De vriend van den huize.“Heel lief, Suus, speel maar gerust door; ik hoor je best al praat ik.De Reeveriehé? Allerliefst!”“Neen, de Waanzinnige wals!”“Ah juist, de Waanzinnige wals; die andere is, als je zoo gauw met de vingers moet tikkelen, precies! Ja wel, ik hoor je heel goed.—Wat ik ook zeggen wilde mijnheer.... er is weinig bijzonders op die verkooping; de burgemeester schijnt geen liefhebber van mooie boeken te zijn geweest. Eenige Grieksche, Latijnsche, Hebreeuwsche, Fransche en Duitsche werken, maar vuil, weinig werken van smaak. ’k Had zoo gehoopt dat de werkjes van.... och!? er compleet zouden zijn, dezelfde van wien ik u laatst “De min” heb voorgedragen, toen u allemaal zoo moest lachen.—Suze, als ik om moet slaan, roep me dan maar.—Neen, die goeje man heeft weinig met de “letterituur” op gehad.—Och! op een dorp! Behalve hier en nog een paar families, heb ik volstrekt geen liefhebberijen gevonden.—Er was beeldig porselein mevrouw, lange leizen, zes merken. O wacht Suze.... Zie zoo!”De persoon, die van de piano, waar hij voor het spelende meisje ’t muziekblad had omgeslagen, naar zijn stoel bij den warmen haard terugkeerde, heette Barend Flitz, en was de eenige zoon van mijnheer Flitz en mejuffrouw Flitz, geboren.... dat weet ik niet.Wat mijnheer Flitz Senior in vroegere dagen geweest was, ’t zij stukadoor of metselaar, of wat ook; sommigen waren wel zeer nieuwsgierig geweest om daarvan het rechte te weten, doch, nadat de heer Flitz Junior, opVredelustbij den rijken heer Gliekke vriendschappelijk werd ontvangen, overtuigd als deze was dat de heer Flitz Senior fatsoenlijk rentenierde, en zijn zoon—candidaat-notaris,eenmaalook notaris zou worden, hield men het in ’t dorp ook voor vast, dat de candidaat Flitz, die op ’t kantoor van Van Saffelen “in de leer was,” de zoon van fatsoenlijke lieden moest zijn.Wij zullen u, waarde lezer, niet langer met de Flitzen bezig houden, maar alleen den jongen candidaat wat nader beschouwen, om daarna den slappen draad van het gesprek weer op te vatten.Barend was acht en twintig jaren oud, zijn gelaat, niet onaangenaam van uitdrukking, bezat echter niets, ’t welk het een of ander deed verwachten. Wilt gij zijn signalement?Voorhoofd, rond; oogen, bruin; neus, ordinair; mond, dito; kin, ovaal; haar bruin; baard ros; (collier d’amour); merkbare teekenen.... Ja, merkbare teekenen, dat was voor den steller van Barends reispas, toen deze weinige jaren geleden, een Duitsch reisje—naar Cleef—maakte, een moeielijke taak geweest om in te vullen, want om te zetten: “een bult” dat was wat erg, “een hooge rug” dat stond zoo vreemd, en, als hadde hij dat merkbare teekennietbemerkt, zette hij, tot Barends overgroote vreugde zoo’n krommige streep, zoodat de candidaat toen tot de volle overtuiging kwam, dat.... de menschen ’t niet eens zagen.Barends karakter?—’t Woord in den zin van hoedanigheden, want Barend kon niet precies een man van karakter genoemd worden,—zijn karakter was werkelijk niet slecht. De jonge Flitz was beleefd, goedgeefsch, kerksch, netjes op zijn kleeren. Of hij eenmaal van veeltalentenrekenschap zou hebben af te leggen, dat gelooven we niet, maar toch, Barend sprak veel over zijn talenten. Ten eerste speelde, of lieverblieshij de fluit, zonder zich evenwel machtig veel om al die vreemde poespas van woorden te bekreunen, waar een muziekstuk doorgaans “mee gelardeerd is.” ’t WoordAndantevond hij nog steeds een vreemde meisjesnaam, en dat Suze den jonkman volstrekt niet begrepen had toen hij eens op de woordenAndante con Expressionewijzende, lachende had aangemerkt, dat dit alweer een stuk expres voorAndantewas, valt licht te begrijpen, doch,.... waar is de jonge dame, die een jonkman een aardigheid hoort debiteeren waarom hij zelf lacht, en vragen durft: “Wat meent u?” Men maakt niet gaarne een mal figuur.Enfin, Barend was een fluitist, en een “resitateur,” zooals hij ’t noemde, zoogoed als de beste rederijker. ’t Schip van Klaassens kon hij verschrikkelijk doenkrakken, en terwijl zijn hoofd een brandende lont scheen, in de lucht doen bersten dat men er koud van werd—waarbij de beide handen dan aantoonden dat de lucht boven het hoofd was.Dichten?—Ja, een dichter, daar wilde hij zich “niet zoozeer voor uitgeven.” Maar een versje, om, “onder de roos voor te dragen,” ja dat wou hij niet ontveinzen. Onder anderen één, over de wolken, waar hij, heel aardig, de plaats van den ouden heer, een buitentje in de provincie Holland datWolkensteijnheette, in had te pas kunnen brengen, doch welkWolkensteijnhem drie slapelooze nachten had gekost, dewijl er in de heele Dictionnaire geen rijmwoord voor “Steijn” was te vinden geweest. De grootste dichters zouden er voor gestaan, of zooals Flitz zeide “op gezeten” hebben. Had de plaatsWolkenstijngeheeten, dan had “vader Rijn“groote dienst kunnen doen, ofWolkenstein, dan had “klein” een geschikt rijmwoord kunnen worden, maar met die ongelukkigeeijwas er geen licht gekomen, zoodat hij—wel jammer—Wolkensteijnuit de wolken had moeten laten. Soms viel Barend—volgenseigen verklaring—en wel bij “perferentie,” in ’t komieke. In ’t soort pas genoemd, had hij iets over kraamvisites gemaakt, waar hij alles in te pas had gebracht tot....“Een suikre muis, In kluis.”Waarlijk, de aspirant-notaris was niet kwaad, niet onaardig, en kon nog aldoorslaan. De notaris Van Saffelen beweerde, dat hij heerlijk mooi kopieerde, en, in ’t omberen was Barend van zessen klaar. Misschien dat de heer Gliekkedaaromde conversatie met den jongen Flitz zoo bijzonder aangenaam vond; althans drie malen in de week was ’t vast dat Barend opVredelustging dineeren om daarna wat te musiseeren, te résiteeren, te praten, en ten slotte—dat heet van halfacht tot halfelf—een partijtje te maken.Barend was in Holland geboren, en kwam op zijn vijftiende jaar naar het Geldersche dorp B., om er van den genoemden notaris, die in de Haarlemsche Courant een jongeling ter opleiding had gevraagd, die opleiding te ontvangen.Dertien jaren woonde hij alzoo in het vreedzame dorp, en, was Barend in de weinige fatsoenlijke huizen—dat wil zeggen, de huizen waarin tapijten liggen en voor welks ramen meubelgordijnen hangen—tamelijk reçu, ’t heette algemeen dat hij opVredelustde huisvriend was, en, niet alleen dat het zoo heette, maar ’t was ook zoo.Ofschoon wij beloofden, na een nadere beschouwing van den heer Flitz Jr., terstond weer den draad van het gesprek te zullen opvatten, zoo nemen wij toch de vrijheid—’t gaat geregelder in eens door—om nog met een paar woorden van de leden te spreken, die te zamen het gezin uitmaken waarvan Barend de huisvriend is.Mijnheer Gliekke had nog al aardig “gekoopmand”; hij moest er, na al wat men zag en hoorde, warmpjes inzitten. Een zwakke gezondheid, zoo beweerde men, had den man doen besluiten het werkzame vermoeiende stadsleven met het stille gezonde Geldersche dorpsleven te gaan verwisselen, doch de plattelands-heelmeester verzekerde, dat hij in de zes jaren dat Gliekke te B.... woonde, geen tien gulden aan hem verdiende, zoodat hij de goede, vroegere bewoonster vanVredelust, die altijd zoo schrikkelijk sukkelde, wel tienmaal daags uit Holland terugwenschte; terwijl de dorps-apotheker telkens met een vuistslag beweerde, dat het een schandaal van ’t gouvernement was, dat er geen belasting op die ellendige huis-apotheekjes bestond, wanneer ze althans van elders werden meegebracht.Mijnheer Gliekke was.... mijnheer Gliekke. De man, die een werkzaam leven geleid heeft, kan zich moeielijk aan lediggang gewennen, maar ’t gaat toch beter dan dat een lediglooper zich aan drukken arbeid gewent, althans mijnheer Gliekke klaagde nooit over zijn tegenwoordigen staat. ’t Moet echter ook gezegd worden, dat hij nog altijd werkzaam was. ’s Zomers vischte hij, en liep despergebedden af; als ’t herfst werd ging hij geregeld driemalen daags de geheele plaats door om de lijsterstrikken na te zien en, kwam de jacht open, dan jaagde hij, trots den wankelenden staat zijner gezondheid, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, ten minste hij liep met ’t geweer; en ’s winters, ja, dan las hij, en knoopte netten, en ontving visites, maar wasdáneerst recht op zijn dreef, wanneer hij met Flitz en mama aan ’t ombertje zat.Mama was, evenals haar echtvriend, een heel best mensch. Ze schikte zich buiten heel goed. De komedies en concerten in stad betreurde ze niet, want daar had ze genoeg van, en och! daar zat het geluk toch niet in. Ze leefde voor haar huis; maar veel conversatie, dáár hield ze ook niet van.Suze! Ha! denkt de lezer, daar krijgen wij weer gitzwarte oogen, en golvende lokken, en albasten boezems, en krijtwitte handjes en. satijnen kleedjes, en poppenvoetjes, die er onder uitkomen.Verschooning,ditmaalniet. Wij kunnen op ’t oogenblik dien romantoon niet vatten, en willen omtrent Suze alleen onzen Barend hooren zooals hij zich over haar aan een vriend der kinderjaren uitliet, toen die vriend hem te B.... kwam bezoeken.“’En aardige meid,” zei Flitz: “z’ Is niet groot, maar ook lang niet klein; al sloeg je me dood, dan zou ’k niet weten hoe d’r haar is.... blond!.... bruin!.... neentochblond!.... afin! ’t doet er ook niet toe;donkerblond weet je; aardige oogjes, ze kan je d’r zoo mee aanzien, en de muziek leest ze d’r mee van ’t blad, net als jij of ik de krant; ’t neusje is nog veel kleiner dan dat van d’r mama,”—de vriend had mama nooit gezien—“en ’t mooiste van alles is nog d’r mond; jongens, daar heeft ze zulke weergasche mooie tanden in, zoo blank,”—Flitz werd poëtisch—“zoo blank als een zieltje! En als ze dan d’r nieuwe blauwe aan heeft, met zoo’n open lijf, met sjemizetjes, weet je, sakkerloot, kerel!”—Flitz geraakte in vuur—“dan heb je werk om je kontanance te houden. ’t Is tusschen ons heel familiaar: Suze en Barend, weet je. O! hé zoolang al; nog vóór dat ik ’t candidaats gedaan had.—’k Heb maar te zeggen: Suze dit of dat, dan is ’t dadelijk klaar, bij voorbeeld met piano spelen; ’k kan alles van d’r gedaan krijgen. Waarachtig kerel—maar, onder de roos hoor je—z’ is zoo gek naar me als ’t wezen kan, en ’t moet je nooit verwonderen weet je,”—Flitz viel in ’t komieke—“als je t’ eeniger tijd de namen, Flitz en Gliekke nog eens in de krant boven elkaar ziet staan.”Zóó had Barend Flitz zich in vertrouwen uitgelaten, en wanneer Suze, die weldra twintig jaren zou zijn, ook eens in vertrouwen tot een vriendin had kunnen spreken,—maar helaas! ze had er te B. geen gevonden, en aan eene moeder kan men toch ook nietaltijdzooallesenalleszeggen—had zekunnenspreken, dan gelooven wij dat Suze zoo omtrent het volgende zou hebben meegedeeld:“’k vind het altijd maar prettig wanneer Flitz komt, dan hooren we ten minste nog eens ’t een en ander, en komt mama daardoor ook tot zitten, terwijl dan in ieder geval het onophoudelijk gehaspel over de booien een einde neemt. ’t Is juist geen overvlieger, en vande muziek gevoelt hij zooveel als zijn fluit, terwijlikzijn réciteeren niet zoobijzonderkan vinden; maar als ze zeggeneen bult, dát is nietwaar; hij moet als kind veel voorover hebben gezeten, en nunogdat onophoudelijk schrijven, nietwaar....? Mama vindt, dat zijn oogen zoo groot, ze zegt kalfachtig zijn—maar dat vind ik in ’t geheel niet. Hij heeft waarlijk iets liefs in de oogen; en altijd is ie zoo netjes; en geen leelijke baard ook; en zoo voorkomend. Wanneer hij naar stad gaat, wil ie alles voor me meebrengen. Laatst nog stramien en wol; hoe precies had hij al die kleuren uitgezocht. Ikzelvezou ’t misschien niet zóó gedaan hebben. Garen en band, en—vin’je ’t gek?—tot een korsetveter toe; och, alles! en altijd met evenveel pleizier.—’t Is waarlijk een goeje jongen, en bijna de eenige, dien we opVredelustte zien krijgen. Vroeger in Amsterdam, o, hé! dat was heel wat anders; toen kwamen er veel heeren en dames bij ons aan huis; maar ’k herinner ze mij niet best. ’k Was veertien jaar toen ik hier kwam, dus kun je nagaan.—De neven Gliekke en Vos, die soms komen logéren, praten altijd over zaken en politiek; da’s vervelend. Neen, Barend is meegaande; en wie zal zeggen dat hij niet evengoed als Van Saffelen eenmaal verkoopingen zal kunnen houden en testamenten maken; wel zeker, evengoed; en het meisje beklagen dat zijne vrouw wordt.... neen, dat zal ik in ’t geheel niet.”Wij gelooven vast dat Suze zóó zou gesproken hebben; en ofschoon dwalen menschelijk is, wij hebben toch eenigen grond voor onze meening, want daden zeggen veelal meer dan woorden; en wáár was het, dat de aanvallige brunette altijd, als ze thee schonk, in Barends kopje een lepeltje suiker meer deed—want, van zoet hield hij machtig veel—en, wáár was het ook, dat ze altijd lachte, wanneer ze uit de verte hoorde, dat Barend een vôle gedéclareerd had.“Zie zoo,” zei Flitz, toen hij, na ’t muziekblad te hebben omgeslagen, in zijn armstoel neerviel, en de niet zeer lange beenen over elkander sloeg: “ik sprak van lange leizen.... of wel, van liefhebberijen; ja, ’t zal me eens benieuwen of er met een nieuwen burgemeester niet wat meer leven in B.... zal komen; ’en cassinootje zooals ze in E.... hebben, moet heel aardig zijn; of ’en rederijkerskamer; dan kanikmetDe minbeginnen; een dansje na, Suze desnoods op de piano, en ik op de fluit.”De aanstaande Rederijker, die vooral met den laatsten zin zoo’n schoone proeve zijner welsprekendheid gaf, had, toen hij van den nieuwen burgemeester gewaagde, iets in zijn blik dat Suze indien zij ’t had kunnen opmerken, misschien wel aardig zou genoemd hebben. De heer Gliekke, die half aan de Waanzinnige wals en half aan zijn gast behoorde, vraagde na een kleine pauze:“Al iets gehoord van dennieuwe, Flitz?”“Burgemeester?” vraagde de candidaat notaris. Mijnheer Gliekke knikte, terwijl zijn wijsvinger een orkeststokje geleek waarmee de Waanzinnige wals moest worden in stuur gehouden.Flitz zette een Zondagsgezicht en terwijl hij den pook nam om’t vuur te.... maltraiteeren—dat woord gebruikte mevrouw Gliekke altijd wanneer haar kooltjes, voor den doofpot geschikt, onbarmhartig werden stukgewerkt—zei hij heftig: “Ja, h’m! niets gehoord....! ’t Zal me eens benieuwen!”Gliekke kon niet denken dat hij zoo nabij een nederigen “zolisitant” was gezeten, en hernam dus nog altijd maatslaande:“Je weet er zeker meer van.—Haspels....? Meijer toch niet....?”“’k Weet er niets van, volstrekt niets,” zei het Zondagsgezicht; en, dat hij opVredelustthuis was, bewees zijn getrommel op de speeltafel, waarmee hij Suzes bevallig en welluidend spel, tamelijk onwelluidend accompagneerde.Vijf weken zijn er ongeveer verloopen.De candidaat-notaris heeft weer bij den ex-koopman gedineerd. ’t Was een eenvoudig haasje; heel smakelijk—wezenlijk door den gastheer zelf geschoten!Wanneer het haasje de geschiedenis zijner laatste levensdagen had kunnen vertellen, dan zou er misschien een volgend aandoenlijk verhaal aan ’t licht zijn gekomen: Verschrikt opgevlogen,.... een knal,.... nog een knal,.... een pijnlijk gevoel in den rechter achterpoot,.... en akelige loop van meer dan een uur lang, met een ander viervoetig wezen achter zich;.... ’en sprong over een sloot,.... te kort,.... een val in ’t lies; geen macht om zich op te heffen,.... ’en viervoetig wezen, dat over hem heen vliegt en met den klauw ’t puntje van zijn rechterlepel aanraakt, zonder zijn prooi te bemerken.—Onrust,..... Avondschemering,..... nacht!————Nieuw daglicht,.... veel pijn,.... gescharrel,.... gerucht in de verte,.... gepraat,.... hondengeblaf;.... ’en nieuwe poging om te ontvluchten,.... vergeefs,.... ’en verschrikkelijk lang monster, met een jas aan en een hoed op, loopende op de achterpooten, een langwerpig ding—dat wel van hout en ijzer schijnt te wezen—in de voorpooten geklemd,.... ’en vreeselijk bedwelmenden slag op het hoofd,.... een blik om genade naar boven.—Gepraat,... een dreunende knal!... ijselijke pijn!!... ’en duizeling tot besluit.Arm haasje! Maar ’t had lekker gesmaakt, en den jager was door den huisvriend een toost gebracht, waarbij deze weer in ’t komieke was gevallen, met de verklaring: dat de dischgenooten den edelen jager eigenlijk een dienst hadden bewezen door zijn prooi een eerlijke begrafenis te bezorgen.’t Was na het dessert, terwijl papa Gliekke, misschien nog vermoeid van zijn jachttochten, de knoopjes van zijn vest scheen te beschouwen, en telkens zijn kin in de stropdas deed zinken, en mama Gliekke haar turfkooltjes inrekende—dat Barend Flitz zeernabij juffrouw Suze stond, en haar iets toefluisterde, ’t welk hij tot hiertoe als een diep geheim in zijn boezem bewaarde, maar dat hem op den duur te benauwd werd. Hij fluisterde van een “rekest” dat hij in zee stuurde, naar Den Haag, zonder er iemand over te spreken, een rekest om het burgemeesterschap te B.... ’t Duurde lang eer die groote heeren tot een besluit kwamen; met iederen dag die er verliep, werd hij ook “meer kurieuser,” zoodat hij ’t nu maar aan Suze zei, maar heilig! ze moest er niet van spreken, hij wou ’t volstrekt niet weten. Als ’t goed uitviel dan zou ’t heel wat opzien geven, en zijn laatste woorden waren:“Suze wat denk je?”Suze wist niet wat ze denken moest, maar zei:“’t Idee alleen!” en ze lachte hardop, zóó hard dat Papa Gliekke eensklaps uit zijn stropdas verrees, en vraagde wat er gebeurde, en Mevrouw Gliekke in ernst verzekerde dat Suze haar deed ontstellen.Och! het geheim brandde den goeden candidaat heden namiddag toch verschrikkelijk, verschrikkelijk! op het hart. Eerst verzekerde hij dat het malligheid van Suze was, en toen dat hetnietswas, en daarna dat hij eigenlijk te veel vriendschap genoot om geheimen te hebben, en dat het tóch uit moest komen, en ten slotte, dat hij ’t dan maar zeggen zou.Mijnheer Gliekke, pas uit den dut gekomen, en mevrouw uit eene huishoudelijke berekening opgewekt, ze waren niet op de hoogte om de beteekenis van die geheimzinnige woorden terstond te vatten, zoodat mijnheer vraagde, of er gevaar bij was, en mevrouw op het denkbeeld kwam of Barend iets van Suze bedoelde.... men kon niet weten?“Brand? De hemel beware!” zei Flitz: “Neen hoort, maar heilig onder ons..... Ik heb....” doch terzelfder tijd trad de huisknecht binnen en overhandigde het pakje met couranten en brieven, ’t welk de bode uit de stad had meegebracht.Een paar brieven, die de belangstelling van den heer des huizes opwekten, deden hem een oogenblik het geheim van Barend vergeten, en, daar de laatste door de komst van het pakje de aandacht verdeeld zag, zoo nam hij als naar gewoonte haastig het Handelsblad en zocht.... naar het “Binnenland,” en vond.... en las....:“Z. M. heeft benoemd tot burgemeester der gemeente B.... c. a., den heer Mr. A. D. Van Bavik.”“Van Bavik! Mr. A. D. Van Bavik. Ja waarlijk het stond er; te B.... c. a.; en achter dat B.... c. a. stond: Van Bavik en niet: den Heer B. Flitz.Lezer, als gij meelijdende van aard zijt, dan hebt ge ook zeker een weinig medelijden met onzen vriend, die eerst vuurrood en daarna doodsbleek is geworden, en, nog altijd op die twee regels turende, dat Mr. A. D. Van Bavik beschouwt, alsof het nog mogelijk zou zijn om daaruit: B. Flitz te lezen. Ja hij tuurde nog steeds in het rampzalige nieuwsblad, maarzóó, dat zijn gelaat er achter verborgen was, en terwijl papa de brieven, mama de Haarlemmer en Suzehet Kampertje inzagen, dansten de letters onzen Flitz voor de oogen, en speelden hem al de heerlijke beelden door het brein, die hij zich zoovele weken geschept had.Verwondering door ’t heele dorp,.... visites,.... kaartjes,.... gelukwenschen!.... De leden van den raad allen bij hem op de koffie,....zelfs de heeren Van Saffelen, Haspels, Meijer en Dominee Van Beem. De blijdschap van Suze!.... Misschien een fiat op het groote vraagstuk!.... De beide veldwachters,nuzoo bokkig:zijneveldwachters! Edel Achtbare! hij—Flitz—Edel Achtbare!.... Cassinootje, Rederijkerskamer! alles tot stand brengen,.... overal de eerste viool spelen!.... Mijnheer de burgemeester, hoe vaar je? Dankje!.... hi, hi, hi!.... In de eerste week naar Den Haag, bedanken, ook oom Piet, de goudsmid, diewerkte. Meteen naarWolkensteijn. Va voor de moeite bedanken, die ook alWERKTE... Terugkomen in B...., met va en moe.—Eerebogen,... inhalen,... eerewacht te paard,.... muziek!.... Leve de burgemeester! hoezee! hoezee!... Overal vlaggen!.... ’En aanspraak van dominee,.... de kerkeraad, de gemeenteraad.... alles in ’t zondagspak.... Misschien wel ’s avonds ’en klein illuminatietje, of vuurwerkje,’t laatste stuk Egyptisch!.... Bengaalsch vuur, en—in een krans van blauw vuur, de namen: Barend Flitz!!.....Ach! nogmaals ach!! daar stond Mr. A. D. Van Bavik, en.... alles was.... mis.“En ’t geheim, Flitz?” riep eindelijk de heer Gliekke, nadat hij zijn brieven gelezen had.Flitz was geen overvlieger, en de wijze waarop hij met een request aan den Koning(!) en twee brieven aan kruiwagens—Va en oom Piet—zonder verder iemand over de zaak te spreken of een voet buiten het dorp te zetten, solliciteerde, bewees genoeg dat Flitz een slecht bestuurder der gemeente zou geweest zijn, doch, zóó dom was hij niet om in ’t slijk te loopen wanneer hij op ’t droge paadje kon blijven, en zich plotseling herstellende, en bouwende op de stilzwijgendheid van Suze, aan wie hij een blik van verstandhouding had toegeworpen, antwoordde hij:“Mijn geheim? Welnu, u kunt het zelf lezen.... zie.... daar staat hij, de nieuwe bur..ge..meester,” en de heer Gliekke las op de plaats waar Barends vinger wees, de gezegde benoeming.Al zijn er heeren onvriendelijk genoeg om al de leden der lieve sekse van babbelzucht te beschuldigen—van nieuwsgierigheid willen we zelfs niet spreken,—wij rapen hier terstond den handschoen voor de aanvallige Suze op, en verklaren dat zij er een van de velen was, die desgevorderd kon zwijgen als.... men zegt, als een mof. Suze lachte—wel wat vreemd, maar zweeg, zweeg bijna den geheelen avond.De benoeming van den nieuwen burgemeester bracht in Gliekkes huis de tongen in beweging, maar de teleurgestelde hield zich goed, hoewel hij aan ’t ombertje driemalen—ongehoord van Flitz—vraagde wat troef was, en tweemalen een opgelegdesans prendreverloor.De benoeming ging den volgenden dag door ’t dorp van mond tot mond, en Flitz stemde Jan toe, dat het goed was dat er een jong mensch kwam om de slapers eens wakker te schudden, want met de bestrating en de dorpsverlichting zag het er bedroefd uit; maar gaf met een luid: “Waarachtig!” later ook aan Klaas gelijk, dat het een schandaal was, zooals de jonge Mr-tjes, die van toeten noch blazen wisten, een gemeente, waar ze nooit geweest waren, werden binnengeschopt, alsof er in die gemeente zelve geen bekwame en geschikte mannen zouden te vinden zijn!—“Waaromjijofiknietevenzoogoed?” had Klaas besloten.“Waarachtig! misschien honderdmaal beter danjijofik,” had de teleurgestelde na zijn eerste: “waarachtig!” in vergissing er bijgevoegd.Maar of ze in B.... de benoeminggoedofniet goedkeurden, de nieuwe burgemeester zoutochverschijnen.Eenige dagen na de benoeming verzekerden de schooljongens dat ze een vreemd heer bij den dominee hadden zien binnengaan, en wisten sommigen van de notabelenzekerdat burgemeester er geweest was. Bij eenigen had hij visites gemaakt; bij den notaris-wethouder Van Saffelen had hij denfamiliarenpot voor lief genomen,—hoewel mevrouw Van Saffelen hemel en aarde bewogen had, om op ’t nippertje wat extra’s van den slager te krijgen, en van mevrouw Meijer, opBij-zichteen fleschje ingemaakte postelein leende, daar ze zelve dien inmaak vergat. De nieuwe burgemeester had bij den notaris gegeten, en deze verzekerde den volgenden morgen aan Flitz, toen hij op ’t kantoor kwam, dat Van Bavik een ferme jongen scheen; een geestig ventje, lang geen druiloor; wel geschikt,—hij wreef zich in de handen—ja,welgeschikt; ’en kereltje waar men mee ploegen en eggen zou; waar men heel wat anders mee zou uitvoeren dan met den ouden burgemeester Haller was mogelijk geweest. ’t Was iemand, die op de hoogte van zijn tijd stond, die dadelijk had gevraagd of er geen schapenmarkten in B.... werden gehouden. Schapenmarkten! zie, waar hij—Van Saffelen—altijd zoo mee gedweept had, maar ’t geen door Haller steeds was tegengewerkt. Een jong, maar ’en aardig burgemeestertje, waar de gemeente pleizier van zou hebben.Dat zei de notaris, en toen mevrouw Van Saffelen, om koffietijd eens op ’t kantoor kwam, betuigde ze ook, dat men wel zien kon dat de nieuwe burgemeester studentje geweest was. Zoo vroolijk zoo aardig in ’t spreken; hij deed aan de muziek, hij reciteerde,—alsof Flitz niet even zoogoed aan beide deed!—hij had een paar allerliefste kneveltjes—alsof Flitz ook geen kneveltjes kon laten staan, al waren ze dan zoo zwart niet.—“In één woord,” betuigdemevrouw ten slotte: “een goed voorbeeld voor onze dorpsjongeheeren; zoo heel en al Fransch.”’t WoordFranschhad voor de notarisvrouw een bijzondere beteekenis; alles wat ze goed en niet alledaags vond, heette Fransch! misschien omdat alle nieuwe modes van Fransche origine zijn; misschien omdat ze ’t Fransch iets boven haar verheven rekende, daar ze de taal zelve niet verstond. Fransch, waren de nieuwe Engelsche paarden van den baron van S.... uit het naburige G.... Fransch, was het tapijt dat manlief uit de Deventer fabriek, in ’t voorjaar had laten komen; Fransch, was zelfs de ingemaakte postelein vanBij-zichtin een tijd zooals deze, dat men zuurkool en andijvie at; en Fransch—wij hoorden het—was ook de nieuwe burgemeester. Hij was op een kijkje in B.... geweest, en kort daarna kwam hij er weder voor een dagje, en huurde drie kamers inHet Wapen van Gelderland, één vóór- en twee achterkamers.Meubelen—waaronder een mooie schrijftafel—kwamen, in gezelschap van kisten en manden, met den vrachtwagen successivelijk mee, en, met primo Februari waren alle hoofden in B.... c.a. ongeschikt voor eenigen arbeid. Dien dag was het dat de vlaggen ontrold, de beste kleeren aangetrokken, de oranjelinten omgedaan, de paarden voor de eerewacht bestemd, vroegtijdig in orde werden gebracht, en alles geredderd moest worden om den nieuwen burgemeester aan den tol te gaan afhalen, binnen zijn gemeente te voeren, en plechtig te ontvangen.Ja, ’t was een buitengewone drukte in ’t dorp. Zoo iets had er nog nooit plaats gehad. Stompe Griet zei, dat alevel voor ’en koning niet meer kon gedaan worden. Evert “de klomp” oordeelde, dat ze den man gek zouden maken. Hent “de vuist,” begreep dat het wijzer zou geweest zijn indien ze de centen in den zak hadden gehouden. Geurt “de wipneus,” berekende, dat voor al de onkosten samen, zij met ’r allen—hij bedoelde de bedeelden—den heelen winter vrij brood zouden gehad hebben.... zonder een hand er voor uit te steken. De kastelein uitHet Wapen van Gelderlanden verder al de heeren tappers in de gemeente, benevens de jongelieden, de leden der eerewacht, die zoo druk aan ’t vlechten van de paardenstaarten waren, ze vonden, in spijt van al ’t gepruttel, dat het een aardig dagje zou geven, en, oude Doris “de fillisoof” zei, dat ’en mensch ’en aap was, en iederman as de okkasie ’t toegaf, wel eens koningske zou willen zijn, en, omdat ieder man toch geen koningske werd, iederman al blij was, as ie d’r maar eens naast had gezeten of bijgeloopen.In’t Wapen van Gelderlandzou de ontvangst plaats hebben en de eerewacht van daar uitrijden. De ruiters, met hun twee aanvoerders aan ’t hoofd—de pikeur uit stad en Hendrik Snor, die in vroegere jaren bij de “kerresiers” had gediend—waren gereed om met de geleende koets van den baron S.... uit G.... naar den tol te vertrekken, maar nog altijd wachtte de trein op de komst van den heer Barend Flitz die Nº. drie zou rijden, en als Nº. drie dan ook de voorloopige exercities had meegemaakt.“Willem, als de weerga loop er eens heen!” riep de pikeur, die op een schrale manége-klant gezeten, van tijd tot tijd in zijne handen blies, daar ’t vinnig koud was.De knecht uit het logement liep “als de weerga,” maar dewijl hijnietals de weerga terugkwam, ontstond er veel gepruttel. Al tien minuten over den tijd,.... te laat komen,.... vervelend wachten,.... koud,.... zeker verslapen,.... schande op zoo’n dag! En, Gijs de veldwachter werd door Hendrik Snor vriendelijk verzocht om eens “als de wind” te gaan kijken of Willem de boodschap wel had overgebracht.De wachter van ’t veld, die trouwens gedurende Hallers leven weinig meer dan zijn boodschaplooper geweest was, liep, edoch wat minder vlug dan de wind, en dewijl er nu weer eenige minuten verstreken zonder dat de gewachtwordende Flitz verscheen, mompelde men van: slaapkop, treuzelaar en lamme bult, en riep de pikeur eindelijk:“Heeren!”—gij hadt die gezichten der boerenknapen eens moeten zien—“Heeren! wachten is goed, maar te laat komen daar passen we voor; ’t is ’en kwartier over den tijd. Allons, we moeten vooruit! Mijnheer Meijer, s’il vous plait.”Mijnheer Meijer Jr., de oudste zoon van den heer Meijer, die als notabele van ’t dorp reeds een paar malen genoemd werd, de heer Meijer Jr., die behalve de aanvoerders der beide secties, Nº. één was, en aan een breed oranjelint een koperen hoorn droeg, zette het instrument aan den mond en blies het signaal voor den aftocht.De paarden, die hoogst waarschijnlijk geen begrip van al die gekheid hadden, en—alweder hoogst waarschijnlijk, hun eigen bazen niet hadden herkend toen dezen belint en besjerpt hun de insgelijks belinte hoofdstellen hadden aangedaan, ze zouden op het geluid van dien hoorn, geen poot verzet hebben, zoo niet hunne berijders, de één met een smakkend mondgeluid, de ander met een: vort Bles, of Piet, de derde met een ruk aan den toom, en eenigen door een hakstomp in de ribben, hun kleppers hadden beduid dat zij den huppelenden “Inkomperabel” van den pikeur moesten volgen.De stoet vertrok.Of Barend Flitz zich inderdaad had verslapen, of wat er anders aan haperde dat hij een achterblijver werd,—misschien ook omdat hij wat lang met zijn kleeding was bezig geweest, of dat Harmen van Laubour hem ’t paard te laat had gebracht—wij hebben geen tijd zulks te onderzoeken, want zie, terwijl de stoet daar juist achter het schoolhuis verdwijnt, komt om den kerkhoek de bedoelde persoon te voorschijn, en nadert, in een aardig drafje, het dorpslogement.Indien wij ons ’t gelaat van Barend te binnen brengen, zooals hij op zijn gemak in den leunstoel bij Gliekkes haard zat, dan zouden we haast meenen dat hij zich op den rug van dien bruine minder te huis gevoelt. Harmen van Laubour had gezegd dat de Let wat hoog draafde. ’t Zij hoe ’t zij, Flitz komt toch vooruit.Zie, hij nadert met zijn bruin de plaats waar gewoonlijk de voerbakken vanHet Geldersche Wapenstaan, doch die heden in den stal zijn gezet. De Let schijntHet Wapente kennen of wel aan de voerbakken te denken; zij draait links af op het huis aan. De kastelein—ook in zijn Zondagspak—in de groengemaakte deur staande, roept:“Vooruit mijnheer! Je haalt ze wel in.”Barend Flitz, hoort het, en rukt rechts aan den toom; maar de Let hoort er niets van, en geeft om dat toomgeruk geen zier.—Hierkrijgt zij gewoonlijk een emmer water, of neemt Laubour ’en dropje,“Huup Let! Vort Let! Alla!”—Maar ja wel, de Let laat zich niet door vreemden ringelooren;hierwil ze wezen, hier, en terwijl zij een raren zijsprong maakt, roept Barend: “O jé!” en klets! daar valt hij naast de Let voor de versierde deur van de herberg neder.Heeft hij zich erg bezeerd? Wij gelooven ja, want hij trekt alles behalve gezichten, die in overeenstemming zijn met de vlaggen, die uit de dakvensters van ’t logement wapperen; maar gebroken heeft hij niets, al kwam hij dan ook vrij onzacht op de straatsteenen neder.Door den kastelein geholpen, staat hij op, en treedt voetje voor voetje de versierde deur binnen. ’t Is misschien van de pijn, dat hij zoo’n leelijken blik op die dennen en palmenloovers werpt, waarin witte en roode papieren rozen gehecht zijn, en tevens zijn gemoed lucht geeft met schelden op dewildeLet, die als eenlamvoor de deur op den emmer water te wachten staat.We zouden van uw geduld zeker te veel vergen waarde lezer, indien we u verder den loop der zaken, op dien voor B... c.a. zoo belangrijken dag, gingen schetsen. Voorzeker hebt ge zulke inhaalpartijen—ze zijn aan de orde van den dag—meermalen bijgewoond, zoo ge niet misschienzelfvoor koning daarbij gefungeerd hebt, en stelt er dus geen belang in. Maar ’t is ook mogelijk dat ge ’t nooit gezien hebt, welnu, lees dan aandachtig de courant, merk op, de benoemingen van dorps-burgemeesters, of wel de ondertrouw-aankondigingen van zonen of dochteren van hen, die op de dorpen ’t meeste geld of den grootsten titel hebben; informeer nauwkeurig wanneer het de intreedag der eersten of de trouwdag der laatsten zal zijn, en ga dan, en zie, want ge kunt er zeker van zijn, er zal gevlagd, er zal gereden, er zal vuurwerk worden afgestoken, omdat.... omdat de menschen in ’t algemeen zoo gaarne iedere gelegenheid aangrijpen om pret te maken en,—omdat de boeren in ’t bijzonder, bij overlevering of bij ondervinding weten, dat er voor hun gevlag en gerij, later een “vette mond” te halen is.Foei! wat ’en donker tafreel!Is het te zwart; zijn wij onbillijk?—’t Zij dan, opdat die koninkjes zich nietal te veelillusies zullen maken.“’En aardig mensch die Van Bavik,” zei de heer Gliekke tot zijn huisvriend, eenige dagen nadat de nieuwe burgemeester zoo feestelijk werd ingehaald: “’k heb met plezier zijn kennis gemaakt; ’t zal een heele aanwinst zijn.”“Zoo,” zei Flitz, en, na ’t kluwen van Suze, dat van de tafel viel, te hebben opgeraapt, voegde hij er bij:“Hebt u hem al zoo spoedig bezocht?”“Gistermorgen; ’t was ’en helder luchtje; ik wandelde toch, en ’t logement voorbijgaande, dacht ik, kom, we zullen ons Edel-Achtbaar heertje eens opzoeken; en ja, ’k moet zeggen, ’t is me nog danig meegevallen.”“Zóó!” herhaalde Flitz: “Maar tamelijk pedant hé?”“In ’t geheel niet,” hernam de heer Gliekke: “Bescheiden, heel beleefd en zeer goed op zijn standpunt. ’k Zei natuurlijk: Hoe vaar je burgemeester, en verder telkens burgemeester; maar bij ’t afscheid werd mij vriendelijk verzocht dat “burgemeester” maar achterwege te laten. Ik heet Van Bavik, mijnheer Gliekke, zei hij. Waarlijk ’en hupsche jongen!”“Zóó!” zei Flitz weder, en vraagde daarna aan Suze, terwijl hij op de piano wees, of ze niet eens een tikkeltje zou maken? Suze had er niets op tegen; en nadat Flitz bij de piano alles in orde had gebracht en naar zijn zetel terugkeerde—hij liep nog wel zoo’n beetje trekkebeenig—hervatte de heer des huizes:“En ijselijk meegaande ook; hij informeerde zelfs naar jou Flitz; hij vernam dat je gevallen waart; hij zou je al hebben opgezocht zoo drukke bezigheden hem niet verhinderd hadden.”“Zóó!” zei Flitznogeens, en voegde er bij: “Och, op die vreemde visites ben ik zoo fel niet. Hij schijnt dan ook niet best de regels der “etiekette” te kennen, wantikmoet hem immers ’t eerste...?”“Nu, ja Flitz,” riep Suze, die nog aan ’t zoeken naar een geschikt muziekstuk was en naar ’t gesprek had geluisterd: “uit belangstelling; dat vind ik wel aardig.”“Zóó!” klonk het uit Barends mond voor de laatste maal, want de knecht kwam binnen en vraagde belet voor.... Mijnheer den burgemeester.’t Sprak wel van zelf dat de knecht in last kreeg om den burgemeester binnen te laten, evenals het van zelf sprak, dat mevrouw Gliekke ijlings met de punten harer voeten naar de pantoffels snuffelde, die wel eens werden uitgeslierd omdat ze zoo graag met de kousen op haar stoofje zat. ’t Zal niemand verwonderen dat Suze haastig de pianomuziek ter zijde schoof, het instrument dichtsloeg, naar hare plaats wipte en,—niet de straks verlaten breikous, maar een borduurwerkje uit haar doos nam. ’t Zal geen bevreemding wekken dat mijnheer Gliekke zijn stropdas een weinig naar boven trok; de vijftand in zijn kuif zette, evenmin als de lezer zich erg bezorgd zal maken voor Barends gezondheid, daar hij den goeden jongen nog al erg bleek ziet worden.De burgemeester treedt binnen.Waarlijk, ze hebben recht gehad: ’t is een knap ventje. Niet bijzondergroot, maar ’en allerinnemendst voorkomen. Fraai zwart haar, een helder voorhoofd, geestige en toch vriendelijke oogen, ’en kleine rechte neus; ’en fijn besneden mond, waarboven, o dames!—wij bedoelen natuurlijk de jonge dames die van natuurschoon houden—waarboven een paar kneveltjes zetelen—volgens Flitzstaanze—zóó modest, zóó zwart, zóó egaal, rond en aardig met spitse puntjes naar boven, dat wij, al behooren we niet tot uw sekse, er toch pleizier in hebben. Een knap ventje, goed gevormd, deftig in ’t zwart, met ’en wit vest.... Maar, van den geheelen persoon zag Barend Flitz in de eerste oogenblikken niets dan zijn “kinderachtige” voeten—kleine voeten vond Barend kinderachtig—in verlakt lederen schoenen staken.De heer burgemeester Van Bavik kon niet manqueeren.... en mevrouw Gliekke was het hoogst aangenaam.... en mijnheer Gliekke vond het van “Van Bavik” zeer hupsch dat hij al zoo spoedig eens aankwam; en Suze.... Suze vond niets, daar ze ’t nog niet gewaagd had een blik op den EdelAchtbare te slaan, terwijl Flitz een: “Om u te dienen,” antwoordde, toen Van Bavik ook aanhemvoorgesteld—met veel bonhomie gevraagd had, of mijnheer geen restes van den val had, waarvan hij hoorde en ’t geen hem bijzonder leed was geweest.Of ’t bij vergissing of wel voordacht was dat de heer des huizes den leunstoel ter rechterzijde van den haard, waarin Flitz zooeven gezeten had, vatte en den bezoeker aanbood, wij weten het niet, maar zeker is het dat Van Bavik, zonder te denken dat die zetel een ander had toebehoord, daarop plaats nam, en Flitz, na Gliekkes woorden: “Neem een stoel kerel,” een stoel nam, en zich op een afstand van het vuur plaatste, alsof hij bang voor de warmte, of wel.... bang voor iets anders was.’t Behoeft geen vermelding dat er over en weer werd verzekerd dat het buiten koud was, en dat een helder vuurtje goed deed. De heer des huizes verklaarde, dat de avonduren de gezelligste van een winterdagwaren.Mevrouw Gliekke betuigde, dat de geheele gemeente uiterst met de benoeming “van u” was ingenomen, en dat het ook wel bij mijnheers intrede gebleken was; dat er dien avond een beeldig vuurwerkje was afgestoken; juistnietzoo mooi ... bij lange na niet als de vuurwerken die ze instadzag,—er was bij mevrouw maar één stad, de stad van Amsterdam—maar aardig toch, en zoo geheel en al door de gemeentenaren bekostigd: “Ieder zoo naar vermogen,” besloot zij, en ze glimlachte hoofdknikkend, alsof ze zeggen wilde: “Wij.... u begrijpt wel?”Aan Suze was het theeblad gebracht, en Suze had thee gezet; en Suze wist zoogoed als ze ’t zelf wisten, dat papa en mama suiker dronken, en dat Barend veel suiker dronk, maar ze zei toch heel zacht: “Ma,.... suiker? Pa....?” in de hoop dat ma wel verder ’t woord zou doen. Maar ’t was mis, want ma zei zeer beleefd:“Als ik verzoeken mag,” en pa: “Zeker Suze,”zoodat ze toch toteen:“En u mijnheer?” tot Van Bavik werd genoodzaakt, waarop deze beleefd voor ’t zoete bedankte, terwijl de candidaat-notaris, die, na het: “Om u te dienen,” nog geen woord gesproken had, eens toonde hoe hijhierthuis was, en tamelijk hard een: “’k Wél Suus,” deed hooren.Wij zullen ’t gesprek niet op den voet volgen, het gesprek dat in den aanvang zeer onbeduidend was, doch allengs meer ziel bekwam door de onderhoudende wijze waarop de jonge burgemeester—die ook in ’t komieke maarookin ’t ernstige viel—van zijn studiejaren, en later van een Noorweegsche reis verhaalde, welke hij, in ’t gezelschap van twee zijner vrienden, den afgeloopen zomer gemaakt had.Mijnheers aandacht was onverdeeld, zoo zelfs dat hij al meer en meer zijn stoel verschuivende—om den spreker recht in ’t oog te hebben—niet bedacht dat Barend Flitz hoe langer zoo meer zijn rug te zien kreeg.Mevrouw zat, en luisterde met een aandacht, zooals ze nooit—zelfs in de komedie nooit—gehad had. Treurspelen waren ook al te akelig, tooneelspelen en drama’s al te langdradig en te onnatuurlijk, en blijspelen al te laf; maar ’t geen ze nu hoorde was zoo afwisselend, nu eens dat ze hardop moest lachen en dan weer dat ze haast de tranen in de oogen kreeg...., zoo raar; ze wist zelve niet hoe. Mevrouw wist het niet. Waarom? Omdat ze nooit eenhumoristontmoette.Suze....? Ja, ze borduurde wel van tijd tot tijd een schulpje en een moesje, maar toch, ze kon niet aanhoudend naar beneden kijken. Neen, onwillekeurig hief ze telkens het hoofdje op, en onwillekeurig liet ze eindelijk de naald geheel rusten, en wierp ze niet meer nu en dan een schuchteren blik op den nieuwen burgemeester, maar vestigde haar lieve oogen strak op den jongeling, die zoo aardig, zoo mooi, neen, zoo aandoenlijk sprak—vooral toen hij verhaalde van hetarme blindemeisje, dat in het gebergte tusschen Lessoe en Romsdal zulke schoone liederen zong,—om slechtsdanmet eenige verwarring opnieuw haar boord te bezien, wanneer de spreker meer bepaaldhaaraanzag—en zulks gebeurde in waarheid niet zelden—of, ’t woord tothaarscheen te richten.En Flitz? Gedurig kuchte hij, omdat hij “’t beroerd” vond dat Gliekke hem den rug toedraaide en al de warmte van ’t vuur benam, alleen om naar “zoo’n vreemden poespas te luisteren.” Die studenten-aardigheden waren ijselijk laf, en van dat Noorwegen, wat had je d’r aan als je d’r nooit geweest waart! Als ’t dan gewed was, dan kon hij van Kleef ook wel vertellen; van die jongens, die je om centen naliepen, en zoo blauw van de boschbessen zagen, of van ’t afwaaien van zijn hoed, toen ze door een dal, dat eigenlijk vol water was, met een schuitje naar Mouwriesgraf—Flitz had niet recht begrepen dat hij de grafplaats van Prins Maurits van Nassau bezichtigde—waren geroeid, daar ze veel behei van maakten, doch dat op niemendal uitliep.Flitz vond het alles behalve wellevend om zoo “door te klessen.”en dan die vraag of hij—Flitz—ook gestudeerd had, waarop hij in de gauwigheid: “neen” had geantwoord, maar eigenlijk:“wel zeker,” had moeten zeggen, verbeelll!..... alsof hij opzijncandidaats niet even zoogoed had moeten blokken—ja misschien nog harder dan die Bavik op het zijne. En dán tegen Suus zoo den heelen tijd het woord te richten! Wat meende ie wel!—Hoor, alweer:... “Waarlijk juffrouw Gliekke, men gevoeltdaareerst levendig dat de Schepper oneindig in macht en de mensch maar ’en heel klein lievenheersbeestje is.” Och! hé, den dominee uithangen! Tegen Suus....! ’en lievenheersbeestje, hoe kinderachtig! En telkens wou Flitz iets zeggen, omdat ie zoo nooit gewoon was te zwijgen, en ook gevoelde wat oudere en betere brieven te hebben, maar telkens smoorde hij ’t geen hem op de lippen kwam, totdat zijn gelaat een purperkleur verkreeg, en hij, met den sleutelbos in den zak rammelende, zijn—door ’t lange zwijgen eenigszins schorre stem deed hooren, en luide vroeg:“Suze, hoe is ’t, hooren wij van avond in ’t geheel niets?”Suze, zoo onverwacht door Barend aangesproken, en, in presentie van dien jongen burgemeester tot spelen uitgenoodigd—’t geen ze voorhemin ’t geheel niet durfde—kreeg ook een kleur en zei:“Wel neen Flitz,” en had er gaarne bijgevoegd: We zitten zoo prettig!De heer des huizes bespeurde nu eerst dat Flitz zijn rug te zien had, en wendde zich links, met een: “Pardon vriendje.” Doch de heer burgemeester stond schier gelijktijdig van zijn zetel op met de verontschuldiging, dat hij volgens gewoonte wat te lang gepraat had, en niet hoopte de familie gedérangeerd te hebben. Met groot genoegen was door hem de kennis der familie gemaakt, terwijl hij zich ten zeerste aanbeval, en besloot met de woorden:“Een vriendschappelijke omgang met de beschaafde ingezetenen van B.... zal mij, zoo ik hoop, ’t afzijn vergoeden van lieve betrekkingen en trouwe vrienden.”“Hé, blijf familiaar een boterhammetje eten!” riep de heer des huizes: “Nietwaar Betsy? Niet voornietwonen we zes jaren in Gelderland.—Is ’t niet Betsy, de Geldersche gastvrijheid woont ook opVredelust?”Betsy, die bij ’t woord “boterhammetje,” iets zuurs in ’t gezicht had gekregen—misschien omdat haar voet de pantoffel niet vinden kon, die ze in Noorwegen verloren had—ze trok bij het: “Nietwaar, Betsy?” een gastvrij gelaat, en sprak van een hoofdkaasje en ’en stukje rookvleesch, terwijl Suze heel zacht, alleen voor mama en Barend verstaanbaar, iets van “de ossetong” fluisterde, ’t geen den laatste de kramp in de vingers veroorzaakte, dewijl Suus aan tafel, toen hij van de tong sprak, gezegd had: “’t Isaltijdgeen vetpot.” En nu.... voor dien snoeshaan!De burgemeester Van Bavik zou echter dien avond noch hoofdkaas noch ossetong opVredelustgebruiken, want hij moest noodzakelijk aan iemand schrijven; gaarne zou hij ’t hervatten, en hoewel, na die openbaring van ’t vaste besluit, de verzoeken dringenderwerden, en zelfs Suze iets prevelde van: “Uw kamer zal koud zijn,” de burgemeester bedankte nogmaals vriendelijk, en maakte zijn compliment.De heer Gliekke verzocht zijn huisvriend of deze zoo goed wou zijn om Van Bavik eens uit te laten,” en Van Bavik werd door Flitz uitgelaten, en verzekerde nog in de gang, dat hij ook Flitz veel hoopte te zien, en vooral in den lieven kring der Gliekkes, en zijne laatste woorden waren: “A revoir!” en Barend zei ook: “A revwaar.”Toen de aspirant-notaris in de huiskamer terugkwam, vond hij het gesprek zoo levendig alsof er “partij” was. ’t Spreekt van zelf dat het over den nieuwen burgemeester liep. De heer Gliekke vroeg gedurig op triomfanten toon, wat of hij gezegd had!? Mevrouw betuigde, dat ze nooit zoo iemand ontmoette, iemand die zoo alles in zich vereenigde, dat ze graag de tong had opgezet, ofschoon z’m anders voor den 18denhad willen bewaren, en dat ze er sterk vóór was dat de heer Van Bavik dan ook zou verzocht worden.Flitz viel op dit laatste gezegde met de verklaring in, dat het toch anders “sjenant” was, ’en vreemde op ’en jaarfeest te hebben, en nog wel op het jaarfeest van Suus, en besloot met de vraag: “Wat jij Suus?”Neen, in waarheid, Suze vond er niets geen bezwaar ia. Ze moest ronduit zeggen dat burgemeester iets heel aardigs en heel liefs had; ’t kon haar wel niet schelen of hij den 18denkwam, neen, er op gesteld was ze in ’t geheel niet, maar, ’t zou toch wel aardig wezen. Pa en ma moesten het weten, hoewel, als Barend hetnaarvond,zijnkomsthaaronverschillig was.Tot vervelens toe liep verder—volgens Flitz—het gesprek over dien snoeshaan; nu eens stelde de heer Gliekke dat heertje ten voorbeeld, en herhaalde mevrouw ’t een of ander wat Van Bavik zeide, of herdacht Suze de boeiende wijze, waarop hij van het woeste maar trotsche Noorwegen gewaagd had; en Flitz was verheugd dat het tijd werd van heengaan, want dat “gezanik” verveelde hem bovenmate. Suze had niet, zooals anders, op de piano gespeeld toenhijer van sprak—anders kon ie immers alles van d’r gedaan krijgen. Van een partijtje was niet eens gesproken, en de ossetong was voorhemniet verschenen.’t Was alsof de heer des huizes bij ’t afscheid veel flauwer zijn hand drukte; alsof mevrouw veel zachter “Nacht Flitz” zei; en Suze, toen hij haar een “Wel te ruste” wenschte, veel mooier dan gewoonlijk was, maar, ook heel anders dan anders “Wel thuis” ten bescheid gaf.Alleenkwam Barend thee drinken, maar in gezelschap keerde hij naar zijne kamers in ’t dorp terug. In een naar, een akelig, een leelijk gezelschap. In ’t gezelschap van een sarrend duiveltje, het duiveltje dat jaloezie heet.Een paar dagen nadat wij Van Bavik een bezoek opVredelustzagen afleggen, vinden wij hem in een zijner gehuurde vertrekken voor zijn schrijftafel weder, terwijl hij er de pen vlug over het papier doet glijden.’t Ziet er in die kamer waarlijk zeer comfortable uit.De inscheping van Willem den Vijfde, enDe heldendood van Van Speykmet een groote vochtvlak er op, de beide platen, die hier eertijds aan den wand prijkten, zijn er niet meer, maar zijn vervangen door een aantal schoone gravures, waarvanLa prière du soirboven de schrijftafel hangt.De stoelen staan niet geregeld langs de wanden, de tafel staat niet precies in ’t midden der kamer, en de kleine sofa bevindt zich zelfs geheel in een afgedraaide richting; maar toch, ’t is netjes in de zitkamer van den jongen burgemeester.—Een fraai boekenhangertje! Mooie bandjes! ’t Zijn zeker werken van smaak, want de boekenkast in het achtervertrek bevat de Latijnen en Grieken.—Laat zien: Jean Paul, Claudius, Hildebrands Camera Obscura.... en.... wat ligtdáár? Dat boek, langwerpig, in groen leeren band?—Ha! ’t is een dagboek.’t Is onbescheiden zegt gij, om zonder verlof, schrift te doorsnuffelen, en vooral den blik in een dagboek te slaan; immers de geheimen van ’t hart zijn er in opgeteekend.Als particulier, zouden we zeker voor die kolossale onbescheidenheid terugdeinzen, maar, we voeren u als novellist de kamer binnen, en in die kwaliteit is het ons vergund overal te zien, overal te luisteren en alles te lezen, mits.... we er nimmer een slecht gebruik van maken.Alzoo, we nemen het dagboek zonder blikken of blozen, en lezen wat ons goeddunkt, ofschoon we zeer zeker niet zullen meedeelen wat verborgen moet blijven.Bladz. 40—1 Januari 18.3.“Gisteren was het oudejaarsdag, en heden is het nieuwjaarsdag. Gisteren zag er alles zoo oud en zoo eerwaardig uit, en heden schijnt het mij toe alsof alles een nieuw pak heeft aangekregen; ’t is zelfs alsof die oude grauwe kerkmuur, waarop ik uit mijn venster het oog heb, ernieuwjaarsachtiguitziet. Alles!.... En—hoe zou ’t er uitzien in ’t hart van de menschen.... ik meen in ’t hart van den schrijver: A. D. V. B.?”Bladz. 44—6 Maart 18.3.“Gisteravond hebben wij feest op Ysbrands kamer gevierd. ’k Ging er om zeven uur alleen heen, maar benzonder mij zelvenweer thuis gekomen.... hoe laat weet ik niet. ’k Heb mijn morgengebed maar binnengehouden. Hoe meer geest naar binnen, hoe meer geest naar buiten....? Maar,—zou ’t wel de geest zijn van Hem...., ’k wil heden Zijn naam niet noemen, ’k ben te katterig.... ’k ga eens wandelen.”Bladz. 46—15 Maart 18.3.“Doctor!—Mr. in de beide rechten!—Professoren; Paranimfen; m’n huisploert, de nachtwachts, tot zelfs de krolschekatten, die me ’s nachts zoo ergeren, ’k zou ze wel aan ’t hart willen drukken.Ik doctor!Ik Mr. in de beide rechten!’k Zou alles wel om den hals willen vliegen.... tot jou toe, ouwe trouwe taaie waterkaraf, die me vooral in de laatste dagen zoo dikwijls met je dierbaren inhoud hebt afgekoeld. Na ’t eten dadelijk weer naar de socie! halzen genoeg om te omhelzen, en halzen in den kelder van den kastelein.... Hola! zou ’t niet beter zijn in de armen van mijn goeden vader en—ja! ja!! aan den hals van mijn lieve moeder....?”Bladz. 51—10 Mei 18.3.“De advocaat Mr. A. D. Van Bavik heeft consult gegeven.—Daar liggen ze voor me de zes schellingen. ’k Heb nooit geweten dat zes en dertig stuivers zoo’n som was. Verdiend! Eerlijk verdiend!—Eerlijkverdienen!—Recht en gerechtigheid!—Ik zal me voor die eerste zes schellingen het kleine Themis-beeldje koopen. ’t Kan nooit geen kwaad.”Bladz. 52—28 Mei 18.3.“Opgestaan; courant gelezen; aangekleed; bij Van Mees koffie gedronken; twee visites;... goed gedineerd in deLion d’or.... een aardig avondje bij Prings; fideel geomberd.... slaap!.... nog ’en kopje thee, dan naar bed.—Zeg! geest van den grooten Luther, je bent al zoolang naarBOVENverhuisd, al staat je gipsen beeld me onbeweeglijk aan te staren, zeg, lezen zedaarwaar je nou woont, ook couranten, kleeden z’er zich, drinken z’er koffie, maken z’er visites, dineeren en omberen z’er ook, en gaan ze dan slapen na ’t gebruik van ’en kopje thee? zeg?”Bladz. 68—5 September 18.3.““Bid en gij zult ontvangen!””—Is ’t waarheid?—Z’ is dood, al zes dagen dood, die lieve, die trouwe, die engelachtige moeder; en heb ik niet gebeden, heb ik niet ieder uur gebeden: God bewaar ze; behoed die lieve?—Was mijn gansche denken niet zelfs één biddende gedachte: Almachtige Hemelvader, spaar mij de dierbare moeder?—Zou ’t niet blijken of dat woord leugen of waarheid bevatte. Besloot ik niet Hem lief te hebbenwanneerHij ’t gebed verhoorde?—Ik heb gebeden en—zij is gestorven.“Z’ is dood, de moeder, die mij als kind geen schaatsen wou laten rijden toen ik zoo hoestte, en me niet uit bed wou nemen toen men zei dat ik de mazelen had. Z’ is dood, die me lief had en trouw voor mij zorgde. God heeft haar niet behouden. Behouden?.... Is zij verloren? Voor eeuwig verloren? Neen, God zij gedankt! neen, ze leeft. Vader! weesmijgenadig. Die bidt zal ontvangen,zeker ontvangen: een nieuw, een heerlijker leven in een der vele woningen van het oneindige Vaderhuis.”Bladz. 93—3 Mei 18.4.“Arme Marie! wat ben je toch leelijk! Rood haar; sproetels, ontelbaar als de starren aan den hemel of de schelpjes aan ’t strand; ’en neus, die met alle recht bij den toren van Libanon mag vergeleken worden; ’en mond van ’enEnaks-kind, waarvoor de soeplepels mij nog te klein schijnen; ’en stem, bij lang na zoo lief nietals de stem van mijn trouwen Fik, en een paar armen, zoo lang en schraal als de winter. Arme Marie! ik zat naast haar in ’t kattebakje toen we gisteren naar buiten reden. Ze had óók blondes en bloemen in haar hoed, ze had óók witte glacé handschoenen aan. Ze vond dat bedelmeisje met die bruine oogjes en dat fijne gezichtje, óók zoo ongelukkig; ze had óók medelijden met den bultenaar die, met een mooi gekleeden aap op zijn rug, het rijtuig naliep; ze vond broodjes met zalm lekkerder dan broodjes met kaas, en zei ook—precies als al de anderen—dat een dansje in ’t groen wel aardig zou wezen.“Arme Marie! wat ben je toch leelijk, en wat was je gisteren verschrikkelijk leelijk toen je, evenals al die blondjes en bruintjes, je hoedje hadt afgezet. Maar neen.... zooheelleelijk was je toch niet, toen je door niemand ten dans geleid, met een vroolijk gelaat ons allen stond gade te slaan. Marie, waarlijk je bent affreus leelijk, maar ’k vond je zoo ijselijk leelijk toch niet, toen er een lachje om je grooten mond kwam spelen, nadat de meeste hijgende snoepertjes zaten, en ik—aan ’t kattebakje denkende—mij over je ontfermen kwam. Marie, gelukkig dat je niet zaagt hoe Betsy achter je lachte toen ’k je mijn arm bood, en ’t bijna uitproestte, toen je met je hoogen rug aan ’t huppelen waart, en ik er op verdacht moest zijn om niet door je groote passen uit de maat te raken.“Arme Marie....! Zou je laterDAARBOVENook zoo leelijk zijn? Zou Betsy jeDAARook uitlachen?”Bladz. 98—6 Juni 18.4.“Wel aardig! ’t is de gansche stad door: Van Bavik geëngageerd.—Geëngageerd met eene freule Van Hes + drie ton.—Och! die vurig begeerde tonnen ze rammelen zoo, ze wegen zoo zwaar, en ze zijn dikwijls zoo slecht bekuipt bovendien. Geëngageerd! Ik met de freule Van Hes.—Welke....? De oudste die ’k laatst bij Prings ontmoette, of de jongste wier zakdoek ik in ’t bosch opraapte? Wie zou ’t wezen? De eerste verklaarde bij Prings, dat ze verzen, van welken aard ook, vervelend en saai vond, terwijl ik de jongste, op ’t concert te midden der zachtvloeiende violonceltonen, hoorde goechelen, dat het kattengemauw was.—Ja, vader Tollens, ’k zal aanstonds voorFIK JE HONDENTROUWnog eens opsnijen, en dan de gitaar nemen en het lieveVATER UNSERnog eens luchten, da’s meteen ’t avondgebed, en—dan kunnen ze in stad, de freules Van Hes, in, of op, of met d’r tonnetjes rollen, precies waar ze ’t goed zullen vinden.”Bladz. 115—29 November 18.4.“Advocaten zonder praktijk zijn volle schotels zonder hongerige gasten.—Ongebruikte spijzen bederven.—Bederven!! Foei! dan beter anderen, die honger hebben, opgezocht.—Wis en zeker ’k solliciteer naar B.... c. a.”Bladz. 116—2 December 18.4.“Zonder kruiwagens verkruit men het zand niet. Zonder kruiwagens wordt geen student minister. ’t Is een groot voorrecht dat mijn Engel, de trouwe moeder, familiezwak had en neef uit A....altijd zoo vriendelijk ontving wanneer hij bij ons in stad kwam, terwijl ze hem na ’t eten trouw een kop koffie schonk. Die goede! ze wist toen niet dat neef minister zou worden, en haar Alexander, omdat hij lieverietsdannietswil wezen, en om een andere reden nog, naar B.... c. a. zou solliciteeren; ze wist niet dat neef mij kruien zou naar B... c.a. Zou mij die kruiwagen ook benijd worden....? Aardig! Ieder begeert zoo’n eenrad om van A naar B, en van B naar C, met winst te worden vervoerd, en—den eenigen denGROOTEN.... die wil overbrengen naar de plaats,ENGEL, waar gij zijt, Hij wordt zoo telkens veracht en met voeten geschopt. ’k Heb hem heden ook ván mij gestooten toen ik aan Smit verzekerde, datikgeen kruiwagens noodig had. Ik dacht niet aan U, ik loog, ’k was ’n uil.”Bladz. 123—10 Januari 18.5.“Fik heeft me vreeselijk onnoozel aangekeken toen ik hem dezen middag, plechtstatig mijne benoeming als burgemeester bekend maakte. ’t Scheen alsof ie bang was dat hij mijn secretaris zou moeten wezen, en ’t gul moest bekennen dat ie geenAvoor eenBkon. Goeje Fik! nou leg je te snorken, maartoenkeek je verschrikkelijk dom. Brand heeft me wel eens gezegd, dat Fik sprekend op mij lijkt. Alsikmaar niet op Fik gelijk zooals hij mij straks aankeek, wanneer ik te B. voor ’t eerst den gemeenteraad moet presideeren.”Bladz. 130—1 Februari 18.5.“’t Is al één uur na middernacht. ’k Heb niets geen slaap. ’k Bezag mij daar straks in den spiegel. Zie ik er deftiger uit? Wat eerbewijzen; wat verzekeringen van warme toegenegenheid! Die aanspraak aan mij.... aan Sandertje, die nog geen twee jaar geleden de eer genoot om op een soireetje, door den burgemeester, een straatschender genoemd te worden. Een straatschender! hoewel hij in gemoede kon verzekeren dat, op den avond waarvan sprake was, geen schel, dan zijn eigen tafelschel, door hem werd aangeraakt.—’k Ben een Edel-Achtbaar persoon; ’k moet de voetstappen drukken van een man, dien ik nooit gekend heb. “De gansche gemeente is met blijdschap vervuld,” verblijd over de komst van mij, van iemand, dien zij volstrekt niet kent; en ten slotte is het “één stem in de gemeente: Leve onze nieuwe burgemeester!”Hoe belangstellend! Er is machtig veel goud- en zilverpapiervoor al die rosetten verknipt. ’t Zal me eens benieuwen hoe die eerebogen er zullen uitzien als ze van ’t dennengroen en van ’t vlaggedoek zullen ontdaan zijn. Aardig, die bekentenis van den tweeden aanvoerder der eerewacht: dat hij die kale plekken van zijn vosje eens handig met lintwerk bedekte. Wat werd het eensklaps donker, toen die groote pekton had uitgebrand; maar.... de starren hernamen hun recht.—Een pekton voor mijalleen, en toen, millioenen van glanzende werelden voor allen.... ’k Word zoo verward; ’k zie alles en niets.... ’k Zal nog een oogenblikje met Fik gaan spelen en zien of ie weer niezen moet als ie op eens in ’t lamplicht kijkt.”Bladz. 133—15 Februari 18.5.“De kale plek van ’t vosje heb ik duidelijk gezien, evengoed als ’t muizengat dáár in ’t behangsel, waarvoor den eersten dag van mijn hierzijn, die groote roset zoo’n aardig effect maakte. Och wat ’en kale plek toen de linten er af waren! ’t zag er zelfs rauw en bloederig uit, en niets er op om te bedekken. Wat zal dat vliegensteken lastig zijn! Arm dier! Maar toch, de vlieg steekt omdat hij voedsel wil, en niet uit lust tot kwellen.”“Zou mijnheer Flitz wellicht gesolliciteerd hebben? ’t Spijt mij waarlijk dat hij van ’t paard viel.”Bladz. 134—16 Februari 18.5.’En stil dorp zonder wrijving, is ’en groote kabeljauwdrogerij!—Stokvisschen!—Maar, die stokken in bossen! ze zijn zoo slecht niet, als ze maar krachtig gebeukt en flink geweekt zijn. Altijd wat stokkerig maar goed van smaak.“Vredelustligt nog al bezijden de drogerij, misschien dat de visch er daarom nog niet zoo hard is; wellicht ook is zij eerst later aangevoerd. ’t Kloppen en weeken zal daar niet zoo zwaar vallen. Ik zal.... Neen.... ik zal het 6devers van het 62stegezang nog eens nalezen en dan naar bed gaan.”Lezer, daar hebt gij nu een brok en een hap uit dat groen lederen dagboek. Wat niet gelezen mocht worden daar hebben zelfs wij geen oog in geslagen.Kent gij den nieuwen burgemeester nu?Niet?.... Dat spijt me voor u en voor hem.Nog schrijft Van Bavik; en Fik, die tot nu toe door ons onopgemerkt in zijn nest achter de kachel sliep, Fik begint te knorren want, de deur wordt geopend; de kasteleinsche treedt binnen, en brengt de boodschap van den knecht vanVredelustover: “En komplement en of burgemeester plezier had om morgen tegen vijf uren familiaar bij mijnheer Gliekke te komen dineeren om verder ook familiaar het avondje te passeeren?”“Morgen om vijf uren?” antwoordt Van Bavik: “Compliment, juffrouw Kamp, dat ik met genoegen zal komen.”“Maar.... maar....” herneemt de kasteleinsche, terwijl ze ook een “Koest!” tot Fik richt, die nog niet aan haar vreemde tronie gewend is.“Watblief?” vraagt de burgemeester.“’k Zal dan voor mijnheer den burgemeester niet behoeven te koken?” zegt de dame weder.“’k Heb maar één maag, juffrouw Kamp,” antwoordt Van Bavik.“A ja, ja wel,” herneemt de hospita: “maar van wegens de betaling, weet u. Eten of niet eten.... weet u....”“Tóch betalen!” roept Van Bavik, zóó luid, dat Fik blaffende opvliegt, en juffrouw Kamp met een: “Dus complement en ja wel;” haastig vertrekt om den knecht vanVredelustte boodschappen, dat mijnheer de burgemeester, die ’en best man is maar ’en “vuilen” hond heeft, deeerzouaandoenvan met plezier te komen.Den 18denwas er opVredelust’en heele drukte. Suze was jarig, en had behalve de geschenken der ouders en drie brieven van nichtjes Gliekke en Vos, met—stalen zonder waarde er in,—al vroegtijdig een pakje ontvangen ’t welk, zooals er buiten op stond—een nécessaire bevatte, en waarin zich: kam, haarborstel, tandenschuier, schaar, nagelborsteltje, haarspelden, een stuk polka-zeep, met nog een aantal andere noodwendigheden bevonden, waaronder een echt Engelsch likdoornsnijdertje nog vermelding verdient. Door wien dat alleraardigste cadeau werd verzonden, bleef der jarige niet duister, dewijl er mede in die nécessaire een papier lag, dat vier bladzijden poëzie bevatte en, keurig geschreven, met de namen: Barend Flitz was onderteekend.
De vriend van den huize.“Heel lief, Suus, speel maar gerust door; ik hoor je best al praat ik.De Reeveriehé? Allerliefst!”“Neen, de Waanzinnige wals!”“Ah juist, de Waanzinnige wals; die andere is, als je zoo gauw met de vingers moet tikkelen, precies! Ja wel, ik hoor je heel goed.—Wat ik ook zeggen wilde mijnheer.... er is weinig bijzonders op die verkooping; de burgemeester schijnt geen liefhebber van mooie boeken te zijn geweest. Eenige Grieksche, Latijnsche, Hebreeuwsche, Fransche en Duitsche werken, maar vuil, weinig werken van smaak. ’k Had zoo gehoopt dat de werkjes van.... och!? er compleet zouden zijn, dezelfde van wien ik u laatst “De min” heb voorgedragen, toen u allemaal zoo moest lachen.—Suze, als ik om moet slaan, roep me dan maar.—Neen, die goeje man heeft weinig met de “letterituur” op gehad.—Och! op een dorp! Behalve hier en nog een paar families, heb ik volstrekt geen liefhebberijen gevonden.—Er was beeldig porselein mevrouw, lange leizen, zes merken. O wacht Suze.... Zie zoo!”De persoon, die van de piano, waar hij voor het spelende meisje ’t muziekblad had omgeslagen, naar zijn stoel bij den warmen haard terugkeerde, heette Barend Flitz, en was de eenige zoon van mijnheer Flitz en mejuffrouw Flitz, geboren.... dat weet ik niet.Wat mijnheer Flitz Senior in vroegere dagen geweest was, ’t zij stukadoor of metselaar, of wat ook; sommigen waren wel zeer nieuwsgierig geweest om daarvan het rechte te weten, doch, nadat de heer Flitz Junior, opVredelustbij den rijken heer Gliekke vriendschappelijk werd ontvangen, overtuigd als deze was dat de heer Flitz Senior fatsoenlijk rentenierde, en zijn zoon—candidaat-notaris,eenmaalook notaris zou worden, hield men het in ’t dorp ook voor vast, dat de candidaat Flitz, die op ’t kantoor van Van Saffelen “in de leer was,” de zoon van fatsoenlijke lieden moest zijn.Wij zullen u, waarde lezer, niet langer met de Flitzen bezig houden, maar alleen den jongen candidaat wat nader beschouwen, om daarna den slappen draad van het gesprek weer op te vatten.Barend was acht en twintig jaren oud, zijn gelaat, niet onaangenaam van uitdrukking, bezat echter niets, ’t welk het een of ander deed verwachten. Wilt gij zijn signalement?Voorhoofd, rond; oogen, bruin; neus, ordinair; mond, dito; kin, ovaal; haar bruin; baard ros; (collier d’amour); merkbare teekenen.... Ja, merkbare teekenen, dat was voor den steller van Barends reispas, toen deze weinige jaren geleden, een Duitsch reisje—naar Cleef—maakte, een moeielijke taak geweest om in te vullen, want om te zetten: “een bult” dat was wat erg, “een hooge rug” dat stond zoo vreemd, en, als hadde hij dat merkbare teekennietbemerkt, zette hij, tot Barends overgroote vreugde zoo’n krommige streep, zoodat de candidaat toen tot de volle overtuiging kwam, dat.... de menschen ’t niet eens zagen.Barends karakter?—’t Woord in den zin van hoedanigheden, want Barend kon niet precies een man van karakter genoemd worden,—zijn karakter was werkelijk niet slecht. De jonge Flitz was beleefd, goedgeefsch, kerksch, netjes op zijn kleeren. Of hij eenmaal van veeltalentenrekenschap zou hebben af te leggen, dat gelooven we niet, maar toch, Barend sprak veel over zijn talenten. Ten eerste speelde, of lieverblieshij de fluit, zonder zich evenwel machtig veel om al die vreemde poespas van woorden te bekreunen, waar een muziekstuk doorgaans “mee gelardeerd is.” ’t WoordAndantevond hij nog steeds een vreemde meisjesnaam, en dat Suze den jonkman volstrekt niet begrepen had toen hij eens op de woordenAndante con Expressionewijzende, lachende had aangemerkt, dat dit alweer een stuk expres voorAndantewas, valt licht te begrijpen, doch,.... waar is de jonge dame, die een jonkman een aardigheid hoort debiteeren waarom hij zelf lacht, en vragen durft: “Wat meent u?” Men maakt niet gaarne een mal figuur.Enfin, Barend was een fluitist, en een “resitateur,” zooals hij ’t noemde, zoogoed als de beste rederijker. ’t Schip van Klaassens kon hij verschrikkelijk doenkrakken, en terwijl zijn hoofd een brandende lont scheen, in de lucht doen bersten dat men er koud van werd—waarbij de beide handen dan aantoonden dat de lucht boven het hoofd was.Dichten?—Ja, een dichter, daar wilde hij zich “niet zoozeer voor uitgeven.” Maar een versje, om, “onder de roos voor te dragen,” ja dat wou hij niet ontveinzen. Onder anderen één, over de wolken, waar hij, heel aardig, de plaats van den ouden heer, een buitentje in de provincie Holland datWolkensteijnheette, in had te pas kunnen brengen, doch welkWolkensteijnhem drie slapelooze nachten had gekost, dewijl er in de heele Dictionnaire geen rijmwoord voor “Steijn” was te vinden geweest. De grootste dichters zouden er voor gestaan, of zooals Flitz zeide “op gezeten” hebben. Had de plaatsWolkenstijngeheeten, dan had “vader Rijn“groote dienst kunnen doen, ofWolkenstein, dan had “klein” een geschikt rijmwoord kunnen worden, maar met die ongelukkigeeijwas er geen licht gekomen, zoodat hij—wel jammer—Wolkensteijnuit de wolken had moeten laten. Soms viel Barend—volgenseigen verklaring—en wel bij “perferentie,” in ’t komieke. In ’t soort pas genoemd, had hij iets over kraamvisites gemaakt, waar hij alles in te pas had gebracht tot....“Een suikre muis, In kluis.”Waarlijk, de aspirant-notaris was niet kwaad, niet onaardig, en kon nog aldoorslaan. De notaris Van Saffelen beweerde, dat hij heerlijk mooi kopieerde, en, in ’t omberen was Barend van zessen klaar. Misschien dat de heer Gliekkedaaromde conversatie met den jongen Flitz zoo bijzonder aangenaam vond; althans drie malen in de week was ’t vast dat Barend opVredelustging dineeren om daarna wat te musiseeren, te résiteeren, te praten, en ten slotte—dat heet van halfacht tot halfelf—een partijtje te maken.Barend was in Holland geboren, en kwam op zijn vijftiende jaar naar het Geldersche dorp B., om er van den genoemden notaris, die in de Haarlemsche Courant een jongeling ter opleiding had gevraagd, die opleiding te ontvangen.Dertien jaren woonde hij alzoo in het vreedzame dorp, en, was Barend in de weinige fatsoenlijke huizen—dat wil zeggen, de huizen waarin tapijten liggen en voor welks ramen meubelgordijnen hangen—tamelijk reçu, ’t heette algemeen dat hij opVredelustde huisvriend was, en, niet alleen dat het zoo heette, maar ’t was ook zoo.Ofschoon wij beloofden, na een nadere beschouwing van den heer Flitz Jr., terstond weer den draad van het gesprek te zullen opvatten, zoo nemen wij toch de vrijheid—’t gaat geregelder in eens door—om nog met een paar woorden van de leden te spreken, die te zamen het gezin uitmaken waarvan Barend de huisvriend is.Mijnheer Gliekke had nog al aardig “gekoopmand”; hij moest er, na al wat men zag en hoorde, warmpjes inzitten. Een zwakke gezondheid, zoo beweerde men, had den man doen besluiten het werkzame vermoeiende stadsleven met het stille gezonde Geldersche dorpsleven te gaan verwisselen, doch de plattelands-heelmeester verzekerde, dat hij in de zes jaren dat Gliekke te B.... woonde, geen tien gulden aan hem verdiende, zoodat hij de goede, vroegere bewoonster vanVredelust, die altijd zoo schrikkelijk sukkelde, wel tienmaal daags uit Holland terugwenschte; terwijl de dorps-apotheker telkens met een vuistslag beweerde, dat het een schandaal van ’t gouvernement was, dat er geen belasting op die ellendige huis-apotheekjes bestond, wanneer ze althans van elders werden meegebracht.Mijnheer Gliekke was.... mijnheer Gliekke. De man, die een werkzaam leven geleid heeft, kan zich moeielijk aan lediggang gewennen, maar ’t gaat toch beter dan dat een lediglooper zich aan drukken arbeid gewent, althans mijnheer Gliekke klaagde nooit over zijn tegenwoordigen staat. ’t Moet echter ook gezegd worden, dat hij nog altijd werkzaam was. ’s Zomers vischte hij, en liep despergebedden af; als ’t herfst werd ging hij geregeld driemalen daags de geheele plaats door om de lijsterstrikken na te zien en, kwam de jacht open, dan jaagde hij, trots den wankelenden staat zijner gezondheid, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, ten minste hij liep met ’t geweer; en ’s winters, ja, dan las hij, en knoopte netten, en ontving visites, maar wasdáneerst recht op zijn dreef, wanneer hij met Flitz en mama aan ’t ombertje zat.Mama was, evenals haar echtvriend, een heel best mensch. Ze schikte zich buiten heel goed. De komedies en concerten in stad betreurde ze niet, want daar had ze genoeg van, en och! daar zat het geluk toch niet in. Ze leefde voor haar huis; maar veel conversatie, dáár hield ze ook niet van.Suze! Ha! denkt de lezer, daar krijgen wij weer gitzwarte oogen, en golvende lokken, en albasten boezems, en krijtwitte handjes en. satijnen kleedjes, en poppenvoetjes, die er onder uitkomen.Verschooning,ditmaalniet. Wij kunnen op ’t oogenblik dien romantoon niet vatten, en willen omtrent Suze alleen onzen Barend hooren zooals hij zich over haar aan een vriend der kinderjaren uitliet, toen die vriend hem te B.... kwam bezoeken.“’En aardige meid,” zei Flitz: “z’ Is niet groot, maar ook lang niet klein; al sloeg je me dood, dan zou ’k niet weten hoe d’r haar is.... blond!.... bruin!.... neentochblond!.... afin! ’t doet er ook niet toe;donkerblond weet je; aardige oogjes, ze kan je d’r zoo mee aanzien, en de muziek leest ze d’r mee van ’t blad, net als jij of ik de krant; ’t neusje is nog veel kleiner dan dat van d’r mama,”—de vriend had mama nooit gezien—“en ’t mooiste van alles is nog d’r mond; jongens, daar heeft ze zulke weergasche mooie tanden in, zoo blank,”—Flitz werd poëtisch—“zoo blank als een zieltje! En als ze dan d’r nieuwe blauwe aan heeft, met zoo’n open lijf, met sjemizetjes, weet je, sakkerloot, kerel!”—Flitz geraakte in vuur—“dan heb je werk om je kontanance te houden. ’t Is tusschen ons heel familiaar: Suze en Barend, weet je. O! hé zoolang al; nog vóór dat ik ’t candidaats gedaan had.—’k Heb maar te zeggen: Suze dit of dat, dan is ’t dadelijk klaar, bij voorbeeld met piano spelen; ’k kan alles van d’r gedaan krijgen. Waarachtig kerel—maar, onder de roos hoor je—z’ is zoo gek naar me als ’t wezen kan, en ’t moet je nooit verwonderen weet je,”—Flitz viel in ’t komieke—“als je t’ eeniger tijd de namen, Flitz en Gliekke nog eens in de krant boven elkaar ziet staan.”Zóó had Barend Flitz zich in vertrouwen uitgelaten, en wanneer Suze, die weldra twintig jaren zou zijn, ook eens in vertrouwen tot een vriendin had kunnen spreken,—maar helaas! ze had er te B. geen gevonden, en aan eene moeder kan men toch ook nietaltijdzooallesenalleszeggen—had zekunnenspreken, dan gelooven wij dat Suze zoo omtrent het volgende zou hebben meegedeeld:“’k vind het altijd maar prettig wanneer Flitz komt, dan hooren we ten minste nog eens ’t een en ander, en komt mama daardoor ook tot zitten, terwijl dan in ieder geval het onophoudelijk gehaspel over de booien een einde neemt. ’t Is juist geen overvlieger, en vande muziek gevoelt hij zooveel als zijn fluit, terwijlikzijn réciteeren niet zoobijzonderkan vinden; maar als ze zeggeneen bult, dát is nietwaar; hij moet als kind veel voorover hebben gezeten, en nunogdat onophoudelijk schrijven, nietwaar....? Mama vindt, dat zijn oogen zoo groot, ze zegt kalfachtig zijn—maar dat vind ik in ’t geheel niet. Hij heeft waarlijk iets liefs in de oogen; en altijd is ie zoo netjes; en geen leelijke baard ook; en zoo voorkomend. Wanneer hij naar stad gaat, wil ie alles voor me meebrengen. Laatst nog stramien en wol; hoe precies had hij al die kleuren uitgezocht. Ikzelvezou ’t misschien niet zóó gedaan hebben. Garen en band, en—vin’je ’t gek?—tot een korsetveter toe; och, alles! en altijd met evenveel pleizier.—’t Is waarlijk een goeje jongen, en bijna de eenige, dien we opVredelustte zien krijgen. Vroeger in Amsterdam, o, hé! dat was heel wat anders; toen kwamen er veel heeren en dames bij ons aan huis; maar ’k herinner ze mij niet best. ’k Was veertien jaar toen ik hier kwam, dus kun je nagaan.—De neven Gliekke en Vos, die soms komen logéren, praten altijd over zaken en politiek; da’s vervelend. Neen, Barend is meegaande; en wie zal zeggen dat hij niet evengoed als Van Saffelen eenmaal verkoopingen zal kunnen houden en testamenten maken; wel zeker, evengoed; en het meisje beklagen dat zijne vrouw wordt.... neen, dat zal ik in ’t geheel niet.”Wij gelooven vast dat Suze zóó zou gesproken hebben; en ofschoon dwalen menschelijk is, wij hebben toch eenigen grond voor onze meening, want daden zeggen veelal meer dan woorden; en wáár was het, dat de aanvallige brunette altijd, als ze thee schonk, in Barends kopje een lepeltje suiker meer deed—want, van zoet hield hij machtig veel—en, wáár was het ook, dat ze altijd lachte, wanneer ze uit de verte hoorde, dat Barend een vôle gedéclareerd had.“Zie zoo,” zei Flitz, toen hij, na ’t muziekblad te hebben omgeslagen, in zijn armstoel neerviel, en de niet zeer lange beenen over elkander sloeg: “ik sprak van lange leizen.... of wel, van liefhebberijen; ja, ’t zal me eens benieuwen of er met een nieuwen burgemeester niet wat meer leven in B.... zal komen; ’en cassinootje zooals ze in E.... hebben, moet heel aardig zijn; of ’en rederijkerskamer; dan kanikmetDe minbeginnen; een dansje na, Suze desnoods op de piano, en ik op de fluit.”De aanstaande Rederijker, die vooral met den laatsten zin zoo’n schoone proeve zijner welsprekendheid gaf, had, toen hij van den nieuwen burgemeester gewaagde, iets in zijn blik dat Suze indien zij ’t had kunnen opmerken, misschien wel aardig zou genoemd hebben. De heer Gliekke, die half aan de Waanzinnige wals en half aan zijn gast behoorde, vraagde na een kleine pauze:“Al iets gehoord van dennieuwe, Flitz?”“Burgemeester?” vraagde de candidaat notaris. Mijnheer Gliekke knikte, terwijl zijn wijsvinger een orkeststokje geleek waarmee de Waanzinnige wals moest worden in stuur gehouden.Flitz zette een Zondagsgezicht en terwijl hij den pook nam om’t vuur te.... maltraiteeren—dat woord gebruikte mevrouw Gliekke altijd wanneer haar kooltjes, voor den doofpot geschikt, onbarmhartig werden stukgewerkt—zei hij heftig: “Ja, h’m! niets gehoord....! ’t Zal me eens benieuwen!”Gliekke kon niet denken dat hij zoo nabij een nederigen “zolisitant” was gezeten, en hernam dus nog altijd maatslaande:“Je weet er zeker meer van.—Haspels....? Meijer toch niet....?”“’k Weet er niets van, volstrekt niets,” zei het Zondagsgezicht; en, dat hij opVredelustthuis was, bewees zijn getrommel op de speeltafel, waarmee hij Suzes bevallig en welluidend spel, tamelijk onwelluidend accompagneerde.Vijf weken zijn er ongeveer verloopen.De candidaat-notaris heeft weer bij den ex-koopman gedineerd. ’t Was een eenvoudig haasje; heel smakelijk—wezenlijk door den gastheer zelf geschoten!Wanneer het haasje de geschiedenis zijner laatste levensdagen had kunnen vertellen, dan zou er misschien een volgend aandoenlijk verhaal aan ’t licht zijn gekomen: Verschrikt opgevlogen,.... een knal,.... nog een knal,.... een pijnlijk gevoel in den rechter achterpoot,.... en akelige loop van meer dan een uur lang, met een ander viervoetig wezen achter zich;.... ’en sprong over een sloot,.... te kort,.... een val in ’t lies; geen macht om zich op te heffen,.... ’en viervoetig wezen, dat over hem heen vliegt en met den klauw ’t puntje van zijn rechterlepel aanraakt, zonder zijn prooi te bemerken.—Onrust,..... Avondschemering,..... nacht!————Nieuw daglicht,.... veel pijn,.... gescharrel,.... gerucht in de verte,.... gepraat,.... hondengeblaf;.... ’en nieuwe poging om te ontvluchten,.... vergeefs,.... ’en verschrikkelijk lang monster, met een jas aan en een hoed op, loopende op de achterpooten, een langwerpig ding—dat wel van hout en ijzer schijnt te wezen—in de voorpooten geklemd,.... ’en vreeselijk bedwelmenden slag op het hoofd,.... een blik om genade naar boven.—Gepraat,... een dreunende knal!... ijselijke pijn!!... ’en duizeling tot besluit.Arm haasje! Maar ’t had lekker gesmaakt, en den jager was door den huisvriend een toost gebracht, waarbij deze weer in ’t komieke was gevallen, met de verklaring: dat de dischgenooten den edelen jager eigenlijk een dienst hadden bewezen door zijn prooi een eerlijke begrafenis te bezorgen.’t Was na het dessert, terwijl papa Gliekke, misschien nog vermoeid van zijn jachttochten, de knoopjes van zijn vest scheen te beschouwen, en telkens zijn kin in de stropdas deed zinken, en mama Gliekke haar turfkooltjes inrekende—dat Barend Flitz zeernabij juffrouw Suze stond, en haar iets toefluisterde, ’t welk hij tot hiertoe als een diep geheim in zijn boezem bewaarde, maar dat hem op den duur te benauwd werd. Hij fluisterde van een “rekest” dat hij in zee stuurde, naar Den Haag, zonder er iemand over te spreken, een rekest om het burgemeesterschap te B.... ’t Duurde lang eer die groote heeren tot een besluit kwamen; met iederen dag die er verliep, werd hij ook “meer kurieuser,” zoodat hij ’t nu maar aan Suze zei, maar heilig! ze moest er niet van spreken, hij wou ’t volstrekt niet weten. Als ’t goed uitviel dan zou ’t heel wat opzien geven, en zijn laatste woorden waren:“Suze wat denk je?”Suze wist niet wat ze denken moest, maar zei:“’t Idee alleen!” en ze lachte hardop, zóó hard dat Papa Gliekke eensklaps uit zijn stropdas verrees, en vraagde wat er gebeurde, en Mevrouw Gliekke in ernst verzekerde dat Suze haar deed ontstellen.Och! het geheim brandde den goeden candidaat heden namiddag toch verschrikkelijk, verschrikkelijk! op het hart. Eerst verzekerde hij dat het malligheid van Suze was, en toen dat hetnietswas, en daarna dat hij eigenlijk te veel vriendschap genoot om geheimen te hebben, en dat het tóch uit moest komen, en ten slotte, dat hij ’t dan maar zeggen zou.Mijnheer Gliekke, pas uit den dut gekomen, en mevrouw uit eene huishoudelijke berekening opgewekt, ze waren niet op de hoogte om de beteekenis van die geheimzinnige woorden terstond te vatten, zoodat mijnheer vraagde, of er gevaar bij was, en mevrouw op het denkbeeld kwam of Barend iets van Suze bedoelde.... men kon niet weten?“Brand? De hemel beware!” zei Flitz: “Neen hoort, maar heilig onder ons..... Ik heb....” doch terzelfder tijd trad de huisknecht binnen en overhandigde het pakje met couranten en brieven, ’t welk de bode uit de stad had meegebracht.Een paar brieven, die de belangstelling van den heer des huizes opwekten, deden hem een oogenblik het geheim van Barend vergeten, en, daar de laatste door de komst van het pakje de aandacht verdeeld zag, zoo nam hij als naar gewoonte haastig het Handelsblad en zocht.... naar het “Binnenland,” en vond.... en las....:“Z. M. heeft benoemd tot burgemeester der gemeente B.... c. a., den heer Mr. A. D. Van Bavik.”“Van Bavik! Mr. A. D. Van Bavik. Ja waarlijk het stond er; te B.... c. a.; en achter dat B.... c. a. stond: Van Bavik en niet: den Heer B. Flitz.Lezer, als gij meelijdende van aard zijt, dan hebt ge ook zeker een weinig medelijden met onzen vriend, die eerst vuurrood en daarna doodsbleek is geworden, en, nog altijd op die twee regels turende, dat Mr. A. D. Van Bavik beschouwt, alsof het nog mogelijk zou zijn om daaruit: B. Flitz te lezen. Ja hij tuurde nog steeds in het rampzalige nieuwsblad, maarzóó, dat zijn gelaat er achter verborgen was, en terwijl papa de brieven, mama de Haarlemmer en Suzehet Kampertje inzagen, dansten de letters onzen Flitz voor de oogen, en speelden hem al de heerlijke beelden door het brein, die hij zich zoovele weken geschept had.Verwondering door ’t heele dorp,.... visites,.... kaartjes,.... gelukwenschen!.... De leden van den raad allen bij hem op de koffie,....zelfs de heeren Van Saffelen, Haspels, Meijer en Dominee Van Beem. De blijdschap van Suze!.... Misschien een fiat op het groote vraagstuk!.... De beide veldwachters,nuzoo bokkig:zijneveldwachters! Edel Achtbare! hij—Flitz—Edel Achtbare!.... Cassinootje, Rederijkerskamer! alles tot stand brengen,.... overal de eerste viool spelen!.... Mijnheer de burgemeester, hoe vaar je? Dankje!.... hi, hi, hi!.... In de eerste week naar Den Haag, bedanken, ook oom Piet, de goudsmid, diewerkte. Meteen naarWolkensteijn. Va voor de moeite bedanken, die ook alWERKTE... Terugkomen in B...., met va en moe.—Eerebogen,... inhalen,... eerewacht te paard,.... muziek!.... Leve de burgemeester! hoezee! hoezee!... Overal vlaggen!.... ’En aanspraak van dominee,.... de kerkeraad, de gemeenteraad.... alles in ’t zondagspak.... Misschien wel ’s avonds ’en klein illuminatietje, of vuurwerkje,’t laatste stuk Egyptisch!.... Bengaalsch vuur, en—in een krans van blauw vuur, de namen: Barend Flitz!!.....Ach! nogmaals ach!! daar stond Mr. A. D. Van Bavik, en.... alles was.... mis.“En ’t geheim, Flitz?” riep eindelijk de heer Gliekke, nadat hij zijn brieven gelezen had.Flitz was geen overvlieger, en de wijze waarop hij met een request aan den Koning(!) en twee brieven aan kruiwagens—Va en oom Piet—zonder verder iemand over de zaak te spreken of een voet buiten het dorp te zetten, solliciteerde, bewees genoeg dat Flitz een slecht bestuurder der gemeente zou geweest zijn, doch, zóó dom was hij niet om in ’t slijk te loopen wanneer hij op ’t droge paadje kon blijven, en zich plotseling herstellende, en bouwende op de stilzwijgendheid van Suze, aan wie hij een blik van verstandhouding had toegeworpen, antwoordde hij:“Mijn geheim? Welnu, u kunt het zelf lezen.... zie.... daar staat hij, de nieuwe bur..ge..meester,” en de heer Gliekke las op de plaats waar Barends vinger wees, de gezegde benoeming.Al zijn er heeren onvriendelijk genoeg om al de leden der lieve sekse van babbelzucht te beschuldigen—van nieuwsgierigheid willen we zelfs niet spreken,—wij rapen hier terstond den handschoen voor de aanvallige Suze op, en verklaren dat zij er een van de velen was, die desgevorderd kon zwijgen als.... men zegt, als een mof. Suze lachte—wel wat vreemd, maar zweeg, zweeg bijna den geheelen avond.De benoeming van den nieuwen burgemeester bracht in Gliekkes huis de tongen in beweging, maar de teleurgestelde hield zich goed, hoewel hij aan ’t ombertje driemalen—ongehoord van Flitz—vraagde wat troef was, en tweemalen een opgelegdesans prendreverloor.De benoeming ging den volgenden dag door ’t dorp van mond tot mond, en Flitz stemde Jan toe, dat het goed was dat er een jong mensch kwam om de slapers eens wakker te schudden, want met de bestrating en de dorpsverlichting zag het er bedroefd uit; maar gaf met een luid: “Waarachtig!” later ook aan Klaas gelijk, dat het een schandaal was, zooals de jonge Mr-tjes, die van toeten noch blazen wisten, een gemeente, waar ze nooit geweest waren, werden binnengeschopt, alsof er in die gemeente zelve geen bekwame en geschikte mannen zouden te vinden zijn!—“Waaromjijofiknietevenzoogoed?” had Klaas besloten.“Waarachtig! misschien honderdmaal beter danjijofik,” had de teleurgestelde na zijn eerste: “waarachtig!” in vergissing er bijgevoegd.Maar of ze in B.... de benoeminggoedofniet goedkeurden, de nieuwe burgemeester zoutochverschijnen.Eenige dagen na de benoeming verzekerden de schooljongens dat ze een vreemd heer bij den dominee hadden zien binnengaan, en wisten sommigen van de notabelenzekerdat burgemeester er geweest was. Bij eenigen had hij visites gemaakt; bij den notaris-wethouder Van Saffelen had hij denfamiliarenpot voor lief genomen,—hoewel mevrouw Van Saffelen hemel en aarde bewogen had, om op ’t nippertje wat extra’s van den slager te krijgen, en van mevrouw Meijer, opBij-zichteen fleschje ingemaakte postelein leende, daar ze zelve dien inmaak vergat. De nieuwe burgemeester had bij den notaris gegeten, en deze verzekerde den volgenden morgen aan Flitz, toen hij op ’t kantoor kwam, dat Van Bavik een ferme jongen scheen; een geestig ventje, lang geen druiloor; wel geschikt,—hij wreef zich in de handen—ja,welgeschikt; ’en kereltje waar men mee ploegen en eggen zou; waar men heel wat anders mee zou uitvoeren dan met den ouden burgemeester Haller was mogelijk geweest. ’t Was iemand, die op de hoogte van zijn tijd stond, die dadelijk had gevraagd of er geen schapenmarkten in B.... werden gehouden. Schapenmarkten! zie, waar hij—Van Saffelen—altijd zoo mee gedweept had, maar ’t geen door Haller steeds was tegengewerkt. Een jong, maar ’en aardig burgemeestertje, waar de gemeente pleizier van zou hebben.Dat zei de notaris, en toen mevrouw Van Saffelen, om koffietijd eens op ’t kantoor kwam, betuigde ze ook, dat men wel zien kon dat de nieuwe burgemeester studentje geweest was. Zoo vroolijk zoo aardig in ’t spreken; hij deed aan de muziek, hij reciteerde,—alsof Flitz niet even zoogoed aan beide deed!—hij had een paar allerliefste kneveltjes—alsof Flitz ook geen kneveltjes kon laten staan, al waren ze dan zoo zwart niet.—“In één woord,” betuigdemevrouw ten slotte: “een goed voorbeeld voor onze dorpsjongeheeren; zoo heel en al Fransch.”’t WoordFranschhad voor de notarisvrouw een bijzondere beteekenis; alles wat ze goed en niet alledaags vond, heette Fransch! misschien omdat alle nieuwe modes van Fransche origine zijn; misschien omdat ze ’t Fransch iets boven haar verheven rekende, daar ze de taal zelve niet verstond. Fransch, waren de nieuwe Engelsche paarden van den baron van S.... uit het naburige G.... Fransch, was het tapijt dat manlief uit de Deventer fabriek, in ’t voorjaar had laten komen; Fransch, was zelfs de ingemaakte postelein vanBij-zichtin een tijd zooals deze, dat men zuurkool en andijvie at; en Fransch—wij hoorden het—was ook de nieuwe burgemeester. Hij was op een kijkje in B.... geweest, en kort daarna kwam hij er weder voor een dagje, en huurde drie kamers inHet Wapen van Gelderland, één vóór- en twee achterkamers.Meubelen—waaronder een mooie schrijftafel—kwamen, in gezelschap van kisten en manden, met den vrachtwagen successivelijk mee, en, met primo Februari waren alle hoofden in B.... c.a. ongeschikt voor eenigen arbeid. Dien dag was het dat de vlaggen ontrold, de beste kleeren aangetrokken, de oranjelinten omgedaan, de paarden voor de eerewacht bestemd, vroegtijdig in orde werden gebracht, en alles geredderd moest worden om den nieuwen burgemeester aan den tol te gaan afhalen, binnen zijn gemeente te voeren, en plechtig te ontvangen.Ja, ’t was een buitengewone drukte in ’t dorp. Zoo iets had er nog nooit plaats gehad. Stompe Griet zei, dat alevel voor ’en koning niet meer kon gedaan worden. Evert “de klomp” oordeelde, dat ze den man gek zouden maken. Hent “de vuist,” begreep dat het wijzer zou geweest zijn indien ze de centen in den zak hadden gehouden. Geurt “de wipneus,” berekende, dat voor al de onkosten samen, zij met ’r allen—hij bedoelde de bedeelden—den heelen winter vrij brood zouden gehad hebben.... zonder een hand er voor uit te steken. De kastelein uitHet Wapen van Gelderlanden verder al de heeren tappers in de gemeente, benevens de jongelieden, de leden der eerewacht, die zoo druk aan ’t vlechten van de paardenstaarten waren, ze vonden, in spijt van al ’t gepruttel, dat het een aardig dagje zou geven, en, oude Doris “de fillisoof” zei, dat ’en mensch ’en aap was, en iederman as de okkasie ’t toegaf, wel eens koningske zou willen zijn, en, omdat ieder man toch geen koningske werd, iederman al blij was, as ie d’r maar eens naast had gezeten of bijgeloopen.In’t Wapen van Gelderlandzou de ontvangst plaats hebben en de eerewacht van daar uitrijden. De ruiters, met hun twee aanvoerders aan ’t hoofd—de pikeur uit stad en Hendrik Snor, die in vroegere jaren bij de “kerresiers” had gediend—waren gereed om met de geleende koets van den baron S.... uit G.... naar den tol te vertrekken, maar nog altijd wachtte de trein op de komst van den heer Barend Flitz die Nº. drie zou rijden, en als Nº. drie dan ook de voorloopige exercities had meegemaakt.“Willem, als de weerga loop er eens heen!” riep de pikeur, die op een schrale manége-klant gezeten, van tijd tot tijd in zijne handen blies, daar ’t vinnig koud was.De knecht uit het logement liep “als de weerga,” maar dewijl hijnietals de weerga terugkwam, ontstond er veel gepruttel. Al tien minuten over den tijd,.... te laat komen,.... vervelend wachten,.... koud,.... zeker verslapen,.... schande op zoo’n dag! En, Gijs de veldwachter werd door Hendrik Snor vriendelijk verzocht om eens “als de wind” te gaan kijken of Willem de boodschap wel had overgebracht.De wachter van ’t veld, die trouwens gedurende Hallers leven weinig meer dan zijn boodschaplooper geweest was, liep, edoch wat minder vlug dan de wind, en dewijl er nu weer eenige minuten verstreken zonder dat de gewachtwordende Flitz verscheen, mompelde men van: slaapkop, treuzelaar en lamme bult, en riep de pikeur eindelijk:“Heeren!”—gij hadt die gezichten der boerenknapen eens moeten zien—“Heeren! wachten is goed, maar te laat komen daar passen we voor; ’t is ’en kwartier over den tijd. Allons, we moeten vooruit! Mijnheer Meijer, s’il vous plait.”Mijnheer Meijer Jr., de oudste zoon van den heer Meijer, die als notabele van ’t dorp reeds een paar malen genoemd werd, de heer Meijer Jr., die behalve de aanvoerders der beide secties, Nº. één was, en aan een breed oranjelint een koperen hoorn droeg, zette het instrument aan den mond en blies het signaal voor den aftocht.De paarden, die hoogst waarschijnlijk geen begrip van al die gekheid hadden, en—alweder hoogst waarschijnlijk, hun eigen bazen niet hadden herkend toen dezen belint en besjerpt hun de insgelijks belinte hoofdstellen hadden aangedaan, ze zouden op het geluid van dien hoorn, geen poot verzet hebben, zoo niet hunne berijders, de één met een smakkend mondgeluid, de ander met een: vort Bles, of Piet, de derde met een ruk aan den toom, en eenigen door een hakstomp in de ribben, hun kleppers hadden beduid dat zij den huppelenden “Inkomperabel” van den pikeur moesten volgen.De stoet vertrok.Of Barend Flitz zich inderdaad had verslapen, of wat er anders aan haperde dat hij een achterblijver werd,—misschien ook omdat hij wat lang met zijn kleeding was bezig geweest, of dat Harmen van Laubour hem ’t paard te laat had gebracht—wij hebben geen tijd zulks te onderzoeken, want zie, terwijl de stoet daar juist achter het schoolhuis verdwijnt, komt om den kerkhoek de bedoelde persoon te voorschijn, en nadert, in een aardig drafje, het dorpslogement.Indien wij ons ’t gelaat van Barend te binnen brengen, zooals hij op zijn gemak in den leunstoel bij Gliekkes haard zat, dan zouden we haast meenen dat hij zich op den rug van dien bruine minder te huis gevoelt. Harmen van Laubour had gezegd dat de Let wat hoog draafde. ’t Zij hoe ’t zij, Flitz komt toch vooruit.Zie, hij nadert met zijn bruin de plaats waar gewoonlijk de voerbakken vanHet Geldersche Wapenstaan, doch die heden in den stal zijn gezet. De Let schijntHet Wapente kennen of wel aan de voerbakken te denken; zij draait links af op het huis aan. De kastelein—ook in zijn Zondagspak—in de groengemaakte deur staande, roept:“Vooruit mijnheer! Je haalt ze wel in.”Barend Flitz, hoort het, en rukt rechts aan den toom; maar de Let hoort er niets van, en geeft om dat toomgeruk geen zier.—Hierkrijgt zij gewoonlijk een emmer water, of neemt Laubour ’en dropje,“Huup Let! Vort Let! Alla!”—Maar ja wel, de Let laat zich niet door vreemden ringelooren;hierwil ze wezen, hier, en terwijl zij een raren zijsprong maakt, roept Barend: “O jé!” en klets! daar valt hij naast de Let voor de versierde deur van de herberg neder.Heeft hij zich erg bezeerd? Wij gelooven ja, want hij trekt alles behalve gezichten, die in overeenstemming zijn met de vlaggen, die uit de dakvensters van ’t logement wapperen; maar gebroken heeft hij niets, al kwam hij dan ook vrij onzacht op de straatsteenen neder.Door den kastelein geholpen, staat hij op, en treedt voetje voor voetje de versierde deur binnen. ’t Is misschien van de pijn, dat hij zoo’n leelijken blik op die dennen en palmenloovers werpt, waarin witte en roode papieren rozen gehecht zijn, en tevens zijn gemoed lucht geeft met schelden op dewildeLet, die als eenlamvoor de deur op den emmer water te wachten staat.We zouden van uw geduld zeker te veel vergen waarde lezer, indien we u verder den loop der zaken, op dien voor B... c.a. zoo belangrijken dag, gingen schetsen. Voorzeker hebt ge zulke inhaalpartijen—ze zijn aan de orde van den dag—meermalen bijgewoond, zoo ge niet misschienzelfvoor koning daarbij gefungeerd hebt, en stelt er dus geen belang in. Maar ’t is ook mogelijk dat ge ’t nooit gezien hebt, welnu, lees dan aandachtig de courant, merk op, de benoemingen van dorps-burgemeesters, of wel de ondertrouw-aankondigingen van zonen of dochteren van hen, die op de dorpen ’t meeste geld of den grootsten titel hebben; informeer nauwkeurig wanneer het de intreedag der eersten of de trouwdag der laatsten zal zijn, en ga dan, en zie, want ge kunt er zeker van zijn, er zal gevlagd, er zal gereden, er zal vuurwerk worden afgestoken, omdat.... omdat de menschen in ’t algemeen zoo gaarne iedere gelegenheid aangrijpen om pret te maken en,—omdat de boeren in ’t bijzonder, bij overlevering of bij ondervinding weten, dat er voor hun gevlag en gerij, later een “vette mond” te halen is.Foei! wat ’en donker tafreel!Is het te zwart; zijn wij onbillijk?—’t Zij dan, opdat die koninkjes zich nietal te veelillusies zullen maken.“’En aardig mensch die Van Bavik,” zei de heer Gliekke tot zijn huisvriend, eenige dagen nadat de nieuwe burgemeester zoo feestelijk werd ingehaald: “’k heb met plezier zijn kennis gemaakt; ’t zal een heele aanwinst zijn.”“Zoo,” zei Flitz, en, na ’t kluwen van Suze, dat van de tafel viel, te hebben opgeraapt, voegde hij er bij:“Hebt u hem al zoo spoedig bezocht?”“Gistermorgen; ’t was ’en helder luchtje; ik wandelde toch, en ’t logement voorbijgaande, dacht ik, kom, we zullen ons Edel-Achtbaar heertje eens opzoeken; en ja, ’k moet zeggen, ’t is me nog danig meegevallen.”“Zóó!” herhaalde Flitz: “Maar tamelijk pedant hé?”“In ’t geheel niet,” hernam de heer Gliekke: “Bescheiden, heel beleefd en zeer goed op zijn standpunt. ’k Zei natuurlijk: Hoe vaar je burgemeester, en verder telkens burgemeester; maar bij ’t afscheid werd mij vriendelijk verzocht dat “burgemeester” maar achterwege te laten. Ik heet Van Bavik, mijnheer Gliekke, zei hij. Waarlijk ’en hupsche jongen!”“Zóó!” zei Flitz weder, en vraagde daarna aan Suze, terwijl hij op de piano wees, of ze niet eens een tikkeltje zou maken? Suze had er niets op tegen; en nadat Flitz bij de piano alles in orde had gebracht en naar zijn zetel terugkeerde—hij liep nog wel zoo’n beetje trekkebeenig—hervatte de heer des huizes:“En ijselijk meegaande ook; hij informeerde zelfs naar jou Flitz; hij vernam dat je gevallen waart; hij zou je al hebben opgezocht zoo drukke bezigheden hem niet verhinderd hadden.”“Zóó!” zei Flitznogeens, en voegde er bij: “Och, op die vreemde visites ben ik zoo fel niet. Hij schijnt dan ook niet best de regels der “etiekette” te kennen, wantikmoet hem immers ’t eerste...?”“Nu, ja Flitz,” riep Suze, die nog aan ’t zoeken naar een geschikt muziekstuk was en naar ’t gesprek had geluisterd: “uit belangstelling; dat vind ik wel aardig.”“Zóó!” klonk het uit Barends mond voor de laatste maal, want de knecht kwam binnen en vraagde belet voor.... Mijnheer den burgemeester.’t Sprak wel van zelf dat de knecht in last kreeg om den burgemeester binnen te laten, evenals het van zelf sprak, dat mevrouw Gliekke ijlings met de punten harer voeten naar de pantoffels snuffelde, die wel eens werden uitgeslierd omdat ze zoo graag met de kousen op haar stoofje zat. ’t Zal niemand verwonderen dat Suze haastig de pianomuziek ter zijde schoof, het instrument dichtsloeg, naar hare plaats wipte en,—niet de straks verlaten breikous, maar een borduurwerkje uit haar doos nam. ’t Zal geen bevreemding wekken dat mijnheer Gliekke zijn stropdas een weinig naar boven trok; de vijftand in zijn kuif zette, evenmin als de lezer zich erg bezorgd zal maken voor Barends gezondheid, daar hij den goeden jongen nog al erg bleek ziet worden.De burgemeester treedt binnen.Waarlijk, ze hebben recht gehad: ’t is een knap ventje. Niet bijzondergroot, maar ’en allerinnemendst voorkomen. Fraai zwart haar, een helder voorhoofd, geestige en toch vriendelijke oogen, ’en kleine rechte neus; ’en fijn besneden mond, waarboven, o dames!—wij bedoelen natuurlijk de jonge dames die van natuurschoon houden—waarboven een paar kneveltjes zetelen—volgens Flitzstaanze—zóó modest, zóó zwart, zóó egaal, rond en aardig met spitse puntjes naar boven, dat wij, al behooren we niet tot uw sekse, er toch pleizier in hebben. Een knap ventje, goed gevormd, deftig in ’t zwart, met ’en wit vest.... Maar, van den geheelen persoon zag Barend Flitz in de eerste oogenblikken niets dan zijn “kinderachtige” voeten—kleine voeten vond Barend kinderachtig—in verlakt lederen schoenen staken.De heer burgemeester Van Bavik kon niet manqueeren.... en mevrouw Gliekke was het hoogst aangenaam.... en mijnheer Gliekke vond het van “Van Bavik” zeer hupsch dat hij al zoo spoedig eens aankwam; en Suze.... Suze vond niets, daar ze ’t nog niet gewaagd had een blik op den EdelAchtbare te slaan, terwijl Flitz een: “Om u te dienen,” antwoordde, toen Van Bavik ook aanhemvoorgesteld—met veel bonhomie gevraagd had, of mijnheer geen restes van den val had, waarvan hij hoorde en ’t geen hem bijzonder leed was geweest.Of ’t bij vergissing of wel voordacht was dat de heer des huizes den leunstoel ter rechterzijde van den haard, waarin Flitz zooeven gezeten had, vatte en den bezoeker aanbood, wij weten het niet, maar zeker is het dat Van Bavik, zonder te denken dat die zetel een ander had toebehoord, daarop plaats nam, en Flitz, na Gliekkes woorden: “Neem een stoel kerel,” een stoel nam, en zich op een afstand van het vuur plaatste, alsof hij bang voor de warmte, of wel.... bang voor iets anders was.’t Behoeft geen vermelding dat er over en weer werd verzekerd dat het buiten koud was, en dat een helder vuurtje goed deed. De heer des huizes verklaarde, dat de avonduren de gezelligste van een winterdagwaren.Mevrouw Gliekke betuigde, dat de geheele gemeente uiterst met de benoeming “van u” was ingenomen, en dat het ook wel bij mijnheers intrede gebleken was; dat er dien avond een beeldig vuurwerkje was afgestoken; juistnietzoo mooi ... bij lange na niet als de vuurwerken die ze instadzag,—er was bij mevrouw maar één stad, de stad van Amsterdam—maar aardig toch, en zoo geheel en al door de gemeentenaren bekostigd: “Ieder zoo naar vermogen,” besloot zij, en ze glimlachte hoofdknikkend, alsof ze zeggen wilde: “Wij.... u begrijpt wel?”Aan Suze was het theeblad gebracht, en Suze had thee gezet; en Suze wist zoogoed als ze ’t zelf wisten, dat papa en mama suiker dronken, en dat Barend veel suiker dronk, maar ze zei toch heel zacht: “Ma,.... suiker? Pa....?” in de hoop dat ma wel verder ’t woord zou doen. Maar ’t was mis, want ma zei zeer beleefd:“Als ik verzoeken mag,” en pa: “Zeker Suze,”zoodat ze toch toteen:“En u mijnheer?” tot Van Bavik werd genoodzaakt, waarop deze beleefd voor ’t zoete bedankte, terwijl de candidaat-notaris, die, na het: “Om u te dienen,” nog geen woord gesproken had, eens toonde hoe hijhierthuis was, en tamelijk hard een: “’k Wél Suus,” deed hooren.Wij zullen ’t gesprek niet op den voet volgen, het gesprek dat in den aanvang zeer onbeduidend was, doch allengs meer ziel bekwam door de onderhoudende wijze waarop de jonge burgemeester—die ook in ’t komieke maarookin ’t ernstige viel—van zijn studiejaren, en later van een Noorweegsche reis verhaalde, welke hij, in ’t gezelschap van twee zijner vrienden, den afgeloopen zomer gemaakt had.Mijnheers aandacht was onverdeeld, zoo zelfs dat hij al meer en meer zijn stoel verschuivende—om den spreker recht in ’t oog te hebben—niet bedacht dat Barend Flitz hoe langer zoo meer zijn rug te zien kreeg.Mevrouw zat, en luisterde met een aandacht, zooals ze nooit—zelfs in de komedie nooit—gehad had. Treurspelen waren ook al te akelig, tooneelspelen en drama’s al te langdradig en te onnatuurlijk, en blijspelen al te laf; maar ’t geen ze nu hoorde was zoo afwisselend, nu eens dat ze hardop moest lachen en dan weer dat ze haast de tranen in de oogen kreeg...., zoo raar; ze wist zelve niet hoe. Mevrouw wist het niet. Waarom? Omdat ze nooit eenhumoristontmoette.Suze....? Ja, ze borduurde wel van tijd tot tijd een schulpje en een moesje, maar toch, ze kon niet aanhoudend naar beneden kijken. Neen, onwillekeurig hief ze telkens het hoofdje op, en onwillekeurig liet ze eindelijk de naald geheel rusten, en wierp ze niet meer nu en dan een schuchteren blik op den nieuwen burgemeester, maar vestigde haar lieve oogen strak op den jongeling, die zoo aardig, zoo mooi, neen, zoo aandoenlijk sprak—vooral toen hij verhaalde van hetarme blindemeisje, dat in het gebergte tusschen Lessoe en Romsdal zulke schoone liederen zong,—om slechtsdanmet eenige verwarring opnieuw haar boord te bezien, wanneer de spreker meer bepaaldhaaraanzag—en zulks gebeurde in waarheid niet zelden—of, ’t woord tothaarscheen te richten.En Flitz? Gedurig kuchte hij, omdat hij “’t beroerd” vond dat Gliekke hem den rug toedraaide en al de warmte van ’t vuur benam, alleen om naar “zoo’n vreemden poespas te luisteren.” Die studenten-aardigheden waren ijselijk laf, en van dat Noorwegen, wat had je d’r aan als je d’r nooit geweest waart! Als ’t dan gewed was, dan kon hij van Kleef ook wel vertellen; van die jongens, die je om centen naliepen, en zoo blauw van de boschbessen zagen, of van ’t afwaaien van zijn hoed, toen ze door een dal, dat eigenlijk vol water was, met een schuitje naar Mouwriesgraf—Flitz had niet recht begrepen dat hij de grafplaats van Prins Maurits van Nassau bezichtigde—waren geroeid, daar ze veel behei van maakten, doch dat op niemendal uitliep.Flitz vond het alles behalve wellevend om zoo “door te klessen.”en dan die vraag of hij—Flitz—ook gestudeerd had, waarop hij in de gauwigheid: “neen” had geantwoord, maar eigenlijk:“wel zeker,” had moeten zeggen, verbeelll!..... alsof hij opzijncandidaats niet even zoogoed had moeten blokken—ja misschien nog harder dan die Bavik op het zijne. En dán tegen Suus zoo den heelen tijd het woord te richten! Wat meende ie wel!—Hoor, alweer:... “Waarlijk juffrouw Gliekke, men gevoeltdaareerst levendig dat de Schepper oneindig in macht en de mensch maar ’en heel klein lievenheersbeestje is.” Och! hé, den dominee uithangen! Tegen Suus....! ’en lievenheersbeestje, hoe kinderachtig! En telkens wou Flitz iets zeggen, omdat ie zoo nooit gewoon was te zwijgen, en ook gevoelde wat oudere en betere brieven te hebben, maar telkens smoorde hij ’t geen hem op de lippen kwam, totdat zijn gelaat een purperkleur verkreeg, en hij, met den sleutelbos in den zak rammelende, zijn—door ’t lange zwijgen eenigszins schorre stem deed hooren, en luide vroeg:“Suze, hoe is ’t, hooren wij van avond in ’t geheel niets?”Suze, zoo onverwacht door Barend aangesproken, en, in presentie van dien jongen burgemeester tot spelen uitgenoodigd—’t geen ze voorhemin ’t geheel niet durfde—kreeg ook een kleur en zei:“Wel neen Flitz,” en had er gaarne bijgevoegd: We zitten zoo prettig!De heer des huizes bespeurde nu eerst dat Flitz zijn rug te zien had, en wendde zich links, met een: “Pardon vriendje.” Doch de heer burgemeester stond schier gelijktijdig van zijn zetel op met de verontschuldiging, dat hij volgens gewoonte wat te lang gepraat had, en niet hoopte de familie gedérangeerd te hebben. Met groot genoegen was door hem de kennis der familie gemaakt, terwijl hij zich ten zeerste aanbeval, en besloot met de woorden:“Een vriendschappelijke omgang met de beschaafde ingezetenen van B.... zal mij, zoo ik hoop, ’t afzijn vergoeden van lieve betrekkingen en trouwe vrienden.”“Hé, blijf familiaar een boterhammetje eten!” riep de heer des huizes: “Nietwaar Betsy? Niet voornietwonen we zes jaren in Gelderland.—Is ’t niet Betsy, de Geldersche gastvrijheid woont ook opVredelust?”Betsy, die bij ’t woord “boterhammetje,” iets zuurs in ’t gezicht had gekregen—misschien omdat haar voet de pantoffel niet vinden kon, die ze in Noorwegen verloren had—ze trok bij het: “Nietwaar, Betsy?” een gastvrij gelaat, en sprak van een hoofdkaasje en ’en stukje rookvleesch, terwijl Suze heel zacht, alleen voor mama en Barend verstaanbaar, iets van “de ossetong” fluisterde, ’t geen den laatste de kramp in de vingers veroorzaakte, dewijl Suus aan tafel, toen hij van de tong sprak, gezegd had: “’t Isaltijdgeen vetpot.” En nu.... voor dien snoeshaan!De burgemeester Van Bavik zou echter dien avond noch hoofdkaas noch ossetong opVredelustgebruiken, want hij moest noodzakelijk aan iemand schrijven; gaarne zou hij ’t hervatten, en hoewel, na die openbaring van ’t vaste besluit, de verzoeken dringenderwerden, en zelfs Suze iets prevelde van: “Uw kamer zal koud zijn,” de burgemeester bedankte nogmaals vriendelijk, en maakte zijn compliment.De heer Gliekke verzocht zijn huisvriend of deze zoo goed wou zijn om Van Bavik eens uit te laten,” en Van Bavik werd door Flitz uitgelaten, en verzekerde nog in de gang, dat hij ook Flitz veel hoopte te zien, en vooral in den lieven kring der Gliekkes, en zijne laatste woorden waren: “A revoir!” en Barend zei ook: “A revwaar.”Toen de aspirant-notaris in de huiskamer terugkwam, vond hij het gesprek zoo levendig alsof er “partij” was. ’t Spreekt van zelf dat het over den nieuwen burgemeester liep. De heer Gliekke vroeg gedurig op triomfanten toon, wat of hij gezegd had!? Mevrouw betuigde, dat ze nooit zoo iemand ontmoette, iemand die zoo alles in zich vereenigde, dat ze graag de tong had opgezet, ofschoon z’m anders voor den 18denhad willen bewaren, en dat ze er sterk vóór was dat de heer Van Bavik dan ook zou verzocht worden.Flitz viel op dit laatste gezegde met de verklaring in, dat het toch anders “sjenant” was, ’en vreemde op ’en jaarfeest te hebben, en nog wel op het jaarfeest van Suus, en besloot met de vraag: “Wat jij Suus?”Neen, in waarheid, Suze vond er niets geen bezwaar ia. Ze moest ronduit zeggen dat burgemeester iets heel aardigs en heel liefs had; ’t kon haar wel niet schelen of hij den 18denkwam, neen, er op gesteld was ze in ’t geheel niet, maar, ’t zou toch wel aardig wezen. Pa en ma moesten het weten, hoewel, als Barend hetnaarvond,zijnkomsthaaronverschillig was.Tot vervelens toe liep verder—volgens Flitz—het gesprek over dien snoeshaan; nu eens stelde de heer Gliekke dat heertje ten voorbeeld, en herhaalde mevrouw ’t een of ander wat Van Bavik zeide, of herdacht Suze de boeiende wijze, waarop hij van het woeste maar trotsche Noorwegen gewaagd had; en Flitz was verheugd dat het tijd werd van heengaan, want dat “gezanik” verveelde hem bovenmate. Suze had niet, zooals anders, op de piano gespeeld toenhijer van sprak—anders kon ie immers alles van d’r gedaan krijgen. Van een partijtje was niet eens gesproken, en de ossetong was voorhemniet verschenen.’t Was alsof de heer des huizes bij ’t afscheid veel flauwer zijn hand drukte; alsof mevrouw veel zachter “Nacht Flitz” zei; en Suze, toen hij haar een “Wel te ruste” wenschte, veel mooier dan gewoonlijk was, maar, ook heel anders dan anders “Wel thuis” ten bescheid gaf.Alleenkwam Barend thee drinken, maar in gezelschap keerde hij naar zijne kamers in ’t dorp terug. In een naar, een akelig, een leelijk gezelschap. In ’t gezelschap van een sarrend duiveltje, het duiveltje dat jaloezie heet.Een paar dagen nadat wij Van Bavik een bezoek opVredelustzagen afleggen, vinden wij hem in een zijner gehuurde vertrekken voor zijn schrijftafel weder, terwijl hij er de pen vlug over het papier doet glijden.’t Ziet er in die kamer waarlijk zeer comfortable uit.De inscheping van Willem den Vijfde, enDe heldendood van Van Speykmet een groote vochtvlak er op, de beide platen, die hier eertijds aan den wand prijkten, zijn er niet meer, maar zijn vervangen door een aantal schoone gravures, waarvanLa prière du soirboven de schrijftafel hangt.De stoelen staan niet geregeld langs de wanden, de tafel staat niet precies in ’t midden der kamer, en de kleine sofa bevindt zich zelfs geheel in een afgedraaide richting; maar toch, ’t is netjes in de zitkamer van den jongen burgemeester.—Een fraai boekenhangertje! Mooie bandjes! ’t Zijn zeker werken van smaak, want de boekenkast in het achtervertrek bevat de Latijnen en Grieken.—Laat zien: Jean Paul, Claudius, Hildebrands Camera Obscura.... en.... wat ligtdáár? Dat boek, langwerpig, in groen leeren band?—Ha! ’t is een dagboek.’t Is onbescheiden zegt gij, om zonder verlof, schrift te doorsnuffelen, en vooral den blik in een dagboek te slaan; immers de geheimen van ’t hart zijn er in opgeteekend.Als particulier, zouden we zeker voor die kolossale onbescheidenheid terugdeinzen, maar, we voeren u als novellist de kamer binnen, en in die kwaliteit is het ons vergund overal te zien, overal te luisteren en alles te lezen, mits.... we er nimmer een slecht gebruik van maken.Alzoo, we nemen het dagboek zonder blikken of blozen, en lezen wat ons goeddunkt, ofschoon we zeer zeker niet zullen meedeelen wat verborgen moet blijven.Bladz. 40—1 Januari 18.3.“Gisteren was het oudejaarsdag, en heden is het nieuwjaarsdag. Gisteren zag er alles zoo oud en zoo eerwaardig uit, en heden schijnt het mij toe alsof alles een nieuw pak heeft aangekregen; ’t is zelfs alsof die oude grauwe kerkmuur, waarop ik uit mijn venster het oog heb, ernieuwjaarsachtiguitziet. Alles!.... En—hoe zou ’t er uitzien in ’t hart van de menschen.... ik meen in ’t hart van den schrijver: A. D. V. B.?”Bladz. 44—6 Maart 18.3.“Gisteravond hebben wij feest op Ysbrands kamer gevierd. ’k Ging er om zeven uur alleen heen, maar benzonder mij zelvenweer thuis gekomen.... hoe laat weet ik niet. ’k Heb mijn morgengebed maar binnengehouden. Hoe meer geest naar binnen, hoe meer geest naar buiten....? Maar,—zou ’t wel de geest zijn van Hem...., ’k wil heden Zijn naam niet noemen, ’k ben te katterig.... ’k ga eens wandelen.”Bladz. 46—15 Maart 18.3.“Doctor!—Mr. in de beide rechten!—Professoren; Paranimfen; m’n huisploert, de nachtwachts, tot zelfs de krolschekatten, die me ’s nachts zoo ergeren, ’k zou ze wel aan ’t hart willen drukken.Ik doctor!Ik Mr. in de beide rechten!’k Zou alles wel om den hals willen vliegen.... tot jou toe, ouwe trouwe taaie waterkaraf, die me vooral in de laatste dagen zoo dikwijls met je dierbaren inhoud hebt afgekoeld. Na ’t eten dadelijk weer naar de socie! halzen genoeg om te omhelzen, en halzen in den kelder van den kastelein.... Hola! zou ’t niet beter zijn in de armen van mijn goeden vader en—ja! ja!! aan den hals van mijn lieve moeder....?”Bladz. 51—10 Mei 18.3.“De advocaat Mr. A. D. Van Bavik heeft consult gegeven.—Daar liggen ze voor me de zes schellingen. ’k Heb nooit geweten dat zes en dertig stuivers zoo’n som was. Verdiend! Eerlijk verdiend!—Eerlijkverdienen!—Recht en gerechtigheid!—Ik zal me voor die eerste zes schellingen het kleine Themis-beeldje koopen. ’t Kan nooit geen kwaad.”Bladz. 52—28 Mei 18.3.“Opgestaan; courant gelezen; aangekleed; bij Van Mees koffie gedronken; twee visites;... goed gedineerd in deLion d’or.... een aardig avondje bij Prings; fideel geomberd.... slaap!.... nog ’en kopje thee, dan naar bed.—Zeg! geest van den grooten Luther, je bent al zoolang naarBOVENverhuisd, al staat je gipsen beeld me onbeweeglijk aan te staren, zeg, lezen zedaarwaar je nou woont, ook couranten, kleeden z’er zich, drinken z’er koffie, maken z’er visites, dineeren en omberen z’er ook, en gaan ze dan slapen na ’t gebruik van ’en kopje thee? zeg?”Bladz. 68—5 September 18.3.““Bid en gij zult ontvangen!””—Is ’t waarheid?—Z’ is dood, al zes dagen dood, die lieve, die trouwe, die engelachtige moeder; en heb ik niet gebeden, heb ik niet ieder uur gebeden: God bewaar ze; behoed die lieve?—Was mijn gansche denken niet zelfs één biddende gedachte: Almachtige Hemelvader, spaar mij de dierbare moeder?—Zou ’t niet blijken of dat woord leugen of waarheid bevatte. Besloot ik niet Hem lief te hebbenwanneerHij ’t gebed verhoorde?—Ik heb gebeden en—zij is gestorven.“Z’ is dood, de moeder, die mij als kind geen schaatsen wou laten rijden toen ik zoo hoestte, en me niet uit bed wou nemen toen men zei dat ik de mazelen had. Z’ is dood, die me lief had en trouw voor mij zorgde. God heeft haar niet behouden. Behouden?.... Is zij verloren? Voor eeuwig verloren? Neen, God zij gedankt! neen, ze leeft. Vader! weesmijgenadig. Die bidt zal ontvangen,zeker ontvangen: een nieuw, een heerlijker leven in een der vele woningen van het oneindige Vaderhuis.”Bladz. 93—3 Mei 18.4.“Arme Marie! wat ben je toch leelijk! Rood haar; sproetels, ontelbaar als de starren aan den hemel of de schelpjes aan ’t strand; ’en neus, die met alle recht bij den toren van Libanon mag vergeleken worden; ’en mond van ’enEnaks-kind, waarvoor de soeplepels mij nog te klein schijnen; ’en stem, bij lang na zoo lief nietals de stem van mijn trouwen Fik, en een paar armen, zoo lang en schraal als de winter. Arme Marie! ik zat naast haar in ’t kattebakje toen we gisteren naar buiten reden. Ze had óók blondes en bloemen in haar hoed, ze had óók witte glacé handschoenen aan. Ze vond dat bedelmeisje met die bruine oogjes en dat fijne gezichtje, óók zoo ongelukkig; ze had óók medelijden met den bultenaar die, met een mooi gekleeden aap op zijn rug, het rijtuig naliep; ze vond broodjes met zalm lekkerder dan broodjes met kaas, en zei ook—precies als al de anderen—dat een dansje in ’t groen wel aardig zou wezen.“Arme Marie! wat ben je toch leelijk, en wat was je gisteren verschrikkelijk leelijk toen je, evenals al die blondjes en bruintjes, je hoedje hadt afgezet. Maar neen.... zooheelleelijk was je toch niet, toen je door niemand ten dans geleid, met een vroolijk gelaat ons allen stond gade te slaan. Marie, waarlijk je bent affreus leelijk, maar ’k vond je zoo ijselijk leelijk toch niet, toen er een lachje om je grooten mond kwam spelen, nadat de meeste hijgende snoepertjes zaten, en ik—aan ’t kattebakje denkende—mij over je ontfermen kwam. Marie, gelukkig dat je niet zaagt hoe Betsy achter je lachte toen ’k je mijn arm bood, en ’t bijna uitproestte, toen je met je hoogen rug aan ’t huppelen waart, en ik er op verdacht moest zijn om niet door je groote passen uit de maat te raken.“Arme Marie....! Zou je laterDAARBOVENook zoo leelijk zijn? Zou Betsy jeDAARook uitlachen?”Bladz. 98—6 Juni 18.4.“Wel aardig! ’t is de gansche stad door: Van Bavik geëngageerd.—Geëngageerd met eene freule Van Hes + drie ton.—Och! die vurig begeerde tonnen ze rammelen zoo, ze wegen zoo zwaar, en ze zijn dikwijls zoo slecht bekuipt bovendien. Geëngageerd! Ik met de freule Van Hes.—Welke....? De oudste die ’k laatst bij Prings ontmoette, of de jongste wier zakdoek ik in ’t bosch opraapte? Wie zou ’t wezen? De eerste verklaarde bij Prings, dat ze verzen, van welken aard ook, vervelend en saai vond, terwijl ik de jongste, op ’t concert te midden der zachtvloeiende violonceltonen, hoorde goechelen, dat het kattengemauw was.—Ja, vader Tollens, ’k zal aanstonds voorFIK JE HONDENTROUWnog eens opsnijen, en dan de gitaar nemen en het lieveVATER UNSERnog eens luchten, da’s meteen ’t avondgebed, en—dan kunnen ze in stad, de freules Van Hes, in, of op, of met d’r tonnetjes rollen, precies waar ze ’t goed zullen vinden.”Bladz. 115—29 November 18.4.“Advocaten zonder praktijk zijn volle schotels zonder hongerige gasten.—Ongebruikte spijzen bederven.—Bederven!! Foei! dan beter anderen, die honger hebben, opgezocht.—Wis en zeker ’k solliciteer naar B.... c. a.”Bladz. 116—2 December 18.4.“Zonder kruiwagens verkruit men het zand niet. Zonder kruiwagens wordt geen student minister. ’t Is een groot voorrecht dat mijn Engel, de trouwe moeder, familiezwak had en neef uit A....altijd zoo vriendelijk ontving wanneer hij bij ons in stad kwam, terwijl ze hem na ’t eten trouw een kop koffie schonk. Die goede! ze wist toen niet dat neef minister zou worden, en haar Alexander, omdat hij lieverietsdannietswil wezen, en om een andere reden nog, naar B.... c. a. zou solliciteeren; ze wist niet dat neef mij kruien zou naar B... c.a. Zou mij die kruiwagen ook benijd worden....? Aardig! Ieder begeert zoo’n eenrad om van A naar B, en van B naar C, met winst te worden vervoerd, en—den eenigen denGROOTEN.... die wil overbrengen naar de plaats,ENGEL, waar gij zijt, Hij wordt zoo telkens veracht en met voeten geschopt. ’k Heb hem heden ook ván mij gestooten toen ik aan Smit verzekerde, datikgeen kruiwagens noodig had. Ik dacht niet aan U, ik loog, ’k was ’n uil.”Bladz. 123—10 Januari 18.5.“Fik heeft me vreeselijk onnoozel aangekeken toen ik hem dezen middag, plechtstatig mijne benoeming als burgemeester bekend maakte. ’t Scheen alsof ie bang was dat hij mijn secretaris zou moeten wezen, en ’t gul moest bekennen dat ie geenAvoor eenBkon. Goeje Fik! nou leg je te snorken, maartoenkeek je verschrikkelijk dom. Brand heeft me wel eens gezegd, dat Fik sprekend op mij lijkt. Alsikmaar niet op Fik gelijk zooals hij mij straks aankeek, wanneer ik te B. voor ’t eerst den gemeenteraad moet presideeren.”Bladz. 130—1 Februari 18.5.“’t Is al één uur na middernacht. ’k Heb niets geen slaap. ’k Bezag mij daar straks in den spiegel. Zie ik er deftiger uit? Wat eerbewijzen; wat verzekeringen van warme toegenegenheid! Die aanspraak aan mij.... aan Sandertje, die nog geen twee jaar geleden de eer genoot om op een soireetje, door den burgemeester, een straatschender genoemd te worden. Een straatschender! hoewel hij in gemoede kon verzekeren dat, op den avond waarvan sprake was, geen schel, dan zijn eigen tafelschel, door hem werd aangeraakt.—’k Ben een Edel-Achtbaar persoon; ’k moet de voetstappen drukken van een man, dien ik nooit gekend heb. “De gansche gemeente is met blijdschap vervuld,” verblijd over de komst van mij, van iemand, dien zij volstrekt niet kent; en ten slotte is het “één stem in de gemeente: Leve onze nieuwe burgemeester!”Hoe belangstellend! Er is machtig veel goud- en zilverpapiervoor al die rosetten verknipt. ’t Zal me eens benieuwen hoe die eerebogen er zullen uitzien als ze van ’t dennengroen en van ’t vlaggedoek zullen ontdaan zijn. Aardig, die bekentenis van den tweeden aanvoerder der eerewacht: dat hij die kale plekken van zijn vosje eens handig met lintwerk bedekte. Wat werd het eensklaps donker, toen die groote pekton had uitgebrand; maar.... de starren hernamen hun recht.—Een pekton voor mijalleen, en toen, millioenen van glanzende werelden voor allen.... ’k Word zoo verward; ’k zie alles en niets.... ’k Zal nog een oogenblikje met Fik gaan spelen en zien of ie weer niezen moet als ie op eens in ’t lamplicht kijkt.”Bladz. 133—15 Februari 18.5.“De kale plek van ’t vosje heb ik duidelijk gezien, evengoed als ’t muizengat dáár in ’t behangsel, waarvoor den eersten dag van mijn hierzijn, die groote roset zoo’n aardig effect maakte. Och wat ’en kale plek toen de linten er af waren! ’t zag er zelfs rauw en bloederig uit, en niets er op om te bedekken. Wat zal dat vliegensteken lastig zijn! Arm dier! Maar toch, de vlieg steekt omdat hij voedsel wil, en niet uit lust tot kwellen.”“Zou mijnheer Flitz wellicht gesolliciteerd hebben? ’t Spijt mij waarlijk dat hij van ’t paard viel.”Bladz. 134—16 Februari 18.5.’En stil dorp zonder wrijving, is ’en groote kabeljauwdrogerij!—Stokvisschen!—Maar, die stokken in bossen! ze zijn zoo slecht niet, als ze maar krachtig gebeukt en flink geweekt zijn. Altijd wat stokkerig maar goed van smaak.“Vredelustligt nog al bezijden de drogerij, misschien dat de visch er daarom nog niet zoo hard is; wellicht ook is zij eerst later aangevoerd. ’t Kloppen en weeken zal daar niet zoo zwaar vallen. Ik zal.... Neen.... ik zal het 6devers van het 62stegezang nog eens nalezen en dan naar bed gaan.”Lezer, daar hebt gij nu een brok en een hap uit dat groen lederen dagboek. Wat niet gelezen mocht worden daar hebben zelfs wij geen oog in geslagen.Kent gij den nieuwen burgemeester nu?Niet?.... Dat spijt me voor u en voor hem.Nog schrijft Van Bavik; en Fik, die tot nu toe door ons onopgemerkt in zijn nest achter de kachel sliep, Fik begint te knorren want, de deur wordt geopend; de kasteleinsche treedt binnen, en brengt de boodschap van den knecht vanVredelustover: “En komplement en of burgemeester plezier had om morgen tegen vijf uren familiaar bij mijnheer Gliekke te komen dineeren om verder ook familiaar het avondje te passeeren?”“Morgen om vijf uren?” antwoordt Van Bavik: “Compliment, juffrouw Kamp, dat ik met genoegen zal komen.”“Maar.... maar....” herneemt de kasteleinsche, terwijl ze ook een “Koest!” tot Fik richt, die nog niet aan haar vreemde tronie gewend is.“Watblief?” vraagt de burgemeester.“’k Zal dan voor mijnheer den burgemeester niet behoeven te koken?” zegt de dame weder.“’k Heb maar één maag, juffrouw Kamp,” antwoordt Van Bavik.“A ja, ja wel,” herneemt de hospita: “maar van wegens de betaling, weet u. Eten of niet eten.... weet u....”“Tóch betalen!” roept Van Bavik, zóó luid, dat Fik blaffende opvliegt, en juffrouw Kamp met een: “Dus complement en ja wel;” haastig vertrekt om den knecht vanVredelustte boodschappen, dat mijnheer de burgemeester, die ’en best man is maar ’en “vuilen” hond heeft, deeerzouaandoenvan met plezier te komen.Den 18denwas er opVredelust’en heele drukte. Suze was jarig, en had behalve de geschenken der ouders en drie brieven van nichtjes Gliekke en Vos, met—stalen zonder waarde er in,—al vroegtijdig een pakje ontvangen ’t welk, zooals er buiten op stond—een nécessaire bevatte, en waarin zich: kam, haarborstel, tandenschuier, schaar, nagelborsteltje, haarspelden, een stuk polka-zeep, met nog een aantal andere noodwendigheden bevonden, waaronder een echt Engelsch likdoornsnijdertje nog vermelding verdient. Door wien dat alleraardigste cadeau werd verzonden, bleef der jarige niet duister, dewijl er mede in die nécessaire een papier lag, dat vier bladzijden poëzie bevatte en, keurig geschreven, met de namen: Barend Flitz was onderteekend.
“Heel lief, Suus, speel maar gerust door; ik hoor je best al praat ik.De Reeveriehé? Allerliefst!”
“Neen, de Waanzinnige wals!”
“Ah juist, de Waanzinnige wals; die andere is, als je zoo gauw met de vingers moet tikkelen, precies! Ja wel, ik hoor je heel goed.—Wat ik ook zeggen wilde mijnheer.... er is weinig bijzonders op die verkooping; de burgemeester schijnt geen liefhebber van mooie boeken te zijn geweest. Eenige Grieksche, Latijnsche, Hebreeuwsche, Fransche en Duitsche werken, maar vuil, weinig werken van smaak. ’k Had zoo gehoopt dat de werkjes van.... och!? er compleet zouden zijn, dezelfde van wien ik u laatst “De min” heb voorgedragen, toen u allemaal zoo moest lachen.—Suze, als ik om moet slaan, roep me dan maar.—Neen, die goeje man heeft weinig met de “letterituur” op gehad.—Och! op een dorp! Behalve hier en nog een paar families, heb ik volstrekt geen liefhebberijen gevonden.—Er was beeldig porselein mevrouw, lange leizen, zes merken. O wacht Suze.... Zie zoo!”
De persoon, die van de piano, waar hij voor het spelende meisje ’t muziekblad had omgeslagen, naar zijn stoel bij den warmen haard terugkeerde, heette Barend Flitz, en was de eenige zoon van mijnheer Flitz en mejuffrouw Flitz, geboren.... dat weet ik niet.
Wat mijnheer Flitz Senior in vroegere dagen geweest was, ’t zij stukadoor of metselaar, of wat ook; sommigen waren wel zeer nieuwsgierig geweest om daarvan het rechte te weten, doch, nadat de heer Flitz Junior, opVredelustbij den rijken heer Gliekke vriendschappelijk werd ontvangen, overtuigd als deze was dat de heer Flitz Senior fatsoenlijk rentenierde, en zijn zoon—candidaat-notaris,eenmaalook notaris zou worden, hield men het in ’t dorp ook voor vast, dat de candidaat Flitz, die op ’t kantoor van Van Saffelen “in de leer was,” de zoon van fatsoenlijke lieden moest zijn.
Wij zullen u, waarde lezer, niet langer met de Flitzen bezig houden, maar alleen den jongen candidaat wat nader beschouwen, om daarna den slappen draad van het gesprek weer op te vatten.
Barend was acht en twintig jaren oud, zijn gelaat, niet onaangenaam van uitdrukking, bezat echter niets, ’t welk het een of ander deed verwachten. Wilt gij zijn signalement?
Voorhoofd, rond; oogen, bruin; neus, ordinair; mond, dito; kin, ovaal; haar bruin; baard ros; (collier d’amour); merkbare teekenen.... Ja, merkbare teekenen, dat was voor den steller van Barends reispas, toen deze weinige jaren geleden, een Duitsch reisje—naar Cleef—maakte, een moeielijke taak geweest om in te vullen, want om te zetten: “een bult” dat was wat erg, “een hooge rug” dat stond zoo vreemd, en, als hadde hij dat merkbare teekennietbemerkt, zette hij, tot Barends overgroote vreugde zoo’n krommige streep, zoodat de candidaat toen tot de volle overtuiging kwam, dat.... de menschen ’t niet eens zagen.
Barends karakter?—’t Woord in den zin van hoedanigheden, want Barend kon niet precies een man van karakter genoemd worden,—zijn karakter was werkelijk niet slecht. De jonge Flitz was beleefd, goedgeefsch, kerksch, netjes op zijn kleeren. Of hij eenmaal van veeltalentenrekenschap zou hebben af te leggen, dat gelooven we niet, maar toch, Barend sprak veel over zijn talenten. Ten eerste speelde, of lieverblieshij de fluit, zonder zich evenwel machtig veel om al die vreemde poespas van woorden te bekreunen, waar een muziekstuk doorgaans “mee gelardeerd is.” ’t WoordAndantevond hij nog steeds een vreemde meisjesnaam, en dat Suze den jonkman volstrekt niet begrepen had toen hij eens op de woordenAndante con Expressionewijzende, lachende had aangemerkt, dat dit alweer een stuk expres voorAndantewas, valt licht te begrijpen, doch,.... waar is de jonge dame, die een jonkman een aardigheid hoort debiteeren waarom hij zelf lacht, en vragen durft: “Wat meent u?” Men maakt niet gaarne een mal figuur.
Enfin, Barend was een fluitist, en een “resitateur,” zooals hij ’t noemde, zoogoed als de beste rederijker. ’t Schip van Klaassens kon hij verschrikkelijk doenkrakken, en terwijl zijn hoofd een brandende lont scheen, in de lucht doen bersten dat men er koud van werd—waarbij de beide handen dan aantoonden dat de lucht boven het hoofd was.
Dichten?—Ja, een dichter, daar wilde hij zich “niet zoozeer voor uitgeven.” Maar een versje, om, “onder de roos voor te dragen,” ja dat wou hij niet ontveinzen. Onder anderen één, over de wolken, waar hij, heel aardig, de plaats van den ouden heer, een buitentje in de provincie Holland datWolkensteijnheette, in had te pas kunnen brengen, doch welkWolkensteijnhem drie slapelooze nachten had gekost, dewijl er in de heele Dictionnaire geen rijmwoord voor “Steijn” was te vinden geweest. De grootste dichters zouden er voor gestaan, of zooals Flitz zeide “op gezeten” hebben. Had de plaatsWolkenstijngeheeten, dan had “vader Rijn“groote dienst kunnen doen, ofWolkenstein, dan had “klein” een geschikt rijmwoord kunnen worden, maar met die ongelukkigeeijwas er geen licht gekomen, zoodat hij—wel jammer—Wolkensteijnuit de wolken had moeten laten. Soms viel Barend—volgenseigen verklaring—en wel bij “perferentie,” in ’t komieke. In ’t soort pas genoemd, had hij iets over kraamvisites gemaakt, waar hij alles in te pas had gebracht tot....
“Een suikre muis, In kluis.”
“Een suikre muis, In kluis.”
Waarlijk, de aspirant-notaris was niet kwaad, niet onaardig, en kon nog aldoorslaan. De notaris Van Saffelen beweerde, dat hij heerlijk mooi kopieerde, en, in ’t omberen was Barend van zessen klaar. Misschien dat de heer Gliekkedaaromde conversatie met den jongen Flitz zoo bijzonder aangenaam vond; althans drie malen in de week was ’t vast dat Barend opVredelustging dineeren om daarna wat te musiseeren, te résiteeren, te praten, en ten slotte—dat heet van halfacht tot halfelf—een partijtje te maken.
Barend was in Holland geboren, en kwam op zijn vijftiende jaar naar het Geldersche dorp B., om er van den genoemden notaris, die in de Haarlemsche Courant een jongeling ter opleiding had gevraagd, die opleiding te ontvangen.
Dertien jaren woonde hij alzoo in het vreedzame dorp, en, was Barend in de weinige fatsoenlijke huizen—dat wil zeggen, de huizen waarin tapijten liggen en voor welks ramen meubelgordijnen hangen—tamelijk reçu, ’t heette algemeen dat hij opVredelustde huisvriend was, en, niet alleen dat het zoo heette, maar ’t was ook zoo.
Ofschoon wij beloofden, na een nadere beschouwing van den heer Flitz Jr., terstond weer den draad van het gesprek te zullen opvatten, zoo nemen wij toch de vrijheid—’t gaat geregelder in eens door—om nog met een paar woorden van de leden te spreken, die te zamen het gezin uitmaken waarvan Barend de huisvriend is.
Mijnheer Gliekke had nog al aardig “gekoopmand”; hij moest er, na al wat men zag en hoorde, warmpjes inzitten. Een zwakke gezondheid, zoo beweerde men, had den man doen besluiten het werkzame vermoeiende stadsleven met het stille gezonde Geldersche dorpsleven te gaan verwisselen, doch de plattelands-heelmeester verzekerde, dat hij in de zes jaren dat Gliekke te B.... woonde, geen tien gulden aan hem verdiende, zoodat hij de goede, vroegere bewoonster vanVredelust, die altijd zoo schrikkelijk sukkelde, wel tienmaal daags uit Holland terugwenschte; terwijl de dorps-apotheker telkens met een vuistslag beweerde, dat het een schandaal van ’t gouvernement was, dat er geen belasting op die ellendige huis-apotheekjes bestond, wanneer ze althans van elders werden meegebracht.
Mijnheer Gliekke was.... mijnheer Gliekke. De man, die een werkzaam leven geleid heeft, kan zich moeielijk aan lediggang gewennen, maar ’t gaat toch beter dan dat een lediglooper zich aan drukken arbeid gewent, althans mijnheer Gliekke klaagde nooit over zijn tegenwoordigen staat. ’t Moet echter ook gezegd worden, dat hij nog altijd werkzaam was. ’s Zomers vischte hij, en liep despergebedden af; als ’t herfst werd ging hij geregeld driemalen daags de geheele plaats door om de lijsterstrikken na te zien en, kwam de jacht open, dan jaagde hij, trots den wankelenden staat zijner gezondheid, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, ten minste hij liep met ’t geweer; en ’s winters, ja, dan las hij, en knoopte netten, en ontving visites, maar wasdáneerst recht op zijn dreef, wanneer hij met Flitz en mama aan ’t ombertje zat.
Mama was, evenals haar echtvriend, een heel best mensch. Ze schikte zich buiten heel goed. De komedies en concerten in stad betreurde ze niet, want daar had ze genoeg van, en och! daar zat het geluk toch niet in. Ze leefde voor haar huis; maar veel conversatie, dáár hield ze ook niet van.
Suze! Ha! denkt de lezer, daar krijgen wij weer gitzwarte oogen, en golvende lokken, en albasten boezems, en krijtwitte handjes en. satijnen kleedjes, en poppenvoetjes, die er onder uitkomen.
Verschooning,ditmaalniet. Wij kunnen op ’t oogenblik dien romantoon niet vatten, en willen omtrent Suze alleen onzen Barend hooren zooals hij zich over haar aan een vriend der kinderjaren uitliet, toen die vriend hem te B.... kwam bezoeken.
“’En aardige meid,” zei Flitz: “z’ Is niet groot, maar ook lang niet klein; al sloeg je me dood, dan zou ’k niet weten hoe d’r haar is.... blond!.... bruin!.... neentochblond!.... afin! ’t doet er ook niet toe;donkerblond weet je; aardige oogjes, ze kan je d’r zoo mee aanzien, en de muziek leest ze d’r mee van ’t blad, net als jij of ik de krant; ’t neusje is nog veel kleiner dan dat van d’r mama,”—de vriend had mama nooit gezien—“en ’t mooiste van alles is nog d’r mond; jongens, daar heeft ze zulke weergasche mooie tanden in, zoo blank,”—Flitz werd poëtisch—“zoo blank als een zieltje! En als ze dan d’r nieuwe blauwe aan heeft, met zoo’n open lijf, met sjemizetjes, weet je, sakkerloot, kerel!”—Flitz geraakte in vuur—“dan heb je werk om je kontanance te houden. ’t Is tusschen ons heel familiaar: Suze en Barend, weet je. O! hé zoolang al; nog vóór dat ik ’t candidaats gedaan had.—’k Heb maar te zeggen: Suze dit of dat, dan is ’t dadelijk klaar, bij voorbeeld met piano spelen; ’k kan alles van d’r gedaan krijgen. Waarachtig kerel—maar, onder de roos hoor je—z’ is zoo gek naar me als ’t wezen kan, en ’t moet je nooit verwonderen weet je,”—Flitz viel in ’t komieke—“als je t’ eeniger tijd de namen, Flitz en Gliekke nog eens in de krant boven elkaar ziet staan.”
Zóó had Barend Flitz zich in vertrouwen uitgelaten, en wanneer Suze, die weldra twintig jaren zou zijn, ook eens in vertrouwen tot een vriendin had kunnen spreken,—maar helaas! ze had er te B. geen gevonden, en aan eene moeder kan men toch ook nietaltijdzooallesenalleszeggen—had zekunnenspreken, dan gelooven wij dat Suze zoo omtrent het volgende zou hebben meegedeeld:
“’k vind het altijd maar prettig wanneer Flitz komt, dan hooren we ten minste nog eens ’t een en ander, en komt mama daardoor ook tot zitten, terwijl dan in ieder geval het onophoudelijk gehaspel over de booien een einde neemt. ’t Is juist geen overvlieger, en vande muziek gevoelt hij zooveel als zijn fluit, terwijlikzijn réciteeren niet zoobijzonderkan vinden; maar als ze zeggeneen bult, dát is nietwaar; hij moet als kind veel voorover hebben gezeten, en nunogdat onophoudelijk schrijven, nietwaar....? Mama vindt, dat zijn oogen zoo groot, ze zegt kalfachtig zijn—maar dat vind ik in ’t geheel niet. Hij heeft waarlijk iets liefs in de oogen; en altijd is ie zoo netjes; en geen leelijke baard ook; en zoo voorkomend. Wanneer hij naar stad gaat, wil ie alles voor me meebrengen. Laatst nog stramien en wol; hoe precies had hij al die kleuren uitgezocht. Ikzelvezou ’t misschien niet zóó gedaan hebben. Garen en band, en—vin’je ’t gek?—tot een korsetveter toe; och, alles! en altijd met evenveel pleizier.—’t Is waarlijk een goeje jongen, en bijna de eenige, dien we opVredelustte zien krijgen. Vroeger in Amsterdam, o, hé! dat was heel wat anders; toen kwamen er veel heeren en dames bij ons aan huis; maar ’k herinner ze mij niet best. ’k Was veertien jaar toen ik hier kwam, dus kun je nagaan.—De neven Gliekke en Vos, die soms komen logéren, praten altijd over zaken en politiek; da’s vervelend. Neen, Barend is meegaande; en wie zal zeggen dat hij niet evengoed als Van Saffelen eenmaal verkoopingen zal kunnen houden en testamenten maken; wel zeker, evengoed; en het meisje beklagen dat zijne vrouw wordt.... neen, dat zal ik in ’t geheel niet.”
Wij gelooven vast dat Suze zóó zou gesproken hebben; en ofschoon dwalen menschelijk is, wij hebben toch eenigen grond voor onze meening, want daden zeggen veelal meer dan woorden; en wáár was het, dat de aanvallige brunette altijd, als ze thee schonk, in Barends kopje een lepeltje suiker meer deed—want, van zoet hield hij machtig veel—en, wáár was het ook, dat ze altijd lachte, wanneer ze uit de verte hoorde, dat Barend een vôle gedéclareerd had.
“Zie zoo,” zei Flitz, toen hij, na ’t muziekblad te hebben omgeslagen, in zijn armstoel neerviel, en de niet zeer lange beenen over elkander sloeg: “ik sprak van lange leizen.... of wel, van liefhebberijen; ja, ’t zal me eens benieuwen of er met een nieuwen burgemeester niet wat meer leven in B.... zal komen; ’en cassinootje zooals ze in E.... hebben, moet heel aardig zijn; of ’en rederijkerskamer; dan kanikmetDe minbeginnen; een dansje na, Suze desnoods op de piano, en ik op de fluit.”
De aanstaande Rederijker, die vooral met den laatsten zin zoo’n schoone proeve zijner welsprekendheid gaf, had, toen hij van den nieuwen burgemeester gewaagde, iets in zijn blik dat Suze indien zij ’t had kunnen opmerken, misschien wel aardig zou genoemd hebben. De heer Gliekke, die half aan de Waanzinnige wals en half aan zijn gast behoorde, vraagde na een kleine pauze:
“Al iets gehoord van dennieuwe, Flitz?”
“Burgemeester?” vraagde de candidaat notaris. Mijnheer Gliekke knikte, terwijl zijn wijsvinger een orkeststokje geleek waarmee de Waanzinnige wals moest worden in stuur gehouden.
Flitz zette een Zondagsgezicht en terwijl hij den pook nam om’t vuur te.... maltraiteeren—dat woord gebruikte mevrouw Gliekke altijd wanneer haar kooltjes, voor den doofpot geschikt, onbarmhartig werden stukgewerkt—zei hij heftig: “Ja, h’m! niets gehoord....! ’t Zal me eens benieuwen!”
Gliekke kon niet denken dat hij zoo nabij een nederigen “zolisitant” was gezeten, en hernam dus nog altijd maatslaande:
“Je weet er zeker meer van.—Haspels....? Meijer toch niet....?”
“’k Weet er niets van, volstrekt niets,” zei het Zondagsgezicht; en, dat hij opVredelustthuis was, bewees zijn getrommel op de speeltafel, waarmee hij Suzes bevallig en welluidend spel, tamelijk onwelluidend accompagneerde.
Vijf weken zijn er ongeveer verloopen.
De candidaat-notaris heeft weer bij den ex-koopman gedineerd. ’t Was een eenvoudig haasje; heel smakelijk—wezenlijk door den gastheer zelf geschoten!
Wanneer het haasje de geschiedenis zijner laatste levensdagen had kunnen vertellen, dan zou er misschien een volgend aandoenlijk verhaal aan ’t licht zijn gekomen: Verschrikt opgevlogen,.... een knal,.... nog een knal,.... een pijnlijk gevoel in den rechter achterpoot,.... en akelige loop van meer dan een uur lang, met een ander viervoetig wezen achter zich;.... ’en sprong over een sloot,.... te kort,.... een val in ’t lies; geen macht om zich op te heffen,.... ’en viervoetig wezen, dat over hem heen vliegt en met den klauw ’t puntje van zijn rechterlepel aanraakt, zonder zijn prooi te bemerken.—Onrust,..... Avondschemering,..... nacht!————Nieuw daglicht,.... veel pijn,.... gescharrel,.... gerucht in de verte,.... gepraat,.... hondengeblaf;.... ’en nieuwe poging om te ontvluchten,.... vergeefs,.... ’en verschrikkelijk lang monster, met een jas aan en een hoed op, loopende op de achterpooten, een langwerpig ding—dat wel van hout en ijzer schijnt te wezen—in de voorpooten geklemd,.... ’en vreeselijk bedwelmenden slag op het hoofd,.... een blik om genade naar boven.—Gepraat,... een dreunende knal!... ijselijke pijn!!... ’en duizeling tot besluit.
Arm haasje! Maar ’t had lekker gesmaakt, en den jager was door den huisvriend een toost gebracht, waarbij deze weer in ’t komieke was gevallen, met de verklaring: dat de dischgenooten den edelen jager eigenlijk een dienst hadden bewezen door zijn prooi een eerlijke begrafenis te bezorgen.
’t Was na het dessert, terwijl papa Gliekke, misschien nog vermoeid van zijn jachttochten, de knoopjes van zijn vest scheen te beschouwen, en telkens zijn kin in de stropdas deed zinken, en mama Gliekke haar turfkooltjes inrekende—dat Barend Flitz zeernabij juffrouw Suze stond, en haar iets toefluisterde, ’t welk hij tot hiertoe als een diep geheim in zijn boezem bewaarde, maar dat hem op den duur te benauwd werd. Hij fluisterde van een “rekest” dat hij in zee stuurde, naar Den Haag, zonder er iemand over te spreken, een rekest om het burgemeesterschap te B.... ’t Duurde lang eer die groote heeren tot een besluit kwamen; met iederen dag die er verliep, werd hij ook “meer kurieuser,” zoodat hij ’t nu maar aan Suze zei, maar heilig! ze moest er niet van spreken, hij wou ’t volstrekt niet weten. Als ’t goed uitviel dan zou ’t heel wat opzien geven, en zijn laatste woorden waren:
“Suze wat denk je?”
Suze wist niet wat ze denken moest, maar zei:
“’t Idee alleen!” en ze lachte hardop, zóó hard dat Papa Gliekke eensklaps uit zijn stropdas verrees, en vraagde wat er gebeurde, en Mevrouw Gliekke in ernst verzekerde dat Suze haar deed ontstellen.
Och! het geheim brandde den goeden candidaat heden namiddag toch verschrikkelijk, verschrikkelijk! op het hart. Eerst verzekerde hij dat het malligheid van Suze was, en toen dat hetnietswas, en daarna dat hij eigenlijk te veel vriendschap genoot om geheimen te hebben, en dat het tóch uit moest komen, en ten slotte, dat hij ’t dan maar zeggen zou.
Mijnheer Gliekke, pas uit den dut gekomen, en mevrouw uit eene huishoudelijke berekening opgewekt, ze waren niet op de hoogte om de beteekenis van die geheimzinnige woorden terstond te vatten, zoodat mijnheer vraagde, of er gevaar bij was, en mevrouw op het denkbeeld kwam of Barend iets van Suze bedoelde.... men kon niet weten?
“Brand? De hemel beware!” zei Flitz: “Neen hoort, maar heilig onder ons..... Ik heb....” doch terzelfder tijd trad de huisknecht binnen en overhandigde het pakje met couranten en brieven, ’t welk de bode uit de stad had meegebracht.
Een paar brieven, die de belangstelling van den heer des huizes opwekten, deden hem een oogenblik het geheim van Barend vergeten, en, daar de laatste door de komst van het pakje de aandacht verdeeld zag, zoo nam hij als naar gewoonte haastig het Handelsblad en zocht.... naar het “Binnenland,” en vond.... en las....:
“Z. M. heeft benoemd tot burgemeester der gemeente B.... c. a., den heer Mr. A. D. Van Bavik.”
“Van Bavik! Mr. A. D. Van Bavik. Ja waarlijk het stond er; te B.... c. a.; en achter dat B.... c. a. stond: Van Bavik en niet: den Heer B. Flitz.
Lezer, als gij meelijdende van aard zijt, dan hebt ge ook zeker een weinig medelijden met onzen vriend, die eerst vuurrood en daarna doodsbleek is geworden, en, nog altijd op die twee regels turende, dat Mr. A. D. Van Bavik beschouwt, alsof het nog mogelijk zou zijn om daaruit: B. Flitz te lezen. Ja hij tuurde nog steeds in het rampzalige nieuwsblad, maarzóó, dat zijn gelaat er achter verborgen was, en terwijl papa de brieven, mama de Haarlemmer en Suzehet Kampertje inzagen, dansten de letters onzen Flitz voor de oogen, en speelden hem al de heerlijke beelden door het brein, die hij zich zoovele weken geschept had.
Verwondering door ’t heele dorp,.... visites,.... kaartjes,.... gelukwenschen!.... De leden van den raad allen bij hem op de koffie,....zelfs de heeren Van Saffelen, Haspels, Meijer en Dominee Van Beem. De blijdschap van Suze!.... Misschien een fiat op het groote vraagstuk!.... De beide veldwachters,nuzoo bokkig:zijneveldwachters! Edel Achtbare! hij—Flitz—Edel Achtbare!.... Cassinootje, Rederijkerskamer! alles tot stand brengen,.... overal de eerste viool spelen!.... Mijnheer de burgemeester, hoe vaar je? Dankje!.... hi, hi, hi!.... In de eerste week naar Den Haag, bedanken, ook oom Piet, de goudsmid, diewerkte. Meteen naarWolkensteijn. Va voor de moeite bedanken, die ook alWERKTE... Terugkomen in B...., met va en moe.—Eerebogen,... inhalen,... eerewacht te paard,.... muziek!.... Leve de burgemeester! hoezee! hoezee!... Overal vlaggen!.... ’En aanspraak van dominee,.... de kerkeraad, de gemeenteraad.... alles in ’t zondagspak.... Misschien wel ’s avonds ’en klein illuminatietje, of vuurwerkje,’t laatste stuk Egyptisch!.... Bengaalsch vuur, en—in een krans van blauw vuur, de namen: Barend Flitz!!.....
Ach! nogmaals ach!! daar stond Mr. A. D. Van Bavik, en.... alles was.... mis.
“En ’t geheim, Flitz?” riep eindelijk de heer Gliekke, nadat hij zijn brieven gelezen had.
Flitz was geen overvlieger, en de wijze waarop hij met een request aan den Koning(!) en twee brieven aan kruiwagens—Va en oom Piet—zonder verder iemand over de zaak te spreken of een voet buiten het dorp te zetten, solliciteerde, bewees genoeg dat Flitz een slecht bestuurder der gemeente zou geweest zijn, doch, zóó dom was hij niet om in ’t slijk te loopen wanneer hij op ’t droge paadje kon blijven, en zich plotseling herstellende, en bouwende op de stilzwijgendheid van Suze, aan wie hij een blik van verstandhouding had toegeworpen, antwoordde hij:
“Mijn geheim? Welnu, u kunt het zelf lezen.... zie.... daar staat hij, de nieuwe bur..ge..meester,” en de heer Gliekke las op de plaats waar Barends vinger wees, de gezegde benoeming.
Al zijn er heeren onvriendelijk genoeg om al de leden der lieve sekse van babbelzucht te beschuldigen—van nieuwsgierigheid willen we zelfs niet spreken,—wij rapen hier terstond den handschoen voor de aanvallige Suze op, en verklaren dat zij er een van de velen was, die desgevorderd kon zwijgen als.... men zegt, als een mof. Suze lachte—wel wat vreemd, maar zweeg, zweeg bijna den geheelen avond.
De benoeming van den nieuwen burgemeester bracht in Gliekkes huis de tongen in beweging, maar de teleurgestelde hield zich goed, hoewel hij aan ’t ombertje driemalen—ongehoord van Flitz—vraagde wat troef was, en tweemalen een opgelegdesans prendreverloor.
De benoeming ging den volgenden dag door ’t dorp van mond tot mond, en Flitz stemde Jan toe, dat het goed was dat er een jong mensch kwam om de slapers eens wakker te schudden, want met de bestrating en de dorpsverlichting zag het er bedroefd uit; maar gaf met een luid: “Waarachtig!” later ook aan Klaas gelijk, dat het een schandaal was, zooals de jonge Mr-tjes, die van toeten noch blazen wisten, een gemeente, waar ze nooit geweest waren, werden binnengeschopt, alsof er in die gemeente zelve geen bekwame en geschikte mannen zouden te vinden zijn!—“Waaromjijofiknietevenzoogoed?” had Klaas besloten.
“Waarachtig! misschien honderdmaal beter danjijofik,” had de teleurgestelde na zijn eerste: “waarachtig!” in vergissing er bijgevoegd.
Maar of ze in B.... de benoeminggoedofniet goedkeurden, de nieuwe burgemeester zoutochverschijnen.
Eenige dagen na de benoeming verzekerden de schooljongens dat ze een vreemd heer bij den dominee hadden zien binnengaan, en wisten sommigen van de notabelenzekerdat burgemeester er geweest was. Bij eenigen had hij visites gemaakt; bij den notaris-wethouder Van Saffelen had hij denfamiliarenpot voor lief genomen,—hoewel mevrouw Van Saffelen hemel en aarde bewogen had, om op ’t nippertje wat extra’s van den slager te krijgen, en van mevrouw Meijer, opBij-zichteen fleschje ingemaakte postelein leende, daar ze zelve dien inmaak vergat. De nieuwe burgemeester had bij den notaris gegeten, en deze verzekerde den volgenden morgen aan Flitz, toen hij op ’t kantoor kwam, dat Van Bavik een ferme jongen scheen; een geestig ventje, lang geen druiloor; wel geschikt,—hij wreef zich in de handen—ja,welgeschikt; ’en kereltje waar men mee ploegen en eggen zou; waar men heel wat anders mee zou uitvoeren dan met den ouden burgemeester Haller was mogelijk geweest. ’t Was iemand, die op de hoogte van zijn tijd stond, die dadelijk had gevraagd of er geen schapenmarkten in B.... werden gehouden. Schapenmarkten! zie, waar hij—Van Saffelen—altijd zoo mee gedweept had, maar ’t geen door Haller steeds was tegengewerkt. Een jong, maar ’en aardig burgemeestertje, waar de gemeente pleizier van zou hebben.
Dat zei de notaris, en toen mevrouw Van Saffelen, om koffietijd eens op ’t kantoor kwam, betuigde ze ook, dat men wel zien kon dat de nieuwe burgemeester studentje geweest was. Zoo vroolijk zoo aardig in ’t spreken; hij deed aan de muziek, hij reciteerde,—alsof Flitz niet even zoogoed aan beide deed!—hij had een paar allerliefste kneveltjes—alsof Flitz ook geen kneveltjes kon laten staan, al waren ze dan zoo zwart niet.—“In één woord,” betuigdemevrouw ten slotte: “een goed voorbeeld voor onze dorpsjongeheeren; zoo heel en al Fransch.”
’t WoordFranschhad voor de notarisvrouw een bijzondere beteekenis; alles wat ze goed en niet alledaags vond, heette Fransch! misschien omdat alle nieuwe modes van Fransche origine zijn; misschien omdat ze ’t Fransch iets boven haar verheven rekende, daar ze de taal zelve niet verstond. Fransch, waren de nieuwe Engelsche paarden van den baron van S.... uit het naburige G.... Fransch, was het tapijt dat manlief uit de Deventer fabriek, in ’t voorjaar had laten komen; Fransch, was zelfs de ingemaakte postelein vanBij-zichtin een tijd zooals deze, dat men zuurkool en andijvie at; en Fransch—wij hoorden het—was ook de nieuwe burgemeester. Hij was op een kijkje in B.... geweest, en kort daarna kwam hij er weder voor een dagje, en huurde drie kamers inHet Wapen van Gelderland, één vóór- en twee achterkamers.
Meubelen—waaronder een mooie schrijftafel—kwamen, in gezelschap van kisten en manden, met den vrachtwagen successivelijk mee, en, met primo Februari waren alle hoofden in B.... c.a. ongeschikt voor eenigen arbeid. Dien dag was het dat de vlaggen ontrold, de beste kleeren aangetrokken, de oranjelinten omgedaan, de paarden voor de eerewacht bestemd, vroegtijdig in orde werden gebracht, en alles geredderd moest worden om den nieuwen burgemeester aan den tol te gaan afhalen, binnen zijn gemeente te voeren, en plechtig te ontvangen.
Ja, ’t was een buitengewone drukte in ’t dorp. Zoo iets had er nog nooit plaats gehad. Stompe Griet zei, dat alevel voor ’en koning niet meer kon gedaan worden. Evert “de klomp” oordeelde, dat ze den man gek zouden maken. Hent “de vuist,” begreep dat het wijzer zou geweest zijn indien ze de centen in den zak hadden gehouden. Geurt “de wipneus,” berekende, dat voor al de onkosten samen, zij met ’r allen—hij bedoelde de bedeelden—den heelen winter vrij brood zouden gehad hebben.... zonder een hand er voor uit te steken. De kastelein uitHet Wapen van Gelderlanden verder al de heeren tappers in de gemeente, benevens de jongelieden, de leden der eerewacht, die zoo druk aan ’t vlechten van de paardenstaarten waren, ze vonden, in spijt van al ’t gepruttel, dat het een aardig dagje zou geven, en, oude Doris “de fillisoof” zei, dat ’en mensch ’en aap was, en iederman as de okkasie ’t toegaf, wel eens koningske zou willen zijn, en, omdat ieder man toch geen koningske werd, iederman al blij was, as ie d’r maar eens naast had gezeten of bijgeloopen.
In’t Wapen van Gelderlandzou de ontvangst plaats hebben en de eerewacht van daar uitrijden. De ruiters, met hun twee aanvoerders aan ’t hoofd—de pikeur uit stad en Hendrik Snor, die in vroegere jaren bij de “kerresiers” had gediend—waren gereed om met de geleende koets van den baron S.... uit G.... naar den tol te vertrekken, maar nog altijd wachtte de trein op de komst van den heer Barend Flitz die Nº. drie zou rijden, en als Nº. drie dan ook de voorloopige exercities had meegemaakt.
“Willem, als de weerga loop er eens heen!” riep de pikeur, die op een schrale manége-klant gezeten, van tijd tot tijd in zijne handen blies, daar ’t vinnig koud was.
De knecht uit het logement liep “als de weerga,” maar dewijl hijnietals de weerga terugkwam, ontstond er veel gepruttel. Al tien minuten over den tijd,.... te laat komen,.... vervelend wachten,.... koud,.... zeker verslapen,.... schande op zoo’n dag! En, Gijs de veldwachter werd door Hendrik Snor vriendelijk verzocht om eens “als de wind” te gaan kijken of Willem de boodschap wel had overgebracht.
De wachter van ’t veld, die trouwens gedurende Hallers leven weinig meer dan zijn boodschaplooper geweest was, liep, edoch wat minder vlug dan de wind, en dewijl er nu weer eenige minuten verstreken zonder dat de gewachtwordende Flitz verscheen, mompelde men van: slaapkop, treuzelaar en lamme bult, en riep de pikeur eindelijk:
“Heeren!”—gij hadt die gezichten der boerenknapen eens moeten zien—“Heeren! wachten is goed, maar te laat komen daar passen we voor; ’t is ’en kwartier over den tijd. Allons, we moeten vooruit! Mijnheer Meijer, s’il vous plait.”
Mijnheer Meijer Jr., de oudste zoon van den heer Meijer, die als notabele van ’t dorp reeds een paar malen genoemd werd, de heer Meijer Jr., die behalve de aanvoerders der beide secties, Nº. één was, en aan een breed oranjelint een koperen hoorn droeg, zette het instrument aan den mond en blies het signaal voor den aftocht.
De paarden, die hoogst waarschijnlijk geen begrip van al die gekheid hadden, en—alweder hoogst waarschijnlijk, hun eigen bazen niet hadden herkend toen dezen belint en besjerpt hun de insgelijks belinte hoofdstellen hadden aangedaan, ze zouden op het geluid van dien hoorn, geen poot verzet hebben, zoo niet hunne berijders, de één met een smakkend mondgeluid, de ander met een: vort Bles, of Piet, de derde met een ruk aan den toom, en eenigen door een hakstomp in de ribben, hun kleppers hadden beduid dat zij den huppelenden “Inkomperabel” van den pikeur moesten volgen.
De stoet vertrok.
Of Barend Flitz zich inderdaad had verslapen, of wat er anders aan haperde dat hij een achterblijver werd,—misschien ook omdat hij wat lang met zijn kleeding was bezig geweest, of dat Harmen van Laubour hem ’t paard te laat had gebracht—wij hebben geen tijd zulks te onderzoeken, want zie, terwijl de stoet daar juist achter het schoolhuis verdwijnt, komt om den kerkhoek de bedoelde persoon te voorschijn, en nadert, in een aardig drafje, het dorpslogement.
Indien wij ons ’t gelaat van Barend te binnen brengen, zooals hij op zijn gemak in den leunstoel bij Gliekkes haard zat, dan zouden we haast meenen dat hij zich op den rug van dien bruine minder te huis gevoelt. Harmen van Laubour had gezegd dat de Let wat hoog draafde. ’t Zij hoe ’t zij, Flitz komt toch vooruit.Zie, hij nadert met zijn bruin de plaats waar gewoonlijk de voerbakken vanHet Geldersche Wapenstaan, doch die heden in den stal zijn gezet. De Let schijntHet Wapente kennen of wel aan de voerbakken te denken; zij draait links af op het huis aan. De kastelein—ook in zijn Zondagspak—in de groengemaakte deur staande, roept:
“Vooruit mijnheer! Je haalt ze wel in.”
Barend Flitz, hoort het, en rukt rechts aan den toom; maar de Let hoort er niets van, en geeft om dat toomgeruk geen zier.—Hierkrijgt zij gewoonlijk een emmer water, of neemt Laubour ’en dropje,
“Huup Let! Vort Let! Alla!”—Maar ja wel, de Let laat zich niet door vreemden ringelooren;hierwil ze wezen, hier, en terwijl zij een raren zijsprong maakt, roept Barend: “O jé!” en klets! daar valt hij naast de Let voor de versierde deur van de herberg neder.
Heeft hij zich erg bezeerd? Wij gelooven ja, want hij trekt alles behalve gezichten, die in overeenstemming zijn met de vlaggen, die uit de dakvensters van ’t logement wapperen; maar gebroken heeft hij niets, al kwam hij dan ook vrij onzacht op de straatsteenen neder.
Door den kastelein geholpen, staat hij op, en treedt voetje voor voetje de versierde deur binnen. ’t Is misschien van de pijn, dat hij zoo’n leelijken blik op die dennen en palmenloovers werpt, waarin witte en roode papieren rozen gehecht zijn, en tevens zijn gemoed lucht geeft met schelden op dewildeLet, die als eenlamvoor de deur op den emmer water te wachten staat.
We zouden van uw geduld zeker te veel vergen waarde lezer, indien we u verder den loop der zaken, op dien voor B... c.a. zoo belangrijken dag, gingen schetsen. Voorzeker hebt ge zulke inhaalpartijen—ze zijn aan de orde van den dag—meermalen bijgewoond, zoo ge niet misschienzelfvoor koning daarbij gefungeerd hebt, en stelt er dus geen belang in. Maar ’t is ook mogelijk dat ge ’t nooit gezien hebt, welnu, lees dan aandachtig de courant, merk op, de benoemingen van dorps-burgemeesters, of wel de ondertrouw-aankondigingen van zonen of dochteren van hen, die op de dorpen ’t meeste geld of den grootsten titel hebben; informeer nauwkeurig wanneer het de intreedag der eersten of de trouwdag der laatsten zal zijn, en ga dan, en zie, want ge kunt er zeker van zijn, er zal gevlagd, er zal gereden, er zal vuurwerk worden afgestoken, omdat.... omdat de menschen in ’t algemeen zoo gaarne iedere gelegenheid aangrijpen om pret te maken en,—omdat de boeren in ’t bijzonder, bij overlevering of bij ondervinding weten, dat er voor hun gevlag en gerij, later een “vette mond” te halen is.
Foei! wat ’en donker tafreel!
Is het te zwart; zijn wij onbillijk?—’t Zij dan, opdat die koninkjes zich nietal te veelillusies zullen maken.
“’En aardig mensch die Van Bavik,” zei de heer Gliekke tot zijn huisvriend, eenige dagen nadat de nieuwe burgemeester zoo feestelijk werd ingehaald: “’k heb met plezier zijn kennis gemaakt; ’t zal een heele aanwinst zijn.”
“Zoo,” zei Flitz, en, na ’t kluwen van Suze, dat van de tafel viel, te hebben opgeraapt, voegde hij er bij:
“Hebt u hem al zoo spoedig bezocht?”
“Gistermorgen; ’t was ’en helder luchtje; ik wandelde toch, en ’t logement voorbijgaande, dacht ik, kom, we zullen ons Edel-Achtbaar heertje eens opzoeken; en ja, ’k moet zeggen, ’t is me nog danig meegevallen.”
“Zóó!” herhaalde Flitz: “Maar tamelijk pedant hé?”
“In ’t geheel niet,” hernam de heer Gliekke: “Bescheiden, heel beleefd en zeer goed op zijn standpunt. ’k Zei natuurlijk: Hoe vaar je burgemeester, en verder telkens burgemeester; maar bij ’t afscheid werd mij vriendelijk verzocht dat “burgemeester” maar achterwege te laten. Ik heet Van Bavik, mijnheer Gliekke, zei hij. Waarlijk ’en hupsche jongen!”
“Zóó!” zei Flitz weder, en vraagde daarna aan Suze, terwijl hij op de piano wees, of ze niet eens een tikkeltje zou maken? Suze had er niets op tegen; en nadat Flitz bij de piano alles in orde had gebracht en naar zijn zetel terugkeerde—hij liep nog wel zoo’n beetje trekkebeenig—hervatte de heer des huizes:
“En ijselijk meegaande ook; hij informeerde zelfs naar jou Flitz; hij vernam dat je gevallen waart; hij zou je al hebben opgezocht zoo drukke bezigheden hem niet verhinderd hadden.”
“Zóó!” zei Flitznogeens, en voegde er bij: “Och, op die vreemde visites ben ik zoo fel niet. Hij schijnt dan ook niet best de regels der “etiekette” te kennen, wantikmoet hem immers ’t eerste...?”
“Nu, ja Flitz,” riep Suze, die nog aan ’t zoeken naar een geschikt muziekstuk was en naar ’t gesprek had geluisterd: “uit belangstelling; dat vind ik wel aardig.”
“Zóó!” klonk het uit Barends mond voor de laatste maal, want de knecht kwam binnen en vraagde belet voor.... Mijnheer den burgemeester.
’t Sprak wel van zelf dat de knecht in last kreeg om den burgemeester binnen te laten, evenals het van zelf sprak, dat mevrouw Gliekke ijlings met de punten harer voeten naar de pantoffels snuffelde, die wel eens werden uitgeslierd omdat ze zoo graag met de kousen op haar stoofje zat. ’t Zal niemand verwonderen dat Suze haastig de pianomuziek ter zijde schoof, het instrument dichtsloeg, naar hare plaats wipte en,—niet de straks verlaten breikous, maar een borduurwerkje uit haar doos nam. ’t Zal geen bevreemding wekken dat mijnheer Gliekke zijn stropdas een weinig naar boven trok; de vijftand in zijn kuif zette, evenmin als de lezer zich erg bezorgd zal maken voor Barends gezondheid, daar hij den goeden jongen nog al erg bleek ziet worden.
De burgemeester treedt binnen.
Waarlijk, ze hebben recht gehad: ’t is een knap ventje. Niet bijzondergroot, maar ’en allerinnemendst voorkomen. Fraai zwart haar, een helder voorhoofd, geestige en toch vriendelijke oogen, ’en kleine rechte neus; ’en fijn besneden mond, waarboven, o dames!—wij bedoelen natuurlijk de jonge dames die van natuurschoon houden—waarboven een paar kneveltjes zetelen—volgens Flitzstaanze—zóó modest, zóó zwart, zóó egaal, rond en aardig met spitse puntjes naar boven, dat wij, al behooren we niet tot uw sekse, er toch pleizier in hebben. Een knap ventje, goed gevormd, deftig in ’t zwart, met ’en wit vest.... Maar, van den geheelen persoon zag Barend Flitz in de eerste oogenblikken niets dan zijn “kinderachtige” voeten—kleine voeten vond Barend kinderachtig—in verlakt lederen schoenen staken.
De heer burgemeester Van Bavik kon niet manqueeren.... en mevrouw Gliekke was het hoogst aangenaam.... en mijnheer Gliekke vond het van “Van Bavik” zeer hupsch dat hij al zoo spoedig eens aankwam; en Suze.... Suze vond niets, daar ze ’t nog niet gewaagd had een blik op den EdelAchtbare te slaan, terwijl Flitz een: “Om u te dienen,” antwoordde, toen Van Bavik ook aanhemvoorgesteld—met veel bonhomie gevraagd had, of mijnheer geen restes van den val had, waarvan hij hoorde en ’t geen hem bijzonder leed was geweest.
Of ’t bij vergissing of wel voordacht was dat de heer des huizes den leunstoel ter rechterzijde van den haard, waarin Flitz zooeven gezeten had, vatte en den bezoeker aanbood, wij weten het niet, maar zeker is het dat Van Bavik, zonder te denken dat die zetel een ander had toebehoord, daarop plaats nam, en Flitz, na Gliekkes woorden: “Neem een stoel kerel,” een stoel nam, en zich op een afstand van het vuur plaatste, alsof hij bang voor de warmte, of wel.... bang voor iets anders was.
’t Behoeft geen vermelding dat er over en weer werd verzekerd dat het buiten koud was, en dat een helder vuurtje goed deed. De heer des huizes verklaarde, dat de avonduren de gezelligste van een winterdagwaren.
Mevrouw Gliekke betuigde, dat de geheele gemeente uiterst met de benoeming “van u” was ingenomen, en dat het ook wel bij mijnheers intrede gebleken was; dat er dien avond een beeldig vuurwerkje was afgestoken; juistnietzoo mooi ... bij lange na niet als de vuurwerken die ze instadzag,—er was bij mevrouw maar één stad, de stad van Amsterdam—maar aardig toch, en zoo geheel en al door de gemeentenaren bekostigd: “Ieder zoo naar vermogen,” besloot zij, en ze glimlachte hoofdknikkend, alsof ze zeggen wilde: “Wij.... u begrijpt wel?”
Aan Suze was het theeblad gebracht, en Suze had thee gezet; en Suze wist zoogoed als ze ’t zelf wisten, dat papa en mama suiker dronken, en dat Barend veel suiker dronk, maar ze zei toch heel zacht: “Ma,.... suiker? Pa....?” in de hoop dat ma wel verder ’t woord zou doen. Maar ’t was mis, want ma zei zeer beleefd:
“Als ik verzoeken mag,” en pa: “Zeker Suze,”zoodat ze toch toteen:“En u mijnheer?” tot Van Bavik werd genoodzaakt, waarop deze beleefd voor ’t zoete bedankte, terwijl de candidaat-notaris, die, na het: “Om u te dienen,” nog geen woord gesproken had, eens toonde hoe hijhierthuis was, en tamelijk hard een: “’k Wél Suus,” deed hooren.
Wij zullen ’t gesprek niet op den voet volgen, het gesprek dat in den aanvang zeer onbeduidend was, doch allengs meer ziel bekwam door de onderhoudende wijze waarop de jonge burgemeester—die ook in ’t komieke maarookin ’t ernstige viel—van zijn studiejaren, en later van een Noorweegsche reis verhaalde, welke hij, in ’t gezelschap van twee zijner vrienden, den afgeloopen zomer gemaakt had.
Mijnheers aandacht was onverdeeld, zoo zelfs dat hij al meer en meer zijn stoel verschuivende—om den spreker recht in ’t oog te hebben—niet bedacht dat Barend Flitz hoe langer zoo meer zijn rug te zien kreeg.
Mevrouw zat, en luisterde met een aandacht, zooals ze nooit—zelfs in de komedie nooit—gehad had. Treurspelen waren ook al te akelig, tooneelspelen en drama’s al te langdradig en te onnatuurlijk, en blijspelen al te laf; maar ’t geen ze nu hoorde was zoo afwisselend, nu eens dat ze hardop moest lachen en dan weer dat ze haast de tranen in de oogen kreeg...., zoo raar; ze wist zelve niet hoe. Mevrouw wist het niet. Waarom? Omdat ze nooit eenhumoristontmoette.
Suze....? Ja, ze borduurde wel van tijd tot tijd een schulpje en een moesje, maar toch, ze kon niet aanhoudend naar beneden kijken. Neen, onwillekeurig hief ze telkens het hoofdje op, en onwillekeurig liet ze eindelijk de naald geheel rusten, en wierp ze niet meer nu en dan een schuchteren blik op den nieuwen burgemeester, maar vestigde haar lieve oogen strak op den jongeling, die zoo aardig, zoo mooi, neen, zoo aandoenlijk sprak—vooral toen hij verhaalde van hetarme blindemeisje, dat in het gebergte tusschen Lessoe en Romsdal zulke schoone liederen zong,—om slechtsdanmet eenige verwarring opnieuw haar boord te bezien, wanneer de spreker meer bepaaldhaaraanzag—en zulks gebeurde in waarheid niet zelden—of, ’t woord tothaarscheen te richten.
En Flitz? Gedurig kuchte hij, omdat hij “’t beroerd” vond dat Gliekke hem den rug toedraaide en al de warmte van ’t vuur benam, alleen om naar “zoo’n vreemden poespas te luisteren.” Die studenten-aardigheden waren ijselijk laf, en van dat Noorwegen, wat had je d’r aan als je d’r nooit geweest waart! Als ’t dan gewed was, dan kon hij van Kleef ook wel vertellen; van die jongens, die je om centen naliepen, en zoo blauw van de boschbessen zagen, of van ’t afwaaien van zijn hoed, toen ze door een dal, dat eigenlijk vol water was, met een schuitje naar Mouwriesgraf—Flitz had niet recht begrepen dat hij de grafplaats van Prins Maurits van Nassau bezichtigde—waren geroeid, daar ze veel behei van maakten, doch dat op niemendal uitliep.
Flitz vond het alles behalve wellevend om zoo “door te klessen.”en dan die vraag of hij—Flitz—ook gestudeerd had, waarop hij in de gauwigheid: “neen” had geantwoord, maar eigenlijk:“wel zeker,” had moeten zeggen, verbeelll!..... alsof hij opzijncandidaats niet even zoogoed had moeten blokken—ja misschien nog harder dan die Bavik op het zijne. En dán tegen Suus zoo den heelen tijd het woord te richten! Wat meende ie wel!—Hoor, alweer:... “Waarlijk juffrouw Gliekke, men gevoeltdaareerst levendig dat de Schepper oneindig in macht en de mensch maar ’en heel klein lievenheersbeestje is.” Och! hé, den dominee uithangen! Tegen Suus....! ’en lievenheersbeestje, hoe kinderachtig! En telkens wou Flitz iets zeggen, omdat ie zoo nooit gewoon was te zwijgen, en ook gevoelde wat oudere en betere brieven te hebben, maar telkens smoorde hij ’t geen hem op de lippen kwam, totdat zijn gelaat een purperkleur verkreeg, en hij, met den sleutelbos in den zak rammelende, zijn—door ’t lange zwijgen eenigszins schorre stem deed hooren, en luide vroeg:
“Suze, hoe is ’t, hooren wij van avond in ’t geheel niets?”
Suze, zoo onverwacht door Barend aangesproken, en, in presentie van dien jongen burgemeester tot spelen uitgenoodigd—’t geen ze voorhemin ’t geheel niet durfde—kreeg ook een kleur en zei:
“Wel neen Flitz,” en had er gaarne bijgevoegd: We zitten zoo prettig!
De heer des huizes bespeurde nu eerst dat Flitz zijn rug te zien had, en wendde zich links, met een: “Pardon vriendje.” Doch de heer burgemeester stond schier gelijktijdig van zijn zetel op met de verontschuldiging, dat hij volgens gewoonte wat te lang gepraat had, en niet hoopte de familie gedérangeerd te hebben. Met groot genoegen was door hem de kennis der familie gemaakt, terwijl hij zich ten zeerste aanbeval, en besloot met de woorden:
“Een vriendschappelijke omgang met de beschaafde ingezetenen van B.... zal mij, zoo ik hoop, ’t afzijn vergoeden van lieve betrekkingen en trouwe vrienden.”
“Hé, blijf familiaar een boterhammetje eten!” riep de heer des huizes: “Nietwaar Betsy? Niet voornietwonen we zes jaren in Gelderland.—Is ’t niet Betsy, de Geldersche gastvrijheid woont ook opVredelust?”
Betsy, die bij ’t woord “boterhammetje,” iets zuurs in ’t gezicht had gekregen—misschien omdat haar voet de pantoffel niet vinden kon, die ze in Noorwegen verloren had—ze trok bij het: “Nietwaar, Betsy?” een gastvrij gelaat, en sprak van een hoofdkaasje en ’en stukje rookvleesch, terwijl Suze heel zacht, alleen voor mama en Barend verstaanbaar, iets van “de ossetong” fluisterde, ’t geen den laatste de kramp in de vingers veroorzaakte, dewijl Suus aan tafel, toen hij van de tong sprak, gezegd had: “’t Isaltijdgeen vetpot.” En nu.... voor dien snoeshaan!
De burgemeester Van Bavik zou echter dien avond noch hoofdkaas noch ossetong opVredelustgebruiken, want hij moest noodzakelijk aan iemand schrijven; gaarne zou hij ’t hervatten, en hoewel, na die openbaring van ’t vaste besluit, de verzoeken dringenderwerden, en zelfs Suze iets prevelde van: “Uw kamer zal koud zijn,” de burgemeester bedankte nogmaals vriendelijk, en maakte zijn compliment.
De heer Gliekke verzocht zijn huisvriend of deze zoo goed wou zijn om Van Bavik eens uit te laten,” en Van Bavik werd door Flitz uitgelaten, en verzekerde nog in de gang, dat hij ook Flitz veel hoopte te zien, en vooral in den lieven kring der Gliekkes, en zijne laatste woorden waren: “A revoir!” en Barend zei ook: “A revwaar.”
Toen de aspirant-notaris in de huiskamer terugkwam, vond hij het gesprek zoo levendig alsof er “partij” was. ’t Spreekt van zelf dat het over den nieuwen burgemeester liep. De heer Gliekke vroeg gedurig op triomfanten toon, wat of hij gezegd had!? Mevrouw betuigde, dat ze nooit zoo iemand ontmoette, iemand die zoo alles in zich vereenigde, dat ze graag de tong had opgezet, ofschoon z’m anders voor den 18denhad willen bewaren, en dat ze er sterk vóór was dat de heer Van Bavik dan ook zou verzocht worden.
Flitz viel op dit laatste gezegde met de verklaring in, dat het toch anders “sjenant” was, ’en vreemde op ’en jaarfeest te hebben, en nog wel op het jaarfeest van Suus, en besloot met de vraag: “Wat jij Suus?”
Neen, in waarheid, Suze vond er niets geen bezwaar ia. Ze moest ronduit zeggen dat burgemeester iets heel aardigs en heel liefs had; ’t kon haar wel niet schelen of hij den 18denkwam, neen, er op gesteld was ze in ’t geheel niet, maar, ’t zou toch wel aardig wezen. Pa en ma moesten het weten, hoewel, als Barend hetnaarvond,zijnkomsthaaronverschillig was.
Tot vervelens toe liep verder—volgens Flitz—het gesprek over dien snoeshaan; nu eens stelde de heer Gliekke dat heertje ten voorbeeld, en herhaalde mevrouw ’t een of ander wat Van Bavik zeide, of herdacht Suze de boeiende wijze, waarop hij van het woeste maar trotsche Noorwegen gewaagd had; en Flitz was verheugd dat het tijd werd van heengaan, want dat “gezanik” verveelde hem bovenmate. Suze had niet, zooals anders, op de piano gespeeld toenhijer van sprak—anders kon ie immers alles van d’r gedaan krijgen. Van een partijtje was niet eens gesproken, en de ossetong was voorhemniet verschenen.
’t Was alsof de heer des huizes bij ’t afscheid veel flauwer zijn hand drukte; alsof mevrouw veel zachter “Nacht Flitz” zei; en Suze, toen hij haar een “Wel te ruste” wenschte, veel mooier dan gewoonlijk was, maar, ook heel anders dan anders “Wel thuis” ten bescheid gaf.
Alleenkwam Barend thee drinken, maar in gezelschap keerde hij naar zijne kamers in ’t dorp terug. In een naar, een akelig, een leelijk gezelschap. In ’t gezelschap van een sarrend duiveltje, het duiveltje dat jaloezie heet.
Een paar dagen nadat wij Van Bavik een bezoek opVredelustzagen afleggen, vinden wij hem in een zijner gehuurde vertrekken voor zijn schrijftafel weder, terwijl hij er de pen vlug over het papier doet glijden.
’t Ziet er in die kamer waarlijk zeer comfortable uit.De inscheping van Willem den Vijfde, enDe heldendood van Van Speykmet een groote vochtvlak er op, de beide platen, die hier eertijds aan den wand prijkten, zijn er niet meer, maar zijn vervangen door een aantal schoone gravures, waarvanLa prière du soirboven de schrijftafel hangt.
De stoelen staan niet geregeld langs de wanden, de tafel staat niet precies in ’t midden der kamer, en de kleine sofa bevindt zich zelfs geheel in een afgedraaide richting; maar toch, ’t is netjes in de zitkamer van den jongen burgemeester.—Een fraai boekenhangertje! Mooie bandjes! ’t Zijn zeker werken van smaak, want de boekenkast in het achtervertrek bevat de Latijnen en Grieken.—Laat zien: Jean Paul, Claudius, Hildebrands Camera Obscura.... en.... wat ligtdáár? Dat boek, langwerpig, in groen leeren band?—Ha! ’t is een dagboek.
’t Is onbescheiden zegt gij, om zonder verlof, schrift te doorsnuffelen, en vooral den blik in een dagboek te slaan; immers de geheimen van ’t hart zijn er in opgeteekend.
Als particulier, zouden we zeker voor die kolossale onbescheidenheid terugdeinzen, maar, we voeren u als novellist de kamer binnen, en in die kwaliteit is het ons vergund overal te zien, overal te luisteren en alles te lezen, mits.... we er nimmer een slecht gebruik van maken.
Alzoo, we nemen het dagboek zonder blikken of blozen, en lezen wat ons goeddunkt, ofschoon we zeer zeker niet zullen meedeelen wat verborgen moet blijven.
Bladz. 40—1 Januari 18.3.
“Gisteren was het oudejaarsdag, en heden is het nieuwjaarsdag. Gisteren zag er alles zoo oud en zoo eerwaardig uit, en heden schijnt het mij toe alsof alles een nieuw pak heeft aangekregen; ’t is zelfs alsof die oude grauwe kerkmuur, waarop ik uit mijn venster het oog heb, ernieuwjaarsachtiguitziet. Alles!.... En—hoe zou ’t er uitzien in ’t hart van de menschen.... ik meen in ’t hart van den schrijver: A. D. V. B.?”
Bladz. 44—6 Maart 18.3.
“Gisteravond hebben wij feest op Ysbrands kamer gevierd. ’k Ging er om zeven uur alleen heen, maar benzonder mij zelvenweer thuis gekomen.... hoe laat weet ik niet. ’k Heb mijn morgengebed maar binnengehouden. Hoe meer geest naar binnen, hoe meer geest naar buiten....? Maar,—zou ’t wel de geest zijn van Hem...., ’k wil heden Zijn naam niet noemen, ’k ben te katterig.... ’k ga eens wandelen.”
Bladz. 46—15 Maart 18.3.
“Doctor!—Mr. in de beide rechten!—Professoren; Paranimfen; m’n huisploert, de nachtwachts, tot zelfs de krolschekatten, die me ’s nachts zoo ergeren, ’k zou ze wel aan ’t hart willen drukken.Ik doctor!Ik Mr. in de beide rechten!’k Zou alles wel om den hals willen vliegen.... tot jou toe, ouwe trouwe taaie waterkaraf, die me vooral in de laatste dagen zoo dikwijls met je dierbaren inhoud hebt afgekoeld. Na ’t eten dadelijk weer naar de socie! halzen genoeg om te omhelzen, en halzen in den kelder van den kastelein.... Hola! zou ’t niet beter zijn in de armen van mijn goeden vader en—ja! ja!! aan den hals van mijn lieve moeder....?”
Bladz. 51—10 Mei 18.3.
“De advocaat Mr. A. D. Van Bavik heeft consult gegeven.—Daar liggen ze voor me de zes schellingen. ’k Heb nooit geweten dat zes en dertig stuivers zoo’n som was. Verdiend! Eerlijk verdiend!—Eerlijkverdienen!—Recht en gerechtigheid!—Ik zal me voor die eerste zes schellingen het kleine Themis-beeldje koopen. ’t Kan nooit geen kwaad.”
Bladz. 52—28 Mei 18.3.
“Opgestaan; courant gelezen; aangekleed; bij Van Mees koffie gedronken; twee visites;... goed gedineerd in deLion d’or.... een aardig avondje bij Prings; fideel geomberd.... slaap!.... nog ’en kopje thee, dan naar bed.—Zeg! geest van den grooten Luther, je bent al zoolang naarBOVENverhuisd, al staat je gipsen beeld me onbeweeglijk aan te staren, zeg, lezen zedaarwaar je nou woont, ook couranten, kleeden z’er zich, drinken z’er koffie, maken z’er visites, dineeren en omberen z’er ook, en gaan ze dan slapen na ’t gebruik van ’en kopje thee? zeg?”
Bladz. 68—5 September 18.3.
““Bid en gij zult ontvangen!””—Is ’t waarheid?—Z’ is dood, al zes dagen dood, die lieve, die trouwe, die engelachtige moeder; en heb ik niet gebeden, heb ik niet ieder uur gebeden: God bewaar ze; behoed die lieve?—Was mijn gansche denken niet zelfs één biddende gedachte: Almachtige Hemelvader, spaar mij de dierbare moeder?—Zou ’t niet blijken of dat woord leugen of waarheid bevatte. Besloot ik niet Hem lief te hebbenwanneerHij ’t gebed verhoorde?—Ik heb gebeden en—zij is gestorven.
“Z’ is dood, de moeder, die mij als kind geen schaatsen wou laten rijden toen ik zoo hoestte, en me niet uit bed wou nemen toen men zei dat ik de mazelen had. Z’ is dood, die me lief had en trouw voor mij zorgde. God heeft haar niet behouden. Behouden?.... Is zij verloren? Voor eeuwig verloren? Neen, God zij gedankt! neen, ze leeft. Vader! weesmijgenadig. Die bidt zal ontvangen,zeker ontvangen: een nieuw, een heerlijker leven in een der vele woningen van het oneindige Vaderhuis.”
Bladz. 93—3 Mei 18.4.
“Arme Marie! wat ben je toch leelijk! Rood haar; sproetels, ontelbaar als de starren aan den hemel of de schelpjes aan ’t strand; ’en neus, die met alle recht bij den toren van Libanon mag vergeleken worden; ’en mond van ’enEnaks-kind, waarvoor de soeplepels mij nog te klein schijnen; ’en stem, bij lang na zoo lief nietals de stem van mijn trouwen Fik, en een paar armen, zoo lang en schraal als de winter. Arme Marie! ik zat naast haar in ’t kattebakje toen we gisteren naar buiten reden. Ze had óók blondes en bloemen in haar hoed, ze had óók witte glacé handschoenen aan. Ze vond dat bedelmeisje met die bruine oogjes en dat fijne gezichtje, óók zoo ongelukkig; ze had óók medelijden met den bultenaar die, met een mooi gekleeden aap op zijn rug, het rijtuig naliep; ze vond broodjes met zalm lekkerder dan broodjes met kaas, en zei ook—precies als al de anderen—dat een dansje in ’t groen wel aardig zou wezen.
“Arme Marie! wat ben je toch leelijk, en wat was je gisteren verschrikkelijk leelijk toen je, evenals al die blondjes en bruintjes, je hoedje hadt afgezet. Maar neen.... zooheelleelijk was je toch niet, toen je door niemand ten dans geleid, met een vroolijk gelaat ons allen stond gade te slaan. Marie, waarlijk je bent affreus leelijk, maar ’k vond je zoo ijselijk leelijk toch niet, toen er een lachje om je grooten mond kwam spelen, nadat de meeste hijgende snoepertjes zaten, en ik—aan ’t kattebakje denkende—mij over je ontfermen kwam. Marie, gelukkig dat je niet zaagt hoe Betsy achter je lachte toen ’k je mijn arm bood, en ’t bijna uitproestte, toen je met je hoogen rug aan ’t huppelen waart, en ik er op verdacht moest zijn om niet door je groote passen uit de maat te raken.
“Arme Marie....! Zou je laterDAARBOVENook zoo leelijk zijn? Zou Betsy jeDAARook uitlachen?”
Bladz. 98—6 Juni 18.4.
“Wel aardig! ’t is de gansche stad door: Van Bavik geëngageerd.—Geëngageerd met eene freule Van Hes + drie ton.—Och! die vurig begeerde tonnen ze rammelen zoo, ze wegen zoo zwaar, en ze zijn dikwijls zoo slecht bekuipt bovendien. Geëngageerd! Ik met de freule Van Hes.—Welke....? De oudste die ’k laatst bij Prings ontmoette, of de jongste wier zakdoek ik in ’t bosch opraapte? Wie zou ’t wezen? De eerste verklaarde bij Prings, dat ze verzen, van welken aard ook, vervelend en saai vond, terwijl ik de jongste, op ’t concert te midden der zachtvloeiende violonceltonen, hoorde goechelen, dat het kattengemauw was.—Ja, vader Tollens, ’k zal aanstonds voorFIK JE HONDENTROUWnog eens opsnijen, en dan de gitaar nemen en het lieveVATER UNSERnog eens luchten, da’s meteen ’t avondgebed, en—dan kunnen ze in stad, de freules Van Hes, in, of op, of met d’r tonnetjes rollen, precies waar ze ’t goed zullen vinden.”
Bladz. 115—29 November 18.4.
“Advocaten zonder praktijk zijn volle schotels zonder hongerige gasten.—Ongebruikte spijzen bederven.—Bederven!! Foei! dan beter anderen, die honger hebben, opgezocht.—Wis en zeker ’k solliciteer naar B.... c. a.”
Bladz. 116—2 December 18.4.
“Zonder kruiwagens verkruit men het zand niet. Zonder kruiwagens wordt geen student minister. ’t Is een groot voorrecht dat mijn Engel, de trouwe moeder, familiezwak had en neef uit A....altijd zoo vriendelijk ontving wanneer hij bij ons in stad kwam, terwijl ze hem na ’t eten trouw een kop koffie schonk. Die goede! ze wist toen niet dat neef minister zou worden, en haar Alexander, omdat hij lieverietsdannietswil wezen, en om een andere reden nog, naar B.... c. a. zou solliciteeren; ze wist niet dat neef mij kruien zou naar B... c.a. Zou mij die kruiwagen ook benijd worden....? Aardig! Ieder begeert zoo’n eenrad om van A naar B, en van B naar C, met winst te worden vervoerd, en—den eenigen denGROOTEN.... die wil overbrengen naar de plaats,ENGEL, waar gij zijt, Hij wordt zoo telkens veracht en met voeten geschopt. ’k Heb hem heden ook ván mij gestooten toen ik aan Smit verzekerde, datikgeen kruiwagens noodig had. Ik dacht niet aan U, ik loog, ’k was ’n uil.”
Bladz. 123—10 Januari 18.5.
“Fik heeft me vreeselijk onnoozel aangekeken toen ik hem dezen middag, plechtstatig mijne benoeming als burgemeester bekend maakte. ’t Scheen alsof ie bang was dat hij mijn secretaris zou moeten wezen, en ’t gul moest bekennen dat ie geenAvoor eenBkon. Goeje Fik! nou leg je te snorken, maartoenkeek je verschrikkelijk dom. Brand heeft me wel eens gezegd, dat Fik sprekend op mij lijkt. Alsikmaar niet op Fik gelijk zooals hij mij straks aankeek, wanneer ik te B. voor ’t eerst den gemeenteraad moet presideeren.”
Bladz. 130—1 Februari 18.5.
“’t Is al één uur na middernacht. ’k Heb niets geen slaap. ’k Bezag mij daar straks in den spiegel. Zie ik er deftiger uit? Wat eerbewijzen; wat verzekeringen van warme toegenegenheid! Die aanspraak aan mij.... aan Sandertje, die nog geen twee jaar geleden de eer genoot om op een soireetje, door den burgemeester, een straatschender genoemd te worden. Een straatschender! hoewel hij in gemoede kon verzekeren dat, op den avond waarvan sprake was, geen schel, dan zijn eigen tafelschel, door hem werd aangeraakt.—’k Ben een Edel-Achtbaar persoon; ’k moet de voetstappen drukken van een man, dien ik nooit gekend heb. “De gansche gemeente is met blijdschap vervuld,” verblijd over de komst van mij, van iemand, dien zij volstrekt niet kent; en ten slotte is het “één stem in de gemeente: Leve onze nieuwe burgemeester!”
Hoe belangstellend! Er is machtig veel goud- en zilverpapiervoor al die rosetten verknipt. ’t Zal me eens benieuwen hoe die eerebogen er zullen uitzien als ze van ’t dennengroen en van ’t vlaggedoek zullen ontdaan zijn. Aardig, die bekentenis van den tweeden aanvoerder der eerewacht: dat hij die kale plekken van zijn vosje eens handig met lintwerk bedekte. Wat werd het eensklaps donker, toen die groote pekton had uitgebrand; maar.... de starren hernamen hun recht.—Een pekton voor mijalleen, en toen, millioenen van glanzende werelden voor allen.... ’k Word zoo verward; ’k zie alles en niets.... ’k Zal nog een oogenblikje met Fik gaan spelen en zien of ie weer niezen moet als ie op eens in ’t lamplicht kijkt.”
Bladz. 133—15 Februari 18.5.
“De kale plek van ’t vosje heb ik duidelijk gezien, evengoed als ’t muizengat dáár in ’t behangsel, waarvoor den eersten dag van mijn hierzijn, die groote roset zoo’n aardig effect maakte. Och wat ’en kale plek toen de linten er af waren! ’t zag er zelfs rauw en bloederig uit, en niets er op om te bedekken. Wat zal dat vliegensteken lastig zijn! Arm dier! Maar toch, de vlieg steekt omdat hij voedsel wil, en niet uit lust tot kwellen.”
“Zou mijnheer Flitz wellicht gesolliciteerd hebben? ’t Spijt mij waarlijk dat hij van ’t paard viel.”
Bladz. 134—16 Februari 18.5.
’En stil dorp zonder wrijving, is ’en groote kabeljauwdrogerij!—Stokvisschen!—Maar, die stokken in bossen! ze zijn zoo slecht niet, als ze maar krachtig gebeukt en flink geweekt zijn. Altijd wat stokkerig maar goed van smaak.
“Vredelustligt nog al bezijden de drogerij, misschien dat de visch er daarom nog niet zoo hard is; wellicht ook is zij eerst later aangevoerd. ’t Kloppen en weeken zal daar niet zoo zwaar vallen. Ik zal.... Neen.... ik zal het 6devers van het 62stegezang nog eens nalezen en dan naar bed gaan.”
Lezer, daar hebt gij nu een brok en een hap uit dat groen lederen dagboek. Wat niet gelezen mocht worden daar hebben zelfs wij geen oog in geslagen.
Kent gij den nieuwen burgemeester nu?
Niet?.... Dat spijt me voor u en voor hem.
Nog schrijft Van Bavik; en Fik, die tot nu toe door ons onopgemerkt in zijn nest achter de kachel sliep, Fik begint te knorren want, de deur wordt geopend; de kasteleinsche treedt binnen, en brengt de boodschap van den knecht vanVredelustover: “En komplement en of burgemeester plezier had om morgen tegen vijf uren familiaar bij mijnheer Gliekke te komen dineeren om verder ook familiaar het avondje te passeeren?”
“Morgen om vijf uren?” antwoordt Van Bavik: “Compliment, juffrouw Kamp, dat ik met genoegen zal komen.”
“Maar.... maar....” herneemt de kasteleinsche, terwijl ze ook een “Koest!” tot Fik richt, die nog niet aan haar vreemde tronie gewend is.
“Watblief?” vraagt de burgemeester.
“’k Zal dan voor mijnheer den burgemeester niet behoeven te koken?” zegt de dame weder.
“’k Heb maar één maag, juffrouw Kamp,” antwoordt Van Bavik.
“A ja, ja wel,” herneemt de hospita: “maar van wegens de betaling, weet u. Eten of niet eten.... weet u....”
“Tóch betalen!” roept Van Bavik, zóó luid, dat Fik blaffende opvliegt, en juffrouw Kamp met een: “Dus complement en ja wel;” haastig vertrekt om den knecht vanVredelustte boodschappen, dat mijnheer de burgemeester, die ’en best man is maar ’en “vuilen” hond heeft, deeerzouaandoenvan met plezier te komen.
Den 18denwas er opVredelust’en heele drukte. Suze was jarig, en had behalve de geschenken der ouders en drie brieven van nichtjes Gliekke en Vos, met—stalen zonder waarde er in,—al vroegtijdig een pakje ontvangen ’t welk, zooals er buiten op stond—een nécessaire bevatte, en waarin zich: kam, haarborstel, tandenschuier, schaar, nagelborsteltje, haarspelden, een stuk polka-zeep, met nog een aantal andere noodwendigheden bevonden, waaronder een echt Engelsch likdoornsnijdertje nog vermelding verdient. Door wien dat alleraardigste cadeau werd verzonden, bleef der jarige niet duister, dewijl er mede in die nécessaire een papier lag, dat vier bladzijden poëzie bevatte en, keurig geschreven, met de namen: Barend Flitz was onderteekend.