beschikken had. Ten gevolge daarvan deden er zich weldra bezwaren en moeijelijkheden op, welke hij vooraf kwalijk kon voorzien en die toch door geduld of vernuft moesten overwonnen worden. Wij noemen daarvan enkel de belemmering, welke de bedstede veroorzaakte, waarop hij zijne nachtrust genoot.Deze kon hij niet anders dan met vele moeite overwinnen door de verkorting van den slinger, welke het gansche uurwerk in beweging moest brengen, tot op 80 slagen in eene minuut, dewijl eene meerdere lengte, voor 60 slagen, volgens zijn eerste plan, die bedstede onbruikbaar gemaakt zou hebben. Ook de dikte der balken van het gebouw, waarvan de plankenvloer verhoogd en aan welke een nieuwe zolder, waarin het werk zich zou bewegen, verbonden moest worden, veroorzaakte een bezwaar bij de plaatsing van al de raderen, zoodat hij zich verpligt zag, drie assen in plaats van ééne te gebruiken. De berekening van de vereischte tanden in een honderdtal raderen en rondsels, bij zoo verschillende bewegingen, kostte hem mede groote moeite en zorg, bijzonder, omdat hij vervolgens ook een hemelsplein en maanwijzers daarmede in verbinding bragt. Alle krachten van geest en ligchaam moesten daarbij ingespannen worden, dewijlhij zélf allesverrigtte. Beurtelings toch was hij wolkammer en rekenaar, teekenaar en werktuigkundige, timmerman en uurwerkmaker, draaijer en schilder en wat dies meer zij, zonder ooit eenig Planetarium of plaat daarvan gezien te hebben, zonder gebruik te maken van de vele hulpmiddelen en geschriften, welke er destijds reeds bestonden, en zonder dat hij van iemand eenige andere hulp genoot, dan dat hij de vier benoodigde koperen raderen naar zijn voorschrift door een klokmaker liet bewerken, en dat zijn vader, wien hij over het werk geraadpleegd had, eenige schijven en assen op de door dezen vervaardigde kunstdraaibank heeft gedraaid. Voor elks oog verborgen, verstoken van alle aanmoediging en de minste vertooning of opspraak vermijdende, werkte hij rustig voort envorderde dagelijks in stilte. En dat hem bij dat alles een vrome geest bezielde, vol van eerbied voor den grooten Schepper van het bewonderenswaardig heelal, daarvan getuigt de nog op zijne werkplaats aanwezige spreuk, die hij dagelijks voor oogen had: GEDENKT DAT GODT BIJ U ALTIJD HIER TEGENWOORDIG IS14.Te midden van dezen ijverigen arbeid deden er zich echter onvoorziene verhinderingen op, welke hem op het verlies van kostbaren tijd te staan kwamen. Hij werd tot verscheidene onvermijdelijke lastposten geroepen, als: tot Collectant voor de armen, tot Officier der Schutterij, tot Vroedsman of lid der Stedelijke Regering en tot Armvoogd. Bovendien zag hij zich aangesteld tot Collecteur of Ontvanger van ’s Lands middelen op den brandewijn en de havenspeciën. In deze betrekking vervaardigde hij zeer naauwkeurige lijsten, waarop men den impost van allerhande waren uitgerekend vond. Vermits deze ook voor kooplieden en andere ontvangers zeer dienstig konden zijn, liet hij ze in 1778 drukken, en maakte bij die gelegenheid eenige melding van het werktuig, dat hij onder handen had. Dan, deze lijsten kwamen enkel onder de oogen van hen, voor wie ze vervaardigd waren, en zijne mededeeling trok dus geheel niet de aandacht van deskundigen15.Als blijken van onderscheiding en vertrouwen waren al die betrekkingen hem wel aangenaam en nam hij ze met zorg waar, doch de uren van werkzame uitspanning, welke hij zoo gaarne en met liefde aan zijn planetarium besteedde, zag hij daardoor zeer inkrimpen. Met des te meer geestkracht en vlijt werkte hij voort, en nog waren er in 1778 geene vier jaren verloopen, of het werktuig was reeds gangbaar en het geheel in Februarij 1780 nagenoeg voltooid. Zie hier een overzigt van het gansche zamenstel:In het midden van de kamer had hij aan den zolder een stilstaande Zon afgebeeld, uitschietende 24 stralen, waarvan om de andere eene zwarte lijn voortkomt, strekkende tot aan den buitenrand, welke de Ecliptica verbeeldt en deelende dezen cirkel in 12 vakken, welke de hemelteekens of den dierenriem voorstellen. Tusschen dezen rand en de zon had hij in het plafond zeven nagenoeg cirkelvormige sleuven aangebragt, waarin de planeten (door hangende bolletjes voorgesteld) hun bepaalden omloopstijd rondom de zon volbrengen; in beweging gebragt door een uurwerk, waarvan de slinger zich boven de bedstede en de raderen zich tusschen twee zolders (op en onder de balken) bevinden.Het bolletje in de eerste sleuf verbeeldt de planeetMercurius, die in 88 dagen haar loop om de zon volbrengt;—dat in de tweede,Venus, de morgen- en avondster, die 225 dagen daartoe noodig heeft;—de derde cirkel is de weg, welke onzeAardein 365¼ dagen om de zon volbrengt, nevens wier bol eene kleinere deMaanverbeeldt, welke in ruim 27 dagen om deAardeen tevens om haar eigen as draait, en met de aarde eens in ’t jaar om de zon gevoerd wordt, waardoor dit maan-bolletje (dat half verguld en half zwart is) altijd de vergulden kant naar de zon gekeerd houdt;—de vierde bol is de planeetMars, met 687 dagen omloopstijd;—de vijfde,Jupiter, met 4 kleinere bolletjes, welke zijne wachters of manen voorstellen, loopt in 11 jaren en 315⅓ dagen rond;—in de zesde sleuf stelt eene bol, met een platten breeden ring omvangenen van 5 manen vergezeld,Saturnusvoor, welke in 29 jaren en 164 dagen zijn loop om de zon volbrengt;—de zevende en uiterste sleuf verbeeldt den weg van deZon, waarin een wijzer, in 365 dagen ééns rond gaande, aan de binnenzijde de teekens en graden van de lengte der zon op de ecliptica en aan de buitenzijde de maanden en dagen van het jaar en de declinatie der zon aanwijst16.—Tot aanwijzing van de beweging der Maan om de Aarde had hij verder aan den zolder twee en aan de bedschutting twee groote en vier kleine cirkels met wijzers geplaatst; waar tusschen zich in het midden gelijke aanwijzingen bevonden van den dag der week, het uur van den dag en het jaartal, alsmede van de schijnbare beweging der zon en vaste sterren. Dit laatste Hemelsplein en niet minder de Maanwijzers, die de ongeregelde beweging der maan zeer naauwkeurig voorstellen, veroorzaaktenEisingabij de zamenstelling de meeste moeite en zorg.Zoo verre was het werktuig voltooid, hoewel nog niet opgeschilderd, toen zich op den 22 Februarij 1780 onverwacht drie Franeker Hoogleeraren bijEisingaaanmeldden, hem te kennen gevende, vernomen te hebben, dat hij een aardig werktuigje had vervaardigd, hetwelk zij gaarne eens zouden willen zien. Het waren de Proff.J. H. van Swinden,G. CoopmansenE. Wigeri. Met de hem eigene bescheidenheid en nederigheid antwoorddeEisinga, dat hij niet wist of zijn werktuig de belangstelling der Heeren wel verdiende; dat het nog lang niet geheel voltooid was, waartoe hem de tijd had ontbroken, doch dat hij evenwel bereid was het hun te laten zien. Men trad de burger-woonkamer binnen, hief de oogen op, en vroeg nuen dan eenige verklaring van den maker. Wat de twee laatstgenoemde Hoogleeraren dachten en gevoelden, is ons onbekend gebleven; maar Prof.van Swinden, die elders „onderscheidene Planetaria had gezien; die dikwijls over dergelijke werktuigen had nagedacht, ja, die zelf eens eene schets van een eenvoudig Planetarium had ontworpen”,—zoodra had deze het geheel niet overzien en begrepen, of hij werd „door eene wezenlijkeverrukkingover de fraaiheid van dit kunststuk vervoerd,” en, ofschoon hij twee volle uren aan de bezigtiging besteedde, twijfelde hij nog, of hij, „door de verwondering als overstelpt, alles wel volkomen had ingezien en nagegaan.” Te huis gekomen, ging hij alles na, teekende het voornaamste op, overwoog de vereischten van zulk een werktuig, las verscheidene schrijvers, om zich van de waarde van dit Planetarium te overtuigen, en stelde eenige gedachten en vragen tot nader onderzoek op het papier. Den 13 Maart bezocht hijEisingaop nieuw in gezelschap van Prof.Schrader, Prof.Garcin, Baronvan Aylva, Do.P. Stinstraen anderen. Bij een onderzoek van eenige uren bleek hem nu, dat de eerste reis veel zijner aandacht ontglipt was, en dat het kunststuk meerdere voortreffelijkheden bezat, dan hij verwacht had. En na eene derde bezigtiging en veelvuldige inlichtingen van den vervaardiger, was „zijne verwondering,wel verrevan door den tijd te slijten, bij eene naauwkeurige kennis van het geheel, nog grooter dan zij in den beginne was.” „Verrukkend was het hem, gewaar te worden, hoe de grootste zwarigheden voor een groot vernuft als kaf verdwijnen, enhoe men,door de eenvoudigste middelen, wanneer men een daartoe geschikten geest bezit,de meest zamengestelde stukken kan vervaardigen. Naarmate hij ieder stuk in deszelfs wezenlijke waarde leerde kennen, voelde hij zijne achting voor den vervaardiger groeijen en zijne blijdschap vermeerderen, van door diens onderrigtingen vorderingen te maken in sommige deelen der werktuigkunde.”Prof.van Swindengaf zijne ingenomenheid met dit voortreffelijke kunststuk het eerst lucht, door het ontwerpen vaneene korte schets daarvan, welke hij toezond aan zijnen broeder den AdvokaatS. P. van Swindente’s Hage, alsmede aan de Akademie der Wetenschappen teBrussel, aan den PrinsVan Gallitzin, aan de beroemde geleerdenDe Luc, destijds teLonden,CotteteMontmorencienGaussenteMontpellier; en alleen gebrek aan tijd verhinderde hem vooreerst gelijke mededeeling te doen aan zijne correspondenten teParijs, tePetersburgen inDuitschland,ZwitserlandenItalië. Doch ook als burger en geleerde besefte hij zijne verpligting jegens zijn vaderland, om de verdiensten van een voortreffelijk burger en stadgenoot algemeen bekend te maken. „Wegens vindingrijk vernuft en bijzondere vermogens voor de werktuigkunde mogten toch de Friezen zich evenzeer opEisingaberoemen als de Engelschen opHarrisonenFerguson, aan wie uitstekende belooningen ten deel vielen. Dáárom en om ieder voor te lichten, die het Planetarium voortaan zou willen beschouwen en in zijne waarde leeren kennen, doch vooral, om geringschatting en verkeerde beoordeeling te vermijden,—beslootVan Swindeneene uitvoerige beschrijving van het gansche Planetarium in het licht te geven. Hij deed dit in Junij 1780 en dus nog vóór het schilderen en vergulden van het vertrek en van de voorwerpen, waarmedeEisingavan Augustus 1780 tot Mei 1781 is bezig geweest, waardoor het geheel een veel fraaijer en meer sprekend voorkomen bekwam. Hij deed dit met eene vlijt en studie, welke geëvenredigd waren aan de waarde, welke hij aan het kunststuk hechtte, en „werd daarbij veel uitvoeriger dan hij zich voorstelde, uit hoofde van het genoegen, hetwelk hem het opstellen verschafte.” Hij droeg het werkje, waarmede hij groote eer behaalde, op aan zijnen broeder bovengenoemd, die na verloop van weinige weken in persoon overkwam, om met eigen oogen het Planetarium te zien en in de bewondering zijns broeders te deelen.Naauwelijks toch was deze beschrijving in het licht verschenen, en was het algemeen op de hooge waarde van het Planetarium oplettend gemaakt, of de stille woning vanEisingawerd bijna dagelijks door een aantal personen bezocht, dat, uit nieuwsgierigheid of belangstelling, de bezigtiging kwam verzoeken. Van den 22 Februarij tot den 4 Junij was de beschouwing slechts aan een twintigtal personen, meest Hoogleeraren en Doopsgezinde Predikanten, veelal onder geleide van Prof.van Swinden, vergund geworden. Doch pas was de beschrijving in het licht, of het getal groeide dermate aan, dat van den 22 Junij tot den 31 Julij het getal bezoekers, waaronder vele aanzienlijke personen en geleerden, ruim honderd bedroeg. Hoe aangenaam deze blijken van belangstellingEisingaook waren, zij hinderden hem, omdat het werktuig zich zeer onaanzienlijk voordeed, en nog afgewerkt en geschilderd moest worden. Hij moest dus den toegang weldra een tijdlang weigeren, om zich daarmede bezig te houden. In dien tusschentijd liet hij slechts enkele personen toe. Na de voltooijing, in het laatst van Mei 1781, werd de bezigtiging weder opengesteld, en groot was van nu af aan de toeloop van beschouwers, uit alle oorden des lands. Gansche gezelschappen maakten eene afzonderlijke reis naarFraneker, om een kunststuk te zien, dat sedert als de meest bezienswaardige bijzonderheid dezer stad werd vereerd. Algemeen was de bewondering en groot de lof, welke den eenvoudigen maker daarover (vaak al te uitbundig) werd toegezwaaid, zoodat deze eerbewijzen hem dikwijls meer hinderlijk dan aangenaam waren. Vroeger had hij de namen der bezoekers aangeteekend, doch nu voerde hij het gebruik in, dat ieder bezoeker zijne handteekening zette in een eenvoudig boekje of album, hetwelk hij als herinnering bewaarde17.Een kunstwerk, dat dermate de algemeene bewondering opwekte, moest ook wel de aandacht trekken derStaten van Friesland, die weleer door zoo vele eervolle gunstbewijzen de beoefening van wetenschap en kunst in dit gewest hebben aangemoedigd18. Op den Landsdag van den 18 Julij 1783 werd namelijk voorgedragen, „dat door den VroedsmanEisingateFranekeruitgevonden en met grooten arbeid en kosten vervaardigd was een uitmuntend „Hemisphærium,” hetwelk meer wereldkundig was geworden door de beschrijving, welke Prof.van Swindendaarvan in het licht had gegeven, waardoor het de verwondering en aandacht der geleerden, zoo binnen- als buitenlands had tot zich getrokken, en hetwelk wel verdiende de zigtbare blijken van goedkeuring en deelneming der Hooge Overheid te ontvangen, opdat ook ’s Lands Universiteit aldaar in het toekomende daarvan nut en eere mogt hebben.” Voorloopig werd hierop, vooral wegens het laatst aangevoerde, besloten, daarop de consideratiën te verzoeken van de Heeren Curatoren der Hoogeschool teFraneker.Gelukkig, dat deze daarin raad en voorlichting vroegen van den man, die het meest bevoegd was, over de zaak te oordeelen. Zij vroegen de consideratiën van Prof.van Swindenen deze voldeed zeer gaarne aan hun verzoek. Bij eene uitvoerige missive (groot 17 bladz.19) beantwoordde hij den 7 September 1783 de twee vragen: „of het kunststuk de zigtbare blijken der goedkeuring en deelneming van de Regering verdiende, en of die blijken ook zoodanig zouden kunnen worden gegeven, dat ook de Universiteit er nut en eere van hebbe.” Hij stemt de eerste vraag toe,ten eersten, omdat dit Planetariumin zich zelfuitnemend en zonder weêrga is, dewijl er geen ander kunststuk bekend was, waarop de schikking, bewegingen en verschijnselen der hemelligchamen zóó talrijk, zóó zigtbaar en zóó naauwkeurig vertoond worden, gelijk bleek uit de vergelijking met andere werktuigen, en ook uit den hoogen lof, door buitenlandsche geleerden van den eersten rang, zelfs door Engelsche Journalisten, na het uitgeven van zijne Beschrijving hieraan toegekend.Ten tweeden, omdat de uitvinder eene schranderheid van geest, een vernuft en verbeeldingskracht had aan den dag gelegd, welke de meeste bewondering verdienden in eene zaak, die den oppervlakkigen beschouwer het minst in het oog valt, namelijk:de kunstige zamenstelling van het Raderwerk, dat alle en zeer ongelijke bewegingen op de eenvoudigste wijze te weeg brengt, en daardoor de meest moeijelijke bezwaren der mechanica overwonnen heeft. Ja,Van Swindenbetuigt, dat hij meermalen verstomd had gestaan bij het beschouwen van het geheele zamenstel der raderen, hoe zich in een man alsEisinga(zonder eenig onderwijs in de werktuigkunde genoten te hebben, zonder iemand of eenig boek te raadplegen, zonder te weten, dat er soortgelijke werktuigen bestonden, ja die vroeger nimmer op werktuigen had nagedacht) zich op eens een ongemeene mechanische geest heeft ontwikkeld, waarvan deze zich zelven niet bewust was. „Waarlijk,”dus besluit hij dit punt,„hoe meer ik het kunststuk beschouw, hoe meer ik de eenvoudigheid van het raderwerk en van het geheele zamenstel bewonder, en deskundigen zijn er met mij over verwonderd geweest.”—Vandaar, dat hijten derdenuitvoerig betoogt, hoe eervol het voor de Staten zoowel als voorEisingazou zijn, als hem (in navolging vanFrankrijk,Engelandenz. die uitstekende bekwaamheden erkenden en vereerden) door de Hooge Overheid ter belooning, ter aanmoediging en ter vergoeding der zware onkosten en onbegrijpelijke moeite, eene som gelds wierd toegekend, waardoor zijne verdiensten en eere als met het zegel van den Souverein bestempeld zouden worden, tot geene geringe aansporingvan vele andere Friezen, ten einde al hunne krachten en vermogens in te spannen, om den lande, de kunsten en de wetenschappen nuttig te zijn, en den roem en de eere der Friezen uit te breiden.Maar nog grooter blijk van zijne hooge ingenomenheid met het kunststuk gaf Prof.van Swinden, toen hij, ter beantwoording van de tweede vraag, niets minder voorstelde, dan om Heeren Staten te bewegen,Eisingauit te noodigen en in staat te stellen, om, tot roem en sieraad van de Akademie en van de stadFranekeren tot groot nut van de studenten, op Lands kosten in het Akademiegebouw een geheel nieuw en meer volmaakt Planetarium te vervaardigen dan dat, hetwelk hij naar de bekrompene ruimte van zijne woning had moeten schikken en niet wel verplaatst kon worden; alsmede, dat daarvan eene uitvoerige en met goede platen verrijkte Beschrijving op Lands kosten mogt worden uitgegeven; waardoor het nut daarvan voor de studerende jeugd bevorderd en de roem der Akademie, zoo als ook de milddadigheid en prijzenswaardige ijver der Hooge Overheid tot het aankweeken van nuttige kunsten en wetenschappen algemeen ruchtbaar en verspreid zouden worden.Zulk een advies van den meest bevoegden beoordeelaar was voorEisingazeker veel meer vereerend dan het Staatsbesluit, dat dien ten gevolge den 6 Maart 1784 werd genomen. Ondanks de hooge ingenomenheid van Prof.van Swindenmet het kunststuk en de krachtigste bewoordingen, om deszelfs uitstekende verdiensten aan te duiden, werd zijn laatste voorstel daarin voorbijgegaan, en, op vroeger vermelde gronden, alleen besloten: „de kundigheid en ijver vanEisingaallezins te lauderen, en hem, ten teeken van het genoegen der Staten in zijn arbeid, aan te bieden een stuk gewerkt zilvers ter zijner keuze, ter waarde van ten hoogstehonderd zilveren Dukatons” (ƒ 315).Zeker steekt het bedrag van dit geschenk „als blijk der goedkeuring en deelneming van de hooge Overheid,” sterk af bij de schatting van Prof.Van Swinden, en zouEisingadáárin en in de wijze, waarop het door hem gekozene zilverwerk (bestaandein eene koffijkan en theepot) hem, zonder eenige opdragt, toeëigening of geleide, door den knecht van een zilversmid aan hem werd bezorgd, redenen van kleinachting gevonden hebben,—indien hij mindere zelfgenoegzaamheid had bezeten, en als hij in de gansche behandeling van deze zaak niet reeds de blijken van den bekrompen geest van den toenmaals reeds smeulenden staatstwist had gemeend te bemerken, welke hem zoo zeer bedroefden, en later op zoo vele tranen kwamen te staan.Het was er verre af, datEisingamet de voltooijing van zijn werktuig, in Mei 1781, zijn arbeid als geëindigd beschouwd zou hebben. Neen, bestendig bleef hij aan de verbetering en volmaking van het geheel werkzaam. Spoedig kwam het hem beter voor, de wijzers, welke de lichtgestalten der Maan voorstellen (onder op de pilasters van de bedschutting geplaatst), nog tegen den zolder te brengen, waar meer ruimte was om de zaak naauwkeurig voor te stellen20. Daar eene verplaatsing en verschikking van het geheele raderwerk dezer beweging hieraan verbonden was, volbragt hij deze verbetering met zeer veel moeite. Doch hij zette de kroon op zijn werk, door de zamenstelling van een geschrift, dat de duurzame waarde van zijn kunststuk, ook voor het nageslacht, zou verhoogen.In November 1784 vervaardigde hij namelijk eeneNaauwkeurige Beschrijving en Afteekeningen van de uitwendige vertooning en de inwendige zamenstelling van het gansche Planetarium. Dit met zorg bewerkte geschrift (groot 100 folio bladzijden) bestemde hij voor zijne zonen, aan wie hij het opdroeg, opdat zij en hunne nakomelingen na zijn overlijden in staat mogten zijn het werktuig in orde en gangbaar te houden. In zeven hoofdstukken beschreef hij, met bijvoeging van afbeeldingen, deuitwendige vertooning en de inwendige beweging van ieder ring, rad, rondsel of as, met het getal tanden, staven en bonkels en den tijd van hunnen omloop, waartoe hij elk stuk met een nommer had voorzien; hij wees hun aan, hoe alles uit elkander genomen, hersteld en ineengezet moest worden, en onderrigtte hen omtrent het vermogen van den slinger, de kracht der gewigten, en hoe sommige gedeelten van de beweging afgesloten en het geheel door het ronddraaijen van een kruk naar verkiezing bewogen kon worden enz. Met eene bewonderenswaardige naauwkeurigheid en duidelijkheid legde hij hierin het gansche zamenstel bloot en gaf hij rekenschap wáárom hij alles zóódanig had ingerigt21. Naar deze aanwijzingen onderhouden, vleide hij zich, dat het werktuig met zeer weinig moeite en kosten gangbaar kon blijven tot eene lengte van jaren, ja van geslachte tot geslachte.Zóó waande de brave en verdienstelijke man, die nu alles meende verrigt te hebben wat in zijne magt stond, om den onafgebroken gang van zijn geliefkoosd en beroemd kunstwerk te verzekeren. Maar spoediger dan hij kon vermoeden, ja nog bij zijn leven, zou het stilstaan, om jaren aaneen als in vergetelheid weg te kwijnen. De vrede en rust, welkeNederlandbij het genot van welvaart en eensgezindheid zoo lang had genoten, waren sedert 1780 verstoord door staatkundige geschillen en burgerlijke verdeeldheden. Ten jare 1787 hadden deze het toppunt bereikt.Franekerwerd het middelpunt der beroerten, waarin de gewapende misnoegden tegen het stadhouderlijk gezag zich vereenigd hadden, enEisinga, de stille, rustige burger, bevond zich aan het hoofd der stedelijke burgermagt,dewijl hem door Magistraat en Vroedschap, bij de jaarlijksche verdeeling van de commissiën, in dát jaar de last was op gedragen van toezigt over de zaken der Schutterij. Weldra herstelde de overmagt der Pruissische troepen het stadhouderlijk gezag; het lang versterkteFranekerwerd hernomen, en—honderden Friezen vonden het geraden, huis, have en vaderland te verlaten, om alzoo door de vlugt nog grootere bezwaren te ontgaan.OokEisingadeelde in dit lot. Hoezeer zijner onschuld en goede bedoelingen bewust, moest ook hij gade en kinderen verlaten, en, van zijn geliefd Planetarium verwijderd, doelloos in den vreemde rondzwerven. Daar moest hij na verloop van weinige maanden den dood zijner beminde huisvrouw beweenen, zonder dat het hem vergund was geweest haar in de laatste ure bij te staan. De opvoeding van zijne zonen moest hij aan bloedverwanten overlaten. Zijn huis werd verhuurd, zijne meubelen verkocht, en niemand sloeg acht op het stilstaande kunststuk, om welks vervaardiging hij nog kort geleden met zoo veel lof en eere gekroond was. Een tijdlang hield hij zich teSteinforten teGronauop, gebogen onder diepe smart. TeEnschedéverzachtte de vriendschap van den bekwamenLambertus Nieuwenhuis, even als hij beoefenaar van de natuur- en wiskundige wetenschappen, in wiens familie hij gastvrij werd opgenomen, eenigen tijd zijn bijna onduldbaar lijden. In April 1790 waagde hij het,Gronaute verlaten, en overKoevordenenAssennaarGroningente wandelen, waar hij wilde rondzien naar eene gelegenheid, om zich ergens als wolkammer te vestigen. Hij meende die teVisvliet, aan de Friesche grenzen, gevonden te hebben, en mogt daar bijna een jaar lang veilig wonen en zijn beroep hervatten. Doch de vijand, waarvoor hij gevlugt was, sliep niet. In het begin van April 1791 werd hij daar namens het Hof vanFrieslandgevat, naar het Blokhuis teLeeuwardengevoerd, en, na een breedvoerig proces, op de beschuldiging, van als lid van het defensiewezen deelgenomen te hebben aan de oproerige bewegingen teFranekerin 1787, eerst den 27 April 1792 veroordeeld, om voor vijf jaren uit deze provincie te worden gebannen. Hij begaf zich toen weder naarVisvliet, en mogt daar vele bewijzen van ondersteunende hulp ontvangen en ook eene tweede gade vinden inTrijntje Eelkes Sickema, die vervolgens de steun en vreugde van zijn leven bleef en bij welke hij twee dochters verwekte.De omwenteling van 1795 maakte een einde aan zijne ballingschap. Hij kwam teFranekerterug, doch vond zijn huis verhuurd aan vreemden, zoodat hij voorloopig eene andere woning moest betrekken. Eerst in het volgende jaar keerde hij in zijn huis terug, hervatte hij zijn vorig bedrijf en werd zijn Planetarium, na een stilstand en gemis aan toevoorzigt van negen jaren, weder het groote voorwerp zijner zorgen in de uren van verpoozing. Met vernieuwden lust werd het hersteld en gangbaar gemaakt, zoodat het eerlang weder ter bezigtiging van het algemeen werd opengesteld, en op nieuw, als vroeger, talrijke belangstellende bezoekers vond22.Onder het genot van huiselijk geluk en de welverdiende hoogachting zijner medeburgers, sleetEisinganu vele rustige en gelukkige jaren. Door het algemeen vertrouwen zag hij zich met de waarneming van verschillende betrekkingen vereerd. In 1797 werd hij zelfs benoemd tot Curator van ’s lands Akademie teFraneker, en werkte hij ijverig mede tot herstel van deze beroemde Hoogeschool uit haren deerlijk vervallen toestand. Bestendig hield hij zich als uitspanning met sterrekundige berekeningen en werktuigen bezig. Hiervan getuigt nog een in zijne familie bewaard:Stereographisch ontwerp der Sterrenhemel,van de Noorderpool tot de 35 graden zuider-afwijking, vanJ. E. Bode,voor het gebruik gemakkelijk gemaakt. Hiertoe had hij deze kaart op eene draaijende schijf geplakt en van een rand voorzien, waarop de maanden en dagen uitgedrukt zijn. Daar vóór is een glas, waarop de horizont, de hoogte, de cirkels en 16 kompasstreken zijn getrokken; alles zeer geschikt, om op een bepaald tijdpunt den stand der vaste sterren te kunnen voorstellen23.Het laatste stuk, door hem uitgedacht en geteekend, was een kleinPlanetarium, waarop de loopbanen van Mercurius, Venus, de Aarde met de Maan, Mars, Jupiter en Saturnus waren geplaatst in hare betrekkelijke afstanden van de Zon, waarvan de bijzonderheden in hetAanhangseltot de Beschrijving zijn medegedeeld.Zijne bestendige zucht, om het Planetarium van tijd tot tijd te verbeteren, werd gevoed door een heimelijken wensch, welke steeds zijn geest vervulde en scherpte. Het was de hoop, dat het hem in de kracht zijns levens mogt gebeuren, zich in de gelegenheid gesteld te zien, om (zoo als Prof.van Swindenhet eerst had voorgesteld) ergens elders op grootere schaal een veel volmaakter Planetarium zamen te stellen, waartoe hij al de vereischte berekeningen gemaakt en de ontwerpen gereed had. Hij had dien wensch meermalen te kennen gegeven, en zelfs eenmaal, als balling, zich tot de uitvoering daarvan aangeboden, slechts tot den prijs van vrij en veilig in zijn vaderlijk gewest te mogen wederkeeren; maar te vergeefs24.Die hoop werd verlevendigd, toen de voortreffelijkeGerrit Hesselink, Hoogleeraar bij de Doopsgezinden teAmsterdam, het Planetarium in Augustus 1800 met zóó veel belangstelling en bewondering bezigtigde, dat hij zich opgewekt vond, in de maatschappij:Felix Meritisdaarover eene verhandeling voor te dragen. Deze had ten doel, om genoegzame belangstelling te verwekken, datEisingauitgenoodigd zou worden, om, op kosten en in het gebouw dier Maatschappij, zulk een kunstwerk met alle gewenschte verbeteringen te vervaardigen. Die wensch werd ondersteund door den achtenswaardigen kunstminnaarJ. d’AmourvanAmsterdam, die, in dezelfde maandEisingabezoekende, hem diep getroffen zijne bewondering en dank betuigde, en eene som van duizend guldens aanbood, indien men kon besluitenEisingauit te noodigen, inAmsterdameen dergelijk Planetarium te vervaardigen. Doch ook deze zaak had geen gevolg.Nog krachtiger werd die hoop verlevendigd, toenEisingain 1808 een bezoek ontving van den Admiraalde Winter,Marschalk van Holland, zoo als hij zich in het album betitelde. Na met zijn gevolg het kunststuk met ongemeene deelneming bezigtigd te hebben, was hij voornemens, omKoningLodewijk, bij zijne voorgenomene reis naarFriesland, de zaak met zoo veel aandrang voor te dragen, dat de Vorst overgehaald wierde, om het vervaardigen van een vollediger Planetarium en Hemisphærium, in het gebouw der Franeker Akademie of elders, aanEisingaop te dragen. Mogt hij hierin niet slagen,dan hoopte hij dit plan door vereenigde krachten van vele beminnaars der wetenschappen en het vaderland te verwezenlijken. Doch weder te vergeefs: de reis des Konings had geen voortgang, en latere gebeurtenissen bragten dit plan in vergetelheid. Dáárom is het bijzonder vreemd, dat bij al de bemoeijingen van het toenmalig bewind, om verdiensten en talenten op te sporen en aan te moedigen, waaraanArjen Roelofs,Sieds Johannes RienksandBauke Eisma van der Bildteereblijken en onderscheidingen te danken hadden,Eisingawerd voorbijgegaan, en dat hij zelfs niet genoemd werd in het bekende verslag van den HeerJ. Meerman, Directeur-Generaal der Wetenschappen en Kunsten, van Zomermaand 181025.Welverre dat ditEisinga, die in zedige nederigheid en zelfgenoegzaamheid zijne grootheid zich zelven bijna onbewust was, zou gekrenkt hebben. Maar aangenaam was het hem nogtans, na de heugelijke herstelling des vaderlands, in Februarij 1816 vereerd te worden met de benoeming totBroeder der orde van den Nederlandschen Leeuwen in dat zelfde jaar totLid van den Stedelijken Raad;—datKoningWillemI, die hem eerstgenoemde onderscheiding toekende, metPrinsFrederikder Nederlandenden 30 Junij 1818 zijn Planetarium met een bezoek vereerde, en zich alles tot in de minste bijzonderheden liet aanwijzen, waarbij beide vorsten de moeite niet schroomden, om in de enge ruimte van het raderwerk te kruipen, vooral om de ongelijke bewegingen der maanwijzers te bezigtigen;—dat ook deKroonprins, laterWillemII, hem den 29 Julij 1820 met gelijke belangstelling bezocht, en dat Mr.Jacobus Scheltemain 1818 zijne verdiensten openlijkin het licht stelde door de uitgave van zijne Levensbeschrijving26.Niet minder verblijdend was het voorEisinga, in 1824 eenherdrukvanvan Swinden’sBeschrijving van zijn Planetariumte beleven. De geleerde en smaakvolleJan Brouwer, rustend leeraar bij de Doopsgezinden teLeeuwarden, leidde deze nieuwe uitgave bij het publiek in met eene uitvoerigeVoorrede, welke sommige levensbijzonderheden vermeldde en van zijne warme ingenomenheid zoowel metEisingaenVan Swindenals met beider arbeid getuigde. De belangrijkheid van dezen druk werd verhoogd, eensdeels door de bijvoeging van drie groote platen, het vertrek, de zoldering en de bedschutting voorstellende, doorEisingaen zijnen vriend, den schranderenKlaas Johannes Sannes, in 1820 geteekend en nu in het koper gebragt; en anderdeels doorBijvoegselsvanEisingazelven, bevattende eene opgave van de veranderingen en verbeteringen, welke het kunststuk sedert 1780 had ondergaan, benevens eene beschrijving van de platen. Hij voegde daar achter nog eenAanhangselbetrekkelijk het kleinePlanetarium, door hem uitgedacht en geteekend, en doorWillem Jans Jansen, landbouwer teDongjum, in hout vervaardigd. Bovendien werd deze uitgave versierd met het welgelijkend afbeeldsel van den eerbiedwaardigen grijsaard, door gemeldenK. J. Sannes, graanhandelaar teFraneker, geteekend en door Do.J. Brouwermet een gepast bijschrift voorzien.Was het getal bezoekers van het Planetarium in de laatst voorgaande jaren reeds aanmerkelijk toegenomen, nog meerwas dit het geval, nu de herdruk vanVan Swinden’sBeschrijving(waarop ruim 200 personen hadden ingeteekend) in veler handen was gekomen en de algemeene aandacht op nieuw op het kunststuk had gevestigd. Streelend was het denwaardigenman, bij voortduring en als bij toeneming zoo vele blijken van belangstelling te ontvangen. Deze waren ook inderdaad een opmerkelijk verschijnsel. Het tijdstip der uitvinding was ter bevordering van den bijval zeer gunstig geweest. Immers, in het midden der 18eeeuw had de beoefening van de natuurkundige wetenschappen, in het algemeen en in vergelijking van andere tijdvakken, in een staat van kwijning verkeerd. ’t Was toen de gouden eeuw van natuurkundige aardigheden, derphysique amusante. Maar die wetenschappen, en met name de sterrekunde, herleefden op het laatst dier eeuw met nieuwe kracht. Demécanique célestewerd beoefend en gaf aan de sterrekunde eene nieuwe rigting en hoogere vlugt. De eischen der wetenschap waren strenger, de kunst van waar te nemen was eene moeijelijke taak geworden, naarmate het veld der beschouwing zich meer uitbreidde. Want belangrijke en talrijke ontdekkingen volgden elkander op. Deze vingen aan met den jare 1781 en hielden sedert niet op, zoodat er in de jongst verloopene 70 jaren alleen 13 nieuwe planeten zijn ontdekt geworden. Het jaar 1780, waarinVan Swindenschreef en den naam vanvolledigPlanetarium aanEisinga’s kunstwerk gaf, was alzoo het laatste jaar, waarop dit van eenig dergelijk werktuig gezegd kon worden. ’t Was vervolgens toch bijna niet mogelijk, den zoo ver verwijderden nieuweling Uranus op behoorlijken afstand in het gelid der oude planeten te brengen, en nog minder de in het begin dezer eeuw ontdekte vier nieuwe planeten, wier loopbanen elkander doorkruisen en omslingeren. Toen hielden alle nabootsingen van het planetenstelsel, zouden ze den naam vanvolledigdragen, voor altijd op, en waren de bestaande planetaria zeer onvolledig geworden. Ook om die reden was hunne waarde in het oog van kenners zeer gedaald, en die zelfde reden was eenehinderpaal te meer geweest, omEisingatot de vervaardiging van een Planetarium op grootere schaal in staat te stellen.De blijken van duurzame belangstelling, welke het Planetarium vanEisinga, in weerwil van dat alles, mogt ondervinden, waren eensdeels gegrond op den roem, dien het eens bij zijne voltooijing had verworven, en anderdeels op het mechanisme van den toestel, dat altijd belangstelling en bewondering zal verdienen. Doch het is alsof hetalgemeen, boven de hulde van eerbied voor zulk een kunstgewrocht van menschelijke kennis en bekwaamheid, dit Planetarium nog eene schatting van dankbaarheid toebrengt voor de diensten, welke het eens dervolksverlichtingheeft bewezen. Door dit middel van astronomische verzinnelijking toch heeft het stelsel vanCopernicusbij het publiek gereeder ingang gevonden, is het een volksgeloof geworden en heeft het wanbegrippen verdrongen. En thans, nu het vroegere bijgeloof aangaande de betrekking der aarde tot zon en planeten geweken is, zijn de aanwijzingen van het Planetarium in volkomene overeenstemming met hetgene ieder geleerd heeft en ieder gelooft; thans is de vatbaarheid van het algemeen meer dan vroeger geschikt om de voorstelling te begrijpen, en de hooge waarde van het kunstwerk op prijs te stellen.De kalme tevredenheid vanEisingawerd echter soms verstoord door eene grievende gedachte. Het was de vrees voor het lot van zijn geliefd kunstwerk na zijn verscheiden. Dat zijn huis dan verkocht en door vreemden bewoond zou worden, die, minder achting voedende voor kunst en wetenschap, een stuk van zooveel waarde, door stilstand en roest, zouden laten bederven, en, eenmaal verwaarloosd zijnde, eens zouden kunnen sloopen,—dit was eene mogelijkheid, waaromtrent hij, blijkens de ervaring gedurende zijne verbanning, de zekere verwachting moest voeden. Vele bezoekers deelden in die vrees, en gaven hun verlangen te kennen, dat het op eenige wijze voor kunst en wetenschap bewaard en in stand gehouden mogtworden. In genoemde voorrede had Do.Brouwerop zulk een gevreesd verlies, dat tot oneer en schande vanFrieslandenNederlandzou strekken, gewezen en de hoop gevoed, dat de grootmoedige belangstelling van den Koning het behoud van het kunststuk ten algemeenen nutte mogt verzekeren.Die wenk ging niet verloren. Jhr.Idsert Aebinga van Humalda, zelf smaakvol beoefenaar en nog grooter beschermer van kunst en wetenschap, was destijdsGouverneur van Vriesland. Door zijne bemiddeling behaagde hetKoningWillemI, bij besluit van den 28 December 1825, het Planetarium voor het Rijk aan te koopen. Groot was de vreugde van den waardigen grijsaard over deze eervolle beschikking. Op den 4 October 1826 begaf de Gouverneur met een Notaris en twee getuigen zich naar de woning vanEisinga, en werd daar de acte van transport geteekend, waarbij hij zijn Huis en Planetarium voor de som vantien duizendgulden aan het Rijk overdroeg, met bepaling, dat hem daarin vrije woning en 200 Gld. ’s jaars voor het toezigt werd toegekend, al hetwelk vervolgens op zijnen zoonJacobus Eisingazou overgaan. Daarbij werd het oppertoezigt aan den tijdelijken Hoogleeraar in de Astronomie aan ’s Rijks Athenæum teFranekeropgedragen. Niet lang daarna heeftEisinga, de vader, een naburig huis betrokken, en de zoon het huis van het Planetarium.Zóó was dan de langgevoede vrees geweken en het voortdurend bestaan van het kunststuk ten algemeenen nutte verzekerd. Zóó waren dan bijna al de wenschen vanEisingavervuld, en kon de 81jarige man de ure der ontbinding met gerustheid tegengaan. Hij had nu geene wenschen meer, daar hij deze koninklijke gunst als de hoogste hulde beschouwde, welke hem en zijn kunstgewrocht bij zijn leven kon worden toegebragt.Niet alzoo oordeelden zijne stadgenooten, wier Regering reeds lang gepeinsd had op het meest gepaste middel, om den grijsaard, nog bij zijn leven, een blijk te geven van hunne hoogachting en vereering. Mr.J. Scheltemahad daartoe in 1818reeds een wenk gegeven, en gewenscht, dat men zulk een bewijs van belangstelling, deze hulde van dankbaarheid en eerbied, niet zou verschuiven tot na ’s mans overlijden, maar hem zelven nog mogt toebrengen, ten einde ook daardoor den stillen avond van den welbesteden dag des levens te veraangenamen en te verhelderen. Het geviel dan, dat de Burgemeester vanFraneker, namens den Stedelijken Raad, daarover kwam spreken met den Gouverneur, Jhr.Aebinga van Humalda. Deze vernam dit oogmerk met veel genoegen, en keurde het niet alleen volkomen goed, maar trachtte het bezwaar, omtrent het vinden der kosten, in eens op te heffen, door te bepalen, dat de hulde aanEisingazou toegebragt wordendoor de stad Franeker, doch dat hij, als oudste vriend, dorpsgenoot en schoolmakker en niet minder als vereerder van den grijsaard, verzocht of aanbood, om uit zijne eigene fondsen de kosten daarvan te dragen27.Volgaarne werd dit aanbod aangenomen, en bepaald, dat het blijk van vereering zou bestaan in de vervaardiging van een afbeeldsel vanEisinga, hetwelk geplaatst zou worden in de Raadzaal van het Stadshuis teFraneker. De uitvoering daarvan werd opgedragen aan den beroemden schilderWillem Bartel van der Kooi, den veeljarigen vriend en vereerder vanEisinga, die nu al de kracht van zijn uitstekend kunsttalent scheen te ontwikkelen, om de waarde van dit gedenkstuk te verhoogen. In een levensgroot kniestuk stelde hij dengrijzen denker voor, gezeten in een leuningstoel aan eene tafel, waarop de door hem vervaardigde teekening ligt van de groote zon-eklips van den 7denSeptember 1820; terwijl het kleine Planetarium ter linkerzijde nevens hem staat en de achtergrond de afbeelding bevat van de kamer, waarin zich het groote Planetarium bevindt, welks stand juist die is van den 10denApril 1827. Dit uitvoerig en meesterlijk behandelde tafereel werd gevat in een eenvoudig schoone lijst, waarboven de smaakvolle schenker de volgende kernachtige woorden vanHoratiusliet plaatsen:ARCES ATTIGIT IGNEAS.Hij bereikte de vurige kasteelen des lichts.Dit kostelijk gedenkstuk was aanEisingaen aanFranekertoegedacht; en de 13deNovember 1827, de dag, waarop het hem zou worden toegeëigend, was een feestdag voor deze stad. Nadat de schilderij was opgehangen, vergaderde de Stedelijke Raad, waartoe ookEisingabehoorde. Door eene commissie, bestaande uit de heeren Dr.J. Bangaen Mr.J. W. de Crane, werd nu Jhr.I. Aebinga van Humaldaafgehaald en binnengeleid, waarna hij het pronkstuk, dat, nu ontdekt, zich in al zijn glans vertoonde, ten geschenke aanbood, ten einde der Raadzaal tot een blijvend sieraad en den grooten man ten duurzaam vereerend gedenkteeken voor tijdgenoot en nakomeling te strekken. Hij deed dit met de volgende hartelijke en schoone toespraak:„Edel Achtbare Heeren! Toen ik ruim een jaar geleden uit den mond van den Heer Burgemeester uwer stad het voornemen van UEA., om een duurzaam en openlijk blijk van achting en hulde aan uwenEisingaen diens schrander vernuft daar te stellen, mogt vernemen, moest natuurlijk bij mij de wensch ontstaan, om ook het mijne daartoe aan te brengen. Niets konde mij derhalve welgevalliger zijn, dan dat UEA. het voorstel, te dien einde door mij aan Zijn Ed. gedaan, gereedelijk tot mijne blijdschap geliefdet aan te nemen.Immers, ik herinnerde mij met een dankbaar gevoel aan degelukkige jaren, welke ik ten tijde van een vorig geslacht aan de vermaarde Hoogeschool in deze stad doorbragt, werwaarts men niet alleen uit alle hoeken van onsNederland, maar uit de verste streken vanEuropaen andere werelddeelen opkwam, om wetenschap te halen; en waar ter plaatse de geleerdheid zich nog boven het lot der tijden moedig blijft verheffen.Ik dacht aan de gelegenheid, welke mij nog eens hierdoor stond geboren te worden, om te toonen, hoe zeer mij alles, wat den roem van onsFrieslandverhoogt, steeds ter harte gaat: een roem, waaraanFranekerzoo rijkelijk toebrengt.Ik beschouwde het oogenblik als met verlangen, wanneer ik uwe Stad, plegtig en hartelijk, de verzekering van de hooge achting zoude geven, welke mij bezielt. Maar waartoe deze verzekering? Het is U, Mijne Heeren! bekend, wat ik gedaan heb ter bevordering van hare belangen.28Ontvangt dan, Edel Achtbare Heeren! dit geschenk van mijne hand tot een aandenken van mijne erkentelijke genegenheid. Dat het uwe Raadzaal versiere, en dat elk aanschouwer den grooten man bewondere en eerbiedige! Een bijzonder genoegen intusschen is het mij, U,Eise Eisinga! hier te kunnen begroeten. Gij zult in de hulde, U nu toegebragt, geen ijdel droombeeld, zoo als trotsche grooten gewoon zijn aan te nemen, vinden. Neen, maar uwe nederigheid zal er toch wel in willen opmerken, eene innige begeerte van uwe stadgenooten, om, nog lang na dezen tijd, het levendig Afbeeldsel van eenen beminden en waardigen Medeburger te bezitten.Ik huldig U met eerbied, en ben grootsch op U, als mijn dorpsgenoot en schoolmakker van vroegere jaren. Uw leven blijve nog lang gespaard, totdat gij het geluk zult deelachtigworden van het groote werk der schepping in al zijn omvang van nabij te beschouwen!In het algemeen, Mijne Heeren! ik bedank U voor de menigvuldige blijken van welwillende genegenheid en vertrouwen aan mij bewezen; ik bewaar die in mijn hart, en ik zal mijne achting voor U voegen bij die, welke gij met regt van uwe ingezetenen ontvangt.Het ga uwe stad altijd voorspoedig!Wel mogen ze varen, die haar beminnen!”Deze treffende toespraak van den grijzen staatsman werd namens den Raad, met welmeenende betuigingen van erkentelijkheid beantwoord door den Burgemeester I.de Swart, die Jhr.van Humaldaen den geheelen Raad vervolgens te zijnen huize onthaalde, en allen eene aangename gelegenheid schonk, om dezen feestdag verder door te brengen in gezellige vrolijkheid, vol gevoel van eerbiedige dankbaarheid jegens den edelen FrieschenMaecenasen van hartelijke deelneming in de bedaarde vergenoegdheid des braven grijsaards, die dezen dag onder de gelukkigste zijns levens telde.29Dat leven vanEisinga, zoo rijk aan zorg en inspanning, maar nog rijker aan wetenschappelijk genot, aan eerbetoon en aan de volkomenste bevrediging van al zijne billijke wenschen en verwachtingen, spoedde nu weldra ten einde. Zacht ontsliep hij in den morgen van den 27stenAugustus 1828, den ouderdom van 84 jaren en 6 maanden bereikt hebbende. Naarzijne begeerte werd zijn stoffelijk deel op het kerkhof van zijne geboorteplaatsDronrijpin de ouderlijke grafstede begraven.Die rustplaats werd weder gedekt met den zelfden steen, welke het vroeger vermelde grafschrift zijns vaders bevatte. Vreemd was het echter, dat men bleef verzuimen, daarbij een tweede grafschrift voor zijn grooten zoon te voegen. Het plan van Jhr.van Humalda, om hierin te voorzien, bleef ten gevolge van zijn overlijden, in 1834, onvolvoerd30. Nog in 1841 uitte Prof.de Craneden wensch, dat dáár eerlang een eenvoudig schoon gedenkteeken den wandelaar aan zijne rustplaats en zijne verdiensten mogt herinneren. Het was voor het Friesch Genootschap van geschied-, oudheid- en taalkunde bewaard, dit verzuim te herstellen, en der nagedachtenis vanEisingaeene hulde toe te brengen, waarop zijne verdiensten regt hadden. Op voorstel van den heerJ. van Leeuwenwerd dan op den 12denApril 1845, nadat op de vermelde grafzerk alleen den naam tot herkenning was gesteld, in den muur der schoone dorpskerk vanDronrijp, naast den hoofdingang en nevens het familiegraf, een groote steen geplaatst, bevattende tusschen eenvoudig lof- en lijstwerk het volgende opschrift:HuldeaanEISE EISINGA,uitvinder en vervaardiger van hetberoemdPLANETARIUMte Franeker;geboren te Dronrijp den 21 Februarij 1744,overleden te Franeker den 27 Augustus 1828,op dit kerkhof begraven;toegebragtdoorhet Friesch Genootschap vanGeschied-, Oudheid- en Taalkunde,MDCCCXLIV.Ik heb hiermede de voorgestelde taak, zoo kort en zakelijk als mij moogelijk was, ten einde gebragt31. Baart het altijd een groot genot, wanneer het ons vergund wordt de verdiensten van een groot man in het licht te stellen en zijner nagedachtenis de hulde onzer vereeniging toe te brengen,—hier ging de vermelding vanEisinga’s leven gepaard met de herinnering aan mannen, wier nagedachtenis mij dierbaar is als het onvergankelijke gevoel van vriendschap en geestverwantschap. Ja,HumaldaenDe Crane,Brouwer,SannesenVan der Kooi, ook zij, dieEisingaom strijd hunne hulde bragten, hebbenFrieslandtot eer en roem verstrekt, en wij, die met allen vriendschappelijk hebben omgegaan en thans tot hunne nakomelingschap behooren, hebben de denkbeelden engevoelens van die grijsaards opgevangen, om die onder een volgend geslacht voort te planten. Onbepaald was hun eerbied en lof voor het kunstgewrocht vanEisinga; maar zij paarden daaraan eene wijze voorzigtigheid of voorzigtige wijsheid, die ook wij niet onopgemerkt moeten laten, willen wij hem naar waarheid vereeren en niet door overdreven lof onteeren. Mogten zij het al betreuren, dat de éénige wensch vanEisingaonvervuld was gebleven, om elders een meer volkomen Planetarium te stichten; zij verloren, evenmin alsVan Swinden(vooral aan het slot der Opdragt), uit het oog, dat voor zijn persoon en dit kunstwerk de grootste eer dáárin was gelegen: dat hij, onder ongunstige omstandigheden en met zeer beperkte middelen, een grootsch doel had weten te bereiken;—en bijzonder, dat bekrompenheid van tijd en vooral van ruimte, bij den ongeschikten toestand van zijn huis, zijn geest gescherpt en een vernuft en bekwaamheid ontwikkeld had, welke, in de vinding en schikking der stukken en de hoogste eenvoudigheid der uitvoering, groote bezwaren hadden overwonnen. Dáárdoor toch had hij blijken van een bijzonder genie voor de werktuigkunde gegeven en de meeste bewondering verworven. Die opvatting werd steeds te veel uit het oog verloren; en daarom zouEisingazijne eer weinig vermeerderd hebben, al had hij ook later elders het volkomenste Planetarium op de grootste schaal mogen tot stand brengen. Eene andere opvatting bedreigde zelfs de wetenschappelijke beoefening van de sterrekunde inFrieslandmet eene verkeerde rigting. Want vele begaafde liefhebbers, vele bewonderaars van den sterrenhemel, dieEisinga, op grond van den roem van zijn Planetarium, voor een groot Astronoom hielden, werden daardoor in den waan gebragt, dat het vervaardigen van een dergelijk werktuig de schoonste eerekroon voor den sterrekundige ware. Naar de eer jagende, welke zij van eene zoodanige zamenstelling verwachtten, verspilden zij alzoo tijd en vermogen, en sloegen zij den weg niet in, die deeenigeis, welke tot de sterrekunde leidt. Verscheidene, anders verdienstelijke personenzou ik kunnen noemen, die op deze misvatting schipbreuk hebben geleden, en daardoor verzuimden kunde en waarneming vruchtbaar te maken aan de wetenschap, waartoe bij zoo velen in deze provincie werkelijk de aanleg aanwezig is.Eisinga’s kunstgewrocht heeft nu langer dan 70 jaren een gunstigen invloed gehad op veler duizenden voorstelling van den loop der hemelligchamen. Dat het dien invloed duurzaam behouden en geene verkeerde opvatting of naijver opwekken moge, is mijn hartelijke wensch. Ook daarom nam ik gaarne laatst vermelde aanmerking op, welke mij is medegedeeld door dien geachten deskundige, welke mij ook door zijne hulp en raad bij de bezorging van dezen derden druk verpligt heeft, doch die verlangde daarbij niet genoemd te worden. Op ons allen rust toch de dure verpligting, omEisinga’s eer en roem duurzaam tegen miskenning en overdrijving te handhaven en die in het belang der wetenschap te heiligen voor volgende geslachten.Leeuwarden,den 5 Januarij 1851.W. EEKHOFF.
Zoo dikwijls er sprake was van verdienstelijke mannen, die, wars van praalzucht, in stille nederigheid wegschuilen, pleeg de hoogbejaarde ProfessorVan Swindenzijnen vrienden dikwijls te verhalen, dat hij, omstreeks 40 jaren te voren, Hoogleeraar zijnde teFraneker, vernomen hebbende, dat er bij een burgerman aldaar een aardig werktuigje was te zien,—in eene soort van verrukking viel, toen hij daar op eens een volledig en gangbaarPlanetariumvoor zich zag, waarvanEuropade weergade niet toonen kon;—een kunststuk, door een eenvoudig wolkammer in de snipperuren van zes jaren geheel in zijne eenigheid voltooid, zonder dat hij of zijn collegaYpeij, als Hoogleeraren in de Natuur-, Wis- en Sterrekunde, of iemand der andere Professoren, die in deze kleine Akademiestad slechts eenige schreden verder woonden, iets van ’t werk geweten hadden, veel minder geraadpleegd waren1.
Sedert die verrassende ontmoeting bezocht Prof.Van Swindenbij herhaling het Planetarium; hij onderzocht het in al zijne deelen en bestudeerde al de vereischten van zulk een werkstuk. Met elk bezoek steeg zijne bewondering van het werktuig en zijn eerbied voor den verdienstelijken vervaardiger, en het was dáárom, dat hij zich gedrongen gevoelde, hiervan eene uitvoerige beschrijving in het licht te geven, ten einde der wereld te toonen, welk overheerlijk schoon en voortreffelijk kunststuk zamengesteld was door een eenvoudig burger, wiens vernuft en bekwaamheden aanspraak hadden op roem en vereering.
Zeventig jaren zijn er thans (in 1850) verkopen, sedertVan Swindendeze Beschrijving uitgaf. Voorzeker heeft hij daarmede zijn doel bereikt: want binnen- en buitenlands werd de hooge waarde van dit Planetarium erkend; duizenden, en daar onder de aanzienlijkste, zelfs vorstelijke personen, kwamen het beschouwen en bewonderen, en ver boven verwachting waren de eerbewijzen, welkeEisingadaarvoor bij zijn leven en ook na zijn overlijden ontving. Maar opmerkelijk is het vooral, dat—in weerwil der vorderingen van de kunsten en wetenschappen in die zeventig jaren; in weerwil de werktuigkunde inEngeland,DuitschlandenFrankrijksedert zulke reuzenschreden heeft gemaakt en de sterrekunde door talrijke nieuwe ontdekkingen en grondiger onderzoek in omvang en gewigt zeer is toegenomen,—dat dit Planetarium, én als vrucht van wetenschappelijk onderzoek én als kunststuk der werktuigkunde, nóg zijne waarde heeft behouden en door geen ander voortreffelijker werkstuk van dien aard is overschaduwd geworden. Aangenaam zijn daarom de belangstellende bezoeken, welkeFraneker(na bijna alle sporen van zijne vroegere wetenschappelijke grootheid verloren te hebben) nog bestendig van landgenooten en vreemden mag ontvangen, als eene hulde aanEisinga’s kunstgewrocht, hetwelk ook door de Friezen steeds op hoogen prijs wordt geschat. Daardoor is het mede noodzakelijk geworden, eenderden drukter perse te leggen vanVan Swinden’sBeschrijving, welken wij thans onzen landgenootenaanbieden. Wij wenschen dit te doen naar de behoeften van onzen tijd2. Wij durven toch vertrouwen, dat allen, die belang stellen in de beschrijving van het werktuig, behoefte zullen hebben om te weten: door wien en onder welke omstandigheden het werd vervaardigd; welke gevolgen daaruit voor den vervaardiger zijn voortgesproten; hoedanig zijne lotgevallen zijn geweest; welke veranderingen het Planetarium sedert 1780 heeft ondergaan, en welke verder de voornaamste omstandigheden en gebeurtenissen zijn geweest, die daarop betrekking hadden.
Door de volgendeLevensschets vanEisingaenBeknopte Geschiedenis van zijn Planetarium(beide zoo naauw met elkander vereenigd) hopen wij aan die behoefte te voldoen, en daardoor tevens op nieuw een blijk te geven van onze zucht, om Frieslands roem in kunsten en wetenschappen, waartoeEisingazoo veel heeft bijgedragen, te bevorderen3.—Slaan wij vooraf het oog op zijne tijd- en kunstgenooten.
Meermalen is het opgemerkt, dat in der Friezen aard eene bijzondere neiging ligt voor de beoefening van de mathematischewetenschappen in het algemeen en voor die van de Sterre-, Meet- en Werktuigkunde in ’t bijzonder. De laatste drie eeuwen hebben daarvan talrijke voorbeelden gegeven, waarvan vele vermeld zijn in de bekende Redevoering van den HoogleeraarC. Ekama4. Welligt was er echter geen tijdperk rijker in het voortbrengen van zoodanige vernuften dan de laatste helft der vorige eeuw. De langdurige vrede, rust en welvaart, die van 1713 tot 1780 bijna onafgebroken werden gesmaakt, gaven aanleiding, dat velen voedsel voor den geest zochten in die degelijkestudiën, waartoe, behalve gezond oordeel, geschiktheid tot afgetrokken nadenken met de zucht om naauwkeurig te toetsen en te overwegen, en niet minder volharding vereischt worden:—eigenschappen, welke in vele Friezen van den echten stempel voorzeker in hooge mate worden aangetroffen. Opmerkelijk is het tevens, dat de neiging tot gezegde studiën het meest gevonden werd bij lieden uit den eenvoudigen burgerstand of bij landbouwers, die in hun bedrijf ter naauwernood eenige aanleiding schijnen te vinden, om zich juist op die vakken toe te leggen. Misschien werkte het voorbeeld en onderwijs van den beroemdenWillem Loré, die teLeeuwardenin een Weeshuis was opgevoed en zich door groote mathematische bekwaamheden tot buitengewoon Hoogleeraar teFranekerwist te verheffen, nog lang na zijn dood (1744) op velen gunstig voort5. Evenwel is het bekend, dat de meeste der volgende Wis- en Werktuigkundigen weinig of geen onderwijs van anderen genoten, maar zich door de kracht van huneigen genie en door volhardende inspanning uitstekende bekwaamheden verwierven.
TeLeeuwardenhad de bekende Hortulanus van Prinses Maria Louisa,Johann Hermann Knoop, die in verschillende vakken een aantal werken heeft uitgegeven, reeds lang onderwijs in de Wiskunde, gelijkHayke HaanstravanBuitenpostin de Rekenkunde gegeven, toen de timmermanWytse Foppes Dongjuma, naar zijne geboorteplaatsDongjumbijFranekerdus genoemd, onder begunstiging van genoemde Prinses, zich hier nederzette, als Mathematisch Instrumentmaker, Landmeter en Wijnroeijer. In 1763 vervaardigde hij een toestel, door hemMagnetimetergenaamd, en gaf verscheidene grondig bewerkte schriften in het licht. Hij vormde een kring van leerlingen, met wie hij vele sterrekundige waarnemingen deed. Van sommigen hunner, alsJarich Tjeerds,A. PosthumusenH. Balk, zijn nog mathematische geschriften in de Bibliotheek dezer stad voorhanden. De onderwijzerTjeerd Ringneerymaakte zich door zijne handboeken voor het boekhouden en den graanhandel verdienstelijk (1763). De schilderRienk Jelgerhuisbeoefende mede de Wiskunde, blijkens zijneAanmerkingen op de Perspectiva vanCaspar Philips(Leeuw. 1769).Luitjen F. Wiersma, vanWartenageboortig, had reeds in 1754 (teDokkumwonende) eeneWiskunstige Arithmeticauitgegeven, toen hij zich in 1777 teLeeuwardenvestigde, waar hij twee jaren later gevolgd werd door den bekwamenLucas Oling, van Weender geboortig, door zijn belangrijkRekenkundig Exempelboekvermaard. Grooten naam verwierf zich medeMattheus Siderius, die als Luit. Kol. en Ingenieur der V. Ned. in 1781laThéoriede la Fortificationen in 1784Gronden der Vestingbouwkundeuitgaf, enJ. W. Karsten, die in 1797 teLeidenmet goud bekroond werd als schrijver eenerHandleiding tot de kennis der Meetkunde.
Ook aan de eertijds bloeijende Akademie teFranekervond de Wis-, Natuur- en Sterrekunde in dit tijdvak ijverige beoefenaars in de HoogleerarenAnthonius Brugmans, vanHantum,Van Swinden,Nicolaas YpeijvanBergum,Jacobus Pierson Tholen, vanLeeuwardenenAdolphus Ypeij, vanFraneker. Aan deze Akademie waren mede verbonden, als HortulanusDavid Meese, vanLeeuwarden, bijzonder door kruidkundige schriften vermaard, enJan Pieters van der Bildt, vanL. Vrouwe-Parochie, als Amanuensis en verzorger der verzameling physische instrumenten; een man van geringe afkomst, die eerst door het maken van uurwerken en daarna van optische instrumenten zich zeer verdienstelijk gemaakt en een grooten naam verworven heeft, daar vooral zijne teleskopen lang op hoogen prijs werden geschat. In genoemde betrekking werd hij in 1791 opgevolgd doorSybrand Taekes van der Fliet, vanFraneker, die lang trekschipper was, doch door vlijt en inspanning, ten gevolge der verkeering met de zonen vanVan der Bildt, het zoo ver bragt, dat ook hij optische en andere instrumenten vervaardigde. Bij zijn dood in 1806 werd hij opgevolgd doorBauke Eisma van der Bildt, vanFraneker, die, als bekwaam werktuigkundige, den naam zijns grootvaders ophield en eene menigte teleskopen, kijkers en andere werktuigen heeft vervaardigd, welke algemeen geacht zijn6. Bovendien waren er destijds in den eenvoudigen burgerstand teFranekerverscheidene personen, die voor zich zelve de mathematische wetenschappen beoefenden, en van wie dus weinig meer dan hunne namen bekend is. Deze warenWillem Wytzes,Douwe Wytema,Dirk Dodenga,Marten ClaverenPieter Idserds Portier, die tevens als een zeer bekwaam teekenaar van schepen en landschappen bekend is. Nog wasWouter Martens van der Werff, vanWoudsendgeboortig, daar als leermeester in de Wis- en Sterrekunde zeer geacht; terwijlPibo Steenstra, de zoon van een tigchelaarsknecht, het geluk had, opgemerkt te worden door Prof.Ypeij, die zijn gunstigen aanleg dermate ontwikkelde, dat hij als Lector in de Wis-, Zeevaart-en Sterrekunde teAmsterdam, verscheidene goede leerboeken uitgaf, welke bij het publiek lang grooten bijval vonden. Ook de scheikundigeBoudewijn Tieboelen de beroemde wijsgeerFrans Hemsterhuis, beide teFranekergeboren, behooren nog bij dit getal genoemd te worden.
In de nabijheid vanFraneker, in de buurtSalwerd, woonden toenmaals de broedersRientsenKlaas Piers Salverda, die uitmuntten door vernuft, oordeel en bekwaamheid, vooral in het maken van fraaije zonnewijzers. Uit dit geslacht was mede afkomstig de geleerdeWybo Fynje, Doopsgezind Leeraar teDeventer, bekend wegens zijne ongemeene bekwaamheden in de hoogere Wiskunde.
TeHarlingengaf de Oud-SecretarisMathys Adolph van Idsingain 1787 blijken van groote bedrevenheid in de Sterre- en Zeevaartkunde in zijne werkjes:Aanwijzinge van het seekere Middel waardoor de zeeman iederen nacht zijne waare langte kan te weeten komen, metVervolg, en niet minder zijn tegenschrijverAbe Jans Hingstaldaar. Te dier stede woonde destijds mede een zeer bekwaam uurwerkmaker,Tjeerd Radsma, die met veel vernuft een beweegbaar Planispherium vervaardigde, waarvan Prof.Van Swindenin §82zijner Beschrijving vanEisinga’s Planetarium eene korte aanwijzing en vergelijking heeft gegeven, nadat hij toen reeds acht dezer werkstukken vervaardigd en teHarlingenenAmsterdamgeleverd had.
In het dorpAchlumbijFranekerwas destijds de landbouwerKlaas Gerrits Wieringaeen vernuft, dat, zeer bedreven in de Wis- en Werktuigkunde, door het vervaardigen van eene electriseermachine en andere kunststukken, algemeen opzien baarde. Uit het daar bij gelegene dorpArumkwam de bekwameObbe Sikkes Bangmavoort, die, even alsHenricus AeneaevanOudemirdum, door hunne bekwaamheden en uitgegevene geschriften inHollandeervolle wetenschappelijke betrekkingen mogten verwerven.
Overigens waren er in die laatste helft der 18eeeuw nog een aantal stille beoefenaars der Wis- en Sterrekunde inFriesland,waarvan wij niet de woonplaatsen, maar alleen de namen kennen, en die zich, onder den titel van: Mathematicus, of van: Liefhebber der Mathematische kunsten, verdienstelijk hebben gemaakt als berekenaars van de Almanakken der jaren, achter hunne namen geplaatst. Zij zijn:Gerrit Tresling, 1755, vermoedelijk teLeeuwarden;Leendert Holder, 1764, denkelijk onderwijzer teArum;H. D. Hylkema, 1770;Hanso Lemstra van Buma, 1775, later, in 1791, Boekhandelaar teSneek;S. SjoerdsenS. van der Werf, 1782;Popke Sluiter, 1784;Gerrit Hendriks, 1793;Marten Jonker, 1794;Tiede Dykstra, 1795;Joris de Haan, 1797;Johannes Egberts, 1799 en daarnaEvert Sjerps Ferwerda, timmermansknecht teLeeuwarden, dien wij nog gekend hebben.
Wij zouden nog meerdere namen kunnen noemen, als: vanHendrik Anjema, vanFraneker, die eenTafel der Devisoren van alle de natuurl. getallen(Leiden 1767) uitgaf; vanNicolaas Epkema, vanWirdum, dieWolff’s Tafelen tot de Trigonometria(Amst. 1765) in ’t Ned. overbragt; van de voortreffelijkste gebroedersPieter,AlbertenArjen Roelofs, vanHijum, die zich eerlang tot eene verwonderlijke hoogte verhieven;—doch reeds meer dan genoeg, om aan te toonen, datFriesland, inzonderheid in de laatste helft der 18eeeuw, vruchtbaar was in het voortbrengen van mathematische vernuften7.
In het aanzienlijke en fraai gelegene dorpDronryp, inMenaldumadeel, tusschenLeeuwardenenFraneker(waar eertijdsRiemer Sybeswoonde, die de eerste leermeester in de Wiskunde was van den later zoo beroemdenWillem Loré) was omstreeks het midden der vorige eeuw, bovendien, eengeslacht gevestigd, waarin de zucht en de geschiktheid voor de mathematische wetenschappen en de werktuigkunst erfelijk scheen te zijn. Daar woonden de broedersJelte EisesenAne Eises, vanOosterlittensinBaarderadeelafkomstig, die het beroep uitoefenden van wolkammer. Van jongs af hadden beide zich in de uren van uitspanning toegelegd op de Reken- en Meetkunst, en bestendig bleef het hen eene aangename bezigheid zich te oefenen, en den tijd, welke hen van hunne kostwinning overschoot, te besteden tot het zamenstellen van een of ander kunstwerk of aardigheid, waarbij eene zeldzame handigheid beider vernuft ten dienste stond. Van de verschillende stukken, doorJeltevervaardigd, zijn bekend, dat hij, in jeugdigen leeftijd, een tweemast galjootscheepje vervaardigde, van 9 voet lengte, met alle toebehooren en in juiste evenredigheid, zóó zelfs, dat er twee man meê te water konden gaan. Als liefhebber van muzyk en zang maakte hij voor huiselijk gebruik een klavier en daarna een kabinetorgel, waarvan hij de inrigting had gadegeslagen bij gelegenheid der herstelling van het kerkorgel vanDronryp, waarover hij als Kerkvoogd het opzigt had. Doch inzonderheid hielden zij zich bezig met het berekenen en zamenstellen van zonnewijzers, in onderscheidene en soms zonderlinge vormen, waarvan vele in den omtrek aan de huizen en als tuinsieraden werden geplaatst. Eene doorJeltemede vervaardigde kunst-draaibank, van bijzondere vinding, bewees bij al deze werkzaamheden groote diensten.
De jongste der broeders,Ane, vertrok eerlang naarFraneker, waar hij Waagmeester en Ontvanger of Collecteur van het Gemaal, den Turf enz. is geworden.Jeltebleef bestendig teDronrypwonen, als wolkammer, en trad in het huwelijk metHittje Steffens, van het naburige dorpWinsum, bij wie hij twee zonen en twee dochters verwekte. De jongste dezer zonen heetteStephanus Jeltes, waarbij hij later den naam vanEijsingaaannam. Hij werd geboren den 24 Maart 1755 en onderscheidde zich, even als zijn oudere broederEise, spoedig door een zeldzamen aanleg voor de Wis- en Sterrekunde, welke door hetdagelijks onderwijs van den vader werd ontwikkeld en gevoed. De vrucht van zijne ijverige oefeningen bragt hij in 1776 bijeen in een groot boek (van 257 bladz.), hetwelk hij tot titel gaf:Grondbeginselen der Astronomie of Sterreloopkunde,op eene theoretische wijze verhandeld, waarin hij met keurig schrift en nette teekeningen en berekeningen de gronden dezer wetenschap ontvouwde. In het volgende jaar voegde hij daar achter een kunstwerk, hetwelk hij noemde:Gnomonica of Sonnewijzers, Alle door passer en lijnjaal afgepast op de noorderbreedte van Dronryp. Dit bevat in 170 bladz. de afbeeldingen en beschrijvingen van 86 verschillende soorten van zonnewijzers, welke evenzeer van zijne nette manier van werken als van zijnen vindingrijken geest getuigen8. Ook na den dood zijns vaders, die den 24 October 1785, oud ruim 69 jaren overleed9, bleef hij in het ouderlijk huis en bedrijf werkzaam, en zijne snipperuren gedurig besteden zoowel aan de Sterre-, Reken- en Werktuigkunde, als aan de muzyk en het vervaardigen van fraai teeken- en schrijfwerk. Hij overleed den 27Januarij 1814. Als vader viel ook hem het geluk te beurt, den lust en aanleg voor genoemde vakken te ontwikkelen en aan te kweeken in zijn oudsten zoonJelte, die eerlang blijken gaf van groote verwachting. Want reeds op zijn zeventiende jaar vervaardigde deze, bij wijze van uitspanning, een beweegbaar astronomisch kunststuk, in den vorm van een staand uurwerk, waarop de vaste sterren met de zon op- en ondergingen, met aanwijzing van den waren en middelbaren tijd, van den ouderdom en de schijngestalten der maan enz. Doch die vadervreugde werd eerlang vadersmart, toen deze jongeling in de Fransche conscriptie viel, naarRuslandtrok, en, na de groote vermoeienissen van dien veldtogt, in 1812, in een hospitaal teKaunoinPolenstierf, door zijne familie diep betreurd.
Uit zulk een geslacht, dat het voorregt bezat van het leven van den geest, met liefde voor kunst en wetenschap, in hooge mate te genieten, isEise Jeltesof, zoo als hij zich later schreef,Eise Eisingavoortgesproten. Den 21 Februarij 1744 teDronrijpin het huis No. 131 in de Kerkeburen geboren, werd hij door zijn vader van jongs af opgeleid zoowel in het bedrijf van wolkammer als in die wetenschappen, kunsten en liefhebberijen, welke zijnen geest bestendig vervulden en zijne rusturen veraangenaamden. Dat die zoon lust, aanleg en geschiktheid daarvoor betoonde en zich beijverde, den vader behulpzaam te zijn in al zijne verrigtingen, was dezen een onbegrijpelijk genot en eene sterke aansporing, om alles toe te brengen, wat zijne kennis en bekwaamheid kon vermeerderen. Nog zeer jong begaf hij zich nu en dan naar het naburigeFraneker, ten einde van een burgermanWillem Wytseseenig onderwijs te ontvangen in het rekenen en de gronden der wiskunde. Hij doorliep bij dezen de zes eerste en de 11een 12eboeken van Euclides en erlangde eenige opleiding in de klootschedriehoeksmeting, de kennis van het hemelstelsel, het gebruik van de astronomische tafelen en het berekenen van de eklipsen. Hoe onvolkomen dit onderwijs ook ware, mede wegens gemis aan geschikte leerboeken,—zijn ongemeene aanleg en vernuft hadden genoeg aan enkele vingerwijzingen, om het gehoorde te bewerken, uit te breiden en toe te passen, en alzoo voort te streven langs een eigen pad.
Op den ouderdom van 17 jaren had hij het geluk, in kennis te geraken met boven vermeldenWytse Foppes Dongjuma, zeer geacht Wiskundige en Instrumentmaker teLeeuwarden. Toen de aandacht der sterrekundigen bijzonder was gevestigd op het merkwaardige verschijnsel, dat de planeet Venus op den 6 Junij 1761 voorbij de schijf der Zon zou gaan, had deze instrumenten ontworpen tot het doen van naauwkeurige waarnemingen. Zelfs de lands regering trok zich deze zaak aan, en stond hem toe, deze werktuigen op staats kosten te vervaardigen en daarmede waarnemingen te doen op het destijds onbewoonde oude kasteelCamminghaburgbijLeeuwarden. Toen deze observatiën gelukkig uitvielen enWytse Foppesdaarvan in twee werkjes aan de geleerde wereld mededeeling deed10, behaagde het Gedeputeerde Staten hem bovendien een jaargeld van 100 Daalders te vereeren, welke som daarna met nog 48 Gld. verhoogd werd.
Het mogt den jeugdigenEisingagebeuren deze waarnemingen bij te wonen, en aan den gunstigen en eervollen uitslagdaarvan sterke aansporing te ontleenen, om zich met ijver op zijne lievelings-studiën toe te leggen. Hij deed dit werkelijk, en als de vrucht dezer oefeningen is nog lang bewaard een folio geschrift, bevattende teekeningen en berekeningen van zonnewijzers, en een dergelijke band van ruim 100 bladz., bevattende naauwkeurige berekeningen van alle Zons- en Maanverduisteringen, welke er van 1763 tot 1800 zouden plaats hebben, vergezeld van teekeningen dergene, welke teFranekerzouden zigtbaar zijn. Deze arbeid van een achttienjarig jongeling, gevoegd bij zijne berekeningen van de standplaatsen der planeten, waarvan hij bij het begin van elk jaar tafels voor elke maand vervaardigde, ten einde dienst te bewijzen bij het doen van waarnemingen, mogten later de bewondering van groote geleerden wegdragen; aangezien hij dien arbeid had volbragt, geheel onbekend met het bestaan zelfs van sterrekundige jaarboeken en tafels, waarin de vooraf berekende standplaatsen der voornaamste hemelligchamen worden opgegeven.
Zonder eenige aanspraak op lof en eere hadEisingadit alles teDronrijpin het ouderlijk huis verrigt, geheel in stilte, als uitspanning na volbragte dagtaak, en zonder eenig opzien te baren; zelfs zonder eenig uitzigt, dat deze studiën hem voor de toekomst van eenig ander nut en voordeel zouden zijn, dan dat zij hem bevrediging van weetlust aanboden. Hij volgde eene natuurlijke aandrift en was verder zich zelven genoeg.
Dat ouderlijk huis kon evenwel zijne bestemming niet zijn. In vier-en-twintig-jarigen ouderdom trad hij in het huwelijk metPietje Jacobs, vanHilaard, en vestigde zich in 1768 als Wolkammer teFranekerin het huis de Ooijevaar, tegenover het Stadshuis. De wolkammerij toch bloeide daar toenmaals ongemeen, en waren er 21 saaijet-fabrijken in werking, welke honderden handen werk gaven en tonnen gouds in omloop bragten11.Als een stil burger, die zich met geene andere zaken dan met zijn beroep scheen bezig te houden, en die enkel jaarlijks voor zijn wolhandel eene reis naarLeidendeed, leefde hij, zonder veel verkeering met anderen en zonder door anderen opgemerkt te worden. Dit was ook een gevolg van zijn aard en karakter, dat geheel den rustigen Fries vertoonde, die, in stille ingetogenheid, bij eene afgetrokkene of geslotene geestgesteldheid, geene behoefte had aan hulp of lof van anderen. Zelfs had hij geen verkeer met personen, die de zelfde vakken beoefenden, waaraan hij zijne rusturen bestendig bleef toewijden. Niemand kon dus in hem een vernuft vermoeden, dat tot de stoutste onderneming zou opklimmen.
Hoe talrijk destijds ook de beminnaren van de Sterrekunde inFrieslandwaren—het gros der bevolking nogtans voedde omtrent den loop der hemelligchamen nog zulke bekrompene en zonderlinge begrippen, dat ongemeene verschijnselen dikwijls aanleiding gaven tot groote bewegingen. Kerkelijke naauwgezetheid voedde dan de kleingeestige vrees voor schrikkelijke gevolgen, als zoo vele oordeelen Gods wegens de zonden der menschen. Dit bleek ook ten jare 1774, toen het merkwaardig verschijnsel verwacht werd, dat de planeten Jupiter, Mars, Venus en Mercurius, gelijk ook de Maan, zich op den 8 Mei te gelijk in het zelfde hemelteeken de Ram zouden bevinden. Een vroom godgeleerde, die zich een „liefhebber der waarheid” noemde, vond daarin aanleiding tot het schrijven van een werkje, getiteld:Philosophische Bedenkingen over de Conjunctie van de planeten Jupiterenz. Hij betoogde hierin op een gemoedelijken toon, dat deze conjunctie een verderfelijken invloed zou kunnen hebben niet alleen op onzen aardbol, maarook op het geheele zonnestelsel, ja zelfs, dat dit eene voorbereiding of begin zou kunnen worden van de slooping van het heelal, zoodat de nadering van den jongsten dag als waarschijnlijk werd gesteld12.
Hoe zouden de gemoederen van onkundigen, die van elke bevolking de meerderheid uitmaken, door zulk eene voorspelling niet verontrust zijn geworden? De algemeene vrees, waarmede de 8 Mei werd te gemoet gezien, werd gevoed door drukkers en liedjeszangers, die op openbare straten de goede gemeente tot boete en berouw vermaanden. Het liep eindelijk zóó hoog, dat de overheid er zich meê bemoeide. Na de liedjes bij de drukkers te hebben laten ophalen en de zangers vastzetten, liet de Regering door eendeskundigeeen berigt in deLeeuwarder Courantplaatsen, dat er op dien dag niets anders zou gebeuren, dan dat men vóór Zons-opgang, bij helder weder, de vier gemelde planeten en de maan in genoemd hemelteeken zou zien, en dat dit verschijnsel, even als de reeds voorgevallene conjunctiën van Mercurius en Mars, en van de eerste en de Zon, geheel geen invloed op de aarde zou hebben13.
Dit had de gewenschte uitwerking: want de dag, met zoo veel angst te gemoet gezien, ging rustig voorbij, en beschaamde alzoo elke dwaze voorspelling en alle kleingeestige vrees.
Deze volksbeweging was echter niet geheel nutteloos geweest. Integendeel, zij had een belangrijk gevolg: want te midden der algemeene onrust bleefEisingabedaard; hij vreesde niets,terwijl de door hem vervaardigde tafelen den juisten stand der planeten aanwezen, gelijk bij de waarneming van het verschijnsel bleek. Hij betreurde alleen de onkunde der menigte, die blijkbaar geen begrip had van den stand en loop der hemelligchamen; terwijl hij met verwondering had ontwaard, hoe algemeen nog de voorstelling was ingeworteld, dat de aarde in het middenpunt des hemelstelsels geplaatst zou zijn, en dat de zon en de planeten zich rondom haar zouden bewegen.
DatEisingadit stelsel vanPtolemaeusenTycho Brahéverwierp, en dat van den miskendenCopernicusaankleefde, was natuurlijk na zoo vele jaren van onderzoek en oefening. De wensch, om ook anderen daarvan te overtuigen; de inval, hoe aangenaam het zou zijn, een werktuig te bezitten, waardoor men te allen tijde den waren stand der hemelligchamen zou kunnen gewaar worden en aantoonen; de mogelijkheid, om dit op eene eenvoudige wijze ten uitvoer te brengen—dit alles vervulde zijnen geest. Na ernstige overpeinzingen, mat hij zijne krachten, en—de inval werd een voornemen en dit een vast besluit, om zelf handen aan het werk te slaan, ten einde, tot eigen gemak en genoegen en bij gelegenheid tot voorlichting van anderen, aan den zolder zijner woonkamer een geregeld bewegend werktuig te vervaardigen, hetwelk hem den stand des hemels, de ware plaats en den geregelden gang van zon, maan en dwaalsterren bestendig voor oogen zou stellen. Behalve het genoegen, dat zulk eene huiselijke werkzaamheid in zijn liefhebberijvak hem scheen aan te bieden, meende hij door zulk eene aanschouwelijke voorstelling bij den zamenstand of conjunctie der planeten ook de ongegrondheid te zullen kunnen aantoonen van de vrees voor nadeelige gevolgen daarvan voor onze aarde.
Na zijne huisvrouw het plan medegedeeld en den duur van den arbeid op zeven jaren bepaald te hebben, werden de handen ijverig aan het werk geslagen, echter zonder verwaarloozing van zijn beroep, dat altijd hoofdzaak bleef. Het geheelezamenstel werd nu berekend en overwogen, en vervolgens gewijzigd naar plaatselijke omstandigheden en de bekrompene ruimte, waarover hij te beschikken had. Ten gevolge daarvan deden er zich weldra bezwaren en moeijelijkheden op, welke hij vooraf kwalijk kon voorzien en die toch door geduld of vernuft moesten overwonnen worden. Wij noemen daarvan enkel de belemmering, welke de bedstede veroorzaakte, waarop hij zijne nachtrust genoot.Deze kon hij niet anders dan met vele moeite overwinnen door de verkorting van den slinger, welke het gansche uurwerk in beweging moest brengen, tot op 80 slagen in eene minuut, dewijl eene meerdere lengte, voor 60 slagen, volgens zijn eerste plan, die bedstede onbruikbaar gemaakt zou hebben. Ook de dikte der balken van het gebouw, waarvan de plankenvloer verhoogd en aan welke een nieuwe zolder, waarin het werk zich zou bewegen, verbonden moest worden, veroorzaakte een bezwaar bij de plaatsing van al de raderen, zoodat hij zich verpligt zag, drie assen in plaats van ééne te gebruiken. De berekening van de vereischte tanden in een honderdtal raderen en rondsels, bij zoo verschillende bewegingen, kostte hem mede groote moeite en zorg, bijzonder, omdat hij vervolgens ook een hemelsplein en maanwijzers daarmede in verbinding bragt. Alle krachten van geest en ligchaam moesten daarbij ingespannen worden, dewijlhij zélf allesverrigtte. Beurtelings toch was hij wolkammer en rekenaar, teekenaar en werktuigkundige, timmerman en uurwerkmaker, draaijer en schilder en wat dies meer zij, zonder ooit eenig Planetarium of plaat daarvan gezien te hebben, zonder gebruik te maken van de vele hulpmiddelen en geschriften, welke er destijds reeds bestonden, en zonder dat hij van iemand eenige andere hulp genoot, dan dat hij de vier benoodigde koperen raderen naar zijn voorschrift door een klokmaker liet bewerken, en dat zijn vader, wien hij over het werk geraadpleegd had, eenige schijven en assen op de door dezen vervaardigde kunstdraaibank heeft gedraaid. Voor elks oog verborgen, verstoken van alle aanmoediging en de minste vertooning of opspraak vermijdende, werkte hij rustig voort envorderde dagelijks in stilte. En dat hem bij dat alles een vrome geest bezielde, vol van eerbied voor den grooten Schepper van het bewonderenswaardig heelal, daarvan getuigt de nog op zijne werkplaats aanwezige spreuk, die hij dagelijks voor oogen had: GEDENKT DAT GODT BIJ U ALTIJD HIER TEGENWOORDIG IS14.
Te midden van dezen ijverigen arbeid deden er zich echter onvoorziene verhinderingen op, welke hem op het verlies van kostbaren tijd te staan kwamen. Hij werd tot verscheidene onvermijdelijke lastposten geroepen, als: tot Collectant voor de armen, tot Officier der Schutterij, tot Vroedsman of lid der Stedelijke Regering en tot Armvoogd. Bovendien zag hij zich aangesteld tot Collecteur of Ontvanger van ’s Lands middelen op den brandewijn en de havenspeciën. In deze betrekking vervaardigde hij zeer naauwkeurige lijsten, waarop men den impost van allerhande waren uitgerekend vond. Vermits deze ook voor kooplieden en andere ontvangers zeer dienstig konden zijn, liet hij ze in 1778 drukken, en maakte bij die gelegenheid eenige melding van het werktuig, dat hij onder handen had. Dan, deze lijsten kwamen enkel onder de oogen van hen, voor wie ze vervaardigd waren, en zijne mededeeling trok dus geheel niet de aandacht van deskundigen15.
Als blijken van onderscheiding en vertrouwen waren al die betrekkingen hem wel aangenaam en nam hij ze met zorg waar, doch de uren van werkzame uitspanning, welke hij zoo gaarne en met liefde aan zijn planetarium besteedde, zag hij daardoor zeer inkrimpen. Met des te meer geestkracht en vlijt werkte hij voort, en nog waren er in 1778 geene vier jaren verloopen, of het werktuig was reeds gangbaar en het geheel in Februarij 1780 nagenoeg voltooid. Zie hier een overzigt van het gansche zamenstel:
In het midden van de kamer had hij aan den zolder een stilstaande Zon afgebeeld, uitschietende 24 stralen, waarvan om de andere eene zwarte lijn voortkomt, strekkende tot aan den buitenrand, welke de Ecliptica verbeeldt en deelende dezen cirkel in 12 vakken, welke de hemelteekens of den dierenriem voorstellen. Tusschen dezen rand en de zon had hij in het plafond zeven nagenoeg cirkelvormige sleuven aangebragt, waarin de planeten (door hangende bolletjes voorgesteld) hun bepaalden omloopstijd rondom de zon volbrengen; in beweging gebragt door een uurwerk, waarvan de slinger zich boven de bedstede en de raderen zich tusschen twee zolders (op en onder de balken) bevinden.
Het bolletje in de eerste sleuf verbeeldt de planeetMercurius, die in 88 dagen haar loop om de zon volbrengt;—dat in de tweede,Venus, de morgen- en avondster, die 225 dagen daartoe noodig heeft;—de derde cirkel is de weg, welke onzeAardein 365¼ dagen om de zon volbrengt, nevens wier bol eene kleinere deMaanverbeeldt, welke in ruim 27 dagen om deAardeen tevens om haar eigen as draait, en met de aarde eens in ’t jaar om de zon gevoerd wordt, waardoor dit maan-bolletje (dat half verguld en half zwart is) altijd de vergulden kant naar de zon gekeerd houdt;—de vierde bol is de planeetMars, met 687 dagen omloopstijd;—de vijfde,Jupiter, met 4 kleinere bolletjes, welke zijne wachters of manen voorstellen, loopt in 11 jaren en 315⅓ dagen rond;—in de zesde sleuf stelt eene bol, met een platten breeden ring omvangenen van 5 manen vergezeld,Saturnusvoor, welke in 29 jaren en 164 dagen zijn loop om de zon volbrengt;—de zevende en uiterste sleuf verbeeldt den weg van deZon, waarin een wijzer, in 365 dagen ééns rond gaande, aan de binnenzijde de teekens en graden van de lengte der zon op de ecliptica en aan de buitenzijde de maanden en dagen van het jaar en de declinatie der zon aanwijst16.—Tot aanwijzing van de beweging der Maan om de Aarde had hij verder aan den zolder twee en aan de bedschutting twee groote en vier kleine cirkels met wijzers geplaatst; waar tusschen zich in het midden gelijke aanwijzingen bevonden van den dag der week, het uur van den dag en het jaartal, alsmede van de schijnbare beweging der zon en vaste sterren. Dit laatste Hemelsplein en niet minder de Maanwijzers, die de ongeregelde beweging der maan zeer naauwkeurig voorstellen, veroorzaaktenEisingabij de zamenstelling de meeste moeite en zorg.
Zoo verre was het werktuig voltooid, hoewel nog niet opgeschilderd, toen zich op den 22 Februarij 1780 onverwacht drie Franeker Hoogleeraren bijEisingaaanmeldden, hem te kennen gevende, vernomen te hebben, dat hij een aardig werktuigje had vervaardigd, hetwelk zij gaarne eens zouden willen zien. Het waren de Proff.J. H. van Swinden,G. CoopmansenE. Wigeri. Met de hem eigene bescheidenheid en nederigheid antwoorddeEisinga, dat hij niet wist of zijn werktuig de belangstelling der Heeren wel verdiende; dat het nog lang niet geheel voltooid was, waartoe hem de tijd had ontbroken, doch dat hij evenwel bereid was het hun te laten zien. Men trad de burger-woonkamer binnen, hief de oogen op, en vroeg nuen dan eenige verklaring van den maker. Wat de twee laatstgenoemde Hoogleeraren dachten en gevoelden, is ons onbekend gebleven; maar Prof.van Swinden, die elders „onderscheidene Planetaria had gezien; die dikwijls over dergelijke werktuigen had nagedacht, ja, die zelf eens eene schets van een eenvoudig Planetarium had ontworpen”,—zoodra had deze het geheel niet overzien en begrepen, of hij werd „door eene wezenlijkeverrukkingover de fraaiheid van dit kunststuk vervoerd,” en, ofschoon hij twee volle uren aan de bezigtiging besteedde, twijfelde hij nog, of hij, „door de verwondering als overstelpt, alles wel volkomen had ingezien en nagegaan.” Te huis gekomen, ging hij alles na, teekende het voornaamste op, overwoog de vereischten van zulk een werktuig, las verscheidene schrijvers, om zich van de waarde van dit Planetarium te overtuigen, en stelde eenige gedachten en vragen tot nader onderzoek op het papier. Den 13 Maart bezocht hijEisingaop nieuw in gezelschap van Prof.Schrader, Prof.Garcin, Baronvan Aylva, Do.P. Stinstraen anderen. Bij een onderzoek van eenige uren bleek hem nu, dat de eerste reis veel zijner aandacht ontglipt was, en dat het kunststuk meerdere voortreffelijkheden bezat, dan hij verwacht had. En na eene derde bezigtiging en veelvuldige inlichtingen van den vervaardiger, was „zijne verwondering,wel verrevan door den tijd te slijten, bij eene naauwkeurige kennis van het geheel, nog grooter dan zij in den beginne was.” „Verrukkend was het hem, gewaar te worden, hoe de grootste zwarigheden voor een groot vernuft als kaf verdwijnen, enhoe men,door de eenvoudigste middelen, wanneer men een daartoe geschikten geest bezit,de meest zamengestelde stukken kan vervaardigen. Naarmate hij ieder stuk in deszelfs wezenlijke waarde leerde kennen, voelde hij zijne achting voor den vervaardiger groeijen en zijne blijdschap vermeerderen, van door diens onderrigtingen vorderingen te maken in sommige deelen der werktuigkunde.”
Prof.van Swindengaf zijne ingenomenheid met dit voortreffelijke kunststuk het eerst lucht, door het ontwerpen vaneene korte schets daarvan, welke hij toezond aan zijnen broeder den AdvokaatS. P. van Swindente’s Hage, alsmede aan de Akademie der Wetenschappen teBrussel, aan den PrinsVan Gallitzin, aan de beroemde geleerdenDe Luc, destijds teLonden,CotteteMontmorencienGaussenteMontpellier; en alleen gebrek aan tijd verhinderde hem vooreerst gelijke mededeeling te doen aan zijne correspondenten teParijs, tePetersburgen inDuitschland,ZwitserlandenItalië. Doch ook als burger en geleerde besefte hij zijne verpligting jegens zijn vaderland, om de verdiensten van een voortreffelijk burger en stadgenoot algemeen bekend te maken. „Wegens vindingrijk vernuft en bijzondere vermogens voor de werktuigkunde mogten toch de Friezen zich evenzeer opEisingaberoemen als de Engelschen opHarrisonenFerguson, aan wie uitstekende belooningen ten deel vielen. Dáárom en om ieder voor te lichten, die het Planetarium voortaan zou willen beschouwen en in zijne waarde leeren kennen, doch vooral, om geringschatting en verkeerde beoordeeling te vermijden,—beslootVan Swindeneene uitvoerige beschrijving van het gansche Planetarium in het licht te geven. Hij deed dit in Junij 1780 en dus nog vóór het schilderen en vergulden van het vertrek en van de voorwerpen, waarmedeEisingavan Augustus 1780 tot Mei 1781 is bezig geweest, waardoor het geheel een veel fraaijer en meer sprekend voorkomen bekwam. Hij deed dit met eene vlijt en studie, welke geëvenredigd waren aan de waarde, welke hij aan het kunststuk hechtte, en „werd daarbij veel uitvoeriger dan hij zich voorstelde, uit hoofde van het genoegen, hetwelk hem het opstellen verschafte.” Hij droeg het werkje, waarmede hij groote eer behaalde, op aan zijnen broeder bovengenoemd, die na verloop van weinige weken in persoon overkwam, om met eigen oogen het Planetarium te zien en in de bewondering zijns broeders te deelen.
Naauwelijks toch was deze beschrijving in het licht verschenen, en was het algemeen op de hooge waarde van het Planetarium oplettend gemaakt, of de stille woning vanEisingawerd bijna dagelijks door een aantal personen bezocht, dat, uit nieuwsgierigheid of belangstelling, de bezigtiging kwam verzoeken. Van den 22 Februarij tot den 4 Junij was de beschouwing slechts aan een twintigtal personen, meest Hoogleeraren en Doopsgezinde Predikanten, veelal onder geleide van Prof.van Swinden, vergund geworden. Doch pas was de beschrijving in het licht, of het getal groeide dermate aan, dat van den 22 Junij tot den 31 Julij het getal bezoekers, waaronder vele aanzienlijke personen en geleerden, ruim honderd bedroeg. Hoe aangenaam deze blijken van belangstellingEisingaook waren, zij hinderden hem, omdat het werktuig zich zeer onaanzienlijk voordeed, en nog afgewerkt en geschilderd moest worden. Hij moest dus den toegang weldra een tijdlang weigeren, om zich daarmede bezig te houden. In dien tusschentijd liet hij slechts enkele personen toe. Na de voltooijing, in het laatst van Mei 1781, werd de bezigtiging weder opengesteld, en groot was van nu af aan de toeloop van beschouwers, uit alle oorden des lands. Gansche gezelschappen maakten eene afzonderlijke reis naarFraneker, om een kunststuk te zien, dat sedert als de meest bezienswaardige bijzonderheid dezer stad werd vereerd. Algemeen was de bewondering en groot de lof, welke den eenvoudigen maker daarover (vaak al te uitbundig) werd toegezwaaid, zoodat deze eerbewijzen hem dikwijls meer hinderlijk dan aangenaam waren. Vroeger had hij de namen der bezoekers aangeteekend, doch nu voerde hij het gebruik in, dat ieder bezoeker zijne handteekening zette in een eenvoudig boekje of album, hetwelk hij als herinnering bewaarde17.
Een kunstwerk, dat dermate de algemeene bewondering opwekte, moest ook wel de aandacht trekken derStaten van Friesland, die weleer door zoo vele eervolle gunstbewijzen de beoefening van wetenschap en kunst in dit gewest hebben aangemoedigd18. Op den Landsdag van den 18 Julij 1783 werd namelijk voorgedragen, „dat door den VroedsmanEisingateFranekeruitgevonden en met grooten arbeid en kosten vervaardigd was een uitmuntend „Hemisphærium,” hetwelk meer wereldkundig was geworden door de beschrijving, welke Prof.van Swindendaarvan in het licht had gegeven, waardoor het de verwondering en aandacht der geleerden, zoo binnen- als buitenlands had tot zich getrokken, en hetwelk wel verdiende de zigtbare blijken van goedkeuring en deelneming der Hooge Overheid te ontvangen, opdat ook ’s Lands Universiteit aldaar in het toekomende daarvan nut en eere mogt hebben.” Voorloopig werd hierop, vooral wegens het laatst aangevoerde, besloten, daarop de consideratiën te verzoeken van de Heeren Curatoren der Hoogeschool teFraneker.
Gelukkig, dat deze daarin raad en voorlichting vroegen van den man, die het meest bevoegd was, over de zaak te oordeelen. Zij vroegen de consideratiën van Prof.van Swindenen deze voldeed zeer gaarne aan hun verzoek. Bij eene uitvoerige missive (groot 17 bladz.19) beantwoordde hij den 7 September 1783 de twee vragen: „of het kunststuk de zigtbare blijken der goedkeuring en deelneming van de Regering verdiende, en of die blijken ook zoodanig zouden kunnen worden gegeven, dat ook de Universiteit er nut en eere van hebbe.” Hij stemt de eerste vraag toe,ten eersten, omdat dit Planetariumin zich zelfuitnemend en zonder weêrga is, dewijl er geen ander kunststuk bekend was, waarop de schikking, bewegingen en verschijnselen der hemelligchamen zóó talrijk, zóó zigtbaar en zóó naauwkeurig vertoond worden, gelijk bleek uit de vergelijking met andere werktuigen, en ook uit den hoogen lof, door buitenlandsche geleerden van den eersten rang, zelfs door Engelsche Journalisten, na het uitgeven van zijne Beschrijving hieraan toegekend.
Ten tweeden, omdat de uitvinder eene schranderheid van geest, een vernuft en verbeeldingskracht had aan den dag gelegd, welke de meeste bewondering verdienden in eene zaak, die den oppervlakkigen beschouwer het minst in het oog valt, namelijk:de kunstige zamenstelling van het Raderwerk, dat alle en zeer ongelijke bewegingen op de eenvoudigste wijze te weeg brengt, en daardoor de meest moeijelijke bezwaren der mechanica overwonnen heeft. Ja,Van Swindenbetuigt, dat hij meermalen verstomd had gestaan bij het beschouwen van het geheele zamenstel der raderen, hoe zich in een man alsEisinga(zonder eenig onderwijs in de werktuigkunde genoten te hebben, zonder iemand of eenig boek te raadplegen, zonder te weten, dat er soortgelijke werktuigen bestonden, ja die vroeger nimmer op werktuigen had nagedacht) zich op eens een ongemeene mechanische geest heeft ontwikkeld, waarvan deze zich zelven niet bewust was. „Waarlijk,”dus besluit hij dit punt,„hoe meer ik het kunststuk beschouw, hoe meer ik de eenvoudigheid van het raderwerk en van het geheele zamenstel bewonder, en deskundigen zijn er met mij over verwonderd geweest.”—Vandaar, dat hijten derdenuitvoerig betoogt, hoe eervol het voor de Staten zoowel als voorEisingazou zijn, als hem (in navolging vanFrankrijk,Engelandenz. die uitstekende bekwaamheden erkenden en vereerden) door de Hooge Overheid ter belooning, ter aanmoediging en ter vergoeding der zware onkosten en onbegrijpelijke moeite, eene som gelds wierd toegekend, waardoor zijne verdiensten en eere als met het zegel van den Souverein bestempeld zouden worden, tot geene geringe aansporingvan vele andere Friezen, ten einde al hunne krachten en vermogens in te spannen, om den lande, de kunsten en de wetenschappen nuttig te zijn, en den roem en de eere der Friezen uit te breiden.
Maar nog grooter blijk van zijne hooge ingenomenheid met het kunststuk gaf Prof.van Swinden, toen hij, ter beantwoording van de tweede vraag, niets minder voorstelde, dan om Heeren Staten te bewegen,Eisingauit te noodigen en in staat te stellen, om, tot roem en sieraad van de Akademie en van de stadFranekeren tot groot nut van de studenten, op Lands kosten in het Akademiegebouw een geheel nieuw en meer volmaakt Planetarium te vervaardigen dan dat, hetwelk hij naar de bekrompene ruimte van zijne woning had moeten schikken en niet wel verplaatst kon worden; alsmede, dat daarvan eene uitvoerige en met goede platen verrijkte Beschrijving op Lands kosten mogt worden uitgegeven; waardoor het nut daarvan voor de studerende jeugd bevorderd en de roem der Akademie, zoo als ook de milddadigheid en prijzenswaardige ijver der Hooge Overheid tot het aankweeken van nuttige kunsten en wetenschappen algemeen ruchtbaar en verspreid zouden worden.
Zulk een advies van den meest bevoegden beoordeelaar was voorEisingazeker veel meer vereerend dan het Staatsbesluit, dat dien ten gevolge den 6 Maart 1784 werd genomen. Ondanks de hooge ingenomenheid van Prof.van Swindenmet het kunststuk en de krachtigste bewoordingen, om deszelfs uitstekende verdiensten aan te duiden, werd zijn laatste voorstel daarin voorbijgegaan, en, op vroeger vermelde gronden, alleen besloten: „de kundigheid en ijver vanEisingaallezins te lauderen, en hem, ten teeken van het genoegen der Staten in zijn arbeid, aan te bieden een stuk gewerkt zilvers ter zijner keuze, ter waarde van ten hoogstehonderd zilveren Dukatons” (ƒ 315).
Zeker steekt het bedrag van dit geschenk „als blijk der goedkeuring en deelneming van de hooge Overheid,” sterk af bij de schatting van Prof.Van Swinden, en zouEisingadáárin en in de wijze, waarop het door hem gekozene zilverwerk (bestaandein eene koffijkan en theepot) hem, zonder eenige opdragt, toeëigening of geleide, door den knecht van een zilversmid aan hem werd bezorgd, redenen van kleinachting gevonden hebben,—indien hij mindere zelfgenoegzaamheid had bezeten, en als hij in de gansche behandeling van deze zaak niet reeds de blijken van den bekrompen geest van den toenmaals reeds smeulenden staatstwist had gemeend te bemerken, welke hem zoo zeer bedroefden, en later op zoo vele tranen kwamen te staan.
Het was er verre af, datEisingamet de voltooijing van zijn werktuig, in Mei 1781, zijn arbeid als geëindigd beschouwd zou hebben. Neen, bestendig bleef hij aan de verbetering en volmaking van het geheel werkzaam. Spoedig kwam het hem beter voor, de wijzers, welke de lichtgestalten der Maan voorstellen (onder op de pilasters van de bedschutting geplaatst), nog tegen den zolder te brengen, waar meer ruimte was om de zaak naauwkeurig voor te stellen20. Daar eene verplaatsing en verschikking van het geheele raderwerk dezer beweging hieraan verbonden was, volbragt hij deze verbetering met zeer veel moeite. Doch hij zette de kroon op zijn werk, door de zamenstelling van een geschrift, dat de duurzame waarde van zijn kunststuk, ook voor het nageslacht, zou verhoogen.
In November 1784 vervaardigde hij namelijk eeneNaauwkeurige Beschrijving en Afteekeningen van de uitwendige vertooning en de inwendige zamenstelling van het gansche Planetarium. Dit met zorg bewerkte geschrift (groot 100 folio bladzijden) bestemde hij voor zijne zonen, aan wie hij het opdroeg, opdat zij en hunne nakomelingen na zijn overlijden in staat mogten zijn het werktuig in orde en gangbaar te houden. In zeven hoofdstukken beschreef hij, met bijvoeging van afbeeldingen, deuitwendige vertooning en de inwendige beweging van ieder ring, rad, rondsel of as, met het getal tanden, staven en bonkels en den tijd van hunnen omloop, waartoe hij elk stuk met een nommer had voorzien; hij wees hun aan, hoe alles uit elkander genomen, hersteld en ineengezet moest worden, en onderrigtte hen omtrent het vermogen van den slinger, de kracht der gewigten, en hoe sommige gedeelten van de beweging afgesloten en het geheel door het ronddraaijen van een kruk naar verkiezing bewogen kon worden enz. Met eene bewonderenswaardige naauwkeurigheid en duidelijkheid legde hij hierin het gansche zamenstel bloot en gaf hij rekenschap wáárom hij alles zóódanig had ingerigt21. Naar deze aanwijzingen onderhouden, vleide hij zich, dat het werktuig met zeer weinig moeite en kosten gangbaar kon blijven tot eene lengte van jaren, ja van geslachte tot geslachte.
Zóó waande de brave en verdienstelijke man, die nu alles meende verrigt te hebben wat in zijne magt stond, om den onafgebroken gang van zijn geliefkoosd en beroemd kunstwerk te verzekeren. Maar spoediger dan hij kon vermoeden, ja nog bij zijn leven, zou het stilstaan, om jaren aaneen als in vergetelheid weg te kwijnen. De vrede en rust, welkeNederlandbij het genot van welvaart en eensgezindheid zoo lang had genoten, waren sedert 1780 verstoord door staatkundige geschillen en burgerlijke verdeeldheden. Ten jare 1787 hadden deze het toppunt bereikt.Franekerwerd het middelpunt der beroerten, waarin de gewapende misnoegden tegen het stadhouderlijk gezag zich vereenigd hadden, enEisinga, de stille, rustige burger, bevond zich aan het hoofd der stedelijke burgermagt,dewijl hem door Magistraat en Vroedschap, bij de jaarlijksche verdeeling van de commissiën, in dát jaar de last was op gedragen van toezigt over de zaken der Schutterij. Weldra herstelde de overmagt der Pruissische troepen het stadhouderlijk gezag; het lang versterkteFranekerwerd hernomen, en—honderden Friezen vonden het geraden, huis, have en vaderland te verlaten, om alzoo door de vlugt nog grootere bezwaren te ontgaan.
OokEisingadeelde in dit lot. Hoezeer zijner onschuld en goede bedoelingen bewust, moest ook hij gade en kinderen verlaten, en, van zijn geliefd Planetarium verwijderd, doelloos in den vreemde rondzwerven. Daar moest hij na verloop van weinige maanden den dood zijner beminde huisvrouw beweenen, zonder dat het hem vergund was geweest haar in de laatste ure bij te staan. De opvoeding van zijne zonen moest hij aan bloedverwanten overlaten. Zijn huis werd verhuurd, zijne meubelen verkocht, en niemand sloeg acht op het stilstaande kunststuk, om welks vervaardiging hij nog kort geleden met zoo veel lof en eere gekroond was. Een tijdlang hield hij zich teSteinforten teGronauop, gebogen onder diepe smart. TeEnschedéverzachtte de vriendschap van den bekwamenLambertus Nieuwenhuis, even als hij beoefenaar van de natuur- en wiskundige wetenschappen, in wiens familie hij gastvrij werd opgenomen, eenigen tijd zijn bijna onduldbaar lijden. In April 1790 waagde hij het,Gronaute verlaten, en overKoevordenenAssennaarGroningente wandelen, waar hij wilde rondzien naar eene gelegenheid, om zich ergens als wolkammer te vestigen. Hij meende die teVisvliet, aan de Friesche grenzen, gevonden te hebben, en mogt daar bijna een jaar lang veilig wonen en zijn beroep hervatten. Doch de vijand, waarvoor hij gevlugt was, sliep niet. In het begin van April 1791 werd hij daar namens het Hof vanFrieslandgevat, naar het Blokhuis teLeeuwardengevoerd, en, na een breedvoerig proces, op de beschuldiging, van als lid van het defensiewezen deelgenomen te hebben aan de oproerige bewegingen teFranekerin 1787, eerst den 27 April 1792 veroordeeld, om voor vijf jaren uit deze provincie te worden gebannen. Hij begaf zich toen weder naarVisvliet, en mogt daar vele bewijzen van ondersteunende hulp ontvangen en ook eene tweede gade vinden inTrijntje Eelkes Sickema, die vervolgens de steun en vreugde van zijn leven bleef en bij welke hij twee dochters verwekte.
De omwenteling van 1795 maakte een einde aan zijne ballingschap. Hij kwam teFranekerterug, doch vond zijn huis verhuurd aan vreemden, zoodat hij voorloopig eene andere woning moest betrekken. Eerst in het volgende jaar keerde hij in zijn huis terug, hervatte hij zijn vorig bedrijf en werd zijn Planetarium, na een stilstand en gemis aan toevoorzigt van negen jaren, weder het groote voorwerp zijner zorgen in de uren van verpoozing. Met vernieuwden lust werd het hersteld en gangbaar gemaakt, zoodat het eerlang weder ter bezigtiging van het algemeen werd opengesteld, en op nieuw, als vroeger, talrijke belangstellende bezoekers vond22.
Onder het genot van huiselijk geluk en de welverdiende hoogachting zijner medeburgers, sleetEisinganu vele rustige en gelukkige jaren. Door het algemeen vertrouwen zag hij zich met de waarneming van verschillende betrekkingen vereerd. In 1797 werd hij zelfs benoemd tot Curator van ’s lands Akademie teFraneker, en werkte hij ijverig mede tot herstel van deze beroemde Hoogeschool uit haren deerlijk vervallen toestand. Bestendig hield hij zich als uitspanning met sterrekundige berekeningen en werktuigen bezig. Hiervan getuigt nog een in zijne familie bewaard:Stereographisch ontwerp der Sterrenhemel,van de Noorderpool tot de 35 graden zuider-afwijking, vanJ. E. Bode,voor het gebruik gemakkelijk gemaakt. Hiertoe had hij deze kaart op eene draaijende schijf geplakt en van een rand voorzien, waarop de maanden en dagen uitgedrukt zijn. Daar vóór is een glas, waarop de horizont, de hoogte, de cirkels en 16 kompasstreken zijn getrokken; alles zeer geschikt, om op een bepaald tijdpunt den stand der vaste sterren te kunnen voorstellen23.
Het laatste stuk, door hem uitgedacht en geteekend, was een kleinPlanetarium, waarop de loopbanen van Mercurius, Venus, de Aarde met de Maan, Mars, Jupiter en Saturnus waren geplaatst in hare betrekkelijke afstanden van de Zon, waarvan de bijzonderheden in hetAanhangseltot de Beschrijving zijn medegedeeld.
Zijne bestendige zucht, om het Planetarium van tijd tot tijd te verbeteren, werd gevoed door een heimelijken wensch, welke steeds zijn geest vervulde en scherpte. Het was de hoop, dat het hem in de kracht zijns levens mogt gebeuren, zich in de gelegenheid gesteld te zien, om (zoo als Prof.van Swindenhet eerst had voorgesteld) ergens elders op grootere schaal een veel volmaakter Planetarium zamen te stellen, waartoe hij al de vereischte berekeningen gemaakt en de ontwerpen gereed had. Hij had dien wensch meermalen te kennen gegeven, en zelfs eenmaal, als balling, zich tot de uitvoering daarvan aangeboden, slechts tot den prijs van vrij en veilig in zijn vaderlijk gewest te mogen wederkeeren; maar te vergeefs24.
Die hoop werd verlevendigd, toen de voortreffelijkeGerrit Hesselink, Hoogleeraar bij de Doopsgezinden teAmsterdam, het Planetarium in Augustus 1800 met zóó veel belangstelling en bewondering bezigtigde, dat hij zich opgewekt vond, in de maatschappij:Felix Meritisdaarover eene verhandeling voor te dragen. Deze had ten doel, om genoegzame belangstelling te verwekken, datEisingauitgenoodigd zou worden, om, op kosten en in het gebouw dier Maatschappij, zulk een kunstwerk met alle gewenschte verbeteringen te vervaardigen. Die wensch werd ondersteund door den achtenswaardigen kunstminnaarJ. d’AmourvanAmsterdam, die, in dezelfde maandEisingabezoekende, hem diep getroffen zijne bewondering en dank betuigde, en eene som van duizend guldens aanbood, indien men kon besluitenEisingauit te noodigen, inAmsterdameen dergelijk Planetarium te vervaardigen. Doch ook deze zaak had geen gevolg.
Nog krachtiger werd die hoop verlevendigd, toenEisingain 1808 een bezoek ontving van den Admiraalde Winter,Marschalk van Holland, zoo als hij zich in het album betitelde. Na met zijn gevolg het kunststuk met ongemeene deelneming bezigtigd te hebben, was hij voornemens, omKoningLodewijk, bij zijne voorgenomene reis naarFriesland, de zaak met zoo veel aandrang voor te dragen, dat de Vorst overgehaald wierde, om het vervaardigen van een vollediger Planetarium en Hemisphærium, in het gebouw der Franeker Akademie of elders, aanEisingaop te dragen. Mogt hij hierin niet slagen,dan hoopte hij dit plan door vereenigde krachten van vele beminnaars der wetenschappen en het vaderland te verwezenlijken. Doch weder te vergeefs: de reis des Konings had geen voortgang, en latere gebeurtenissen bragten dit plan in vergetelheid. Dáárom is het bijzonder vreemd, dat bij al de bemoeijingen van het toenmalig bewind, om verdiensten en talenten op te sporen en aan te moedigen, waaraanArjen Roelofs,Sieds Johannes RienksandBauke Eisma van der Bildteereblijken en onderscheidingen te danken hadden,Eisingawerd voorbijgegaan, en dat hij zelfs niet genoemd werd in het bekende verslag van den HeerJ. Meerman, Directeur-Generaal der Wetenschappen en Kunsten, van Zomermaand 181025.
Welverre dat ditEisinga, die in zedige nederigheid en zelfgenoegzaamheid zijne grootheid zich zelven bijna onbewust was, zou gekrenkt hebben. Maar aangenaam was het hem nogtans, na de heugelijke herstelling des vaderlands, in Februarij 1816 vereerd te worden met de benoeming totBroeder der orde van den Nederlandschen Leeuwen in dat zelfde jaar totLid van den Stedelijken Raad;—datKoningWillemI, die hem eerstgenoemde onderscheiding toekende, metPrinsFrederikder Nederlandenden 30 Junij 1818 zijn Planetarium met een bezoek vereerde, en zich alles tot in de minste bijzonderheden liet aanwijzen, waarbij beide vorsten de moeite niet schroomden, om in de enge ruimte van het raderwerk te kruipen, vooral om de ongelijke bewegingen der maanwijzers te bezigtigen;—dat ook deKroonprins, laterWillemII, hem den 29 Julij 1820 met gelijke belangstelling bezocht, en dat Mr.Jacobus Scheltemain 1818 zijne verdiensten openlijkin het licht stelde door de uitgave van zijne Levensbeschrijving26.
Niet minder verblijdend was het voorEisinga, in 1824 eenherdrukvanvan Swinden’sBeschrijving van zijn Planetariumte beleven. De geleerde en smaakvolleJan Brouwer, rustend leeraar bij de Doopsgezinden teLeeuwarden, leidde deze nieuwe uitgave bij het publiek in met eene uitvoerigeVoorrede, welke sommige levensbijzonderheden vermeldde en van zijne warme ingenomenheid zoowel metEisingaenVan Swindenals met beider arbeid getuigde. De belangrijkheid van dezen druk werd verhoogd, eensdeels door de bijvoeging van drie groote platen, het vertrek, de zoldering en de bedschutting voorstellende, doorEisingaen zijnen vriend, den schranderenKlaas Johannes Sannes, in 1820 geteekend en nu in het koper gebragt; en anderdeels doorBijvoegselsvanEisingazelven, bevattende eene opgave van de veranderingen en verbeteringen, welke het kunststuk sedert 1780 had ondergaan, benevens eene beschrijving van de platen. Hij voegde daar achter nog eenAanhangselbetrekkelijk het kleinePlanetarium, door hem uitgedacht en geteekend, en doorWillem Jans Jansen, landbouwer teDongjum, in hout vervaardigd. Bovendien werd deze uitgave versierd met het welgelijkend afbeeldsel van den eerbiedwaardigen grijsaard, door gemeldenK. J. Sannes, graanhandelaar teFraneker, geteekend en door Do.J. Brouwermet een gepast bijschrift voorzien.
Was het getal bezoekers van het Planetarium in de laatst voorgaande jaren reeds aanmerkelijk toegenomen, nog meerwas dit het geval, nu de herdruk vanVan Swinden’sBeschrijving(waarop ruim 200 personen hadden ingeteekend) in veler handen was gekomen en de algemeene aandacht op nieuw op het kunststuk had gevestigd. Streelend was het denwaardigenman, bij voortduring en als bij toeneming zoo vele blijken van belangstelling te ontvangen. Deze waren ook inderdaad een opmerkelijk verschijnsel. Het tijdstip der uitvinding was ter bevordering van den bijval zeer gunstig geweest. Immers, in het midden der 18eeeuw had de beoefening van de natuurkundige wetenschappen, in het algemeen en in vergelijking van andere tijdvakken, in een staat van kwijning verkeerd. ’t Was toen de gouden eeuw van natuurkundige aardigheden, derphysique amusante. Maar die wetenschappen, en met name de sterrekunde, herleefden op het laatst dier eeuw met nieuwe kracht. Demécanique célestewerd beoefend en gaf aan de sterrekunde eene nieuwe rigting en hoogere vlugt. De eischen der wetenschap waren strenger, de kunst van waar te nemen was eene moeijelijke taak geworden, naarmate het veld der beschouwing zich meer uitbreidde. Want belangrijke en talrijke ontdekkingen volgden elkander op. Deze vingen aan met den jare 1781 en hielden sedert niet op, zoodat er in de jongst verloopene 70 jaren alleen 13 nieuwe planeten zijn ontdekt geworden. Het jaar 1780, waarinVan Swindenschreef en den naam vanvolledigPlanetarium aanEisinga’s kunstwerk gaf, was alzoo het laatste jaar, waarop dit van eenig dergelijk werktuig gezegd kon worden. ’t Was vervolgens toch bijna niet mogelijk, den zoo ver verwijderden nieuweling Uranus op behoorlijken afstand in het gelid der oude planeten te brengen, en nog minder de in het begin dezer eeuw ontdekte vier nieuwe planeten, wier loopbanen elkander doorkruisen en omslingeren. Toen hielden alle nabootsingen van het planetenstelsel, zouden ze den naam vanvolledigdragen, voor altijd op, en waren de bestaande planetaria zeer onvolledig geworden. Ook om die reden was hunne waarde in het oog van kenners zeer gedaald, en die zelfde reden was eenehinderpaal te meer geweest, omEisingatot de vervaardiging van een Planetarium op grootere schaal in staat te stellen.
De blijken van duurzame belangstelling, welke het Planetarium vanEisinga, in weerwil van dat alles, mogt ondervinden, waren eensdeels gegrond op den roem, dien het eens bij zijne voltooijing had verworven, en anderdeels op het mechanisme van den toestel, dat altijd belangstelling en bewondering zal verdienen. Doch het is alsof hetalgemeen, boven de hulde van eerbied voor zulk een kunstgewrocht van menschelijke kennis en bekwaamheid, dit Planetarium nog eene schatting van dankbaarheid toebrengt voor de diensten, welke het eens dervolksverlichtingheeft bewezen. Door dit middel van astronomische verzinnelijking toch heeft het stelsel vanCopernicusbij het publiek gereeder ingang gevonden, is het een volksgeloof geworden en heeft het wanbegrippen verdrongen. En thans, nu het vroegere bijgeloof aangaande de betrekking der aarde tot zon en planeten geweken is, zijn de aanwijzingen van het Planetarium in volkomene overeenstemming met hetgene ieder geleerd heeft en ieder gelooft; thans is de vatbaarheid van het algemeen meer dan vroeger geschikt om de voorstelling te begrijpen, en de hooge waarde van het kunstwerk op prijs te stellen.
De kalme tevredenheid vanEisingawerd echter soms verstoord door eene grievende gedachte. Het was de vrees voor het lot van zijn geliefd kunstwerk na zijn verscheiden. Dat zijn huis dan verkocht en door vreemden bewoond zou worden, die, minder achting voedende voor kunst en wetenschap, een stuk van zooveel waarde, door stilstand en roest, zouden laten bederven, en, eenmaal verwaarloosd zijnde, eens zouden kunnen sloopen,—dit was eene mogelijkheid, waaromtrent hij, blijkens de ervaring gedurende zijne verbanning, de zekere verwachting moest voeden. Vele bezoekers deelden in die vrees, en gaven hun verlangen te kennen, dat het op eenige wijze voor kunst en wetenschap bewaard en in stand gehouden mogtworden. In genoemde voorrede had Do.Brouwerop zulk een gevreesd verlies, dat tot oneer en schande vanFrieslandenNederlandzou strekken, gewezen en de hoop gevoed, dat de grootmoedige belangstelling van den Koning het behoud van het kunststuk ten algemeenen nutte mogt verzekeren.
Die wenk ging niet verloren. Jhr.Idsert Aebinga van Humalda, zelf smaakvol beoefenaar en nog grooter beschermer van kunst en wetenschap, was destijdsGouverneur van Vriesland. Door zijne bemiddeling behaagde hetKoningWillemI, bij besluit van den 28 December 1825, het Planetarium voor het Rijk aan te koopen. Groot was de vreugde van den waardigen grijsaard over deze eervolle beschikking. Op den 4 October 1826 begaf de Gouverneur met een Notaris en twee getuigen zich naar de woning vanEisinga, en werd daar de acte van transport geteekend, waarbij hij zijn Huis en Planetarium voor de som vantien duizendgulden aan het Rijk overdroeg, met bepaling, dat hem daarin vrije woning en 200 Gld. ’s jaars voor het toezigt werd toegekend, al hetwelk vervolgens op zijnen zoonJacobus Eisingazou overgaan. Daarbij werd het oppertoezigt aan den tijdelijken Hoogleeraar in de Astronomie aan ’s Rijks Athenæum teFranekeropgedragen. Niet lang daarna heeftEisinga, de vader, een naburig huis betrokken, en de zoon het huis van het Planetarium.
Zóó was dan de langgevoede vrees geweken en het voortdurend bestaan van het kunststuk ten algemeenen nutte verzekerd. Zóó waren dan bijna al de wenschen vanEisingavervuld, en kon de 81jarige man de ure der ontbinding met gerustheid tegengaan. Hij had nu geene wenschen meer, daar hij deze koninklijke gunst als de hoogste hulde beschouwde, welke hem en zijn kunstgewrocht bij zijn leven kon worden toegebragt.
Niet alzoo oordeelden zijne stadgenooten, wier Regering reeds lang gepeinsd had op het meest gepaste middel, om den grijsaard, nog bij zijn leven, een blijk te geven van hunne hoogachting en vereering. Mr.J. Scheltemahad daartoe in 1818reeds een wenk gegeven, en gewenscht, dat men zulk een bewijs van belangstelling, deze hulde van dankbaarheid en eerbied, niet zou verschuiven tot na ’s mans overlijden, maar hem zelven nog mogt toebrengen, ten einde ook daardoor den stillen avond van den welbesteden dag des levens te veraangenamen en te verhelderen. Het geviel dan, dat de Burgemeester vanFraneker, namens den Stedelijken Raad, daarover kwam spreken met den Gouverneur, Jhr.Aebinga van Humalda. Deze vernam dit oogmerk met veel genoegen, en keurde het niet alleen volkomen goed, maar trachtte het bezwaar, omtrent het vinden der kosten, in eens op te heffen, door te bepalen, dat de hulde aanEisingazou toegebragt wordendoor de stad Franeker, doch dat hij, als oudste vriend, dorpsgenoot en schoolmakker en niet minder als vereerder van den grijsaard, verzocht of aanbood, om uit zijne eigene fondsen de kosten daarvan te dragen27.
Volgaarne werd dit aanbod aangenomen, en bepaald, dat het blijk van vereering zou bestaan in de vervaardiging van een afbeeldsel vanEisinga, hetwelk geplaatst zou worden in de Raadzaal van het Stadshuis teFraneker. De uitvoering daarvan werd opgedragen aan den beroemden schilderWillem Bartel van der Kooi, den veeljarigen vriend en vereerder vanEisinga, die nu al de kracht van zijn uitstekend kunsttalent scheen te ontwikkelen, om de waarde van dit gedenkstuk te verhoogen. In een levensgroot kniestuk stelde hij dengrijzen denker voor, gezeten in een leuningstoel aan eene tafel, waarop de door hem vervaardigde teekening ligt van de groote zon-eklips van den 7denSeptember 1820; terwijl het kleine Planetarium ter linkerzijde nevens hem staat en de achtergrond de afbeelding bevat van de kamer, waarin zich het groote Planetarium bevindt, welks stand juist die is van den 10denApril 1827. Dit uitvoerig en meesterlijk behandelde tafereel werd gevat in een eenvoudig schoone lijst, waarboven de smaakvolle schenker de volgende kernachtige woorden vanHoratiusliet plaatsen:
ARCES ATTIGIT IGNEAS.Hij bereikte de vurige kasteelen des lichts.
ARCES ATTIGIT IGNEAS.
Hij bereikte de vurige kasteelen des lichts.
Dit kostelijk gedenkstuk was aanEisingaen aanFranekertoegedacht; en de 13deNovember 1827, de dag, waarop het hem zou worden toegeëigend, was een feestdag voor deze stad. Nadat de schilderij was opgehangen, vergaderde de Stedelijke Raad, waartoe ookEisingabehoorde. Door eene commissie, bestaande uit de heeren Dr.J. Bangaen Mr.J. W. de Crane, werd nu Jhr.I. Aebinga van Humaldaafgehaald en binnengeleid, waarna hij het pronkstuk, dat, nu ontdekt, zich in al zijn glans vertoonde, ten geschenke aanbood, ten einde der Raadzaal tot een blijvend sieraad en den grooten man ten duurzaam vereerend gedenkteeken voor tijdgenoot en nakomeling te strekken. Hij deed dit met de volgende hartelijke en schoone toespraak:
„Edel Achtbare Heeren! Toen ik ruim een jaar geleden uit den mond van den Heer Burgemeester uwer stad het voornemen van UEA., om een duurzaam en openlijk blijk van achting en hulde aan uwenEisingaen diens schrander vernuft daar te stellen, mogt vernemen, moest natuurlijk bij mij de wensch ontstaan, om ook het mijne daartoe aan te brengen. Niets konde mij derhalve welgevalliger zijn, dan dat UEA. het voorstel, te dien einde door mij aan Zijn Ed. gedaan, gereedelijk tot mijne blijdschap geliefdet aan te nemen.
Immers, ik herinnerde mij met een dankbaar gevoel aan degelukkige jaren, welke ik ten tijde van een vorig geslacht aan de vermaarde Hoogeschool in deze stad doorbragt, werwaarts men niet alleen uit alle hoeken van onsNederland, maar uit de verste streken vanEuropaen andere werelddeelen opkwam, om wetenschap te halen; en waar ter plaatse de geleerdheid zich nog boven het lot der tijden moedig blijft verheffen.
Ik dacht aan de gelegenheid, welke mij nog eens hierdoor stond geboren te worden, om te toonen, hoe zeer mij alles, wat den roem van onsFrieslandverhoogt, steeds ter harte gaat: een roem, waaraanFranekerzoo rijkelijk toebrengt.
Ik beschouwde het oogenblik als met verlangen, wanneer ik uwe Stad, plegtig en hartelijk, de verzekering van de hooge achting zoude geven, welke mij bezielt. Maar waartoe deze verzekering? Het is U, Mijne Heeren! bekend, wat ik gedaan heb ter bevordering van hare belangen.28
Ontvangt dan, Edel Achtbare Heeren! dit geschenk van mijne hand tot een aandenken van mijne erkentelijke genegenheid. Dat het uwe Raadzaal versiere, en dat elk aanschouwer den grooten man bewondere en eerbiedige! Een bijzonder genoegen intusschen is het mij, U,Eise Eisinga! hier te kunnen begroeten. Gij zult in de hulde, U nu toegebragt, geen ijdel droombeeld, zoo als trotsche grooten gewoon zijn aan te nemen, vinden. Neen, maar uwe nederigheid zal er toch wel in willen opmerken, eene innige begeerte van uwe stadgenooten, om, nog lang na dezen tijd, het levendig Afbeeldsel van eenen beminden en waardigen Medeburger te bezitten.
Ik huldig U met eerbied, en ben grootsch op U, als mijn dorpsgenoot en schoolmakker van vroegere jaren. Uw leven blijve nog lang gespaard, totdat gij het geluk zult deelachtigworden van het groote werk der schepping in al zijn omvang van nabij te beschouwen!
In het algemeen, Mijne Heeren! ik bedank U voor de menigvuldige blijken van welwillende genegenheid en vertrouwen aan mij bewezen; ik bewaar die in mijn hart, en ik zal mijne achting voor U voegen bij die, welke gij met regt van uwe ingezetenen ontvangt.
Het ga uwe stad altijd voorspoedig!
Wel mogen ze varen, die haar beminnen!”
Deze treffende toespraak van den grijzen staatsman werd namens den Raad, met welmeenende betuigingen van erkentelijkheid beantwoord door den Burgemeester I.de Swart, die Jhr.van Humaldaen den geheelen Raad vervolgens te zijnen huize onthaalde, en allen eene aangename gelegenheid schonk, om dezen feestdag verder door te brengen in gezellige vrolijkheid, vol gevoel van eerbiedige dankbaarheid jegens den edelen FrieschenMaecenasen van hartelijke deelneming in de bedaarde vergenoegdheid des braven grijsaards, die dezen dag onder de gelukkigste zijns levens telde.29
Dat leven vanEisinga, zoo rijk aan zorg en inspanning, maar nog rijker aan wetenschappelijk genot, aan eerbetoon en aan de volkomenste bevrediging van al zijne billijke wenschen en verwachtingen, spoedde nu weldra ten einde. Zacht ontsliep hij in den morgen van den 27stenAugustus 1828, den ouderdom van 84 jaren en 6 maanden bereikt hebbende. Naarzijne begeerte werd zijn stoffelijk deel op het kerkhof van zijne geboorteplaatsDronrijpin de ouderlijke grafstede begraven.
Die rustplaats werd weder gedekt met den zelfden steen, welke het vroeger vermelde grafschrift zijns vaders bevatte. Vreemd was het echter, dat men bleef verzuimen, daarbij een tweede grafschrift voor zijn grooten zoon te voegen. Het plan van Jhr.van Humalda, om hierin te voorzien, bleef ten gevolge van zijn overlijden, in 1834, onvolvoerd30. Nog in 1841 uitte Prof.de Craneden wensch, dat dáár eerlang een eenvoudig schoon gedenkteeken den wandelaar aan zijne rustplaats en zijne verdiensten mogt herinneren. Het was voor het Friesch Genootschap van geschied-, oudheid- en taalkunde bewaard, dit verzuim te herstellen, en der nagedachtenis vanEisingaeene hulde toe te brengen, waarop zijne verdiensten regt hadden. Op voorstel van den heerJ. van Leeuwenwerd dan op den 12denApril 1845, nadat op de vermelde grafzerk alleen den naam tot herkenning was gesteld, in den muur der schoone dorpskerk vanDronrijp, naast den hoofdingang en nevens het familiegraf, een groote steen geplaatst, bevattende tusschen eenvoudig lof- en lijstwerk het volgende opschrift:
HuldeaanEISE EISINGA,uitvinder en vervaardiger van hetberoemdPLANETARIUMte Franeker;geboren te Dronrijp den 21 Februarij 1744,overleden te Franeker den 27 Augustus 1828,op dit kerkhof begraven;toegebragtdoorhet Friesch Genootschap vanGeschied-, Oudheid- en Taalkunde,MDCCCXLIV.
Ik heb hiermede de voorgestelde taak, zoo kort en zakelijk als mij moogelijk was, ten einde gebragt31. Baart het altijd een groot genot, wanneer het ons vergund wordt de verdiensten van een groot man in het licht te stellen en zijner nagedachtenis de hulde onzer vereeniging toe te brengen,—hier ging de vermelding vanEisinga’s leven gepaard met de herinnering aan mannen, wier nagedachtenis mij dierbaar is als het onvergankelijke gevoel van vriendschap en geestverwantschap. Ja,HumaldaenDe Crane,Brouwer,SannesenVan der Kooi, ook zij, dieEisingaom strijd hunne hulde bragten, hebbenFrieslandtot eer en roem verstrekt, en wij, die met allen vriendschappelijk hebben omgegaan en thans tot hunne nakomelingschap behooren, hebben de denkbeelden engevoelens van die grijsaards opgevangen, om die onder een volgend geslacht voort te planten. Onbepaald was hun eerbied en lof voor het kunstgewrocht vanEisinga; maar zij paarden daaraan eene wijze voorzigtigheid of voorzigtige wijsheid, die ook wij niet onopgemerkt moeten laten, willen wij hem naar waarheid vereeren en niet door overdreven lof onteeren. Mogten zij het al betreuren, dat de éénige wensch vanEisingaonvervuld was gebleven, om elders een meer volkomen Planetarium te stichten; zij verloren, evenmin alsVan Swinden(vooral aan het slot der Opdragt), uit het oog, dat voor zijn persoon en dit kunstwerk de grootste eer dáárin was gelegen: dat hij, onder ongunstige omstandigheden en met zeer beperkte middelen, een grootsch doel had weten te bereiken;—en bijzonder, dat bekrompenheid van tijd en vooral van ruimte, bij den ongeschikten toestand van zijn huis, zijn geest gescherpt en een vernuft en bekwaamheid ontwikkeld had, welke, in de vinding en schikking der stukken en de hoogste eenvoudigheid der uitvoering, groote bezwaren hadden overwonnen. Dáárdoor toch had hij blijken van een bijzonder genie voor de werktuigkunde gegeven en de meeste bewondering verworven. Die opvatting werd steeds te veel uit het oog verloren; en daarom zouEisingazijne eer weinig vermeerderd hebben, al had hij ook later elders het volkomenste Planetarium op de grootste schaal mogen tot stand brengen. Eene andere opvatting bedreigde zelfs de wetenschappelijke beoefening van de sterrekunde inFrieslandmet eene verkeerde rigting. Want vele begaafde liefhebbers, vele bewonderaars van den sterrenhemel, dieEisinga, op grond van den roem van zijn Planetarium, voor een groot Astronoom hielden, werden daardoor in den waan gebragt, dat het vervaardigen van een dergelijk werktuig de schoonste eerekroon voor den sterrekundige ware. Naar de eer jagende, welke zij van eene zoodanige zamenstelling verwachtten, verspilden zij alzoo tijd en vermogen, en sloegen zij den weg niet in, die deeenigeis, welke tot de sterrekunde leidt. Verscheidene, anders verdienstelijke personenzou ik kunnen noemen, die op deze misvatting schipbreuk hebben geleden, en daardoor verzuimden kunde en waarneming vruchtbaar te maken aan de wetenschap, waartoe bij zoo velen in deze provincie werkelijk de aanleg aanwezig is.
Eisinga’s kunstgewrocht heeft nu langer dan 70 jaren een gunstigen invloed gehad op veler duizenden voorstelling van den loop der hemelligchamen. Dat het dien invloed duurzaam behouden en geene verkeerde opvatting of naijver opwekken moge, is mijn hartelijke wensch. Ook daarom nam ik gaarne laatst vermelde aanmerking op, welke mij is medegedeeld door dien geachten deskundige, welke mij ook door zijne hulp en raad bij de bezorging van dezen derden druk verpligt heeft, doch die verlangde daarbij niet genoemd te worden. Op ons allen rust toch de dure verpligting, omEisinga’s eer en roem duurzaam tegen miskenning en overdrijving te handhaven en die in het belang der wetenschap te heiligen voor volgende geslachten.
Leeuwarden,den 5 Januarij 1851.
W. EEKHOFF.