Chapter 12

Indien we geduld hadden dan zouden wij den poëtischen heilwensch van den candidaat-notaris zeker hebben afgeschreven, want Suze is er niet geheim mee, doch daar ons ’t geduld ontbreekt, geven wij alleen de verzekering, dat de vier bladzijden te zamen honderd en twintig regels telden, waarvan de eerste met: “Ik zal,” de derde met: “Ik zou,” de vijfde met: “Ik wil,” de zevende met: “Ik heb,” de negende met: “Ik hoop,” en de elfde met! “Ik voel dus Suus,” aanving. Een van de kunstigste passages uit het stuk was die, waarin de dichter al de artikelen uit de nécessaire, nietzoozeerbezong als wel der jarige nuttig en onontbeerlijk voor den geest bracht. Op bladzijde twee, hoorde de verrukte poëet—let wel den 18denFebruari—’t gezang der nachtegalen, en sprak hij iets verder zoo liefelijk van filomeel en gekweel, dat het ons niet zou verwonderen indien hij in zijn bibliotheek “een werkje van smaak” heeft bezeten. Op bladzijde drie gaf hij de conditioneele verzekering:“Ik kom met ijslijk veel pleizierAls w’ onder ons zijn met zijn vier.”Iets lager viel hij in ’t komieke met de verklaring:“Ik ben een mensch als allemaalEn ben niet vies van goed onthaal.”Op bladzijde vier sloeg hij een blik in ’t verleden, en las in het boek der toekomst met de woorden:“Ik zag je ’t eerst met pijpjes aanNu denk je allicht aan trouwen gaan.”Weer verder eischte hij plechtig eene verklaring van den teedersten aard, aldus uitgedrukt:“Ik hoop te hooren uit je mondDa’ j’ die Van Bavik aklig vond.”terwijl het gedicht met het kunstmatige rijm besloot:“Ik ben hetgeen je misschien gistHij die zich noemt, vriend Barend Flitz.”Vrouwengeduld! Engelachtig geduld! Suze wij bewonderen het uwe. Eerst laast ge ’t vers voor u zelve, en daarna hardop voor uw ouders, zonder een enkele maal te geeuwen of zelfs te zuchten.Vrouwenoordeel! Engelachtig zacht! Suze, gij vondt het vers lief, en zelfs die regels, á propos van den jongen burgemeester, gij veroordeelt er Flitz niet om, hoewel de zachtheid van uw oordeel evenmin toelaatdie uitgedrukte hoopte vervullen.Vrouwelijke tevredenheid! Bewonderenswaardig! Ze vindt het van Flitz toch attent, toch hupsch. In dat lederen doosje is zoo alles bijeen; neen, al bezit ze alle mogelijke reinigingsmiddelen van ’t beste soort, al zegt papa, dat Flitz niet zeer kiesch in de keuze van zijn attentie is geweest, en al voegt mama er spijtig bij, dat het eigenlijk een affront is, waarzijinhaartijd den gever mee om de ooren zou hebben gegooid, al was er ook een vers van honderd bladzijden bij geweest,—Suze oordeelde toch, dat het uit eengoedhart kwam!Papa Gliekke door de verontwaardiging zijner gade ook meer verontwaardigd dan hij anders zou geweest zijn, verzocht vriendelijk dat zijn dochter geen woord van het ontvangene tegen Flitz zou reppen,—hij moest het voelen, en Suze zei, dat ze ’tnaarvoor hem vond, en eigenlijkook naardat burgemeestertochkwam, omdat Flitz zoo vast scheen te denken dat het “onder ons” zou zijn.Er was veel drukte opVredelust, want mijnheer en mevrouw Gliekke hadden volgehouden, dat de jaardag van Suze eene geschikte gelegenheid was om Van Bavik te eten te hebben; ’t zou nog wat vroolijkheid bijzetten, want de Van Saffelens hadden bedankt omdat de notaris ongesteld was, hoewel het daarom toch niet zooals Flitz dacht, “onder ons” zou blijven, want, de Meijers kwamen, en dominee en Saartje, en juffrouw Haspels ook. Al was mevrouw Gliekke machtig ver in ’t rekenen, ze was daarom in geenen deele wat men gierig zou kunnen noemen. Neen, bij een jaarfeest van het eenige Suusje, was er zelfs weinig te goed om niet voor den dag gehaald, en weinig te lekker om niet te worden opgedischt.We zullen geen kans wagen om u te doen watertanden, door u eenmenute schenken van de gerechten, die Gliekkes gasten werden voorgezet. Ge hebt meermalen fijne dineetjes bijgewoond, en herinnert u zeker de schotels die u het best bevielen. Welnu, kies het fijnste wanneer ge trek hebt. Er is opVredelustte kust en te keur, en, meer dan genoeg blijft er over, want Flitz, op wien mevrouw nog al rekende, eet bedroefd weinig, maar.... hij drinkt een glaasje te meer, en de wijn is goed.De heer burgemeester is tusschen de gastvrouw en de jarige dochter des huizes geplaatst. Flitz zit aan Suzes linkerzijde en deoogen doen hem zeer van de “helkleurige” bloemen die, tot een “stijven” ruiker saamgevat, naast Suzes bord liggen en waarmee die burgemeester, haar, met ’en “lamme” aanspraak, was te gemoet gekomen toen hij binnentrad.Aan de andere zijde van Flitz werd juffrouw Haspels geplaatst, een jonge dame van 28 jaren of daaromtrent, wier hoedanigheden wij onaangeroerd zullen laten, aangezien we niet de eer hebben juffrouw Haspels—meer bepaald Doortje of Dorothea Haspels—bijzonder te kennen, en wier uitwendigheden te alledaagsch zijn, om ze der vermelding waardig te keuren. Zooveel is zeker, Flitz vindt ernietsaan, en zei: “Ajakkes” toen hij op het servet aan zijn vanderhandschen kant het plaatskaartje met den naam der gezegde juffrouw ontwaarde; en, zóóveel is óók zeker, dat de jonge heer Meijer—Nº. één van de eerewacht, behalve de chefs—die Doortje als zijn rechterdame nu en dan moest toespreken, totdat het dessert werd gediend, nog niets gehoord had dan: hi hi, ja wel, of, hi hi, neen; maar bij gebruik van het ijs à la vanille de verzekering bekwam, dat het hi hi, zoo koud door de keel gleed, terwijl de knecht achter haar, op de vraag: Marasquin? “’k Ben nog voorzien, hi hi,” ten bescheid kreeg.De heer Meijer Jr. schijnt ons een fiksche jongen te zijn: hij eet goed, hij drinkt goed, en praat over ossen en hooiduurte en stalmesting en draineeringen met kennis, maar merkt het niet op, dat eenigen van ’t gezelschap, en vooral de jarige dame heimelijk lachen, nu hij den kleinen waschkom van fraai porselein ter hand neemt, en den, tot zuivering van mond en vingertoppen bestemden inhoud, in drie klokken naar binnen zendt, met de bewering: dat, op een goeden slok water, de wijn van nieuws aan smaken zal.De heer Meijer en dominee Van Beem maken met hun wederhelften en dominees oudste dochter Saartje, het overige gedeelte van Gliekkes dischgezelschap uit.De hoofden der schepping voeren grootendeels het woord. ’t Komt den heer Meijer voor,—zooals het zijn vader, die ruim dertig jaren dood is, ook voorkwam—dat het pauperisme hand over hand toeneemt, en dat er alom, zelfshierten plattelande, veel gebrek wordt geleden.Dominee meent in gemoede te kunnen verzekeren dat de zedelooze tabaksbouw, alsook de zedelooze aardappelenteelt, alsook de zedelooze jeneverstokerijen, de meer en meer veldwinnende verzwakking ter eener, en de toenemende armoede ter anderer krachtig bevorderden; en wipt, terwijl hij met de linkerhand de verderfelijkheid der jeneverstokerijen verduidelijkt, met de rechter zijn glaasje Marasquin naar binnen, omdat.... het goed op het ijs valt.De heer Gliekke is van oordeel dat het beweren van dominee wat streng is; van de jeneverstokerijen of aardappelenteelt wil hij niet spreken, want, jenever gebruikt hij zelden, of ’t moet op de jacht een beetje bitter zijn om een haas te overluiden; en, aardappelen daar zou hij zich ook gaarne van passeeren, aangezien hij veel liever groenten eet, maar, de zedeloosheid van den tabaksbouw tewillen staande houden, dat schijnt hem wat kras toe: hij wil gaarne alles laten, maar zijn pijp en sigaartje daar is hij een liefhebber van.Dominee houdt vol dat de tabaksplant een zedelooze plant is, aangezien hij bij eigen ervaring weet, welke heillooze effecten zij op de verbruikers teweegbrengt. Honderdmaal heeft hij het rooken beproefd, omdat de collega’s hem sterk animeerden, maar telkens was het—en dominee trekt een leelijk gezicht.“Aardappelen!” roept de heer Meijer Jr.: “Neen dominee, daar moet je ons afblijven, vooral tegenwoordig; we hielden niet minder dan twintig zakken voor winterprovisie, nietwaar moeder? en dan tachtig mud aan de markt à vier min ’en kwart, behalve de pooters en varkensaardappelen, ’t geeft rekening, hoor je....” en ’t is waarschijnlijk dat de heer Meijer Jr. dat laatste “hoor je!” tot zijn rechterdame sprak, want zij lacht: “Hi hi!” en zegt: “Dat dunkt me!”’t Schijnt dat de jonge burgemeester dezen middag meer van luisteren dan wel van spreken houdt: hij zegt, wanneer men hem vraagt, bescheiden zijn oordeel over dit of dat, en ziet—volgens Barends bepeinzing—nu eens den een en dan weder den ander, tot zelfs de dames in kluis—dat laatste woordje was Flitz getrouw—zoo vreemdsoortig aan alsof ie “wat van d’r hebben moest.” Misschien zag Van Bavik inderdaad, zonder het te willen of te weten, nu eens den één, en dan den ander, tot zelfs de dames in kluis, wat scherper aan dan volkomen wellevend was, maar zeker beschouwde hij de heeren met bevreemding, toen reeds de tweede compote aan ’t wandelen was, en nog niemand het woord had gevraagd om de heldin van den dag te gedenken.Neen, ’t was niet om als hoofd der gemeente aan dezen disch een zeker recht te doen gelden, en evenmin om zijne gaven van welsprekendheid aan ’t licht te brengen, dat hij eindelijk den gastheer beleefd om het woord vroeg, en na bekomen verlof met een welluidende stem het volgende sprak:“DroefheidenBlijdschap, ziedaar de zusters die den mensch afwisselend door ’t leven vergezellen.’k Noemdehaar’t eerst, de Droefheid, dewijl haar leven vol ernst is.Hij, die haarnietkent, vreest en schuwt ze, en noemt haar de vijandin der schoone bloeiende maagd, diehémter zijde staat....”Flitz werpt bij deze woorden een glurenden blik op den spreker, terwijl er iets leelijks, iets onderzoekends in den tweeden blik is, welken hij op “de maagd” werpt, dielinksnaasthém, enrechtsnaast Van Bavik gezeten is.“Die haar kent,” vervolgt de spreker: “weet echter dat zij hare schoone zuster hartelijk is genegen, en noode toetreedt om haar te vervangen. Hij bespeurt—ofschoon de eerste bij de tweede verre in schoonheid en lieftalligheid ten achter staat—in beider trekken toch de afkomst van denzelfden, den Grooten den Eeuwigen Stamvader.Liefdeschonk ze beiden het leven.De Droefheid ziet de gevolgen van ’t booze, en snelt toe, en plaagt niet, maar troost.De Blijdschap ziet welvaart en genieting, zij huppelt er heen en lacht met ze mee.”Flitz kijkt zoo zwart als de nacht, maar begrijpt er eigenlijk “geen stom woord van.”“Weldadige, vriendelijke zusters! wie ontvangt ze niet gaarne?” vervolgt de spreker: “De Droefheid schenkt tranen, weldadige tranen, en weert den wrevel.De Blijdschap schenkt lachjes en stemt tot danken. Wie ook de eerste niet kenne en daarom minachte, de tweede zal hij gaarne, met mij, welkom in deze woning heeten. Zij heeft zich gelegerd in de harten van een dankbaar oud’renpaar; zij lacht ons toe uit de oogen eener lieftallige dochter....”Van Bavik neemt het glas, ziet eerst de oudelui Gliekke en daarna het jarige meisje aan. Flitz komt weer op de hoogte; bijt zich op de lippen, en grijpt bij abuis het glas van Doortje, dat hij in één teug ledigt. Een intermezzo klinkt; “Hi hi hi! da’smijnglas.” De spreker heeft gezien en gehoord; wacht een oogenblik, maar herneemt, na een vriendelijk knikje van mevrouw Gliekke, terwijl hij de jarige Suze bepaald aanziet:“De vroolijk lachende Blijdschap heefthierhare bloemen gebracht, en, bid ik, dat de zachte Droefheid u trooste zoo ’t leed eens mocht dagen, vuriger bid ik, dat de Blijdschap u voere door ’t leven, tot aan ’t graf—in de verte.”Van Bavik zwijgt, en ziet met verrukking dat de dankbare Blijdschap, die uit de oogen der jarige straalt, twee heldere parels naar buiten werpt; hij ziet het met verrukking, dewijl de toon door hem aangeslagen, ondanks hem zelven wat hoog werd, en hij vreesde niet doorhaarte zullen verstaan zijn tot wie hij inzonderheid sprak. ’t Is een heele toer, lezer, om voor de vuist in “’t ernstige te vallen”—zoo wij ’t niet, poëtisch proza durven noemen—om zóó, of liever in dien geest, voor de vuist te spreken tot een dischgezelschap waarvan de meeste leden—als echte voddenkrabbers—met hun dessertmesjes in de appel- en druivenschellen,—ja druiven waren er ook geweest—amandelbasten, rozijnenpitten en ulevellen-deviezen zitten te schommelen, alsof ze nog honger hadden. ’t Is waarlijk zoo gemakkelijk niet om de juiste woorden te kiezen, en verre van “’t bombast” te blijven, indien men telkens door een leelijk gezicht wordt afgeleid, of wel, door een: “Hi hi hi! da’s mijn glas,” tot den climax wordt aangemoedigd.’t Is zeker een heele toer, en voor Van Bavik was het waarlijk een razende toer geweest, zoo onvoorbereid en in den waan dat wellicht al de heeren vóór hem ’t woord zouden hebben opgevat, of domineealthans. Maar hijhadgesproken, en in de oogen der jarige blonken werkelijk een paar tranen, en mijnheer Gliekke riep dat het briljant was, en mevrouw Gliekke betuigde dat het allerliefst was, en dominee zei: “Ja, ja,” alsof hij meende: hetzelfde zeg ik zoo dikwijls; en de overige leden van het gezelschap vondenprecies wat de heer Meijer Jr. vond, namelijk, dat ze daarop eens moesten drinken, behalve de heer Barend Flitz die—hoewel niet luide—vond dat het “een lam gezanik” geweest was, en “’en vervl...te padanterie.” En, hoe de lezer het vond, weten we niet, maar hij bedenke, dat een toost altijd een stuk blijft zoo nietbeneden alle critiek, dan vast toch een stuk dat niet behoort gecritiseerd te worden.De burgemeester had gesproken; er was gedronken, en dominee herleest juist voor de zevende maal een ulevellendevies om den tijd te korten, dien hij broeiende op een toost doorbrengt, toen aan Suzes linkerzijde een mes zóó krachtig tegen een fijn champagneglas werd geslagen, dat het, tot zichtbare ontsteltenis van mevrouw Gliekke, in scherven naast de jarige nedervalt.“Hi hi! kapot!” roept Doortje!Flitz zegt: “’t Spijt me; ’k wou ook eens het woord.”De gastheer roept Frederik, die, van al ’t schenken achter tafel zoo waterig uit de oogen ziet; gelast hem een ander glas aan den heer Flitz te geven, en nadat het gevraagde voor de scherven in plaats is gesteld, geeft hij met genoegen het woord aan Flitz, die met een vuurroode kleur opstaat, en met het ten boorde toe gevulde glas in handen, een paar maal ziegzaagt, zoodat een: “Voorzichtig!” hem ’t rechteroor treft, en vangt eindelijk aan:“Praatjes zijn praatjes, afin, maar ik hou er van om te zeggen, wat ik denk. ’k Heb voor Suus een vers van vier bladzijden, zoo maar weg gemaakt.” Niemand nog zei den armen Flitz een vleiend woord van zijn dichtstuk, zelfs Suze had nog niets dan een zacht: “Dankje voor je lieve attentie,” kunnen of durven uitbrengen.“Afin, da’s ’t zelfde,” vervolgt Flitz: “Ik zeg het niet om er van te spreken, daar hou ik niet van, maar afin, ik weet wat ik weet, en dat Suus vandaag, op den 18denFebruari jarig is, dat wist ik al toen ze nog als ’en meisje van veertien jaren op m’n knie zat.... Weet je wel Suus? Afin, ik ben hier al zoolang bekend als de familie hier is, en ’k drink dan ’t welzijn van dezen huize! Afin Suus, daar ga je....!”En Suus ging, of wel de inhoud van het voorwerp, waarmede Flitz de jarige dame telkens bedreigd had, gleed binnen ter plaatse waarvoor het bestemd was, doch, waar het nederkwam als olie in ’t vuur.Wij zouden ten opzichte van Flitz zeer onrechtvaardig zijn, indien we niet getuigden, dat hij het welzijn van dien huize hartelijk meende. Hij had er blijken van gegeven, want, niet slechts dat hij gedurende de zes jaren dat de Gliekkes te B. woonden, op de drie jaarlijksche feesten der huisgenooten—en Flitz woonde ze trouw bij—telkens dat welzijn gedronken had, hij toonde ook dat het welzijn hem werkelijk ter harte ging: eens met dien brand in den schoorsteen, en eens met waken toen mijnheer Gliekke de koorts had.De toost van den heer Flitz, ofschoon—maar neen, we zeiden dat toosten niet gecritiseerd behooren te worden—de toost maakteopgang, en zelfs Doortje begreep dat het: “hi hi, ’t welzijn van dezen huize was.”Aan alle zittingen komt een einde, en ook hier stond het gezelschap ten laatste op; de dames om in ’t nabijzijnde vertrek voor de koffie te zorgen, de heeren—dominee uitgezonderd—om trots de zedeloosheid der tabaksplant een sigaartje te rooken.Wat werd er verder van den avond?Als ’t u lust, kom dan straks wanneer de koffie gedronken en de sigaartjes gerookt zijn, mede naar de tweede salon, waar de kroon met brandende bougies in ’t midden hangt en de bougies op de lusters ook zijn aangestoken; ziet er het gezelschap, eerst met een pousse-café, daarna met fijn porselein in de handen, en later onder ’t genot van punch of bisschop of rooden wijn met gebakjes, en luistert eersthieren dan bij een ander groepje, en later naar datgene waar het gansche gezelschap in deelen zal.“Onder ons,” zegt de gastheer zachtjes, terwijl hij met de handen op den rug naar het turfvuur gekeerd staat: “’t is ’en beste jongen, geen kwaad zit er in, maar, zonder betrekking! Suze is mijn eenig kind, en hoe goed hij ook zijn moge, al is hij geen buitengewoon vernuft, je begrijpt: een schip in zee zonder bestemming, daar heeft de reeder geen vrede mee.”“A juist,” zegt Van Bavik, terwijl hij een blik in zee stuurt.“Van weinig familie,” herneemt de gastheer:“maar toch fatsoenlijk, en nog al fortuin, althans hij leeft hier goed en verteert zijn geld zonder verdiensten.”“A zoo,” zegt de jonge burgemeester, en beschouwt de bloemen van het Deventer tapijt waarmee de vloer bedekt is.“Entre nous—geen mensch weet er van,” herneemt de vertrouwelijke vader nog zachter: “Als de jongen een post had, een postje, begrijp je—van ’t notariaat wil ik niet spreken—’k zou zeggen: fiat vriend, maar zie je, een mensch als ik, die al mijn leven gewerkt heb, ik weet bij ondervinding dat niets om handen hebben een treurig lot is. De vrouw heeft geen krediet voor den man, die geen betrekking in de maatschappij bekleedt;hijwordt een janhen en zij is er de dupe van.... hoe vaar je....?”“Dankje,” zegt Van Bavik tot Frederik, die hem voor de vierde maal een glas punch presenteerde, en de gastheer herneemt, terwijl Frederik juffrouw Doortje nadert: “Maar je spreekt er niet van, want ik hou me alsof ik van den prins geen kwaad weet.”“Wat een mooie preek hield die mijnheer de burgemeester,” zegt Saartje van den dominee tot Doortje die bisschop gebruikt.“’En toost meen je!” lacht Doortje.“En zoo uit het hoofd!” herneemt Saartje: “Va leestze altijd.”“Zou er gedanst worden?” lacht Doortje: “Me dunkt hij moet wel prettig galoppeeren; ’k zal ’t eens aan Suze vragen.... al was ’t in de gang!”Doortje ziet naar de jarige om, maar ontdekt haar niet, en vermoedt evenmin, dat deze staat, waar zij,—Doortje—wel graag een dansje zou willen maken.Ja,Suzestaat in de gang, ze houdt zich aan de leuning van de trap vast, en Barend Flitz staat vóór haar.“Suze, ik wil het bepaald van je weten, hoor! van avond nog, op ’t oogenblik!” zegt Barend.“Maar Flitz hoe zal ik, hoe kan ik?” spreekt Suze stamelende.“Zullen en kunnen!” herneemt de jongeling, die, volgens de keuken-verklaring van Frederik, wel drie flesschen op heeft en “poes kaffé en pons” ook: “Zullen en kunnen da’s malle praat Suze, zie je, ik wou het weerga’s graag weten, ik heb er mijn reden voor; ik zeg dat ik allemachtig verliefd ben, dat zeg ik, en dat va niet arm is dat zeg ik ook. Of heb je andere plannen, spreek?”’t Is niet bijzonder licht bij de trap, en we kunnen derhalve niet zien, welke de uitdrukking van Barends gelaat bij dat “spreek” is, evenmin als we in Suzes kijkers kunnen lezen wat er in hare ziel omgaat, maar meenen een geluid te hooren alsof dat “spreek” bij het meisje iets anders dan woorden heeft uitgelokt, en vernemen wat later heel duidelijk dat de jarige schreit.“Suus.... neen Suus, zoo meen ik het niet. Suze schei uit, dat vind ik nu akelig!” fluistert Barend op een geheel anderen toon dan dien, waarop hij zoo pas heeft gesproken: “Je voelt immers dat ik je liefheb. Och Suze, ik heb je zoo lief, en ik dacht dat het van daag de dag moest wezen waarop ik het zeggen kon. Suze als ik je leed doe, zeg het dan maar. ’k Wil alles voor je doen. In den nacht zelfs wil ik naar stad loopen om breikatoen of wol voor je te halen. Suus, lieve Suze, schei toch uit met huilen, als je pa het merkt! Zeg, ben je boos, of hou je toch van me? Suus, als je huilt, daar word ik zoo naar van. Zeg dan, wat zal ik doen? Wát wil je hebben?”Een oogenblik stilte, alleen een nokkend geluid.“Toe zeg dan, toe spreek toch?”“Och, laat me.... dan.... nú.... met vrede Barend,” is Suzes antwoord, door ’t schreien belemmerd, en op hetzelfde oogenblik klinkt het in de gang:“Suze, waar ben je?” en het meisje, dat de stem der danslustige Dorothea herkent, grijpt Flitz bij de hand; schuift hem de roepende te gemoet, en snelt zelve de donkere gang in.Ongeveer een halfuur later bevindt ons gezelschap zich opnieuw vereenigd in het salon; de dames staan of zitten bij de piano, die voor deze gelegenheid uit de woonkamer naar ’t salon werd overgebracht, en waarvoor Suze is gezeten die, werkelijk lief, de reeds vroeger genoemdeRêveriespeelt. Flitz staat aan hare zijde, tuurt tamelijk dof op het muziekblad en heeft reeds een paar malen: “O jé,” gezegd, daar Suze ’t blad omsloeg terwijl hij nog slechts ter halverwege gekomen was.Op algemeen vereerend verzoek, draagt Saartje van den dominee vervolgensDe Kalif van Bagdadvoor, en speelt Flitz daarna een paar walsjes van Strauss bij wijze van obligaat op zijn fluit—hij voor een verrassing in den zak stak—zoo charmant in demaat, dat Doortje met haar gewoon: hi hi hi, aanmerkt: “Ik galoppeer al.”Of de heer burgemeester ook aan de muziek doet....?Een weinig aan den zang. De gitaar voor accompagnement: hij laat zich niet gaarne bidden en zal daarom beproeven om zich, bij gebreke van zijn instrument, met de piano te accompagneeren.Waarom Van Bavik zijn eerste voornemen zoo spoedig laat varen, om de gevoelvolle Romance: “La bénediction d’un père” te zingen, weten wij niet, maar zeker is het, dat hij na het instrument eenige smeltende akkoorden te hebben ontlokt, den: “Afscheidsgroet aan het Vaderland” aankondigt, en met een onverklaarbaar gevoelvolle stem de regelen zingt, die wij ter eere van den dichter hier laten volgen:Vaarwel, mijn Vaderland,Het schip doorklieft de baren,En ’t oostlijk windgebruisFluit hevig door het want,Mijn oog kan nauwlijks meerUw blinkend duin ontwaren;Gij hoort mijn stem niet meer, }bis.Mijn dierbaar Vaderland1.Ze hebben het allengehoord; wat meer zegt, ze hebben het allenverstaan. De herhaling der beide laatste regels, zoo ontegenzeggelijk roerend, zoowel door het melancholische hunner beteekenis als door het wegsleepende van muziek en voordracht, ze hebben zulk een indruk op de hoorders gemaakt, dat zelfs Doortje niet lacht, en Flitz—wellicht niet wetendewathij doet—insgelijks als betooverd, met de heeren instemt, die in een uitbundig Bravo! bravo! losbarsten.Misschien, lezer, kent gij menschen—wellicht één zelfs van zeer nabij—wier zenuwen spoedig in beweging zijn te brengen, of althans somwijlen in een stemming verkeeren, dat zij—gij verstaat de uitdrukking—“nietzóóveelnoodig hebben om geheel van streek te geraken.”Suze was er zóó eene. De dag van heden had haar in overvloed stof tot nadenken opgeleverd; verschillende omstandigheden werkten nu eens vroolijk dan weder geheel anders op haar prikkelbaar gemoed; en nu, zich ter nauwernood, als met geweld van het onverwacht en zoo vreemd gevoerde gesprek met Barend Flitz hersteld hebbende,—had zij zich, op verzoek, terstond aan de piano gezet,in de hoop dat de sporen van haar tranen in dien tusschentijd geheel zouden verdwijnen. Ze had gespeeld en zich goed gehouden, hoewel ze duidelijk bemerkte dat Barend zooraardeed. Ze had naar deKalifgeluisterd met de oogen zoo strak op de stijve vingers der speelster gevestigd, alsof ze haar de kunst wilde afzien, en.... was zij beverig geworden toen bij het einde van het eerste couplet de stem van den zanger gevoelvol het vaderland een smeltend “Vaarwel” toezong, zij trilde zichtbaar toen in het tweede couplet die stem nog welluidender klonk,—maar, toen nu ten laatste nogmaals die woorden:“Vaarwel, vaar eeuwig wel,Mijn dier-baar va-der-land!”als wegstierven, en zich in eenige klagende piano-akkoorden oplosten, toen barstte zij in een hevig snikken uit, juist op het oogenblik dat ten tweeden male een luid “Bravo! bravo!” het salon vervulde.Gij lacht, oude zee-kapitein, die vijf en twintig of meerdere jaren op de Oost of West hebt gevaren, en nu “vol kou en ongemak” met uw voeten in ’t vilt! uw tijd moet slijten met onze beuzelverhaaltjes te lezen.Gij haalt de schouders op, grijze snorbaard, die u niet herinnert een traan te hebben gestort, dan toen ge in ’t jaar twaalf, zoo droevig in de richting van ’tvaderland, moest terugtrekken, en zelfsdietranen niet heet bleven, omdat de vorst, die des winters méér dan een keizer te zeggen heeft, ze spoedig op uw kaken tot ijsparels stolde.Ge zegt, onnatuurlijk! oude juffrouw, die liever trappen schuren dan muziek hoort, en slechts gevoel voor uw kat hebt.Ge zegt, flauw! respectable mijnheer of mevrouw, die tranen hebt gestort in zware beproevingen, bij smartelijke verliezen, maar ’t hoofd hebt gebeurd dewijl uw plicht vorderde dat ge werkzaam zoudt blijven.Of gij lacht, of gij de schouders ophaalt, of gij ’t onnatuurlijk of flauw vindt, Suze kan ’t waarlijk niet helpen, zij kan niet helpen, dat hare zenuwen—mijne heeren en dames!—niet gelijk aan uwe zenuwen zijn: ze kan niet helpen dat ze nog zoo weinig in het leven ondervond, ze kan niet helpen dat ze, bij een zang zooals zij dien nimmer hoorde, in snikken uitbarst, ze deed zich meer geweld aan dan gij zoudt meenen, en wij, wij kunnen ’t niet helpen indien gijgeenmeisje kent, dat in de plaats van Suze, evenals zij, niet zóóveel zou hebben noodig gehad om heden in de war te geraken.Door mama Gliekke en mevrouw Meijer ondersteund verlaat de jarige weldra het vertrek. Van Bavik maakt eenigermate ontsteld zijne excuses tot den gastheer, dat hij misschien een pijnlijke snaar heeft aangeroerd, dat misschien lieve betrekkingen vroeger dit land verlieten of wel.......... Maar de gastheer verzekert, dat het niets dan een gevolg van de warmte is, en schudt den zanger metverrukking de hand, en betuigt, dat hijin stad—alweer de groote koopstad—nooit zóó iets gehoord heeft, en dat nog wel in ’tHollandsch!Dominee zelfs, die anders ronduit moet verklaren dat hij weinig met die kunstmatige zangerij opheeft,—zeker dewijl het kerkgezang zoo weinig kunstmatig is—steekt den burgemeester met een: “Ik dank u, ik dank u,” zijn hand toe. De heeren Meijer, vader en zoon, zien met zekeren eerbied naar den jongen burgervader, die zóó’n stem heeft, en houden evenmin hunne handen terug.Handen geven is dorpsgebruik, vooral na nutslezingen, dáár evenwel zonder onderscheid of men heeft geluisterd en voldaan is, of wel heeft gegeeuwd en ’t vervelend vond.De beide jonge dames die in ’t vertrek bleven, zeiden.... niets, omdat ze niet recht wisten of zulks wel paste, en ook, omdat ze nieuwsgierig waren te weten wat Suze zoo opeens aan ’t huilen had gebracht. Wat den candidaat-notaris betreft, hij keek verbazend wonderlijk naar de deur door welke Suze het salon verliet, maar bleef op zijn stoel zitten, en draaide, nadat hij opnieuw een glas bisschop geledigd had, zoo raar met de oogen, maar toch...... hijbleefop zijn stoel zitten.De heeren aan den haard spreken intusschen nog over verschillende onderwerpen voort, zonder dat Gliekke zijn huisvriend mist, die steeds op zijn stoel zit. Na verloop van een half uur komen de twee oude dames met eene verontschuldiging der jarige terug, die, volstrekt weer binnen wilde komen doch doorhaargeraden werd liever rustig boven te blijven, aangezien het binnen warm en zij nogal zenuwachtig was. Een kwartier later, staat Frederik in de gang met een geopende hand, en verlaten acht personen de woning, waarvan de achterste nog al moeite met de stoeptreden heeft.“De heer Flitz schijnt alleen de achterhoede te willen uitmaken,” zegt Van Bavik. “Neem niet kwalijk,.... dames! dominee! Ik zal eens zien.... Dank voor uw aangenaam gezelschap.... Tot weerzien, wel thuis.”Eenige stemmen: “Bonsoir burgemeester,” en nog eenige zachtere stemmen alleen: “Burgemeester!”De drie heeren, ieder met een dame aan den arm, stappen door, en Van Bavik treedt terug, en tuurt in de duisternis naar den persoon, die zoo’n werk met de stoeptreden had.Ruim tien weken zijn er sedert den dag verloopen waarop het jaarfeest van Suze Gliekke gevierd werd, en tien weken ook sedert Van Bavik den heer, die beter op zijn stoel zat dan dat hij ter been was, aanbood om hem naar huis te vergezellen. Ofschoon dit aanbod met weinig kiesche en niet zeer vleiende woorden gedurigwas afgeslagen, was het niettemin gaandeweg zoo noodig geworden, dat Flitz aan dat geleide zijn behouden tehuiskomst heeft te danken gehad.Veel is er in dien tijd veranderd. Ontegenzeggelijk veel. In stede van naakte takken alleen, draagt eik en beuk en al wat boom mag genoemd worden, thans een frisch en jeugdig groen, waarop de oogen, die nog schemeren van zooveel sneeuwtooneeltjes, met wellust blijven rusten. Wat is er sedert de koude Februari-maand, die er plezier in had om de ijsbloemen zoo vast tegen de vensterruiten te drukken en ontelbare leiboomen zoowel opVredelustals overal den dood te berokkenen, wat is er sedert dien tijd een leven in de groote brouwerij gekomen. De vogels vooral, schijnen uitgelaten. Ze beginnen reeds wanneer een ander ternauwernood de eerste helft der nachtrust genoten heeft. Wat spektakel op het dak, wat lawaai in de linde voor het raam; wat een getjilp en gefluit! Luister! ’t is zoo onaardig niet, ja zelfs wel lief, en ze schijnen machtig veel pret te hebben. Aardig volkje! Wat zijt ge vroolijk. Wat roept gij helder: “Ten bedde uit luiaard! Zie naar buiten, de zon gaat ook voor ú op. Kom! zoo ge althans niet komen zult om wreedaardig ons echtheil te verwoesten en onze kindertjes te rooven!”Wat zijn er velen helaas, die dat roepen wel aardig vinden, en er een poosje naar luisteren, doch daarna zich nog eventjes omdraaien, om eerst voor goed wakker te blijven, wanneer die knaapjes daar buiten al moede van ’t roepen zijn.Veel, zeer veel is er in de natuur veranderd; de weiden, die zoo droevig dor lagen, zijn met een donker groen bekleed, waarin het rundvee dartelt; het landvolk kniest niet langer bij den poveren haard; het spit en zaait en egt; ja, er is veel veranderd, er kwam bepaald leven in de groote brouwerij.Leven! En toch nietalleveranderingen die erinenomB.... hebben plaats gegrepen, getuigen dat er leven voor doodsslaap kwam. Wij zullen u een woning binnenvoeren waarin de Mei niet lacht—omdat er de luiken gesloten zijn, omdat de doodsslaap er het aardsche leven verving.Hier die trap op; rechts in die kamer moet gij wezen.... Zie, daar staat een mooie stevige eikenhouten kist met acht blank geschuurde handvatsels er aan. Er is veel zorg aan die kist besteed. Waarom....? Omdat de wormen niet meenen zullen dat er een arbeider of een van de diaconie in te slapen ligt; of wel, omdat die slapende een dagje langer onder de zoden zal liggen eer er niets meer dan wat beenderen van hem te vinden zullen zijn.’En mooie kist! Gelukkig datwij’t bemerken, anders zouden de nijvere mannen, die er hun nachtrust aan wijdden, weinig voldoening van hun arbeid hebben. Geen woord van tevredenheid werd hun betuigd. Mevrouw heeft dadelijk den zakdoek voor de oogen gedrukt toen ze die kist er staan zag, en de meiden zijn angstig naar de keuken gevlucht toen ze haar de woning zagen binnendragen. ’En mooie kist! Wilt ge nog naderbij komen om haar beter te beschouwen en zienwiehet is die er in ligt?—’t Is het stof van denman, die weleer aan menig sterfhuis verscheen om de goederen, welke een gestorvene maar luttel tijds in leen hield, weder tegen contante betaling aan de levenden te gunnen; de man die heel wat testamenten maakte, en weinige weken geleden, toen hij een belangrijk stuk onderteekende, weinig vermoedde dat die naam J. V. Saffelen voor ’t laatst door hem geschreven werd.’t Was een belangrijke gebeurtenis, een gewichtige verandering in B....—De notaris Van Saffelen had, terwijl alles een nieuw leven bekwam, zijn leven met den dood verruild.—Ja....? Arme Van Saffelen, dan hebben wij diep medelijden met u en uw treurende weduwe; maar neen, we hopen en wij vertrouwen dat gij reeds in een nieuwe lente zijt overgebracht; dat ookgijleeft, leeft in een reinere, een betere wereld waar geen scheiden meer wezen zal.De weduwe had veel beklag, en ondervond veel deelneming; en Flitz, die zijn gansche notarieele vorming—al was die vorming dan ook eenigermate aan zijn figuur gelijk—aan den kundigen en geduldigen notaris was verschuldigd; Flitz die inderdaad in Van Saffelens ziekte zich met kracht had aangegrepen, opdat de werkzaamheden haren loop zouden hebben, en ook trouw in ’t waken geweest was, hij had zijne tranen niet kunnen bedwingen toen zijn leermeester en vriend, zooals dominee zeide: “het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld,” en, zooalshijzeide: “nooit geen aktes meer passeeren, en nooit aan de overzij van den lessenaar meer zitten zou.”Flitz! waarlijk ge hebt toch geen kwaad hart, al sist er een leelijk slangetje in uwe borst. Waarlijk, wij billijken het oordeel der bedroefde notaris-weduwe, die u een engel van goedheid noemt. Ten haren opzichte ja. Maar een engel, neen Flitz daar ontbreekt veel aan, en, vooral dat slangetje hindert vreeselijk, dat leelijke, dat foei zwarte slangetje!In die verloopene weken was er in B. nóg meer veranderd,—voor ’t algemeen van minder belang, voor den belangstellenden lezer niet onbelangrijk.Nog geen veertien dagen na het door ons bijgewoonde feest opVredelustvertrok de familie naar de Nederlandsche hoofdstad, om daar—voor de eerste maal sedert haar komst in B....—eenigen tijd bij zwager Vos te gaan logeeren. Over ’t algemeen wist men niet, waaraan deze plotselinge, ofschoon tijdelijke plaatsverandering moest worden toegeschreven, aangezien de heer Gliekke altijd verzekerde, wanneer hij ter wille zijner dames eens naar de naburige stad W. was geweest,—blijde te zijn de vrije buitenlucht weder in te ademen. Eenigen meenden dat het ter wille van mevrouw was, die kort na Suzes jaardag was gevallen, zich den arm ernstig bezeerde, en de hulp van Tuil den plattelandsheelmeester, tot diens overgroote ergernis, niet had ingeroepen. Anderen vermoedden dat er iemand van de familie moest gestorven zijn, en de heer Gliekke naar Holland trok om de erfenis te gaan halen, en velen hadden aan Flitz gevraagd, wat de oorzaak van een vertrek mocht wezen,waardoor slager, bakker, kruidenier en zooveel anderen, groot nadeel leden.“Omdat ze ergekzijn!” was Barends onvriendelijk en weinig zachtmoedig antwoord geweest; “omdat ze met geen dorpelingen meer tevreden zijn; omdat.... omdat die nieuwe snoes, die burgemeester, zoo’n kwajongen, ze den kop op hol brengt!”Arme Flitz! Toen hij een dag na het feest zijn gewone digestievisite kwam maken, en hoewel het zijn “eetdag” niet was, stellig op het gewone ombertje en een familiare boterham had gerekend, was mevrouw noch Suze komen opdagen. De heer Gliekke had hem, ja, vriendelijk, maar toch in geenen deele zóó “sjoviaal” als gewoonlijk ontvangen, en hem ronduit gezegd, dat hij nog een paar brieven te beantwoorden had.Arme Flitz! Hij was er den volgenden Zondag—zijn “eetdag,” heengestapt, om zich van ’t werken en ’t ziekeverzorgen eens te verpoozen; en toen, ja, ’t was alles wel als vanouds geweest, maar mevrouw had zoo’n pijn aan den arm, en Suze had met ditjes en datjes af en aan gedraafd, en was zoo ijselijk onnatuurlijk geweest, alsof ze alles vergeten had wat hij in de gang tot haar sprak. Mijnheer Gliekke, die ook al zoo raar heen en weer had gegluurd, was eindelijk, ná ’t partijtje, heel droogjes tot de bekendmaking van het plan gekomen, omVredelustvoor een poos te verlaten, waarbij hij vrij duidelijk had te kennen gegeven, dat ze elkaar dezen avond maar vaarwel moesten zeggen, want, Flitz zou zeker wel begrijpen dat de dames en ook hij, nog een boel te redderen en te bezorgen hadden—vooral daar het zoo treurig met mama’s arm was,—terwijl Flitz het evenzeer natuurlijk zou vinden, dat Gliekke niet meer bij hem kon komen. Misschien zag hij hem nog wel bij den notaris. Van Saffelen scheen ernstig ziek te zijn, en zou ’t zeker niet aardig vinden, indien Gliekke het dorp verliet zonder naar hem om te zien.Arme Flitz! Suze had bijna den geheelen tijd “zonder lach of praat” met een afgewend hoofd gezeten, en had, met een paar vuile bordjes—’t geen ze anders nooit deed—de kamer verlaten, juist toen hij, om “op te stappen” naar zijn handschoenen zocht. Arme Flitz! hij had gewacht..... vijf..... tien..... vijftien..... twintig minuten, maar Suus was niet teruggekomen; en papa Gliekke had nog al vriendelijk gezegd, dat Flitz zich niet geneeren moest indien hij naar huis wilde.—Suze....? Ja, Suze was naar de keuken; misschien naar boven; hij wilde haar wel roepen.... maar anders, Flitz kon er op aan, hij zou zijne dochter de groeten wel overbrengen. Arme Flitz! het meisje, dat, toen ze een kind was, zoo dikwijls op zijn knie had gezeten, waar hij zoo familiaar mee geweest was, en die hij nu zoo vreeselijk liefhad, hij moest haar verlaten, zonder haar zelfs een hand ten afscheid te kunnen geven. Hij moestVredelustverlaten,Vredelustwaar hij “doen en laten,” de intieme, de onontbeerlijke huisvriend geweest was. O! vanVredelustte moeten vertrekken, verstooten, miskend en verschopt, en dat ter wille van een “ellendigen windbuil!”Arme Flitz! welk eene verandering voor u!Wat de ware oorzaak dier verandering der Gliekkes ten opzichte van den huisvriend was, kon misschien na het vertrek der familie alleen de persoon ophelderen, voor wien Barend Flitz zulke uitgelezene woorden veil had.Ook hij maakte kort na het diner zijn visite aan de gulle familie. ’t Was vóór den middag. Mevrouw was zeer vriendelijk, maar juffrouw Suze nog al stil geweest, en bij ’t afscheid zeide mijnheer, dat het zulk flink weer om te loopen was, en dat, zoo Van Bavik lust gevoelde, hij dan ’t genoegen zou hebben de plaats eens met hem door te gaan, hij kon dan later mee naar ’t dorp wandelen om Van Saffelen een afscheidsbezoek te brengen en meteen te zien of die vriend wat beter was.De heeren wandelden de plaats door, die, volgens de verzekering van den eigenaar, er des zomers geheel anders uitzag—alsof de jonge burgervader in ’t onzekere verkeerde of de boomen en heesters te B. c. a. des zomers in ’t blad kwamen of niet! Lieve veranderingen....dithier endatdaar; veranderingen voor dennieteigenaar van minder belang, te meer daar hij onmogelijk precies kon begrijpen, hoe die paden en slooten eertijds doorVredelustslingerden.—Och, ’t was niet voorhem, niet voorzijngenoegen, neen, hij had eene dochter; Van Bavik was er ten volle van overtuigd—dat meisje, zijn eenig kind, och! hij wenschte zoozeer datVredelusthaar dierbaar zou blijven, wanneerzij—de ouders—er eenmaal niet meer zouden wezen. Dat hij ’t zoo lief deed veranderen en al die fijne boomen plantte, ’t was niet voorhem, maar alles voor Suze. “Och!” had de heer Gliekke vervolgd: “kinderen gaan je zoo na aan ’t hart; ja Van Bavik, ik hoop dat je ’t óók eenmaal zult ondervinden, en daarom valt het een vader verschrikkelijk hard indien hij.... maar och, ik kan je alles niet zeggen.”Van Bavik zweeg; wat konhij zeggen!?“In vertrouwen,” hernam de vader—want juist wanneer nietallesgezegd kan worden, wordt er gewoonlijknietsverzwegen,—“er is iets dat me hindert, fameus hindert: ’k heb je voor eenige dagen, je weet wel, bij den haard, entre-nous van Flitz gesproken.... nietwaar?”“A juist,” antwoordde Van Bavik.“Men weet tot wien men spreekt,” hernam Gliekke: “Ik zou het niet graag aan de klok hangen, voel je? Welnu, tegen alle verwachting in heeft hij de dwaasheid gehad aan Suze—het kind—van liefde te spreken. Dien avond.... begrijp eens!—’t Kwam spoedig aan ’t licht; je weet wel, die zenuwachtigheid toen je gezongen hadt? Mama vertelde mij ’s anderen daags waar de schoen had gekneld. ’t Kind zelf was er erg van geschrikt; en nog begrijp ik niet hoehij, diezoowel mijne zienswijze kent, het in’t hoofd heeft gekregen, om zóó misbruik van mijn vertrouwen te maken. Had ik dát kunnen voorzien, je begrijpt Van Bavik....” en even stond de spreker stil, en zag zijn aandachtigen hoorder veelbeteekenend aan.“Wel zeker,—natuurlijk!” zei Van Bavik mede stilstaande, en mede opnieuw voortgaande, toen Gliekke verder ging.“Er zijn papieren die men vertrouwt, zie je,” vervolgde Gliekke: “Ik had voorzichtiger kunnen zijn, maar, wie kan ’t helpen dat de fondsen naar beneden gaan. Enfin, zóó en op dien voet kan er niets van komen. Eenmaal “fiat”, de ijver om een beroep te verkrijgen zou weldra verflauwen, dewijl die ijver zelfs nu niet groot is. ’t Werd vrijen jaaruitjaarin, totdat het vrijen ons oudjes nog ’t meest ging vervelen; dan trouwen in ’s hemels naam, en, geldhieren gelddaar! De man zou blijven wat hij is, en zeker een last voor zijn vrouw en een treurig voorbeeld van werkeloosheid voor zijne kinderen worden! Zie je Van Bavik,” en Gliekke stond weder stil maar liep ook kort daarna weder door: “zie je, ik heb er het meisje een hartig woord van gezegd, en hoewel ik Flitz,—omdat hij in onbezonnenheid tegen mijn, hem welbekende begrippen handelde—niet voor ’t hoofd wil stooten, begrijp je.... zoo moet nu voorloopig dat hek wat verhangen worden, en,—maar heel onder ons,—’t is daarom dat we een week of wat van huis gaan.”Van Bavik had gehoord en gevoeld, en was tot aan de notariswoning meegewandeld; en Flitz die in ’t kantoor stond, had over ’t horretje heen gezien, dat de heer vanVredelustden jongen burgemeester “ijselijk hartelijk” de hand schudde, en duidelijk verstaan dat hij hem “bespottelijk amiekaal” vaarwel zei, en hem, toen de schel reeds was overgegaan, nog nariep: “Mocht je soms in dien tijd te Amsterdam komen, we logeeren Heerengracht Nº. 260.”Nog eens: arme Flitz! welk een verandering! Arme Flitz,toenvooral, want voor de eerste maal van zijn leven bromde hij een verwensching tusschen de tanden, een nare verwensching waar nog een leelijke vloek op volgde.’t Was overdag, wanneer hij na veel geschrijf de pen nederlegde, ’t was des nachts, wanneer hij aan ’t ziekbed, volgens mevrouw Van Saffelen, een engel was, dat Flitz aan de schrikkelijke verandering dacht, die ten zijnen opzichte had plaats gegrepen; aan de koelheid van haar die hij zoo wezenlijk liefhad, en aan den man, die hem gewis door lage “intrieges,” den burgemeesters-post ontfutselde; door “mooie praatjes,” “gekkelijke manieren” en een “gemaakt zingen” den ondergang van zijn geluk bewerkte; die Suze op een laaghartige wijze aan hem ontroofde; die zich door “nare streken,” in zijne plaats had weten te dringen, en hem schandelijk de vriendschap en achting der Gliekkes ontstal........ “zoo’n lage hond!”Jaloezie! uw troetelkind is Laster.’t Was waarheid dat de jonge burgervader een paar malen in de week des avonds naar de naburige stad W. ging en des anderen daags buitengewoon vroegtijdig terugkeerde; ’t was waarheid dat Flitz hem een paar malen het dorp zag binnenkomen, juist toen hij ’s morgens de kantoorluiken openwierp.Was het waarheid ook dat hij er dan zoo “dof en af” had uitgezien, en zoo “onzeker en waggelend” geloopen had?’t Was waarheid dat de candidaat-notaris op zekeren morgen voor zaken den burgemeester moest spreken, en van juffrouw Kamp ten bescheid kreeg dat burgemeester nog niet bij de hand was; ’t was waarheid dat hijte elf uren, nog niet was opgestaan.Was ’t waarheid ook dat Van Bavik een luiaard moest genoemd worden, dienooitwas te spreken....? of, bleef hij op dien dag, zoolang te bed dewijl een woedende hoofdpijn hem voor ’t werk ongeschikt maakte?’t Was waarheid dat Flitz, toen hij op zekeren avond alleen in de gelagkamer van ’tGeldersche Wapenop den logementhouder wachtte, ten einde hem een rijtuig naar stad te bestellen waarmee een geneesheer, bij Van Saffelen in consult, zou gehaald worden—dat hij toen in de aangrenzende kamer, door Van Bavik bewoond, eene vrouw luidkeels hoorde snikken; ’t was waarheid, dat hij zijn gehoor scherpende, haar duidelijk hoorde zeggen: “En het arme kind dan mijnheer, moetiker alleen voor zorgen? Ach God, wat moet ik beginnen!? Heb toch medelijden; de bloed!ikheb er geen voedsel voor, en alles is zoo bitter duur.” En, dat hij verder luisterende, eenige onverstaanbare doch blijkbaar vermanende klanken van den bewoner dier kamer had opgevangen, ’t geen met geldgeklank was besloten. Waarheid was het dat Flitz, kort daarna, een knappe doch armoedig gekleede jonge vrouw de gang uit zag treden, die het kind dat ze droeg zorgvuldig met haar voorschoot bedekte.Was het óók waarheid dat Van Bavik een “gemeen sjusjet” was, die meisjes in ’t ongeluk stortte en zijn goeden naam door een luttel stuk geld zocht te bewaren? Of wel, betreurde de jonge burgervader de noodzakelijkheid eener wet, die den verleider voor elke vervolging vrijwaart, en de zwakke verleide alleen de gevolgen van een onbedachten stap doet dragen?Groote verandering in tien weken! De knappe, aardige, geestige, fatsoenlijke burgemeester, die nog kort geleden met zooveel vreugdebetoon werd ingehaald, en aanvankelijk de vrij algemeene achting en welwillendheid genoot, hij vond de leden van den raad tegenwoordig zoo stijf en kortaf; kreeg ook al eenige malen bij sommigen belet, en begreep in ’t geheel niet, waaraan die groote verandering moest worden toegeschreven; hij begreep het niet, al bespeurde hij duidelijk dat Barend Flitz hem alles behalve genegen was.En nu, de notaris Van Saffelen was gestorven, en de aangifte bij den eerstenwethoudergeschied, want burgemeester was voor eenige dagen naar Holland vertrokken.—Naar Holland! Flitz was vuurrood geworden toen hij het hoorde.—Naar Holland!—Heerengracht Nº. 260!—Suze!—Zou Suzewaarachtigalles vergeten hebben!?“Naar Holland, naar Holland!” die woorden werden door Barend Flitz ontelbare malen op één dag herhaald, en zelfs toen hij met den langen zwarten mantel om, en den hoed met het lange lamferer aan, de kist volgde waarin zijn leermeester en vriend naar het kerkhof werd gedragen, toen meende de persoon die naast hem ging, dat mijnheer Flitz niet wel bij zijn zinnen was, want, duidelijk verstond hij, dat het: “naar Holland, Heerengracht Nº. 260,” ging.De trouwe diensten waarmede Flitz den notaris in zijn laatste levensdagen was ter zijde geweest, hadden Van Saffelen dermate ten gunste van zijn kweekeling gestemd, dat hij, in weerwil van de geringschatting zijner notariëele bekwaamheden, gedurig den wensch uitte, dat Flitz, zoohijniet van het ziekbed mocht verrijzen, hem als notaris te B. zou opvolgen. Inderdaad Van Saffelen had met een schijnbare kalmte, zijn vriend den weg, welken hij moest inslaan, gewezen, ten einde—misschien! in zijn plaats de benoeming te erlangen.Dat de zwakke notaris, na het geven dier inlichtingen, opnieuw in een hevige koorts verviel, zalhemniet verwonderen wien ’t leven nog niet tot last is, en zoo gaarne ten nutte der zijnen nog jaren lang werkzaam zou blijven. Dat Flitz sedert dien stond in een soort van sollicitatiekoorts leefde, zal evenminhemverwonderen, die verstaan heeft wathijin zijn schild voerde, en niemand zal het bevreemden, dat Flitz reeds den dag na de begrafenis de reis naar de Provinciale hoofdstad ondernam, om te bewerken datzijnnaam op de voordracht werd geplaatst, en dat hij vervolgens naar Holland trok, naar de residentie, om den Minister van Justitie voor zijn persoon te winnen.Flitz trok naar Holland. Over Amsterdam naar ’s Gravenhage; van ’s Gravenhage naar va en moe opWolkensteijn; en vanWolkensteijnreisde hij weder naar Amsterdam, en liep op zekeren morgen de Heerengracht langs, van het IJ tot den Amstel, heen en terug, zoekende.... zoekende naar Nº. 260.Maar vruchteloos was het zoeken geweest, want, Flitz had niet begrepen dat de huizen aan de overzij van ’t water, ook tot de Heerengracht behoorden. Het “satansche” Nº. had hij niet gevonden, en de kastelein van ’t logement waar hij zijn intrek nam, wist ook niet te zeggen bij wien de heer Gliekke uit B. c. a. op de Heerengracht logeerde, evenmin als de kruier, de schoenpoetser, de kantoorklerk, de dominee—’t was een aanspreker geweest—de loterijjood en een meisje met een mandje onder ’t voorschoot, die hij allen op straat onderzoekend had aangesproken, hem ’t vraagstuk hadden opgelost.Barend Flitz kwam in B. terug, maar zijn onrust was nog grooter dan vóór zijn vertrek, want, Van Bavik zat nog in Holland—misschien wel—neenzeker: Heerengracht Nº. 260! En, op zekeren avond doopte Barend met driftige hand de pen in den inkt, en schreef den volgenden brief:

Indien we geduld hadden dan zouden wij den poëtischen heilwensch van den candidaat-notaris zeker hebben afgeschreven, want Suze is er niet geheim mee, doch daar ons ’t geduld ontbreekt, geven wij alleen de verzekering, dat de vier bladzijden te zamen honderd en twintig regels telden, waarvan de eerste met: “Ik zal,” de derde met: “Ik zou,” de vijfde met: “Ik wil,” de zevende met: “Ik heb,” de negende met: “Ik hoop,” en de elfde met! “Ik voel dus Suus,” aanving. Een van de kunstigste passages uit het stuk was die, waarin de dichter al de artikelen uit de nécessaire, nietzoozeerbezong als wel der jarige nuttig en onontbeerlijk voor den geest bracht. Op bladzijde twee, hoorde de verrukte poëet—let wel den 18denFebruari—’t gezang der nachtegalen, en sprak hij iets verder zoo liefelijk van filomeel en gekweel, dat het ons niet zou verwonderen indien hij in zijn bibliotheek “een werkje van smaak” heeft bezeten. Op bladzijde drie gaf hij de conditioneele verzekering:“Ik kom met ijslijk veel pleizierAls w’ onder ons zijn met zijn vier.”Iets lager viel hij in ’t komieke met de verklaring:“Ik ben een mensch als allemaalEn ben niet vies van goed onthaal.”Op bladzijde vier sloeg hij een blik in ’t verleden, en las in het boek der toekomst met de woorden:“Ik zag je ’t eerst met pijpjes aanNu denk je allicht aan trouwen gaan.”Weer verder eischte hij plechtig eene verklaring van den teedersten aard, aldus uitgedrukt:“Ik hoop te hooren uit je mondDa’ j’ die Van Bavik aklig vond.”terwijl het gedicht met het kunstmatige rijm besloot:“Ik ben hetgeen je misschien gistHij die zich noemt, vriend Barend Flitz.”Vrouwengeduld! Engelachtig geduld! Suze wij bewonderen het uwe. Eerst laast ge ’t vers voor u zelve, en daarna hardop voor uw ouders, zonder een enkele maal te geeuwen of zelfs te zuchten.Vrouwenoordeel! Engelachtig zacht! Suze, gij vondt het vers lief, en zelfs die regels, á propos van den jongen burgemeester, gij veroordeelt er Flitz niet om, hoewel de zachtheid van uw oordeel evenmin toelaatdie uitgedrukte hoopte vervullen.Vrouwelijke tevredenheid! Bewonderenswaardig! Ze vindt het van Flitz toch attent, toch hupsch. In dat lederen doosje is zoo alles bijeen; neen, al bezit ze alle mogelijke reinigingsmiddelen van ’t beste soort, al zegt papa, dat Flitz niet zeer kiesch in de keuze van zijn attentie is geweest, en al voegt mama er spijtig bij, dat het eigenlijk een affront is, waarzijinhaartijd den gever mee om de ooren zou hebben gegooid, al was er ook een vers van honderd bladzijden bij geweest,—Suze oordeelde toch, dat het uit eengoedhart kwam!Papa Gliekke door de verontwaardiging zijner gade ook meer verontwaardigd dan hij anders zou geweest zijn, verzocht vriendelijk dat zijn dochter geen woord van het ontvangene tegen Flitz zou reppen,—hij moest het voelen, en Suze zei, dat ze ’tnaarvoor hem vond, en eigenlijkook naardat burgemeestertochkwam, omdat Flitz zoo vast scheen te denken dat het “onder ons” zou zijn.Er was veel drukte opVredelust, want mijnheer en mevrouw Gliekke hadden volgehouden, dat de jaardag van Suze eene geschikte gelegenheid was om Van Bavik te eten te hebben; ’t zou nog wat vroolijkheid bijzetten, want de Van Saffelens hadden bedankt omdat de notaris ongesteld was, hoewel het daarom toch niet zooals Flitz dacht, “onder ons” zou blijven, want, de Meijers kwamen, en dominee en Saartje, en juffrouw Haspels ook. Al was mevrouw Gliekke machtig ver in ’t rekenen, ze was daarom in geenen deele wat men gierig zou kunnen noemen. Neen, bij een jaarfeest van het eenige Suusje, was er zelfs weinig te goed om niet voor den dag gehaald, en weinig te lekker om niet te worden opgedischt.We zullen geen kans wagen om u te doen watertanden, door u eenmenute schenken van de gerechten, die Gliekkes gasten werden voorgezet. Ge hebt meermalen fijne dineetjes bijgewoond, en herinnert u zeker de schotels die u het best bevielen. Welnu, kies het fijnste wanneer ge trek hebt. Er is opVredelustte kust en te keur, en, meer dan genoeg blijft er over, want Flitz, op wien mevrouw nog al rekende, eet bedroefd weinig, maar.... hij drinkt een glaasje te meer, en de wijn is goed.De heer burgemeester is tusschen de gastvrouw en de jarige dochter des huizes geplaatst. Flitz zit aan Suzes linkerzijde en deoogen doen hem zeer van de “helkleurige” bloemen die, tot een “stijven” ruiker saamgevat, naast Suzes bord liggen en waarmee die burgemeester, haar, met ’en “lamme” aanspraak, was te gemoet gekomen toen hij binnentrad.Aan de andere zijde van Flitz werd juffrouw Haspels geplaatst, een jonge dame van 28 jaren of daaromtrent, wier hoedanigheden wij onaangeroerd zullen laten, aangezien we niet de eer hebben juffrouw Haspels—meer bepaald Doortje of Dorothea Haspels—bijzonder te kennen, en wier uitwendigheden te alledaagsch zijn, om ze der vermelding waardig te keuren. Zooveel is zeker, Flitz vindt ernietsaan, en zei: “Ajakkes” toen hij op het servet aan zijn vanderhandschen kant het plaatskaartje met den naam der gezegde juffrouw ontwaarde; en, zóóveel is óók zeker, dat de jonge heer Meijer—Nº. één van de eerewacht, behalve de chefs—die Doortje als zijn rechterdame nu en dan moest toespreken, totdat het dessert werd gediend, nog niets gehoord had dan: hi hi, ja wel, of, hi hi, neen; maar bij gebruik van het ijs à la vanille de verzekering bekwam, dat het hi hi, zoo koud door de keel gleed, terwijl de knecht achter haar, op de vraag: Marasquin? “’k Ben nog voorzien, hi hi,” ten bescheid kreeg.De heer Meijer Jr. schijnt ons een fiksche jongen te zijn: hij eet goed, hij drinkt goed, en praat over ossen en hooiduurte en stalmesting en draineeringen met kennis, maar merkt het niet op, dat eenigen van ’t gezelschap, en vooral de jarige dame heimelijk lachen, nu hij den kleinen waschkom van fraai porselein ter hand neemt, en den, tot zuivering van mond en vingertoppen bestemden inhoud, in drie klokken naar binnen zendt, met de bewering: dat, op een goeden slok water, de wijn van nieuws aan smaken zal.De heer Meijer en dominee Van Beem maken met hun wederhelften en dominees oudste dochter Saartje, het overige gedeelte van Gliekkes dischgezelschap uit.De hoofden der schepping voeren grootendeels het woord. ’t Komt den heer Meijer voor,—zooals het zijn vader, die ruim dertig jaren dood is, ook voorkwam—dat het pauperisme hand over hand toeneemt, en dat er alom, zelfshierten plattelande, veel gebrek wordt geleden.Dominee meent in gemoede te kunnen verzekeren dat de zedelooze tabaksbouw, alsook de zedelooze aardappelenteelt, alsook de zedelooze jeneverstokerijen, de meer en meer veldwinnende verzwakking ter eener, en de toenemende armoede ter anderer krachtig bevorderden; en wipt, terwijl hij met de linkerhand de verderfelijkheid der jeneverstokerijen verduidelijkt, met de rechter zijn glaasje Marasquin naar binnen, omdat.... het goed op het ijs valt.De heer Gliekke is van oordeel dat het beweren van dominee wat streng is; van de jeneverstokerijen of aardappelenteelt wil hij niet spreken, want, jenever gebruikt hij zelden, of ’t moet op de jacht een beetje bitter zijn om een haas te overluiden; en, aardappelen daar zou hij zich ook gaarne van passeeren, aangezien hij veel liever groenten eet, maar, de zedeloosheid van den tabaksbouw tewillen staande houden, dat schijnt hem wat kras toe: hij wil gaarne alles laten, maar zijn pijp en sigaartje daar is hij een liefhebber van.Dominee houdt vol dat de tabaksplant een zedelooze plant is, aangezien hij bij eigen ervaring weet, welke heillooze effecten zij op de verbruikers teweegbrengt. Honderdmaal heeft hij het rooken beproefd, omdat de collega’s hem sterk animeerden, maar telkens was het—en dominee trekt een leelijk gezicht.“Aardappelen!” roept de heer Meijer Jr.: “Neen dominee, daar moet je ons afblijven, vooral tegenwoordig; we hielden niet minder dan twintig zakken voor winterprovisie, nietwaar moeder? en dan tachtig mud aan de markt à vier min ’en kwart, behalve de pooters en varkensaardappelen, ’t geeft rekening, hoor je....” en ’t is waarschijnlijk dat de heer Meijer Jr. dat laatste “hoor je!” tot zijn rechterdame sprak, want zij lacht: “Hi hi!” en zegt: “Dat dunkt me!”’t Schijnt dat de jonge burgemeester dezen middag meer van luisteren dan wel van spreken houdt: hij zegt, wanneer men hem vraagt, bescheiden zijn oordeel over dit of dat, en ziet—volgens Barends bepeinzing—nu eens den een en dan weder den ander, tot zelfs de dames in kluis—dat laatste woordje was Flitz getrouw—zoo vreemdsoortig aan alsof ie “wat van d’r hebben moest.” Misschien zag Van Bavik inderdaad, zonder het te willen of te weten, nu eens den één, en dan den ander, tot zelfs de dames in kluis, wat scherper aan dan volkomen wellevend was, maar zeker beschouwde hij de heeren met bevreemding, toen reeds de tweede compote aan ’t wandelen was, en nog niemand het woord had gevraagd om de heldin van den dag te gedenken.Neen, ’t was niet om als hoofd der gemeente aan dezen disch een zeker recht te doen gelden, en evenmin om zijne gaven van welsprekendheid aan ’t licht te brengen, dat hij eindelijk den gastheer beleefd om het woord vroeg, en na bekomen verlof met een welluidende stem het volgende sprak:“DroefheidenBlijdschap, ziedaar de zusters die den mensch afwisselend door ’t leven vergezellen.’k Noemdehaar’t eerst, de Droefheid, dewijl haar leven vol ernst is.Hij, die haarnietkent, vreest en schuwt ze, en noemt haar de vijandin der schoone bloeiende maagd, diehémter zijde staat....”Flitz werpt bij deze woorden een glurenden blik op den spreker, terwijl er iets leelijks, iets onderzoekends in den tweeden blik is, welken hij op “de maagd” werpt, dielinksnaasthém, enrechtsnaast Van Bavik gezeten is.“Die haar kent,” vervolgt de spreker: “weet echter dat zij hare schoone zuster hartelijk is genegen, en noode toetreedt om haar te vervangen. Hij bespeurt—ofschoon de eerste bij de tweede verre in schoonheid en lieftalligheid ten achter staat—in beider trekken toch de afkomst van denzelfden, den Grooten den Eeuwigen Stamvader.Liefdeschonk ze beiden het leven.De Droefheid ziet de gevolgen van ’t booze, en snelt toe, en plaagt niet, maar troost.De Blijdschap ziet welvaart en genieting, zij huppelt er heen en lacht met ze mee.”Flitz kijkt zoo zwart als de nacht, maar begrijpt er eigenlijk “geen stom woord van.”“Weldadige, vriendelijke zusters! wie ontvangt ze niet gaarne?” vervolgt de spreker: “De Droefheid schenkt tranen, weldadige tranen, en weert den wrevel.De Blijdschap schenkt lachjes en stemt tot danken. Wie ook de eerste niet kenne en daarom minachte, de tweede zal hij gaarne, met mij, welkom in deze woning heeten. Zij heeft zich gelegerd in de harten van een dankbaar oud’renpaar; zij lacht ons toe uit de oogen eener lieftallige dochter....”Van Bavik neemt het glas, ziet eerst de oudelui Gliekke en daarna het jarige meisje aan. Flitz komt weer op de hoogte; bijt zich op de lippen, en grijpt bij abuis het glas van Doortje, dat hij in één teug ledigt. Een intermezzo klinkt; “Hi hi hi! da’smijnglas.” De spreker heeft gezien en gehoord; wacht een oogenblik, maar herneemt, na een vriendelijk knikje van mevrouw Gliekke, terwijl hij de jarige Suze bepaald aanziet:“De vroolijk lachende Blijdschap heefthierhare bloemen gebracht, en, bid ik, dat de zachte Droefheid u trooste zoo ’t leed eens mocht dagen, vuriger bid ik, dat de Blijdschap u voere door ’t leven, tot aan ’t graf—in de verte.”Van Bavik zwijgt, en ziet met verrukking dat de dankbare Blijdschap, die uit de oogen der jarige straalt, twee heldere parels naar buiten werpt; hij ziet het met verrukking, dewijl de toon door hem aangeslagen, ondanks hem zelven wat hoog werd, en hij vreesde niet doorhaarte zullen verstaan zijn tot wie hij inzonderheid sprak. ’t Is een heele toer, lezer, om voor de vuist in “’t ernstige te vallen”—zoo wij ’t niet, poëtisch proza durven noemen—om zóó, of liever in dien geest, voor de vuist te spreken tot een dischgezelschap waarvan de meeste leden—als echte voddenkrabbers—met hun dessertmesjes in de appel- en druivenschellen,—ja druiven waren er ook geweest—amandelbasten, rozijnenpitten en ulevellen-deviezen zitten te schommelen, alsof ze nog honger hadden. ’t Is waarlijk zoo gemakkelijk niet om de juiste woorden te kiezen, en verre van “’t bombast” te blijven, indien men telkens door een leelijk gezicht wordt afgeleid, of wel, door een: “Hi hi hi! da’s mijn glas,” tot den climax wordt aangemoedigd.’t Is zeker een heele toer, en voor Van Bavik was het waarlijk een razende toer geweest, zoo onvoorbereid en in den waan dat wellicht al de heeren vóór hem ’t woord zouden hebben opgevat, of domineealthans. Maar hijhadgesproken, en in de oogen der jarige blonken werkelijk een paar tranen, en mijnheer Gliekke riep dat het briljant was, en mevrouw Gliekke betuigde dat het allerliefst was, en dominee zei: “Ja, ja,” alsof hij meende: hetzelfde zeg ik zoo dikwijls; en de overige leden van het gezelschap vondenprecies wat de heer Meijer Jr. vond, namelijk, dat ze daarop eens moesten drinken, behalve de heer Barend Flitz die—hoewel niet luide—vond dat het “een lam gezanik” geweest was, en “’en vervl...te padanterie.” En, hoe de lezer het vond, weten we niet, maar hij bedenke, dat een toost altijd een stuk blijft zoo nietbeneden alle critiek, dan vast toch een stuk dat niet behoort gecritiseerd te worden.De burgemeester had gesproken; er was gedronken, en dominee herleest juist voor de zevende maal een ulevellendevies om den tijd te korten, dien hij broeiende op een toost doorbrengt, toen aan Suzes linkerzijde een mes zóó krachtig tegen een fijn champagneglas werd geslagen, dat het, tot zichtbare ontsteltenis van mevrouw Gliekke, in scherven naast de jarige nedervalt.“Hi hi! kapot!” roept Doortje!Flitz zegt: “’t Spijt me; ’k wou ook eens het woord.”De gastheer roept Frederik, die, van al ’t schenken achter tafel zoo waterig uit de oogen ziet; gelast hem een ander glas aan den heer Flitz te geven, en nadat het gevraagde voor de scherven in plaats is gesteld, geeft hij met genoegen het woord aan Flitz, die met een vuurroode kleur opstaat, en met het ten boorde toe gevulde glas in handen, een paar maal ziegzaagt, zoodat een: “Voorzichtig!” hem ’t rechteroor treft, en vangt eindelijk aan:“Praatjes zijn praatjes, afin, maar ik hou er van om te zeggen, wat ik denk. ’k Heb voor Suus een vers van vier bladzijden, zoo maar weg gemaakt.” Niemand nog zei den armen Flitz een vleiend woord van zijn dichtstuk, zelfs Suze had nog niets dan een zacht: “Dankje voor je lieve attentie,” kunnen of durven uitbrengen.“Afin, da’s ’t zelfde,” vervolgt Flitz: “Ik zeg het niet om er van te spreken, daar hou ik niet van, maar afin, ik weet wat ik weet, en dat Suus vandaag, op den 18denFebruari jarig is, dat wist ik al toen ze nog als ’en meisje van veertien jaren op m’n knie zat.... Weet je wel Suus? Afin, ik ben hier al zoolang bekend als de familie hier is, en ’k drink dan ’t welzijn van dezen huize! Afin Suus, daar ga je....!”En Suus ging, of wel de inhoud van het voorwerp, waarmede Flitz de jarige dame telkens bedreigd had, gleed binnen ter plaatse waarvoor het bestemd was, doch, waar het nederkwam als olie in ’t vuur.Wij zouden ten opzichte van Flitz zeer onrechtvaardig zijn, indien we niet getuigden, dat hij het welzijn van dien huize hartelijk meende. Hij had er blijken van gegeven, want, niet slechts dat hij gedurende de zes jaren dat de Gliekkes te B. woonden, op de drie jaarlijksche feesten der huisgenooten—en Flitz woonde ze trouw bij—telkens dat welzijn gedronken had, hij toonde ook dat het welzijn hem werkelijk ter harte ging: eens met dien brand in den schoorsteen, en eens met waken toen mijnheer Gliekke de koorts had.De toost van den heer Flitz, ofschoon—maar neen, we zeiden dat toosten niet gecritiseerd behooren te worden—de toost maakteopgang, en zelfs Doortje begreep dat het: “hi hi, ’t welzijn van dezen huize was.”Aan alle zittingen komt een einde, en ook hier stond het gezelschap ten laatste op; de dames om in ’t nabijzijnde vertrek voor de koffie te zorgen, de heeren—dominee uitgezonderd—om trots de zedeloosheid der tabaksplant een sigaartje te rooken.Wat werd er verder van den avond?Als ’t u lust, kom dan straks wanneer de koffie gedronken en de sigaartjes gerookt zijn, mede naar de tweede salon, waar de kroon met brandende bougies in ’t midden hangt en de bougies op de lusters ook zijn aangestoken; ziet er het gezelschap, eerst met een pousse-café, daarna met fijn porselein in de handen, en later onder ’t genot van punch of bisschop of rooden wijn met gebakjes, en luistert eersthieren dan bij een ander groepje, en later naar datgene waar het gansche gezelschap in deelen zal.“Onder ons,” zegt de gastheer zachtjes, terwijl hij met de handen op den rug naar het turfvuur gekeerd staat: “’t is ’en beste jongen, geen kwaad zit er in, maar, zonder betrekking! Suze is mijn eenig kind, en hoe goed hij ook zijn moge, al is hij geen buitengewoon vernuft, je begrijpt: een schip in zee zonder bestemming, daar heeft de reeder geen vrede mee.”“A juist,” zegt Van Bavik, terwijl hij een blik in zee stuurt.“Van weinig familie,” herneemt de gastheer:“maar toch fatsoenlijk, en nog al fortuin, althans hij leeft hier goed en verteert zijn geld zonder verdiensten.”“A zoo,” zegt de jonge burgemeester, en beschouwt de bloemen van het Deventer tapijt waarmee de vloer bedekt is.“Entre nous—geen mensch weet er van,” herneemt de vertrouwelijke vader nog zachter: “Als de jongen een post had, een postje, begrijp je—van ’t notariaat wil ik niet spreken—’k zou zeggen: fiat vriend, maar zie je, een mensch als ik, die al mijn leven gewerkt heb, ik weet bij ondervinding dat niets om handen hebben een treurig lot is. De vrouw heeft geen krediet voor den man, die geen betrekking in de maatschappij bekleedt;hijwordt een janhen en zij is er de dupe van.... hoe vaar je....?”“Dankje,” zegt Van Bavik tot Frederik, die hem voor de vierde maal een glas punch presenteerde, en de gastheer herneemt, terwijl Frederik juffrouw Doortje nadert: “Maar je spreekt er niet van, want ik hou me alsof ik van den prins geen kwaad weet.”“Wat een mooie preek hield die mijnheer de burgemeester,” zegt Saartje van den dominee tot Doortje die bisschop gebruikt.“’En toost meen je!” lacht Doortje.“En zoo uit het hoofd!” herneemt Saartje: “Va leestze altijd.”“Zou er gedanst worden?” lacht Doortje: “Me dunkt hij moet wel prettig galoppeeren; ’k zal ’t eens aan Suze vragen.... al was ’t in de gang!”Doortje ziet naar de jarige om, maar ontdekt haar niet, en vermoedt evenmin, dat deze staat, waar zij,—Doortje—wel graag een dansje zou willen maken.Ja,Suzestaat in de gang, ze houdt zich aan de leuning van de trap vast, en Barend Flitz staat vóór haar.“Suze, ik wil het bepaald van je weten, hoor! van avond nog, op ’t oogenblik!” zegt Barend.“Maar Flitz hoe zal ik, hoe kan ik?” spreekt Suze stamelende.“Zullen en kunnen!” herneemt de jongeling, die, volgens de keuken-verklaring van Frederik, wel drie flesschen op heeft en “poes kaffé en pons” ook: “Zullen en kunnen da’s malle praat Suze, zie je, ik wou het weerga’s graag weten, ik heb er mijn reden voor; ik zeg dat ik allemachtig verliefd ben, dat zeg ik, en dat va niet arm is dat zeg ik ook. Of heb je andere plannen, spreek?”’t Is niet bijzonder licht bij de trap, en we kunnen derhalve niet zien, welke de uitdrukking van Barends gelaat bij dat “spreek” is, evenmin als we in Suzes kijkers kunnen lezen wat er in hare ziel omgaat, maar meenen een geluid te hooren alsof dat “spreek” bij het meisje iets anders dan woorden heeft uitgelokt, en vernemen wat later heel duidelijk dat de jarige schreit.“Suus.... neen Suus, zoo meen ik het niet. Suze schei uit, dat vind ik nu akelig!” fluistert Barend op een geheel anderen toon dan dien, waarop hij zoo pas heeft gesproken: “Je voelt immers dat ik je liefheb. Och Suze, ik heb je zoo lief, en ik dacht dat het van daag de dag moest wezen waarop ik het zeggen kon. Suze als ik je leed doe, zeg het dan maar. ’k Wil alles voor je doen. In den nacht zelfs wil ik naar stad loopen om breikatoen of wol voor je te halen. Suus, lieve Suze, schei toch uit met huilen, als je pa het merkt! Zeg, ben je boos, of hou je toch van me? Suus, als je huilt, daar word ik zoo naar van. Zeg dan, wat zal ik doen? Wát wil je hebben?”Een oogenblik stilte, alleen een nokkend geluid.“Toe zeg dan, toe spreek toch?”“Och, laat me.... dan.... nú.... met vrede Barend,” is Suzes antwoord, door ’t schreien belemmerd, en op hetzelfde oogenblik klinkt het in de gang:“Suze, waar ben je?” en het meisje, dat de stem der danslustige Dorothea herkent, grijpt Flitz bij de hand; schuift hem de roepende te gemoet, en snelt zelve de donkere gang in.Ongeveer een halfuur later bevindt ons gezelschap zich opnieuw vereenigd in het salon; de dames staan of zitten bij de piano, die voor deze gelegenheid uit de woonkamer naar ’t salon werd overgebracht, en waarvoor Suze is gezeten die, werkelijk lief, de reeds vroeger genoemdeRêveriespeelt. Flitz staat aan hare zijde, tuurt tamelijk dof op het muziekblad en heeft reeds een paar malen: “O jé,” gezegd, daar Suze ’t blad omsloeg terwijl hij nog slechts ter halverwege gekomen was.Op algemeen vereerend verzoek, draagt Saartje van den dominee vervolgensDe Kalif van Bagdadvoor, en speelt Flitz daarna een paar walsjes van Strauss bij wijze van obligaat op zijn fluit—hij voor een verrassing in den zak stak—zoo charmant in demaat, dat Doortje met haar gewoon: hi hi hi, aanmerkt: “Ik galoppeer al.”Of de heer burgemeester ook aan de muziek doet....?Een weinig aan den zang. De gitaar voor accompagnement: hij laat zich niet gaarne bidden en zal daarom beproeven om zich, bij gebreke van zijn instrument, met de piano te accompagneeren.Waarom Van Bavik zijn eerste voornemen zoo spoedig laat varen, om de gevoelvolle Romance: “La bénediction d’un père” te zingen, weten wij niet, maar zeker is het, dat hij na het instrument eenige smeltende akkoorden te hebben ontlokt, den: “Afscheidsgroet aan het Vaderland” aankondigt, en met een onverklaarbaar gevoelvolle stem de regelen zingt, die wij ter eere van den dichter hier laten volgen:Vaarwel, mijn Vaderland,Het schip doorklieft de baren,En ’t oostlijk windgebruisFluit hevig door het want,Mijn oog kan nauwlijks meerUw blinkend duin ontwaren;Gij hoort mijn stem niet meer, }bis.Mijn dierbaar Vaderland1.Ze hebben het allengehoord; wat meer zegt, ze hebben het allenverstaan. De herhaling der beide laatste regels, zoo ontegenzeggelijk roerend, zoowel door het melancholische hunner beteekenis als door het wegsleepende van muziek en voordracht, ze hebben zulk een indruk op de hoorders gemaakt, dat zelfs Doortje niet lacht, en Flitz—wellicht niet wetendewathij doet—insgelijks als betooverd, met de heeren instemt, die in een uitbundig Bravo! bravo! losbarsten.Misschien, lezer, kent gij menschen—wellicht één zelfs van zeer nabij—wier zenuwen spoedig in beweging zijn te brengen, of althans somwijlen in een stemming verkeeren, dat zij—gij verstaat de uitdrukking—“nietzóóveelnoodig hebben om geheel van streek te geraken.”Suze was er zóó eene. De dag van heden had haar in overvloed stof tot nadenken opgeleverd; verschillende omstandigheden werkten nu eens vroolijk dan weder geheel anders op haar prikkelbaar gemoed; en nu, zich ter nauwernood, als met geweld van het onverwacht en zoo vreemd gevoerde gesprek met Barend Flitz hersteld hebbende,—had zij zich, op verzoek, terstond aan de piano gezet,in de hoop dat de sporen van haar tranen in dien tusschentijd geheel zouden verdwijnen. Ze had gespeeld en zich goed gehouden, hoewel ze duidelijk bemerkte dat Barend zooraardeed. Ze had naar deKalifgeluisterd met de oogen zoo strak op de stijve vingers der speelster gevestigd, alsof ze haar de kunst wilde afzien, en.... was zij beverig geworden toen bij het einde van het eerste couplet de stem van den zanger gevoelvol het vaderland een smeltend “Vaarwel” toezong, zij trilde zichtbaar toen in het tweede couplet die stem nog welluidender klonk,—maar, toen nu ten laatste nogmaals die woorden:“Vaarwel, vaar eeuwig wel,Mijn dier-baar va-der-land!”als wegstierven, en zich in eenige klagende piano-akkoorden oplosten, toen barstte zij in een hevig snikken uit, juist op het oogenblik dat ten tweeden male een luid “Bravo! bravo!” het salon vervulde.Gij lacht, oude zee-kapitein, die vijf en twintig of meerdere jaren op de Oost of West hebt gevaren, en nu “vol kou en ongemak” met uw voeten in ’t vilt! uw tijd moet slijten met onze beuzelverhaaltjes te lezen.Gij haalt de schouders op, grijze snorbaard, die u niet herinnert een traan te hebben gestort, dan toen ge in ’t jaar twaalf, zoo droevig in de richting van ’tvaderland, moest terugtrekken, en zelfsdietranen niet heet bleven, omdat de vorst, die des winters méér dan een keizer te zeggen heeft, ze spoedig op uw kaken tot ijsparels stolde.Ge zegt, onnatuurlijk! oude juffrouw, die liever trappen schuren dan muziek hoort, en slechts gevoel voor uw kat hebt.Ge zegt, flauw! respectable mijnheer of mevrouw, die tranen hebt gestort in zware beproevingen, bij smartelijke verliezen, maar ’t hoofd hebt gebeurd dewijl uw plicht vorderde dat ge werkzaam zoudt blijven.Of gij lacht, of gij de schouders ophaalt, of gij ’t onnatuurlijk of flauw vindt, Suze kan ’t waarlijk niet helpen, zij kan niet helpen, dat hare zenuwen—mijne heeren en dames!—niet gelijk aan uwe zenuwen zijn: ze kan niet helpen dat ze nog zoo weinig in het leven ondervond, ze kan niet helpen dat ze, bij een zang zooals zij dien nimmer hoorde, in snikken uitbarst, ze deed zich meer geweld aan dan gij zoudt meenen, en wij, wij kunnen ’t niet helpen indien gijgeenmeisje kent, dat in de plaats van Suze, evenals zij, niet zóóveel zou hebben noodig gehad om heden in de war te geraken.Door mama Gliekke en mevrouw Meijer ondersteund verlaat de jarige weldra het vertrek. Van Bavik maakt eenigermate ontsteld zijne excuses tot den gastheer, dat hij misschien een pijnlijke snaar heeft aangeroerd, dat misschien lieve betrekkingen vroeger dit land verlieten of wel.......... Maar de gastheer verzekert, dat het niets dan een gevolg van de warmte is, en schudt den zanger metverrukking de hand, en betuigt, dat hijin stad—alweer de groote koopstad—nooit zóó iets gehoord heeft, en dat nog wel in ’tHollandsch!Dominee zelfs, die anders ronduit moet verklaren dat hij weinig met die kunstmatige zangerij opheeft,—zeker dewijl het kerkgezang zoo weinig kunstmatig is—steekt den burgemeester met een: “Ik dank u, ik dank u,” zijn hand toe. De heeren Meijer, vader en zoon, zien met zekeren eerbied naar den jongen burgervader, die zóó’n stem heeft, en houden evenmin hunne handen terug.Handen geven is dorpsgebruik, vooral na nutslezingen, dáár evenwel zonder onderscheid of men heeft geluisterd en voldaan is, of wel heeft gegeeuwd en ’t vervelend vond.De beide jonge dames die in ’t vertrek bleven, zeiden.... niets, omdat ze niet recht wisten of zulks wel paste, en ook, omdat ze nieuwsgierig waren te weten wat Suze zoo opeens aan ’t huilen had gebracht. Wat den candidaat-notaris betreft, hij keek verbazend wonderlijk naar de deur door welke Suze het salon verliet, maar bleef op zijn stoel zitten, en draaide, nadat hij opnieuw een glas bisschop geledigd had, zoo raar met de oogen, maar toch...... hijbleefop zijn stoel zitten.De heeren aan den haard spreken intusschen nog over verschillende onderwerpen voort, zonder dat Gliekke zijn huisvriend mist, die steeds op zijn stoel zit. Na verloop van een half uur komen de twee oude dames met eene verontschuldiging der jarige terug, die, volstrekt weer binnen wilde komen doch doorhaargeraden werd liever rustig boven te blijven, aangezien het binnen warm en zij nogal zenuwachtig was. Een kwartier later, staat Frederik in de gang met een geopende hand, en verlaten acht personen de woning, waarvan de achterste nog al moeite met de stoeptreden heeft.“De heer Flitz schijnt alleen de achterhoede te willen uitmaken,” zegt Van Bavik. “Neem niet kwalijk,.... dames! dominee! Ik zal eens zien.... Dank voor uw aangenaam gezelschap.... Tot weerzien, wel thuis.”Eenige stemmen: “Bonsoir burgemeester,” en nog eenige zachtere stemmen alleen: “Burgemeester!”De drie heeren, ieder met een dame aan den arm, stappen door, en Van Bavik treedt terug, en tuurt in de duisternis naar den persoon, die zoo’n werk met de stoeptreden had.Ruim tien weken zijn er sedert den dag verloopen waarop het jaarfeest van Suze Gliekke gevierd werd, en tien weken ook sedert Van Bavik den heer, die beter op zijn stoel zat dan dat hij ter been was, aanbood om hem naar huis te vergezellen. Ofschoon dit aanbod met weinig kiesche en niet zeer vleiende woorden gedurigwas afgeslagen, was het niettemin gaandeweg zoo noodig geworden, dat Flitz aan dat geleide zijn behouden tehuiskomst heeft te danken gehad.Veel is er in dien tijd veranderd. Ontegenzeggelijk veel. In stede van naakte takken alleen, draagt eik en beuk en al wat boom mag genoemd worden, thans een frisch en jeugdig groen, waarop de oogen, die nog schemeren van zooveel sneeuwtooneeltjes, met wellust blijven rusten. Wat is er sedert de koude Februari-maand, die er plezier in had om de ijsbloemen zoo vast tegen de vensterruiten te drukken en ontelbare leiboomen zoowel opVredelustals overal den dood te berokkenen, wat is er sedert dien tijd een leven in de groote brouwerij gekomen. De vogels vooral, schijnen uitgelaten. Ze beginnen reeds wanneer een ander ternauwernood de eerste helft der nachtrust genoten heeft. Wat spektakel op het dak, wat lawaai in de linde voor het raam; wat een getjilp en gefluit! Luister! ’t is zoo onaardig niet, ja zelfs wel lief, en ze schijnen machtig veel pret te hebben. Aardig volkje! Wat zijt ge vroolijk. Wat roept gij helder: “Ten bedde uit luiaard! Zie naar buiten, de zon gaat ook voor ú op. Kom! zoo ge althans niet komen zult om wreedaardig ons echtheil te verwoesten en onze kindertjes te rooven!”Wat zijn er velen helaas, die dat roepen wel aardig vinden, en er een poosje naar luisteren, doch daarna zich nog eventjes omdraaien, om eerst voor goed wakker te blijven, wanneer die knaapjes daar buiten al moede van ’t roepen zijn.Veel, zeer veel is er in de natuur veranderd; de weiden, die zoo droevig dor lagen, zijn met een donker groen bekleed, waarin het rundvee dartelt; het landvolk kniest niet langer bij den poveren haard; het spit en zaait en egt; ja, er is veel veranderd, er kwam bepaald leven in de groote brouwerij.Leven! En toch nietalleveranderingen die erinenomB.... hebben plaats gegrepen, getuigen dat er leven voor doodsslaap kwam. Wij zullen u een woning binnenvoeren waarin de Mei niet lacht—omdat er de luiken gesloten zijn, omdat de doodsslaap er het aardsche leven verving.Hier die trap op; rechts in die kamer moet gij wezen.... Zie, daar staat een mooie stevige eikenhouten kist met acht blank geschuurde handvatsels er aan. Er is veel zorg aan die kist besteed. Waarom....? Omdat de wormen niet meenen zullen dat er een arbeider of een van de diaconie in te slapen ligt; of wel, omdat die slapende een dagje langer onder de zoden zal liggen eer er niets meer dan wat beenderen van hem te vinden zullen zijn.’En mooie kist! Gelukkig datwij’t bemerken, anders zouden de nijvere mannen, die er hun nachtrust aan wijdden, weinig voldoening van hun arbeid hebben. Geen woord van tevredenheid werd hun betuigd. Mevrouw heeft dadelijk den zakdoek voor de oogen gedrukt toen ze die kist er staan zag, en de meiden zijn angstig naar de keuken gevlucht toen ze haar de woning zagen binnendragen. ’En mooie kist! Wilt ge nog naderbij komen om haar beter te beschouwen en zienwiehet is die er in ligt?—’t Is het stof van denman, die weleer aan menig sterfhuis verscheen om de goederen, welke een gestorvene maar luttel tijds in leen hield, weder tegen contante betaling aan de levenden te gunnen; de man die heel wat testamenten maakte, en weinige weken geleden, toen hij een belangrijk stuk onderteekende, weinig vermoedde dat die naam J. V. Saffelen voor ’t laatst door hem geschreven werd.’t Was een belangrijke gebeurtenis, een gewichtige verandering in B....—De notaris Van Saffelen had, terwijl alles een nieuw leven bekwam, zijn leven met den dood verruild.—Ja....? Arme Van Saffelen, dan hebben wij diep medelijden met u en uw treurende weduwe; maar neen, we hopen en wij vertrouwen dat gij reeds in een nieuwe lente zijt overgebracht; dat ookgijleeft, leeft in een reinere, een betere wereld waar geen scheiden meer wezen zal.De weduwe had veel beklag, en ondervond veel deelneming; en Flitz, die zijn gansche notarieele vorming—al was die vorming dan ook eenigermate aan zijn figuur gelijk—aan den kundigen en geduldigen notaris was verschuldigd; Flitz die inderdaad in Van Saffelens ziekte zich met kracht had aangegrepen, opdat de werkzaamheden haren loop zouden hebben, en ook trouw in ’t waken geweest was, hij had zijne tranen niet kunnen bedwingen toen zijn leermeester en vriend, zooals dominee zeide: “het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld,” en, zooalshijzeide: “nooit geen aktes meer passeeren, en nooit aan de overzij van den lessenaar meer zitten zou.”Flitz! waarlijk ge hebt toch geen kwaad hart, al sist er een leelijk slangetje in uwe borst. Waarlijk, wij billijken het oordeel der bedroefde notaris-weduwe, die u een engel van goedheid noemt. Ten haren opzichte ja. Maar een engel, neen Flitz daar ontbreekt veel aan, en, vooral dat slangetje hindert vreeselijk, dat leelijke, dat foei zwarte slangetje!In die verloopene weken was er in B. nóg meer veranderd,—voor ’t algemeen van minder belang, voor den belangstellenden lezer niet onbelangrijk.Nog geen veertien dagen na het door ons bijgewoonde feest opVredelustvertrok de familie naar de Nederlandsche hoofdstad, om daar—voor de eerste maal sedert haar komst in B....—eenigen tijd bij zwager Vos te gaan logeeren. Over ’t algemeen wist men niet, waaraan deze plotselinge, ofschoon tijdelijke plaatsverandering moest worden toegeschreven, aangezien de heer Gliekke altijd verzekerde, wanneer hij ter wille zijner dames eens naar de naburige stad W. was geweest,—blijde te zijn de vrije buitenlucht weder in te ademen. Eenigen meenden dat het ter wille van mevrouw was, die kort na Suzes jaardag was gevallen, zich den arm ernstig bezeerde, en de hulp van Tuil den plattelandsheelmeester, tot diens overgroote ergernis, niet had ingeroepen. Anderen vermoedden dat er iemand van de familie moest gestorven zijn, en de heer Gliekke naar Holland trok om de erfenis te gaan halen, en velen hadden aan Flitz gevraagd, wat de oorzaak van een vertrek mocht wezen,waardoor slager, bakker, kruidenier en zooveel anderen, groot nadeel leden.“Omdat ze ergekzijn!” was Barends onvriendelijk en weinig zachtmoedig antwoord geweest; “omdat ze met geen dorpelingen meer tevreden zijn; omdat.... omdat die nieuwe snoes, die burgemeester, zoo’n kwajongen, ze den kop op hol brengt!”Arme Flitz! Toen hij een dag na het feest zijn gewone digestievisite kwam maken, en hoewel het zijn “eetdag” niet was, stellig op het gewone ombertje en een familiare boterham had gerekend, was mevrouw noch Suze komen opdagen. De heer Gliekke had hem, ja, vriendelijk, maar toch in geenen deele zóó “sjoviaal” als gewoonlijk ontvangen, en hem ronduit gezegd, dat hij nog een paar brieven te beantwoorden had.Arme Flitz! Hij was er den volgenden Zondag—zijn “eetdag,” heengestapt, om zich van ’t werken en ’t ziekeverzorgen eens te verpoozen; en toen, ja, ’t was alles wel als vanouds geweest, maar mevrouw had zoo’n pijn aan den arm, en Suze had met ditjes en datjes af en aan gedraafd, en was zoo ijselijk onnatuurlijk geweest, alsof ze alles vergeten had wat hij in de gang tot haar sprak. Mijnheer Gliekke, die ook al zoo raar heen en weer had gegluurd, was eindelijk, ná ’t partijtje, heel droogjes tot de bekendmaking van het plan gekomen, omVredelustvoor een poos te verlaten, waarbij hij vrij duidelijk had te kennen gegeven, dat ze elkaar dezen avond maar vaarwel moesten zeggen, want, Flitz zou zeker wel begrijpen dat de dames en ook hij, nog een boel te redderen en te bezorgen hadden—vooral daar het zoo treurig met mama’s arm was,—terwijl Flitz het evenzeer natuurlijk zou vinden, dat Gliekke niet meer bij hem kon komen. Misschien zag hij hem nog wel bij den notaris. Van Saffelen scheen ernstig ziek te zijn, en zou ’t zeker niet aardig vinden, indien Gliekke het dorp verliet zonder naar hem om te zien.Arme Flitz! Suze had bijna den geheelen tijd “zonder lach of praat” met een afgewend hoofd gezeten, en had, met een paar vuile bordjes—’t geen ze anders nooit deed—de kamer verlaten, juist toen hij, om “op te stappen” naar zijn handschoenen zocht. Arme Flitz! hij had gewacht..... vijf..... tien..... vijftien..... twintig minuten, maar Suus was niet teruggekomen; en papa Gliekke had nog al vriendelijk gezegd, dat Flitz zich niet geneeren moest indien hij naar huis wilde.—Suze....? Ja, Suze was naar de keuken; misschien naar boven; hij wilde haar wel roepen.... maar anders, Flitz kon er op aan, hij zou zijne dochter de groeten wel overbrengen. Arme Flitz! het meisje, dat, toen ze een kind was, zoo dikwijls op zijn knie had gezeten, waar hij zoo familiaar mee geweest was, en die hij nu zoo vreeselijk liefhad, hij moest haar verlaten, zonder haar zelfs een hand ten afscheid te kunnen geven. Hij moestVredelustverlaten,Vredelustwaar hij “doen en laten,” de intieme, de onontbeerlijke huisvriend geweest was. O! vanVredelustte moeten vertrekken, verstooten, miskend en verschopt, en dat ter wille van een “ellendigen windbuil!”Arme Flitz! welk eene verandering voor u!Wat de ware oorzaak dier verandering der Gliekkes ten opzichte van den huisvriend was, kon misschien na het vertrek der familie alleen de persoon ophelderen, voor wien Barend Flitz zulke uitgelezene woorden veil had.Ook hij maakte kort na het diner zijn visite aan de gulle familie. ’t Was vóór den middag. Mevrouw was zeer vriendelijk, maar juffrouw Suze nog al stil geweest, en bij ’t afscheid zeide mijnheer, dat het zulk flink weer om te loopen was, en dat, zoo Van Bavik lust gevoelde, hij dan ’t genoegen zou hebben de plaats eens met hem door te gaan, hij kon dan later mee naar ’t dorp wandelen om Van Saffelen een afscheidsbezoek te brengen en meteen te zien of die vriend wat beter was.De heeren wandelden de plaats door, die, volgens de verzekering van den eigenaar, er des zomers geheel anders uitzag—alsof de jonge burgervader in ’t onzekere verkeerde of de boomen en heesters te B. c. a. des zomers in ’t blad kwamen of niet! Lieve veranderingen....dithier endatdaar; veranderingen voor dennieteigenaar van minder belang, te meer daar hij onmogelijk precies kon begrijpen, hoe die paden en slooten eertijds doorVredelustslingerden.—Och, ’t was niet voorhem, niet voorzijngenoegen, neen, hij had eene dochter; Van Bavik was er ten volle van overtuigd—dat meisje, zijn eenig kind, och! hij wenschte zoozeer datVredelusthaar dierbaar zou blijven, wanneerzij—de ouders—er eenmaal niet meer zouden wezen. Dat hij ’t zoo lief deed veranderen en al die fijne boomen plantte, ’t was niet voorhem, maar alles voor Suze. “Och!” had de heer Gliekke vervolgd: “kinderen gaan je zoo na aan ’t hart; ja Van Bavik, ik hoop dat je ’t óók eenmaal zult ondervinden, en daarom valt het een vader verschrikkelijk hard indien hij.... maar och, ik kan je alles niet zeggen.”Van Bavik zweeg; wat konhij zeggen!?“In vertrouwen,” hernam de vader—want juist wanneer nietallesgezegd kan worden, wordt er gewoonlijknietsverzwegen,—“er is iets dat me hindert, fameus hindert: ’k heb je voor eenige dagen, je weet wel, bij den haard, entre-nous van Flitz gesproken.... nietwaar?”“A juist,” antwoordde Van Bavik.“Men weet tot wien men spreekt,” hernam Gliekke: “Ik zou het niet graag aan de klok hangen, voel je? Welnu, tegen alle verwachting in heeft hij de dwaasheid gehad aan Suze—het kind—van liefde te spreken. Dien avond.... begrijp eens!—’t Kwam spoedig aan ’t licht; je weet wel, die zenuwachtigheid toen je gezongen hadt? Mama vertelde mij ’s anderen daags waar de schoen had gekneld. ’t Kind zelf was er erg van geschrikt; en nog begrijp ik niet hoehij, diezoowel mijne zienswijze kent, het in’t hoofd heeft gekregen, om zóó misbruik van mijn vertrouwen te maken. Had ik dát kunnen voorzien, je begrijpt Van Bavik....” en even stond de spreker stil, en zag zijn aandachtigen hoorder veelbeteekenend aan.“Wel zeker,—natuurlijk!” zei Van Bavik mede stilstaande, en mede opnieuw voortgaande, toen Gliekke verder ging.“Er zijn papieren die men vertrouwt, zie je,” vervolgde Gliekke: “Ik had voorzichtiger kunnen zijn, maar, wie kan ’t helpen dat de fondsen naar beneden gaan. Enfin, zóó en op dien voet kan er niets van komen. Eenmaal “fiat”, de ijver om een beroep te verkrijgen zou weldra verflauwen, dewijl die ijver zelfs nu niet groot is. ’t Werd vrijen jaaruitjaarin, totdat het vrijen ons oudjes nog ’t meest ging vervelen; dan trouwen in ’s hemels naam, en, geldhieren gelddaar! De man zou blijven wat hij is, en zeker een last voor zijn vrouw en een treurig voorbeeld van werkeloosheid voor zijne kinderen worden! Zie je Van Bavik,” en Gliekke stond weder stil maar liep ook kort daarna weder door: “zie je, ik heb er het meisje een hartig woord van gezegd, en hoewel ik Flitz,—omdat hij in onbezonnenheid tegen mijn, hem welbekende begrippen handelde—niet voor ’t hoofd wil stooten, begrijp je.... zoo moet nu voorloopig dat hek wat verhangen worden, en,—maar heel onder ons,—’t is daarom dat we een week of wat van huis gaan.”Van Bavik had gehoord en gevoeld, en was tot aan de notariswoning meegewandeld; en Flitz die in ’t kantoor stond, had over ’t horretje heen gezien, dat de heer vanVredelustden jongen burgemeester “ijselijk hartelijk” de hand schudde, en duidelijk verstaan dat hij hem “bespottelijk amiekaal” vaarwel zei, en hem, toen de schel reeds was overgegaan, nog nariep: “Mocht je soms in dien tijd te Amsterdam komen, we logeeren Heerengracht Nº. 260.”Nog eens: arme Flitz! welk een verandering! Arme Flitz,toenvooral, want voor de eerste maal van zijn leven bromde hij een verwensching tusschen de tanden, een nare verwensching waar nog een leelijke vloek op volgde.’t Was overdag, wanneer hij na veel geschrijf de pen nederlegde, ’t was des nachts, wanneer hij aan ’t ziekbed, volgens mevrouw Van Saffelen, een engel was, dat Flitz aan de schrikkelijke verandering dacht, die ten zijnen opzichte had plaats gegrepen; aan de koelheid van haar die hij zoo wezenlijk liefhad, en aan den man, die hem gewis door lage “intrieges,” den burgemeesters-post ontfutselde; door “mooie praatjes,” “gekkelijke manieren” en een “gemaakt zingen” den ondergang van zijn geluk bewerkte; die Suze op een laaghartige wijze aan hem ontroofde; die zich door “nare streken,” in zijne plaats had weten te dringen, en hem schandelijk de vriendschap en achting der Gliekkes ontstal........ “zoo’n lage hond!”Jaloezie! uw troetelkind is Laster.’t Was waarheid dat de jonge burgervader een paar malen in de week des avonds naar de naburige stad W. ging en des anderen daags buitengewoon vroegtijdig terugkeerde; ’t was waarheid dat Flitz hem een paar malen het dorp zag binnenkomen, juist toen hij ’s morgens de kantoorluiken openwierp.Was het waarheid ook dat hij er dan zoo “dof en af” had uitgezien, en zoo “onzeker en waggelend” geloopen had?’t Was waarheid dat de candidaat-notaris op zekeren morgen voor zaken den burgemeester moest spreken, en van juffrouw Kamp ten bescheid kreeg dat burgemeester nog niet bij de hand was; ’t was waarheid dat hijte elf uren, nog niet was opgestaan.Was ’t waarheid ook dat Van Bavik een luiaard moest genoemd worden, dienooitwas te spreken....? of, bleef hij op dien dag, zoolang te bed dewijl een woedende hoofdpijn hem voor ’t werk ongeschikt maakte?’t Was waarheid dat Flitz, toen hij op zekeren avond alleen in de gelagkamer van ’tGeldersche Wapenop den logementhouder wachtte, ten einde hem een rijtuig naar stad te bestellen waarmee een geneesheer, bij Van Saffelen in consult, zou gehaald worden—dat hij toen in de aangrenzende kamer, door Van Bavik bewoond, eene vrouw luidkeels hoorde snikken; ’t was waarheid, dat hij zijn gehoor scherpende, haar duidelijk hoorde zeggen: “En het arme kind dan mijnheer, moetiker alleen voor zorgen? Ach God, wat moet ik beginnen!? Heb toch medelijden; de bloed!ikheb er geen voedsel voor, en alles is zoo bitter duur.” En, dat hij verder luisterende, eenige onverstaanbare doch blijkbaar vermanende klanken van den bewoner dier kamer had opgevangen, ’t geen met geldgeklank was besloten. Waarheid was het dat Flitz, kort daarna, een knappe doch armoedig gekleede jonge vrouw de gang uit zag treden, die het kind dat ze droeg zorgvuldig met haar voorschoot bedekte.Was het óók waarheid dat Van Bavik een “gemeen sjusjet” was, die meisjes in ’t ongeluk stortte en zijn goeden naam door een luttel stuk geld zocht te bewaren? Of wel, betreurde de jonge burgervader de noodzakelijkheid eener wet, die den verleider voor elke vervolging vrijwaart, en de zwakke verleide alleen de gevolgen van een onbedachten stap doet dragen?Groote verandering in tien weken! De knappe, aardige, geestige, fatsoenlijke burgemeester, die nog kort geleden met zooveel vreugdebetoon werd ingehaald, en aanvankelijk de vrij algemeene achting en welwillendheid genoot, hij vond de leden van den raad tegenwoordig zoo stijf en kortaf; kreeg ook al eenige malen bij sommigen belet, en begreep in ’t geheel niet, waaraan die groote verandering moest worden toegeschreven; hij begreep het niet, al bespeurde hij duidelijk dat Barend Flitz hem alles behalve genegen was.En nu, de notaris Van Saffelen was gestorven, en de aangifte bij den eerstenwethoudergeschied, want burgemeester was voor eenige dagen naar Holland vertrokken.—Naar Holland! Flitz was vuurrood geworden toen hij het hoorde.—Naar Holland!—Heerengracht Nº. 260!—Suze!—Zou Suzewaarachtigalles vergeten hebben!?“Naar Holland, naar Holland!” die woorden werden door Barend Flitz ontelbare malen op één dag herhaald, en zelfs toen hij met den langen zwarten mantel om, en den hoed met het lange lamferer aan, de kist volgde waarin zijn leermeester en vriend naar het kerkhof werd gedragen, toen meende de persoon die naast hem ging, dat mijnheer Flitz niet wel bij zijn zinnen was, want, duidelijk verstond hij, dat het: “naar Holland, Heerengracht Nº. 260,” ging.De trouwe diensten waarmede Flitz den notaris in zijn laatste levensdagen was ter zijde geweest, hadden Van Saffelen dermate ten gunste van zijn kweekeling gestemd, dat hij, in weerwil van de geringschatting zijner notariëele bekwaamheden, gedurig den wensch uitte, dat Flitz, zoohijniet van het ziekbed mocht verrijzen, hem als notaris te B. zou opvolgen. Inderdaad Van Saffelen had met een schijnbare kalmte, zijn vriend den weg, welken hij moest inslaan, gewezen, ten einde—misschien! in zijn plaats de benoeming te erlangen.Dat de zwakke notaris, na het geven dier inlichtingen, opnieuw in een hevige koorts verviel, zalhemniet verwonderen wien ’t leven nog niet tot last is, en zoo gaarne ten nutte der zijnen nog jaren lang werkzaam zou blijven. Dat Flitz sedert dien stond in een soort van sollicitatiekoorts leefde, zal evenminhemverwonderen, die verstaan heeft wathijin zijn schild voerde, en niemand zal het bevreemden, dat Flitz reeds den dag na de begrafenis de reis naar de Provinciale hoofdstad ondernam, om te bewerken datzijnnaam op de voordracht werd geplaatst, en dat hij vervolgens naar Holland trok, naar de residentie, om den Minister van Justitie voor zijn persoon te winnen.Flitz trok naar Holland. Over Amsterdam naar ’s Gravenhage; van ’s Gravenhage naar va en moe opWolkensteijn; en vanWolkensteijnreisde hij weder naar Amsterdam, en liep op zekeren morgen de Heerengracht langs, van het IJ tot den Amstel, heen en terug, zoekende.... zoekende naar Nº. 260.Maar vruchteloos was het zoeken geweest, want, Flitz had niet begrepen dat de huizen aan de overzij van ’t water, ook tot de Heerengracht behoorden. Het “satansche” Nº. had hij niet gevonden, en de kastelein van ’t logement waar hij zijn intrek nam, wist ook niet te zeggen bij wien de heer Gliekke uit B. c. a. op de Heerengracht logeerde, evenmin als de kruier, de schoenpoetser, de kantoorklerk, de dominee—’t was een aanspreker geweest—de loterijjood en een meisje met een mandje onder ’t voorschoot, die hij allen op straat onderzoekend had aangesproken, hem ’t vraagstuk hadden opgelost.Barend Flitz kwam in B. terug, maar zijn onrust was nog grooter dan vóór zijn vertrek, want, Van Bavik zat nog in Holland—misschien wel—neenzeker: Heerengracht Nº. 260! En, op zekeren avond doopte Barend met driftige hand de pen in den inkt, en schreef den volgenden brief:

Indien we geduld hadden dan zouden wij den poëtischen heilwensch van den candidaat-notaris zeker hebben afgeschreven, want Suze is er niet geheim mee, doch daar ons ’t geduld ontbreekt, geven wij alleen de verzekering, dat de vier bladzijden te zamen honderd en twintig regels telden, waarvan de eerste met: “Ik zal,” de derde met: “Ik zou,” de vijfde met: “Ik wil,” de zevende met: “Ik heb,” de negende met: “Ik hoop,” en de elfde met! “Ik voel dus Suus,” aanving. Een van de kunstigste passages uit het stuk was die, waarin de dichter al de artikelen uit de nécessaire, nietzoozeerbezong als wel der jarige nuttig en onontbeerlijk voor den geest bracht. Op bladzijde twee, hoorde de verrukte poëet—let wel den 18denFebruari—’t gezang der nachtegalen, en sprak hij iets verder zoo liefelijk van filomeel en gekweel, dat het ons niet zou verwonderen indien hij in zijn bibliotheek “een werkje van smaak” heeft bezeten. Op bladzijde drie gaf hij de conditioneele verzekering:

“Ik kom met ijslijk veel pleizierAls w’ onder ons zijn met zijn vier.”

“Ik kom met ijslijk veel pleizier

Als w’ onder ons zijn met zijn vier.”

Iets lager viel hij in ’t komieke met de verklaring:

“Ik ben een mensch als allemaalEn ben niet vies van goed onthaal.”

“Ik ben een mensch als allemaal

En ben niet vies van goed onthaal.”

Op bladzijde vier sloeg hij een blik in ’t verleden, en las in het boek der toekomst met de woorden:

“Ik zag je ’t eerst met pijpjes aanNu denk je allicht aan trouwen gaan.”

“Ik zag je ’t eerst met pijpjes aan

Nu denk je allicht aan trouwen gaan.”

Weer verder eischte hij plechtig eene verklaring van den teedersten aard, aldus uitgedrukt:

“Ik hoop te hooren uit je mondDa’ j’ die Van Bavik aklig vond.”

“Ik hoop te hooren uit je mond

Da’ j’ die Van Bavik aklig vond.”

terwijl het gedicht met het kunstmatige rijm besloot:

“Ik ben hetgeen je misschien gistHij die zich noemt, vriend Barend Flitz.”

“Ik ben hetgeen je misschien gist

Hij die zich noemt, vriend Barend Flitz.”

Vrouwengeduld! Engelachtig geduld! Suze wij bewonderen het uwe. Eerst laast ge ’t vers voor u zelve, en daarna hardop voor uw ouders, zonder een enkele maal te geeuwen of zelfs te zuchten.

Vrouwenoordeel! Engelachtig zacht! Suze, gij vondt het vers lief, en zelfs die regels, á propos van den jongen burgemeester, gij veroordeelt er Flitz niet om, hoewel de zachtheid van uw oordeel evenmin toelaatdie uitgedrukte hoopte vervullen.

Vrouwelijke tevredenheid! Bewonderenswaardig! Ze vindt het van Flitz toch attent, toch hupsch. In dat lederen doosje is zoo alles bijeen; neen, al bezit ze alle mogelijke reinigingsmiddelen van ’t beste soort, al zegt papa, dat Flitz niet zeer kiesch in de keuze van zijn attentie is geweest, en al voegt mama er spijtig bij, dat het eigenlijk een affront is, waarzijinhaartijd den gever mee om de ooren zou hebben gegooid, al was er ook een vers van honderd bladzijden bij geweest,—Suze oordeelde toch, dat het uit eengoedhart kwam!

Papa Gliekke door de verontwaardiging zijner gade ook meer verontwaardigd dan hij anders zou geweest zijn, verzocht vriendelijk dat zijn dochter geen woord van het ontvangene tegen Flitz zou reppen,—hij moest het voelen, en Suze zei, dat ze ’tnaarvoor hem vond, en eigenlijkook naardat burgemeestertochkwam, omdat Flitz zoo vast scheen te denken dat het “onder ons” zou zijn.

Er was veel drukte opVredelust, want mijnheer en mevrouw Gliekke hadden volgehouden, dat de jaardag van Suze eene geschikte gelegenheid was om Van Bavik te eten te hebben; ’t zou nog wat vroolijkheid bijzetten, want de Van Saffelens hadden bedankt omdat de notaris ongesteld was, hoewel het daarom toch niet zooals Flitz dacht, “onder ons” zou blijven, want, de Meijers kwamen, en dominee en Saartje, en juffrouw Haspels ook. Al was mevrouw Gliekke machtig ver in ’t rekenen, ze was daarom in geenen deele wat men gierig zou kunnen noemen. Neen, bij een jaarfeest van het eenige Suusje, was er zelfs weinig te goed om niet voor den dag gehaald, en weinig te lekker om niet te worden opgedischt.

We zullen geen kans wagen om u te doen watertanden, door u eenmenute schenken van de gerechten, die Gliekkes gasten werden voorgezet. Ge hebt meermalen fijne dineetjes bijgewoond, en herinnert u zeker de schotels die u het best bevielen. Welnu, kies het fijnste wanneer ge trek hebt. Er is opVredelustte kust en te keur, en, meer dan genoeg blijft er over, want Flitz, op wien mevrouw nog al rekende, eet bedroefd weinig, maar.... hij drinkt een glaasje te meer, en de wijn is goed.

De heer burgemeester is tusschen de gastvrouw en de jarige dochter des huizes geplaatst. Flitz zit aan Suzes linkerzijde en deoogen doen hem zeer van de “helkleurige” bloemen die, tot een “stijven” ruiker saamgevat, naast Suzes bord liggen en waarmee die burgemeester, haar, met ’en “lamme” aanspraak, was te gemoet gekomen toen hij binnentrad.

Aan de andere zijde van Flitz werd juffrouw Haspels geplaatst, een jonge dame van 28 jaren of daaromtrent, wier hoedanigheden wij onaangeroerd zullen laten, aangezien we niet de eer hebben juffrouw Haspels—meer bepaald Doortje of Dorothea Haspels—bijzonder te kennen, en wier uitwendigheden te alledaagsch zijn, om ze der vermelding waardig te keuren. Zooveel is zeker, Flitz vindt ernietsaan, en zei: “Ajakkes” toen hij op het servet aan zijn vanderhandschen kant het plaatskaartje met den naam der gezegde juffrouw ontwaarde; en, zóóveel is óók zeker, dat de jonge heer Meijer—Nº. één van de eerewacht, behalve de chefs—die Doortje als zijn rechterdame nu en dan moest toespreken, totdat het dessert werd gediend, nog niets gehoord had dan: hi hi, ja wel, of, hi hi, neen; maar bij gebruik van het ijs à la vanille de verzekering bekwam, dat het hi hi, zoo koud door de keel gleed, terwijl de knecht achter haar, op de vraag: Marasquin? “’k Ben nog voorzien, hi hi,” ten bescheid kreeg.

De heer Meijer Jr. schijnt ons een fiksche jongen te zijn: hij eet goed, hij drinkt goed, en praat over ossen en hooiduurte en stalmesting en draineeringen met kennis, maar merkt het niet op, dat eenigen van ’t gezelschap, en vooral de jarige dame heimelijk lachen, nu hij den kleinen waschkom van fraai porselein ter hand neemt, en den, tot zuivering van mond en vingertoppen bestemden inhoud, in drie klokken naar binnen zendt, met de bewering: dat, op een goeden slok water, de wijn van nieuws aan smaken zal.

De heer Meijer en dominee Van Beem maken met hun wederhelften en dominees oudste dochter Saartje, het overige gedeelte van Gliekkes dischgezelschap uit.

De hoofden der schepping voeren grootendeels het woord. ’t Komt den heer Meijer voor,—zooals het zijn vader, die ruim dertig jaren dood is, ook voorkwam—dat het pauperisme hand over hand toeneemt, en dat er alom, zelfshierten plattelande, veel gebrek wordt geleden.

Dominee meent in gemoede te kunnen verzekeren dat de zedelooze tabaksbouw, alsook de zedelooze aardappelenteelt, alsook de zedelooze jeneverstokerijen, de meer en meer veldwinnende verzwakking ter eener, en de toenemende armoede ter anderer krachtig bevorderden; en wipt, terwijl hij met de linkerhand de verderfelijkheid der jeneverstokerijen verduidelijkt, met de rechter zijn glaasje Marasquin naar binnen, omdat.... het goed op het ijs valt.

De heer Gliekke is van oordeel dat het beweren van dominee wat streng is; van de jeneverstokerijen of aardappelenteelt wil hij niet spreken, want, jenever gebruikt hij zelden, of ’t moet op de jacht een beetje bitter zijn om een haas te overluiden; en, aardappelen daar zou hij zich ook gaarne van passeeren, aangezien hij veel liever groenten eet, maar, de zedeloosheid van den tabaksbouw tewillen staande houden, dat schijnt hem wat kras toe: hij wil gaarne alles laten, maar zijn pijp en sigaartje daar is hij een liefhebber van.

Dominee houdt vol dat de tabaksplant een zedelooze plant is, aangezien hij bij eigen ervaring weet, welke heillooze effecten zij op de verbruikers teweegbrengt. Honderdmaal heeft hij het rooken beproefd, omdat de collega’s hem sterk animeerden, maar telkens was het—en dominee trekt een leelijk gezicht.

“Aardappelen!” roept de heer Meijer Jr.: “Neen dominee, daar moet je ons afblijven, vooral tegenwoordig; we hielden niet minder dan twintig zakken voor winterprovisie, nietwaar moeder? en dan tachtig mud aan de markt à vier min ’en kwart, behalve de pooters en varkensaardappelen, ’t geeft rekening, hoor je....” en ’t is waarschijnlijk dat de heer Meijer Jr. dat laatste “hoor je!” tot zijn rechterdame sprak, want zij lacht: “Hi hi!” en zegt: “Dat dunkt me!”

’t Schijnt dat de jonge burgemeester dezen middag meer van luisteren dan wel van spreken houdt: hij zegt, wanneer men hem vraagt, bescheiden zijn oordeel over dit of dat, en ziet—volgens Barends bepeinzing—nu eens den een en dan weder den ander, tot zelfs de dames in kluis—dat laatste woordje was Flitz getrouw—zoo vreemdsoortig aan alsof ie “wat van d’r hebben moest.” Misschien zag Van Bavik inderdaad, zonder het te willen of te weten, nu eens den één, en dan den ander, tot zelfs de dames in kluis, wat scherper aan dan volkomen wellevend was, maar zeker beschouwde hij de heeren met bevreemding, toen reeds de tweede compote aan ’t wandelen was, en nog niemand het woord had gevraagd om de heldin van den dag te gedenken.

Neen, ’t was niet om als hoofd der gemeente aan dezen disch een zeker recht te doen gelden, en evenmin om zijne gaven van welsprekendheid aan ’t licht te brengen, dat hij eindelijk den gastheer beleefd om het woord vroeg, en na bekomen verlof met een welluidende stem het volgende sprak:

“DroefheidenBlijdschap, ziedaar de zusters die den mensch afwisselend door ’t leven vergezellen.

’k Noemdehaar’t eerst, de Droefheid, dewijl haar leven vol ernst is.

Hij, die haarnietkent, vreest en schuwt ze, en noemt haar de vijandin der schoone bloeiende maagd, diehémter zijde staat....”

Flitz werpt bij deze woorden een glurenden blik op den spreker, terwijl er iets leelijks, iets onderzoekends in den tweeden blik is, welken hij op “de maagd” werpt, dielinksnaasthém, enrechtsnaast Van Bavik gezeten is.

“Die haar kent,” vervolgt de spreker: “weet echter dat zij hare schoone zuster hartelijk is genegen, en noode toetreedt om haar te vervangen. Hij bespeurt—ofschoon de eerste bij de tweede verre in schoonheid en lieftalligheid ten achter staat—in beider trekken toch de afkomst van denzelfden, den Grooten den Eeuwigen Stamvader.

Liefdeschonk ze beiden het leven.

De Droefheid ziet de gevolgen van ’t booze, en snelt toe, en plaagt niet, maar troost.

De Blijdschap ziet welvaart en genieting, zij huppelt er heen en lacht met ze mee.”

Flitz kijkt zoo zwart als de nacht, maar begrijpt er eigenlijk “geen stom woord van.”

“Weldadige, vriendelijke zusters! wie ontvangt ze niet gaarne?” vervolgt de spreker: “De Droefheid schenkt tranen, weldadige tranen, en weert den wrevel.

De Blijdschap schenkt lachjes en stemt tot danken. Wie ook de eerste niet kenne en daarom minachte, de tweede zal hij gaarne, met mij, welkom in deze woning heeten. Zij heeft zich gelegerd in de harten van een dankbaar oud’renpaar; zij lacht ons toe uit de oogen eener lieftallige dochter....”

Van Bavik neemt het glas, ziet eerst de oudelui Gliekke en daarna het jarige meisje aan. Flitz komt weer op de hoogte; bijt zich op de lippen, en grijpt bij abuis het glas van Doortje, dat hij in één teug ledigt. Een intermezzo klinkt; “Hi hi hi! da’smijnglas.” De spreker heeft gezien en gehoord; wacht een oogenblik, maar herneemt, na een vriendelijk knikje van mevrouw Gliekke, terwijl hij de jarige Suze bepaald aanziet:

“De vroolijk lachende Blijdschap heefthierhare bloemen gebracht, en, bid ik, dat de zachte Droefheid u trooste zoo ’t leed eens mocht dagen, vuriger bid ik, dat de Blijdschap u voere door ’t leven, tot aan ’t graf—in de verte.”

Van Bavik zwijgt, en ziet met verrukking dat de dankbare Blijdschap, die uit de oogen der jarige straalt, twee heldere parels naar buiten werpt; hij ziet het met verrukking, dewijl de toon door hem aangeslagen, ondanks hem zelven wat hoog werd, en hij vreesde niet doorhaarte zullen verstaan zijn tot wie hij inzonderheid sprak. ’t Is een heele toer, lezer, om voor de vuist in “’t ernstige te vallen”—zoo wij ’t niet, poëtisch proza durven noemen—om zóó, of liever in dien geest, voor de vuist te spreken tot een dischgezelschap waarvan de meeste leden—als echte voddenkrabbers—met hun dessertmesjes in de appel- en druivenschellen,—ja druiven waren er ook geweest—amandelbasten, rozijnenpitten en ulevellen-deviezen zitten te schommelen, alsof ze nog honger hadden. ’t Is waarlijk zoo gemakkelijk niet om de juiste woorden te kiezen, en verre van “’t bombast” te blijven, indien men telkens door een leelijk gezicht wordt afgeleid, of wel, door een: “Hi hi hi! da’s mijn glas,” tot den climax wordt aangemoedigd.

’t Is zeker een heele toer, en voor Van Bavik was het waarlijk een razende toer geweest, zoo onvoorbereid en in den waan dat wellicht al de heeren vóór hem ’t woord zouden hebben opgevat, of domineealthans. Maar hijhadgesproken, en in de oogen der jarige blonken werkelijk een paar tranen, en mijnheer Gliekke riep dat het briljant was, en mevrouw Gliekke betuigde dat het allerliefst was, en dominee zei: “Ja, ja,” alsof hij meende: hetzelfde zeg ik zoo dikwijls; en de overige leden van het gezelschap vondenprecies wat de heer Meijer Jr. vond, namelijk, dat ze daarop eens moesten drinken, behalve de heer Barend Flitz die—hoewel niet luide—vond dat het “een lam gezanik” geweest was, en “’en vervl...te padanterie.” En, hoe de lezer het vond, weten we niet, maar hij bedenke, dat een toost altijd een stuk blijft zoo nietbeneden alle critiek, dan vast toch een stuk dat niet behoort gecritiseerd te worden.

De burgemeester had gesproken; er was gedronken, en dominee herleest juist voor de zevende maal een ulevellendevies om den tijd te korten, dien hij broeiende op een toost doorbrengt, toen aan Suzes linkerzijde een mes zóó krachtig tegen een fijn champagneglas werd geslagen, dat het, tot zichtbare ontsteltenis van mevrouw Gliekke, in scherven naast de jarige nedervalt.

“Hi hi! kapot!” roept Doortje!

Flitz zegt: “’t Spijt me; ’k wou ook eens het woord.”

De gastheer roept Frederik, die, van al ’t schenken achter tafel zoo waterig uit de oogen ziet; gelast hem een ander glas aan den heer Flitz te geven, en nadat het gevraagde voor de scherven in plaats is gesteld, geeft hij met genoegen het woord aan Flitz, die met een vuurroode kleur opstaat, en met het ten boorde toe gevulde glas in handen, een paar maal ziegzaagt, zoodat een: “Voorzichtig!” hem ’t rechteroor treft, en vangt eindelijk aan:

“Praatjes zijn praatjes, afin, maar ik hou er van om te zeggen, wat ik denk. ’k Heb voor Suus een vers van vier bladzijden, zoo maar weg gemaakt.” Niemand nog zei den armen Flitz een vleiend woord van zijn dichtstuk, zelfs Suze had nog niets dan een zacht: “Dankje voor je lieve attentie,” kunnen of durven uitbrengen.

“Afin, da’s ’t zelfde,” vervolgt Flitz: “Ik zeg het niet om er van te spreken, daar hou ik niet van, maar afin, ik weet wat ik weet, en dat Suus vandaag, op den 18denFebruari jarig is, dat wist ik al toen ze nog als ’en meisje van veertien jaren op m’n knie zat.... Weet je wel Suus? Afin, ik ben hier al zoolang bekend als de familie hier is, en ’k drink dan ’t welzijn van dezen huize! Afin Suus, daar ga je....!”

En Suus ging, of wel de inhoud van het voorwerp, waarmede Flitz de jarige dame telkens bedreigd had, gleed binnen ter plaatse waarvoor het bestemd was, doch, waar het nederkwam als olie in ’t vuur.

Wij zouden ten opzichte van Flitz zeer onrechtvaardig zijn, indien we niet getuigden, dat hij het welzijn van dien huize hartelijk meende. Hij had er blijken van gegeven, want, niet slechts dat hij gedurende de zes jaren dat de Gliekkes te B. woonden, op de drie jaarlijksche feesten der huisgenooten—en Flitz woonde ze trouw bij—telkens dat welzijn gedronken had, hij toonde ook dat het welzijn hem werkelijk ter harte ging: eens met dien brand in den schoorsteen, en eens met waken toen mijnheer Gliekke de koorts had.

De toost van den heer Flitz, ofschoon—maar neen, we zeiden dat toosten niet gecritiseerd behooren te worden—de toost maakteopgang, en zelfs Doortje begreep dat het: “hi hi, ’t welzijn van dezen huize was.”

Aan alle zittingen komt een einde, en ook hier stond het gezelschap ten laatste op; de dames om in ’t nabijzijnde vertrek voor de koffie te zorgen, de heeren—dominee uitgezonderd—om trots de zedeloosheid der tabaksplant een sigaartje te rooken.

Wat werd er verder van den avond?

Als ’t u lust, kom dan straks wanneer de koffie gedronken en de sigaartjes gerookt zijn, mede naar de tweede salon, waar de kroon met brandende bougies in ’t midden hangt en de bougies op de lusters ook zijn aangestoken; ziet er het gezelschap, eerst met een pousse-café, daarna met fijn porselein in de handen, en later onder ’t genot van punch of bisschop of rooden wijn met gebakjes, en luistert eersthieren dan bij een ander groepje, en later naar datgene waar het gansche gezelschap in deelen zal.

“Onder ons,” zegt de gastheer zachtjes, terwijl hij met de handen op den rug naar het turfvuur gekeerd staat: “’t is ’en beste jongen, geen kwaad zit er in, maar, zonder betrekking! Suze is mijn eenig kind, en hoe goed hij ook zijn moge, al is hij geen buitengewoon vernuft, je begrijpt: een schip in zee zonder bestemming, daar heeft de reeder geen vrede mee.”

“A juist,” zegt Van Bavik, terwijl hij een blik in zee stuurt.

“Van weinig familie,” herneemt de gastheer:“maar toch fatsoenlijk, en nog al fortuin, althans hij leeft hier goed en verteert zijn geld zonder verdiensten.”

“A zoo,” zegt de jonge burgemeester, en beschouwt de bloemen van het Deventer tapijt waarmee de vloer bedekt is.

“Entre nous—geen mensch weet er van,” herneemt de vertrouwelijke vader nog zachter: “Als de jongen een post had, een postje, begrijp je—van ’t notariaat wil ik niet spreken—’k zou zeggen: fiat vriend, maar zie je, een mensch als ik, die al mijn leven gewerkt heb, ik weet bij ondervinding dat niets om handen hebben een treurig lot is. De vrouw heeft geen krediet voor den man, die geen betrekking in de maatschappij bekleedt;hijwordt een janhen en zij is er de dupe van.... hoe vaar je....?”

“Dankje,” zegt Van Bavik tot Frederik, die hem voor de vierde maal een glas punch presenteerde, en de gastheer herneemt, terwijl Frederik juffrouw Doortje nadert: “Maar je spreekt er niet van, want ik hou me alsof ik van den prins geen kwaad weet.”

“Wat een mooie preek hield die mijnheer de burgemeester,” zegt Saartje van den dominee tot Doortje die bisschop gebruikt.

“’En toost meen je!” lacht Doortje.

“En zoo uit het hoofd!” herneemt Saartje: “Va leestze altijd.”

“Zou er gedanst worden?” lacht Doortje: “Me dunkt hij moet wel prettig galoppeeren; ’k zal ’t eens aan Suze vragen.... al was ’t in de gang!”

Doortje ziet naar de jarige om, maar ontdekt haar niet, en vermoedt evenmin, dat deze staat, waar zij,—Doortje—wel graag een dansje zou willen maken.

Ja,Suzestaat in de gang, ze houdt zich aan de leuning van de trap vast, en Barend Flitz staat vóór haar.

“Suze, ik wil het bepaald van je weten, hoor! van avond nog, op ’t oogenblik!” zegt Barend.

“Maar Flitz hoe zal ik, hoe kan ik?” spreekt Suze stamelende.

“Zullen en kunnen!” herneemt de jongeling, die, volgens de keuken-verklaring van Frederik, wel drie flesschen op heeft en “poes kaffé en pons” ook: “Zullen en kunnen da’s malle praat Suze, zie je, ik wou het weerga’s graag weten, ik heb er mijn reden voor; ik zeg dat ik allemachtig verliefd ben, dat zeg ik, en dat va niet arm is dat zeg ik ook. Of heb je andere plannen, spreek?”

’t Is niet bijzonder licht bij de trap, en we kunnen derhalve niet zien, welke de uitdrukking van Barends gelaat bij dat “spreek” is, evenmin als we in Suzes kijkers kunnen lezen wat er in hare ziel omgaat, maar meenen een geluid te hooren alsof dat “spreek” bij het meisje iets anders dan woorden heeft uitgelokt, en vernemen wat later heel duidelijk dat de jarige schreit.

“Suus.... neen Suus, zoo meen ik het niet. Suze schei uit, dat vind ik nu akelig!” fluistert Barend op een geheel anderen toon dan dien, waarop hij zoo pas heeft gesproken: “Je voelt immers dat ik je liefheb. Och Suze, ik heb je zoo lief, en ik dacht dat het van daag de dag moest wezen waarop ik het zeggen kon. Suze als ik je leed doe, zeg het dan maar. ’k Wil alles voor je doen. In den nacht zelfs wil ik naar stad loopen om breikatoen of wol voor je te halen. Suus, lieve Suze, schei toch uit met huilen, als je pa het merkt! Zeg, ben je boos, of hou je toch van me? Suus, als je huilt, daar word ik zoo naar van. Zeg dan, wat zal ik doen? Wát wil je hebben?”

Een oogenblik stilte, alleen een nokkend geluid.

“Toe zeg dan, toe spreek toch?”

“Och, laat me.... dan.... nú.... met vrede Barend,” is Suzes antwoord, door ’t schreien belemmerd, en op hetzelfde oogenblik klinkt het in de gang:

“Suze, waar ben je?” en het meisje, dat de stem der danslustige Dorothea herkent, grijpt Flitz bij de hand; schuift hem de roepende te gemoet, en snelt zelve de donkere gang in.

Ongeveer een halfuur later bevindt ons gezelschap zich opnieuw vereenigd in het salon; de dames staan of zitten bij de piano, die voor deze gelegenheid uit de woonkamer naar ’t salon werd overgebracht, en waarvoor Suze is gezeten die, werkelijk lief, de reeds vroeger genoemdeRêveriespeelt. Flitz staat aan hare zijde, tuurt tamelijk dof op het muziekblad en heeft reeds een paar malen: “O jé,” gezegd, daar Suze ’t blad omsloeg terwijl hij nog slechts ter halverwege gekomen was.

Op algemeen vereerend verzoek, draagt Saartje van den dominee vervolgensDe Kalif van Bagdadvoor, en speelt Flitz daarna een paar walsjes van Strauss bij wijze van obligaat op zijn fluit—hij voor een verrassing in den zak stak—zoo charmant in demaat, dat Doortje met haar gewoon: hi hi hi, aanmerkt: “Ik galoppeer al.”

Of de heer burgemeester ook aan de muziek doet....?

Een weinig aan den zang. De gitaar voor accompagnement: hij laat zich niet gaarne bidden en zal daarom beproeven om zich, bij gebreke van zijn instrument, met de piano te accompagneeren.

Waarom Van Bavik zijn eerste voornemen zoo spoedig laat varen, om de gevoelvolle Romance: “La bénediction d’un père” te zingen, weten wij niet, maar zeker is het, dat hij na het instrument eenige smeltende akkoorden te hebben ontlokt, den: “Afscheidsgroet aan het Vaderland” aankondigt, en met een onverklaarbaar gevoelvolle stem de regelen zingt, die wij ter eere van den dichter hier laten volgen:

Vaarwel, mijn Vaderland,Het schip doorklieft de baren,En ’t oostlijk windgebruisFluit hevig door het want,Mijn oog kan nauwlijks meerUw blinkend duin ontwaren;Gij hoort mijn stem niet meer, }bis.Mijn dierbaar Vaderland1.

Vaarwel, mijn Vaderland,

Het schip doorklieft de baren,

En ’t oostlijk windgebruis

Fluit hevig door het want,

Mijn oog kan nauwlijks meer

Uw blinkend duin ontwaren;

Gij hoort mijn stem niet meer, }bis.

Mijn dierbaar Vaderland1.

Ze hebben het allengehoord; wat meer zegt, ze hebben het allenverstaan. De herhaling der beide laatste regels, zoo ontegenzeggelijk roerend, zoowel door het melancholische hunner beteekenis als door het wegsleepende van muziek en voordracht, ze hebben zulk een indruk op de hoorders gemaakt, dat zelfs Doortje niet lacht, en Flitz—wellicht niet wetendewathij doet—insgelijks als betooverd, met de heeren instemt, die in een uitbundig Bravo! bravo! losbarsten.

Misschien, lezer, kent gij menschen—wellicht één zelfs van zeer nabij—wier zenuwen spoedig in beweging zijn te brengen, of althans somwijlen in een stemming verkeeren, dat zij—gij verstaat de uitdrukking—“nietzóóveelnoodig hebben om geheel van streek te geraken.”

Suze was er zóó eene. De dag van heden had haar in overvloed stof tot nadenken opgeleverd; verschillende omstandigheden werkten nu eens vroolijk dan weder geheel anders op haar prikkelbaar gemoed; en nu, zich ter nauwernood, als met geweld van het onverwacht en zoo vreemd gevoerde gesprek met Barend Flitz hersteld hebbende,—had zij zich, op verzoek, terstond aan de piano gezet,in de hoop dat de sporen van haar tranen in dien tusschentijd geheel zouden verdwijnen. Ze had gespeeld en zich goed gehouden, hoewel ze duidelijk bemerkte dat Barend zooraardeed. Ze had naar deKalifgeluisterd met de oogen zoo strak op de stijve vingers der speelster gevestigd, alsof ze haar de kunst wilde afzien, en.... was zij beverig geworden toen bij het einde van het eerste couplet de stem van den zanger gevoelvol het vaderland een smeltend “Vaarwel” toezong, zij trilde zichtbaar toen in het tweede couplet die stem nog welluidender klonk,—maar, toen nu ten laatste nogmaals die woorden:

“Vaarwel, vaar eeuwig wel,Mijn dier-baar va-der-land!”

“Vaarwel, vaar eeuwig wel,

Mijn dier-baar va-der-land!”

als wegstierven, en zich in eenige klagende piano-akkoorden oplosten, toen barstte zij in een hevig snikken uit, juist op het oogenblik dat ten tweeden male een luid “Bravo! bravo!” het salon vervulde.

Gij lacht, oude zee-kapitein, die vijf en twintig of meerdere jaren op de Oost of West hebt gevaren, en nu “vol kou en ongemak” met uw voeten in ’t vilt! uw tijd moet slijten met onze beuzelverhaaltjes te lezen.

Gij haalt de schouders op, grijze snorbaard, die u niet herinnert een traan te hebben gestort, dan toen ge in ’t jaar twaalf, zoo droevig in de richting van ’tvaderland, moest terugtrekken, en zelfsdietranen niet heet bleven, omdat de vorst, die des winters méér dan een keizer te zeggen heeft, ze spoedig op uw kaken tot ijsparels stolde.

Ge zegt, onnatuurlijk! oude juffrouw, die liever trappen schuren dan muziek hoort, en slechts gevoel voor uw kat hebt.

Ge zegt, flauw! respectable mijnheer of mevrouw, die tranen hebt gestort in zware beproevingen, bij smartelijke verliezen, maar ’t hoofd hebt gebeurd dewijl uw plicht vorderde dat ge werkzaam zoudt blijven.

Of gij lacht, of gij de schouders ophaalt, of gij ’t onnatuurlijk of flauw vindt, Suze kan ’t waarlijk niet helpen, zij kan niet helpen, dat hare zenuwen—mijne heeren en dames!—niet gelijk aan uwe zenuwen zijn: ze kan niet helpen dat ze nog zoo weinig in het leven ondervond, ze kan niet helpen dat ze, bij een zang zooals zij dien nimmer hoorde, in snikken uitbarst, ze deed zich meer geweld aan dan gij zoudt meenen, en wij, wij kunnen ’t niet helpen indien gijgeenmeisje kent, dat in de plaats van Suze, evenals zij, niet zóóveel zou hebben noodig gehad om heden in de war te geraken.

Door mama Gliekke en mevrouw Meijer ondersteund verlaat de jarige weldra het vertrek. Van Bavik maakt eenigermate ontsteld zijne excuses tot den gastheer, dat hij misschien een pijnlijke snaar heeft aangeroerd, dat misschien lieve betrekkingen vroeger dit land verlieten of wel.......... Maar de gastheer verzekert, dat het niets dan een gevolg van de warmte is, en schudt den zanger metverrukking de hand, en betuigt, dat hijin stad—alweer de groote koopstad—nooit zóó iets gehoord heeft, en dat nog wel in ’tHollandsch!

Dominee zelfs, die anders ronduit moet verklaren dat hij weinig met die kunstmatige zangerij opheeft,—zeker dewijl het kerkgezang zoo weinig kunstmatig is—steekt den burgemeester met een: “Ik dank u, ik dank u,” zijn hand toe. De heeren Meijer, vader en zoon, zien met zekeren eerbied naar den jongen burgervader, die zóó’n stem heeft, en houden evenmin hunne handen terug.

Handen geven is dorpsgebruik, vooral na nutslezingen, dáár evenwel zonder onderscheid of men heeft geluisterd en voldaan is, of wel heeft gegeeuwd en ’t vervelend vond.

De beide jonge dames die in ’t vertrek bleven, zeiden.... niets, omdat ze niet recht wisten of zulks wel paste, en ook, omdat ze nieuwsgierig waren te weten wat Suze zoo opeens aan ’t huilen had gebracht. Wat den candidaat-notaris betreft, hij keek verbazend wonderlijk naar de deur door welke Suze het salon verliet, maar bleef op zijn stoel zitten, en draaide, nadat hij opnieuw een glas bisschop geledigd had, zoo raar met de oogen, maar toch...... hijbleefop zijn stoel zitten.

De heeren aan den haard spreken intusschen nog over verschillende onderwerpen voort, zonder dat Gliekke zijn huisvriend mist, die steeds op zijn stoel zit. Na verloop van een half uur komen de twee oude dames met eene verontschuldiging der jarige terug, die, volstrekt weer binnen wilde komen doch doorhaargeraden werd liever rustig boven te blijven, aangezien het binnen warm en zij nogal zenuwachtig was. Een kwartier later, staat Frederik in de gang met een geopende hand, en verlaten acht personen de woning, waarvan de achterste nog al moeite met de stoeptreden heeft.

“De heer Flitz schijnt alleen de achterhoede te willen uitmaken,” zegt Van Bavik. “Neem niet kwalijk,.... dames! dominee! Ik zal eens zien.... Dank voor uw aangenaam gezelschap.... Tot weerzien, wel thuis.”

Eenige stemmen: “Bonsoir burgemeester,” en nog eenige zachtere stemmen alleen: “Burgemeester!”

De drie heeren, ieder met een dame aan den arm, stappen door, en Van Bavik treedt terug, en tuurt in de duisternis naar den persoon, die zoo’n werk met de stoeptreden had.

Ruim tien weken zijn er sedert den dag verloopen waarop het jaarfeest van Suze Gliekke gevierd werd, en tien weken ook sedert Van Bavik den heer, die beter op zijn stoel zat dan dat hij ter been was, aanbood om hem naar huis te vergezellen. Ofschoon dit aanbod met weinig kiesche en niet zeer vleiende woorden gedurigwas afgeslagen, was het niettemin gaandeweg zoo noodig geworden, dat Flitz aan dat geleide zijn behouden tehuiskomst heeft te danken gehad.

Veel is er in dien tijd veranderd. Ontegenzeggelijk veel. In stede van naakte takken alleen, draagt eik en beuk en al wat boom mag genoemd worden, thans een frisch en jeugdig groen, waarop de oogen, die nog schemeren van zooveel sneeuwtooneeltjes, met wellust blijven rusten. Wat is er sedert de koude Februari-maand, die er plezier in had om de ijsbloemen zoo vast tegen de vensterruiten te drukken en ontelbare leiboomen zoowel opVredelustals overal den dood te berokkenen, wat is er sedert dien tijd een leven in de groote brouwerij gekomen. De vogels vooral, schijnen uitgelaten. Ze beginnen reeds wanneer een ander ternauwernood de eerste helft der nachtrust genoten heeft. Wat spektakel op het dak, wat lawaai in de linde voor het raam; wat een getjilp en gefluit! Luister! ’t is zoo onaardig niet, ja zelfs wel lief, en ze schijnen machtig veel pret te hebben. Aardig volkje! Wat zijt ge vroolijk. Wat roept gij helder: “Ten bedde uit luiaard! Zie naar buiten, de zon gaat ook voor ú op. Kom! zoo ge althans niet komen zult om wreedaardig ons echtheil te verwoesten en onze kindertjes te rooven!”

Wat zijn er velen helaas, die dat roepen wel aardig vinden, en er een poosje naar luisteren, doch daarna zich nog eventjes omdraaien, om eerst voor goed wakker te blijven, wanneer die knaapjes daar buiten al moede van ’t roepen zijn.

Veel, zeer veel is er in de natuur veranderd; de weiden, die zoo droevig dor lagen, zijn met een donker groen bekleed, waarin het rundvee dartelt; het landvolk kniest niet langer bij den poveren haard; het spit en zaait en egt; ja, er is veel veranderd, er kwam bepaald leven in de groote brouwerij.

Leven! En toch nietalleveranderingen die erinenomB.... hebben plaats gegrepen, getuigen dat er leven voor doodsslaap kwam. Wij zullen u een woning binnenvoeren waarin de Mei niet lacht—omdat er de luiken gesloten zijn, omdat de doodsslaap er het aardsche leven verving.

Hier die trap op; rechts in die kamer moet gij wezen.... Zie, daar staat een mooie stevige eikenhouten kist met acht blank geschuurde handvatsels er aan. Er is veel zorg aan die kist besteed. Waarom....? Omdat de wormen niet meenen zullen dat er een arbeider of een van de diaconie in te slapen ligt; of wel, omdat die slapende een dagje langer onder de zoden zal liggen eer er niets meer dan wat beenderen van hem te vinden zullen zijn.

’En mooie kist! Gelukkig datwij’t bemerken, anders zouden de nijvere mannen, die er hun nachtrust aan wijdden, weinig voldoening van hun arbeid hebben. Geen woord van tevredenheid werd hun betuigd. Mevrouw heeft dadelijk den zakdoek voor de oogen gedrukt toen ze die kist er staan zag, en de meiden zijn angstig naar de keuken gevlucht toen ze haar de woning zagen binnendragen. ’En mooie kist! Wilt ge nog naderbij komen om haar beter te beschouwen en zienwiehet is die er in ligt?—’t Is het stof van denman, die weleer aan menig sterfhuis verscheen om de goederen, welke een gestorvene maar luttel tijds in leen hield, weder tegen contante betaling aan de levenden te gunnen; de man die heel wat testamenten maakte, en weinige weken geleden, toen hij een belangrijk stuk onderteekende, weinig vermoedde dat die naam J. V. Saffelen voor ’t laatst door hem geschreven werd.

’t Was een belangrijke gebeurtenis, een gewichtige verandering in B....—De notaris Van Saffelen had, terwijl alles een nieuw leven bekwam, zijn leven met den dood verruild.—Ja....? Arme Van Saffelen, dan hebben wij diep medelijden met u en uw treurende weduwe; maar neen, we hopen en wij vertrouwen dat gij reeds in een nieuwe lente zijt overgebracht; dat ookgijleeft, leeft in een reinere, een betere wereld waar geen scheiden meer wezen zal.

De weduwe had veel beklag, en ondervond veel deelneming; en Flitz, die zijn gansche notarieele vorming—al was die vorming dan ook eenigermate aan zijn figuur gelijk—aan den kundigen en geduldigen notaris was verschuldigd; Flitz die inderdaad in Van Saffelens ziekte zich met kracht had aangegrepen, opdat de werkzaamheden haren loop zouden hebben, en ook trouw in ’t waken geweest was, hij had zijne tranen niet kunnen bedwingen toen zijn leermeester en vriend, zooals dominee zeide: “het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld,” en, zooalshijzeide: “nooit geen aktes meer passeeren, en nooit aan de overzij van den lessenaar meer zitten zou.”

Flitz! waarlijk ge hebt toch geen kwaad hart, al sist er een leelijk slangetje in uwe borst. Waarlijk, wij billijken het oordeel der bedroefde notaris-weduwe, die u een engel van goedheid noemt. Ten haren opzichte ja. Maar een engel, neen Flitz daar ontbreekt veel aan, en, vooral dat slangetje hindert vreeselijk, dat leelijke, dat foei zwarte slangetje!

In die verloopene weken was er in B. nóg meer veranderd,—voor ’t algemeen van minder belang, voor den belangstellenden lezer niet onbelangrijk.

Nog geen veertien dagen na het door ons bijgewoonde feest opVredelustvertrok de familie naar de Nederlandsche hoofdstad, om daar—voor de eerste maal sedert haar komst in B....—eenigen tijd bij zwager Vos te gaan logeeren. Over ’t algemeen wist men niet, waaraan deze plotselinge, ofschoon tijdelijke plaatsverandering moest worden toegeschreven, aangezien de heer Gliekke altijd verzekerde, wanneer hij ter wille zijner dames eens naar de naburige stad W. was geweest,—blijde te zijn de vrije buitenlucht weder in te ademen. Eenigen meenden dat het ter wille van mevrouw was, die kort na Suzes jaardag was gevallen, zich den arm ernstig bezeerde, en de hulp van Tuil den plattelandsheelmeester, tot diens overgroote ergernis, niet had ingeroepen. Anderen vermoedden dat er iemand van de familie moest gestorven zijn, en de heer Gliekke naar Holland trok om de erfenis te gaan halen, en velen hadden aan Flitz gevraagd, wat de oorzaak van een vertrek mocht wezen,waardoor slager, bakker, kruidenier en zooveel anderen, groot nadeel leden.

“Omdat ze ergekzijn!” was Barends onvriendelijk en weinig zachtmoedig antwoord geweest; “omdat ze met geen dorpelingen meer tevreden zijn; omdat.... omdat die nieuwe snoes, die burgemeester, zoo’n kwajongen, ze den kop op hol brengt!”

Arme Flitz! Toen hij een dag na het feest zijn gewone digestievisite kwam maken, en hoewel het zijn “eetdag” niet was, stellig op het gewone ombertje en een familiare boterham had gerekend, was mevrouw noch Suze komen opdagen. De heer Gliekke had hem, ja, vriendelijk, maar toch in geenen deele zóó “sjoviaal” als gewoonlijk ontvangen, en hem ronduit gezegd, dat hij nog een paar brieven te beantwoorden had.

Arme Flitz! Hij was er den volgenden Zondag—zijn “eetdag,” heengestapt, om zich van ’t werken en ’t ziekeverzorgen eens te verpoozen; en toen, ja, ’t was alles wel als vanouds geweest, maar mevrouw had zoo’n pijn aan den arm, en Suze had met ditjes en datjes af en aan gedraafd, en was zoo ijselijk onnatuurlijk geweest, alsof ze alles vergeten had wat hij in de gang tot haar sprak. Mijnheer Gliekke, die ook al zoo raar heen en weer had gegluurd, was eindelijk, ná ’t partijtje, heel droogjes tot de bekendmaking van het plan gekomen, omVredelustvoor een poos te verlaten, waarbij hij vrij duidelijk had te kennen gegeven, dat ze elkaar dezen avond maar vaarwel moesten zeggen, want, Flitz zou zeker wel begrijpen dat de dames en ook hij, nog een boel te redderen en te bezorgen hadden—vooral daar het zoo treurig met mama’s arm was,—terwijl Flitz het evenzeer natuurlijk zou vinden, dat Gliekke niet meer bij hem kon komen. Misschien zag hij hem nog wel bij den notaris. Van Saffelen scheen ernstig ziek te zijn, en zou ’t zeker niet aardig vinden, indien Gliekke het dorp verliet zonder naar hem om te zien.

Arme Flitz! Suze had bijna den geheelen tijd “zonder lach of praat” met een afgewend hoofd gezeten, en had, met een paar vuile bordjes—’t geen ze anders nooit deed—de kamer verlaten, juist toen hij, om “op te stappen” naar zijn handschoenen zocht. Arme Flitz! hij had gewacht..... vijf..... tien..... vijftien..... twintig minuten, maar Suus was niet teruggekomen; en papa Gliekke had nog al vriendelijk gezegd, dat Flitz zich niet geneeren moest indien hij naar huis wilde.—Suze....? Ja, Suze was naar de keuken; misschien naar boven; hij wilde haar wel roepen.... maar anders, Flitz kon er op aan, hij zou zijne dochter de groeten wel overbrengen. Arme Flitz! het meisje, dat, toen ze een kind was, zoo dikwijls op zijn knie had gezeten, waar hij zoo familiaar mee geweest was, en die hij nu zoo vreeselijk liefhad, hij moest haar verlaten, zonder haar zelfs een hand ten afscheid te kunnen geven. Hij moestVredelustverlaten,Vredelustwaar hij “doen en laten,” de intieme, de onontbeerlijke huisvriend geweest was. O! vanVredelustte moeten vertrekken, verstooten, miskend en verschopt, en dat ter wille van een “ellendigen windbuil!”

Arme Flitz! welk eene verandering voor u!

Wat de ware oorzaak dier verandering der Gliekkes ten opzichte van den huisvriend was, kon misschien na het vertrek der familie alleen de persoon ophelderen, voor wien Barend Flitz zulke uitgelezene woorden veil had.

Ook hij maakte kort na het diner zijn visite aan de gulle familie. ’t Was vóór den middag. Mevrouw was zeer vriendelijk, maar juffrouw Suze nog al stil geweest, en bij ’t afscheid zeide mijnheer, dat het zulk flink weer om te loopen was, en dat, zoo Van Bavik lust gevoelde, hij dan ’t genoegen zou hebben de plaats eens met hem door te gaan, hij kon dan later mee naar ’t dorp wandelen om Van Saffelen een afscheidsbezoek te brengen en meteen te zien of die vriend wat beter was.

De heeren wandelden de plaats door, die, volgens de verzekering van den eigenaar, er des zomers geheel anders uitzag—alsof de jonge burgervader in ’t onzekere verkeerde of de boomen en heesters te B. c. a. des zomers in ’t blad kwamen of niet! Lieve veranderingen....dithier endatdaar; veranderingen voor dennieteigenaar van minder belang, te meer daar hij onmogelijk precies kon begrijpen, hoe die paden en slooten eertijds doorVredelustslingerden.—Och, ’t was niet voorhem, niet voorzijngenoegen, neen, hij had eene dochter; Van Bavik was er ten volle van overtuigd—dat meisje, zijn eenig kind, och! hij wenschte zoozeer datVredelusthaar dierbaar zou blijven, wanneerzij—de ouders—er eenmaal niet meer zouden wezen. Dat hij ’t zoo lief deed veranderen en al die fijne boomen plantte, ’t was niet voorhem, maar alles voor Suze. “Och!” had de heer Gliekke vervolgd: “kinderen gaan je zoo na aan ’t hart; ja Van Bavik, ik hoop dat je ’t óók eenmaal zult ondervinden, en daarom valt het een vader verschrikkelijk hard indien hij.... maar och, ik kan je alles niet zeggen.”

Van Bavik zweeg; wat konhij zeggen!?

“In vertrouwen,” hernam de vader—want juist wanneer nietallesgezegd kan worden, wordt er gewoonlijknietsverzwegen,—“er is iets dat me hindert, fameus hindert: ’k heb je voor eenige dagen, je weet wel, bij den haard, entre-nous van Flitz gesproken.... nietwaar?”

“A juist,” antwoordde Van Bavik.

“Men weet tot wien men spreekt,” hernam Gliekke: “Ik zou het niet graag aan de klok hangen, voel je? Welnu, tegen alle verwachting in heeft hij de dwaasheid gehad aan Suze—het kind—van liefde te spreken. Dien avond.... begrijp eens!—’t Kwam spoedig aan ’t licht; je weet wel, die zenuwachtigheid toen je gezongen hadt? Mama vertelde mij ’s anderen daags waar de schoen had gekneld. ’t Kind zelf was er erg van geschrikt; en nog begrijp ik niet hoehij, diezoowel mijne zienswijze kent, het in’t hoofd heeft gekregen, om zóó misbruik van mijn vertrouwen te maken. Had ik dát kunnen voorzien, je begrijpt Van Bavik....” en even stond de spreker stil, en zag zijn aandachtigen hoorder veelbeteekenend aan.

“Wel zeker,—natuurlijk!” zei Van Bavik mede stilstaande, en mede opnieuw voortgaande, toen Gliekke verder ging.

“Er zijn papieren die men vertrouwt, zie je,” vervolgde Gliekke: “Ik had voorzichtiger kunnen zijn, maar, wie kan ’t helpen dat de fondsen naar beneden gaan. Enfin, zóó en op dien voet kan er niets van komen. Eenmaal “fiat”, de ijver om een beroep te verkrijgen zou weldra verflauwen, dewijl die ijver zelfs nu niet groot is. ’t Werd vrijen jaaruitjaarin, totdat het vrijen ons oudjes nog ’t meest ging vervelen; dan trouwen in ’s hemels naam, en, geldhieren gelddaar! De man zou blijven wat hij is, en zeker een last voor zijn vrouw en een treurig voorbeeld van werkeloosheid voor zijne kinderen worden! Zie je Van Bavik,” en Gliekke stond weder stil maar liep ook kort daarna weder door: “zie je, ik heb er het meisje een hartig woord van gezegd, en hoewel ik Flitz,—omdat hij in onbezonnenheid tegen mijn, hem welbekende begrippen handelde—niet voor ’t hoofd wil stooten, begrijp je.... zoo moet nu voorloopig dat hek wat verhangen worden, en,—maar heel onder ons,—’t is daarom dat we een week of wat van huis gaan.”

Van Bavik had gehoord en gevoeld, en was tot aan de notariswoning meegewandeld; en Flitz die in ’t kantoor stond, had over ’t horretje heen gezien, dat de heer vanVredelustden jongen burgemeester “ijselijk hartelijk” de hand schudde, en duidelijk verstaan dat hij hem “bespottelijk amiekaal” vaarwel zei, en hem, toen de schel reeds was overgegaan, nog nariep: “Mocht je soms in dien tijd te Amsterdam komen, we logeeren Heerengracht Nº. 260.”

Nog eens: arme Flitz! welk een verandering! Arme Flitz,toenvooral, want voor de eerste maal van zijn leven bromde hij een verwensching tusschen de tanden, een nare verwensching waar nog een leelijke vloek op volgde.

’t Was overdag, wanneer hij na veel geschrijf de pen nederlegde, ’t was des nachts, wanneer hij aan ’t ziekbed, volgens mevrouw Van Saffelen, een engel was, dat Flitz aan de schrikkelijke verandering dacht, die ten zijnen opzichte had plaats gegrepen; aan de koelheid van haar die hij zoo wezenlijk liefhad, en aan den man, die hem gewis door lage “intrieges,” den burgemeesters-post ontfutselde; door “mooie praatjes,” “gekkelijke manieren” en een “gemaakt zingen” den ondergang van zijn geluk bewerkte; die Suze op een laaghartige wijze aan hem ontroofde; die zich door “nare streken,” in zijne plaats had weten te dringen, en hem schandelijk de vriendschap en achting der Gliekkes ontstal........ “zoo’n lage hond!”

Jaloezie! uw troetelkind is Laster.

’t Was waarheid dat de jonge burgervader een paar malen in de week des avonds naar de naburige stad W. ging en des anderen daags buitengewoon vroegtijdig terugkeerde; ’t was waarheid dat Flitz hem een paar malen het dorp zag binnenkomen, juist toen hij ’s morgens de kantoorluiken openwierp.

Was het waarheid ook dat hij er dan zoo “dof en af” had uitgezien, en zoo “onzeker en waggelend” geloopen had?

’t Was waarheid dat de candidaat-notaris op zekeren morgen voor zaken den burgemeester moest spreken, en van juffrouw Kamp ten bescheid kreeg dat burgemeester nog niet bij de hand was; ’t was waarheid dat hijte elf uren, nog niet was opgestaan.

Was ’t waarheid ook dat Van Bavik een luiaard moest genoemd worden, dienooitwas te spreken....? of, bleef hij op dien dag, zoolang te bed dewijl een woedende hoofdpijn hem voor ’t werk ongeschikt maakte?

’t Was waarheid dat Flitz, toen hij op zekeren avond alleen in de gelagkamer van ’tGeldersche Wapenop den logementhouder wachtte, ten einde hem een rijtuig naar stad te bestellen waarmee een geneesheer, bij Van Saffelen in consult, zou gehaald worden—dat hij toen in de aangrenzende kamer, door Van Bavik bewoond, eene vrouw luidkeels hoorde snikken; ’t was waarheid, dat hij zijn gehoor scherpende, haar duidelijk hoorde zeggen: “En het arme kind dan mijnheer, moetiker alleen voor zorgen? Ach God, wat moet ik beginnen!? Heb toch medelijden; de bloed!ikheb er geen voedsel voor, en alles is zoo bitter duur.” En, dat hij verder luisterende, eenige onverstaanbare doch blijkbaar vermanende klanken van den bewoner dier kamer had opgevangen, ’t geen met geldgeklank was besloten. Waarheid was het dat Flitz, kort daarna, een knappe doch armoedig gekleede jonge vrouw de gang uit zag treden, die het kind dat ze droeg zorgvuldig met haar voorschoot bedekte.

Was het óók waarheid dat Van Bavik een “gemeen sjusjet” was, die meisjes in ’t ongeluk stortte en zijn goeden naam door een luttel stuk geld zocht te bewaren? Of wel, betreurde de jonge burgervader de noodzakelijkheid eener wet, die den verleider voor elke vervolging vrijwaart, en de zwakke verleide alleen de gevolgen van een onbedachten stap doet dragen?

Groote verandering in tien weken! De knappe, aardige, geestige, fatsoenlijke burgemeester, die nog kort geleden met zooveel vreugdebetoon werd ingehaald, en aanvankelijk de vrij algemeene achting en welwillendheid genoot, hij vond de leden van den raad tegenwoordig zoo stijf en kortaf; kreeg ook al eenige malen bij sommigen belet, en begreep in ’t geheel niet, waaraan die groote verandering moest worden toegeschreven; hij begreep het niet, al bespeurde hij duidelijk dat Barend Flitz hem alles behalve genegen was.

En nu, de notaris Van Saffelen was gestorven, en de aangifte bij den eerstenwethoudergeschied, want burgemeester was voor eenige dagen naar Holland vertrokken.—Naar Holland! Flitz was vuurrood geworden toen hij het hoorde.—Naar Holland!—Heerengracht Nº. 260!—Suze!—Zou Suzewaarachtigalles vergeten hebben!?

“Naar Holland, naar Holland!” die woorden werden door Barend Flitz ontelbare malen op één dag herhaald, en zelfs toen hij met den langen zwarten mantel om, en den hoed met het lange lamferer aan, de kist volgde waarin zijn leermeester en vriend naar het kerkhof werd gedragen, toen meende de persoon die naast hem ging, dat mijnheer Flitz niet wel bij zijn zinnen was, want, duidelijk verstond hij, dat het: “naar Holland, Heerengracht Nº. 260,” ging.

De trouwe diensten waarmede Flitz den notaris in zijn laatste levensdagen was ter zijde geweest, hadden Van Saffelen dermate ten gunste van zijn kweekeling gestemd, dat hij, in weerwil van de geringschatting zijner notariëele bekwaamheden, gedurig den wensch uitte, dat Flitz, zoohijniet van het ziekbed mocht verrijzen, hem als notaris te B. zou opvolgen. Inderdaad Van Saffelen had met een schijnbare kalmte, zijn vriend den weg, welken hij moest inslaan, gewezen, ten einde—misschien! in zijn plaats de benoeming te erlangen.

Dat de zwakke notaris, na het geven dier inlichtingen, opnieuw in een hevige koorts verviel, zalhemniet verwonderen wien ’t leven nog niet tot last is, en zoo gaarne ten nutte der zijnen nog jaren lang werkzaam zou blijven. Dat Flitz sedert dien stond in een soort van sollicitatiekoorts leefde, zal evenminhemverwonderen, die verstaan heeft wathijin zijn schild voerde, en niemand zal het bevreemden, dat Flitz reeds den dag na de begrafenis de reis naar de Provinciale hoofdstad ondernam, om te bewerken datzijnnaam op de voordracht werd geplaatst, en dat hij vervolgens naar Holland trok, naar de residentie, om den Minister van Justitie voor zijn persoon te winnen.

Flitz trok naar Holland. Over Amsterdam naar ’s Gravenhage; van ’s Gravenhage naar va en moe opWolkensteijn; en vanWolkensteijnreisde hij weder naar Amsterdam, en liep op zekeren morgen de Heerengracht langs, van het IJ tot den Amstel, heen en terug, zoekende.... zoekende naar Nº. 260.

Maar vruchteloos was het zoeken geweest, want, Flitz had niet begrepen dat de huizen aan de overzij van ’t water, ook tot de Heerengracht behoorden. Het “satansche” Nº. had hij niet gevonden, en de kastelein van ’t logement waar hij zijn intrek nam, wist ook niet te zeggen bij wien de heer Gliekke uit B. c. a. op de Heerengracht logeerde, evenmin als de kruier, de schoenpoetser, de kantoorklerk, de dominee—’t was een aanspreker geweest—de loterijjood en een meisje met een mandje onder ’t voorschoot, die hij allen op straat onderzoekend had aangesproken, hem ’t vraagstuk hadden opgelost.

Barend Flitz kwam in B. terug, maar zijn onrust was nog grooter dan vóór zijn vertrek, want, Van Bavik zat nog in Holland—misschien wel—neenzeker: Heerengracht Nº. 260! En, op zekeren avond doopte Barend met driftige hand de pen in den inkt, en schreef den volgenden brief:


Back to IndexNext