Chapter 8

’t Was na eenig vruchteloos wachten—vermoedelijk dewijl zijne vragen niet waren verstaan—dat eindelijk nogmaals doch sterker, het deurgebons werd herhaald, en de verfijnde mansstem ook luider klonk met de woorden: “Vrouw Willems! Frans! ik ben het! Doe toch open!”Niemand zag Frans, want in de kamer was het donker, maar toch, toch kreeg hij een kleur, een kleur zoo verschrikkelijk rood dat de tranen er hem van in de oogen sprongen.“Moeder! moeder!” riep hij eindelijk luide: “heb je ’t verstaan....? moeder! zij is het, Thilde...!” en harder riep hij, met den mond vlak voor de deurreet: “Thilde! ben jij het...? ben jij het waarlijk die klopt?” En toen een: “Ja, Frans,” duidelijk werd vernomen, toen beefde moeder Geertje niet meer, maar beefde Frans, en beefde zoo, dat hij haast den grendel niet kon verschuiven, en zoo, dat hij het slot haast niet kon omdraaien, en zoo, dat, toen moeder met een lucifer haar lampje weder had aangestoken, en door de nu geopende deur, te gelijk met den kouden luchtstroom, Schorels dochter naar binnen kwam, hij van beverigheid niet wist wat hij deed, en ’t geen hij nooit gedaan had, nu onderstond, en de beminde van zijn hart in de bevende armen sloot.Mathilde,—die zich geenszins aan de omhelzing van Frans onttrok en daardoor stilzwijgende beleed dat hare oogen nimmer onwaarheid hadden gesproken,—was in de eerste oogenblikken niet in staat om op de vragen van vrouw Willems te antwoorden; die vragen, zij drukten de grootste verwondering uit over de late verschijning van het meisje, dewijl het eerste uur na middernacht reeds lang verloopen was.Neen, Mathilde kon in den aanvang niet spreken, overspannen door al wat zij in die dagen, sedert Frans de woning van haren vader verliet, moest verkroppen, door ’t beramen en ten uitvoer leggen van het plan om deze nachtwandeling te ondernemen, en door den angst, dien zij gedurende dien loop had doorgestaan.’t Was noodig dat vrouw Willems met een kommetje water de ontstemde zenuwen van haar bezoekster een weinig tot bedaren bracht, want in weerwil dat het meisje haar nu en dan een kort bescheid op hare vragen gaf, die antwoorden klonken dermate verward, dat de goede vrouw er geen greintje wijzer door werd.In ’t einde na eenigszins hare kalmte te hebben terugbekomen, nog altijd door Frans omvat, die zonder te spreken, wel nimmer een sterkere liefdesverklaring dan hij nu deed, had kunnen ontboezemen; nog altijd tegenover de verwonderde vrouw, die haar oogen niet gelooven kon dat ze Thilde Schorel in den arm vanhaarjongen, indituur, binnenhaarkamertje zag, begon het meisje geregeld te verhalen, terwijl ze moeder en zoon al met de eerste woorden uit den waan hielp, datzij’t zou geweest zijn die Frans het muntbiljet had toegestopt.Met een stem, die genoeg verried hoezeer zij den knaap beminde die haar tengere leest omvatte, gewaagde zij van de pijnlijke gewaarwording telkens door haar ondervonden, wanneer naar vader, aan de winkelklanten van de schandelijke ontrouw had gesproken, waarmede Frans zijneweldadenhad beloond, terwijl zij overtuigd was dat een misverstand, een vergissing, den goeden jongen in een verdacht licht moest geplaatst hebben; hoe zij telkens met verwijtingen was overladen wanneer zij vader had aangeraden om kas en boeken te raadplegen, die wellicht zouden aantoonen dat Frans onschuldig was;—hoe eenige dagen later, haar vader werkelijk had zitten tellen en rekenen, en, toen hij gedaan had, en alles met een kalm gelaat had weggeborgen, op hare vraag: “Vader! is Frans onschuldig?” had geantwoord: “Waar zou hij ’t anders vandaan hebben?” een antwoord, ’t welk haar,—die den vader maar al te wel kende—zoogoed als een volledige vrijspraak in de ooren had geklonken.Niet zonder eenige aarzeling verhaalde Mathilde verder, hoe haar verzoek om den miskenden eerlijken Frans weer in genade aan te nemen, den vader in den hevigsten toorn had doen ontsteken, terwijl hij haar dreigend had afgevraagd: wat haar zoo groot belang in dien ondankbare deed stellen, niet hopende datiets andershaar zoo meelijdend maakte, en hij haar eindelijk kort maar zakelijk geboden had, om, “nooit of nimmer weder den naam van die adder te noemen, waarvan hij niets wilde zien en niet wilde hooren.”“Twee dagen later kwam vader met den spekslager Hak het winkelkamertje binnen” vervolgde Mathilde blozend: “en terwijl die ruwe man zich vrijpostig naast mij nederzette, zich beroemende, dat hij meer dan duizend varkens in het jaar slachtte en ik dus niet weinig tevreden zou zijn indien hij mij tot vrouw nam—vooral ook omdat hij sedert de vijf maanden dat hij weduwnaar was, geen stuur in den winkel kon houden,—keek vader mij doordringend aan en zei, toen Hak ophield met spreken: “Thilde! ik begrijp dat het tijd voor je wordt; je hebt den leeftijd, en bij mijnheer Hak zul je geen gebrek lijden.” “O!” hernam het meisje, nadat ze een oogenblik gezwegen en Frans eenige verontwaardigde woorden ontboezemd had: “ik weet niet wat er verder gesproken werd; mijn hart klopte mij zoo pijnlijk sterk, en in mijne ooren suisde het zóó dat ik telkens meende te zullen neervallen. Waarlijk, ik geloof dat ik het toen op mijne zenuwen heb gekregen, want ik begon te huilen, en weet zelve niet wat er verder met mij gebeurd is.”“Verder! verder?” riep Frans.“Tot mijn bewustzijn teruggekomen,” sprak Mathilde weder: “stond vader naast mij, en verweet mij dat ik mij schandelijk en dwaas had aangesteld; sprak weder van een verbintenis met den zestigjarigen spekslager, en deed de aankondiging er bij, dat ik binnen eene maand zou trouwen. Hak had hem verzekerd, dat de kleeren zijner overledene vrouw, hoewel zij gezetter was dan ik, zeer wel door mij konden gedragen worden, zoodat er voor mijn uitzet igeen cent uitgegeven en geen steek behoefde gewerkt te worden.”Het zal zeker niemand verwonderen dat Frans het meisje steeds vaster aan zich sloot, als zag hij den gevreesden spekslager reeds met de eene hand in Mathildes blonde haren, en in de andere een akelig slachtmes geklemd.Ja, vaster klemde Frans zijn lieve Thilde aan ’t hart, en in weerwil der treurige zaak, waarmede het meisje hem bekend maakte, was zijn gemoed toch oneindig minder bezwaard dan toen hij straks met zijne moeder alleen was.Hoe kon het anders: Mathilde had hem lief! Zijn hart klopte naast het hare, haar hand rustte in de zijne. Uit haren mond vernam hij, dat zelfs de hardvochtige vader, al wilde hij geen ongelijk erkennen, overtuigd van zijne onschuld was, en hem alzoo te eeniger tijd wel recht zou laten weervaren.De engel der liefde doet lijden vergeten, en schenkt moed om een donkere toekomst tegen te gaan.De engel der liefde stond naast den goeden jongen, in de gedaante van zijn Mathilde, en met vuur riep hij, terwijl hij de beminde in haar blauwe oogen zag:“Geen nood Thilde! geen nood! De goede God, die u in dezen stond, ten aanschouwe mijner lieve moeder, aan mijn hart legt, zal ons niet verlaten.”Bedaarder dan zij tot hiertoe gesproken had, vervolgde nu Mathilde, en verhaalde, hoe een vreeselijke onrust zich van haar meester gemaakt, en gedurig op een middel had doen peinzen om het akelige lot, dat haar te wachten stond, te ontgaan. Des avonds, tusschen licht en donker, was steeds de akelige spekslager zich in het winkelkamertje aan hare zijde komen neerzetten, en ofschoon hij gewoonlijk weinig meer dan twee malen—bij ’t komen en gaan—een: “Goeden avond Juffrouw Thilde!” tot haar gezegd had, en slechts gekomen scheen om met vader over hammen en spek en pooten en ooren te spreken, zoo was haar dat schemeruurtje toch méér dan verschrikkelijk geweest, want, van ’t begin tot het einde was haar hand in die van den spekslager besloten gebleven.... de groote hand, die zoo vet en akelig was, bah! terwijl de hare—als één met de zijne—genoodzaakt werd tot alle gesticulaties mee te werken, zelfs tot die waarmee hij de kunstgreep aanschouwelijk maakte, waardoor een varken den laatsten adem moest uitblazen.“Ware Hak mij niet reeds om zijn persoon afschuwelijk geweest,” sprak het meisje: “alleen de herhaling van zijn machtige geschenken zou het mij gemaakt hebben; want, geen morgen ging er voorbij of ik hoorde vader in den winkel: “Compliment, en vriendelijk bedankt,” zeggen, waarop ik onmiddellijk in last kreeg het vette geschenk voor den middag gereed te maken.... en, Frans! je kunt begrijpen hoeik—aan schrale kosten gewend—te moede was, wanneer mijn vader mij krachtig beval om er van te eten opdat ik er smaak in zou hebben wanneer ik met Hak in den echt vereenigd zou zijn.“Morgen,” hervatte Thilde, nadat ze van een lichte rilling bekomenwas: “morgen zal inderdaad, zoo God het niet verhoedt, een huwelijk tusschen dien man en mij worden aangeteekend. Was mijn onrust gedurende al die dagen groot, gisteren gevoelde ik waarlijk mijzelve niet meer. Ik heb vader gebeden en gesmeekt om toch mijn hart niet te dwingen, maar niets kon baten, en ’t was zelfs op een toon zóó zacht en vriendelijk, dat ik om de ongewoonte er van, waarlijk geroerd werd, dat vader mij vermaande in stilte zijn wil te volgen. Hij verzekerde mij verder dat Hak de beste man van de wereld, en in geenen deele onbemiddeld was; dat zoo’n huwelijk eervol mocht genoemd worden en menig jonge dochter er met jaloerschheid van spreken zou. Ach! niets kon mij troosten, ik heb alles gedaan wat ik kon om moed te scheppen, omdat vader zoo gaarne zou zien dat ik blijmoedig zijn wil deed; maar neen, niets mocht baten, en toen ik begon te zingen om te beproeven of dat helpen zou, ziet, toen sprongen mij dadelijk de tranen in de oogen, en huilde ik zóó hard, dat ik er zelve bang van werd. Ja, Frans! zie je, ik dacht den geheelen tijd aan jou en wilde telkens naar je toe gaan; ieder oogenblik dacht ik de deur uit te vliegen om me aan jou toe te vertrouwen, doch telkens aarzelde ik weder, want vader zat steeds op zijn gewone plaats voor het winkelraampje. Zóó kwam de avond. Gode zij dank! Hak kwam niet. Wij spraken weinig, maar toch deed ik mijn best om een vriendelijk gelaat te toonen. Om halfelf wenschte ik vader een goeden nacht. Op mijn kamertje gekomen hoorde ik hoe hij als naar gewoonte, de reeds gesloten voordeur grendelde.... hoe hij in het geheele huis de ronde deed en de deur zijner kamer achter zich sloot. Ik luisterde, en hoorde verder een geklank alsof er geld werd geteld, maar eindelijk kwam alles tot rust. Wel een uur bleef ik luisteren, telkens mijn plan willende volvoeren, en dan weder vol vreeze van ontdekt en verhinderd te zullen worden. Het minste geluid trof mijne ooren. In ’t einde kon een telkens wederkeerend gebrom.... niets anders dan het geronk van vader zijn. Hij sliep dus. Ha! een rijtuig rolde door de steeg; dat oogenblik nam ik te baat om de deur mijner kamer te openen, en van het leven daarbuiten verder partij trekkende, spoedde ik mij de trappen af, en bevond mij juist in den winkel, toen het geluid van het rijtuig in de naburige straat verdween. De sleutel der winkeldeur, die op zijn gewone plaats bezijden het leitje hing, had ik spoedig in handen, doch vreezende dat het leven, ’t welk het ontsluiten en ontgrendelen noodzakelijk moest veroorzaken, vader zou wekken, wachtte ik opnieuw tot het geraas van een rijtuig het gerucht ’t welk ik moest maken, zou overtreffen. O Frans! je kunt je niet voorstellen hoe lang mij iedere seconde duurde; iedere minuut was mij meer dan een uur, en het uur dat ik daar wachtende doorbracht is een uur geweest, wel honderdmaal zoolang als eenig uur, dat ik tot heden beleefde. In ’t einde.... daar rommelde het weder over de straatsteenen; fluks.... den sleutel in het slot.... omgedraaid! den grendel ter zijde geschoven.... de bovenknip losgetrokken, en juist, juist was het rijtuig onze deur voorbij, toen ik met een gejaagdensprong buiten den winkel stond en van buiten de deur in het slot draaide.”Frans zag zijn beminde aan alsof hij een Kenau Hasselaer in haar bewonderde; en toen zij ten slotte nog had verhaald, hoe zij bevende den weg naar de D....steeg had ingeslagen, en eindelijk op de H....gracht gekomen, door een persoon, die nog een ander aan den arm had, was aangevat, maar door een krachtigen ruk, aan die vermetele hand was ontsprongen; hoe zij in allerijl zich voortspoedende, evenwel de schreden van den persoon die haar aangreep, achter zich vernemende, zonder den naasten weg te kiezen, straatuitstraatinhad voortgerend, totdat zij hier eindelijk, den Hemel zij dank! behouden was aangekomen.... toen sloeg ook Frans den anderen arm om haar heen, en.... zoende haar.... ja, hij zoende haar op het heldere voorhoofd, en noemde haar voor de eerste maal zijn.... “Lieve Thilde!”“Ja Frans! ik wist wel dat ik hier raad en steun zou vinden,” sprak het meisje weder: “Mijn eenige hoop was op jou en je goede moeder gevestigd. Hier zul je mij schuil houden.... nietwaar....? hier....” en terwijl de lieve blonde nog verder sprak, en Frans opgetogen: “ja wel” zeide, en: “wel zeker, ik zal wel zorgen,” staarde moeder Geertje bedenkelijk in het vlammende oliepitje, werkte de brandende katoen wat terug in het koperen buisje—want die vlam behoefde zoo groot niet te zijn,—en eindelijk, toen Frans juist verzekerde dat, zoolang alshijer nog was, de lieve Thilde niets te vreezen had, enhijwel zorgen zou dat zij geen gebrek kreeg—de arme jongen, die geen cent kon verdienen, wat maakte de liefde hem sterk!—toen zuchtte de moeder, en zei op vriendelijken maar toch ernstigen toon:“Neen kinderen, dat kan en dat mag zoo niet wezen. Dat ik niets vuriger dan je geluk begeer, mijn jongen, dat weet de goede God; en dat ik medelijden met jou heb, lief meisje, dat wil ik je gaarne toonen; maar mijn toestemming aan een even dwaze als wederrechtelijke daad geven, en het kind van een vreemde in mijne kamer te verbergen.... Frans je begrijpt wel, dat is mij niet geoorloofd. Wat zou het einde van zulk een handeling zijn? Zelfs al ware het niet in strijd met onzen plicht, en al verbood de wet der kieschheid Mathildes inwoning in deze kamer niet; hoedwaasware het, haar bij ons te willen verbergen! Hoe spoedig zou meester Schorel toch de waarheid vermoeden en zijne dochter als een rechtmatig eigendom naar zijn woning doen brengen, tot schade voor haar, en voor jou, en voor mij!... Neen, neen,” vervolgde Geertje, daar Frans haar de zaak nog aannemelijk wilde voorstellen, terwijl Mathilda, op de gedachte aan een wederkeeren in het pas verlaten huis, en aan hetgeen er morgen gebeuren moest, de tranen niet kon weerhouden: “neen, ik zal met Gods hulp alles beproeven wat strekken kan om je beider geluk te bevorderen. Indien baas Schorel voor zich zelven van je onschuld overtuigd is, dan zal hij aan de smeekingen eener moeder wel gehoor geven en je—zoo niet bij zich terugnemen, dan toch een goede getuigenisvan bekwaamheid en trouwe diensten schenken. Wanneer zijn hart niet harder dan steen is, zoo zal mijn mond hem ook tot andere gedachten betreffende het huwelijk brengen, waaraan jij, lief kind, en met recht een afkeer hebt. Gelooft mij kinderen!” besloot de goede vrouw: “wat in mijn vermogen is zal ik voor je geluk beproeven, maar denkt als verstandigen, en antwoordt mij of het recht en verstandig zou wezen indien ik aan je verlangen gehoor gaf?”Frans zweeg, en Mathilde zweeg ook; maar terwijl er in den blik, dien de knaap op zijn moeder wierp iets, wij zouden zeggen vertrouwends, lag opgesloten, een vertrouwen op de moederlijke welsprekendheid, en de hulp van Hem zonder wiens wijzen wil geen muschje op de aarde valt, werd er op het gelaat van het anders zoo lieve en brave meisje, die echter nooit door een teedere moeder was onderwezen, en slechts—met eerbied gezegd—een kerk- en catechisatie-God leerde kennen, een uitdrukking van pijnlijke teleurstelling zichtbaar, van teleurstelling en van misnoegen tevens, en de woorden: “Maar wat, maar wat dan...!?” hokten haar in de keel.Nogmaals bracht vrouw Geertje aan Schorels dochter het onbetamelijke van haar verlangen onder het oog, en wist eindelijk het meisje dermate van de waarheid harer bewering te overtuigen, dat Thilde, ofschoon een tranenvloed haar het spreken belette, er al snikkende in toestemde, om naar de vaderlijke woning terug te keeren, even stil als zij ontvluchtte weder binnen te gaan, en zich te bed te begeven, na vooraf den goeden God te hebben gesmeekt om het ongeluk, dat haar boven het hoofd hing, genadig af te wenden; terwijl vrouw Geertje nogmaals beloofde dat zij doen zou wat haar mogelijk was om, zoo God wilde, het middel te zijn, waardoor Thilde van een verschrikkelijk dwangjuk zou bevrijd worden.En werkelijk verliet Mathilde, hoewel met een beangst gemoed, eenige minuten later, vrouw Geertjes kamer, en daar de moeder het niet had willen toestaan dat Frans zijn beminde alleen naar de G....steeg zou vergezellen, en Frans op zijne beurt niet mocht toelaten datmoederalleen medeging, zoo traden—ruim twee uren na middernacht—vrouw Willems en haar zoon mede naar buiten, en vervolgde ons drietal, met verschillende gewaarwordingen, den weg die hen naar de G....steeg voerde.’t Was voor een nacht in de eerste helft van November bijzonder koud. De vorst was gelaarsd en gespoord binnengekomen, en waar zij over de vochtige stoepen en straatsteenen—want den geheelen dag had het sterk gemist—henentoog, daar had zij het bewijs van haar vochthardende kracht achtergelaten.Vlug als zij was, had Mathilde, toen zij den gejaagden loop naarvrouw Geertjes kamer vervolgde, door angst en hoop gedreven, niet bemerkt dat de straten op de meeste plaatsen zoo bijzonder glad waren, en evenmin vermoedde zij toen, dat de wintervorst hare ontsnapping uit de handen van hem, die haar met bedwelmde zinnen had nagezet, bewerken mocht.In waarheid, de sterke heldin der korte dagen en lange nachten, zoo dikwerf als een ijzegrim voorgesteld, en als een monster uitgekreten, had zich voor Mathilde een bereidwillige helpster betoond. Bewogen met het arme kind, dat daar zoo laat en alleen haar “te huis” zocht, had zij haren onbeschaamden vervolger met krachtige handen, onder zijn beide schoenzolen te gelijk aangegrepen en achteruit gerukt.... zoodat het geheele lichaam voorover op de steenen was neergesmakt. Of de vochthardende vorst ook hardvochtig genoeg was om te lachen, toen de gevallene met een akeligen doch gesmoorden kreet bleef liggen, weten wij niet; maar heeft zij gelachen, dan zeker alleen uit groote blijdschap, dat de blonde ontkwam; want, de vorst der lange nachten is toch ook een trouw en gehoorzaam onderdaan van dien grooten en eenigen Vorst, die ernst wil van den vazal, dien Hij de tuchtroe in handen geeft.Zooals Mathilde met weinige woorden verhaald had, was zij, vluchtende voor den bedoelden persoon, van den kortsten weg afgeweken, zoodat zijnu, met Geertje en Frans den naasten weg volgende, niet de straat doorging waarin de vervolger nederviel.Lag hij er nog de ongelukkige? Hadden andere nachtwandelaars of ratelwachts hem binnen een woning gedragen? Mathilde weet het niet, want zij had niet vermoed dat een val haar van zijn vervolging bevrijdde; en nu vervuld met zich zelve, denkt zij evenmin aan hém, als aan dien tweeden persoon, die bij de ontmoeting op de H....gracht aan zijn arm met wankelende schreden voortging.Ook wij hebben geen lust om den gevallene voor ’t oogenblik op te zoeken, maar blijven—terwijl we ons drietal reeds uit het oog verloren—op den hoek der H....gracht een oogenblik staan, dewijl het ons voorkwam als hoorden wij een zacht maar pijnlijk gekreun in de richting daar.... van dat vierkante huisje, waarbij die geketende kruiwagens liggen.’t Is een naar geluid dat kreunen, waar ge ’t ook hoort, maar vooral wanneer dat geluid, in het nachtelijk uur, op de verlaten straat uw ooren treft, en ge een oogenblik toeft eer ge nader treedt.Van de overzijde komen menschen de sluisbrug op. De koude doet hen, zooveel de gladheid zulks toelaat, den tred verhaasten. Ja, wij bedriegen ons niet, zij zijn het, die we straks uit het oog verloren; doch ’t zijn er twee, terwijl wij er drie in de duisternis zagen verdwijnen. De gas-lantaarn, die ze juist voorbijgaan, beneemt ons allen twijfel; maar al hadden wij door die lichtstralen vrouw Geertje niet aan haar vaalrooden omslagdoek, en haar zoon aan zijn bruine jas herkend; de woorden: “Wél een vreemde nacht, moeder! mocht er voor de lieve Thilde en ook voor mij iets goeds uit voortkomen!” die woorden zouden ons terstond zekerheid hebben gegeven; terwijl het antwoord: “Frans! de mensch wikt, maar God beschikt,en in die beschikking moet de mensch met tevredenheid berusten!” ons toch de weduwe van Peter Willems zou hebben geteekend, braaf en Godvreezend, zooals we haar reeds van den aanvang af leerden kennen.Zie, ’t is alsof Geertje en Frans regelrecht op de plaats toetreden, waar het gekreun nu sterker wordt.Een kreet ontsnapt aan den mond der vrouw, en de knaap aan hare zijde roept met een stem, die mede de hevigste ontsteltenis verraadt: “Moeder! moeder! daar ligt een mensch!”’t Schijnt eerst alsof moeder en zoon, verrast en ontsteld, eensklaps van de zijde afwijkende, waar die klaagtoon rees, tegenover den ongelukkige willen voorbijgaan; doch weder klinkt de stem der vrouw: “Neen Frans! dat mogen wij niet.—Laat ons zien, misschien kunnen wij helpen!” En nadat wij ons tweetal op de donkere plek zagen toetreden, vernemen wij eenige onverstaanbare woorden, terwijl het gekreun nog sterker en heviger klinkt, en hooren vervolgens duidelijk den uitroep: “Moeder! moeder! ik bedrieg mij niet.... hij is het!” en daarop de woorden: “Mijn God! mijn God! zou het mogelijk zijn!” en hooren wij eindelijk, nadat het gesprek op die duistere plaats nog eenigen tijd is vervolgd, een geschuifel; een nog akeliger kreunen, en op een heeschen en afgebroken toon de woorden: “Weg! weg! Het.... is.... genoeg.... laat mij sterven!” en zien eindelijk vrouw Geertje met haar zoon langzaam op den hoek van het huisje verdwijnen, terwijl zij tusschen zich in, half sleepend, half dragend, een derden persoon met zich voeren, die maar somwijlen de slappe beenen beweegt, alsof hij moeite doet om door eigene krachten voort te gaan.Wel was het een vreemde nacht! In plaats van na gestadigen en zelfs laten arbeid, een verkwikkenden slaap te genieten, zat vrouw Geertje, toen de flauwe morgenschemering door de reet van haar vensterluik boorde, nog voor haar bedstee, de oogen onafgewend op den jongeling gevestigd aan wien zij haar leger afstond.Benauwde uren had zij met hem doorgebracht. Nu eens stil kermend nederliggende, en dan weder woest en akelig overeind springende, terwijl hij in koortsig ijlen de vreemdste, somwijlen de grofst onkiesche en terstond daarna de verteederendste woorden sprak, lag hij thans dof en roerloos, de ongelukkige jongeling.... de jongeling, groote God! dien zij als kind met haren boezem de rozen op de, ook toen zoo bleeke wangen getooverd had; de jongeling, dien zij als kind lief had alsof het haar eigen zoon.... alsof het haar Frans geweest ware, van wien ze met bittere weemoedstranen gescheiden was om hem niet meer te zien dan zóó.... zóó ellendig! zóó ontzenuwd! en ze bad weder, de goede vrouw, hetgeen ze dien nachtreeds zoo vaak had gebeden: “Ontferm U zijner, o Heer! want ach! wat hij deed, hij wist het niet.”Reeds een paar uren geleden had vrouw Geertje haren Frans bewogen om een weinig te rusten; zij, ze kon er wel tegen: ouderen van dagen hadden den slaap niet zoo noodig.—Die goede moeder! Eindelijk, het olievlammetje uitdoovende, stond ze op; opende het vensterluik, en beschouwde toen nogmaals die nederliggende zoogbroeders: den armen Frans en den rijken Willem.... Neen, Hemel! neen! den armen Willem en den rijken Frans! Verachting en onverdiende schande bij menschen; geen werk, wellicht eerlang geen brood; geen voorspoed hier op aarde, wat was het, wat was dat alles met de bewustheid der blijvende liefde Gods, in tegenstelling met het wandelen in de zinbedwelmende genietingen des levens, welks einde rampzaligheid is.Rijke Frans! Arme Willem! Arm....! maar zie, het morgenlicht dat liefelijk gloort, spreekt tot de ziel der vrouw, die eenmaal den vader beloofde voor zijn kind te zullen waken; dat licht dringt haar in ’t gemoed, en ’t is alsof het fluistert: “De eeuwige liefde heeft geen lust in den dood des zondaars, maar daarin dat hij zich bekeere en leve!”Leve! Ja, leve! Eeuwig leve! En de zoogmoeder gevoelde zich eensklaps sterk tot de heerlijke roeping om, met het reiner en verhevener voedsel dat thans haren boezem doorstroomde, de rozen eens hoogeren levens, de lachjes des vredes en der blijde hope op zijn ontvleesde kaken in ’t aanzijn te roepen.“Spare God hem daartoe het leven!”Wij zijn óók menschen, en daarom zullen wij den steeds ijverigen geneesheer niet hard vallen, die, als hij na een drukken praktijkdag ten tweeden male des nachts uit een diepen slaap wordt opgewekt, nu om een lijder in de D....steeg te komen bezoeken, na de woorden: “Ik kom terstond,” zich nog voor vijf minuutjes in de dekens wikkelt, en—inslaapt om niet voor den morgen te ontwaken.Wij veroordeelen hem niet, al hadden wij ook om den ongelukkigen Willem en de wachtende Geertje, gewenscht dat hij eerder verschenen ware, maar wij zijn verheugd dat hij toch eindelijk verschijnt om der meelijdende vrouw te verzekeren, dat de jongeling, hoewel in een ontzettend verzwakten toestand verkeerende, zich volstrekt in geen oogenblikkelijk levensgevaar bevindt.De brieventasch, welke Geertje, toen zij den jongeling van zijn bovenkleederen ontdeed, als in de hand was gevallen, en zonder inzage door haar werd ter zijde gelegd, stelde zij den arts in handen; terwijl zij hem daarna een kort doch zakelijk verhaal van het gebeurdedeed, en hem deelgenoot van de betrekking maakte waarin zij tot den lijder gestaan had, met de verklaring besluitende: dat ze met ’s Heeren hulp de gelofte, aan den vroeg gestorven vader gedaan, nog te vervullen hoopte om, wat ook aardsche machten zouden dreigen of tegenwerken, een ziel te redden van den eeuwigen dood, al mocht dan de kunst het veege lichaam niet voor het aardsche leven kunnen bewaren.Het adres van een zich in de portefeuille bevindenden brief stelde den geneesheer in staat vrouw Geertje te onderrichten waar Willem Van Male zijn kamers had; en, hulpvaardig als hij was, verklaarde hij voor een gemakkelijk sleepkoetsje te zullen zorgen, ten einde den zwakken jongeling naar zijn kwartier te kunnen overbrengen, waarna hij nog met Geertje overlegde hoe de arme lijder, die wellicht een langdurige en nauwlettende verzorging zou behoeven, het geschikst kon verpleegd worden.Ter nauwernood echter had Geertje—die, in weerwil van haar moedig besluit, toch met vreeze aan den man dacht, wiens hemeltergende voogdij haar zoogkind in den droevigsten toestand gebracht had—diens naam genoemd, of de geneesheer bedacht zich en, den naam Van Meerle een paar malen herhalende, vraagde hij: “Luitenant van de cavalerie....?”Op het antwoord der vrouw, dat hij althans in dienst was toen, na Van Males dood, de voogdijschap over den jongen Willem door hem aanvaard werd, verhaalde de geneesheer verder hoe het juist bij hém geweest was, dat hij dien zelfden nacht werd geroepen, terwijl hij er bijvoegde, dat het hem zeer verwonderen zou indien de luitenant, die, bij zijn mede-officieren slechts weinig gezien moest wezen, de activiteits-uniform langer zou dragen, dewijl een ernstige beenbreuk vrij zeker een amputatie zou ten gevolge hebben.Neen, vrouw Geertje verheugde zich nimmer in het lijden des naasten. Zij juichte niet om het leed ’t welk den ruwen man, die het arme zoogkind ten verderve geweest was, trof, maar toch plooide een dankbare trek haar goedig gelaat, toen zij de woorden van den dokter vernam.De weinige dagen, die er verliepen sedert wij Willem Van Male op zijn kamer aantroffen, hadden hem onder de vreeselijke leiding van zijn vroolijken voogd—die steeds beweerde te weten wat een jong mensch toekwam: dat men de jeugd moest genieten, dewijl dat blijde tijdperk zoo kort was, en hij een druiloor werd, die in zijn schoonste levensdagen niet zag wat er in de wereld te koop is—die dagen, zij hadden zijn laatste levenskrachten ten eenenmale vernield.Naarmate de verslapping, de verdooving en ook de lusteloosheid der laatste weken al meer en meer de overhand namen, waren de prikkels van ’t genot ook scherper geworden, totdat de arme knaap, in den nacht toen hij met Joost Van Meerle huiswaarts keerde, door dezen verlaten, geen kracht meer had bezeten om alleen zijn weg te vervolgen.Hoe lang hij daar in de koude op de kille steenen lag, valtgemakkelijk te berekenen, indien wij het tijdsverloop nagaan waarin Mathilde, sedert hare vlucht voor den vervolger, het onderhoud in de kamer van Geertje had, en de laatste, na Mathilde tot aan Schorels woning te hebben vergezeld, eerst op haren terugweg den jongeling daar zoo ellendig liggende vond.Noch de zoogmoeder, noch haar zoon, waren door Van Male herkend geworden, en den ganschen nacht, dien Geertje wakende aan de bedstede had doorgebracht, gaf hij geen teeken van bewustzijn.Omstreeks negen uren in den morgen werd de bewoner der sierlijke kamers in de K....straat, nog steeds in den verschrikkelijksten toestand, op zijn fraaie legerstede neergelegd, en de dokter die, zooals hij bij zijn eerste bezoek beloofde, op dat tijdstip er mede verscheen, verklaarde met den luitenant niet over den toestand van zijn pupil te hebben gesproken, daar Van Meerle in een hevige koorts lag, terwijl hij ook als chirurg den luitenant niet weder dacht te bezoeken, aangezien een militaire geneesheer hem vervangen had.Naar zijne meening werd de zaak der verzorging een liefdewerk ’t welk aan niemand beter dan aan de vrouw kon worden toevertrouwd, die in den lijder zulk een groot belang stelde.Met den eigenaar van Willems kamer was alles weldra geschikt; bij noodzakelijke afwezigheid der weduwe zou hij of zijne vrouw mede een wakend oog houden, terwijl Frans—die toch niets te doen had—mede tot de verpleging behulpzaam kon wezen. En Geertje verlangde geen belooning; zij wilde trachten tóch haar gewone werk te verrichten. De verdiensten in ’t logement, ja.... die moest ze missen; maar wat maakte het uit, indien ze daarvoor in ruil met haar jongen slechts een matig stuk brood kreeg.Willem lag te bed.... akelig!Frans zat er bij om de gegeven bevelen van den geneesheer getrouw te volbrengen, en Geertje sloeg den vaal rooden doek weder om, want ze had door al het gebeurde haar belofte niet vergeten, om voor de belangen der beangste Mathilde en den belasterden zoon alles te doen wat haar zou mogelijk zijn.De lezer zal het waarschijnlijk hebben opgemerkt dat Schorels dochter, van het wreede lot, dat haar bedreigde, tot Geertje en Frans sprekende, tevens de bijzonderheid verhaalde—waaraan zij zelve echter weinig beteekenis had gehecht—dat Hak, de echtgenoot waarmede vader Schorel de jeugd zijner dochter bedreigde, dienzelfden avond—den avond vóór de aanteekening—zich niet als naar gewoonte in het winkelkamertje aan hare zijde was komen nederzetten.Zijzelve had bij die niet-verschijning weinig meer gedacht dan dat de spekslager.... gelukkignietverschenen was; en Schorel, die beweerd had zeer weinig van de verlovings-formaliteiten te kennen, had het er vast voor gehouden, dat het in den regel ’t gebruikwas, elkander den laatsten avond vóór het bruidschap niet te ontmoeten.Trouwens daar was eene andere oorzaak. De spekslager Hak was ongesteld geworden; hij had zoo’n hoofdpijn gekregen; zoo’n pijn door al de leden; de koorts... misschien wel de tering; dit boodschapte de spekslagersjongen, reeds vóór acht uren aan den komenijman—terwijl Thilde, vermoeid van een bijna slapeloos doorgebrachten nacht, nog te bed lag—tevens het vriendelijk verzoek van den baas er bijvoegende, om de mand te mogen hebben, waarin hij gisteren die varkensrib bezorgd had,—Schorel begreep er niets van—zonder dat de jongen een nieuw presentje van den baas meebracht, zonder dat hij de “compelementen” van den baas maakte, en zonder dat de baas als naar gewoonte liet vragen: “En compelement, hoe of mijnheer Schorel en de jongejuffrouw het maakten?”“De koorts!.. de tering?” Ware Frans nog in den winkel geweest—sedert diens vertrek had Schorel nog niet kunnen “reseleveeren om een loonknecht” te nemen, en een “maatje was zoo slecht te vertrouwen”—of ware Thilde maar present geweest, dan zou Schorel terstond naar de slagerij zijn gesneld om den dierbaren aanstaanden schoonzoon te bezoeken en moed in ’t lijf te spreken. Hoe erg het ook wezen mocht, veertien dagen zou hij ’t in elk geval nog wel kroppen.... dan weduwe, dát was tot daar en toe; hoe lang was hij-zelf niet weduwnaar geweest! Doch nu moest vader Schorel wachten totdat, na een onophoudelijk gebeuk op Thildes kamerdeur, met de woorden: “Kom je nog niet! er is een nare boodschap gekomen,” het meisje eindelijk met rood gekreten oogen verscheen, en Schorel, zonder dat te bespeuren, ter deure uit snelde om zoo haastig als zijn oude beenen hem dienen wilden, de slagerij van Hak te bereiken.Vreemd... ja, zeer vreemd staarde de hijgende komenij-man voor zich uit, terwijl hij op den drempel der slagerij staan bleef, toen hij den dikken Hak, met de rozen op de bolle wangen, het blanke mes tusschen de ribben van een zijner slachtoffers zag drijven. Het was alsof de grond hem onder de voeten wegzonk, toen hij den beminden, aanstaanden en zoo teringachtigen schoonzoon, geheel vervuld met de kunstsnijdingen welke hij verrichtte, zonder zijn komst te bemerken, een vroolijk: “Jan toerelesoer” hoorde aanheffen, en—den blik ter zijde wendende, den slagersjongen ontwaarde, die een knip-oogje met den knecht wisselde, en daarop in een schaterend gelach losbarstte.“Maar hoe!... Maar wat!... Maar Hak! Je bent!” stotterde Schorel: “Ik kan toch niet denken dat...”“Wat... blief..?” riep de spekslager, en zich verrast omwendende en zijn bezoeker herkennende, zette hij een gezicht nog vreemdsoortiger van uitdrukking dan dat ’t welk hem zoodanig verraste; terwijl de knecht, ten bewijze dat hij niets hoorde en niets begreep, het aangeheven lied van zijn meester vervolgde en doorzong: “Ma belle! ma belle,” en zijn liefelijk gezang met het hakmes accompagneerde.Jan de knecht was niets nieuwsgierig, en Frits de jongen evenmin, maar beiden hadden toevallig iets op den achtergrond te verrichten, toen een luidruchtig gesprek, dat tusschen den baas en meester Schorel in de achterkamer gevoerd werd, hun in de ooren klonk. Alles konden zij niet verstaan, want de baas die de teringachtige koorts had, sprak somwijlen zeer zacht, maar zij verstonden toch duidelijk, hoe Hak zeide:“Denk jij dat ik een vrouw met een leege hand zou nemen?” Waarop het antwoord van Schorel klonk:“Maar je wist immers dat ik geen geld, volstrekt geen geld heb.” En weder des spekslagers uitval:“Zou ik gek genoeg zijn om die kleeren en alles wat het mijne is, aan een schepsel te geven dat geen duit mee ten huwelijk bracht?” En Schorels bescheid:“Maar ’t was immers.... om in den winkel.... een hulp.... een toezicht....” totdat eindelijk de woorden dermate kruisten en als dooréén vlogen, dat Haks bedienden, die trouwens genoeg vernamen, verder vruchteloos hun gehoor scherpten, en eindelijk terwijl ze een luider “Jan toerelesoer” aanhieven, meester Schorel op zijn magere beenen den winkel zagen uitstappen, met een paar oogen flikkerende als dolken.Hij keerde huiswaarts, de teleurgestelde komenij-man, de onvoorzichtigheid verwenschende, die hem, wie weet hoe dikwijls reeds, had doen vertellen dat zijn dochter met Hak den slager ging trouwen zonder dat zij een duit behoefde ten huwelijk te brengen; zich de onnoozelheid verwijtende, die hem in Hak niets anders dan een trouwlustige had doen zien, terwijl alles in orde zou zijn gebleven indien hij meer “dipplematisch” zijn mond had gehouden, en eerst na de trouw zijn onvermogen had aan ’t licht gebracht.’t Kookte den komenij-man van binnen. De teleurstelling was bitter en groot, en ’t was met een ontzettend: “Wat wou je? hé...?” dat hij bij ’t binnentreden van zijn winkel, vrouw Geertje begroette, die, juist aangekomen, met de beminde van haren Frans sprak, met Thilde, die niet vermoedde dat het nu reeds beslist was dat het hedennietde eerste bruidsdag zou zijn.Vrouw Geertje, die evenmin de waarheid bevroedde, was in den aanvang door de barsche vraag wel eenigermate uit het veld geslagen, doch, op zulk een onthaal niet geheel onvoorbereid, verzocht zij in de zachtst mogelijke bewoordingen, om meester Schorel, al was ’t maar een paar minuten alleen te mogen spreken, in ’t belang van haar jongen, en in ’t belang van hem-zelven.... hem-zelven, want Geertje begreep toch niet ten onrechte dat het wezenlijk geluk van een kind den vader ter harte moet gaan.De uitval van Mathildes vader was weinig in harmonie met den zachten toon daareven door vrouw Willems aangeslagen. ’t Was, volgens zijn bitse verklaring, wel een gunstig gekozen tijdstip om over een ondankbaren dief te komen spreken! Ei, over zijn eigen belangen....? Nu dat ze dan maar spoedig voor den dag moest komen, daar hij het hoofd vol had met het beramen der middelenwaardoor hij dien nietswaardigen Hak zijn beleediging en zijn eervergeten gedrag omtrent Mathilde zou betaald zetten; den huichelaar, die vast beloofde Thilde te zullen huwen en nu schandelijk zijn woord gebroken had.’t Valt gemakkelijk te beseffen hoezeer vrouw Geertje, maar vooral ook het angstig vreezende meisje, verrast stond over het zoo even gehoorde.Terwijl de eerste zich niet had durven vleien om voor het bedreigde kind iets méér dan voorloopig uitstel te zullen bewerken, en de tweede, zelfs aan den goeden uitslag van die bemoeiing had gewanhoopt, zoo moest de overwinning—op welke wijze dan ook behaald—haar beiden wel ten zeerste verbazen en verblijden; maar zij gevoelden tevens dat het den overwonnene tot den hevigsten toorn zou voeren, indien zij hare vreugde openbaar maakten; en, terwijl vrouw Geertje, met den blik op Thilde gevestigd, slechts een “Beter ten halve gekeerd dan ten heele gedwaald!” liet hooren, viel Schorel, na de woorden zijner dochter: “Ach! vader, ik dacht wel dat Hak de rechte niet was!” met een woordenvloed in, waarbij hij der weduwvrouw de—voor Mathilde zoo streelende verzekering gaf, dat het een kruis was kinderen te hebben, en bepaaldelijk dochters; dat ze tot niets nut waren, en dat men ze voor anderen groot bracht, terwijl die anderen dan nog wel meenden dat de grootbrenger van zijn armoede, alsof er geen opkomen aan was, een deel zou medegeven!—onder welk verslag de weduwvrouw had opgemerkt dat meester Schorel drie malen Gods zegen en vijf malen de straffe der verdoemenis over zijn grijze kruin had afgesmeekt!Met recht begreep vrouw Geertje dat het noodeloos woord- en tijdverspillen zou wezen, om den zoozeer ontstemden man nogmaals over de belangen van haar jongen te spreken; wellicht zou zij later, in kalmer oogenblikken, met meer voordeel die zaak kunnen bepleiten; en na Thilde hartelijk de hand te hebben gedrukt, welke handdruk met een bijzonder vuur werd beantwoord, groette vrouw Willems den komenij-man vriendelijk, maar vertrok zonder een antwoord op hare vraag: of zij later nog eens terug mocht komen om over Frans—hij wist wel—te spreken?Ongeveer twee dagen nadat Willem Van Male in zijn ellendigen toestand door vrouw Geertje en haar zoon werd gevonden, kwam hij tegen den avond voor de eerste maal tot eenig bewustzijn.Het hoofd naar de zijde wendende waar de gordijnen waren geopend, beschouwde hij met strakken doch doffen blik langdurig de vreemde vrouw, die naast zijn ledikant was gezeten en die, verdiept in haar arbeid, het niet bemerkte dat de lijder haar gadesloeg.Werkelijk ontstelde Geertje toen de stilte die er in het vertrek heerschte—want Frans deed een boodschap—eensklaps werd afgebroken, en zij de krachtelooze stem uit het ledikant vernam, met de vraag:“Wie ben je?”In den aanvang wist Geertje niet wát te antwoorden.Zij had den lijder reeds zoo dikwerf, maar ijlende, op een geheel anderen toon hooren spreken, en ook natuurlijk tot hém gesproken, hem nu eens tot rust vermanende, terwijl zij dan weder, hoewel te vergeefs getracht had zich aan hem bekend te maken. Niet zonder eenige verwarring uitte zij dus de wedervraag: of mijnheer waarlijk wakker was?“Maar wie ben je toch, en waarom zit je hier?” klonk het weder dof: “Ik ken je niet.”“Ach! God zij gedankt!” sprak Geertje, terwijl zij haar werk liet varen en met de beide handen de vermagerde hand van den lijder vatte, waarmee hij bij de laatste vragen met een machtelooze beweging gepoogd had de gordijnen wat meer open te schuiven. “God zij dank! hij is dan weer bij kennis. Ach, Wimpje.... mijnheer Willem....! Neen, u kent mij zeker niet meer? Neen! nietwaar? Of zou Geertje nog niet te veel verouderd zijn? Och! u waart nog maar even tien jaren toen zij van u heenging. Och Wimpje! zie eens, zie eens, kent u mij nog....?”“Maar zeg dan wie je bent!” sprak de doffe stem weder, en ’t scheen wel of dat telkens vragen hem vermoeide of verveelde.“Geertje!—Geertje Willems!” klonk nu haastig het antwoord der vrouw: “Och! dat ik u zoo naar en zoo zwak moest wedervinden! Maar tóch dank ik God dat ik u nog levend terugvond! En zoudt u waarlijk iets beter zijn?” liet zij er spoedig op volgen, terwijl het op haar gelaat te lezen stond hoezeer haar een “ja” zou verblijden.“Ik ken je niet! Neen. En beter ben ik ook niet.... hoewel ik niet ziek ben,” klonk het doffe antwoord van den ongelukkigen jongeling, en, ofschoon hij niet beproefde de hand, die vrouw Geertje nog in de hare hield, terug te trekken, wendde hij toch het hoofd af en sloot de oogen.’t Was een bittere teleurstelling voor Geertje dat ze die woorden moest hooren uit den mond van hem, voor wien haar gevoelig hart zoo warm en zoo teeder klopte. Neen, ze vermocht geen woord uit te brengen, maar met een gelaat waarop de smart die ze ondervond zoo duidelijk was te lezen, bleef ze op den armen Willem nederzien, en drukte nog steeds zijn hand, als hoopte zij dat die taal beter zou verstaan worden.Zie, daar wendde hij opnieuw het hoofd naar de zij waar Geertje stond, en terwijl de matte oogen zich nogmaals op haar vestigden, sprak hij langzaam:“Maar ben je dan de vrouw waarvan ik gedurig droomde,—ook in dezen nacht die zoolang heeft geduurd? Ben jij het met wie ik nog onlangs heb geworsteld, zóó sterk.... hé?” en de jongelingrilde: “dat ik niet ontkomen zou zijn, indien niet hij....!” Maar eensklaps rukte Van Male de hand welke Geertje nog vasthield, los, en recht voor zich uit wijzende, terwijl zijn blik zich mede in de aangewezen richting vestigde, vervolgde hij dof maar gejaagd:“Hij die daar staat!—Weg, weg!—Hij was het,—ja, hij—die mij losrukte en meenam naar het huis waar ik kokende olie moest drinken.—Nog brandt het hier binnen—gloeiende kokende olie.—Pijn! pijn!—Waar een kleine slang, zoo fraai van vorm en kleuren, en zoo hel van oogen, mij aanstaarde.—O! weg, weg!” gilde hij sterker, en wierp, terwijl Geertje het angstzweet uitbrak, met de beide handen de dekens ten deele van zich af: “Weg! help! zij steekt mij in ’t hart.—Pijn! pijn!—”Zóó akelig had vrouw Geertje hem nog niet gezien. Die arme jongen!“Wees voorzichtig!—Voorzichtig! Hij staat dáár!—met die zwarte knevels en dat hooge voorhoofd.—Weet je wat achter dat hooge voorhoofd zit?—ik zag het straks!—Zie, hij lacht! hij lacht!—help! help!!”Machteloos en buiten kennis zonk de ongelukkige, die zich bij de laatste woorden overeind had gericht, in zijne kussens terug, en roerloos bleef hij totdat de dokter verscheen, die door de ontstelde vrouw in allerijl was ontboden.Wij zouden te veel van het geduld vergen, indien wij een breedvoerig verslag gaven van ’t geen er verder gedurende eenige dagen in het rijk gestoffeerde vertrek der ellende voorviel. Genoeg zij ’t te melden dat er geen belangrijke verandering in die dagen plaats greep, en hoewel Van Male niet weder in zulke hevige uitvallen verviel, bleek het toch, zoo vaak men hem bij kennis waande, dat de vrees voor een verstandsverbijstering nog niet als ijdel kon beschouwd worden. Telkens was hij op het punt om Geertje of den speelmakker zijner kinderjaren te herkennen, maar telkens ook werd dit gewenschte uitzicht weder verijdeld.Eindelijk echter viel der trouwe zoogmoeder het geluk dier vurig gewenschte herkenning ten deel. Met een blos der innigste verrukking hoorde zij op zekeren morgen uit den mond des jongelings, dien zij sluimerende dacht, de verblijdende woorden:“Ja, ik weet het wel, dat je de goede moeder Geertje bent.”Van dat oogenblik af week de vrees van den dokter, en werd Willem Van Male, ofschoon ellendig en zwak, weer van de ketenen verlost die zijn rede hielden gekluisterd. ’t Is nu, in denVoltairegezeten, met het hoofd aan vrouw Geertjes boezem geleund, dat wij hem wedervinden.“En zou dat mogelijk zijn Geertje?” vraagt de zwakke, terwijl hij de oogen tot de vrouw opheft, die vertroostende woorden tot hem sprak.“Mogelijk, Willem?” antwoordt de zoogmoeder: “Het is een vaste en zekere waarheid! Je hebt immers gehoord wat er geschreven staat, namelijk dat hij die gedoopt is en gelooft, de zaligheid zal beërven.”Willem zwijgt een poos, maar eindelijk slaakt hij een zucht, en zegt:“Maar Geertje, ik heb niet geloofd.... zelfs heb ik maar zelden aan God gedacht. Alleen deed ik zulks wanneer ik mij de woorden herinnerde, die mij bij ’t afscheid op “Land-heil” uit uw mond naklonken: “Wees braaf! God, die u altijd ziet, heeft de brave kinderen lief!” Die woorden zijn altijd in mijn geheugen gebleven. Onwillekeurig kwamen ze mij, soms in de luidruchtigste gezelschappen of te midden der bedwelmendste genietingen, voor den geest; maar, hoewel ze mij deden ontroeren, vooral toen ik pas begon de wereldsche, mij vreemde genoegens te kennen, dat denkbeeld zelf leerde ik hoe langer zoo meer verdragen;ikwas toch geen kind meer,ikwas man geworden!hij—hijzeide het mij meermalen. O Geertje, zeg, ben ik niet vreeselijk ellendig? Zou dat woord, straks door u gesproken, ookmijkunnen redden? Gelooven! alléén gelooven?—Neen, neen, ’t is onmogelijk, je hebt ook andere woorden gelezen Geertje! “Daar zal zijn weening en knersing der tanden.” Geertje! och! houd mij wat vaster—ik word weer zoo vreeselijk koud; ik beef zoo—Geertje! neen, het is onmogelijk!”Maar neen! het was niet onmogelijk. De trouwe zoogmoeder zou er voor waken.Aandoenlijk was het, de goede vrouw daar met den ongelukkigen Willem te hooren spreken, en hoe zij, bij al wat te vergeefs werd aangewend om de krachten van het lichaam te herstellen, de vonken van ’t leven des geestes in hem aanvuurde, zoodat hij na verloop van weinige dagen, een blij ontwaken aan gene zijde van het graf voor mogelijk hield. Ja, al gevoelde hij ook dat er in een der vele woningen waar hij den blik zou opheffen, de smart over het hier bedreven kwaad hem de vreugd zou verbitteren, hij vertrouwde toch op de genadige ontferming des Scheppers, op de liefde van Hem, die—volgens de meening der goede eenvoudige vrouw—metvele, maar ook metweinigeslagen zal slaan.Nu, Gode zij dank! al waren zijn leden ook slap en zijn vermagerde handen koud, hij rilde niet meer, maar voelde zich sterk met zijn hoop op een betere wereld. Hij vreesde den man niet meer die, zooals Claudius zegt: “er zelfs vriendelijk zal uitzien indien men hem lang aankijkt.” Neen, hij sidderde op zijn aanblik maar zelden, en toch—toch stond vriend Hein steeds vóór hem. Lag de arme jongen in zijn ledikant, dan trad de sikkelvoerder uit de gordijnplooien te voorschijn, en trok de kakebeenen tot een lach, een vriendelijken lach, alsof hij zeggen wilde: “’t Gaat goed mijn jongen! niet als een vijand maar als een vriend zal ik u de hand reiken.” Zat hij voor het bed in den gemakkelijken leunstoel, dan stond de ontvleesde man als naar gewoonte bezijden de prachtig gevuldeétagèreen lachte alweder, maar immer vriendelijk, en ’t was alsof hij fluisterde: “Ik wacht slechts totdat ge uw reisgoed bijeen hebt.”Ja, Willem zag hem zonder vrees; maar toch werd hij droevig, wanneer hij hem langdurig beschouwd had en, vermoeid zijne oogen sluitende, in de duisternis die hem omgaf toch alweder het beeldvan den levensmaaier ontwaarde, en aan diens zijde een fraaien blonden knaap, een knaap—met de rozen op de lachende wangen, een ruiker van de schoonste bloemen op de borst, en in zijn hand een krachtig wapen, waarmede hij een aantal zwarte wezens, die aan zijn voeten kropen, dreigde te vernietigen. Ja, de lach van dien knaap bedroefde hem meer dan de lach der ontvleesde kaken; een wijle toch was het hem als herkende hij in dien knaap zijn eigen wezen; als werd hij één met hem; als stond hij in zijne plaats; als—maar plotseling weder ontwakende lag hij als vroeger machteloos neder, en zag hoe hij meer naar hém geleek, die naast deétagèrestond, en dan—dan blonken er een paar tranen in de oogen, die maar kort meer het zonlicht zouden opvangen. Zóóals die knaap was, had hijmoetenzijn, en nu—o God!—en nog zoo jong!Was het vreemd dat de jonge Van Male, zelfs nadat hij uit de geestverdooving ontwaakte, niet vanhemsprak, nochhemwenschte weder te zien, aan wiens hand hij “zijn jeugd” had genoten? Was het vreemd dat, zoodra het beeld van Joost Van Meerle zich aan zijn geest vertoonde, er zich een nog pijnlijker trek dan gewoonlijk over zijn gelaat verspreidde?Vreemd? Evenmin als het vreemd is dat de wandelaar, die in het vriendelijke morgenlicht zijn weg vervolgt, den nacht niet terugwenscht, die hem belette de gevaarlijke punten op zijn pad te ontwijken.Vreemd? Niet vreemder dan dat een donkere schaduw het aardrijk grauwt wanneer een zwarte wolk den zonneglans verduistert.Willem vraagde niet naar den voogd, en verscheidene weken verliepen er eer Joost Van Meerle,—wiens toestand, vooral na de amputatie van zijn rechterbeen, niet zonder zorg te wekken geweest was,—een briefje van den volgenden inhoud aan zijn pupil deed toekomen:

’t Was na eenig vruchteloos wachten—vermoedelijk dewijl zijne vragen niet waren verstaan—dat eindelijk nogmaals doch sterker, het deurgebons werd herhaald, en de verfijnde mansstem ook luider klonk met de woorden: “Vrouw Willems! Frans! ik ben het! Doe toch open!”Niemand zag Frans, want in de kamer was het donker, maar toch, toch kreeg hij een kleur, een kleur zoo verschrikkelijk rood dat de tranen er hem van in de oogen sprongen.“Moeder! moeder!” riep hij eindelijk luide: “heb je ’t verstaan....? moeder! zij is het, Thilde...!” en harder riep hij, met den mond vlak voor de deurreet: “Thilde! ben jij het...? ben jij het waarlijk die klopt?” En toen een: “Ja, Frans,” duidelijk werd vernomen, toen beefde moeder Geertje niet meer, maar beefde Frans, en beefde zoo, dat hij haast den grendel niet kon verschuiven, en zoo, dat hij het slot haast niet kon omdraaien, en zoo, dat, toen moeder met een lucifer haar lampje weder had aangestoken, en door de nu geopende deur, te gelijk met den kouden luchtstroom, Schorels dochter naar binnen kwam, hij van beverigheid niet wist wat hij deed, en ’t geen hij nooit gedaan had, nu onderstond, en de beminde van zijn hart in de bevende armen sloot.Mathilde,—die zich geenszins aan de omhelzing van Frans onttrok en daardoor stilzwijgende beleed dat hare oogen nimmer onwaarheid hadden gesproken,—was in de eerste oogenblikken niet in staat om op de vragen van vrouw Willems te antwoorden; die vragen, zij drukten de grootste verwondering uit over de late verschijning van het meisje, dewijl het eerste uur na middernacht reeds lang verloopen was.Neen, Mathilde kon in den aanvang niet spreken, overspannen door al wat zij in die dagen, sedert Frans de woning van haren vader verliet, moest verkroppen, door ’t beramen en ten uitvoer leggen van het plan om deze nachtwandeling te ondernemen, en door den angst, dien zij gedurende dien loop had doorgestaan.’t Was noodig dat vrouw Willems met een kommetje water de ontstemde zenuwen van haar bezoekster een weinig tot bedaren bracht, want in weerwil dat het meisje haar nu en dan een kort bescheid op hare vragen gaf, die antwoorden klonken dermate verward, dat de goede vrouw er geen greintje wijzer door werd.In ’t einde na eenigszins hare kalmte te hebben terugbekomen, nog altijd door Frans omvat, die zonder te spreken, wel nimmer een sterkere liefdesverklaring dan hij nu deed, had kunnen ontboezemen; nog altijd tegenover de verwonderde vrouw, die haar oogen niet gelooven kon dat ze Thilde Schorel in den arm vanhaarjongen, indituur, binnenhaarkamertje zag, begon het meisje geregeld te verhalen, terwijl ze moeder en zoon al met de eerste woorden uit den waan hielp, datzij’t zou geweest zijn die Frans het muntbiljet had toegestopt.Met een stem, die genoeg verried hoezeer zij den knaap beminde die haar tengere leest omvatte, gewaagde zij van de pijnlijke gewaarwording telkens door haar ondervonden, wanneer naar vader, aan de winkelklanten van de schandelijke ontrouw had gesproken, waarmede Frans zijneweldadenhad beloond, terwijl zij overtuigd was dat een misverstand, een vergissing, den goeden jongen in een verdacht licht moest geplaatst hebben; hoe zij telkens met verwijtingen was overladen wanneer zij vader had aangeraden om kas en boeken te raadplegen, die wellicht zouden aantoonen dat Frans onschuldig was;—hoe eenige dagen later, haar vader werkelijk had zitten tellen en rekenen, en, toen hij gedaan had, en alles met een kalm gelaat had weggeborgen, op hare vraag: “Vader! is Frans onschuldig?” had geantwoord: “Waar zou hij ’t anders vandaan hebben?” een antwoord, ’t welk haar,—die den vader maar al te wel kende—zoogoed als een volledige vrijspraak in de ooren had geklonken.Niet zonder eenige aarzeling verhaalde Mathilde verder, hoe haar verzoek om den miskenden eerlijken Frans weer in genade aan te nemen, den vader in den hevigsten toorn had doen ontsteken, terwijl hij haar dreigend had afgevraagd: wat haar zoo groot belang in dien ondankbare deed stellen, niet hopende datiets andershaar zoo meelijdend maakte, en hij haar eindelijk kort maar zakelijk geboden had, om, “nooit of nimmer weder den naam van die adder te noemen, waarvan hij niets wilde zien en niet wilde hooren.”“Twee dagen later kwam vader met den spekslager Hak het winkelkamertje binnen” vervolgde Mathilde blozend: “en terwijl die ruwe man zich vrijpostig naast mij nederzette, zich beroemende, dat hij meer dan duizend varkens in het jaar slachtte en ik dus niet weinig tevreden zou zijn indien hij mij tot vrouw nam—vooral ook omdat hij sedert de vijf maanden dat hij weduwnaar was, geen stuur in den winkel kon houden,—keek vader mij doordringend aan en zei, toen Hak ophield met spreken: “Thilde! ik begrijp dat het tijd voor je wordt; je hebt den leeftijd, en bij mijnheer Hak zul je geen gebrek lijden.” “O!” hernam het meisje, nadat ze een oogenblik gezwegen en Frans eenige verontwaardigde woorden ontboezemd had: “ik weet niet wat er verder gesproken werd; mijn hart klopte mij zoo pijnlijk sterk, en in mijne ooren suisde het zóó dat ik telkens meende te zullen neervallen. Waarlijk, ik geloof dat ik het toen op mijne zenuwen heb gekregen, want ik begon te huilen, en weet zelve niet wat er verder met mij gebeurd is.”“Verder! verder?” riep Frans.“Tot mijn bewustzijn teruggekomen,” sprak Mathilde weder: “stond vader naast mij, en verweet mij dat ik mij schandelijk en dwaas had aangesteld; sprak weder van een verbintenis met den zestigjarigen spekslager, en deed de aankondiging er bij, dat ik binnen eene maand zou trouwen. Hak had hem verzekerd, dat de kleeren zijner overledene vrouw, hoewel zij gezetter was dan ik, zeer wel door mij konden gedragen worden, zoodat er voor mijn uitzet igeen cent uitgegeven en geen steek behoefde gewerkt te worden.”Het zal zeker niemand verwonderen dat Frans het meisje steeds vaster aan zich sloot, als zag hij den gevreesden spekslager reeds met de eene hand in Mathildes blonde haren, en in de andere een akelig slachtmes geklemd.Ja, vaster klemde Frans zijn lieve Thilde aan ’t hart, en in weerwil der treurige zaak, waarmede het meisje hem bekend maakte, was zijn gemoed toch oneindig minder bezwaard dan toen hij straks met zijne moeder alleen was.Hoe kon het anders: Mathilde had hem lief! Zijn hart klopte naast het hare, haar hand rustte in de zijne. Uit haren mond vernam hij, dat zelfs de hardvochtige vader, al wilde hij geen ongelijk erkennen, overtuigd van zijne onschuld was, en hem alzoo te eeniger tijd wel recht zou laten weervaren.De engel der liefde doet lijden vergeten, en schenkt moed om een donkere toekomst tegen te gaan.De engel der liefde stond naast den goeden jongen, in de gedaante van zijn Mathilde, en met vuur riep hij, terwijl hij de beminde in haar blauwe oogen zag:“Geen nood Thilde! geen nood! De goede God, die u in dezen stond, ten aanschouwe mijner lieve moeder, aan mijn hart legt, zal ons niet verlaten.”Bedaarder dan zij tot hiertoe gesproken had, vervolgde nu Mathilde, en verhaalde, hoe een vreeselijke onrust zich van haar meester gemaakt, en gedurig op een middel had doen peinzen om het akelige lot, dat haar te wachten stond, te ontgaan. Des avonds, tusschen licht en donker, was steeds de akelige spekslager zich in het winkelkamertje aan hare zijde komen neerzetten, en ofschoon hij gewoonlijk weinig meer dan twee malen—bij ’t komen en gaan—een: “Goeden avond Juffrouw Thilde!” tot haar gezegd had, en slechts gekomen scheen om met vader over hammen en spek en pooten en ooren te spreken, zoo was haar dat schemeruurtje toch méér dan verschrikkelijk geweest, want, van ’t begin tot het einde was haar hand in die van den spekslager besloten gebleven.... de groote hand, die zoo vet en akelig was, bah! terwijl de hare—als één met de zijne—genoodzaakt werd tot alle gesticulaties mee te werken, zelfs tot die waarmee hij de kunstgreep aanschouwelijk maakte, waardoor een varken den laatsten adem moest uitblazen.“Ware Hak mij niet reeds om zijn persoon afschuwelijk geweest,” sprak het meisje: “alleen de herhaling van zijn machtige geschenken zou het mij gemaakt hebben; want, geen morgen ging er voorbij of ik hoorde vader in den winkel: “Compliment, en vriendelijk bedankt,” zeggen, waarop ik onmiddellijk in last kreeg het vette geschenk voor den middag gereed te maken.... en, Frans! je kunt begrijpen hoeik—aan schrale kosten gewend—te moede was, wanneer mijn vader mij krachtig beval om er van te eten opdat ik er smaak in zou hebben wanneer ik met Hak in den echt vereenigd zou zijn.“Morgen,” hervatte Thilde, nadat ze van een lichte rilling bekomenwas: “morgen zal inderdaad, zoo God het niet verhoedt, een huwelijk tusschen dien man en mij worden aangeteekend. Was mijn onrust gedurende al die dagen groot, gisteren gevoelde ik waarlijk mijzelve niet meer. Ik heb vader gebeden en gesmeekt om toch mijn hart niet te dwingen, maar niets kon baten, en ’t was zelfs op een toon zóó zacht en vriendelijk, dat ik om de ongewoonte er van, waarlijk geroerd werd, dat vader mij vermaande in stilte zijn wil te volgen. Hij verzekerde mij verder dat Hak de beste man van de wereld, en in geenen deele onbemiddeld was; dat zoo’n huwelijk eervol mocht genoemd worden en menig jonge dochter er met jaloerschheid van spreken zou. Ach! niets kon mij troosten, ik heb alles gedaan wat ik kon om moed te scheppen, omdat vader zoo gaarne zou zien dat ik blijmoedig zijn wil deed; maar neen, niets mocht baten, en toen ik begon te zingen om te beproeven of dat helpen zou, ziet, toen sprongen mij dadelijk de tranen in de oogen, en huilde ik zóó hard, dat ik er zelve bang van werd. Ja, Frans! zie je, ik dacht den geheelen tijd aan jou en wilde telkens naar je toe gaan; ieder oogenblik dacht ik de deur uit te vliegen om me aan jou toe te vertrouwen, doch telkens aarzelde ik weder, want vader zat steeds op zijn gewone plaats voor het winkelraampje. Zóó kwam de avond. Gode zij dank! Hak kwam niet. Wij spraken weinig, maar toch deed ik mijn best om een vriendelijk gelaat te toonen. Om halfelf wenschte ik vader een goeden nacht. Op mijn kamertje gekomen hoorde ik hoe hij als naar gewoonte, de reeds gesloten voordeur grendelde.... hoe hij in het geheele huis de ronde deed en de deur zijner kamer achter zich sloot. Ik luisterde, en hoorde verder een geklank alsof er geld werd geteld, maar eindelijk kwam alles tot rust. Wel een uur bleef ik luisteren, telkens mijn plan willende volvoeren, en dan weder vol vreeze van ontdekt en verhinderd te zullen worden. Het minste geluid trof mijne ooren. In ’t einde kon een telkens wederkeerend gebrom.... niets anders dan het geronk van vader zijn. Hij sliep dus. Ha! een rijtuig rolde door de steeg; dat oogenblik nam ik te baat om de deur mijner kamer te openen, en van het leven daarbuiten verder partij trekkende, spoedde ik mij de trappen af, en bevond mij juist in den winkel, toen het geluid van het rijtuig in de naburige straat verdween. De sleutel der winkeldeur, die op zijn gewone plaats bezijden het leitje hing, had ik spoedig in handen, doch vreezende dat het leven, ’t welk het ontsluiten en ontgrendelen noodzakelijk moest veroorzaken, vader zou wekken, wachtte ik opnieuw tot het geraas van een rijtuig het gerucht ’t welk ik moest maken, zou overtreffen. O Frans! je kunt je niet voorstellen hoe lang mij iedere seconde duurde; iedere minuut was mij meer dan een uur, en het uur dat ik daar wachtende doorbracht is een uur geweest, wel honderdmaal zoolang als eenig uur, dat ik tot heden beleefde. In ’t einde.... daar rommelde het weder over de straatsteenen; fluks.... den sleutel in het slot.... omgedraaid! den grendel ter zijde geschoven.... de bovenknip losgetrokken, en juist, juist was het rijtuig onze deur voorbij, toen ik met een gejaagdensprong buiten den winkel stond en van buiten de deur in het slot draaide.”Frans zag zijn beminde aan alsof hij een Kenau Hasselaer in haar bewonderde; en toen zij ten slotte nog had verhaald, hoe zij bevende den weg naar de D....steeg had ingeslagen, en eindelijk op de H....gracht gekomen, door een persoon, die nog een ander aan den arm had, was aangevat, maar door een krachtigen ruk, aan die vermetele hand was ontsprongen; hoe zij in allerijl zich voortspoedende, evenwel de schreden van den persoon die haar aangreep, achter zich vernemende, zonder den naasten weg te kiezen, straatuitstraatinhad voortgerend, totdat zij hier eindelijk, den Hemel zij dank! behouden was aangekomen.... toen sloeg ook Frans den anderen arm om haar heen, en.... zoende haar.... ja, hij zoende haar op het heldere voorhoofd, en noemde haar voor de eerste maal zijn.... “Lieve Thilde!”“Ja Frans! ik wist wel dat ik hier raad en steun zou vinden,” sprak het meisje weder: “Mijn eenige hoop was op jou en je goede moeder gevestigd. Hier zul je mij schuil houden.... nietwaar....? hier....” en terwijl de lieve blonde nog verder sprak, en Frans opgetogen: “ja wel” zeide, en: “wel zeker, ik zal wel zorgen,” staarde moeder Geertje bedenkelijk in het vlammende oliepitje, werkte de brandende katoen wat terug in het koperen buisje—want die vlam behoefde zoo groot niet te zijn,—en eindelijk, toen Frans juist verzekerde dat, zoolang alshijer nog was, de lieve Thilde niets te vreezen had, enhijwel zorgen zou dat zij geen gebrek kreeg—de arme jongen, die geen cent kon verdienen, wat maakte de liefde hem sterk!—toen zuchtte de moeder, en zei op vriendelijken maar toch ernstigen toon:“Neen kinderen, dat kan en dat mag zoo niet wezen. Dat ik niets vuriger dan je geluk begeer, mijn jongen, dat weet de goede God; en dat ik medelijden met jou heb, lief meisje, dat wil ik je gaarne toonen; maar mijn toestemming aan een even dwaze als wederrechtelijke daad geven, en het kind van een vreemde in mijne kamer te verbergen.... Frans je begrijpt wel, dat is mij niet geoorloofd. Wat zou het einde van zulk een handeling zijn? Zelfs al ware het niet in strijd met onzen plicht, en al verbood de wet der kieschheid Mathildes inwoning in deze kamer niet; hoedwaasware het, haar bij ons te willen verbergen! Hoe spoedig zou meester Schorel toch de waarheid vermoeden en zijne dochter als een rechtmatig eigendom naar zijn woning doen brengen, tot schade voor haar, en voor jou, en voor mij!... Neen, neen,” vervolgde Geertje, daar Frans haar de zaak nog aannemelijk wilde voorstellen, terwijl Mathilda, op de gedachte aan een wederkeeren in het pas verlaten huis, en aan hetgeen er morgen gebeuren moest, de tranen niet kon weerhouden: “neen, ik zal met Gods hulp alles beproeven wat strekken kan om je beider geluk te bevorderen. Indien baas Schorel voor zich zelven van je onschuld overtuigd is, dan zal hij aan de smeekingen eener moeder wel gehoor geven en je—zoo niet bij zich terugnemen, dan toch een goede getuigenisvan bekwaamheid en trouwe diensten schenken. Wanneer zijn hart niet harder dan steen is, zoo zal mijn mond hem ook tot andere gedachten betreffende het huwelijk brengen, waaraan jij, lief kind, en met recht een afkeer hebt. Gelooft mij kinderen!” besloot de goede vrouw: “wat in mijn vermogen is zal ik voor je geluk beproeven, maar denkt als verstandigen, en antwoordt mij of het recht en verstandig zou wezen indien ik aan je verlangen gehoor gaf?”Frans zweeg, en Mathilde zweeg ook; maar terwijl er in den blik, dien de knaap op zijn moeder wierp iets, wij zouden zeggen vertrouwends, lag opgesloten, een vertrouwen op de moederlijke welsprekendheid, en de hulp van Hem zonder wiens wijzen wil geen muschje op de aarde valt, werd er op het gelaat van het anders zoo lieve en brave meisje, die echter nooit door een teedere moeder was onderwezen, en slechts—met eerbied gezegd—een kerk- en catechisatie-God leerde kennen, een uitdrukking van pijnlijke teleurstelling zichtbaar, van teleurstelling en van misnoegen tevens, en de woorden: “Maar wat, maar wat dan...!?” hokten haar in de keel.Nogmaals bracht vrouw Geertje aan Schorels dochter het onbetamelijke van haar verlangen onder het oog, en wist eindelijk het meisje dermate van de waarheid harer bewering te overtuigen, dat Thilde, ofschoon een tranenvloed haar het spreken belette, er al snikkende in toestemde, om naar de vaderlijke woning terug te keeren, even stil als zij ontvluchtte weder binnen te gaan, en zich te bed te begeven, na vooraf den goeden God te hebben gesmeekt om het ongeluk, dat haar boven het hoofd hing, genadig af te wenden; terwijl vrouw Geertje nogmaals beloofde dat zij doen zou wat haar mogelijk was om, zoo God wilde, het middel te zijn, waardoor Thilde van een verschrikkelijk dwangjuk zou bevrijd worden.En werkelijk verliet Mathilde, hoewel met een beangst gemoed, eenige minuten later, vrouw Geertjes kamer, en daar de moeder het niet had willen toestaan dat Frans zijn beminde alleen naar de G....steeg zou vergezellen, en Frans op zijne beurt niet mocht toelaten datmoederalleen medeging, zoo traden—ruim twee uren na middernacht—vrouw Willems en haar zoon mede naar buiten, en vervolgde ons drietal, met verschillende gewaarwordingen, den weg die hen naar de G....steeg voerde.’t Was voor een nacht in de eerste helft van November bijzonder koud. De vorst was gelaarsd en gespoord binnengekomen, en waar zij over de vochtige stoepen en straatsteenen—want den geheelen dag had het sterk gemist—henentoog, daar had zij het bewijs van haar vochthardende kracht achtergelaten.Vlug als zij was, had Mathilde, toen zij den gejaagden loop naarvrouw Geertjes kamer vervolgde, door angst en hoop gedreven, niet bemerkt dat de straten op de meeste plaatsen zoo bijzonder glad waren, en evenmin vermoedde zij toen, dat de wintervorst hare ontsnapping uit de handen van hem, die haar met bedwelmde zinnen had nagezet, bewerken mocht.In waarheid, de sterke heldin der korte dagen en lange nachten, zoo dikwerf als een ijzegrim voorgesteld, en als een monster uitgekreten, had zich voor Mathilde een bereidwillige helpster betoond. Bewogen met het arme kind, dat daar zoo laat en alleen haar “te huis” zocht, had zij haren onbeschaamden vervolger met krachtige handen, onder zijn beide schoenzolen te gelijk aangegrepen en achteruit gerukt.... zoodat het geheele lichaam voorover op de steenen was neergesmakt. Of de vochthardende vorst ook hardvochtig genoeg was om te lachen, toen de gevallene met een akeligen doch gesmoorden kreet bleef liggen, weten wij niet; maar heeft zij gelachen, dan zeker alleen uit groote blijdschap, dat de blonde ontkwam; want, de vorst der lange nachten is toch ook een trouw en gehoorzaam onderdaan van dien grooten en eenigen Vorst, die ernst wil van den vazal, dien Hij de tuchtroe in handen geeft.Zooals Mathilde met weinige woorden verhaald had, was zij, vluchtende voor den bedoelden persoon, van den kortsten weg afgeweken, zoodat zijnu, met Geertje en Frans den naasten weg volgende, niet de straat doorging waarin de vervolger nederviel.Lag hij er nog de ongelukkige? Hadden andere nachtwandelaars of ratelwachts hem binnen een woning gedragen? Mathilde weet het niet, want zij had niet vermoed dat een val haar van zijn vervolging bevrijdde; en nu vervuld met zich zelve, denkt zij evenmin aan hém, als aan dien tweeden persoon, die bij de ontmoeting op de H....gracht aan zijn arm met wankelende schreden voortging.Ook wij hebben geen lust om den gevallene voor ’t oogenblik op te zoeken, maar blijven—terwijl we ons drietal reeds uit het oog verloren—op den hoek der H....gracht een oogenblik staan, dewijl het ons voorkwam als hoorden wij een zacht maar pijnlijk gekreun in de richting daar.... van dat vierkante huisje, waarbij die geketende kruiwagens liggen.’t Is een naar geluid dat kreunen, waar ge ’t ook hoort, maar vooral wanneer dat geluid, in het nachtelijk uur, op de verlaten straat uw ooren treft, en ge een oogenblik toeft eer ge nader treedt.Van de overzijde komen menschen de sluisbrug op. De koude doet hen, zooveel de gladheid zulks toelaat, den tred verhaasten. Ja, wij bedriegen ons niet, zij zijn het, die we straks uit het oog verloren; doch ’t zijn er twee, terwijl wij er drie in de duisternis zagen verdwijnen. De gas-lantaarn, die ze juist voorbijgaan, beneemt ons allen twijfel; maar al hadden wij door die lichtstralen vrouw Geertje niet aan haar vaalrooden omslagdoek, en haar zoon aan zijn bruine jas herkend; de woorden: “Wél een vreemde nacht, moeder! mocht er voor de lieve Thilde en ook voor mij iets goeds uit voortkomen!” die woorden zouden ons terstond zekerheid hebben gegeven; terwijl het antwoord: “Frans! de mensch wikt, maar God beschikt,en in die beschikking moet de mensch met tevredenheid berusten!” ons toch de weduwe van Peter Willems zou hebben geteekend, braaf en Godvreezend, zooals we haar reeds van den aanvang af leerden kennen.Zie, ’t is alsof Geertje en Frans regelrecht op de plaats toetreden, waar het gekreun nu sterker wordt.Een kreet ontsnapt aan den mond der vrouw, en de knaap aan hare zijde roept met een stem, die mede de hevigste ontsteltenis verraadt: “Moeder! moeder! daar ligt een mensch!”’t Schijnt eerst alsof moeder en zoon, verrast en ontsteld, eensklaps van de zijde afwijkende, waar die klaagtoon rees, tegenover den ongelukkige willen voorbijgaan; doch weder klinkt de stem der vrouw: “Neen Frans! dat mogen wij niet.—Laat ons zien, misschien kunnen wij helpen!” En nadat wij ons tweetal op de donkere plek zagen toetreden, vernemen wij eenige onverstaanbare woorden, terwijl het gekreun nog sterker en heviger klinkt, en hooren vervolgens duidelijk den uitroep: “Moeder! moeder! ik bedrieg mij niet.... hij is het!” en daarop de woorden: “Mijn God! mijn God! zou het mogelijk zijn!” en hooren wij eindelijk, nadat het gesprek op die duistere plaats nog eenigen tijd is vervolgd, een geschuifel; een nog akeliger kreunen, en op een heeschen en afgebroken toon de woorden: “Weg! weg! Het.... is.... genoeg.... laat mij sterven!” en zien eindelijk vrouw Geertje met haar zoon langzaam op den hoek van het huisje verdwijnen, terwijl zij tusschen zich in, half sleepend, half dragend, een derden persoon met zich voeren, die maar somwijlen de slappe beenen beweegt, alsof hij moeite doet om door eigene krachten voort te gaan.Wel was het een vreemde nacht! In plaats van na gestadigen en zelfs laten arbeid, een verkwikkenden slaap te genieten, zat vrouw Geertje, toen de flauwe morgenschemering door de reet van haar vensterluik boorde, nog voor haar bedstee, de oogen onafgewend op den jongeling gevestigd aan wien zij haar leger afstond.Benauwde uren had zij met hem doorgebracht. Nu eens stil kermend nederliggende, en dan weder woest en akelig overeind springende, terwijl hij in koortsig ijlen de vreemdste, somwijlen de grofst onkiesche en terstond daarna de verteederendste woorden sprak, lag hij thans dof en roerloos, de ongelukkige jongeling.... de jongeling, groote God! dien zij als kind met haren boezem de rozen op de, ook toen zoo bleeke wangen getooverd had; de jongeling, dien zij als kind lief had alsof het haar eigen zoon.... alsof het haar Frans geweest ware, van wien ze met bittere weemoedstranen gescheiden was om hem niet meer te zien dan zóó.... zóó ellendig! zóó ontzenuwd! en ze bad weder, de goede vrouw, hetgeen ze dien nachtreeds zoo vaak had gebeden: “Ontferm U zijner, o Heer! want ach! wat hij deed, hij wist het niet.”Reeds een paar uren geleden had vrouw Geertje haren Frans bewogen om een weinig te rusten; zij, ze kon er wel tegen: ouderen van dagen hadden den slaap niet zoo noodig.—Die goede moeder! Eindelijk, het olievlammetje uitdoovende, stond ze op; opende het vensterluik, en beschouwde toen nogmaals die nederliggende zoogbroeders: den armen Frans en den rijken Willem.... Neen, Hemel! neen! den armen Willem en den rijken Frans! Verachting en onverdiende schande bij menschen; geen werk, wellicht eerlang geen brood; geen voorspoed hier op aarde, wat was het, wat was dat alles met de bewustheid der blijvende liefde Gods, in tegenstelling met het wandelen in de zinbedwelmende genietingen des levens, welks einde rampzaligheid is.Rijke Frans! Arme Willem! Arm....! maar zie, het morgenlicht dat liefelijk gloort, spreekt tot de ziel der vrouw, die eenmaal den vader beloofde voor zijn kind te zullen waken; dat licht dringt haar in ’t gemoed, en ’t is alsof het fluistert: “De eeuwige liefde heeft geen lust in den dood des zondaars, maar daarin dat hij zich bekeere en leve!”Leve! Ja, leve! Eeuwig leve! En de zoogmoeder gevoelde zich eensklaps sterk tot de heerlijke roeping om, met het reiner en verhevener voedsel dat thans haren boezem doorstroomde, de rozen eens hoogeren levens, de lachjes des vredes en der blijde hope op zijn ontvleesde kaken in ’t aanzijn te roepen.“Spare God hem daartoe het leven!”Wij zijn óók menschen, en daarom zullen wij den steeds ijverigen geneesheer niet hard vallen, die, als hij na een drukken praktijkdag ten tweeden male des nachts uit een diepen slaap wordt opgewekt, nu om een lijder in de D....steeg te komen bezoeken, na de woorden: “Ik kom terstond,” zich nog voor vijf minuutjes in de dekens wikkelt, en—inslaapt om niet voor den morgen te ontwaken.Wij veroordeelen hem niet, al hadden wij ook om den ongelukkigen Willem en de wachtende Geertje, gewenscht dat hij eerder verschenen ware, maar wij zijn verheugd dat hij toch eindelijk verschijnt om der meelijdende vrouw te verzekeren, dat de jongeling, hoewel in een ontzettend verzwakten toestand verkeerende, zich volstrekt in geen oogenblikkelijk levensgevaar bevindt.De brieventasch, welke Geertje, toen zij den jongeling van zijn bovenkleederen ontdeed, als in de hand was gevallen, en zonder inzage door haar werd ter zijde gelegd, stelde zij den arts in handen; terwijl zij hem daarna een kort doch zakelijk verhaal van het gebeurdedeed, en hem deelgenoot van de betrekking maakte waarin zij tot den lijder gestaan had, met de verklaring besluitende: dat ze met ’s Heeren hulp de gelofte, aan den vroeg gestorven vader gedaan, nog te vervullen hoopte om, wat ook aardsche machten zouden dreigen of tegenwerken, een ziel te redden van den eeuwigen dood, al mocht dan de kunst het veege lichaam niet voor het aardsche leven kunnen bewaren.Het adres van een zich in de portefeuille bevindenden brief stelde den geneesheer in staat vrouw Geertje te onderrichten waar Willem Van Male zijn kamers had; en, hulpvaardig als hij was, verklaarde hij voor een gemakkelijk sleepkoetsje te zullen zorgen, ten einde den zwakken jongeling naar zijn kwartier te kunnen overbrengen, waarna hij nog met Geertje overlegde hoe de arme lijder, die wellicht een langdurige en nauwlettende verzorging zou behoeven, het geschikst kon verpleegd worden.Ter nauwernood echter had Geertje—die, in weerwil van haar moedig besluit, toch met vreeze aan den man dacht, wiens hemeltergende voogdij haar zoogkind in den droevigsten toestand gebracht had—diens naam genoemd, of de geneesheer bedacht zich en, den naam Van Meerle een paar malen herhalende, vraagde hij: “Luitenant van de cavalerie....?”Op het antwoord der vrouw, dat hij althans in dienst was toen, na Van Males dood, de voogdijschap over den jongen Willem door hem aanvaard werd, verhaalde de geneesheer verder hoe het juist bij hém geweest was, dat hij dien zelfden nacht werd geroepen, terwijl hij er bijvoegde, dat het hem zeer verwonderen zou indien de luitenant, die, bij zijn mede-officieren slechts weinig gezien moest wezen, de activiteits-uniform langer zou dragen, dewijl een ernstige beenbreuk vrij zeker een amputatie zou ten gevolge hebben.Neen, vrouw Geertje verheugde zich nimmer in het lijden des naasten. Zij juichte niet om het leed ’t welk den ruwen man, die het arme zoogkind ten verderve geweest was, trof, maar toch plooide een dankbare trek haar goedig gelaat, toen zij de woorden van den dokter vernam.De weinige dagen, die er verliepen sedert wij Willem Van Male op zijn kamer aantroffen, hadden hem onder de vreeselijke leiding van zijn vroolijken voogd—die steeds beweerde te weten wat een jong mensch toekwam: dat men de jeugd moest genieten, dewijl dat blijde tijdperk zoo kort was, en hij een druiloor werd, die in zijn schoonste levensdagen niet zag wat er in de wereld te koop is—die dagen, zij hadden zijn laatste levenskrachten ten eenenmale vernield.Naarmate de verslapping, de verdooving en ook de lusteloosheid der laatste weken al meer en meer de overhand namen, waren de prikkels van ’t genot ook scherper geworden, totdat de arme knaap, in den nacht toen hij met Joost Van Meerle huiswaarts keerde, door dezen verlaten, geen kracht meer had bezeten om alleen zijn weg te vervolgen.Hoe lang hij daar in de koude op de kille steenen lag, valtgemakkelijk te berekenen, indien wij het tijdsverloop nagaan waarin Mathilde, sedert hare vlucht voor den vervolger, het onderhoud in de kamer van Geertje had, en de laatste, na Mathilde tot aan Schorels woning te hebben vergezeld, eerst op haren terugweg den jongeling daar zoo ellendig liggende vond.Noch de zoogmoeder, noch haar zoon, waren door Van Male herkend geworden, en den ganschen nacht, dien Geertje wakende aan de bedstede had doorgebracht, gaf hij geen teeken van bewustzijn.Omstreeks negen uren in den morgen werd de bewoner der sierlijke kamers in de K....straat, nog steeds in den verschrikkelijksten toestand, op zijn fraaie legerstede neergelegd, en de dokter die, zooals hij bij zijn eerste bezoek beloofde, op dat tijdstip er mede verscheen, verklaarde met den luitenant niet over den toestand van zijn pupil te hebben gesproken, daar Van Meerle in een hevige koorts lag, terwijl hij ook als chirurg den luitenant niet weder dacht te bezoeken, aangezien een militaire geneesheer hem vervangen had.Naar zijne meening werd de zaak der verzorging een liefdewerk ’t welk aan niemand beter dan aan de vrouw kon worden toevertrouwd, die in den lijder zulk een groot belang stelde.Met den eigenaar van Willems kamer was alles weldra geschikt; bij noodzakelijke afwezigheid der weduwe zou hij of zijne vrouw mede een wakend oog houden, terwijl Frans—die toch niets te doen had—mede tot de verpleging behulpzaam kon wezen. En Geertje verlangde geen belooning; zij wilde trachten tóch haar gewone werk te verrichten. De verdiensten in ’t logement, ja.... die moest ze missen; maar wat maakte het uit, indien ze daarvoor in ruil met haar jongen slechts een matig stuk brood kreeg.Willem lag te bed.... akelig!Frans zat er bij om de gegeven bevelen van den geneesheer getrouw te volbrengen, en Geertje sloeg den vaal rooden doek weder om, want ze had door al het gebeurde haar belofte niet vergeten, om voor de belangen der beangste Mathilde en den belasterden zoon alles te doen wat haar zou mogelijk zijn.De lezer zal het waarschijnlijk hebben opgemerkt dat Schorels dochter, van het wreede lot, dat haar bedreigde, tot Geertje en Frans sprekende, tevens de bijzonderheid verhaalde—waaraan zij zelve echter weinig beteekenis had gehecht—dat Hak, de echtgenoot waarmede vader Schorel de jeugd zijner dochter bedreigde, dienzelfden avond—den avond vóór de aanteekening—zich niet als naar gewoonte in het winkelkamertje aan hare zijde was komen nederzetten.Zijzelve had bij die niet-verschijning weinig meer gedacht dan dat de spekslager.... gelukkignietverschenen was; en Schorel, die beweerd had zeer weinig van de verlovings-formaliteiten te kennen, had het er vast voor gehouden, dat het in den regel ’t gebruikwas, elkander den laatsten avond vóór het bruidschap niet te ontmoeten.Trouwens daar was eene andere oorzaak. De spekslager Hak was ongesteld geworden; hij had zoo’n hoofdpijn gekregen; zoo’n pijn door al de leden; de koorts... misschien wel de tering; dit boodschapte de spekslagersjongen, reeds vóór acht uren aan den komenijman—terwijl Thilde, vermoeid van een bijna slapeloos doorgebrachten nacht, nog te bed lag—tevens het vriendelijk verzoek van den baas er bijvoegende, om de mand te mogen hebben, waarin hij gisteren die varkensrib bezorgd had,—Schorel begreep er niets van—zonder dat de jongen een nieuw presentje van den baas meebracht, zonder dat hij de “compelementen” van den baas maakte, en zonder dat de baas als naar gewoonte liet vragen: “En compelement, hoe of mijnheer Schorel en de jongejuffrouw het maakten?”“De koorts!.. de tering?” Ware Frans nog in den winkel geweest—sedert diens vertrek had Schorel nog niet kunnen “reseleveeren om een loonknecht” te nemen, en een “maatje was zoo slecht te vertrouwen”—of ware Thilde maar present geweest, dan zou Schorel terstond naar de slagerij zijn gesneld om den dierbaren aanstaanden schoonzoon te bezoeken en moed in ’t lijf te spreken. Hoe erg het ook wezen mocht, veertien dagen zou hij ’t in elk geval nog wel kroppen.... dan weduwe, dát was tot daar en toe; hoe lang was hij-zelf niet weduwnaar geweest! Doch nu moest vader Schorel wachten totdat, na een onophoudelijk gebeuk op Thildes kamerdeur, met de woorden: “Kom je nog niet! er is een nare boodschap gekomen,” het meisje eindelijk met rood gekreten oogen verscheen, en Schorel, zonder dat te bespeuren, ter deure uit snelde om zoo haastig als zijn oude beenen hem dienen wilden, de slagerij van Hak te bereiken.Vreemd... ja, zeer vreemd staarde de hijgende komenij-man voor zich uit, terwijl hij op den drempel der slagerij staan bleef, toen hij den dikken Hak, met de rozen op de bolle wangen, het blanke mes tusschen de ribben van een zijner slachtoffers zag drijven. Het was alsof de grond hem onder de voeten wegzonk, toen hij den beminden, aanstaanden en zoo teringachtigen schoonzoon, geheel vervuld met de kunstsnijdingen welke hij verrichtte, zonder zijn komst te bemerken, een vroolijk: “Jan toerelesoer” hoorde aanheffen, en—den blik ter zijde wendende, den slagersjongen ontwaarde, die een knip-oogje met den knecht wisselde, en daarop in een schaterend gelach losbarstte.“Maar hoe!... Maar wat!... Maar Hak! Je bent!” stotterde Schorel: “Ik kan toch niet denken dat...”“Wat... blief..?” riep de spekslager, en zich verrast omwendende en zijn bezoeker herkennende, zette hij een gezicht nog vreemdsoortiger van uitdrukking dan dat ’t welk hem zoodanig verraste; terwijl de knecht, ten bewijze dat hij niets hoorde en niets begreep, het aangeheven lied van zijn meester vervolgde en doorzong: “Ma belle! ma belle,” en zijn liefelijk gezang met het hakmes accompagneerde.Jan de knecht was niets nieuwsgierig, en Frits de jongen evenmin, maar beiden hadden toevallig iets op den achtergrond te verrichten, toen een luidruchtig gesprek, dat tusschen den baas en meester Schorel in de achterkamer gevoerd werd, hun in de ooren klonk. Alles konden zij niet verstaan, want de baas die de teringachtige koorts had, sprak somwijlen zeer zacht, maar zij verstonden toch duidelijk, hoe Hak zeide:“Denk jij dat ik een vrouw met een leege hand zou nemen?” Waarop het antwoord van Schorel klonk:“Maar je wist immers dat ik geen geld, volstrekt geen geld heb.” En weder des spekslagers uitval:“Zou ik gek genoeg zijn om die kleeren en alles wat het mijne is, aan een schepsel te geven dat geen duit mee ten huwelijk bracht?” En Schorels bescheid:“Maar ’t was immers.... om in den winkel.... een hulp.... een toezicht....” totdat eindelijk de woorden dermate kruisten en als dooréén vlogen, dat Haks bedienden, die trouwens genoeg vernamen, verder vruchteloos hun gehoor scherpten, en eindelijk terwijl ze een luider “Jan toerelesoer” aanhieven, meester Schorel op zijn magere beenen den winkel zagen uitstappen, met een paar oogen flikkerende als dolken.Hij keerde huiswaarts, de teleurgestelde komenij-man, de onvoorzichtigheid verwenschende, die hem, wie weet hoe dikwijls reeds, had doen vertellen dat zijn dochter met Hak den slager ging trouwen zonder dat zij een duit behoefde ten huwelijk te brengen; zich de onnoozelheid verwijtende, die hem in Hak niets anders dan een trouwlustige had doen zien, terwijl alles in orde zou zijn gebleven indien hij meer “dipplematisch” zijn mond had gehouden, en eerst na de trouw zijn onvermogen had aan ’t licht gebracht.’t Kookte den komenij-man van binnen. De teleurstelling was bitter en groot, en ’t was met een ontzettend: “Wat wou je? hé...?” dat hij bij ’t binnentreden van zijn winkel, vrouw Geertje begroette, die, juist aangekomen, met de beminde van haren Frans sprak, met Thilde, die niet vermoedde dat het nu reeds beslist was dat het hedennietde eerste bruidsdag zou zijn.Vrouw Geertje, die evenmin de waarheid bevroedde, was in den aanvang door de barsche vraag wel eenigermate uit het veld geslagen, doch, op zulk een onthaal niet geheel onvoorbereid, verzocht zij in de zachtst mogelijke bewoordingen, om meester Schorel, al was ’t maar een paar minuten alleen te mogen spreken, in ’t belang van haar jongen, en in ’t belang van hem-zelven.... hem-zelven, want Geertje begreep toch niet ten onrechte dat het wezenlijk geluk van een kind den vader ter harte moet gaan.De uitval van Mathildes vader was weinig in harmonie met den zachten toon daareven door vrouw Willems aangeslagen. ’t Was, volgens zijn bitse verklaring, wel een gunstig gekozen tijdstip om over een ondankbaren dief te komen spreken! Ei, over zijn eigen belangen....? Nu dat ze dan maar spoedig voor den dag moest komen, daar hij het hoofd vol had met het beramen der middelenwaardoor hij dien nietswaardigen Hak zijn beleediging en zijn eervergeten gedrag omtrent Mathilde zou betaald zetten; den huichelaar, die vast beloofde Thilde te zullen huwen en nu schandelijk zijn woord gebroken had.’t Valt gemakkelijk te beseffen hoezeer vrouw Geertje, maar vooral ook het angstig vreezende meisje, verrast stond over het zoo even gehoorde.Terwijl de eerste zich niet had durven vleien om voor het bedreigde kind iets méér dan voorloopig uitstel te zullen bewerken, en de tweede, zelfs aan den goeden uitslag van die bemoeiing had gewanhoopt, zoo moest de overwinning—op welke wijze dan ook behaald—haar beiden wel ten zeerste verbazen en verblijden; maar zij gevoelden tevens dat het den overwonnene tot den hevigsten toorn zou voeren, indien zij hare vreugde openbaar maakten; en, terwijl vrouw Geertje, met den blik op Thilde gevestigd, slechts een “Beter ten halve gekeerd dan ten heele gedwaald!” liet hooren, viel Schorel, na de woorden zijner dochter: “Ach! vader, ik dacht wel dat Hak de rechte niet was!” met een woordenvloed in, waarbij hij der weduwvrouw de—voor Mathilde zoo streelende verzekering gaf, dat het een kruis was kinderen te hebben, en bepaaldelijk dochters; dat ze tot niets nut waren, en dat men ze voor anderen groot bracht, terwijl die anderen dan nog wel meenden dat de grootbrenger van zijn armoede, alsof er geen opkomen aan was, een deel zou medegeven!—onder welk verslag de weduwvrouw had opgemerkt dat meester Schorel drie malen Gods zegen en vijf malen de straffe der verdoemenis over zijn grijze kruin had afgesmeekt!Met recht begreep vrouw Geertje dat het noodeloos woord- en tijdverspillen zou wezen, om den zoozeer ontstemden man nogmaals over de belangen van haar jongen te spreken; wellicht zou zij later, in kalmer oogenblikken, met meer voordeel die zaak kunnen bepleiten; en na Thilde hartelijk de hand te hebben gedrukt, welke handdruk met een bijzonder vuur werd beantwoord, groette vrouw Willems den komenij-man vriendelijk, maar vertrok zonder een antwoord op hare vraag: of zij later nog eens terug mocht komen om over Frans—hij wist wel—te spreken?Ongeveer twee dagen nadat Willem Van Male in zijn ellendigen toestand door vrouw Geertje en haar zoon werd gevonden, kwam hij tegen den avond voor de eerste maal tot eenig bewustzijn.Het hoofd naar de zijde wendende waar de gordijnen waren geopend, beschouwde hij met strakken doch doffen blik langdurig de vreemde vrouw, die naast zijn ledikant was gezeten en die, verdiept in haar arbeid, het niet bemerkte dat de lijder haar gadesloeg.Werkelijk ontstelde Geertje toen de stilte die er in het vertrek heerschte—want Frans deed een boodschap—eensklaps werd afgebroken, en zij de krachtelooze stem uit het ledikant vernam, met de vraag:“Wie ben je?”In den aanvang wist Geertje niet wát te antwoorden.Zij had den lijder reeds zoo dikwerf, maar ijlende, op een geheel anderen toon hooren spreken, en ook natuurlijk tot hém gesproken, hem nu eens tot rust vermanende, terwijl zij dan weder, hoewel te vergeefs getracht had zich aan hem bekend te maken. Niet zonder eenige verwarring uitte zij dus de wedervraag: of mijnheer waarlijk wakker was?“Maar wie ben je toch, en waarom zit je hier?” klonk het weder dof: “Ik ken je niet.”“Ach! God zij gedankt!” sprak Geertje, terwijl zij haar werk liet varen en met de beide handen de vermagerde hand van den lijder vatte, waarmee hij bij de laatste vragen met een machtelooze beweging gepoogd had de gordijnen wat meer open te schuiven. “God zij dank! hij is dan weer bij kennis. Ach, Wimpje.... mijnheer Willem....! Neen, u kent mij zeker niet meer? Neen! nietwaar? Of zou Geertje nog niet te veel verouderd zijn? Och! u waart nog maar even tien jaren toen zij van u heenging. Och Wimpje! zie eens, zie eens, kent u mij nog....?”“Maar zeg dan wie je bent!” sprak de doffe stem weder, en ’t scheen wel of dat telkens vragen hem vermoeide of verveelde.“Geertje!—Geertje Willems!” klonk nu haastig het antwoord der vrouw: “Och! dat ik u zoo naar en zoo zwak moest wedervinden! Maar tóch dank ik God dat ik u nog levend terugvond! En zoudt u waarlijk iets beter zijn?” liet zij er spoedig op volgen, terwijl het op haar gelaat te lezen stond hoezeer haar een “ja” zou verblijden.“Ik ken je niet! Neen. En beter ben ik ook niet.... hoewel ik niet ziek ben,” klonk het doffe antwoord van den ongelukkigen jongeling, en, ofschoon hij niet beproefde de hand, die vrouw Geertje nog in de hare hield, terug te trekken, wendde hij toch het hoofd af en sloot de oogen.’t Was een bittere teleurstelling voor Geertje dat ze die woorden moest hooren uit den mond van hem, voor wien haar gevoelig hart zoo warm en zoo teeder klopte. Neen, ze vermocht geen woord uit te brengen, maar met een gelaat waarop de smart die ze ondervond zoo duidelijk was te lezen, bleef ze op den armen Willem nederzien, en drukte nog steeds zijn hand, als hoopte zij dat die taal beter zou verstaan worden.Zie, daar wendde hij opnieuw het hoofd naar de zij waar Geertje stond, en terwijl de matte oogen zich nogmaals op haar vestigden, sprak hij langzaam:“Maar ben je dan de vrouw waarvan ik gedurig droomde,—ook in dezen nacht die zoolang heeft geduurd? Ben jij het met wie ik nog onlangs heb geworsteld, zóó sterk.... hé?” en de jongelingrilde: “dat ik niet ontkomen zou zijn, indien niet hij....!” Maar eensklaps rukte Van Male de hand welke Geertje nog vasthield, los, en recht voor zich uit wijzende, terwijl zijn blik zich mede in de aangewezen richting vestigde, vervolgde hij dof maar gejaagd:“Hij die daar staat!—Weg, weg!—Hij was het,—ja, hij—die mij losrukte en meenam naar het huis waar ik kokende olie moest drinken.—Nog brandt het hier binnen—gloeiende kokende olie.—Pijn! pijn!—Waar een kleine slang, zoo fraai van vorm en kleuren, en zoo hel van oogen, mij aanstaarde.—O! weg, weg!” gilde hij sterker, en wierp, terwijl Geertje het angstzweet uitbrak, met de beide handen de dekens ten deele van zich af: “Weg! help! zij steekt mij in ’t hart.—Pijn! pijn!—”Zóó akelig had vrouw Geertje hem nog niet gezien. Die arme jongen!“Wees voorzichtig!—Voorzichtig! Hij staat dáár!—met die zwarte knevels en dat hooge voorhoofd.—Weet je wat achter dat hooge voorhoofd zit?—ik zag het straks!—Zie, hij lacht! hij lacht!—help! help!!”Machteloos en buiten kennis zonk de ongelukkige, die zich bij de laatste woorden overeind had gericht, in zijne kussens terug, en roerloos bleef hij totdat de dokter verscheen, die door de ontstelde vrouw in allerijl was ontboden.Wij zouden te veel van het geduld vergen, indien wij een breedvoerig verslag gaven van ’t geen er verder gedurende eenige dagen in het rijk gestoffeerde vertrek der ellende voorviel. Genoeg zij ’t te melden dat er geen belangrijke verandering in die dagen plaats greep, en hoewel Van Male niet weder in zulke hevige uitvallen verviel, bleek het toch, zoo vaak men hem bij kennis waande, dat de vrees voor een verstandsverbijstering nog niet als ijdel kon beschouwd worden. Telkens was hij op het punt om Geertje of den speelmakker zijner kinderjaren te herkennen, maar telkens ook werd dit gewenschte uitzicht weder verijdeld.Eindelijk echter viel der trouwe zoogmoeder het geluk dier vurig gewenschte herkenning ten deel. Met een blos der innigste verrukking hoorde zij op zekeren morgen uit den mond des jongelings, dien zij sluimerende dacht, de verblijdende woorden:“Ja, ik weet het wel, dat je de goede moeder Geertje bent.”Van dat oogenblik af week de vrees van den dokter, en werd Willem Van Male, ofschoon ellendig en zwak, weer van de ketenen verlost die zijn rede hielden gekluisterd. ’t Is nu, in denVoltairegezeten, met het hoofd aan vrouw Geertjes boezem geleund, dat wij hem wedervinden.“En zou dat mogelijk zijn Geertje?” vraagt de zwakke, terwijl hij de oogen tot de vrouw opheft, die vertroostende woorden tot hem sprak.“Mogelijk, Willem?” antwoordt de zoogmoeder: “Het is een vaste en zekere waarheid! Je hebt immers gehoord wat er geschreven staat, namelijk dat hij die gedoopt is en gelooft, de zaligheid zal beërven.”Willem zwijgt een poos, maar eindelijk slaakt hij een zucht, en zegt:“Maar Geertje, ik heb niet geloofd.... zelfs heb ik maar zelden aan God gedacht. Alleen deed ik zulks wanneer ik mij de woorden herinnerde, die mij bij ’t afscheid op “Land-heil” uit uw mond naklonken: “Wees braaf! God, die u altijd ziet, heeft de brave kinderen lief!” Die woorden zijn altijd in mijn geheugen gebleven. Onwillekeurig kwamen ze mij, soms in de luidruchtigste gezelschappen of te midden der bedwelmendste genietingen, voor den geest; maar, hoewel ze mij deden ontroeren, vooral toen ik pas begon de wereldsche, mij vreemde genoegens te kennen, dat denkbeeld zelf leerde ik hoe langer zoo meer verdragen;ikwas toch geen kind meer,ikwas man geworden!hij—hijzeide het mij meermalen. O Geertje, zeg, ben ik niet vreeselijk ellendig? Zou dat woord, straks door u gesproken, ookmijkunnen redden? Gelooven! alléén gelooven?—Neen, neen, ’t is onmogelijk, je hebt ook andere woorden gelezen Geertje! “Daar zal zijn weening en knersing der tanden.” Geertje! och! houd mij wat vaster—ik word weer zoo vreeselijk koud; ik beef zoo—Geertje! neen, het is onmogelijk!”Maar neen! het was niet onmogelijk. De trouwe zoogmoeder zou er voor waken.Aandoenlijk was het, de goede vrouw daar met den ongelukkigen Willem te hooren spreken, en hoe zij, bij al wat te vergeefs werd aangewend om de krachten van het lichaam te herstellen, de vonken van ’t leven des geestes in hem aanvuurde, zoodat hij na verloop van weinige dagen, een blij ontwaken aan gene zijde van het graf voor mogelijk hield. Ja, al gevoelde hij ook dat er in een der vele woningen waar hij den blik zou opheffen, de smart over het hier bedreven kwaad hem de vreugd zou verbitteren, hij vertrouwde toch op de genadige ontferming des Scheppers, op de liefde van Hem, die—volgens de meening der goede eenvoudige vrouw—metvele, maar ook metweinigeslagen zal slaan.Nu, Gode zij dank! al waren zijn leden ook slap en zijn vermagerde handen koud, hij rilde niet meer, maar voelde zich sterk met zijn hoop op een betere wereld. Hij vreesde den man niet meer die, zooals Claudius zegt: “er zelfs vriendelijk zal uitzien indien men hem lang aankijkt.” Neen, hij sidderde op zijn aanblik maar zelden, en toch—toch stond vriend Hein steeds vóór hem. Lag de arme jongen in zijn ledikant, dan trad de sikkelvoerder uit de gordijnplooien te voorschijn, en trok de kakebeenen tot een lach, een vriendelijken lach, alsof hij zeggen wilde: “’t Gaat goed mijn jongen! niet als een vijand maar als een vriend zal ik u de hand reiken.” Zat hij voor het bed in den gemakkelijken leunstoel, dan stond de ontvleesde man als naar gewoonte bezijden de prachtig gevuldeétagèreen lachte alweder, maar immer vriendelijk, en ’t was alsof hij fluisterde: “Ik wacht slechts totdat ge uw reisgoed bijeen hebt.”Ja, Willem zag hem zonder vrees; maar toch werd hij droevig, wanneer hij hem langdurig beschouwd had en, vermoeid zijne oogen sluitende, in de duisternis die hem omgaf toch alweder het beeldvan den levensmaaier ontwaarde, en aan diens zijde een fraaien blonden knaap, een knaap—met de rozen op de lachende wangen, een ruiker van de schoonste bloemen op de borst, en in zijn hand een krachtig wapen, waarmede hij een aantal zwarte wezens, die aan zijn voeten kropen, dreigde te vernietigen. Ja, de lach van dien knaap bedroefde hem meer dan de lach der ontvleesde kaken; een wijle toch was het hem als herkende hij in dien knaap zijn eigen wezen; als werd hij één met hem; als stond hij in zijne plaats; als—maar plotseling weder ontwakende lag hij als vroeger machteloos neder, en zag hoe hij meer naar hém geleek, die naast deétagèrestond, en dan—dan blonken er een paar tranen in de oogen, die maar kort meer het zonlicht zouden opvangen. Zóóals die knaap was, had hijmoetenzijn, en nu—o God!—en nog zoo jong!Was het vreemd dat de jonge Van Male, zelfs nadat hij uit de geestverdooving ontwaakte, niet vanhemsprak, nochhemwenschte weder te zien, aan wiens hand hij “zijn jeugd” had genoten? Was het vreemd dat, zoodra het beeld van Joost Van Meerle zich aan zijn geest vertoonde, er zich een nog pijnlijker trek dan gewoonlijk over zijn gelaat verspreidde?Vreemd? Evenmin als het vreemd is dat de wandelaar, die in het vriendelijke morgenlicht zijn weg vervolgt, den nacht niet terugwenscht, die hem belette de gevaarlijke punten op zijn pad te ontwijken.Vreemd? Niet vreemder dan dat een donkere schaduw het aardrijk grauwt wanneer een zwarte wolk den zonneglans verduistert.Willem vraagde niet naar den voogd, en verscheidene weken verliepen er eer Joost Van Meerle,—wiens toestand, vooral na de amputatie van zijn rechterbeen, niet zonder zorg te wekken geweest was,—een briefje van den volgenden inhoud aan zijn pupil deed toekomen:

’t Was na eenig vruchteloos wachten—vermoedelijk dewijl zijne vragen niet waren verstaan—dat eindelijk nogmaals doch sterker, het deurgebons werd herhaald, en de verfijnde mansstem ook luider klonk met de woorden: “Vrouw Willems! Frans! ik ben het! Doe toch open!”

Niemand zag Frans, want in de kamer was het donker, maar toch, toch kreeg hij een kleur, een kleur zoo verschrikkelijk rood dat de tranen er hem van in de oogen sprongen.

“Moeder! moeder!” riep hij eindelijk luide: “heb je ’t verstaan....? moeder! zij is het, Thilde...!” en harder riep hij, met den mond vlak voor de deurreet: “Thilde! ben jij het...? ben jij het waarlijk die klopt?” En toen een: “Ja, Frans,” duidelijk werd vernomen, toen beefde moeder Geertje niet meer, maar beefde Frans, en beefde zoo, dat hij haast den grendel niet kon verschuiven, en zoo, dat hij het slot haast niet kon omdraaien, en zoo, dat, toen moeder met een lucifer haar lampje weder had aangestoken, en door de nu geopende deur, te gelijk met den kouden luchtstroom, Schorels dochter naar binnen kwam, hij van beverigheid niet wist wat hij deed, en ’t geen hij nooit gedaan had, nu onderstond, en de beminde van zijn hart in de bevende armen sloot.

Mathilde,—die zich geenszins aan de omhelzing van Frans onttrok en daardoor stilzwijgende beleed dat hare oogen nimmer onwaarheid hadden gesproken,—was in de eerste oogenblikken niet in staat om op de vragen van vrouw Willems te antwoorden; die vragen, zij drukten de grootste verwondering uit over de late verschijning van het meisje, dewijl het eerste uur na middernacht reeds lang verloopen was.

Neen, Mathilde kon in den aanvang niet spreken, overspannen door al wat zij in die dagen, sedert Frans de woning van haren vader verliet, moest verkroppen, door ’t beramen en ten uitvoer leggen van het plan om deze nachtwandeling te ondernemen, en door den angst, dien zij gedurende dien loop had doorgestaan.

’t Was noodig dat vrouw Willems met een kommetje water de ontstemde zenuwen van haar bezoekster een weinig tot bedaren bracht, want in weerwil dat het meisje haar nu en dan een kort bescheid op hare vragen gaf, die antwoorden klonken dermate verward, dat de goede vrouw er geen greintje wijzer door werd.

In ’t einde na eenigszins hare kalmte te hebben terugbekomen, nog altijd door Frans omvat, die zonder te spreken, wel nimmer een sterkere liefdesverklaring dan hij nu deed, had kunnen ontboezemen; nog altijd tegenover de verwonderde vrouw, die haar oogen niet gelooven kon dat ze Thilde Schorel in den arm vanhaarjongen, indituur, binnenhaarkamertje zag, begon het meisje geregeld te verhalen, terwijl ze moeder en zoon al met de eerste woorden uit den waan hielp, datzij’t zou geweest zijn die Frans het muntbiljet had toegestopt.

Met een stem, die genoeg verried hoezeer zij den knaap beminde die haar tengere leest omvatte, gewaagde zij van de pijnlijke gewaarwording telkens door haar ondervonden, wanneer naar vader, aan de winkelklanten van de schandelijke ontrouw had gesproken, waarmede Frans zijneweldadenhad beloond, terwijl zij overtuigd was dat een misverstand, een vergissing, den goeden jongen in een verdacht licht moest geplaatst hebben; hoe zij telkens met verwijtingen was overladen wanneer zij vader had aangeraden om kas en boeken te raadplegen, die wellicht zouden aantoonen dat Frans onschuldig was;—hoe eenige dagen later, haar vader werkelijk had zitten tellen en rekenen, en, toen hij gedaan had, en alles met een kalm gelaat had weggeborgen, op hare vraag: “Vader! is Frans onschuldig?” had geantwoord: “Waar zou hij ’t anders vandaan hebben?” een antwoord, ’t welk haar,—die den vader maar al te wel kende—zoogoed als een volledige vrijspraak in de ooren had geklonken.

Niet zonder eenige aarzeling verhaalde Mathilde verder, hoe haar verzoek om den miskenden eerlijken Frans weer in genade aan te nemen, den vader in den hevigsten toorn had doen ontsteken, terwijl hij haar dreigend had afgevraagd: wat haar zoo groot belang in dien ondankbare deed stellen, niet hopende datiets andershaar zoo meelijdend maakte, en hij haar eindelijk kort maar zakelijk geboden had, om, “nooit of nimmer weder den naam van die adder te noemen, waarvan hij niets wilde zien en niet wilde hooren.”

“Twee dagen later kwam vader met den spekslager Hak het winkelkamertje binnen” vervolgde Mathilde blozend: “en terwijl die ruwe man zich vrijpostig naast mij nederzette, zich beroemende, dat hij meer dan duizend varkens in het jaar slachtte en ik dus niet weinig tevreden zou zijn indien hij mij tot vrouw nam—vooral ook omdat hij sedert de vijf maanden dat hij weduwnaar was, geen stuur in den winkel kon houden,—keek vader mij doordringend aan en zei, toen Hak ophield met spreken: “Thilde! ik begrijp dat het tijd voor je wordt; je hebt den leeftijd, en bij mijnheer Hak zul je geen gebrek lijden.” “O!” hernam het meisje, nadat ze een oogenblik gezwegen en Frans eenige verontwaardigde woorden ontboezemd had: “ik weet niet wat er verder gesproken werd; mijn hart klopte mij zoo pijnlijk sterk, en in mijne ooren suisde het zóó dat ik telkens meende te zullen neervallen. Waarlijk, ik geloof dat ik het toen op mijne zenuwen heb gekregen, want ik begon te huilen, en weet zelve niet wat er verder met mij gebeurd is.”

“Verder! verder?” riep Frans.

“Tot mijn bewustzijn teruggekomen,” sprak Mathilde weder: “stond vader naast mij, en verweet mij dat ik mij schandelijk en dwaas had aangesteld; sprak weder van een verbintenis met den zestigjarigen spekslager, en deed de aankondiging er bij, dat ik binnen eene maand zou trouwen. Hak had hem verzekerd, dat de kleeren zijner overledene vrouw, hoewel zij gezetter was dan ik, zeer wel door mij konden gedragen worden, zoodat er voor mijn uitzet igeen cent uitgegeven en geen steek behoefde gewerkt te worden.”

Het zal zeker niemand verwonderen dat Frans het meisje steeds vaster aan zich sloot, als zag hij den gevreesden spekslager reeds met de eene hand in Mathildes blonde haren, en in de andere een akelig slachtmes geklemd.

Ja, vaster klemde Frans zijn lieve Thilde aan ’t hart, en in weerwil der treurige zaak, waarmede het meisje hem bekend maakte, was zijn gemoed toch oneindig minder bezwaard dan toen hij straks met zijne moeder alleen was.

Hoe kon het anders: Mathilde had hem lief! Zijn hart klopte naast het hare, haar hand rustte in de zijne. Uit haren mond vernam hij, dat zelfs de hardvochtige vader, al wilde hij geen ongelijk erkennen, overtuigd van zijne onschuld was, en hem alzoo te eeniger tijd wel recht zou laten weervaren.

De engel der liefde doet lijden vergeten, en schenkt moed om een donkere toekomst tegen te gaan.

De engel der liefde stond naast den goeden jongen, in de gedaante van zijn Mathilde, en met vuur riep hij, terwijl hij de beminde in haar blauwe oogen zag:

“Geen nood Thilde! geen nood! De goede God, die u in dezen stond, ten aanschouwe mijner lieve moeder, aan mijn hart legt, zal ons niet verlaten.”

Bedaarder dan zij tot hiertoe gesproken had, vervolgde nu Mathilde, en verhaalde, hoe een vreeselijke onrust zich van haar meester gemaakt, en gedurig op een middel had doen peinzen om het akelige lot, dat haar te wachten stond, te ontgaan. Des avonds, tusschen licht en donker, was steeds de akelige spekslager zich in het winkelkamertje aan hare zijde komen neerzetten, en ofschoon hij gewoonlijk weinig meer dan twee malen—bij ’t komen en gaan—een: “Goeden avond Juffrouw Thilde!” tot haar gezegd had, en slechts gekomen scheen om met vader over hammen en spek en pooten en ooren te spreken, zoo was haar dat schemeruurtje toch méér dan verschrikkelijk geweest, want, van ’t begin tot het einde was haar hand in die van den spekslager besloten gebleven.... de groote hand, die zoo vet en akelig was, bah! terwijl de hare—als één met de zijne—genoodzaakt werd tot alle gesticulaties mee te werken, zelfs tot die waarmee hij de kunstgreep aanschouwelijk maakte, waardoor een varken den laatsten adem moest uitblazen.

“Ware Hak mij niet reeds om zijn persoon afschuwelijk geweest,” sprak het meisje: “alleen de herhaling van zijn machtige geschenken zou het mij gemaakt hebben; want, geen morgen ging er voorbij of ik hoorde vader in den winkel: “Compliment, en vriendelijk bedankt,” zeggen, waarop ik onmiddellijk in last kreeg het vette geschenk voor den middag gereed te maken.... en, Frans! je kunt begrijpen hoeik—aan schrale kosten gewend—te moede was, wanneer mijn vader mij krachtig beval om er van te eten opdat ik er smaak in zou hebben wanneer ik met Hak in den echt vereenigd zou zijn.

“Morgen,” hervatte Thilde, nadat ze van een lichte rilling bekomenwas: “morgen zal inderdaad, zoo God het niet verhoedt, een huwelijk tusschen dien man en mij worden aangeteekend. Was mijn onrust gedurende al die dagen groot, gisteren gevoelde ik waarlijk mijzelve niet meer. Ik heb vader gebeden en gesmeekt om toch mijn hart niet te dwingen, maar niets kon baten, en ’t was zelfs op een toon zóó zacht en vriendelijk, dat ik om de ongewoonte er van, waarlijk geroerd werd, dat vader mij vermaande in stilte zijn wil te volgen. Hij verzekerde mij verder dat Hak de beste man van de wereld, en in geenen deele onbemiddeld was; dat zoo’n huwelijk eervol mocht genoemd worden en menig jonge dochter er met jaloerschheid van spreken zou. Ach! niets kon mij troosten, ik heb alles gedaan wat ik kon om moed te scheppen, omdat vader zoo gaarne zou zien dat ik blijmoedig zijn wil deed; maar neen, niets mocht baten, en toen ik begon te zingen om te beproeven of dat helpen zou, ziet, toen sprongen mij dadelijk de tranen in de oogen, en huilde ik zóó hard, dat ik er zelve bang van werd. Ja, Frans! zie je, ik dacht den geheelen tijd aan jou en wilde telkens naar je toe gaan; ieder oogenblik dacht ik de deur uit te vliegen om me aan jou toe te vertrouwen, doch telkens aarzelde ik weder, want vader zat steeds op zijn gewone plaats voor het winkelraampje. Zóó kwam de avond. Gode zij dank! Hak kwam niet. Wij spraken weinig, maar toch deed ik mijn best om een vriendelijk gelaat te toonen. Om halfelf wenschte ik vader een goeden nacht. Op mijn kamertje gekomen hoorde ik hoe hij als naar gewoonte, de reeds gesloten voordeur grendelde.... hoe hij in het geheele huis de ronde deed en de deur zijner kamer achter zich sloot. Ik luisterde, en hoorde verder een geklank alsof er geld werd geteld, maar eindelijk kwam alles tot rust. Wel een uur bleef ik luisteren, telkens mijn plan willende volvoeren, en dan weder vol vreeze van ontdekt en verhinderd te zullen worden. Het minste geluid trof mijne ooren. In ’t einde kon een telkens wederkeerend gebrom.... niets anders dan het geronk van vader zijn. Hij sliep dus. Ha! een rijtuig rolde door de steeg; dat oogenblik nam ik te baat om de deur mijner kamer te openen, en van het leven daarbuiten verder partij trekkende, spoedde ik mij de trappen af, en bevond mij juist in den winkel, toen het geluid van het rijtuig in de naburige straat verdween. De sleutel der winkeldeur, die op zijn gewone plaats bezijden het leitje hing, had ik spoedig in handen, doch vreezende dat het leven, ’t welk het ontsluiten en ontgrendelen noodzakelijk moest veroorzaken, vader zou wekken, wachtte ik opnieuw tot het geraas van een rijtuig het gerucht ’t welk ik moest maken, zou overtreffen. O Frans! je kunt je niet voorstellen hoe lang mij iedere seconde duurde; iedere minuut was mij meer dan een uur, en het uur dat ik daar wachtende doorbracht is een uur geweest, wel honderdmaal zoolang als eenig uur, dat ik tot heden beleefde. In ’t einde.... daar rommelde het weder over de straatsteenen; fluks.... den sleutel in het slot.... omgedraaid! den grendel ter zijde geschoven.... de bovenknip losgetrokken, en juist, juist was het rijtuig onze deur voorbij, toen ik met een gejaagdensprong buiten den winkel stond en van buiten de deur in het slot draaide.”

Frans zag zijn beminde aan alsof hij een Kenau Hasselaer in haar bewonderde; en toen zij ten slotte nog had verhaald, hoe zij bevende den weg naar de D....steeg had ingeslagen, en eindelijk op de H....gracht gekomen, door een persoon, die nog een ander aan den arm had, was aangevat, maar door een krachtigen ruk, aan die vermetele hand was ontsprongen; hoe zij in allerijl zich voortspoedende, evenwel de schreden van den persoon die haar aangreep, achter zich vernemende, zonder den naasten weg te kiezen, straatuitstraatinhad voortgerend, totdat zij hier eindelijk, den Hemel zij dank! behouden was aangekomen.... toen sloeg ook Frans den anderen arm om haar heen, en.... zoende haar.... ja, hij zoende haar op het heldere voorhoofd, en noemde haar voor de eerste maal zijn.... “Lieve Thilde!”

“Ja Frans! ik wist wel dat ik hier raad en steun zou vinden,” sprak het meisje weder: “Mijn eenige hoop was op jou en je goede moeder gevestigd. Hier zul je mij schuil houden.... nietwaar....? hier....” en terwijl de lieve blonde nog verder sprak, en Frans opgetogen: “ja wel” zeide, en: “wel zeker, ik zal wel zorgen,” staarde moeder Geertje bedenkelijk in het vlammende oliepitje, werkte de brandende katoen wat terug in het koperen buisje—want die vlam behoefde zoo groot niet te zijn,—en eindelijk, toen Frans juist verzekerde dat, zoolang alshijer nog was, de lieve Thilde niets te vreezen had, enhijwel zorgen zou dat zij geen gebrek kreeg—de arme jongen, die geen cent kon verdienen, wat maakte de liefde hem sterk!—toen zuchtte de moeder, en zei op vriendelijken maar toch ernstigen toon:

“Neen kinderen, dat kan en dat mag zoo niet wezen. Dat ik niets vuriger dan je geluk begeer, mijn jongen, dat weet de goede God; en dat ik medelijden met jou heb, lief meisje, dat wil ik je gaarne toonen; maar mijn toestemming aan een even dwaze als wederrechtelijke daad geven, en het kind van een vreemde in mijne kamer te verbergen.... Frans je begrijpt wel, dat is mij niet geoorloofd. Wat zou het einde van zulk een handeling zijn? Zelfs al ware het niet in strijd met onzen plicht, en al verbood de wet der kieschheid Mathildes inwoning in deze kamer niet; hoedwaasware het, haar bij ons te willen verbergen! Hoe spoedig zou meester Schorel toch de waarheid vermoeden en zijne dochter als een rechtmatig eigendom naar zijn woning doen brengen, tot schade voor haar, en voor jou, en voor mij!... Neen, neen,” vervolgde Geertje, daar Frans haar de zaak nog aannemelijk wilde voorstellen, terwijl Mathilda, op de gedachte aan een wederkeeren in het pas verlaten huis, en aan hetgeen er morgen gebeuren moest, de tranen niet kon weerhouden: “neen, ik zal met Gods hulp alles beproeven wat strekken kan om je beider geluk te bevorderen. Indien baas Schorel voor zich zelven van je onschuld overtuigd is, dan zal hij aan de smeekingen eener moeder wel gehoor geven en je—zoo niet bij zich terugnemen, dan toch een goede getuigenisvan bekwaamheid en trouwe diensten schenken. Wanneer zijn hart niet harder dan steen is, zoo zal mijn mond hem ook tot andere gedachten betreffende het huwelijk brengen, waaraan jij, lief kind, en met recht een afkeer hebt. Gelooft mij kinderen!” besloot de goede vrouw: “wat in mijn vermogen is zal ik voor je geluk beproeven, maar denkt als verstandigen, en antwoordt mij of het recht en verstandig zou wezen indien ik aan je verlangen gehoor gaf?”

Frans zweeg, en Mathilde zweeg ook; maar terwijl er in den blik, dien de knaap op zijn moeder wierp iets, wij zouden zeggen vertrouwends, lag opgesloten, een vertrouwen op de moederlijke welsprekendheid, en de hulp van Hem zonder wiens wijzen wil geen muschje op de aarde valt, werd er op het gelaat van het anders zoo lieve en brave meisje, die echter nooit door een teedere moeder was onderwezen, en slechts—met eerbied gezegd—een kerk- en catechisatie-God leerde kennen, een uitdrukking van pijnlijke teleurstelling zichtbaar, van teleurstelling en van misnoegen tevens, en de woorden: “Maar wat, maar wat dan...!?” hokten haar in de keel.

Nogmaals bracht vrouw Geertje aan Schorels dochter het onbetamelijke van haar verlangen onder het oog, en wist eindelijk het meisje dermate van de waarheid harer bewering te overtuigen, dat Thilde, ofschoon een tranenvloed haar het spreken belette, er al snikkende in toestemde, om naar de vaderlijke woning terug te keeren, even stil als zij ontvluchtte weder binnen te gaan, en zich te bed te begeven, na vooraf den goeden God te hebben gesmeekt om het ongeluk, dat haar boven het hoofd hing, genadig af te wenden; terwijl vrouw Geertje nogmaals beloofde dat zij doen zou wat haar mogelijk was om, zoo God wilde, het middel te zijn, waardoor Thilde van een verschrikkelijk dwangjuk zou bevrijd worden.

En werkelijk verliet Mathilde, hoewel met een beangst gemoed, eenige minuten later, vrouw Geertjes kamer, en daar de moeder het niet had willen toestaan dat Frans zijn beminde alleen naar de G....steeg zou vergezellen, en Frans op zijne beurt niet mocht toelaten datmoederalleen medeging, zoo traden—ruim twee uren na middernacht—vrouw Willems en haar zoon mede naar buiten, en vervolgde ons drietal, met verschillende gewaarwordingen, den weg die hen naar de G....steeg voerde.

’t Was voor een nacht in de eerste helft van November bijzonder koud. De vorst was gelaarsd en gespoord binnengekomen, en waar zij over de vochtige stoepen en straatsteenen—want den geheelen dag had het sterk gemist—henentoog, daar had zij het bewijs van haar vochthardende kracht achtergelaten.

Vlug als zij was, had Mathilde, toen zij den gejaagden loop naarvrouw Geertjes kamer vervolgde, door angst en hoop gedreven, niet bemerkt dat de straten op de meeste plaatsen zoo bijzonder glad waren, en evenmin vermoedde zij toen, dat de wintervorst hare ontsnapping uit de handen van hem, die haar met bedwelmde zinnen had nagezet, bewerken mocht.

In waarheid, de sterke heldin der korte dagen en lange nachten, zoo dikwerf als een ijzegrim voorgesteld, en als een monster uitgekreten, had zich voor Mathilde een bereidwillige helpster betoond. Bewogen met het arme kind, dat daar zoo laat en alleen haar “te huis” zocht, had zij haren onbeschaamden vervolger met krachtige handen, onder zijn beide schoenzolen te gelijk aangegrepen en achteruit gerukt.... zoodat het geheele lichaam voorover op de steenen was neergesmakt. Of de vochthardende vorst ook hardvochtig genoeg was om te lachen, toen de gevallene met een akeligen doch gesmoorden kreet bleef liggen, weten wij niet; maar heeft zij gelachen, dan zeker alleen uit groote blijdschap, dat de blonde ontkwam; want, de vorst der lange nachten is toch ook een trouw en gehoorzaam onderdaan van dien grooten en eenigen Vorst, die ernst wil van den vazal, dien Hij de tuchtroe in handen geeft.

Zooals Mathilde met weinige woorden verhaald had, was zij, vluchtende voor den bedoelden persoon, van den kortsten weg afgeweken, zoodat zijnu, met Geertje en Frans den naasten weg volgende, niet de straat doorging waarin de vervolger nederviel.

Lag hij er nog de ongelukkige? Hadden andere nachtwandelaars of ratelwachts hem binnen een woning gedragen? Mathilde weet het niet, want zij had niet vermoed dat een val haar van zijn vervolging bevrijdde; en nu vervuld met zich zelve, denkt zij evenmin aan hém, als aan dien tweeden persoon, die bij de ontmoeting op de H....gracht aan zijn arm met wankelende schreden voortging.

Ook wij hebben geen lust om den gevallene voor ’t oogenblik op te zoeken, maar blijven—terwijl we ons drietal reeds uit het oog verloren—op den hoek der H....gracht een oogenblik staan, dewijl het ons voorkwam als hoorden wij een zacht maar pijnlijk gekreun in de richting daar.... van dat vierkante huisje, waarbij die geketende kruiwagens liggen.

’t Is een naar geluid dat kreunen, waar ge ’t ook hoort, maar vooral wanneer dat geluid, in het nachtelijk uur, op de verlaten straat uw ooren treft, en ge een oogenblik toeft eer ge nader treedt.

Van de overzijde komen menschen de sluisbrug op. De koude doet hen, zooveel de gladheid zulks toelaat, den tred verhaasten. Ja, wij bedriegen ons niet, zij zijn het, die we straks uit het oog verloren; doch ’t zijn er twee, terwijl wij er drie in de duisternis zagen verdwijnen. De gas-lantaarn, die ze juist voorbijgaan, beneemt ons allen twijfel; maar al hadden wij door die lichtstralen vrouw Geertje niet aan haar vaalrooden omslagdoek, en haar zoon aan zijn bruine jas herkend; de woorden: “Wél een vreemde nacht, moeder! mocht er voor de lieve Thilde en ook voor mij iets goeds uit voortkomen!” die woorden zouden ons terstond zekerheid hebben gegeven; terwijl het antwoord: “Frans! de mensch wikt, maar God beschikt,en in die beschikking moet de mensch met tevredenheid berusten!” ons toch de weduwe van Peter Willems zou hebben geteekend, braaf en Godvreezend, zooals we haar reeds van den aanvang af leerden kennen.

Zie, ’t is alsof Geertje en Frans regelrecht op de plaats toetreden, waar het gekreun nu sterker wordt.

Een kreet ontsnapt aan den mond der vrouw, en de knaap aan hare zijde roept met een stem, die mede de hevigste ontsteltenis verraadt: “Moeder! moeder! daar ligt een mensch!”

’t Schijnt eerst alsof moeder en zoon, verrast en ontsteld, eensklaps van de zijde afwijkende, waar die klaagtoon rees, tegenover den ongelukkige willen voorbijgaan; doch weder klinkt de stem der vrouw: “Neen Frans! dat mogen wij niet.—Laat ons zien, misschien kunnen wij helpen!” En nadat wij ons tweetal op de donkere plek zagen toetreden, vernemen wij eenige onverstaanbare woorden, terwijl het gekreun nog sterker en heviger klinkt, en hooren vervolgens duidelijk den uitroep: “Moeder! moeder! ik bedrieg mij niet.... hij is het!” en daarop de woorden: “Mijn God! mijn God! zou het mogelijk zijn!” en hooren wij eindelijk, nadat het gesprek op die duistere plaats nog eenigen tijd is vervolgd, een geschuifel; een nog akeliger kreunen, en op een heeschen en afgebroken toon de woorden: “Weg! weg! Het.... is.... genoeg.... laat mij sterven!” en zien eindelijk vrouw Geertje met haar zoon langzaam op den hoek van het huisje verdwijnen, terwijl zij tusschen zich in, half sleepend, half dragend, een derden persoon met zich voeren, die maar somwijlen de slappe beenen beweegt, alsof hij moeite doet om door eigene krachten voort te gaan.

Wel was het een vreemde nacht! In plaats van na gestadigen en zelfs laten arbeid, een verkwikkenden slaap te genieten, zat vrouw Geertje, toen de flauwe morgenschemering door de reet van haar vensterluik boorde, nog voor haar bedstee, de oogen onafgewend op den jongeling gevestigd aan wien zij haar leger afstond.

Benauwde uren had zij met hem doorgebracht. Nu eens stil kermend nederliggende, en dan weder woest en akelig overeind springende, terwijl hij in koortsig ijlen de vreemdste, somwijlen de grofst onkiesche en terstond daarna de verteederendste woorden sprak, lag hij thans dof en roerloos, de ongelukkige jongeling.... de jongeling, groote God! dien zij als kind met haren boezem de rozen op de, ook toen zoo bleeke wangen getooverd had; de jongeling, dien zij als kind lief had alsof het haar eigen zoon.... alsof het haar Frans geweest ware, van wien ze met bittere weemoedstranen gescheiden was om hem niet meer te zien dan zóó.... zóó ellendig! zóó ontzenuwd! en ze bad weder, de goede vrouw, hetgeen ze dien nachtreeds zoo vaak had gebeden: “Ontferm U zijner, o Heer! want ach! wat hij deed, hij wist het niet.”

Reeds een paar uren geleden had vrouw Geertje haren Frans bewogen om een weinig te rusten; zij, ze kon er wel tegen: ouderen van dagen hadden den slaap niet zoo noodig.—Die goede moeder! Eindelijk, het olievlammetje uitdoovende, stond ze op; opende het vensterluik, en beschouwde toen nogmaals die nederliggende zoogbroeders: den armen Frans en den rijken Willem.... Neen, Hemel! neen! den armen Willem en den rijken Frans! Verachting en onverdiende schande bij menschen; geen werk, wellicht eerlang geen brood; geen voorspoed hier op aarde, wat was het, wat was dat alles met de bewustheid der blijvende liefde Gods, in tegenstelling met het wandelen in de zinbedwelmende genietingen des levens, welks einde rampzaligheid is.

Rijke Frans! Arme Willem! Arm....! maar zie, het morgenlicht dat liefelijk gloort, spreekt tot de ziel der vrouw, die eenmaal den vader beloofde voor zijn kind te zullen waken; dat licht dringt haar in ’t gemoed, en ’t is alsof het fluistert: “De eeuwige liefde heeft geen lust in den dood des zondaars, maar daarin dat hij zich bekeere en leve!”

Leve! Ja, leve! Eeuwig leve! En de zoogmoeder gevoelde zich eensklaps sterk tot de heerlijke roeping om, met het reiner en verhevener voedsel dat thans haren boezem doorstroomde, de rozen eens hoogeren levens, de lachjes des vredes en der blijde hope op zijn ontvleesde kaken in ’t aanzijn te roepen.

“Spare God hem daartoe het leven!”

Wij zijn óók menschen, en daarom zullen wij den steeds ijverigen geneesheer niet hard vallen, die, als hij na een drukken praktijkdag ten tweeden male des nachts uit een diepen slaap wordt opgewekt, nu om een lijder in de D....steeg te komen bezoeken, na de woorden: “Ik kom terstond,” zich nog voor vijf minuutjes in de dekens wikkelt, en—inslaapt om niet voor den morgen te ontwaken.

Wij veroordeelen hem niet, al hadden wij ook om den ongelukkigen Willem en de wachtende Geertje, gewenscht dat hij eerder verschenen ware, maar wij zijn verheugd dat hij toch eindelijk verschijnt om der meelijdende vrouw te verzekeren, dat de jongeling, hoewel in een ontzettend verzwakten toestand verkeerende, zich volstrekt in geen oogenblikkelijk levensgevaar bevindt.

De brieventasch, welke Geertje, toen zij den jongeling van zijn bovenkleederen ontdeed, als in de hand was gevallen, en zonder inzage door haar werd ter zijde gelegd, stelde zij den arts in handen; terwijl zij hem daarna een kort doch zakelijk verhaal van het gebeurdedeed, en hem deelgenoot van de betrekking maakte waarin zij tot den lijder gestaan had, met de verklaring besluitende: dat ze met ’s Heeren hulp de gelofte, aan den vroeg gestorven vader gedaan, nog te vervullen hoopte om, wat ook aardsche machten zouden dreigen of tegenwerken, een ziel te redden van den eeuwigen dood, al mocht dan de kunst het veege lichaam niet voor het aardsche leven kunnen bewaren.

Het adres van een zich in de portefeuille bevindenden brief stelde den geneesheer in staat vrouw Geertje te onderrichten waar Willem Van Male zijn kamers had; en, hulpvaardig als hij was, verklaarde hij voor een gemakkelijk sleepkoetsje te zullen zorgen, ten einde den zwakken jongeling naar zijn kwartier te kunnen overbrengen, waarna hij nog met Geertje overlegde hoe de arme lijder, die wellicht een langdurige en nauwlettende verzorging zou behoeven, het geschikst kon verpleegd worden.

Ter nauwernood echter had Geertje—die, in weerwil van haar moedig besluit, toch met vreeze aan den man dacht, wiens hemeltergende voogdij haar zoogkind in den droevigsten toestand gebracht had—diens naam genoemd, of de geneesheer bedacht zich en, den naam Van Meerle een paar malen herhalende, vraagde hij: “Luitenant van de cavalerie....?”

Op het antwoord der vrouw, dat hij althans in dienst was toen, na Van Males dood, de voogdijschap over den jongen Willem door hem aanvaard werd, verhaalde de geneesheer verder hoe het juist bij hém geweest was, dat hij dien zelfden nacht werd geroepen, terwijl hij er bijvoegde, dat het hem zeer verwonderen zou indien de luitenant, die, bij zijn mede-officieren slechts weinig gezien moest wezen, de activiteits-uniform langer zou dragen, dewijl een ernstige beenbreuk vrij zeker een amputatie zou ten gevolge hebben.

Neen, vrouw Geertje verheugde zich nimmer in het lijden des naasten. Zij juichte niet om het leed ’t welk den ruwen man, die het arme zoogkind ten verderve geweest was, trof, maar toch plooide een dankbare trek haar goedig gelaat, toen zij de woorden van den dokter vernam.

De weinige dagen, die er verliepen sedert wij Willem Van Male op zijn kamer aantroffen, hadden hem onder de vreeselijke leiding van zijn vroolijken voogd—die steeds beweerde te weten wat een jong mensch toekwam: dat men de jeugd moest genieten, dewijl dat blijde tijdperk zoo kort was, en hij een druiloor werd, die in zijn schoonste levensdagen niet zag wat er in de wereld te koop is—die dagen, zij hadden zijn laatste levenskrachten ten eenenmale vernield.

Naarmate de verslapping, de verdooving en ook de lusteloosheid der laatste weken al meer en meer de overhand namen, waren de prikkels van ’t genot ook scherper geworden, totdat de arme knaap, in den nacht toen hij met Joost Van Meerle huiswaarts keerde, door dezen verlaten, geen kracht meer had bezeten om alleen zijn weg te vervolgen.

Hoe lang hij daar in de koude op de kille steenen lag, valtgemakkelijk te berekenen, indien wij het tijdsverloop nagaan waarin Mathilde, sedert hare vlucht voor den vervolger, het onderhoud in de kamer van Geertje had, en de laatste, na Mathilde tot aan Schorels woning te hebben vergezeld, eerst op haren terugweg den jongeling daar zoo ellendig liggende vond.

Noch de zoogmoeder, noch haar zoon, waren door Van Male herkend geworden, en den ganschen nacht, dien Geertje wakende aan de bedstede had doorgebracht, gaf hij geen teeken van bewustzijn.

Omstreeks negen uren in den morgen werd de bewoner der sierlijke kamers in de K....straat, nog steeds in den verschrikkelijksten toestand, op zijn fraaie legerstede neergelegd, en de dokter die, zooals hij bij zijn eerste bezoek beloofde, op dat tijdstip er mede verscheen, verklaarde met den luitenant niet over den toestand van zijn pupil te hebben gesproken, daar Van Meerle in een hevige koorts lag, terwijl hij ook als chirurg den luitenant niet weder dacht te bezoeken, aangezien een militaire geneesheer hem vervangen had.

Naar zijne meening werd de zaak der verzorging een liefdewerk ’t welk aan niemand beter dan aan de vrouw kon worden toevertrouwd, die in den lijder zulk een groot belang stelde.

Met den eigenaar van Willems kamer was alles weldra geschikt; bij noodzakelijke afwezigheid der weduwe zou hij of zijne vrouw mede een wakend oog houden, terwijl Frans—die toch niets te doen had—mede tot de verpleging behulpzaam kon wezen. En Geertje verlangde geen belooning; zij wilde trachten tóch haar gewone werk te verrichten. De verdiensten in ’t logement, ja.... die moest ze missen; maar wat maakte het uit, indien ze daarvoor in ruil met haar jongen slechts een matig stuk brood kreeg.

Willem lag te bed.... akelig!

Frans zat er bij om de gegeven bevelen van den geneesheer getrouw te volbrengen, en Geertje sloeg den vaal rooden doek weder om, want ze had door al het gebeurde haar belofte niet vergeten, om voor de belangen der beangste Mathilde en den belasterden zoon alles te doen wat haar zou mogelijk zijn.

De lezer zal het waarschijnlijk hebben opgemerkt dat Schorels dochter, van het wreede lot, dat haar bedreigde, tot Geertje en Frans sprekende, tevens de bijzonderheid verhaalde—waaraan zij zelve echter weinig beteekenis had gehecht—dat Hak, de echtgenoot waarmede vader Schorel de jeugd zijner dochter bedreigde, dienzelfden avond—den avond vóór de aanteekening—zich niet als naar gewoonte in het winkelkamertje aan hare zijde was komen nederzetten.

Zijzelve had bij die niet-verschijning weinig meer gedacht dan dat de spekslager.... gelukkignietverschenen was; en Schorel, die beweerd had zeer weinig van de verlovings-formaliteiten te kennen, had het er vast voor gehouden, dat het in den regel ’t gebruikwas, elkander den laatsten avond vóór het bruidschap niet te ontmoeten.

Trouwens daar was eene andere oorzaak. De spekslager Hak was ongesteld geworden; hij had zoo’n hoofdpijn gekregen; zoo’n pijn door al de leden; de koorts... misschien wel de tering; dit boodschapte de spekslagersjongen, reeds vóór acht uren aan den komenijman—terwijl Thilde, vermoeid van een bijna slapeloos doorgebrachten nacht, nog te bed lag—tevens het vriendelijk verzoek van den baas er bijvoegende, om de mand te mogen hebben, waarin hij gisteren die varkensrib bezorgd had,—Schorel begreep er niets van—zonder dat de jongen een nieuw presentje van den baas meebracht, zonder dat hij de “compelementen” van den baas maakte, en zonder dat de baas als naar gewoonte liet vragen: “En compelement, hoe of mijnheer Schorel en de jongejuffrouw het maakten?”

“De koorts!.. de tering?” Ware Frans nog in den winkel geweest—sedert diens vertrek had Schorel nog niet kunnen “reseleveeren om een loonknecht” te nemen, en een “maatje was zoo slecht te vertrouwen”—of ware Thilde maar present geweest, dan zou Schorel terstond naar de slagerij zijn gesneld om den dierbaren aanstaanden schoonzoon te bezoeken en moed in ’t lijf te spreken. Hoe erg het ook wezen mocht, veertien dagen zou hij ’t in elk geval nog wel kroppen.... dan weduwe, dát was tot daar en toe; hoe lang was hij-zelf niet weduwnaar geweest! Doch nu moest vader Schorel wachten totdat, na een onophoudelijk gebeuk op Thildes kamerdeur, met de woorden: “Kom je nog niet! er is een nare boodschap gekomen,” het meisje eindelijk met rood gekreten oogen verscheen, en Schorel, zonder dat te bespeuren, ter deure uit snelde om zoo haastig als zijn oude beenen hem dienen wilden, de slagerij van Hak te bereiken.

Vreemd... ja, zeer vreemd staarde de hijgende komenij-man voor zich uit, terwijl hij op den drempel der slagerij staan bleef, toen hij den dikken Hak, met de rozen op de bolle wangen, het blanke mes tusschen de ribben van een zijner slachtoffers zag drijven. Het was alsof de grond hem onder de voeten wegzonk, toen hij den beminden, aanstaanden en zoo teringachtigen schoonzoon, geheel vervuld met de kunstsnijdingen welke hij verrichtte, zonder zijn komst te bemerken, een vroolijk: “Jan toerelesoer” hoorde aanheffen, en—den blik ter zijde wendende, den slagersjongen ontwaarde, die een knip-oogje met den knecht wisselde, en daarop in een schaterend gelach losbarstte.

“Maar hoe!... Maar wat!... Maar Hak! Je bent!” stotterde Schorel: “Ik kan toch niet denken dat...”

“Wat... blief..?” riep de spekslager, en zich verrast omwendende en zijn bezoeker herkennende, zette hij een gezicht nog vreemdsoortiger van uitdrukking dan dat ’t welk hem zoodanig verraste; terwijl de knecht, ten bewijze dat hij niets hoorde en niets begreep, het aangeheven lied van zijn meester vervolgde en doorzong: “Ma belle! ma belle,” en zijn liefelijk gezang met het hakmes accompagneerde.

Jan de knecht was niets nieuwsgierig, en Frits de jongen evenmin, maar beiden hadden toevallig iets op den achtergrond te verrichten, toen een luidruchtig gesprek, dat tusschen den baas en meester Schorel in de achterkamer gevoerd werd, hun in de ooren klonk. Alles konden zij niet verstaan, want de baas die de teringachtige koorts had, sprak somwijlen zeer zacht, maar zij verstonden toch duidelijk, hoe Hak zeide:

“Denk jij dat ik een vrouw met een leege hand zou nemen?” Waarop het antwoord van Schorel klonk:

“Maar je wist immers dat ik geen geld, volstrekt geen geld heb.” En weder des spekslagers uitval:

“Zou ik gek genoeg zijn om die kleeren en alles wat het mijne is, aan een schepsel te geven dat geen duit mee ten huwelijk bracht?” En Schorels bescheid:

“Maar ’t was immers.... om in den winkel.... een hulp.... een toezicht....” totdat eindelijk de woorden dermate kruisten en als dooréén vlogen, dat Haks bedienden, die trouwens genoeg vernamen, verder vruchteloos hun gehoor scherpten, en eindelijk terwijl ze een luider “Jan toerelesoer” aanhieven, meester Schorel op zijn magere beenen den winkel zagen uitstappen, met een paar oogen flikkerende als dolken.

Hij keerde huiswaarts, de teleurgestelde komenij-man, de onvoorzichtigheid verwenschende, die hem, wie weet hoe dikwijls reeds, had doen vertellen dat zijn dochter met Hak den slager ging trouwen zonder dat zij een duit behoefde ten huwelijk te brengen; zich de onnoozelheid verwijtende, die hem in Hak niets anders dan een trouwlustige had doen zien, terwijl alles in orde zou zijn gebleven indien hij meer “dipplematisch” zijn mond had gehouden, en eerst na de trouw zijn onvermogen had aan ’t licht gebracht.

’t Kookte den komenij-man van binnen. De teleurstelling was bitter en groot, en ’t was met een ontzettend: “Wat wou je? hé...?” dat hij bij ’t binnentreden van zijn winkel, vrouw Geertje begroette, die, juist aangekomen, met de beminde van haren Frans sprak, met Thilde, die niet vermoedde dat het nu reeds beslist was dat het hedennietde eerste bruidsdag zou zijn.

Vrouw Geertje, die evenmin de waarheid bevroedde, was in den aanvang door de barsche vraag wel eenigermate uit het veld geslagen, doch, op zulk een onthaal niet geheel onvoorbereid, verzocht zij in de zachtst mogelijke bewoordingen, om meester Schorel, al was ’t maar een paar minuten alleen te mogen spreken, in ’t belang van haar jongen, en in ’t belang van hem-zelven.... hem-zelven, want Geertje begreep toch niet ten onrechte dat het wezenlijk geluk van een kind den vader ter harte moet gaan.

De uitval van Mathildes vader was weinig in harmonie met den zachten toon daareven door vrouw Willems aangeslagen. ’t Was, volgens zijn bitse verklaring, wel een gunstig gekozen tijdstip om over een ondankbaren dief te komen spreken! Ei, over zijn eigen belangen....? Nu dat ze dan maar spoedig voor den dag moest komen, daar hij het hoofd vol had met het beramen der middelenwaardoor hij dien nietswaardigen Hak zijn beleediging en zijn eervergeten gedrag omtrent Mathilde zou betaald zetten; den huichelaar, die vast beloofde Thilde te zullen huwen en nu schandelijk zijn woord gebroken had.

’t Valt gemakkelijk te beseffen hoezeer vrouw Geertje, maar vooral ook het angstig vreezende meisje, verrast stond over het zoo even gehoorde.

Terwijl de eerste zich niet had durven vleien om voor het bedreigde kind iets méér dan voorloopig uitstel te zullen bewerken, en de tweede, zelfs aan den goeden uitslag van die bemoeiing had gewanhoopt, zoo moest de overwinning—op welke wijze dan ook behaald—haar beiden wel ten zeerste verbazen en verblijden; maar zij gevoelden tevens dat het den overwonnene tot den hevigsten toorn zou voeren, indien zij hare vreugde openbaar maakten; en, terwijl vrouw Geertje, met den blik op Thilde gevestigd, slechts een “Beter ten halve gekeerd dan ten heele gedwaald!” liet hooren, viel Schorel, na de woorden zijner dochter: “Ach! vader, ik dacht wel dat Hak de rechte niet was!” met een woordenvloed in, waarbij hij der weduwvrouw de—voor Mathilde zoo streelende verzekering gaf, dat het een kruis was kinderen te hebben, en bepaaldelijk dochters; dat ze tot niets nut waren, en dat men ze voor anderen groot bracht, terwijl die anderen dan nog wel meenden dat de grootbrenger van zijn armoede, alsof er geen opkomen aan was, een deel zou medegeven!—onder welk verslag de weduwvrouw had opgemerkt dat meester Schorel drie malen Gods zegen en vijf malen de straffe der verdoemenis over zijn grijze kruin had afgesmeekt!

Met recht begreep vrouw Geertje dat het noodeloos woord- en tijdverspillen zou wezen, om den zoozeer ontstemden man nogmaals over de belangen van haar jongen te spreken; wellicht zou zij later, in kalmer oogenblikken, met meer voordeel die zaak kunnen bepleiten; en na Thilde hartelijk de hand te hebben gedrukt, welke handdruk met een bijzonder vuur werd beantwoord, groette vrouw Willems den komenij-man vriendelijk, maar vertrok zonder een antwoord op hare vraag: of zij later nog eens terug mocht komen om over Frans—hij wist wel—te spreken?

Ongeveer twee dagen nadat Willem Van Male in zijn ellendigen toestand door vrouw Geertje en haar zoon werd gevonden, kwam hij tegen den avond voor de eerste maal tot eenig bewustzijn.

Het hoofd naar de zijde wendende waar de gordijnen waren geopend, beschouwde hij met strakken doch doffen blik langdurig de vreemde vrouw, die naast zijn ledikant was gezeten en die, verdiept in haar arbeid, het niet bemerkte dat de lijder haar gadesloeg.

Werkelijk ontstelde Geertje toen de stilte die er in het vertrek heerschte—want Frans deed een boodschap—eensklaps werd afgebroken, en zij de krachtelooze stem uit het ledikant vernam, met de vraag:

“Wie ben je?”

In den aanvang wist Geertje niet wát te antwoorden.

Zij had den lijder reeds zoo dikwerf, maar ijlende, op een geheel anderen toon hooren spreken, en ook natuurlijk tot hém gesproken, hem nu eens tot rust vermanende, terwijl zij dan weder, hoewel te vergeefs getracht had zich aan hem bekend te maken. Niet zonder eenige verwarring uitte zij dus de wedervraag: of mijnheer waarlijk wakker was?

“Maar wie ben je toch, en waarom zit je hier?” klonk het weder dof: “Ik ken je niet.”

“Ach! God zij gedankt!” sprak Geertje, terwijl zij haar werk liet varen en met de beide handen de vermagerde hand van den lijder vatte, waarmee hij bij de laatste vragen met een machtelooze beweging gepoogd had de gordijnen wat meer open te schuiven. “God zij dank! hij is dan weer bij kennis. Ach, Wimpje.... mijnheer Willem....! Neen, u kent mij zeker niet meer? Neen! nietwaar? Of zou Geertje nog niet te veel verouderd zijn? Och! u waart nog maar even tien jaren toen zij van u heenging. Och Wimpje! zie eens, zie eens, kent u mij nog....?”

“Maar zeg dan wie je bent!” sprak de doffe stem weder, en ’t scheen wel of dat telkens vragen hem vermoeide of verveelde.

“Geertje!—Geertje Willems!” klonk nu haastig het antwoord der vrouw: “Och! dat ik u zoo naar en zoo zwak moest wedervinden! Maar tóch dank ik God dat ik u nog levend terugvond! En zoudt u waarlijk iets beter zijn?” liet zij er spoedig op volgen, terwijl het op haar gelaat te lezen stond hoezeer haar een “ja” zou verblijden.

“Ik ken je niet! Neen. En beter ben ik ook niet.... hoewel ik niet ziek ben,” klonk het doffe antwoord van den ongelukkigen jongeling, en, ofschoon hij niet beproefde de hand, die vrouw Geertje nog in de hare hield, terug te trekken, wendde hij toch het hoofd af en sloot de oogen.

’t Was een bittere teleurstelling voor Geertje dat ze die woorden moest hooren uit den mond van hem, voor wien haar gevoelig hart zoo warm en zoo teeder klopte. Neen, ze vermocht geen woord uit te brengen, maar met een gelaat waarop de smart die ze ondervond zoo duidelijk was te lezen, bleef ze op den armen Willem nederzien, en drukte nog steeds zijn hand, als hoopte zij dat die taal beter zou verstaan worden.

Zie, daar wendde hij opnieuw het hoofd naar de zij waar Geertje stond, en terwijl de matte oogen zich nogmaals op haar vestigden, sprak hij langzaam:

“Maar ben je dan de vrouw waarvan ik gedurig droomde,—ook in dezen nacht die zoolang heeft geduurd? Ben jij het met wie ik nog onlangs heb geworsteld, zóó sterk.... hé?” en de jongelingrilde: “dat ik niet ontkomen zou zijn, indien niet hij....!” Maar eensklaps rukte Van Male de hand welke Geertje nog vasthield, los, en recht voor zich uit wijzende, terwijl zijn blik zich mede in de aangewezen richting vestigde, vervolgde hij dof maar gejaagd:

“Hij die daar staat!—Weg, weg!—Hij was het,—ja, hij—die mij losrukte en meenam naar het huis waar ik kokende olie moest drinken.—Nog brandt het hier binnen—gloeiende kokende olie.—Pijn! pijn!—Waar een kleine slang, zoo fraai van vorm en kleuren, en zoo hel van oogen, mij aanstaarde.—O! weg, weg!” gilde hij sterker, en wierp, terwijl Geertje het angstzweet uitbrak, met de beide handen de dekens ten deele van zich af: “Weg! help! zij steekt mij in ’t hart.—Pijn! pijn!—”

Zóó akelig had vrouw Geertje hem nog niet gezien. Die arme jongen!

“Wees voorzichtig!—Voorzichtig! Hij staat dáár!—met die zwarte knevels en dat hooge voorhoofd.—Weet je wat achter dat hooge voorhoofd zit?—ik zag het straks!—Zie, hij lacht! hij lacht!—help! help!!”

Machteloos en buiten kennis zonk de ongelukkige, die zich bij de laatste woorden overeind had gericht, in zijne kussens terug, en roerloos bleef hij totdat de dokter verscheen, die door de ontstelde vrouw in allerijl was ontboden.

Wij zouden te veel van het geduld vergen, indien wij een breedvoerig verslag gaven van ’t geen er verder gedurende eenige dagen in het rijk gestoffeerde vertrek der ellende voorviel. Genoeg zij ’t te melden dat er geen belangrijke verandering in die dagen plaats greep, en hoewel Van Male niet weder in zulke hevige uitvallen verviel, bleek het toch, zoo vaak men hem bij kennis waande, dat de vrees voor een verstandsverbijstering nog niet als ijdel kon beschouwd worden. Telkens was hij op het punt om Geertje of den speelmakker zijner kinderjaren te herkennen, maar telkens ook werd dit gewenschte uitzicht weder verijdeld.

Eindelijk echter viel der trouwe zoogmoeder het geluk dier vurig gewenschte herkenning ten deel. Met een blos der innigste verrukking hoorde zij op zekeren morgen uit den mond des jongelings, dien zij sluimerende dacht, de verblijdende woorden:

“Ja, ik weet het wel, dat je de goede moeder Geertje bent.”

Van dat oogenblik af week de vrees van den dokter, en werd Willem Van Male, ofschoon ellendig en zwak, weer van de ketenen verlost die zijn rede hielden gekluisterd. ’t Is nu, in denVoltairegezeten, met het hoofd aan vrouw Geertjes boezem geleund, dat wij hem wedervinden.

“En zou dat mogelijk zijn Geertje?” vraagt de zwakke, terwijl hij de oogen tot de vrouw opheft, die vertroostende woorden tot hem sprak.

“Mogelijk, Willem?” antwoordt de zoogmoeder: “Het is een vaste en zekere waarheid! Je hebt immers gehoord wat er geschreven staat, namelijk dat hij die gedoopt is en gelooft, de zaligheid zal beërven.”

Willem zwijgt een poos, maar eindelijk slaakt hij een zucht, en zegt:

“Maar Geertje, ik heb niet geloofd.... zelfs heb ik maar zelden aan God gedacht. Alleen deed ik zulks wanneer ik mij de woorden herinnerde, die mij bij ’t afscheid op “Land-heil” uit uw mond naklonken: “Wees braaf! God, die u altijd ziet, heeft de brave kinderen lief!” Die woorden zijn altijd in mijn geheugen gebleven. Onwillekeurig kwamen ze mij, soms in de luidruchtigste gezelschappen of te midden der bedwelmendste genietingen, voor den geest; maar, hoewel ze mij deden ontroeren, vooral toen ik pas begon de wereldsche, mij vreemde genoegens te kennen, dat denkbeeld zelf leerde ik hoe langer zoo meer verdragen;ikwas toch geen kind meer,ikwas man geworden!hij—hijzeide het mij meermalen. O Geertje, zeg, ben ik niet vreeselijk ellendig? Zou dat woord, straks door u gesproken, ookmijkunnen redden? Gelooven! alléén gelooven?—Neen, neen, ’t is onmogelijk, je hebt ook andere woorden gelezen Geertje! “Daar zal zijn weening en knersing der tanden.” Geertje! och! houd mij wat vaster—ik word weer zoo vreeselijk koud; ik beef zoo—Geertje! neen, het is onmogelijk!”

Maar neen! het was niet onmogelijk. De trouwe zoogmoeder zou er voor waken.

Aandoenlijk was het, de goede vrouw daar met den ongelukkigen Willem te hooren spreken, en hoe zij, bij al wat te vergeefs werd aangewend om de krachten van het lichaam te herstellen, de vonken van ’t leven des geestes in hem aanvuurde, zoodat hij na verloop van weinige dagen, een blij ontwaken aan gene zijde van het graf voor mogelijk hield. Ja, al gevoelde hij ook dat er in een der vele woningen waar hij den blik zou opheffen, de smart over het hier bedreven kwaad hem de vreugd zou verbitteren, hij vertrouwde toch op de genadige ontferming des Scheppers, op de liefde van Hem, die—volgens de meening der goede eenvoudige vrouw—metvele, maar ook metweinigeslagen zal slaan.

Nu, Gode zij dank! al waren zijn leden ook slap en zijn vermagerde handen koud, hij rilde niet meer, maar voelde zich sterk met zijn hoop op een betere wereld. Hij vreesde den man niet meer die, zooals Claudius zegt: “er zelfs vriendelijk zal uitzien indien men hem lang aankijkt.” Neen, hij sidderde op zijn aanblik maar zelden, en toch—toch stond vriend Hein steeds vóór hem. Lag de arme jongen in zijn ledikant, dan trad de sikkelvoerder uit de gordijnplooien te voorschijn, en trok de kakebeenen tot een lach, een vriendelijken lach, alsof hij zeggen wilde: “’t Gaat goed mijn jongen! niet als een vijand maar als een vriend zal ik u de hand reiken.” Zat hij voor het bed in den gemakkelijken leunstoel, dan stond de ontvleesde man als naar gewoonte bezijden de prachtig gevuldeétagèreen lachte alweder, maar immer vriendelijk, en ’t was alsof hij fluisterde: “Ik wacht slechts totdat ge uw reisgoed bijeen hebt.”

Ja, Willem zag hem zonder vrees; maar toch werd hij droevig, wanneer hij hem langdurig beschouwd had en, vermoeid zijne oogen sluitende, in de duisternis die hem omgaf toch alweder het beeldvan den levensmaaier ontwaarde, en aan diens zijde een fraaien blonden knaap, een knaap—met de rozen op de lachende wangen, een ruiker van de schoonste bloemen op de borst, en in zijn hand een krachtig wapen, waarmede hij een aantal zwarte wezens, die aan zijn voeten kropen, dreigde te vernietigen. Ja, de lach van dien knaap bedroefde hem meer dan de lach der ontvleesde kaken; een wijle toch was het hem als herkende hij in dien knaap zijn eigen wezen; als werd hij één met hem; als stond hij in zijne plaats; als—maar plotseling weder ontwakende lag hij als vroeger machteloos neder, en zag hoe hij meer naar hém geleek, die naast deétagèrestond, en dan—dan blonken er een paar tranen in de oogen, die maar kort meer het zonlicht zouden opvangen. Zóóals die knaap was, had hijmoetenzijn, en nu—o God!—en nog zoo jong!

Was het vreemd dat de jonge Van Male, zelfs nadat hij uit de geestverdooving ontwaakte, niet vanhemsprak, nochhemwenschte weder te zien, aan wiens hand hij “zijn jeugd” had genoten? Was het vreemd dat, zoodra het beeld van Joost Van Meerle zich aan zijn geest vertoonde, er zich een nog pijnlijker trek dan gewoonlijk over zijn gelaat verspreidde?

Vreemd? Evenmin als het vreemd is dat de wandelaar, die in het vriendelijke morgenlicht zijn weg vervolgt, den nacht niet terugwenscht, die hem belette de gevaarlijke punten op zijn pad te ontwijken.

Vreemd? Niet vreemder dan dat een donkere schaduw het aardrijk grauwt wanneer een zwarte wolk den zonneglans verduistert.

Willem vraagde niet naar den voogd, en verscheidene weken verliepen er eer Joost Van Meerle,—wiens toestand, vooral na de amputatie van zijn rechterbeen, niet zonder zorg te wekken geweest was,—een briefje van den volgenden inhoud aan zijn pupil deed toekomen:


Back to IndexNext